Document 55K2774/001

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2774 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

2774/001 DOC 55 2774/001 DOC 55 07314 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 22 juni 2022 22 juin 2022 Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers INHOUD SOMMAIRE Blz. Pages Résumé.................................................................................3 Exposé des motifs................................................................4 Avant-projet de loi...............................................................85 Analyse d’impact...............................................................123 Avis du Conseil d’État.......................................................137 Projet de loi.......................................................................167 Coordination des articles..................................................209 Avis de l’Autorité de protection des données................. 380 Samenvatting........................................................................3 Memorie van toelichting........................................................4 Voorontwerp van wet..........................................................85 Impactanalyse...................................................................130 Advies van de Raad van State.........................................137 Wetsontwerp.....................................................................167 Coördinatie van de artikelen.............................................291 Advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.............404 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II PROJET DE LOI WETSONTWERP 2774/001 DOC 55 2 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit Les Engagés : Les Engagés DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant – Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 22 juin 2022. De regering heeft dit wetsontwerp op 22 juni 2022 ingediend. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 22 juin 2022. De “goedkeuring tot drukken” werd op 22 juni 2022 door de Kamer ontvangen. 3 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E SAMENVATTING Dit wetsontwerp beoogt een aantal diverse maatrege- len te nemen en wijzigingen in diverse wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen. Het ontwerp bevat onder andere: 1° wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek (voor- waarden huwelijkslocatie); 2° wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering (toezicht op langdurig opsporingsonderzoek en geluids- of audiovisuele opname hof van assisen); 3° wijzigingen van het Strafwetboek (discriminerende drijfveer bij misdrijven); 4° wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek; 5° wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek (met be- trekking tot Boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamenten”); 6° wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kans- spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (o.a. administratieve sanctie door kansspelcommissie en aanpassing maxi- mumbedrag contante betalingen); 7° wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betref- fende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen; 8° wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betref- fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten (uitbreiding penitentiair verlof en betere informatiever- strekking naar slachtoffers); 9° herstel van de vernietigde bepalingen van de zogenaamde “kraakwet” van 18 oktober 2017; 10° tijdelijke maatregel tot vermindering overbevolking in de gevangenissen, met name de vervroegde invrij- heidstelling op zes maanden voor strafeinde; 11° wijziging van artikel 18 van de Basiswet inzake de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. RÉSUMÉ Ce projet de loi vise un certain nombre de mesures diverses et des modifications dans diverses lois qui relèvent de la compétence du département de la Justice. Le projet comprend entre autres: 1° modifications de l’ancien Code civil (conditions concernant le lieu de mariage); 2° modifications du Code d’instruction criminelle (contrôle sur les informations de longue durée et cap- tation sonore ou audiovisuelle cour d’assises); 3° modifications du Code pénal (motifs discrimina- toires au niveau des infractions); 4° modifications du Code judiciaire; 5° modifications du Code civil (concernant le livre 4 “Les successions, donations et testaments”); 6° modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard , les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs (amende administrative par la Commission des jeux de hasard et montant maximum du paiement en espèce); 7° modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux; 8° modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine (extension du congé pénitentiaire et mieux informer les victimes); 9° rétablissement des dispositions de la loi du 18 octobre 2017 “incriminant le squat”; 10° mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons; 11° modification de l’article 18 de la loi de base concernant le placement et le transfèrement des détenus. 2774/001 DOC 55 4 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E MEMORIE VAN TOELICHTING Dames en Heren, TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet bepaalt artikel 1 dat de ontwerpwet de aangelegenheden regelt bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 2 Artikel 165/1 oud Burgerlijk Wetboek voorziet uitdruk- kelijk in de mogelijkheid om huwelijken te sluiten op andere plaatsen dan het gemeentehuis, onder bepaalde voorwaarden. Omwille van de coronapandemie wensen vele ge- meenten huwelijken in open lucht te organiseren. Het uitsluitend gebruiksrecht van de gemeente, dat als voorwaarde wordt gesteld in artikel 165/1 oud Burgerlijk Wetboek voor een huwelijkslocatie buiten het gemeen- tehuis, is hierbij problematisch. Wat als de buitenlocatie bijvoorbeeld eigendom is van of in erfpacht gegeven aan een autonoom gemeentebedrijf? Wat met een locatie die in concessie is gegeven aan de gemeente? Is huwen op het strand mogelijk? Dezelfde vragen stellen zich voor bepaalde binnen locaties. De huidige notie leidt tot interprÉtatieproblemen. Zo wordt het uitsluitend gebruiksrecht enerzijds geïnterpre- teerd als het beschikkingsrecht van de gemeente over de locatie, anderzijds als het exclusief voorbehouden van de locatie voor de gemeente. De Vaste Commissie voor de burgerlijke stand heeft hierover een advies uitgebracht (2022/001), dat stelt als volgt: “De voorwaarde van het uitsluitend gebruiksrecht EXPOSÉ DES MOTIFS Mesdames, Messieurs, COMMENTAIRE DES ARTICLES CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er Conformément à l’article 83 de la Constitution, l’article premier précise que le projet de loi règle des matières visées à l’article 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Modification de l’ancien Code civil Art. 2 L’article 165/1 de l’ancien Code civil prévoit expressé- ment la possibilité de célébrer des mariages en d’autres lieux que la maison communale à certaines conditions. En raison de la pandémie de coronavirus, de nom- breuses communes souhaitent organiser des mariages en plein air. L’usage exclusif de la commune posé comme condition à l’article 165/1 de l’ancien Code civil pour un lieu de célébration du mariage en-dehors de la maison communale, est problématique à cet égard. Et si, par exemple, cet autre lieu est la propriété d’une régie communale autonome ou a été cédé en emphytéose à une telle régie? Qu’en est-il lorsqu’un lieu est donné en concession à la commune? Est-ce possible de se marier sur la plage? Les mêmes questions se posent pour des espaces intérieurs. La notion actuelle pose des problèmes d’interpréta- tion. Ainsi, l’usage exclusif est interprété par certains comme le droit de la commune de disposer du lieu et par d’autres comme le fait qu’un lieu soit exclusivement réservé à la commune. La Commission permanente de l’État civil a émis l’avis suivant (2022/001): “La condition de l’usage exclusif de la commune ne constitue pas une plus-value par rapport 5 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de gemeente vormt geen meerwaarde t.o.v. de ove- rige bestaande voorwaarden, nl. de openbaarheid en het neutraal karakter van de locatie, alsook het feit dat de beslissing bij de gemeenteraad blijft. Het kan niet de bedoeling zijn om op eender welke locatie huwelijken te voltrekken. Een aanpassing van de wetgeving op dit punt is aangewezen.”. Dit artikel wil de voorwaarde van het uitsluitend ge- bruiksrecht voor de huwelijkslocatie dan ook ophef- fen. De andere voorwaarden voor de aanwijzing van een huwelijkslocatie door de gemeenteraad blijven behouden, nl. dat het huwelijk moet plaatsvinden op het grondgebied van de gemeente, op een openbare plaats met een neutraal karakter. Aangezien het moet gaan om een openbare plaats, is het niet mogelijk om een huwelijkslocatie aan te wijzen op een privélocatie, zoals bijvoorbeeld een restaurant, een concertzaal of een privétuin. Het huwelijk moet ook nog steeds worden voltrokken op het grondgebied van de gemeente van de woonplaats van een van beide aanstaande echtgenoten. Het blijft dus onmogelijk voor kustbewoners om in de Ardennen te trouwen, en omgekeerd. De gemeenten kunnen zelf best beoordelen welke plaatsen in hun gemeente geschikt zijn om als huwe- lijkslocatie te dienen, en of het gaat om een openbare plaats die voldoet aan de voorwaarde van neutraliteit. Bij twijfel kan de gemeente advies vragen aan de bevoegde procureur des Konings (die volgens artikel 191 oud Burgerlijk Wetboek de nietigverklaring kan van elk hu- welijk dat niet in het openbaar is aangegaan). HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering Art. 3 Dit artikel voert een nieuwe afdeling 1bis/1 in, in het Wetboek van Strafvordering met als opschrift: “Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling”. Art. 4 Dit artikel voorziet in de invoeging van een arti- kel 28decies in het Wetboek van Strafvordering en dit in een nieuwe afdeling 1bis/1 met als opschrift: “Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling”. aux autres conditions, à savoir la publicité et la neutralité du lieu, et le fait que la décision reste dans les mains du conseil communal. L’objectif ne peut être de célébrer des mariages à n’importe quel endroit. Une adaptation de la législation sur ce point est indiquée.”. Cet article entend dès lors abroger la condition de l’usage exclusif pour le lieu de célébration des mariages. Les autres conditions pour la détermination du lieu de célébration des mariages par le conseil communal sont maintenues, à savoir que le mariage doit avoir lieu sur le territoire de la commune, dans un lieu public, à caractère neutre. Étant donné qu’il doit s’agir d’un lieu public, il n’est pas possible de désigner un lieu de célébration du mariage dans des lieux privés, comme par exemple un restaurant, une salle de concert ou un jardin privé. Le mariage doit aussi toujours être célébré sur le territoire de la commune du domicile d’un des deux futurs époux. Il reste donc impossible pour des habitants de la côte de se marier dans les Ardennes, et vice versa. Les communes sont plus à même de déterminer quels lieux de leur commune sont appropriés pour y célébrer des mariages et s’il s’agit de lieux publics qui remplissent la condition de neutralité. En cas de doute, la commune peut demander l’avis du procureur du Roi compétent (lequel, conformément à l’article 191 de l’ancien Code civil, peut annuler tout mariage qui n’a pas été contracté publiquement). CHAPITRE 3 Modifications du Code d’instruction criminelle Art. 3 Cet article insère une nouvelle section 1rebis/1 dans le Code d’instruction criminelle, intitulée: “Du contrôle de l’information par la chambre des mises en accusation”. Art. 4 Cet article prévoit l’insertion d’un article 28decies dans le Code d’instruction criminelle, et ce dans une nouvelle section 1rebis/1 intitulée: “Du contrôle de l’information par la chambre des mises en accusation”. 2774/001 DOC 55 6 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Op deze manier wordt er een antwoord gegeven op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 15/2022  van 3 februari 2022. In dat arrest heeft het Hof gezegd voor recht dat arti- kel 136, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten. Het Hof wijst erop dat het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn van toepassing is op de gehele procedure en al op onherstelbare wijze kan wor- den geschonden tijdens de fase van het strafrechtelijk vooronderzoek (EHRM, 15 juli 2002, Stratégies et com- munications en Dumoulin t. België, § 39) (Overw. B.4.1). Artikel 13 EVRM, in samenhang gelezen met arti- kel 6 EVRM, waarborgt het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie in geval van een verdedigbare klacht over de onredelijke duurtijd van een strafrechtelijke procedure (Overw. B.5.1). Een preventief rechtsmiddel geniet in dat verband de voor- keur (B.5.2). De mogelijkheid die artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt aan de in- verdenkinggestelde in een gerechtelijk onderzoek om de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten, vormt een preventief rechtsmiddel dat erop gericht is een lopend gerechtelijk onderzoek te doen versnellen (Overw. B.6.1). Volgens het Hof, dat wijst op het ‘mini-onderzoek’, kan niet worden aangenomen dat opsporingsonderzoeken per definitie minder complex van aard zijn en daardoor geen onredelijk lange duurtijd zouden kunnen kennen (Overw. B.7.2). Het ontbreken van een preventief rechtsmiddel voor de verdachte bij een langdurig opsporingsonderzoek, terwijl wel daarin voorzien is voor de inverdenkingge- stelde in het kader van een gerechtelijk onderzoek, is bijgevolg niet pertinent volgens het Hof (Overw. B.7.3). Het arrest plaatst zich enigszins in lijn met het arrest van het GwH nr. 6/2017 van 25 januari 2017 waar er een schending werd gezien in het art. 21bis Sv. over het ontbreken van een beroep bij een onafhankelijke en onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontsten- tenis van een beslissing door het openbaar ministerie ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd verzoek om toegang tot een dossier in het opsporings- onderzoek (Overw. B.7.1). Het besloot toen al tot een onaanvaardbare ongelijkheid tussen opsporings- en Il est ainsi répondu à l’arrêt de la Cour constitu- tionnelle n° 15/2022 du 3 février 2022. Dans cet arrêt, la Cour a dit pour droit que l’article 136, alinéa 2, du Code d’instruction criminelle viole les ar- ticles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec les articles 6 et 13 de la Convention européenne des droits de l’homme, en ce qu’il ne prévoit pas pour le suspect une voie de recours préventive effective qui vise à accélérer une information en cours si cette information n’est pas encore clôturée après une année. La Cour attire l’attention sur le fait que le droit à un procès équitable dans un délai raisonnable s’applique à l’ensemble de la procédure et peut déjà être irrémédia- blement compromis au cours de l’information préliminaire (CEDH, 15 juillet 2002, Stratégies et communications et Dumoulin c. Belgique, § 39) (Cons. B.4.1). L’article 13 de la CEDH, lu en combinaison avec l’article 6 de la CEDH, garantit le droit à un recours effectif devant une instance nationale dans le cas d’un grief défendable concernant la durée déraisonnable d’une procédure pénale (Cons. B.5.1). Un recours préventif est préférable (Cons. B.5.2) La possibilité offerte à l’inculpé par l’article 136, alinéa 2, du Code d’instruction criminelle de saisir la chambre des mises en accusation dans le cadre d’une instruction si cette dernière n’est pas encore clôturée après une année constitue un recours préventif qui vise à accélérer une instruction en cours (Cons. B.6.1). Selon la Cour, qui pointe sur la mini-instruction, il ne saurait être admis que l’information soit par défini- tion moins complexe de nature et qu’elle ne puisse dès lors durer déraisonnablement longtemps (Cons. B.7.2). L’absence d’une voie de recours préventive pour le suspect dans le cadre d’une information de longue durée, alors qu’un tel recours est prévu pour l’inculpé dans le cadre d’une instruction, n’est dès lors pas pertinente (Cons. B.7.3). L’arrêt se place quelque peu en ligne avec l’arrêt de la Cour constitutionnelle. n° 6/2017 du 25 janvier 2017, où une violation avait été constatée à l’art. 21bis du Code d’instruction criminelle concernant l’absence de recours devant un juge indépendant et impartial contre le refus ou l’absence de décision du ministère public quant à une demande d’accès à un dossier à l’informa- tion formulée par la personne soupçonnée (Cons. B.7.1). À l’époque, la Cour avait déjà statué sur une inégalité inacceptable entre l’information et l’instruction. (Voir 7 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gerechtelijk onderzoek (Zie ook R. VERSTRAETEN, “Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onder- zoek: werelden van verschil of tijd voor een eengemaakt vooronderzoek? Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 juni 2020”, Nullum Crimen 2020, p. 423). Om aan de vastgestelde schending te remediëren voorziet het nieuwe artikel 28decies in een vergelijkbare controle op het verloop van het opsporingsonderzoek als in artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldi- gingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte of de benadeelde persoon. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wet- tigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van zaken en kennis nemen van de dossiers en de bij de artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur des Konings in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de benadeelde persoon, de verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laat- ste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De ver- zoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing. Artikelen 5 tot 12 Harmonisering van de straffen Voor de uitvoering van verscheidene onderzoeks- maatregelen, zoals degene die voorzien zijn in de artike- len 39ter, 46bis, 46bis/1, 46ter, 46quater, 88bis, 88quater en 90quater van het Wetboek van strafvordering, kan de medewerking van derden van essentieel belang zijn. Weigering tot medewerking of te late of nalatige aussi R. VERSTRAETEN, “Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek: werelden van verschil of tijd voor een eengemaakt vooronderzoek? Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 25 juni 2020”, Nullum Crimen 2020, p. 423). Afin de remédier à la violation constatée, le nouvel article 28decies prévoit un contrôle sur le cours des informations comparable à celui prévu l’article 136, alinéa 2, du Code d’instruction criminelle. Si l’information n’est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée de l’inculpé ou la partie lésée adressée au greffe de la cour d’appel. S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de l’information, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu’il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d’office, demander des rapports sur l’état des affaires et peut prendre connais- sance des dossiers et prendre les mesures prévues aux articles 235 et 235bis. Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur du Roi en son rapport, hors la présence des parties si elle l’estime utile. Elle peut également entendre la partie lésée, l’inculpé et leurs conseils, sur convoca- tion qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l’audience. La chambre des mises en accusation statue sur la requête par arrêt motivé, qui est communiqué au procureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Le requérant ne peut déposer de requête ayant le même objet avant l’expiration du délai de six mois à compter de la dernière décision. Articles 5 à 12 Harmonisation des peines Pour l’exécution de plusieurs mesures d’enquêtes, telles que celles prévues aux articles 39ter, 46bis, 46bis/1, 46ter, 46quater, 88bis, 88quater et 90quater du Code d’instruction criminelle, la collaboration de tiers peut s’avérer essentielle. Par conséquent, le refus de colla- borer ou l’exécution tardive ou négligée de la demande 2774/001 DOC 55 8 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uitvoering van de vraag om medewerking kan derhalve schadelijk zijn voor het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek. Gezien het belang van deze samenwerking voor het welslagen van het onderzoek, heeft de wetgever wet- telijke verplichtingen ingevoerd om mee te werken aan de uitvoering van deze maatregelen. De wetgever heeft voorzien in strafrechtelijke sancties op de niet-nakoming van deze verplichtingen om eenieder te dwingen op de vereiste wijze en tijd aan de uitvoering van de maatregel mee te werken. Momenteel kunnen de voorziene sancties echter van artikel tot artikel verschillen, zonder dat er altijd sprake is van enige logica. De artikelen 5 tot 12 beogen aldus de harmonisatie van de sancties. Aangezien de strafbaarstellingen bijna altijd dezelfde zijn, moeten de strafvorken ook even groot zijn. Ze moeten ruim zijn, zodat de rechter rekening kan houden met bepaalde criteria, zoals de financiële en sociale situatie van de betrokken natuurlijke persoon en de omzet en de grootte van de onderneming wan- neer het om een rechtspersoon gaat. Aangezien deze strafbaarstellingen vaak (maar niet altijd) tegen bijzonder grote technologie- of communicatiebedrijven zijn gericht, moet de maximumdrempel hoog genoeg zijn om hun medewerking te vereisen. Tegelijk dient aan de rechter voldoende ruimte voorzien te worden zodat hij rekening kan houden met het statuut (rechtspersoon of natuurlijke persoon) van de betrokken persoon. Daarom is besloten het maximumbedrag van de geldboete te verhogen tot dertigduizend euro. Deze verhoging wordt ook gerechtvaardigd door het feit dat in alle artikelen de gevangenisstraffen voor het basis- misdrijf van niet-medewerking niet zijn gehandhaafd. Aangezien gevangenisstraf het ultimum remedium moet zijn, was het niet opportuun om deze straf voor deze strafbare feiten te handhaven. Voor rechtspersonen kan de geldboete echter hoger uitvallen, wanneer een gevangenisstraf is voorzien, door de toepassing van het omrekeningsmechanisme van artikel 41bis van het strafwetboek. Daarom is de wetgever van oordeel dat een strafmarge van honderd euro tot dertigduizend euro gerechtvaardigd en evenredig is. Op deze manier is er geen significante strafverlaging voor rechtspersonen en heeft de rechter voldoende ruimte om de straffen te individualiseren, zonder dat daarbij het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt: in theorie kan de minimumboete en de maximumboete opgelegd worden voor zowel natuurlijke personen als voor rechtspersonen. de collaboration peut être dommageable pour l’enquête ou l’instruction. Au vu de l’importance de cette coopération pour le succès de l’enquête, le législateur a instauré des obligations légales de coopérer à la mise en œuvre de ces mesures. Il a prévu de sanctionner pénalement le non-respect de ces obligations afin de contraindre toute personne à collaborer à l’exécution de la mesure selon la manière et au moment requis. Cependant, actuellement, les peines prévues peuvent varier d’un article à l’autre, sans qu’il n’y ait toujours une cohérence. Les articles 5 à 12 ont dès lors pour objectif d’har- moniser les sanctions. En effet, les incriminations étant pratiquement à chaque fois les mêmes, les fourchettes de peines doivent être de la même grandeur. Elles doivent être larges pour permettre au juge de tenir compte de certains critères, dont la situation financière et sociale de la personne physique et le chiffre d’affaire et la taille de l’entreprise pour la personne morale. Puisque ces incrimi- nations visent souvent (mais pas toujours) des entreprises de technologie ou de communication particulièrement grandes, le seuil maximum doit être suffisamment élevé pour exiger leur coopération. Parallèlement, une marge de manœuvre suffisante doit être laissée au juge pour qu’il puisse tenir compte du statut (personne morale ou personne physique) de la personne concernée. Il a dès lors été décidé d’augmenter le seuil maximum de l’amende à trente mille euros. Cette augmentation se justifie également par le fait que dans tous les articles, les peines de prison pour l’infraction de base de non-col- laboration n’ont pas été conservées. La peine de prison devant être l’ultime recours, il n’était pas opportun de conserver cette peine pour ces infractions. Toutefois, dans le cas des personnes morales, la fourchette de la peine d’amende pouvait être plus élevée, lorsqu’une peine de prison est prévue, par l’application du mécanisme de conversion prévu à l’article 41bis du Code pénal. Par conséquent, le législateur estime qu’une fourchette de peine de cent euros à trente mille euros est justifiée et proportionnée. De cette manière, il n’y a pas de réduction significa- tive des peines pour les personnes morales et le juge dispose d’une marge de manœuvre suffisante pour individualiser les peines sans violer le principe d’éga- lité: en théorie, les amendes minimales et maximales peuvent être imposées tant aux personnes physiques qu’aux personnes morales. 9 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voorts moeten ook de in artikel 88quater, § 3, en arti- kel 90quater, § 4, bedoelde strafbare feiten en sancties op elkaar worden afgestemd, aangezien deze medewer- kingsverplichtingen een soortgelijk specifiek karakter hebben. Dezelfde verzwarende omstandigheid als die van artikel 88quater, § 3, wordt dus ingevoerd in arti- kel 90quater, § 4. Gezien de ernst van de verzwarende omstandigheid (een strafbaar feit had kunnen worden voorkomen of de gevolgen hadden kunnen worden beperkt indien de betrokkene had meegewerkt), wordt de gevangenisstraf hier wel gehandhaafd. De Raad van State merkt in haar advies met  nr. 71 320/1-2-3-4 bij artikel 11 op dat de verwijzing naar artikel 88bis, § 4, laatste lid, van het Wetboek van strafvordering vervangen moet worden door een verwijzing naar artikel 88bis, § 2, laatste lid. Deze op- merking wordt niet gevolgd. § 2 en § 3 van artikel 88bis zijn wel degelijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021, maar worden hersteld en dus opnieuw ingevoerd door het wetsont- werp betreffende het verzamelen en het bewaren van de identificatiegegevens en van metagegevens in de sector van de elektronische communicatie en de verstrekking ervan aan de autoriteiten (goedgekeurd in Commissie Economie van de Kamer in eerste lezing dd. 1 juni 2022). We moeten dus wel degelijk verwijzen naar 88bis, § 4, laatste lid van het Wetboek. Vervanging door de juiste verwijzing Met het arrest nr. 174/2018 van 6 december 2018 heeft het Grondwettelijk Hof de wet van 25 december 2016 hou- dende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvor- dering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van een gegevensbank stemafdrukken, gedeeltelijk nietig verklaard. Het heeft met name het nieuwe artikel 39bis, § 3, van het Wetboek van strafvordering nietig verklaard voor zover het geen machtiging van de onderzoeksrechter vereist om een maatregel tot uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem te nemen. Om een rechts- vacuüm te voorkomen, heeft het Hof ook artikel 13 van dezelfde wet tot intrekking van het vroegere artikel 88ter van het Wetboek van Strafvordering nietig verklaard. Bij de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalin- gen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek heeft de wetgever ver- schillende artikelen van het Wetboek van strafvordering gewijzigd om tegemoet te komen aan dit arrest van het Grondwettelijk Hof. In artikel 90quater staat echter nog een verwijzing naar artikel 39bis, § 3, die na vernietiging Par ailleurs, il y a lieu d’également aligner les incri- minations et les peines prévues aux articles 88quater, § 3 et 90quater, § 4, ces obligations de coopération ayant une spécificité similaire. Ainsi, une même circonstance aggravante que celle prévue à l’article 88quater, § 3 est introduite à l’article 90quater, § 4. Vu la gravité de la circonstance aggravante (une infraction aurait pu être évitée ou les effets limités si la personne avait collaboré), la peine de prison est ici maintenue. Le Conseil d’État note dans son avis avec n° 71 320/1- 2-3-4 sur l’article 11 que la référence à l’article 88bis, § 4, dernier alinéa, du Code d’instruction criminelle doit être remplacée par une référence à l’article 88bis, § 2, dernier alinéa. Cette observation n’est pas suivi. Les §§ 2 et 3 de l’article 88bis ont en effet été annulés par la Cour consti- tutionnelle par son arrêt n° 57/2021 du 22 avril 2021, mais sont rétablis et donc réintroduits par le projet de loi relatif à la collecte et à la conservation des données d’identifi- cation et des métadonnées dans le secteur des commu- nications électroniques et à la fourniture de ces données aux autorités (approuvé en Commission Économie de la Chambre en première lecture le 1er juin 2022). Nous devons donc nous référer à l’article 88bis, § 4, dernier alinéa du Code. Remplacement par la juste référence Par l’arrêt n° 174/2018 du 6 décembre 2018, la Cour constitutionnelle a annulé partiellement la loi du 25 dé- cembre 2016 portant des modifications diverses au Code d’instruction criminelle et au Code pénal, en vue d’améliorer les méthodes particulières de recherche et certaines mesures d’enquête concernant Internet, les communications électroniques et les télécommunications et créant une banque de données des empreintes vocales. Elle a notamment annulé le nouvel article 39bis, § 3 du Code d’instruction criminelle, en ce qu’il n’exigeait pas l’autorisation du Juge d’instruction pour prendre une mesure d’extension de la recherche dans un système informatique. Afin d’éviter un vide juridique, la Cour a également annulé l’article 13 de la même loi abrogeant l’ancien article 88ter du Code d’instruction criminelle. Par la loi du 5 mai 2019 portant des dispositions diverses en matière pénale et en matière de cultes, et modifiant la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie et le Code pénal social, le législateur a modifié plusieurs articles du Code d’instruction Criminelle afin de répondre à cet arrêt de la Cour Constitutionnelle. Cependant, dans l’article 90quater, il y avait encore une référence à l’article 39bis, § 3, devenue erronée suite à l’annulation 2774/001 DOC 55 10 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van dat artikel foutief is geworden. Dit dient derhalve te worden vervangen door de juiste verwijzing, namelijk naar artikel 88ter, vierde lid. Art. 13 Dit artikel wijzigt artikel 136bis van het Wetboek Strafvordering waar wordt bepaald dat de partijen en hun advocaten kunnen worden gehoord na kennis- geving door de griffier “per faxpost of bij een ter post aangetekende brief” en brengt het in overeenstemming met de in het ontworpen artikel 28decies gehanteerde begrippen inzake de kennisgeving, zijnde “per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg”. Net zoals het geval is in de artikelen 21bis en 61ter Sv. Er wordt op die manier gevolg gegeven aan het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4). Art. 14 In de huidige bewoordingen van artikel 162ter, eerste en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, zijn er twee tarieven van de administratieve toeslag mogelijk bij een vonnis, namelijk 8,84 euro (eerste lid, doordat verwezen wordt naar de administratieve toeslag bedoeld in het zevende lid van artikel 216bis, § 1) en 25,32 euro (tweede lid), afhankelijk van het feit of er al dan niet een minnelijke schikking is voorgesteld. Dat was niet de bedoeling bij de invoering van de administratieve toeslag. Het tarief van de administratieve toeslag wordt met deze wetswijziging gelijkgetrokken, wat eenduidigheid meebrengt voor de betrokkene en de magistraten. Art. 15 Er is discussie gerezen of de administratieve toeslag al dan niet expliciet moet worden opgenomen in het vonnis. Gezien de toeslag geen deel uitmaakt van de veroordeling, zoals bevestigd door de Raad van State in advies nr. 69 279/1 op de Programmawet van 21 juni 2021, moet de toeslag niet worden vermeld. Door het weglaten van de verwijzing naar de administratieve toeslag in deze bepaling, wordt dat verduidelijkt. Art. 16 Artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering voor- ziet in een wetswijziging voor wat betreft het volgberoep voor beklaagden. Een problematiek waar de Orde van de de cet article. Il convient dès lors de la remplacer par la juste référence, soit l’article 88ter, alinéa 4. Art. 13 Cet article modifie l’article 136bis du Code d’instruction criminelle où il est prévu que les parties et leurs avo- cats peuvent être entendus sur convocation du greffier “par télécopie ou par lettre recommandée à la poste” et l’aligne sur les notions de notification utilisées dans l’article 28decies en projet, soit “par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique”. Comme c’est le cas aux articles 21bis et 61ter CIC. Il est donné suite de cette manière à l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4). Art. 14 Dans la rédaction actuelle de l’article 162ter, ali- néas 1 et 2 du Code d’instruction criminelle, deux taux de la redevance administrative sont possibles en cas de jugement, à savoir 8,84 euros (premier alinéa, par réfé- rence à la redevance administrative visée à l’article 216bis, § 1er, septième alinéa) et 25,32 euros (deuxième alinéa), selon qu’une transaction pénale a été proposé ou non. Ce n’était pas l’intention lorsque la redevance admi- nistrative a été introduite. Avec cette modification de la loi, le taux de la redevance administrative sera aligné, ce qui apporte de la clarté pour la personne concernée et les magistrats. Art. 15 Une discussion a eu lieu pour savoir si la redevance administrative devait être explicitement incluse dans le jugement ou non. Comme la redevance ne fait pas partie de la peine, comme l’a confirmé le Conseil d’État dans son avis n° 69 279/1 sur la loi programme du 21 juin 2021, la redevance ne doit pas être mentionnée. En omettant la référence à la redevance administrative dans cette disposition, cela est clarifié. Art. 16 L’article 203 du Code d’instruction criminelle prévoit une modification pour ce qui concerne l’appel de suivi pour les prévenus. Une problématique que l’Ordre des 11 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Vlaamse Balies op wees in de brief van 26 juli 2021 en haar bezorgdheid over uitte. Het geeft daarom een gevolg aan de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in de arresten GwH nrs. 96/201 9 van 6 juni 2019 en 103/2021 van 8 juli 2021. Op dit moment beschikt het Openbaar Ministerie zowel bij de rechtbank die uitspraak deed als bij het appelgerecht over de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen. Tegen beslissingen van de correctionele rechtbank, gaat het daarbij respectievelijk over enerzijds de procureur des Konings of de arbeidsauditeur en an- derzijds de procureur-generaal. Tegen beslissingen van de politierechtbank gaat het daarbij respectievelijk over de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in de hoedanigheid van openbaar ministerie bij politierechtbank of ook bij de correctionele rechtbank als appelgerecht (art. 202, 5°, Sv.). Sinds de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie (Belgisch Staatsblad 19 fe- bruari 2016) of de zogenaamde Potpourri-II wet, voorziet huidig art. 203, eerste paragraaf, tweede lid, Sv. (Parl. St. Kamer, DOC 54-1418/001, p. 83/395), dat het openbaar ministerie over een volgberoep beschikt of een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld. Het was daarbij zo voorzien dat de termijn inging in op de dag na het hoger beroep van de beklaagde. Het Openbaar Ministerie kon de standaardberoepstermijn van dertig dagen overschrij- den, met name wanneer de beklaagde hoger beroep aantekende tussen de twintigste en dertigste dag van zijn termijn (Cass. 27 november 2017, A.R. P.17 0761.F.). Het openbaar ministerie kon die termijn niet gebruiken om hoger beroep in te stellen tegen andere beklaagden of burgerrechtelijk aansprakelijke partijen. De grondwettelijke rechtspraak zette deze regeling echter op de helling. In het arrest nr. 96/2019 van 6 juni 2019 heeft het Grondwettelijk Hof allereerst gezegd voor recht dat ar- tikel 203, eerste paragraaf, Sv., in samenhang gelezen met artikel 204 Sv., de artikelen 10 en 11 GW, in samen- hang gelezen met artikel 6, eerste lid, EVRM schendt, in zoverre het, wanneer de procureur des Konings tussen de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, voor de beklaagde niet voorziet in eenzelfde bijkomende termijn. De gevolgen van art. 203, eerste paragraaf, werden door het arrest gehandhaafd voor de barreaux flamands avait pointé dans la lettre du 26 juil- let 2021 et avait exprimé son inquiétude à ce sujet. Il donne pour cette raison suite à la jurisprudence de la Cour constitutionnelle dans les arrêts C.const. n° 96/2019 du 6 juin 2019 et 103/2021 du 8 juillet 2021. À l’heure actuelle, le Ministère Public a la possibi- lité d’interjeter appel auprès du tribunal qui a rendu la décision et auprès de la juridiction d’appel. Contre les décisions du tribunal correctionnel, il s’agit, d’une part, du procureur du Roi ou de l’auditeur de travail et, d’autre part, du procureur général. Contre les décisions du tribunal de police cela concerne respectivement le procureur du Roi ou l’auditeur de travail en qualité de ministère public près le tribunal de police ou encore le tribunal correctionnel en tant que juridiction d’appel (art. 202, 5°, CIC). Depuis la loi du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice (Moniteur Belge 19 février 2016) ou la loi dite Potpourri-II, l’actuel art. 203, paragraphe premier, deuxième alinéa, prévoit (Doc. Parl. Chambre, DOC 54-1418/001, p. 83/395) que le Ministère Public dispose d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel, après que le prévenu ou la partie civi- lement responsable a interjeté appel. Il était prévu que le délai commençait à courir le lendemain de l’appel du prévenu. Le Ministère Public pourrait dépasser le délai normal de recours de trente jours, notamment si le prévenu interjetait appel entre le vingtième et le trentième jour de son délai (Cass. 27 novembre 2017, R.G. P.17 0761.F.). Le ministère public ne pouvait utiliser ce terme pour interjeter appel contre d’autres prévenus ou parties civilement responsables. Cependant, la jurisprudence constitutionnelle a contesté cette réglementation. Dans son arrêt n° 96/2019 du 6 juin 2016 la Cour constitutionnelle a tout d’abord dit pour droit que l’ar- ticle 203, premier paragraphe, CIC, lu en combinaison avec l’article 204, viole les articles 10 et 11 Const., lus en combinaison avec l’article 6, paragraphe 1er, de la CESDH en ce qu’il ne prévoit pas, lorsque le procureur du Roi fait appel d’un jugement contradictoire entre le vingtième et le trentième jour du délai d’appel, un même délai supplémentaire pour le prévenu. Les effets de cette disposition sont maintenus pour les décisions judiciaires contradictoires définitives rendues avant 2774/001 DOC 55 12 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen zijn vóór 3 juni 2020 zijnde de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad (p. 38946-38951). In het arrest nr. 103/2021 van 8 juli 2021 heeft het Grondwettelijk Hof vervolgens gezegd voor recht dat artikel 205 Sv., de artikelen 10 en 11 GW, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, EVRM schendt, in zoverre het, wanneer het Openbaar Ministerie zijn beroep heeft beperkt tot bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg gewezen vonnis, voor de beklaagde die geen beroep heeft aangetekend op grond van de artikelen 203 en 204 Sv., niet voorziet in een bijkomende termijn van tien dagen die volgen op de datum van de betekening van dat hoger beroep om volgberoep in te stellen. De gevolgen van die bepaling worden gehandhaafd voor de definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen zijn vóór de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad. Ingevolge deze rechtspraak is een wetswijziging nood- zakelijk. Daar werd ook al op gewezen in het raam van de hervorming van het Wetboek van Strafprocesrecht waar de ontworpen tekst op gebaseerd is. In de voorgestelde regeling wordt de mogelijkheid om een nakomend hoger beroep in te stellen binnen een bijkomende termijn van tien dagen veralgemeend, zoals voorzien in het wetsvoorstel houdende het Wetboek van Strafprocesrecht, tot alle partijen, met inbegrip van de beklaagde (M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de procédure pénale en projet: quelques lignes de force”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, V. FRANSSEN en A. MASSET (ed.), Luik, Anthémis, Coll. Commission Université-Palais, 2019, nr. 40, p. 157; M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de procédure pénale en projet: quelques lignes de force”, Pli Juridique, nr. 52, juni 2020, nr. 40, p. 16). De wetgever is daarbij aansluitend voorts van mening dat het huidige artikel 205 Sv. en het specifieke hoger beroep van het openbaar ministerie in graad van hoger beroep dat het voorziet, kan worden geschrapt, aangezien dat overlapt met het nakomend hoger beroep waartoe het parket op algemene wijze de mogelijkheid heeft. Door de opheffing van artikel 205 Sv. (artikel 17 van het voorontwerp), wordt in artikel 203, § 1, eerste lid, van hetzelfde wetboek ook de zinsnede “Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna,” opgeheven en dit ingevolge het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4). De tweede paragraaf herneemt de bijkomende termijn van tien dagen voor het openbaar ministerie nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld, zoals die werd ingevoegd le 3 juin 2020 c’est-à-dire la publication de l’arrêt au Moniteur belge (p. 38946-38948). Dans l’arrêt n° 103/2021 du 8 juillet 2021 la Cour consti- tutionnelle a ensuite dit pour droit que l’article 205 CIC, viole les articles 10 et 11 Const., lus en combinaison avec l’article 6, paragraphe 1er, de la CESDH, en ce que, lorsque le Ministère Public a limité son appel à certaines parties du jugement rendu en première instance, cet article n’offre pas au prévenu qui n’a pas interjeté appel en vertu des articles 203 et 204 CIC un délai supplémentaire de dix jours à compter du lendemain de la signification de cet appel pour réagir à cet appel en formant appel à son tour. Les effets de cette disposition sont maintenus en ce qui concerne les décisions judiciaires contradictoires définitives rendues avant la publication du présent arrêt au Moniteur belge. En vertu de cette jurisprudence, une modification de la loi est nécessaire. Cela a également été souligné dans le cadre de la réforme du Code de procédure pénale sur laquelle se fonde le texte en projet. Dans la réglementation proposée la possibilité d’inter- jeter un appel subséquent dans un délai supplémentaire de dix jours est, en revanche, généralisée à l’ensemble des parties, en ce compris le prévenu, comme prévue dans la proposition contenant la Code de procédure pénale (M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de procédure pénale en projet: quelques lignes de force”, in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, V. FRANSSEN et A. MASSET (sous la dir. de), Liège, Anthémis, Coll. Commission Université-Palais, 2019, n° 40, p. 157; M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de procédure pénale en projet: quelques lignes de force”, Pli Juridique, n° 52, juin 2020, n° 40, p. 16). De plus, le législateur est d’avis que l’actuel article 205 CIC et l’appel spécifique du Ministère Public d’appel qu’il pré- voit, peut être supprimé dans la mesure où celui-ci fait double emploi avec la possibilité d’appel subséquent ouvert de manière générale au parquet. En raison de la suppression de l’article 205 CIC (l’article 17 de l’avant-projet), la phrase “, sauf l’exception portée en l’article 205 ci-après,”, à l’article 203, § 1er, alinéa 1er, du même code, est également supprimée et ceci suite à l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4). Le deuxième paragraphe reprend le délai supplémen- taire de dix jours ouvert au ministère public après que le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, tel qu’il avait été inséré par l’article 88 de la loi 13 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door artikel 88 van de wet van 5 februari 2016 tot wij- ziging van het strafrecht en de strafvordering en hou- dende diverse bepalingen inzake justitie (Belgisch Staatsblad 19 februari 2016). In tegenstelling tot hetgeen thans is bepaald bij arti- kel 203, § 1, tweede lid, Sv., zoals uitgelegd door het Hof van Cassatie (Cass. 29 november 2017, A.R. P.17 0761.F.), geldt als aanvangspunt van die bijkomende termijn evenwel niet langer de dag waarop hoger beroep is ingesteld door de beklaagde of door de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, maar wel degelijk het verstrijken van de termijn voor hoger beroep die voor hen openstaat. De oplossing die erin bestaat de bijkomende termijn te laten ingaan vanaf het hoofdberoep is immers amper werkbaar, vermits zij de partijen verplicht om elke dag op de griffie na te gaan of hoger beroep werd aangetekend. De gekozen oplossing, namelijk de bijkomende ter- mijn voor nakomend hoger beroep van het parket laten ingaan vanaf het verstrijken van de termijn voor hoger beroep die openstond voor de beklaagde, betekent echter niet dat het parket systematisch een termijn voor hoger beroep van 40 dagen (30+10) krijgt wanneer het parket nakomend hoger beroep wil instellen. Indien het in eerste aanleg gewezen vonnis ten aan- zien van de beklaagde werd uitgesproken bij verstek, situeert het aanvangspunt van zijn termijn voor hoger beroep zich immers op de dag van de betekening van het vonnis, terwijl de termijn voor hoger beroep van het parket ingaat op de dag van de uitspraak. In een der- gelijke hypothese heeft het parket dus eerst 30 dagen de tijd, te rekenen van de uitspraak, om (hoofd)beroep aan te tekenen, en vervolgens opnieuw 10 dagen, te rekenen van het verstrijken van een termijn van 30 da- gen volgend op de betekening van het vonnis, om in voorkomend geval te reageren op het hoger beroep van de beklaagde en nakomend hoger beroep in te stellen. Overeenkomstig de al aangehaalde lering van het Grondwettelijk Hof bekrachtigt artikel 203, tweede pa- ragraaf, tweede lid, bovendien voortaan eenzelfde bijkomende termijn van tien dagen ten gunste van de beklaagde en van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die wensen te reageren op hoger beroep ingesteld door het parket. Zoals het geval is voor nakomend hoger beroep van het parket, en om dezelfde redenen, gaat deze bijko- mende termijn in bij het verstrijken van de termijn voor hoger hoofdberoep die openstond voor het openbaar ministerie. du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice (Moniteur Belge 19 février 2016). Contrairement à ce qui est actuellement prévu par l’article 203, § 1er, alinéa 2, CIC tel qu’interprété par la Cour de cassation (Cass., 29 novembre 2017, R.G. P.17 0761.F.), le point de départ de ce délai supplémen- taire n’est toutefois plus le jour où l’appel est formé par le prévenu ou la partie civilement responsable, mais bien l’expiration du délai d’appel qui leur était ouvert. La solution qui consiste à faire courir le délai supplé- mentaire à dater de l’appel principal n’est en effet guère praticable, puisqu’elle oblige les parties à vérifier chaque jour au greffe si un appel a été interjeté. La solution retenue, consistant à faire courir le délai supplémentaire pour l’appel subséquent du Parquet à partir de l’expiration du délai d’appel qui était ouvert au prévenu n’équivaut toutefois pas à donner systématique- ment au Parquet un délai d’appel de 40 jours (30+10) lorsqu’il entend former un appel subséquent. Si le jugement rendu en première instance a été prononcé par défaut à l’égard du prévenu, le point de départ de son délai d’appel se situe en effet au jour de la signification du jugement, alors que le délai d’appel du Parquet court à dater du prononcé. Dans une telle hypothèse, le Parquet a donc d’abord 30 jours à da- ter du prononcé pour interjeter appel (principal), puis à nouveau 10 jours à dater de l’expiration d’un délai de 30 jours suivant la signification du jugement pour réagir le cas échéant à l’appel du prévenu et former un appel subséquent. Conformément à l’enseignement de la Cour consti- tutionnelle déjà mentionné, l’article 203, deuxième paragraphe, alinéa 2, consacre en outre désormais un même délai supplémentaire de dix jours au bénéfice du prévenu et de la partie civilement responsable qui souhaitent réagir à l’appel formé par le Parquet. Comme pour l’appel subséquent du Parquet et par identité de motifs, le point de départ de ce délai sup- plémentaire se situe à également à l’expiration du délai d’appel principal qui était ouvert au ministère public. 2774/001 DOC 55 14 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Tot slot, en naar analogie van hetgeen bepaald is in huidig artikel 203, tweede paragraaf, Sv., stelt artikel 203, § 2, tweede lid, Sv. eveneens een bijkomende termijn van tien dagen open voor de burgerlijke partij tegen wie hoofdberoep is ingesteld, zodat zij beklaagden en burgerrechtelijk aansprakelijke partijen in de zaak kan doen blijven. Net als voor de twee andere bijkomende termijnen, gaat ook deze termijn van tien dagen in bij het verstrijken van de termijn voor hoger hoofdberoep van de tegenpartij. Art. 17 De wetgever is voorts van oordeel dat huidig ar- tikel 205 Sv., en het specifiek hoger beroep van het openbaar ministerie waarin het voorziet, kan worden geschrapt aangezien het overlapt met de mogelijkheid tot nakomend hoger beroep dat over het algemeen openstaat voor het parket. Het volgt op deze manier de visie van de experten van de Commissie voor de hervorming van het straf- procesrecht die stellen: “De Commissie was voorts van mening dat het huidige artikel 205 van het Wetboek van Strafvordering en het specifieke hoger beroep van het openbaar ministerie in graad van hoger beroep dat het voorziet, kon worden geschrapt, aangezien dat overlapt met het nakomend hoger beroep waartoe het parket op algemene wijze de mogelijkheid heeft.” (Parl. St. Kamer, DOC 55-1239/001, p. 46/729). Art. 18 Dit artikel voorziet in de invoeging van een arti- kel 258/1 in het Wetboek van Strafvordering. De bepaling is vergelijkbaar met de regeling in Frankrijk in artikel 802-3 Code de procédure pénale, ingevoerd door artikel 9 van de wet nr. 2020-1672 van 24 de- cember 2020 na een amendement van de regering (CL 124 van 23 november 2020) en artikel A. 53- 10 van hetzelfde wetboek, ingevoerd door een besluit van 23 juli 2021. Dit initiatief beantwoordde aan een behoefte met het oog op het proces van de aanslagen van 13 november 2015, dat in 2021 plaatsvindt voor het bijzonder hof van assisen inzake terrorisme te Parijs met meer dan 1750 burgerlijke partijen (zie o.a. C. LA CROIX, “La place des victimes dans les grands procès”, AJP 2021, n° 1, p. 20). In het artikel 258/1 van het Wetboek van Strafvordering wordt voorzien in de mogelijkheid om van de debatten ter terechtzitting een geluids- of -audiovisuele opname te maken die de uitgestelde uitzending mogelijk maakt ten Enfin, et à l’instar de ce que prévoit l’actuel article 203, paragraphe deux, du Code d’instruction criminelle, l’article 203, § 2, alinéa 2, CIC ouvre également un délai supplémentaire de dix jours à la partie civile contre laquelle un appel principal est dirigé, de manière à ce qu’elle puisse maintenir à la cause des prévenus et personnes civilement responsables. Comme pour les deux autres délais supplémentaires, ce délai de dix jours court lui aussi à partir de l’expiration du délai d’appel principal de la partie adverse. Art. 17 Le législateur a par ailleurs estimé pouvoir supprimer l’actuel 205 du CIC et l’appel spécifique du ministère public d’appel qu’il prévoit, dans la mesure où celui-ci fait double emploi avec la possibilité d’appel subséquent ouvert de manière générale au Parquet. En ce sens, il suit le point de vue des experts de la Commission pour la réforme de la procédure pénale, qui déclarent: “La Commission a par ailleurs estimé pouvoir supprimer l’actuel article 205 du Code d’instruction cri- minelle et l’appel spécifique du ministère public d’appel qu’il prévoit, dans la mesure où celui-ci fait double emploi avec la possibilité d’appel subséquent ouvert de manière générale au Parquet.” (Doc.Parl. Chambre, DOC 55-1239/001, p. 46/729). Art. 18 Cet article prévoit l’insertion d’un article 258/1 dans le Code d’instruction criminelle. La disposition est comparable à la réglementation prévue en France à l’article 802-3 du Code de procé- dure pénale, introduit par l’article 9 de la loi n° 2020- 1672 du 24 décembre 2020 après un amendement du gouvernement (CL 124 du 23 novembre 2020) et l’article A. 53-10 du même Code, inséré par un arrêté du 23 juillet 2021. Cette initiative répondait à un besoin en vue du procès des attentats du 13 novembre 2015, qui se déroule en 2021 devant la cour d’assises spé- ciale de Paris en matière de terrorisme et qui implique plus de 1 750 parties civiles (voir notamment C. LA CROIX, “La place des victimes dans les grands procès”, AJP 2021, n° 1, p. 20). L’article 258/1 du Code d’instruction criminelle prévoit la possibilité d’effectuer une captation sonore ou audio- visuelle des débats à l’audience permettant la diffusion en différé aux victimes connues et à leurs avocats qui en 15 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voordele van de gekende slachtoffers en hun advocaten die om de toegang ervan hebben verzocht. De uitzending gebeurt door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de uitzending garandeert en na een beslissing van de voorzitter van het hof van assisen. Hij moet zijn beslissing motiveren rekening houdend met de navolgende criteria. De bepaling is van toepassing op de procedures voor het hof van assisen om de toegang van de slachtoffers en hun advocaten tot de terechtzitting van het hof van assisen te vergemakkelijken wanneer het gaat om te- rechtzittingen waarbij een groot aantal procespartijen betrokken zijn of door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, wat bijvoorbeeld het geval kan zijn in het proces dat in het najaar 2022 gepland is inzake de terroristische aanslagen in Zaventem en Maalbeek. De slachtoffers krijgen gepersonaliseerde toegang tot de terechtzittingen, zonder dat ze zich naar de rechtsza- len dienen te verplaatsen tijdens een proces dat enkele weken of maanden kan duren. Wanneer de voorzitter van het hof van assisen beslist om deze regeling toe te passen, wordt dit met alle pas- sende middelen meegedeeld aan de gekende slachtoffers en hun advocaten. De slachtoffers en hun advocaten moeten ten minste acht dagen voor aanvang van de zit- ting aan de griffie meedelen dat zij de geluidsopname of de audiovisuele opname van de terechtzittingen willen ontvangen. Zij worden geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang tot de opname van de proce- dure en van de strafbaarstelling van het verspreiden van de opname. Het opnemen van deze opname of het uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen. De voorzitter van het hof van assisen kan de uitzending van alle of een deel van de debatten verbieden om de sereniteit ervan te waarborgen of om verstoring van de openbare orde te voorkomen, bijvoorbeeld in het geval van provocerende opmerkingen van een verdachte. Een nieuw artikel 258/2 voorziet dat de assisenvoorzit- ter kan beslissen dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. Een dergelijke vergelijkbare regeling is ook voorzien in Frankrijk in de artikelen L.221-1 tot 221-5 van de Code du patrimoine die de bepalingen bevatten van de vroegere wet nr. 85-699 van 11 juli 1985. auront fait la demande. La diffusion se fait par un moyen de télécommunication qui garantit la confidentialité de la transmission et après décision du président de la cour d’assises. Il doit motiver sa décision tenant compte des critères suivants. La disposition s’applique aux procédures devant la cour d’assises afin de faciliter l’accès des victimes et de leurs avocats à l’audience de la cour d’assises lorsqu’il s’agit d’audiences impliquant un nombre important de parties au procès ou en raison du nombre élevé de vic- times de nationalité étrangère, ce qui pourra être le cas, par exemple, dans le procès des attentats terroristes à Zaventem et Maelbeek, planifié à l’automne 2022. Les victimes disposeront d’un accès personnalisé aux audiences sans devoir se rendre dans les salles d’audience, pendant un procès qui peut durer plusieurs semaines ou plusieurs mois. Si le président de la cour d’assises décide d’appliquer ce règlement, il en est fait part aux victimes connues et à leurs avocats, par tous les moyens appropriés. Les victimes et leurs avocats doivent informer le greffe au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils souhaitent recevoir la captation sonore ou audiovisuelle des audiences. Ils sont informés des modalités pratiques de l’accès à la captation de la procédure et de l’incrimi- nation de la diffusion de la captation. L’enregistrement de cette captation ou sa diffusion à des tiers sera puni sera d’un emprisonnement de six mois à deux ans et d’une amende de deux cents euros à dix mille euros ou d’une de ces peines seulement. Le président de la cour d’assises peut interdire la dif- fusion de tout ou partie des débats afin de garantir leur sérénité ou de prévenir un trouble de l’ordre public, par exemple en cas de propos provocateurs d’un accusé. Un nouvel article 258/2 prévoit que le président de la cour d’assises peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audio- visuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d’archives historiques de la justice. Un régime comparable est également prévu en France dans les articles L.221-1 à 221-5 du Code du patri- moine, qui contiennent les dispositions de l’ancienne loi n° 85-699 du 11 juillet 1985. 2774/001 DOC 55 16 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In zijn advies nr. 113/3022 van 3 juni 2022 heeft de Gegevensbeschermingsautoriteit verschillende opmer- kingen gemaakt betreffende de artikelen 18 en 19. Er dient vermeld te worden dat de AVG niet van toe- passing is op dit ontwerp aangezien de AVG niet van toepassing is op handelingen van het openbaar ministerie en hoven en rechtbanken in hun specifieke strafrech- telijke taken, maar wel de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onder- zoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, alsook titel II van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. De Richtlijn 2016/680 is bij wijze van uitzondering van toepassing op de overheden bevoegd voor “de voorko- ming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen”. Het hof van assisen is een dergelijke overheid. Bijgevolg zijn de punten 1 t.e.m. 19 uit het advies van de GBA niet gegrond. Wat betreft de verplichting om een DPO aan te stel- len dient vermeld te worden dat dit niet verplicht is voor de rechtbanken overeenkomstig artikel 32. 1 van de Richtlijn 2016/680. Wat betreft de aanduiding van een verwerkingsver- antwoordelijke dient vermeld te worden dat het ontwerp de voorzitter van het hof van assisen aangeduid heeft. Wanneer de advocaten en de slachtoffers vragen toe- gang te krijgen tot de opname, worden zij verwerkings- verantwoordelijke en zijn ze dus verantwoordelijk voor het gebruik ervan. De punten 24 tot 27 van het advies van de GBA betref- fen de categorieën van verwerkte persoonsgegevens. De GBA stelt voor die categorieën van persoonsge- gevens te onderscheiden volgens de categorieën van betrokken personen. In dit verband bepaalt artikel 28 van de voormelde wet van 30 juli 2018 dat de verwerkte gegevens toereikend moeten zijn, ter zake dienend en niet bovenmatig in ver- houding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Dans son avis nr. 113/2022 du 3 juin 2022 l’Autorité de Protection des Données a émis plusieurs considérations concernant les articles 18 et 19. Il y a lieu de souligner que le RGPD n’est pas d’appli- cation au projet de loi puisque le RGPD ne s’applique pas aux traitements par le ministère public et les cours et tribunaux dans leurs tâches spécifiques de droit pénal, mais bien la directive 2016/680 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel par les autorités com- pétentes à des fins de prévention et de détection des infractions pénales, d’enquêtes et de poursuites en la matière ou d’exécution de sanctions pénales, et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la décision-cadre 2008/977/JAI du Conseil, et le titre II de la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des per- sonnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel. La directive 2016/680, par exception au RGPD, est applicable “aux autorités compétentes à des fins de prévention et de détection des infractions pénales, d’enquêtes et de poursuites en la matière ou d’exécution de sanctions pénales”. La cour d’assises est une autorité dans ce sens. Par conséquent, les points 1 à 19 de l’avis de l’APD ne sont pas fondés. Concernant l’obligation de désigner un DPO: il n’y a pas d’obligation de désigner un DPO pour les tribunaux conformément à l’article 32.1 de la directive 2016/680. Concernant la désignation du responsable de traite- ment Il est précisé que le projet de loi dispose que c’est le président de la cour d’assises. Lorsque les avocats et les victimes demandent à avoir accès à la captation sonore, ils deviennent responsable de traitement de cette copie et sont donc responsables de son usage. Les points 24 à 27 de l’avis de l’ADP concernent les catégories de données traitées. L’ADP recommande de distinguer ces catégories de données selon les catégo- ries de personnes concernées. À cet égard, l’article 28 de la loi du 30 juillet 2018 pré- citée dispose que les données traitées doivent être adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées. 17 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Die bepaling vereist dat een algemene lijst van catego- rieën van verwerkte persoonsgegevens wordt opgesteld. In punt 30 van zijn advies beveelt de GBA aan om de duur van bewaring van de opgenomen gegevens te preciseren. In dat verband bepaalt artikel 30 van de voormelde wet van 30 juli 2018 onder andere dat de wet de maximale bewaartermijn vermeldt en dat na afloop van die termijn de gegevens worden gewist. In de paragrafen 6 en 7 zijn bepalingen toegevoegd overeenkomstig het artikel 28 van de voornoemde wet van 30 juli 2018 m.b.t. de categorieën van persoonsge- gevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van dit doeleinde en het artikel 30 van dezelfde wet m.b.t. de maximale bewaartermijn van de gegevens. In punt 36 van het advies onderzoekt de GBA de verwerking van gevoelige persoonsgegevens in het licht van artikel 10 van de AVG terwijl deze kwestie geregeld wordt door de artikelen 34 en volgende van de wet van 30 juli 2018 die de hoven en rechtbanken toelaat om gevoelige gegevens te verwerken op voorwaarde dat de verwerkingsverantwoordelijke een lijst van bestem- melingen (advocaten en burgerlijke partijen) opstelt. De artikelen 37, § 4 en 44 van voornoemde wet van 30 juli 2018 bepaalt dat “voor wat betreft de ge- gevensverwerkingen van de hoven en rechtbanken, worden de rechten van de partijen uitgeoefend binnen de grenzen en conform de regels en nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek”. Het advies van de GBA moet derhalve niet worden gevolgd. Art. 19 In een nieuw artikel 258/2 van het Wetboek van Strafvordering wordt voorzien dat onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 de voorzitter kan beslissen dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het straf- dossier gevoegd. In antwoord op het advies van de GBA kan worden onderlijnd dat vermits alle door de rechtbanken van de rechterlijke macht (waaronder het hof van assisen) Cette disposition exige de dresser une liste générale des catégories de données traitées. Au point 30 de son avis, l’APD recommande de préci- ser la durée de conservation des données enregistrées. À cet égard, l’article 30 de la loi du 30 juillet 2018 pré- citée dispose, entre autre, que la loi détermine la durée maximale de conservation et qu’à l’échéance de cette durée, les données sont effacées. Aux paragraphes 6 et 7, des dispositions ont été ajoutées conformément à l’article 28 de la loi du 30 juil- let 2018 précitée concernant les catégories de données personnelles nécessaires à la réalisation de cette fina- lité et à l’article 30 de la même loi concernant la durée maximale de conservation des données. Le point 36 de l’avis de l’APD examine le traitement des données sensibles au regard de l’art. 10 RGPD, alors que la question est réglée par l’article 34 et suivant de la loi du 30 juillet 2018 précitée qui autorise les cours et tribunaux à traiter des données sensibles pour autant que le responsable de traitement dresse une liste des destinataires ( avocats et parties civiles). Les articles 37, § 4 et 44 de la loi précitée du 30 juil- let 2018 disposent que “pour les traitements des cours et tribunaux, les droits des parties sont exercés conformé- ment au Code judiciaire, au Code d’instruction criminelle, aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi qu’à leurs arrêtés d’exécution.”. L’avis de l’APD ne doit donc pas être pris en considération. Art. 19 Un nouvel article 258/2 du Code d’instruction criminelle prévoit que sans préjudice du prescrit de l’article 258/1, le président peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d’archives historiques de la justice. En cas de captation sonore ou audiovisuelle conformé- ment à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier répressif à la clôture des débats.”. En réponse à l’avis de l’APD il peut être souligné qu’étant donné que tous les documents conservés par les juridictions de l’ordre judiciaire (y compris la 2774/001 DOC 55 18 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bewaarde documenten overeenkomstig de termijnen en modaliteiten vastgesteld door de wet van 24 juni 1955 (de zgn. Archiefwet) in dit archief worden opgenomen, ook de geluidsopname of audiovisuele opname, dat bij het strafdossier wordt gevoegd, onder de toepassing van die wet zullen vallen. De punten 39 tot en met 44 van het advies van de GBA bevelen aan om specifieke bepalingen te voorzien overeenkomstig de bepalingen van de AVG. Welnu, het zijn de artikelen 186 en volgende van de wet gegevensbescherming die van toepassing zijn zodat het advies van de GBA niet gevolgd moet worden. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 20 tot 24 De artikelen 20 tot 24 hebben tot doel het Strafwetboek aan te passen aan het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrij- ding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht. Op 18 februari 2021 ontving België een ingebrekestel- ling van de Europese Commissie wegens de onjuiste omzetting van artikel 4 van dit kaderbesluit. Artikel 4 bepaalt het volgende: “De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat racistische en xenofobe motie- ven voor andere dan in de artikelen 1 en 2 bedoelde delicten als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd, dan wel dat die motieven door de rechter in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van de strafmaat.” De Europese Commissie stelt dat artikel 4 van het kaderbesluit een verplichting inroept voor de lidstaten om voor alle misdrijven een verzwarende omstandigheid te voorzien, indien de dader handelt uit racistische of xenofobe motieven. De huidige redactie van het Strafwetboek, waarbij enkel voor een beperkt aantal misdrijven expliciet wordt voorzien in een verzwarende omstandigheid als de dader handelt uit discriminatoire motieven, is dus niet voldoende om het Kaderbesluit correct om te zetten in hun visie. Artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering, waardoor een rechter rekening kan houden met om het even welk argument dat naar boven komt tijdens de cour d’assises) sont inclus dans cette archive dans les conditions et selon les modalités fixées par la loi du 24 juin 1955 (loi dite des archives), la captation sonore ou audiovisuelle, qui est jointe au dossier pénal, entrera également dans le champ d’application de cette loi. Les points 39 à 44 de l’avis de l’APD recommandent de prendre des dispositions particulières conformément aux dispositions du RGPD. Or les articles 186 et suivants de la loi vie privée sont d’application et l’avis de l’APD ne doit donc pas être pris en considération. CHAPITRE 4 Modifications du Code pénal Art. 20 à 24 Les articles 20 à 24 ont pour but d’adapter le Code pénal à la Décision-cadre 2008/913/JAI du Conseil du 28 novembre 2008 sur la lutte contre certaines formes et manifestations de racisme et de xénophobie au moyen du droit pénal. Le 18 février 2021, la Belgique a reçu une mise en demeure de la Commission européenne pour transpo- sition incorrecte de l’article 4 de cette décision-cadre. L’article 4 dispose ce qui suit: “Pour les infractions autres que celles visées aux articles 1er et 2, les États membres prennent les mesures nécessaires pour faire en sorte que la motivation raciste et xénophobe soit considérée comme une circonstance aggravante ou, à défaut, que cette motivation puisse être prise en considération par la justice pour la déter- mination des peines.” La Commission européenne précise que l’article 4 de la décision-cadre crée pour les États membres une obligation de prévoir une circonstance aggravante pour toutes les infractions lorsque l’auteur agit pour des motifs racistes ou xénophobes. La rédaction du Code pénal actuel, selon laquelle il n’est prévu explicitement que pour un nombre limité d’infractions une circonstance aggravante lorsque l’auteur agit pour des motifs discriminatoires, ne suffit donc pas pour transposer correctement la décision-cadre conformément à sa vision. La Commission a estimé que l’article 195 du Code d’instruction criminelle, qui permet à un juge de tenir compte de n’importe quel argument 19 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E rechtsgang, om eventueel de zwaarst mogelijke straf uit te spreken, vond men ook niet afdoende. Er rest ons dus geen andere optie dan de wet aan te passen door verzwarende factoren te voorzien voor alle misdrijven, indien de dader handelt vanuit een dis- criminerende drijfveer. In de voorgestelde tekst moet rekening worden ge- houden met de wet van 21 maart 2022 houdende wij- zigingen van het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, waarin wordt verwezen naar de begrippen “verzwarende factoren” en “verzwarende omstandigheden”. Voor de auteurs van het ontwerp van Strafwetboek hebben de verzwarende bestanddelen een stijging van een of meerdere trappen in de straffenschaal tot gevolg en zijn verzwarende omstandigheden omstandigheden waarmee de rechter rekening houdt bij de keuze en de bepaling van de strafmaat. Daar dat onderscheid in het huidige Strafwetboek niet wordt gemaakt, herneemt de wet van 21 maart 2022 hou- dende wijzigingen van het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht het huidige begrip “verzwa- rende omstandigheden”, die resulteren in een strafver- zwaring door een verhoging van het maximum of door een verhoging van het minimum of door een verhoging van beide, en hanteert het bij wijze van overgang het begrip “verzwarende factoren”, waarmee de rechter rekening moet houden wanneer hij de straf kiest en de strafmaat bepaalt binnen de wettelijke marge tussen de maximum- en de minimumstraf. Eenmaal het nieuw Strafwetboek gestemd zal zijn, zal de figuur van het verzwarend bestanddeel de plaats innemen van dat van verzwarende omstandigheid en de notie verzwa- rende factor zal vervangen worden door verzwarende omstandigheid. Het wetsontwerp dat voor advies aan de Raad van State werd voorgelegd, bevatte een artikel 78bis waarin het volgende was bepaald: “Indien de wet voorziet in verzwarende omstandigheden, wordt de straf verhoogd of gewijzigd zoals omschreven in de desbetreffende bepaling.” Naar aanleiding van het advies van de Raad van State inzake hoofdstuk 4 van het wetsontwerp, heb- ben de opstellers van het wetsontwerp beslist om deze definitie te schrappen. Volgens de Raad van State leidt de term “verzwarende omstandigheden” immers tot ver- warring aangezien beoogd wordt om te omschrijven wat in het Strafwetboek “verzwarende bestanddelen” wordt genoemd. De verwarring is des te groter aangezien de term “verzwarende omstandigheden” in het ontwerp van Strafwetboek ook wordt gehanteerd, maar dan voor wat apparaissant durant la procédure pour prononcer éven- tuellement la peine la plus sévère possible, n’était pas non plus concluant. Il ne nous reste donc pas d’autre option que d’adapter la loi en prévoyant des facteurs aggravants pour toutes les infractions lorsque l’auteur agit avec un mobile discriminatoire. Le texte qui est proposé doit tenir compte de la loi du 21 mars 2022 modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel qui fait référence aux notions de “facteurs aggravants” et de “circonstances aggravantes”. Pour les auteurs du projet de Code pénal, les éléments aggravants ont pour conséquence de remonter d’un ou de plusieurs paliers dans l’échelle des peines et les circonstances aggravantes sont des circonstances dont le juge tient compte lors du choix et de la détermination du taux de la peine. Comme le Code pénal actuel ne connait pas cette distinction, la loi du 21 mars 2022 reprend l’actuelle notion de circonstances aggravantes, qui entraînent une aggravation de la peine soit par une augmentation du maximum, soit par un rehaussement du minimum, soit par une aggravation des deux et retient, à titre transitoire, la notion de “facteurs aggravants” dont le juge doit tenir compte lorsqu’il fait le choix de la peine et qu’il en détermine le taux dans la fourchette légale entre le maximum et le minimum de la peine. Une fois que le nouveau Code pénal sera adopté, la figure juri- dique d’élément aggravant prendra la place de celle de circonstance aggravante et la notion de facteur aggravant sera remplacée par celle de circonstance aggravante. Le projet de loi qui a été soumis pour avis au Conseil d’État comportait un article 78bis qui précisait ce qui suit: “Si la loi prévoit des circonstances aggravantes, la peine est augmentée ou modifiée conformément aux dispositions de cette loi.”. Suite à l’avis du Conseil d’État portant sur le chapitre 4 du projet de loi, les auteurs du projet de loi ont décidé de supprimer cette définition. En effet, pour le Conseil d’État, l’utilisation du terme “circonstances aggravantes” porte à confusion, puisque l’intention est de définir ce que le projet de Code pénal appelle “éléments aggravants”. La confusion est d’autant plus grande que le terme “circonstances aggravantes” est également utilisé dans le projet de Code pénal, mais pour ce que le projet actuel appelle “facteurs aggravants”. De plus, le Conseil d’État fait remarquer que ce concept 2774/001 DOC 55 20 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E in dit ontwerp “verzwarende factoren” wordt genoemd. Bovendien doet de Raad van State opmerken dat dit be- grip slechts tweemaal wordt gebruikt in het Strafwetboek, ook al voorzien verscheidene strafbepalingen in een verzwaring van de straf voor bepaalde misdrijven door een verhoging van het maximum of een verhoging van het minimum van de straf. De Raad van State voegt daaraan toe dat dit artikel geen rechtsgevolg heeft en niet nuttig is om de door het wetsontwerp beoogde doelstelling te bereiken. Deze definitie hoort dus eerder thuis in het ontwerp van Strafwetboek. De ontwerptekst voorziet in de invoeging van de notie verzwarende factor in hoofdstuk IX van boek 1 van het Strafwetboek, dat aan de verzachtende omstandighe- den is gewijd. Daartoe wijzigt het in de eerste plaats het opschrift van dit hoofdstuk om naast de verzachtende omstandigheden te verwijzen naar de verzwarende om- standigheden en de verzwarende factoren. De nieuwe artikelen krijgen een plaats net boven artikel 79, in de artikelen 78bis en 78ter. Het nieuwe artikel 78bis bevat een definitie van de verzwa rende factoren. Dat begrip werd geïntegreerd in boek 2 van het Strafwetboek door de wet van 21 maart 2022 hou- dende wijzigingen van het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht. De voorgestelde definitie is ge- baseerd op artikel 29 van het ontwerp van Strafwetboek, dat gewijd is aan de verzwarende omstandigheden. Voor de verzwarende factoren voorziet de ontwerp- tekst dus niet in de verhoging van het maximum of het minimum van de straf, maar geeft hij de rechter een indicatie met betrekking tot de omstandigheden waarmee hij rekening moet houden wanneer hij de straf kiest en de strafmaat bepaalt binnen de wettelijke marge tussen het maximum en het minimum van de straf. In haar advies met nr. 71 320/1-2-3-4 inzake hoofd- stuk 4 is de Raad van State van oordeel dat in deze bepaling dezelfde bewoordingen moeten worden ge- bruikt als in de wet van 21 maart 2022 aangezien het wetsontwerp gebaseerd is op de verzwarende factoren die de wet in het Strafwetboek invoegt. De opstellers van het wetsontwerp delen de mening van de Raad van State over dit punt niet. De opstellers zijn immers van oordeel dat het belangrijk is om de formule “indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen“ te gebruiken en niet de zin ”de rechter houdt in het bijzonder rekening met het feit dat” aangezien die laatste formulering de indruk zou kunnen wekken dat die omstandigheid een invloed moet hebben op de strafmaat. Om het kaderbesluit correct om te zetten, is in een nieuw artikel 78ter bepaald dat de discriminerende n’est utilisé que deux fois dans le Code pénal même si plusieurs dispositions pénales prévoient une aggrava- tion de la peine attachée à certains infractions par une augmentation du maximum ou un rehaussement du minimum de la peine. Il ajoute que cet article n’a pas de portée juridique et n’est pas utile pour atteindre l’objectif visé par le projet de loi. Cette définition trouvera donc mieux sa place dans le projet de Code pénal. Le projet de texte prévoit d’insérer la notion de facteur aggravant dans le chapitre IX du Livre premier du Code pénal consacré aux circonstances atténuantes. Pour ce faire, il modifie tout d’abord l’intitulé de ce chapitre pour faire référence aux circonstances aggravantes et aux facteurs aggravants à côté des circonstances atténuantes. Les nouveaux articles prendront place juste au-dessus de l’article 79 dans les articles 78bis et 78ter. Le nouvel article 78bis comporte une définition des fac- teurs aggravants. Cette notion vient d’être intégrée dans le livre 2 du Code pénal avec la loi du 21 mars 2022. La définition qui est proposée se base sur l’article 29 du projet de Code pénal consacré aux circonstances aggravantes. Pour les facteurs aggravants, le texte en projet ne prévoit donc pas de rehaussement du maximum ou du minimum de la peine mais donne une indication au juge à propos de circonstances dont il tiendra compte lorsqu’il fait le choix de la peine et qu’il en détermine le taux dans la fourchette légale entre le maximum et le minimum de la peine. Dans son avis avec le n° 71 320/1-2-3-4 portant sur le chapitre 4, le Conseil d’État considère que cette disposition doit utiliser le même libellé que la loi du 21 mars 2022 étant donné que le projet de loi se base sur les facteurs aggravants que la loi introduit dans le Code pénal. Les auteurs du projet de loi ne partagent pas l’avis du Conseil d’État sur ce point. En effet, les auteurs considèrent qu’il est important d’utiliser la formule “si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération“ et non la phrase ”le juge tient plus particulièrement compte du fait que” dès lors que cette dernière formulation pourrait laisser entendre que cette circonstance doit avoir une incidence sur le quantum de la peine. Pour transposer correctement la décision-cadre , il est prévu, dans un nouvel article 78ter, que le mobile 21 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E drijfveer bij alle misdrijven een verzwarende factor is. Aangezien de nieuwe bepaling in boek 1 van het Strafwetboek zal staan, zal ze van toepassing zijn op de misdrijven die zijn verzameld in boek 2 van het Strafwetboek en op de misdrijven die zijn opgenomen in de bijzondere wetten. In de nieuwe bepaling wordt verduidelijkt dat de dis- criminerende drijfveer van de dader bij alle misdrijven een verzwarende factor is, behalve wanneer de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstan- digheid maakt. Met die formulering spelen de huidige verzwarende omstandigheden van het Strafwetboek mee en wordt een verzwarende factor toegevoegd voor alle misdrijven die niet gepaard gaan met een discrimi- nerende drijfveer. De ontwerptekst breidt derhalve de verzwarende factoren die verband houden met het discriminerende drijfveer, dat de wet van 21 maart 2022 in boek 2 van het strafwetboek heeft ingevoerd, uit tot alle strafbare feiten. Dit betekent dat voor zedendelinquenten twee verzwarende factoren met dezelfde draagwijdte zullen gelden. Deze specifieke bepalingen zullen met het nieuwe wetboek van strafrecht worden afgeschaft. De discriminatiegronden stemmen overeen met de beschermde criteria opgenomen in de drie antidiscrimi- natiewetten, meer bepaald de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, en de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. Het criterium “geslacht” dient geïnterpreteerd te worden in overeenstemming met artikel 4 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen. Er worden vier aanpassingen aangebracht met be- trekking tot de discriminatiegronden. Vooreerst wordt benadrukt dat het medisch verleden van de persoon onder de discriminatiegronden valt. Dit was reeds de bedoeling van de wetgever bij de introductie van het criterium “huidige of toekomstige gezondheids- toestand” (D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK, Handboek discriminatierecht, Mechelen, Kluwer, 2005, 462, nr. 1166 onder verwijzing naar Parl.St. Senaat 2001- 02, nr. 2-12/15, 122), maar in een strafrechtelijke context, waarin de wet strikt wordt geïnterpreteerd, kan de huidige tekst niet volstaan en dringt een andere formulering zich op. Daarom wordt ervoor gekozen om te spreken van “gezondheidstoestand”, die zowel betrekking heeft op het verleden, het heden als de toekomst. Dit stemt overigens discriminatoire constitue un facteur aggravant pour toutes les infractions. Étant donné que la nouvelle dis- position se trouvera dans le livre premier du Code pénal, elle s’appliquera aux infractions rassemblées dans le livre 2 du Code pénal ainsi qu’aux infractions intégrées dans les lois particulières. La nouvelle disposition précise que le motif discrimi- natoire de l’auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante. Avec cette formulation, on laisse jouer les circonstances aggra- vantes actuelles du Code pénal et on ajoute un facteur aggravant pour toutes les infractions qui ne sont pas assorties d’un mobile discriminatoire. Le projet de texte étend donc les facteurs aggravants liés au mobile discriminatoire, que la loi du 21 mars 2022 a introduit dans le livre 2 du Code pénal, à toutes les infractions pénales. Ce qui signifie que deux disposi- tions relatives aux facteurs aggravants ayant la même portée s’appliqueront aux délinquants sexuels. Ces dispositions particulières seront supprimées avec le nouveau Code pénal. Les motifs de discrimination correspondent aux critères protégés repris dans les trois lois anti-discrimination, à savoir la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer cer- tains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la dis- crimination entre les femmes et les hommes et la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination. Le critère “sexe” doit être interprété conformément à l’article 4 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes. Quatre adaptations sont apportées concernant les motifs de discrimination. Tout d’abord, il est souligné que les antécédents médicaux de la personne relèvent des motifs de dis- crimination. Telle était déjà l’intention du législateur lors de l’introduction du critère “état de santé actuel ou futur” (Voir D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK, Handboek discriminatierecht, Malines, Kluwer, 2005, 462, nr. 1166 sur référence au Parl.St. Senat 2001-02, n° 2-12/15, 122), mais dans un contexte pénal dans lequel la loi est interprétée strictement, le texte actuel ne suffit plus et une formulation différente s’impose. C’est pourquoi l’on choisit de parler de l’“état de santé” qui porte tant sur le passé, le présent que le futur. Cela correspond d’ailleurs à la notion utilisée à l’article 3, § 1er, de l’accord 2774/001 DOC 55 22 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E overeen met het begrip gehanteerd in artikel 3, § 1 van het Samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (Belgisch Staatsblad 5 maart 2014) en komt tegemoet aan een aanbeveling van Unia en de Evaluatiecommissie federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie (Evaluatierapport Unia van februari 2017, aanbeveling 9, https://www​.unia​.be​/files​/Documenten​ /Publicaties_docs​/Evaluatie_Antidiscriminatie​-_en_ Antiracismewet_2017​.pdf; EVALUATIECOMMISSIE FEDERALE WETGEVING TER BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE, Eerste evaluatierapport, 2017, p. 48, nr. 121, https://www​.unia​.be​/files​/Documenten​/ Aanbevelingen​-advies​/Evaluatiecommissie_federale_wet- geving_ter_bestrijding_van_discriminatie​.pdf). Verder wordt het bijvoeglijk naamwoord “zogenaamde” toegevoegd aan het beschermd kenmerk “geslachtver- andering”. Immers, de medische en LGBTQI+-wereld spreekt niet langer van een geslachtsverandering, maar wel van een geslachts- of genderbevestigende ingreep, of van een medische of sociale transitie, om te duiden dat het uiterlijk van een persoon wordt gewijzigd om het in overeenstemming te brengen met de genderidentiteit. Omwille van legistieke samenhang wordt alsnog de term “geslachtsverandering” gehanteerd. De toevoeging van het bijvoeglijk naamwoord “zogenaamde” duidt er op dat het woord niet langer wordt ondersteund door de LGBTQI+-gemeenschap of wetenschappelijk wordt onderschreven. Het criterium “sociale afkomst” wordt uitgebreid tot “sociale afkomst en positie”. Hiermee wordt tege- moetgekomen aan een aanbeveling van Unia en de Evaluatiecommissie federale wetgeving ter bestrijding van discriminatie (Evaluatierapport Unia van februari 2017, aanbeveling 8, https://www​.unia​.be​/files​/Documenten​ /Publicaties_docs​/Evaluatie_Antidiscriminatie​-_en_ Antiracismewet_2017​.pdf; EVALUATIECOMMISSIE FEDERALE WETGEVING TER BESTRIJDING VAN DISCRIMINATIE, Eerste evaluatierapport, 2017, p. 48, nr. 121, https://www​.unia​.be​/files​/Documenten​/ Aanbevelingen​-advies​/Evaluatiecommissie_federale_ wetgeving_ter_bestrijding_van_discriminatie​.pdf). Dit aangezien er momenteel onduidelijkheid zou kunnen bestaan over de invulling van het criterium “sociale afkomst”. Door deze uitbreiding zou het duidelijk zijn dat zowel personen gedomicilieerd in bepaalde wijken (= sociale afkomst) als personen met een gerechtelijk verleden, dakloze personen en werklozen (= sociale positie) bedoeld worden. de coopération du 12 juin 2013 entre l’autorité fédérale, les Régions et les Communautés visant à créer un Centre interfédéral pour l’égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations sous la forme d’une institution commune au sens de l’article 92bis de la loi spéciale du 8 août 1980 (Moniteur Belge 5 mars 2014) et rencontre la recommandation d’Unia et de la Commission d’évaluation de la législation fédérale relative à la lutte contre les discriminations (Rapport d’évaluation Unia de février 2017, recommandation 9 https://www​.unia​ .be​/files​/Documenten​/Publicaties_docs​/Evaluation_2e_ version_LAR_LAD_Unia_PDF_(Francophone)​.pdf; COMMISSION D’EVALUATION DE LA LEGISLATION FEDERALE RELATIVE A LA LUTTE CONTRE LES DISCRIMINATIONS, premier rapport d’évaluation, 2017, p. 48, nr. 121). Ensuite, l’adjectif “prétendu” est ajouté au critère protégé “changement de sexe”. Le monde médical et LGBTQI+ ne parle plus de changement de sexe, mais de chirurgie d’affirmation du sexe ou du genre, ou de transition médicale ou sociale, pour indiquer que l’appa- rence d’une personne est modifiée pour correspondre à son identité de genre. Pour des raisons de cohérence juridique, le terme “changement de sexe” est toujours utilisé. L’ajout de l’adjectif “prétendu” indique que le mot n’est plus soutenu par la communauté LGBTQI+ ni approuvé scientifiquement. Enfin, le critère d’“origine sociale” est étendu au critère “origine et condition sociales”. On répond ainsi à une recommandation formulée par Unia et par la Commission d’évaluation de la législation fédérale relative à la lutte contre les discriminations (Rapport d’évaluation Unia de février 2017, recommandation 8 https://www​.unia​ .be​/files​/Documenten​/Publicaties_docs​/Evaluation_2e_ version_LAR_LAD_Unia_PDF_(Francophone)​.pdf; COMMISSION D’EVALUATION DE LA LEGISLATION FEDERALE RELATIVE A LA LUTTE CONTRE LES DISCRIMINATIONS, premier rapport d’évaluation, 2017, p. 48, nr. 121). Ce, parce qu’il pourrait exister actuelle- ment une certaine ambiguïté quant à l’interprétation du critère d’“origine sociale”. Par cette extension, il serait évident que tant les personnes domiciliées dans certains quartiers (= origine sociale) que les personnes ayant un passé judiciaire, les sans-abri et les demandeurs d’emploi (= condition sociale), sont visées. 23 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Tot slot worden de discriminatiegronden moeder- schap, vaderschap en mee-moederschap en adoptie, die beschermd worden in de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en man- nen, samengebracht onder het inclusieve koepelbegrip “ouderschap”. Het kenmerk waarop de haat, het misprijzen of de vijandigheid gebaseerd is, dient niet noodzakelijk daad- werkelijk aanwezig te zijn in hoofde van het slachtoffer; het feit dat de dader meende dat een slachtoffer een bepaald kenmerk had dat de basis was voor zijn haat, misprijzen of vijandigheid volstaat. Misprijzen moet geïnterpreteerd worden als “hypo- theses waarbij een persoon als niet achtenswaardig (…) wordt beschouwd” (Parl.St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3297/001, p. 7). Bovendien wordt het toepassingsgebied van deze verzwarende omstandigheid uitgebreid naar feiten waarbij een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band (of vermeende band) heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprij- zen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de opgesomde discriminatiegronden (de zogeheten “discriminatie door associatie”). Ten slotte maakt de ontworpen bepaling het mo- gelijk om meervoudige discriminatie te identificeren. Dat is de situatie waarin een persoon wordt geviseerd op verschillende van de in deze bepaling vermelde discriminatiegronden. Deze nieuwigheden hebben slechts betrekking op de verzwarende factoren. Met de hervorming van het Strafwetboek zullen deze wijzigingen worden uitgebreid naar de verzwarende bestanddelen en de verzwarende omstandigheden. In het huidige wetboek van strafrecht, in de arti- kelen 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis en 534quater, waarin het dis- criminerende motief als verzwarende omstandigheid is opgenomen, wordt de definitie dienovereenkomstig aangepast (artikelen 23 en 24). Artikel 24 bevatte een referentie naar arti- kel 377bis, maar zoals de Raad van State in haar ad- vies met nr. 71 320/1-2-3-4 inzake hoofdstuk 4 van het wetsontwerp onderstreept, is deze bepaling op 1 juni 2022 opgeheven door de inwerkingtreding van de wet van 21 maart 2022. Ze is dus van de lijst geschrapt. Door deze wijziging zijn de artikelen 23 en 24 van het wetsontwerp omgewisseld. Enfin, les motifs de discrimination que sont la mater- nité, la paternité et la co-maternité et l’adoption, qui sont protégés par la loi du 10 mai 2007 relative à la lutte contre la discrimination entre les femmes et les hommes, sont regroupés sous le terme générique de “parentalité”. La caractéristique donnant lieu à la haine, au mépris ou à l’hostilité ne doit pas nécessairement être présente dans le chef de la victime; le fait que l’auteur pensait qu’une victime présentait une caractéristique donnée qui est à l’origine de sa haine, de son mépris ou de son hostilité suffit. Le mépris doit être interprété comme “des hypothèses où une personne est considérée comme indigne d’estime (…)” (Doc.parl. Chambre, 2013-2014, DOC 53-3297/001, p.7). De plus, le champ d’application de cette circonstance aggravante est élargi aux faits dans lesquels l’un des mobiles de l’auteur réside dans le fait que la victime a un lien (ou un lien présumé) avec une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité en raison d’un ou de plusieurs des motifs de discrimination énumérés (surnommée la “discrimination par association”). Enfin, la disposition en projet permet d’identifier une discrimination multiple. C’est la situation dans laquelle une personne est visée par différentes causes de dis- crimination mentionnées dans cette disposition. Ces nouveautés ne concernent que les facteurs aggravants. Ces changements seront étendus tant aux éléments aggravants qu’aux circonstances aggravantes avec la réforme du Code pénal. Dans le Code pénal actuel, aux articles 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis et 534quater, qui prévoient le motif discriminatoire comme circonstance aggravante, la définition est adaptée en conséquence (articles 23 et 24). L’article 24 comportait une référence à l’article 377bis. Mais comme le souligne le Conseil d’État dans son avis au n° 71 320/1-2-3-4 portant sur le chapitre 4 du projet de loi, cette disposition a été abrogée le 1er juin 2022 avec l’entrée en vigueur de la loi du 21 mars 2022. Elle a donc été supprimée de la liste. Du fait de cette modification, les articles 23 et 24 du projet de loi ont été permutés. 2774/001 DOC 55 24 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 25 Dit artikel wijzigt het artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek. Na de vernietiging van artikel 12 van de wet van 18 ok- tober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendrin- gen in, bezetten van of verblijven in andermans goed door het arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof van 12 maart 2020, wordt de verwijzing naar voormeld artikel 12 hersteld. HOOFDSTUK 5 Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek Art. 26 Artikel 29 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken werd gewijzigd door artikel 10 van de wet van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19. Met deze wetswijziging wordt de einddatum om te voldoen aan alle voorwaarden voor definitieve opname in het Nationaal Register met 1 jaar verlengd, namelijk, tot 1 december 2022. Artikel 555/13, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voorziet echter nog dat de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar een vrijstelling voor de in artikel 555/13, § 1, 2°, bedoelde voorwaarde kan verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die voor 1 december 2016 gedurende een ononderbroken periode van vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler- tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold. De periode van 1 december 2001 tot 1 decem- ber 2016 om vrijgesteld te worden van juridische opleiding op basis van 15 jaar beroepservaring is dus ongewijzigd gebleven. Diegenen die op dit ogenblik 15 werkervaring hebben, doch niet vanaf 2001, zijn bijgevolg benadeeld. Door deze wetswijziging wordt daaraan geremedieerd. Er wordt voorzien dat de berekening van de referen- tieperiode van 15 jaar gebeurt in functie van de datum van de aanvraag. Art. 25 Cet article modifie l’article 442/1, § 2, du Code pénal. À la suite de l’annulation de l’article 12 de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occu- pation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle du 12 mars 2020, la référence à l’article 12 précité est rétablie. CHAPITRE 5 Modification du Code judiciaire Art. 26 L’article 29 de la loi modifiant diverses dispositions en vue d’établir un registre national des experts judiciaires et établissant un registre national des traducteurs, inter- prètes et traducteurs-interprètes jurés a été modifiée par l’article 10 de la loi du 20 décembre 2020 portant des dispositions diverses temporaires et structurelles en matière de justice dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19. Avec cette modification législative, la date définitive pour remplir les conditions relatives à l’inscription défi- nitive dans le Registre National a été prolongée d’un an, c’est-à-dire jusqu’au 1er décembre 2022. L’article 555/13, § 2, alinéa 2, Code Judiciaire prévoit toutefois encore que le ministre de la Justice ou le fonc- tionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée à l’article 555/13, § 1er, 2°, à l’expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-in- terprète juré qui, avant le 1er décembre 2016, a exercé durant une période ininterrompue de quinze ans l’activité d’expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou tra- ducteur-interprète juré et qui s’est suffisamment formé durant cette période. La période du 1er décembre 2001 jusqu’au 1er dé- cembre 2016 pour être dispensé de la formation juridique sur base de 15 ans d’expérience professionnelle est donc restée inchangée. Ceux qui ont actuellement 15 ans d’expérience professionnelle, mais pas depuis 2001, sont donc désavantagés. Cette modification législative y remédiera. Il est prévu que le calcul de la période de référence de 15 ans se fait en fonction de la date de la demande. 25 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 27 Dit artikel voegt de grondwetsconforme interpretatie van overweging B.25.1 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 39/2020 van 12 maart 2020 (overweging B.25.1 en B.25.2) expliciet in, in de wettekst van artikel 1344octies Ger.W. Dit is een explicitering van de parlementaire voorberei- ding van de wet van 18 maart 2017 (Parl. St., Kamer, 2016- 2017, DOC 54-1008/007, p. 18; zie ook GwH nr. 39/2020, overweging B.24.2). Het bevestigt de principes over het eenzijdig verzoek- schrift. Gelet op het feit dat een eventuele tegenpartij in het geschil haar rechten van verdediging niet kan uitoefenen in de eerste fase van de eenzijdige rechts- pleging, moet het gebruik van de procedure op eenzijdig verzoekschrift beperkt worden tot de gevallen die de wet bepaalt, en de gevallen van volstrekte noodzakelijkheid waaronder deze waarin de tegenpartij niet bekend is (Cass. 25 februari 1999, A.R. C960409N, Arr.Cass. 1999, 279; P&B 1999, 94, noot H. BOULARBAH, “L’absence de partie adverse ou l’impossibilité d’identifier celle-ci, conditions de l’introduction de la demande par voie de requête unilatérale”). Art. 28 In het bepaalde onder punt 1° wordt met de voorge- stelde wijziging een betere omschrijving van de opdracht van de Federale Bemiddelingscommissie beoogd voor wat betreft de bepaling van de inhoud van de theoretische en praktische opleidingen die moeten worden gevolgd door de bemiddelaars die een erkenning wensen te verkrijgen. Er moet worden opgemerkt dat de oorspronkelijke tekst van artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, de Federale commissie de bevoegdheid verleende om “de criteria voor de erkenning van de bemiddelaars” te bepalen en om de bemiddelaars en de opleidingsinstanties te erkennen. Bij de hervorming door de wet van 18 juni 2018 werd de bevoegdheid van de commissie op het stuk van de erkenning van de bemiddelaars verduidelijkt, aangezien de tekst haar voortaan ertoe machtigt “de minimumpro- gramma’s inzake theoretische en praktische opleiding [te] bepalen, evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure”. De verwijzing naar “programma’s” kon tot enige on- duidelijkheid leiden. Art. 27 Cet article insère explicitement l’interprétation conforme à la Constitution du considérant B.25.1 de l’arrêt de la Cour constitutionnelle n° 39/2020 du 12 mars 2020 (considérations B.25.1 et B.25.2) dans le texte légal de l’article 1344octies, du Code judiciaire. Il s’agit d’une explicitation des travaux parlementaires préparatoires de la loi du 18 mars 2017 (Doc. parl., Chambre, 2016-2017, DOC 54-1008/007, p. 18; voir également Cour const. n° 39/2020, considérant B 24.2.). Il confirme les principes relatifs à la requête unilaté- rale. Étant donné qu’une éventuelle partie adverse au litige ne peut exercer ses droits de la défense dans la première phase de la procédure unilatérale, le recours à la procédure sur requête unilatérale doit être limité aux cas prévus par la loi et aux cas d’absolue nécessité, parmi lesquels ceux où partie adverse est inconnue (Cass.25 février 1999 , R.G. C960409N, Arr.Cass.1999, 279; P&B 1999, 94, note H. BOULARBAH, “L’absence de partie adverse ou l “impossibilité de vérifier celle-ci, conditions de dépôt de la demande par voie de requête unilatérale”). Art. 28 Au point 1°, la modification proposée vise à mieux circonscrire la mission de la Commission fédérale de médiation en ce qui concerne la détermination du contenu des formations théoriques et pratiques devant être suivis par les médiateurs qui souhaitent obtenir un agrément. Rappelons que le texte initial de l’article 1727 du Code judiciaire, tel qu’inséré par la loi du 21 février 2005, donnait compétence à la Commission fédérale pour déterminer “les critères d’agrément des médiateurs” et pour agréer les médiateurs et les instances de formation. Lors de la réforme intervenue par la loi du 18 juin 2018, la com- pétence de la commission en matière d’agrément des médiateurs a été précisée, le texte l’habilitant désormais à “déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d’un agrément et la procédure d’agrément”. La référence faite à des “programmes” a pu entraîner certaines confusions. 2774/001 DOC 55 26 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Sinds die laatste hervorming is er onduidelijkheid over hoever de bevoegdheid van de Federale commissie, met betrekking tot de inhoud van de opleidingsprogramma’s, maar ook op het vlak van de concrete organisatie van die programma’s reikt. Op vraag van verscheidene opleidingsinstanties wordt dit verduidelijkt. De bevoegdheid die door de wet aan de Federale Bemiddelingscommissie is toegewezen, beoogt de pro- fessionele competenties van de erkende bemiddelaars en de kwaliteit van de processen die ze begeleiden te waarborgen (zie art. 1726, 2°, Ger. W.), wat een van de componenten vormt van het vertrouwen dat de bur- gers moeten kunnen stellen in de door het Gerechtelijk Wetboek erkende bemiddeling. Die bevoegdheid sluit aan bij het streven van de wetgever om zich er voorts van te vergewissen dat de opleidingsinstanties voldoende waarborgen inzake degelijkheid en professionalisme bieden, wat wordt beoogd door de aan de Commissie verleende machtiging om die instanties te erkennen en de voorwaarden voor die erkenning te bepalen. Er kan uiteraard geen sprake zijn van het schrappen van een dergelijke bevoegdheid, die noodzakelijk en van wezenlijk belang is, aangezien het gaat om de opleiding van professionals die rechtzoekenden zullen moeten begeleiden in een proces dat de wettelijk erkende ge- rechtelijke wegen omvat. Bij de uitoefening van die wettelijke bevoegdheid moet de tussenkomst van de Commissie evenwel evenredig blijven met die doeleinden – het waarborgen van de kwaliteit van de opleidingen en de verworven profes- sionele competenties – zowel op het stuk van de keuze van de te onderwijzen disciplines als op het stuk van het preciseren van de eisen in verband met het daad- werkelijke karakter van de evaluatieproeven over de onderwezen materies. Ook al behoort de Commissie dus een gemeenschap- pelijke basis van te volgen programma’s vast te leggen, zodat de zekerheid bestaat dat de door de erkende instanties aangeboden opleidingen een bepaald kwali- teitsniveau bereiken, mag ze niet verder gaan dan dat en in de praktijk de vrijheid van de instanties om andere inhoud aan te bieden of in bepaalde gevallen zelfs de academische vrijheid schenden. Aldus wordt, teneinde tegemoet te komen aan de verzoeken van verscheidene opleidingsinstanties, met de voorgestelde wijziging enkel een lichte wijziging van de inhoud van het einde van de bepaling onder punt 2° van artikel 1727, § 2 beoogd, door de bevoegdheid van de Commissie te beperken voor wat de concrete organisatie van de evaluaties betreft. Voor wat het bepalen van de programma’s betreft, blijft de formulering waarvoor de wetgever had geopteerd in 2018 behouden, omdat ze Depuis cette dernière réforme, l’étendue de la com- pétence de la Commission fédérale en lien avec le contenu des programmes de formations, mais aussi avec l’organisation concrète de ces programmes n’est pas très claire. À la demande de plusieurs organismes de formation, cela est clarifié. La compétence dévolue par la loi à la Commission fédérale de médiation tend à garantir compétences professionnelles des médiateurs agréés et la qualité des processus qu’ils accompagnent (voir art. 1726, 2°, C. jud.), ce qui constitue l’un des vecteurs de la confiance que les citoyens doivent pouvoir accorder à la média- tion reconnue par le Code judiciaire. Cette compétence rejoint la volonté du législateur de s’assurer par ailleurs que les instances de formation présentent des garanties suffisantes de sérieux et de professionnalisme, ce vers quoi tend l’habilitation donnée à la Commission à les agréer et à fixer les conditions de cet agrément. Il ne peut bien entendu être question de supprimer pareille compétence, essentielle et nécessaire s’agissant de former des professionnels qui seront amenés à accom- pagner les justiciables dans un processus qui intègre les voies de justice reconnues par la loi. Dans l’exercice de cette compétence légale, l’inter- vention de la Commission doit cependant demeurer proportionnée à ces finalités – de garantir la qualité des formations et des compétences professionnelles acquises – tant en ce qui concerne le choix des disciplines à enseigner que dans la précision des exigences liées à l’effectivité d’épreuves d’évaluation sur les matières enseignées. Ainsi, s’il revient à la Commission de déterminer un socle commun de programmes à suivre pour s’assurer que les formations proposées par les instances agréées atteignent un niveau établi de qualité, elle ne peut aller au-delà et, dans les faits, porter atteinte à la liberté des instances de proposer d’autres contenus, voire la liberté académique dans certains cas. Ainsi, en vue de répondre aux différentes demandes exprimées par diverses instances de formation, la modi- fication proposée vise uniquement à modifier légèrement le contenu du la fin du point 2° de l’article 1727, § 2, en limitant la compétence de la Commission en ce qui concerne l’organisation concrète des évaluations. En ce qui concerne la détermination des programmes, le libellé choisi par le législateur de 2018 est maintenu car il permet à la Commission de déterminer un socle 27 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de Commissie de mogelijkheid biedt een minimale basis van kennis en competenties vast te stellen die van de bemiddelaars moeten worden verwacht en deel moeten uitmaken van een opleidingsprogramma om toegang te geven tot een erkenning van de bemiddelaar, zulks teneinde de kwaliteit van het beroep te waarborgen. Zoals hierboven vermeld, moet echter worden benadrukt dat de Commissie geen volledig programma behoort te bepalen dat op volledig eenvormige wijze door alle instanties zou moeten worden uitgevoerd. Dit lijkt niet wenselijk, omdat de meerwaarde die een divers aan- bod aan opleidingen, aangeboden door instanties met verschillende profielen en expertise, kan bieden, moet worden gevrijwaard. De beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie beschikt bij de erkenning van de opleidingsinstanties wordt voornamelijk uitgeoefend bij de controle van het bestaan van waarborgen inzake degelijkheid en professionalisme, maar ook inzake de kwaliteitsgarantie van de inhoud van de opleidingen. In de bepaling onder punt 2° wordt met de voorgestelde wijziging eenvoudigweg beoogd rekening te houden met de wijziging in de bepaling onder punt 1° waardoor een deel van de huidige inhoud van punt 2° van artikel 1727, tweede lid moet worden overgebracht naar een nieuw punt 2°/1 waarin de bevoegdheid van de Commissie om “de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars te bepalen;” wordt bevestigd. Het bepaalde onder punt 3° omvat een loutere toe- voeging dat de bemiddelaars op de door de Federale Bemiddelingscommissie verspreide lijst moeten worden gerangschikt naargelang hun bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk. Dat zal met name het werk vergemakkelijken van de rechter die een bemiddelaar moet aanwijzen. Art. 29 De voorgestelde wijziging moet een oplossing bieden voor een zeer praktisch probleem dat door de Federale bemiddelingscommissie te berde is gebracht, en dat verband houdt met de duur van de voorzitterschappen. De algemene vergadering wijst immers een voorzit- ter en een ondervoorzitter aan onder de leden van het bureau. De algemene vergadering kan pas overgaan tot die aanwijzing wanneer zij rechtsgeldig gevormd is, dat wil zeggen wanneer de leden van het bureau benoemd zijn door de minister op voordracht van de instanties bedoeld in artikel 1727/2, § 1, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, en wanneer de leden van de vaste commissies eveneens benoemd zijn door de minister op voordracht van het bureau. Dit betekent dat zij de voorzitter van het bureau (en dus van de Federale minimal de connaissances et compétences devant être attendues des médiateurs et devant figurer dans un programme de formation pour ouvrir à un agrément du médiateur et ce, afin d’assurer la qualité de la profession. Mais, comme mentionné ci-dessus, il faut souligner qu’il n’appartient pas à la Commission de déterminer un programme complet qui serait à mettre en œuvre par toutes les instances de façon totalement uniformisée. Cela ne semble pas souhaitable car il faut préserver la plus-value que peut avoir la diversité d’une offre de formations, proposés par des instances aux profils et expertises différents. Le pouvoir d’appréciation dont jouit la Commission au moment d’agréer les instances de formation s’exerce avant tout dans la vérification de l’existence de garanties de sérieux et de professionna- lisme, mais aussi d’assurance qualité de leurs contenus. Au point 2°, la modification proposée vise simplement à tenir compte, de la modification au point 1° qui impose de reporter une partie de l’actuel contenu du point 2° de l’article 1727, alinéa 2 dans un nouveau point 2°/1, confirmant la compétence de la Commission pour “déter- miner les conditions et la procédure d’agrément des médiateurs;”. Le point 3 ajoute simplement que la liste de médiateurs diffusée par la Commission fédérale de médiation doit classer les médiateurs en fonction de leurs domaines particuliers de pratique de la médiation. Cela simplifiera notamment le travail du juge chargé de désigner un médiateur. Art. 29 La modification proposée vise à remédier à un pro- blème très pratique exprimé par la commission fédérale de médiation concernant la durée des présidences. En effet, l’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président et un vice-président. L’assemblée générale ne peut procéder à cette dési- gnation que lorsqu’elle est valablement formée c’est- à-dire lorsque les membres du bureau ont été nommés par le ministre sur proposition des instances visées à l’article 1727/2, § 1er, alinéa 4 du Code judiciaire et lorsque les membres des commissions permanentes ont également été nommés par le ministre sur proposi- tion du bureau. Ainsi ce n’est que lorsque les membres du bureau et des commissions ont été nommés que 2774/001 DOC 55 28 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Bemiddelingscommissie) pas kan aanwijzen wanneer de leden van het bureau en van de commissies zijn benoemd. Er dient te worden op gewezen dat de duur van het mandaat van de leden van het bureau vier jaar bedraagt, en de duur van het mandaat van voorzitter twee jaar, volgens de huidige regeling. Het spreekt van- zelf dat de benoemingsprocedure ietwat tijd in beslag neemt en dat er een tijdspanne van enkele maanden kan verstrijken tussen het moment van aanvang van de mandaten van de leden van het bureau en de aanwijzing van de voorzitter. Bijgevolg kunnen bij de benoeming van de voorzitter reeds enkele maanden verstreken zijn. Indien de duur van het voorzitterschap twee jaar bedraagt, zal het daaropvolgende voorzitterschap met enkele maanden ingekort zijn vermits het mandaat van lid van het bureau zal aflopen, hetgeen niet billijk is ten aanzien van degene die tot voorzitter wordt benoemd voor de volgende periode. Om die reden wordt voorge- steld om de verwijzing naar “twee jaar” te schrappen en haar te vervangen door een soepelere en duidelijker formulering, overeenkomstig het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4) Er wordt bepaald dat de algemene vergadering ervoor moet zorgen dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is op het moment van aanwijzing van de eerste voorzitter. Dat betekent concreet dat de algemene vergadering, bij de aanwijzing van de “eerste” voorzitter, een berekening moet maken van het aantal resterende maanden tot het einde van de mandaten van de leden van het bureau, en die periode op billijke wijze moet opdelen in aan- tal maanden tussen beide voorzitterschappen. In antwoord op de opmerking van de Raad van State over de beoordeling van de hoedanigheid van “Franstalig” of “Nederlandstalig” voor de toepassing van de betrok- ken bepalingen, wijzen wij er bovendien op dat het gaat om de woordelijke overname van de formulering in de wet van 18 juni 2018, die zelf niet meer was dan een “copy and paste” van een bepaling van de wet van 21 februari 2005. Aangezien het hier gaat om be- palingen betreffende de ambtstermijn van de voorzitters en ondervoorzitters van de verschillende commissies, zij erop gewezen dat laatstgenoemden worden gekozen uit de leden van het bureau. De leden van het bureau worden zelf voorgedragen door de beroepsorganisaties (advocaten, notarissen, enz.), die verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de criteria aan de hand waarvan wordt beoordeeld of iemand Frans- of Nederlandstalig is. Art. 30 De voorgestelde wijziging is louter technisch. Het betreft de correctie van fouten in de kruisverwijzingen naar bepaalde artikelen, die zijn gemaakt bij de aan- neming van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse l’assemblée générale peut désigner le président du bureau (et donc de la commission fédérale de médiation). Il faut rappeler que la durée du mandat des membres du bureau est de 4 ans et que la durée du mandat de président est de 2 ans selon le régime actuel. Il va de soi que le processus de nomination prend un peu de temps et qu’entre le moment du début des mandats des membres du bureau et de la désignation du président, il peut se passer quelques mois. En conséquence, lors de la nomination du président il se peut que plusieurs mois se soient passés. Si la durée de la présidence est de deux ans, la présidence suivante sera écourtée de quelques mois car le mandat de membre du bureau prendra fin, ce qui n’est pas équitable pour celui qui est nommé président pour la seconde période. C’est la raison pour laquelle il est proposé de supprimer la référence à “deux ans” et de la remplacer par un libellé plus souple et clair, conformément à l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4). Il est énoncé que l’assemblée générale veille à ce que la durée de présidences soit équitable en nombre de mois au moment de la désignation du premier président. Ce qui signifie concrètement que lors de la désignation du “premier” président, l’assemblée générale calculera le nombre de mois restants jusqu’à la fin des mandats des membres du bureau et partagera équitablement cette période en nombre de mois entre les deux présidences. Par ailleurs, en réponse à la remarque du Conseil d’État concernant l’appréciation de la qualité de “fran- cophone” ou de “néerlandophone” pour l’application des dispositions en projet, nous rappelons qu’il s’agit ici de la reprise mot pour mot de la formulation existant dans la loi du 18 juin 2018, qui elle-même n’était qu’un “copier- coller” d’une disposition de la loi du 21 février 2005. S’agissant en l’espèce de dispositions portant sur les mandats de présidents et de vice-présidents des diffé- rentes commissions, il faut noter que ces derniers sont choisis parmi les membres du bureau. Les membres du bureau sont eux-mêmes proposés par les organismes professionnels (avocats, notaires, etc…) à qui il revient de déterminer les critères d’appréciation de la qualité de francophone ou néerlandophone. Art. 30 La modification proposée est d’ordre purement tech- nique. Il s’agit de corriger les erreurs de renvois à cer- tains articles, commises lors de l’adoption de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière 29 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing. Art. 31 Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd een leemte op te vullen met betrekking tot de vervanging tijdens de ambtstermijn van een lid van de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse be- middelaars en van de commissie voor de erkenning van opleidingen en het toezicht op de permanente vorming van de Federale Bemiddelingscommissie. De wet van 18 juni 2018 bepaalt immers niets over de vervanging van een lid tijdens zijn ambtstermijn na een ontslag of een gemotiveerde beslissing van de minister. De in 2018 ingestelde vrij lange procedure voor de benoeming van de leden van de commissies, waarbij het bureau een lijst van 25 kandidaten moet opstellen, gerangschikt in volgorde van voorkeur, is gerechtvaardigd met het oog op de vernieuwing van de commissies aan het einde van de ambtstermijn. Wanneer de ambtstermijn van een lid echter voortijdig afloopt, is het van belang te voorzien in een soepelere procedure om onverwijld een nieuwe kandidaat te kunnen benoemen. Daarom wordt voorgesteld dat het Bureau van de Federale bemidde- lingscommissie een kandidaat kiest uit de lijst die voor de vernieuwing van de commissie is opgesteld. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, zal de procedure worden gevolgd die normaliter voor de vernieuwing van de commissies wordt gevolgd. Ook wordt voorzien in de wijziging van het zesde lid met betrekking tot de duur van het mandaat van de voor- zitterschappen van de commissies. We verwijzen naar de toelichting bij artikel 1727/2, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Op technisch niveau worden het derde en zesde lid van artikel 1727/4, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek enigszins geherformuleerd om deze nieuwe procedure in te voegen in geval van vervanging van een lid, maar de in 2018 voorziene procedure in geval van vernieuwing van de commissies wordt niet gewijzigd. Art. 32 De voorgestelde wijzigingen verhelpen ook een aan- tal tekortkomingen met betrekking tot de ambtstermijn van de assessoren van de commissie voor de tucht- regeling en de klachtenbehandeling van de Federale de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges. Art. 31 Les modifications proposées visent à combler une lacune concernant le remplacement en cours de mandat d’un membre de la commission pour l’agrément des médiateurs belges et étrangers et de la commission pour l’agrément des formations et le suivi de la forma- tion continue de la Commission fédérale de médiation. En effet, la loi du 18 juin 2018 n’a rien prévu concer- nant le remplacement d’un membre en cours de mandat à la suite d’une démission ou d’une décision motivée du ministre. La procédure assez longue mise en place en 2018 pour la nomination des membres des commissions qui néces- site la rédaction par le Bureau d’une liste de 25 candidats classés par ordre de préférence se justifie pour le renou- vellement des commissions à l’échéance des mandats. Toutefois, lorsque le mandat d’un membre prend fin prématurément, il importe de prévoir une procédure plus souple qui permette de nommer un nouveau candidat sans attendre. Dès lors, il est proposé que le Bureau de la ommission fédérale de médiation choisisse un can- didat dans la liste élaborée pour le renouvellement de la commission. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, la procédure utilisée habituellement pour le renouvellement des commissions sera suivie. Il est également prévu de modifier l’alinéa 6 concernant la durée du mandat des présidences des commissions. Nous renvoyons au commentaire relatif à l’article 1727/2, § 3 du Code judiciaire. Au niveau technique, les alinéas 3 à 6 de l’ar- ticle 1727/4, § 1er, du Code judiciaire sont légèrement remaniés pour insérer cette nouvelle procédure en cas de remplacement d’un membre mais la procédure prévue en 2018 en cas de renouvellement des commissions n’est pas modifiée. Art. 32 Les modifications proposées visent également à combler quelques lacunes concernant le mandat des assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes de la Commission fédérale de médiation 2774/001 DOC 55 30 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bemiddelingscommissie en behelzen ook verbeterpunten met betrekking tot bepaalde problemen uit de praktijk. Het bepaalde onder punt 1° preciseert de duur van het mandaat van de voorzitterschappen van de commissies. We verwijzen naar de toelichting bij artikel 1727/2, § 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bepaalde onder punt 2° voorziet in bepalingen betreffende de ambtstermijn van de assessoren. Er is niet voorzien in een ambtstermijn, noch in een procedure voor de vervanging van een lid tijdens zijn ambtstermijn na ontslagneming of een met redenen omkleed besluit van de minister. De ambtstermijn van de assessoren bedraagt derhalve vier jaar, zoals ook voor de leden van de andere commissies het geval is. Indien het mandaat van een assessor voortijdig wordt beëindigd, wordt bovendien voorgesteld hem te vervan- gen volgens de procedure bedoeld in artikel 1727/5, § 1, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. De overige wijzigingen in het bepaalde onder de punten 3° en 4° geven geen aanleiding tot opmerkin- gen, aangezien het gaat om correcties van fouten in de verwijzingen naar bepaalde artikelen. Art. 33 Dit artikel beoogt verbetering aan te brengen in de bepaling uit 2018, die tot tal van problemen in de praktijk heeft geleid. De wet van 2018 had vooropgesteld dat de rech- ter bij voorkeur en bij toerbeurt een bemiddelaar zou aanwijzen uit de lijst opgesteld door de Federale Bemiddelingscommissie. Sommigen hebben hieraan de betekenis gegeven dat de rechter een bemiddelaar moest aanwijzen zonder rekening te houden met diens specialisatie of activiteitendomein, door zich te houden aan de volgorde op de lijst. Dat was niet de bedoeling, ondanks de ongelukkige formulering, van de wetgever in 2018. De bedoeling was in hoofdzaak te voorkomen dat rechters steeds dezelfde bemiddelaars zouden be- noemen, op basis van hun connecties. De voorgestelde wijziging moet de rechter meer flexibiliteit geven, en verduidelijkt dat hij een geschikte bemiddelaar moet benoemen, naargelang de aard van het geschil, en bij voorkeur op basis van een lijst opgesteld door de Federale Bemiddelingscommissie. et à proposer des améliorations à certains problèmes rencontrés au niveau de la pratique. Au point 1°, il s’agit de préciser la durée du mandat des présidences des commissions. Nous renvoyons au commentaire relatif à l’article 1727/2, § 3 du Code judiciaire. Le point 2° vise à prévoir des dispositions concernant le mandat des assesseurs. Aucune durée de mandat n’a été prévue, ni aucune procédure lors du remplacement d’un membre en cours de mandat à la suite de la démission de celui-ci ou d’une décision motivée du ministre. Il est donc prévu une durée de 4 ans pour les mandats d’assesseurs à l’instar de celle existant pour les mandats de membres d’autres commissions. En outre, lors de la fin prématurée du mandat d’un assesseur, il est proposé de le remplacer en suivant la procédure visée à l’article 1727/5, § 1er, alinéa 3, du Code judiciaire. Le reste des modifications aux points 3° et 4° n’appelle pas de commentaires, s’agissant de corrections d’erreurs de renvoi à certains articles. Art. 33 Cet article vise à corriger la disposition adoptée en 2018 qui a suscité de nombreux problèmes dans la pratique. La loi de 2018 avait préconisé que le juge désigne, de préférence et à tour de rôle un médiateur figurant sur la liste établie par la commission fédérale de médiation. Certaines personnes l’ont interprétée comme signifiant que le juge devait désigner un médiateur sans égard à sa spécialité ou son domaine d’activité en suivant l’ordre de la liste. Telle n’était pas l’intention, certes mal exprimée, du législateur de 2018. L’intention était principalement d’éviter que des juges nomment toujours les mêmes médiateurs en fonction de leur accointance. La modifi- cation proposée vise à donner plus de flexibilité au juge et à préciser qu’il doit nommer un médiateur compétent au regard de la nature du différend de préférence sur la base d’une liste établie par la commission fédérale de médiation. 31 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 6 Wijziging van de wet tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art. 34 Dit artikel beoogt de correctie van een louter materiële fout van een in 2019 aangenomen bepaling. De wijziging beoogt immers de correctie van een materiële fout in artikel 8, § 6, derde en vierde lid, die is ingevoerd bij de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 3 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Het was de bedoeling van de wetgever om leden van de justitie- diensten een bevoegdheid te geven met betrekking tot, enerzijds, het gebruik van informatiegegevens in het Rijksregister en te voorzien in een sanctie in geval van misbruik van deze bevoegdheid, en, anderzijds, het gebruik van het Rijksregisternummer en eveneens te voorzien in een sanctie in geval van misbruik. Een dergelijke machtiging bestond reeds voor de leden van de politiediensten en is opgenomen in artikel 5, § 3, en artikel 8, § 6, leden 1 en 2. Zo voorziet het nieuwe artikel 5, § 4, van de wet in de mogelijkheid voor de justitiediensten om de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens te gebrui- ken. Het nieuwe artikel 8, § 6, leden 3 en 4, moest voorzien in de mogelijkheid voor de justitiediensten om het Rijksregisternummer te gebruiken. Deze bepa- ling bevat echter een materiële fout, aangezien zij een woordelijke kopie betreft van de bepalingen in artikel 5, § 4, dat betrekking heeft op informatiegegevens uit het Rijksregister en niet op het Rijksregisternummer. Deze materiële fout moet derhalve worden gecorrigeerd door de woorden “Rijksregister verkregen informatie- gegevens” te vervangen door “Rijksregisternummer ”. In zijn advies nr. 113/2022 van 3 juni 2022 vraagt de Gegevensbeschermingsautoriteit om alsnog de precieze doeleinden van de door de justitiële diensten voorziene verwerking van het rijksregisternummer te preciseren. De voorgestelde wetswijziging (nl herstel van een eerdere materiële vergissing , wat de bestraffing van misbruik van verwerking betreft) is voor de GBA geen probleem. Dit eist dus geen aanpassing van de voorgestelde wijziging. Het Openbaar Ministerie moet over deze gegevens beschikken om partijen correct te kunnen dagvaarden. CHAPITRE 6 Modification de la loi organisant un registre national des personnes physiques Art. 34 Cet article vise à corriger une erreur purement maté- rielle contenue dans une disposition adoptée en 2019. En effet, la modification vise à rectifier une erreur maté- rielle figurant dans l’article 8 § 6 alinéas 3 et 4 introduites par la loi du 5 mai 2019 modifiant la loi du 3 aout 1983 or- ganisant un Registre national des personnes physiques. L’intention du législateur était de donner une autorisation aux services de justice en ce qui concerne l’utilisation, d’une part, des informations du registre national et prévoir une sanction en cas d’abus de ce pouvoir, et l’utilisation d’autre part, du numéro de registre national et prévoir une sanction en cas d’abus également. Une telle autorisation existait déjà pour les membres des services de police et est inscrite aux articles 5, § 3 et 8, § 6, alinéas 1 et 2. Ainsi, le nouvel article 5, § 4 de la loi prévoit la possibi- lité pour les services de justice d’utiliser les informations obtenues du Registre national. Le nouvel article 8, § 6, alinéas 3 et 4, était censé prévoir la possibilité pour les services de justices d’utiliser le numéro du Registre national. Toutefois, cette disposition comporte une erreur matérielle en ce qu’elle est une copie textuelle des dispositions de l’article 5, § 4, qui traite des données d’information du Registre national et non du numéro de registre national. Il y a dès lors lieu de rectifier cette erreur matérielle en remplaçant les mots “informations du Registre national” par “numéro de registre national”. Dans son avis nr. 113/2022 du 3 juin 2022, l’Autorité de Protection des Données demande que les finalités précises du traitement prévu du numéro de registre national par les services judiciaires soient précisées. La modification législative proposée (c’est-à-dire la correction d’une erreur matérielle antérieure, en ce qui concerne la sanction de l’abus de traitement) n’est pas un problème pour l’APD. Cela ne nécessite donc aucun ajustement de la modification proposée. Le Ministère Public doit disposer de ces données pour pouvoir convoquer correctement les parties. 2774/001 DOC 55 32 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 7 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 35 Artikel 10 werd ingevoegd in het Wetboek van de Belgische nationaliteit door de wet van 28 juni 1984 waar- door dat wetboek werd ingevoerd. Sinds de redactie ervan werd er slechts één technische wijziging aan aangebracht door de wet van 27 december 2006. De huidige bewoordingen van artikel 10 zijn dus de- gene die in 1984 werden gebruikt door de wetgever en doen helaas vragen rijzen, ten eerste met betrekking tot de definitie van de term “staatloos” en ten tweede met betrekking tot de rol van de administratieve of gerechte- lijke instanties die moeten optreden in dat soort dossier. De term “staatloos” die in artikel 10 van het wetboek wordt gebruikt, moet worden begrepen als “geen andere nationaliteit bezittend”, waarbij het niet noodzakelijk is dat de persoon zijn status van staatloze heeft laten erkennen door de familierechtbank. Het was nooit de bedoeling van de wetgever om te vragen dat een vonnis van staatloosheid zou worden gewezen ten aanzien van het kind of zijn ouders. De voorgestelde wijziging verandert dus niets aan de inhoud van het artikel, maar heeft de verduidelijking van dat punt tot doel. Voorts staat de ambtenaar van de burgerlijke stand vaak machteloos voor wat betreft de controle van die voorwaarde dat men geen andere nationaliteit bezit. Daarvoor moet namelijk de nationaliteit van de ouders worden vastgesteld en moet worden nagegaan of het kind in het licht van de buitenlandse wetgeving de na- tionaliteit van zijn ouders kon toegekend krijgen. In artikel 10 wordt niet verduidelijkt welke autoriteit ermee belast is een advies ter zake te verstrekken. In het kader van de toekenningen waarvoor de controle van complexe voorwaarden is vereist, zoals bedoeld in artikel 11bis, bepaalt het wetboek dat de procureur des Konings een advies verstrekt over die toekenning. In artikel 11bis van het wetboek wordt verduidelijkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van het volledige dossier voor advies aan de procureur des Konings van de rechtbank van eerste aanleg moet zenden opdat die een negatief advies kan uitbrengen inzake de toekenning van de Belgische nationaliteit CHAPITRE 7 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 35 L’article 10 a été inséré dans le Code de la nationalité belge par la loi du 28 juin 1984 qui l’a institué. Depuis sa rédaction, il n’a subi qu’une seule modification technique par la loi du 27 décembre 2006. Les termes actuels de l’article 10 sont donc ceux utilisés par le législateur de 1984 et créent malheureu- sement des interrogations, d’une part, sur la définition du terme “apatride” et, d’autre part, sur le rôle des instances administratives ou judiciaires amenées à intervenir dans ce type de dossier. Le terme “apatride” utilisé à l’article 10 du Code doit s’entendre comme “ne possédant pas d’autre nationa- lité”, sans qu’il soit nécessaire que la personne ait fait reconnaitre son statut d’apatride devant le tribunal de la famille. Il n’a jamais été dans l’esprit du législateur de demander qu’un jugement d’apatridie soit rendu dans le chef de l’enfant ou de ses parents. La modification proposée ne change donc rien au fond de l’article, mais a pour objectif de préciser ce point. En outre, l’officier de l’état civil se retrouve souvent démuni quant à la vérification de cette condition de ne pas posséder d’autre nationalité. Cette question nécessite, en effet, d’établir la nationalité des parents et de vérifier si, au regard de la législation étrangère, l’enfant a pu se voir attribuer la nationalité de ses parents. L’article 10 ne précise pas quelle autorité est chargée de rendre un avis sur ce point. Dans le cadre des attributions qui nécessitent la véri- fication de conditions complexes, telles celles prévues à l’article 11bis, le Code prévoit que le procureur du Roi rende un avis sur cette attribution. L’article 11bis du Code précise que l’officier de l’état civil doit transmettre, pour avis, une copie de l’intégralité du dossier au procureur du Roi du tribunal de première instance afin que celui-ci puisse émettre un avis négatif sur l’attribution de la nationalité belge si la déclaration vise un autre but que l’intérêt de l’enfant à se voir attribuer 33 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E indien de verklaring een ander oogmerk heeft dan het belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit te zien toekennen of als de grondvoorwaarden, die hij moet aanduiden, niet vervuld zijn. In dat geval wordt de verplichting om het advies van het parket te vragen verantwoord door de opmaak van een akte van nationaliteit, wat niet het geval is bij de toepassing van artikel 10 van het wetboek. Teneinde de bevoegdheden van elke autoriteit in het kader van de toepassing van artikel 10 van het wetboek te verduidelijken, is het derhalve opportuun om te voorzien in een mogelijkheid voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om de procureur des Konings om advies te vragen, zonder dat evenwel te verplichten. Het advies van het parket moet door de ambtenaar van de burgerlijke stand enkel gevraagd worden in geval van twijfel. Dit advies moet dus uiteraard niet gevraagd worden als er geen twijfel bestaat over de afwezigheid van nationaliteit, bijvoorbeeld omdat dit duidelijk blijkt uit de stukken van het dossier of omdat het parket in een gelijkaardig dossier reeds een advies heeft uitgebracht. In het kader van de toepassing van artikel 10 van het Wetboek, wordt het advies van de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit van de FOD Justitie uitgesloten overeenkomstig het nieuwe artikel 24ter, § 1 van het Wetboek. In het nieuwe lid dat wordt voorgesteld om toe te voegen aan (de nieuwe) § 1, wordt met de woorden “wettelijke vertegenwoordiger van het kind” elk individu bedoeld dat bij rechterlijke beslissing of bij wet is aange- wezen om de belangen van een natuurlijke persoon te vertegenwoordigen en te verdedigen. De voogd van een minderjarige is dus ook een wettelijke vertegenwoordiger van het kind in de zin van artikel 10 van het wetboek. Art. 36 Sinds de hervorming van de burgerlijke stand kan het College van procureurs-generaal richtlijnen vastleggen waarin de nadere regels voor de controle van de akten van de burgerlijke stand worden uitgelegd. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen bin- nen hun rechtsgebied (artikel 40 van het oud Burgerlijk Wetboek). De ‘potpourri-wet’ van 19 oktober 2015 heeft artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd, dat voortaan bepaalt dat in procedures met betrekking tot inzonderheid de burgerlijke stand het College van procureurs-generaal richtlijnen geeft die verduidelijken la nationalité belge ou lorsque les conditions de base, qu’il doit indiquer, ne sont pas remplies. Dans ce cas, l’obligation de demander l’avis du par- quet est justifiée par l’établissement d’un acte de natio- nalité, ce qui n’est pas le cas lors de l’application de l’article 10 du Code. Afin de clarifier les compétences de chaque autorité dans le cadre de l’application de l’article 10 du Code, il est donc opportun de prévoir une possibilité pour l’officier de l’état civil d’interroger le procureur du Roi sans pour autant en faire une obligation. L’avis du parquet ne doit être demandé par l’officier de l’état civil qu’en cas de doute. Celui-ci ne doit évi- demment pas être demandé si l’absence de nationalité ne fait aucun doute, par exemple, parce que cela ressort clairement des pièces du dossier ou parce que le parquet a déjà émis un avis dans un dossier similaire. Dans le cadre de l’application de l’article 10 du Code, l’avis de l’Autorité Centrale en matière de nationalité du SPF Justice est exclu, conformément au nouvel article 24ter, § 1er du Code. Dans le nouvel alinéa qu’il est proposé d’ajouter au § 1er (nouveau), les termes “représentant légal de l’enfant” désignent tout individu désigné par décision de justice ou par la loi pour représenter et défendre les intérêts d’une personne physique. Le tuteur d’un mineur est donc aussi un représentant légal de l’enfant au sens de l’article 10 du Code. Art. 36 Depuis la réforme de l’état civil, le Collège des pro- cureurs généraux peut arrêter des directives précisant les modalités de contrôle des actes d’état civil. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public. Les procureurs généraux près les cours d’appel veillent à l’exécution de ces directives au sein de leur ressort (article 40 ancien Code civil). La loi “pot-pourri” du 19 octobre 2015 a modifié l’article 764 du Code judiciaire qui prévoit désormais que dans les procédures qui concernent, notamment, l’état civil, le Collège des procureurs généraux arrête des directives précisant dans quelles affaires un avis sera rendu. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres 2774/001 DOC 55 34 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E in welke zaken advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied. Bovendien verankert artikel 4 van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake bur- gerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevorde- ring van alternatieve vormen van geschillenoplossing, dat in werking is getreden op 31 maart 2019, in het Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid voor het College van procureurs-generaal om richtlijnen voor de parketten uit te vaardigen. Die verduidelijking was nodig om de wet aan het huidige gerechtelijke landschap aan te passen (memorie van toelichting, Doc 54 2919/001, blz. 96). Vanuit dat oogpunt, en in het licht van die verduide- lijkingen, diende artikel 24bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, dat de adviesbevoegdheden van het parket beoogt, eveneens eraan te herinneren dat de richtlijnen voor de parketten niet langer worden vastgelegd door de minister van Justitie, maar door het College van procureurs-generaal. Art. 37 en 38 In zijn aanbevelingen van het derde trimester 2013 heeft de federale ombudsman eraan herinnerd dat de minister van Justitie, via de dienst Nationaliteit, de bewaarder van de Belgische nationaliteit is. De dienst Nationaliteit bestaat al sinds jaar en dag, maar zijn opdrachten zijn nooit vastgelegd in een wet- tekst. Dat geeft aanleiding tot juridische vaagheid rond zijn bevoegdheden en tot problemen in verband met de strekking van zijn adviezen. Uitgaande van artikel 31 van het Wetboek van internati- onaal privaatrecht moet de samenhang van de opdrachten van de dienst ten aanzien van de andere actoren van het domein (gemeenten, Belgische consulaten, parketten) in de hand worden gewerkt, en overeenstemmen met de aanbevelingen van de federale ombudsman. Daarom bepaalt een nieuw artikel dat de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit opricht binnen de FOD Justitie, en dat deze niet-bindende adviezen ver- leent in geval van ernstige twijfel inzake de Belgische nationaliteit, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdhe- den van de Procureur des Konings in deze materie. Het betreft, bijvoorbeeld, de adviesbevoegdheid toegekend aan het parket door artikel 11bis van het Wetboek van de Belgische nationaliteit en zijn bevoegdheid zoals gedefinieerd door het Gerechtelijk Wetboek. du ministère public. Les procureurs généraux près les cours d’appel veillent à l’exécution de ces directives au sein de leur ressort. En outre, l’article 4 de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dis- positions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, entré en vigueur le 31 mars 2019, a souhaité ancrer, dans le Code civil, la possibilité pour le Collège des procureurs généraux d’arrêter des direc- tives à destination des parquets. Cette précision était nécessaire afin d’adapter la loi au paysage judiciaire actuel (exposé des motifs, Doc 54 2919/001, p. 96). Dans cette optique et suite à ces précisions, l’ar- ticle 24bis du Code de la nationalité belge, visant les compétences d’avis du parquet, devait également prévoir que les directives à destination des parquets ne sont plus arrêtées par le ministre de la Justice, mais par le Collège des procureurs généraux. Art. 37 et 38 Le médiateur fédéral a dans ses recommandations du 3ième trimestre 2013 rappelé que le ministre de la Justice, par l’intermédiaire du service de la nationalité, est le gardien de la nationalité belge. Le service de la nationalité existe depuis toujours mais n’a pourtant jamais vu ses missions définies par un texte légal. Il en résulte un flou juridique quant à ses compétences et des difficultés relatives à la portée de ses avis. En s’inspirant de l’article 31 du Code de droit inter- national privé, l’articulation de ses missions par rapport aux autres acteurs du domaine (communes, consulats belges, parquets) doit être facilitée et correspondre aux recommandations du médiateur fédéral. Dans ce but, un nouvel article crée l’Autorité Centrale en matière de nationalité au sein du SPF Justice, et indique que celle-ci rend des avis non contraignants en cas de doute sérieux en matière de nationalité, sans toutefois porter atteinte aux compétences du Procureur du Roi en cette matière. Il s’agit, par exemple, de la compétence d’avis dévolue au parquet par l’article 11bis du Code de la nationalité belge et de sa compétence telle que définie par le Code judiciaire. 35 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit zal dus geen advies uitbrengen in de gevallen waarin het Wetboek van de Belgische Nationaliteit of de wet bevoegdheden toekent aan de Procureur des Konings, ongeacht of deze adviesbevoegdheid verplicht of facultatief is. Voorts bepaalt het artikel dat deze Centrale Autoriteit kan worden aangesproken door een ambtenaar van de burgerlijke stand of een houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, met in begrip van de Belgische consulaten voor zover in dat geval de aanvra- gen worden overgezonden aan de Centrale Autoriteit via de dienst Nationaliteit van de FOD Buitenlandse Zaken, met inachtneming van de bevoegdheden toegekend aan deze FOD. De procedure voor het indienen van aanvragen, de termijn waarin de Centrale Autoriteit advies moet verle- nen, alsmede de wijze van overzending van dat advies worden eveneens vastgelegd in het nieuwe artikel 24ter. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zal zijn adviesaanvraag overzenden aan de dienst Nationaliteit, samen met een vooranalyse van het dos- sier. Hij zal zijn aanvraag onderbouwen met een zo compleet mogelijke stukkenbundel. HOOFDSTUK 8 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 39 en 40 Artikel 4.59 dat in het kader van de codificatie van boek 4 recent is goedgekeurd, en op 1 juli 2022 in werking treedt herneemt de inhoud van artikel 1240bis van het oud BW over het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid. De daarin vervatte regeling is evenwel hoofdzakelijk beperkt tot één doelstelling: de vrijgave van tegoeden van de erflater. Er is echter nood aan een bredere bepa- ling, die een algemene regeling bevat over het bewijs van de devolutie of vererving van de nalatenschap, dus over het bewijs van iedere erfrechtelijke hoedanigheid. Een dergelijk bewijs kan immers in vele andere om- standigheden vereist zijn. Bijvoorbeeld tegenover een schuldenaar (bijv. huurder) of een schuldeiser of me- decontractant (bijv. verhuurder of koper), of om een geding te kunnen hervatten waarin de erflater betrok- ken was, of nog op grond van de bepalingen van het scheepvaartwetboek, en uiteraard ook met het oog op L’Autorité centrale de la nationalité ne rendra donc pas d’avis dans les cas où le Code de la nationalité belge ou la loi accordent des compétences au Procureur du Roi, que cette compétence d’avis soit obligatoire ou facultative. En outre, il précise que cette Autorité Centrale peut être interpellée par un officier de l’état civil ou un détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, en ce compris les consulats belges pour autant que dans ce cas, les demandes soient transmises à l’Autorité Centrale par l’intermédiaire de l’administration centrale du SPF Affaires étrangères, dans le respect des compétences attribuées à ce SPF. La procédure d’introduction des demandes, le délai dans lequel l’Autorité Centrale doit rendre un avis ainsi que le mode de transmission de celui-ci sont également fixés par le nouvel article 24ter. L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, transmettra sa demande d’avis au service de la nationalité, accompagnée d’une pré-analyse du dossier. Il étayera sa demande d’un dossier de pièces le plus exhaustif possible. CHAPITRE 8 Modifications du Code civil Art. 39 et 40 L’article 4.59 qui a été récemment approuvé dans le cadre de la codification du livre 4 du Code civil, et qui entre en vigueur le 1er juillet 2022, reprend le contenu de l’article 1240bis de l’ancien Code civil relatif à la preuve de la qualité successorale. Le régime qu’il instaure est cependant essentiellement limité à une seule finalité: la libération des avoirs du défunt. Une disposition plus large est cependant nécessaire, déterminant un régime général de la preuve de la dévolution ou de l’attribution de la succession, donc de la preuve de toute qualité successorale. Une telle preuve peut en effet être requise dans bien d’autres circonstances. Par exemple à l’égard d’un débiteur (par ex. un locataire) ou d’un créancier ou d’un co-contractant (par ex. un bailleur ou un acquéreur), ou pour reprendre une instance dans laquelle était impliqué le défunt, ou encore sur base du code de la navigation, et évidemment aussi en vue de la publicité foncière 2774/001 DOC 55 36 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de onroerende publiciteit na overlijden, zoals voorzien in art. 3.30, § 1, 7°, BW dat eveneens op 1 juli 2022 in werking treedt. Vandaar het belang van één algemene bepaling die het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid breder regelt dan het nieuwe artikel 4.59. Die bepaling moet kunnen dienen voor elke situatie waarin een erfrechtelijke hoedanigheid moet aangetoond worden, breder en duidelijker dan wat met paragraaf 6 van dat artikel 4.59 kan worden bereikt. De nieuwe bepaling beoogt de invoering van een dergelijke algemene bepaling die de actuele draagwijdte van de akten en attesten van erfopvolging verruimt. Vermits het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid in uiteenlopende situaties en omwille van verschillende doeleinden kan vereist zijn, zullen de vermeldingen die de akte of het attest van erfopvolging moet bevatten in functie van deze situaties en van deze doeleinden verschillend kunnen zijn. Het nieuw artikel 4.59 wordt onderverdeeld in zeven paragrafen. Paragraaf 1 geeft in zijn eerste lid aan dat een akte of attest van erfopvolging kan worden voorgelegd tot bewijs van de hoedanigheid van erfgerechtigde, van erfgenaam, van algemene legataris, van legataris ten algemene titel (in de zin van artikel 4.2 BW) of van bijzonder legataris. De akte of het attest van erfopvolging is niet het enig mogelijk bewijsmiddel om deze hoedanigheden aan te tonen. Net zoals dit onder het huidige recht het geval is, kan een dergelijke hoedanigheid ook door andere bewijsmiddelen worden bewezen. Daar raakt het ont- worpen artikel niet aan. In de praktijk blijkt er vooral in hoofde van de langst- levende echtgenoot een enorme nood aan een snelle vrijgave van tegoeden op een bankrekening die om- wille van het overlijden van de titularis of mede-titularis geblokkeerd wordt. Indien de langstlevende krachtens de bedingen van zijn huwelijksovereenkomst als enige aanspraak kan maken op die tegoeden, moet het mo- gelijk zijn om tot die vrijgave over te gaan, ook al zijn alle opzoekingen ten aanzien van de devolutie van de nalatenschap nog niet verricht. Daarom bepaalt het tweede lid van paragraaf 1 dat dit ook via een akte of attest van erfopvolging moet kun- nen aangetoond worden (hoewel die akte of dat attest alleen de huwelijksvermogensrechtelijke, en niet de erfrechtelijke aanspraken van de langstlevende vermeldt, après le décès, comme prévu par l’article 3.30, § 1er, 7°, C. civ. qui lui aussi entre en vigueur le 1er juillet 2022. D’où l’importance d’une disposition générale qui règle la preuve de la qualité successorale plus largement que le nouvel article 4.59. Cette disposition doit pouvoir servir dans toute situation où cette qualité doit être démontrée, de manière plus étendue et plus claire que ce que peut atteindre le paragraphe 6 de cet article 4.59. La nouvelle disposition envisagée dans ce projet vise à instaurer une telle disposition générale, qui élargit la portée actuelle des actes et des certificats d’hérédité. La preuve de la qualité successorale pouvant être requise dans des circonstances diverses et en raison de plusieurs finalités, les mentions à apporter dans l’acte ou le certificat d’hérédité pourront être différentes en raison de ces circonstances et de ces finalités. Le nouvel article 4.59 en projet est divisé en sept paragraphes. Le premier paragraphe mentionne en son premier ali- néa que l’acte ou le certificat d’hérédité peut être présenté pour démontrer la qualité de successible, d’héritier, de légataire universel, de légataire à titre universel (dans le sens de l’art. 4.2 C. civ.), ou de légataire particulier. L’acte ou le certificat d’hérédité n’est pas le seul moyen de preuve pour démontrer ces qualités. Tout comme c’est le cas actuellement, une telle qualité peut également être établie par d’autres moyens de preuve. L’article en projet n’apporte à cet égard aucun changement. Dans la pratique il est apparu qu’il existe dans le chef du conjoint survivant un besoin énorme d’obtenir rapidement la libération des avoirs en banque qui sont bloqués, suite au décès du titulaire ou du cotitulaire du compte. Si le conjoint survivant a seul droit à ces avoirs en vertu des clauses de sa convention de mariage, il faut qu’il puisse obtenir la libération de ces avoirs, même si les recherches pour déterminer la dévolution de la succession sont toujours en cours. C’est pourquoi le deuxième alinéa du paragraphe 1er prévoit qu’un tel droit doit aussi pouvoir être démontré par un acte ou un certificat d’hérédité (alors même que dans ce cas l’acte ou le certificat ne mentionne que les droits issus du régime matrimonial et non les droits 37 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E en dus strikt genomen niet met de uitdrukking “akte of attest van erfopvolging” zou mogen worden aangeduid). Indien de banktegoeden bijvoorbeeld tot de huwelijks- gemeenschap behoren en de langstlevende krachtens haar huwelijksovereenkomst als enige op die bankte- goeden gerechtigd is, dan moet zij zo snel mogelijk over de vereiste akte of attest kunnen beschikken om dit tegenover de bank te bewijzen. Hoe de eigen goederen van de erflater vervolgens vererfd worden, moet dan niet in de akte of het attest worden vermeld. Dit kan leiden tot aanzienlijke tijdwinst voor de langstlevende. Dit is dus een voorbeeld van een akte of attest van erfopvolging waarvan de vermeldingen beperkt mogen blijven tot hetgeen vereist is voor de specifieke doelstel- ling waarvoor de akte of het attest wordt afgeleverd. In het derde lid wordt ook de mogelijkheid vermeld om in de akte of het attest van erfopvolging de testamentuit- voerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van de nalatenschap aan te duiden, omdat ieder van hen bevoegd kan zijn om de nalatenschap te beheren of om over de goederen ervan te beschikken, en in dat geval het bewijs van zijn bevoegdheden moet kunnen leveren. Dat bewijs zal met name nodig zijn voor de beheerder van de nalatenschap die de onroerende goederen van deze nalatenschap mag verkopen. Met gerechtelijk aangewezen beheerder worden dus met name bedoeld, de beheerder van een beneficiair aanvaarde nalatenschap (artikel 4.53 en 4.54 Burgerlijk Wetboek) en de beheerder van een nalatenschap die in het kader van een gerechtelijke vereffening wordt aangeduid (artikel 1212 Gerechtelijk Wetboek). Het zou ook kunnen gaan om de curator over een onbeheerde nalatenschap (artikel 1228 Gerechtelijk Wetboek, waar- naar verwezen wordt in artikel 4.58 Burgerlijk Wetboek). Of nog om een beheerder ad hoc, aangesteld op grond van artikel 584 Gerechtelijk Wetboek. Paragraaf 2, eerste lid geeft aan welke personen om de afgifte van de akte of het attest van erfopvol- ging kunnen verzoeken. In de eerste plaats gaat het over de personen wier erfrechtelijke hoedanigheid de akte of het attest van erfopvolging bewijst, namelijk de erfgerechtigden, erfgenamen of bijzondere legataris- sen vermeld in paragraaf 1. Ook hun rechtsopvolgers kunnen, desgevallend, om de afgifte van de akte of het attest van erfopvolging verzoeken. Uiteraard kunnen ook testamentuitvoerders en ge- rechtelijk aangewezen beheerders van de nalaten- schap om een akte of attest van erfopvolging verzoeken, zelfs al hebben ze die akte of dat attest niet nodig om successoraux du conjoint survivant, et n’est donc, stric- tement, pas couvert par l’expression “acte ou certificat d’hérédité”). Si par exemple les avoirs bancaires dépendent de la communauté conjugale et que le survivant y a seul droit par l’effet de sa convention matrimoniale, alors il faut que puisse être établi le plus rapidement possible l’acte ou le certificat requis pour le démontrer à l’égard de la banque. Celui-ci ne mentionnera alors pas com- ment sont dévolus les biens propres du défunt. Ceci peut représenter un gain de temps important pour le conjoint survivant. Ceci est donc un exemple d’un acte ou d’un certificat d’hérédité dont les mentions peuvent être limitées à ce que requiert la finalité particulière pour laquelle cet acte ou ce certificat est délivré. Au troisième alinéa il est fait mention de la possibilité d’indiquer dans l’acte ou le certificat d’hérédité, l’exécu- teur testamentaire ou l’administrateur de la succession désigné par une décision judiciaire, parce que chacun d’eux peut avoir le pouvoir de gérer la succession ou de disposer des biens de la succession, et doit dans ce cas pouvoir apporter la preuve de ces pouvoirs. Cette preuve sera en particulier requise pour l’admi- nistrateur de la succession qui peut vendre les biens immeubles dépendant de cette succession. On entend donc par administrateurs désignés par une décision judiciaire, notamment, l’administrateur d’une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire (articles 4.53 et 4.54 du Code civil) et l’administra- teur désigné dans le cadre d’une liquidation judiciaire (article 1212 du Code judiciaire). Il pourrait s’agir aussi d’un curateur à succession vacante (article 1228 du Code judiciaire. auquel se réfère l’article 4.58 du Code civil). Ou encore d’un administrateur ad hoc, désigné sur base de l’article 584 du Code judiciaire. Le deuxième paragraphe mentionne en son alinéa 1er quelles sont les personnes qui peuvent requérir un acte ou un certificat d’hérédité. Il s’agit en premier lieu des personnes dont la qualité héréditaire est prouvée par l’acte ou le certificat d’hérédité, à savoir, les successibles, les héritiers ou les légataires particuliers mentionnés au paragraphe 1er. Les ayants-droit de ces personnes peuvent également, le cas échéant, requérir l’acte ou le certificat d’hérédité. Bien entendu, les exécuteurs testamentaires et les administrateurs de la succession désignés par une déci- sion judiciaire peuvent eux aussi demander un acte ou un certificat d’hérédité, même s’ils n’ont pas besoin de 2774/001 DOC 55 38 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hun hoedanigheid ten aanzien van de nalatenschap te bewijzen. Het is inderdaad mogelijk dat de testamentuitvoerder met zekerheid wil weten wie in de nalatenschap gerechtigd is, omdat het tegenover de erfgenamen en legatarissen zal zijn dat hij rekenschap en verantwoording over de vervulling van zijn opdracht zal moeten afleggen. Voor de gerechtelijk aangewezen beheerders van een beneficiaire aanvaarde nalatenschap is deze informa- tie nuttig omdat ook zij moeten weten aan wie ze een eventueel positief saldo na vereffening van het passief moeten overdragen. Ten slotte kan de akte of het attest van erfopvolging nuttig zijn voor de curator over de onbeheerde nalaten- schap, omdat zijn opdracht eindigt indien zich toch een erfgenaam meldt. De curator moet aan de hand van een akte of attest van erfopvolging kunnen nagaan of deze persoon die zich als erfgenaam meldt wel degelijk in de nalatenschap gerechtigd is. Ook moet de curator over de onbeheerde nalatenschap om een akte of attest van erfopvolging kunnen vragen indien hem moet worden bewezen wie als bijzondere legataris aanspraken heeft op bestanddelen van de onbeheerde nalatenschap waarvan het bezit hem door de curator moet worden verleend. Paragraaf 2, tweede en derde lid, bepalen wie instaat voor de opmaak en de afgifte van de akte en het attest van erfopvolging. Inhoudelijk wijzigt deze regel niet ten opzichte van de paragrafen 1 en 3 van het reeds goedgekeurde artikel 4.59, die zelf overeenstemmen met paragrafen 1 en 3 van artikel 1240bis oud Burgerlijk Wetboek. De akte van erfopvolging kan steeds worden afgegeven door de notaris. Het gaat in dat geval inderdaad om een notariële akte. Het door een notaris afgeleverde attest van erfopvolging is daarentegen niet een authentieke akte. De akte en het attest kunnen evenwel ook, in wat men “eenvoudige situaties” kan noemen, door het be- voegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie worden afgeleverd. De inhoudelijk niet gewijzigde regel werd evenwel ge- herformuleerd. Het tweede lid bevat thans de algemene regel, die steeds geldt. Het derde lid bevat de specifieke regel, die enkel geldt in de door de wet omschreven “eenvoudige” situaties. Het vierde lid bepaalt tenslotte dat de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten inschrijft in het centraal erfrechtregister. Deze verplichting is ook cet acte ou de ce certificat pour démontrer leur qualité à l’égard de la succession. Il est en effet possible qu’un exécuteur testamentaire ait besoin de savoir avec certitude qui est appelé à la succession, parce que c’est à l’égard des héritiers et des légataires qu’il devra rendre compte de l’exécution de sa mission. Pour les administrateurs de succession bénéficiaire désignés par décision judiciaire, cette information est utile parce qu’ils doivent savoir à qui ils devront remettre le solde positif éventuel après apurement du passif. Enfin, l’acte ou le certificat d’hérédité peut être utile au curateur à succession vacante, parce que sa mis- sion prend fin si un héritier se présente néanmoins. Le curateur doit pouvoir déterminer au vu d’un acte ou d’un certificat d’hérédité si la personne qui se présente comme héritier est en effet appelée à la succession. De même le curateur à succession vacante doit pouvoir demander un acte ou un certificat d’hérédité si doit être démontrée la qualité d’un légataire particulier qui aurait droit à des éléments de la succession vacante dont la possession doit lui être accordée par le curateur. Les deuxième et troisième alinéas 2 et 3 du deuxième paragraphe déterminent qui est habilité à délivrer un acte ou un certificat d’hérédité. Le contenu de cette règle est conforme à celui des paragraphes 1 et 3 de l’article 4.59 déjà approuvé, eux-mêmes conformes aux paragraphes 1 et 3 de l’article 1240bis de l’ancien Code civil. L’acte d’hérédité peut toujours être délivré par un notaire. Il s’agit bien dans ce cas d’un acte notarié. Le certificat d’hérédité délivré par un notaire n’est par contre pas un acte authentique. L’acte et le certificat peuvent aussi, dans les situations qu’on pourrait appeler des situations “simples”, être délivrés par le bureau compé- tent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale. La règle maintenue quant à son contenu est cepen- dant reformulée. Le deuxième alinéa contient la règle générale, qui est toujours applicable. Le troisième alinéa contient la règle spécifique, qui ne s’applique que dans les situations dites “simples” telles que circonscrites par la loi. Enfin, l’alinéa 4 précise que le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la documenta- tion patrimoniale inscrit les actes et certificats au registre central successoral. Cette obligation est également 39 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E opgenomen in artikel 4.126, § 1, 1°, van het Burgerlijk Wetboek. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4) wordt om reden van rechts- zekerheid verduidelijkt dat de inschrijving gebeurt over- eenkomstig artikel 4.126 Burgerlijk Wetboek. Paragraaf 3 geeft aan welke vermeldingen in ieder geval in elke akte of attest van erfopvolging moeten wor- den opgenomen. Deze paragraaf bevat dus de “gemene regel” of “truncus communis” die in acht moet worden genomen, ongeacht voor welke doelstelling de akte of het attest wordt opgemaakt. Het gaat om de gegevens ter nadere identificatie van de erflater enerzijds, en om de aanduiding van het op de nalatenschap toepasselijk erfrecht anderzijds. Paragraaf 4 geeft aan welke vermeldingen in de akte of attest van erfopvolging moeten worden opgenomen, afhankelijk van de doelstelling waarvoor de akte of het attest wordt opgemaakt, en ook enkel voor zover die gegevens kunnen worden achterhaald. Uiteraard wordt van de notaris verwacht dat hij redelijkerwijze alle nodige inspanningen zal leveren om deze gegevens inder- daad te achterhalen. Hetzelfde geldt voor de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, in de mate waarin er sprake is van een akte of attest waarvan de afgifte tot haar bevoegdheid hoort. Het betreft een middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis. Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit bepaalt paragraaf 4, eerste lid, dat de wet bepaalt welke gegevens ter zake dienend en noodzakelijk zijn voor het bereiken van de doelstelling waartoe de gegevens worden verzameld. Op die manier wordt voorkomen dat hier een te ruime appreciatiemarge aan de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie wordt gegeven die als disproportioneel kan worden ervaren. De verschillende onderdelen van deze paragraaf vermelden onder meer: 1° de gegevens vereist ter identificatie van alle erfop- volgers, erfgenamen, legatarissen en voor de langstle- vende echtgenoot; 2° – of de erfkeuze is uitgeoefend, omdat het ook mogelijk is om een akte of attest van erfopvolging op te maken met de vermelding van erfgerechtigden die hun keuze nog niet hebben gemaakt, of waarvan men niet weet of ze die keuze al hebben gemaakt; — voor zover als vereist omwille van de beoogde doeleinden, de omschrijving van de goederen; dit zal bijvoorbeeld vereist zijn indien het om onroerende goe- deren gaat en de akte zoals door art. 3.30, § 1, 7°, reprise à l’article 4.126, § 1, 1°, du Code civil. Suivant l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4), il est précisé pour des raisons de sécurité juridique que l’inscription a lieu conformément à l’article 4.126 Code civil. Le troisième paragraphe indique quelles sont les mentions qui doivent toujours être reprises dans tout acte ou certificat d’hérédité. Ce paragraphe contient donc la “règle générale” ou le “tronc commun” dont il faut tenir compte, quelle que soit la finalité pour laquelle l’acte ou le certificat est établi. Il s’agit des données permettant d’identifier le défunt d’une part, et de l’indication de la loi applicable à cette succession d’autre part. Le quatrième paragraphe indique quelles sont les mentions qui doivent être reprises dans l’acte ou le certificat d’hérédité, selon les finalités pour lesquelles cet acte ou ce certificat est établi, et uniquement pour autant que ces données aient pu être déterminées. On attend bien entendu du notaire qu’il déploie raisonna- blement les efforts requis pour retrouver ces données. Il en est de même pour l’Administration générale de la documentation patrimoniale, dans la mesure où il s’agit d’un acte ou certificat qu’elle est habilitée à délivrer. Il s’agit d’une obligation de moyens et non pas d’une obligation de résultat. Après l’avis de l’Autorité de protection des données, le paragraphe 4, alinéa 1er, stipule que la loi détermine quelles données sont pertinentes et nécessaires pour atteindre l’objectif pour lequel les données sont collec- tées. De cette manière, on évite qu’une trop grande marge d’appréciation soit donnée au notaire ou au bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale, qui pourrait être perçue comme disproportionnée. Les diverses sous-divisions du paragraphe men- tionnent en particulier: 1° les données requises pour identifier les succes- sibles, les héritiers, les légataires et le conjoint survivant; 2° – si l’option héréditaire a été exercée, parce qu’il est en effet possible d’établir un acte ou un certificat d’hérédité en mentionnant les successibles qui n’ont pas encore opté, ou dont on ne sait pas s’ils l’ont fait; — pour autant que requis en raison des finalités recher- chées, la description des biens; ceci sera par exemple requis s’il s’agit de biens immeubles et que l’acte doit, comme édicté à l’article 3.30, § 1er, 7°, du Code civil, 2774/001 DOC 55 40 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Burgerlijk Wetboek voorgeschreven, in de registers van de Patrimoniumdocumentatie moet worden overgeschre- ven; of indien een bepaald goed aan een bijzondere legataris toekomt die de afgifte van een derde houder moet kunnen eisen, enz.; — de beperkingen aan de uitoefening van de rechten die zijn toegekend, in de mate waarin derden daar re- kening mee moeten houden wanneer de erfgenaam of legataris die rechten tegenover derden uitoefent; 3° op analoge wijze voor de langstlevende echtgenote de gegevens die haar zullen toelaten haar rechten uit te oefenen zoals ze haar door de huwelijksovereen- komst zijn toegekend; daarvoor is in de eerste plaats vereist dat ze haar hoedanigheid van echtgenote bewijst (plaats en datum van het huwelijk) en vervolgens haar huwelijksstelsel; 4° specifiek voor de legatarissen of ze het bezit van rechtswege hebben, dan wel in het bezit moeten wor- den gesteld en in voorkomend geval of ze al in het bezit werden gesteld; 5° voor de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van de nalatenschap moet de omvang van zijn bevoegdheden worden gepreciseerd, evenals de gegevens met betrekking tot de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen: het testament of de gerechtelijke beslissing. Ook moet worden benadrukt dat de vermeldingen in de akte of het attest van erfopvolging moeten beperkt worden tot hetgeen voor de doelstellingen waarvoor de akte of het attest wordt opgemaakt, vereist is. Indien de akte wordt opgemaakt om in de registers van de patrimoniumdocumentatie te worden overgeschreven, moet daarin enkel vermeld worden wat voor die over- schrijving vereist is. De notaris die de akte opmaakt zal daarin geen ver- meldingen opnemen die niet ter kennis van derden horen te worden gebracht. Zo bijvoorbeeld als de akte enkel wordt opgemaakt om aan te tonen dat een bijzondere legataris een bepaald onroerend goed, dat eigen aan de erflater was, heeft verkregen en waarvan hij in het bezit is gesteld, zullen in die akte de modaliteiten van de verdeling van het huwelijksstelsel niet worden vermeld, noch de overige legaten die de erflater heeft opgemaakt. Daarnaast is ook bepaald dat de notaris of het be- voegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie een letterlijk uittreksel van een akte van erfopvolging dat voor meerdere doeleinden être transcrit dans les registres de la documentation patrimoniale; ou s’il s’agit d’un bien déterminé attribué à un légataire particulier qui doit pouvoir exiger d’un tiers détenteur, qu’il lui soit remis, etc.; — les restrictions à l’exercice des droits attribués, dans la mesure où les tiers doivent en tenir compte lorsque l’héritier ou le légataire exerce leurs droits à l’égard de ces tiers; 3° de manière analogue, les données relatives au conjoint survivant qui lui permettront d’exercer les droits qui lui ont été attribués par la convention matrimoniale; il faut pour cela que soit démontrée d’abord sa qualité de conjoint, donc le lieu et la date du mariage, et ensuite son régime matrimonial; 4° en particulier pour les légataires, s’ils jouissent de la possession de plein droit, ou alors s’ils doivent être envoyés en possession et le cas échéant si cet envoi en possession a déjà eu lieu; 5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur judiciaire de la succession, il faut préciser l’étendue de ses pouvoirs ainsi que les données relatives à la dis- position qui lui accorde ces pouvoirs: le testament ou la décision judicaire. Il faut insister aussi sur la nécessité de limiter les mentions dans l’acte ou le certificat d’hérédité, à ce que requièrent les finalités pour lesquelles il est établi. Si l’acte est uniquement établi pour être transcrit dans les registres de la documentation patrimoniale, il ne doit mentionner que ce que cette transcription requiert. Le notaire qui l’établit s’abstiendra d’y ajouter des mentions qui n’ont pas à être portées à la connaissance des tiers. Par exemple, si l’acte est établi uniquement pour établir qu’un légataire particulier s’est vu attribuer tel bien immeuble qui est un bien propre du défunt et dont il a obtenu la délivrance, il ne sera pas fait men- tion également des modalités du partage du régime matrimonial, ni aux autres legs attribués par le défunt. Il est par ailleurs précisé que le notaire ou le bu- reau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait littéral d’un acte d’hérédité établi pour atteindre plusieurs 41 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E is opgemaakt, kan afgeven, indien het uittreksel alle informatie bevat dat vereist is om het nagestreefde doel op nuttige wijze te bereiken. Evenzo zal in de akte of het attest van erfopvolging die enkel wordt opgemaakt om de vrijgave van tegoeden te verkrijgen, enkel vermelding worden gemaakt van de personen die op die tegoeden zijn gerechtigd. Dat zijn immers ook, naast de erflater zelf, de enige personen die door de regels inzake fiscale of sociale notificaties geviseerd worden. Daarom net sluiten de bewoordingen, op dit specifieke punt, in het derde lid van deze paragraaf, zo nauw mogelijk aan op deze van artikel 1240bis oud Burgerlijk Wetboek, dat artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek is geworden. Deze modaliteiten alsook het regime met betrekking tot fiscale of sociale notificaties zijn ook van toepassing op uittreksels uit akten uitgegeven om de vrijgave van tegoeden te verkrijgen. Er wordt ook aangegeven dat de notaris of het be- voegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie een uittreksel van een akte van erfopvolging kan afgeven waarin de verwerving door overlijden van zakelijke rechten op onroerende goederen wordt vastgesteld. Dit uittreksel moet worden overgeschreven op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 3.31 van het Burgerlijk Wetboek. Dit zal de kosten voor het opstellen van een akte van erfopvolging verminderen, aangezien het niet nodig zal zijn voor elk doeleinde een afzonderlijke akte op te maken. Om ervoor te zorgen dat alleen de relevante informatie wordt overgeschreven, zal de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie een uittreksel uit deze akte kunnen opstellen. Bovendien is het mogelijk dat de notaris in één en dezelfde akte (instrumentum) een andere rechtshande- ling (negotium) opneemt zoals bijv. de uitoefening van de erfkeuze, naast de akte van erfopvolging op zich. Op die manier kan de erfgenaam of erfgerechtigde kosten besparen voor rechtshandelingen die nauw verbonden en vaak onderling afhankelijk zijn. Paragraaf 5 neemt eerst de inhoud over van para- graaf 5 van art. 1240bis oud Burgerlijk Wetboek, dat paragraaf 5 van het nieuw artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek geworden is. Daar wordt ter nadere verduidelijking nog aan toege- voegd dat het hier gaat om de gegevens die voor elke akte of attest van erfopvolging vereist zijn (§ 3) en van de gegevens die omwille van de doeleinden van de akte of het attest vereist kunnen zijn (§ 4). Indien dus gegevens niet kunnen achterhaald worden die voor de finalités, si l’extrait mentionne toute l’information requise pour atteindre utilement la finalité poursuivie. De même, il ne sera fait mention dans l’acte ou le certificat d’hérédité établi uniquement en vue d’obtenir la libération des avoirs, que des personnes appelées à recueillir ces avoirs. Ces personnes sont effet, outre le défunt lui-même, les seules qui sont visées par les dispo- sitions relatives aux notifications fiscales et sociales. C’est bien pourquoi la formulation est, sur ce point particulier, à l’alinéa 3 de ce paragraphe, conçue en conformité aussi étroite que possible avec celle de l’article 1240bis de l’ancien Code civil, devenu l’article 4.59 du Code civil Ces modalités ainsi que le régime relatif aux notifications fiscales et sociales s’appliquent également aux extraits d’actes délivrés en vue d’obtenir la libération des avoirs. Il est également précisé que le notaire ou le bu- reau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait d’un acte d’hérédité constatant l’acquisition pour cause de mort de droits réels portant sur des immeubles. Cet extrait devra être transcrit de la manière et dans les délais prévus à l’article 3.31 du Code civil. Ce faisant, on réduit les coûts pour l’établissement de l’acte d’hérédité, puisqu’il ne faudra pas établir d’acte distinct pour chaque finalité. Pour que seules les informations pertinentes soient transcrites, le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimo- niale pourra établir un extrait de cet acte. Par ailleurs, il est possible que le notaire reprenne dans un même et seul acte (instrumentum), un autre acte juridique (negotium) comme p.ex. l’exercice de l’option héréditaire, outre l’acte d’hérédité en soi. Ainsi, l’héritier ou successible peut faire une économie de frais pour ces actes juridiques étroitement liés et souvent dépendants les uns des autres. Le cinquième paragraphe reprend dans un premier temps le contenu du paragraphe 5 de l’article 4.59 du Code civil, lui-même conforme au paragraphe 5 de l’article 1240bis de l’ancien Code civil. On y ajoute pour plus de précision qu’il s’agit ici des données qui sont requises pour tout acte ou certificat d’hérédité (§ 3) et de celles qui peuvent être requises en fonction de la finalité de l’acte ou du certificat (§ 4). Si les données qui ne peuvent être déterminées ne sont pas requises en raison de la finalité de l’acte ou du 2774/001 DOC 55 42 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E doeleinden van de akte of het attest niet vereist zijn, kan het ontbreken van die gegevens niet worden ingeroepen om de afgifte van de akte of het attest te weigeren. Paragraaf 6 bepaalt de wettelijke bewijswaarde (in de zin van art. 8.1,15°, van het Burgerlijk Wetboek) van de akte of het attest van erfopvolging. Het recent goedgekeurd artikel 4.59 regelt hoofdza- kelijk, net zoals artikel 1240bis oud Burgerlijk Wetboek dat nog strikter deed, enkel de vrijgave van de tegoeden van de erflater. Het nieuw ontworpen artikel 4.59 heeft daarentegen een veel bredere draagwijdte, zoals reeds toegelicht. De nieuwe bepaling biedt immers een grond- slag voor een veralgemeend bewijs van de erfrechte- lijke hoedanigheid, dat geldt ongeacht de specifieke omstandigheden. De bewijswaarde van de akte en het attest van erf- opvolging moeten dan ook in lijn worden gebracht met die bredere draagwijdte. De structuur van paragraaf 6 is geïnspireerd door artikel 69 van de Europese Verordening nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 be- treffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betref- fende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (zie hierover A. Bonomi en P. Wautelet, Le droit euro- péen des successions. Commentaire du Règlement n° 650/2012 du 4 juillet 2012, Larcier, 2016). Die verordening voert een Europese erfrechtverklaring in, een algemeen bewijsdocument voor de erfrechtelijke hoedanigheid in grensoverschrijdende erfopvolgingen. De bewijswaarde van de Europese erfrechtverklaring sluit bovendien aan bij de bewijswaarde van de nationale erfrechtelijke bewijsdocumenten die reeds in andere Europese lidstaten bestaan (zie hierover E. Goossens, De Europese erfrechtverklaring, Intersentia, 2016). De bewoordingen van de verordening werden in deze pa- ragraaf 6 evenwel aangepast aan de eigenheden van de Belgische akten en attesten van erfopvolging. In het eerste lid wordt de principiële bewijswaarde van de akte en het attest van erfopvolging geponeerd. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn vermeld, worden geacht de vermelde hoedanig- heid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kunnen uitoefenen. In het tweede lid wordt de principiële bewijswaarde van de akte en het attest van erfopvolging geconcretiseerd naar derden toe. Het heeft immers weinig zin om een certificat, le défaut de ces données ne peut être invoqué pour refuser la délivrance de l’acte ou du certificat. Le sixième paragraphe détermine la force probante (au sens de l’article 8.1,15°, du Code civil) de l’acte ou du certificat d’hérédité. L’article 4.59 du Code civil récemment approuvé ne règle essentiellement, comme le faisait encore plus strictement l’article 1240bis de l’ancien Code civil, que la libération des avoirs du défunt. Par contre le nouvel article 4.59 en projet, a une portée beaucoup plus large, ainsi qu’il a été exposé. La disposition nouvelle offre en effet le fondement d’une preuve généralisée de la qualité successorale, qui peut valoir quelles que soient les circonstances spécifiques. La force probante de l’acte ou du certificat d’hérédité doit donc être mise en concordance avec cette portée élargie. La structure du paragraphe 6 est inspirée de l’ar- ticle 69 du Règlement (UE) n ° 650/2012 du Parlement eu- ropéen et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compé- tence, la loi applicable, la reconnaissance et l’exécution des décisions, et l’acceptation et l’exécution des actes authentiques en matière de successions et à la création d’un certificat successoral européen (voy. à ce sujet A. Bonomi en P. Wautelet, Le droit européen des succes- sions. Commentaire du Règlement n° 650/2012 du 4 juil- let 2012, Larcier, 2016). Ce règlement introduit le certificat successoral euro- péen, un document probant général pour déterminer la qualité successorale dans des situations transfrontières. La force probante du certificat successoral européen suit par ailleurs celle des documents probants nationaux qui existent déjà dans plusieurs États membres (voy. à ce sujet E. Goossens, De Europese erfrechtverkla- ring, Intersentia, 2016). Les termes du Règlement ont cependant été adaptés, dans ce sixième paragraphe, aux particularités des actes et certificats d’hérédité en droit belge. Le premier alinéa pose le principe de la force probante de l’acte et du certificat d’hérédité. Toutes les personnes qui sont mentionnées dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui y est indiquée, et pou- voir exercer les droits et les pouvoirs qui s’y rattachent. Le deuxième alinéa concrétise le principe de la force probante de l’acte et du certificat d’hérédité à l’égard des tiers. Pour que la disposition ait tout son sens, 43 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E principiële bewijswaarde toe te kennen aan de akte en het attest van erfopvolging, zonder vervolgens bescherming te bieden aan derden die zich erop beroepen. Daarom stelt deze bepaling een bescherming in voor derden te goeder trouw die handelen op basis van de informatie die in de akte of het attest wordt vermeld, met een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld. Die bescherming geldt zowel wanneer de derde optreedt als schuldenaar (bijv. bij de terugbetaling van een lening, of bij de teruggave van een nalatenschapsgoed dat de derde in bruikleen had) als wanneer de derde optreedt als schuldeiser (bijv. de verhuurder aan wie de erflater nog huurgelden en huurschade verschuldigd was) of als verkrijger van goederen uit de nalatenschap (bijv. als een erfgenaam een nalatenschapsgoed verkoopt). Het begrip “goede trouw” moet hier worden ingevuld zoals elders in het Burgerlijk Wetboek, bijvoorbeeld zoals in Boek 3 waar dit begrip veel aandacht krijgt (zie bijv. artikel 3.34 Burgerlijk Wetboek). Het derde en het vierde lid zijn een verbijzondering van de derdenwerking van het akte en het attest van erfopvolging voor de specifieke hypothese van de vrijgave van de tegoeden van de erflater. Deze bepaling werd zo nauw mogelijk overgenomen uit artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek, dat het zelf overnam van artikel 1240bis oud Burgerlijk Wetboek. Zo blijkt ook hier, dat de huidige procedures en bepalingen inzake vrijgave van tegoeden, inclusief de fiscale en sociale notificaties, zonder enige twijfel ongewijzigd van toepassing blijven gelden. Het is immers niet de bedoeling om af te wijken van de regels die hiervoor actueel gelden. Wel werd de formulering aangepast om te vermijden dat daarin sprake zou zijn van een “bevrijdende vrijgave” die vooral in de Franse versie ongelukkig klonk: “la libération libératoire”. Paragraaf 7 machtigt de Koning om verschillende aspecten vast te stellen die uitsluitend betrekking heb- ben op de akten en attesten die door de Administratie zullen worden vastgesteld. Overeenkomstig het advies van de Raad van State bepaalt het eerste lid, 5°, niet langer dat het model van de voorgeschreven formulieren door de minister van Financiën wordt bepaald. Het is de Koning zelf die het model bepaalt. Art. 41 Er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd in arti- kel 4.127, paragraaf 1, van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat de naam en voornaam alsook het identifica- tienummer van de erfgenamen wordt ingeschreven in het centraal erfrechtregister. Het doel achter deze wijziging is om mogelijk te maken dat de hoedanigheid van erfge- namen op een geautomatiseerde wijze wordt vastgesteld zodat zij hun recht op toegang tot de notariële akten van il faut en effet que la force probante de l’acte ou du certificat aboutisse à la protection des tiers de bonne foi qui s’en prévalent. C’est pourquoi cette disposition instaure une protection au profit des tiers de bonne foi qui agissent sur base de l’information fournie par l’acte ou le certificat, avec une personne indiquée dans cet acte ou ce certificat. Cette protection vaut aussi bien lorsque le tiers agit en tant que débiteur (par ex. pour le remboursement d’un emprunt, ou pour la restitution d’un bien de la succession dont ce tiers était détenteur à titre de prêt) que lorsqu’il agit en tant que créancier (par ex. le bailleur à qui le défunt devait encore des arriérés de loyer ou de dégâts locatifs) ou en tant qu’acquéreur de biens de la succession (par ex. si un héritier vend un bien de la succession). La notion de “bonne foi” doit être comprise ici comme elle l’est ailleurs dans le Code civil, par exemple comme dans le Livre 3 où cette notion est fréquemment mentionnée (voy. par exemple l’article 3.34 Code civil). Les alinéas 3 et 4 précisent l’effet de l’acte ou du certificat d’hérédité à l’égard des tiers, pour l’hypothèse particulière de la libération des avoirs du défunt. Cette disposition est reprise aussi textuellement que possible de l’article 1240bis de l’ancien Code civil tel qu’il a été remplacé par l’article 4.59 du Code civil. Cela permet de confirmer qu’il ne peut y avoir, ici encore, aucun doute sur le maintien de l’application intégrale des procédures et dispositions actuelles relatives à cette libération d’avoirs, en ce compris les notifications fis- cales et sociales. Il n’y a en effet aucune intention de déroger à cet égard aux règles actuellement en vigueur. La formulation a néanmoins été adaptée afin d’éviter de maintenir l’expression malheureuse dans laquelle il est question d’une “libération libératoire” des avoirs. Le septième paragraphe autorise le Roi à définir diffé- rents aspects relatifs exclusivement aux actes et certificats qui seront établis par l’Administration. Conformément à l’avis du Conseil d’État, l’alinéa 1er, 5°, ne stipule plus que le modèle des formulaires prescrits est déterminé par le ministre des Finances. C’est le Roi lui-même qui détermine le modèle. Art. 41 Une disposition sous 1°/1 est insérée à l’article 4.127, paragraphe 1er, du Code civil stipulant que le nom et le prénom ainsi que le numéro d’identification des héritiers sont enregistrés dans le registre central des héritiers. Le but de cette modification est de permettre la déter- mination automatisée de la qualité d’héritiers afin de permettre à ces derniers d’exercer leur droit d’accès aux actes notariés de leur auteur. L’article 14, § 1er, alinéa 2, 2774/001 DOC 55 44 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hun rechtsvoorganger kunnen uitoefenen. Artikel 14, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 hou- dende de invoering van de Notariële Aktebank juncto artikel 23 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt voorziet dat de erfgenamen het recht op rechtstreekse consultatie van een gedematerialiseerd afschrift van een akte kunnen uitoefenen op voorwaarde dat hun hoedanigheid kan worden vastgesteld op geau- tomatiseerde wijze via een authentieke bron. Het centraal erfrechtregister doet dienst als authentieke bron en bovengenoemde specifieke doelstelling wordt op vraag van de Gegevensbeschermingsautoriteit opgenomen in artikel 4.125 Burgerlijk Wetboek. Art. 42 Tot hiertoe werden de akten en attesten van erfopvol- ging enkel in het centraal erfrechtregister opgenomen als ze door een notaris waren opgemaakt. Er bestaat evenwel geen reden om de akten en attesten van erfopvolging die door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie zijn opgemaakt daarvan uit te sluiten. Integendeel: de doelstellingen van dit re- gister worden slechts ten volle bereikt als ook die akten en attesten daarin terug te vinden zijn. Dat is wat met de wijziging van het actuele artikel 4.126 onder punt 1° wordt beoogd. De akten onroerende erfopvolging die worden opge- maakt door een notaris conform artikel 3.30 Burgerlijk Wetboek, worden ingeschreven in het centraal erfrecht- register, ook wanneer deze afzonderlijk werden opge- maakt, met andere woorden ook als de akte uitsluitend als finaliteit de overdracht van een onroerend goed afhangende van de nalatenschap heeft. Punt 2° vervangt de eerste zin van artikel 4.126, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze wijziging heeft tot doel het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie te ver- plichten het centraal erfrechtregister in kennis te stellen van de akten en attesten van erfopvolging, overeenkom- stig artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek. Art. 43 Artikel 4.127 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt welke gegevens ingeschreven dienen te worden in het centraal erfrechtregister. Wat betreft de gegevens van de erflater en de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of arti- kel 4.49 Burgerlijk Wetboek, wordt in artikel 4.127, § 1, 1° en 2°, van het Burgerlijk Wetboek momenteel bepaald dat de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant l’introduction de la Banque des actes notaires juncto l’article 23 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du nota- riat prévoit que les héritiers peuvent exercer le droit de consultation directe d’une copie dématérialisée d’un acte à condition que leur qualité puisse être établie par voie automatisée par une source authentique. Le Registre central des héritiers sert de source authentique et l’objectif spécifique susmentionné est inclus dans l’article 4.125 du Code civil à la demande de l’Autorité de protection des données. Art. 42 Jusqu’ici n’étaient inscrits dans le registre central successoral que les actes et certificats d’hérédité pour autant qu’ils soient établis par un notaire. Il n’y a cependant aucune raison d’exclure les actes et certificats d’hérédité établis par l’Administration générale de la Documentation patrimoniale de cette formalité. Au contraire: les objectifs de ce registre ne sont pleinement atteints que si on peut y retrouver également ces actes et certificats. C’est ce qu’on vise à réaliser par la modi- fication de l’article 4.126 actuel reprise sous le point 1°. Les actes d’hérédité en matière immobilière qui sont établis par un notaire conformément à l’article 3.30 du Code civil sont enregistrés dans le registre central suc- cessoral, même lorsqu’ils ont été établis séparément, en d’autres mots même si l’acte a exclusivement pour finalité le transfert d’un bien immobilier dépendant d’une succession. Le 2° remplace la première phrase de l’article 4.126, § 2, alinéa 1er, du Code civil. Cette modification a pour but d’ajouter l’obligation pour le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimo- niale de communiquer au registre central successoral les actes et certificats d’hérédité qu’il établit, conformément à l’article 4.59 du Code civil. Art. 43 L’article 4.127 du Code civil stipule les données qui doivent être enregistrées dans le registre central suc- cessoral. En ce qui concerne les données du testateur et du déclarant, en cas d’enregistrement d’une déclaration conformément à l’article 4.44 ou à l’article 4.49 du Code civil, l’article 4.127, § 1er, 1° et 2°, du Code civil prévoit actuellement que le numéro du registre national doit 45 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het rijksregisternummer dient opgenomen te worden. Het verdient evenwel de voorkeur om de terminologie te laten aansluiten bij deze die wordt gebruikt in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek. De wijzigingen onder a) en c) zijn met dit doel opgesteld. Krachtens artikel 14, § 1, tweede lid van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende invoering van de Notariële Aktebank zullen de “erfgenamen” van een partij bij een akte hun recht op rechtstreekse consultatie daarvan in de Notariële Aktebank kunnen uitoefenen wan- neer hun hoedanigheid zal kunnen worden vastgesteld op geautomatiseerde wijze via een authentieke bron. Gelet op het gegeven dat ingevolge artikel 40 van het ontwerp, de akten en attesten van erfopvolging bedoeld in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs zullen vormen van de hoedanigheid van erfgenaam en dat deze bewijzen dienen te worden ingeschreven in het centraal erfrechtregister overeenkomstig de ar- tikelen 4.59 en 4.126, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, is het duidelijk dat het centraal erfrechtregister de uit- gelezen authentieke bron is om deze hoedanigheid op geautomatiseerde wijze vast te stellen voor de toegang tot databanken en applicaties. Om deze reden wordt voorzien dat de inschrijving in dit register ook de identifi- catiegegevens dient te vermelden van de in de akte of het attest aangewezen “erfgenamen”, teneinde toe te laten dat zij dit kunnen gebruiken om hun recht op toegang tot de authentieke akten van hun rechtsvoorganger in de Notariële Aktebank uit te oefenen. Deze uitbreiding van de op te nemen (meta)gegevens in het centraal erfrechtregister valt onder de doelein- den van deze authentieke bron, aangezien één van de doeleinden van het centraal erfrechtregister erin bestaat de raadpleging en de mededeling aan derden van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen, mogelijk te maken. De metagegevens van deze attesten en akten van erfopvolging worden dus reeds vermeld in het cen- traal erfrechtregister. Door ook de metagegevens van de erin vermelde “erfgenamen” op te nemen in het centraal erfrechtregister wordt verder tegemoetgekomen aan het doeleinde van het centraal erfrechtregister om de raadpleging mogelijk te maken aan (bepaalde) derden van de informatie inzake deze akten. Het betreft de identiteitsgegevens van de “erfgenamen” die in deze hoedanigheid worden vermeld in het attest of de akte van erfopvolging overeenkomstig artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd in artikel 40 van het ontwerp. Het artikel 4.2 van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoerd bij de wet van 19 januari 2022 houdende boek 2, titel 3, “Relatievermogensrecht” en boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” van être repris. Il est toutefois préférable d’utiliser la même terminologie que celle utilisée dans l’article 4.59 du Code civil. Les modifications sous a) et c) ont été rédigées dans cette optique. En application de l’article 14, § 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant l’introduction de la Banque des actes notariés, les “héritiers” d’une partie à un acte pourront exercer leur droit de consultation directe de celui-ci dans la Banque des actes notariés lorsque leur qualité pourra être établie de manière automatisée par une source authentique. Étant donné qu’en vertu de l’article 40 du projet, les actes et certificats d’hérédité visés à l’article 4.59 du Code civil constituent la preuve de la qualité d’héritier et que cette preuve doit être enregistrée au registre central successoral conformé- ment aux articles 4.59 et 4.126, § 2, du Code civil, il est clair que le registre central successoral est la source authentique idéale pour la détermination automatisée de cette qualité aux fins d’accès aux bases de données et aux applications. Pour cette raison, il est prévu que l’inscription dans ce registre mentionne également les données d’identification des “héritiers” désignés dans le certificat ou l’attestation, afin de leur permettre d’exer- cer leur droit d’accès aux actes authentiques de leur prédécesseur légal dans la Banque des actes notariés. Cette extension des (méta)données à enregistrer dans le registre central successoral est couverte par les finalités de cette source authentique, puisque l’un des objectifs du registre central successoral est de permettre la consultation et la communication aux tiers des informations relatives aux actes qui déterminent l’identité des personnes appelées à administrer une succession vacante. Les métadonnées contenues dans ces certificats et actes de succession seront donc déjà inscrites dans le registre central successoral. L’inclusion dans le registre central successoral des métadonnées des “héritiers” qui y sont mentionnés répond également à la finalité du registre central successoral, qui est de permettre la consultation par (certains) tiers des infor- mations relatives à ces actes. Il s’agit des données d’identité des “héritiers” qui sont mentionnés en cette qualité dans le certificat ou l’acte d’hérédité conformément à l’article 4.59 du Code civil, tel que modifié par l’article 40 du projet. L’article 4.2 du Code civil, tel qu’introduit par la loi du 19 janvier 2022 portant le livre 2, titre 3, “Les relations patrimoniales des couples” et le livre 4 “Les successions, donations et testaments” du Code civil (MB 14 mars 2022), définit clairement la 2774/001 DOC 55 46 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het Burgerlijk Wetboek (BS 14 maart 2022) definieert duidelijk het onderscheid tussen “erfgerechtigden” en “erfgenamen” als volgt: “Erfgerechtigden hebben roe- ping tot de nalatenschap krachtens de wet, of hebben een algemene roeping of een roeping onder algemene titel tot de nalatenschap door de wil van de erflater. Door de aanvaarding van de nalatenschap neemt de erfgerechtigde de hoedanigheid aan van erfgenaam, of erfopvolger.”. De wijzigingen onder d), e) en f) hebben tot doel om de bepaling af te stemmen op de artikelen 4.59 en 4.126 van het Burgerlijk Wetboek zoals gewijzigd door dit wets- ontwerp, daar wordt voorzien dat de gegevens van de akten en attesten van erfopvolging opgemaakt door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie worden ingeschreven in het centraal erfrechtregister. Daartoe dient artikel 4.127 van het Burgerlijk Wetboek ook te bepalen welke gegevens concreet kunnen wor- den opgenomen in het register met betrekking tot het bevoegde kantoor dat de inschrijving doet. Het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4) om artikel 4.125, 1°, Burgerlijk Wetboek te vervolledigen om expliciet te voorzien dat een van de doelstellingen van het register erin bestaat “de permettre la consultation et la communication aux tiers de l’identité des héritiers”, kan niet worden bijgetreden. Momenteel voorziet arti- kel 4.125, 1°, Burgerlijk Wetboek al in het doeleinde om de raadpleging en de mededeling aan derden mogelijk te maken van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen. Aldus blijkt deze doelstelling reeds voldoende uit artikel 4.125, 1°, a), Burgerlijk Wetboek aangezien de doelstelling reeds impliceert dat de identiteit van de personen die tot een nalatenschap zijn geroepen achterhaald is opdat infor- matie met betrekking tot de akten waarin de identiteit van deze personen is opgenomen kan worden geraadpleegd en meegedeeld aan derden. Art. 44 De modaliteiten en de kosten van de mededeling in het Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving moeten door de Koning bepaald worden. Deze machtiging bestond op grond van artikel 892/6 van het oud Burgerlijk Wetboek, maar is niet terug te vinden in het nieuwe Boek 4. Ze dient daarom te worden herhaald. distinction entre “successibles” et “héritiers” comme suit: “Les successibles ont vocation à la succession en vertu de la loi, ou ont vocation universelle ou à titre universel à la succession par la volonté du défunt. Le successible prend, par son acceptation de la succession, la qualité d’héritier, ou successeur.”. Les modifications apportées aux points d), e) et f) visent à mettre la disposition en conformité avec les articles 4.59 et 4.126 du Code civil, tels que modifiés par le présent projet de loi, puisqu’il est prévu que les données des actes et certificats d’hérédité établis par l’Administration générale de la documentation patrimoniale soient enregistrées dans le registre central successoral. À cette fin, l’article 4.127 du Code civil doit également préciser les données spécifiques qui peuvent être inclues dans le registre en relation avec le bureau compétent effectuant l’enregistrement. La demande du Conseil d’État, dans son avis (n° 71 320/1-2-3-4), de compléter l’article 4.125, 1°, du Code civil pour prévoir explicitement que l’une des finalités du registre est de “permettre la consultation et la communication aux tiers de l’identité des héritiers”, ne peut être suivie. Actuellement, l’article 4.125, 1°, du Code civil prévoit déjà de permettre la consultation et la communication aux tiers des informations relatives aux actes déterminant l’identité des personnes appelées à une succession ouverte. L’article 4.125, 1°, a) du Code civil démontre déjà suffisamment cette finalité puisque la finalité implique déjà que l’identité des personnes qui ont été appelées à une succession soit connue afin que les informations concernant les actes dans lesquels l’identité de ces personnes est enregistrée puissent être consultées et communiquées aux tiers. Art. 44 Les modalités et les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations d’acceptation sous bénéfice d’inventaire doivent être déterminées par le Roi. Cette habilitation existait sous l’article 892/6 de l’ancien Code civil mais ne se retrouve pas dans le nouveau Livre 4. Il y a donc lieu de la reprendre. 47 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 45 Deze bepaling beoogt de bescherming van de meta- gegevens van de erfgenamen in het centraal erfrechtre- gister. Deze metagegevens zullen enkel toegankelijk zijn voor de beheerder van de Notariële Aktebank, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken. Art. 46 Artikel 4.258 van het Burgerlijk Wetboek zoals het werd gecodificeerd middels de wet van 19 januari 2022 be- vat een foutieve verwijzing naar de eerste paragraaf. De oorspronkelijke bepaling (zie DOC 55 1272/001, p. 367) was opgedeeld in paragrafen. Middels amen- dement 173 (DOC 55 1272/008, p. 23), dat werd aan- genomen met 14 stemmen voor en 1 onthouding, werd de opdeling in paragrafen opgeheven overeenkomstig de aanbevelingen van de Raad van State en overeen- komstig opmerking nr. 59 van de Juridische Dienst. Het gevolg hiervan is dat in de tekst van het tweede lid van artikel 4.258 verkeerdelijk de verwijzing naar de eerste paragraaf is blijven staan. Dit amendement is bedoeld om de juridisch-technische verwijzing te corrigeren en aldus te verwijzen naar het eerste lid van de bepaling. HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Art. 47 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde- ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Art. 48 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde- ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Art. 45 Cette disposition vise à protéger les métadonnées des héritiers dans le registre central successoral. Ces métadonnées seront uniquement accessibles au ges- tionnaire de la Banque des actes notariés, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur pré- décesseur en droit. Art. 46 L’article 4.258 du Code civil tel que codifié par la loi du 19 janvier 2022 contient une référence erronée au para- graphe 1er. La disposition initiale (voir DOC 55 1272/001, p. 367) était divisée en paragraphes. Par l’amende- ment 173 (DOC 55 1272/008, p. 23), adopté avec 14 voix pour et 1 abstention, la division en paragraphes a été supprimée conformément aux recommandations du Conseil d’État et au commentaire n° 59 du Service juridique. En conséquence, le texte de l’alinéa 2 de l’article 4.258 conserve par erreur la référence au para- graphe 1er. Le but de cet amendement est de corriger la référence juridique technique et de se référer ainsi à l’alinéa 1er de la disposition. CHAPITRE 9 Modifications du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Art. 47 La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. Art. 48 La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. 2774/001 DOC 55 48 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 49 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde- ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Art. 50 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde- ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen enkel moeten worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. HOOFDSTUK 10 Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Art. 51 Artikel 61, tweede lid van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers wordt toegevoegd aan de lijst van artikelen waarvoor de kansspelcommis- sie een administratieve boete kan opleggen. Dit artikel machtigt de Koning om de nadere regels te bepalen betreffende de reclame over de kansspelen. Overeenkomstig artikel 15/3, eerste lid van de kans- spelwet, legt de kansspelcommissie een administratieve boete op aan degenen die bepaalde wetsartikelen overtreden. Op 4 maart 2021 heeft het Grondwettelijk Hof arti- kel 15/3 nietig verklaard voor zover het niet voorziet in de mogelijkheid voor de Kansspelcommissie om de in dat artikel bedoelde sanctie met uitstel gepaard te doen gaan. In afwachting van wetgevende maatregelen kan artikel 15/3 echter nog steeds worden toegepast wan- neer een inbreuk wordt vastgesteld, het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, mocht de wet in die maatregel hebben voorzien.(B39.3, arrest nr. 36/2021). Om deze leemte op te vullen is het Art. 49 La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. Art. 50 La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. CHAPITRE 10 Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Art. 51 L’article 61 alinéa 2 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs est ajouté à la liste des articles pour lesquels la commission des jeux de hasard peut infliger une amende administrative. Cet article habilite le Roi à déterminer les modalités relatives à la publicité sur les jeux de hasard. Conformément à l’alinéa 1er de l’article 15/3 de la loi sur les jeux de hasard, la Commission des jeux de hasard impose une amende administrative aux auteurs d’infractions à certains articles de la loi. Le 4 mars 2021, la Cour Constitutionnelle a annulé l’article 15/3 en ce qu’il ne prévoit pas la possibilité pour la Commission des jeux de hasard d’assortir d’un sursis la sanction visée dans ledit article. Néanmoins, dans l’attente d’une intervention législative, l’article 15/3 peut toujours être appliqué lorsqu’une infraction est constatée, que le montant de l’amende n’est pas disproportionné à la gravité de l’infraction et qu’il n’y aurait pas eu lieu d’accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi (B. 39.3, arrêt n° 36/2021). Afin de combler cette lacune, il appartient au législateur de déterminer 49 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E aan de wetgever om de procedure en de voorwaarden voor het verlenen en intrekken van uitstel van executie op dit gebied vast te stellen. Daarom wordt een nieuwe paragraaf 6 toegevoegd aan artikel 15/3 van de Kansspelwet, op grond waarvan de Commissie kan besluiten de tenuitvoerlegging van de beslissing tot oplegging van een administratieve boete op te schorten, mits aan de overtreder niet reeds een administratieve boete is opgelegd. Art. 52 Dit artikel vervangt de verwijzing naar de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, door de nieuwe overeenkomstige bepalingen van het Wetboek van economisch recht. Art. 53 In haar advies nr. 178/2021 van 4 oktober 2021, over een ontwerp van koninklijk besluit, doet de Gegevensbeschermingsautoriteit de aanbeveling tot aanpassing van artikel 55 van de kansspelwet, teneinde te preciseren dat “de Kansspelcommissie de verwerkings- verantwoordelijke is van het EPIS-informatiesysteem, om elke dubbelzinnigheid te vermijden over de identiteit van de persoon of entiteit die moet worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke en zo de uitoefening van de rechten van de betrokkene te vergemakkelij- ken, zoals voorzien in artikelen 12 tot 22 van de AVG.” (overwegingen 11 en 12) Het artikel vervangt tevens de verwijzing naar de “Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer” door “Gegevensbeschermingsautoriteit”. Art. 54 Het maximumbedrag van de betaling in contanten in de casino’s wordt verlaagd tot 3 000 euro teneinde in overeenstemming te zijn met de beperking van het gebruik van contanten, waarin is voorzien in de wet van 18 september 2017 “tot voorkoming van het witwas- sen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten”. la procédure et les conditions de l’octroi et du retrait d’un sursis en la matière. Dès lors, un paragraphe 6 est ajouté à l’article 15/3 de la loi sur les jeux de hasard en vertu duquel la Commission peut décider qu’il sera sursis à l’exécution de la décision infligeant une amende administrative pour autant que le contrevenant ne s’est pas déjà vu infliger une amende administrative. Art. 52 Cet article remplace le renvoi à la loi du 20 juillet 1990 “concernant l”accréditation des organismes d’évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre État membre des Communautés européennes ou dans un autre pays qui est partie à l’Accord sur l’Espace économique euro- péen’ par les nouvelles dispositions du Code de droit économique correspondants. Art. 53 Dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021, sur un projet d’arrêté royal, l’Autorité de protection des don- nées recommande d’adapter l’article 55, de la loi sur les jeux de hasard pour préciser que “la Commission des jeux de hasard est le responsable du traitement du système d’information EPIS afin d’éviter toute ambiguïté quant à l’identité de la personne ou de l’entité qui doit être considérée comme responsable du traitement et de faciliter ainsi l’exercice des droits de la personne concernée tels que prévus aux articles 12 à 22 du RGPD” (considérants 11 et 12) L’article remplace également la référence à “la Commission de la protection de la vie privée” par “l’Au- torité de protection des données”. Art. 54 Le montant maximum du paiement en espèce dans les casinos est abaissé à 3 000 euros pour s’aligner sur la limitation de l‘utilisation des espèces prévu dans la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l“utilisation des espèces”. 2774/001 DOC 55 50 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 55 Artikel 62, eerste lid, van de kansspelwet bepaalt de lijst van de persoonsgegevens die verplicht moe- ten worden opgenomen in het toegangsregister in de kansspelinrichtingen van de klassen I, II en in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. De foto van de spelers wordt aan de lijst toegevoegd. De foto van de speler is immers vereist om enige identiteitsfraude te voorkomen. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State nr. 71 320/1-2-3-4, kunnen de volgende verdui- delijkingen worden aangebracht: Overeenkomstig art. 62 moet de exploitant een register bijhouden, en moet de speler een identiteitsbewijs voorleg- gen. Nadien moet de speler het register ondertekenen. Omdat de ondertekening van dat register in het verle- den als omslachtig, tijdrovend en papier verspillend werd ervaren door de exploitanten, werd destijds vervangen door een foto. Een identiteitsbewijs moet een naam, familienaam, geboortedatum, foto en handtekening bevatten om de identiteit van de persoon met zekerheid te kunnen veri- fiëren. Op het ogenblik dat er zich een speler aandient, moet de uitbater visueel kunnen verifiëren of de persoon die zich aandient, dezelfde persoon is als op de foto van het identiteitsbewijs. Het doel is dus fraude met identi- teitsbewijzen te voorkomen, allereerst met het oog op de bescherming van de spelers. Een van de redenen waarom een speler zich met een vals identiteitsbewijs zou presenteren, is immers dat hij uitgesloten is en op die manier toegang tot kansspelen probeert te krijgen. Indien een uitgesloten speler zich zou aandienen met een vals identiteitsbewijs, dan kan de Kansspelcommissie dit nadien enkel controleren op basis van de handtekening of de foto. Deze mogelijkheid tot controle is nodig om na te gaan of de exploitanten hun wettelijke verplichtingen correct nakomen. Op vandaag bestaan mogelijkheden om digitaal te tekenen, hetgeen in het verleden niet het geval was. Een handtekening via touchscreen is echter verre van betrouwbaar (dit is meestal gewoon een onleesbare krabbel). Een foto is in dat geval veel makkelijker te controleren. Er zij op gewezen dat modernisering en digitalisering van de procedures, zowel in de echte wereld als online, noodzakelijk zijn op het gebied van kansspelen, maar deze moeten worden bestudeerd en ontwikkeld met inachtneming van de bestaande regels, met name die inzake gegevensbescherming. In de tussentijd wordt het bestaande systeem gehandhaafd. Art. 55 L’article 62, alinéa 1er, de la loi sur les jeux de hasard détermine la liste des données à caractère personnel à reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux établissements de jeux de hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. La photographie des joueurs est ajouté à la liste. En effet, la photo du joueur est requise pour éviter toute fraude d‘identité. Suite à l’avis du Conseil d’État n° 71 320/1-2-3-4, les précisions suivantes peuvent être apportées: Selon l‘art. 62, l‘opérateur doit tenir un registre, et le joueur doit présenter une preuve d‘identité. Ensuite, le joueur doit signer le registre. La signature de ce registre ayant été considérée par le passé comme lourde, chronophage et gaspilleuse de papier par les opérateurs, elle a été remplacée par une photographie. Un document d‘identité doit contenir un nom, un prénom, une date de naissance, une photographie et une signature afin de vérifier avec certitude l‘identité de la personne. Lorsqu‘un joueur se présente, l’exploitant doit être en mesure de vérifier visuellement si la per- sonne qui se présente est la même que celle figurant sur la photo de la carte d‘identité. L‘objectif est donc de prévenir la fraude aux documents d‘identité, avant tout dans le but de protéger les joueurs. En effet, un des raisons pour lesquelles un joueur se présenterait avec un faux document d‘identité est qu‘il est exclu et tente d‘accéder aux jeux de hasard de cette manière. Si un joueur exclu se présente avec une fausse pièce d‘identité, la Commission des jeux de hasard ne peut le vérifier par après que sur la base de la signature ou de la photo. Cette possibilité de contrôle est nécessaire afin de vérifier que les opérateurs remplissent correctement leurs obligations légales. Aujourd‘hui, il est possible de signer numériquement, ce qui n‘était pas le cas dans le passé. Toutefois, la signature sur écran tactile est loin d‘être fiable (elle se résume généralement à un gribouillage illisible). Une photo est beaucoup plus facile à vérifier dans ce cas. Il faut préciser qu’une modernisation et une digitalisa- tion des procédures, tant dans le monde réel qu’en ligne, sont nécessaires dans la matière des jeux de hasard mais celles-ci doivent être étudiées et développées en adéquation avec les règles existantes notamment en matière de protection des données. En attendant, le système existant est maintenu. 51 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In haar advies nr. 178/2021 van 4 oktober 2021, over een ontwerp van koninklijk besluit, doet de Gegevensbeschermingsautoriteit de aanbeveling tot aanpassing van artikel 62 van de kansspelwet, teneinde de doelstelling van het bijhouden van het toegangsre- gister van de speelzalen van kansspelinrichtingen te preciseren. (cf. overweging 20). Naar aanleiding van de aanhangigmaking van een beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2019 “tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrich- tingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationali- sering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij” bij het Grondwettelijk Hof, vernietigde dit hof in zijn arrest 177/2021 van 9 december 2021 artikel 31 van de voormelde wet van 7 mei 2019, enkel in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 “op de kansspelen, de wedden- schappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers” bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt. Ter herinnering: voornoemd artikel 31 heeft arti- kel 62 van de kansspelwet van 7 mei 1999 toepas- selijk gemaakt op vaste kansspelinrichtingen klasse IV. Artikel 62, eerste lid, bepaalt de persoonsgegevens die moeten worden ingeschreven in het register dat de exploitant moet bijhouden. Bij artikel 62, derde lid, wordt aan de exploitant de verplichting opgelegd om een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, te bewaren gedurende ten minste vijf jaar na de laatste deelneming aan een kansspel. De maximumduur inzake bewaring van de gegevens enerzijds en van de kopie van het stuk dat gediend heeft tot de identificatie van de speler anderzijds, wordt vastgesteld op 10 jaar. Zo wordt de bewaartermijn gelijk gebracht en wordt hiermee aan de wettelijke bewaar- termijnen voldaan die voorzien zijn in artikel 60 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten. Art. 56 In zijn arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 ver- nietigde het Grondwettelijk Hof artikel 4 van de wet van 7 mei 2019 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelin- richtingen en de bescherming van de spelers, en tot Dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021, sur un projet d’arrêté royal, l’Autorité de protection des données recommande d’adapter l’article 62 de la loi sur les jeux de hasard pour préciser la finalité pour laquelle un registre des accès aux salles de jeux de hasard doit être tenu. (Cf. considérant 20) Saisie d’un recours en annulation totale ou partielle de la loi du 7 mai 2019 “modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale”, la Cour constitutionnelle, dans son arrêt 177/2021 du 9 décembre 2021, a annulé l’ar- ticle 31 de la loi du 7 mai 2019 précitée, uniquement en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conserva- tion des données à caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 “sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs” et en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur. Pour rappel, l’article 31 précité a rendu applicable l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. L’article 62, alinéa 1er, détermine les données à carac- tère personnel qui doivent être inscrites dans le registre que l’exploitant doit tenir. L’article 62, alinéa 3 impose à l’exploitant de conserver une copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur pendant au moins cinq ans à dater de la dernière activité de jeu. La durée maximale de conservation des données d’une part et de la copie de la pièce ayant servi à l’identifica- tion du joueur d’autre part est fixée à 10 ans. De cette manière, la durée de conservation est harmonisée, et permet de respecter les délais de conservation légales prévues par l’article 60 de la loi 18 septembre 2017 du relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l‘uti- lisation des espèces. Art. 56 Dans son arrêt 177/2021 du 9 décembre 2021, la Cour constitutionnelle a annulé l’article 4 de la loi du 7 mai 2019 “modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans 2774/001 DOC 55 52 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij. Dit artikel 4 had een nieuw artikel 3ter ingevoerd in de kansspelwet, met betrekking tot inter- nationale passagiersschepen. Ingevolge die vernietiging dient te worden overgegaan tot de opheffing van artikel 62/1, ingevoerd in de kans- spelwet bij voornoemde wet van 7 mei 2019, dat voorziet in de toepasselijke sancties ingeval van schending van de voorwaarden bepaald in artikel 3ter van de kansspelwet. Art. 57 Momenteel wordt in de kansspelwet niet in een straf- sanctie voorzien in geval van schending van artikel 61, tweede lid die de Koning machtigt om de nadere regels te bepalen betreffende de reclame over de kansspelen. HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen ALGEMENE TOELICHTING I. — INLEIDING Dit hoofdstuk heeft ten doel een technische cor- rectie aan te brengen in artikel 43 van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftri- bunalen (hierna “de wet van 29 maart 2004”), alsook Titel VIquater van voornoemde wet – betreffende de samenwerking met het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme voor Syrië – aan te passen teneinde het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot het geheel van de internationale Onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om tegen de straffeloos- heid voor de meest ernstige internationale misdaden te strijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard. De tekst van dit hoofdstuk werd opgesteld met me- dewerking van de Interministeriële Commissie voor Humanitair Recht (ICHR). la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale”. Cet article 4 avait introduit un nouvel article 3ter dans la loi sur les jeux de hasard concernant les navires à passagers internationaux. Suite à cette annulation, il convient d’abroger l’ar- ticle 62/1, introduit dans la loi sur les jeux de hasard par la loi du 7 mai 2019 précitée, qui vise les sanctions applicable en cas de violation des conditions prescrites à l’article 3ter de la loi sur les jeux de hasard. Art. 57 Actuellement, la loi sur les jeux de hasard ne prévoit pas de sanction pénale en cas d’infraction à l’article 61 ali- néa 2 qui habilite le Roi à déterminer les modalités relatives à la publicité sur les jeux de hasard. CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux EXPOSÉ GÉNÉRAL I. — INTRODUCTION Le présent chapitre a pour but d’apporter une correction technique à l’article 43 de la loi du 29 mars 2004 concer- nant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux (ci-après, “la loi du 29 mars 2004”) et d’adapter le Titre VIquater de ladite loi – relatif à la coopération avec le Mécanisme international, impartial et indépendant pour la Syrie – afin d’étendre son champ d’application à l’ensemble des Mécanismes d’enquête internationaux créés par l’Organisation des Nations Unies, ou par une autre orga- nisation internationale, dont la Belgique est membre, et qui ont pour mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes internationaux les plus graves par l’exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire. Le texte de ce chapitre a été rédigé avec la colla- boration de la Commission Interministérielle de Droit Humanitaire (CIDH). 53 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In zijn huidige versie doelt Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 enkel op de samenwerking met het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, en dat is in- gesteld bij resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 21 december 2016. Deze instantie heeft tot doel de straffeloosheid van daders van de meest ernstige internationale misdaden be- gaan in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 te bestrijden, en te garanderen dat de verantwoordelijken voor schendingen van het internationaal humanitair recht, voor schendingen van de rechten van de mens en voor inbreuken op dat recht die begaan zijn in dat land zich daadwerkelijk rekenschap geven van al hun daden (Res. 71/248, beschikkend gedeelte, § 2). De afgelopen jaren zijn er nog meer Mechanismen of soortgelijke structuren ingesteld door de Verenigde Naties of door andere internationale organisaties, en waarvan het in de bedoeling ligt dat zij samenwerken met de Staten in het kader van de uitoefening van hun mandaat. Dat is met name het geval voor het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar; het Team van onderzoekers belast met de ondersteuning van de inspan- ningen geleverd op nationaal vlak om de Islamitische Staat in Irak en de Levant (IS) ertoe te brengen reken- schap en verantwoording af te leggen voor de in Irak gepleegde daden die oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en misdaden van genocide kunnen vormen; en voor structuren ingesteld door de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (hierna “de OPCW”) in het kader van de onderzoeken met betrekking tot het gebruik van chemische wapens in Syrië. De voorgestelde aanpassingen in Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 hebben ten doel het toepassings- gebied van deze Titel uit te breiden, zodat een algemeen wettelijk kader wordt verschaft aan de samenwerking van België met het geheel van de Onderzoeksmechanismen die het mandaat hebben om tegen straffeloosheid voor de meest ernstige internationale misdaden te strijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard, en die ingesteld zijn door ofwel de Verenigde Naties, ofwel een andere internationale organisatie waarvan België lid is, ongeacht de precieze benaming ervan (“Mechanisme”, “Team van onderzoekers”, “Gezamenlijk onderzoeksteam”, …). Dans sa version actuelle, le Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 vise uniquement la coopération avec le Mécanisme international, impartial et indépendant chargé de faciliter les enquêtes sur les violations les plus graves du droit international commises en République arabe syrienne depuis mars 2011 et d’aider à juger les personnes qui en sont responsables, créé par la résolu- tion 71/248 de l’Assemblée générale des Nations Unies du 21 décembre 2016. Cette institution a pour objet de lutter contre l’impu- nité des auteurs des crimes de droit international les plus graves commis en République arabe syrienne depuis mars 2011 et d’assurer que “les responsables de violations du droit international humanitaire, de violations du droit des droits de l’homme et d’atteintes à ce droit commises dans le pays rendent véritablement compte de l’ensemble de leurs actes” (Rés. 71/248, dispositif, § 2). Ces dernières années, d’autres Mécanismes ou structures similaires ont été mis en place par l’Organi- sation des Nations Unies, ou par d’autres organisations internationales, et sont appelés à coopérer avec les États dans le cadre de l’exercice de leur mandat. C’est notamment le cas du Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar, de l’Équipe d’enquêteurs chargée d’appuyer les efforts engagés à l’échelle natio- nale pour amener l’État islamique d’Irak et du Levant (Daech) à rendre compte des actes susceptibles de constituer des crimes de guerre, des crimes contre l’humanité et des crimes de génocide perpétrés en Irak, et de structures mises en place par l’Organisation pour l’interdiction des armes chimiques (ci-après, “l’OIAC”) dans le cadre des enquêtes relatives à l’utilisation d’armes chimiques en Syrie. Les adaptations qu’il est proposé d’apporter au Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 ont pour but d’étendre le champ d’application de ce Titre pour donner un cadre légal général à la coopération de la Belgique avec l’ensemble des Mécanismes d’enquête ayant pour mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes inter- nationaux les plus graves, par l’exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire, créés soit par l’Organi- sation des Nations Unies, soit par une autre organisation internationale dont la Belgique est membre, quelle que soit leur dénomination précise (“Mécanisme”, “Équipe d’enquêteurs”, “Équipe d’enquête conjointe”, …). 2774/001 DOC 55 54 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Onderstaande paragrafen omvatten nadere toelichtin- gen over, bij wijze van voorbeeld, het mandaat van het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar (II) en behandelen de overige Mechanismen die gedekt zijn door Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 (III). Voorts wordt toegelicht hoe de uitbreiding van het toepassingsgebied van Titel VIquater leidt tot de inper- king van het toepassingsgebied van Titel VIquinquies (IV). Tot slot volgt nog enige uitleg over de keuze van het communicatiekanaal (V). II. — ONAFHANKELIJK ONDERZOEKS- MECHANISME VOOR MYANMAR Op 25 september 2018 is de VN-Mensenrechtenraad, bij resolutie 39/2, overgegaan tot het instellen van een onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar, belast met het verzamelen, groeperen, vrijwaren en analyseren van bewijsmateriaal dat duidt op het ple- gen van de meest ernstige internationale misdaden en schendingen van het internationaal recht in Myanmar sinds 2011, en met het samenstellen van de dossiers met het oog op het faciliteren en versnellen van billijke, onafhankelijke strafprocedures die in overeenstem- ming zijn met de normen van het internationaal recht, voor de nationale, regionale of internationale hoven of rechtbanken die de bevoegdheid hebben of zullen kunnen hebben om kennis te nemen van die misdaden overeenkomstig het internationaal recht (hierna “het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme”). Dit nieuwe orgaan heeft als missie te strijden tegen de straffeloosheid van daders van de meest ernstige internationale misdaden gepleegd in Myanmar sinds 2011. Het werd ingesteld door de Mensenrechtenraad naar aanleiding van de vaststelling dat, volgens de beschik- bare informatie en in het bijzonder de informatie ingeza- meld door de onafhankelijke internationale fact-finding missie (die voorafgaandelijk was ingesteld door de raad en gedekt is door Titel VIquinquies van de wet van 29 maart 2004), er voldoende elementen aanwezig zijn als motivering voor het instellen van gerechtelijke onderzoeken en vervolging tegen de verantwoordelijken voor internationale misdaden gepleegd in Myanmar sinds 2011. In paragrafen 25 en 28 van resolutie 39/2 verzoekt de Mensenrechtenraad aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties om de nodige maatregelen te treffen teneinde de goede werking van het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme te verzekeren. Aansluitend toonde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zich, bij resolutie 73/264 aangenomen op 22 decem- ber 2018, verheugd over het instellen van het onafhankelijk Les paragraphes ci-dessous exposent plus en détails, à titre d’exemples, le mandat du Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar (II) et traiteront des autres Mécanismes couverts par le Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 (III). En outre, il sera expliqué en quoi l’extension du champ d’application du Titre VIquater conduit à la réduction du champ d’application du Titre VIquinquies (IV). Enfin, une explication sera don- née sur le choix du canal de communication (V). II. — LE MÉCANISME D’ENQUÊTE INDÉPENDANT POUR LE MYANMAR Le 25 septembre 2018, le Conseil des droits de l’homme des Nations Unies a créé, par sa résolution 39/2, un Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar chargé de recueillir, de regrouper, de préserver et d’ana- lyser les éléments de preuve attestant la commission de crimes internationaux les plus graves et de violations du droit international au Myanmar depuis 2011, et de constituer des dossiers en vue de faciliter et de diligenter des procédures pénales équitables, indépendantes et conformes aux normes du droit international devant des cours ou tribunaux nationaux, régionaux ou internationaux qui ont ou pourront avoir compétence pour connaître de ces crimes conformément au droit international (ci-après, “le Mécanisme d’enquête indépendant”). Ce nouvel organe a pour mission de lutter contre l’impunité des auteurs des crimes internationaux les plus graves commis au Myanmar depuis 2011. Il a été établi par le Conseil des droits de l’homme à la suite du constat que d’après les informations disponibles, en particulier celles récoltées par la mission internatio- nale indépendante d’établissement des faits (qu’il avait préalablement mise en place et qui est couverte par le Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004), il existe suf- fisamment d’éléments pour justifier l’ouverture d’enquêtes et de poursuites judiciaires contre les responsables de crimes internationaux commis au Myanmar depuis 2011. Par les paragraphes 25 et 28 de sa résolution 39/2, le Conseil des droits de l’homme prie le Secrétaire général des Nations Unies de prendre les mesures nécessaires pour assurer le bon fonctionnement du Mécanisme d’enquête indépendant. Dans la foulée, l’Assemblée générale des Nations Unies s’est félicitée, par sa résolution 73/264 adoptée le 22 décembre 2018, de la création du Mécanisme d’enquête indépendant et 55 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Onderzoeksmechanisme, en vroeg zij om zo snel mogelijk de nodige maatregelen te nemen teneinde de goede werking ervan te garanderen. Op grond van die bepalingen heeft het Secretariaat van de Verenigde Naties het mandaat van het onafhan- kelijk Onderzoeksmechanisme (hierna ‘het mandaat) uitgewerkt, steunend op ervaringen met vergelijkbare onderzoeksmechanismen. Dat mandaat is gevoegd in bijlage bij een brief van 16 januari 2019, die door de secretaris-generaal gericht werd aan de voorzitster van de Algemene Vergadering. Met toepassing van dat mandaat wordt de actie van het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme uitgesplitst in twee delen. Ten eerste is dit orgaan belast met het verzamelen, hergroeperen, vrijwaren en analyseren van bewijsmateriaal dat duidt op het plegen van de meest ernstige internationale misdaden en van schendingen van het internationaal recht in Myanmar sinds 2011. Ten tweede dient het orgaan dossiers samen te stellen met het oog op het faciliteren en versnellen van billijke, onafhankelijke strafprocedures die in overeenstemming zijn met de normen van het internationaal recht, voor de nationale, regionale of internationale hoven of rechtbanken die de bevoegdheid hebben of zullen kunnen hebben om kennis te nemen van die misdaden overeenkomstig het internationaal recht. In het kader van het eerste gedeelte van zijn mandaat verzamelt het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme bewijsmateriaal en inlichtingen bij verschillende bron- nen, in het bijzonder bij de onafhankelijke internationale fact-finding missie betreffende Myanmar, maar ook bij alle bronnen die noodzakelijk of gepast worden geacht, met name betrokken nationale autoriteiten, entiteiten van het VN-stelsel, nationale, regionale of internationale instellingen of organisaties, niet-gouvernementele orga- nisaties, andere niet-statelijke entiteiten, rechtspersonen, ondernemingen uit de private sector of andere groepen of individuen, op verzoek van het Mechanisme of op initiatief van die bronnen (paragraaf 8, b), van het mandaat). Die informatie zal vervolgens worden onderworpen aan een analyse – gestoeld op de erkende normen en principes inzake bewijs en methodologie geldend binnen de voor- naamste mondiale rechtsstelsels (paragraaf 9 van het mandaat) – en geklasseerd, gevrijwaard en opgeslagen. In het kader van het tweede deel van zijn missie zal het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme overgaan tot het samenstellen van dossiers die het misdadige gedrag van de verantwoordelijken aan het licht brengen, teneinde billijke en onafhankelijke strafprocedures te faciliteren en te versnellen (paragraaf 15 van het mandaat). a demandé que les mesures nécessaires soient prises pour assurer son bon fonctionnement dès que possible. Sur la base de ces dispositions, le Secrétariat des Nations Unies a élaboré le mandat du Mécanisme d’enquête indépendant (ci-après, “le mandat”) en se fondant sur l’expérience tirée de mécanismes d’enquête comparables. Ce mandat est annexé à une lettre, datée du 16 janvier 2019, adressée par le Secrétaire général à la Présidente de l’Assemblée générale. En application dudit mandat, l’action du Mécanisme d’enquête indépendant est déclinée en deux volets. D’une part, il est chargé de recueillir, regrouper, préserver et analyser les éléments de preuve attestant de la com- mission de crimes internationaux les plus graves et de violations du droit international au Myanmar depuis 2011. D’autre part, il doit constituer des dossiers en vue de faciliter et de diligenter des procédures pénales équi- tables, indépendantes et conformes aux normes du droit international devant des cours ou tribunaux nationaux, régionaux ou internationaux qui ont ou pourront avoir compétence pour connaître de ces crimes conformément au droit international. Dans le cadre du premier volet de son mandat, le Mécanisme d’enquête indépendant va recueillir des éléments de preuve et des renseignements auprès de différentes sources, en particulier auprès de la mission internationale indépendante d’établissement des faits sur le Myanmar, mais également auprès de toutes “sources jugées nécessaires ou appropriées, notamment des autorités nationales concernées, d’entités du système des Nations Unies, d’organisations ou institutions inter- nationales, régionales ou nationales, d’organisations non gouvernementales, d’autres entités non étatiques, personnes morales, sociétés du secteur privé ou autres groupes ou individus, à [la] demande [du Mécanisme] ou à l’initiative de ces sources” (paragraphe 8, b), du mandat). Ces informations seront ensuite analysées – en “s’inspirant des normes et principes reconnus en matière de preuve et de méthodologie dans les principaux systèmes juridiques du monde” (paraphe 9 du mandat), classées, préservées et stockées. Dans le cadre du second volet de sa mission, le Mécanisme d’enquête indépendant va constituer des “dossiers mettant en lumière le comportement criminel des personnes responsables, afin de faciliter et de diligenter des procédures pénales équitables et indépendantes” (paragraphe 15 du mandat). 2774/001 DOC 55 56 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Die dossiers worden vervolgens gedeeld met de na- tionale, regionale en internationale rechtbanken die de bevoegdheid hebben of zullen kunnen hebben om kennis te nemen van de gepleegde misdaden overeenkomstig het internationaal recht (paragraaf 18 van het mandaat). Net als het internationaal, onpartijdig en onafhan- kelijk Mechanisme voor Syrië (zie in dat verband de toelichting in de memorie van toelichting bij de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in straf- zaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek – Gedr. St., Kamer, gewone zitting, 2018-2019, nr. 54-3515/001, blz. 208 tot en met 213), is het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar dus een hybride instelling, die zich halverwege tussen de internationale onderzoekscommissie en een inter- nationaal strafgerecht beweegt. Zijn missie is immers ruimer opgevat dan die van een klassieke onderzoekscommissie, vermits het onafhan- kelijk Onderzoeksmechanisme, naast de vaststelling van feiten, systematisch een analyse zal verrichten van het beschikbare bewijsmateriaal met het oog op het samenstellen van dossiers. Tezelfdertijd is het niet zijn roeping om zelf degenen te berechten die verdacht worden van schendingen van het internationaal recht. In zijn resolutie 39/02 lanceert de Mensenrechtenraad de oproep aan alle Staten, alsook aan de regering van Myanmar en aan haar onafhankelijke onderzoekscommis- sie, om ten volle samen te werken met het mechanisme zodat het zich doelmatig kan kwijten van zijn mandaat en, in het bijzonder, het in kennis te stellen van alle informatie of documenten waarover zij beschikken of zouden kunnen beschikken in de toekomst, alsook enige andere vorm van bijstand te verlenen die betrekking heeft op hun respectieve mandaten. De samenwerking van België met het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme valt dus niet onder een internationale verplichting. Zij past evenwel in de traditie van goede samenwerking van het Koninkrijk met de internationale hoven en recht- banken en de overige instrumenten voor internationale strafrechtsbedeling. Voorts, waar het gaat om de praktische samenwer- kingsmodaliteiten, wordt in de bepalingen van het mandaat (paragrafen 35 tot en met 41) van het Mechanisme onder meer gepreciseerd dat het Mechanisme gemachtigd is tot het afsluiten van akkoorden namens de VN met elke Staat, organisatie of entiteit omwille van de uitvoering van zijn mandaat (paragraaf 36 van het mandaat), en dat het Mechanisme samenwerkt met de Staten, met name in het kader van akkoorden inzake wederzijdse rechtshulp, indien nodig en voor zover nodig, of van specifieke akkoorden die daartoe zijn afgesloten, in Ces dossiers seront ensuite partagés avec les cours ou tribunaux nationaux, régionaux ou internationaux qui ont ou pourront avoir compétence pour connaître des crimes commis conformément au droit international (paragraphe 18 du mandat). Comme le Mécanisme international, impartial et indé- pendant pour la Syrie (voy. à ce sujet les développements de l’exposé des motifs de la loi du 5 mai 2019 portant des dispositions diverses en matière pénale et en matière de cultes, et modifiant la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie et le Code pénal social – Doc. parl., Ch. repr., sess. ord. 2018-2019, n° 54-3515/001, pp. 208 à 213), le Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar est donc une institution hybride, à mi-chemin entre la commission d’enquête internationale et une juridiction pénale internationale. En effet, sa mission est plus large que celle d’une commission d’enquête traditionnelle puisqu’au-delà de la constatation des faits, le Mécanisme d’enquête indé- pendant va analyser systématiquement les éléments de preuve disponibles pour constituer des dossiers. Dans le même temps, il n’a pas vocation à juger lui-même les personnes suspectées d’avoir commis des violations du droit international. Dans sa résolution 39/02, le Conseil des droits de l’homme “demande à tous les États, ainsi qu’au gou- vernement du Myanmar et à sa commission d’enquête indépendante, de coopérer pleinement avec le mécanisme afin qu’il puisse s’acquitter efficacement de son mandat et, en particulier, de lui fournir toute information ou tout document dont ils disposent ou dont ils pourraient dis- poser à l’avenir, ainsi que toute autre forme d’assistance touchant à leurs mandats respectifs, […]”. La coopération de la Belgique avec le Mécanisme d’enquête indépendant ne relève donc pas d’une obligation internationale. Elle s’inscrit toutefois dans la tradition de bonne coopération du Royaume avec les cours et tribunaux internationaux et les autres instruments de justice pénale internationale. Par ailleurs, s’agissant des modalités pratiques de coo- pération, les dispositions du mandat (paragraphes 35 à 41) du Mécanisme précisent notamment que “le Mécanisme est habilité à conclure au nom de l’Organisation des accords avec tout État, organisation ou entité aux fins de l’exécution de son mandat.” (paragraphe 36 du mandat) et que “le Mécanisme coopère avec les États, notamment dans le cadre d’accords d’entraide judiciaire, si nécessaire et selon qu’il convient, ou d’accords spéciaux conclus à ces fins, en particulier pour recevoir d’eux tous ren- seignements, documents ou éléments de preuve qu’ils 57 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het bijzonder voor het ontvangen van hen van enerlei inlichtingen, documenten of bewijsmateriaal die zij kun- nen bezitten en die onder hun mandaat vallen, onder voorbehoud van de restricties of voorwaarden zij kun- nen vastleggen voor integrale of partiële mededeling van de inlichtingen, documenten of bewijsmateriaal in kwestie (paragraaf 38 van het mandaat). Een soort akkoord dat het Mechanisme zou kunnen afsluiten in het kader van zijn functies van gerechtelijke aard is een akkoord inzake bescherming van bedreigde getuigen, waardoor het Mechanisme de medewerking van bepaalde Staten zou kunnen verkrijgen om de bescherming te garanderen van getuigen die in een risicosituatie terechtgekomen zijn vanwege hun getuige- nis ten aanzien van het Mechanisme in het kader van het verzamelen van bewijsmateriaal. III. — ANDERE MECHANISMEN BEOOGD DOOR TITEL VIQUATER Titel VIquater, zoals ter aanpassing voorgesteld, beoogt zowel de Onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties, als die welke zijn ingevoerd door een andere internationale organisatie waarvan België lid is. In dat verband kunnen we als voorbeeld verwijzen naar de organen die sinds 2014 ingevoerd zijn door de OVCW in het kader van de onderzoeken die gevoerd zijn naar aanleiding van het gebruik van chemische wapen bij vijandelijkheden in Syrië. Naar aanleiding van aanhoudende beweringen over het inzetten van chemische wapens in Syrië heeft de OVCW een fact-finding missie ingesteld, die belast was met het vaststellen van de feiten met betrekking tot de beweringen omtrent het inzetten van toxische chemische wapens, van chloor volgens bepaalde bronnen, voor vijandige doeleinden in de Arabische Republiek Syrië. Zij heeft haar activiteiten sindsdien voortgezet. Die fact- finding missie wordt gedekt door Titel VIquinquies van de wet van 29 maart 2004, aangezien ze geen activiteit van gerechtelijke aard uitoefent. De conclusies van de fact-finding missie heb- ben geleid tot het instellen van een gezamenlijk Onderzoeksmechanisme tussen de OVCW en de VN, in de hoedanigheid van onafhankelijk orgaan ingesteld door de Veiligheidsraad bij resolutie 2235 van 7 augus- tus 2015. Dat Mechanisme was belast met het iden- tificeren, zoveel mogelijk, van personen, entiteiten, groepen of regeringen die het gebruik als wapen van chemische stoffen, waaronder chloor of enig ander peuvent détenir et relevant de son mandat, sous réserve des restrictions ou conditions qu’ils peuvent fixer pour communiquer en tout ou en partie les renseignements, documents ou éléments de preuve en question.” (para- graphe 38 du mandat). Un type d’accord que le Mécanisme pourrait conclure dans le cadre de ses fonctions à caractère judiciaire serait un accord de protection de témoins menacés permettant au Mécanisme d’obtenir la coopération de certains États pour assurer la protection de témoins mis en situation de risque en raison de leur témoignage auprès du Mécanisme dans le cadre de la récolte des éléments de preuve. III. — AUTRES MÉCANISMES VISÉS PAR LE TITRE VIQUATER Le Titre VIquater tel qu’il est proposé de l’adapter visera tant les Mécanismes d’enquête créés par l’Organisation des Nations Unies que ceux mis en place par une autre organisation internationale dont la Belgique est membre. À cet égard, on peut citer, à titre d’exemple, les organes mis en place depuis 2014 par l’OIAC dans le cadre des enquêtes menées à la suite de l’utilisation d’armes chimiques dans le cadre des hostilités en Syrie. À la suite des allégations persistantes d’emploi d’armes chimiques en Syrie, l’OIAC a mis en place, en 2014, une mission d’établissement des faits chargée d’ “établir les faits relatifs aux allégations d’emploi de produits chimiques toxiques, du chlore selon certaines sources, à des fins hostiles en République arabe syrienne”. Elle poursuit ses activités depuis lors. Cette mission d’éta- blissement des faits est couverte par le Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004, étant donné qu’elle n’exerce pas d’activité à caractère judiciaire. Les conclusions de la mission d’établissement des faits ont mené à la création d’un Mécanisme d’enquête conjoint entre l’OIAC et l’ONU, en tant qu’organe indépendant établi par le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa résolution 2235, du 7 août 2015. Ce Mécanisme était chargé “d’identifier dans toute la mesure possible les personnes, entités, groupes ou gouvernements qui ont perpétré, organisé ou commandité l’utilisation comme armes, en République arabe syrienne, de produits 2774/001 DOC 55 58 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toxisch chemisch product, in de Arabische Republiek Syrië hebben bewerkstelligd, georganiseerd of gefinan- cierd, of die daaraan op een of andere wijze hebben deelgenomen, in de gevallen waarin de fact-finding Missie van de OVCW vaststelt of vastgesteld heeft dat chemische producten, waaronder chloor of enig ander toxisch chemisch product, gebruikt zijn of waarschijnlijk gebruikt zijn als wapen in de Arabische Republiek Syrië (paragraaf 5 van resolutie 2235). In het licht van zijn missies zou dit Mechanisme gedekt zijn door Titel VIquater, zoals ter aanpassing voorgesteld. Nadat het mandaat van het Mechanisme tweemaal was verlengd door de Veiligheidsraad, liep het evenwel af in november 2017 wegens het uitblijven van een ak- koord binnen de Raad over een nieuwe verlenging ervan. Met het oog op de voortzetting van de werkzaamheden rond de identificatie van degenen die verantwoordelijk zijn voor het inzetten van chemische wapens in Syrië, en naast de werkzaamheden van de voornoemde fact- finding missie, heeft de OVCW, bij een beslissing getiteld “Tegengaan van de dreiging die gevormd wordt door het inzetten van chemische wapens”, aangenomen op 27 juni 2018 op haar vierde buitengewone zitting, dan een Onderzoeks- en identifcatieteam opgericht dat belast is met het identificeren van de daders achter het inzetten van chemische wapens in de gevallen die onder de actieradius van het Team vallen, dat wil zeggen elk gebruik of vermoedelijk gebruik van dergelijke wapens waarvan de fact-finding missie vastgesteld heeft dat het heeft plaatsgehad (blz. 9 van het eerste verslag van het Onderzoeks- en identifcatieteam van de OVCW, met toepassing van paragraaf 10 van beslissing C-SS-4/ DEC.3 “Tegengaan van de dreiging die gevormd wordt door het inzetten van chemische wapens” ltamenah (Arabische Republiek Syrië), van 8 april 2020). Dit Onderzoeks- en identificatieteam wordt gedekt door Titel VIquinquies van de wet van 29 maart 2004, aangezien het geen activiteit van gerechtelijke aard uit- oefent. Het is echter niet onmogelijk dat de OVCW of een andere internationale organisatie waarvan België lid is, in de toekomst een internationaal Onderzoeksmechanisme instelt dat activiteiten van gerechtelijke aard zou uitoe- fenen. Teneinde de wet van 29 maart 2004 in dat geval niet opnieuw te hoeven wijzigen, wijzigt dit ontwerp dientengevolge de wet. chimiques, y compris le chlore ou tout autre produit chimique toxique, ou qui y ont participé d’une manière ou d’une autre, dans les cas où la Mission d’établissement des faits de l’OIAC détermine ou a déterminé que des produits chimiques, y compris le chlore ou tout autre produit chimique toxique, ont été utilisés ou ont proba- blement été utilisés comme arme en République arabe syrienne, (…)” (paragraphe 5 de la résolution 2235). Au vu de ses missions, ce Mécanisme d’enquête serait couvert par le Titre VIquater tel qu’il est proposé de le modifier. Toutefois, après avoir été prorogé à deux reprises par le Conseil de sécurité, le mandat du Mécanisme a pris fin en novembre 2017, faute d’accord au sein du Conseil quant à une nouvelle prolongation de ce mandat. Afin de poursuivre les travaux relatifs à l’identifica- tion des personnes responsables de l’emploi d’armes chimiques en Syrie, et en parallèle des travaux de la mission d’établissement des faits susmentionnée, l’OIAC a alors établi, par une décision intitulée “Contrer la menace que constitue l’emploi d’armes chimiques”, adoptée le 27 juin 2018, lors de sa quatrième session extraordi- naire, une Équipe d’enquête et d’identification chargée d’ “identifier les auteurs de l’emploi d’armes chimiques” dans les cas qui sont du ressort de l’Équipe, c’est-à-dire, “tout emploi ou tout emploi probable de telles armes dont la Mission [d’établissement des faits de l’OIAC] a déterminé qu’il a eu lieu”. (p. 9 du 1er rapport de l’Équipe d’enquête et d’identification de l’OIAC en application du paragraphe 10 de la décision C-SS-4/DEC.3 “contrer la menace que constitue l’emploi d’armes chimiques” ltamenah (République arabe syrienne), du 8 avril 2020). Cette Équipe d’enquête et d’identification relève du Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004, étant donné qu’elle n’exerce pas d’activité à caractère judiciaire. Toutefois, il n’est pas impossible qu’à l’avenir l’OIAC ou une autre organisation internationale dont la Belgique est membre, crée un Mécanisme d’enquête interna- tionale exerçant des activités à caractère judiciaire. De manière à ne pas devoir à nouveau changer la loi du 29 mars 2004 dans ce cas, le présent projet modifie la loi en conséquence. 59 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E IV. — INPERKING VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN TITEL VIQUINQUIES INGEVOLGE DE UITBREIDING VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN TITEL VIQUATER Ingevolge de uitbreiding van het toepassingsge- bied van Titel VIquater zullen bepaalde structuren die voorheen vielen onder Titel VIquinquies van de wet van 29 maart 2004, in verband met de Onderzoeksteams, gedekt worden door Titel VIquater. Dat is met name het geval met het Team van onderzoekers dat is belast met de ondersteuning van de inspanningen geleverd op nationaal vlak om de Islamitische Staat in Irak en de Levant (IS) ertoe te brengen rekenschap en verant- woording af te leggen voor de in Irak gepleegde daden die oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en misdaden van genocide kunnen vormen (hierna “het Team van onderzoekers”). De missie van het Team van onderzoekers zoals omschreven in de instrumenten in verband met de oprichting ervan (cf. Resolutie 2379 (2017)) van de VN- Veiligheidsraad van 21 september 2017 en het mandaat van het Team van onderzoekers zoals gepresenteerd door de secretaris-generaal aan de Veiligheidsraad op 9 februari 2018, met referentienummer S/2018/118), vertoont immers ook overeenkomsten met functies van gerechtelijke aard. Het is belast met, ten eerste, het verzamelen van bewijsmateriaal met betrekking tot door de Islamitische Staat in Irak en de Levant (IS) in Irak gepleegde daden die oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en misdaden van genocide kunnen vormen, en, ten tweede, het bewaren en opslaan van dat bewijsmateriaal zodat het in de meest ruime zin kan worden gebruikt voor de Iraakse nationale rechtbanken of voor het completeren van de onderzoeken gevoerd door de overheden van derde landen op hun verzoek. V. — KEUZE VAN HET COMMUNICATIEKANAAL Wat betreft het communicatiekanaal dient te wor- den gepreciseerd dat, hoewel artikel 93 van de wet van 29 maart 2004 in beginsel voorziet in een direc- te communicatie tussen de centrale autoriteit en het Mechanisme voor de overzending van verzoeken om wederzijdse rechtshulp, zulks de centrale autoriteit niet belet om een beroep te doen op het diplomatische kanaal wanneer dat nodig kan blijken voor het garanderen van een optimale samenwerking met het desbetreffende Mechanisme. Dat zal België in staat stellen om gebruik te ma- ken van het meest directe maar ook meest beveiligde IV. — RÉDUCTION DU CHAMP D’APPLICATION DU TITRE VIQUINQUIES À LA SUITE DE L’EXTENSION DU CHAMP D’APPLICATION DU TITRE VIQUATER On notera qu’à la suite de l’extension du champ d’appli- cation du Titre VIquater, certaines structures qui, précé- demment, tombaient sous le coup du Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004 relatif aux Équipes d’enquête, seront couvertes par le Titre VIquater. C’est le cas, en particulier, de l’Équipe d’enquêteurs chargée d’appuyer les efforts engagés à l’échelle nationale pour amener l’État islamique d’Irak et du Levant (Daech) à rendre compte des actes susceptibles de constituer des crimes de guerre, des crimes contre l’humanité et des crimes de génocide perpétrés en Irak (ci-après, “l’Équipe d’enquêteurs”). En effet, la mission de l’Équipe d’enquêteurs telle que définie dans ses instruments fondateurs (voy. la résolution 2379 (2017) du Conseil de sécurité des Nations Unies du 21 septembre 2017 et le mandat de l’Équipe d’enquêteurs présenté par le Secrétaire général au Conseil de sécurité le 9 février 2018, sous la cote S/2018/118) correspond également à des fonctions à caractère judiciaire. Celle-ci est chargée, d’une part, de recueillir des éléments de preuve concernant des actes qui sont susceptibles de constituer des crimes de guerre, des crimes contre l’humanité ou des crimes de génocide commis par l’EIIL (Daech) en Irak et, d’autre part, de conserver et de stocker ces éléments de preuve afin qu’ils puissent être utilisés le plus largement pos- sible devant les tribunaux nationaux irakiens ou pour compléter les enquêtes menées par les autorités de pays tiers à leur demande. V. — CHOIX DU CANAL DE COMMUNICATION Concernant le canal de communication, il convient de préciser que bien que l’article 93 de la loi du 29 mars 2004 prévoit, en principe, une communication directe entre l’autorité centrale et le Mécanisme pour la transmission des demandes d’entraide judiciaire, cela n’empêche pas l’autorité centrale de recourir au canal diplomatique lorsque cela peut s’avérer nécessaire pour assurer la meilleure coopération avec le Mécanisme concerné. Cela permettra à la Belgique d’utiliser le canal de communication le plus direct mais aussi le plus sécurisé 2774/001 DOC 55 60 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E communicatiekanaal teneinde de samenwerking met die instrumenten voor internationale strafrechtsbedeling te verzekeren. TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN Art. 58 Dit artikel behelst een technische correctie van de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van de wet van 29 maart 2004, waarin wordt gepreciseerd dat voor de toepassing van Titel III van deze wet, onder “Tribunaal” wordt verstaan: de ad-hoc Tribunalen voor voormalig Joegoslavië en voor Rwanda, alsook het internationaal Mechanisme dat de restbevoegdheden van die Tribunalen na hun sluiting moet uitoefenen. Dit Mechanisme werd ingesteld bij de resolutie 1966 (2010) van de VN-Veiligheidsraad van 22 december 2010, waarin het wordt aangeduid als “Mécanisme international chargé d’exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux” Deze resolutie werd echter onderworpen aan een nieuwe oplage op 12 september 2011, waarbij de Franse benaming van het Mechanisme aangepast werd als volgt: “Mécanisme international appelé à exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux”. Deze wijziging moet garanderen dat de terminologie uit de wet van 29 maart 2004 overeenstemt met de of- ficiële Franse benaming van het Mechanisme. Art. 59 Dit artikel wijzigt Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 teneinde te preciseren dat deze Titel de sa- menwerking met het geheel van de internationale Onderzoeksmechanismen dekt. Art. 60 Dit artikel behelst de aanpassing van de definitie van de termen “Mechanisme” en “Statuut”, in de eerste twee streepjes van artikel 91 van de wet van 29 maart 2004. Artikel 91, eerste streepje, preciseert dat de term “Mechanismen” verwijst naar het geheel van internati- onale Onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, mis- daden tegen de mensheid, misdaden van genocide of pour assurer la coopération avec ces instruments de justice pénale internationale. COMMENTAIRE DES ARTICLES Art. 58 Cet article opère une correction technique du texte fran- çais de l’article 43, 1er tiret, de la loi du 29 mars 2004 qui précise qu’aux fins du Titre III de ladite loi, le terme “Tribunal” désigne les Tribunaux ad hoc pour l’ex-You- goslavie et pour le Rwanda ainsi que le Mécanisme international appelé à exercer les fonctions résiduelles de ces Tribunaux après leur fermeture. Ce Mécanisme a été créé par la résolution 1966 (2010) du Conseil de sécurité des Nations Unies, datée du 22 décembre 2010, dans laquelle il est désigné comme “Mécanisme international chargé d’exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux”. Cette résolution a, toutefois, fait l’objet d’un nouveau tirage le 12 septembre 2011 par lequel la dénomination française du Mécanisme a été adaptée comme suit: “Mécanisme international appelé à exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux”. La présente modification vise à assurer que les termes utilisés dans la loi du 29 mars 2004 correspondent au titre officiel français du Mécanisme. Art. 59 Cet article modifie l’intitulé du Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 pour préciser que ce Titre couvre la coopération avec les Mécanismes d’enquête internatio- naux dans leur ensemble. Art. 60 Cet article adapte les définitions des termes “Mécanisme” et “Statut” reprises aux deux premiers tirets de l’article 91 de la loi du 29 mars 2004. Le nouveau 1er tiret de l’article 91 précise que le terme “Mécanismes” renvoie à l’ensemble des Mécanismes d’enquête internationaux créés par l’Organisation des Nations Unies, ou par une autre organisation interna- tionale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l’humanité, les crimes de génocide 61 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard. Zoals benadrukt is in de algemene bespreking, kunnen de benamingen van de Mechanismen lichtelijk verschillen. Het nieuwe eerste streepje doelt dus op die Mechanismen in algemene termen en dekt alle missies van die aard, ongeacht de precieze benaming die wordt gehanteerd. De doorslaggevende factor om te bepalen of Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 van toepassing is op de samenwerking met een Mechanisme in het bijzonder, is de analyse van zijn mandaat, waarvan op zijn minst een deel moet gewijd zijn aan de strijd tegen straffeloos- heid via de uitoefening van functies van gerechtelijke aard (bijvoorbeeld het verzamelen van bewijsmateriaal voor de samenstelling van een gerechtelijk dossier; bescherming van bedreigde getuigen; tenuitvoerlegging van akten van wederzijdse rechtshulp met nationale of internationale gerechtelijke autoriteiten, enz.). Het nieuwe tweede streepje van artikel 91 preci- seert dat de term “Statuut” duidt op het mandaat van het Mechanisme zoals omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is. De specifieke bevoegdheden van elk Mechanisme zijn immers nader omschreven in de instrumenten (resoluties, beslissingen van een bevoegd orgaan, …) waardoor zij worden ingevoerd. Die wijzigingen bewerkstelligen dat de integrale Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 van toe- passing is op het geheel van internationale Mechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties of door een andere bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is. HOOFDSTUK 12 Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 61 Hoofdstuk 12 van dit wetsontwerp brengt meerdere wijzigingen aan de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrij- heidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten aan. De ou toute autre infraction internationale, par l’exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire. Comme souligné dans le commentaire général, les dénominations des Mécanismes peuvent légèrement différer. Le nouveau 1e tiret vise donc ces Mécanismes en termes généraux et couvre toutes les missions de ce type quelle qu’en soit la dénomination précise adoptée. L’élément décisif pour déterminer si le Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 est applicable à la coopéra- tion avec un Mécanisme en particulier est l’analyse de son mandat qui doit comprendre au moins une partie consacrée à la lutte contre l’impunité par l’exercice de fonctions à caractère judiciaire (comme, par exemple, la collecte d’éléments de preuve aux fins de constitution d’un dossier judiciaire, la protection de témoins mena- cés, l’exécution d’actes d’entraide judiciaire avec des autorités judiciaires nationales ou internationales, etc.). Le nouveau 2e tiret de l’article 91 précise que le terme “Statut” désigne le mandat du Mécanisme tel qu’il est défini dans les instruments pertinents adoptés par l’Organisation des Nations Unies ou par l’organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre. Les compétences spécifiques de chaque Mécanisme sont, en effet, détaillées dans les instruments (résolutions, décisions d’un organe compétent, …) par lesquels ils sont mis en place. Ces modifications rendent l’entièreté du Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 applicable à l’ensemble des Mécanismes internationaux mis en place par l’Organi- sation des Nations Unies ou par une autre organisation internationale compétente dont la Belgique est membre. CHAPITRE 12 Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine Art. 61 Le chapitre 12 de ce projet de loi apporte plusieurs modifications à la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine. La 2774/001 DOC 55 62 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E in dit artikel voorgestelde wijziging heeft de verbetering van de sociale re-integratie van de veroordeelden tot doel met het oog op een vlottere doorstroming van de veroordeelde gedetineerden. Artikel 6 van de wet externe rechtspositie wordt daarom gewijzigd teneinde de veroordeelde die penitentiaire ver- loven geniet toe te laten de gevangenis vier keer 36 uur per trimester te verlaten, en niet drie keer 36 uur per trimester. De veroordeelde toelaten om de gevangenis frequenter te verlaten heeft tot doel om de voorbereiding van de sociale re-integratie te doen versnellen. Wanneer de strafuitvoeringsrechter of –rechtbank een aanvraag tot het verkrijgen van een strafuitvoeringsmodaliteit zal ontvangen van een veroordeelde die verloven geniet, zullen er bovendien meer uitgangen hebben plaatsge- vonden, wat een positief element is dat de strafuitvoe- ringsrechter of –rechtbank mee in rekening zal kunnen nemen bij de besluitvorming. Een tweede wijziging die voorzien was in het oor- spronkelijke voorontwerp was het toevertrouwen van de strafuitvoeringsmodaliteit “beperkte detentie” aan de minister en niet langer aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Enkel in het kader van artikel 59 en de ter beschikking stelling van de straf- uitvoeringsrechtbank zou dit een bevoegdheid blijven van de strafuitvoeringsrechter- of rechtbank. Met name ingevolge de adviezen van de Raad van State, het College van procureurs-generaal en van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen werd deze wijziging geschrapt. Art. 62 en 63 verbetering informatieplicht ten aanzien van de slachtoffers Een volgende wijziging is een verbetering van de informatieplicht ten aanzien van de slachtoffers. In het artikel 10 wordt daartoe ingeschreven dat de slachtoffers, die zich overeenkomstig artikel 2, 6°, van de wet hebben gemanifesteerd teneinde hun rechten uit te oefenen, ook worden geïnformeerd over de toekenning van een eerste uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 4, § 3, van de wet. Dit betreft de uitgaansvergun- ningen die kunnen worden toegekend met het oog op de sociale re-integratie. De wetgever achtte het in 2006 “niet noodzakelijk en niet opportuun” het slachtoffer hiervan te informeren ge- zien de korte tijdsduur waarvoor een uitgangsvergunning wordt toegekend; bovendien wordt de uitgangsvergunning ook steeds toegekend met een welbepaald doel voor modification proposée dans cet article vise à améliorer la réinsertion sociale des personnes condamnées en vue de faciliter le flux des détenus condamnés. L’article 6 de la loi relative au statut juridique externe est pour cela modifié afin de permettre au condamné qui bénéficie de congés pénitentiaires de quitter la prison quatre fois trente-six heures par trimestre, et non plus trois fois trente-six heures par trimestre. Permettre au condamné de quitter la prison de manière plus fréquente a pour objectif d’accélérer la préparation de sa réinsertion sociale. Cela aura également pour impact que, lorsque le juge ou le tribunal de l’application des peines sera saisi d’une demande de modalité d’exécution de la peine par un condamné qui bénéficie de congés, plus de sorties auront eu lieu, ce qui constitue un élément positif que le juge ou le tribunal de l’application des peines pourra prendre en compte dans sa prise de décision. Une deuxième modification qui était prévue dans l’avant-projet de loi initial était de confier la modalité d’exécution de la peine “détention limitée” au ministre et non plus au juge ou au tribunal de l’application des peines. Cette modalité resterait uniquement une compétence du juge ou tribunal de l’application des peines dans le cadre de l’article 59 et de la mise à disposition du tribunal de l’application des peines. Suite, notamment, à l’avis du Conseil d’État, du Collège des procureurs généraux et du Conseil Central de Surveillance Pénitentiaire cette modification a été supprimée. Art. 62 en 63 amélioration de l’obligation d’information vis-à-vis des victimes Une autre modification est l’amélioration de l’obligation d’information vis-à-vis des victimes. Dans l’article 10 est à cet effet prévu que les victimes, qui se sont manifestées conformément à l’article 2, 6°, de la loi en vue d’exercer leurs droits, pourront aussi être informées de l’octroi d’une première permission de sortie, comme visée à l’article 4, § 3, de la loi. Ceci concerne les permissions de sortie qui sont octroyées en vue de la réinsertion sociale. Le législateur estimait en 2006 “ni nécessaire, ni opportun” d’en informer la victime étant donné le court laps de temps pour lequel la permission de sortie est octroyée; de plus, la permission de sortie est toujours octroyée dans un but bien précis. En réponse à une 63 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ogen. In antwoord op een opmerking van de Raad van State , onderlijnde de wetgever destijds “dat het vooront- werp van wet beoogt een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de onderscheiden betrokken partijen en dat naast het belang dat het slachtoffer op de hoogte wordt gebracht van de ten aanzien van de veroordeelde genomen beslissingen er tegelijkertijd moet worden over gewaakt dat een systematische kennisge- ving van deze beslissingen ten onrechte angstgevoelens zou kunnen provoceren in hoofde van het slachtoffer” (Parl. St. Senaat, DOC 3-1128/001, p. 10). Tevens hield de wetgever in 2006 mede rekening met de praktische haalbaarheid van deze mededeling, gelet op het hoge aantal uitgaansvergunningen dat jaarlijks wordt toegekend (Parl. St. Senaat, DOC 3-1128/007, p. 18). De ratio legis van de keuze van de wetgever in 2006 is begrijpelijk. Echter, voor wat betreft de toekenning van uitgaansvergunningen met het oog op de voorbereiding van de sociale re-integratie die kunnen worden toege- kend met periodiciteit, wordt voorgesteld de slachtoffers daar toch van te informeren. Ondanks het feit dat de uitgaansvergunning zeer beperkt in tijd is en met een welbepaald doel wordt toegekend, is juist omwille van de regelmatigheid waarmee de veroordeelde de gevan- genis kan verlaten, de kans groter dat de slachtoffers onverwachts de dader ontmoeten. Het slachtoffer wordt geïnformeerd van de eerste toekenning van een uitgaans- vergunning met het oog op sociale re-integratie. Deze informatie is het signaal dat de veroordeelde mogelijks op regelmatige tijdstippen de gevangenis zal verlaten, wat het slachtoffer toelaat zich daar op voor te bereiden. Artikel 14 wordt eveneens aangepast zodat het slacht- offer ook geïnformeerd wordt over de beslissingen tot wijziging van de voorwaarden, schorsing of herroeping, ook ingeval deze volgen op een voorlopige aanhouding. Een in het voorontwerp voorziene wijziging van arti- kel 27 om het toepassingsgebied van de wet te beperken tot veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van meer dan 6 maanden werd geschrapt ingevolge het advies van de Raad van State. Art. 64 In artikel 28 wordt een technische wijziging aange- bracht: er wordt aan toegevoegd dat voor personen die zijn veroordeeld tot een totale gevangenisstraf van drie jaar of minder, de door titel V bepaalde strafuitvoe- ringsmodaliteiten (met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en met uit- zondering van de vermindering van de duur van de door remarque du Conseil d’État, le législateur soulignait à cette époque que “l’avant-projet de loi vise à instaurer un équilibre entre les intérêts des différentes parties concer- nées et que, s’il est important d’informer la victime des décisions prises à l’égard du condamné, il convient dans le même temps de veiller à ce qu’une communication systématique de ces décisions n’engendre indûment un sentiment d’inquiétude chez la victime” (Doc. parl., Sénat, DOC 3-1128/001, p. 10). Le législateur en 2006 tenait également compte de la faisabilité pratique d’une telle obligation de communication, vu le nombre élevé des permissions de sortie qui sont octroyées chaque année (Doc. parl., Sénat, DOC 3-1128/001, p. 18). La ratio legis du choix du législateur en 2006 est compréhensible. Toutefois, en ce qui concerne l’octroi de permissions de sortie visant à préparer la réinsertion sociale qui peuvent être octroyées avec périodicité, il est quand même proposé d’en informer les victimes. Bien qu’une permission de sortie soit très limitée dans le temps et qu’elle soit accordée dans un but précis, c’est précisément en raison de la régularité avec laquelle le condamné peut quitter la prison que le risque que les victimes rencontrent l’auteur, de manière inattendue, est plus élevé. La victime est informée du premier octroi de permission de sortie visant la réinsertion sociale. Cette information est un signal que la personne condamnée peut quitter la prison à intervalles réguliers, ce qui permet à la victime de s’y préparer. De même, l’article 14 est modifié de sorte que la vic- time soit également informée des décisions d’adaptation des conditions, de suspension et de révocation et ce, même si celles-ci font suite à une arrestation provisoire. Dans l’avant-projet une modification à l’article 27 était prévue afin de limiter le champ d’application de la loi aux condamnés à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie exécutoire est supérieure à six mois. Cette modification a été supprimée suite à l’avis du Conseil d’État. Art. 64 Une modification technique est apportée à l’article 28: il est ajouté que, pour les condamnés à un total de peines de 3 ans ou moins, les modalités d’exécution de la peine visées aux titre V (à l’exception de la mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire ou de la remise et à l’exception de la réduction de la durée de l’interdiction, prononcée par le juge, du droit d’habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée 2774/001 DOC 55 64 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen) kunnen worden toegekend, voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzin- gen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Met die wijziging wordt tegemoet gekomen aan een lacune: het artikel voorzag niet in het opleggen van bijzondere voorwaarden, terwijl artikel 47 daar wel in voorziet voor personen die zijn veroordeeld tot een totale gevangenis- straf van meer dan 3 jaar. Door die mogelijkheid alleen te voorzien voor straffen van meer dan 3 jaar, is de procedure voor kortgestraften veeleisender aangezien het bestaan van tegenaanwijzingen zou volstaan om de gevraagde modaliteit te weigeren, zonder dat moet worden onderzocht of er bijzondere voorwaarden kun- nen worden opgelegd om aan die tegenaanwijzingen tegemoet te komen, wat uiteraard niet de bedoeling was van de wetgever in 2006. Art. 65 De wijziging die in artikel 30, § 3, wordt aangebracht betreft een louter taalkundige precisering. Art. 66 Aan artikel 39 worden twee wijzigingen aangebracht. In 2°, wordt de modaliteit van de voorlopige invrij- heidstelling met het oog op verwijdering toegevoegd als modaliteit voor dewelke de algemene voorwaarde inzake het beschikken over een vast adres niet geldt. Dit is al zo voorzien in artikel 55 met betrekking tot personen die veroordeeld zijn tot een straf van meer dan 3 jaar, maar was nog niet aangepast in artikel 39. Aan artikel 39 wordt een 4° toegevoegd dat voor- ziet dat, in geval van toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, het vonnis bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de voorwaarde om het grondgebied effectief te verlaten en aan het verbod om tijdens zijn proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter. Die voorwaarde was wel opgenomen in de bepaling met betrekking tot personen die veroordeeld zijn tot een straf van meer dan 3 jaar, maar ontbrak in artikel 39. désignée) peuvent être accordées s’il n’existe pas de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre. Cette modification répond à une lacune: l’article ne prévoyait pas que des conditions particulières puissent être imposées, alors que l’article 47 le prévoit pour les condamnés à un total de peines privatives de liberté de plus de trois ans. Le prévoir uniquement pour les peines supérieures à trois ans revient à rendre la procédure plus exigeante pour les condamnés à des courtes peines, puisque la présence de contre-indications suffirait pour justifier le refus d’octroi de la modalité demandée, sans qu’il ne soit nécessaire d’examiner si des conditions particulières peuvent être imposées pour répondre à ces contre-indications, ce qui n’était bien entendu pas la volonté du législateur en 2006. Art. 65 La modification apportée à l’article 30, § 3 concerne un simple précision linguistique. Art. 66 À l’article 39 deux modifications sont apportées. Au 2°, la modalité de la libération provisoire en vue de l’éloignement du territoire est rajoutée en tant que modalité pour laquelle la condition d’avoir une adresse fixe ne vaut pas. Ceci est déjà prévu dans la disposition de l’article 55 relative aux condamnés à des peines de plus de trois ans, mais n’était pas encore intégré dans l’article 39. Il est rajouté à l’article 39 un 4° qui prévoit qu’en cas d’octroi d’une libération provisoire en vue de l’éloignement du territoire, le jugement prévoit que le condamné est soumis à l’obligation de quitter effectivement le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d’épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l’accès au territoire, au séjour ou à l’établissement dans le Royaume et sans l’auto- risation préalable du juge de l’application des peines. Cette condition était prévue dans la disposition relative aux condamnés à des peines de plus de trois ans mais manquait dans l’article 39. 65 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 67 Artikel 40 wordt aangevuld met twee paragrafen om te voorzien dat de strafuitvoeringsrechter, zoals ook het geval is voor de toekenning van strafuitvoeringsmodali- teiten door de strafuitvoeringsrechtbank, in zijn vonnis tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling moet bepalen of de veroordeelde tijdens de voorwaarde- lijke invrijheidstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten. Als de veroordeelde dat mag, moet de strafuitvoeringsrechter eveneens in zijn vonnis de maximumperiode bepalen voor dewelke de veroordeelde dat kan, de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. In geval van terroris- tische misdrijven of in het geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, wordt voorzien dat de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig pa- ragraaf 3 gegeven toestemming om het grondgebied te verlaten met bijzondere redenen moet omkleden. Art. 68 Naar aanleiding van de wijziging van de definitie van penitentiair verlof in artikel 6, wordt artikel 43, § 3, gewijzigd om te bepalen dat de duur van het penitentiair verlof dat de strafuitvoeringsrechter kan toekennen in geval van elektronisch toezicht of beperkte detentie, niet minder mag zijn dan viermaal (in plaats van driemaal) zesendertig uur per trimester. Art. 69 Aan artikel 60 wordt een lid toegevoegd om ervoor te zorgen dat de beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering genomen door de strafuitvoeringsrechter (dus aan ver- oordeelden met een straftotaal tot en met 3 jaar) in alle gevallen uiterlijk 20 dagen na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis leidt tot een einde van de strafuit- voering. Deze uiterste datum van uitvoerbaarheid wordt dus niet, zoals het geval is (en blijft) bij de veroordeel- den boven de 3 jaar, beperkt tot de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. Ook voor de andere veroordeelden zonder recht op verblijf (die misschien niet onmiddellijk verwij- derbaar zijn) moet de uitvoering van het vonnis (en dus de vrijstelling uit de gevangenis) voorrang krijgen op de wens of mogelijkheid tot rechtstreekse repatriëring vanuit de gevangenis. Dit zal maken dat de continuïteit Art. 67 Deux paragraphes sont ajoutés à l’article 40 pour prévoir, comme c’est le cas pour l’octroi des modalités d’exécution par le tribunal de l’application des peines, que le juge de l’application des peines doit déterminer, dans son jugement d’octroi d’une libération conditionnelle, si le condamné peut quitter la Belgique ou non pendant la libération conditionnelle. Si c’est le cas, il doit également déterminer la période maximale pendant laquelle il peut le faire, à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. Il est également prévu qu’en cas d’infractions terroristes ou en cas d’éléments concrets d’extrémisme violent l’auto- risation donnée par le juge de l’application des peines conformément au paragraphe 3 de quitter le territoire du Royaume doit faire l’objet d’une motivation spéciale. Art. 68 Suite à la modification de la définition des congés pénitentiaires contenue à l’article 6, l’article 43, § 3 est adapté, pour prévoir que la durée du congé pénitentiaire que le juge de l’application des peines peut octroyer en cas de surveillance électronique ou détention limitée ne peut être inférieure à quatre fois (au lieu de trois fois) trente-six heures par trimestre. Art. 69 Un alinéa est ajouté à l’article 60 pour garantir que la décision d’accorder la liberté provisoire en vue de l’éloignement prise par le juge de l’application des peines (c’est-à-dire pour les condamnés à un total de peines jusque 3 ans inclus) mène, dans tous les cas, à la fin de l’exécution des peines au plus tard le 20 jours après le jugement soit passé en force de chose jugée. Cette date limite d’exécution n’est donc pas limitée, comme c’est (et reste) le cas pour les condamnés de plus de 3 ans, aux condamnés qui font l’objet d’un arrêté royal d’expulsion exécutoire, d’un arrêté ministériel de renvoi exécutoire ou d’un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d’éloignement effectif. Pour les autres condamnés sans droit au séjour (qui peuvent ne pas être immédiatement éloignables), l’exécution du jugement (et donc la sortie de prison) doit primer sur le souhait ou la possibilité d’un rapatriement direct à partir de la prison. Cela signifiera que la continuité avec la situation existante (selon laquelle, sur la base de la circulaire actuelle sur la libération provisoire, les 2774/001 DOC 55 66 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E met de bestaande situatie (waarbij op basis van de huidige omzendbrief inzake de voorlopige invrijheidstel- ling de vreemdelingen zonder recht op verblijf slechts tot maximum 10 dagen na de toelaatbaarheidsdatum van de voorlopige invrijheidstelling in detentie kunnen blijven) het minst wordt aangetast. Of de veroordeelde na die vrijstelling aansluitend gerepatrieerd wordt, in een gesloten centrum van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt opgesloten dan wel een eenvoudig bevel om het grondgebied te verlaten krijgt afgeleverd, is een beslis- sing van de Dienst Vreemdelingezaken, maar de keuze en/of mogelijkheid van de ene of de andere piste recht- vaardigt voor deze categorie veroordeelden niet dat de betrokkene langer opgesloten blijft in een gevangenis. Sowieso geldt als algemene voorwaarde bij de beslis- sing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering de verplichting voor de veroordeelde om het grondgebied effectief te verlaten. Deze verplichting was in de wet externe rechtspositie niet voorzien voor veroordeelden met straftotaal tot en met drie jaar en wordt via artikel 66 van dit wetsontwerp inge- voegd. In geval van niet-naleving van deze voorwaarde kan de strafuitvoeringsrechter bovendien de toegekende voorlopige invrijheidstelling steeds herroepen. Om de Dienst Vreemdelingenzaken echter de tijd te geven een beslissing te nemen en zich te organiseren, wordt bepaald dat de vrijstelling van een vreemdeling zonder recht op verblijf, categorie tot en met 3 jaar, uit- voerbaar wordt van zodra de Dienst Vreemdelingenzaken betrokkene “overneemt” (in de ruime betekenis van het woord, dit kan dus ook het louter afleveren zijn van een bevel om het grondgebied te verlaten) en dit ten laatste twintig dagen nadat het vonnis van de strafuitvoerings- rechter in kracht van gewijsde trad. In de praktijk betekent dit een termijn van 25 dagen vanaf het vonnis. Indien er niets gebeurt, gaat de betrokkene vrij op dag 26. Bovendien is het belangrijk om mee te geven dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet pas vanaf het vonnis tot toekenning van de voorlopige invrijheidstelling wordt ingelicht, maar ook al veel vroeger in de procedure, zodat men het dossier kan voorbereiden. Zo wordt de Dienst Vreemdelingenzaken geïnformeerd van de op- sluiting van elke vreemdeling en zal voorzien worden in de instructies naar de gevangenissen dat de gevan- genisdirectie de Dienst Vreemdelingenzaken dient te informeren zodra de veroordeelde een aanvraag voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijde- ring heeft geformuleerd. En tot slot, zal de directeur na ontvangst van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter uiteraard onmiddellijk de Dienst Vreemdelingenzaken informeren, zoals nu reeds het geval is. étrangers sans droit de séjour ne peuvent rester en détention que pendant un maximum de 10 jours après la date d’admissibilité à la libération provisoire) sera la moins touchée. Que le condamné soit rapatrié après sa libération, incarcéré dans un centre fermé de l’Office des Etrangers ou qu’il reçoive un simple ordre de quitter le territoire, est une décision de l’Office des Etrangers, mais le choix et/ou la possibilité de l’une ou l’autre piste ne justifie pas, pour cette catégorie de condamnés, que l’intéressé rester incarcéré plus longtemps en prison. En tout état de cause, la décision d’octroi d’une libé- ration provisoire en vue le d’éloignement est assortie de la condition générale de l’obligation pour le condamné de quitter effectivement le territoire. Cette obligation n’était pas prévue dans la loi relative au statut juridique externe pour les condamnés avec un total de peines jusqu’à 3 ans inclus et est ajoutée via l’article 66 de ce projet de loi. En cas de non-respect de cette condition, le juge de l’application des peines peut toujours révoquer la libération provisoire qui a été octroyée. Toutefois, afin de laisser à l’Office des Etrangers le temps de se prononcer et de s’organiser, il est précisé que la libération d’un étranger sans droit au séjour, caté- gorie jusqu’à 3 ans inclus, devient exécutoire dès que l’Office des Etrangers “prend en charge” la personne concernée (au sens large du terme, cela peut donc aussi être la simple délivrance d’un ordre de quitter le territoire) et ce au plus tard vingt jours après que le jugement du juge de l’application des peines soit devenu définitif. En pratique, cela signifie un délai de 25 jours à compter du jugement. Si rien ne se passe, l’intéressé est libéré le 26ème jour. En outre, il est important de souligner que l’Office des Etrangers n’est pas seulement informé à partir du juge- ment de libération provisoire, mais aussi déjà beaucoup plus tôt dans la procédure, afin que le dossier puisse être préparé. C’est ainsi que l’Office des Etrangers sera informé de l’incarcération de chaque étranger et il sera prévu dans les instructions aux prisons que la direction de la prison doit informer l’Office des Etrangers dès que le condamné a formulé une demande de libération provisoire en vue de l’éloignement. Enfin, lorsque le directeur a reçu le jugement de juge de l’application des peines, il en informera immédiatement l’Office des Etrangers, comme c’est déjà le cas actuellement. 67 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Omdat de bepaling inzake de veroordeelden met een straftotaal boven de 3 jaar niet wordt aangepast, diende ook het vierde lid van artikel 60 te worden aangepast om het toepassingsgebied te beperken tot deze categorie. Daartoe werd verduidelijkt dat het gaat om de vonnissen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van de strafuitvoeringsrechtbank. Art. 70 Aan artikel 65 wordt toegevoegd dat de strafuitvoe- ringsrechter of –rechtbank, in geval van herroeping van een strafuitvoeringsmodaliteit, aan de veroordeelde een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen, mits akkoord van de veroordeelde. De wet voorziet nu in de mogelijkheid om een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen in het kader van de herziening (artikel 67). In de praktijk levert dit echter veel problemen op: de gevolgen van die beslissing (wat betreft het lot van de proeftijd, het ingaan van de nieuwe modaliteit, …) werden immers niet geregeld in de wet. De praktijken verschillen van de ene strafuitvoeringsrechtbank tot de andere. Door te bepalen dat de strafuitvoeringsrechter of –rechtbank de modaliteit eerst herroept en vervolgens in dat kader kan beslissen om onmiddellijk een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, wordt meer rechtszekerheid gecreëerd. Art. 71 In artikel 66 worden twee wijzigingen aangebracht. Paragraaf 2/1 wordt aangepast naar aanleiding van het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof. In het kader van die procedure voor het Grondwettelijk hof verzochten de verzoekende partijen om de ver- nietiging van de artikelen 148, 153 en 163 van de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie. Die artikelen voegden een aantal bepalingen toe aan de wet betreffende de externe rechtspositie waar- mee veroordeelden die, op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken, niet waren toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk, op absolute wijze werden uitgesloten van strafuitvoeringsmodalitei- ten (behalve van de occasionele uitgaansvergunning). Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het door die be- palingen ingevoerde verschil in behandeling onder de tot een vrijheidsstraf veroordeelde personen, op grond van hun verblijfsstatuut, niet redelijk verantwoord was en onredelijke gevolgen had ten aanzien van een aantal Étant donné que la disposition relative aux condamnés à un total de peines de plus de 3 ans n’est pas modi- fiées, le quatrième alinéa de l’article 60 a également dû être modifié pour limiter le champ d’application à cette catégorie. À cette fin, il a été précisé qu’il s’agit des jugements du tribunal de l’application des peines d’octroi d’une libération provisoire en vue de l’éloignement. Art. 70 Il est rajouté à l’article 65 qu’en cas de révocation d’une modalité d’exécution de la peine, le juge ou le tribunal de l’application des peines peut, moyennant l’accord du condamné, lui octroyer une autre modalité d’exécu- tion de la peine. La loi prévoit maintenant la possibilité d’octroyer une autre modalité d’exécution dans le cadre de la révision (article 67). Cela pose toutefois beaucoup de problèmes dans la pratique, les conséquences de cette décision (quant au sort du délai d’épreuve, quant à la prise de cours de la nouvelle modalité, …) n’étant pas réglée dans la loi. Les pratiques diffèrent d’un tribunal de l’application des peines à l’autre. Le fait de prévoir que le juge ou le tribunal révoque d’abord et puis qu’il peut, dans ce cadre, immédiatement octroyer une autre modalité d’exécution de la peine, crée plus de sécurité juridique. Art. 71 Deux modifications sont apportées à l’article 66. Le paragraphe 2/1 est adapté suite à l’arrêt n° 148/2017 du 21 décembre 2017 de la Cour consti tutionnelle. Dans le cadre de cette procédure devant la Cour consti- tutionnelle, les requérants ont demandé l’annulation des articles 148, 153 et 163 de la loi du 5 février 2016 modi- fiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des dispositions diverses en matière de justice. Ces articles ajoutaient un certain nombre de dispositions à la loi relative au statut juridique externe en vertu desquelles les personnes condamnées qui, sur base d’un avis de l’Office des Étrangers, n’ont pas été autorisées ou habilitées à séjourner dans le Royaume, étaient absolu- ment exclues des modalités d’exécution de la peine (à l’exception des permissions de sorties occasionnelles). La Cour Constitutionnelle a jugé que la différence de traitement introduite par ces dispositions entre les per- sonnes condamnées à une peine privative de liberté, sur la base de leur statut de séjour, n’était pas raisonnable- ment justifiée et avait des conséquences déraisonnables 2774/001 DOC 55 68 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E fundamentele grondrechten. De aangevoerde artikelen werden aldus vernietigd. Ook artikel 167 van de wet van 5 februari 2016 voeg- de aan artikel 66 van de wet betreffende de externe rechtspositie een § 2/1 toe, waarmee bepaald werd dat de strafuitvoeringsrechter of – rechtbank in geval van schorsing van een strafuitvoeringsmodaliteit, een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof kan toeken- nen, tenzij er op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet is toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk. Verzoekende partijen vroegen niet om de vernietiging van dat artikel 167. Aangezien het Grondwettelijk Hof evenwel alle analoge bepalingen vernietigde, betreft het eerder een vergetelheid dat artikel 167 niet werd vernietigd. Die vergetelheid wordt nu rechtgezet. In paragraaf 3 wordt verduidelijkt dat wanneer de strafuitvoeringsrechter of –rechtbank de modaliteit her- roept na een schorsing van die modaliteit, de rechter of -rechtbank ook een andere modaliteit kan toekennen zoals voorzien in de nieuwe versie van artikel 65. Art. 72 In artikel 67 wordt de mogelijkheid voor de strafuitvoe- ringsrechter of –rechtbank om een andere strafuitvoerings- modaliteit toe te kennen in het kader van de herziening van een strafuitvoeringsmodaliteit, opgeheven, zoals uitgelegd in de toelichting bij de wijziging van artikel 65. Art. 73 In artikel 95/18, § 2, eerste lid, wordt een louter tech- nische wijziging aangebracht. De daarin opgenomen kruisverwijzing naar o.m. het achtste en negende lid van artikel 53 van de wet, moest worden aangepast. Door de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten tot aanpassing van de procedure voor de strafuitvoeringsrechter voor de vrij- heidsstraffen van drie jaar of minder, werd het vijfde lid van artikel 53 opgeheven en werd een zevende t.e.m. elfde lid toegevoegd. De kruisverwijzing dient dus te slaan op het tiende en elfde (in plaats van op het achtste en negende) lid van artikel 53. au regard d’un certain nombre de droits fondamentaux. Les articles mentionnés ont donc été annulés. De même, l’article 167 de la loi du 5 février 2016 a ajouté un § 2/1 à l’article 66 de la loi sur le statut juri- dique externe qui prévoyait que le juge ou le tribunal de l’application des peines pouvaient accorder une permission de sortie ou un congé pénitentiaire en cas de suspension sauf s’il ressortait d’un avis de l’Office des Étrangers que la personne condamnée n’était pas autorisée ou habilitée à séjourner dans le Royaume. Les requérants n’ont pas demandé l’annulation de cet article 167. Toutefois, étant donné que la Cour constitu- tionnelle a annulé toutes les dispositions analogues, le fait que l’article 167 n’ait pas été annulé résulte d’une omission. Cette omission est à présent rectifiée. Par ailleurs, il est précisé au paragraphe 3 que, si, suite à la suspension d’une modalité d’exécution de la peine, le juge ou le tribunal de l’application des peines révoque la modalité, il peut octroyer une autre modalité, comme prévu par la nouvelle version de l’article 65. Art. 72 À l’article 67, la possibilité pour le juge ou le tribunal de l’application des peines d’accorder une autre modalité d’exécution de la peine dans le cadre de la révision est supprimée, comme expliqué dans la justification de la modification de l’article 65. Art. 73 Dans l’article 95/18, § 2, alinéa 1er, une modification purement technique est faite. Une référence croisée y est faite à, entre autre, l’article 53, alinéas 8 et 9. Par la loi du 5 mai 2019 modifiant la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine en vue d’adapter la procédure devant le juge de l’application des peines en ce qui concerne les peines privatives de liberté de trois ans ou moins, l’alinéa 5 de l’article 53 a été abrogé et des alinéas 7 à 11 ont été rajoutés. La référence croisée doit donc renvoyer aux alinéas 10 et 11 (au lieu de 8 et 9) de l’article 53. 69 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 13 Wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens Art. 74 Artikel 19,1° van de wapenwet verbiedt de verkoop of het te koop aanbieden van wapens aan particulieren. Er wordt vastgesteld dat steeds meer particulieren wapens kopen op websites in het buitenland en deze per postpakket of koerierdienst laten bezorgen. Deze praktijk omzeilt de wet en brengt de openbare veilig- heid in gevaar. Daarom is het passend om niet alleen de verkoop via postorder of internet, maar ook de aankoop en overdracht te verbieden. HOOFDSTUK 14 Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 75 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in de programmawet (I) van 29 maart 2012, moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Art. 76 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Art. 77 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. CHAPITRE 13 Modification de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes du 8 juin 2006 Art. 74 L’article 19, 1° de la loi sur les armes interdit de vendre ou d’offrir en vente des armes à des particuliers. On a constaté que de plus en plus de particuliers achètent des armes sur des sites internet à l’étranger et qu’il se font livrer celles-ci par colis postal ou courrier express. Cette pratique contourne la loi et met en danger la sécurité publique. Il convient dès lors d’interdire non seulement la vente par correspondance ou internet mais également l’achat et la cession. CHAPITRE 14 Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 75 La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi- programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. Art. 76 La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi- programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. Art. 77 La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi- programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. 2774/001 DOC 55 70 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 78 De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. HOOFDSTUK 15 Wijziging van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Art. 79 Dit artikel vervangt de regeling van artikel 12 van de wet van 18 oktober 2017 dat door het Grondwettelijk Hof bij arrest 39/2020 van 12 maart 2020 werd vernietigd (S. CAREEL, “Strafrechtelijk ontruimingsbevel onder de krakerswet ongrondwettig”, NJW, nr. 422, p. 20 mei 2020, 408-409; L.-O. HENROTTE en J. ANCIA, “Loi ”anti- squat” du 18 octobre 2017 partiellement annulée par l’arrêt du 12 mars 2020 de la Cour constitutionnelle”, For. Immo. 2020, nr. 34, 2-3; T. VANDROMME, “Krakerswet gaat gedeeltelijk op de schop”, Juristenkrant, nr. 406, 25 maart 2020, p. 1-2.). Het wetsontwerp beoogt tegemoet te komen aan het voormeld vernietigingsarrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof. In het ontworpen artikel 12 wordt voorzien dat een bevel tot ontruiming kan worden uitgevaardigd, ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen, door de procureur des Konings, na machtiging door de onderzoeksrechter, in het kader van een opsporings- onderzoek met betrekking tot de misdrijven voorzien in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek. De samenhang tussen de strafklacht en de procedure van het bevel tot ontruiming wordt aldus behouden. Er moet worden vanuit gegaan dat de feiten niet bij de onderzoeksrechter moeten zijn aangebracht via een klacht met burgerlijke partijstelling. Het bevel tot ontruiming dient gekoppeld te zijn aan de gewone strafklacht. Deze bevoegdheid die wordt toegekend aan de onderzoeksrechter, staat los van enig gerechtelijk onderzoek. De vatting van de onderzoeksrechter beperkt zich tot het al dan niet verlenen van een machtiging om het bevel tot ontruiming uit te vaardigen en de onderzoeksrechter Art. 78 La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi- programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. CHAPITRE 15 Modification de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui Art. 79 Cet article remplace le régime de l’article 12 de la loi du 18 octobre 20171, qui avait été annulé par la Cour constitutionnelle dans son arrêt 39/2020 du 12 mars 2020 (S. CAREEL, “Strafrechtelijk ontruimingsbevel onder de krakerswet ongrondwettig”, NJW, n° 422, 20 mai 2020, p. 408-409; L.-O. HENROTTE en J. ANCIA, “Loi ”anti- squat” du 18 octobre 2017 partiellement annulée par l’arrêt du 12 mars 2020 de la Cour constitutionnelle”, For. Immo. 2020, n° 34, p. 2-3; T. VANDROMME, “Krakerswet gaat gedeeltelijk op de schop”, Juristenkrant, n° 406, 25 mars 2020, p. 1-2.). Le projet de loi vise à répondre à cet arrêt d’annula- tion n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle. Dans l’article 12 en projet, il est prévu qu’une ordon- nance d’évacuation peut être prise à l’égard des per- sonnes trouvées dans le bien par le procureur du Roi, après autorisation par le juge d’instruction, dans le cadre d’une information portant sur les infractions prévues à l’article 442/1, § 1er, du Code pénal. L’articulation entre la plainte et la procédure relative à l’ordonnance d’éva- cuation est donc maintenue. On doit partir du principe que les faits ne doivent pas être portés devant le juge d’instruction par le biais d’une plainte avec constitution de partie civile. L’ordonnance d’évacuation doit être liée à la plainte pénale ordinaire. Cette compétence attribuée au juge d’instruction est indépendante de toute instruction. La saisine du juge d’instruction se limite à l’octroi ou non d’une autorisation de prendre l’ordonnance d’éva- cuation. Le juge d’instruction n’est donc pas saisi pour 71 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wordt derhalve niet gevat om verder onderzoek te voeren naar het kraakmisdrijf nadat hij machtiging heeft gegeven aan de procureur des Konings. Voor de onderzoeksrechter zal derhalve hier sprake zijn van een novum. Hij zal immers geroepen worden om de tussenkomst van zijn ambt te verlenen bij het verlenen van een machtiging tot ontruiming. De onderzoeksrechter is de geschikte rechterlij- ke overheid om snel en vlot op te treden in een pro- cedure met een strafrechtelijke finaliteit. De Raad van State is, met verwijzing naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 39/2020 en haar eerder gewezen advies nr. 67 381/1 op het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrecht- matig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, dieper ingegaan op de vereiste van een onafhankelijke en onpartijdige rechter en heeft geen bezwaren geformuleerd tegen de tussenkomst van de onderzoeksrechter m.o.o. het verlenen van de machtiging m.o.o. het bevel tot ontruiming. In de ontwerptekst wordt voorzien dat de procureur des Konings hiertoe een met redenen omkleed verzoek richt aan de onderzoeksrechter dat minstens een aantal gegevens bevat zoals de identificatie van het betrokken goed dat het voorwerp is van de machtiging tot ontruiming en alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is. In antwoord op de opmerking van de Raad van State (advies nr. 71 320/1- 2-3-4) kan worden verduidelijkt dat de documenten en inlichtingen die aan de onderzoeksrechter worden voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te worden bekeken. Dit kan de betrokken personen betref- fen tegen wie een ontruiming wordt beoogd indien dit gekend is. Dit kunnen de personen zijn die in het goed worden aangetroffen. Dit kan door de eigenaar of elke burger worden aangegeven. Dit kan worden vastgesteld na aangifte door de politiediensten. In de ontwerptekst wordt uitdrukkelijk bepaald dat de identiteit van de be- zetters van het niet-bewoonde goed, voor zover deze achterhaald kan worden, in het verzoek moet worden opgenomen (artikel 12, § 1, tweede lid, 3° in ontwerp). De procureur de Konings vermeldt de omstandigheden die het bevel tot ontruiming rechtvaardigen. Om willekeur te vermijden en eenheid te waarborgen, wordt voorzien dat de onderzoeksrechter daadwerkelijk waakt over de grondrechten van de betrokken perso- nen. De onderzoeksrechter dient daarom de wettigheid en de proportionaliteit van de maatregel af te wegen ten aanzien van de feiten. Teneinde te beantwoorden aan de opmerking van de Raad van State wordt in het mener une enquête plus approfondie sur l’infraction de squat après avoir donné l’autorisation au procureur du Roi. Pour le juge d’instruction, il sera dès lors question ici d’une compétence nouvelle. Il sera en effet appelé à accorder l’intervention de son office lors la délivrance d’une autorisation d’évacuation. Le juge d’instruction est l’autorité judiciaire compétente pour agir rapidement et sans heurts dans une procédure à finalité pénale. Le Conseil d’État, se référant à l’arrêt de la Cour constitutionnelle n° 39/2020 et à son avis antérieur n° 67 381/1 sur le projet de loi modifiant la loi du 18 octobre 2017 relative à l’entrée, l’occupation ou le séjour irréguliers chez autrui des biens, précise l’exigence d’un juge indépendant et impartial et n’a pas formuler d’objections à l’intervention du juge d’instruction accordant l’autorisation pour l’ordre d’expulsion. Il est prévu dans le texte en projet que le procureur du Roi adresse à cet effet au juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins un nombre de données, comme l’identification du bien concerné qui fait l’objet de l’autorisation d’évacuation et tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire. En réponse à la remarque du Conseil d’État (avis n° 71 320/1-2-3-4) il peut être précisé que les pièces et informations transmises au juge d’instruction sont destinées à étayer la demande du procureur du Roi; ceux-ci doivent être examinés au cas par cas. Cela peut concerner les personnes concer- nées contre lesquelles une expulsion est envisagée, si cela est connu. Ceux-ci peuvent être les personnes trouvées dans le bien. Cela peut être déclaré par le propriétaire ou tout citoyen. Cela peut être déterminé après rapport des services de police. Le texte en projet précise expressément que l’identité des occupants de la propriété inhabitée, dans la mesure où elle peut être identifiée, doit figurer dans la demande (article 12, § 1, alinéa 2, 3° en projet). Le procureur du Roi mentionne les circonstances susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Afin d’éviter l’arbitraire et d’assurer l’unité, il est prévu que le juge d’instruction contrôle effectivement les droits fondamentaux des personnes concernées. Le juge d’instruction doit donc apprécier la légalité et la proportionnalité de la mesure au regard des faits. Afin de répondre à la remarque du Conseil d’État il est prévu dans le projet de loi qu’il entend les personnes qui se 2774/001 DOC 55 72 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wetsontwerp voorzien dat hij de personen die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, hoort, tenzij dit wegens de concrete om- standigheden van de zaak niet mogelijk is. Teneinde dit haalbaar te maken wordt de termijn van 48 uur voor het verlenen van de machtiging door de onderzoeksrechter opgetrokken naar 72uur. Op die manier is de machtiging meer dan een louter formeel nazicht maar minder verre- gaand als de beoordeling van een onderzoeksmaatregel tijdens een gerechtelijk onderzoek. Er wordt voorzien dat de onderzoeksrechter het verzoek kan afwijzen als het kennelijk ongegrond is. Deze specifieke bevoegdheid voor de onderzoeks- rechter staat naast de bevoegdheden die voortvloeien uit het Wetboek van Strafvordering. De terugkeer naar de logica dat het de procureur des Konings is die het bevel uitvaardigt, mits machtiging van de onderzoeks- rechter, en dus onder toezicht van een onafhankelijke en onpartijdige rechter, zorgt er ook voor dat de vraag naar de juiste beroepsinstantie wordt opgelost en dat dit de vrederechter kan blijven. Indien de onderzoeksrechter de machtiging aflevert, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontrui- ming uit. Zijn beslissing, met redenen omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld, houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving van het bevel tot ont- ruiming aan de in het goed aangetroffen personen. In antwoord op de opmerking van de Raad van State moet worden onderlijnd dat het bevel tot ontruiming dat wordt genomen mits machtiging van de onderzoeksrechter, zal gesteund zijn op de motivering voor die machtiging. Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaande uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd. Aangezien het bevel van de procureur des Konings een dwangmaatregel is, moet het geschrift een aantal bepalingen bevatten. Het is immers opportuun dat de bestemmelingen van deze maatregel op een vol- doende volledige manier geïnformeerd worden over de beroepsmogelijkheden tegen het bevel en van de strafrechtelijke risico’s die men loopt wanneer men het bevel niet respecteert. Dit bevel moet ook op een doeltreffende manier be- kend gemaakt en gecommuniceerd worden. Er wordt voorzien dat het bevel de vermelding moet bevatten van het adres van het goed dat er het voorwerp van uitmaakt. Het voorziet in een bijkomende manier van kennisgeving: op het moment van aanplakking van het trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance d’évacuation est visé, sauf si cela n’est pas possible en raison de l’affaire. Afin de rendre cela possible, le délai de 48 heures pour accorder l’autorisation par le juge d’instruction a été porté à 72 heures. De cette manière, l’autorisation est plus qu’une vérification purement for- melle, mais va moins loin que l’évaluation d’une mesure d’enquête au cours d’une instruction. Il est prévu que le juge d’instruction peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Cette compétence spécifique du juge d’instruction est distincte des compétences qui découlent du Code d’instruction criminelle. Grâce au retour à la logique selon laquelle c’est le procureur du Roi qui prend l’ordonnance moyennant l’autorisation du juge d’instruction, c’est-à- dire sous le contrôle d’un juge indépendant et impartial, la question de savoir quelle est l’instance de recours compétente est également résolue: c’est le juge de paix qui reste compétent en l’espèce. Si le juge d’instruction l’y autorise, le procureur du Roi prend l’ordonnance d’évacuation. Sa décision, motivée et respectant la présomption d’innocence, implique l’évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification de l’ordonnance d’évacuation faite aux personnes qui se trouvent dans le bien. En réponse à la remarque du Conseil d’État,il convient de souligner que l’arrêté d’expulsion pris sous réserve d’autorisation du juge d’instruction, sera fondé sur le motif de cette autorisation. Un procès-verbal de notification, constitué d’une copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de la notification, est dressé et joint au dossier. Étant donné que l’ordonnance du procureur du Roi est une mesure contraignante, l’écrit doit comporter plusieurs mentions. Il est en effet opportun que les destinataires de cette mesure soient informés de manière suffisam- ment complète quant aux possibilités de recours contre l’ordonnance et aux risques encourus sur le plan pénal en cas de non-respect de l’ordonnance. Celle-ci doit également être notifiée et communiquée de manière efficace. Il est prévu que l’ordonnance doit faire mention de l’adresse du bien qui en fait l’objet. Une modalité supplémentaire de notification est pré- vue: au moment de l’affichage de l’ordonnance, une copie de celle-ci doit être remise à quiconque se trouve 73 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bevel moet een afschrift ervan worden overhandigd aan wie zich in het te ontruimen goed bevindt. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten ge- schaad worden door het bevel van de onderzoeksrechter kan zich verzetten tegen het bevel bij de vrederechter binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel. Het beroep heeft schorsende werking. Dat het bevel tot ontruiming niet kan worden uitgevoerd terwijl de termijn om beroep in te stellen nog loopt, wordt uitdrukkelijk in de ontwerptekst opgenomen. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. De procedure voor de vrederechter heeft een tegen- sprekelijk karakter. Deze procedure is voor wat de vastlegging van de zitting en de oproeping van de partijen betreft te ver- gelijken met deze die is voorgeschreven door de wet van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen volgend op de neerlegging van het verzoekschrift. Er wordt ook voorzien dat de vrederechter zich bin- nen een termijn van tien dagen volgend op de zitting moet uitspreken. De vrederechter kan omwille van uitzonderlijke, ern- stige omstandigheden een langere termijn bepalen dan voorzien in het bevel van de procureur des Konings, zonder dat deze termijn meer dan één maand mag bedragen wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechts- persoon. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen. Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger beroep worden ingesteld. dans le bien à évacuer. Une copie de l’ordonnance est communiquée par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d’action sociale compétent. Toute personne qui considère que ses droits sont lésés par l’ordonnance du juge d’instruction peut former un recours contre l’ordonnance auprès du juge de paix dans les huit jours de la notification de l’ordonnance. Le recours est suspensif. Le fait que l’ordonnance d’éva- cuation ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours est expressément mentionné dans le texte en projet. Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l’expulsion et sur le droit ou le titre invoqué. La procédure devant le juge de paix a un caractère contradictoire. Cette procédure s’apparente à la procédure prescrite par la loi du 15 mai 2012 relative à l’interdiction tempo- raire de résidence en cas de violence domestique en ce qui concerne tant la fixation de l’audience que la convocation des parties. L’audience a lieu dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Il est également prévu que le juge de paix doit se prononcer dans un délai de dix jours suivant l’audience. Dans des circonstances graves exceptionnelles, le juge de paix peut fixer un délai plus long que le délai fixé par le procureur du Roi dans son ordonnance, sans que ce délai puisse excéder un mois lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois. La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun recours. 2774/001 DOC 55 74 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 16 Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Art. 80 Dit artikel strekt ertoe artikel 5, § 1, eerste lid van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het pe- nitentiair personeel te wijzigen om de installatie van de penitentiaire beleidsraad niet langer te verbinden aan de benoeming van een nieuwe minister aangezien dit de continuïteit van de activiteiten van de penitentiaire beleidsraad in gevaar zou kunnen brengen. De voorgestelde wijziging van het eerste lid van de tweede paragraaf van voormelde bepaling beoogt de procedure tot aanduiding van de leden van de peniten- tiaire beleidsraad te vereenvoudigen. In 3°, 4°, 5° en 6° wordt niet meer vereist dat iedere orde voor elke functie een lijst van 3 kandidaten per taalrol voorstelt. Het is namelijk enerzijds niet zo van- zelfsprekend om 3 kandidaten per taalrol te vinden, en anderzijds lijkt het raadzaam om de keuze van de meest geschikte kandidaat voor deze opdracht over te laten aan de betrokken orde. Door de minister te betrekken in het systeem van aan- duiding ontstaat bovendien een niet gewenste politieke inmenging in de penitentiaire beleidsraad. Met de in 8° voorgestelde wijziging wordt voorzien dat de vertegenwoordiger van de gefedereerde entiteiten voortaan zal worden aangewezen op respectieve voor- dracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de ge- detineerden teneinde elke inmenging in de afvaardiging vanuit een ander bestuursniveau te vermijden. De voorgestelde wijziging in het derde lid van de tweede paragraaf verduidelijkt de duur van het mandaat en voorziet in de hernieuwing van het mandaat van de aangeduide leden. Art. 81 Het ontwerp van artikel beoogt te voorzien dat de regels inzake de modaliteiten van voorstelling van de kandidaturen en de aanwijzing van de leden van de penitentiaire beleidsraad worden bepaald bij koninklijk besluit. CHAPITRE 16 Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Art. 80 Cet article vise à modifier l’article 5, premier para- graphe, alinéa 1, de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire, afin de ne plus lier la mise en place du Conseil pénitentiaire à l’entrée en fonction d’un nouveau ministre car cela pourrait mettre en péril la continuité des activités du Conseil pénitentiaire. Il est proposé de modifier l’alinéa 1er du deuxième paragraphe de la disposition susmentionnée afin de simplifier le processus de désignation des membres du Conseil pénitentiaire. Aux 3°, 4°, 5° et 6°, il est envisagé de ne plus requérir que chaque ordre propose une liste de 3 candidats par rôle linguistique pour chaque fonction. En effet, d’une part, il n’est pas aisé de trouver 3 candidats par rôle linguistique et d’autre part, il semble plus judicieux de laisser le choix du candidat le plus adéquat pour cette tâche à l’ordre en question. Par ailleurs, impliquer le ministre dans le système de désignation créé une interférence politique non souhaité dans le Conseil pénitentiaire. Au 8°, la modification proposée vise à prévoir que le représentant des entités fédérées sera, à présent, désigné sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d’aide sociale aux détenus afin d’éviter toute interférence d’un autre niveau administratif dans la délégation. La modification proposée à l’alinéa 3 du second paragraphe clarifie la durée du mandat et prévoit le renouvellement du mandat des membres désignés. Art. 81 L’article en projet vise à prévoir que les règles quant aux modalités de présentation des candidatures et de désignation des membres du Conseil pénitentiaires seront précisées dans un arrêté royal. 75 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Daarnaast voorziet de nieuwe bepaling dat de regels met betrekking tot de werking van de penitentiaire be- leidsraad, evenals deze met betrekking tot de vergoe- dingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad worden bepaald bij koninklijk besluit. HOOFDSTUK 17 Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek Art. 82 Deze bepaling heeft tot doel een louter technische wijziging aan te brengen in artikel 41sexies van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders door de verwijzing naar arti- kel 1240bis, zoals vervangen door de wet van 19 janua- ri 2022 houdende boek 2, titel 3, “Relatievermogensrecht” en boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamen- ten” van het Burgerlijk Wetboek, te vervangen door een verwijzing naar het artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De daarin vermelde verplichtingen moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de erflater beoogt. Op vraag van de Raad van State werd in de Nederlandse versie de voorgestelde wijziging onder artikel 82, 2°, geherformuleerd om taalkundige redenen. Art. 83 Zie de toelichting bij artikel 82. Eenzelfde technische wijziging wordt aangebracht in artikel 32quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrich- ting van het sociaal statuut der zelfstandigen. Op vraag van de Raad van State werd in de Nederlandse versie de voorgestelde wijziging onder artikel 83, 2°, geherformuleerd om taalkundige redenen. De même, la nouvelle disposition envisagée a pour objectif de prévoir que les règles relatives au fonctionne- ment du Conseil pénitentiaire ainsi que celles relatives aux rémunérations et de défraiement applicables aux membres du Conseil pénitentiaire seront précisées dans un arrêté royal. CHAPITRE 17 Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du Code civil Art. 82 Cette disposition vise à apporter une modifica- tion purement technique à l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 dé- cembre 1944 concernant la sécurité sociale des tra- vailleurs en remplaçant la référence à l’article 1240bis, tel que remplacé par la loi du 19 janvier 2022 portant le livre 2, titre 3, “Les relations patrimoniales des couples” et le livre 4 “Les successions, donations et testaments” du Code civil, par une référence à l’article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil. Les obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des avoirs du défunt. À la demande du Conseil d’État, la proposition de modification de l’article 82, 2° était reformulée dans la version néerlandaise pour des raisons linguistiques. Art. 83 Voir commentaire de l’article 82. Une modification technique similaire est apportée à l’article 32quater de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants. À la demande du Conseil d’État, la proposition de modification de l’article 83, 2° était reformulée dans la version néerlandaise pour des raisons linguistiques. 2774/001 DOC 55 76 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 18 Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen Art. 84 Dit artikel bekrachtigt het koninklijk besluit van 27 janu- ari 2022 betreffende de bijdrage in de werkings-, perso- neels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022 overeenkomstig artikel 19, § 1, zesde lid, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspe- len, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010 tot wijziging van de voormelde wet van 7 mei 1999, wat de Kansspelcommissie betreft. Dit besluit legt het bedrag van de retributies vast door deze houders verschuldigd voor het kalenderjaar 2022. De bijdragen zijn bedoeld om het fonds van de Kansspelcommissie ingeschreven in de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie te voeden en worden door de kansspelsector gestort om te dienen als bijdrage in de oprichtings-, werkings- en personeelskosten van de Kansspelcommissie. De bijdragen voor het kalenderjaar 2022 zijn de- zelfde als degene die voorzien werden voor het kalenderjaar 2021. Dit besluit beoogt in feite de aanvulling van het ko- ninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtings- kosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E. Op 26 januari 2022 heeft de Raad van State ad- vies nr. 70 628/4 uitgebracht over het wetsontwerp tot bevestiging van bovengenoemd koninklijk besluit. Onder verwijzing naar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof nr. 42/2018 van 29 maart 2018 tre kt de Raad van State de overdracht van een deel van de bedragen van het fonds van de Kansspelcommissie naar de schatkist in twijfel en is de Raad derhalve van mening dat een deel van de door de vergunninghouders betaalde bijdragen een belasting vormt. Zij concludeert dat de bedragen van de bijdragen te hoog zijn en niet redelijk zijn in verhouding tot de werkelijke exploitatie- kosten van de Kansspelcommissie Bijgevolg verzoekt de Raad van State om een globaal nieuw onderzoek van het Koninklijk Besluit. CHAPITRE 18 Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard. Art. 84 Cet article confirme l’arrêté royal du 27 janvier 2022 re- latif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022, conformément à l’article 19, § 1, alinéa 6, de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, modifié par la loi du 10 janvier 2010 modifiant la loi du 7 mai 1999 précitée, en ce qui concerne la Commission des jeux de hasard. Cet arrêté fixe le montant des rétributions dû par ces titulaires pour l’année civile 2022. Les contributions sont destinées à alimenter le fonds de la Commission des jeux de hasard inscrit au budget du Service Public Fédéral Justice et sont versées par le secteur des jeux de hasard afin de contribuer aux frais de création, de fonctionnement et de personnel de la Commission des jeux de hasard. Les contributions pour l’année civile 2022 sont les mêmes que celles qui étaient prévues pour l’année civile 2021. Cet arrêté tend en réalité à compléter l’arrêté royal du 22 décembre 2000 fixant la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, B, C et E. Le 26 janvier 2022, le Conseil d’État a rendu un avis n° 70 628/4 sur le projet de loi de confirmation de l’arrêté royal précité. Par renvoi à un arrêt de la Cour constitution- nelle n° 42/2018 du 29 mars 2018, le Conseil d’État remet en cause le transfert d’une partie des montants du fonds de la Commission des jeux de hasard vers le Trésor et estime dès lors qu’une partie des contributions payées par les titulaires de licences constituent un impôt. Il conclut que les montants des contributions sont trop élevés et ne sont pas raisonnables par rapport aux frais réels de fonctionnement de la Commission des jeux de hasard. Par conséquent, le Conseil d’État demande un réexamen global de l’arrêté royal. 77 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het volgende dient echter te worden opgemerkt: 1° Op 6 december 2021 werd bovengenoemd konink- lijk besluit van 27 januari 2022 aan de Raad van State voorgelegd voor advies binnen een termijn van 30 dagen. De termijn is op 5 januari 2022 verstreken. De Raad van State heeft wegens haar werklast echter geen advies uitgebracht. 2° het verzoek om advies over het bekrachtigings- wetsontwerp is op 6 december 2021 ingediend en de termijn voor het uitbrengen van het advies is op 5 janu- ari 2022 verstreken. Er zij dus op gewezen dat dit advies buiten de termijn werd gegeven. 3° de Raad van State verwijst naar een uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 29 maart 2018. In haar adviezen over de bekrachtigingswetten of de koninklijke besluiten betreffende de bijdragen voor de voorgaande kalenderjaren (2019, 2020 en 2021) heeft zij echter nooit naar deze uitspraak verwezen. Tot slot, de opmerking van de Raad van State is per- tinent. Dit is niet de eerste keer dat de overdracht van het fonds van de Kansspelcommissie naar de Schatkist wordt aangevochten. Maar het is op het niveau van de begrotingswet dat het probleem moet worden opgelost. HOOFDSTUK 19 Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de gevangenissen Art. 85 tot 88 In het licht van de huidige toestand van overbevolking in de gevangenissen en de vooruitzichten op dat vlak, is het noodzakelijk om de maatregel van vervroegde invrijheidstelling die met gewenst effect werd ingezet ter bestrijding van de coronacrisis, tijdelijk te behouden als instrument in de strijd tegen de overbevolking en dit tot 31 augustus 2023. Die datum kan door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit verlengd worden tot 31 december 2024. Deze maatregel wordt dus in eerste instantie voor- zien tot 31 augustus 2023, maar kan verlengd worden tot eind 2024. Tussen eind dit jaar en eind 2024 zal er immers definitieve detentiecapaciteit bijkomen. Een tussentijdse evaluatie tegen 31 augustus 2023 dringt zich evenwel op. Door de opening van de gevangenis van Haren (t.a.v. gevangenis Brussel nu) worden 106 bijkomende Il faut toutefois souligner les éléments suivants: 1° le 6 décembre 2021, l’arrêté royal du 27 jan- vier 2022 précité a été soumis à l’avis du Conseil d’État, dans un délai de 30 jours. Le délai expirait le 5 jan- vier 2022. Le Conseil d’État n’a cependant pas rendu d’avis en raison de sa charge de travail. 2° la demande d’avis sur le projet de loi de confirma- tion a été enrôlé le 6 décembre 2021 et le délai dans lequel l’avis devait être rendu expirait le 05/01/2022. Il faut dès lors constater que cet avis est rendu hors délai. 3° le Conseil d’État se réfère à un arrêt de la Cour constitutionnelle du 29 mars 2018. Or, il n’a jamais fait référence à cet arrêt dans les avis sur les lois de confirmation ou arrêtés royaux de contributions pour les années civiles précédentes (2019, 2020 et 2021). Enfin, la remarque du Conseil d’État est pertinente. Ce n’est pas la première fois que le transfert du montant du fonds de la Commission des jeux de hasard vers le Trésor est contesté. Mais c’est au niveau de la loi bud- gétaire qu’il convient de régler le problème. CHAPITRE 19 Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons Art. 85 à 88 Compte tenu de la situation actuelle de surpopulation dans les prisons et des perspectives à cet égard, il est nécessaire de conserver temporairement la mesure de libération anticipée qui avait été utilisée dans le but de lutter contre la crise du coronavirus en tant cette fois qu’instrument de lutte contre la surpopulation et ce, jusqu’au 31 août 2023. Cette date peut être prolongée par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, jusqu’au 31 décembre 2024. Cette mesure est donc prévue dans un premier temps jusqu’au 31 août 2023, mais peut être prolongée jusqu’au fin 2024. Entre la fin de cette année et la fin 2024, de la capacité permanente de détention sera ajoutée. Une évaluation à mi-parcours d’ici au 31 août 2023 s’impose toutefois. Avec l’ouverture de Haren, 106 places de détention supplémentaires seront créées (en comparaison avec la 2774/001 DOC 55 78 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E detentieplaatsen gecreëerd. De opening van de nieuwe gevangenis Dendermonde zal leiden tot 276 bijkomende plaatsen, wat een extra capaciteit van 384 plaatsen zal opleveren. Het verder operationeel houden van de oude gevan- genis te Dendermonde levert ook nog 100 plaatsen op want de verlenging van de levensduur van deze inrich- ting loopt tot eind 2027 waarna de nieuwe penitentiaire inrichting te Leopoldsburg operationeel zou moeten zijn, alsook deze te Vresse-sur-Semois. De inwerkingtreding van de wet externe rechtspositie op 1 juni 2022 zal voor gevolg hebben dat, veel meer dan vandaag het geval is, kortgestraften effectief zullen worden opgesloten. Het objectief van de regering is steeds geweest om deze in “alternatieve detentiecapaciteit” te herbergen buiten de bestande gevangenissen om, maar het creëren van die capaciteit vergt uiteraard tijd en zal bij aanvang niet “matchen” met de effecten van de inwerkingtreding van de wet waardoor bij aanvang een aantal kortgestraften nog niet in een detentiehuis terecht zullen kunnen. Maar tegen eind 2024 dienen er 720 plaatsen in detentiehuizen beschikbaar te zijn en zouden die effecten wel opgevangen kunnen worden. Vermits de realisatie van al deze plannen enige tijd vergt, zal de overbevolking en het daarmee gepaard gaande risico op inhumane detentieomstandigheden blijven bestaan of zelfs nog toenemen en dus is een flankerende maatregel zoals deze vervroegde invrijheid- stelling nodig om die periode te overbruggen. Bovendien heeft deze maatregel, die met identieke inhoud ook in de context van de pandemie werd gebruikt, aangetoond dat die nauwelijks of geen impact heeft op de maatschap- pelijke veiligheid omdat het aantal herroepingen ervan omwille van het plegen van nieuwe strafbare feiten, verwaarloosbaar was. De inhoud van de maatregel is identiek aan de maat- regel van de vervroegde invrijheidstelling “COVID-19. zoals die laatst bij de wet van 23 december 2021 tot invoering van het parket voor de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke orga- nisatie en justitie werd ingevoerd. Gelet op het feit dat huidige wet de autonome grond- slag vormt van de maatregel (zoals dit ook het geval was met de resp. wetten waarin de vervroegde invrij- heidstelling “COVID-19. was geregeld) is het ook nu nodig om voor de definitie van de gebruikte begrippen “directeur”, “veroordeelde” en “slachtoffer” te verwijzen naar de overeenkomstige definities van de wet externe rechtspositie. Dit gebeurt in het eerste artikel. prison actuelle de Bruxelles). L’ouverture de la nouvelle prison de Termonde entrainera la création de 276 places supplémentaires. Cela se traduira par une capacité supplémentaire de 384 places. Garder l’ancienne prison de Termonde opérationnelle offre également 100 places, car la prolongation de la durée de vie de cet établissement court jusqu’à fin 2027, après quoi le nouvel établissement pénitentiaire de Bourg-Léopold, ainsi que celui de Vresse-sur-Semois, devraient être opérationnels. L’entrée en vigueur de la loi relative au statut juridique externe le 1er juin 2022 signifiera que les condamnés à des courtes peines seront effectivement incarcérés, beaucoup plus que ce n’est le cas aujourd’hui. L’objectif du gouvernement a toujours été de les accueillir dans une “capacité de détention alternative” en dehors des prisons existantes, mais la création de cette capacité prend naturellement du temps et ne “correspondra” pas aux effets de l’entrée en vigueur de la loi, ce qui signifie qu’au début un certain nombre de condamnés à des courtes peines ne pourront pas se rendre dans une maison de détention. Mais d’ici la fin 2024, 720 places devraient être disponibles en maison de détention et ces effets devraient être absorbés. Étant donné que la réalisation de tous ces plans prend un certain temps, la surpopulation et le risque de conditions de détention inhumaines qui y est associé continueront d’exister ou même d’augmenter et une mesure d’accompagnement telle que cette libération anticipée est donc nécessaire pour combler cette période. Par ailleurs, cette mesure, qui a également été utilisée avec un contenu identique dans le contexte de la pan- démie, a montré qu’elle a peu ou pas d’impact sur la sécurité publique car le nombre de révocations dues à la commission de nouvelles infractions était négligeable. Le contenu de cette mesure est identique à la mesure de libération anticipée “COVID-19. qui a été introduite la dernière fois par la loi du 23 décembre 2021 introduisant le parquet de la sécurité routière et portant des dispo- sitions diverses en matière d’organisation judiciaire et de justice. Compte tenu que la loi actuelle constitue la base autonome de la mesure (comme ce fut le cas avec les différentes lois dans lesquelles la libération anticipée “COVID-19. a été réglée), il est également nécessaire de se référer aux définitions correspondantes de la loi sur le statut juridique externe pour la définition des termes “directeur”, “condamné” et “victime” utilisés. Ceci est fait dans le premier article. 79 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het tweede artikel stelt in paragraaf 1 de toekennings- voorwaarden en in paragraaf 2 de uitgesloten categorieën veroordeelden vast. Er werd een zuiver technische aan- passing aangebracht in de tweede paragraaf. Volgend op de inwerkingtreding van de wet van 21 maart 2022 hou- dende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, op 1 juni 2022, moeten de verwijzingen in paragraaf 2, derde gedachtestreepje, dienovereenkomstig worden aangepast. De vervroegde invrijheidstelling wordt toegekend vanaf zes maanden voor strafeinde. Om te vermijden dat veroordeelden met een gering uit- voerbaar gedeelte van de straf op basis van deze bepaling reeds vervroegd in vrijheid zouden gesteld worden nog vooraleer ze overeenkomstig de van toepassing zijnde ministeriële omzendbrief of de wet externe rechtspositie voorlopig of voorwaardelijk in vrijheid gesteld kunnen worden, is voorzien dat de veroordeelde slechts in aan- merking komt voor zover hij de toelaatbaarheidsdatum voorwaardelijke invrijheidstelling (bedoeld in artikel 25 van de wet externe rechtspositie) heeft bereikt. In tegenstelling tot de vervroegde invrijheidsstelling COVID-19 wordt de voorwaarde dat deze maatregel enkel van toepassing is op veroordeelden die hun straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaan niet hernomen. Hierdoor is deze maatregel ook van toe- passing op veroordeelden die elektronisch toezicht als strafuitvoeringsmodaliteit hebben toegekend gekregen. Deze categorie van veroordeelden ondergaat ook een vrijheidsstraf, zij het onder elektronisch toezicht. Het zou onrechtvaardig zijn om hen uit te sluiten van de vervroegde invrijheidstelling om de enkele reden dat zij zich niet langer in de gevangenis bevinden. Ingevolge het advies van de Raad van State  nr. 71 320/1-2-3-4, onder Hoofdstuk 19, kan inzake de verhouding tussen bovenstaande verruiming van het toe- passingsgebied van de maatregel (tot de veroordeelden die onder elektronisch toezicht staan) en de finaliteit van de maatregel volgende bijkomende toelichting worden verstrekt: De maatregel loopt tot 31 augustus 2023, maar kan verlengd worden tot 31 december 2024. Dit betekent dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de veroordeelden die op het ogenblik van inwerkingtreding onder elektronisch toezicht staan (en die inderdaad slechts potentieel binnen de finaliteit van de maatregel komen, nl. wanneer hun elektronisch toezicht zou worden herroepen en ze wederopgesloten worden – waarna ze gedurende zes maanden niet in aanmerking komen voor de toekenning van deze maatregel), maar ook/vooral met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur Le deuxième article énonce les conditions d’octroi au paragraphe 1er et les catégories de condamnés exclus au paragraphe 2. Une modification purement technique a été apporté au deuxième paragraphe. Suite à l’entrée en vigueur de la loi du 21 mars 2022 modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel, le 1er juin 2022, les références du paragraphe 2, troisième tiret, doivent être adaptées en conséquence. La libération anticipée est accordée à partir de six mois avant la fin de la peine. Pour éviter que des condamnés dont la partie de la peine encore à exécuter est minime ne soient libérés anticipativement sur base de cette disposition avant qu’ils ne puissent être libérés provisoirement ou condition- nellement conformément à la circulaire ministérielle en application ou à la loi relative au statut juridique externe, il est prévu que le condamné n’entre en ligne de compte que pour autant qu’il ait atteint la date d’admissibilité à la libération conditionnelle (visée à l’article 25 de la loi sur le statut externe). Contrairement à ce qui était prévu pour la libération anticipée COVID-19. la condition selon laquelle cette mesure ne s’applique qu’aux personnes condamnées qui purgent tout ou partie de leur peine en prison ne sera pas reprise. Par conséquent, cette mesure s’applique également aux personnes condamnées qui ont béné- ficié d’une surveillance électronique comme modalité d’exécution de la peine. Cette catégorie de personnes condamnées subit également une peine d’emprisonne- ment, bien que sous surveillance électronique. Il serait injuste de les exclure de la libération anticipée au seul motif qu’ils ne se trouvent plus. Suite à l’avis du Conseil d’État n° 71 320/1-2-3-4, sous le chapitre 19, il peut être donnée l’explication supplémentaire suivante quant à le rapport entre l’élar- gissement susmentionné du champ d’application de la mesure (aux condamnés sous surveillance électronique) et la finalité de la mesure: Le mesure court jusqu’au 31 août 2023, mais peut être prolongée jusqu’au 31 décembre 2024. Ceci implique qu’on ne doit pas uniquement tenir compte des condam- nés qui seront sous surveillance électronique au moment de l’entrée en vigueur (et qui, en effet, ne rentreront que potentiellement dans la finalité de la mesure, notamment quand leur surveillance électronique serait révoquée et qu’ils seraient réécroués, après quoi ils ne sont pas éli- gibles pour la mesure pendant les six mois qui suivent), mais aussi/surtout des condamnés qui rentreront dans les conditions de temps pour une surveillance électronique 2774/001 DOC 55 80 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn om elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te al- len prijze vermeden worden dat deze laatste categorie veroordeelden een afweging zou maken tussen het aanvragen van elektronisch toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten tot zes maanden voor strafeinde om dan quasi auto- matisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor de problematiek van overbevolking. De maatregel zou dus ook worden toegekend aan veroordeelden onder elektronisch toezicht, om de aanvragen elektronisch toezicht niet te fnuiken en dit mogelijke perverse effect dus te vermijden. Ook nu worden de veroordeelden wiens strafuitvoe- ringsmodaliteit (ET of VI) door de strafuitvoeringsrech- ter of -rechtbank tijdens de geldigheidsduur van de maatregel wordt herroepen, uitgesloten. Dit om de zin van de herroeping door de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank niet te ondermijnen. Gezien de geldigheidsduur van de maatregel, wordt deze uitsluiting evenwel beperkt tot een periode van zes maanden na de opsluiting ingevolge de herroeping. Het zou immers disproportioneel zijn om de veroordeelde wiens ET of VI bvb. wordt herroepen op twee jaar voor strafeinde, niet meer van de maatregel te kunnen laten genieten wanneer die anderhalf jaar later in de tijdsvoorwaarde komt voor deze maatregel. Paragraaf 2 van het tweede artikel somt de categorieën veroordeelden op die van de vervroegde invrijheidstel- ling zijn uitgesloten. Het zijn dezelfde categorieën als bij de maatregel vervroegde invrijheidstelling “COVID-19. en ook de verantwoording is dezelfde. Het gaat om de personen die veroordeeld zijn tot één of meer vrijheids- berovende straffen waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt, omdat het totaal van de straffen te hoog is en het te gevaarlijk is om deze veroordeelden automatisch vervroegd vrij te laten, zonder eventuele contra-indicaties te beoordelen. Bovendien wordt ook de aard van de veroordeling als criterium gehanteerd: veroordeling voor zedenfeiten, terroristische misdrijven en veroordelingen met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoerings- rechtbank. Ook de vreemdelingen zonder recht op verblijf worden uitgesloten. En tot slot worden ook de veroordeelden die worden opgevolgd door het OCAD in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken uitgesloten. De motivering voor uitsluiting is dezelfde als voor de andere categorieën: het maatschappelijk gevaar dat van deze veroordeelden uitgaat. In het derde artikel wordt in een eerste paragraaf bepaald dat de directeur de invrijheidstelling niet kan toekennen zonder de haalbaarheid ervan te hebben nagegaan aan de hand van de criteria onderdak en pendant la période de validité de la mesure. Il faut éviter à tout prix que cette dernière catégorie de condamnés mette en balance les désavantages et risques liés à demander une surveillance électronique et la stratégie de juste “attendre” jusqu’à six mois avant la fin de peine pour à ce moment être libéré quasi automatiquement, et qu’ils choisissent cette dernière option, qui serait, évidemment, contreproductif pour le problème de la surpopulation. La mesure serait donc aussi octroyée aux condamnés sous surveillance électronique afin de ne pas étouffer les demandes de surveillance électronique et d’éviter donc cet effet pervers potentiel. Les condamnés dont la modalité d’exécution de la peine (SE ou LC) a été révoquée par le juge ou le tri- bunal de l’application des peines pendant la validité de la mesure sont cette fois aussi exclus et ce, afin de ne pas porter atteinte au sens de la révocation par le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines. Au vu de la durée de validité de la mesure, cette exclusion toutefois est limitée à une période de six mois après la réincarcération suite à la révocation. Il serait en effet disproportionné que le condamné dont la SE ou la LC est révoquée deux ans avant la fin de la peine par exemple ne puisse plus bénéficier de la mesure lorsqu’il entre dans les conditions de temps pour cette mesure un an et demi plus tard. Le paragraphe 2 reprend les catégories de condam- nés qui sont exclus de la libération anticipée. Ce sont les mêmes catégories que pour la libération anticipée “COVID”, et la justification est la même. Il s’agit des personnes qui sont condamnés à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s’élève à plus de 10 ans, car le total des peines est trop élevé et qu’il est trop dangereux de libérer ces condamnés antici- pativement de manière automatique, sans examiner aucune contre-indication. Par ailleurs, la nature de la peine est également utilisée comme critère: condamna- tion pour des faits de mœurs, infractions terroristes, et condamnations avec une mise à disposition du tribunal de l’application des peines. Les étrangers sans droit au séjour sont également exclus. Enfin, les personnes condamnées qui sont suivies par l’OCAM dans le cadre des banques de données communes sont également exclues. La justification de l’exclusion est la même que pour les autres catégories: le danger que représentent ces condamnés pour la société. Dans le troisième article, il est déterminé au para- graphe premier que le directeur ne peut pas octroyer la libération sans en avoir vérifié la faisabilité du point de vue du lieu de séjour et des moyens d’existence. 81 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E middelen van bestaan. Ook de kennisgevingsplicht ten aanzien van het openbaar ministerie en het slachtoffer is geregeld. Voornoemde actoren worden ook ingelicht van de aan de vervroegde invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarden. Paragraaf 2 somt de algemene voorwaarden op waaraan de veroordeelde zich moet houden tijdens de proeftermijn en waarvan de niet-naleving kan leiden tot de herroeping van de vervroegde invrijheidstelling. Hier gelden enkel de “klassieke” voorwaarden van het niet plegen van strafbare feiten en het niet verontrusten van de slachtoffers. De proeftermijn wordt bepaald op het resterend ge- deelte van de straf op het ogenblik van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling. In geval van herroeping van de vervroegde invrijheid- stelling wordt de reeds ondergane proeftermijn afgetrok- ken van het op het ogenblik van de toekenning nog te ondergane deel van de straf. De proeftermijn telt dus mee als straf. Dit geldt evenwel enkel voor de periode tot aan de beslissing tot herroeping. Paragraaf 3 somt de gevallen op waarin tot herroe- ping van de vervroegde invrijheidstelling kan worden overgegaan. Om de maatregel te kunnen herroepen op grond van de niet-naleving van de voorwaarde “geen nieuwe strafbare feiten plegen”, is het niet vereist dat er een in kracht van gewijsde getreden veroordeling is tussengekomen voor deze feiten. Ernstige aanwijzingen dat die voorwaarde werd geschonden (daarbij wordt dan gedacht aan een proces-verbaal van de politie tot vaststelling van feiten en, a fortiori, aan aanhoudings- mandaat voor nieuwe feiten), volstaan. Ook voor de andere herroepingsgrond moet worden verduidelijkt dat de vaststelling van de niet-naleving van de voorwaarde (en dus de mogelijke herroeping) enkel gebaseerd kan zijn op informatie afkomstig van personen of instanties die de formele bevoegdheid hebben om vaststellingen in dat verband te doen (dus niet louter op basis van bericht van partner, buurman, …). Paragraaf 4, ten slotte, voorziet in een grondslag voor de voorlopige aanhouding van de veroordeelde door de procureur des Konings wanneer hij tijdens de proeftermijn de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt. In dat geval moet de directeur binnen de zeven dagen volgend op de aanhouding beslissen of de invrijheidstelling wordt herroepen, dan wel kan voortgezet worden. Een vierde en laatste artikel van dit hoofdstuk bepaalt de geldigheidsduur van de bepalingen van dit hoofdstuk. L’obligation de communication au ministère public et à la victime est également réglée. Les acteurs précités sont aussi informés des conditions générales attachées à la libération anticipée. Le paragraphe 2 énumère les conditions générales que le condamné doit respecter pendant le délai d’épreuve et dont le non-respect peut entraîner la révocation de la libération anticipée. Ici, seules les conditions “classiques” de ne pas commettre d’infractions pénales et de ne pas importuner les victimes s’appliquent. Le délai d’épreuve est équivalent au reste de la peine au moment de l’octroi de la libération anticipée. En cas de révocation de la libération anticipée, le délai d’épreuve déjà subi est déduit de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l’octroi. Le délai d’épreuve est donc pris en compte comme peine subie. Cela vaut uniquement pour la période jusqu’à la décision de révocation. Le paragraphe 3 énumère les cas dans lesquels la libération anticipée peut être révoquée. Il n’est pas exigé, pour pouvoir révoquer la mesure sur base du non-respect de la condition de “ne pas commettre de nouvelle infraction”, qu’une condamnation définitive soit intervenue pour ces faits. Des indications sérieuses que cette condition n’a pas été respectée (on pense ici à un procès-verbal de constatation des faits par la police et, a fortiori, à un mandat d’arrêt pour de nouveaux faits) suffisent. Pour les autres motifs de révocation, il convient également de préciser que le constat du non-respect des conditions (et donc la possible révocation) peut uni- quement être basée sur des informations provenant de personnes ou instances qui ont la compétence formelle d’effectuer des constatations en ce sens (et donc pas uniquement sur base d’une information du partenaire du condamné, d’un voisin, …). Le paragraphe 4, enfin, prévoit une base légale pour l’arrestation provisoire du condamné par le procureur du Roi quand il met gravement l’intégrité physique ou psychique de tiers en danger pendant le délai d’épreuve. Dans ce cas, le directeur doit décider dans les sept jours de l’arrestation si la libération est révoquée ou si elle peut se poursuivre. Un quatrième et dernier article de ce chapitre détermine la durée de validité des dispositions de ce chapitre. Les 2774/001 DOC 55 82 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De redenen voor deze (verlengbare) geldigheidsduur werden hierboven reeds toegelicht. HOOFDSTUK 20 Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Art. 89 Artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 be- treffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalt dat ambtenaren van de penitentiaire administratie, daartoe aangewezen door de directeur-generaal, beslissen over de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden. Zij beslissen met name in welke gevangenis een veroordeelde zijn straf dient te ondergaan. Deze wijzigingsbepaling beoogt het mogelijk te maken dat de door de directeur-generaal daartoe aangewezen ambtenaar bij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing kan beslissen dat de veroor- deelde zich zelfstandig verplaatst naar de plaats waar hij zijn straf zal ondergaan, zonder dat in enige vorm van bewaking of begeleiding voorzien dient te worden. Deze bepaling zal vooral toegepast worden in geval van beslissingen tot plaatsingen in een detentiehuis. Detentiehuizen zijn kleinschalige gevangenissen met een lage beveiligingsgraad. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet externe rechtspositie voor veroordeelden met straftotaal tot en met drie jaar zullen voortaan bepaalde categorieën van veroordeelden in de gevangenis hun straf onder- gaan die op dit ogenblik, op basis van de ministeriële omzendbrieven, hun straf ondergaan onder elektronisch toezicht. Het is de bedoeling om deze categorie van veroordeelden bij opsluiting en na screening, zo snel mogelijk in een detentiehuis te plaatsen. Indien een beslissing wordt genomen tot plaatsing van een veroor- deelde in een laag beveiligde detentieomgeving, zoals in een detentiehuis, is het aangewezen dat wettelijk uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorzien wordt om deze inmiddels gedetineerde veroordeelde zich zelfstandig te laten verplaatsen naar het detentiehuis, zonder hiervoor een beroep te doen op de politie voor de beveiliging van deze overbrenging. Deze bepaling is in algemene bewoordingen ge- formuleerd om dit principe ook te kunnen toepassen op andere en eventuele toekomstige laagbeveiligde detentieomgevingen. Via instructies van de penitenti- aire administratie zullen evenwel duidelijke richtlijnen raisons pour cette durée de validité (prorogeable) ont déjà été expliquées ci-dessus. CHAPITRE 20 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Art. 89 L’article 18 de la loi de principes du 12 jan- vier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus dispose que les fonctionnaires de l’administration pénitentiaire, désignés par le directeur général, décident du placement et du transfèrement des détenus. Ils décident notamment dans quelle prison une personne condamnée doit purger sa peine. Cette disposition modificative vise à permettre au fonctionnaire désigné par le directeur général de décider, lorsqu’il prend une décision de placement ou de transfèrement, que la personne condamnée se rendra, de manière indépendante, au lieu où il purgera sa peine et ce, sans avoir besoin d’une quelconque forme de surveillance ou d’accompagnement. Cette disposition sera principalement appliquée en cas de décision de placement dans une maison de détention. Les maisons de détention sont des prisons de petite taille avec un faible niveau de sécurité. Suite à l’entrée en vigueur de la loi sur le statut juri- dique externe des personnes condamnées à une peine inférieure ou égale à trois ans, certaines catégories de personnes condamnées, qui purgent actuellement leur peine sous surveillance électronique sur la base de circulaires ministérielles, purgeront désormais leur peine en prison. L’objectif est de placer cette catégorie de personnes condamnées dans une maison de détention le plus rapidement possible après leur condamnation et après vérification. Si la décision est prise de placer un condamné dans un environnement de détention de faible sécurité, tel qu’une maison de détention, il est opportun que la législation prévoie explicitement la possibilité pour le détenu de se rendre à la maison de détention de sa propre initiative sans devoir faire appel à la police pour assurer la sécurité de ce transfert. Cette disposition est formulée en termes généraux afin de pouvoir appliquer ce principe à d’autres milieux de détention de faible sécurité et à d’éventuels futurs milieux de détention de faible sécurité. Toutefois, grâce aux instructions de l’administration pénitentiaire, des 83 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gegeven worden omtrent de te respecteren draagwijdte van deze bepaling. HOOFDSTUK 21 Overgangsbepalingen Art. 90 Deze bepaling moet ervoor zorgen dat de regel in de nieuwe § 1/1, eerste lid, van artikel 1727/5 van het Gerechtelijk Wetboek inzake ambtstermijn en herbenoe- mingsvereiste van toepassing is op de huidige ambts- termijnen van de bij ministerieel besluit van 25 febru- ari 2020 benoemde assessoren na de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018. Daarom is de datum waarop het mandaat afloopt goed gespecificeerd, evenals de voorwaarden voor verlenging om een tweede mandaat aan te vragen. Art. 91 Dit artikel beoogt een verlenging van het man- daat van de leden van het bureau van de Federale Bemiddelingcommissie. De leden werden benoemd op 24 mei 2019, maar om diverse redenen, en meer bepaald de vertraging bij de vernieuwing van de Federale Bemiddelingcommissie, konden zij hun mandaten maan- denlang niet op correcte wijze uitoefenen. De leden van de vaste commissies werden pas benoemd op 5 decem- ber 2019. Om te voorkomen dat er een al te grote tijdspan- ne zou ontstaan tussen de hernieuwing van de mandaten van de leden van het bureau die op 1 juni 2023 aflopen, en de hernieuwing van de mandaten van de leden van de commissies die aflopen op 20 december 2023, wordt voorgesteld om de mandaten van de leden van het bureau te verlengen tot 20 december 2023. Dat zou de Federale Bemiddelingscommissie, die in 2023 wordt hernieuwd, in staat moeten stellen om sneller te werken, met een geringe tijdspanne tussen de benoemingen van de ver- schillende leden van de verschillende organen ervan. HOOFDSTUK 22 Inwerkingtreding Art. 92 Artikel 42, 2°, maakt het mogelijk dat ook de be- voegde kantoren van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten van erfopvolging inschrijven in het centraal erfrechtregister. Dit directives claires seront données concernant la portée de cette disposition à respecter. CHAPITRE 21 Dispositions transitoires Art. 90 Cette disposition vise à s’assurer que la règle prévue au nouveau § 1/1, alinéa 1er, de l’article 1727/5 du Code judiciaire concernant la durée du mandat et la condition de renouvellement du mandat s’applique bien aux man- dats en cours des assesseurs nommés par un arrêté ministériel du 25 février 2020 à la suite de l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018. Dès lors, la date de fin de mandat est bien précisée ainsi que les conditions de renouvellement pour poser sa candidature à un second mandat. Art. 91 Cet article vise à prolonger le mandat des membres du bureau de la Commission fédérale médiation. Les membres ont été nommés le 24 mai 2019 mais n’ont pas pu, pour diverses raisons et notamment le retard pris dans le renouvellement de la commission fédérale de médiation, exercer correctement leurs mandats pendant plusieurs mois. Les membres des commissions per- manentes n’ont été nommés que le 5 décembre 2019. Afin d’éviter qu’il n’y ait un trop grand écart entre le renouvellement des mandats des membres du bureau venant à échéance le 1er juin 2023 et le renouvelle- ment des mandats des membres des commissions venant à échéance le 20 décembre 2023, il est pro- posé de prolonger le mandat des membres du bureau jusqu’au 20 décembre 2023. Cela devrait permettre à la commission fédérale de médiation qui sera renouvelée en 2023 de travailler plus rapidement avec peu d’écart entre les nominations des différents membres des dif- férents organes la composant. CHAPITRE 22 Entrée en vigueur Art. 92 L’article 42, 2°, prévoit la possibilité pour les bureaux compétents de l’Administration générale de la documen- tation patrimoniale d’enregistrer les actes et certificats d’hérédité dans le registre central successoral. Cela 2774/001 DOC 55 84 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E veronderstelt dat een aantal bijkomende functionaliteiten gecreëerd dienen te worden. Het is daarom wenselijk om voldoende tijd in te bouwen die het mogelijk maakt de nodige technische aanpassingen hiertoe uit te voeren. Daartoe fixeert deze bepaling de inwerkingtreding van hoofstukken 8, 9, 14 en 17 op een nuttige datum, namelijk 1 november 2022. Vanaf die datum zullen ook de bevoegde kantoren van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten van erfopvolging moeten inschrijven in het centraal erf- rechtregister. De Koning kan echter een eerdere datum van inwerkingtreding vaststellen. In tegendeel treden de artikelen 44 en 46 in werking op de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, voor zover zij tot doel hebben twee bepalingen van het nieuwe Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek die op 1 juli 2022 in werking treden, te verbeteren. Art. 93 Gelet op het uitstel van inwerkingtreding van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten naar 1 september 2022 waar- toe beslist werd (wet van 18 mei tot uitstel van de in- werkingtreding van de bepalingen inzake de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder), wordt voorzien dat de artikelen van hoofdstuk 12, die wijzigin- gen betreffen aan diezelfde wet, eveneens in werking treden op 1 september 2022 teneinde een coherente inwerkingtreding mogelijk te maken. De minister van Justitie, Vincent VAN QUICKENBORNE présuppose la création d’un certain nombre de fonc- tionnalités supplémentaires. Il est donc souhaitable de prévoir un délai suffisant pour effectuer les ajustements techniques nécessaires. À cet effet, cette disposition fixe l’entrée en vigueur des chapitres 8, 9, 14 et 17, à une date utile, à savoir le 1er novembre 2022. À partir de cette date, les bureaux compétents de l’Administration générale de la docu- mentation patrimoniale devront également enregistrer les actes et certificats d’hérédité dans le registre central successoral. Le Roi peut toutefois fixer une date d’entrée en vigueur antérieure. En revanche, les articles 44 et 46 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, dans la mesure où ils visent à réparer deux dis- positions du nouveau Livre 4 du Code civil qui entrent en vigueur le 1er juillet 2022. Art. 93 Vu le report de l’entrée en vigueur de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des moda- lités d’exécution de la peine au 1er septembre 2022 qui est décidé (loi du 18 mai 2022 visant à reporter l’entrée en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des peines privatives de liberté de trois ans ou moins) il est prévu que les articles du chapitre 12, qui concernent des modifications de la même loi, entrent en vigueur également le 1er septembre 2022, afin d’assurer une entrée en vigueur cohérente. Le ministre de la Justice, Vincent VAN QUICKENBORNE 85 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E VOORONTWERP VAN WET Onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Art. 2. De artikelen 27 en 28 van huidige wet voorzien in een gedeeltelijke omzetting van de richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 3. In artikel 165/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden “, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft,” opgeheven. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering Art 4. In het Eerste Boek, Hoofdstuk IV van het Wetboek van Strafvordering wordt een Afdeling 1bis/1 ingevoegd, dat artikel 28decies omvat, met als opschrift: “Afdeling 1bis/1. - Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling”. Art 5. In Afdeling 1bis/1 van hoofdstuk IV van het Eerste boek van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 28decies in- gevoegd, luidende: “Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschul- digingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte of de burgerlijke partij. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wettigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van zaken AVANT-PROJET DE LOI Soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II CHAPITRE 1er Dispositions générales Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’ar- ticle 74 de la Constitution. Art. 2. Les articles 27 et 28 assurent une transposition partielle de la directive (UE) 2018/1673 du parlement euro- péen et du Conseil du 23 octobre 2018 visant à lutter contre le blanchiment de capitaux au moyen du droit pénal. CHAPITRE 2 Modification de l’ancien Code civil Art. 3. Dans l’article 165/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil, inséré par la loi du 18 juin 2018 les mots “dont la commune a l’usage exclusif,” sont abrogés. CHAPITRE 3 Modifications du Code d’instruction criminelle Art. 4. Dans le Livre premier, chapitre IV, du Code d’instruc- tion criminelle, il est inséré une section 1rebis/1, comportant l’article 28decies, et intitulée comme suit: “Section 1rebis/1. - Du contrôle de l’information par la chambre des mises en accusation”. Art. 5. Dans la section 1rebis/1 du chapitre IV du Livre premier du même Code, il est inséré un article 28decies, rédigé comme suit: “Art. 28decies. Si l’information n’est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée de l’inculpé ou de la partie civile adressée au greffe de la cour d’appel. S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de l’infor- mation, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu’il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d’office, demander des rapports sur l’état des affaires 2774/001 DOC 55 86 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E en kennis nemen van de dossiers en de bij de artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur des Konings in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke partij, de verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het ver- zoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoe- kende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.”. Art. 6 In artikel 39ter, § 3, tweede lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 5 mei 2019, worden de woorden “met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd tot dertigduizend euro”. Art. 7. In artikel 46bis, § 2, vierde lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden de woorden “met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 8. In artikel 46bis/1, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 17 mei 2017, worden de woorden “met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 9. In artikel 46ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 6 januari 2003, worden de woor- den “met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig EUR tot tienduizend EUR of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 10. in artikel 46quater, § 4, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2019 en 28 no- vember 2021, worden de woorden “met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 11. In artikel 88bis, § 4, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 25 december 2016 en 5 mei 2019, worden de woorden “met geldboete van zesen- twintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. et peut prendre connaissance des dossiers et prendre les mesures prévues aux articles 235 et 235bis. Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur du Roi en son rapport, hors la présence des parties si elle l’estime utile. Elle peut également entendre la partie civile, l’inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l’audience. La chambre des mises en accusation statue sur la requête par arrêt motivé, qui est communiqué au procureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Le requérant ne peut déposer de requête ayant le même objet avant l’expira- tion du délai de six mois à compter de la dernière décision.”. Art. 6. À l’article 39ter, § 3, alinéa 2 du même Code, modifié par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’un emprisonnement de six mois à un an ou d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 7. À l’article 46bis, § 2, alinéa 4 du même Code, modifié par la loi du 25 décembre 2016, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix milles euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 8. À l’article 46bis/1, § 2, alinéa 3 du même Code, inséré par la loi du 17 mai 2017, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros “. Art. 9. À l’article 46ter, § 2, alinéa 4 du même Code, inséré par la loi du 06 janvier 2003, les mots “d’un emprisonnement de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six EUR à dix mille EUR ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 10. À l’article 46quater, § 4, dernier alinéa du même Code, modifié par la loi du 05 mai 2019 et par la loi du 28 no- vembre 2021, les mots “d’un emprisonnement de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 11. À l’article 88bis, § 4, dernier alinéa du même Code, modifié par la loi du 25 décembre 2016 et par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. 87 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 12. In artikel 88quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 28 november 2000 en gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “met gevangenis- straf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met geldboete van honderd tot dertigduizend euro”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden “of een van die straffen alleen”. Art. 13. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, vervan- gen door de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden “met geld- boete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”; 2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als volgt: “Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.; 3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevan- genisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen.”. 4° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 39bis, § 3, vierde lid” vervangen door de woorden “artikel 88ter, vierde lid”. Art. 14. In artikel 162ter van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de be- klaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burger- rechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde minnelijke schikking zoals bepaald in artikel 216bis niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de admi- nistratieve toeslag bedraagt 25,32 euro.” 2° in het tweede lid wordt de zin “Het bedrag van de adminis- tratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro.” opgeheven. Art. 12. À l’article 88quater, § 3, du même Code, inséré par la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “d’un emprisonnement de six mois à trois ans et d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros “; 2° l’alinéa 2 est complété par les mots “ou une de ces peines seulement”. Art. 13. À l’article 90quater du même Code, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° Dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”; 2° Dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Toute personne qui refuse de prêter son concours tech- nique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures visées à l’article 90ter, § 1er, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros.”; 3° Dans le même paragraphe un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4: “Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher la commission d’un crime ou d’un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n’est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement.”. 4° Dans le paragraphe 5, les mots “l’article 39bis, § 3, alinéa 4” sont remplacés par “l’article 88ter, alinéa 4”. Art. 14. Dans l’article 162ter du même Code, les modifi- cations suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l’infraction donne lieu au paiement de la redevance administrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée et prévue par cet article ne peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la redevance administrative s’élève à 25,32 euros.” 2° dans l’alinéa 2, la phrase “Le montant de la redevance administrative s’élève dans ce cas à 25,32 euros.” est abrogée. 2774/001 DOC 55 88 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 15. In artikel 196/1, laatste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden “een bijdrage of een administratieve toe- slag.” vervangen door de woorden “of een bijdrage.”. Art. 16. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf wordt het laatste lid opgeheven; 2° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt: “§ 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aanspra- kelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het open- baar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft aan- getekend beschikken de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar ministerie. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep hebben ingesteld.”. Art. 17. Artikel 205 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 18. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/1 ingevoegd, luidende: “§ 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van assisen en het aantal procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert, voor de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang tot de uitzending hebben verzocht. § 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit van de debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare orde te voorkomen en kan om die reden de uitzending ten allen tijde onderbreken. § 3. Het opnemen van deze opname of het uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes Art. 15. Dans l’article 196/1, dernier alinéa, du même Code, les mots “, à une contribution ou à une redevance adminis- trative.” sont remplacés par les mots “ou à une contribution.” Art. 16. Dans l’article 203 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le premier paragraphe le dernier alinéa est supprimé; 2° le deuxième paragraphe est remplacé comme suit: “§ 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, le ministère public dispose d’un délai supplé- mentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la partie civilement responsable. Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie civilement responsable disposent d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au ministère public. Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile, celle-ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu’elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident conformément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant formé l’appel principal.”. Art. 17. L’article 205 du même Code est abrogé. Art. 18. Dans le même Code un article 258/1 est inséré, rédigé comme suit: “§ 1er. Le président peut décider, dans l’intérêt de la bonne administration de la justice, en raison soit de la disproportion entre, la capacité d’accueil physique de la cour d’assises et le nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes de nationalité étrangère, que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle permettant sa diffusion différé, par un moyen de télécommunication garan- tissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion. § 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout ou partie des débats afin de garantir la sérénité des débats ou de prévenir un trouble à l’ordre public et peut à cette fin interrompre l’émission à tout moment. § 3. L’enregistrement de cette captation ou sa diffusion à des tiers sera puni d’un emprisonnement de six mois à deux 89 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen. § 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit artikel toe te pas- sen, wordt dit met alle passende middelen meegedeeld aan de gekende slachtoffers en hun advocaten. De slachtoffers en hun advocaten moeten ten minste acht dagen voor aanvang van de zitting aan de griffie of aan het parket meedelen dat zij de uitzending van de geluidsopname of van de audiovisuele opname van de terechtzittingen willen ontvangen. § 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten worden geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang tot de uitzending van de debatten worden zij expliciet op de hoogte gebracht van de bepaling in paragraaf 3.”. Art 19. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/2 ingevoegd, luidende: “Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de voorzitter beslissen dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het strafdossier gevoegd.”. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 20. Het opschrift van hoofdstuk IX van Boek 1 van het Strafwetboek wordt als volgt vervangen: “Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden”. Art. 21. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende: “Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende om- standigheden, wordt de straf verhoogd of gewijzigd zoals omschreven in de desbetreffende bepaling.”. Art. 22. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende: “Art. 78ter. Indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximum- straf op dit misdrijf gesteld.”. Art. 23. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78quater ingevoegd, luidende: ans et d’une amende de deux cents euros à dix mille euros ou avec l’une de ces pénalités seules. § 4. Si le président décide d’appliquer le présent article, il en est fait part aux victimes connues et à leurs avocats, par tous les moyens appropriés. Les victimes et leurs avocats doivent informer le greffe ou le parquet au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils souhaitent recevoir la diffusion de la captation sonore ou audiovisuelle des audiences. § 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont informés des modalités pratiques d’accès à la diffusion des débats, la disposition du paragraphe 3 est expressément portée à leur connaissance.”. Art 19. Dans le même Code un article 258/2 est inséré, rédigé comme suit: “Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le président peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d’archives historiques de la justice. En cas de captation sonore ou audiovisuelle, conformément à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier pénal après la clôture des débats.”. CHAPITRE 4 Modifications du Code pénal Art. 20. L’intitulé du chapitre IX du Livre 1er du Code pénal est remplacé par ce qui suit: “Des circonstances aggravantes, des facteurs aggravants et des circonstances atténuantes”. Art. 21. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est inséré un article 78bis, rédigé comme suit: “Art. 78bis. Si la loi prévoit des circonstances aggravantes, la peine est augmentée ou modifiée conformément aux dis- positions de cette loi.”. Art. 22. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est inséré un article 78ter, rédigé comme suit: “Art. 78ter. Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l’infraction.”. Art. 23. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est inséré un article 78quater, rédigé comme suit: 2774/001 DOC 55 90 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Art. 78quater. De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt. Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, ouderschap, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, ver- mogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. Art. 24. In de artikelen 377bis, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 de- cember 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het mis- prijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst” worden vervangen door de woorden “wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprij- zen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, beval- ling, ouderschap, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daad- werkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader”. 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Art. 78quater. Le motif discriminatoire de l’auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante. Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile discriminatoire lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accou- chement, de sa parentalité, de son changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philo- sophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. Art. 24. Aux articles 377bis, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, du même Code, insérés par la loi du 25 février 2003, remplacés par la loi du 10 mai 2007 et modifiés par la loi du 30 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique phy- sique ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés par les mots “lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de sa parentalité, de son changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur” 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: 91 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. Art. 25. In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007, gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 en vervangen bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het mis- prijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burger- lijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheids- toestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst” worden vervangen door de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, ouderschap, geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of gene- tische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader”. 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. Art. 26. In boek II, titel VIII, hoofdstuk IV, van hetzelfde wetboek worden in artikel 442/1 in de plaats van de woorden “aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig bin- nendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed of”, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, de volgende woorden ingevoegd: “aan het bevel tot ont- ruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezet- ten van of verblijven in andermans goed, zoals hersteld bij de wet van … of”. Art. 27. In artikel 505 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1995 en laatst gewijzigd bij de wet van 15 juli 2013, worden het derde en het vierde lid vervangen als volgt: “Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. Art. 25. À l’article 405quater du même Code, inséré par la loi du 25 février 2003, remplacé par la loi du 10 mai 2007, modifié par la loi du 30 décembre 2009 et remplacé par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “Lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philo- sophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés par les mots “Lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de sa parentalité, de son changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur”. 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. Art. 26. Dans l’article 442/1 du livre II, titre VIII, chapitre IV, du même code, à la place des mots “à l’ordonnance d’éva- cuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui ou” annulés par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, les mots suivants sont insérés: “à l’ordonnance d’évacuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, rétabli par la loi du …, ou”. Art. 27. Dans l’article 505 du même Code, remplacé par la loi du 7 avril 1995 et modifié dernièrement par la loi du 15 juillet 2013, les alinéas 3 et 4 sont remplacé par ce qui suit: 2774/001 DOC 55 92 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “De onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, §§ 1 en 4 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, alsmede hun bestuurders, aangestelden en lasthebbers, blijven vrij van straf voor de in § 1, 1ste lid, 2° en 4° genoemde misdrijven, voor zover zij zich, ten aanzien van de betrokken feiten gepleegd in het raam van andere fiscale fraude dan ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd, hebben geconformeerd aan de verplichtingen de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude waaronder deze die voortvloeien uit de wet van 18 september 2017.” Art. 28. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 505ter ingevoegd, luidende: “De misdrijven bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2° tot 4° worden gestraft met opsluiting van drie jaar tot vijf jaar en met een geldboete van tienduizend tot tweehonderdduizend euro of met een van die straffen alleen wanneer zij zijn gepleegd in de volgende omstandigheden: 1° de dader van het misdrijf is een meldingsplichtige en- titeit volgens artikel 2 van de richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, gevestigd in België, in een ander land van de Europese Economische Ruimte of een derde land dat verplich- tingen oplegt die gelijkaardig zijn aan die uit de voornoemde richtlijn, en deze het misdrijf heeft gepleegd in het kader van de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten; 2° het strafbare feit is gepleegd in het kader van een crimi- nele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis.” HOOFDSTUK 5 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 29. Artikel 555/13, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt ver- vangen als volgt: “De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.”. Art. 30. In artikel 1344octies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 oktober 2017, worden de woorden “doordat het ondanks pogingen van de verzoeker in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de identiteit “Les entités assujetties telles que visées à l’article 5, §§ 1er et 4 de la Loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces, ainsi que leurs administrateurs, préposés et mandataires, restent exempts de peine pour les infractions visées au § 1er, alinéa 1er, 2° et 4°, dans la mesure où, en ce qui concerne les faits concernés commis dans le cadre de la fraude fiscale autre que la fraude fiscale grave, organisée ou non, ils se sont conformés, à la législation et à la réglementation en matière de lutte contre la fraude fiscale y compris celles découlant de la loi du 18 sep- tembre 2017.” Art. 28. Dans le même Code, un article 505ter est inséré, libellé comme suit: “Les infractions prévues à l’article 505 alinéa 1er, 2° à 4° seront punies de la réclusion de trois à cinq ans et d’une amende de dix mille à deux cent mille euros ou d’une de ces peines seulement lorsqu’elles auront été commises dans les circonstances suivantes: 1° l’auteur de l’infraction est une entité assujettie visée à l’article 2 de la directive (UE) 2015/849 du Parlement euro- péen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la Commission, établie en Belgique, dans un autre pays de l’Espace économique européen ou dans un pays tiers qui impose des obligations équivalentes à celles prévues par la directive précitée, et a commis l’infraction dans l’exercice de ses activités professionnelles; 2° l’infraction est commise dans le cadre d’une organisation criminelle telle que définie à l’article 324bis.” CHAPITRE 5 Modifications du Code judiciaire Art. 29. L’article 555/13, § 2, alinéa 2 du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit: “Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l’expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traduc- teur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dis- pense, a exercé l’activité d’expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s’est suffisamment formé durant cette période.”. Art. 30. Dans l’article 1344octies, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 octobre 2017, les mots “découlant du fait que malgré les tentatives du requérant en ce sens, il ne lui a pas été possible de déterminer l’identité d’aucun des 93 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van zelfs een van de bezetters van het goed te bepalen” ingevoegd tussen de woorden “noodzakelijkheid” en “, bij”. Art. 31. In artikel 1727, § 2, van hetzelfde Wetboek, ver- vangen bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “, evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure;” vervangen door de woorden “die de kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;”; 2° de bepaling onder 2°/1 wordt ingevoegd, luidende: “2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars te bepalen;”; 3° de bepaling onder 5° wordt aangevuld met de woorden “na overleg met de instanties van bemiddelaars en van op- leiders in bemiddeling”; 4° in de bepaling onder 10° worden de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden” vervangen door de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden”. Art. 32. In artikel 1727/2, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter aan en een ondervoorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, voor een periode die overeenkomt met de helft van de ambts- termijn van een lid van het bureau. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzit- terschappen en ondervoorzitterschappen gelijk is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het ondervoorzit- terschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.”. Art. 33. In artikel 1727/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden “in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12°” vervangen door de woorden “in artikel 1727, § 2, 9°, 10°, 11° en 12°”; 2° in het derde lid, wordt het nummer “6°” vervangen door het nummer “7°”. Art. 34. In artikel 1727/4, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de derde tot zesde lid vervangen als volgt: occupants du bien” sont insérés entre les mots “nécessité” et “, par”. Art. 31. Dans l’article 1727, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le 2°, les mots “ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d’un agrément et la procédure d’agrément;” sont remplacés par les mots “par les candidats médiateurs et devant faire l’objet d’une évaluation effective organisée par l’organe de formation;”; 2° il est inséré un 2°/1 rédigé comme suit: “2°/1 déterminer les conditions et la procédure d’agrément des médiateurs;”; 3° le 5° est complété par les mots ““après une consulta- tion avec les organismes de médiateurs et de formateurs en médiation”; 4° dans le 10°, les mots “dresser et diffuser la liste des médiateurs” sont remplacés par les mots “dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser”. Art. 32. Dans l’article 1727/2, § 3, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “L’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu’un secrétaire pour une période qui correspond à la moitié de celle du mandat de membre au sein du bureau. L’assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences et vice- présidences soit équivalente. Ces fonctions sont attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n’exercent aucune des professions précitées.”. Art. 33. Dans l’article 1727/2, § 4, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “à l’article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°” sont remplacés par les mots “à l’article 1727, § 2, 9°, 10°, 11° et 12°”; 2° dans l’alinéa 3, le “6°” est remplacé par “7°”. Art. 34. Dans l’article 1727/4, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les alinéas 3 à 6 sont remplacés par ce qui suit: 2774/001 DOC 55 94 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed ad- vies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in lid 3 bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste man- daat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter voor elke commissie aan voor een periode die overeenkomt met de helft van de ambtstermijn van een lid van het bureau. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschap- pen gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een Nederlandstalige en een Franstalige.”. Art. 35. In artikel 1727/5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan.” vervangen door de woorden “Het bureau wijst de voorzitter aan voor een periode die overeenkomt met de helft van de ambtstermijn van een lid van het Bureau, waarbij het er bij de benoeming op toeziet dat de duur van de voorzitterschappen gelijk is”; 2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende: “§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.”; 3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het nummer “5°” ver- vangen door het nummer “6°”; “Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d’une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. Ces membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d’un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l’alinéa 3. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renou- velé deux fois. L’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président pour chaque commission pour une période qui correspond à la moitié de celle du mandat de membre au sein du bureau. L’assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences soit équivalente. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone.”. Art. 35. Dans l’article 1727/5, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “Le bureau désigne le président pour une période de deux ans” sont remplacés par “Le bureau désigne le président pour une période qui corres- pond à la moitié de celle du mandat de membre au sein du bureau en veillant, au moment de la désignation, à ce que la durée des présidences soit équivalente.”; 2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit: “§ 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d’un assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le “5°” est remplacé par “6°”; 95 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden “artikel 1727, § 2, 7° en 10°,” vervangen door de woorden “artikel 1727, § 2, 5° en 8°,”; 5° paragraaf 5 wordt aangevuld met de volgende zin: “De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbe- handeling ziet toe op een integrale of gedeeltelijke publicatie van haar tuchtbeslissingen, die geanonimiseerd zijn, op de website van de Federale bemiddelingscommissie.”. Art. 36. In artikel 1734, § 1/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid vervangen als volgt: “Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die competent zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.”. HOOFDSTUK 6 Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art. 37. In artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het derde lid, worden de woorden “van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang heb- ben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid” opgeheven; 2° in het vierde lid, worden de woorden “de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens” vervangt door de woorden “het Rijksregisternummer”, de woorden “die informatiegegevens” door de woorden “dat nummer” en de woorden “die gegevens” door de woorden “het nummer”. HOOFDSTUK 7 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 38. In artikel 10 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen; 2° in nieuwe paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “zou staatloos zijn, indien het die nationaliteit niet bezat” vervangen door de woorden “geen andere nationaliteit bezit”; 4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots “à l’ar- ticle 1727, § 2, 7° et 10°,” sont remplacés par les mots “à l’article 1727, § 2, 5° et 8°,”; 5° le paragraphe 5 est complété par la phrase suivante: “La commission de discipline et de traitement des plaintes veille à une publication intégrale ou partielle de ses décisions disciplinaires, rendues anonymes, sur le site internet de la Commission fédérale de médiation.”. Art. 36. Dans l’article 1734, § 1er/1, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Si les parties ne s’accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou des médiateurs agréés selon l’article 1727, de préférence sur la base d’une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties.”. CHAPITRE 6 Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques Art. 37. A l’article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983, organi- sant un registre national des personnes physiques, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 3, les mots “du ministre ayant l’Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l’article 3 alinéas 1er à 3” sont abrogés; 2° à l’alinéa 4, les mots “des informations obtenues du” sont remplacés par les mots “le numéro de”, les mots “à les recevoir” sont remplacés par les mots “à le recevoir” et les mots “ces données” sont remplacés par les mots “ce numéro”. CHAPITRE 7 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 38. Dans l’article 10 du Code de la nationalité belge, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées: 1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er; 2° au paragraphe 1er nouveau, alinéa 1er, les mots “serait apatride s’il n’avait cette nationalité” sont remplacés par les mots “ne possède aucune autre nationalité”; 2774/001 DOC 55 96 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° nieuwe paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.”; 4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen; 5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen. Art. 39. In artikel 24bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° worden de woorden “De minister van Justitie legt de richtlijnen vast” vervangen door de woorden “Het college van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen”; 2° worden de woorden “nadat hij het advies heeft ingewon- nen van het college van procureurs-generaal” opgeheven. Art. 40. In hetzelfde Wetboek wordt een Hoofdstuk Vter inge- voegd, met als opschrift “Hoofdstuk Vter. - Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie”. Art. 41. In Hoofdstuk Vter, ingevoegd bij artikel 40, wordt een artikel 24ter ingevoegd, luidende: “Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie. Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de Procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek. § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. § 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. 3° le § 1er nouveau est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le représentant légal de l’enfant transmet à l’Officier de l’état civil de naissance de l’enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l’absence de nationalité de l’enfant, l’Officier de l’état civil demande l’avis du Procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet copie du dossier. L’avis est rendu à bref délai par le Procureur du Roi.”; 4° l’alinéa 3 formera le paragraphe 2; 5° l’alinéa 4 formera le paragraphe 3. Art. 39. Dans l’article 24bis du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “Le ministre de la Justice arrête” sont remplacés par les mots “Le Collège des procureurs généraux peut arrêter”; 2° les mots “, après consultation du Collège des procureurs généraux” sont abrogés. Art. 40. Dans le même Code, il est inséré un Chapitre Vter, intitulé “Chapitre Vter. - Compétence d’avis du Service public fédéral Justice”. Art. 41. Dans le Chapitre Vter, inséré par l’article 40, il est inséré un article 24ter rédigé comme suit: “Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de natio- nalité est créée au sein du Service Public Fédéral Justice. Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au Procureur du Roi, l’Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l’officier de l’état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, en cas de doute sérieux sur la manière d’appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code. § 2. L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, transmet sa demande d’avis à l’Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose. L’Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, deman- der des documents ou des actes complémentaires, à l’officier de l’état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente qui a demandé l’avis. Celui-ci les transmet sur-le-champ à l’Autorité Centrale en matière de nationalité. § 3. L’Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l’ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l’Autorité Centrale en matière de nationalité. 97 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wacht- register die het advies heeft gevraagd.”. HOOFDSTUK 8 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 42. In het Burgerlijk Wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk 6 van ondertitel 6 van titel 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt: “Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid”. Art. 43. Artikel 4.59 van hetzelfde Wetboek wordt vervan- gen als volgt: “Art. 4.59. § 1. Al wie als erfgerechtigde tot een nalaten- schap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging voor te leggen. De langstlevende echtgenoot kan door voorlegging van een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden, zelfs indien de akte of attest de devolutie van de nalatenschap van zijn overleden echtgenoot niet vermeldt. Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aangewezen beheerder van de nalatenschap kunnen hun bevoegdheden om de goederen van de nalatenschap te beheren of om daar- over te beschikken, bewijzen door een akte of een attest van erfopvolging voor te leggen. § 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opge- maakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de in de paragraaf 1 vermelde personen, of, desgevallend, hun rechtsopvolgers. De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld door een notaris. Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, indien er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in hoofde van de erflater, en voor zover er geen onbekwame erfgerechtigden zijn, kan een akte of een attest van erfop- volging ook worden opgemaakt door een ambtenaar van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister in. § 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging vermeldt de volgende gegevens: § 4. L’Autorité Centrale en matière de nationalité porte l’avis à la connaissance de l’officier de l’état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente qui l’a demandé.”. CHAPITRE 8 Modifications du Code civil Art. 42. Dans le Code civil, l’intitulé du chapitre 6 du sous- titre 6 du titre 1er du Livre 4 du Code civil est remplacé par l’intitulé suivant: “Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale”. Art. 43. L’article 4.59 du même Code est remplacé par ce qui suit: “Art. 4.59. § 1er. Toute personne appelée à la succession en tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d’hérédité. Le conjoint survivant peut, par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité, prouver quels droits il acquiert en vertu de son régime matrimonial suite à la dissolution de celui-ci par le décès, même si l’acte ou le certificat n’indique pas la dévolution de la succession de son conjoint défunt. Un exécuteur testamentaire et un administrateur judiciaire de la succession peuvent prouver leurs pouvoirs d’administration ou de disposition à l’égard des biens de la succession par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité. § 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi et délivré à la demande d’une ou plusieurs des personnes indiquées au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de leurs ayants droit. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par un notaire. Si la succession du défunt est exclusivement dévolue conformément aux dispositions du sous-titre 4, s’il n’y a pas d’héritiers incapables et s’il n’est pas question de dispositions de dernière volonté, d’un pacte successoral, d’une institution contractuelle ou d’une convention matrimoniale dans le chef du défunt, un acte ou un certificat d’hérédité peut également être établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale. Le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit ses actes et certificats d’hérédité dans le registre central successoral. § 3. Tout acte et tout certificat d’hérédité mentionnent les données d’identification suivantes: 2774/001 DOC 55 98 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; 2°het op de nalatenschap toepasselijk recht. § 4. Voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de akte of het attest van erfopvolging wordt afgegeven, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald: 1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, eventueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identi- ficatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het iden- tificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; 2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid: of, en in voorkomend geval hoe en wanneer ze hun erfkeuze hebben uitgeoefend, de omvang van het erfdeel, de omschrijving van de goederen die hen toekomen, de aard van hun rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; 3° in voorkomend geval van de langstlevende echtgenoot: de gegevens over hun huwelijk en hun huwelijksstelsel, de omschrijving van de goederen die hem toekomen, de aard van zijn rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschik- king; tevens of hij een keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, en in voorkomend geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitge- oefend, evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang van goederen betreft; 4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe en wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld, dan wel dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden; 5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van de nalatenschap: de omvang van zijn bevoegd- heden en de gegevens met betrekking tot de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen. De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan, wan- neer een akte van erfopvolging voor verschillende doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van de akte afleveren voor een bepaald doel. Het uittreksel bevat alle informatie die vereist is om de beoogde doelstelling te bereiken. De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor de vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke akte of attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in het tweede lid bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze doelstelling opgemaakt 1° du défunt: ses nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et date de décès; le cas échéant, le numéro d’iden- tification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises; 2° la loi applicable à la succession. § 4. Dans la mesure requise pour les finalités en vue des- quelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré, l’acte ou le certificat mentionne les données suivantes, pour autant qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées: 1° pour toutes les personnes mentionnées au paragraphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises; 2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er, ali- néa 1er: si, et le cas échéant comment et quand ils ont exercé leur option héréditaire, l’étendue de leur part héréditaire, la description des biens qui leur reviennent, la nature de leurs droits et les restrictions à l’exercice de leurs droits en raison de leur incapacité, d’une mesure de protection ou d’une dis- position testamentaire; 3° le cas échéant, pour le conjoint survivant: les données relatives au mariage et au régime matrimonial, la description des biens qui lui reviennent, la nature de ses droits, et les res- trictions à l’exercice de ses droits en raison de son incapacité, d’une mesure de protection ou d’une disposition testamentaire; en outre, s’il a exercé une option quant aux droits mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences de celle-ci pour la transmission des biens; 4° pour les légataires: s’ils ont et, le cas échéant quand et comment ils ont été mis en possession de leur legs, ou s’ils sont entrés en cette possession de plein droit; 5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur judiciaire de la succession: l’étendue de ses pouvoirs et les données relatives à la disposition qui lui accorde ces pouvoirs. Lorsqu’un acte d’hérédité est établi en vue de plusieurs finalités, le notaire ou le bureau compétent de l’Administra- tion générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité déterminée. L’extrait mentionne toute l’information requise pour atteindre utilement la finalité envisagée. L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la libération des avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat distinct, soit faire l’objet d’un extrait conformément à l’alinéa 2, établi ou délivré exclusivement en vue de cette finalité et contenant 99 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E of afgeleverd, met de door de wet vereiste vermeldingen. Het bevat de gegevens van de personen vermeld in het eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor zover deze personen op deze tegoeden gerechtigd zijn. In de mate waarin een akte van erfopvolging de verkrijging van zakelijke rechten ter zake des doods vaststelt met betrek- king tot onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°, mag de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van die akte een letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.31. § 5. De notaris en het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen de aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoeker voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de door hen verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn door paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het attest zou worden afgegeven. § 6. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvol- ging zijn vermeld, worden geacht de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kunnen uitoefenen. Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de in de akte of het attest van erfopvolging vermelde informatie met een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld, wordt geacht te handelen met een persoon die de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid heeft. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien de schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan of op instructie van de personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn aangewezen als degene die op deze tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris. De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld, ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. § 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging opgesteld door een ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie: 1° de materiële vormen van de akte bepalen; 2° de modaliteiten inzake de aflevering van uitgiften en uittreksels van de akte bepalen; 3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de akte bepalen; les mentions exigées par la loi. Il ne contient les données des personnes mentionnées à l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant que ces personnes puissent prétendre à ces avoirs. Dans la mesure où un acte d’hérédité constate l’acqui- sition pour cause de mort de droits réels portant sur des immeubles, tels que visé à l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale peut en délivrer un extrait littéral qui sera transcrit au bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale dans le ressort duquel les biens sont situés, de la manière et dans les délais prévus à l’article 3.31. § 5. Le notaire ou le bureau de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale peuvent refuser toute remise d’acte ou de certificat d’hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de constater avec certitude les données qui sont requises par le para- graphe 3 ou qui sont requises conformément au paragraphe 4 en raison des finalités pour lesquelles l’acte ou le certificat devrait être délivré. § 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui est mentionnée dans l’acte ou le certificat, et pouvoir exercer les droits et les pouvoirs qui y sont rattachés. Toute personne agissant de bonne foi sur la base de l’infor- mation mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité avec une personne désignée dans cet acte ou ce certificat, est censée agir avec une personne ayant la qualité mentionnée dans cet acte ou ce certificat. Sauf disposition légale contraire, le paiement des avoirs du défunt est libératoire s’il est fait par le débiteur de bonne foi, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par cet acte ou ce certificat d’hérédité comme étant celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire. Le respect des dispositions prévues au présent paragraphe n’exempte en aucun cas le débiteur d’éventuelles autres obli- gations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. § 7. Le Roi peut, pour les actes d’hérédité établis par un fonctionnaire de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale: 1° déterminer les formes matérielles de l’acte; 2° déterminer les modalités relatives à la délivrance des expéditions et extraits de cet acte; 3° déterminer les modalités relatives à la légalisation de l’acte; 2774/001 DOC 55 100 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten te waarborgen; 5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan de minister van Financiën het model bepaalt. Hij kan bepalen of de aanvraag op een gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend alsmede de modaliteiten van haar indiening. De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, gelden eveneens voor de attesten van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie overeenkomstig dit artikel. De Koning kan bepalen dat deze attesten op een gedemateriali- seerde wijze kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede de modaliteiten van hun aflevering.”. Art. 44. In artikel 4 126 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden “door een notaris” opgeheven; 2° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een zin luidende als volgt: “Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die hij heeft opgemaakt, in.”. Art. 45. In artikel 4 127, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1°, b), wordt het woord “rijksregis- ternummer” vervangen door de woorden “identificatienum- mer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”; b) er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd, luidende: “1°/1 van de erfgenamen: a) de naam en voorna(a)m(en); b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identi- ficatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”; c) in de bepaling onder 2°, c), wordt het woord “rijksregister- nummer” vervangen door de woorden “identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”; d) in de bepaling onder 4° worden de woorden “of door een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie” ingevoegd tussen de woorden “door een notaris” en de woorden “, met aanduiding van”; e) in de bepaling onder 6° worden de woorden “van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de 4° déterminer des modalités complémentaires nécessaires pour garantir l’immuabilité, la confidentialité et la conservation de l’acte; 5° déterminer les formes matérielles et le contenu de chaque demande d’acte d’hérédité. Il peut prescrire l’utilisation de formulaires dont le modèle est déterminé par le ministre des Finances et déterminer si la demande peut ou doit être présentée de manière dématérialisée et les modalités de sa présentation. Les dispositions de l’alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s’appliquent également aux certificats d’hérédité établis par le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale conformément au présent article. Le Roi peut déterminer que ces certificats peuvent ou doivent être déli- vrés de manière dématérialisée, ainsi que les modalités de leur délivrance.”. Art. 44. Dans l’article 4 126 du même Code, les modifica- tions suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots “par un notaire” sont abrogés; 2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante: “Le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis.”. Art. 45. À l’article 4 127, § 1er, du même Code, les modifi- cations suivantes sont apportées: a) au 1°, b), les mots “numéro de registre national” sont remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre national ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”; b) un 1°/1 est inséré, rédigé comme suit: “1°/1 des héritiers: a) les nom et prénom(s); b) le numéro d’identification du Registre national ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”; c) au 2°, c), les mots “numéro de registre national” sont remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”; d) au 4° les mots “ou par un bureau compétent de l’Admi- nistration générale de la documentation patrimoniale” sont insérés entre les mots “par un notaire” et les mots “, avec indication de”; e) au 6° les mots “du bureau compétent de l’Administra- tion générale de la documentation patrimoniale qui a établi 101 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het attest van erfop- volging heeft opgemaakt,” ingevoegd tussen de woorden “het attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt,” en de woorden “van het rechtscollege dat de Europese”; f) de bepaling onder 7° wordt aangevuld met de woorden “van de notaris of van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie”. Art. 46. In artikel 4 128 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° wordt de titel aangevuld met de woorden “en mededeling in het Belgisch Staatsblad”; 2° het lid wordt aangevuld met de woorden “en de mo- daliteiten en de kosten van de mededeling in het Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voor- recht van boedelbeschrijving”. Art. 47. In artikel 4 131, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de eerste zin wordt vervangen door hetgeen volgt: “§ 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald onder artikel 4 127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister toegankelijk voor:”; 2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid luidend: “De gegevens bedoeld in artikel 4 127, § 1, 1°/1, zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken.”. Art. 48. In artikel 4 258 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “de eerste paragraaf” vervangen door de woorden “het eerste lid”. HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Art. 49. In het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel 3 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuld- vorderingen, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 50. In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 ja- nuari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. l’acte ou le certificat hérédité” sont insérés entre les mots “le certificat ou le certificat successoral européen,” et les mots “de la juridiction qui a établi”; f) le 7° est complété par les mots “du notaire ou du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale”. Art. 46. Dans l’article 4 128 du même Code, les modifica- tions suivantes sont apportées: 1° l’intitulé est complété par les mots “et mention au Moniteur belge”; 2° l’alinéa est complété par les mots “et les modalités et les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations d’acceptation sous bénéfice d’inventaire”. Art. 47. Dans l’article 4 131, § 1er, du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° la phrase introductive est remplacée par ce qui suit: “§ 1er. A l’exception des données visées à l’article 4 127, § 1er, 1°/1, les données figurant dans le registre central suc- cessoral sont accessibles:”; 2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Les données visées à l’article 4 127, § 1er, 1°/1, sont uni- quement accessibles au gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit.”. Art. 48. Dans l’article 4 258 du même Code, les mots “au paragraphe” sont remplacés par les mots “à l’alinéa”. CHAPITRE 9 Modifications du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Art. 49. Dans l’intitulé de la sous-section 2 de la section 3 du chapitre 3 du titre 3 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 50. Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 23 avril 2020 et par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. 2774/001 DOC 55 102 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 51. In artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 52. In artikel 48 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. HOOFDSTUK 10 Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspe- len, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Art. 53. In artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010,gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019 en gedeel- telijk vernietigd bij het arrest nr. 36/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “60, 62” vervangen door de woorden “60, 61, tweede lid, 62”; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende: “§ 6. De Commissie kan ermee instemmen de tenuitvoerleg- ging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete geheel of gedeeltelijk op te schorten op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet heeft ontvangen. De beslissing waarbij het uitstel, wordt toegestaan of ge- weigerd, moet met redenen omkleed zijn. Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proef- tijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. Het uitstel wordt automatisch herroepen indien tijdens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve geldboete. Van de herroeping van het uitstel wordt kennis gegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd De administratieve geldboete waarvan de betaling af- dwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt ge- cumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.”. Art. 54. In artikel 52, tweede lid, tweede streepje, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 januari 2010 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woor- den “in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese Art. 51. Dans l’article 46, § 1er, alinéas 1er et 2, du même Code, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 52. Dans l’article 48 du même Code, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. CHAPITRE 10 Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Art. 53. À l’article 15/3 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, inséré par la loi du 10 janvier 2010, modifié par la loi du 7 mai 2019 et partiellement annulé par l’arrêt n° 36/2021 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées: 1° au paragraphe 1er, les mots “60, 62” sont remplacés par les mots “60, 61, alinéa 2, 62”; 2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit: “§ 6. La Commission peut convenir qu’il sera sursis à l’exé- cution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s’est pas vu infliger d’autres amendes administratives ou pénales pour infractions à la présente loi durant les trois années qui précèdent l’infraction. La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée. Le sursis vaut pendant un délai d’épreuve de trois ans. Le délai d’épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant une amende administrative. Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une nouvelle infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle amende administrative est commise pendant le délai d’épreuve. La révocation du sursis est notifiée par la même décision que celle qui inflige l’amende administrative pour cette nou- velle infraction. L’amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction.”. Art. 54. À l’article 52, alinéa 2, 2e tiret, de la même loi, remplacé par la loi du 10 janvier 2010 et modifié par la loi du 26 décembre 2015, les mots “dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 concernant l’accréditation des organismes d’évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre État membre des Communautés européennes ou dans un autre pays qui est 103 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte” vervangen door de woorden “in het raam van titel 2 van Boek VIII, van het Wetboek van economisch recht”. Art. 55. In artikel 55 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid inge- voegd, luidende: “De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid.”; 2° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden “de Commissie voor de bescherming van de per- soonlijke levenssfeer” vervangen door de woorden “de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Art. 56. In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet, aangevuld bij de wet van 10 januari 2010, wordt het bedrag “10 000 euro” vervangen door het bedrag “3 000 euro”. Art. 57. In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 januari 2010 en 7 mei 2019 en gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 177/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden genomen en bewaard in het register.”; 2° tussen het eerste en het tweede lid, worden twee leden ingevoegd, luidende: “De doelstelling van dit register is de commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kans- spelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van de betrokkene.”; 3° in het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden “gedurende ten minste vijf jaar” vervangen door de woorden “gedurende een termijn van maximum tien jaar”. Art. 58. Artikel 62/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 mei 2019, wordt opgeheven. Art. 59. In artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 januari 2010 en 7 mei 2019, worden de woorden “60 en 62” vervangen door de woorden “60, 61, tweede lid en 62”. partie à l’Accord sur l’Espace économique européen” sont remplacés par les mots “dans le cadre du Titre 2 du Livre VIII, du Code de droit économique”. Art. 55. À l’article 55 de la même loi, modifié par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les ali- néas 1er et 2: “La commission est responsable du traitement du système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er.”; 2° dans l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, les mots “la Commission de la protection de la vie privée” sont remplacés par les mots “l’Autorité de protection des données,”. Art. 56. À l’article 58, alinéa 2, de la même loi, complété par la loi du 10 janvier 2010, le montant “10 000 euros” est remplacé par le montant “3 000 euros”. Art. 57. À l’article 62 de la même loi, modifié par les lois du 10 janvier 2010 et du 7 mai 2019 et partiellement annulé par l’arrêt n° 177/2021 de la Cour constitutionnelle, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “A chaque visite de la personne concernée, une photographie de cette personne est prise et conservée dans le registre.”; 2° il est inséré, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, deux alinéas rédigés comme suit: “La finalité de ce registre est de permettre à la commis- sion de vérifier a posteriori si les consultations du système de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV. Les données à caractère personnel inscrites dans le registre sont conservées pendant dix ans à dater de la dernière activité de jeu de la personne concernée.”; 3° dans l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 5, les mots “pendant au moins cinq ans” sont remplacés par les mots “pour une durée de maximum dix ans”. Art. 58. L’article 62/1 de la même loi, inséré par la loi du 7 mai 2019, est abrogé. Art. 59. À l’article 64 de la même loi, modifié par les lois du 10 janvier 2010 et 7 mai 2019, les mots “60 et 62” sont remplacé par les mots “60, 61, alinéa 2 et 62”. 2774/001 DOC 55 104 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen Art. 60. In de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftri- bunalen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de woorden “chargé d’” vervangen door de woorden “appelé à”. Art. 61. In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel VIquater, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, ver- vangen als volgt: “Samenwerking met de internationale Onderzoeksmechanismen”. Art. 62. In artikel 91 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de eerste twee streepjes vervangen als volgt: “- “Mechanismen”: de internationale Onderzoeks­ mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oor- logsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard; — “Statuut”: het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is;” HOOFDSTUK 12 Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 63. In artikel 6, § 1, van de wet van 17 mei 2006 betref- fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt het woord “driemaal” vervangen door het woord “viermaal“. Art. 64. In titel IV, van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk IIter ingevoegd, luidende: “Hoofdstuk IIter. - De beperkte detentie”. Art. 65. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt een artikel 9/4 ingevoegd, luidend: “Art. 9/4. § 1. De beperkte detentie is een wijze van uit- voering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum zestien uur per dag. CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux Art. 60. Dans le texte français de l’article 43, 1er tiret, de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, modifié par la loi du 26 mars 2014, les mots “chargé d’” sont remplacés par les mots “appelé à”. Art. 61. Dans la même loi, l’intitulé du Titre VIquater, inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit: “Coopération avec les Mécanismes d’enquête internationaux.”. Art. 62. Dans l’article 91 de la même loi, inséré par la loi du 5 mai 2019, les deux premiers tirets sont remplacés par ce qui suit: “- “Mécanismes”: les Mécanismes d’enquête internationaux créés par l’Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l’humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l’exercice de cer- taines fonctions à caractère judiciaire; — “Statut”: le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l’Organisation des Nations unies ou par l’organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;” CHAPITRE 12 Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la vic- time dans le cadre des modalités d’exécution de la peine Art. 63. Dans l’article 6, § 1, de la loi du 17 mai 2006 rela- tive au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine, les mots “trois fois” sont remplacés par les mots “quatre fois”. Art. 64. Dans le titre IV, de la même loi, il est inséré un chapitre IIter, rédigé comme suit: “Chapitre IIter. – La détention limitée”. Art. 65. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est inséré un article 9/4, rédigé comme suit: “Art. 9/4. § 1er. La détention limitée est un mode d’exécution de la peine privative de liberté qui permet au condamné de quitter, de manière régulière, l’établissement pénitentiaire pour une durée déterminée de maximum seize heures par jour. 105 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele of opleidingsbelangen te behar- tigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.”. Art. 66. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt een artikel 9/5 ingevoegd, luidend: “Art. 9/5. De beperkte detentie wordt toegekend aan de veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° de veroordeelde bevindt zich, op 9 maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling; 2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegen- aanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de beperkte detentie ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen; 3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan de beperkte detentie kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.”. Art. 67. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt een artikel 9/6 ingevoegd, luidend: “Art. 9/6. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 9/5, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt of indien deze termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheid tot toekenning van beperkte detentie. De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot beperkte detentie aan de directeur. Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.”. Art. 68. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt een artikel 9/7 ingevoegd, luidend: “Art. 9/7. Indien het advies van de directeur niet wordt mee- gedeeld binnen de in artikel 9/6, derde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen. De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. § 2. La détention limitée peut être accordée au condamné afin de défendre des intérêts professionnels ou de formation qui requièrent sa présence hors de la prison.”. Art. 66. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est inséré un article 9/5, rédigé comme suit: “Art. 9/5. La détention limitée est accordée au condamné qui satisfait aux conditions suivantes: 1° le condamné se trouve à 9 mois près dans les conditions de temps pour l’octroi d’une libération conditionnelle; 2° il n’existe pas, dans le chef du condamné, de contre- indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l’exécution de sa peine, sur le risque qu’il commette des infractions graves pendant la détention limitée ou sur le risque qu’il importune les victimes; 3° le condamné marque son accord aux conditions qui peuvent être attachées à la détention limitée en vertu de l’article 11, § 3.”. Art. 67. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est inséré un article 9/6, rédigé comme suit: “Art. 9/6. Trois mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue à l’article 9/5, 1°, ou im- médiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur informe le condamné, par écrit, des possibilités d’octroi de détention limitée. Le condamné adresse sa demande écrite de détention limitée au directeur. Dans les deux mois de la réception de la demande, le directeur rédige un avis motivé, transmet la demande et son avis motivé au ministre ou à son délégué et en adresse une copie au condamné.”. Art. 68. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est inséré un article 9/7, rédigé comme suit: “Art. 9/7. Si l’avis du directeur n’est pas communiqué dans le délai prévu à l’article 9/2, alinéa 3, le président du tribunal de première instance peut, à la demande écrite du condamné, condamner le ministre sous peine d’astreinte à émettre son avis, par l’intermédiaire du directeur dans le délai prévu par le président du tribunal de première instance et à communiquer au condamné une copie de cet avis. Le président statue après avoir entendu le condamné et le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans les cinq jours de la réception de la demande. 2774/001 DOC 55 106 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.”. Art. 69. In het opschrift van hoofdstuk III, van dezelfde wet worden de woorden “en IIbis vervangen door de woorden ‘, IIbis en IIter”. Art. 70. In het opschrift van afdeling I van Hoofdstuk III, van dezelfde wet, vervangen door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “en de plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “, de plaatsing in een transitiehuis en de beperkte detentie”. Art. 71. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden “of het penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, het penitentiair verlof of de beperkte detentie”; 2° in paragraaf 2, derde lid, gewijzigd door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “, of een plaatsing in het transitiehuis” vervangen door de woorden “, een plaatsing in een transitiehuis of een beperkte detentie”; 3° in paragraaf 2, derde lid, gewijzigd door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis” vervan- gen door de woorden “waar de strafuitvoeringsmodaliteit”; 4° in paragraaf 2, vierde lid, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 november 2021, worden de woorden “van een eerste uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3,” ingevoegd tussen de woorden “van de toekenning” en de woorden “van een eerste penitentiair verlof” en worden de woorden “en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd, of van de plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “van de plaatsing in een transitiehuis of van de toekenning van een beperkte detentie”; 5° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd door de wet van 27 december 2006, worden de woorden “bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof” gewijzigd door de woorden “het penitentiair verlof of de beperkte detentie”; 6° in paragraaf 4, eerste zin, gewijzigd door de wet van 27 december 2006, worden de woorden “of het penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, het penitentiair verlof of de beperkte detentie”; 7° in paragraaf 4, tweede zin, worden de woorden “of dit penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, dit penitentiair verlof of deze beperkte detentie”. Art. 72. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° een nieuwe paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidend: “§ 2/1. De beslissing tot toekenning van een beperkte deten- tie bepaalt het programma van de concrete invulling hiervan. Cette décision n’est susceptible d’aucun recours.”. Art. 69. Dans l’intitulé du chapitre III, de la même loi les mots “et IIbis” sont remplacés par les mots “, IIbis et IIter”. Art. 70. Dans l’intitulé de la section Iière, du Chapitre III, de la même loi, remplacé par la loi du 11 juillet 2018, les mots “et du placement en maison de transition” sont remplacés par les mots “, du placement en maison de transition et de la détention limitée”. Art. 71. Dans l’article 10 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er , les mots “ou le congé péniten- tiaire” sont remplacés par les mots “, le congé pénitentiaire ou la détention limitée”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, modifié par la loi du 11 juillet 2018, les mots “ou d’un placement dans une maison de transition” sont remplacés par les mots “, d’un placement dans une maison de transition ou d’une détention limitée”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, modifié par la loi du 11 juillet 2018, les mots “où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition” sont remplacés par les mots “où la modalité de l’exécution de la peine”; 4° dans le paragraphe 2, alinéa 4, modifié en dernier lieu par la loi du 28 novembre 2021, les mots “d’une première permission de sortie visée à l’article 4, § 3,” sont insérés entre les mots “de l’octroi” et les mots “d’un premier congé pénitentiaire” et les mots “et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt, ou du placement en maison de transition” sont remplacés par les mots “du placement en maison de transition ou de l’octroi de la détention limitée”; 5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les mots “visée à l’article 4, ou le congé pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, le congé péni- tentiaire ou la détention limitée”; 6° dans le paragraphe 4, première phrase, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les mots “ou le congé pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, le congé pénitentiaire ou la détention limitée”; 7° dans le paragraphe 4, deuxième phrase, les mots “ou ce congé pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, ce congé pénitentiaire ou cette détention limitée”. Art. 72. Dans l’article 11 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° un nouvel paragraphe 2/1 est inséré, rédigé comme suit: “§ 2/1. La décision d’octroi d’une détention limitée prévoit le programme du contenu concret de la modalité. 107 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De bevoegde dienst van de Gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels. In geval van toekenning van beperkte detentie, kan de minister of zijn gemachtigde eveneens penitentiair verlof toekennen, waarvan de duur niet minder dan viermaal zes- endertig uur per trimester bedraagt. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.”; 2° in paragraaf 3, eerste zin, vervangen door de wet van 28 juli 2018, worden de woorden “of een plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “, de plaatsing in een transitiehuis of een beperkte detentie””; 3° in paragraaf 3, derde zin, vervangen door de wet van 28 juli 2018, worden de woorden “en 9/3, § 1, 3°” vervangen door de woorden “, 9/3, § 1, 3° en 9/5, 2°”. Art. 73. In titel IV, Hoofdstuk III, van dezelfde wet, wordt afdeling Ibis ingevoegd, luidend: “Afdeling Ibis. – De opvolging van en het toezicht op de beperkte detentie”. Art. 74. In afdeling Ibis ingevoegd door artikel 73, wordt een artikel 11/1 ingevoegd, luidend: “Art. 11/1. § 1. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen is belast met de opvolging van en het toezicht op: 1° het programma en de concrete invulling van de beperkte detentie; 2° de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die door de minister of zijn gemachtigde aan de veroordeelde opgelegd zijn. § 2. Ingeval een beperkte detentie wordt toegekend, con- tacteert de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de veroordeelde om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen. § 3. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen brengt binnen een maand na de toekenning van de beperkte deten- tie verslag uit over de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de minister of zijn gemachtigde hem erom verzoekt en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de minister of zijn gemachtigde relevante informatie met betrek- king tot de veroordeelde waarover de bevoegde dienst van de Gemeenschappen beschikt. Het verslag bevat ten minste: 1° informatie over het programma en de concrete invul- ling van de beperkte detentie en de mate waarin die in acht worden genomen; Le service compétent des Communautés se charge de donner un contenu concret à la modalité d’exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi. Si le ministre ou son délégué décide de l’octroi d’une déten- tion limitée, il peut également octroyer un congé pénitentiaire. En cas d’octroi d’un congé pénitentiaire, la durée du congé pénitentiaire ne peut être inférieure à quatre fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.”; 2° dans le paragraphe 3, première phrase, remplacée par la loi du 28 juillet 2018, les mots “ou d’un placement dans une maison de transition” sont remplacés par les mots “, d’un placement dans une maison de transition ou d’une détention limitée”; 3° dans le paragraphe 3, troisième phrase, remplacé par la loi du 28 juillet 2018, les mots “et 9/3, § 1, 3” sont remplacés par les mots “, 9/3, § 1, 3° et 9/5, 2°”. Art. 73. Dans le Titre IV, Chapitre III, de la même loi, il est inséré une section Ibis, rédigée comme suit: “Section Ibis – Du suivi et du contrôle de la détention limitée” Art. 74. Dans la section Ibis, insérée par l’article 73, il est inséré un article 11/1, rédigé comme suit: “Art. 11/1. § 1. Le service compétent des Communautés est chargé du suivi et du contrôle: 1° du programme et du contenu concret de la détention limitée; 2° des conditions particulières individualisées imposées au condamné par le ministre ou son délégué. § 2. Si une détention limitée est octroyée, le service com- pétent des Communautés convoque le condamné afin de lui fournir toute information utile au bon déroulement de la modalité d’exécution de la peine. § 3. Le service compétent des Communautés fait rapport au ministre ou à son délégué sur le condamné dans le mois de l’octroi de la détention limitée, puis chaque fois qu’il l’estime utile ou que le ministre ou son délégué l’y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations relatives au condamné dont dispose le service compétent des Communautés et qui sont pertinentes pour le ministre ou son délégué. Le rapport contient au moins: 1° des informations sur le programme et le contenu concret de la détention limitée ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées; 2774/001 DOC 55 108 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.”. Art 75. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° een nieuwe paragraaf 2ter wordt ingevoegd, luidend: “§ 2ter. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een beperkte detentie, of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de beperkte detentie, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om: 1° de voorwaarden aan te passen; 2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste uitgang; 3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroor- deelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping. In geval van herroeping van de beperkte detentie beslist de minister of zijn gemachtigde over de eventuele herroeping van het penitentiair verlof. Indien het penitentiair verlof niet herroepen wordt, wordt het herleid tot het aantal bepaald in artikel 6, § 1.”; 2° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd door de wetten van 5 februari 2016 en 11 juli 2018 worden de woorden “of van een penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, van een penitentiair verlof of van een beperkte detentie”. Art. 76. In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “artikel 12, §§ 2 en 2bis” vervangen door de woorden “artikel 12, §§ 1, 2, 2bis en 2ter”. Art. 77. In artikel 14 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid, gewijzigd door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “of de plaatsing in het transitiehuis” ver- vangen door de woorden “, de plaatsing in een transitiehuis of de beperkte detentie”; 2° in het derde lid, gewijzigd door de wetten van 15 de- cember 2013 en 11 juli 2018, worden de woorden “inzake een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof, een plaatsing in een transitiehuis of een beperkte detentie”. Art. 78. Het opschrift van hoofdstuk I van Titel V, wordt vervangen als volgt: 2° une énumération de toutes les conditions particulières individualisées imposées au condamné ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées. Le cas échéant, le service compétent des Communautés propose les mesures qu’il juge utiles.”. Art. 75. Dans l’article 12 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° un nouveau paragraphe 2ter est inséré, rédigé comme suit: “§ 2ter. En cas de non-respect des conditions d’une déci- sion d’octroi d’une détention limitée ou s’il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n’existait pas au moment de l’octroi de la détention limitée, le ministre ou son délégué peut décider: 1° d’adapter les conditions; 2° de suspendre la décision pour une période de trois mois maximum, à compter de la dernière sortie; 3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette révocation. En cas de révocation de la détention limitée, le ministre ou son délégué décide de la révocation éventuelle des congés pénitentiaires. Si le congé pénitentiaire n’est pas révoqué, il sera réduit au nombre déterminé à l’article 6, § 1.” 2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifié par les lois du 5 février 2016 et 11 juillet 2018, les mots “ou d’un congé pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, d’un congé pénitentiaire ou d’une détention limitée”. Art 76. Dans l’article 13, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 11 juillet 2018, les mots “l’article 12, §§ 2 et 2bis” sont remplacés par les mots “l’article 12, §§ 1, 2, 2bis et 2ter”. Art. 77. Dans l’article 14 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 2, modifié par la loi du 11 juillet 2018, les mots “ou le placement en maison de transition” sont rempla- cés par les mots “, le placement en maison de transition ou la détention limitée”; 2° dans l’alinéa 3, modifié par les lois du 15 décembre 2013 et 11 juillet 2018, les mots “concernant un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition” sont remplacés par les mots “concernant une permission de sortie, visée à l’article 4, § 3, un congé pénitentiaire, un placement en maison de transition ou une détention limitée”. Art. 78. L’intitulé du chapitre Ier du Titre V est remplacé comme suit: 109 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Hoofdstuk I. – Het elektronisch toezicht”. Art. 79. In Titel V, van dezelfde wet, wordt afdeling I, die artikel 21 omvat, opgeheven. Art. 80. Het opschrift van afdeling II wordt vervangen als volgt: “Afdeling II. – Definitie”. Art. 81. In artikel 23 van de dezelfde wet worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “De beperkte detentie en het elektronisch toezicht kunnen” vervangen door de woorden “Het elektronisch toezicht kan’”; 2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “een beperkte detentie of” opgeheven; 3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “een beperkte detentie of” opgeheven. Art. 82. In artikel 27, van dezelfde wet, worden de woorden “drie jaar of minder bedraagt” vervangen door de woorden “drie jaar of minder, maar meer dan zes maanden bedraagt”. Art. 83. In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, gewijzigd door de wet van 14 december 2012, wordt aangevuld met de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden”; 2° paragraaf 1, tweede lid wordt opgeheven; 3° paragraaf 2, eerste lid, eerste zin, wordt aangevuld met de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden”. Art. 84. In artikel 29 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden “De beperkte deten- tie en het elektronisch toezicht worden” vervangen door de woorden “Het elektronisch toezicht wordt”; 2° paragraaf 2/1, derde lid, ingevoegd door de wet van 29 juni 2021, wordt vervangen als volgt: “Binnen vijftien werkdagen vanaf de indiening van het schriftelijk verzoek op de griffie van de gevangenis, legt de betrokken veroordeelde zijn dossier neer op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit dossier omvat de mededeling van de elementen die relevant zijn voor de aanvraag van het elektronisch toezicht, met name: precieze informatie over een zinvolle dagbesteding, over de plaats waar het elektronisch “Chapitre Ier. – La surveillance électronique”. Art. 79. Dans le Titre V, de la même loi, la section Ire, qui contient l’article 21, est abrogée. Art. 80. L’intitulé de la section II est remplacé comme suit: “Section II. – Définition”. Art. 81. Dans l’article 23 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “La détention limitée et la surveillance électronique peuvent être accordées” sont remplacés par les mots “La surveillance électronique peut être accordée”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “une détention limitée ou” sont abrogés; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “de détention limitée ou” sont abrogés. Art. 82. Dans l’article 27 de la même loi, les mots “s’élève à trois ans ou moins” sont remplacés par les mots “s’élève à trois ans ou moins, mais à plus de six mois”. Art. 83. Dans l’article 28 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, modifié par la loi du 14 décembre 2012 est complété par les mots “auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre”; 2° le paragraphe 1er, alinéa 2 est supprimé; 3° le paragraphe 2, alinéa 1er, première phrase, est complété par les mots “auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre”. Art. 84. Dans l’article 29 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “La détention limitée et la surveillance électronique sont accordées” sont remplacés par les mots “La surveillance électronique est accordée”; 2° le paragraphe 2/1, alinéa 3, inséré par la loi du 29 juin 2021, est remplacé comme suit: “Dans les quinze jours ouvrables de l’introduction de la demande écrite au greffe de la prison, le condamné concerné dépose son dossier au greffe du tribunal de l’application des peines. Ce dossier contient la communication des éléments pertinents pour la demande de surveillance électronique, à savoir: des informations précises sur la manière dont il entend occuper utilement ses journées, sur l’endroit où la surveillance 2774/001 DOC 55 110 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de meerderjarige huisgenoten op die plaats.”. Art. 85. In artikel 30, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 29 juni 2021, worden de woorden “strafuitvoerings- modaliteit en de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter” vervangen door de woorden “strafuitvoeringsmodaliteit en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”. Art. 86 In artikel 34, paragraaf 2, eerste, tweede en vierde lid, van dezelfde wet, vervangen door de wet van 29 juni 2021, worden telkens de woorden “, de beperkte detentie” opgeheven. Art. 87. In artikel 39 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het 2°, gewijzigd door de wet van 28 november 2021, worden de woorden “de beperkte detentie” vervangen door de woorden “de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied”; 2° het artikel wordt aangevuld met een 4° luidende: “4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.”. Art. 88. Artikel 40 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met paragra- fen 2 en 3, luidende: “§ 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voor- waardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten. Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. § 3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er con- crete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuit- voeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.”. Art. 89. In artikel 42, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden “een beperkte detentie of” opgeheven. Art. 90. In artikel 43 van dezelfde wet, worden de volgende wijzingen aangebracht: électronique se déroulera et l’accord des cohabitants majeurs de cet endroit.”. Art. 85. Dans l’article 30, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 29 juin 2021, les mots “de la peine demandée et l’éva- luation par le juge de l’application des peines” sont remplacés par les mots “de la peine demandée et pour l’évaluation par le juge de l’application des peines”. Art. 86. Dans l’article 34, paragraphe 2, alinéas 1er, 2 et 4, de la même loi, remplacés par la loi du 29 juin 2021, les mots “, la détention limitée” sont à chaque fois abrogés. Art. 87. Dans l’article 39 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le 2°, modifié par la loi du 28 novembre 2021, les mots “la détention limitée” sont remplacés par les mots “la mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire”; 2° l’article est complété par un 4°, rédigé comme suit: “4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l ’éloignement du territoire, l’obligation de quitter effectivement le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d’épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l’accès au territoire, au séjour ou à l’établissement dans le Royaume et sans l’autorisation préalable du juge de l’application des peines.”. Art. 88. L’article 40 de la même loi, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er , est complété par les paragraphes 2 et 3, rédigés comme suit: “§ 2. En cas d’octroi d’une libération conditionnelle, le juge de l’application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle. Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l’application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. § 3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s’il existe des éléments concrets d’extrémisme violent tels que définis à l’article 32, § 2, alinéa 2, l’autorisation donnée par le juge de l’application des peines conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit faire l’objet d’une motivation spéciale.”. Art. 89. Dans l’article 42, alinéa 1er, de la même loi, les mots “d’une détention limitée ou” sont abrogés. Art. 90. Dans l’article 43 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 111 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in paragraaf 1, vervangen door de wet van 29 juni 2021, worden de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven; 3° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 29 juni 2021, worden de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven; 4° in paragraaf 3 wordt het woord “driemaal” vervangen door het woord “viermaal”. Art. 91. in artikel 49, § 1, van dezelfde wet, worden de woorden “De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden” vervangen door de woorden “Het elektronisch toe- zicht wordt”. Art. 92. In artikel 55, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 5 februari 2016 en 28 november 2021, worden de woorden “voor de beperkte detentie en” opgeheven. Art. 93. In artikel 59 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het laatste lid, ingevoegd door de wet van 28 november 2021, worden de woorden “artikelen 64” vervangen door de woorden “artikelen 63, 64,”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “In geval van toekenning van een beperkte detentie, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in het vonnis tot toekenning het programma van de concrete invulling ervan. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de beperkte detentie overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels. Artikel 11/1 is van toepassing voor de opvolging en de controle van de beperkte detentie, met dien verstande dat verslag wordt uitgebracht aan de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank.”. Art. 94. In artikel 60 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het vierde lid, ingevoegd door de wet van 15 maart 2013 en gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden “van de strafuitvoeringsrechtbank” ingevoegd tussen de woorden “op de beslissingen” en “tot toekenning van”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minis- ter die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit 1° dans le paragraphe 1er, remplacé par la loi du 29 juin 2021, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 2, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés; 3° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 29 juin 2021, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés; 4° dans le paragraphe 3, les mots “trois fois” sont remplacé par les mots “quatre fois”. Art. 91. Dans l’article 49, § 1er , de la même loi, les mots “La détention limitée et la surveillance électronique sont accordées” sont remplacés par les mots “La surveillance électronique est accordée”. Art. 92. Dans l’article 55, 2°, de la même loi, modifié par les lois du 5 février 2016 et 28 novembre 2021, les mots “pour la détention limitée et” sont abrogés. Art. 93. Dans l’article 59 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le dernier alinéa, inséré par la loi du 28 novembre 2021, les mots “articles 64” sont remplacés par les mots “articles 63, 64,”; 2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “En cas d’octroi d’une détention limitée, le juge de l’appli- cation des peines ou le tribunal de l’application des peines détermine dans le jugement d’octroi le programme du contenu concret de celle-ci. Le service compétent des Communautés se charge de donner un contenu concret à la détention limitée conformément aux modalités fixées par le Roi. L’article 11/1 est d’application pour le suivi et le contrôle de la détention limitée, étant entendu que rapport est fait au juge de l’application des peines ou au tribunal de l’application des peines.”. Art. 94. Dans l’article 60 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 4, inséré par la loi du 15 mars 2013 et modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “du tribunal de l’application des peines” sont insérés entre les mots “pas aux décisions” et les mots “d’octroi d’une mise en liberté provisoire”; 2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Le premier et le deuxième alinéas ne s’appliquent pas aux décisions du juge de l’application des peines d’octroi d’une mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l’éloignement effectif, du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement d’étrangers ou de la notification par l’Office des étrangers que l’éloignement ou le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours après que la décision d’octroi est coulée en force de chose 2774/001 DOC 55 112 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.”. Art. 95. In artikel 62 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede zin, vervangen door de wet van 28 november 2021, worden onder 1°, de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven; 2° in paragraaf 3, vervangen door de wet van 28 november 2021, worden onder 1° de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven. Art. 96. Artikel 65 van dezelfde wet, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuit- voeringsmodaliteit toekennen.” Art. 97. In artikel 66 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden “tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk” opgeheven; 2° in paragraaf 3 worden de woorden “, in welk geval hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere straf- uitvoeringsmodaliteit kan toekennen,” ingevoegd tussen de woorden “herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe- ringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit” en de woorden “of heft hij of zij de schorsing”. Art. 98. In artikel 67 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede zin, worden de woorden “of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen” opgeheven; 2° in paragraaf 1, derde zin, worden de woorden “of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit” opgeheven; 3° in paragraaf 2, worden de woorden “of een andere straf- uitvoeringsmodaliteit toe te kennen” opgeheven. Art. 99. In artikel 68, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, ge- wijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden “een beperkte detentie of” en de woorden “in beperkte detentie was of” opgeheven. jugée. Si l’éloignement, le transfert ou la notification n’a pas eu lieu à l’expiration du délai précité, le condamné est libéré.”. Art. 95. Dans l’article 62 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, deuxième phrase, remplacé par la loi du 28 novembre 2021, sous 1°, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 3, remplacé par la loi du 28 novembre 2021, sous 1°, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés. Art. 96. L’article 65 de la même loi, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’appli- cation des peines, peut, moyennant l’accord du condamné, octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine”. Art. 97. Dans l’article 66 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 5 février 2016, les mots “, sauf s’il ressort d’un avis de l’Office des étrangers que le condamné n’est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 3, les mots “auquel cas il peut, conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine” sont insérés entre les mots “révoque la modalité d’exécution de la peine” et les mots “ou en lève la suspension”. Art. 98. Dans l’article 67 de la même loi, modifié par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er , deuxième phrase, les mots “ou octroyer une autre modalité d’exécution de la peine” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 1, troisième phrase, les mots “ou sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine” sont abrogés; 3° dans le paragraphe 2, les mots “ou d’octroyer une autre modalité d’exécution de la peine” sont abrogés. Art. 99. Dans l’article 68, § 5, alinéa 1er, de la même loi, modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “d’une détention limitée ou” et les mots “en détention limitée ou” sont abrogés. 113 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 100. In artikel 95/18 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “in arti- kel 21” vervangen door de woorden “in artikel 9/4”; 2° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt: “Artikel 9/5, voor de beperkte detentie, en de artikelen 47, § 1, en 48, voor het elektronisch toezicht, zijn van toepassing.”; 3° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt: “§ 2. De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en tiende en elfde lid. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar op- levert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt. De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig ar- tikel 54, § 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een elektronisch toezicht toekent, kan zij de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een beperkte detentie toekent, kan zij de veroordeelde onderwerpen aan geïndi- vidualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden tegemoet te komen aan de in artikel 9/5 bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers. De artikelen 55, 56, § 1, tweede lid, §§ 2, 3 en 4 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoerings- rechtbank. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt in het von- nis tot toekenning van de beperkte detentie het programma van de concrete invulling ervan. De bevoegde dienst van de gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de beperkte detentie overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels. Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.”. Art. 100. Dans l’article 95/18 de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “l’article 21” sont remplacés par les mots “l’article 9/4”; 2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est remplacé comme suit: “L’article 9/5 est d’application en ce qui concerne la détention limitée, et les articles 47, § 1er, et 48, sont d’application en ce qui concerne la surveillance électronique”. 3° le paragraphe 2 est remplacé comme suit: “§ 2. La procédure d’octroi se déroule conformément aux articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et alinéas 10 et 11. Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l’ordre public, les bonnes mœurs ou la sécurité nationale, l’audience est publique si le condamné en fait la demande. Le tribunal de l’application des peines rend sa décision conformément à l’article 54, § 1er. Si le tribunal de l’application des peines n’accorde pas la détention limitée ou la surveillance électronique, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement. Si le tribunal de l’application des peines octroie une sur- veillance électronique, il peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées qui permettent la réalisation du plan de réinsertion sociale ou qui permettent de répondre aux contre-indications visées à l’article 47, § 1er, ou qui s’avèrent nécessaires dans l’intérêt des victimes. Si le tribunal de l’application des peines octroie une déten- tion limitée, il peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées qui permettent de répondre aux contre-indications visées à l’article 9/5 ou qui s’avèrent nécessaires dans l’intérêt des victimes. Les articles 55, 56, § 1er, alinéa 2, §§ 2, 3 et 4 et 58 s’ap- pliquent à la décision du tribunal de l’application des peines. Le tribunal de l’application des peines détermine dans le jugement d’octroi de la détention limitée le programme du contenu concret de la modalité. Le service compétent des Communautés se charge de donner un contenu concret à la modalité d’exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi. Le jugement d’octroi d’une détention limitée ou d’une surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal de l’application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.”. 2774/001 DOC 55 114 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 101. Artikel 95/20 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 26 april 2007, wordt vervangen als volgt: “Art. 95/20. Artikel 11/1 is van toepassing voor de opvolging en de controle van de beperkte detentie, met dien verstande dat verslag wordt uitgebracht aan de strafuitvoeringsrechtbank. Artikel 62 is van toepassing voor de opvolging en de controle van het elektronisch toezicht. Artikel 63 is van toepassing op de beperkte detentie en het elektronisch toezicht. Titel VIII en titel IX zijn van toepassing, met dien verstande dat het openbaar ministerie met het oog op de herroeping van de beperkte detentie de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig kan maken wanneer de veroordeelde het pro- gramma van de concrete invulling van de beperkte detentie, met inbegrip van de naleving van het uurrooster, niet naleeft.”. HOOFDSTUK 13 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende rege- ling van economische en individuele activiteiten met wapens Art. 102. In de Nederlandse tekst van artikel 11/1, laatste lid van de wapenwet van 8 juni 2006, worden de woorden “Artikel 11, 4, § 3, 6°, 7° en 9°” vervangen door de woorden “Artikel 11, § 3, 6°, 7° en 9°”. Art. 103. In artikel 19,1° van dezelfde wet, worden de woorden “wapens per postorder of via internet te verkopen of te koop aan te bieden aan particulieren” vervangen door de woorden “Wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder of via het internet te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden of over te dragen aan particulieren”. HOOFDSTUK 14 Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 104. In artikel 157, § 1, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 105. In artikel 157/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 ja- nuari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 106. In artikel 160 van dezelfde wet, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 107. In artikel 163 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012 en de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 101. L’article 95/20 de la même loi, inséré par la loi du 26 avril 2007, est remplacé comme suit: “Art. 95/20. L’article 11/1 est d’application pour le suivi et le contrôle de la détention limitée, étant entendu que rapport est fait au tribunal de l’application des peines. L’article 62 est d’application pour le suivi et le contrôle de la détention limitée. L’article 63 est d’application pour la détention limitée et la surveillance électronique. Le Titre VII et le Titre IX sont d’application, étant entendu que le ministère public peut saisir le tribunal de l’application des peines en vue de la révocation de la détention limitée lorsque le condamné ne respecte pas le programme du contenu concret de la détention limitée, y inclus le respect de l’horaire.”. CHAPITRE 13 Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activi- tés économiques et individuelles avec des armes Art. 102. Dans le texte néerlandais de l’article 11/1,der- nier alinéa de la loi sur les armes du 8 juin 2006 ,les mots “article 11,4,§ 3,6° ,7°et 9° sont remplacés par les mots “ar- ticle 11,§ 3 ,6° ,7° et 9°” Art. 103. Dans l’article 19, point 1°, de la loi sur les armes du 8 juin 2006, les mots “de vendre ou d’offrir en vente des armes à des particuliers par correspondance ou par inter- net” sont remplacés par les mots “d’acheter ou de vendre, d’offrir en vente ou de céder des armes ainsi que des pièces détachées soumises à l’épreuve légale à des particuliers par correspondance ou par internet”. CHAPITRE 14 Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 104. Dans l’article 157, § 1er, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 105. Dans l’article 157/1, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 106. Dans l’article 160 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 107. A l’article 163 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012 et la loi du 19 janvier 2022, les modifi- cations suivantes sont apportées: 115 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° het cijfer “4.59” wordt vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. 2° de woorden “akte of” worden ingevoegd tussen het woord “bedoelde” en het woord “attest”. HOOFDSTUK 15 Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betref- fende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Art. 108. In de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, wordt in de plaats van artikel 12, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 12 ingevoegd: “Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeksrechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen. De procureur des Konings richt hiertoe een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de volgende gegevens bevat: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is. Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek. De on- derzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter beoordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten. De beslissing van de onderzoeksrech- ter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen. Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de ken- nisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd. § 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid: 1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”; 2° les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir “et les mots “un certificat d’hérédité”. CHAPITRE 15 Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui Art. 108. Dans la loi du 18 octobre 2017 relative à la péné- tration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, à la place de l’article 12 annulé par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 12 rédigé comme suit: “Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien concerné, ordon- ner l’évacuation du bien concerné après autorisation du juge d’instruction. A cette fin, le procureur du Roi adresse au juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes: 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indi- cation de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance; 2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire. Il mentionne dans sa demande les circonstances suscep- tibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Le juge d’instruction décide dans un délai de 48 heures maximum après réception de la demande. Le juge d’instruc- tion peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Le juge d’instruction apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l’autorisation au regard des faits. La décision du juge d’instruction est motivée. Cette décision n’est susceptible d’aucun recours. Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le procureur du Roi prend l’ordonnance d’évacuation en la motivant et dans le respect de la présomption d’innocence. L’ordonnance implique l’évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien. Un procès-verbal de notification, constitué d’une copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de la notification, est dressé et joint au dossier. § 2. L’ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres: 2774/001 DOC 55 116 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het bevel; 3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept; 4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid; 5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontrui- ming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek; 6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarin die uitge- oefend moet worden. Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerleg- ging van het bevel tot ontruiming. § 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten ge- schaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen om- kleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schor- sende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt. Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvorde- ring die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond. § 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift. Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indi- cation de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance; 2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l’ordonnance; 3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indi- cation du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l’égard du bien concerné; 4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5; 5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d’évacuation, notamment celles visées à l’article 442/1, § 2, du Code pénal; 6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit. Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l’ordonnance est remise à titre de notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné au moment de l’affichage. Une copie de l’ordonnance est transmise par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d’action sociale compétent. Le procureur du Roi se charge de l’exécution de l’ordon- nance d’évacuation. § 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l’ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l’ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L’ordonnance du procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours. Ce recours n’est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits. § 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l’audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L’audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l’article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n’est pas requis pour le dépôt de la requête. Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l’audience à la personne qui forme un recours contre l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un droit ou d’un 117 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens anders- luidende bepalingen verloopt de procedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrede- rechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uit- zonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen. De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit. Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.”.” HOOFDSTUK 16 Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Art. 109. In artikel 5 van de wet betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het peni- tentiair personeel worden de volgende wijzingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt: “Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht.” 2° In paragraaf 2, eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 3° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie magistraten voorgesteld door het College van het openbaar ministerie” vervangen door de woorden “op voordracht van het College van het openbaar ministerie, een parketma- gistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank”; b) in de bepaling onder 4° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie rechters voorgesteld door het College van de hoven en recht- banken” vervangen door de woorden “op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank;”; titre sur le bien. Il communique également les jour et heure de l’audience au procureur du Roi qui a pris l’ordonnance d’évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire. Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties pré- sentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule comme déterminé à l’article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l’évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l’article 1344decies, alinéa 1er, du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l’ordonnance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois. Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l’audience. La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun recours.”.” CHAPITRE 16 Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Art. 109. A l’article 5 de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du person- nel pénitentiaire, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1, est remplacé par ce qui suit: “Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre.” 2° Au paragraphe 2, alinéa 1, les modifications suivantes sont apportées: a) au 3°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par le Collège du ministère public” sont remplacés par “sur proposition du Collège du ministère public, un magistrat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l’application des peines;”; b) au 4°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par le Collège des cours et tribunaux” sont remplacés par “sur pro- position du Collège des cours et tribunaux, un magistrat par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l’application des peines;”; 2774/001 DOC 55 118 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E c) in de bepaling onder 5° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van telkens een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Ordre des Barreaux francophones et germanophones” vervangen door de woorden “op respectievelijke voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de “Ordre des barreaux francophones et germanophone”, een advocaat per taalrol;”; d) In de bepaling onder 6° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van telkens een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire Raad” ver- vangen door de woorden “op respectievelijke voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld;”; e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt: “8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienst- verlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit;” 3° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt: “De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen na ak- koord van de bevoegde regeringen, voor een duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.”. Art. 110. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de penitentiaire beleidsraad. De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad.”. HOOFDSTUK 17 Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek Art. 111. In artikel 41sexies van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”; 2° in paragraaf 14 worden de woorden “akte of” ingevoegd tussen het woord “bedoeld” en het woord “attest”; c) au 5°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois avocats proposés par l’Ordre des barreaux francophone et germanophone et d’une liste de trois avocats proposés par l’Orde van Vlaamse Balies” sont remplacés par “sur proposition respective de l’Orde van Vlaamse Balies et de l’Ordre des barreaux francophone et germanophone, un avocat par rôle linguisitique;”; d) au 6°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois candidats proposés par le Conseil des recteurs des Universités francophones et d’une liste de trois candidats proposés par le Conseil interuniversi- taire flamand” sont remplacés par “sur proposition respective du Conseil des recteurs des Universités francophones et du Conseil interuniversitaire flamand, un représentant par rôle linguistique du monde accadémique;”; e) le 8° est remplacé par ce qui suit: “8° un représentant par entité fédérée, sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d’aide sociale aux détenus.”. 3° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Les membres sont nommés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, pris après accord des gouvernements compétents, pour une période de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.”. Art. 110. L’article 8 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 8. Le Roi détermine les modalités d’introduction des candidatures et de nomination des membres du Conseil pénitentiaire. Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement du Conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux indemnités et aux frais applicables aux membres du Conseil pénitentiaire.”. CHAPITRE 17 Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du Code civil Art. 111. À l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969 révi- sant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications sui- vantes sont apportées: 1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”; 2° dans le paragraphe 14, les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir “et les mots “un certificat d’hérédité “; 119 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. Art. 112. In artikel 23quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wetten van 20 september 2018, 7 mei 2019 en 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”; 2° in paragraaf 11 worden de woorden “akte of” ingevoegd tussen het woord “bedoeld” en het woord “attest”; 3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”. HOOFDSTUK 18 Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen Art. 113. Het koninklijk besluit van 27 januari 2022 betref- fende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprich- tingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022 is bekrachtigd met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding. HOOFDSTUK 19 Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevol- king in de gevangenissen Art. 114. De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen “directeur”, “veroordeelde”, “slachtoffer” dienen te worden begrepen in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Art. 115. § 1. De directeur kent een vervroegde invrij- heidstelling toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoor- waarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheids- straffen waartoe hij is veroordeeld. In afwijking van het eerste lid, is de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe- ringsrechtbank wordt herroepen gedurende zes maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling. Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde. Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt herroepen, kan zij niet opnieuw worden toegekend. 3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. Art. 112. À l’article 23quater de l’arrêté royal n° 38 du 27 juin 1967 organisant le statut social des travailleurs indé- pendants, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par les lois du 20 septembre 2018, 7 mai 2019 et 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”; 2° dans le paragraphe 11, les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir “et les mots “un certificat d’hérédité “; 3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”. CHAPITRE 18 Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard Art. 113. L’arrêté royal du 27 janvier 2022 relatif à la contribu- tion aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022 est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur. CHAPITRE 19 Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons Art. 114. Les notions de “directeur”, de “condamné” et de “victime” visées au présent chapitre doivent être entendues au sens de l’article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine. Art. 115. § 1er. Le directeur octroie la libération anticipée au condamné qui se trouve dans les conditions de temps pour l’octroi de la libération conditionnelle, à partir de six mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné. Par dérogation à l’alinéa 1er, le condamné dont la modalité d’exécution de la peine est révoquée par le juge d’application des peines ou le tribunal de l’application des peines pendant la durée de validité de cette mesure est exclu de la libération anticipée pendant six mois à compter de l’exécution du juge- ment de révocation. Si la libération anticipée n’est pas révoquée, elle court jusqu’à la fin de la peine. Si la libération anticipée est révoquée, elle ne peut plus être octroyée à nouveau. 2774/001 DOC 55 120 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling bedoeld in paragraaf 1: — de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbe- nemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt; — de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraf- fen ondergaan voor de feiten vermeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek; — de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraf- fen ondergaan voor de feiten vermeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek; — de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoe- ringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek; — de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf; — de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Art. 116. § 1. De directeur neemt de beslissing tot toeken- ning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende criteria getoetst te hebben: — het hebben van onderdak; — het beschikken over voldoende middelen van bestaan. De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrecht- bank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin- nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden. § 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden: 1° geen strafbare feiten plegen; 2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddellijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet. § 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libération anticipée visée au § 1er: — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s’élève à plus de 10 ans; — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Iter, du Code pénal; — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés aux articles 371/1 à 378bis du Code pénal; — les condamnés qui font l’objet d’une condamnation avec une mise à disposition du tribunal de l’application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal; — les condamnés qui n’ont pas de droit de séjour; — les condamnés qui sont suivis par l’Organe pour la coordination de l’analyse de la menace dans le cadre des banques de données communes visées aux articles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Art. 116. § 1. Le directeur octroie la libération anticipée après s’être assuré de la faisabilité de la mesure et après avoir fait les vérifications suivantes: — le condamné dispose d’un logement; — le condamné dispose de moyens d’existence suffisants. Le procureur du Roi de l’arrondissement où le condamné a son lieu de résidence ou de séjour et, si le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines est déjà saisi, le ministère public près le tribunal de l’application des peines, sont informés le plus rapidement possible de l’octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de l’octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. § 2. Pendant le délai d’épreuve, le condamné est soumis aux conditions générales suivantes: 1° ne pas commettre d’infraction; 2° ne pas importuner les victimes et immédiatement quitter les lieux lorsqu’il rencontre une victime. 121 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog reste- rende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling. In geval van herroeping van de vervroegde invrijheidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke hij in vervroegde invrijheidstelling was en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping van de vervroegde invrijheidsstelling, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. § 3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende gevallen: — wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten niet heeft nageleefd; — wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarde vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° niet naleeft. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin- nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. § 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische in- tegriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur. De directeur neemt een beslissing over de al dan niet herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de pro- cureur des Konings. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin- nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. Art. 117. Dit hoofdstuk treedt buiten werking op 1 januari 2025. HOOFDSTUK 20 Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betref- fende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Art. 118. In artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, gewijzigd door de wet van 25 december 2016, wordt een § 1/1 ingevoegd, luidend als volgt: “§ 1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kunnen be- palen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van de beslissing Le délai d’épreuve est égal à la durée de la peine qu’il restait à subir au moment de la libération anticipée. Si la libération anticipée est révoquée sur la base du para- graphe 3, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée et qui court jusqu’à la décision de révocation de la libération anticipée est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l’octroi. § 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les cas suivants: — lorsqu’il existe des indications sérieuses selon lesquelles le condamné n’a pas respecté l’interdiction de commettre des infractions; — lorsque le condamné ne respecte pas la condition géné- rale mentionnée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°. La victime est informée de la décision de révocation le plus rapidement possible et dans tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. § 4. Si le condamné met gravement en péril l’intégrité physique ou psychique de tiers pendant le délai d’épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l’arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au directeur. Le directeur prend une décision sur la révocation ou non de la libération anticipée dans les sept jours qui suivent l’arresta- tion du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de com- munication écrit le plus rapide de la décision de révocation. Art. 117. Le présent chapitre cesse d’être en vigueur le 1er janvier 2025. CHAPITRE 20 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Art. 118. A l’article 18 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, modifiée par la loi du 25 décembre 2016, il est inséré un paragraphe 1/1, rédigé comme suit: “§ 1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à 2774/001 DOC 55 122 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig begeeft naar de aangewezen gevangenis.” HOOFDSTUK 21 Overgangsbepalingen Art. 119. De bij ministerieel besluit van 25 februari 2020 (Moniteur belge du 6 maart 2020) benoemde assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehande- ling van de Federale bemiddelingscommissie beëindigen hun mandaat op 6 maart 2024. Hun mandaten kunnen slechts eenmaal worden verlengd. Assessoren die vóór de inwer- kingtreding van de wet van 18 juni 2018 een eerste mandaat hebben uitgeoefend in de federale bemiddelingscommissie overeenkomstig de bepalingen van de wet van 21 februari 2005, mogen zich niet meer kandidaat stellen voor een tweede mandaat. Art. 120. De mandaten van de leden van het bureau van de Federale bemiddelingscommissie die zijn benoemd bij de ministeriële besluiten van 24 mei 2019, 15 oktober 2019 en 7 december 2020, worden verlengd tot 20 december 2023. Art. 121. De artikelen 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 74, 75, 76 en 77 van deze wet zijn van toepassing op de verzoeken tot beperkte detentie ingediend na 1 september 2022. In de procedures waarin een schriftelijk verzoek is inge- diend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarin de toekenningsprocedure lopende is en de procedures waarin bij beslissing van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe- ringsrechtbank reeds een beperkte detentie is toegekend, worden de artikelen 23, § 1, 28, § 1, 2°, 29, 34, 39, 42, 43, §§ 1, 2 en 4, 55, 59, 62, 63, 68, § 5, 95/18 en 95/20 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmo- daliteiten toegepast zoals zij voor 1 september 2022 luidden en die bij wijze van overgangsmaatregel van kracht blijven. HOOFDSTUK 22 Inwerkingtreding Art. 122. Hoofdstukken 8, 9, 14 en 17 van deze wet treden in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 november 2022. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 46 en 48 in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Art. 123. Hoofdstuk 12 van deze wet treedt in werking op 1 september 2022. la prison désignée pour exécuter la décision de placement ou de transfèrement.” CHAPITRE 21 Dispositions transitoires Art. 119. Les assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes de la Commission fédérale de médiation, nommés par arrêté ministériel du 25 février 2020 (Moniteur belge du 6 mars 2020) terminent leur mandat le 6 mars 2024. Leurs mandats ne peuvent être renouvelés qu’une seule fois selon la procédure prévue par le Roi. Les assesseurs, qui ont exercé un premier mandat, avant l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018, au sein de la Commission fédérale de médiation conformément aux dispositions de la loi du 21 février 2005, ne peuvent plus présenter leur candidature dans le cadre d’un second mandat. Art. 120. Les mandats des membres du bureau de la com- mission fédérale de médiation nommés par arrêtés ministériels du 24 mai 2019, du 15 octobre 2019 et du 7 décembre 2020 sont prolongés jusqu’au 20 décembre 2023. Art. 121. Les articles 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 74, 75, 76 en 77 de la présente loi sont d’application aux demandes de détention limitée introduites après le 1er septembre 2022. Pour les procédures dans lesquelles une demande écrite a été déposée avant l’entrée en vigueur de la présente loi et dans lesquelles la procédure d’octroi est en cours, et pour les procédures dans lesquelles une détention limitée a déjà été accordée par décision du juge de l’application des peines ou du tribunal de l’application des peines, les articles 23, § 1, 28, § 1, 2°, 29, 34, 39, 42, 43, §§ 1, 2 et 4, 55, 59, 62, 63, 68, § 5, 95/18 et 95/20 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine, sont d’application comme ils étaient rédigés avant le 1er septembre 2022, et ils restent en vigueur à titre de mesure transitoire. CHAPITRE 22 Entrée en vigueur Art. 122. Les chapitres 8, 9, 14 et 17 de la présente loi entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er novembre 2022. Par dérogation à l’alinéa 1er, les article 46 et 48 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge. Art. 123. Le chapitre 12 de la présente loi entre en vigueur le 1er septembre 2022. 123 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 1 / 7 Analyse d'impact de la réglementation RiA-AiR :: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be :: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be :: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be Fiche signalétique Auteur .a. Membre du Gouvernement compétent Ministre de la Justice Contact cellule stratégique (nom, email, tél.) Lieselotte Hendrickx, lotte@teamjustitie.be, +32 474 68 65 50 Administration compétente SPF Justice Contact administration (nom, email, tél.) Steven Limbourg, steven.limbourg@just.fgov.be, +32 2 542 71 27 Projet .b. Titre du projet de réglementation Avant-projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Ce projet vise un certain nombre de modifications dans diverses lois qui relèvent de la compétence du ministère de la Justice. _ _ Analyses d'impact déjà réalisées ☐ Oui ☒ Non Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du document : _ _ Consultations sur le projet de réglementation .c. Consultations obligatoires, facultatives ou informelles : Inspecteur des Finances, Ministre du Budget, Autorité de protection des données, Conseil d’Etat Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d. Statistiques, documents de référence, organisations et personnes de référence : _ _ Date de finalisation de l’analyse d’impact .e. _ 2774/001 DOC 55 124 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 2 / 7 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? > Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes. Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème. S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs. Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées. Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question. Lutte contre la pauvreté .1. Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Égalité des chances et cohésion sociale .2. Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu, effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes handicapées et les minorités). ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact Non-discrimination (modifications des articles 78bis, 78ter et 78quater CP). Efficacité des droits civils, politiques et sociaux.Dans la mesure où le projet favorisera un meilleur déroulement des procédures, il aura, de manière indirecte, un impact positif (réparation de la loi sur les squatters, l'appel de suivi pour les prévenus et la modification de l'art. 555/13 du Cod. Jud.) et augmenter l'effectivité de l'exercice des droits (vis-à-vis les victimes dans les procédures d'assises, en ce qui concerne la modification de l'article 258/1 CIC). Égalité entre les femmes et les hommes .3. Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation, mobilité, temps, loisirs, etc. Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques. 1. Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi. Modification loi jeux de hasard : Impact sur la Commission des jeux de hasard ou les titulaires de licence A (casinos), B (salles de jeux), F1 (agences de paris), indépendamment de leur âge ou leur genre. ↓ Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. Pas de différences. ↓ S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4. 3. Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez _ _ 4. Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur l’égalité des femmes et les hommes ? _ _ 125 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 3 / 7 ↓ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ Santé .4. Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques (maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique, alimentation, pollution), qualité de la vie. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Emploi .5. Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail, bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable, possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Modes de consommation et production .6. Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Développement économique .7. Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité, accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales, balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et organiques. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Investissements .8. Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Recherche et développement .9. Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ 2774/001 DOC 55 126 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 4 / 7 PME .10. Impact sur le développement des PME. 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ? Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10 travailleurs). Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi. Modification loi jeux de hasard : Licences A (casinos): 9 licences détenues par 8 sociétés dont 3 utilisent entre 10 et 50 personnes et 5 plus de 50 personnes. Licences B (salles de jeux) : 176 licences détenues par 120 sociétés dont 2 utilisent plus de 50 personnes, 16 entre 10 et 50 personnes et 102 moins de 10 personnes. Licences F1 (agences de paris): 31 licences détenues par 30 sociétés dont 1 société étrangère. 4 utilisent plus de 50 personnes, 6 entre 10 et 50 personnes et 20 moins de 10 personnes. _ _ ↓ Si des PME sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 Modification loi jeux de hasard : Dans les casinos, le montant maximum du paiement en espèce est abaissé à 3.000 euros pour s’aligner sur la limitation de l'utilisation des espèces prévu dans la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces’ _ Pour les liences A, B, et F1, la photographie des joueurs est ajouté à la liste des données à caractère personnel à reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux établissements de jeux de hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV_ _ ↓ S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5. 3. Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] > expliquez _ _ 4. Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez _ _ 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ Charges administratives .11. Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un droit, d’une interdiction ou d’une obligation. ↓ Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi. a. Les titulaires de licence A, B et F1 b. Les titulaires de licence A, B et F1. ↓ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation actuelle*, répondez aux questions 2a à 4a. ↓ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation en projet**, répondez aux questions 2b à 4b. 2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ? a. _ _* b. Prendre une photo du joueur. 3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ? a. _ _* b. Photographie. 4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ? a. _ _* b. A chaque visite de la personne concernée, une photographie de cette personne est prise et conservée dans le registre. 127 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 5 / 7 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ? _ _ Énergie .12. Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Mobilité .13. Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Alimentation .14. Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Changements climatiques .15. Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Ressources naturelles .16. Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans), qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation), déforestation. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Air intérieur et extérieur .17. Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx, NH3), particules fines. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Biodiversité .18. Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées. 2774/001 DOC 55 128 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 6 / 7 ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Nuisances .19. Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Autorités publiques .20. Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures d’exécution, investissements publics. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact CHAPITRE 5 (modification liées à la Commission fédérale de médiation) et CHAPITRE 21 (Dispositions transitoires-deux premiers articles) : Impact positif pour le fonctionnement de la commission fédérale de médiation. Ces chapitres visent principalement à réparer certaines lacunes de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, à préciser les compétences de la Commission fédérale de médiation et à remédier à certaines difficultés pratiques rencontrées par celle-ci. Ainsi, la compétence de la Commission fédérale est précisée en ce qui concerne l’organisation concrète des évaluations ; la durée de mandat concernant les présidences successives des commissions est modifiée afin d’assurer une parfaite égalité ; des règles plus souples concernant le remplacement de membre des commissions permanentes dont le mandat a pris fin sont prévues ; une durée de mandat des assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes est insérée ainsi qu’une procédure de remplacement des membres ; la liste des médiateurs établie par la commission précise la spécialité ou son domaine d’activité ; des dispositions transitoires visent à prolonger les mandats actuels des membres du bureau de la commission fédérale de médiation et à mentionner une date de fin de mandat pour ceux exerçant actuellement la fonction d’assesseurs au sein de la commission disciplinaire. CHAPITRE 8 : Impact positif sur le service aux citoyens, car le nouvel article 4.59 du Code civil permettra d'établir des actes et des certificats d’hérédité pour différentes finalités, assurant ainsi une plus grande fluidité des relations juridiques. La possibilité pour l'Administration générale de la documentation patrimoniale d'enregistrer les certificats d’hérédité dans le registre central des successions facilitera également la prestation de services aux citoyens. Modification loi jeux de hasard : La Commission des jeux de hasard peut convenir qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative. La Commission est responsable du traitement du système EPIS. Cohérence des politiques en faveur du développement .21. Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement. 129 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Formulaire AIR - v2 – oct. 2014 7 / 7 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : ○ sécurité alimentaire ○ santé et accès aux médicaments ○ travail décent ○ commerce local et international ○ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation) ○ mobilité des personnes ○ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre) ○ paix et sécurité Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné. CH11 : Impact positif dans le domaine « paix et sécurité ». Les adaptations apportées à la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux par le chapitre 11 de l’avant-projet de loi ont en particulier pour objectif de donner un cadre légal général à la coopération de la Belgique avec l’ensemble des Mécanismes d’enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies ou par une autre organisation internationale dont la Belgique est membre. Cette volonté s’inscrit dans la longue tradition de bonne coopération de la Belgique avec les juridictions pénales internationales et les autres mécanismes internationaux visant à lutter contre l’impunité des auteurs des crimes internationaux les plus graves. Modification loi jeux de hasard : Les titulaires d'une licence sont toutes les personnes morales établies en Belgique ou dans l’Union européenne. Il n'y a pas d'impact sur les pays en développement. ↓ S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2. 2. Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel _ _ ↓ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3. 3. Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ 2774/001 DOC 55 130 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 1 / 7 Regelgevingsimpactanalyse RiA-AiR :: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be :: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be :: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be Beschrijvende fiche Auteur .a. Bevoegd regeringslid Minister van Justitie Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.) Lieselotte Hendrickx, lotte@teamjustitie.be, +32 474 68 65 50 Overheidsdienst FOD Justitie Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.) Steven Limbourg, steven.limbourg@just.fgov.be, + 32 2 542 71 27 Ontwerp .b. Titel van het ontwerp van regelgeving Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde doelen van uitvoering. Dit ontwerp beoogt een aantal wijzigingen in diverse wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen. Impactanalyses reeds uitgevoerd ☐ Ja ☒ Nee Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie van het document te vermelden: _ _ Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c. Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen: Inspecteur van financien, Minister begroting, Gegevensbeschermingsautoriteit, Raad van State Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d. Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en contactpersonen: _ _ Datum van beëindiging van de impactanalyse .e. _ 131 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 2 / 7 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? > Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s. Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken. Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te compenseren. Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld. Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft. Kansarmoedebestrijding .1. Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Gelijke Kansen en sociale cohesie .2. Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof, effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met een handicap en minderheden). ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact Niet-discriminatie (wijzigingen artikelen 78bis, 78ter en 78quater Sw.). Effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten. Aangezien het ontwerp een beter verloop van de procedures in de hand zal werken, zal het in dat opzicht onrechtstreeks een positieve impact hebben (reparatie van de kraakwet, het volgberoep voor beklaagden en de wijziging van art. 555/13 Ger.W.) en de effectiviteit bij de uitoefening van rechten vergroten (t.a.v. slachtoffers in assisenprocedures, voor wat betreft de wijziging in artikel 258/1 Sv.). Gelijkheid van vrouwen en mannen .3. Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid, opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc. Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten. 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom. Wijziging Kansspelwet: Impact voor de Kansspelcommissie of de vergunninghouders A (casino's), B (speelzalen), F1 (wedkantoren), ongeacht leeftijd of geslacht _ _ ↓ Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. Wijziging Kansspelwet: Geen verschillen. ↓ Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4. 3. Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit _ _ 4. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening houdend met de voorgaande antwoorden? 2774/001 DOC 55 132 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 3 / 7 _ _ ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5. 5. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Gezondheid .4. Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Werkgelegenheid .5. Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding, collectieve arbeidsverhoudingen. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Consumptie- en productiepatronen .6. Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Economische ontwikkeling .7. Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen, competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels- en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en organische hulpbronnen. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Investeringen .8. Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Onderzoek en ontwikkeling .9. Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ 133 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 4 / 7 Kmo’s .10. Impact op de ontwikkeling van de kmo’s. 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro- ondernemingen (< 10 werknemers). Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom. Wijziging Kansspelwet: Vergunningen A (casino’s): 9 vergunningen, in het bezit van 8 vennootschappen waarvan er 3 tussen 10 en 50 personen inzet en 5 meer dan 50 personen inzetten. Vergunningen B (speelzalen): 176 vergunningen, in het bezit van 120 vennootschappen waarvan 2 meer dan 50 personen inzet, 16 tussen 10 en 50 personen inzetten en 102 minder dan 10 personen inzetten. Vergunningen F1: 31 vergunningen, in het bezit van 30 vennootschappen waarvan 1 buitenlandse vennootschappen. 4 meer dan 50 personen inzet, 6 tussen 10 en 50 personen inzetten en 20 minder dan 10 personen inzetten. ↓ Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden. Wijziging Kansspelwet: In de casino’s, wordt het maximumbedrag van de betaling in contanten verlaagd tot 3.000 euro teneinde in overeenstemming te zijn met de beperking van het gebruik van contanten, waarin is voorzien in de wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten’. Voor de vergunninhouders A, B en F1, wordt de foto van de spelers toegevoegd aan de lijst van de persoonsgegevens die verplicht moeten worden opgenomen in het toegangsregister in de kansspelinrichtingen van de klassen I, II en in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5. 3. Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit _ _ 4. Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit _ _ 5. Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Administratieve lasten .11. Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting. ↓ Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom. a. Wijziging Kansspelwet: De vergunninghouders A, B en F1. b. De Vergunnninghouders A, B en F1 ↓ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot 4a. ↓ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b tot 4b. 2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen? a. _ _* b. Een foto nemen van de speler. 3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld? a. _ _* b. Door het nemen van een foto. 2774/001 DOC 55 134 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 5 / 7 4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep? a. _ _* b. Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden genomen en bewaard in het register 5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Energie .12. Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Mobiliteit .13. Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Voeding .14. Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Klimaatverandering .15. Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Natuurlijke hulpbronnen .16. Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen), bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Buiten- en binnenlucht .17. 135 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 6 / 7 Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan, koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Biodiversiteit .18. Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Hinder .19. Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Overheid .20. Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze van uitvoering, overheidsinvesteringen. ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact HOOFDSTUK 5 (wijzigingen met betrekking tot de Federale Bemiddelingscommissie) en HOOFDSTUK 21 (Overgangsbepalingen - eerste twee artikelen) : Positieve impact voor de werking van de Federale Bemiddelingscommissie. Deze hoofdstukken hebben voornamelijk tot doel bepaalde tekortkomingen van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen op het gebied van burgerlijk recht en bepalingen ter bevordering van alternatieve vormen van geschillenbeslechting te verhelpen, de bevoegdheden van de Federale Bemiddelingscommissie te specificeren en bepaalde praktische moeilijkheden waarmee laatstgenoemden worden geconfronteerd. Zo wordt de bevoegdheid van de Federale Commissie gespecificeerd met betrekking tot de concrete organisatie van de beoordelingen; de ambtstermijn voor opeenvolgende voorzitterschappen van commissies wordt gewijzigd om volledige gelijkheid te waarborgen; er wordt voorzien in soepeler regels voor de vervanging van leden van vaste commissies waarvan de ambtstermijn is afgelopen; een ambtstermijn voor de assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en Klachtenbehandeling wordt ingevoegd, alsmede een procedure voor de vervanging van leden; de door de commissie opgestelde lijst van bemiddelaars specificeert het specialisme of het werkterrein ervan; overgangsbepalingen hebben tot doel de huidige mandaten van de leden van het bureau van de federale bemiddelingscommissie te verlengen en een einddatum van het mandaat te vermelden voor degenen die momenteel de functie van assessoren binnen de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling uitoefenen. HOOFDSTUK 8: positieve impact op de dienstverlening aan de burger, aangezien het nieuwe artikel 4.59 BW erin zal voorzien dat akten en attesten van erfopvolging voor verschillende doeleinden kunnen worden opgemaakt waardoor een vlottere voortgang van het rechtsverkeer kan worden verzekerd. Ook de mogelijkheid voor de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie om de attesten van erfopvolging in te schrijven in het Centraal erfrechtregister bevordert de dienstverlening aan de burger. Wijziging Kansspelwet: De Kansspelcommissie kan ermee instemmen de tenuitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete op te schorten. De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het EPIS-systeem. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21. Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden. 2774/001 DOC 55 136 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E RIA formulier - v2 - oct. 2014 7 / 7 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: ○ voedselveiligheid ○ gezondheid en toegang tot geneesmiddelen ○ waardig werk ○ lokale en internationale handel ○ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie) ○ mobiliteit van personen ○ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling) ○ vrede en veiligheid Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom. HS11: Positieve impact op het gebied van 'vrede en veiligheid'. De wetswijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen door hoofdstuk 11 van het wetsontwerp hebben hoofdzakelijk als doel om een algemeen wettelijk kader ter verschaffen voor de samenwerking van België met het geheel van de internationale onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is. Dit doel maakt deel uit van de lange traditie van België om een goede samenwerking te bevorderen met internationale straftribunalen en andere internationale mechanismen ter bestrijding van de straffeloosheid voor de daders van de ernstigste internationale misdrijven. De vergunninghouders betreffen allen rechtspersonen die in België of de Europese Unie gevestigd zijn. WIJZIGING KANSSPELWET: Er is geen impact op de ontwikkelingslanden. De vergunninghouders betreffen allen rechtspersonen die in België of de Europese Unie gevestigd zijn. Er is geen impact op de ontwikkelingslanden. ↓ Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2. 2. Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage _ _ ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3. 3. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ 137 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 71.320/1-2-3-4 VAN 7 JUNI 2022 Op 4 april 2022 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice‑eersteminister en minister van Justitie en Noordzee verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet ‘om justitie men‑ selijker, sneller en straffer te maken II’. De hoofdstukken 1 (artikel 1), 3, 4 (artikelen 20 tot 26), 11 en 12, 16, 20 en 21, en 22 (artikel 123) zijn door de eerste kamer onderzocht op 5 mei 2022. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wouter Pas en Inge Vos, staatsraden, Johan Put, assessor, en Greet Verberckmoes, griffier. Het verslag is uitgebracht door Barbara Speybrouck, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wouter Pas. De hoofdstukken 1, 2, 4 (artikelen 27 tot 29), 5 tot 8 en 22 (artikel 122) zijn door de tweede kamer onderzocht op 5 mei 2022. De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets, staatsraden, Christian Behrendt en Marianne Dony, asses‑ soren, en Béatrice Drapier, griffier. Het verslag is uitgebracht door Xavier Delgrange, eerste auditeur-afdelingshoofd en Roger Wimmer, eerste auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot. De hoofdstukken 1 (artikel 1), 9, 14 en 15, 17, 19 en 22 (arti‑ kel 122) zijn door de derde kamer onderzocht op 5 mei 2022. De kamer was samengesteld uit Wilfried Van Vaerenbergh, kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Koen Muylle, staatsraden, en Annemie Goossens, griffier. De verslagen zijn uitgebracht door Barbara Speybrouck, eerste auditeur, en Lise Vandenhende, adjunct-auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaerenbergh. De hoofdstukken 1 (artikel 1), 10, 13, 18 en 22 (artikel 122) zijn door de vierde kamer onderzocht op 2 mei 2022. De kamer was samengesteld uit Martine Baguet, kamervoorzitter, Luc Cambier en Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck en Jacques Englebert, assessoren, en Charles‑Henri Van Hove, toegevoegd griffier. De verslagen zijn uitgebracht door Roger Wimmer en Stephane Tellier, eerste auditeurs. AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT N° 71.320/1-2-3-4 DU 7 JUIN 2022 Le 4 avril 2022, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par le Vice‑Premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord à communiquer un avis, dans un délai de trente jours, sur un avant‑projet de loi ‘visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II’. Les chapitres 1er (article 1er), 3, 4 (articles 20 à 26), 11 et 12, 16, 20 et 21, et 22 (article 123) ont été examinés par la première chambre le 5 mai 2022. La chambre était composée de Marnix Van Damme, président de chambre, Wouter Pas et Inge Vos, conseillers d’État, Johan Put, assesseur, et Greet Verberckmoes, greffier. Le rapport a été présenté par Barbara Speybrouck, premier auditeur. La concordance entre la version française et la version néer‑ landaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Wouter Pas. Les chapitres 1er, 2, 4 (articles 27 à 29), 5 à 8 et 22 (ar‑ ticle 122) ont été examinés par la deuxième chambre le 5 mai 2022. La chambre était composée de Pierre Vandernoot, pré‑ sident de chambre, Patrick Ronvaux et Christine Horevoets, conseillers d’État, Christian Behrendt et Marianne Dony, assesseurs, et Béatrice Drapier, greffier. Le rapport a été présenté par Xavier Delgrange, premier auditeur chef de section et Roger Wimmer, premier auditeur. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Pierre Vandernoot. Les chapitres 1er (article 1er), 9, 14 et 15, 17, 19 et 22 (ar‑ ticle 122) ont été examinés par la troisième chambre le 5 mai 2022. La chambre était composée de Wilfried Van Vaerenbergh, président de chambre, Jeroen Van Nieuwenhove et Koen Muylle, conseillers d’État, et Annemie Goossens, greffier. Les rapports ont été présentés par Barbara Speybrouck, premier auditeur, et Lise Vandenhende, auditeur adjoint. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Wilfried Van Vaerenbergh. Les chapitres 1er (article 1er), 10, 13, 18 et 22 (article 122) ont été examinés par la quatrième chambre le 2 mai 2022. La chambre était composée de Martine Baguet, président de chambre, Luc Cambier et Bernard Blero, conseillers d’État, Sébastien Van Drooghenbroeck et Jacques Englebert, asses‑ seurs, et Charles‑Henri Van Hove, greffier assumé. Les rapports ont été présentés par Roger Wimmer et Stéphane Tellier, premiers auditeurs. 2774/001 DOC 55 138 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Bernard Blero Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 7 juni 2022. * Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp,1‡ de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat die drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Bevoegdheid van de Raad van State De afdeling Wetgeving is reeds om advies verzocht over een voorontwerp dat dezelfde strekking heeft als artikel 113 van voorliggend voorontwerp, namelijk de bekrachtiging van het koninklijk besluit van 27 januari 2022 ‘betreffende de bij‑ drage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022’. Over dat voorontwerp heeft ze op 26 januari 2022 advies 70.628/4 gegeven. Wanneer de afdeling Wetgeving een advies gegeven heeft, heeft ze de bevoegdheid waarover ze krachtens de wet be‑ schikt volledig uitgeoefend; het komt haar derhalve niet toe om zich opnieuw uit te spreken over de reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of die herzien zijn teneinde rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies zijn gemaakt, dan wel ongewijzigd blijven. Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die de afdeling Wetgeving in het eerste advies geformuleerd heeft: in zo’n geval moet de afdeling Wetgeving opnieuw geraadpleegd worden, deze keer over de nieuwe bepalingen. Dat geldt evenmin wanneer na het eerste advies nieuwe juridische gegevens opduiken die grond opleveren om de tekst nogmaals door de afdeling Wetgeving te laten onderzoeken: in zo’n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling Wetgeving voorgelegd worden. Aangezien geen van beide gevallen zich in casu voordoet, is de afdeling Wetgeving niet meer bevoegd om artikel 113 van het voorontwerp te onderzoeken. ‡ Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen verstaan. La concordance entre la version française et la version néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Bernard Blero. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 7 juin 2022. * Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite son examen au fondement juridique de l’avant-projet1‡, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations suivantes. Compétence du Conseil d’État La section de législation a déjà été saisie d’une demande d’avis portant sur un avant‑projet ayant le même objet que celui dont question à l’article 113 de l’avant‑projet à l’examen, à savoir celui de confirmer l’arrêté royal du 27 janvier 2022 ‘relatif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installation de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022’. Elle a donné sur cet avant-projet l’avis n° 70.628/4 du 26 janvier 2022. Lorsque la section de législation a donné un avis, elle a épuisé la compétence que lui confère la loi, et il ne lui appartient dès lors pas de se prononcer à nouveau sur les dispositions déjà examinées, qu’elles aient été revues pour tenir compte des observations formulées dans le premier avis ou qu’elles demeurent inchangées. Il en va différemment lorsqu’il est envisagé d’insérer dans le texte des dispositions entièrement nouvelles, dont le contenu est indépendant des observations ou suggestions formulées dans le premier avis de la section de législation: en pareil cas, une nouvelle consultation de la section de législation est requise, portant sur les dispositions nouvelles. Il en va aussi différemment quand interviennent, après le premier avis, des éléments juridiques nouveaux de nature à justifier un nouvel examen du texte par la section de législa‑ tion: en pareil cas, la section de législation doit être saisie des dispositions du texte affectées par ces éléments nouveaux. Dès lors qu’aucune de ces deux hypothèses n’est ren‑ contrée, la section de législation n’est plus compétente pour examiner l’article 113 de l’avant‑projet. ‡ S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement juridique” la conformité aux normes supérieures. 139 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voorafgaande vormvereisten 1. Krachtens artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betref‑ fende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescher‑ ming)’ (hierna: de “AVG”), gelezen in samenhang met artikel 57, lid 1, c), en overweging 96 van de preambule ervan en met artikel 2, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens’, dient de toezichthou‑ dende autoriteit, in casu de Gegevensbeschermingsautoriteit bedoeld in de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’, geraadpleegd te worden bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel of een daarop gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwerking. Gelet op de verwerking van persoonsgegevens die geregeld of gewijzigd wordt bij de artikelen 43, 44, 45 en 47 van het voorontwerp, dient erop toegezien te worden dat dit verplichte vormvereiste vervuld wordt. Indien het vervullen van dat vormvereiste nog aanleiding zou geven tot wijzigingen van de tekst die aan de Raad van State voorgelegd is op andere punten dan die welke in dit advies besproken worden, zouden de gewijzigde of toege‑ voegde bepalingen overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten ‘op de Raad van State’ aan de afdeling Wetgeving voorgelegd moeten worden. 2. Bij artikel 57, 1°, van het voorontwerp wordt artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ aldus gewijzigd dat daarin bepaald wordt dat van de speler die een speelzaal van een kansspelinrichting van de klassen I2 of II3 of een vaste kansspelinrichting van klasse IV binnengaat een foto genomen wordt die vervolgens bewaard moet worden.4 Aldus impliceert het voorliggend voorontwerp het verza‑ melen en verwerken van persoonsgegevens. Bijgevolg dient de Gegevensbeschermingsautoriteit over dit voorontwerp geraadpleegd te worden, krachtens de artikelen 36, lid 4, en 57, lid 1, alsook krachtens overweging 96 van verorde‑ ning (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgege‑ vens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’. In dat verband heeft de gemachtigde van de minister aange‑ geven dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit gevraagd is en tegen 3 juni 2022 verwacht wordt. 2 Namelijk een casino. 3 Namelijk een speelautomatenhal. 4 Namelijk een onlinegokkantoor. Formalités préalables 1. L’article 36, paragraphe 4, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)’ (ci‑après: “le RGPD”), combiné avec son article 57, paragraphe 1, c), et le considérant 96 de son préambule, ainsi qu’avec l’article 2, alinéa 2, de la loi du 30 juillet 2018 ‘relative à la protection des personnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel’, prévoit une obligation de consulter l’autorité de contrôle, en l’occurrence l’Autorité de protection des données visée dans la loi du 3 décembre 2017 ‘portant création de l’Autorité de protection des données’, dans le cadre notamment de l’élaboration d’une proposition de mesure législative devant être adoptée par un parlement national, ou d’une mesure réglementaire fondée sur une telle mesure législative, qui se rapporte au traitement. Compte tenu des traitements de données à caractère personnel organisés ou modifiés par les articles 43, 44, 45 et 47 de l’avant‑projet, il convient de veiller au respect de cette formalité obligatoire. Si son accomplissement devait encore donner lieu à des modifications du texte soumis au Conseil d’État sur des points autres que ceux faisant l’objet du présent avis, les dispositions modifiées ou ajoutées devraient être soumises à la section de législation conformément à l’article 3, § 1er, alinéa 1er , des lois coordonnées ‘sur le Conseil d’État’. 2. L’article 57, 1°, de l’avant‑projet modifie l’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999 ‘sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs’ de manière à y prévoir la prise et la conservation d’une photographie du joueur accédant aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des classes I2, II3 et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV4. Ce faisant, l’avant-projet à l’examen emporte la collecte et le traitement de données à caractère personnel. Il y a dès lors lieu de soumettre celui‑ci à l’avis de l’Autorité de protection des données conformément aux articles 36, paragraphe 4, et 57, paragraphe 1, ainsi qu’au considérant 96 du règle‑ ment (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/ CE (règlement général sur la protection des données)’. Sur ce point, le délégué du ministre a précisé que l’avis de l’Autorité de protection des données a été sollicité et est attendu pour le 3 juin 2022. 2 Soit les casinos. 3 Soit les salles de jeux de hasard automatiques. 4 Soit les agences de paris en ligne. 2774/001 DOC 55 140 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Men dient ervoor te zorgen dat dit vormvereiste naar be‑ horen vervuld wordt. Als de tekst die aan de afdeling Wetgeving voorgelegd is, naar aanleiding van het vervullen van dat vormvereiste nog wijzigingen zou ondergaan die niet eveneens zouden voortvloeien uit het gevolg dat aan dit advies gegeven wordt, zouden de gewijzigde bepalingen opnieuw aan de afdeling Wetgeving voorgelegd moeten worden overeenkomstig ar‑ tikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten ‘op de Raad van State’. Onderzoek van het voorontwerp Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 2 Uit artikel 2 blijkt dat het voorontwerp strekt tot de gedeelte‑ lijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 ‘inzake de straf‑ rechtelijke bestrijding van het witwassen van geld’. In de beginselen van de wetgevingstechniek die door de afdeling Wetgeving opgesteld zijn, worden de stellers van ontwerpen verzocht om bij de omzetting van richtlijnen, om‑ zettingstabellen op te maken: “191. Maak twee omzettingstabellen op. 191.1. Om te controleren of een richtlijn correct en volledig wordt omgezet, maak een concordantietabel op met de (on‑ derdelen van de) artikelen van de richtlijn en van de er mee overeenstemmende (onderdelen van de) artikelen van de door u opgestelde tekst die in de omzetting voorziet. Vermeld eveneens in deze tabel: a) de (onderverdelingen van de) artikelen van de richtlijn die eventueel reeds zijn omgezet, alsmede de overeenstem‑ mende teksten van intern recht en de (onderverdelingen van de) artikelen waarbij de richtlijn is omgezet; b) de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn die door een andere instantie nog moeten worden omgezet. 191.2. Om ieder artikel van de tekst die in de omzetting voorziet te kunnen lezen in het licht van de vereisten van de richtlijn, maak eveneens een concordantietabel op met de (onderdelen van de) artikelen van de tekst die in de omzetting voorziet en de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn.”5 In casu had men er goed aan gedaan dergelijke tabellen, hoe beknopt ook, samen met de voorliggende tekst aan de 5 Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst​ -consetat​.be, tab “Wetgevingstechniek”. Il sera veillé au bon accomplissement de cette formalité. Si l’accomplissement de celle-ci devait encore donner lieu à des modifications du texte soumis à la section de législation qui ne résulteraient pas également des suites réservées au présent avis, les dispositions modifiées devraient lui être sou‑ mises à nouveau, conformément à l’article 3, § 1er, alinéa 1er, des lois coordonnées ‘sur le Conseil d’État’. Examen de l’avant‑projet Chapitre 1 er Dispositions générales Article 2 Il ressort de l’article 2 que l’avant‑projet a pour objet de trans‑ poser partiellement la directive (UE) 2018/1673 du Parlement européen et du Conseil du 23 octobre 2018 ‘visant à lutter contre le blanchiment de capitaux au moyen du droit pénal’. Les principes de technique législative établis par la section de législation invitent les auteurs de projets, lors d’une trans‑ position de directive, à établir des tableaux de transposition: “191. Établissez deux tableaux de transposition. 191.1. Pour contrôler qu’une directive est transposée cor‑ rectement et complètement, établissez un tableau de corres‑ pondance entre les (subdivisions des) articles de la directive et les (subdivisions des) articles de l’acte de transposition que vous rédigez. Mentionnez également dans ce tableau: a) les (subdivisions des) articles de la directive qui ont éventuellement déjà été transposés, en correspondance avec les actes de droit interne et les (subdivisions des) articles qui ont procédé à cette transposition; b) les (subdivisions des) articles de la directive qui doivent encore être transposés par une autre autorité. 191.2. Pour pouvoir lire chaque article de l’acte de trans‑ position à la lumière des exigences de la directive, établissez aussi un tableau de correspondance entre les (subdivisions des) articles de l’acte de transposition et les (subdivisions des) articles de la directive”5. En l’espèce, il aurait convenu que de tels tableaux, fussent‑ils succincts, soient transmis à la section de législation en même 5 Principes de technique législative ‑ Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires, www.raadvst​-consetat​.be, onglet “Technique législative”. 141 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E afdeling Wetgeving te bezorgen. Ze moeten hoe dan ook opgesteld worden en bij het ontwerp gevoegd worden dat aan het Parlement overgezonden wordt. Hoofdstuk 2 Wijziging van het Oud Burgerlijk Wetboek Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 3 Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering Artikelen 4 en 5 Het ontworpen artikel 28decies van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) beoogt tegemoet te komen aan het arrest nr. 15/2022 van het Grondwettelijk Hof.6 Naar analogie met het bepaalde in artikel 136, tweede lid, Sv. dat geldt voor het gerechtelijk onderzoek, wordt een daadwerkelijk preventief rechtsmiddel ingevoerd dat erop gericht is een lopend opspo‑ ringsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten. De procedure in geval van een gerechtelijk onderzoek, be‑ paald in artikel 136bis Sv., wordt overgenomen in het ontworpen artikel 28decies. Evenwel dient in het ontworpen 28decies het begrip “burgerlijke partij” te worden weggelaten, aangezien de ontworpen bepaling het opsporingsonderzoek betreft. Daarenboven is het aan te bevelen om artikel 136bis, waar wordt bepaald dat de partijen en hun advocaten kunnen wor‑ den gehoord na kennisgeving door de griffier “per faxpost of bij een ter post aangetekende brief”, in overeenstemming te brengen met de in het ontworpen artikel 28decies gehanteerde begrippen inzake de kennisgeving, zijnde “per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg”.7 Artikel 11 In artikel 11 van het voorontwerp moet de verwijzing naar artikel 88bis, § 4, laatste lid, Sv. vervangen worden door een verwijzing naar artikel 88bis, § 2, laatste lid, Sv. Artikelen 16 en 17 Door de opheffing van artikel 205 Sv. (artikel 17 van het voorontwerp), dient in artikel 203, § 1, van hetzelfde wetboek ook de zinsnede “Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna,” te worden opgeheven (en niet alleen het laatste lid ervan, zoals gebeurt in artikel 16 van het voorontwerp). 6 GwH 30 februari 2022, nr. 15/2022. 7 Net zoals het geval is in de artikelen 21bis en 61ter Sv. temps que l’a été le texte à l’examen. En tout état de cause, ils seront établis et joints au projet transmis au Parlement. Chapitre 2 Modification de l’ancien Code civil Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 3 Modifications du Code d’instruction criminelle Articles 4 et 5 L’article 28decies en projet du Code d’instruction cri‑ minelle (CIC) vise à donner suite à l’arrêt n° 15/2022 de la Cour constitutionnelle6. Par analogie avec la règle énoncée à l’article 136, alinéa 2, du CIC, qui s’applique à l’instruction, un recours préventif effectif est instauré visant à accélérer une information en cours si cette information n’est pas clôturée après une année. L’article 28decies en projet reproduit la procédure en cas d’instruction, prévue à l’article 136bis du CIC. Toutefois, il faut omettre la notion de “partie civile” dans l’article 28decies en projet, dès lors que la disposition en projet concerne l’information. En outre, il est recommandé de conformer l’article 136bis, qui prévoit que les parties et leurs conseils peuvent être entendus après notification par le greffier “par télécopie ou par lettre recommandée à la poste”, aux notions relatives à la notification utilisées dans l’article 28decies en projet, à savoir “par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique”7. Article 11 À l’article 11 de l’avant-projet, on remplacera la référence à l’article 88bis, § 4, dernier alinéa, du CIC, par une référence à l’article 88bis, § 2, dernier alinéa, du CIC. Articles 16 et 17 Consécutivement à l’abrogation de l’article 205 du CIC (article 17 de l’avant-projet) on supprimera également à l’article 203, § 1er, du même code, le segment de phrase “, sauf l’exception portée en l’article 205 ci-après,” (et pas seulement son dernier alinéa, comme c’est le cas à l’article 16 de l’avant-projet). 6 C.C., 30 février 2022, n° 15/2022. 7 À l’instar des articles 21bis et 61ter du CIC. 2774/001 DOC 55 142 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hoofdstuk 4 Wijzigingen van het Strafwetboek Artikelen 20 tot 25 1.1. De artikelen 20 tot 25 van het voorontwerp voegen in het Strafwetboek de omschrijving van de begrippen “ver‑ zwarende omstandigheden” en “verzwarende factoren” in. Er wordt vastgelegd dat een discriminerende drijfveer een verzwarende factor is, behoudens in de gevallen waarin de wet daarvan een verzwarende omstandigheid maakt. 1.2. De memorie van toelichting verduidelijkt dat het invoeren van verzwarende factoren voor alle misdrijven in‑ dien de dader handelt vanuit een discriminerende drijfveer, ingegeven is door de ingebrekestelling van België door de Europese Commissie wegens de onjuiste omzetting van ar‑ tikel 4 van het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 ‘betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht’.8 Hoewel er redenen zijn – zoals de tekst van artikel 4 van het Kaderbesluit – om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling van de Europese Commissie, bestaat er als dus‑ danig geen bezwaar tegen de keuze van de wetgever om op deze wijze in de verzwaring van de bestraffing te voorzien. Bij de wijze waarop deze verzwaring in het Strafwetboek wordt ingeschreven, kunnen evenwel volgende bedenkingen worden geformuleerd. De memorie van toelichting stelt dat de ontworpen tekst rekening houdt met het “wetsontwerp houdende wijzigingen van het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht” (intussen de wet van 21 maart 2022) en met het “ontwerp van Strafwetboek”. Aldus wordt in artikel 78bis ingeschreven dat indien de wet voorziet in verzwarende omstandigheden, de straf wordt verhoogd of gewijzigd zoals omschreven in de desbetreffende bepaling. In de eerste plaats moet opgemerkt worden dat het gebruik van de term “verzwarende omstandigheden” hier zeer verwarrend is, aangezien beoogd wordt te omschrijven hetgeen in het ontwerp van Strafwetboek “verzwarende be‑ standdelen” wordt genoemd. De verwarring is des te groter aangezien de term “verzwarende omstandigheden” in het ontwerp van Strafwetboek ook wordt gehanteerd, maar dan voor hetgeen in het voorliggende ontwerp “verzwarende factoren” wordt genoemd. Weliswaar wordt het begrip “verzwarende omstandigheden” thans reeds in de wetgeving gebruikt (hoewel slechts tweemaal in het Strafwetboek). In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt een strafverzwaring omwille van een “verzwa‑ rende omstandigheid” evenwel opgelegd, zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar het begrip “verzwarende omstandigheden”. Het ontworpen artikel 78bis van het Strafwetboek lijkt dus 8 Ingebrekestelling van 18 februari 2021. Chapitre 4 Modifications du Code pénal Articles 20 à 25 1.1. Les articles 20 à 25 de l’avant‑projet insèrent dans le Code pénal la définition des notions de “circonstances aggravantes” et de “facteurs aggravants”. Il est prescrit qu’un mobile discriminatoire est un facteur aggravant, sauf dans les cas où la loi en fait une circonstance aggravante. 1.2. L’exposé des motifs précise que l’introduction de facteurs aggravants pour toutes les infractions si l’auteur agit avec un mobile discriminatoire s’inspire de la mise en demeure de la Belgique par la Commission européenne pour la transposition incorrecte de l’article 4 de la décision-cadre 2008/913/JAI du Conseil du 28 novembre 2008 ‘sur la lutte contre certaines formes et manifestations de racisme et de xénophobie au moyen du droit pénal’8. Bien qu’il y ait des motifs – comme le texte de l’article 4 de la décision-cadre – de douter de la justesse de la constatation de la Commission européenne, le choix du législateur de prévoir l’aggravation de la peine de cette manière ne soulève en tant que tel aucune objection. Sur la manière dont cette aggravation est inscrite dans le Code pénal, il est toutefois permis de formuler les observa‑ tions suivantes. L’exposé des motifs indique que le texte en projet tient compte du “projet de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel” (entre-temps la loi du 21 mars 2022) et du “projet de Code pénal”. Ainsi, il est inscrit à l’article 78bis que si la loi prévoit des circonstances aggravantes, la peine est augmentée ou modifiée conformément aux dispositions de cette loi. Il faut tout d’abord observer qu’en l’espèce, l’utilisation des termes “circonstances aggravantes” prête particulièrement à confusion, dès lors que l’on entend définir ce que le projet de Code pénal appelle “éléments aggravants”. La confusion est d’autant plus grande que les termes “circonstances aggravantes” sont aussi utilisés dans le projet de Code pénal, mais pour désigner ce que le projet à l’examen qualifie de “facteurs aggravants”. Certes, la notion de “circonstances aggravantes” est déjà actuellement utilisée dans la législation (bien que seulement deux fois dans le Code pénal). Toutefois, dans la grande majorité des cas, une aggravation de la peine est imposée en raison d’une “circonstance aggravante”, sans faire explici‑ tement référence à la notion de “circonstances aggravantes”. L’article 78bis en projet du Code pénal ne paraît donc que 8 Mise en demeure du 18 février 2021. 143 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E enkel verwarring te scheppen, maar brengt, buiten de context van een volledige hervorming van het Strafwetboek, geen verduidelijking. Het ontworpen artikel heeft op zich ook geen enkel rechtsgevolg, en is evenmin nuttig om de hogervermelde doelstelling van de strafverzwaring wegens discriminerende drijfveer te bereiken. Voor de misdrijven waarop het ontworpen artikel 78bis doelt, voorzien de desbetreffende bepalingen in het Strafwetboek immers reeds in een verhoging van de minimumstraf wanneer het misdrijf is ingegeven door een discriminerende drijfveer.9 Ook de omschrijving in artikel 78ter van het Strafwetboek van de “verzwarende factoren” roept vragen op. De memorie van toelichting verwijst voor het gebruik van deze term uit‑ drukkelijk naar wat de wet van 21 maart 2022 is geworden. In de artikelen 417/23, 417/50 en 417/55 van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 21 maart 2022, worden de verzwarende factoren als volgt omschreven: “Bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor feiten / een misdrijf bedoeld in (…) houdt de rechter in het bijzonder rekening met het feit dat …”. In het ontworpen artikel 78ter van het Strafwetboek luidt het dat indien de wet voorziet in verzwarende factoren de rechter deze factoren in overweging moet nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximumstraf. Indien hetzelfde bedoeld wordt, moet dezelfde formulering worden gebruikt. 2. Wat de ontworpen wijziging van artikel 377bis van het Strafwetboek betreft (artikel 24 van het voorontwerp), mag niet uit het oog worden verloren dat dit artikel met ingang van 1 juni 2022 zal worden opgeheven.10 Artikel 26 Zie de opmerking bij artikel 108 van het voorontwerp. Artikel 27 1. In de toelichting bij dit artikel wordt de conformiteit van de strafuitsluitende verschoningsgrond in de richtlijn (EU) 2018/1673 als volgt verantwoord: “Deze strafuitsluitende verschoningsgrond grijpt enkel in op het vlak van de strafwaardigheid van de gedragingen die wel degelijk beantwoorden aan een delictsomschrijving en die wederrechtelijk zijn. De verschoningsgrond betreft dus enkel de mogelijkheid tot bestraffing waardoor het betreffende gedrag zijn onrechtmatig karakter behoudt, het misdrijf blijft bestaan en de strafvordering wel nog kan worden ingesteld conform de vereisten van de richtlijn 2018/1673. Echter, als aan de wettelijke voorwaarden voor de verschoningsgrond is voldaan, zal de rechter een buitenvervolgingsstelling, een ontslag van rechtsvervolging of een vrijspraak moeten uitspreken.” 9 Zie de artikelen 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 523bis en 534quater van het Strafwetboek. 10 Artikel 117, 9°, van de wet van 21 maart 2022. semer la confusion, mais n’apporte pas d’éclaircissement en dehors du contexte d’une réforme complète du Code pénal. En soi, l’article en projet ne produit également aucun effet juridique et n’est pas non plus utile pour atteindre l’objectif précité de l’aggravation de la peine pour mobile discrimina‑ toire. Pour les infractions visées par l’article 78bis en projet, les dispositions concernées du Code pénal prévoient déjà en effet une augmentation de la peine minimale lorsque l’infraction est inspirée par un mobile discriminatoire9. De même, la définition des “facteurs aggravants”, à l’ar‑ ticle 78ter du Code pénal, soulève des questions. Pour l’uti‑ lisation de ces termes, l’exposé des motifs fait explicitement référence à ce qui est devenu la loi du 21 mars 2022. Les articles 417/23, 417/50 et 417/55 du Code pénal, insérés par la loi du 21 mars 2022, définissent les facteurs aggravants comme suit: “Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour des faits/une infraction visée dans (…), le juge tient plus particulièrement compte du fait que …”. L’article 78ter en projet du Code pénal énonce que si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale. Si l’intention est la même, il faudra utiliser la même formulation. 2. En ce qui concerne la modification en projet de l’ar‑ ticle 377bis du Code pénal (article 24 de l’avant‑projet), il ne faut pas perdre de vue que cet article sera abrogé avec effet au 1er juin 202210. Article 26 Voir l’observation formulée à propos de l’article 108 de l’avant‑projet. Article 27 1. Le commentaire de l’article justifie comme suit la conformi‑ té de la cause d’excuse absolutoire à la directive (UE) 2018/1673: “Cette cause d’excuse absolutoire n’interfère qu’avec la condamnabilité des comportements qui correspondent effectivement à la description d’une infraction et qui sont abu‑ sifs. La cause d’excuse ne concerne donc que la possibilité de sanction, en conséquence de quoi le comportement en question conserve son caractère illicite, l’infraction continue d’exister et des poursuites pénales peuvent encore être enga‑ gées conformément aux exigences de la directive 2018/1673. Toutefois, si les conditions légales de la cause d’excuse sont remplies, le tribunal devra prononcer un renvoi des poursuites, un non‑lieu ou un acquittement”. 9 Voir les articles 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 523bis et 534quater du Code pénal. 10 Article 117, 9°, de la loi du 21 mars 2022. 2774/001 DOC 55 144 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikel 3 van richtlijn (EU) 2018/1673 luidt echter als volgt: “De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld indien er sprake is van opzet (…)” Hoewel gewone fiscale fraude (anders dan ernstige fiscale fraude) wel degelijk strafrechtelijk strafbaar gesteld wordt, valt evenwel op te merken dat ze, in het geval bedoeld in het ontworpen artikel 505, derde lid, van het Strafwetboek, niet strafbaar zal zijn, aangezien daarvoor de strafuitsluitende verschoningsgrond zal gelden. Ongeacht de relevantie, in termen van opportuniteit, van de overwegingen die in de toelichting bij artikel 27 uiteengezet worden, volgt uit wat voorafgaat dat dit artikel niet in overeen‑ stemming lijkt te zijn met artikel 3 van richtlijn (EU) 2018/1673. Het is onder voorbehoud van deze belangrijke opmerking dat de volgende opmerkingen gemaakt worden. 2. Zoals de afdeling Wetgeving reeds in haar advies  52.854/1/2/3 opgemerkt heeft, “zou het toch meer in overeenstemming met [het strafrech‑ telijk legaliteitsbeginsel] zijn[,] mochten in het Strafwetboek zelf criteria worden opgenomen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de gepleegde feiten al dan niet kunnen worden beschouwd als ‘ernstige fiscale fraude’.”11 Een dergelijke opmerking kan ook in casu gemaakt worden: het dispositief zou aldus aangevuld moeten worden dat be‑ paald wordt wat verstaan moet worden onder “andere fiscale fraude dan ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd”. 3. In haar voormeld advies 52.854/1/2/3 heeft de afdeling Wetgeving ook het volgende opgemerkt: “Met de toevoeging van de woorden ‘al dan niet geor‑ ganiseerd’ in de te wijzigen artikelen van het Strafwetboek wordt weliswaar ten overvloede duidelijk gemaakt dat ook niet-georganiseerde fraude ernstig kan zijn, maar wordt niets toegevoegd aan het begrip ‘ernstige fiscale fraude’. De woor‑ den ‘al dan niet georganiseerd’ kunnen dan ook vervallen.” Een dergelijke opmerking kan ook in casu gemaakt worden. 4. Het ontworpen artikel 505, derde lid, van het Strafwetboek strekt ertoe als voorwaarde voor de strafuitsluitende verscho‑ ningsgrond te stellen dat “de verplichtingen [van] de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van geld, waaronder deze die voortvloeien uit de wet van 18 september 2017” nagekomen zijn. 11 Advies 52.854/1/2/3 van 11 maart 2013 over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 15 juli 2013 ‘houdende dringende bepalingen inzake fraudebestrijding’ (Parl.St. Kamer 2012-13, nr. 53-2763/1), 26, (http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/adviezen​ /52854​.pdf). Or, l’article 3 de la directive (UE) 2018/1673 dispose que “[l]es États membres prennent les mesures nécessaires pour s’assurer que les comportements suivants, lorsqu’ils sont intentionnels, sont passibles de sanctions en tant qu’infrac‑ tions pénales […]”. Si la fraude fiscale ordinaire (autre que la fraude fiscale grave) est bien érigée en infraction pénale, force est toutefois de constater que, dans l’hypothèse visée à l’article 505, ali‑ néa 3, en projet du Code pénal, celle‑ci ne sera pas passible de sanction puisqu’elle bénéficiera de la cause d’excuse absolutoire. Quelle que soit la pertinence, en termes d’opportunité, des considérations émises dans le commentaire de l’article 27, il résulte de ce qui précède que cet article ne paraît pas conforme à l’article 3 de la directive (UE) 2018/1673. C’est sous réserve de cette importante observation que celles qui suivent sont formulées. 2. Ainsi que la section de législation l’a déjà fait observer dans son avis 52.854/1/2/3, “[…] il serait plus conforme [au principe de légalité en matière pénale] d’inscrire dans le Code pénal même les cri‑ tères permettant de déterminer si les faits commis peuvent être regardés comme une ‘fraude fiscale grave’”11. Pareille observation peut être réitérée en l’espèce: le dis‑ positif devrait être complété afin de déterminer ce qu’il y a lieu d’entendre par “la fraude fiscale autre que la fraude fiscale grave, organisée ou non”. 3. Dans son avis 52.854/1/2/3 précité, la section de légis‑ lation a également relevé ce qui suit: “Si, en ajoutant les mots ‘organisée ou non’ dans les ar‑ ticles à modifier du Code pénal, on précise à titre surabondant que la fraude non organisée peut également être grave, cela n’ajoute toutefois rien à la notion de ‘fraude fiscale grave’. Les mots ‘organisée ou non’ peuvent dès lors être omis”. Pareille observation peut être réitérée en l’espèce. 4. L’article 505, alinéa 3, en projet du Code pénal entend poser comme condition à la cause d’excuse absolutoire le respect “de la législation et de la réglementation en matière de lutte contre la fraude fiscale y compris celles découlant de la loi du 18 septembre 2017”. 11 Avis 52.854/1/2/3 donné le 11 mars 2013 sur un avant‑projet devenu la loi du 15 juillet 2013 ‘portant des dispositions urgentes en matière de lutte contre la fraude’ (Doc. parl., Chambre, 2012‑2013, n° 53‑2763/1, p. 26, http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/avis​ /52854​.pdf). 145 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In de toelichting bij het artikel wordt daaromtrent het vol‑ gende uitgelegd: “Het voorstel strekt ertoe de rechtszekerheid te verhogen voor de [entiteiten en personen onderworpen aan de wet tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van con‑ tanten]. De rechtszekerheid wordt gecreëerd door [in] een strafuitsluitende verschoningsgrond te voorzien voor gevallen van gewone fiscale fraude in zoverre de aan de voornoemde preventieve antiwitwaswet onderworpen entiteiten hebben geconformeerd aan de verplichtingen van de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van geld, waaronder deze die voortvloeien uit de wet van 18 september 2017. Voor bijvoorbeeld de bancaire sector houdt dit meer specifiek in dat zij zich adequaat moeten organiseren met het oog op het naleven van bijvoorbeeld de bepalingen van de wet van 2 juni 2021 houdende diverse financiële bepalingen inzake fraudebestrijding, de wet van 17 februari 2021 houdende de invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen, de wet van 20 december 2019 tot omzetting van richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrek‑ king tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie, de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, de wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële rekeningen, door de Belgische financiële instel‑ lingen en de FOD Financiën, in het kader van een automa‑ tische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor belastingdoeleinden, het artikel 307, § 1, lid 5 tot 8 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en de diverse koninklijke besluiten, reglementen en circulaires van de toezichthouder die uitvoering geven aan de opgesomde wetgeving. Met andere woorden dienen de onderworpen entiteiten zich, ten aanzien van de betrokken feiten, geconformeerd [te] heb‑ ben aan de verplichtingen van de wetgeving en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van geld én in het bijzonder aan deze die voortvloeien uit de wet van 18 september 2017. Deze voorwaarden zijn dus cumulatief.” In de ontworpen regeling wordt niet nauwkeurig aangege‑ ven welke bepalingen inzake de bestrijding van fiscale fraude nageleefd moeten worden. De toelichting bij het artikel verduidelijkt evenmin om welke bepalingen het gaat en verwijst harerzijds naar de bepalingen “inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van geld” (en niet louter inzake de bestrijding van fiscale fraude). De toelichting bij het artikel beperkt zich tot het opsommen, voor een bepaalde sector (namelijk de banksector), van een niet‑limitatieve lijst van de bepalingen in kwestie. Le commentaire de l’article expose ce qui suit à cet égard: “La proposition vise à renforcer la sécurité juridique pour les entités et personnes assujetties à la loi relative à la pré‑ vention [du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces]. La sécurité juridique est créée en prévoyant une cause d’excuse absolutoire dans les cas de fraude fiscale ordinaire, dans la mesure où les entités assujetties ont respecté les obligations de la législation et de la réglementation en matière de lutte contre la fraude fiscale et le blanchiment d’argent, notamment celles découlant de la loi du 18 septembre 2017. Pour par exemple le secteur bancaire, cela signifie plus précisément qu’il doit s’organiser de manière adéquate afin de respecter par exemple les dispositions du loi du 2 juin 2021 portant dispositions financières diverses relatives à la lutte contre la fraude, de la loi du 17 février 2021 portant introduc‑ tion d’une taxe annuelle sur les comptes-titres, de la loi du 20 décembre 2019 transposant la directive (UE) 2018/822 du Conseil du 25 mai 2018 modifiant la directive 2011/16/ UE en ce qui concerne l’échange automatique et obligatoire d’informations dans le domaine fiscal en rapport avec les dispositifs transfrontières devant faire l’objet d’une déclaration, de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d’un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l’accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt, de la loi du 16 décembre 2015 réglant la communica‑ tion des renseignements relatifs aux comptes financiers, par les institutions financières belges et le SPF Finances, dans le cadre d’un échange automatique de renseignements au niveau international et à des fins fiscales, de l’article 307, § 1, alinéa 5 à 8 du Code des impôts sur les revenus 1992, et des différents arrêtés royaux, règlements et circulaires de l’autorité de contrôle qui mettent en œuvre les législations évoquées. En d’autres termes, les entités assujetties doivent avoir respecté, au regard des faits en cause, les obligations de la législation et réglementation relative à la lutte contre la fraude fiscale et le blanchiment d’argent et, en particulier, celles découlant de la loi du 18 septembre 2017. Ces conditions sont donc cumulatives”. Le dispositif en projet n’identifie pas avec précision les dispositions en matière de lutte contre la fraude fiscale devant être respectées. Le commentaire de l’article ne précise pas non plus les dispositions visées et se réfère, quant à lui, aux dispositions “relatives à la lutte contre la fraude fiscale et le blanchiment d’argent” (et non uniquement en matière de lutte contre la fraude fiscale). Le commentaire de l’article se limite à énumérer pour un secteur particulier (à savoir le secteur bancaire) une liste non‑limitative des dispositions visées. 2774/001 DOC 55 146 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Teneinde het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel te respecteren, zou nauwkeuriger bepaald moeten worden – en in het bijzon‑ der wat betreft de wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten’ – welke be‑ palingen nageleefd moeten worden om de strafuitsluitende verschoningsgrond te kunnen genieten. 5. In de Franse tekst schrijve men niet “restent exempts” maar “sont exempts”. Artikel 28 1. Om ervoor te zorgen dat artikel 6, lid 1, van richtlijn (EU) 2018/1673 correct omgezet wordt, moet in het ontworpen artikel 505ter, 1°, van het Strafwetboek het woord “of” worden toegevoegd na “beroepsactiviteiten;”. 2. Wat het ontworpen artikel 505ter, 1°, betreft, staat de precisering dat de meldingsplichtige entiteit “gevestigd [moet zijn] in België, in een ander land van de Europese Economische Ruimte of een derde land dat verplichtingen oplegt die gelijk‑ aardig zijn aan die uit de voornoemde richtlijn”, niet in artikel 6, lid 1, van richtlijn (EU) 2018/1673 tot de omzetting waarvan het ontworpen artikel 505ter strekt. De toelichting bij dit artikel dient bijgevolg op dit punt aangevuld te worden opdat uitdrukkelijk aangegeven wordt waarom die voorwaarde toegevoegd is terwijl ze niet in de richtlijn voorkomt. Hoofdstuk 5 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Artikel 31 De bepaling onder 3° strekt ertoe artikel 1727, § 2, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met de woorden “na overleg met de instanties van bemiddelaars en van opleiders in bemiddeling”. Die toevoeging wordt in de memorie van toelichting verklaard door de wens “mensen uit het werkveld” te consulteren voor het opstellen van een deontologische code, namelijk meer in het bijzonder de “instanties van bemiddelaars en van opleiding in bemiddeling”. Als het de bedoeling is dat de raad in te winnen van de “instanties voor de opleiding van bemiddelaars” die door de Federale bemiddelingscommissie erkend zijn krachtens arti‑ kel 1727, § 2, 1°, dient verwezen te worden naar de “instanties voor de opleiding van bemiddelaars” waarvan in voornoemd artikel 1727, § 2, 1°, sprake is, in plaats van naar de “instan‑ ties (…) van opleiders in bemiddeling”. Als het de bedoeling is ook de raad van “instanties van bemiddelaars” in te winnen, zoals de memorie van toelich‑ ting lijkt te bevestigen, moet gepreciseerd worden om welke instanties het gaat. Afin de respecter le principe de légalité en matière pénale, il conviendrait d’identifier avec plus de précision – et spécialement pour ce qui concerne la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces’ –, les dispositions devant être respectées pour pouvoir bénéficier de la cause d’excuse absolutoire. 5. Dans la version française, le mot “restent” sera remplacé par le mot “sont”. Article 28 1. Afin d’assurer une transposition correcte de l’article 6, paragraphe 1, de la directive (UE) 2018/1673, l’article 505ter, 1°, en projet du Code pénal sera complété par le mot “ou” après les mot et signe “professionnelles;”. 2. À l’article 505ter, 1°, en projet, la précision selon laquelle l’entité assujettie doit être “établie en Belgique, dans un autre pays de l’Espace économique européen ou dans un pays tiers qui impose des obligations équivalentes à celles prévues par la directive précitée” ne figure pas dans l’article 6, paragraphe 1, de la directive (UE) 2018/1673 que l’article 505ter en projet entend transposer. Le commentaire de l’article sera par conséquent utile‑ ment complété sur ce point, afin d’expliciter les motifs pour lesquels cette condition a été ajoutée alors que la directive ne la prévoit pas. Chapitre 5 Modifications du Code judiciaire Article 31 Le 3° tend à compléter l’article 1727, § 2, 5°, du Code judi‑ ciaire par les mots “après une consultation avec les organismes de médiateurs et de formateurs en médiation”. Cet ajout est expliqué dans l’exposé des motifs par le souci de consulter “les gens du terrain” pour l’élaboration d’un code de déontologie, à savoir plus particulièrement “[l] es organismes de médiateurs et de formation en médiation”. Si l’intention est de consulter les “organes de formation des médiateurs” qui font l’objet d’un agrément par la Commission fédérale de médiation en vertu de l’article 1727, § 2, 1°, il y a lieu de viser les “organes de formation des médiateurs” dont il est question à l’article 1727, § 2, 1°, précité plutôt que les “organismes de […] formateurs en médiation”. Si l’intention est également de consulter des “organismes de médiateurs”, comme semble le confirmer l’exposé des motifs, il y a lieu de préciser de quels organismes il s’agit. 147 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikelen 32 en 34 Er dient bepaald te worden hoe de hoedanigheid van “Nederlandstalige” of van “Franstalige” beoordeeld wordt voor de toepassing van de ontworpen bepalingen. Artikel 32 In plaats van vage formuleringen te gebruiken voor het bepalen van de duur van de ambtstermijnen (“helft van de ambtstermijn”, “gelijke (…) duur”), dient men een tijdschema vast te stellen voor de procedure tot aanwijzing voor de mandaten van voorzitter en ondervoorzitter en moet men de mandaten verdelen naar gelang van de resterende tijd. Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 34 en 35, 1°. Artikel 35 De bepaling onder 5° strekt ertoe artikel 1727/5, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met een zin waarin bepaald wordt dat de tuchtbeslissingen van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling integraal of gedeeltelijk gepubliceerd moeten worden op de website van de Federale bemiddelingscommissie, met dien verstande dat die beslissingen daartoe “geanonimiseerd” moeten worden. Die maatregel wordt in de toelichting bij dat artikel gemoti‑ veerd door een doeleinde van transparantie en voorzienbaar‑ heid voor het gehele beroep van bemiddelaar. Aangezien die verplichting tot publicatie voor werkelijk al die beslissingen geldt, en ter waarborging van het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen zoals dat verankerd is in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient ervoor gezorgd te worden dat de anonimisering van de beslissingen waartoe overgegaan zal worden aldus uitgevoerd wordt dat de persoonsgegevens die in die beslissingen voorkomen, niet meer aan een specifieke persoon gekoppeld kunnen worden zonder daartoe aanvullende gegevens te gebruiken, en dit naar het voorbeeld van hetgeen geïmpliceerd wordt door de procedure van pseudonimisering zoals die gedefinieerd wordt in artikel 4, punt 5), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG (algemene verordening gegevensbescherming)’. Artikel 4, punt 5), van die verordening luidt als volgt: “‘pseudonimisering’: het verwerken van persoonsgegevens op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet meer aan een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits deze aan‑ vullende gegevens apart worden bewaard en technische en organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon worden gekoppeld.” Articles 32 et 34 Il convient de déterminer comment s’apprécie la qualité de “francophone” ou de “néerlandophone” pour l’application des dispositions en projet. Article 32 Plutôt que de recourir à des formules vagues pour définir la durée des mandats (moitié du mandat, durée équivalente), il convient de fixer un calendrier de procédure de désignation des mandats de président et vice‑président et de répartir les mandats en fonction du temps restant. La même observation vaut pour les articles 34 et 35, 1°. Article 35 Le 5° tend à compléter l’article 1727/5, § 5, du Code judiciaire par une phrase prévoyant la publication intégrale ou partielle des décisions disciplinaires rendues par la commission de discipline et de traitement des plaintes sur le site internet de la Commission fédérale de médiation, ces décisions devant être “rendues anonymes” à cet effet. Le commentaire de l’article justifie la mesure par un objec‑ tif de transparence et de prévisibilité pour l’ensemble de la profession de médiateur. En raison du caractère automatique de la publication et afin d’assurer le droit au respect de la vie privée des per‑ sonnes concernées tel qu’il est consacré par l’article 22 de la Constitution et l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme, il y a lieu de s’assurer que l’anonymisation des décisions à laquelle il sera procédé soit opérée de telle façon que les données à caractère personnel qui apparaissent dans ces décisions ne puissent plus être attribuées à une personne précise sans avoir recours à des informations supplémentaires, à l’instar de ce qu’implique la procédure de pseudonymisation telle qu’elle est définie par l’article 4, point 5), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données)’. L’article 4, point 5), de ce règlement dispose comme suit: “‘pseudonymisation’, le traitement de données à caractère personnel de telle façon que celles-ci ne puissent plus être attribuées à une personne concernée précise sans avoir recours à des informations supplémentaires, pour autant que ces informations supplémentaires soient conservées séparément et soumises à des mesures techniques et orga‑ nisationnelles afin de garantir que les données à caractère personnel ne sont pas attribuées à une personne physique identifiée ou identifiable”. 2774/001 DOC 55 148 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Op die voorwaarde kan die maatregel aanvaard worden in het licht van voornoemd grondrecht. Hoofdstuk 6 Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 7 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Artikel 38 In de Franse tekst van de eerste zin van het nieuwe lid van het ontworpen artikel 10, § 1, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit (artikel 38, 3°, van het voorontwerp) dienen de woorden “du lieu” ingevoegd te worden tussen de woorden “l’état civil” en de woorden “de naissance”, waardoor die tekst precies zal overeenstemmen met de Nederlandse tekst. Hoofdstuk 8 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Artikel 43 1. De verplichting waarin het ontworpen artikel 4.59, § 2, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet betreffende de inschrijving van de akten en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister, wordt ook voorgeschreven door het ontworpen artikel 4 126 van het Burgerlijk Wetboek, dat een opsomming geeft van alle akten die in dat register moeten worden ingeschreven. Met het oog op de rechtszekerheid zou het dan ook beter zijn om ofwel dat lid te schrappen, ofwel aan te geven dat die verplichting tot inschrijving geldt “overeenkomstig arti‑ kel 4 126, 1°”. 2. Het ontworpen artikel 4.59, § 7, 5°, van het Burgerlijk Wetboek voorziet in een delegatie van verordenende bevoegd‑ heid aan de minister van Financiën. Krachtens de grondwet‑ telijke beginselen inzake de uitoefening der machten staat het echter niet aan de wetgever om rechtstreeks aan een minister bevoegdheden toe te kennen die normaal aan de Koning toekomen. Het is weliswaar niet onverenigbaar met die beginselen om aan een minister bevoegdheden inzake bijkomstige of detailkwesties te delegeren maar in dat geval staat het niettemin in beginsel aan de Koning, en niet aan de wetgever, om een dergelijke delegatie te verlenen. Indien de wetgever zulke bevoegdheden rechtstreeks aan een minister C’est à cette condition que la mesure peut être admise au regard du droit fondamental précité. Chapitre 6 Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 7 Modification du Code de la nationalité belge Article 38 Dans la version française de la première phrase de l’ali‑ néa nouveau de l’article 10, § 1er, en projet du Code de la nationalité belge (article 38, 3°, de l’avant‑projet), il y a lieu d’insérer les mots “du lieu” entre les mots “l’état civil” et les mots “de naissance”, ce qui assurera une exacte concordance avec la version néerlandaise du texte. Chapitre 8 Modifications du Code civil Article 43 1. L’obligation prévue par l’article 4.59, § 2, alinéa 4, en projet du Code civil concernant l’inscription des actes et certificats d’hérédité au sein du registre central successoral est également prévue par l’article 4 126 en projet du Code civil, qui liste l’ensemble des actes qui doivent être inscrits au sein dudit registre. Dans un souci de sécurité juridique, il serait donc préférable soit de supprimer cet alinéa, soit de préciser que cette obliga‑ tion d’inscription s’impose “conformément à l’article 4 126, 1°”. 2. L’article 4.59, § 7, 5°, en projet du Code civil prévoit une délégation réglementaire de compétence en faveur du ministre des Finances. Or, en vertu des principes constitutionnels relatifs à l’exercice des pouvoirs, il n’appartient pas à la loi d’attribuer directement à un ministre des pouvoirs qui reviennent nor‑ malement au Roi. Certes, il n’est pas incompatible avec ces principes de conférer à un ministre une délégation de pouvoirs d’ordre accessoire ou secondaire mais il n’en demeure pas moins qu’il appartient alors, en principe, au Roi et non au législateur, d’octroyer pareille délégation. En effet, l’octroi par le législateur d’une délégation directe de tels pouvoirs à un ministre signifierait que le législateur empiéterait sur une 149 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E delegeert, zou dat namelijk betekenen dat de wetgever zich een prerogatief toe-eigent dat toekomt aan de Koning als hoofd van de federale uitvoerende macht.12 Artikel 45 1. In de Franse tekst van artikel 45, e), dient de tekst die in het dispositief ingevoegd wordt ook een komma te bevatten, zodat het dispositief als volgt luidt: “du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat d’hérédité,”. 2. Met het oog op de rechtszekerheid zou artikel 4 125, 1°, van het Burgerlijk Wetboek aldus aangevuld moeten worden dat daarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat een van de doeleinden van het centraal erfrechtregister er ook in bestaat de raadple‑ ging van de identiteit van de erfgenamen en de mededeling ervan aan derden mogelijk te maken. Hoofdstuk 9 Wijzigingen van het wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Hoofdstuk 10 Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Artikel 57 In verband met het feit dat in de wet van 7 mei 1999 nieuwe verwerkingen van persoonsgegevens voorgeschreven worden, namelijk het nemen en het bewaren van een foto van de speler die een speelzaal van een kansspelinrichting van de klassen I of II of een vaste kansspelinrichting van klasse IV binnengaat, heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld: “La modification vise aussi à suivre l’avis 70.926/4 du Conseil d’État du 28 février 2022 dans lequel il est précisé que la ‘prise d’image’ d’un joueur constitue un traitement de données à caractère personnel. Or, l’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999 dispose de manière exhaustive que doivent être inscrits par l’exploitant dans le registre les ‘nom 12 Zie ook Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www. raadvst​-consetat​.be, tab “Wetgevingstechniek”, aanbeveling 7.3: “Het komt (…) de wetgever niet toe om zich te mengen in de interne organisatie van de uitvoerende macht en de regeling van een aangelegenheid rechtstreeks aan een minister op te dragen. Alleen de Koning of een Gemeenschaps- of een Gewestregering kan een dergelijke delegatie uitvaardigen.” prérogative qui revient au Roi en tant que chef du pouvoir exécutif fédéral12. Article 45 1. À l’article 45, e), de la version française, il convient d’ajouter une virgule aux mots qui sont ajoutés au dispositif en manière telle qu’ils se présentent comme suit: “du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat d’hérédité,”. 2. Dans un souci de sécurité juridique, il conviendrait de compléter l’article 4 125, 1°, du Code civil afin de prévoir explicitement que l’une des finalités du registre central suc‑ cessoral sera également de permettre la consultation et la communication aux tiers de l’identité des héritiers. Chapitre 9 Modifications du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 10 Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Article 57 S’agissant de prévoir dans la loi du 7 mai 1999 de nouveaux traitements de données à caractère personnel que sont la prise et la conservation d’une photographie du joueur accédant aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, le délégué du ministre a précisé ce qui suit: “La modification vise aussi à suivre l’avis 70.926/4 du Conseil d’État du 28 février 2022 dans lequel il est précisé que la ‘prise d’image’ d’un joueur constitue un traitement de données à caractère personnel. Or, l’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999 dispose de manière exhaustive que doivent être inscrits par l’exploitant dans le registre les ‘nom 12 Voir également Principes de technique législative - Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires, www.raadvst​-consetat​.be, onglet “Technique législative”, recommandation n° 7.3:” […] il ne revient pas au législateur de s’immiscer dans l’organisation interne du pouvoir exécutif et de confier le règlement d’une matière directement à un ministre. Seul le Roi ou un gouvernement de Communauté ou de Région peut accorder une telle délégation”. 2774/001 DOC 55 150 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et […] l’adresse’ de la personne voulant accéder à un établissement de classe I, II ou aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. Conformément à la jurisprudence rappelée ci-dessus et compte tenu de ce que l’habilitation donnée au Roi ne peut s’interpréter comme l’autorisant à prévoir l’inscription dans le registre de données supplémentaires à celles que l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 énonce, il n’est pas au pouvoir du Roi de prévoir un nouveau traitement de données à caractère personnel portant, aux termes du projet à l’examen, sur la prise d’image.” De enige bedoeling van de opmerking uit advies 70.926/4 die door de gemachtigde van de minister aldus in herinnering gebracht wordt,13 bestaat erin te wijzen op het legaliteitsbe‑ ginsel dat geldt voor verwerkingen van persoonsgegevens. De opname van de verwerking van persoonsgegevens, die bestaat in het “nemen van een afbeelding” en het bewa‑ ren ervan in het toegangsregister, in de wet van 7 mei 1999, heeft tot doel ervoor te zorgen dat die gegevensverwerking in overeenstemming is met het legaliteitsbeginsel. Er dient evenwel op gewezen te worden dat de afdeling Wetgeving in haar advies 68.936/AV van 7 april 2021 over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 14 augustus 2021 ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tij‑ dens een epidemische noodsituatie’14 de volgende opmerking gemaakt heeft: “b) Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM 100. Artikel 6 van het voorliggende voorontwerp handelt over de verwerking van persoonsgegevens welke verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen, een recht dat inzonderheid wordt gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het EVRM. Om in het licht van de voornoemde bepalingen aanvaard‑ baar te zijn, moet de inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven worden geformuleerd in duidelijke en vol‑ doende nauwkeurige bewoordingen die het mogelijk maken de gevallen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging toestaat. Elke inmenging in het recht op eerbiediging van het privé‑ leven moet bovendien steunen op een objectieve en redelijke verantwoording en bijgevolg evenredig zijn met de door de 13 Advies 70.926/4 van 28 februari 2022 over een ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 20 maart 2022 ‘tot wijziging van twee koninklijke besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS‑systeem en het toegangsregister’, http://www​.raadvst​ -consetat​.be​/dbx​/adviezen​/70926​.pdf. 14 Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1951/001, 55-127, http://www​ .raadvst​-consetat​.be​/dbx​/adviezen​/68936​.pdf. complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et […] l’adresse’ de la personne voulant accéder à un établissement de classe I, II ou aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. Conformément à la jurisprudence rappelée ci-dessus et compte tenu de ce que l’habilitation donnée au Roi ne peut s’interpréter comme l’autorisant à prévoir l’inscription dans le registre de données supplémentaires à celles que l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 énonce, il n’est pas au pouvoir du Roi de prévoir un nouveau traitement de données à caractère personnel portant, aux termes du projet à l’examen, sur la prise d’image”. L’observation de l’avis n° 70.926/413 ainsi rappelée par le délégué du ministre n’a pour seul objet que de rappeler le principe de légalité qui s’attache aux traitements de données à caractère personnel. L’insertion dans la loi du 7 mai 1999 du traitement des données à caractère personnel que sont la prise d’image et la conservation de celle‑ci dans le registre d’accès, vise à assurer la conformité de ce traitement au principe de légalité. Toutefois, il y a lieu de rappeler que dans son avis n° 68.936/ AG donné le 7 avril 2021 sur un avant-projet devenu la loi du 14 aout 2021 ‘relative aux mesures de police administrative lors d’une situation d’urgence épidémique’14, la section de législation a également observé ce qui suit: “b) Article 22 de la Constitution et article 8 de la CEDH 100. L’article 6 de l’avant-projet à l’examen envisage des traitements de données à caractère personnel qui constituent des ingérences dans le droit au respect de la vie privée des personnes concernées, garanti notamment par l’article 22 de la Constitution et l’article 8 de la CEDH. Pour être admissible au regard des dispositions précitées, l’ingérence dans l’exercice du droit au respect de la vie privée doit être définie en des termes clairs et suffisamment précis qui permettent d’appréhender de manière prévisible les hypothèses dans lesquelles le législateur autorise une pareille ingérence. Toute ingérence dans le droit au respect de la vie privée doit, en outre, reposer sur une justification objective et rai‑ sonnable et, par conséquent, être proportionnée aux buts 13 Avis n° 70.926/4 donné le 28 février 2022 sur un projet devenu l’arrêté royal du 20 mars 2022 ‘modifiant deux arrêtés royaux du 15 décembre 2004 en ce qui concerne le système EPIS et le registre d’accès’, http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/avis​/70926​ .pdf. 14 Doc. parl., Chambre, 2020-2021, n° 55-1951/1, pp. 55 à 127, http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/avis​/68936​.pdf. 151 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wetgever nagestreefde doelstellingen.15 Hoewel de inmengin‑ gen waarin het voorliggende voorontwerp van wet voorziet een legitiem doel nastreven, namelijk de bescherming van de gezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen16, dient nagegaan te worden of aan de vereisten van wettelijkheid, relevantie en evenredigheid wordt voldaan.” Bijgevolg moet niet alleen het legaliteitsbeginsel in acht genomen worden, maar moet ook de legitimiteit aangetoond worden van het doel dat met de gegevensverwerking nage‑ streefd wordt en moet nagegaan worden of aan de vereisten van relevantie en proportionaliteit van de beoogde maatregel voldaan is. Voor de verwerking van persoonsgegevens die in het ontworpen artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 in het vooruitzicht gesteld wordt, wordt de volgende reden opgegeven in de toelichting bij artikel 57 van het voorontwerp dat die wijziging invoegt: “De foto van de spelers wordt aan de lijst toegevoegd. De foto van de speler is immers vereist om enige identiteitsfraude te voorkomen. De foto’s zijn ook zeer nuttig voor de politie (als bewijs in onderzoeken of ter informatie, aangezien het recente foto’s van personen betreft).” Over de voorgenomen wetswijziging heeft de gemachtigde van de minister voorts het volgende gesteld: “Les dispositions en projet s’inscrivent dans la perspective du renforcement de la protection des joueurs et partant, de la santé publique. La photographie est un moyen efficace supplémentaire d’identifier un joueur, en plus des données d’identification déjà requises par la loi sur les jeux de hasard pour renforcer la protection des joueurs.” De bescherming van de spelers is inderdaad een legitiem doel. Maar het nemen en het bewaren van een afbeelding moeten beschouwd worden in het perspectief van het doel waarom het toegangsregister bijgehouden wordt en dat als volgt beschreven wordt in het ontworpen artikel 62, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 57, 2°, van het voorontwerp: 15 Voetnoot 172 van het geciteerde advies: Adv.RvS 63.192/2 van 19 april 2018 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens’, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3126/001, 402-456, http://www​.raadvst‑consetat​.be​/dbx​/adviezen​/63192​ .pdf; adv.RvS 63.202/2 van 26 april 2018 over een voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 5 september 2018 ‘tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/ EG’, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3185/001, 120-145, http:// www​.raadvst‑consetat​.be​/dbx​/adviezen​/63202​.pdf. 16 Voetnoot 173 van het geciteerde advies: Artikel 8, § 2, EVRM. poursuivis par le législateur15. Si les ingérences prévues par l’avant-projet de loi à l’examen poursuivent un objectif légitime, à savoir la protection de la santé ainsi que la protection des droits et libertés d’autrui16, il convient de vérifier le respect des exigences de légalité, de pertinence et de proportionnalité”. Partant, outre le respect du principe de légalité, il faut encore que la légitimité de l’objectif poursuivi par le traitement soit établie et que le respect des exigences de pertinence et de proportionnalité de la mesure envisagée soit vérifié. Le traitement de données à caractère personnel envisagé à l’article 62, alinéa 1er, en projet de la loi du 7 mai 1999, est justifié comme suit dans le commentaire de l’article 57 de l’avant‑projet, qui insère cette modification: “La photographie des joueurs est ajouté à la liste. En effet, la photo du joueur est requise pour éviter toute fraude d’iden‑ tité. Les photos sont aussi très utiles pour la police (comme preuve dans les enquêtes ou comme information car il s’agit de photos récentes de personnes)”. Le délégué du ministre a ajouté ce qui suit à propos de la modification législative envisagée: “Les dispositions en projet s’inscrivent dans la perspective du renforcement de la protection des joueurs et partant, de la santé publique. La photographie est un moyen efficace supplémentaire d’identifier un joueur, en plus des données d’identification déjà requises par la loi sur les jeux de hasard pour renforcer la protection des joueurs”. L’objectif de protection des joueurs est effectivement légitime. Cependant, la prise d’image et sa conservation doivent être mises en perspective avec la finalité de la tenue du registre d’accès, qui est décrite comme suit à l’article 62, alinéa 2, en projet, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 57, 2°, de l’avant‑projet: 15 Note de bas de page n° 172 de l’avis cité: Avis C.E. n° 63.192/2 donné le 19 avril 2018 sur un avant‑projet devenu la loi du 30 juillet 2018 ‘relative à la protection des personnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel’, Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 54‑3126/001, pp. 402 à 456, http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/avis​/63192​.pdf; avis C.E. n° 63.202/2 donné le 26 avril 2018 sur l’avant‑projet devenu la loi du 5 septembre 2018 ‘instituant le comité de sécurité de l’information et modifiant diverses lois concernant la mise en œuvre du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/ CE’, Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 54‑3185/001, pp. 120 à 145, http://www​.raadvst​-consetat​.be​/dbx​/avis​/63202​.pdf. 16 Note de bas de page n° 173 de l’avis cité: Article 8, § 2, de la CEDH. 2774/001 DOC 55 152 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “De doelstelling van dit register is de commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kans‑ spelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken.” Overigens heeft de gemachtigde van de minister het vol‑ gende bevestigd: “La finalité du traitement est de vérifier si EPIS a bien été consulté.” Op de vraag of de wetgever met de vermelding, in de toe‑ lichting bij artikel 57, dat het ook voor de politie zeer nuttig is dat foto’s genomen worden, de bedoeling heeft dat de politie een foto die bij het binnengaan van een inrichting van klasse I of II of van een vaste inrichting van klasse IV genomen is, zou mogen gebruiken in het kader van een onderzoek dat geen verband houdt met de naleving van de bepalingen inzake kansspelen, heeft de gemachtigde van de minister evenwel geantwoord dat “[à] priori, cela pourrait être le cas”. Uit dat antwoord vloeit voort dat de persoonsgegevens die volgens artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 verwerkt kunnen worden, gebruikt zouden kunnen worden in het kader van politieonderzoeken die geen enkel verband zouden houden met het legitiem doel van bescherming van de spelers. Gelet op de voorgaande toelichtingen volgt daaruit dat het nemen en het bewaren van een foto andere doelen dienen dan de bescherming van de spelers, die daarvoor grond zou moeten opleveren. Bovendien zou het bewaren van de genomen foto andere doelen kunnen dienen dan de doelstelling waarvan sprake is in het ontworpen artikel 62, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999. Ook al moet het advies van de Gegevens-bescherming- sautoriteit over artikel 57 van het voorontwerp nog uitgebracht worden, men dient zich op dat punt overigens te baseren op advies 178/2021 dat de Gegevensbeschermingsautoriteit op 4 oktober 2021 gegeven heeft17 over het ontwerp18 dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 20 maart 2022 ‘tot wijziging van twee koninklijke besluiten van 15 december 2004 met betrekking tot het EPIS‑systeem en het toegangsregister’. Dat advies bevat de volgende opmerkingen: “Nemen van de afbeelding van alle spelers die de speelzalen betreden en bewaring ervan in het toegangsregister 25. Aangaande de verplichting om een ‘afbeelding’19 te nemen van de spelers bij elk bezoek aan een kansspelinrich‑ ting en om die afbeelding te bewaren in het toegangsregister, 17 https://www​.gegevensbeschermingsautoriteit​.be​/publications​/ advies​-nr​.-178​-2021​.pdf 18 Zoals hierboven is aangegeven, voorzag dat ontwerp in het nemen van een afbeelding van de spelers en in de bewaring daarvan in het toegangsregister. 19 Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Volgens de aanvullende informatie gaat het om een foto die de exploitant van de speelzaal moet nemen van de speler. Met het oog op de voorzienbaarheid verdient de term ‘foto’ de voorkeur boven de term ‘afbeelding’. “La finalité de ce registre est de permettre à la commis‑ sion de vérifier à postériori si les consultations du système de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV”. Le délégué du ministre confirme, du reste, que “la finalité du traitement est de vérifier si EPIS a bien été consulté”. Or, à la question de savoir si par le fait d’indiquer dans le commentaire de l’article 57 que la prise d’une photographie est aussi très utile pour la police, le législateur entend que cette dernière pourrait utiliser une photographie prise lors de l’accès à un établissement de classe I, II ou fixe de classe IV, dans le cadre d’une enquête qui n’aurait pas de lien avec le respect des dispositions applicables en matière de jeux de hasard, le délégué du ministre a indiqué qu’” [à] priori, cela pourrait être le cas”. Il découle de cette dernière réponse que les données à caractère personnel dont les traitements sont envisagés à l’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999, pourraient être utilisées dans le cadre d’enquêtes de police qui seraient sans lien avec l’objectif légitime de protection des joueurs. Il s’ensuit, compte tenu des explications qui précèdent, que la prise d’une photographie et sa conservation poursuivent d’autres objectifs que celui de protection des joueurs qui est supposé les justifier. En outre, la conservation de la photographie prise pour‑ rait servir à d’autres finalités que celle décrite à l’article 62, alinéa 2, en projet, de la loi du 7 mai 1999. Par ailleurs, si l’avis de l’Autorité de protection des don‑ nées sur l’article 57 de l’avant-projet doit encore être rendu, il convient toutefois de se référer sur ce point à l’avis de l’Auto‑ rité de protection des données 178/2021 donné le 4 octobre 202117 sur le projet18 devenu l’arrêté royal du 20 mars 2022 ‘modifiant deux arrêtés royaux du 15 décembre 2004 en ce qui concerne le système EPIS et le registre d’accès’, lequel contient les remarques suivantes: “Collecte de l’image de tous les joueurs accédant aux salles de jeux et insertion dans le registre d’accès 25. Quant à l’obligation de collecter ‘l’image’19 des joueurs lors de chacune de leur visite d’un établissement de jeux de hasard et de la conserver au sein du registre d’accès, 17 https://www​.autoriteprotectiondonnees​.be​/publications​/avis​-n​ -178​-2021​.pdf. 18 Lequel, comme indiqué ci-dessus, prévoyait la prise d’image des joueurs et la conservation de celle-ci dans le registre d’accès. 19 Note de bas de page n° 13 de l’avis cité: Il s’agit selon les informations complémentaires de la prise de photo du joueur par l’exploitant de la salle de jeux. À des fins de [prévisibilité], il convient de viser la prise de photographie en lieu et place de la prise d’image. 153 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vraagt de Autoriteit zich af of een dergelijke verwerking van persoonsgegevens rechtmatig en evenredig is. 26. Op de vraag van de Autoriteit in dit verband antwoordde de afgevaardigde van de minister als volgt: “Het nemen van een foto van de speler bij elk bezoek vervangt de handteke‑ ning van de speler. Het nemen van een foto als bewijs van identificatie is efficiënt en niet voor vervalsing vatbaar, in tegenstelling tot het plaatsen van een handtekening. Door het nemen van een foto verklaart de speler zich daarenboven akkoord om de kansspelinrichting onder de wettelijke voor‑ waarden te betreden, en dit op een snelle, doeltreffende en milieuvriendelijke manier, doordat niet langer bij elk bezoek een document moet worden afgedrukt waarop de speler zijn handtekening dient te plaatsen.” 27. De Autoriteit merkt evenwel op dat de toestemming van de speler geen rechtmatige grond is voor een dergelijke verwerking van de persoonsgegevens van de spelers20. Een dergelijke verwerking kan enkel worden gerechtvaardigd door een wettelijke verplichting die op de exploitanten rust (art. 6.1.c AVG). (…) 28. Volledigheidshalve merkt de Autoriteit bovendien op dat uit de motivatie van de afgevaardigde van de minister kan worden afgeleid dat het doel van de verplichte bewaring van de foto van de spelers in het toegangsregister van de speelzalen erin bestaat om de bewaring op te leggen van niet voor vervalsing vatbare gegevens aan de hand waarvan de meerderjarige spelers die de speelzalen betreden kunnen worden geauthentificeerd, om na te gaan of de exploitanten geen (al dan niet opzettelijke) fouten omtrent de persoon hebben gemaakt tijdens de verplichte toegangscontrole van de speelzalen. Enerzijds is het bewaren van een foto van de betrokkene geen garantie om dat doel te bereiken, aangezien personen op elkaar kunnen lijken. Anderzijds is het zo dat als de foto van de spelers wordt verwerkt volgens een specifieke techniek die hun identificatie en authenticatie mogelijk maakt, artikel 9.2.g van de AVG bepaalt dat de verwerking van der‑ gelijke biometrische gegevens moet worden gerechtvaardigd door redenen van zwaarwegend algemeen belang en moet worden omkaderd door een norm waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkenen. In dit verband zou een technologische oplossing gebaseerd op het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de identiteits‑ kaart een meer evenredige optie zijn die minder inmenging genereert in het recht op bescherming van persoonsgegevens van de spelers, maar het door de auteur van het ontwerp vooropgestelde doel bereikt (zie verder).” Daaruit vloeit voort dat de maatregel die erin bestaat van een speler een foto te nemen en die foto bij te houden, zoals die in het vooruitzicht gesteld wordt in artikel 57, 1°, van het 20 Voetnoot 14 van het geciteerde advies: aangezien deze toestemming in toepassing van artikelen 4.11 en 7 van de AVG vrij moet zijn; dit impliceert dat ze niet aan voorwaarden mag worden gebonden. l’Autorité s’interroge sur la légitimité et la proportionnalité d’un tel traitement de données à caractère personnel. 26. Interrogée à ce sujet, la déléguée du ministre a répondu que ‘Het nemen van een foto van de speler bij elk bezoek vervangt de handtekening van de speler. Het nemen van een foto als bewijs van identificatie is efficiënt en niet voor vervalsing vatbaar, in tegenstelling tot het plaatsen van een handtekening. Door het nemen van een foto verklaart de speler zich daarenboven akkoord om de kansspelinrichting onder de wettelijke voorwaarden te betreden, en dit op een snelle, doeltreffende en milieuvriendelijke manier, doordat niet langer bij elk bezoek een document moet worden afgedrukt waarop de speler zijn handtekening dient te plaatsen.’ 27. Tout d’abord, à ce sujet, l’Autorité relève que le consen‑ tement ne peut être la base de légitimité d’un tel traitement de données à caractère personnel des joueurs20. La légitimité d’un tel traitement ne peut que résulter d’une obligation légale imposée aux exploitants (art. 6.1.c RGPD). […]. 28. De plus, par souci d’exhaustivité, l’Autorité relève de la motivation de la déléguée du ministre que le but recherché par l’insertion obligatoire de la photo des joueurs dans le registre d’accès aux salles de jeux est d’imposer la conser‑ vation de données infalsifiables permettant d’authentifier les joueurs majeurs qui accèdent aux salles de jeux pour vérifier qu’aucune erreur (intentionnelle ou non) sur la personne ne soit intervenue lors des opérations de contrôle d’accès aux salles de jeux que les exploitants doivent réaliser. Or, d’une part, la photographie d’une personne ne permet pas nécessairement d’atteindre ce but au vu du risque de ressemblance entre les personnes. D’autre part, si la photographie des joueurs sera traitée selon un mode technique spécifique permettant leur identification et authentification unique, l’article 9.2.g du RGPD impose que le traitement de ce type de données biométriques soit justifié par des motifs d’intérêt public important et soit encadré par le biais d’une norme proportionnée à l’objectif poursuivi, respectant l’essence du droit à la protection des données et prévoyant des mesures appropriées et spécifiques pour la sauvegarde des droits fondamentaux et des intérêts des personnes concernées. À cet égard, une solution tech‑ nologique basée sur l’utilisation du module d’authentification électronique de la carte d’identité constituerait une option plus proportionnée générant une ingérence plus faible dans le droit à la protection des données des joueurs tout en atteignant le but souhaité par l’auteur du projet (cf. infra)”. Il en résulte que la mesure qui consiste à prendre et conser‑ ver la photographie d’un joueur, qui est celle envisagée à l’article 57, 1°, de l’avant-projet, telle qu’éclairée par l’exposé des 20 Note de bas de page n° 14 de l’avis cité: étant donné qu’il doit en application des articles 4.11 et 7 RGPD être libre; ce qui implique qu’il ne peut être conditionné. 2774/001 DOC 55 154 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voorontwerp en verduidelijkt wordt in de memorie van toe‑ lichting en in de uitleg van de gemachtigde van de minister, enerzijds niet uitsluitend het legitiem doel inzake bescherming van de spelers lijkt na te streven, maar ook een niet nader gedefinieerd doel nastreeft inzake bestraffing van overtre‑ dingen. Anderzijds lijkt die maatregel, om de redenen die de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar advies 178/2021 opgegeven heeft, niet in verhouding tot dat doel te staan. Hoofdstuk 11 Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Hoofdstuk 12 Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten 1.1. Artikel 157, vierde lid, van de Grondwet bepaalt dat er strafuitvoeringsrechtbanken zijn. De wet wijst de plaatsen aan voor die strafuitvoeringsrechtbanken en regelt hun orga‑ nisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden. Door aan de wetgever de opdracht te geven de bevoegd‑ heid van de strafuitvoeringsrechtbanken te regelen, verleent de grondwetgever een ruime bevoegdheid ter zake aan de wetgever. Uit de parlementaire voorbereiding bij de invoering van het vierde lid in artikel 157 bij de grondwetsherziening van 17 december 2002 kan afgeleid worden dat de grondwetgever zich wilde richten naar de aanbeveling in het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux c.s. die luidde dat een strafuitvoeringsrechtbank zal moeten “beslissen over alle modaliteiten en aspecten van de strafuitvoering, met in‑ begrip van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Gedr. Stuk, Kamer, nr. 713/6, 1996-1997, blz. 183).”21-22 De minister van Justitie verduidelijkt in die parlementaire voorbereiding ook dat de wijziging van de Grondwet nodig is om te voldoen aan het vereiste dat de rechtbanken “zich moeten uitspreken over de maatregelen die de aard en de duur van de opgelegde straf wijzigen”.23 21 Zie verklarende nota bij het voorstel van de regering tot herziening van artikel 157 van de Grondwet, Parl.St. Senaat 2000-01, nr. 2-697/1, 3, en het Verslag namens de commissie voor de herziening van de Grondwet en de hervorming der instellingen, Parl.St. Kamer 2002-03, nr. 50-1914/3, 5. 22 Zie ook GwH 19 november 2020 nr. 147/2020, B.5.2. 23 Parl.Handelingen Senaat, 4 juli 2002, nr. 2-215/15. motifs et les explications données par le délégué du ministre, d’une part, n’apparait pas poursuivre exclusivement l’objectif légitime de protection des joueurs mais poursuit également un objectif de répression des infractions qui n’est pas préci‑ sément défini, et, d’autre part, pour les raisons indiquées par l’Autorité de protection des données dans son avis 178/2021, n’apparait pas proportionnée à cet objectif. Chapitre 11 Modification de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 12 Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine 1.1. L’article 157, alinéa 4, de la Constitution prévoit qu’il y a des tribunaux de l’application des peines. La loi détermine les lieux de ces tribunaux de l’application des peines et règle leur organisation, leurs attributions, ainsi que le mode de nomination de leurs membres et la durée des fonctions de ces derniers. En confiant au législateur la mission de régler les attributions des tribunaux de l’application des peines, le constituant lui confère un large pouvoir en la matière. Il peut se déduire des travaux préparatoires relatifs à l’insertion d’un alinéa 4 dans l’article 157 lors de la révision de la Constitution du 17 décembre 2002 que le constituant entendait se conformer à la recommandation formulée dans le rapport de la commission d’enquête parlementaire “Dutroux et consorts”, qui énonçait qu’un tribunal de l’application des peines devra “décider de tous les aspects et modalités de l’application des peines, y compris la libération condition‑ nelle (Doc. parl., Chambre, n° 713/6, 1996-1997, p. 183)”21-22. Lors de ces travaux préparatoires, le ministre de la Justice a également précisé que la modifiation de la Constitution est nécessaire pour satisfaire à l’exigence selon laquelle les juridictions “doivent se prononcer sur les mesures modifiant la nature et la durée de la peine infligée”23. 21 Voir la note explicative de la proposition du gouvernement de révision de l’article 157 de la Constitution, Doc. parl., Sénat, 2000- 01, n° 2-697/1, p. 3, et le Rapport fait au nom de la Commission de révision de la Constitution et de la réforme des institutions, Doc. parl., Chambre, 2002-03, n° 50-1914/3, p. 5. 22 Voir également C.C., 19 novembre 2020, n° 147/2020, B.5.2. 23 Ann. parl., Sénat, 4 juillet 2002, n° 2-215/15. 155 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat “[o]vereenkomstig artikel 40, tweede lid, van de Grondwet, (…) de uitvoerende macht bevoegd [is] om uit te voeren wat de strafrechter heeft beslist, onder voorbehoud van de aan de strafuitvoerings‑ rechtbank toegekende bevoegdheid wanneer het erom gaat de aard of de duurtijd van de straf te wijzigen”.24 Aansluitend bij de reeds vermelde parlementaire voorberei‑ ding benadrukt het Grondwettelijk Hof ook dat de Grondwetgever heeft gewild dat die rechtbanken bestaan uit “‘naast een voor‑ zitter-magistraat […] twee experten […] met een […] voldoende terreinkennis […] inzake de mogelijkheden en beperkingen van het gevangenissysteem, inzake de sociale kaart, inzake de behandelingsmogelijkheden …’ (…), waarbij de multidiscipli‑ nariteit ‘een enorme verrijking én een bijkomende waarborg naar de beveiliging van de maatschappij en een optimale reclassering en reïntegratie van de veroordeelde [vormt]’”.25 1.2. Ter uitvoering van artikel 157, vierde lid, van de Grondwet kwam de wet van 17 mei 2006 ‘houdende oprich‑ ting van strafuitvoeringsrechtbanken‘ tot stand. De wet van 17 mei 2006 ‘betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodali‑ teiten’ bepaalt de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechters en de strafuitvoeringsrechtbanken. Ten aanzien van het ontwerp dat leidde tot deze laatste wet, stelt de memorie van toelichting: “Het voorliggend ontwerp rationaliseert deze strafuitvoerings‑ modaliteiten [zijnde de halve vrijheid en de beperkte hechtenis] door ze samen te voegen tot één strafuitvoeringsmodaliteit, met name de beperkte detentie. De ratio van deze strafuitvoe‑ ringsmodaliteit verandert in het ontwerp niet en de beperkte detentie kan aldus aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen. Zo stelt deze strafuitvoeringsmodaliteit de veroordeelde bijvoorbeeld in de mogelijkheid om verder zijn werk te blijven uitoefenen, de uitoefening van een professionele activiteit aan te vatten of een opleiding verder te zetten of te beginnen. In het kader van het principe van de beperking van de detentieschade vormt deze strafuitvoeringsmodaliteit aldus een belangrijk gegeven.”26 1.3. De artikelen 64 tot 81, 84-87, 89-93, 95, en 99-101 van het voorontwerp strekken ertoe de strafuitvoeringsmodaliteit beperkte detentie toe te vertrouwen aan de minister of zijn gemachtigde en niet langer aan de strafuitvoeringsrechter of -rechtbank.27 In het ontworpen artikel 9/4 (artikel 65 van het voorontwerp) wordt de beperkte detentie gedefinieerd als “een wijze van 24 GwH 19 juli 2007, nr. 105/2007, B.7.3. 25 GwH 19 november 2020 nr. 147/2020, B.5.2. 26 Parl.St. Senaat 2004-05, nr. 3-1128/1, 20. 27 Dit geldt niet voor de beperkte detentie in artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 die bij wijze van uitzondering door de strafuitvoeringsrechtbank kan worden toegekend en evenmin voor de mogelijkheid om een beperkte detentie toe te kennen in het kader van een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (artikelen 95/18 en 95/20 van de wet van 17 mei 2006). La Cour constitutionnelle confirme que “[c]onformément à l’article 40, alinéa 2, de la Constitution, le pouvoir exécutif est compétent pour procéder à l’exécution de ce que le juge pénal a décidé, sous réserve de la compétence attribuée au tribunal de l’application des peines lorsqu’il s’agit de modifier la nature ou la durée de la peine”24. Faisant écho aux travaux préparatoires précités, la Cour constitutionnelle souligne également que le constituant a voulu que ces tribunaux comportent en leur sein, “‘à côté du magistrat-président, deux experts ayant […] une connaissance de terrain suffisante quant aux possibilités et aux limites du système pénitentiaire en ce qui concerne la situation sociale, les possibilités de traitement …’, la pluridisciplinarité constituant ‘un enrichissement énorme et une garantie supplémentaire pour la protection de la société, la réinsertion et la réintégration optimale du condamné’”25. 1.2. La loi du 17 mai 2006 ‘instaurant des tribunaux de l’application des peines’ a été adoptée en exécution de l’article 157, alinéa 4, de la Constitution. La loi du 17 mai 2006 ‘relative au statut juridique externe des personnes condam‑ nées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine’ détermine les attributions des juges de l’application des peines et des tribunaux de l’application des peines. L’exposé des motifs mentionne à l’égard du projet qui a donné lieu à cette dernière loi: “Le présent projet rationalise ces modalités d’exécution de la peine [ à savoir la semi-liberté et la détention limitée] en les fusionnant en une seule, à savoir la détention limitée. La raison de cette modalité d’exécution de la peine ne change pas dans le projet; la détention limitée peut ainsi être accordée au condamné en vue de servir des intérêts professionnels, familiaux ou de formation qui requièrent sa présence en dehors de la prison. Ainsi, cette modalité d’exécution de la peine permet, par exemple, au condamné de continuer à exercer sa profession, de commencer à exercer une activité profes‑ sionnelle, de poursuivre ou d’entamer une formation. Dans le cadre du principe de la limitation des effets préjudiciables de la détention, cette modalité d’exécution de la peine est donc un élément important”26. 1.3. Les articles 64 à 81, 84-87, 89-93, 95, et 99-101 de l’avant-projet ont pour objet de confier la modalité d’exécu‑ tion de la peine de la détention limitée au ministre ou à son délégué et non plus au juge ou au tribunal de l’application des peines27. L’article 9/4 en projet (article 65 de l’avant-projet) définit la détention limitée comme “un mode d’exécution de la peine 24 C.C., 19 juillet 2007, n° 105/2007, B.7.3. 25 C.C., 19 novembre 2020, n° 147/2020, B.5.2. 26 Doc. parl., Sénat, 2004-05, n° 3-1128/1, p. 20. 27 Cette règle se n’applique pas à la détention limitée prévue à l’article 59 de la loi du 17 mai 2006 que le tribunal de l’application des peines peut accorder à titre exceptionnel ni à la possibilité d’accorder une détention limitée dans le cadre d’une mise à la disposition du tribunal de l’application des peines (articles 95/18 et 95/20 de la loi du 17 mai 2006). 2774/001 DOC 55 156 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum zestien uur per week” en hem kan worden toegekend “om profesionele of opleidings- belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen”. Luidens de memorie van toelichting heeft deze bevoegd‑ heidsoverdracht betrekking op “de verbetering van de sociale re-integratie van de veroordeelden met het oog op een vlottere doorstroming van de veroordeelde gedetineerden” en is het doel ervan “meer flexibiliteit te bieden bij het toekennen van beperkte detenties”. Er wordt op gewezen dat de procedure voor de toekenning van de beperkte detentie door de strafuit‑ voeringsrechtbank soms meerdere maanden in beslag neemt, wat moeilijk te rijmen valt met een tewerkstellingsbelofte of de aanvang van een opleiding. Anders gezegd, de continuïteit van een cruciaal element in de sociale re-integratie, deze die is gebaseerd op een tewerkstelling of een andere nuttige dag‑ besteding (via bijvoorbeeld een opleiding), wordt bemoeilijkt omdat aansluitend op de inspanningen die de veroordeelde geleverd heeft om de mogelijkheid tot deze dagbesteding te verwerven, deze niet aansluitend kan omgezet worden in een tewerkstelling/opleiding. Nog volgens de memorie van toelichting leunt de modaliteit van de beperkte detentie bovendien “nau- wer aan bij uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven”. 1.4. De vraag rijst aldus of de beslissing tot het al dan niet toekennen van de beperkte detentie geacht moet worden de aard van de gevangenisstraf te veranderen. De wetgever be‑ schikt weliswaar over een beoordelingsvrijheid bij het vaststellen of de beperkte detentie aldus kan worden gekwalificeerd. Er moet daarbij evenwel worden vastgesteld dat de grondwet‑ gever uitging van het beginsel dat de beslissingen over “alle modaliteiten en aspecten van de strafuitvoering” toekomen aan de strafuitvoeringsrechtbanken. Daarenboven was de wetgever in 2006 van oordeel dat de beperkte detentie een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf is die van die aard is dat ze moet toekomen aan de strafuitvoeringsrechtbank. Hoewel het niet uitgesloten is dat de wetgever terugkomt op de kwalificatie die hij in 2006 heeft gegeven, blijft het een feit dat de beperkte detentie zich onderscheidt van de uitgaansvergunning en het penititentiar verlof doordat ze op zich de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze de strafinrichting te verlaten. Hoewel artikel 157 van de Grondwet veel ruimte laat voor de wetgever, mag het artikel niet ingevuld worden op een wijze die strijdt met de principiële keuze van de grondwetgever om de beslissingen over de wijze van strafuitvoering toe te vertrouwen aan een rechtbank. Over de verenigbaarheid van de ontworpen bepalingen met artikel 157 van de Grondwet, dient de Raad van State bijge‑ volg een voorbehoud te maken. Het komt de stellers van het voorontwerp in ieder geval toe uitdrukkelijk te verantwoorden waarom de ontworpen bepalingen verenigbaar zouden kunnen worden geacht met artikel 157 van de Grondwet. privative de liberté qui permet au condamné de quitter, de manière régulière, l’établissement pénitentiaire pour une durée déterminée de maximum seize heures par jour” et peut lui être accordée “afin de défendre des intérêts professionnels ou de formation qui requièrent sa présence hors de la prison”. Selon l’exposé des motifs, ce transfert de compétences vise également à “améliorer la réintégration sociale des condamnés en vue d’un flux plus fluide des détenus condamnés” et son objectif est “d’apporter plus de flexibilité dans l’octroi des détentions limitées”. Il souligne que la procédure d’octroi de la détention limitée par le tribunal de l’application des peines prend parfois plusieurs mois, ce qui peut être difficile à concilier avec une promesse d’embauche ou le début d’une formation. En d’autres termes, la continuité d’un élément crucial de la réinsertion sociale, celui qui repose sur l’emploi ou une autre occupation quotidienne utile (par la formation, par exemple), est rendue plus difficile car, malgré les efforts déployés par le condamné pour obtenir cette activité, [celle-ci] ne peut par la suite être concrétisé[e] en un emploi/une formation. Toujours selon l’exposé des motifs, la modalité de la détention limitée “s’apparente plus aux permissions de sortie et aux congés pénitentiaires”. 1.4. La question se pose donc de savoir si la décision d’accorder ou non la détention limitée doit être reputée changer la nature de la peine d’emprisonnement. Certes, le législa‑ teur dispose d’une marge d’appréciation pour déterminer si la détention limitée peut être qualifiée de la sorte. Toutefois, force est de constater à cet égard que le constituant est parti du principe que les décisions relatives à “tous les aspects et modalités de l’application des peines” reviennent aux tribunaux de l’application des peines. En outre, le législateur estimait en 2006 que la détention limitée était un mode d’exécution de la peine privative de liberté dont la nature est telle qu’elle doit revenir au tribunal de l’application des peines. Bien qu’il ne soit pas exclu que le législateur revienne sur la qualification qu’il a donnée en 2006, il n’en reste pas moins que la détention limitée se distingue de la permission de sortie et du congé pénitentiaire en ce qu’elle permet en soi au condamné de quitter, de manière régulière, l’établissement pénitentiaire. Bien que l’article 157 de la Constitution laisse une grande latitude au législateur, un contenu ne peut être donné à cet article d’une manière telle qu’il serait contraire au choix de principe du constituant de confier à un tribunal les décisions relatives aux modalités d’exécution de la peine. Par conséquent, le Conseil d’État se doit d’émettre une réserve à propos de la compatibilité des dispositions en projet avec l’article 157 de la Constitution. Il appartient en tout état de cause aux auteurs de l’avant-projet de justifier expressément pourquoi les dispositions en projet pourraient être réputées compatibles avec l’article 157 de la Constitution. 157 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1.5. Artikel 82 van het voorontwerp wijzigt artikel 27 van de wet van 17 mei 2006. Luidens de memorie van toelichting strekt de bepaling ertoe het toepassingsgebied van de wet en dus de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter te beperken tot de veroordeelden met één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan zes maanden bedraagt. Voor de veroordeelden met een straftotaal van zes maanden of minder, zouden de ministeriële omzendbrieven van toepas‑ sing blijven. Volgens de memorie van toelichting wordt aldus geanticipeerd op het toekomstige uitdoven van het bestaan van de gevangenisstraf van minder dan zes maanden die niet meer voorkomt in het ontwerp van nieuw Strafwetboek. Het feit dat in een eventueel nieuw Strafwetboek geen gevangenisstraffen van minder dan zes maanden meer zou‑ den worden opgelegd, verhindert niet dat thans naar geldend recht zulke straffen kunnen worden opgelegd. Het is niet in overeenstemming te brengen met artikel 157, vierde lid, van de Grondwet, en de eraan ten grondslag liggende doelstel‑ lingen, om de strafuitvoering ten aanzien van deze straffen volledig te onttrekken aan de strafuitvoeringsrechtbanken. Artikel 82 van het voorontwerp kan dus geen doorgang vinden. 2. Uit het ontworpen artikel 9/4, § 2 (artikel 65 van het voorontwerp), volgt dat de beperkte detentie enkel nog wordt toegekend aan de veroordeelde “om professionele of oplei- dingsbelangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen” en dus niet meer “om familiale belangen te behartigen”, zoals thans bepaald in artikel 21, § 2, van de wet van 17 mei 2006. Aangezien de bevoegdheidsoverdracht, zoals hiervoor aangehaald, betrekking heeft op de verbetering van de soci‑ ale re-integratie van de veroordeelden, lijkt het raadzaam in de memorie van toelichting te verantwoorden waarom geen beperkte detentie meer wordt toegekend om de familiale belangen te behartigen. 3. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de procedure voor de toekenning van de beperkte detentie door de minister dezelfde is als die voor de toekenning van de uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven. Het volgende dient hierbij te worden vastgesteld. De beperkte detentie wordt toegekend aan de veroordeelde die zich, op negen maanden na, bevindt in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling.28 De verdere voorwaarden voor de toekenning zijn geïnspireerd op deze voor het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning.29 De toekenningsprocedure is gelijkaardig aan de procedure die geldt voor het penitentiair verlof30, maar de wijzigingen van artikel 11 van de wet van 17 mei 2006 (artikel 72 van het voorontwerp) en het ontworpen artikel 11/1 (artikel 74 van het voorontwerp) nemen de bepalingen over uit de procedure voor 28 Dit stemt, behalve wat de negen maanden betreft, overeen met artikel 23 van de wet van 17 mei 2006. 29 Zie artikelen 5 resp. 7 van de wet van 17 mei 2006. 30 Zie artikelen 8 en 9 van de wet van 17 mei 2006. 1.5. L’article 82 de l’avant-projet modifie l’article 27 de la loi du 17 mai 2006. Selon l’exposé des motifs, la disposition vise à limiter le champ d’application de la loi et donc la com‑ pétence du juge de l’application des peines aux personnes condamnées à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie exécutoire est supérieure à six mois. Les cir‑ culaires ministérielles continueraient de s’appliquer pour les condamnés dont la peine totale est inférieure ou égale à six mois. Selon l’exposé des motifs, on anticipe ainsi la suppres‑ sion (lire: l’extinction) future des peines d’emprisonnement de moins de six mois, qui ne figurent plus dans le projet de nouveau Code pénal. Le fait qu’un éventuel nouveau Code pénal n’imposerait plus de peines d’emprisonnement de moins de six mois n’empêche pas que de telles peines puissent être imposées actuellement en vertu du droit en vigueur. Le fait de soustraire entièrement l’exécution de ces peines aux tribunaux de l’application des peines ne peut pas se concilier avec l’article 157, alinéa 4, de la Constitution, ni avec les objectifs qui le sous-tendent. L’article 82 de l’avant-projet ne peut dès lors se concrétiser. 2. Il découle de l’article 9/4, § 2, en projet (article 65 de l’avant-projet) que la détention limitée est uniquement encore accordée au condamné “afin de défendre des intérêts pro- fessionnels ou de formation qui requièrent sa présence hors de la prison” et donc plus “afin de défendre des intérêts (…) familiaux”, comme le prévoit actuellement l’article 21, § 2, de la loi du 17 mai 2006. Dès lors que, comme il a été indiqué ci-dessus, le transfert de compétences vise à améliorer la réintégration sociale des condamnés, il paraît indiqué de justifier dans l’exposé des motifs pourquoi la détention limitée n’est plus accordée afin de défendre des intérêts familiaux. 3. L’exposé des motifs mentionne que la procédure d’octroi de la détention limitée par le ministre est la même que celle qui est prévue pour les permissions de sortie et les congés pénitentiaires. À cet égard, il convient d’observer ce qui suit. La détention limitée est accordée au condamné qui se trouve, à neuf mois près, dans les conditions de temps pour l’octroi de la libération conditionnelle28. Les autres conditions d’octroi sont inspirées des conditions concernant le congé pénitentiaire ou la permission de sortie29. La procédure d’octroi est similaire à celle qui s’applique pour le congé péniten‑ tiaire30, mais les modifications de l’article 11 de la loi du 17 mai 2006 (article 72 de l’avant-projet) et l’article 11/1, en projet (article 74 de l’avant-projet), reproduisent les dispositions de la procédure suivie devant les tribunaux de l’application des 28 Ce qui correspond, sauf en ce qui concerne les neuf mois, à l’article 23 de la loi du 17 mai 2006. 29 Voir respectivement les articles 5 et 7 de la loi du 17 mai 2006. 30 Voir respectivement les articles 8 et 9 de la loi du 17 mai 2006. 2774/001 DOC 55 158 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de strafuitvoeringsrechtbanken.31 Met de uitwerking van de concrete invulling van de beperkte detentie, de opvolging en het toezicht erop, worden de Justitiehuizen belast. Bijgevolg worden zij nog steeds betrokken bij de beperkte detentie, terwijl dit niet het geval is bij de uitgaansvergunning en het penitentiair verlof. Het is niet duidelijk waarom de justitiehuizen deze taak nog steeds op zich moeten nemen, in acht genomen het feit dat de beperkte detentie wordt toegekend voor professionele en opleidingsbelangen (en niet meer voor familiale belangen), en er wordt gesteld dat de modaliteit van beperkte detentie nauwer aanleunt bij de uitgaansvergunning en het penitentiair verlof. Het is raadzaam in de memorie van toelichting hiervoor de nodige verduidelijking en verantwoording op te nemen. 4. De artikelen 69, 79 en 80 van het voorontwerp moeten als volgt worden verbeterd: “Art. 69. In het opschrift van hoofdstuk III van titel IV van dezelfde wet worden de woorden ‘en IIbis’ vervangen door de woorden ‘, IIbis en IIter’.” “Art. 79. In Titel V, van dezelfde wet, wordt afdeling I van hoofdstuk I, die artikel 21 omvat, opgeheven.” “Art. 80. Het opschrift van afdeling II van Titel V wordt vervangen als volgt (…).” Hoofdstuk 13 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens 1. De Nederlandse tekst van artikel 11/1, derde lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008, bevat geen materiële fout.32 Artikel 102 van het voorontwerp moet dan ook weggelaten worden. 2. In artikel 103 van het voorontwerp dienen de woorden “In artikel 19,1° van dezelfde wet” vervangen te worden door de woorden “In artikel 19, 1°, van de wapenwet, vervangen bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019”. 31 Zie artikelen 42 en 43 resp. 62 van de wet van 17 mei 2006. 32 Zie artikel 7 van de wet van 25 juli 2008 ‘tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 2008, 44144). peines31. Les maisons de justice sont chargées d’élaborer le contenu concret de la détention limitée, le suivi ainsi que le contrôle de celle-ci. Il s’ensuit qu’elles sont encore associées à la détention limitée, alors que tel n’est pas le cas pour la permission de sortie et le congé pénitentiaire. On n’aperçoit pas clairement pourquoi les maisons de justice doivent encore assumer cette tâche, compte tenu du fait que la détention limitée est accordée pour des intérêts professionnels et de formation (et non plus pour des intérêts familiaux), et qu’il est précisé que la modalité de la détention limitée s’apparente plus aux permissions de sortie et aux congés pénitentiaires. Il est indiqué d’inscrire les précisions et justifications nécessaires à cet effet dans l’exposé des motifs. 4. Les articles 69, 79 et 80 de l’avant-projet doivent être corrigés comme suit: “Art. 69. Dans l’intitulé du chapitre III du titre IV de la même loi, les mots ‘et IIbis’ sont remplacés par les mots ‘, IIbis et IIter’”. “Art. 79. Dans le Titre V, de la même loi, la section Ire du chapitre Ier, qui contient l’article 21, est abrogée”. “Art. 80. L’intitulé de la section II du titre V est remplacé par ce qui suit (…)”. Chapitre 13 Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes 1. La version néerlandaise de l’article 11/1, alinéa 3, de la loi du 8 juin 2006 ‘réglant des activités économiques et individuelles avec des armes’, inséré par la loi du 25 juillet 2008, ne comporte aucune erreur matérielle32. L’article 102 de l’avant-projet sera dès lors omis. 2. À l’article 103 de l’avant-projet, il convient de remplacer les mots “Dans l’article 19, point 1°, de la loi sur les armes du 8 juin 2006” par les mots “Dans l’article 19, 1°, de la loi sur les armes, remplacé par la loi du 25 juillet 2008 et modifié par la loi du 5 mai 2019”. 31 Voir respectivement les articles 42 et 43 ainsi que 62 de la loi du 17 mai 2006. 32 Voir l’article 7 de la loi du 25 juillet 2008 ‘modifiant la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes’ (Moniteur belge du 22 aout 2008, p. 44144). 159 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hoofdstuk 14 Wijzigingen van de programmawet (i) van 29 maart 2012 Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Hoofdstuk 15 Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Artikel 108 1.1. Artikel 10833 van het voorontwerp strekt ertoe de door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 39/2020 van 12 maart 2020 vernietigde bepalingen van de wet van 18 oktober 2017 ‘betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed’ te herstellen, waarbij wordt beoogd tegemoet te komen aan de door het Hof gemaakte bezwaren. 1.2. Het ontworpen artikel 12 van de wet van 18 oktober 2017 voorziet erin dat het bevel tot ontruiming wordt uitge‑ vaardigd door de procureur des Konings, na machtiging door de onderzoeksrechter. Daartoe richt de procureur des Konings een verzoek aan de onderzoeksrechter, die binnen een termijn van maximum 48 uur minstens de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten beoordeelt. Voor het overige wordt de regeling zoals die was opgenomen in het door het Grondwettelijk Hof vernietigde artikel 12 van de voornoemde wet ongewijzigd overgenomen,34 met dien verstande dat er in de thans voorliggende regeling in een kennisgeving wordt voorzien aan de personen die zich in het betrokken goed bevinden. 1.3. Het Grondwettelijk Hof overwoog met betrekking tot de vernietigde bepalingen in arrest nr. 39/2020 het volgende: “B.31.2. Die bepaling verleent aan de procureur des Konings, in het kader van een strafrechtelijke procedure ingesteld ingevolge een klacht ingediend op grond van artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek, de bevoegdheid om prima facie het kennelijk gegronde karakter van een rechtsvordering te beoordelen, vordering die ertoe strekt de gevolgen van een strafrechtelijk misdrijf te doen ophouden. Ook al wordt in de bestreden bepaling gepreciseerd dat die bevoegdheid wordt uitgeoefend ‘met eerbiediging van het vermoeden van onschuld’, toch houdt de vaststelling door de procureur des Konings dat de vordering tot ontruiming van de bezette niet-bewoonde 33 Zie ook artikel 26 van het voorontwerp. 34 Zie, wat die regeling betreft, adv.RvS 61.256/3 van 5 mei 2017 over amendementen op een wetsvoorstel ‘tot wijziging van het Strafwetboek wat betreft het zonder toestemming van de eigenaar in gebruik nemen van een onroerend goed’ (Parl.St. Kamer 2016- 17, nr. 54-1008/004). Chapitre 14 Modification de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 15 Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui Article 108 1.1. L’article 10833 de l’avant-projet vise à rétablir les dis‑ positions de la loi du 18 octobre 2017 ‘relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui’, annulées par l’arrêt n° 39/2020 du 12 mars 2020 de la Cour constitutionnelle, et ce aux fins de répondre aux objections soulevées par celle-ci. 1.2. L’article 12, en projet, de la loi du 18 octobre 2017 prévoit que l’ordonnance d’évacuation est prise par le procu‑ reur du Roi, après autorisation du juge d’instruction. À cette fin, le procureur du Roi adresse une demande au juge d’ins‑ truction qui, dans un délai de 48 heures maximum, apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l’autorisation au regard des faits. Pour le surplus, le régime tel qu’il était inscrit dans l’article 12 de la loi précitée, annulé par la Cour constitutionnelle, est reproduit tel quel34, étant entendu que le régime actuellement à l’examen prévoit une notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné. 1.3. Dans son arrêt n° 39/2020, la Cour constitutionnelle a considéré, à propos des dispositions annulées, ce qui suit: “B.31.2. Cette disposition confère au procureur du Roi, dans le cadre d’une procédure pénale mue à la suite d’une plainte déposée sur la base de l’article 442/1, § 1er, du Code pénal, le pouvoir d’apprécier prima facie le caractère manifestement fondé d’une demande en justice, demande qui tend à faire cesser les conséquences d’une infraction pénale. Même si la disposition attaquée précise que ce pouvoir s’exerce ‘dans le respect de la présomption d’innocence’, le constat par le procureur du Roi que la demande d’évacuation des lieux non habités occupés ‘semble manifestement fondée à première vue’ implique que les occupants du bien d’autrui sont, à première 33 Voir également l’article 26 de l’avant-projet. 34 Voir, concernant ce régime, l’avis C.E. 61.256/3 du 5 mai 2017 sur des amendements à une proposition de loi ‘modifiant le Code pénal en ce qui concerne l’occupation d’un immeuble sans l’autorisation du propriétaire’ (Doc. parl., Chambre, 2016-17, n° 54-1008/004). 2774/001 DOC 55 160 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E plaatsen ‘op het eerste gezicht kennelijk gegrond lijkt’, in dat de bezetters van andermans goed zich op het eerste gezicht kennelijk schuldig hebben gemaakt aan het plegen van het in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek bedoelde misdrijf. B.32.1. Wanneer het niet-bewoonde en zonder titel of recht bezette goed de woonplaats van de betrokken persoon uitmaakt, vormt het bevel tot ontruiming van de procureur des Konings een inmenging, zoals in B.23 wordt vermeld, in hun recht op eerbiediging van het privéleven en in hun recht op onschendbaarheid van de woning. Zoals in B.24.1 wordt vermeld, is het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter, met inachtneming van de jurisdictio‑ nele waarborgen en met name van het recht op toegang tot een rechter en van de rechten van verdediging van de partij tegen wie de vordering tot ontruiming is gericht, bijgevolg een essentiële waarborg om de inachtneming van de in het geding zijnde grondrechten te verzekeren. De uitvoering er‑ van moet het voorwerp uitmaken van een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. B.32.2. In principe komt het het openbaar ministerie niet toe maatregelen te bevelen die afbreuk doen aan de individu‑ ele rechten en vrijheden. Zoals het Hof vroeger reeds heeft geoordeeld, mogen maatregelen die een dwangmaatregel of een schending van individuele rechten en vrijheden ver‑ onderstellen, enkel worden uitgevoerd met de toestemming en onder de controle van een rechter (zie arrest nr. 174/2018 van 6 december 2018, B.14.4). B.32.3. De bezetter van het niet-bewoonde goed worden door de procureur des Konings gehoord, ‘tenzij het verhoor niet kan worden afgenomen wegens de concrete omstandigheden van de zaak’. Geconfronteerd met een bevel tot ontruiming dat door de procureur des Konings is genomen, hebben ze de mogelijkheid om daartegen een opschortend beroep in te stellen bij de vrederechter, binnen een termijn van acht dagen. De aanhangigmaking bij de vrederechter vereist evenwel de uitoefening van een rechtsmiddel. Zij houdt ook in dat zij ken‑ nis hebben genomen van het bevel, dat hen enkel ter kennis wordt gebracht door aanplakking op het te ontruimen goed, en dat zij binnen een relatief korte termijn erop reageren. Daaruit volgt dat de uitvoering van het bevel tot ontruiming dat door de procureur des Konings is genomen, niet noodzakelijk het voorwerp uitmaakt van een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter.” 1.4. In advies 67.381/135, over een wetsvoorstel dat ertoe strekte de door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepalingen van de wet van 18 oktober 2017 te herstellen, en waarin werd bepaald dat het bevel tot ontruiming door een onderzoeks‑ rechter zou worden afgeleverd, wordt eraan herinnerd dat in het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt bevestigd dat 35 Adv.RvS 67.381/1 van 23 juni 2020 over een wetsvoorstel ‘tot wijziging van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed’ (Parl.St. Kamer 2019‑20, nr. 55‑1170/001). In dat voorstel luidde het ontworpen artikel 12, § 1, eerste lid, in fine: “De onderzoeksrechter geeft zijn bevel na hen te hebben gehoord tenzij het verhoor niet kan worden afgenomen wegens de concrete omstandigheden van de zaak.” vue, manifestement coupables d’avoir commis l’infraction visée par l’article 442/1, § 1er, du Code pénal. B.32.1. Lorsque le bien non habité et occupé sans titre ni droit constitue le domicile des personnes concernées, l’ordonnance d’évacuation du procureur du Roi constitue une ingérence, comme il est dit en B.23, dans leur droit au respect de la vie privée et dans leur droit à l’inviolabilité du domicile. Comme il est dit en B.24.1, l’intervention préalable d’un juge indépendant et impartial, dans le respect des garanties juri‑ dictionnelles et, notamment, du droit d’accès à un juge et des droits de la défense de la partie contre qui est dirigée la demande d’évacuation, est dès lors une garantie essentielle pour assurer le respect des droits fondamentaux en cause. Sa mise en œuvre doit faire l’objet d’un contrôle par un juge indépendant et impartial. B.32.2. En principe, il ne revient pas au ministère public d’ordonner des mesures portant atteinte aux droits et libertés individuels. Comme la Cour l’a déjà jugé précédemment, des dispositions qui supposent une mesure contraignante ou une violation de droits individuels et de libertés ne peuvent être exécutées qu’avec l’autorisation et sous le contrôle d’un juge (voir l’arrêt n° 174/2018 du 6 décembre 2018, B.14.4). B.32.3. Les occupants du bien non habité sont entendus par le procureur du Roi, ‘sauf si l’audition ne peut être réalisée en raison des circonstances concrètes de la cause’. Confrontés à une ordonnance d’évacuation prise par le procureur du Roi, ils ont la possibilité d’introduire un recours suspensif contre celle-ci auprès du juge de paix, dans un délai de huit jours. Toutefois, la saisine du juge de paix nécessite l’exercice de cette voie de recours. Elle suppose aussi qu’ils aient pris connaissance de l’ordonnance, laquelle ne leur est notifiée que par affichage sur le bien à évacuer, et qu’ils y réagissent dans un délai relativement court. Il en résulte que la mise en œuvre de l’ordonnance d’évacuation prise par le procureur du Roi ne fait pas nécessairement l’objet d’un contrôle par un juge indépendant et impartial”. 1.4. L’avis 67.381/135, sur une proposition de loi qui visait à rétablir les dispositions annulées par la Cour constitutionnelle de la loi du 18 octobre 2017, et qui prévoyait que l’ordonnance d’évacuation serait délivrée par un juge d’instruction, rappelle que l’arrêt de la Cour constitutionnelle confirme que “l’inter‑ vention d’un juge indépendant et impartial doit avoir lieu ‘dans 35 Avis C.E. 67.381/1 du 23 juin 2020 sur une proposition de loi ‘modifiant la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui’ (Doc. parl., Chambre, 2019-20, n° 55‑1170/001). Dans cette proposition, la fin de l’article 12, § 1er, alinéa 1er, en projet, s’énonçait comme suit: “Le juge d’instruction prend une ordonnance après avoir entendu celles-ci sauf si l’audition ne peut être réalisée en raison des circonstances concrètes de la cause”. 161 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het “optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter moet plaatsvinden ‘met inachtneming van de jurisdictionele waarborgen en met name van het recht op toegang tot de rechter en van de rechten van verdediging van de partij tegen wie de vordering tot ontruiming is gericht’ (B.32.1), hetgeen een essentiële waarborg vormt om de inachtneming van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op onschendbaarheid van de woning te verzekeren”. In hetzelfde advies wordt voorts gesteld dat een onder‑ zoeksrechter, in tegenstelling tot de procureur des Konings, een onafhankelijke en onpartijdige rechter is zoals bedoeld bij het arrest nr. 39/2020. Aangezien de taak van een onderzoeks‑ rechter bestaat in het leiden van het gerechtelijk onderzoek, en in de voorgestelde regeling nog steeds een strafklacht bij het parket was vereist, was de Raad van State echter van oordeel dat “de samenhang tussen de klacht en de procedure van het bevel tot uithuiszetting niet duidelijk” was. Bijgevolg rees de vraag “of de onvolledige regeling van de procedure voor de nieuwe atypische taak van de onderzoeksrechter36, voldoende beantwoordt aan het vereiste van de jurisdictionele waarborgen waaraan het Grondwettelijk Hof herinnert”. Het advies besluit dat “[h]et [aanbeveling] verdient (…) dat de stellers van het voorstel hierover de nodige verduidelijking verschaffen, en aldus verduidelijken op welke wijze het verzoek bij de onderzoeksrechter aanhangig moet worden gemaakt, op welke wijze de onderzoeksrechter hiervan kennis geeft aan de betrokkenen, of de in het goed aangetroffen personen over de nodige tijd kunnen beschikken om een juridisch antwoord op te stellen, en dat deze personen zich door een advocaat kunnen laten bijstaan”. 1.5. In het licht van het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof en het voornoemde advies van de Raad van State, afdeling Wetgeving, kunnen bij de thans ontworpen regeling nog de hiernavolgende opmerkingen worden gemaakt. 1.5.1. Het ontworpen artikel 12, § 1, eerste lid, van de wet van 18 oktober 2017 bepaalt niet langer dat het bevel tot ontruiming wordt uitgevaardigd ten aanzien van “de in het goed aangetroffen personen”. Het lijkt aangewezen om dit uitdrukkelijk te bepalen. 1.5.2. Het ontworpen artikel 12, § 1, tweede lid, van de wet van 18 oktober 2017 bepaalt dat de procureur des Konings aan de onderzoeksrechter een met redenen omkleed ver‑ zoek richt dat minstens de volgende gegevens bevat: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt, en 2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is. Daarnaast moet dat verzoek de omstandigheden vermelden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen. In die bepaling wordt er echter niet in voorzien dat in het verzoek 36 Voetnoot 5 uit het advies: Deze atypische taak heeft ook het merkwaardige gevolg dat tegen een beslissing van een onderzoeksrechter een beroep kan worden ingesteld bij de vrederechter. le respect des garanties juridictionnelles et, notamment, du droit d’accès à un juge et des droits de la défense de la partie contre qui est dirigée la demande’ (B.32.1), ce qui constitue une garantie essentielle pour assurer le respect du droit à la vie privée et du droit à l’inviolabilité du domicile”. Le même avis indique par ailleurs que, contrairement au procureur du Roi, un juge d’instruction est un juge indépendant et impartial, au sens de l’arrêt n° 39/2020. Dès lors que la mis‑ sion d’un juge d’instruction consiste à diriger l’instruction, et que le régime proposé exigeait toujours le dépôt d’une plainte auprès du parquet, le Conseil d’État estimait cependant que “l’articulation entre la plainte et la procédure relative à l’ordon‑ nance d’expulsion manqu[ait] de clarté”. La question se posait par conséquent de savoir “si la réglementation imparfaite de la procédure concernant la tâche nouvelle et atypique du juge d’instruction36, répond suffisamment à l’exigence des garan‑ ties juridictionnelles rappelées par la Cour constitutionnelle”. L’avis conclut qu’“[i]l est recommandé que les auteurs de la proposition fournissent les éclaircissements nécessaires à ce sujet, et précisent ainsi de quelle manière le juge d’instruction doit être saisi de la requête, comment il la notifie aux intéressés, si les personnes qui se trouvent dans le bien peuvent disposer du temps nécessaire pour rédiger une réponse juridique, et que ces personnes peuvent se faire assister par un avocat”. 1.5. À la lumière de l’arrêt précité de la Cour constitu‑ tionnelle et de l’avis précité du Conseil d’État, section de législation, on peut encore formuler les observations suivantes à propos du régime actuellement en projet. 1.5.1. L’article 12, § 1er, alinéa 1er, en projet, de la loi du 18 octobre 2017 ne prévoit plus que l’ordonnance d’évacuation soit prise à l’égard des “personnes qui se trouvent dans le bien”. Il paraît recommandé de le préciser explicitement. 1.5.2. L’article 12, § 1er, alinéa 2, en projet, de la loi du 18 octobre 2017 prévoit que le procureur du Roi adresse au juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes: 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance, et 2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire. Par ailleurs, cette demande doit mentionner les circonstances susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Or, cette disposition ne prévoit pas que la demande mentionne les personnes concernées, en particulier les occupants du bien 36 Note de bas de page n° 5 de l’avis: Cette tâche atypique a également pour conséquence remarquable qu’une décision d’un juge d’instruction est susceptible de recours devant le juge de paix. 2774/001 DOC 55 162 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de betrokken personen worden vermeld, in het bijzonder de bezetters van het niet-bewoonde goed. Hierover ondervraagd, antwoordde de gemachtigde het volgende: “De documenten en inlichtingen die aan de onderzoeksrech‑ ter worden voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te worden bekeken. Dit kan de betrokken personen betreffen tegen wie een ontruiming wordt beoogd indien dit gekend is. Dit kunnen de personen zijn die in het goed worden aangetroffen. Dit kan door de eigenaar of elke burger worden aangegeven. Dit kan worden vastgesteld na aangifte door de politiediensten.” Gelet op dat antwoord, zou het best uitdrukkelijk worden bepaald dat de identiteit van de bezetters van het niet-bewoonde goed, voor zover deze achterhaald kan worden, in het verzoek moet worden opgenomen. Het verdient in elk geval aanbeve‑ ling om de toelichting van de gemachtigde op te nemen in de memorie van toelichting. 1.5.3. In het ontworpen artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 wordt er niet in voorzien dat de betrokken personen worden gehoord. Het ontworpen artikel 12, § 1, vierde lid, bepaalt wel dat de onderzoeksrechter de wettigheid en de proportionaliteit beoordeelt van de machtiging ten aanzien van de feiten. Luidens de memorie van toelichting wordt op die wijze gewaarborgd dat de onderzoeksrechter “daadwerkelijk waakt over de grondrechten van de betrokken personen” en is de machtiging op die manier “meer dan een louter formeel nazicht maar minder verregaand als een beoordeling van een onderzoeksmaatregel tijdens een gerechtelijk onderzoek”. Volgens de gemachtigde zijn de “betrokken personen”, “de personen die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd”. Gevraagd hoe de onderzoeksrechter de wettigheid en de proportionaliteit van de maatregel zal beoordelen zonder de betrokken personen te horen, antwoordde de gemachtigde: “Door zich te baseren op het dossier. Doordat er voldoende gegevens voorhanden zijn uit de documenten en inlichtingen die de onderzoeksrechter worden voorgelegd. De onder‑ zoeksrechter gaat de wettigheid en de proportionaliteit van de maatregel na ten aanzien van de feiten.” Ofschoon het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest nr. 39/2020 enkel lijkt te vereisen dat de uitvoering van het bevel tot ontruiming dat door de procureur des Konings is genomen, het voorwerp uitmaakt van een controle door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, zonder dat noodza‑ kelijkerwijs de personen die het voorwerp uitmaken van dat bevel worden gehoord, vormt het horen van de betrokkenen een grotere procedurele waarborg, zowel in het belang van de persoon ten aanzien van wie het bevel zal worden genomen, als in het belang om geen ongefundeerde maatregel te nemen. Het verdient dan ook aanbeveling om te voorzien in het horen van de betrokken personen, tenzij dit wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet mogelijk is. non habité. Interrogé sur ce point, le délégué a répondu ce qui suit: “De documenten en inlichtingen die aan de onderzoeksrech‑ ter worden voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te worden bekeken. Dit kan de betrokken personen betreffen tegen wie een ontruiming wordt beoogd indien dit gekend is. Dit kunnen de personen zijn die in het goed worden aangetroffen. Dit kan door de eigenaar of elke burger worden aangegeven. Dit kan worden vastgesteld na aangifte door de politiediensten”. Compte tenu de cette réponse, mieux vaudrait prévoir expressément que l’identité des occupants du bien non habité, pour autant qu’elle puisse être retrouvée, doit être reproduite dans la demande. En tout cas, il est recommandé de faire figurer les explications du délégué dans l’exposé des motifs. 1.5.3. L’article 12, § 1er, en projet, de la loi du 18 octobre 2017 ne prévoit pas que les personnes concernées sont entendues. L’article 12, § 1er, alinéa 4, en projet, dispose toutefois que le juge d’instruction apprécie la légalité et la proportionnalité de l’autorisation au regard des faits. Selon l’exposé des motifs, on garantit ce faisant que le juge d’instruction “contrôle effec‑ tivement les droits fondamentaux des personnes concernées” et de cette manière, l’autorisation est “plus qu’une vérification purement formelle, mais va moins loin que l’évaluation d’une mesure d’enquête au cours d’une instruction”. Selon le délégué, les “betrokken personen” sont “de per‑ sonen die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd”. À la question de savoir comment le juge d’instruction appréciera la légalité et la proportionnalité de la mesure sans entendre les personnes concernées, le délégué a répondu en ces termes: “Door zich te baseren op het dossier. Doordat er voldoende gegevens voorhanden zijn uit de documenten en inlichtingen die de onderzoeksrechter worden voorgelegd. De onde‑ rzoeksrechter gaat de wettigheid en de proportionaliteit van de maatregel na ten aanzien van de feiten”. Bien que dans l’arrêt n° 39/2020 précité, la Cour constitu‑ tionnelle semble uniquement exiger que la mise en œuvre de l’ordonnance d’évacuation prise par le procureur du Roi fasse l’objet d’un contrôle par un juge indépendant et impartial, sans que les personnes qui font l’objet de cette ordonnance soient nécessairement entendues, l’audition des intéressés constitue une garantie de procédure plus importante, tant dans l’intérêt de la personne à l’égard de laquelle l’ordonnance sera prise que dans celui d’éviter de prendre une mesure manquant de fondement. Il est dès lors recommandé de prévoir l’audition des personnes concernées, sauf en cas d’impossibilité en raison des circonstances concrètes de la cause. 163 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1.5.4. Het ontworpen artikel 12, § 1, vijfde lid, van de wet van 18 oktober 2017 bepaalt dat het bevel tot ontruiming dat de procureur des Konings uitvaardigt “met redenen wordt omkleed”. De gemachtigde verklaarde in dat verband dat het bevel tot ontruiming, dat wordt genomen mits machtiging van de onderzoeksrechter, zal zijn gesteund op de motivering voor die machtiging. Het lijkt aangewezen deze verduidelijking op te nemen in de memorie van toelichting. Hoofdstuk 16 Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Artikel 109 In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 109 van het voorontwerp moeten tussen de woorden “van de wet” en “betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel” de woorden “van 23 maart 2019” worden opgenomen. Hoofdstuk 17 Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het burgerlijk wetboek Artikelen 111 en 112 In de Nederlandse tekst van de artikelen 111, 2°, en 112, 2°, van het voorontwerp wordt om taalkundige redenen beter telkens geschreven “in paragraaf (…) worden de woorden ‘bedoeld attest’ vervangen door de woorden ‘bedoelde akte of attest’”. Hoofdstuk 18 Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen Artikel 113 Zoals hierboven uitgezet is, is de afdeling Wetgeving niet meer bevoegd om deze bepaling te onderzoeken. Deze bepa‑ ling wordt dan ook niet onderzocht. 1.5.4. L’article 12, § 1er, alinéa 5, en projet, de la loi du 18 octobre 2017 énonce que le procureur du Roi prend l’ordon‑ nance d’évacuation “en la motivant”. À ce propos, le délé‑ gué a déclaré que l’ordonnance d’évacuation, qui est prise moyennant l’autorisation du juge d’instruction, s’appuiera sur la motivation de cette autorisation. Il paraît indiqué d’intégrer ces précisions dans l’exposé des motifs. Chapitre 16 Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Article 109 Dans le texte néerlandais de la phrase liminaire de l’ar‑ ticle 109 de l’avant-projet, il y a lieu d’insérer les mots “van 23 maart 2019” entre les mots “van de wet” et les mots “betref- fende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel”. Chapitre 17 Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du code civil Articles 111 et 112 Par souci de correction de la langue, il serait préférable, dans le texte néerlandais des articles 111, 2°, et 112, 2°, d’écrire chaque fois “in paragraaf (…) worden de woorden ‘bedoeld attest’ vervangen door de woorden ‘bedoelde akte of attest”. Chapitre 18 Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard Article 113 Comme exposé ci‑avant, la section de législation n’est plus compétente pour examiner cette disposition. Elle n’est donc pas examinée. 2774/001 DOC 55 164 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hoofdstuk 19 Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de gevangenissen Artikelen 114 tot 117 1. De artikelen 114 tot 117 van het voorontwerp voorzien erin dat de regeling inzake vervroegde invrijheidstelling, die werd ingevoerd in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, tot 1 januari 2025 wordt ingevoerd als instrument tegen de overbevolking in de gevangenissen.37 De thans ontworpen bepalingen stemmen inhoudelijk groten‑ deels overeen met die regeling.38 2. In vergelijking met artikel 110 van de wet van 23 december 2021 ‘tot invoering van het parket voor de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke organisatie en justitie’, wordt in artikel 115, § 1, eerste lid, van het voorontwerp niet meer bepaald dat de vervroegde invrijheidstelling geldt voor veroordeelden die hun straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaan. In de memorie van toelichting wordt dienaangaande verduidelijkt dat “[h]ierdoor (…) deze maatre‑ gel ook van toepassing [is] op veroordeelden die elektronisch toezicht als strafuitvoeringsmodaliteit hebben toegekend gekregen. Deze categorie van veroordeelden ondergaat ook een vrijheidsstraf, zij het onder elektronisch toezicht. Het zou onrechtvaardig zijn om hen uit te sluiten van de vervroegde invrijheidstelling om de enkele reden dat zij zich niet langer in de gevangenis bevinden”. 37 In de memorie van toelichting wordt dienaangaande verwezen naar “de huidige toestand van overbevolking in de gevangenissen en de vooruitzichten op dat vlak”, waarbij wordt gewezen op de volledige inwerkingtreding op 1 juni 2022 van de wet van 17 mei 2006 ‘betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan de slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten’, die “voor gevolg [zal] hebben dat, veel meer dan vandaag het geval is, kortgestraften effectief zullen worden opgesloten”. Wat dit laatste betreft, dient erop te worden gewezen dat het wetsontwerp ‘tot uitstel van de inwerkingtreding van de bepalingen inzake uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder’ op 12 mei 2022 is aangenomen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waardoor de inwerkingtreding van de bepalingen inzake strafuitvoering voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder wordt uitgesteld tot 1 september 2022 voor de veroordeelden met een totaal aan vrijheidsstraffen van meer dan twee jaar (maar minder dan drie jaar) en tot uiterlijk 1 september 2023 voor de veroordeelden met eens straftotaal van twee jaar of minder (Parl.St. Kamer 2021-22, nr. 55-2645/001 en nr. 55‑2645/005). 38 Zie artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020 ‘houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID‑19’, waarover de Raad van State, in ontwerpvorm, op 3 april 2020 advies 67.181/1 heeft uitgebracht. Zie ook de artikelen 109 tot 111 van de wet van 23 december 2021 ‘tot invoering van het parket voor de verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke organisatie en justitie’ (ingevoegd bij amendement – zonder advies van de Raad van State). Laatstgenoemde regeling treedt buiten werking op 1 juni 2022. Chapitre 19 Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons Articles 114 à 117 1. Les articles 114 à 117 de l’avant-projet prévoient que le régime de libération anticipée, qui a été instauré dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID‑19, est instauré jusqu’au 1er janvier 2025 en tant qu’instrument de lutte contre la surpopulation dans les prisons37. Sur le fond, les dispositions actuellement en projet sont dans une large mesure conformes à ce régime38. 2. Par rapport à l’article 110 de la loi du 23 décembre 2021 ‘introduisant le parquet de la sécurité routière et portant des dispositions diverses en matière d’organisation judiciaire et de justice’, l’article 115, § 1er, alinéa 1er, de l’avant-projet ne prévoit plus que la libération anticipée s’applique aux condamnés qui subissent leur peine en tout ou en partie en prison. L’exposé des motifs précise à ce sujet que “[p]ar conséquent, cette mesure s’applique également aux personnes condamnées qui ont bénéficié d’une surveillance électronique comme modalité d’exécution de la peine. Cette catégorie de personnes condamnées subit également une peine d’emprisonnement, bien que sous surveillance électronique. Il serait injuste de les exclure de la libération anticipée au seul motif qu’ils ne se trouvent plus [en prison]”. 37 L’exposé des motifs fait référence à cet égard à “la situation actuelle de surpopulation dans les prisons et des perspectives à cet égard”, en attirant l’attention sur l’entrée en vigueur intégrale, le 1er juin 2002, de la loi du 17 mai 2006 ‘relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine’ qui “signifiera que les condamnés à des courtes peines seront effectivement incarcérés, beaucoup plus que ce n’est le cas aujourd’hui”. En ce qui concerne ce dernier point, il convient de souligner que le projet de loi ‘visant à reporter l’entrée en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des peines privatives de liberté de trois ans ou moins’ a été adopté par la Chambre des représentants le 12 mai 2022, l’entrée en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des peines privatives de liberté de trois ans ou moins étant ainsi reportée au 1er septembre 2022 pour les condamnés à un total de peines privatives de liberté de plus de deux ans (mais moins de trois ans) et au 1er septembre 2023 au plus tard pour les condamnés avec un total de peines de deux ans ou moins (Doc. parl., Chambre, 2021-22, n° 55-2645/001 et n° 55-2645/005). 38 Voir l’article 15 de l’arrêté royal n° 3 du 9 avril 2020 ‘portant des dispositions diverses relatives à la procédure pénale et à l’exécution des peines et des mesures prévues dans le cadre de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19’, dont le projet a fait l’objet de l’avis 67.181/1 du Conseil d’État, donné le 3 avril 2020. Voir également les articles 109 à 111 de la loi du 23 décembre 2021 ‘introduisant le parquet de la sécurité routière et portant des dispositions diverses en matière d’organisation judiciaire et de justice’ (insérés par amendement – sans l’avis du Conseil d’État). Ce dernier dispositif cesse d’être en vigueur le 1er juin 2022. 165 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Gevraagd hoe deze verruiming moet worden begrepen in het licht van de doelstelling van de maatregel, antwoordde de gemachtigde het volgende: “De maatregel loopt tot eind 2024. Dit betekent dat niet al‑ leen rekening moet worden gehouden met de veroordeelden die op het ogenblik van inwerkingtreding onder elektronisch toezicht staan (en die inderdaad slechts potentieel binnen de finaliteit van de maatregel komen, nl. wanneer hun elektronisch toezicht zou worden herroepen en ze wederopgesloten wor‑ den – waarna ze gedurende zes maanden niet in aanmerking komen voor de toekenning van deze maatregel), maar ook/ vooral met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn om elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te allen prijze vermeden worden dat deze laatste categorie veroordeelden een afweging zou maken tussen het aanvragen van elektronisch toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten tot 6 maanden voor strafeinde om dan quasi automatisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor de problematiek van overbevolking. De maatregel zou dus ook worden toegekend aan veroordeelden onder elektronisch toezicht, om de aanvragen elektronisch toezicht niet te fnuiken en dit mogelijke perverse effect dus te vermijden.” Het is aangewezen om deze verantwoording op te nemen in de memorie van toelichting. Hoofdstuk 20 Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie gedetineerden Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken. Hoofdstuk 21 Overgangsbepalingen In artikel 121, tweede lid, van het voorontwerp moet ook worden verwezen naar artikel 49 van de wet van 17 mei 2006. Hoofdstuk 22 Inwerkingtreding Artikel 122 Aangezien de artikelen 46 en 48 luidens de toelichting bij het artikel strekken ter “verbetering” van een bepaling die op 1 juli 2022 in werking treedt, is het beter om in het tweede lid te bepalen dat die artikelen op die datum in werking treden, voor zover dat geen terugwerkende kracht meebrengt. À la question de savoir comment cet élargissement doit s’entendre au regard de l’objectif de la mesure, le délégué a répondu ce qui suit: “De maatregel loopt tot eind 2024. Dit betekent dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de veroordeelden die op het ogenblik van inwerkingtreding onder elektronisch toezicht staan (en die inderdaad slechts potentieel binnen de finaliteit van de maatregel komen, nl. wanneer hun elektronisch toezicht zou worden herroepen en ze wederopgesloten wor‑ den – waarna ze gedurende zes maanden niet in aanmerking komen voor de toekenning van deze maatregel), maar ook/ vooral met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn om elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te allen prijze vermeden worden dat deze laatste categorie veroordeelden een afweging zou maken tussen het aanvragen van elektronisch toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten tot 6 maanden voor strafeinde om dan quasi automatisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor de problematiek van overbevolking. De maatregel zou dus ook worden toegekend aan veroordeelden onder elektronisch toezicht, om de aanvragen elektronisch toezicht niet te fnuiken en dit mogelijke perverse effect dus te vermijden”. Il est recommandé d’inscrire cette justification dans l’exposé des motifs. Chapitre 20 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 21 Dispositions transitoires À l’article 121, alinéa 2, de l’avant‑projet, on visera égale‑ ment l’article 49 de la loi du 17 mai 2006. Chapitre 22 Entrée en vigueur Article 122 À l’alinéa 2, puisque les articles 46 et 48 tendent à “réparer”, selon la formulation du commentaire de l’article, une dispo‑ sition qui entre en vigueur le 1er juillet 2022, mieux vaudrait les faire entrer en vigueur à cette date, pour autant que cela n’entraîne pas de rétroactivité. 2774/001 DOC 55 166 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Slotopmerking Bij de te wijzigen bepalingen wordt niet steeds de (cor‑ recte) wetsgeschiedenis vermeld. Het voorontwerp dient op dit punt grondig te worden nagekeken. Wat de wijzingen aan de artikelen van de wet van 17 mei 2006 (hoofdstuk 12 van het voorontwerp) betreft, dient bijvoorbeeld rekening te worden gehouden met de wijzigingen bij de wet van 29 juni 2021 ‘tot operationalisering van de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder’, die uiterlijk op 1 juni 2022 in werking zullen treden.39 De griffier, Greet VERBERCKMOES De voorzitter, MARNIX VAN DAMME De griffier, Béatrice DRAPIER De voorzitter, Pierre VANDERNOOT De griffier, Annemie GOOSSENS De voorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH De griffier, Charles‑Henri VAN HOVE De voorzitter, Martine BAGUET 39 Bijv. de artikelen 23 en 43 van de wet van 7 mei 2006 (artikelen 81 en 90 van het voorontwerp). Observation finale L’historique législatif (correct) des dispositions à modifier n’est pas toujours mentionné. Il s’impose de vérifier l’avant-projet de manière approfondie sur ce point. En ce qui concerne les modifications apportées aux articles de la loi du 17 mai 2006 (chapitre 12 de l’avant‑projet), il convient par exemple de tenir compte des modifications apportées par la loi du 29 juin 2021 ‘portant opérationnalisation de la procédure d’exécution des peines privatives de liberté de trois ans ou moins’, qui entrent en vigueur au plus tard le 1er juin 202239. Le greffier, Greet VERBERCKMOES Le président, MARNIX VAN DAMME Le greffier, Béatrice DRAPIER Le président, Pierre VANDERNOOT Le greffier, Annemie GOOSSENS Le président, Wilfried VAN VAERENBERGH Le greffier, Charles‑Henri VAN HOVE Le président, Martine BAGUET 39 Par exemple, les articles 23 et 43 de la loi du 7 mai 2006 (articles 81 et 90 de l’avant-projet). 167 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E WETSONTWERP FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Op de voordracht van de minister van Justitie, hebben Wij besloten en besluiten Wij: De minister van Justitie is ermee belast in Onze naam bij de Kamer van volksvertegenwoordigers het ontwerp van wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt: HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 2 In artikel 165/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden “, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft,” opgeheven. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering Art. 3 In het Eerste Boek, Hoofdstuk IV van het Wetboek van Strafvordering wordt een Afdeling 1bis/1 ingevoegd, dat artikel 28decies omvat, met als opschrift: “Afdeling 1bis/1. Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling”. PROJET DE LOI PHILIPPE, Roi des Belges, À tous, présents et à venir, Salut. Sur la proposition du ministre de la Justice, Nous avons arrêté et arrêtons: Le ministre de la Justice est chargé de présenter en Notre nom à la Chambre des représentants le projet de loi dont la teneur suit: CHAPITRE 1ER Dispositions générales Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Modification de l’ancien Code civil Art. 2 Dans l’article 165/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil, inséré par la loi du 18 juin 2018 les mots “dont la com- mune a l’usage exclusif,” sont abrogés. CHAPITRE 3 Modifications du Code d’instruction criminelle Art. 3 Dans le Livre premier, chapitre IV, du Code d’ins- truction criminelle, il est inséré une section 1rebis/1, comportant l’article 28decies, et intitulée comme suit: “Section 1rebis/1. Du contrôle de l’information par la chambre des mises en accusation”. 2774/001 DOC 55 168 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 4 In Afdeling 1bis/1 van hoofdstuk IV van het Eerste boek van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 28decies ingevoegd, luidende: “Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte of de benadeelde persoon. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wet- tigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstel- ling, zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van zaken en kennis nemen van de dossiers en de bij de artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de pro- cureur des Konings in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de benadeelde persoon, de verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De ver- zoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing.”. Art. 5 In artikel 39ter, § 3, tweede lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 5 mei 2019, worden de woor- den “met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd tot dertigduizend euro”. Art. 4 Dans la section 1rebis/1 du chapitre IV du Livre pre- mier du même Code, il est inséré un article 28decies, rédigé comme suit: “Art. 28decies. Si l’information n’est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée de l’inculpé ou de la personne lésée adressée au greffe de la cour d’appel. S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de l’information, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu’il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d’office, demander des rapports sur l’état des affaires et peut prendre connaissance des dossiers et prendre les mesures prévues aux articles 235 et 235bis. Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur du Roi en son rapport, hors la présence des parties si elle l’estime utile. Elle peut également entendre la personne lésée, l’inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l’audience. La chambre des mises en accusation statue sur la requête par arrêt motivé, qui est communiqué au pro- cureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Le requérant ne peut déposer de requête ayant le même objet avant l’expiration du délai de six mois à compter de la dernière décision.”. Art. 5 À l’article 39ter, § 3, alinéa 2 du même Code, modifié par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’un emprisonnement de six mois à un an ou d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. 169 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 6 In artikel 46bis, § 2, vierde lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden de woorden “met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 7 In artikel 46bis/1, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 17 mei 2017, worden de woorden “met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 8 In artikel 46ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 6 januari 2003, worden de woorden “met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig EUR tot tiendui- zend EUR of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 9 In artikel 46quater, § 4, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2019 en 28 november 2021, worden de woorden “met gevangenis- straf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 10 In artikel 88bis, § 4, laatste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 25 december 2016 en 5 mei 2019, worden de woorden “met geldboete van zesen- twintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”. Art. 11 In artikel 88quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd door de wet van 28 november 2000 en gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 6 À l’article 46bis, § 2, alinéa 4 du même Code, modifié par la loi du 25 décembre 2016, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 7 À l’article 46bis/1, § 2, alinéa 3 du même Code, inséré par la loi du 17 mai 2017, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros “. Art. 8 À l’article 46ter, § 2, alinéa 4 du même Code, inséré par la loi du 06 janvier 2003, les mots “d’un emprisonnement de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six EUR à dix mille EUR ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 9 À l’article 46quater, § 4, dernier alinéa du même Code, modifié par la loi du 05 mai 2019 et par la loi du 28 novembre 2021, les mots “d’un emprisonnement de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 10 À l’article 88bis, § 4, dernier alinéa du même Code, modifié par la loi du 25 décembre 2016 et par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”. Art. 11 À l’article 88quater, § 3, du même Code, inséré par la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées: 2774/001 DOC 55 170 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in het eerste lid worden de woorden “met gevange- nisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met geldboete van honderd tot dertigduizend euro”; 2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden “of een van die straffen alleen”. Art. 12 In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden “met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”; 2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als volgt: “Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.; 3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende: “Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen.”. 4° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 39bis, § 3, vierde lid” vervangen door de woorden “artikel 88ter, vierde lid”. Art. 13 In artikel 136bis van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden “per faxpost of bij een ter post aangetekende brief” vervangen door de woorden “per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg”. 1° dans l’alinéa 1er, les mots “d’un emprisonnement de six mois à trois ans et d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros“; 2° l’alinéa 2 est complété par les mots “ou une de ces peines seulement”. Art. 12 À l’article 90quater du même Code, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “d’une amende de vingt-six euros à vingt mille euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”; 2° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures visées à l’article 90ter, § 1er, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros.”; 3° dans le même paragraphe un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4: “Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher la commission d’un crime ou d’un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n’est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement.”. 4° Dans le paragraphe 5, les mots “l’article 39bis, § 3, alinéa 4” sont remplacés par “l’article 88ter, alinéa 4”. Art. 13 Dans l’article 136bis du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 5 février 2016, les mots “par télécopie ou par lettre recommandée à la poste” sont remplacés par les mots “par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique”. 171 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 14 In artikel 162ter van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt: “Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde minnelijke schikking zoals bepaald in artikel 216bis niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt 25,32 euro.” 2° in het tweede lid wordt de zin “Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro.” opgeheven. Art. 15 In artikel 196/1, laatste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden “een bijdrage of een administratieve toeslag.” vervangen door de woorden “of een bijdrage.”. Art. 16 In artikel 203 van hetzelfde Wetboek worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° in de eerste paragraaf worden de woorden “Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep,” vervangen door de woorden “Het recht van hoger beroep vervalt”; 2° in de eerste paragraaf wordt het laatste lid opgeheven; 3° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt: “§ 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aan- sprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft aangetekend beschikken de beklaagde en de burger- rechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn Art. 14 Dans l’article 162ter du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l’infraction donne lieu au paiement de la redevance admi- nistrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée et prévue par cet article ne peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la redevance administrative s’élève à 25,32 euros.” 2° dans l’alinéa 2, la phrase “Le montant de la rede- vance administrative s’élève dans ce cas à 25,32 euros.” est abrogée. Art. 15 Dans l’article 196/1, dernier alinéa, du même Code, les mots “, à une contribution ou à une redevance ad- ministrative.” sont remplacés par les mots “ou à une contribution.”. Art. 16 Dans l’article 203 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le premier paragraphe les mots “, sauf l’excep- tion portée en l’article 205 ci-après,” sont supprimés”; 2° dans le premier paragraphe le dernier alinéa est supprimé; 3° le deuxième paragraphe est remplacé comme suit: “§ 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, le ministère public dispose d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la partie civilement responsable. Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie civilement responsable disposent d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce 2774/001 DOC 55 172 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van tien dagen om hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar ministerie. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep hebben ingesteld.”. Art. 17 Artikel 205 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven. Art. 18 In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/1 in- gevoegd, luidende: “§ 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van as- sisen en het aantal procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uit- maken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert, voor de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang tot de uitzending hebben verzocht. Hij motiveert zijn beslissing rekening houdend met de voormelde criteria. § 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit van de debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare orde te voorkomen en kan om die reden de uitzending ten allen tijde onderbreken. § 3. Het opnemen van deze opname of het uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met een gevangenis- straf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen. § 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit artikel toe te passen, wordt dit met alle passende middelen meege- deeld aan de gekende slachtoffers en hun advocaten. De slachtoffers en hun advocaten moeten ten minste acht dagen voor aanvang van de zitting aan de griffie délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au ministère public. Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile, celle- ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu’elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident confor- mément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant formé l’appel principal.”. Art. 17 L’article 205 du même Code est abrogé. Art. 18 Dans le même Code un article 258/1 est inséré, rédigé comme suit: “§ 1er. Le président peut décider, dans l’intérêt de la bonne administration de la justice, en raison soit de la disproportion entre, la capacité d’accueil physique de la cour d’assises et le nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes de nationalité étrangère, que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle permettant sa diffusion différé, par un moyen de télécommunication garantissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion. Il motive sa décision en tenant compte des critères précités. § 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout ou partie des débats afin de garantir la sérénité des débats ou de prévenir un trouble à l’ordre public et peut à cette fin interrompre l’émission à tout moment. § 3. L’enregistrement de cette captation ou sa diffu- sion à des tiers sera puni d’un emprisonnement de six mois à deux ans et d’une amende de deux cents euros à dix mille euros ou avec l’une de ces pénalités seules. § 4. Si le président décide d’appliquer le présent article, il en est fait part aux victimes connues et à leurs avocats, par tous les moyens appropriés. Les victimes et leurs avocats doivent informer le greffe ou le parquet au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils 173 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E of aan het parket meedelen dat zij de uitzending van de geluidsopname of van de audiovisuele opname van de terechtzittingen willen ontvangen. § 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten worden geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang tot de uitzending van de debatten worden zij expliciet op de hoogte gebracht van de bepaling in paragraaf 3.”. § 6. Het gebruik van het systeem vereist de verwerking van de volgende gegevens: 1° Voor elke verschijnende natuurlijke persoon: a) de naam en voorna(a)m(en); b) in voorkomend geval, de geboortedatum en – plaats; c) in voorkomend geval, de woonplaats; d) in voorkomend geval, het rijksregisternummer; e) in voorkomend geval, het ondernemingsnummer van de onderneming die hij vertegenwoordigt; f) in voorkomend geval, het adres van maatschappe- lijke zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt. 2° voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd door de connectie met het systeem; 3° de afbeelding en de stem van de personen die deelnemen aan de zitting; 4° de gegevens, met inbegrip van de persoonsgege- vens, meegedeeld in de loop van de zitting. § 7. De gegevens worden bewaard voor de duur van het proces en de opnames kunnen in geen geval langer dan een jaar worden bewaard. Art. 19 In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/2 in- gevoegd, luidende: “Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de voorzitter beslissen dat het verloop van de terechtzit- ting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze op- name van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt souhaitent recevoir la diffusion de la captation sonore ou audiovisuelle des audiences. § 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont infor- més des modalités pratiques d’accès à la diffusion des débats, la disposition du paragraphe 3 est expressément portée à leur connaissance.”. § 6. L’utilisation du système requiert le traitement des données suivantes: 1° Pour chaque personne physique comparante: a) les nom et prénom(s); b) le cas échéant, la date et le lieu de naissance; c) le cas échéant, le domicile; d) le cas échéant, le numéro de registre national; e) le cas échéant, le numéro d’entreprise de l’entre- prise qu’il représente; f) le cas échéant, l’adresse du siège social de l’entre- prise qu’il représente. 2° pour chaque utilisateur, les métadonnées générées par la connexion au système; 3° l’image et la voix des personnes participant à l’audience; 4° les données, y compris celles à caractère personnel, communiquées au cours de l’audience. § 7. Les données sont conservées pendant toute la durée du procès et les enregistrements ne peuvent en aucun cas être conservés plus d’un an. Art. 19 Dans le même Code un article 258/2 est inséré, rédigé comme suit: “Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le pré- sident peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d’archives historiques de la justice. En cas de captation sonore ou audiovisuelle, confor- mément à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support 2774/001 DOC 55 174 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het straf- dossier gevoegd.”. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 20 Het opschrift van hoofdstuk IX van Boek 1 van het Strafwetboek wordt als volgt vervangen: “Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden”. Art. 21 In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende: “Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximumstraf op dit misdrijf gesteld.”. Art. 22 In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende: “Art. 78ter. De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt. Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zoge- naamde geslachtsverandering, genderidentiteit, gen- derexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier pénal après la clôture des débats.”. CHAPITRE 4 Modifications du Code pénal Art. 20 L’intitulé du chapitre IX du Livre 1er du Code pénal est remplacé par ce qui suit: “Des circonstances aggravantes, des facteurs aggra- vants et des circonstances atténuantes”. Art. 21 Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est inséré un article 78bis, rédigé comme suit: “Art. 78bis. Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l’infraction.”. Art. 22 Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est inséré un article 78ter, rédigé comme suit: “Art. 78ter. Le motif discriminatoire de l’auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante. Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile discriminatoire lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de 175 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we- gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. Art. 23 In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, van het- zelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007, gewijzigd bij de wet van 30 december 2009 en vervangen bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon we- gens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst” worden vervangen door de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borst- voeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. Art. 23 À l’article 405quater du même Code, inséré par la loi du 25 février 2003, remplacé par la loi du 10 mai 2007, modifié par la loi du 30 décembre 2009 et remplacé par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “Lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés par les mots “Lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hosti- lité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: 2774/001 DOC 55 176 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we- gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. Art. 24 In de artikelen 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een per- soon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn for- tuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst” worden vervangen door de woorden “wan- neer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borst- voeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we- gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”. “Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. Art. 24 Aux articles 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, du même Code, insérés par la loi du 25 février 2003, remplacés par la loi du 10 mai 2007 et modifiés par la loi du 30 décembre 2009, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés par les mots “lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médi- calement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa nais- sance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociales, que cette caractéristique soit présente de manière effec- tive ou seulement supposée par l’auteur”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”. 177 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 25 In boek II, titel VIII, hoofdstuk IV, van hetzelfde wetboek worden in artikel 442/1 in de plaats van de woorden “aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in ander- mans goed of”, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, de volgende woorden ingevoegd: “aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het on- rechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, zoals hersteld bij de wet van … of”. HOOFDSTUK 5 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 26 Artikel 555/13, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt vervangen als volgt: “De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een onon- derbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.”. Art. 27 In artikel 1344octies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 oktober 2017, worden de woorden “doordat het ondanks pogingen van de verzoe- ker in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de identiteit van zelfs een van de bezetters van het goed te bepalen” ingevoegd tussen de woorden “noodzakelijk- heid” en “, bij”. Art. 28 In artikel 1727, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervan- gen bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “, even- als de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure;” vervangen door Art. 25 Dans l’article 442/1 du livre II, titre VIII, chapitre IV, du même code, à la place des mots “à l’ordonnance d’éva- cuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui ou” annulés par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, les mots sui- vants sont insérés: “à l’ordonnance d’évacuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, rétabli par la loi du …, ou”. CHAPITRE 5 Modifications du Code judiciaire Art. 26 L’article 555/13, § 2, alinéa 2 du Code judiciaire, inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit: “Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délé- gué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l’expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dispense, a exercé l’acti- vité d’expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s’est suffisamment formé durant cette période.”. Art. 27 Dans l’article 1344octies, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 octobre 2017, les mots “découlant du fait que malgré les tentatives du requérant en ce sens, il ne lui a pas été possible de déterminer l’identité d’aucun des occupants du bien” sont insérés entre les mots “nécessité” et “, par”. Art. 28 Dans l’article 1727, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le 2°, les mots “ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d’un agrément et la procédure d’agré- ment;” sont remplacés par les mots “par les candidats 2774/001 DOC 55 178 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de woorden “die de kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;”; 2° de bepaling onder 2°/1 wordt ingevoegd, luidende: “2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de erken- ning van bemiddelaars te bepalen;”; 3° in de bepaling onder 10° worden de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden” vervangen door de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelings- praktijk en deze lijst verspreiden”. Art. 29 In artikel 1727/2, § 3, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het eerste lid vervangen als volgt: “De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter aan en een onder- voorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris. Bij de aanwijzing ziet de algemene ver- gadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen en ondervoorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitter- schap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemidde- laars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.”. Art. 30 In artikel 1727/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden “in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12°” vervangen door de woorden “in artikel 1727, § 2, 9°, 10°, 11° en 12°”; 2° in het derde lid, wordt het nummer “6°” vervangen door het nummer “7°”. Art. 31 In artikel 1727/4, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de derde tot zesde lid vervangen als volgt: médiateurs et devant faire l’objet d’une évaluation effective organisée par l’organe de formation;”; 2° il est inséré un 2°/1 rédigé comme suit: “2°/1 déterminer les conditions et la procédure d’agré- ment des médiateurs;”; 3° dans le 10°, les mots “dresser et diffuser la liste des médiateurs” sont remplacés par les mots “dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser”. Art. 29 Dans l’article 1727/2, § 3, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit: “L’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président et un vice-président, qui rem- place le président le cas échéant, ainsi qu’un secrétaire. L’assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences et vice-présidences soit équivalente en nombre de mois. Ces fonctions sont attribuées alternativement à un francophone et un néer- landophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n’exercent aucune des professions précitées.”. Art. 30 Dans l’article 1727/2, § 4, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “à l’article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°” sont remplacés par les mots “à l’article 1727, § 2, 9°, 10°, 11° et 12°”; 2° dans l’alinéa 3, le “6°” est remplacé par “7°”. Art. 31 Dans l’article 1727/4, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les alinéas 3 à 6 sont remplacés par ce qui suit: 179 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met rede- nen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëin- digd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in lid 3 bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle geval- len voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter voor elke commis- sie aan. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een Nederlandstalige en een Franstalige.”. Art. 32 In artikel 1727/5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, worden de woorden “Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan.” vervangen door de woorden “Het bureau wijst de voorzit- ter aan, en ziet er bij de benoeming op toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is.”; 2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende: “§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëin- digd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de mi- nister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt “Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d’une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publi- cation des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. Ces membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au man- dat d’un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l’alinéa 3. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois. L’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président pour chaque commission. L’assemblée générale veille au moment de la désigna- tion à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alter- nativement à un francophone et à un néerlandophone.”. Art. 32 Dans l’article 1727/5, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, les mots “Le bureau désigne le président pour une période de deux ans” sont remplacés par “Le bureau désigne le président et veille, au moment de la désignation, à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois.”; 2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit: “§ 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d’un assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la propo- sition du bureau. Il est ensuite procédé conformément 2774/001 DOC 55 180 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd.”; 3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het nummer “5°” vervangen door het nummer “6°”; 4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden “artikel 1727, § 2, 7° en 10°,” vervangen door de woorden “artikel 1727, § 2, 5° en 8°,”; Art. 33 In artikel 1734, § 1/1, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid vervangen als volgt: “Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscom- missie. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.”. HOOFDSTUK 6 Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art. 34 In artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke perso- nen, laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het derde lid, worden de woorden “van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid” opgeheven; 2° in het vierde lid, worden de woorden “de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens” vervangen door de woorden “het Rijksregisternummer”, de woorden au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les per- sonnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois.”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le “5°” est rem- placé par “6°”; 4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots “à l’article 1727, § 2, 7° et 10°,” sont remplacés par les mots “à l’article 1727, § 2, 5° et 8°,”; Art. 33 Dans l’article 1734, § 1er/1, du même Code, inséré par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Si les parties ne s’accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou des médiateurs agréés selon l’article 1727, de pré- férence sur la base d’une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties.”. CHAPITRE 6 Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques Art. 34 À l’article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983, organisant un registre national des personnes physiques, modifié en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 3, les mots “du ministre ayant l’Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informa- tions visées à l’article 3 alinéas 1er à 3” sont abrogés; 2° à l’alinéa 4, les mots “des informations obtenues du” sont remplacés par les mots “le numéro de”, les mots “à les recevoir” sont remplacés par les mots “à le 181 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “die informatiegegevens” door de woorden “dat num- mer” en de woorden “die gegevens” door de woorden “het nummer”. HOOFDSTUK 7 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 35 In artikel 10 van het Wetboek van de Belgische na- tionaliteit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen; 2° in nieuwe paragraaf 1, eerste lid, worden de woor- den “staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet bezat” vervangen door de woorden “geen andere na- tionaliteit bezit”; 3° nieuwe paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende: “De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings.”; 4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen; 5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen. Art. 36 In artikel 24bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° worden de woorden “De minister van Justitie legt de richtlijnen vast” vervangen door de woorden “Het college van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen”; 2° worden de woorden “nadat hij het advies heeft ingewonnen van het college van procureurs-generaal” opgeheven. recevoir” et les mots “ces données” sont remplacés par les mots “ce numéro”. CHAPITRE 7 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 35 Dans l’article 10 du Code de la nationalité belge, modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées: 1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er; 2° Au paragraphe 1er nouveau, alinéa 1er, les mots “serait apatride s’il n’avait cette nationalité” sont rempla- cés par les mots “ne possède aucune autre nationalité”; 3° Le § 1er nouveau est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le représentant légal de l’enfant transmet à l’Officier de l’état civil du lieu de naissance de l’enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l’absence de nationalité de l’enfant, l’Officier de l’état civil demande l’avis du Procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet copie du dossier. L’avis est rendu à bref délai par le Procureur du Roi.”; 4° l’alinéa 3 formera le paragraphe 2; 5° l’alinéa 4 formera le paragraphe 3. Art. 36 Dans l’article 24bis du même Code, inséré par la loi du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “Le ministre de la Justice arrête” sont remplacés par les mots “Le Collège des procureurs généraux peut arrêter”; 2° les mots “, après consultation du Collège des procureurs généraux” sont abrogés. 2774/001 DOC 55 182 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 37 In hetzelfde Wetboek wordt een Hoofdstuk Vter ingevoegd, met als opschrift “Hoofdstuk Vter. Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie”. Art. 38 In Hoofdstuk Vter, ingevoegd bij artikel 40, wordt een artikel 24ter ingevoegd, luidende: “Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie. Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de Procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek. § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de hou- der van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmid- dellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. § 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. § 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.”. Art. 37 Dans le même Code, il est inséré un Chapitre Vter, intitulé “Chapitre Vter. Compétence d’avis du Service public fédéral Justice”. Art. 38 Dans le Chapitre Vter, inséré par l’article 40, il est inséré un article 24ter rédigé comme suit: “Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de nationalité est créée au sein du Service Public Fédéral Justice. Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au Procureur du Roi, l’Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l’officier de l’état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, en cas de doute sérieux sur la manière d’appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code. § 2. L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente, transmet sa demande d’avis à l’Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose. L’Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l’officier de l’état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente qui a demandé l’avis. Celui-ci les transmet sur-le-champ à l’Autorité Centrale en matière de nationalité. § 3. L’Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l’ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l’Autorité Centrale en matière de nationalité. § 4. L’Autorité Centrale en matière de nationalité porte l’avis à la connaissance de l’officier de l’état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d’attente qui l’a demandé.”. 183 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 8 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 39 In het Burgerlijk Wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk 6 van ondertitel 6 van titel 1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt: “Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid”. Art. 40 Artikel 4.59 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt: “Art. 4.59. § 1. Al wie als erfgerechtigde tot een na- latenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging voor te leggen. De langstlevende echtgenoot kan door voorlegging van een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden, zelfs indien de akte of attest de devolutie van de nalatenschap van zijn overleden echtgenoot niet vermeldt. Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aan- gewezen beheerder van de nalatenschap kunnen hun bevoegdheden om de goederen van de nalatenschap te beheren of om daarover te beschikken, bewijzen door een akte of een attest van erfopvolging voor te leggen. § 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opge- maakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de in de paragraaf 1 vermelde personen, of, desgevallend, hun rechtsopvolgers. De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld door een notaris. Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, indien er geen onbekwame erfgenamen of erfgerech- tigden zijn en indien er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in hoofde van de erflater, kan een akte of een attest van erfopvolging ook worden opgemaakt door een ambtenaar van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. CHAPITRE 8 Modifications du Code civil Art. 39 Dans le Code civil, l’intitulé du chapitre 6 du sous- titre 6 du titre 1er du Livre 4 du Code civil est remplacé par l’intitulé suivant: “Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale”. Art. 40 L’article 4.59 du même Code est remplacé par ce qui suit: “Art. 4.59. § 1er. Toute personne appelée à la suc- cession en tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d’hérédité. Le conjoint survivant peut, par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité, prouver quels droits il acquiert en vertu de son régime matrimonial suite à la dissolution de celui-ci par le décès, même si l’acte ou le certificat n’indique pas la dévolution de la succession de son conjoint défunt. Un exécuteur testamentaire et un administrateur judi- ciaire de la succession peuvent prouver leurs pouvoirs d’administration ou de disposition à l’égard des biens de la succession par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité. § 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi et délivré à la demande d’une ou plusieurs des personnes indiquées au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de leurs ayants droit. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par un notaire. Si la succession du défunt est exclusivement dévolue conformément aux dispositions du sous-titre 4, s’il n’y a pas d’héritiers ou successibles incapables et s’il n’est pas question de dispositions de dernière volonté, d’un pacte successoral, d’une institution contractuelle ou d’une convention matrimoniale dans le chef du défunt, un acte ou un certificat d’hérédité peut également être établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compé- tent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale. 2774/001 DOC 55 184 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister in overeenkomstig artikel 4.126. § 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging vermeldt de volgende gegevens: 1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; 2° het op de nalatenschap toepasselijk recht. § 4. Voor zover vereist door de wet, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald: 1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, even- tueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identificatienummer van het Rijksregister, het iden- tificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; 2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid: of, en in voorkomend geval hoe en wanneer ze hun erfkeuze hebben uitgeoefend, de omvang van het erfdeel, de omschrijving van de goederen die hen toe- komen, de aard van hun rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; 3° in voorkomend geval van de langstlevende echt- genoot: de gegevens over hun huwelijk en hun huwe- lijksstelsel, de omschrijving van de goederen die hem toekomen, de aard van zijn rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; tevens of hij een keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, en in voorkomend geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitgeoefend, evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang van goederen betreft; 4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe en wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld, dan wel dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden; Le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit ses actes et certificats d’hérédité dans le registre central successoral conformément à l’article 4.126. § 3. Tout acte et tout certificat d’hérédité mentionnent les données d’identification suivantes: 1° du défunt: ses nom, prénoms, lieu et date de nais- sance, adresse et date de décès; le cas échéant, le numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises; 2° la loi applicable à la succession. § 4. Dans la mesure requise par la loi, l’acte ou le certificat mentionne les données suivantes, pour autant qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées: 1° pour toutes les personnes mentionnées au para- graphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et date de nais- sance, adresse et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises; 2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er: si, et le cas échéant comment et quand ils ont exercé leur option héréditaire, l’étendue de leur part héréditaire, la description des biens qui leur reviennent, la nature de leurs droits et les restrictions à l’exercice de leurs droits en raison de leur incapacité, d’une mesure de protection ou d’une disposition testamentaire; 3° le cas échéant, pour le conjoint survivant: les données relatives au mariage et au régime matrimonial, la description des biens qui lui reviennent, la nature de ses droits, et les restrictions à l’exercice de ses droits en raison de son incapacité, d’une mesure de protec- tion ou d’une disposition testamentaire; en outre, s’il a exercé une option quant aux droits mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences de celle-ci pour la transmission des biens; 4° pour les légataires: s’ils ont et, le cas échéant quand et comment ils ont été mis en possession de leur legs, ou s’ils sont entrés en cette possession de plein droit; 185 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aan- gestelde beheerder van de nalatenschap: de omvang van zijn bevoegdheden en de gegevens met betrekking tot de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen. De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan, wanneer een akte van erfopvolging voor verschillende doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van de akte afleveren voor een bepaald doel. Het uittrek- sel bevat alle informatie die vereist is om de beoogde doelstelling te bereiken. De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor de vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke akte of attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in het tweede lid bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze doelstelling opgemaakt of afgeleverd, met de door de wet vereiste vermeldingen. Het bevat de gegevens van de personen vermeld in het eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor zover deze personen op deze tegoeden gerechtigd zijn. In de mate waarin een akte van erfopvolging de ver- krijging van zakelijke rechten ter zake des doods vast- stelt met betrekking tot onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°, mag de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van die akte een letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.31. § 5. De notaris en het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen de aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoe- ker voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de door hen verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn door paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het attest zou worden afgegeven. § 6. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn vermeld, worden geacht de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kun- nen uitoefenen. Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de in de akte of het attest van erfopvolging vermelde infor- matie met een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld, wordt geacht te handelen met een persoon die de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid heeft. 5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur judiciaire de la succession: l’étendue de ses pouvoirs et les données relatives à la disposition qui lui accorde ces pouvoirs. Lorsqu’un acte d’hérédité est établi en vue de plusieurs finalités, le notaire ou le bureau compétent de l’Adminis- tration générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité déterminée. L’extrait mentionne toute l’information requise pour atteindre utilement la finalité envisagée. L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la libération des avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat distinct, soit faire l’objet d’un extrait conformément à l’alinéa 2, établi ou délivré exclusivement en vue de cette finalité et contenant les mentions exigées par la loi. Il ne contient les données des personnes mentionnées à l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant que ces personnes puissent prétendre à ces avoirs. Dans la mesure où un acte d’hérédité constate l’acqui- sition pour cause de mort de droits réels portant sur des immeubles, tels que visé à l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale peut en délivrer un extrait littéral qui sera transcrit au bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimo- niale dans le ressort duquel les biens sont situés, de la manière et dans les délais prévus à l’article 3.31. § 5. Le notaire ou le bureau de l’Administration géné- rale de la Documentation patrimoniale peuvent refuser toute remise d’acte ou de certificat d’hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de constater avec certitude les données qui sont requises par le paragraphe 3 ou qui sont requises conformément au paragraphe 4 en raison des finalités pour lesquelles l’acte ou le certificat devrait être délivré. § 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui est mentionnée dans l’acte ou le certificat, et pouvoir exercer les droits et les pouvoirs qui y sont rattachés. Toute personne agissant de bonne foi sur la base de l’information mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité avec une personne désignée dans cet acte ou ce certificat, est censée agir avec une personne ayant la qualité mentionnée dans cet acte ou ce certificat. 2774/001 DOC 55 186 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien de schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan of op instructie van de personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn aangewezen als degene die op deze tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris. De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld, ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wet- telijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblok- kering van deze tegoeden. § 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging opgesteld door een ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie: 1° de materiële vormen van de akte bepalen; 2° de modaliteiten inzake de aflevering van uitgiften en uittreksels van de akte bepalen; 3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de akte bepalen; 4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten te waarborgen; 5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan Hij het model bepaalt en bepalen of de aanvraag op een gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend alsmede de modaliteiten van haar indiening. De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, gelden eveneens voor de attesten van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie over- eenkomstig dit artikel. De Koning kan bepalen dat deze attesten op een gedematerialiseerde wijze kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede de modaliteiten van hun aflevering.”. Art. 41 In artikel 4.125 van hetzelfde Wetboek, wordt de bepaling onder 1°/1 ingevoegd, luidende: “1°/1 binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, op geautomatiseerde wijze de vaststelling van de hoedanigheid van erfgenaam mogelijk te maken Sauf disposition légale contraire, le paiement des avoirs du défunt est libératoire s’il est fait par le débiteur de bonne foi, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par cet acte ou ce certificat d’hérédité comme étant celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire. Le respect des dispositions prévues au présent para- graphe n’exempte en aucun cas le débiteur d’éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. § 7. Le Roi peut, pour les actes d’hérédité établis par un fonctionnaire de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale: 1° déterminer les formes matérielles de l’acte; 2° déterminer les modalités relatives à la délivrance des expéditions et extraits de cet acte; 3° déterminer les modalités relatives à la légalisation de l’acte; 4° déterminer des modalités complémentaires néces- saires pour garantir l’immuabilité, la confidentialité et la conservation de l’acte; 5° déterminer les formes matérielles et le contenu de chaque demande d’acte d’hérédité. Il peut prescrire l’utilisation de formulaires dont Il détermine le modèle et déterminer si la demande peut ou doit être présen- tée de manière dématérialisée et les modalités de sa présentation. Les dispositions de l’alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s’ap- pliquent également aux certificats d’hérédité établis par le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale conformément au présent article. Le Roi peut déterminer que ces certificats peuvent ou doivent être délivrés de manière dématérialisée, ainsi que les modalités de leur délivrance.”. Art. 41 Dans l’article 4.125 du même Code, il est inséré un 1°/1, rédigé comme suit: “1°/1 de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, de constater la qualité d’héritier de manière automatisée, comme prévu à l’article 14, 187 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zoals bedoeld in artikel 14, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende de invoering van de Notariële Aktebank;”. Art. 42 In artikel 4.126 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden “door een notaris” opgeheven; 2° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin: “Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die het heeft opgemaakt, in.”. Art. 43 In artikel 4.127, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 1°, b), wordt het woord “rijksre- gisternummer” vervangen door de woorden “identificatie- nummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”; b) er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd, luidende: “1°/1 van de erfgenamen: a) de naam en voorna(a)m(en); b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;”; c) in de bepaling onder 2°, c), wordt het woord “rijksre- gisternummer” vervangen door de woorden “identifica- tienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”; d) in de bepaling onder 4° worden de woorden “of door een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie” ingevoegd tussen de woorden “door een notaris” en de woorden “, met aanduiding van”; e) in de bepaling onder 6° worden de woorden “van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie § 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant l’introduction de la Banque des actes notariés;”. Art. 42 Dans l’article 4.126 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots “par un notaire” sont abrogés; 2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante: “Le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis.”. Art. 43 À l’article 4.127, § 1er, du même Code, les modifications suivantes sont apportées: a) au 1°, b), les mots “numéro de registre national” sont remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre national ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”; b) un 1°/1 est inséré, rédigé comme suit: “1°/1 des héritiers: a) les nom et prénom(s); b) le numéro d’identification du Registre national ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale;”; c) au 2°, c), les mots “numéro de registre national” sont remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”; d) au 4° les mots “ou par un bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimo- niale” sont insérés entre les mots “par un notaire” et les mots “, avec indication de”; e) au 6° les mots “du bureau compétent de l’Admi- nistration générale de la documentation patrimoniale 2774/001 DOC 55 188 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het attest van erfopvolging heeft opgemaakt,” ingevoegd tussen de woorden “het attest of de Europese erfrecht- verklaring heeft opgemaakt,” en de woorden “van het rechtscollege dat de Europese”; f) de bepaling onder 7° wordt aangevuld met de woorden “van de notaris of van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie”. Art. 44 In artikel 4.128 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° wordt het opschrift aangevuld met de woorden “en mededeling in het Belgisch Staatsblad”; 2° het lid wordt aangevuld met de woorden “en de modaliteiten en de kosten van de mededeling in het Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving”. Art. 45 In artikel 4.131, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de eerste zin wordt vervangen door hetgeen volgt: “§ 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald onder artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister toegankelijk voor:”; 2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid luidend: “De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken.”. Art. 46 In artikel 4.258 van hetzelfde Wetboek, worden de woorden “de eerste paragraaf” vervangen door de woorden “het eerste lid”. qui a établi l’acte ou le certificat hérédité,” sont insérés entre les mots “le certificat ou le certificat successoral européen,” et les mots “de la juridiction qui a établi”; f) le 7° est complété par les mots “du notaire ou du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale”. Art. 44 Dans l’article 4.128 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’intitulé est complété par les mots “et mention au Moniteur belge”; 2° l’alinéa est complété par les mots “et les moda- lités et les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations d’acceptation sous bénéfice d’inventaire”. Art. 45 Dans l’article 4.131, § 1er, du même Code, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° la phrase introductive est remplacée par ce qui suit: “§ 1er. À l’exception des données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1, les données figurant dans le registre central successoral sont accessibles:”; 2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Les données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1, sont uniquement accessibles au gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit.”. Art. 46 Dans l’article 4.258 du même Code, les mots “au paragraphe” sont remplacés par les mots “à l’alinéa”. 189 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Art. 47 In het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 3 van hoofdstuk 3 van titel 3 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 48 In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 49 In artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 50 In artikel 48 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. HOOFDSTUK 10 Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Art. 51 In artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 op de kans- spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010, gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019 en gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 36/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht: CHAPITRE 9 Modifications du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Art. 47 Dans l’intitulé de la sous-section 2 de la section 3 du chapitre 3 du titre 3 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 48 Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code, modifié par la loi du 23 avril 2020 et par la loi du 19 jan- vier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 49 Dans l’article 46, § 1er, alinéas 1er et 2, du même Code, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 50 Dans l’article 48 du même Code, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. CHAPITRE 10 Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Art. 51 À l’article 15/3 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, inséré par la loi du 10 janvier 2010, modifié par la loi du 7 mai 2019 et partiellement annulé par l’arrêt n° 36/2021 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées: 2774/001 DOC 55 190 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in paragraaf 1, worden de woorden “60, 62” ver- vangen door de woorden “60, 61, tweede lid, 62”; 2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende: “§ 6. De Commissie kan ermee instemmen de ten- uitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete geheel of gedeeltelijk op te schorten op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet heeft ontvangen. De beslissing waarbij het uitstel, wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn. Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proeftijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administra- tieve geldboete. Het uitstel wordt automatisch herroepen indien tij- dens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve geldboete. Van de herroeping van het uitstel wordt kennisgegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd De administratieve geldboete waarvan de betaling afdwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt gecumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd.”. Art. 52 In artikel 52, tweede lid, tweede streepje, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 januari 2010 en gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden “in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoor- deling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte” vervangen door de woorden “in het raam van titel 2 van Boek VIII, van het Wetboek van economisch recht”. 1° au paragraphe 1er, les mots “60, 62” sont remplacés par les mots “60, 61, alinéa 2, 62”; 2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme suit: “§ 6. La Commission peut convenir qu’il sera sur- sis à l’exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s’est pas vu infliger d’autres amendes administratives ou pénales pour infractions à la présente loi durant les trois années qui précèdent l’infraction. La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée. Le sursis vaut pendant un délai d’épreuve de trois ans. Le délai d’épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant une amende administrative. Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une nouvelle infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle amende administrative est commise pendant le délai d’épreuve. La révocation du sursis est notifiée par la même décision que celle qui inflige l’amende administrative pour cette nouvelle infraction. L’amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction.”. Art. 52 À l’article 52, alinéa 2, 2e tiret, de la même loi, rem- placé par la loi du 10 janvier 2010 et modifié par la loi du 26 décembre 2015, les mots “dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 concernant l’accréditation des organismes d’évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre État membre des Communautés européennes ou dans un autre pays qui est partie à l’Accord sur l’Espace économique européen” sont remplacés par les mots “dans le cadre du Titre 2 du Livre VIII, du Code de droit économique”. 191 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 53 In artikel 55 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende: “De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid.”; 2° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de woorden “de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer” vervangen door de woorden “de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Art. 54 In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet, aange- vuld bij de wet van 10 januari 2010, wordt het bedrag “10 000 euro” vervangen door het bedrag “3 000 euro”. Art. 55 In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 januari 2010 en 7 mei 2019 en gedeeltelijk ver- nietigd bij het arrest nr. 177/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden genomen en bewaard in het register.”; 2° tussen het eerste en het tweede lid, worden twee leden ingevoegd, luidende: “De doelstelling van dit register is de commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van de betrokkene.”; Art. 53 À l’article 55 de la même loi, modifié par la loi du 10 jan- vier 2010, les modifications suivantes sont apportées: 1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2: “La commission est responsable du traitement du système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er.”; 2° dans l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, les mots “la Commission de la protection de la vie privée” sont remplacés par les mots “l’Autorité de protection des données,”. Art. 54 À l’article 58, alinéa 2, de la même loi, complété par la loi du 10 janvier 2010, le montant “10 000 euros” est remplacé par le montant “3 000 euros”. Art. 55 À l’article 62 de la même loi, modifié par les lois du 10 janvier 2010 et du 7 mai 2019 et partiellement annulé par l’arrêt n° 177/2021 de la Cour constitutionnelle, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “A chaque visite de la personne concernée, une photo- graphie de cette personne est prise et conservée dans le registre.”; 2° il est inséré, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, deux alinéas rédigés comme suit: “La finalité de ce registre est de permettre à la com- mission de vérifier a posteriori si les consultations du système de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV. Les données à caractère personnel inscrites dans le registre sont conservées pendant dix ans à dater de la dernière activité de jeu de la personne concernée.”; 2774/001 DOC 55 192 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° in het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de woorden “gedurende ten minste vijf jaar” vervangen door de woorden “gedurende een termijn van maximum tien jaar”. Art. 56 Artikel 62/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 7 mei 2019, wordt opgeheven. Art. 57 In artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 januari 2010 en 7 mei 2019, worden de woorden “60 en 62” vervangen door de woorden “60, 61, tweede lid en 62”. HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen Art. 58 In de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwer- king met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de woorden “chargé d’” vervangen door de woorden “appelé à”. Art. 59 In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel VIquater, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, vervangen als volgt: “Samenwerking met de internationale Onderzoeksmechanismen”. Art. 60 In artikel 91 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de eerste twee streepjes ver- vangen als volgt: “- “Mechanismen”: de internationale Onderzoeks­ mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, 3° dans l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 5, les mots “pendant au moins cinq ans” sont remplacés par les mots “pour une durée de maximum dix ans”. Art. 56 L’article 62/1 de la même loi, inséré par la loi du 7 mai 2019, est abrogé. Art. 57 À l’article 64 de la même loi, modifié par les lois du 10 janvier 2010 et 7 mai 2019, les mots “60 et 62” sont remplacé par les mots “60, 61, alinéa 2 et 62”. CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux Art. 58 Dans le texte français de l’article 43, 1er tiret, de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, modifié par la loi du 26 mars 2014, les mots “chargé d’” sont remplacés par les mots “appelé à”. Art. 59 Dans la même loi, l’intitulé du Titre VIquater, insé- ré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit: “Coopération avec les Mécanismes d’enquête internationaux.”. Art. 60 Dans l’article 91 de la même loi, inséré par la loi du 5 mai 2019, les deux premiers tirets sont remplacés par ce qui suit: “- “Mécanismes”: les Mécanismes d’enquête inter- nationaux créés par l’Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre 193 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard; — “Statuut”: het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de be- voegde internationale organisatie waarvan België lid is;” HOOFDSTUK 12 Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 61 In artikel 6, § 1, van de wet van 17 mei 2006 betref- fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt het woord “driemaal” vervangen door het woord “viermaal“. Art. 62 In artikel 10, paragraaf 2, vierde lid, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 november 2021, worden de woorden “van een eerste uitgaansvergun- ning, bedoeld in artikel 4, § 3,” ingevoegd tussen de woorden “van de toekenning” en de woorden “van een eerste penitentiair verlof” en worden de woorden “en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd, of van de plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “, van de plaatsing in een transitiehuis”. Art. 63 In artikel 14, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 15 december 2013 en 11 juli 2018, worden de woorden “inzake een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de woorden “inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis.” l’humanité, les crimes de génocide ou toute autre infrac- tion internationale, par l’exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire; — “Statut”: le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l’Organisation des Nations unies ou par l’organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;” CHAPITRE 12 Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine Art. 61 Dans l’article 6, § 1, de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine, les mots “trois fois” sont remplacés par les mots “quatre fois”. Art. 62 Dans l’article 10, paragraphe 2, alinéa 4, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 28 novembre 2021, les mots “d’une première permission de sortie visée à l’article 4, § 3,” sont insérés entre les mots “de l’octroi” et les mots “d’un premier congé pénitentiaire” et les mots “et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt, ou du placement en maison de transition” sont remplacés par les mots “, du placement en maison de transition”. Art. 63 Dans l’article 14, alinéa 3, de la même loi, modifié par les lois du 15 décembre 2013 et 11 juillet 2018, les mots “concernant un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition” sont remplacés par les mots “concernant une permission de sortie, visée à l’article 4, § 3, un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition.” 2774/001 DOC 55 194 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 64 In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, gewijzigd door de wet van 14 december 2012, wordt aangevuld met de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden”; 2° paragraaf 2, eerste lid, eerste zin, wordt aangevuld met de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden”. Art. 65 In artikel 30, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 29 juni 2021, worden de woorden “strafuitvoerings- modaliteit en de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter” vervangen door de woorden “strafuitvoeringsmodaliteit en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”. Art. 66 In artikel 39 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het 2°, gewijzigd door de wet van 28 november 2021, worden de woorden “en de voorlopige invrijheid- stelling met het oog op verwijdering van het grondge- bied,” tussen de woorden “de beperkte detentie” en de woorden “een vast adres”; 2° het artikel wordt aangevuld met een 4° luidende: “4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.”. Art. 67 Artikel 40 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met paragrafen 2 en 3, luidende: “§ 2. Ingeval het een toekenning van een voor- waardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de Art. 64 Dans l’article 28 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, modi- fié par la loi du 14 décembre 2012 est complété par les mots “auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre”; 2° le paragraphe 2, alinéa 1er, première phrase, est complété par les mots “auxquelles la fixation de condi- tions particulières ne puisse répondre”. Art. 65 Dans l’article 30, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 29 juin 2021, les mots “de la peine demandée et l’évaluation par le juge de l’application des peines” sont remplacés par les mots “de la peine demandée et pour l’évaluation par le juge de l’application des peines”. Art. 66 Dans l’article 39 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le 2°, modifié par la loi du 28 novembre 2021, les mots “et la mise en liberté provisoire en vue de l’éloi- gnement du territoire” sont insérés entre les mots “la détention limitée” et les mots “, avoir une adresse fixe”; 2° l’article est complété par un 4°, rédigé comme suit: “4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l’éloi- gnement du territoire, l’obligation de quitter effective- ment le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d’épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l’accès au ter- ritoire, au séjour ou à l’établissement dans le Royaume et sans l’autorisation préalable du juge de l’application des peines.”. Art. 67 L’article 40 de la même loi, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er , est complété par les paragraphes 2 et 3, rédigés comme suit: “§ 2. En cas d’octroi d’une libération conditionnelle, le juge de l’application des peines détermine également 195 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten. Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. § 3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondge- bied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.”. Art. 68 In artikel 43, § 3, van dezelfde wet wordt het woord “driemaal” vervangen door het woord “viermaal. Art. 69 In artikel 60 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het vierde lid, ingevoegd door de wet van 15 maart 2013 en gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden “van de strafuitvoeringsrechtbank” ingevoegd tussen de woorden “op de beslissingen” en “tot toekenning van”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle. Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l’application des peines déter- mine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. § 3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s’il existe des éléments concrets d’extrémisme violent tels que définis à l’article 32, § 2, alinéa 2, l’autorisation donnée par le juge de l’application des peines conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit faire l’objet d’une motivation spéciale.”. Art. 68 Dans l’article 43, § 3, de la même loi, les mots “trois fois” sont remplacés par les mots “quatre fois”. Art. 69 Dans l’article 60 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 4, inséré par la loi du 15 mars 2013 et modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “du tribunal de l’application des peines” sont insérés entre les mots “pas aux décisions” et les mots “d’octroi d’une mise en liberté provisoire”; 2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Le premier et le deuxième alinéas ne s’appliquent pas aux décisions du juge de l’application des peines d’octroi d’une mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l’éloignement effectif, du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement d’étrangers ou de la notification par l’Office des étrangers que l’éloignement ou le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours après que la décision d’octroi est coulée en force de chose jugée. Si l’éloignement, le transfert ou la 2774/001 DOC 55 196 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.”. Art. 70 Artikel 65 van dezelfde wet, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoerings- rechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen.” Art. 71 In artikel 66 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 5 fe- bruari 2016, worden de woorden “tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk” opgeheven; 2° in paragraaf 3 worden de woorden “, in welk geval hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen,” ingevoegd tussen de woorden “herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmo- daliteit” en de woorden “of heft hij of zij de schorsing”. Art. 72 In artikel 67 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, tweede zin, worden de woorden “of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen” opgeheven; 2° in paragraaf 1, derde zin, worden de woorden “of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit” opgeheven; 3° in paragraaf 2, worden de woorden “of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen” opgeheven. notification n’a pas eu lieu à l’expiration du délai précité, le condamné est libéré.”. Art. 70 L’article 65 de la même loi, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines, peut, moyennant l’accord du condamné, octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine”. Art. 71 Dans l’article 66 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 5 février 2016, les mots “, sauf s’il ressort d’un avis de l’Office des étrangers que le condamné n’est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 3, les mots “auquel cas il peut, conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine” sont insérés entre les mots “révoque la modalité d’exécution de la peine” et les mots “ou en lève la suspension”. Art. 72 Dans l’article 67 de la même loi, modifié par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er , deuxième phrase, les mots “ou octroyer une autre modalité d’exécution de la peine” sont abrogés; 2° dans le paragraphe 1, troisième phrase, les mots “ou sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine” sont abrogés; 3° dans le paragraphe 2, les mots “ou d’octroyer une autre modalité d’exécution de la peine” sont abrogés. 197 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 73 In artikel 95/18, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden “achtste en negende lid” vervangen door de woorden “tiende en elfde lid”. HOOFDSTUK 13 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens Art. 74 In artikel 19,1° van de wapenwet van 8 juni 2006, vervangen bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden “wapens per postorder of via internet te verkopen of te koop aan te bieden aan particulieren” vervangen door de woorden “wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder of via het internet te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden of over te dragen aan particulieren”. HOOFDSTUK 14 Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 75 In artikel 157, § 1, van de programmawet (I) van 29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 76 In artikel 157/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 77 In artikel 160 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 73 Dans l’article 95/18, § 2, alinéa 1er, de la même loi, les mots “alinéas 8 et 9” sont remplacés par les mots “alinéas 10 et 11”. CHAPITRE 13 Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes Art. 74 Dans l’article 19, 1°, de la loi sur les armes du 8 juin 2006, remplacé par la loi du 25 juillet 2008 et modifié par la loi du 5 mai 2019, les mots “de vendre ou d’offrir en vente des armes à des particuliers par correspondance ou par internet” sont remplacés par les mots “d’acheter ou de vendre, d’offrir en vente ou de céder des armes ainsi que des pièces détachées soumises à l’épreuve légale à des particuliers par correspondance ou par internet”. CHAPITRE 14 Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 75 Dans l’article 157, § 1er, de la loi-programme (I) du 29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 76 Dans l’article 157/1, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 77 Dans l’article 160 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. 2774/001 DOC 55 198 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 78 In artikel 163 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 13 december 2012 en de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het cijfer “4.59” wordt vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. 2° de woorden “akte of” worden ingevoegd tussen het woord “bedoelde” en het woord “attest”. HOOFDSTUK 15 Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Art. 79 In de wet van 18 oktober 2017 betreffende het on- rechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, wordt in de plaats van artikel 12, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 12 ingevoegd: “Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeks- rechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen, ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen. De procureur des Konings richt een met redenen om- kleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de volgende gegevens bevat: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maat- regel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is; 3° de identiteit van de bezetters van het betrokken goed voor zover die kan worden achterhaald. Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 72 uur na de ontvangst van het verzoek. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter be- oordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit Art. 78 À l’article 163 de la même loi, modifié par la loi du 13 décembre 2012 et la loi du 19 janvier 2022, les modi- fications suivantes sont apportées: 1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”; 2° les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir” et les mots “un certificat d’hérédité”. CHAPITRE 15 Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui Art. 79 Dans la loi du 18 octobre 2017 relative à la péné- tration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, à la place de l’article 12 annulé par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 12 rédigé comme suit: “Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien concerné, ordonner l’évacuation du bien concerné après autorisation du juge d’instruction, à l’égard des personnes trouvée dans le bien. Le procureur du Roi adresse au juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes: 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance; 2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire; 3° l’identité des occupants du bien concerné dans la mesure où celle-ci peut être retrouvée. Il mentionne dans sa demande les circonstances susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Le juge d’instruction décide dans un délai de 72 heures maximum après réception de la demande. Le juge d’ins- truction peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Le juge d’instruction apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l’autorisation au regard 199 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de machtiging ten aanzien van de feiten. Hij hoort de personen, die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet mogelijk is. De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen. Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd. § 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maat- regel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° de feiten en omstandigheden die aanleiding ge- geven hebben tot het bevel; 3° de naam, voornamen en woonplaats van de ver- zoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept; 4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid; 5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek; 6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarbinnen dat beroep moet worden ingediend. Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. des faits. Il entend les personnes qui se trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance d’évacua- tion est visé, sauf si cela n’est pas possible en raison des circonstances particulières de l’affaire. La décision du juge d’instruction est motivée. Cette décision n’est susceptible d’aucun recours. Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le procureur du Roi prend l’ordonnance d’évacuation en la motivant et dans le respect de la présomption d’innocence. L’ordonnance implique l’évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien. Un procès-verbal de notification, constitué d’une copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de la notification, est dressé et joint au dossier. § 2. L’ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres: 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance; 2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l’ordonnance; 3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indication du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l’égard du bien concerné; 4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5; 5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d’évacuation, notam- ment celles visées à l’article 442/1, § 2, du Code pénal; 6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit. Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l’ordonnance est remise à titre de notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné au moment de l’affichage. Une copie de l’ordonnance est transmise par le moyen de commu- nication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d’action sociale compétent. 2774/001 DOC 55 200 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoer- legging van het bevel tot ontruiming. § 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de ken- nisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schorsende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt. Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een straf- vordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond. § 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden be- handeld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift. Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te ho- ren, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens andersluidende bepaling verloopt de pro- cedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonder- lijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan Le procureur du Roi se charge de l’exécution de l’ordonnance d’évacuation. § 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l’ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contra- dictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l’ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L’ordonnance du procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours. Ce recours n’est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits. § 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l’au- dience au cours de laquelle la cause peut être ins- truite. L’audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l’article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n’est pas requis pour le dépôt de la requête. Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l’audience à la personne qui forme un recours contre l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien. Il communique également les jour et heure de l’audience au procureur du Roi qui a pris l’ordonnance d’évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire. Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties présentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la pro- cédure se déroule comme déterminé à l’article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien- fondé de l’évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l’article 1344decies, alinéa 1er, du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l’ordon- nance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une 201 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechts- persoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen. De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit. Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger beroep worden ingesteld.”.” HOOFDSTUK 16 Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Art. 80 In artikel 5 van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel worden de volgende wijzingen aangebracht: 1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt: “Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht.” 2° In paragraaf 2, eerste lid worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepaling onder 3° worden de woorden “aan- geduid door de minister op basis van een lijst van telkens drie magistraten voorgesteld door het College van het openbaar ministerie” vervangen door de woorden “op voordracht van het College van het openbaar ministerie, een parketmagistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank”; b) in de bepaling onder 4° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie rechters voorgesteld door het College van de hoven en rechtbanken” vervangen door de woorden “op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank;”; c) in de bepaling onder 5° worden de woorden “aange- duid door de minister op basis van telkens een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en een lijst van drie advocaten voorgesteld door personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois. Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l’audience. La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun recours.”.” CHAPITRE 16 Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Art. 80 À l’article 5 de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er, alinéa 1, est remplacé par ce qui suit: “Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre.” 2° Au paragraphe 2, alinéa 1, les modifications sui- vantes sont apportées: a) au 3°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par le Collège du ministère public” sont remplacés par “sur proposition du Collège du ministère public, un magis- trat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l’application des peines;”; b) au 4°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par le Collège des cours et tribunaux” sont remplacés par “sur proposition du Collège des cours et tribunaux, un magistrat par rôle linguistique, dont au moins un appar- tient au tribunal de l’application des peines;”; c) au 5°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois avocats proposés par l’Ordre des barreaux francophone et germanophone et d’une liste de trois avocats proposés par l’Orde van 2774/001 DOC 55 202 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de Ordre des Barreaux francophones et germanopho- nes” vervangen door de woorden “op respectievelijke voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de “Ordre des barreaux francophones et germanophone”, een advocaat per taalrol;”; d) In de bepaling onder 6° worden de woorden “aan- geduid door de minister op basis van telkens een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en een lijst van drie kan- didaten voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire Raad” vervangen door de woorden “op respectievelijke voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld;”; e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt: “8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit;” 3° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt: “De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, geno- men na akkoord van de bevoegde regeringen, voor een duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.”. Art. 81 Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de penitentiaire beleidsraad. De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad.”. Vlaamse Balies” sont remplacés par “sur proposition respective de l’Orde van Vlaamse Balies et de l’Ordre des barreaux francophone et germanophone, un avocat par rôle linguisitique;”; d) au 6°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque fois d’une liste de trois candidats proposés par le Conseil des recteurs des Universités francophones et d’une liste de trois candidats proposés par le Conseil interuniversitaire flamand” sont remplacés par “sur proposition respective du Conseil des recteurs des Universités francophones et du Conseil interuniversitaire flamand, un représentant par rôle linguistique du monde accadémique;”; e) le 8° est remplacé par ce qui suit: “8° un représentant par entité fédérée, sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d’aide sociale aux détenus.”. 3° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Les membres sont nommés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, pris après accord des gouver- nements compétents, pour une période de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.”. Art. 81 L’article 8 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “Art. 8. Le Roi détermine les modalités d’introduction des candidatures et de nomination des membres du Conseil pénitentiaire. Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement du Conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux indemnités et aux frais applicables aux membres du Conseil pénitentiaire.”. 203 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 17 Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek Art. 82 In artikel 41sexies van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbei- ders, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”; 2° in paragraaf 14 wordt het woord “bedoeld” vervan- gen door de woorden “bedoelde akte of”; 3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. Art. 83 In artikel 23quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wetten van 20 september 2018, 7 mei 2019 en 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”; 2° in paragraaf 11 wordt het woord “bedoeld” vervan- gen door de woorden “bedoelde akte of”; 3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”. HOOFDSTUK 18 Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen Art. 84 Het koninklijk besluit van 27 januari 2022 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprich- tingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd CHAPITRE 17 Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du Code civil Art. 82 À l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”; 2° dans le paragraphe 14, les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir” et les mots “un certificat d’hérédité”; 3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. Art. 83 À l’article 23quater de l’arrêté royal n° 38 du 27 juin 1967 organisant le statut social des travailleurs indépen- dants, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par les lois du 20 septembre 2018, 7 mai 2019 et 19 janvier 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”; 2° dans le paragraphe 11, les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à établir” et les mots “un certificat d’hérédité”; 3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”. CHAPITRE 18 Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard Art. 84 L’arrêté royal du 27 janvier 2022 relatif à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installa- tion de la Commission des jeux de hasard due par les 2774/001 DOC 55 204 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022 is bekrachtigd met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding. HOOFDSTUK 19 Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de gevangenissen Art. 85 De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen “directeur”, “veroordeelde”, “slachtoffer” dienen te worden begrepen in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betref- fende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Art. 86 § 1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke in- vrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld. In afwijking van het eerste lid, is de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen gedurende zes maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling. Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde. Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt herroepen, kan zij niet opnieuw worden toegekend. § 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling bedoeld in paragraaf 1: — de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbe- nemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt; — de veroordeelden die één of meerdere gevange- nisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek; titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022 est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur. CHAPITRE 19 Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons Art. 85 Les notions de “directeur”, de “condamné” et de “vic- time” visées au présent chapitre doivent être entendues au sens de l’article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine. Art. 86 § 1er. Le directeur octroie la libération anticipée au condamné qui se trouve dans les conditions de temps pour l’octroi de la libération conditionnelle, à partir de six mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné. Par dérogation à l’alinéa 1er, le condamné dont la modalité d’exécution de la peine est révoquée par le juge d’application des peines ou le tribunal de l’application des peines pendant la durée de validité de cette mesure est exclu de la libération anticipée pendant six mois à compter de l’exécution du jugement de révocation. Si la libération anticipée n’est pas révoquée, elle court jusqu’à la fin de la peine. Si la libération anticipée est révoquée, elle ne peut plus être octroyée à nouveau. § 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libé- ration anticipée visée au § 1er: — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s’élève à plus de 10 ans; — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Iter, du Code pénal; 205 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E — de veroordeelden die één of meerdere gevan- genisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in de artikelen 417/7 tot 417/24, 417/50, 417/55, 417/56, 417/59 en 417/63 van het Strafwetboek; — de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de arti- kelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek; — de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf; — de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Art. 87 § 1. De directeur neemt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende criteria getoetst te hebben: — het hebben van onderdak; — het beschikken over voldoende middelen van bestaan. De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe- ringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan ver- bonden voorwaarden. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden. § 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn on- derworpen aan de volgende algemene voorwaarden: 1° geen strafbare feiten plegen; 2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddel- lijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet. — les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés aux articles 417/7 à 417/24, 417/50, 417/55, 417/56, 417/59 et 417/63 du Code pénal; — les condamnés qui font l’objet d’une condamnation avec une mise à disposition du tribunal de l’application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal; — les condamnés qui n’ont pas de droit de séjour; — les condamnés qui sont suivis par l’Organe pour la coordination de l’analyse de la menace dans le cadre des banques de données communes visées aux ar- ticles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Art. 87 § 1. Le directeur octroie la libération anticipée après s’être assuré de la faisabilité de la mesure et après avoir fait les vérifications suivantes: — le condamné dispose d’un logement; — le condamné dispose de moyens d’existence suffisants. Le procureur du Roi de l’arrondissement où le condamné a son lieu de résidence ou de séjour et, si le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines est déjà saisi, le ministère public près le tribunal de l’application des peines, sont informés le plus rapidement possible de l’octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de l’octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. § 2. Pendant le délai d’épreuve, le condamné est soumis aux conditions générales suivantes: 1° ne pas commettre d’infraction; 2° ne pas importuner les victimes et immédiatement quitter les lieux lorsqu’il rencontre une victime. 2774/001 DOC 55 206 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling. In geval van herroeping van de vervroegde invrij- heidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke hij in vervroegde invrijheidstelling was en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping van de vervroegde invrijheidsstelling, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. § 3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende gevallen: — wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten niet heeft nageleefd; — wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarde vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° niet naleeft. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. § 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedu- rende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur. De directeur neemt een beslissing over de al dan niet herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroor- deelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. Art. 88 Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 augustus 2023. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum bedoeld in het eerste lid verlengen tot 31 december 2024. Le délai d’épreuve est égal à la durée de la peine qu’il restait à subir au moment de la libération anticipée. Si la libération anticipée est révoquée sur la base du paragraphe 3, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée et qui court jusqu’à la décision de révocation de la libération anticipée est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l’octroi. § 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les cas suivants: — lorsqu’il existe des indications sérieuses selon lesquelles le condamné n’a pas respecté l’interdiction de commettre des infractions; — lorsque le condamné ne respecte pas la condition générale mentionnée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°. La victime est informée de la décision de révocation le plus rapidement possible et dans tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. § 4. Si le condamné met gravement en péril l’inté- grité physique ou psychique de tiers pendant le délai d’épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l’arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immé- diatement sa décision au directeur. Le directeur prend une décision sur la révocation ou non de la libération anticipée dans les sept jours qui suivent l’arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de la décision de révocation. Art. 88 Le présent chapitre s’applique jusqu’au 31 août 2023. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi- nistres, prolonger la date visée au premier alinéa jusqu’au 31 décembre 2024. 207 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 20 Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Art. 89 In artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 betref- fende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, gewijzigd door de wet van 25 december 2016, wordt een § 1/1 ingevoegd, luidend als volgt: “§ 1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kun- nen bepalen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig begeeft naar de aangewezen gevangenis.” HOOFDSTUK 21 Overgangsbepalingen Art. 90 De bij ministerieel besluit van 25 februari 2020 (Belgisch Staatsblad van 6 maart 2020) benoemde assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling van de Federale bemiddelings- commissie beëindigen hun mandaat op 6 maart 2024. Hun mandaten kunnen slechts eenmaal worden verlengd. Art. 91 De mandaten van de leden van het bureau van de Federale bemiddelingscommissie die zijn benoemd bij de ministeriële besluiten van 24 mei 2019, 15 oktober 2019, 7 december 2020 en 4 april 2022, worden verlengd tot 20 december 2023. HOOFDSTUK 22 Inwerkingtreding Art. 92 Hoofdstukken 8, 9, 14 en 17 van deze wet treden in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 november 2022. In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 44 en 46 in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. CHAPITRE 20 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Art. 89 À l’article 18 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, modifiée par la loi du 25 décembre 2016, il est inséré un paragraphe 1/1, rédigé comme suit: “§ 1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à la prison désignée pour exécuter la décision de placement ou de transfèrement.” CHAPITRE 21 Dispositions transitoires Art. 90 Les assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement des plaintes de la Commission fédérale de médiation, nommés par arrêté ministériel du 25 février 2020 (Moniteur belge du 6 mars 2020) terminent leur mandat le 6 mars 2024. Leurs mandats ne peuvent être renouvelés qu’une seule fois selon la procédure prévue par le Roi. Art. 91 Les mandats des membres du bureau de la com- mission fédérale de médiation nommés par arrêtés ministériels du 24 mai 2019, du 15 octobre 2019, du 7 décembre 2020 et du 4 avril 2022 sont prolongés jusqu’au 20 décembre 2023. CHAPITRE 22 Entrée en vigueur Art. 92 Les chapitres 8, 9, 14 et 17 de la présente loi entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus tard le 1er novembre 2022. Par dérogation à l’alinéa 1er, les articles 44 et 46 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge. 2774/001 DOC 55 208 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 93 Hoofdstuk 12 van deze wet treedt in werking op 1 sep- tember 2022. Gegeven te Brussel, 21 juni 2022. FILIP Van Koningswege: De minister van Justitie, Vincent VAN QUICKENBORNE Art. 93 Le chapitre 12 de la présente loi entre en vigueur le 1er septembre 2022. Donné à Bruxelles, le 21 juin 2022. PHILIPPE Par le Roi: Le ministre de la Justice, Vincent VAN QUICKENBORNE 209 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E COORDINATION DES ARTICLES TEXTE DE BASE TEXTE DE BASE ADAPTÉ AU PROJET DE LOI Modification de l’ancien Code Civil Art. 165/1 Art. 165/1 Le jour désigné par les parties, à l'exception des dimanches et jours fériés, après le délai visé à l'article 165, l'officier de l'état civil explique aux parties à la maison communale, éventuellement en présence des témoins, le contenu du chapitre VI du présent titre. Les parties déclarent à tour de rôle qu'elles veulent se prendre pour époux. L'officier de l'état civil déclare ensuite, au nom de la loi, qu'elles sont unies par le mariage. Il en établit l'acte sans délai dans la BAEC. Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal peut désigner, sur le territoire de la commune, d'autres lieux publics à caractère neutre, dont la commune a l'usage exclusif, pour célébrer les mariages. Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal peut autoriser à célébrer les mariages les dimanches et/ou jours fériés. Le jour désigné par les parties, à l'exception des dimanches et jours fériés, après le délai visé à l'article 165, l'officier de l'état civil explique aux parties à la maison communale, éventuellement en présence des témoins, le contenu du chapitre VI du présent titre. Les parties déclarent à tour de rôle qu'elles veulent se prendre pour époux. L'officier de l'état civil déclare ensuite, au nom de la loi, qu'elles sont unies par le mariage. Il en établit l'acte sans délai dans la BAEC. Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal peut désigner, sur le territoire de la commune, d'autres lieux publics à caractère neutre, dont la commune a l'usage exclusif, pour célébrer les mariages. Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal peut autoriser à célébrer les mariages les dimanches et/ou jours fériés. Modifications du Code d’instruction criminelle Art. 28decies Art. 28decies (nouveau) / Section 1rebis/1. - Du contrôle de l’information par la chambre des mises en accusation Art. 28decies. Si l'information n'est pas clôturée après une année, la chambre des mises en accusation peut être saisie par une requête motivée de l'inculpé ou de la personne lésée adressée au greffe de la cour d'appel. S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement de l'information, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu'il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d'office, demander des rapports sur l'état des affaires et peut prendre connaissance des dossiers et prendre les mesures prévues aux articles 235 et 235bis. 2774/001 DOC 55 210 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le procureur du Roi en son rapport, hors la présence des parties si elle l'estime utile. Elle peut également entendre la personne lésée, l'inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience. La chambre des mises en accusation statue sur la requête par arrêt motivé, qui est communiqué au procureur général, à la partie requérante et aux parties entendues. Le requérant ne peut déposer de requête ayant le même objet avant l'expiration du délai de six mois à compter de la dernière décision. Art. 39ter Art. 39ter § 1er. Lors de la recherche de crimes et délits et sans préjudice des compétences visées aux articles 39bis, 46bis et 88bis et aux articles XII.17, XII.18, XII.19 et XII.20 du Code de droit économique, tout officier de police judiciaire peut, s'il existe des raisons de croire que des données stockées, traitées ou transmises au moyen d'un système informatique sont particulièrement susceptibles de perte ou de modification, ordonner, par une décision écrite et motivée, à une ou plusieurs personnes physiques ou personnes morales de conserver les données qui sont en leur possession ou sous leur contrôle. La décision écrite motivée mentionne: - les nom et qualité de l'officier de police judiciaire qui ordonne la conservation; - l'infraction qui fait l'objet de l'ordre; - les données qui doivent être conservées; - la durée de conservation des données, qui ne peut excéder nonante jours. Ce délai peut être prolongé par écrit. En cas d'urgence, la conservation peut être ordonnée verbalement. L'ordre doit être confirmé dans les plus brefs délais dans la forme prévue à l'alinéa 2. § 1er. Lors de la recherche de crimes et délits et sans préjudice des compétences visées aux articles 39bis, 46bis et 88bis et aux articles XII.17, XII.18, XII.19 et XII.20 du Code de droit économique, tout officier de police judiciaire peut, s'il existe des raisons de croire que des données stockées, traitées ou transmises au moyen d'un système informatique sont particulièrement susceptibles de perte ou de modification, ordonner, par une décision écrite et motivée, à une ou plusieurs personnes physiques ou personnes morales de conserver les données qui sont en leur possession ou sous leur contrôle. La décision écrite motivée mentionne: - les nom et qualité de l'officier de police judiciaire qui ordonne la conservation; - l'infraction qui fait l'objet de l'ordre; - les données qui doivent être conservées; - la durée de conservation des données, qui ne peut excéder nonante jours. Ce délai peut être prolongé par écrit. En cas d'urgence, la conservation peut être ordonnée verbalement. L'ordre doit être confirmé dans les plus brefs délais dans la forme prévue à l'alinéa 2. 211 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. Les personnes physiques ou personnes morales visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, veillent à ce que l'intégrité des données soit garantie et à ce que les données soient conservées de manière sécurisée. § 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de coopérer, ou qui fait disparaître, détruit ou modifie les données conservées, est punie d'un emprisonnement de six mois à un an ou d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement. § 2. Les personnes physiques ou personnes morales visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, veillent à ce que l'intégrité des données soit garantie et à ce que les données soient conservées de manière sécurisée. § 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de coopérer, ou qui fait disparaître, détruit ou modifie les données conservées, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 46bis Art. 46bis § 1er. En recherchant les crimes et les délits, le procureur du Roi peut, par une décision motivée et écrite, procéder ou faire procéder sur la base de toutes données détenues par lui, ou au moyen d'un accès aux fichiers des clients des acteurs visés à l'alinéa 2, premier et deuxième tirets, à: 1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service visé à l'alinéa 2, deuxième tiret, ou bien du moyen de communication électronique utilisé; 2° l'identification des services visés à l'alinéa 2, deuxième tiret, auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée. Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, la collaboration: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques, et - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. § 1er. En recherchant les crimes et les délits, le procureur du Roi peut, par une décision motivée et écrite, procéder ou faire procéder sur la base de toutes données détenues par lui, ou au moyen d'un accès aux fichiers des clients des acteurs visés à l'alinéa 2, premier et deuxième tirets, à: 1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur habituel d'un service visé à l'alinéa 2, deuxième tiret, ou bien du moyen de communication électronique utilisé; 2° l'identification des services visés à l'alinéa 2, deuxième tiret, auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée. Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, la collaboration: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques, et - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. 2774/001 DOC 55 212 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E La motivation reflète le caractère proportionnel eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir d'enquête. En cas d'extrême urgence, le procureur du Roi peut ordonner verbalement cette mesure. La décision est confirmée par écrit dans les plus brefs délais. Pour des infractions qui ne sont pas de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde, le procureur du Roi ne peut requérir les données visées à l'alinéa 1er que pour une période de six mois préalable à sa décision. § 2. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, 1er et 2e tirets, requis de communiquer les données visées au paragraphe 1er communiquent au procureur du Roi ou à l'officier de police judiciaire les données en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, selon les modalités fixées par le Roi, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications. Le Roi fixe, après avis de la Commission de la protection de la vie privée et sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre compétent pour les Télécommunications, les conditions techniques d'accès aux données visées au § 1er et disponibles pour le procureur du Roi et le service de police désigné au même paragraphe. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros. La motivation reflète le caractère proportionnel eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir d'enquête. En cas d'extrême urgence, le procureur du Roi peut ordonner verbalement cette mesure. La décision est confirmée par écrit dans les plus brefs délais. Pour des infractions qui ne sont pas de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde, le procureur du Roi ne peut requérir les données visées à l'alinéa 1er que pour une période de six mois préalable à sa décision. § 2. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, 1er et 2e tirets, requis de communiquer les données visées au paragraphe 1er communiquent au procureur du Roi ou à l'officier de police judiciaire les données en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, selon les modalités fixées par le Roi, sur proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications. Le Roi fixe, après avis de la Commission de la protection de la vie privée et sur proposition du Ministre de la Justice et du Ministre compétent pour les Télécommunications, les conditions techniques d'accès aux données visées au § 1er et disponibles pour le procureur du Roi et le service de police désigné au même paragraphe. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 46bis/1. Art. 46bis/1. § 1er. Dans le cadre de la recherche des infractions terroristes visées au livre II, titre § 1er. Dans le cadre de la recherche des infractions terroristes visées au livre II, titre 213 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Ierter, du Code pénal, le procureur du Roi peut, par une décision motivée et écrite, requérir toutes les institutions de sécurité sociale visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et à l'article 2, alinéa 1e , 2°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social de lui fournir les renseignements administratifs qu'il juge nécessaires. Dans sa décision, le procureur du Roi décrit précisément les renseignements qu'il demande, et spécifie la forme sous laquelle ils lui seront communiqués. § 2. En application de l'exception visée à l'article 458 du Code pénal et par dérogation à toutes dispositions contraires, les institutions de sécurité sociale visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, communiquent sans délai les renseignements qui y sont visés. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne refusant de communiquer les renseignements sera punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros. Ierter, du Code pénal, le procureur du Roi peut, par une décision motivée et écrite, requérir toutes les institutions de sécurité sociale visées à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et à l'article 2, alinéa 1er , 2°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré social de lui fournir les renseignements administratifs qu'il juge nécessaires. Dans sa décision, le procureur du Roi décrit précisément les renseignements qu'il demande, et spécifie la forme sous laquelle ils lui seront communiqués. § 2. En application de l'exception visée à l'article 458 du Code pénal et par dérogation à toutes dispositions contraires, les institutions de sécurité sociale visées au paragraphe 1er, alinéa 1er, communiquent sans délai les renseignements qui y sont visés. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne refusant de communiquer les renseignements sera punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 46ter Art. 46ter § 1er. Dans le cadre de la recherche des crimes et délits, le procureur du Roi peut intercepter et saisir le courrier confié à un opérateur postal, destiné à, provenant de ou concernant un suspect, s'il existe des indices sérieux que les infractions peuvent donner lieu à un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou à une peine plus lourde. Si cette mesure s'inscrit dans le cadre d'une recherche proactive visée à l'article 28bis, § 2, le procureur du Roi vérifie s'il est satisfait aux conditions spécifiques visées audit article. Si le procureur du Roi estime ne pas devoir maintenir la saisie, il rend sans délai les pièces à l'opérateur postal pour envoi. Dans le cas § 1er. Dans le cadre de la recherche des crimes et délits, le procureur du Roi peut intercepter et saisir le courrier confié à un opérateur postal, destiné à, provenant de ou concernant un suspect, s'il existe des indices sérieux que les infractions peuvent donner lieu à un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou à une peine plus lourde. Si cette mesure s'inscrit dans le cadre d'une recherche proactive visée à l'article 28bis, § 2, le procureur du Roi vérifie s'il est satisfait aux conditions spécifiques visées audit article. Si le procureur du Roi estime ne pas devoir maintenir la saisie, il rend sans délai les pièces à l'opérateur postal pour envoi. Dans le cas 2774/001 DOC 55 214 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E contraire, il est procédé conformément aux dispositions des articles 35 à 39. La notion de " courrier " au sens du présent article s'entend ainsi qu'elle est définie à l'article 131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. § 2. Le procureur du Roi peut, par une décision écrite et motivée, requérir le concours de l'opérateur postal afin de permettre les mesures visées au § 1er. L'opérateur postal est tenu de prêter son concours sans délai. II précise dans sa décision la durée de la mesure visée au paragraphe précédent. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées au présent article, est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six EUR à dix mille EUR ou d'une de ces peines seulement. contraire, il est procédé conformément aux dispositions des articles 35 à 39. La notion de " courrier " au sens du présent article s'entend ainsi qu'elle est définie à l'article 131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. § 2. Le procureur du Roi peut, par une décision écrite et motivée, requérir le concours de l'opérateur postal afin de permettre les mesures visées au § 1er. L'opérateur postal est tenu de prêter son concours sans délai. II précise dans sa décision la durée de la mesure visée au paragraphe précédent. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours aux réquisitions visées au présent article, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 46quater Art. 46quater § 1. En recherchant les crimes et les délits, le procureur du Roi peut requérir, s'il existe des indices sérieux que les infractions peuvent donner lieu à une peine d'emprisonnement correctionnel principal d'un an ou à une peine plus lourde, les informations nécessaires relative aux produits, services et transactions de nature financière et aux valeurs virtuelles concernant le suspect, auprès : 1° des personnes et institutions visées à l'article 5, § 1er, 3° à 22° de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces; 2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de payement réglementés en valeurs virtuelles. § 1. En recherchant les crimes et les délits, le procureur du Roi peut requérir, s'il existe des indices sérieux que les infractions peuvent donner lieu à une peine d'emprisonnement correctionnel principal d'un an ou à une peine plus lourde, les informations nécessaires relative aux produits, services et transactions de nature financière et aux valeurs virtuelles concernant le suspect, auprès : 1° des personnes et institutions visées à l'article 5, § 1er, 3° à 22° de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces; 2° des personnes et institutions qui, sur le territoire belge, mettent à disposition ou proposent des services en lien avec des valeurs virtuelles permettant d'échanger des moyens de payement réglementés en valeurs virtuelles. 215 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. Afin de permettre les mesures visées au paragraphe 1er, le procureur du Roi peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. § 3. Lorsque les nécessités de l'information l'exigent, le procureur du Roi peut en outre requérir que : 1° pendant une période renouvelable d'au maximum deux mois, les transactions du suspect seront observées; 2° l'institution ou la personne interrogée ne pourra plus se dessaisir des créances et engagements concernant les produits, les services, les transactions et les valeurs visées au paragraphe 1er pour une période qu'il détermine, mais qui ne peut excéder la période allant du moment où la personne ou l'institution prend connaissance de sa requête à cinq jours ouvrables après la notification des données visées par cette personne ou institution. La mesure visée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être requise que si des circonstances graves et exceptionnelles le justifient et uniquement si les recherches portent sur des crimes ou délits visés à l'article 90ter, §§ 2 à 4. § 4. Le procureur du Roi peut, sur décision écrite et motivée, requérir le concours des personnes et institutions visées au paragraphe 1er. L'institution ou la personne interrogée est tenue de coopérer immédiatement. Dans sa décision, le procureur du Roi décrit précisément les renseignements qu'il réclame et la forme employée pour lui communiquer ces informations. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. § 2. Afin de permettre les mesures visées au paragraphe 1er, le procureur du Roi peut, par sollicitation spécifique et motivée, demander des informations au point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès au fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt. § 3. Lorsque les nécessités de l'information l'exigent, le procureur du Roi peut en outre requérir que : 1° pendant une période renouvelable d'au maximum deux mois, les transactions du suspect seront observées; 2° l'institution ou la personne interrogée ne pourra plus se dessaisir des créances et engagements concernant les produits, les services, les transactions et les valeurs visées au paragraphe 1er pour une période qu'il détermine, mais qui ne peut excéder la période allant du moment où la personne ou l'institution prend connaissance de sa requête à cinq jours ouvrables après la notification des données visées par cette personne ou institution. La mesure visée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être requise que si des circonstances graves et exceptionnelles le justifient et uniquement si les recherches portent sur des crimes ou délits visés à l'article 90ter, §§ 2 à 4. § 4. Le procureur du Roi peut, sur décision écrite et motivée, requérir le concours des personnes et institutions visées au paragraphe 1er. L'institution ou la personne interrogée est tenue de coopérer immédiatement. Dans sa décision, le procureur du Roi décrit précisément les renseignements qu'il réclame et la forme employée pour lui communiquer ces informations. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. 2774/001 DOC 55 216 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Toute personne qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement. Toute personne qui refuse de communiquer les données ou qui ne les communique pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 88bis Art. 88bis § 1er. S'il existe des indices sérieux que les infractions sont de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde, et lorsque le juge d'instruction estime qu'il existe des circonstances qui rendent le repérage de communications électroniques ou la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques nécessaire à la manifestation de la vérité, il peut faire procéder: 1° au repérage des données de trafic de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des communications électroniques sont adressées ou ont été adressées; 2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques. Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, la collaboration: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques; et - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque moyen de communication électronique dont les données de trafic sont repérées ou dont l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure, la durée et, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un procès-verbal. § 1er. S'il existe des indices sérieux que les infractions sont de nature à entraîner un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou une peine plus lourde, et lorsque le juge d'instruction estime qu'il existe des circonstances qui rendent le repérage de communications électroniques ou la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques nécessaire à la manifestation de la vérité, il peut faire procéder: 1° au repérage des données de trafic de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des communications électroniques sont adressées ou ont été adressées; 2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques. Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, la collaboration: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques; et - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque moyen de communication électronique dont les données de trafic sont repérées ou dont l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure, la durée et, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un procès-verbal. 217 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Le juge d'instruction indique les circonstances de fait de la cause qui justifient la mesure, son caractère proportionnel eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir d'enquête, dans une ordonnance motivée. Il précise également la durée durant laquelle la mesure pourra s'appliquer pour le futur, cette durée ne pouvant excéder deux mois à dater de l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement et, le cas échéant, la période pour le passé sur laquelle l'ordonnance s'étend conformément au paragraphe 2. En cas de flagrant délit, le procureur du Roi peut ordonner la mesure pour les infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4. Dans ce cas, la mesure doit être confirmée dans les vingt-quatre heures par le juge d'instruction. S'il s'agit toutefois de l'infraction visée à l'article 137, 347bis, 434 ou 470 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 137, § 3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut ordonner la mesure tant que la situation de flagrant délit perdure, sans qu'une confirmation par le juge d'instruction ne soit nécessaire. S'il s'agit de l'infraction visée à l'article 137 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 137, § 3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut en outre ordonner la mesure dans les septante-deux heures suivant la découverte de cette infraction, sans qu'une confirmation par le juge d'instruction soit nécessaire. Toutefois, le procureur du Roi peut ordonner la mesure si le plaignant le sollicite, lorsque cette mesure s'avère indispensable à l'établissement d'une infraction visée à l'article 145, § 3 et § 3bis de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques. En cas d'urgence, la mesure peut être ordonnée verbalement. Elle doit être confirmée dans les plus brefs délais dans la forme prévue aux alinéas 4 et 5. § 2. § 3. Le juge d'instruction indique les circonstances de fait de la cause qui justifient la mesure, son caractère proportionnel eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir d'enquête, dans une ordonnance motivée. Il précise également la durée durant laquelle la mesure pourra s'appliquer pour le futur, cette durée ne pouvant excéder deux mois à dater de l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement et, le cas échéant, la période pour le passé sur laquelle l'ordonnance s'étend conformément au paragraphe 2. En cas de flagrant délit, le procureur du Roi peut ordonner la mesure pour les infractions visées à l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4. Dans ce cas, la mesure doit être confirmée dans les vingt-quatre heures par le juge d'instruction. S'il s'agit toutefois de l'infraction visée à l'article 137, 347bis, 434 ou 470 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 137, § 3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut ordonner la mesure tant que la situation de flagrant délit perdure, sans qu'une confirmation par le juge d'instruction ne soit nécessaire. S'il s'agit de l'infraction visée à l'article 137 du Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à l'article 137, §3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut en outre ordonner la mesure dans les septante-deux heures suivant la découverte de cette infraction, sans qu'une confirmation par le juge d'instruction soit nécessaire. Toutefois, le procureur du Roi peut ordonner la mesure si le plaignant le sollicite, lorsque cette mesure s'avère indispensable à l'établissement d'une infraction visée à l'article 145, § 3 et § 3bis de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques. En cas d'urgence, la mesure peut être ordonnée verbalement. Elle doit être confirmée dans les plus brefs délais dans la forme prévue aux alinéas 4 et 5. § 2. § 3. 2774/001 DOC 55 218 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 4. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, communiquent les informations demandées en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, selon les modalités fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au présent article, concours dont les modalités sont fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications, ou ne le prête pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros. § 4. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, communiquent les informations demandées en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, selon les modalités fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées au présent article, concours dont les modalités sont fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications, ou ne le prête pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Art. 88quater Art. 88quater § 1er. Le juge d'instruction ou un officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail délégué par lui, peut ordonner à quiconque dont il présume qu'il a connaissance particulière du système informatique qui fait l'objet de la recherche ou de son extension visée à l'article 88ter ou des services qui permettent de protéger ou de crypter des données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, de fournir des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'y accéder ou d'accéder aux données qui sont stockées, traitées ou transmises par un tel système, dans une forme compréhensible. Le juge d'instruction mentionne les circonstances propres à l'affaire justifiant la mesure dans une ordonnance motivée qu'il transmet au procureur du Roi ou à l'auditeur du travail. § 2. Le juge d'instruction ou un officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail délégué par lui, peut ordonner à toute personne appropriée de mettre en fonctionnement elle-même le § 1er. Le juge d'instruction ou un officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail délégué par lui, peut ordonner à quiconque dont il présume qu'il a connaissance particulière du système informatique qui fait l'objet de la recherche ou de son extension visée à l'article 88ter ou des services qui permettent de protéger ou de crypter des données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, de fournir des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'y accéder ou d'accéder aux données qui sont stockées, traitées ou transmises par un tel système, dans une forme compréhensible. Le juge d'instruction mentionne les circonstances propres à l'affaire justifiant la mesure dans une ordonnance motivée qu'il transmet au procureur du Roi ou à l'auditeur du travail. § 2. Le juge d'instruction ou un officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail délégué par lui, peut ordonner à toute personne appropriée de mettre en fonctionnement elle-même le 219 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E système informatique ou, selon le cas, de rechercher, rendre accessibles, copier, rendre inaccessibles ou retirer les données pertinentes qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système, dans la forme qu'il aura demandée. Ces personnes sont tenues d'y donner suite, dans la mesure de leurs moyens. L'ordonnance vises à l'alinéa 1er, ne peut être prise à l'égard de l'inculpé et à l'égard des personnes visées à l'article 156. § 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration ordonnée aux §§ 1er et 2 ou qui fait obstacle à la recherche ou à son extension dans le système informatique, est puni d'un emprisonnement de six mois à trois ans et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement. Si la collaboration visée à l'alinéa 1er peut empêcher la commission d'un crime ou d'un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n'est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros. § 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. § 5. L'Etat est civilement responsable pour le dommage causé de façon non intentionnelle par les personnes requises à un système informatique ou aux données qui sont stockées, traitées ou transmises par un tel système. système informatique ou, selon le cas, de rechercher, rendre accessibles, copier, rendre inaccessibles ou retirer les données pertinentes qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système, dans la forme qu'il aura demandée. Ces personnes sont tenues d'y donner suite, dans la mesure de leurs moyens. L'ordonnance vises à l'alinéa 1er, ne peut être prise à l'égard de l'inculpé et à l'égard des personnes visées à l'article 156. § 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration ordonnée aux §§ 1er et 2 ou qui fait obstacle à la recherche ou à son extension dans le système informatique, est puni d’une amende de cent euros à trente mille euros. Si la collaboration visée à l'alinéa 1er peut empêcher la commission d'un crime ou d'un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n'est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement. § 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. § 5. L'Etat est civilement responsable pour le dommage causé de façon non intentionnelle par les personnes requises à un système informatique ou aux données qui sont stockées, traitées ou transmises par un tel système. Art. 90quater Art. 90quater § 1er. Toute mesure sur la base de l'article 90ter fait l'objet d'une autorisation écrite préalable et motivée du juge d'instruction, que celui-ci communique au procureur du Roi. L'autorisation est datée et indique: 1° les indices ainsi que les faits concrets et propres à la cause qui justifient la mesure conformément à l'article 90ter; § 1er. Toute mesure sur la base de l'article 90ter fait l'objet d'une autorisation écrite préalable et motivée du juge d'instruction, que celui-ci communique au procureur du Roi. L'autorisation est datée et indique: 1° les indices ainsi que les faits concrets et propres à la cause qui justifient la mesure conformément à l'article 90ter; 2774/001 DOC 55 220 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° les motifs pour lesquels la mesure est indispensable à la manifestation de la vérité; 3° la personne, le moyen de communication, le système informatique ou le lieu soumis à la mesure; 4° la période pendant laquelle la mesure peut être exécutée et qui ne peut excéder un mois. Ce délai commence à courir le jour de l'autorisation ordonnant ou, dans le cas de l'article 90quinquies, alinéa 1er, prolongeant la mesure et s'achève la veille du quantième du mois suivant; 5° les nom et qualité de l'officier ou des officiers de police judiciaire commis pour l'exécution de la mesure. En cas d'urgence, l'autorisation peut être donnée verbalement. Elle est confirmée dans la forme prévue à l'alinéa 2 au plus tard dans les vingt-quatre heures. § 2. Afin de permettre la mesure visée à l'article 90ter, § 1er, le juge d'instruction peut requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, le concours: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques; - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées à l'alinéa 1er, concours dont les modalités sont fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications, ou ne le prête pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros. 2° les motifs pour lesquels la mesure est indispensable à la manifestation de la vérité; 3° la personne, le moyen de communication, le système informatique ou le lieu soumis à la mesure; 4° la période pendant laquelle la mesure peut être exécutée et qui ne peut excéder un mois. Ce délai commence à courir le jour de l'autorisation ordonnant ou, dans le cas de l'article 90quinquies, alinéa 1er, prolongeant la mesure et s'achève la veille du quantième du mois suivant; 5° les nom et qualité de l'officier ou des officiers de police judiciaire commis pour l'exécution de la mesure. En cas d'urgence, l'autorisation peut être donnée verbalement. Elle est confirmée dans la forme prévue à l'alinéa 2 au plus tard dans les vingt-quatre heures. § 2. Afin de permettre la mesure visée à l'article 90ter, § 1er, le juge d'instruction peut requérir, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, le concours: - de l'opérateur d'un réseau de communications électroniques; - de toute personne qui met à disposition ou offre, sur le territoire belge, d'une quelconque manière, un service qui consiste à transmettre des signaux via des réseaux de communications électroniques ou à autoriser des utilisateurs à obtenir, recevoir ou diffuser des informations via un réseau de communications électroniques. Est également compris le fournisseur d'un service de communications électroniques. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours, est tenue de garder le secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées à l'alinéa 1er, concours dont les modalités sont fixées par le Roi, sur la proposition du ministre de la Justice et du ministre compétent pour les Télécommunications, ou ne le prête pas en temps réel ou, le cas échéant, au moment précisé dans la réquisition, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. 221 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Le juge d'instruction ne peut commettre pour l'exécution de la mesure visée à l'article 90ter, § 1er, que des officiers de police judiciaire. Ceux-ci peuvent néanmoins se faire assister par des agents de police judiciaire et, selon les conditions fixées par le Roi, par des agents du cadre administratif et logistique de la police intégrée. Ces dernières personnes ne peuvent être chargées de l'analyse du contenu des communications ou données enregistrées, sauf s'il s'agit d'une expertise spécifique, ou de la sélection des parties estimées pertinentes pour l'instruction, comme prévu à l'article 90sexies, § 1er, 2°. Les officiers de police judiciaire conservent les noms des personnes qui peuvent les assister dans une liste établie séparément pour chaque dossier selon les modalités fixées par le Roi, après avis de la Commission pour la protection de la vie privée. Si ces personnes sont chargées de l'exécution de l'ordonnance visée à l'article 90ter, § 1er, alinéa 3, leur nom n'est pas mentionné dans le dossier judiciaire. Les officiers de police judiciaire commis font rapport par écrit au moins tous les cinq jours au juge d'instruction sur l'exécution de l'autorisation. § 4. Le juge d'instruction peut exiger, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, de personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du moyen de communication ou du système informatique qui fait l'objet de la mesure ou de services ou applications qui permettent de protéger, de coder ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par un moyen de communication ou un système informatique, qu'elles fournissent des informations sur le fonctionnement de ce moyen ou système et sur la manière d'accéder à son contenu qui est ou a été transmis, dans une forme compréhensible. Il peut ordonner aux personnes de rendre accessible ce contenu, dans la forme qu'il souhaite. § 3. Le juge d'instruction ne peut commettre pour l'exécution de la mesure visée à l'article 90ter, § 1er, que des officiers de police judiciaire. Ceux-ci peuvent néanmoins se faire assister par des agents de police judiciaire et, selon les conditions fixées par le Roi, par des agents du cadre administratif et logistique de la police intégrée. Ces dernières personnes ne peuvent être chargées de l'analyse du contenu des communications ou données enregistrées, sauf s'il s'agit d'une expertise spécifique, ou de la sélection des parties estimées pertinentes pour l'instruction, comme prévu à l'article 90sexies, § 1er, 2°. Les officiers de police judiciaire conservent les noms des personnes qui peuvent les assister dans une liste établie séparément pour chaque dossier selon les modalités fixées par le Roi, après avis de la Commission pour la protection de la vie privée. Si ces personnes sont chargées de l'exécution de l'ordonnance visée à l'article 90ter, § 1er, alinéa 3, leur nom n'est pas mentionné dans le dossier judiciaire. Les officiers de police judiciaire commis font rapport par écrit au moins tous les cinq jours au juge d'instruction sur l'exécution de l'autorisation. § 4. Le juge d'instruction peut exiger, directement ou par l'intermédiaire du service de police désigné par le Roi, de personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du moyen de communication ou du système informatique qui fait l'objet de la mesure ou de services ou applications qui permettent de protéger, de coder ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par un moyen de communication ou un système informatique, qu'elles fournissent des informations sur le fonctionnement de ce moyen ou système et sur la manière d'accéder à son contenu qui est ou a été transmis, dans une forme compréhensible. Il peut ordonner aux personnes de rendre accessible ce contenu, dans la forme qu'il souhaite. 2774/001 DOC 55 222 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2 est punie d'un emprisonnement de six mois à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou est requise d'y prêter son concours technique, est tenue au secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. § 5. Le cas échéant, l'article 39bis, § 3, alinéa 4, est applicable aux données recueillies par une recherche dans un système informatique en application de l'article 90ter, § 1er. Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures visées à l’article 90ter, § 1er, est punie d’une amende de cent euros à trente mille euros. Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher la commission d'un crime ou d'un délit ou peut en limiter les effets et que cette collaboration n'est pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces peines seulement. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou est requise d'y prêter son concours technique, est tenue au secret. Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal. § 5. Le cas échéant, l'article 88ter, alinéa 4, est applicable aux données recueillies par une recherche dans un système informatique en application de l'article 90ter, § 1er Art. 136bis Art. 136bis Le procureur du Roi fait rapport au procureur général de toutes les affaires sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué dans l'année à compter du premier réquisitoire. S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement de l'instruction, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu'il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d'office, prendre les mesures prévues par les articles 136, 235 et 235bis. Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le juge d'instruction en son rapport, hors la présence des parties si elle l'estime utile. Elle peut également entendre la partie civile, l'inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie ou par lettre recommandée à la poste, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience. Le procureur du Roi fait rapport au procureur général de toutes les affaires sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué dans l'année à compter du premier réquisitoire. S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement de l'instruction, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur général prend, à tout moment, devant la chambre des mises en accusation, les réquisitions qu'il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut, même d'office, prendre les mesures prévues par les articles 136, 235 et 235bis. Le procureur général est entendu. La chambre des mises en accusation peut entendre le juge d'instruction en son rapport, hors la présence des parties si elle l'estime utile. Elle peut également entendre la partie civile, l'inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant l'audience. 223 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E La chambre des mises en accusation peut décider que l'inculpé qui se trouve en détention préventive comparaîtra par vidéoconférence. La chambre des mises en accusation peut décider que l'inculpé qui se trouve en détention préventive comparaîtra par vidéoconférence. Art. 162ter Art. 162ter Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l'infraction donne lieu au paiement de la redevance administrative visée à l'alinéa 7 de l'article 216bis, § 1er, si la transaction pénale proposée et prévue par cet article ne peut pas être exécutée ou homologuée. Il en va de même lorsque, en cas d'infractions à la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et aux règlements pris en vertu de cette loi, lesdites infractions n'ont fait l'objet ni d'une perception immédiate visée à l'article 65, § 1er, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, ni d'une transaction pénale visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle. Le montant de la redevance administrative s'élève dans ce cas à 25,32 euros. La redevance administrative visée au premier alinéa est exigible à la date de la condamnation. Le montant de la redevance administrative visée au premier alinéa est automatiquement adapté le 1er janvier de chaque année en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année précédente. La redevance administrative visée à l'alinéa 1er est recouvrée par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, selon les règles qui s'appliquent en matière de recouvrement des amendes pénales. Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu et les personnes civilement responsables de l'infraction donne lieu au paiement de la redevance administrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée et prévue par cet article ne peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la redevance administrative s'élève à 25,32 euros. Il en va de même lorsque, en cas d'infractions à la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et aux règlements pris en vertu de cette loi, lesdites infractions n'ont fait l'objet ni d'une perception immédiate visée à l'article 65, § 1er, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, ni d'une transaction pénale visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle. Le montant de la redevance administrative s'élève dans ce cas à 25,32 euros. La redevance administrative visée au premier alinéa est exigible à la date de la condamnation. Le montant de la redevance administrative visée au premier alinéa est automatiquement adapté le 1er janvier de chaque année en fonction de l'évolution de l'indice des prix à la consommation du mois de novembre de l'année précédente. La redevance administrative visée à l'alinéa 1er est recouvrée par l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, selon les règles qui s'appliquent en matière de recouvrement des amendes pénales. Art. 196/1 Art. 196/1 Le greffier remet au ministère public un extrait de tout jugement ou arrêt passé en force de chose jugée et portant condamnation à une peine privative de liberté. Le greffier remet au ministère public un extrait de tout jugement ou arrêt passé en force de chose jugée et portant condamnation à une peine privative de liberté. 2774/001 DOC 55 224 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné plusieurs personnes à une peine privative de liberté et que celle-ci est devenue définitive pour certaines d'entre elles, un extrait de la décision sera délivré au ministère public en ce qui concerne les personnes concernées. Lorsque plusieurs personnes condamnées par un même jugement ou arrêt doivent subir leur peine dans des établissements pénitentiaires différents, le ministère public peut se faire délivrer un extrait pour chaque établissement. Endéans les trois jours, le greffier communique à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, par voie électronique ou par lettre simple, un extrait de tout jugement ou arrêt passé en force de chose jugée et portant une condamnation pécuniaire visée à l'alinéa 8. En outre, le greffier communique à l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation, par voie électronique ou par lettre simple, une copie de tout jugement de condamnation emportant la confiscation spéciale prévue à l'article 197bis, ainsi qu'une copie de l'extrait de ce jugement. Dans le même délai, le greffier communique, par voie électronique ou par lettre simple, à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, responsable de la banque de données amendes pénales, confiscations et frais de justice en matière répressive, les éléments qui sont contenus dans tout extrait et qui sont nécessaires pour le traitement des données relatives aux condamnations pécuniaires visées à l'alinéa 8. Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné plusieurs personnes à des condamnations pécuniaires visées à l'alinéa 8, et que ces condamnations sont devenues définitives pour les uns, sans l'être pour les autres, il est procédé conformément aux alinéas 4 à 6 concernant la partie devenue définitive du jugement ou de l'arrêt. Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné plusieurs personnes à une peine privative de liberté et que celle-ci est devenue définitive pour certaines d'entre elles, un extrait de la décision sera délivré au ministère public en ce qui concerne les personnes concernées. Lorsque plusieurs personnes condamnées par un même jugement ou arrêt doivent subir leur peine dans des établissements pénitentiaires différents, le ministère public peut se faire délivrer un extrait pour chaque établissement. Endéans les trois jours, le greffier communique à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, par voie électronique ou par lettre simple, un extrait de tout jugement ou arrêt passé en force de chose jugée et portant une condamnation pécuniaire visée à l'alinéa 8. En outre, le greffier communique à l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation, par voie électronique ou par lettre simple, une copie de tout jugement de condamnation emportant la confiscation spéciale prévue à l'article 197bis, ainsi qu'une copie de l'extrait de ce jugement. Dans le même délai, le greffier communique, par voie électronique ou par lettre simple, à l'administration du Service public fédéral Finances en charge de la perception et du recouvrement des créances fiscales et non fiscales, responsable de la banque de données amendes pénales, confiscations et frais de justice en matière répressive, les éléments qui sont contenus dans tout extrait et qui sont nécessaires pour le traitement des données relatives aux condamnations pécuniaires visées à l'alinéa 8. Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné plusieurs personnes à des condamnations pécuniaires visées à l'alinéa 8, et que ces condamnations sont devenues définitives pour les uns, sans l'être pour les autres, il est procédé conformément aux alinéas 4 à 6 concernant la partie devenue définitive du jugement ou de l'arrêt. 225 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Par condamnation pécuniaire, on entend toute condamnation à une amende, à une confiscation d'une somme d'argent qui comporte la création d'une créance recouvrable sur le patrimoine du condamné, à des frais de justice, à une contribution ou à une redevance administrative. Par condamnation pécuniaire, on entend toute condamnation à une amende, à une confiscation d'une somme d'argent qui comporte la création d'une créance recouvrable sur le patrimoine du condamné, à des frais de justice, ou à une contribution ou à une redevance administrative. Art. 203 Art. 203 § 1. Il y aura, sauf l'exception portée en l'article 205 ci-après, déchéance de l'appel, si la déclaration d'appeler n'a pas été faite au greffe du tribunal qui a rendu le jugement, trente jours au plus tard après celui où il a été prononcé, et, si le jugement est rendu par défaut, trente jours au plus tard après celui de la signification qui en aura été faite à la partie condamnée ou à son domicile. Le ministère public dispose d'un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel, après que le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel. § 2. Lorsque l'appel sera dirigé contre la partie civile, celle-ci aura un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu'elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident conformément au § 4. § 1. Il y aura […] si la déclaration d'appeler n'a pas été faite au greffe du tribunal qui a rendu le jugement, trente jours au plus tard après celui où il a été prononcé, et, si le jugement est rendu par défaut, trente jours au plus tard après celui de la signification qui en aura été faite à la partie condamnée ou à son domicile. Abrogé. §2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté appel, le ministère public dispose d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la partie civilement responsable. Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie civilement responsable disposent d’un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au ministère public. Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile, celle-ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel contre les prévenus et les personnes civilement responsables qu’elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son droit de faire appel incident conformément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant formé l’appel principal. 2774/001 DOC 55 226 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Pendant ces délais et pendant l'instance d'appel, il sera sursis à l'exécution du jugement. Toutefois, les jugements sur l'action publique autres que ceux qui portent condamnation, acquittement ou absolution et les jugements sur l'action civile peuvent être déclarés exécutoires provisoirement nonobstant appel, par une disposition spécialement motivée. § 4. Dans tous les cas où l'action civile sera portée devant la juridiction d'appel, l'intimé pourra, jusqu'à clôture des débats sur l'appel, faire appel incident par conclusions prises à l'audience. § 3. Pendant ces délais et pendant l'instance d'appel, il sera sursis à l'exécution du jugement. Toutefois, les jugements sur l'action publique autres que ceux qui portent condamnation, acquittement ou absolution et les jugements sur l'action civile peuvent être déclarés exécutoires provisoirement nonobstant appel, par une disposition spécialement motivée. § 4. Dans tous les cas où l'action civile sera portée devant la juridiction d'appel, l'intimé pourra, jusqu'à clôture des débats sur l'appel, faire appel incident par conclusions prises à l'audience. Art. 205 Art. 205 Le ministère public près le tribunal ou la cour qui doit connaître de l'appel devra, à peine de déchéance, notifier son recours soit au prévenu, soit à la partie civilement responsable de l'infraction dans les quarante jours à compter du prononcé du jugement. L'exploit contiendra l'assignation. Dans le cadre de la procédure de comparution immédiate visée à l'article 216quinquies, cette assignation se fera dans les soixante jours à compter du prononcé du jugement. Le ministère public indique précisément les griefs élevés contre le jugement conformément à l'article 204. Abrogé. Art. 258/1 Art. 258/1 (nouveau) § 1er. Le président peut décider, dans l'intérêt de la bonne administration de la justice, en raison soit de la disproportion entre, la capacité d'accueil physique de la cour d’assises et le nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes de nationalité étrangère, que le déroulement de l'audience fera l'objet d'une captation sonore ou audiovisuelle permettant sa diffusion différé, par un moyen de télécommunication garantissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion. Il motive sa décision en tenant compte des critères précités. § 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout ou partie des débats afin de garantir la sérénité des débats ou de prévenir un trouble à l'ordre public et peut à cette fin interrompre l'émission à tout moment. 227 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. L’enregistrement de cette captation ou sa diffusion à des tiers sera puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans et d'une amende de deux cents euros à dix mille euros ou avec l'une de ces pénalités seules. § 4. Si le président décide d’appliquer le présent article, il en est fait part aux victimes connues et à leurs avocats, par tous les moyens appropriés. Les victimes et leurs avocats doivent informer le greffe ou le parquet au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils souhaitent recevoir la diffusion de la captation sonore ou audiovisuelle des audiences. § 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont informés des modalités pratiques d'accès à la diffusion des débats, la disposition du paragraphe 3 est expressément portée à leur connaissance. §6. L’utilisation du système requiert le traitement des données suivantes: 1° Pour chaque personne physique comparante: a) les nom et prénom(s) ; b) le cas échéant, la date et le lieu de naissance c) le cas échéant, le domicile ; d) le cas échéant, le numéro de registre national ; e) le cas échéant, le numéro d’entreprise de l’entreprise qu’il représente ; f) le cas échéant, l’adresse du siège social de l’entreprise qu’il représente. 2° pour chaque utilisateur, les métadonnées générées par la connexion au système; 3° l’image et la voix des personnes participant à l’audience ; 4° les données, y compris celles à caractère personnel, communiquées au cours de l’audience. §7. Les données sont conservées pendant toute la durée du procès et les enregistrements ne peuvent en aucun cas être conservés plus d'un an. Art. 258/2 Art. 258/2 (nouveau) 2774/001 DOC 55 228 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E / Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le président peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d'archives historiques de la justice. En cas de captation sonore ou audiovisuelle, conformément à l'alinéa précédent et à l'article 258/1, le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier pénal après la clôture des débats. Code pénal Chapitre IX. Des circonstances atténuantes Chapitre IX. Des circonstances aggravantes, des facteurs aggravants et des circonstances atténuantes Art. 78bis (nouveau) Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l’infraction.  Art. 78ter (nouveau) Le motif discriminatoire de l'auteur est un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance aggravante. Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile discriminatoire lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou 229 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 405quater Art. 405quater Lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale, les peines seront les suivantes : Lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur, les peines seront les suivantes : 1° dans les cas visés à l'article 393, la peine sera la réclusion à perpétuité; 1° dans les cas visés à l'article 393, la peine sera la réclusion à perpétuité; 2° dans les cas visés aux articles 398, 399, 405 et 405bis, 1° à 3°, le maximum de la peine d'emprisonnement portée par ces articles sera doublé avec un maximum de cinq ans et le maximum de la peine d'amende sera doublé avec un maximum de cinq cents euros ; 2° dans les cas visés aux articles 398, 399, 405 et 405bis, 1° à 3°, le maximum de la peine d'emprisonnement portée par ces articles sera doublé avec un maximum de cinq ans et le maximum de la peine d'amende sera doublé avec un maximum de cinq cents euros ; 3° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 1er, 402 et 405bis, 4°, la peine sera la réclusion de cinq ans à dix ans ; 3° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 1er, 402 et 405bis, 4°, la peine sera la réclusion de cinq ans à dix ans ; 4° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 2, 401, alinéa 1er, 403, 405bis, 5° et 9°, la peine sera la réclusion de dix ans à quinze ans ; 4° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 2, 401, alinéa 1er, 403, 405bis, 5° et 9°, la peine sera la réclusion de dix ans à quinze ans ; 2774/001 DOC 55 230 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 5° dans les cas visés aux articles 401, alinéa 2, 405bis, 6°, 7° et 10°, la peine sera la réclusion de quinze ans à vingt ans ; 5° dans les cas visés aux articles 401, alinéa 2, 405bis, 6°, 7° et 10°, la peine sera la réclusion de quinze ans à vingt ans ; 6° dans les cas visés aux articles 404, 405bis, 8° et 11°, la peine sera la réclusion de vingt ans à trente ans. 6° dans les cas visés aux articles 404, 405bis, 8° et 11°, la peine sera la réclusion de vingt ans à trente ans. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Article 422quater Article 422quater Dans les cas prévus par les articles 422bis et 422ter, le minimum des peines correctionnelles portées par ces articles peut être doublé, lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par les articles 422bis et 422ter, le minimum des peines correctionnelles portées par ces articles peut être doublé, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 438bis Art. 438bis 231 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Dans les cas prévus par le présent chapitre, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles et augmenté de deux ans s'il s'agit de la réclusion, lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par le présent chapitre, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles et augmenté de deux ans s'il s'agit de la réclusion, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 442/1 Art. 442/1 § 1er. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de vingt-six euros à cent euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui, soit sans ordre de l'autorité, soit sans autorisation d'une personne possédant un titre ou un droit qui donne accès au bien concerné ou qui permet de l'utiliser ou de séjourner dans le bien et hors les cas où la loi l'autorise, aura pénétré dans la maison, l'appartement, la chambre ou le logement non habité d'autrui, ou leurs dépendances ou tout autre local ou le bien meuble non habité d'autrui pouvant ou non servir de logement, soit l'occupera, soit y séjournera de quelque façon que ce soit, sans être soi-même détenteur du droit ou du titre précité. § 1er. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de vingt-six euros à cent euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui, soit sans ordre de l'autorité, soit sans autorisation d'une personne possédant un titre ou un droit qui donne accès au bien concerné ou qui permet de l'utiliser ou de séjourner dans le bien et hors les cas où la loi l'autorise, aura pénétré dans la maison, l'appartement, la chambre ou le logement non habité d'autrui, ou leurs dépendances ou tout autre local ou le bien meuble non habité d'autrui pouvant ou non servir de logement, soit l'occupera, soit y séjournera de quelque façon que ce soit, sans être soi-même détenteur du droit ou du titre précité. 2774/001 DOC 55 232 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à deux cents euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui, dans le délai fixé, ne donnera pas suite à l'ordonnance d'évacuation visée à l'article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui ou à l'expulsion visée à l'article 1344decies du Code judiciaire. § 3. Le délit visé au paragraphe 1er ne pourra être poursuivi que sur la plainte d'une personne possédant un titre ou un droit sur le bien concerné. § 2. Sera puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à deux cents euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui, dans le délai fixé, ne donnera pas suite à l’ordonnance d’évacuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, rétabli par la loi du …, ou à l'expulsion visée à l'article 1344decies du Code judiciaire. § 3. Le délit visé au paragraphe 1er ne pourra être poursuivi que sur la plainte d'une personne possédant un titre ou un droit sur le bien concerné. Art. 442ter Art. 442ter Dans les cas prévus par l'article 442bis, le minimum des peines correctionnelles portées par cette article peut être doublé, lorsqu'un des mobiles du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par l'article 442bis, le minimum des peines correctionnelles portées par cette article peut être doublé, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 453bis Art. 453bis 233 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Dans les cas prévus par le présent chapitre, le minimum des peines correctionnelles portées par ces articles peut être doublé, lorsqu'un des mobiles du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par le présent chapitre, le minimum des peines correctionnelles portées par ces articles peut être doublé, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 514bis Art. 514bis Dans les cas prévus par les articles 510 à 514, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles et augmenté de deux ans s'il s'agit de la réclusion, lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par les articles 510 à 514, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles et augmenté de deux ans s'il s'agit de la réclusion, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction 2774/001 DOC 55 234 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 525bis Art. 525bis Dans les cas prévus par les articles 521 à 525, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par les articles 521 à 525, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. 235 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 532bis Art. 532bis Dans les cas prévus par les articles 528 à 532, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. Dans les cas prévus par les articles 528 à 532, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Art. 534quater Art. 534quater Dans les cas prévus par les articles 534bis et 534ter, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, Dans les cas prévus par les articles 534bis et 534ter, le minimum des peines portées par ces articles peut être doublé s'il s'agit de peines correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de l’allaitement, de la procréation médicalement assistée, de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe, de son identité de genre, de son expression de genre, de ses 2774/001 DOC 55 236 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine sociale. caractéristiques sexuelles, de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé, d'un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d'une caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente de manière effective ou seulement supposée par l’auteur. Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent. Modifications du Code Judiciaire Art. 555/13, §2 Art. 555/13, §2 § 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire une dispense de la condition de cinq ans d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour les spécialités qui ne peuvent être exercées que dans le cadre d'une expertise judiciaire. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur- interprète jure qui, avant le 1er décembre 2016, a exercé durant une période ininterrompue de quinze ans l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et qui s'est suffisamment recyclé durant cette période. § 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire une dispense de la condition de cinq ans d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour les spécialités qui ne peuvent être exercées que dans le cadre d'une expertise judiciaire. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dispense, a exercé l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s'est suffisamment formé durant cette période. Art. 1344octies Art. 1344octies Tout détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien occupé peut introduire, par requête contradictoire ou, en cas d'absolue nécessité, par requête unilatérale déposée au greffe de la justice de paix, une demande d'expulsion de lieux occupés sans droit ni titre. Tout détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien occupé peut introduire, par requête contradictoire ou, en cas d'absolue nécessité découlant du fait que malgré les tentatives du requérant en ce sens, il ne lui a pas été possible de déterminer l’identité d’aucun des occupants du bien, par requête unilatérale déposée au greffe de la justice de paix, une demande d'expulsion de lieux occupés sans droit ni titre. 237 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E La requête contient à peine de nullité : 1. l'indication des jour, mois et an; 2. les nom, prénom et domicile du requérant et, le cas échéant, son numéro de registre national ou numéro d'entreprise; 3. sauf en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, les nom, prénom et domicile ou, à défaut de domicile, la résidence de la personne contre laquelle la demande est introduite; 4. l'objet et l'exposé sommaire des moyens de la demande; 5. la signature du requérant ou de son avocat ou, en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, la signature de l'avocat. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, un certificat de domicile de la personne visée à l'alinéa 2, sous le 3 est annexé à la requête. Ce certificat est délivré par l'administration communale. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, les parties ou, en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, la partie demanderesse sont convoquées par le greffier, sous pli judiciaire, à comparaître, respectivement dans les huit jours ou dans les deux jours de l'inscription de la requête au rôle général, à l'audience fixée par le juge, sans préjudice de sa possibilité de réduire les délais à la demande d'un avocat ou d'un huissier de justice. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, une copie de la requête est annexée à la convocation. Lorsque les parties comparaissent, le juge tente de concilier les parties. Le juge de paix peut retenir l'affaire à l'audience d'introduction ou la remettre pour qu'elle soit plaidée à une date rapprochée, en fixant la durée des débats. Le jugement indique que les parties n'ont pu être conciliées. Par dérogation à l'article 747, en cas d'introduction de la demande d'expulsion par une requête contradictoire, les délais pour conclure sont fixés d'office et à une date rapprochée par le juge de paix à l'audience La requête contient à peine de nullité : 1. l'indication des jour, mois et an; 2. les nom, prénom et domicile du requérant et, le cas échéant, son numéro de registre national ou numéro d'entreprise; 3. sauf en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, les nom, prénom et domicile ou, à défaut de domicile, la résidence de la personne contre laquelle la demande est introduite; 4. l'objet et l'exposé sommaire des moyens de la demande; 5. la signature du requérant ou de son avocat ou, en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, la signature de l'avocat. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, un certificat de domicile de la personne visée à l'alinéa 2, sous le 3 est annexé à la requête. Ce certificat est délivré par l'administration communale. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, les parties ou, en cas d'introduction de la demande par une requête unilatérale, la partie demanderesse sont convoquées par le greffier, sous pli judiciaire, à comparaître, respectivement dans les huit jours ou dans les deux jours de l'inscription de la requête au rôle général, à l'audience fixée par le juge, sans préjudice de sa possibilité de réduire les délais à la demande d'un avocat ou d'un huissier de justice. En cas d'introduction de la demande par une requête contradictoire, une copie de la requête est annexée à la convocation. Lorsque les parties comparaissent, le juge tente de concilier les parties. Le juge de paix peut retenir l'affaire à l'audience d'introduction ou la remettre pour qu'elle soit plaidée à une date rapprochée, en fixant la durée des débats. Le jugement indique que les parties n'ont pu être conciliées. Par dérogation à l'article 747, en cas d'introduction de la demande d'expulsion par une requête contradictoire, les délais pour conclure sont fixés d'office et à une date rapprochée par le juge de paix à l'audience 2774/001 DOC 55 238 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E d'introduction. Les parties font valoir leurs observations au plus tard à l'audience d'introduction. d'introduction. Les parties font valoir leurs observations au plus tard à l'audience d'introduction. Article 1727, § 2 à 4 Article 1727, § 2 à 4 § 2. Les missions de la Commission sont les suivantes: 1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent ou retirer cet agrément; 2° déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrément; 3° agréer les médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation; 4° décider de l'inscription sur la liste des médiateurs établis dans un pays membre ou non membre de l'Union européenne, qui ont été agréés par une instance habilitée à cet effet dans ce pays; 5° établir un code de déontologie; 6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs ou des organismes qui dispensent les formations, donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs et imposer des sanctions à l'encontre des médiateurs qui ne satisferaient plus aux conditions prévues à l'article 1726 ou aux dispositions du code de déontologie établi par la Commission; 7° publier périodiquement au Moniteur belge l'ensemble des décisions réglementaires de la Commission; 8° déterminer la procédure de sanction à l'égard des médiateurs; 9° rendre des avis motivés au ministre de la Justice sur les conditions auxquelles une association de médiateurs doit répondre pour pouvoir être représentative; 10° dresser et diffuser la liste des médiateurs auprès des cours et tribunaux, des autorités § 2. Les missions de la Commission sont les suivantes: 1° agréer les organes de formation des médiateurs et les formations qu'ils organisent ou retirer cet agrément; 2° déterminer les programmes minimaux de formation théorique et pratique devant être suivis ainsi que les évaluations en vue de la délivrance d'un agrément et la procédure d'agrémen par les candidats médiateurs et devant faire l’objet d’une évaluation effective organisée par l’organe de formation ; 2°/1 déterminer les conditions et la procédure d'agrément des médiateurs ; 3° agréer les médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation ; 4° décider de l'inscription sur la liste des médiateurs établis dans un pays membre ou non membre de l'Union européenne, qui ont été agréés par une instance habilitée à cet effet dans ce pays; 5° établir un code de déontologie ; 6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs ou des organismes qui dispensent les formations, donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs et imposer des sanctions à l'encontre des médiateurs qui ne satisferaient plus aux conditions prévues à l'article 1726 ou aux dispositions du code de déontologie établi par la Commission; 7° publier périodiquement au Moniteur belge l'ensemble des décisions réglementaires de la Commission; 8° déterminer la procédure de sanction à l'égard des médiateurs; 9° rendre des avis motivés au ministre de la Justice sur les conditions auxquelles une association de médiateurs doit répondre pour pouvoir être représentative; 10° dresser la liste des médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique de la médiation et la diffuser auprès des cours et 239 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E fédérales, communautaires et régionales et des pouvoirs locaux; 11° informer le public des possibilités offertes par la médiation; 12° prendre toutes les mesures nécessaires pour promouvoir le bon exercice de la médiation, et en particulier examiner et soutenir de nouvelles méthodes et pratiques de médiation et d'autres modes de résolution des litiges; 13° rédiger et publier, sur son site internet, un rapport annuel portant sur l'exécution de ses missions légales comme prévu à l'article 1727/1, alinéa 5; 14° veiller à la bonne organisation de son bureau et de ses commissions. tribunaux, des autorités fédérales, communautaires et régionales et des pouvoirs locaux; 11° informer le public des possibilités offertes par la médiation; 12° prendre toutes les mesures nécessaires pour promouvoir le bon exercice de la médiation, et en particulier examiner et soutenir de nouvelles méthodes et pratiques de médiation et d'autres modes de résolution des litiges; 13° rédiger et publier, sur son site internet, un rapport annuel portant sur l'exécution de ses missions légales comme prévu à l'article 1727/1, alinéa 5; 14° veiller à la bonne organisation de son bureau et de ses commissions. § 3. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice- présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées. Le président du bureau est également président de la commission fédérale de médiation. § 3. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président et un vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, ces fonctions étant attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. L’assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences et vice-présidences soit équivalente en nombre de mois. Ces fonctions sont attribuées alternativement à un francophone et un néerlandophone. La présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par des médiateurs qui n'exercent aucune des professions précitées. Le président du bureau est également président de la commission fédérale de médiation. § 4. Le bureau soumet des propositions à l'assemblée générale dans les matières visées à l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°. Le bureau approuve les décisions ou avis émis par la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et par la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente en vertu de l'article 1727/4, § 3. § 4. Le bureau soumet des propositions à l'assemblée générale dans les matières visées à l’article 1727, § 2, 8°, 9°, 9°, 10°, 11° et 12°. Le bureau approuve les décisions ou avis émis par la commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et par la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation permanente en vertu de l'article 1727/4, § 3. 2774/001 DOC 55 240 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Le bureau coordonne les activités de la Commission, veille à l'exécution des décisions prises par ses organes notamment celles visées à l'article 1727, § 2, 6°, et est chargé de la gestion journalière. Il prépare également le rapport annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et le soumet à l'assemblée générale pour approbation. Le bureau coordonne les activités de la Commission, veille à l'exécution des décisions prises par ses organes notamment celles visées à l'article 1727, § 2, 6°, 7°, et est chargé de la gestion journalière. Il prépare également le rapport annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et le soumet à l'assemblée générale pour approbation. Article 1727/4, § 1er Article 1727/4, § 1er § 1er. La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue sont chacune composées de cinq membres, un président, deux membres effectifs, et deux membres suppléants. À l'exception du président, chaque commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant. En cas d'absence du président, un autre membre du bureau, du même groupe linguistique, le remplace. Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. § 1er. La commission pour l'agrément des médiateurs belges et étrangers et la commission pour l'agrément des formations et le suivi de la formation continue sont chacune composées de cinq membres, un président, deux membres effectifs, et deux membres suppléants. À l'exception du président, chaque commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. Pour chaque membre effectif, il est désigné un membre suppléant. En cas d'absence du président, un autre membre du bureau, du même groupe linguistique, le remplace. Les membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Ces membres sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un membre par la démission du membre ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La personne nommée en remplacement doit être choisie par le bureau sur la liste visée à l’alinéa 241 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Ces membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président pour chaque commission, cette fonction étant attribuée alternativement à un francophone et un néerlandophone. 3. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois. Ces membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la base de la présentation d'une liste rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence, contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau un président pour chaque commission. L’assemblée générale veille au moment de la désignation à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone. L'assemblée générale désigne parmi les membres du bureau et pour une période de deux ans un président pour chaque commission, cette fonction étant attribuée alternativement à un francophone et un néerlandophone. Article 1727/5 Article 1727/5 § 1er. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est composée de 5 membres, un président, quatre assesseurs effectifs, et de deux assesseurs suppléants. À l'exception du président, la commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. La commission se compose d'un collège francophone et d'un collège néerlandophone, composés chacun de deux assesseurs effectifs, et du président. La commission est présidée par un membre du bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans § 1er. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est composée de 5 membres, un président, quatre assesseurs effectifs, et de deux assesseurs suppléants. À l'exception du président, la commission comporte autant de membres d'expression française que de membres d'expression néerlandaise. La commission se compose d'un collège francophone et d'un collège néerlandophone, composés chacun de deux assesseurs effectifs, et du président. La commission est présidée par un membre du bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans 2774/001 DOC 55 242 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E une autre commission permanente ou spéciale. Le bureau désigne le président pour une période de deux ans. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone. Le président justifie d'une connaissance suffisante de l'autre langue nationale. Au moins un membre du collège francophone ou du collège néerlandophone doit justifier de la connaissance de l'allemand. Les assesseurs, qui ne peuvent pas être membres de la commission fédérale de médiation, sont présentés par l'assemblée générale et nommés par le ministre de la Justice par décision motivée. La présentation est motivée sur la base de leur expertise en droit disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. une autre commission permanente ou spéciale. Le bureau désigne le président pour une période de deux ans. et veille, au moment de la désignation, à ce que la durée des présidences soit équivalente en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alternativement à un francophone et à un néerlandophone. Le président justifie d'une connaissance suffisante de l'autre langue nationale. Au moins un membre du collège francophone ou du collège néerlandophone doit justifier de la connaissance de l'allemand. Les assesseurs, qui ne peuvent pas être membres de la commission fédérale de médiation, sont présentés par l'assemblée générale et nommés par le ministre de la Justice par décision motivée. La présentation est motivée sur la base de leur expertise en droit disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe les modalités de la publication des vacances, du dépôt des candidatures, de la présentation des membres ainsi que les critères requis pour poser sa candidature. § 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu'une seule fois. Il peut être mis fin prématurément au mandat d'un assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un premier mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement peut être renouvelé deux fois. § 2. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes, par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone, est chargée de la discipline des médiateurs en vertu de l'article 1727, § 2, 5°, et du traitement des plaintes contre les médiateurs et contre les organismes qui dispensent des formations en médiation et de donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs. Le choix du collège, francophone ou néerlandophone, est effectué par le médiateur ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure. § 2. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes, par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone, est chargée de la discipline des médiateurs en vertu de l'article 1727, § 2, 5° 6°, et du traitement des plaintes contre les médiateurs et contre les organismes qui dispensent des formations en médiation et de donner des avis en cas de contestation des honoraires des médiateurs. Le choix du collège, francophone ou néerlandophone, est effectué par le médiateur ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure. 243 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est également chargée de faire des propositions en vertu de l'article 1727, § 2, 7° et 10°, qui sont soumises, pour approbation, à l'assemblée générale. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes est également chargée de faire des propositions en vertu de l’article 1727, § 2, 7° et 10°, 5° et 8°, qui sont soumises, pour approbation, à l'assemblée générale. § 3. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes établit son règlement de procédure. Le règlement est validé par l'assemblée générale. Une fois approuvé par l'Assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission. § 3. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes établit son règlement de procédure. Le règlement est validé par l'assemblée générale. Une fois approuvé par l'Assemblée générale, ce règlement est publié sur le site internet de la Commission. § 4. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone peut imposer les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur agréé: – l'avertissement; – la réprimande; – l'obligation d'accomplir un stage pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes; – l'obligation d'exercer sa profession exclusivement en co-médiation pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes; – la suspension pour une période qui ne peut excéder un an; – le retrait de l'agrément. § 4. La commission disciplinaire et de traitement des plaintes par l'intermédiaire du collège néerlandophone ou francophone peut imposer les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur agréé: – l'avertissement; – la réprimande; – l'obligation d'accomplir un stage pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes; – l'obligation d'exercer sa profession exclusivement en co-médiation pendant la durée et selon les modalités fixées par la commission disciplinaire et de traitement des plaintes; – la suspension pour une période qui ne peut excéder un an; – le retrait de l'agrément. § 5. Chaque année, la commission disciplinaire et de traitement des plaintes fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier la procédure disciplinaire ou le traitement des plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice. § 5. Chaque année, la commission disciplinaire et de traitement des plaintes fait un rapport sur l'exécution de ses missions au cours de l'année écoulée. Ce rapport contient des suggestions relatives à l'opportunité de modifier la procédure disciplinaire ou le traitement des plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce rapport est communiqué au ministre de la Justice. Article 1734, §1er/1 Article 1734, §1er/1 § 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties, leur avocat, peuvent demander conjointement au juge de désigner le médiateur ou les médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à cette demande, sauf si le médiateur ou les médiateurs proposés par les parties ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 1726. Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de § 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties, leur avocat, peuvent demander conjointement au juge de désigner le médiateur ou les médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à cette demande, sauf si le médiateur ou les médiateurs proposés par les parties ne satisfont pas aux conditions visées à l'article 1726. Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de 2774/001 DOC 55 244 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E préférence à tour de rôle, un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727 sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Dans la mesure du possible, le juge choisit un médiateur établi à proximité du domicile des parties. préférence à tour de rôle, un médiateur ou des médiateurs agréés selon l'article 1727, de préférence sur la base d'une liste de tous les médiateurs établie par la Commission fédérale de médiation. Dans la mesure du possible, le juge choisit un médiateur établi à proximité du domicile des parties. Le juge choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la nature du différend entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à proximité du domicile des parties. Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques Article 8, § 6 Article 8, § 6 Dans le cadre de l'exécution de leurs missions de police administrative et judiciaire, les services de police tels que définis à l'article 2, 2°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, sont dispensés d'une autorisation préalable. Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de police qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique le numéro de Registre national à des personnes non habilitées à le recevoir ou qui fait usage de ce numéro à des fins autres que l'exercice de missions de police administrative et judiciaire telles que visées aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3. Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, Dans le cadre de l'exécution de leurs missions de police administrative et judiciaire, les services de police tels que définis à l'article 2, 2°, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, sont dispensés d'une autorisation préalable. Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de police qui, en violation de l'obligation de confidentialité, communique le numéro de Registre national à des personnes non habilitées à le recevoir ou qui fait usage de ce numéro à des fins autres que l'exercice de missions de police administrative et judiciaire telles que visées aux articles 14 et 15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3. Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa 1er, tout membre des services de justice qui, en violation de l'obligation de confidentialité, 245 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E communique des informations obtenues du Registre national à des personnes non habilitées à les recevoir ou qui fait usage de ces données à des fins autres que l'exercice de ses missions légales. communique des informations obtenues du le numéro de Registre national à des personnes non habilitées à les le recevoir ou qui fait usage de ces données ce numéro à des fins autres que l'exercice de ses missions légales. Modifications du Code de la nationalité belge Article 10 Article 10 Est Belge, l'enfant né en Belgique et qui, à un moment quelconque avant l'âge de dix-huit ans ou l'émancipation antérieure à cet âge, serait apatride s'il n'avait cette nationalité. Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si l'enfant peut obtenir une autre nationalité moyennant l'accomplissement par son ou ses représentants légaux d'une démarche administrative auprès des autorités diplomatiques ou consulaires du pays de ses auteurs ou de l'un de ceux-ci. L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en Belgique. L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du présent article conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère. § 1er. Est Belge, l'enfant né en Belgique et qui, à un moment quelconque avant l'âge de dix-huit ans ou l'émancipation antérieure à cet âge, serait apatride s'il n'avait cette nationalité ne possède aucune autre nationalité. Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si l'enfant peut obtenir une autre nationalité moyennant l'accomplissement par son ou ses représentants légaux d'une démarche administrative auprès des autorités diplomatiques ou consulaires du pays de ses auteurs ou de l'un de ceux-ci. Le représentant légal de l’enfant transmet à l’Officier de l’état civil du lieu de naissance de l’enfant toutes les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur l’absence de nationalité de l’enfant, l’Officier de l’état civil demande l’avis du Procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet copie du dossier. L’avis est rendu à bref délai par le Procureur du Roi. § 2. L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en Belgique. § 3. L'enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du présent article conserve cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi, avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède une nationalité étrangère. Article 24bis Article 24bis Le Ministre de la Justice arrête les directives concernant les modalités selon lesquelles le parquet près le Tribunal de première instance mène l'enquête en vue de la présentation d'un avis tel que prévu dans la présente loi, après consultation du Collège des procureurs Le Ministre de la Justice arrête Le Collège des procureurs généraux peut arrêter les directives concernant les modalités selon lesquelles le parquet près le Tribunal de première instance mène l'enquête en vue de la présentation d'un avis tel que prévu dans la présente loi, après 2774/001 DOC 55 246 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E généraux. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public. Pour les missions qui doivent être accomplies afin de permettre au procureur du Roi d'émettre les avis requis, les services de police sont soumis à l'autorité de celui-ci. Le Collège des procureurs généraux exerce le contrôle sur les modalités selon lesquelles les parquets exécutent les missions définies dans la présente loi. consultation du Collège des procureurs généraux. Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public. Pour les missions qui doivent être accomplies afin de permettre au procureur du Roi d'émettre les avis requis, les services de police sont soumis à l'autorité de celui-ci. Le Collège des procureurs généraux exerce le contrôle sur les modalités selon lesquelles les parquets exécutent les missions définies dans la présente loi. Chapitre Vter. - Compétence d'avis du Service public fédéral Justice Article 24ter § 1er. Une Autorité Centrale en matière de nationalité est créée au sein du Service Public Fédéral Justice. Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent des compétences au Procureur du Roi, l’Autorité Centrale en matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la demande de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la manière d’appliquer une ou plusieurs dispositions du présent Code. § 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente, transmet sa demande d’avis à l’Autorité Centrale en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose. L’Autorité Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, demander des documents ou des actes complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet sur- le-champ à l’Autorité Centrale en matière de nationalité. § 3. L’Autorité Centrale en matière de nationalité rend un avis dans un délai de six mois à partir de la réception de l’ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois par l’Autorité Centrale en matière de nationalité. 247 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 4. L’Autorité Centrale en matière de nationalité porte l'avis à la connaissance de l'officier de l'état civil ou du détenteur du registre de la population, du registre des étrangers ou du registre d'attente qui l'a demandé. Modifications du Code civil Chapitre 6. Preuve de la qualité d’héritier Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale Art. 4.59. Actes ou certificats d’hérédité Art. 4.59. Actes ou certificats d’hérédité § 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère les avoirs d'un défunt de manière libératoire à condition que cela ait été fait, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par un certificat ou un acte d'hérédité, soit à ou sur instruction d'un mandataire judiciaire, après présentation: § 1er. Toute personne appelée à la succession en tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d’hérédité. a) d'un certificat d'hérédité rédigé par le bureau compétent de l'Administration générale de la documentation patrimoniale; ou Le conjoint survivant peut, par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité, prouver quels droits il acquiert en vertu de son régime matrimonial suite à la dissolution de celui-ci par le décès, même si l’acte ou le certificat n’indique pas la dévolution de la succession de son conjoint défunt. b) d'un certificat ou d'un acte d'hérédité rédigé par un notaire. Un exécuteur testamentaire et un administrateur judiciaire de la succession peuvent prouver leurs pouvoirs d’administration ou de disposition à l’égard des biens de la succession par la présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité. Le certificat ou l'acte d'hérédité est délivré sur demande d'une partie intéressée en vue de la libération des avoirs visée à l'alinéa 1er. § 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi et délivré à la demande d’une ou plusieurs des personnes indiquées au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de leurs ayants droit. § 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er d'éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par un notaire. § 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au notaire. Dans les cas où la succession du défunt n'est pas exclusivement dévolue conformément aux dispositions du sous-titre 4, en cas de présence d'héritiers ou successibles incapables ou s'il est question de dispositions de dernière volonté, d'un pacte successoral, d'une institution contractuelle ou d'une convention matrimoniale dans le chef du défunt, seul le notaire est Si la succession du défunt est exclusivement dévolue conformément aux dispositions du sous-titre 4, s’il n’y a pas d’héritiers ou successibles incapables et s’il n’est pas question de dispositions de dernière volonté, d'un pacte successoral, d'une institution contractuelle ou d'une convention matrimoniale dans le chef du défunt, un acte ou un certificat d'hérédité peut également être établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compétent de 2774/001 DOC 55 248 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E autorisé à délivrer un acte ou un certificat d'hérédité. l’Administration générale de la documentation patrimoniale. § 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité mentionnent clairement qui sont les héritiers et les successibles qui peuvent prétendre aux avoirs du défunt, avec mention des données d'identification suivantes: nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès. Le notaire ou le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit ses actes et certificats d’hérédité dans le registre central successoral conformément à l’article 4.126. Le cas échéant, l'acte ou le certificat d'hérédité mentionne le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises. § 3. Tout acte et tout certificat d'hérédité mentionnent les données d'identification suivantes : § 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser toute remise de certificat ou d'acte d'hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de désigner les héritiers ou les successibles avec certitude. 1° du défunt : ses nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et date de décès ; le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ; § 6. L'acte ou le certificat d'hérédité établi conformément aux paragraphes 3 à 5, emporte la preuve, à l'égard des tiers de bonne foi, de leur qualité d'héritiers ou de successibles pour toutes les personnes qui y sont mentionnées comme telles. 2° la loi applicable à la succession. § 4. Dans la mesure requise par la loi, l’acte ou le certificat mentionne les données suivantes, pour autant qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées : 1° pour toutes les personnes mentionnées au paragraphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ; 2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er, alinéa 1er : si, et le cas échéant comment et quand ils ont exercé leur option héréditaire, l’étendue de leur part héréditaire, la description des biens qui leur reviennent, la nature de leurs droits et les restrictions à l’exercice de leurs droits en raison de leur incapacité, d’une mesure de protection ou d’une disposition testamentaire ; 249 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° le cas échéant, pour le conjoint survivant : les données relatives au mariage et au régime matrimonial, la description des biens qui lui reviennent, la nature de ses droits, et les restrictions à l’exercice de ses droits en raison de son incapacité, d’une mesure de protection ou d’une disposition testamentaire ; en outre, s’il a exercé une option quant aux droits mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences de celle-ci pour la transmission des biens ; 4° pour les légataires : s’ils ont et, le cas échéant quand et comment ils ont été mis en possession de leur legs, ou s’ils sont entrés en cette possession de plein droit ; 5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur judiciaire de la succession : l’étendue de ses pouvoirs et les données relatives à la disposition qui lui accorde ces pouvoirs. Lorsqu'un acte d’hérédité est établi en vue de plusieurs finalités, le notaire ou le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité déterminée. L’extrait mentionne toute l’information requise pour atteindre utilement la finalité envisagée. L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la libération des avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat distinct, soit faire l’objet d’un extrait conformément à l’alinéa 2, établi ou délivré exclusivement en vue de cette finalité et contenant les mentions exigées par la loi. Il ne contient les données des personnes mentionnées à l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant que ces personnes puissent prétendre à ces avoirs. Dans la mesure où un acte d’hérédité constate l’acquisition pour cause de mort de droits réels portant sur des immeubles, tels que visé à l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire ou le bureau compétent de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peut en délivrer un extrait littéral qui sera transcrit au bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale dans le ressort duquel les biens sont situés, de la manière et dans les délais prévus à l'article 3.31. 2774/001 DOC 55 250 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale peuvent refuser toute remise d'acte ou de certificat d'hérédité si les pièces présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les recherches effectuées ne leur permettent pas de constater avec certitude les données qui sont requises par le paragraphe 3 ou qui sont requises conformément au paragraphe 4 en raison des finalités pour lesquelles l’acte ou le certificat devrait être délivré. § 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui est mentionnée dans l’acte ou le certificat, et pouvoir exercer les droits et les pouvoirs qui y sont rattachés. Toute personne agissant de bonne foi sur la base de l’information mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité avec une personne désignée dans cet acte ou ce certificat, est censée agir avec une personne ayant la qualité mentionnée dans cet acte ou ce certificat. Sauf disposition légale contraire, le paiement des avoirs du défunt est libératoire s’il est fait par le débiteur de bonne foi, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par cet acte ou ce certificat d'hérédité comme étant celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction d'un mandataire judiciaire. Le respect des dispositions prévues au présent paragraphe n'exempte en aucun cas le débiteur d'éventuelles autres obligations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs. § 7. Le Roi peut, pour les actes d'hérédité établis par un fonctionnaire de l'Administration générale de la Documentation patrimoniale : 1° déterminer les formes matérielles de l'acte ; 2° déterminer les modalités relatives à la délivrance des expéditions et extraits de cet acte ; 3° déterminer les modalités relatives à la légalisation de l'acte ; 4° déterminer des modalités complémentaires nécessaires pour garantir l’immuabilité, la confidentialité et la conservation de l'acte ; 5° déterminer les formes matérielles et le contenu de chaque demande d’acte d’hérédité. Il peut prescrire l’utilisation de formulaires dont Il détermine le modèle et déterminer si la demande peut ou doit être présentée de 251 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E manière dématérialisée et les modalités de sa présentation. Les dispositions de l'alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s’appliquent également aux certificats d’hérédité établis par le bureau compétent de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale conformément au présent article. Le Roi peut déterminer que ces certificats peuvent ou doivent être délivrés de manière dématérialisée, ainsi que les modalités de leur délivrance. Art. 4.125. Finalités Art. 4.125. Finalités Le registre central successoral est une banque de données informatisée ayant comme finalité: Le registre central successoral est une banque de données informatisée ayant comme finalité: 1° de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, la consultation et la communication aux tiers, par la voie électronique, ou, le cas échéant, par la voie postale; 1° de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, la consultation et la communication aux tiers, par la voie électronique, ou, le cas échéant, par la voie postale; a) des informations relatives aux actes déterminant l'identité des personnes appelées à une succession ouverte; a) des informations relatives aux actes déterminant l'identité des personnes appelées à une succession ouverte; b) de l'identité des personnes ayant renoncé ou accepté une succession sous bénéfice d'inventaire; b) de l'identité des personnes ayant renoncé ou accepté une succession sous bénéfice d'inventaire; c) des mesures judiciaires prises relativement à l'administration d'une succession. c) des mesures judiciaires prises relativement à l'administration d'une succession. 1°/1 de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre, de constater la qualité d’héritier de manière automatisée, comme prévu à l’article 14, § 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant l’introduction de la Banque des actes notariés ; 2° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le registre central à des fins d'intérêt général, et en particulier à des fins statistiques et scientifiques, ou afin d'améliorer la qualité du registre. 2° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le registre central à des fins d'intérêt général, et en particulier à des fins statistiques et scientifiques, ou afin d'améliorer la qualité du registre. Art. 4.126. Actes à inscrire Art. 4.126. Actes à inscrire § 1er. Sont inscrits dans le registre central successoral: § 1er. Sont inscrits dans le registre central successoral: 2774/001 DOC 55 252 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° les actes et certificats d'hérédité qui sont établis par un notaire conformément à l'article 4.59; 1° les actes et certificats d'hérédité qui sont établis par un notaire conformément à l'article 4.59; 2° les certificats successoraux européens, qui sont établis conformément à l'article 68 du règlement n° 650/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compétence, la loi applicable, la reconnaissance et l'exécution des décisions, et l'acceptation et l'exécution des actes authentiques en matière de successions et à la création d'un certificat successoral européen, ainsi que les certificats successoraux européens qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du même règlement; 2° les certificats successoraux européens, qui sont établis conformément à l'article 68 du règlement n° 650/2012 du Parlement européen et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compétence, la loi applicable, la reconnaissance et l'exécution des décisions, et l'acceptation et l'exécution des actes authentiques en matière de successions et à la création d'un certificat successoral européen, ainsi que les certificats successoraux européens qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du même règlement; 3° les rectifications, modifications et retraits desdits certificats successoraux européens; 3° les rectifications, modifications et retraits desdits certificats successoraux européens; 4° les actes portant la déclaration de renonciation, qui sont établis conformément à l'article 4.44; 4° les actes portant la déclaration de renonciation, qui sont établis conformément à l'article 4.44; 5° les actes portant la déclaration d'un héritier qu'il entend ne prendre cette qualité que sous bénéfice d'inventaire, qui sont établis conformément à l'article 4.49; 5° les actes portant la déclaration d'un héritier qu'il entend ne prendre cette qualité que sous bénéfice d'inventaire, qui sont établis conformément à l'article 4.49; 6° les jugements et arrêts portant désignation d'un administrateur pour une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire conformément à l'article 4.54, ou d'un curateur à succession vacante conformément à l'article 4.58 et à l'article 1231 du Code judiciaire. 6° les jugements et arrêts portant désignation d'un administrateur pour une succession acceptée sous bénéfice d'inventaire conformément à l'article 4.54, ou d'un curateur à succession vacante conformément à l'article 4.58 et à l'article 1231 du Code judiciaire. § 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés au paragraphe 1er, 1°, 4° et 5°. L'inscription des certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un notaire, ainsi que les rectifications, les modifications, et les retraits desdits certificats successoraux européens, est effectuée également par le notaire. § 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés au paragraphe 1er, 1°, 4° et 5°. L'inscription des certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un notaire, ainsi que les rectifications, les modifications, et les retraits desdits certificats successoraux européens, est effectuée également par le notaire. Le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis. Le greffier de la juridiction qui a prononcé la décision, communique au registre central successoral les certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du règlement (UE) n° 650/2012 précité. Le greffier de la juridiction qui a prononcé la décision, communique au registre central successoral les certificats successoraux européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par l'autorité judiciaire compétente conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du règlement (UE) n° 650/2012 précité. 253 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 4.127. Données à inscrire Art. 4.127. Données à inscrire § 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au moment de l'inscription: § 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au moment de l'inscription: 1° du défunt: 1° du défunt: a) les nom et prénom(s); a) les nom et prénom(s); b) le numéro de registre national; b) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ; c) le lieu et la date de naissance; c) le lieu et la date de naissance; d) le domicile ou la résidence habituelle; d) le domicile ou la résidence habituelle; e) le lieu et la date du décès; e) le lieu et la date du décès; 1°/1 des héritiers : a) les nom et prénom(s) ; b) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ; 2° du déclarant, en cas d'enregistrement d'une inscription conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49: 2° du déclarant, en cas d'enregistrement d'une inscription conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49: a) les nom et prénom(s) dans le cas d'une personne physique, ou, le nom ou la dénomination, dans le cas d'une personne morale; a) les nom et prénom(s) dans le cas d'une personne physique, ou, le nom ou la dénomination, dans le cas d'une personne morale; b) la forme juridique dans le cas d'une personne morale; b) la forme juridique dans le cas d'une personne morale; c) le numéro de registre national ou, le cas échéant, le numéro d'entreprise; c) le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou, le cas échéant, le numéro d'entreprise; d) la date et le lieu de naissance dans le cas d'une personne physique; d) la date et le lieu de naissance dans le cas d'une personne physique; e) l'élection de domicile en cas d'une déclaration conformément à l'article 4.49; e) l'élection de domicile en cas d'une déclaration conformément à l'article 4.49; 3° du curateur ou de l'administrateur de la succession désigné, en cas d'inscription d'un jugement ou d'un arrêt de désignation conformément aux articles 4.54 et 4.58: 3° du curateur ou de l'administrateur de la succession désigné, en cas d'inscription d'un jugement ou d'un arrêt de désignation conformément aux articles 4.54 et 4.58: a) les nom et prénom(s); a) les nom et prénom(s); b) la fonction; b) la fonction; c) l'adresse professionnelle; c) l'adresse professionnelle; 4° la nature et la date de l'acte, du certificat ou du certificat successoral européen s'il a été établi par un notaire, avec indication de l'objet de la déclaration en cas d'inscription d'une déclaration conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49; 4° la nature et la date de l'acte, du certificat ou du certificat successoral européen s'il a été établi par un notaire ou par un bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale, avec indication de l'objet de la déclaration en cas d'inscription d'une 2774/001 DOC 55 254 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E déclaration conformément à l'article 4.44 ou à l'article 4.49; 5° la nature et la date de la décision portant le certificat successoral européen s'il a été établi par le tribunal ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur; 5° la nature et la date de la décision portant le certificat successoral européen s'il a été établi par le tribunal ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur; 6° l'identification du notaire qui a passé l'acte ou qui a établi le certificat ou le certificat successoral européen, de la juridiction qui a établi le certificat successoral européen ou de la juridiction qui a rendu l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur; 6° l'identification du notaire qui a passé l'acte ou qui a établi le certificat ou le certificat successoral européen, du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat hérédité, de la juridiction qui a établi le certificat successoral européen, ou de la juridiction qui a rendu l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur; 7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte ou du certificat successoral européen, telle que visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat; et à défaut le numéro de répertoire, ou, pour les certificats d'hérédité, la référence de l'étude; 7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte ou du certificat successoral européen, telle que visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat; et à défaut le numéro de répertoire, ou, pour les certificats d'hérédité, la référence de l'étude du notaire ou du bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale ; 8° le cas échéant, la référence selon le standard ECLI (European Case Law identifier) de la décision portant le certificat successoral européen ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur et à défaut, le numéro de rôle général du jugement ou de l'arrêt. 8° le cas échéant, la référence selon le standard ECLI (European Case Law identifier) de la décision portant le certificat successoral européen ou de l'ordonnance de désignation d'un curateur ou d'un administrateur et à défaut, le numéro de rôle général du jugement ou de l'arrêt. § 2. Le registre central successoral tient lieu de source authentique des données qui y sont inscrites. § 2. Le registre central successoral tient lieu de source authentique des données qui y sont inscrites. Art. 4.128. Frais d’inscription Art. 4.128. Frais d’inscription et mention au Moniteur belge Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription dans le registre. Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription dans le registre et les modalités et les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations d’acceptation sous bénéfice d’inventaire. Art. 4.131. Consultation Art. 4.131. Consultation § 1er. Les données figurant dans le registre central successoral sont accessibles: § 1er. A l’exception des données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1, les données figurant dans le registre central successoral sont accessibles: 1° aux notaires, aux huissiers de justice, aux avocats, aux greffiers et aux magistrats dans les juridictions, dans le cadre de l'exercice de leur fonction; 1° aux notaires, aux huissiers de justice, aux avocats, aux greffiers et aux magistrats dans les juridictions, dans le cadre de l'exercice de leur fonction; 255 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° aux autorités publiques, aux organismes d'intérêt public, si la prise de connaissance est nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales; 2° aux autorités publiques, aux organismes d'intérêt public, si la prise de connaissance est nécessaire à l'accomplissement de leurs missions légales; 3° à toute personne, pour autant qu'elle puisse justifier un intérêt actuel et légitime. L'intérêt du demandeur est actuel et légitime lorsque ses droits et obligations actuels sont affectés par le décès du défunt ou par les options héréditaires des successibles. L'intérêt actuel et légitime est mentionné dans la demande de consultation. 3° à toute personne, pour autant qu'elle puisse justifier un intérêt actuel et légitime. L'intérêt du demandeur est actuel et légitime lorsque ses droits et obligations actuels sont affectés par le décès du défunt ou par les options héréditaires des successibles. L'intérêt actuel et légitime est mentionné dans la demande de consultation. Les données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1, sont uniquement accessibles au gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit. § 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données inscrites dans le registre central successoral à d'autres personnes que celles qui y ont accès comme déterminé au paragraphe 1er. § 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données inscrites dans le registre central successoral à d'autres personnes que celles qui y ont accès comme déterminé au paragraphe 1er. Sans préjudice des dispositions légales visant à la protection des données à caractère personnel, quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 4.127, ou a connaissance de ces données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. Sans préjudice des dispositions légales visant à la protection des données à caractère personnel, quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'article 4.127, ou a connaissance de ces données, est tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal leur est applicable. L'article 458 du Code pénal leur est applicable. § 3. L'accès aux données du registre central successoral est gratuit. § 3. L'accès aux données du registre central successoral est gratuit. Le gestionnaire du registre peut autoriser la consultation en ligne pour les parties intéressées visées au paragraphe 1er qui en font la demande, dans les limites de leurs droits de consultation. Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais supplémentaires supportés par celui-ci dans l'exercice de cette mission seront facturés aux personnes ayant consulté le registre. Le gestionnaire du registre peut autoriser la consultation en ligne pour les parties intéressées visées au paragraphe 1er qui en font la demande, dans les limites de leurs droits de consultation. Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais supplémentaires supportés par celui-ci dans l'exercice de cette mission seront facturés aux personnes ayant consulté le registre. Art. 4.258. Survenance de nouveaux héritiers Art. 4.258. Survenance de nouveaux héritiers La survenance, postérieurement au pacte, de nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe descendante qui seraient appelés à la succession de leur propre chef est sans incidence sur la validité du pacte, mais celui-ci demeure sans effet à leur égard. La survenance, postérieurement au pacte, de nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe descendante qui seraient appelés à la succession de leur propre chef est sans incidence sur la validité du pacte, mais celui-ci demeure sans effet à leur égard. A l'égard des héritiers visés au paragraphe 1er, les donations visées dans le pacte sont, pour les A l'égard des héritiers visés à l’alinéa 1er, les donations visées dans le pacte sont, pour les 2774/001 DOC 55 256 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E besoins de la réduction et du rapport, présumées consenties conjointement à l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne directe descendante parties au pacte. besoins de la réduction et du rapport, présumées consenties conjointement à l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne directe descendante parties au pacte. Modifications du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Sous-section 2. - De la responsabilité et des obligations en matière d'établissement d'un acte ou d'un certificat d'hérédité visés à l'article 4.59 du Code civil Sous-section 2. - De la responsabilité et des obligations en matière d'établissement d'un acte ou d'un certificat d'hérédité visés à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil Art. 43, § 1er Art. 43, § 1er § 1er. Afin de garantir la perception des créances fiscales et non fiscales certaines et liquides et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 4.59 du Code civil sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des sommes dues à titre de créances fiscales et non fiscales par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, et qui sont susceptibles d'être notifiées conformément à l'article 44, s'ils n'en avisent pas: § 1er. Afin de garantir la perception des créances fiscales et non fiscales certaines et liquides et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des sommes dues à titre de créances fiscales et non fiscales par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, et qui sont susceptibles d'être notifiées conformément à l'article 44, s'ils n'en avisent pas: 1° le service en charge de la technologie de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 1° le service en charge de la technologie de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit ont leur résidence à l'étranger, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. 2° les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit ont leur résidence à l'étranger, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. S'agissant de sommes dues par le de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de sommes dues par le de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de sommes dues par des ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le S'agissant de sommes dues par des ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le 257 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. Art. 46, § 1er Art. 46, § 1er § 1er. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes notifiées en vertu de l'article 44, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59 du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens de l'article 44 n'a été faite. § 1er. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes notifiées en vertu de l'article 44, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens de l'article 44 n'a été faite. Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59 du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire, au bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire, au bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément à l'article 44 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ou a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément à l'article 44 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ou b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l'ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds. b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l'ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds. Art. 48 Art. 48 Les articles 43 à 47 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil. Les articles 43 à 47 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil. Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Art. 15/3 Art. 15/3 § 1er. Sans préjudice des mesures prévues à l'article 15/2, la commission, en cas d'infraction aux articles 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, § 1er. Sans préjudice des mesures prévues à l'article 15/2, la commission, en cas d'infraction aux articles 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 2774/001 DOC 55 258 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 43/4, 46, 54, 58, 60, 62 et aux conditions fixées à l'article 15/1, § 1er, impose aux auteurs une amende administrative. § 2. Les montants minimum et maximum de l'amende administrative correspondent respectivement aux montants minimum et maximum, majorés des décimes additionnels, de l'amende pénale prévue par la présente loi, qui sanctionne le même fait. L'importance de l'amende administrative est proportionnelle à la gravité de l'infraction qui justifie l'amende et à une éventuelle récidive. § 3. La commission fixe le montant de l'amende administrative par décision motivée. § 4. La notification de la décision fixant le montant de l'amende administrative éteint l'action publique. § 5. La décision d'infliger une amende administrative ne peut plus être prise cinq ans après le fait constitutif d'infractions fixées par la présente loi. 43/4, 46, 54, 58, 60, 61, alinéa 2, 62 et aux conditions fixées à l'article 15/1, § 1er, impose aux auteurs une amende administrative. § 2. Les montants minimum et maximum de l'amende administrative correspondent respectivement aux montants minimum et maximum, majorés des décimes additionnels, de l'amende pénale prévue par la présente loi, qui sanctionne le même fait. L'importance de l'amende administrative est proportionnelle à la gravité de l'infraction qui justifie l'amende et à une éventuelle récidive. § 3. La commission fixe le montant de l'amende administrative par décision motivée. § 4. La notification de la décision fixant le montant de l'amende administrative éteint l'action publique. § 5. La décision d'infliger une amende administrative ne peut plus être prise cinq ans après le fait constitutif d'infractions fixées par la présente loi. §6. La Commission peut convenir qu'il sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative, en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu infliger d’autres amendes administratives ou pénales pour infractions à la présente loi durant les trois années qui précèdent l’infraction. La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée. Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve de trois ans. Le délai d'épreuve commence à courir à partir de la date de la notification de la décision infligeant une amende administrative. Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une nouvelle infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle amende administrative est commise pendant le délai d’épreuve. 259 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E La révocation du sursis est notifiée par la même décision que celle qui inflige l'amende administrative pour cette nouvelle infraction. L'amende administrative dont le paiement devient exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction. Art. 52 Art. 52 Tout modèle de matériel ou d'appareil qui est importé ou fabriqué dans les limites et les conditions fixées par une licence de classe E en vue de son utilisation par un titulaire de licence visé par la présente loi, doit, en vue de sa mise en vente ou de son exposition sur le territoire belge, être agréé par la commission sur la base des contrôles exécutés par une des instances mentionnées au deuxième alinéa du présent article. Une attestation d'agrément est délivrée à titre de preuve. Les contrôles sur la base desquels cet agrément est délivré sont exécutés : - soit par le service Evaluations techniques de la Commission des Jeux de hasard; - soit par un organisme accrédité à cet effet dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 concernant l'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre Etat membre des Communautés européennes ou dans un autre pays qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen, sous le contrôle du service Evaluations techniques de la Commission des Jeux de hasard; Les contrôles lors de la mise en service et en cours d'utilisation sont également exécutés par une des instances visées au deuxième alinéa. Tout modèle de matériel ou d'appareil qui est importé ou fabriqué dans les limites et les conditions fixées par une licence de classe E en vue de son utilisation par un titulaire de licence visé par la présente loi, doit, en vue de sa mise en vente ou de son exposition sur le territoire belge, être agréé par la commission sur la base des contrôles exécutés par une des instances mentionnées au deuxième alinéa du présent article. Une attestation d'agrément est délivrée à titre de preuve. Les contrôles sur la base desquels cet agrément est délivré sont exécutés : - soit par le service Evaluations techniques de la Commission des Jeux de hasard; - soit par un organisme accrédité à cet effet dans le cadre du Titre 2 du Livre VIII, du Code de droit économique, sous le contrôle du service Evaluations techniques de la Commission des Jeux de hasard; Les contrôles lors de la mise en service et en cours d'utilisation sont également exécutés par une des instances visées au deuxième alinéa. Art. 55 Art. 55 Il est créé, auprès du service public fédéral Justice, un système de traitement des informations concernant les personnes visées à l'article 54. Les finalités de ce système sont: Il est créé, auprès du service public fédéral Justice, un système de traitement des informations concernant les personnes visées à l'article 54. La commission est responsable du traitement du système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er. Les finalités de ce système sont: 2774/001 DOC 55 260 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° de permettre à la commission des jeux de hasard d'exercer les missions qui lui sont attribuées par la présente loi; 2° de permettre aux exploitants et au personnel des établissements de jeux de hasard de contrôler le respect des exclusions visées à l'article 54. Pour chaque personne, les informations suivantes font l'objet d'un traitement: 1° les nom et prénoms; 2° le lieu et la date de naissance; 3° la nationalité; 4° le numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou, en l'absence de ce numéro, le numéro octroyé en vertu de l'arrêté royal du 8 février 1991 relatif à la composition et aux modalités d'attribution du numéro d'identification des personnes physiques qui ne sont pas inscrites au Registre national des personnes physiques; 5° la profession; 6° s'il échet, les décisions d'exclusion visées à l'article 54, § 3 et § 4 prononcée par la commission des jeux de hasard, la date et les fondements de cette décision. L'accès permanent en ligne à toutes les catégories d'informations mentionnées à l'alinéa 3 est accordé à la commission des jeux de hasard contre paiement d'une contribution. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis de la Commission de la protection de la vie privée le montant de la contribution visée à l'alinéa 4, les modalités de gestion du système de traitement des informations, les modalités de traitement des informations et les modalités d'accès au système. 1° de permettre à la commission des jeux de hasard d'exercer les missions qui lui sont attribuées par la présente loi; 2° de permettre aux exploitants et au personnel des établissements de jeux de hasard de contrôler le respect des exclusions visées à l'article 54. Pour chaque personne, les informations suivantes font l'objet d'un traitement: 1° les nom et prénoms; 2° le lieu et la date de naissance; 3° la nationalité; 4° le numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques ou, en l'absence de ce numéro, le numéro octroyé en vertu de l'arrêté royal du 8 février 1991 relatif à la composition et aux modalités d'attribution du numéro d'identification des personnes physiques qui ne sont pas inscrites au Registre national des personnes physiques; 5° la profession; 6° s'il échet, les décisions d'exclusion visées à l'article 54, § 3 et § 4 prononcée par la commission des jeux de hasard, la date et les fondements de cette décision. L'accès permanent en ligne à toutes les catégories d'informations mentionnées à l'alinéa 3 est accordé à la commission des jeux de hasard contre paiement d'une contribution. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis de l’Autorité de protection des données, le montant de la contribution visée à l'alinéa 4, les modalités de gestion du système de traitement des informations, les modalités de traitement des informations et les modalités d'accès au système. Art. 58 Art. 58 Hormis l'utilisation des cartes de crédit et des cartes de débit dans les établissements de jeux de hasard de classe I, il est interdit à quiconque de consentir aux joueurs ou aux parieurs toute forme de prêt ou de crédit, de conclure avec eux une transaction matérielle ou financière en vue de payer un enjeu ou une perte. Hormis l'utilisation des cartes de crédit et des cartes de débit dans les établissements de jeux de hasard de classe I, il est interdit à quiconque de consentir aux joueurs ou aux parieurs toute forme de prêt ou de crédit, de conclure avec eux une transaction matérielle ou financière en vue de payer un enjeu ou une perte. 261 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Une opération dont la somme s'élève à 10.000 euros ou plus doit être effectuée au moyen d'une carte de crédit ou d'une carte de débit. Le paiement au moyen de cartes de crédit est interdit dans les établissements de jeux de hasard des classes II, III et IV et pour les jeux de hasard exploités par le biais d'instruments de la société de l'information. Les exploitants des établissements de jeux de hasard sont tenus d'informer leur clientèle, de manière lisible et bien apparente, dans tous les locaux accessibles au public, de l'interdiction de consentir un crédit qui est prévue au premier alinéa. La présence de distributeurs automatiques de billets de banque est interdite dans les établissements de jeux de hasard des classes I, II, III et IV. La présence de changeurs de monnaie dans les établissements de jeux de hasard des classes I, II, III et IV est autorisée. Une opération dont la somme s'élève à 3.000 euros ou plus doit être effectuée au moyen d'une carte de crédit ou d'une carte de débit. Le paiement au moyen de cartes de crédit est interdit dans les établissements de jeux de hasard des classes II, III et IV et pour les jeux de hasard exploités par le biais d'instruments de la société de l'information. Les exploitants des établissements de jeux de hasard sont tenus d'informer leur clientèle, de manière lisible et bien apparente, dans tous les locaux accessibles au public, de l'interdiction de consentir un crédit qui est prévue au premier alinéa. La présence de distributeurs automatiques de billets de banque est interdite dans les établissements de jeux de hasard des classes I, II, III et IV. La présence de changeurs de monnaie dans les établissements de jeux de hasard des classes I, II, III et IV est autorisée. Art. 62 Art. 62 Complémentairement à ce qui est prévu à l'article 54, l'accès aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV n'est autorisé que sur présentation, par la personne concernée, d'un document d'identité et moyennant l'inscription, par l'exploitant, des nom complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et de l'adresse de cette personne dans un registre. Complémentairement à ce qui est prévu à l'article 54, l'accès aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV n'est autorisé que sur présentation, par la personne concernée, d'un document d'identité et moyennant l'inscription, par l'exploitant, des nom complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et de l'adresse de cette personne dans un registre. A chaque visite de la personne concernée, une photographie de cette personne est prise et conservée dans le registre. La finalité de ce registre est de permettre à la commission de vérifier a posteriori si les consultations du système de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV. Les données à caractère personnel inscrites dans le registre sont conservées pendant dix ans à dater de la dernière activité de jeu de la personne concernée. 2774/001 DOC 55 262 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E L'exploitant fait signer ce registre par la personne concernée. Une copie de la pièce ayant servi à l'identification du joueur doit être conservée pendant au moins cinq ans à dater de la dernière activité de jeu de celui-ci. Le Roi détermine les modalités pratiques d'admission et d'enregistrement des joueurs. Il arrête les conditions d'accès aux registres. L'absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce registre de même que sa non-communication aux autorités, son altération ou sa disparition peut entraîner le retrait de la licence de classe I, II ou de classe IV pour les établissements de jeux de hasard fixes par la commission. Le Roi détermine les modalités d'admission et d'enregistrement des joueurs pour la pratique de jeux de hasard via un réseau de communication électronique ainsi que les conditions que le registre doit remplir. L'exploitant fait signer ce registre par la personne concernée. Une copie de la pièce ayant servi à l'identification du joueur doit être conservée pour une durée de maximum dix ans à dater de la dernière activité de jeu de celui-ci. Le Roi détermine les modalités pratiques d'admission et d'enregistrement des joueurs. Il arrête les conditions d'accès aux registres. L'absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce registre de même que sa non-communication aux autorités, son altération ou sa disparition peut entraîner le retrait de la licence de classe I, II ou de classe IV pour les établissements de jeux de hasard fixes par la commission. Le Roi détermine les modalités d'admission et d'enregistrement des joueurs pour la pratique de jeux de hasard via un réseau de communication électronique ainsi que les conditions que le registre doit remplir. Art. 62/1 Art. 62/1 Toute violation des conditions prescrites à l'article 3ter sera punie d'une amende de cent euros à cent mille euros. Abrogé. Art. 64 Art. 64 Les auteurs des infractions aux dispositions des articles 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1 43/3, 43/4, 54, 60 et 62 seront punis d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de 26 francs à 25.000 francs ou d'une de ces peines. Les auteurs des infractions aux dispositions des articles 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1 43/3, 43/4, 54, 60, 61, alinéa 2 et 62 seront punis d'un emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une amende de 26 francs à 25.000 francs ou d'une de ces peines. Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux Art. 43 Art. 43 Aux fins du Titre III de la présente loi, les termes ci-après désignent : - " Tribunal " : le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé de juger les personnes présumées responsables Aux fins du Titre III de la présente loi, les termes ci-après désignent : - " Tribunal " : le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé de juger les personnes présumées responsables 263 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de violations graves du droit international humanitaire commises sur le territoire de l'ex- Yougoslavie depuis 1991, le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010; - " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808 (1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 827 (1993), le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010); - " Règlement " : le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995, le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012; - " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou de violations graves du droit international humanitaire commises sur le territoire de l'ex- Yougoslavie depuis 1991, le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international appelé à exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010; - " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808 (1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies; - " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 827 (1993), le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010); - " Règlement " : le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995, le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012; - " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou 2774/001 DOC 55 264 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut; - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire; - "Ministère public" : le procureur fédéral. travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut; - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire; - "Ministère public" : le procureur fédéral. TITRE VIquater. - Coopération avec le Mécanisme international, impartial et indépendant chargé de faciliter les enquêtes sur les violations les plus graves du droit international commises en République arabe syrienne depuis mars 2011 et d'aider à juger les personnes qui en sont responsables TITRE VIquater. - Coopération avec les Mécanismes d’enquête internationaux Art. 91 Art. 91 Aux fins du titre VIquater de la présente loi, les termes ci-après désignent : - "Mécanisme" : le Mécanisme international, impartial et indépendant chargé de faciliter les enquêtes sur les violations les plus graves du droit international commises en République arabe syrienne depuis mars 2011 et d'aider à juger les personnes qui en sont responsables, créé par l'Assemblée générale des Nations unies par sa résolution 71/248 du 21 décembre 2016; - "Statut" : le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans le rapport du Secrétaire général des Nations unies intitulé "Application de la résolution portant création d'un Mécanisme international, impartial et indépendant chargé de faciliter les enquêtes sur les violations les plus graves du droit international commises en République arabe syrienne depuis mars 2011 et d'aider à juger les personnes qui en sont responsables", portant la cote A/71/755; - "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut; - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Mécanisme, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international Aux fins du titre VIquater de la présente loi, les termes ci-après désignent : - « Mécanismes » : les Mécanismes d’enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l’exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire; - "Statut" : le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies ou par l’organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre; - "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut; - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Mécanisme, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international 265 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire; - "Ministère public" : le procureur fédéral. humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire; - "Ministère public" : le procureur fédéral. Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine Art. 6 Art. 6 §1er. Le congé pénitentiaire permet au condamné de quitter la prison trois fois trente- six heures par trimestre. §1er. Le congé pénitentiaire permet au condamné de quitter la prison quatre fois trente-six heures par trimestre. Art. 10 Art. 10 §2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la réception du dossier, le ministre ou son délégué prend une décision. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. §2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la réception du dossier, le ministre ou son délégué prend une décision. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. Si le ministre ou son délégué estime que le dossier n'est pas en état et que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision, ce délai peut être prolongé une seule fois pour une période de sept jours ouvrables. Le ministre ou son délégué en informe sans délai le directeur et le condamné. Si le ministre ou son délégué estime que le dossier n'est pas en état et que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision, ce délai peut être prolongé une seule fois pour une période de sept jours ouvrables. Le ministre ou son délégué en informe sans délai le directeur et le condamné. La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera. La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera. La victime est, informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de l'octroi d'un premier congé pénitentiaire (et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt), ou du placement en maison de transition et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt. La victime est, informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de l'octroi d’une première permission de sortie visée à l’article 4, §3, d'un premier congé pénitentiaire, du placement en maison de transition et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt. Art. 14 Art. 14 Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il 2774/001 DOC 55 266 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué. Dans les cas visés par l'article 59, le procureur du Roi communique sa décision au ministère public et au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines. communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué. Dans les cas visés par l'article 59, le procureur du Roi communique sa décision au ministère public et au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines. Le ministre ou son délégué prend une décision sur la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. Le ministre ou son délégué prend une décision sur la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. S'il s'agit d'une décision concernant un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition, la victime en est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. S'il s'agit d'une décision concernant une permission de sortie, visée à l’article 4, §3, un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition, la victime en est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. Art. 28 Art. 28 §1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise et à l'exception de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée, les modalités d'exécution de la peine prévues au Titre V peuvent être accordées au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci. Ces contre-indications portent sur : §1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise et à l'exception de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée, les modalités d'exécution de la peine prévues au Titre V peuvent être accordées au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre. Ces contre-indications portent sur : 1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité de subvenir à ses besoins; 1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité de subvenir à ses besoins; 2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers; 2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers; 3° le risque que le condamné importune les victimes; 3° le risque que le condamné importune les victimes; 4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation; 4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation; 5° ...; 5° (...) ; 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné. 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné. Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée. Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée. 267 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E §2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci. Ces contre-indications portent sur : §2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre. Ces contre- indications portent sur : 1° (…) ; 1° (…) ; 2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers; 2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers; 3° le risque que le condamné importune les victimes; 3° le risque que le condamné importune les victimes; 4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné. 4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné. Art. 30 Art. 30 §3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le condamné qui est sous surveillance électronique, laquelle lui a été accordée sur une demande introduite conformément à l’article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au greffe du tribunal de l’application des peines et joint à sa demande les éléments pertinents pour la modalité d’exécution de la peine demandée et l’évaluation par le juge de l’application des peines des contre-indications énumérées à l’article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de l’application des peines en remet une copie au ministère public et au greffe de la prison, qui leur communique une copie de la fiche d’écrou. §3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le condamné qui est sous surveillance électronique, laquelle lui a été accordée sur une demande introduite conformément à l’article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au greffe du tribunal de l’application des peines et joint à sa demande les éléments pertinents pour la modalité d’exécution de la peine demandée et pour l’évaluation par le juge de l’application des peines des contre-indications énumérées à l’article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de l’application des peines en remet une copie au ministère public et au greffe de la prison, qui leur communique une copie de la fiche d’écrou. Art. 39 Art. 39 Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution de la peine détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes : Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution de la peine détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes : 1° ne pas commettre d'infractions; 1° ne pas commettre d'infractions; 2° sauf pour la détention limitée, avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, au service compétent des Communautés chargé de sa guidance; 2° sauf pour la détention limitée et la mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire, avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, au service compétent des Communautés chargé de sa guidance; 3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, du service compétent des Communautés chargé d'exercer la guidance. 3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, du service compétent des Communautés chargé d'exercer la guidance. 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire, l’obligation de 2774/001 DOC 55 268 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E quitter effectivement le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d’épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l’accès au territoire, au séjour ou à l’établissement dans le Royaume et sans l’autorisation préalable du juge de l’application des peines. Art. 40 Art. 40 Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires pour limiter le risque de récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt de la victime. §1er. Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires pour limiter le risque de récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt de la victime. §2. En cas d'octroi d'une libération conditionnelle, le juge de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle. Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. §3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il existe des éléments concrets d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, l'autorisation donnée par le juge de l'application des peines conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit faire l'objet d'une motivation spéciale. Art. 43 Art. 43. §3. Le juge de l’application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à trois fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre. §3. Le juge de l’application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à quatre fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre. Art. 60 Art. 60 Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée et Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée et 269 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E au plus tôt à partir du moment où le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi. au plus tôt à partir du moment où le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi. Toutefois, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire. Toutefois, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire. Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise qui deviennent exécutoires au moment de la remise. Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise qui deviennent exécutoires au moment de la remise. Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire d'un condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire ou d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard vingt jours après que la décision d'octroi a été coulée en force de chose jugée. Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions du tribunal de l’application des peines d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire d'un condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire ou d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard vingt jours après que la décision d'octroi a été coulée en force de chose jugée. (…) (…) Le premier et le deuxième alinéas ne s'appliquent pas aux décisions du juge de l’application des peines d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif, du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers ou de la notification par l’Office des étrangers que l’éloignement ou le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours après que la décision d'octroi est coulée en force de chose jugée. Si l’éloignement, le transfert ou la notification n’a pas eu lieu à l’expiration du délai précité, le condamné est libéré. Art. 65 Art. 65 En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré. En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré. 2774/001 DOC 55 270 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E En cas de révocation conformément à l'article 64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis. En cas de révocation conformément à l'article 64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis. Le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’application des peines, peut, moyennant l’accord du condamné, octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine. Art. 66 Art. 66 §2/1. En cas de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut accorder une permission de sortie conformément aux articles 4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément aux articles 7 et 8, sauf s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. §2/1. En cas de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut accorder une permission de sortie conformément aux articles 4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément aux articles 7 et 8, sauf s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. § 3. Dans un délai d'un mois maximum à compter du jugement de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines révoque la modalité d'exécution de la peine ou en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la modalité d'exécution de la peine peut être revue conformément aux dispositions de l'article 63. Si aucune décision n'intervient dans ce délai, le condamné est remis en liberté aux mêmes conditions que précédemment. §3. Dans un délai d'un mois maximum à compter du jugement de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines révoque la modalité d'exécution de la peine auquel cas il peut, conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer une autre modalité d’exécution de la peine, ou en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la modalité d'exécution de la peine peut être revue conformément aux dispositions de l'article 63. Si aucune décision n'intervient dans ce délai, le condamné est remis en liberté aux mêmes conditions que précédemment. Art. 67 Art. 67 §1er. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, saisi conformément aux articles 64 ou 66, estime que la révocation ou la suspension n'est pas nécessaire dans l'intérêt de la société, de la victime ou de la réinsertion sociale du condamné, il peut revoir la modalité d'exécution de la peine. Dans ce cas, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires ou octroyer une autre modalité d’exécution de la peine. La modalité d'exécution de la peine est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions ou sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine. §1er. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, saisi conformément aux articles 64 ou 66, estime que la révocation ou la suspension n'est pas nécessaire dans l'intérêt de la société, de la victime ou de la réinsertion sociale du condamné, il peut revoir la modalité d'exécution de la peine. Dans ce cas, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires ou octroyer une autre modalité d’exécution de la peine. La modalité d'exécution de la peine est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions ou sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine. 271 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires ou d’octroyer une autre modalité d’exécution de la peine, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire. § 2. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires ou d’octroyer une autre modalité d’exécution de la peine, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire. Art. 95/18 Art. 95/18 §2. La procédure d'octroi se déroule conformément aux articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et alinéas 8 et 9. §2. La procédure d'octroi se déroule conformément aux articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et alinéas 10 et 11. Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes mœurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné mis à disposition en fait la demande. Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l’ordre public, les bonnes mœurs ou la sécurité nationale, l’audience est publique si le condamné en fait la demande. Le tribunal de l'application des peines rend sa décision conformément à l'article 54, § 1er. Le tribunal de l'application des peines rend sa décision conformément à l'article 54, § 1er. Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la détention limitée ou la surveillance électronique, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement. Si le tribunal de l’application des peines n’accorde pas la détention limitée ou la surveillance électronique, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement. Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision du tribunal de l'application des peines. Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision du tribunal de l'application des peines. Le jugement d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire. Le jugement d’octroi d’une détention limitée ou d’une surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal de l’application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire. Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes Art. 19, 1° Art. 19, 1° Il est interdit : 1° de vendre ou d'offrir en vente des armes à des particuliers par correspondance ou par internet, ou d'organiser la vente à distance des armes, des munitions et des chargeurs à des particuliers ; Il est interdit : 1° d’acheter ou de vendre, d’offrir en vente ou de céder des armes ainsi que des pièces détachées soumises à l’épreuve légale à des particuliers par correspondance ou par internet, ou d'organiser la vente à distance des armes , des munitions et des chargeurs à des particuliers ; Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 2774/001 DOC 55 272 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 157, § 1er Art. 157, § 1er § 1er. Afin de garantir la perception des dettes fiscales certaines et liquides au sens de l'article 158 et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 4.59 du Code civil, sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas : § 1er. Afin de garantir la perception des dettes fiscales certaines et liquides au sens de l'article 158 et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil, sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas : 1° le service en charge de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 1° le service en charge de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale désigné par le Roi lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. 2° le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale désigné par le Roi lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. Art. 157/1, § 1er Art. 157/1, § 1er § 1er. Afin de garantir la perception des dettes fiscales certaines et liquides au sens de l'article 158/1 et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil, sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158/1, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires § 1er. Afin de garantir la perception des dettes fiscales certaines et liquides au sens de l'article 158/1 et dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, les notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil, sont personnellement responsables au sens de l'article 1382 du Code civil, du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément à l'article 158/1, qui sont dues par le de cujus, ses 273 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, à condition que pour le recouvrement de ces dettes un titre exécutoire visé à l'article 138 de la loi du 13 avril 2019 introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales existe avant le 1er janvier 2020, s'ils n'en avisent pas : héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, à condition que pour le recouvrement de ces dettes un titre exécutoire visé à l'article 138 de la loi du 13 avril 2019 introduisant le Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales existe avant le 1er janvier 2020, s'ils n'en avisent pas : 1° le service en charge de la technologie de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 1° le service en charge de la technologie de l'information et de la communication du Service public fédéral Finances, par voie électronique ; 2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1° : 2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la communication de l'avis ne peut, en raison d'un cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement technique, être effectuée conformément au 1° : - les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit ont leur résidence à l'étranger ; - les receveurs dont relèvent le de cujus et les ayants droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le receveur du service désigné à cette fin par le Roi lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit ont leur résidence à l'étranger ; - le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale, désigné par le Roi. - le fonctionnaire de l'Administration générale de la documentation patrimoniale, désigné par le Roi. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi recommandé. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. Art. 160 Art. 160 § 1er. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes notifiées en vertu des articles 158 et 158/1, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59 du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens des articles 158 et 158/1 n'a été faite. § 1er. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes notifiées en vertu des articles 158 et 158/1, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte d'hérédité qu'aucune 2774/001 DOC 55 274 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E notification au sens des articles 158 et 158/1 n'a été faite. § 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59 du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : § 2. Par dérogation au § 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à un mandataire judiciaire qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément aux articles 158 et 158/1 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées; a) que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément aux articles 158 et 158/1 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées; b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l'ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds. b) que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire, bénéficiaire d'une institution contractuelle ou mandataire judiciaire, après paiement des dettes notifiées au nom de l'ayant droit et de sa part dans les dettes notifiées au nom du de cujus, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur de ces fonds. § 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée aux articles 158 et 158/1. § 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée aux articles 158 et 158/1. Art. 163 Art. 163 Les articles 157 à 161 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil. Les articles 157 à 161 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil. Loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d'autrui Art. 12 Art. 12 § 1er. Dans les cas visés à l'article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, en motivant sa décision sur ce point et dans le respect de la présomption d'innocence, ordonner à la demande du détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien concerné l'évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification de l'ordonnance d'évacuation visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien. Le procureur du Roi prend une ordonnance après avoir entendu § 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1, § 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien concerné, ordonner l’évacuation du bien concerné après autorisation du juge d’instruction, à l'égard des personnes trouvée dans le bien. 275 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E celles-ci sauf si l'audition ne peut être réalisée en raison des circonstances concrètes de la cause. Le procureur du Roi ne peut prendre une ordonnance que lorsque, compte tenu des éléments disponibles, la demande visée à l'alinéa 1er semble manifestement fondée à première vue. Il mentionne les circonstances propres à la demande justifiant la mesure d'évacuation dans l'ordonnance. Un procès-verbal de notification, constitué d'une copie de l'ordonnance et de la date et de l'heure de la notification, est dressé et joint au dossier. Le procureur du Roi adresse au juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins les données suivantes : 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance ; 2° tous les documents et renseignements desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire; 3° l'identité des occupants du bien concerné dans la mesure où celle-ci peut être retrouvée. Il mentionne dans sa demande les circonstances susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Le juge d'instruction décide dans un délai de 72 heures maximum après réception de la demande. Le juge d'instruction peut rejeter la demande si elle est manifestement non fondée. Le juge d'instruction apprécie au moins la légalité et la proportionnalité de l'autorisation au regard des faits. Il entend les personnes qui se trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance d’évacuation est visé, sauf si cela n'est pas possible en raison des circonstances particulières de l'affaire. La décision du juge d'instruction est motivée. Cette décision n’est susceptible d’aucun recours. Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le procureur du Roi prend l’ordonnance d’évacuation en la motivant et dans le respect de la présomption d’innocence. L’ordonnance implique l’évacuation dans un délai de huit jours à compter de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se trouvent dans le bien. Un procès-verbal de notification, constitué d’une copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de la notification, est dressé et joint au dossier. 2774/001 DOC 55 276 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. L'ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres : 1° une description du lieu concerné par la mesure et l'indication de l'adresse du bien qui fait l'objet de l'ordonnance; 2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l'ordonnance; 3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indication du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l'égard du bien concerné; 4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 1er; 5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d'évacuation, notamment celles visées à l'article 442/1, § 2, du Code pénal; 6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit. Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l'ordonnance est transmise par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l'ordonnance, ainsi qu'au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d'action sociale compétent. Le procureur du Roi se charge de l'exécution de l'ordonnance d'évacuation. § 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l'ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l'ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L'ordonnance du procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours. § 2. L’ordonnance du procureur du Roi est consignée par écrit et contient entre autres : 1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance ; 2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l’ordonnance ; 3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indication du droit ou du titre dont celui- ci se prévaut à l’égard du bien concerné ; 4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5; 5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de cette ordonnance d’évacuation, notamment celles visées à l’article 442/1, § 2, du Code pénal; 6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit recours doit être introduit. Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien concerné. Une copie de l’ordonnance est remise à titre de notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné au moment de l’affichage. Une copie de l’ordonnance est transmise par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police au sein de laquelle se situe le bien concerné par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre public d’action sociale compétent. Le procureur du Roi se charge de l’exécution de l’ordonnance d’évacuation. § 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés par l’ordonnance du procureur du Roi peut former un recours contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de la notification de l’ordonnance par affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours est suspensif. L’ordonnance du procureur du Roi ne peut pas 277 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Ce recours n'est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits. § 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l'audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L'audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l'article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n'est pas requis pour le dépôt de la requête. Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l'audience à la personne qui forme un recours contre l'ordonnance ainsi qu'au détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien. Il communique également les jours et heures de l'audience au procureur du Roi qui a pris l'ordonnance d'évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire. Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties présentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule comme déterminé à l'article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien- fondé de l'évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l'article 1344decies, alinéa 1er du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l'ordonnance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois. Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l'audience. La décision du juge de paix n'est pas susceptible d'appel. être exécutée tant que le délai pour introduire ce recours court toujours. Ce recours n’est pas suspendu pendant une action publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits. § 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le juge de paix fixe les date et heure de l’audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L’audience a lieu au plus tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à l’article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de résidence n’est pas requis pour le dépôt de la requête. Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date et heure de l’audience à la personne qui forme un recours contre l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien. Il communique également les jour et heure de l’audience au procureur du Roi qui a pris l’ordonnance d’évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire. Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties présentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule comme déterminé à l’article 1344octies du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l’évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles et graves visées notamment à l’article 1344decies, alinéa 1er, du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée, fixer un délai plus long que le délai prévu dans l’ordonnance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne physique ou une personne morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une personne morale de droit public, ce délai ne peut pas être supérieur à six mois. Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours qui suivent l’audience. La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun recours. 2774/001 DOC 55 278 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Art. 5 Art. 5 §1er. Le ministre installe dans les trois mois de sa nomination un conseil pénitentiaire. §1er. Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre. Le conseil pénitentiaire rend, d'initiative propre ou sur demande du ministre ou du Président du Comité de direction, des avis concernant la politique pénitentiaire. Le conseil pénitentiaire rend, d'initiative propre ou sur demande du ministre ou du Président du Comité de direction, des avis concernant la politique pénitentiaire. Il formule également toute recommandation qu'il juge utile concernant les législations actuelles ou futures en matière de politique pénitentiaire. Le ministre peut demander l'avis du conseil pénitentiaire sur les avant-projets de loi en matière de la politique pénitentiaire. Il formule également toute recommandation qu'il juge utile concernant les législations actuelles ou futures en matière de politique pénitentiaire. Le ministre peut demander l'avis du conseil pénitentiaire sur les avant-projets de loi en matière de la politique pénitentiaire. Les avis et recommandations sont approuvés par consensus. Les avis et recommandations sont approuvés par consensus. Le conseil pénitentiaire peut, à tout moment, consulter les personnes qu'il estime utile d'entendre dans le cadre de ses missions. Le conseil pénitentiaire peut, à tout moment, consulter les personnes qu'il estime utile d'entendre dans le cadre de ses missions. Le conseil pénitentiaire établit son règlement d'ordre intérieur. Le conseil pénitentiaire établit son règlement d'ordre intérieur. § 2. Le conseil pénitentiaire est composé comme suit: § 2. Le conseil pénitentiaire est composé comme suit: 1° des directeurs régionaux de l'administration pénitentiaire ou de leurs délégués; 1° des directeurs régionaux de l'administration pénitentiaire ou de leurs délégués; 2° d'un membre du personnel du SPF Justice désigné par le Président du Comité de direction; 2° d'un membre du personnel du SPF Justice désigné par le Président du Comité de direction; 3° un magistrat du parquet, par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines, désigné par le ministre sur la base chaque fois d'une liste de trois magistrats proposés par le Collège du ministère public ; 3° un magistrat du parquet, par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines, sur proposition du Collège du ministère public, un magistrat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l’application des peines ; 4° un juge du siège par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines, désigné par le ministre sur la base chaque fois d'une liste de trois magistrats proposés par le Collège des cours et des tribunaux ; 4° un juge du siège par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l'application des peines, sur proposition du Collège des cours et tribunaux, un magistrat par rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de l’application des peines ; 5° un avocat par rôle linguistique, désigné par le ministre sur la base chaque fois d'une liste de trois avocats proposés par l'Ordre des barreaux francophone et germanophone et d'une liste de trois avocats proposés par l'Orde van Vlaamse Balies; 5° un avocat par rôle linguistique, sur proposition respective de l’Orde van Vlaamse Balies et de l’Ordre des barreaux francophone et germanophone, un avocat par rôle linguisitique ; 6° un représentant du monde académique par rôle linguistique désigné par le ministre sur la 6° un représentant du monde académique par rôle linguistique sur proposition respective du 279 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E base chaque fois d'une liste de trois candidats proposés par le Conseil des recteurs des Universités francophones et d'une liste de trois candidats proposés par le Conseil interuniversitaire flamand; Conseil des recteurs des Universités francophones et du Conseil interuniversitaire flamand, un représentant par rôle linguistique du monde accadémique ;; 7° le Directeur général de l'Institut National de Criminalistique et de Criminologie ou son délégué et 7° le Directeur général de l'Institut National de Criminalistique et de Criminologie ou son délégué et 8° un représentant par entité fédérée compétent en matière d'aide sociale aux détenus; les représentants concernés sont désignés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, après l'accord des gouvernements compétents. 8° un représentant par entité fédérée, sur proposition respective des ministres des entités fédérées compétents en matière d’aide sociale aux détenus. Un représentant du ministre assiste comme observateur aux réunions du conseil pénitentiaire. Un représentant du ministre assiste comme observateur aux réunions du conseil pénitentiaire. Le Roi détermine le mode d'appel aux candidatures. Les membres sont nommés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, pris après accord des gouvernements compétents, pour une période de quatre ans. Leur mandat est renouvelable. Art. 8 Art. 8 Le Roi détermine les règles de rémunération et de défraiement applicables aux membres du conseil pénitentiaire. Le Roi détermine les modalités d’introduction des candidatures et de nomination des membres du Conseil pénitentiaire. Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement du Conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux indemnités et aux frais applicables aux membres du Conseil pénitentiaire. Modification de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs Art. 41sexies Art. 41sexies § 1er. Les notaires requis de dresser un acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément au paragraphe 5, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas par avis les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale : § 1er. Les notaires requis de dresser un acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil, sont personnellement responsables du paiement des dettes dont la débition est susceptible d'être notifiée conformément au paragraphe 5, qui sont dues par le de cujus, ses héritiers et légataires dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas par avis les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale : 2774/001 DOC 55 280 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque- Carrefour de la Sécurité sociale; 1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque- Carrefour de la Sécurité sociale; 2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°. 2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. § 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est pas dressé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu. § 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est pas dressé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu. § 3. Lorsque l'avis est communiqué conformément au paragraphe 1er, 1°, on entend par date d'envoi de l'avis, la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-carrefour de la Sécurité sociale après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale. § 3. Lorsque l'avis est communiqué conformément au paragraphe 1er, 1°, on entend par date d'envoi de l'avis, la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-carrefour de la Sécurité sociale après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale. § 4. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. § 4. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. Les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions ainsi que du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale. Les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions ainsi que du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale. § 5. Avant l'expiration du 12e jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis visé au paragraphe 1er, l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale peut notifier au notaire ayant expédié l'avis et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, l'existence dans le chef du de cujus ou d'une ou plusieurs autres personnes § 5. Avant l'expiration du 12e jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis visé au paragraphe 1er, l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale peut notifier au notaire ayant expédié l'avis et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, l'existence dans le chef du de cujus ou d'une ou plusieurs autres personnes 281 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mentionnées dans l'avis d'une dette à l'égard de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ainsi que le montant de la dette susvisée, dans le chef de chaque débiteur. mentionnées dans l'avis d'une dette à l'égard de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ainsi que le montant de la dette susvisée, dans le chef de chaque débiteur. Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées en application de l'alinéa 1er sont : Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées en application de l'alinéa 1er sont : - toutes les créances en principal et accessoires de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale qui sont couvertes par un titre; - toutes les créances en principal et accessoires de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale qui sont couvertes par un titre; - toutes les créances en principal et accessoires qui résultent des déclarations faites à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale en application de l'article 21. - toutes les créances en principal et accessoires qui résultent des déclarations faites à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale en application de l'article 21. Lorsque la notification ne peut être envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de le signer. Lorsque la notification ne peut être envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de le signer. Dans les cas où la notification est envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de la notification est celle de son envoi. Dans les cas où la notification est envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de la notification est celle de son envoi. § 6. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait mention soit de l'absence de notification de dettes en vertu du paragraphe 5, tant dans le chef du de cujus que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu du paragraphe 5, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. § 6. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est fait mention soit de l'absence de notification de dettes en vertu du paragraphe 5, tant dans le chef du de cujus que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu du paragraphe 5, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. Le cas échéant, la mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée au pied du certificat par le fonctionnaire désigné par le Roi. Le cas échéant, la mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée au pied du certificat par le fonctionnaire désigné par le Roi. Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en application du paragraphe 5, encourt la même responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation visée au Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en application du paragraphe 5, encourt la même responsabilité que celui qui contrevient à l'obligation visée au 2774/001 DOC 55 282 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E paragraphe 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. paragraphe 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. § 7. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes telles que notifiées en application du paragraphe 5, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat ou de l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens du paragraphe 5 n'a été faite. § 7. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes telles que notifiées en application du paragraphe 5, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement du certificat ou de l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens du paragraphe 5 n'a été faite. Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle consentie par le de cujus qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle consentie par le de cujus qui présente un certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité mentionnant : 1° que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément au paragraphe 5 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées; 1° que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément au paragraphe 5 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées; 2° ou que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. 2° ou que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. La responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée au paragraphe 5. La responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée au paragraphe 5. § 8. Les renseignements que contiennent l'avis et la notification sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de les signer. § 8. Les renseignements que contiennent l'avis et la notification sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de les signer. § 9. Lorsqu'il est envoyé par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de le signer, l'avis est établi conformément au modèle arrêté par le Ministre des Affaires sociales ou son délégué. § 9. Lorsqu'il est envoyé par tout autre moyen conférant date certaine à l'envoi et permettant de le signer, l'avis est établi conformément au modèle arrêté par le Ministre des Affaires sociales ou son délégué. § 10. Lorsque l'avis visé au paragraphe 1er n'est pas introduit par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la notification consécutive à cet avis et visée au paragraphe 5 ne peut pas être envoyée selon cette procédure mais exclusivement par tout autre moyen § 10. Lorsque l'avis visé au paragraphe 1er n'est pas introduit par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la notification consécutive à cet avis et visée au paragraphe 5 ne peut pas être envoyée selon cette procédure mais exclusivement par tout autre moyen 283 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E conférant une date certaine à leur envoi et permettant de la signer. conférant une date certaine à leur envoi et permettant de la signer. § 11. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en oeuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen. § 11. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en oeuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen. § 12. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications visés aux paragraphes 1er et 5 en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées. § 12. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications visés aux paragraphes 1er et 5 en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées. § 13. Pour que la notification visée au paragraphe 5 soit valable lorsqu'elle est envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elle doit être revêtue d'une signature électronique, implémentée selon l'une des techniques visées à l'article 41quater, § 12, de la présente loi. § 13. Pour que la notification visée au paragraphe 5 soit valable lorsqu'elle est envoyée au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elle doit être revêtue d'une signature électronique, implémentée selon l'une des techniques visées à l'article 41quater, § 12, de la présente loi. Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée. Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée. Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de 10 ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable. Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de 10 ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable. § 14. Les paragraphes 1er à 13 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du Code civil. § 14. Les paragraphes 1er à 13 sont applicables à toute personne ou service habilité à établir un acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil. Modification de l’ arrêté royal n° 38 du 27 juin 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants Art. 23quater Art. 23quater § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil sont personnellement responsables du paiement des dettes, susceptibles d'être notifiées conformément au § 2, du défunt, de ses héritiers et légataires dont l'identité est § 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil sont personnellement responsables du paiement des dettes, susceptibles d'être notifiées conformément au § 2, du défunt, de ses héritiers et légataires dont 2774/001 DOC 55 284 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le défunt s'ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale : l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou des bénéficiaires d'une institution contractuelle consentie par le défunt s'ils n'en avisent pas les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale : 1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque- Carrefour de la sécurité sociale; 1° au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque- Carrefour de la sécurité sociale; 2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer une date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°. 2° par tout autre moyen permettant de signer l'avis et de conférer une date certaine à son envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué conformément au 1°. S'agissant de dettes dans le chef du défunt, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef du défunt, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur de la succession. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit, la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le certificat et à propos duquel la responsabilité du notaire est engagée. Si l'acte ou certificat envisagé n'est pas dressé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu. Si l'acte ou certificat envisagé n'est pas dressé dans les trois mois à compter de l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu. L'avis mentionne l'identité du défunt, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. L'avis mentionne l'identité du défunt, de ses héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire éventuel d'une institution contractuelle. § 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des cotisations l'exige, il notifie au notaire requis de dresser l'acte ou le certificat, avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, le montant des dettes à charge du défunt ou d'une autre personne mentionnée dans l'avis. § 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des cotisations l'exige, il notifie au notaire requis de dresser l'acte ou le certificat, avant l'expiration du douzième jour ouvrable qui suit la date d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, le montant des dettes à charge du défunt ou d'une autre personne mentionnée dans l'avis. Lorsque l'envoi de la notification ne peut être effectué au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant une date certaine à son envoi et permettant de la signer. Lorsque l'envoi de la notification ne peut être effectué au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale procèdent à la notification par tout autre moyen conférant une date certaine à son envoi et permettant de la signer. Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées en application de l'alinéa 1er sont toutes les dettes en principal et accessoires à l'égard de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale qui sont couvertes par un titre. Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées en application de l'alinéa 1er sont toutes les dettes en principal et accessoires à l'égard de l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale qui sont couvertes par un titre. § 3. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité, il est fait § 3. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité, il est fait 285 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mention, soit de l'absence de notification de dettes en vertu du § 2, tant dans le chef du défunt que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu du § 2, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. mention, soit de l'absence de notification de dettes en vertu du § 2, tant dans le chef du défunt que dans le chef d'une ou plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et destinataires du certificat ou de l'expédition, soit du paiement des dettes notifiées en vertu du § 2, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. Le cas échéant, la mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée par le notaire dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité. Le cas échéant, la mention du paiement intervenu ou à intervenir est ajoutée ou complétée par le notaire dans le certificat d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte d'hérédité. Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en vertu du § 2, encourt la même responsabilité que le notaire qui contrevient à l'obligation visée au § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou une expédition de l'acte d'hérédité portant des mentions inexactes relatives à l'absence de notification ou au paiement des dettes dont l'existence a été notifiée en vertu du § 2, encourt la même responsabilité que le notaire qui contrevient à l'obligation visée au § 1er. Cette responsabilité est toutefois limitée au montant non recouvré du fait de ces inexactitudes. § 4. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes aux organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale, notifiées en vertu du § 2, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement de l'acte ou du certificat qu'aucune notification au sens du § 2 n'a été faite. § 4. Sous peine d'être personnellement responsable du paiement des dettes aux organismes percepteurs de cotisations de sécurité sociale, notifiées en vertu du § 2, celui qui libère des avoirs d'un défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut le faire de manière libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement de l'acte ou du certificat qu'aucune notification au sens du § 2 n'a été faite. Par dérogation à l'alinéa précédent, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 1240bis du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle qui présente l'acte ou le certificat ou une expédition de cet acte mentionnant : Par dérogation à l'alinéa précédent, la libération des avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une institution contractuelle qui présente l'acte ou le certificat ou une expédition de cet acte mentionnant : 1° que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément au § 2 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ou; 1° que toutes les dettes éventuellement notifiées conformément au § 2 au nom du défunt et au nom de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle ont été payées ou; 2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. 2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire d'une institution contractuelle, après paiement de ses dettes notifiées, au moyen des fonds détenus auprès du débiteur. 2774/001 DOC 55 286 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 5. La responsabilité visée au § 4 est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée au § 2. § 5. La responsabilité visée au § 4 est limitée à la valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs mentionnés dans la notification visée au § 2. § 6. Dans les cas où l'avis visé au § 1er est envoyé au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date d'envoi dudit avis s'entend comme étant la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale ou du service compétent pour recevoir et transmettre cet avis. § 6. Dans les cas où l'avis visé au § 1er est envoyé au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date d'envoi dudit avis s'entend comme étant la date de l'accusé de réception communiqué par la Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après réception par celle-ci de l'accusé de réception émanant de l'organisme percepteur de cotisations de sécurité sociale ou du service compétent pour recevoir et transmettre cet avis. Dans les cas où les notifications visées au § 2 sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de ces notifications est celle de leur envoi. Dans les cas où les notifications visées au § 2 sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, la date de ces notifications est celle de leur envoi. § 7. Les renseignements que contiennent les avis et notifications sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer. § 7. Les renseignements que contiennent les avis et notifications sont identiques qu'ils soient transmis au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique ou par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer. Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer, ces avis et notifications sont établis conformément aux modèles arrêtés par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les services compétents pour recevoir et transmettre ces avis et notifications. Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen conférant une date certaine à l'envoi et permettant de les signer, ces avis et notifications sont établis conformément aux modèles arrêtés par le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les services compétents pour recevoir et transmettre ces avis et notifications. Lors de l'envoi des avis et notifications mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de l'organisme percepteur, les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, ainsi que du numéro d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque- Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets- entreprises agréés et portant diverses dispositions. Lors de l'envoi des avis et notifications mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de l'organisme percepteur, les personnes concernées sont identifiées au moyen du numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, ainsi que du numéro d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque- Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets- entreprises agréés et portant diverses dispositions. § 8. Lorsque l'avis visé au § 1er n'est pas communiqué par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les notifications consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées selon cette procédure mais exclusivement par § 8. Lorsque l'avis visé au § 1er n'est pas communiqué par une procédure utilisant les techniques de l'informatique, les notifications consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées selon cette procédure mais exclusivement par 287 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E tout autre moyen conférant une date certaine à leur envoi et permettant de les signer. tout autre moyen conférant une date certaine à leur envoi et permettant de les signer. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en œuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen tel que visé à l'alinéa précédent. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en œuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du même avis ou de la même notification par une procédure utilisant les techniques de l'informatique dès lors que la date de l'envoi informatique diffère de la date de l'envoi par tout autre moyen tel que visé à l'alinéa précédent. § 9. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications visés aux §§ 1er et 2, en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées. § 9. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et notifications visés aux §§ 1er et 2, en cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, doivent être assurées au moyen des techniques de protection adaptées. § 10. Pour que les notifications visées au paragraphe 2 soient valables lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement. § 10. Pour que les notifications visées au paragraphe 2 soient valables lorsqu'elles sont envoyées au moyen d'une procédure utilisant les techniques de l'informatique, elles doivent être revêtues d'une signature électronique avancée au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE ou d'une signature électronique qualifiée au sens de l'article 3.12. de ce même règlement. Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée. Quelle que soit la technique appliquée, il est garanti que seules les personnes habilitées ont accès aux moyens avec lesquels la signature est créée. Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Les procédures suivies doivent par ailleurs permettre à la personne physique responsable de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi que d'identifier correctement le moment de l'envoi. Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable. Ces données doivent être conservées par l'expéditeur pendant une période de dix ans et, en cas de litige, elles doivent être produites dans un délai raisonnable. § 11. Les paragraphes 1er à 10 sont applicables de la même manière à toute personne ou service habilité à établir un certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du Code civil. § 11. Les paragraphes 1er à 10 sont applicables de la même manière à toute personne ou service habilité à établir un acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil. CHAPITRE 19 - Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons 2774/001 DOC 55 288 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 85 Les notions de « directeur », de « condamné » et de « victime » visées au présent chapitre doivent être entendues au sens de l'article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine. Art. 86 § 1er. Le directeur octroie la libération anticipée au condamné qui se trouve dans les conditions de temps pour l'octroi de la libération conditionnelle, à partir de six mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné. Par dérogation à l'alinéa 1er, le condamné dont la modalité d'exécution de la peine est révoquée par le juge d'application des peines ou le tribunal de l'application des peines pendant la durée de validité de cette mesure est exclu de la libération anticipée pendant six mois à compter de l’exécution du jugement de révocation. Si la libération anticipée n'est pas révoquée, elle court jusqu'à la fin de la peine. Si la libération anticipée est révoquée, elle ne peut plus être octroyée à nouveau. § 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libération anticipée visée au § 1er: - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s'élève à plus de 10 ans; - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Iter, du Code pénal; - les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés aux articles 417/7 à 417/24, 417/50, 417/55, - les condamnés qui font l'objet d'une condamnation avec une mise à disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal; - les condamnés qui n'ont pas de droit de séjour; - les condamnés qui sont suivis par l'Organe pour la coordination de l'analyse de la menace dans le cadre des banques de données 417/56, 417/59 et 417/63 du Code penal; 289 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E communes visées aux articles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police. Art. 87 §1er. Le directeur octroie la libération anticipée après s'être assuré de la faisabilité de la mesure et après avoir fait les vérifications suivantes : - le condamné dispose d'un logement; - le condamné dispose de moyens d'existence suffisants. Le procureur du Roi de l'arrondissement où le condamné a son lieu de résidence ou de séjour et, si le juge de l’application des peines ou le tribunal de l'application des peines est déjà saisi, le ministère public près le tribunal de l'application des peines, sont informés le plus rapidement possible de l'octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de l'octroi de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées. § 2. Pendant le délai d'épreuve, le condamné est soumis aux conditions générales suivantes: 1° ne pas commettre d'infraction; 2° ne pas importuner les victimes et immédiatement quitter les lieux lorsqu'il rencontre une victime. Le délai d'épreuve est égal à la durée de la peine qu'il restait à subir au moment de la libération anticipée. Si la libération anticipée est révoquée sur la base du paragraphe 3, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée et qui court jusqu'à la décision de révocation de la libération anticipée est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi. § 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les cas suivants : - lorsqu'il existe des indications sérieuses selon lesquelles le condamné n'a pas respecté l'interdiction de commettre des infractions; - lorsque le condamné ne respecte pas la condition générale mentionnée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°. La victime est informée de la décision de révocation le plus rapidement possible et dans 2774/001 DOC 55 290 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. § 4. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers pendant le délai d'épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au directeur. Le directeur prend une décision sur la révocation ou non de la libération anticipée dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi. La victime est informée le plus rapidement possible, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide de la décision de révocation. Art. 88 Le présent chapitre s’applique jusqu’au 31 août 2023. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prolonger la date visée au premier alinéa jusqu’au 31 décembre 2024. Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Art. 18 Art. 18 §1er. Sans préjudice de dispositions légales contraires, le placement ou le transfèrement des détenus est décidé par des fonctionnaires de l'administration pénitentiaire désignés à cet effet par le directeur général. §1er. Sans préjudice de dispositions légales contraires, le placement ou le transfèrement des détenus est décidé par des fonctionnaires de l'administration pénitentiaire désignés à cet effet par le directeur général. §1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à la prison désignée pour exécuter la décision de placement ou de transfèrement. §2. Toute décision de placement ou de transfèrement prise par les fonctionnaires visés au § 1er peut faire l'objet d'une réclamation comme prévu au titre VIII, chapitre III. §2. Toute décision de placement ou de transfèrement prise par les fonctionnaires visés au § 1er peut faire l'objet d'une réclamation comme prévu au titre VIII, chapitre III. §3. (…) §3. (…) 291 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E COÖRDINATIE VAN DE ARTIKELEN BASISTEKST BASISTEKST AANGEPAST AAN HET WETSONTWERP Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 165/1 Art. 165/1 Op de door de partijen gekozen dag, met uitzondering van zon- en feestdagen, na verloop van de termijn bedoeld in artikel 165, licht de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gemeentehuis, eventueel in aanwezigheid van de getuigen, aan de partijen de inhoud toe van hoofdstuk VI van deze titel. Om de beurt verklaren de partijen dat zij elkaars echtgenoot willen zijn. Daarna verklaart de ambtenaar in naam van de wet dat zij door het huwelijk verbonden zijn. Hij maakt daarvan zonder vertraging de akte op in de DABS. In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad op het grondgebied van de gemeente andere openbare plaatsen met een neutraal karakter, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om huwelijken te voltrekken. In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad toestaan om huwelijken op zon- en/of feestdagen te voltrekken. Op de door de partijen gekozen dag, met uitzondering van zon- en feestdagen, na verloop van de termijn bedoeld in artikel 165, licht de ambtenaar van de burgerlijke stand in het gemeentehuis, eventueel in aanwezigheid van de getuigen, aan de partijen de inhoud toe van hoofdstuk VI van deze titel. Om de beurt verklaren de partijen dat zij elkaars echtgenoot willen zijn. Daarna verklaart de ambtenaar in naam van de wet dat zij door het huwelijk verbonden zijn. Hij maakt daarvan zonder vertraging de akte op in de DABS. In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad op het grondgebied van de gemeente andere openbare plaatsen met een neutraal karakter, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om huwelijken te voltrekken. In afwijking van het eerste lid, kan de gemeenteraad toestaan om huwelijken op zon- en/of feestdagen te voltrekken. Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering / Art. 28decies (nieuw) Afdeling 1bis/1. - Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte of de benadeelde persoon. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wettigheid of de 2774/001 DOC 55 292 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van zaken en kennis nemen van de dossiers en de bij de artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur des Konings in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de benadeelde persoon, de verdachte en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing. Art. 39ter Art. 39ter § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven en onverminderd de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 39bis, 46bis en 88bis en de artikelen XII.17, XII.18, XII.19 en XII.20 van het Wetboek van Economisch Recht, kan iedere officier van gerechtelijke politie, wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat gegevens die opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden door middel van een informaticasysteem bijzonder kwetsbaar zijn voor verlies of voor wijziging, bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing aan een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen bevelen de gegevens die in hun bezit zijn of waarover zij controle hebben te bewaren. § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven en onverminderd de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 39bis, 46bis en 88bis en de artikelen XII.17, XII.18, XII.19 en XII.20 van het Wetboek van Economisch Recht, kan iedere officier van gerechtelijke politie, wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat gegevens die opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden door middel van een informaticasysteem bijzonder kwetsbaar zijn voor verlies of voor wijziging, bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing aan een of meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen bevelen de gegevens die in hun bezit zijn of waarover zij controle hebben te bewaren. 293 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De met redenen omklede en schriftelijke beslissing vermeldt: - de naam en hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie die de bewaring beveelt; - het strafbare feit waarop het bevel betrekking heeft; - de gegevens die bewaard moeten worden; - de duur van bewaring van de gegevens, die niet langer mag zijn dan negentig dagen. Deze termijn kan schriftelijk worden verlengd. In spoedeisende gevallen kan het bevel tot bewaring mondeling worden gegeven. Het bevel moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid. § 2. De natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor dat de integriteit van de gegevens gewaarborgd is en dat de gegevens op een veilige manier bewaard worden. § 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die weigert mee te werken, of die de bewaarde gegevens doet verdwijnen, vernietigt of wijzigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen. De met redenen omklede en schriftelijke beslissing vermeldt: - de naam en hoedanigheid van de officier van gerechtelijke politie die de bewaring beveelt; - het strafbare feit waarop het bevel betrekking heeft; - de gegevens die bewaard moeten worden; - de duur van bewaring van de gegevens, die niet langer mag zijn dan negentig dagen. Deze termijn kan schriftelijk worden verlengd. In spoedeisende gevallen kan het bevel tot bewaring mondeling worden gegeven. Het bevel moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid. § 2. De natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor dat de integriteit van de gegevens gewaarborgd is en dat de gegevens op een veilige manier bewaard worden. § 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die weigert mee te werken, of die de bewaarde gegevens doet verdwijnen, vernietigt of wijzigt, wordt gestraft met een geldboete van honderd tot dertigduizend euro. Art. 46bis Art. 46bis § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing overgaan of doen overgaan op basis van ieder gegeven in zijn bezit of door middel van een toegang tot de klantenbestanden van de actoren bedoeld in het tweede lid, eerste en tweede streepje, tot: 1° de identificatie van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een dienst bedoeld in § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing overgaan of doen overgaan op basis van ieder gegeven in zijn bezit of door middel van een toegang tot de klantenbestanden van de actoren bedoeld in het tweede lid, eerste en tweede streepje, tot: 1° de identificatie van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een dienst bedoeld in 2774/001 DOC 55 294 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het tweede lid, tweede streepje, of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel; 2° de identificatie van de diensten bedoeld in het tweede lid, tweede streepje, waarop een bepaald persoon geabonneerd is of die door een bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden. Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de door de Koning aangewezen politiedienst, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatienetwerk, en - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. De motivering weerspiegelt de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de procureur des Konings de maatregel mondeling bevelen. De beslissing wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd. Voor strafbare feiten die geen correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, kan de procureur des Konings de in het eerste lid bedoelde gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan zijn beslissing. § 2. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, eerste en tweede streepje, van wie gevorderd wordt de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekken de procureur des Konings of de officier van gerechtelijke politie de gegevens in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, op het voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie. het tweede lid, tweede streepje, of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel; 2° de identificatie van de diensten bedoeld in het tweede lid, tweede streepje, waarop een bepaald persoon geabonneerd is of die door een bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden. Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de door de Koning aangewezen politiedienst, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatienetwerk, en - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. De motivering weerspiegelt de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de procureur des Konings de maatregel mondeling bevelen. De beslissing wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd. Voor strafbare feiten die geen correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, kan de procureur des Konings de in het eerste lid bedoelde gegevens slechts vorderen voor een periode van zes maanden voorafgaand aan zijn beslissing. § 2. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, eerste en tweede streepje, van wie gevorderd wordt de in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen, verstrekken de procureur des Konings of de officier van gerechtelijke politie de gegevens in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, op het voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie. 295 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op voorstel van de Minister van Justitie en van de minister die bevoegd is voor Telecommunicatie, de technische voorwaarden voor de toegang tot de in § 1 bedoelde gegevens, die beschikbaar zijn voor de procureur des Konings en voor de in dezelfde paragraaf aangewezen politiedienst. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en op voorstel van de Minister van Justitie en van de minister die bevoegd is voor Telecommunicatie, de technische voorwaarden voor de toegang tot de in § 1 bedoelde gegevens, die beschikbaar zijn voor de procureur des Konings en voor de in dezelfde paragraaf aangewezen politiedienst. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. Art. 46bis/1 Art. 46bis/1 § 1. Bij het opsporen van terroristische misdrijven als bedoeld in boek II, Titel Iter van het Strafwetboek, kan de procureur des Konings bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing, de noodzakelijke administratieve inlichtingen vorderen bij alle instellingen van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. In zijn beslissing beschrijft de procureur des Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en bepaalt hij de vorm waarin deze hem worden medegedeeld. § 2. Met toepassing van de uitzondering bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek en in afwijking van andersluidende bepalingen, delen de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde instellingen van sociale zekerheid de aldaar bedoelde inlichtingen onverwijld mee. § 1. Bij het opsporen van terroristische misdrijven als bedoeld in boek II, Titel Iter van het Strafwetboek, kan de procureur des Konings bij een met redenen omklede en schriftelijke beslissing, de noodzakelijke administratieve inlichtingen vorderen bij alle instellingen van sociale zekerheid als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid en artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. In zijn beslissing beschrijft de procureur des Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en bepaalt hij de vorm waarin deze hem worden medegedeeld. § 2. Met toepassing van de uitzondering bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek en in afwijking van andersluidende bepalingen, delen de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde instellingen van sociale zekerheid de aldaar bedoelde inlichtingen onverwijld mee. 2774/001 DOC 55 296 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die weigert de inlichtingen mee te delen, wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die weigert de inlichtingen mee te delen, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. Art. 46ter Art. 46ter § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings aan een postoperator toevertrouwde post, bestemd voor of afkomstig van een verdachte of die op hem betrekking heeft, onderscheppen en in beslag nemen, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben. Indien deze maatregel zich situeert in het proactieve onderzoek zoals omschreven in artikel 28bis, § 2, gaat de procureur des Konings na of aan de bijzondere voorwaarden omschreven in dit artikel voldaan is. Indien de procureur des Konings van oordeel is de inbeslagneming niet te moeten handhaven, geeft hij de stukken onverwijld aan de postoperator voor verdere verzending terug. In het andere geval wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 35 tot 39. Het begrip " post " in de zin van dit artikel dient te worden verstaan zoals het gedefinieerd is in artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. § 2. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de medewerking van een postoperator vorderen teneinde de maatregel bepaald in § 1 mogelijk te maken. De postoperator is gehouden zijn medewerking onverwijld te verlenen. Hij bepaalt in zijn beslissing de duur van de maatregel beoogd in de vorige paragraaf. § 1. Bij het opsporen van de misdaden en wanbedrijven kan de procureur des Konings aan een postoperator toevertrouwde post, bestemd voor of afkomstig van een verdachte of die op hem betrekking heeft, onderscheppen en in beslag nemen, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben. Indien deze maatregel zich situeert in het proactieve onderzoek zoals omschreven in artikel 28bis, § 2, gaat de procureur des Konings na of aan de bijzondere voorwaarden omschreven in dit artikel voldaan is. Indien de procureur des Konings van oordeel is de inbeslagneming niet te moeten handhaven, geeft hij de stukken onverwijld aan de postoperator voor verdere verzending terug. In het andere geval wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 35 tot 39. Het begrip " post " in de zin van dit artikel dient te worden verstaan zoals het gedefinieerd is in artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. § 2. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing de medewerking van een postoperator vorderen teneinde de maatregel bepaald in § 1 mogelijk te maken. De postoperator is gehouden zijn medewerking onverwijld te verlenen. Hij bepaalt in zijn beslissing de duur van de maatregel beoogd in de vorige paragraaf. 297 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig EUR tot tienduizend EUR of met een van die straffen alleen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. Art. 46quater Art. 46quater § 1. Bij het opsporen van de misdaden en de wanbedrijven kan de procureur des Konings, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de misdrijven een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte vorderen bij : 1° personen en instellingen als bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten; 2° personen en instellingen die binnen het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld. § 2. Teneinde de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 mogelijk te maken, kan de procureur des Konings op specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie opvragen die is opgenomen in het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. § 1. Bij het opsporen van de misdaden en de wanbedrijven kan de procureur des Konings, wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de misdrijven een correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de noodzakelijke informatie over de producten, diensten en verrichtingen van financiële aard en betreffende virtuele waarden, die betrekking hebben op een verdachte vorderen bij : 1° personen en instellingen als bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten; 2° personen en instellingen die binnen het Belgisch grondgebied diensten beschikbaar stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele waarden die toelaten dat gereglementeerde betaalmiddelen in virtuele waarden worden uitgewisseld. § 2. Teneinde de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 mogelijk te maken, kan de procureur des Konings op specifiek en met redenen omkleed verzoek informatie opvragen die is opgenomen in het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest. 2774/001 DOC 55 298 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Ingeval de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vergen, kan de procureur des Konings bovendien vorderen dat : 1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de verrichtingen van de verdachte onder toezicht worden geplaatst; 2° de bevraagde persoon of instelling de tegoeden en verbintenissen met betrekking tot de producten, diensten, verrichtingen en waarden bedoeld in paragraaf 1 niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop die persoon of instelling kennis neemt van zijn vordering tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de hier bedoelde gegevens door die persoon of instelling. De maatregel bedoeld in het eerste lid, 2°, kan slechts gevorderd worden wanneer ernstige en uitzonderlijke omstandigheden dit verantwoorden en enkel in geval de opsporing betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4. § 4. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, de medewerking vorderen van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1. De bevraagde instelling of persoon is gehouden zijn medewerking onverwijld te verlenen. In zijn beslissing beschrijft de procureur des Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en de vorm waarin deze hem worden meegedeeld. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen. § 3. Ingeval de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vergen, kan de procureur des Konings bovendien vorderen dat : 1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de verrichtingen van de verdachte onder toezicht worden geplaatst; 2° de bevraagde persoon of instelling de tegoeden en verbintenissen met betrekking tot de producten, diensten, verrichtingen en waarden bedoeld in paragraaf 1 niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop die persoon of instelling kennis neemt van zijn vordering tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de hier bedoelde gegevens door die persoon of instelling. De maatregel bedoeld in het eerste lid, 2°, kan slechts gevorderd worden wanneer ernstige en uitzonderlijke omstandigheden dit verantwoorden en enkel in geval de opsporing betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4. § 4. De procureur des Konings kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, de medewerking vorderen van de personen en instellingen bedoeld in paragraaf 1. De bevraagde instelling of persoon is gehouden zijn medewerking onverwijld te verlenen. In zijn beslissing beschrijft de procureur des Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en de vorm waarin deze hem worden meegedeeld. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die de gegevens weigert mee te delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. 299 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 88bis Art. 88bis § 1. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van elektronische communicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij: 1° de verkeersgegevens doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan; 2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie laten lokaliseren. Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de door de Koning aangewezen politiedienst, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatienetwerk; en - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvan de verkeersgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur, en, indien nodig, de plaats van de elektronische communicatie vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal. De onderzoeksrechter doet in een met redenen omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel rechtvaardigen, van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer § 1. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van één jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de onderzoeksrechter van oordeel is dat er omstandigheden zijn die het doen opsporen van elektronische communicatie of het lokaliseren van de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie noodzakelijk maken om de waarheid aan de dag te brengen, kan hij: 1° de verkeersgegevens doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen van waaruit of waarnaar elektronische communicaties worden of werden gedaan; 2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicatie laten lokaliseren. Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de door de Koning aangewezen politiedienst, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatienetwerk; en - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvan de verkeersgegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicatie wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur, en, indien nodig, de plaats van de elektronische communicatie vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal. De onderzoeksrechter doet in een met redenen omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke omstandigheden van de zaak die de maatregel rechtvaardigen, van de proportionaliteit met inachtneming van de persoonlijke levenssfeer 2774/001 DOC 55 300 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing en, in voorkomend geval, de periode in het verleden waarover de vordering zich uitstrekt overeenkomstig paragraaf 2. In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bevelen voor de in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, bedoelde strafbare feiten. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter. Indien het echter het in artikel 137, 347bis, 434 of 470 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings de maatregel bevelen zolang de heterdaadsituatie duurt, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is. Indien het het in artikel 137 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings bovendien de maatregel bevelen binnen de tweeënzeventig uur na de ontdekking van dit strafbare feit, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is. De procureur des Konings kan evenwel de maatregel bevelen indien de klager erom verzoekt, wanneer deze maatregel onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een strafbaar feit bedoeld in artikel 145, § 3 en § 3bis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. In spoedeisende gevallen kan de maatregel mondeling worden bevolen. Het bevel moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het vierde en vijfde lid. § 2. en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere onderzoeksdaad. Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, onverminderd een hernieuwing en, in voorkomend geval, de periode in het verleden waarover de vordering zich uitstrekt overeenkomstig paragraaf 2. In geval van ontdekking op heterdaad kan de procureur des Konings de maatregel bevelen voor de in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, bedoelde strafbare feiten. In dat geval moet de maatregel binnen vierentwintig uur worden bevestigd door de onderzoeksrechter. Indien het echter het in artikel 137, 347bis, 434 of 470 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings de maatregel bevelen zolang de heterdaadsituatie duurt, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is. Indien het het in artikel 137 van het Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft, met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit, kan de procureur des Konings bovendien de maatregel bevelen binnen de tweeënzeventig uur na de ontdekking van dit strafbare feit, zonder dat een bevestiging door de onderzoeksrechter nodig is. De procureur des Konings kan evenwel de maatregel bevelen indien de klager erom verzoekt, wanneer deze maatregel onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een strafbaar feit bedoeld in artikel 145, § 3 en § 3bis van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. In spoedeisende gevallen kan de maatregel mondeling worden bevolen. Het bevel moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm bepaald in het vierde en vijfde lid. § 2. 301 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. § 4. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen de gegevens waarom verzocht werd mee in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in dit artikel weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de nadere regels vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro. § 3. § 4. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen de gegevens waarom verzocht werd mee in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in dit artikel weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de nadere regels vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. Art. 88quater Art. 88quater § 1. De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan aan eenieder van wie hij vermoedt dat hij een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of de uitbreiding ervan bedoeld in artikel 88ter of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De onderzoeksrechter vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de § 1. De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan aan eenieder van wie hij vermoedt dat hij een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of de uitbreiding ervan bedoeld in artikel 88ter of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De onderzoeksrechter vermeldt de omstandigheden eigen aan de zaak die de maatregel wettigen in een met redenen omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de 2774/001 DOC 55 302 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E procureur des Konings of aan de arbeidsauditeur. § 2. De onderzoeksrechter, of een door hem afgevaardigd officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt. Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegeven aan de verdachte en aan de personen bedoeld in artikel 156. § 3. Hij die de in §§ 1 en 2 gevorderde medewerking niet verleent of de zoeking in het informaticasysteem of de uitbreiding ervan hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen. Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro. § 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. § 5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die onopzettelijk door de gevorderde personen aan een informaticasysteem of de gegevens. die door procureur des Konings of aan de arbeidsauditeur. § 2. De onderzoeksrechter, of een door hem afgevaardigd officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt. Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet worden gegeven aan de verdachte en aan de personen bedoeld in artikel 156. § 3. Hij die de in §§ 1 en 2 gevorderde medewerking niet verleent of de zoeking in het informaticasysteem of de uitbreiding ervan hindert, wordt gestraft met een geldboete van honderd tot dertigduizend euro. Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen. § 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. § 5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de schade die onopzettelijk door de gevorderde personen aan een informaticasysteem of de gegevens. die door 303 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wordt veroorzaakt. middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, wordt veroorzaakt. Art. 90quater Art. 90quater § 1. Voor iedere maatregel op grond van artikel 90ter wordt vooraf een met redenen omklede schriftelijke machtiging gegeven door de onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de procureur des Konings. De machtiging wordt gedagtekend en vermeldt: 1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter; 2° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen; 3° de persoon, het communicatiemiddel, het informaticasysteem of de plaats die het voorwerp is van de maatregel; 4° de periode tijdens welke de maatregel kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand. Deze termijn vangt aan de dag van de machtiging waarbij de maatregel wordt bevolen, of, in geval van artikel 90quinquies, eerste lid, verlengd, en loopt tot en met de dag voor de zoveelste van de daarop volgende maand; 5° de naam en de hoedanigheid van de officier of officieren van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel. In spoedeisende gevallen kan de machtiging mondeling worden verleend. Deze machtiging wordt uiterlijk binnen vierentwintig uren bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid. § 2. De onderzoeksrechter kan, om de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, mogelijk te maken, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatie-netwerk; - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch § 1. Voor iedere maatregel op grond van artikel 90ter wordt vooraf een met redenen omklede schriftelijke machtiging gegeven door de onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de procureur des Konings. De machtiging wordt gedagtekend en vermeldt: 1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter; 2° de redenen waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen; 3° de persoon, het communicatiemiddel, het informaticasysteem of de plaats die het voorwerp is van de maatregel; 4° de periode tijdens welke de maatregel kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand. Deze termijn vangt aan de dag van de machtiging waarbij de maatregel wordt bevolen, of, in geval van artikel 90quinquies, eerste lid, verlengd, en loopt tot en met de dag voor de zoveelste van de daarop volgende maand; 5° de naam en de hoedanigheid van de officier of officieren van gerechtelijke politie aangewezen voor de uitvoering van de maatregel. In spoedeisende gevallen kan de machtiging mondeling worden verleend. Deze machtiging wordt uiterlijk binnen vierentwintig uren bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid. § 2. De onderzoeksrechter kan, om de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, mogelijk te maken, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, de medewerking vorderen van: - de operator van een elektronisch communicatie-netwerk; - iedereen die binnen het Belgisch grondgebied, op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van signalen via elektronische communicatienetwerken, of er in bestaat gebruikers toe te laten via een elektronisch 2774/001 DOC 55 304 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro. § 3. De onderzoeksrechter mag voor de tenuitvoerlegging van de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, alleen officieren van gerechtelijke politie aanwijzen. Deze kunnen zich echter laten bijstaan door agenten van gerechtelijke politie en, onder de voorwaarden door de Koning bepaald, door personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie. De laatstgenoemde personen mogen niet belast worden met de analyse van de inhoud van de opgenomen communicatie of gegevens, tenzij het een specifieke expertise betreft, of met de selectie van voor het onderzoek van belang geachte delen, zoals bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°. De officieren van gerechtelijke politie houden de namen bij van de personen door wie zij zich laten bijstaan, in een lijst die voor elk dossier afzonderlijk wordt opgesteld volgens de nadere regels door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Indien deze personen belast zijn met de uitvoering van het bevel bedoeld in artikel 90ter, § 1, derde lid, worden hun namen niet vermeld in het gerechtelijk dossier. communicatienetwerk informatie te verkrijgen of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder wordt ook de verstrekker van een elektronische communicatiedienst begrepen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. Iedere persoon die zijn technische medewerking aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de vordering, medewerking waarvan de modaliteiten vastgesteld worden door de Koning, op voorstel van de minister van Justitie en de minister bevoegd voor Telecommunicatie, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. § 3. De onderzoeksrechter mag voor de tenuitvoerlegging van de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, alleen officieren van gerechtelijke politie aanwijzen. Deze kunnen zich echter laten bijstaan door agenten van gerechtelijke politie en, onder de voorwaarden door de Koning bepaald, door personeelsleden van het administratief en logistiek kader van de geïntegreerde politie. De laatstgenoemde personen mogen niet belast worden met de analyse van de inhoud van de opgenomen communicatie of gegevens, tenzij het een specifieke expertise betreft, of met de selectie van voor het onderzoek van belang geachte delen, zoals bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°. De officieren van gerechtelijke politie houden de namen bij van de personen door wie zij zich laten bijstaan, in een lijst die voor elk dossier afzonderlijk wordt opgesteld volgens de nadere regels door de Koning bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Indien deze personen belast zijn met de uitvoering van het bevel bedoeld in artikel 90ter, § 1, derde lid, worden hun namen niet vermeld in het gerechtelijk dossier. 305 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De aangewezen officieren van gerechtelijke politie brengen ten minste om de vijf dagen schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter over de tenuitvoerlegging van de machtiging. § 4. De onderzoeksrechter kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het communicatiemiddel of het informaticasysteem waarop de maatregel betrekking heeft of van diensten of toepassingen om gegevens, die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een communicatiemiddel of een informaticasysteem, te beveiligen, te coderen of te versleutelen, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, vorderen inlichtingen te verlenen over de werking ervan en over de wijze om in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de inhoud ervan die wordt of is overgebracht. Hij kan personen vorderen om deze inhoud toegankelijk te maken in de door hem gewenste vorm. Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of gevorderd wordt zijn technische medewerking te verlenen, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. De aangewezen officieren van gerechtelijke politie brengen ten minste om de vijf dagen schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter over de tenuitvoerlegging van de machtiging. § 4. De onderzoeksrechter kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het communicatiemiddel of het informaticasysteem waarop de maatregel betrekking heeft of van diensten of toepassingen om gegevens, die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een communicatiemiddel of een informaticasysteem, te beveiligen, te coderen of te versleutelen, rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning, vorderen inlichtingen te verlenen over de werking ervan en over de wijze om in een verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de inhoud ervan die wordt of is overgebracht. Hij kan personen vorderen om deze inhoud toegankelijk te maken in de door hem gewenste vorm. Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro. Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of gevorderd wordt zijn technische medewerking te verlenen, is tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek. 2774/001 DOC 55 306 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 5. In voorkomend geval is artikel 39bis, § 3, vierde lid toepasbaar op de gegevens, aangetroffen door een zoeking in een informaticasysteem met toepassing van artikel 90ter, § 1. § 5. In voorkomend geval is artikel 88ter, vierde lid toepasbaar op de gegevens, aangetroffen door een zoeking in een informaticasysteem met toepassing van artikel 90ter, § 1. Art. 136bis Art. 136bis De procureur des Konings doet verslag aan de procureur-generaal omtrent alle zaken waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste vordering. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het onderzoek, de wettigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, de bij de artikelen 136, 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de onderzoeksrechter in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost of bij een ter post aangetekende brief wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen dat de inverdenkinggestelde die zich in voorlopige hechtenis bevindt in een videoconferentie verschijnt. De procureur des Konings doet verslag aan de procureur-generaal omtrent alle zaken waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste vordering. Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede verloop van het onderzoek, de wettigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht. In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, de bij de artikelen 136, 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen. De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling kan de onderzoeksrechter in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke partij, de inverdenkinggestelde en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan. De kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen dat de inverdenkinggestelde die zich in voorlopige hechtenis bevindt in een videoconferentie verschijnt. Art. 162ter Art. 162ter Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag bedoeld in het zevende lid van artikel 216bis, § 1, indien de voorgestelde minnelijke schikking bepaald in dat artikel niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd. Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling van de administratieve toeslag zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde minnelijke schikking zoals bepaald in artikel 216bis niet kan worden 307 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hetzelfde geldt wanneer, in het geval van inbreuken op de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en op de reglementen aangenomen krachtens deze wet, deze inbreuken niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een onmiddellijke inning bedoeld in artikel 65, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie van het wegverkeer, noch van een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro. De in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt opeisbaar op datum van de veroordeling. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar. De in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en invordering van fiscale en niet-fiscale schulden, volgens de regels die van toepassing zijn met betrekking tot de invordering van strafrechtelijke boetes. uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt 25,32euro. Hetzelfde geldt wanneer, in het geval van inbreuken op de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en op de reglementen aangenomen krachtens deze wet, deze inbreuken niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een onmiddellijke inning bedoeld in artikel 65, § 1, tweede lid, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie van het wegverkeer, noch van een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering. Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro. De in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt opeisbaar op datum van de veroordeling. Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het voorgaande jaar. De in het eerste lid bedoelde administratieve toeslag wordt ingevorderd door de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën die belast is met de inning en invordering van fiscale en niet-fiscale schulden, volgens de regels die van toepassing zijn met betrekking tot de invordering van strafrechtelijke boetes. Art. 196/1 Art. 196/1 De griffier overhandigt aan het openbaar ministerie een uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan en een veroordeling tot een vrijheidsstraf inhoudt. Wanneer een zelfde vonnis of arrest verscheidene personen tot een vrijheidsstraf heeft veroordeeld en die voor sommigen onder hen definitief is geworden, wordt voor de betrokken personen een uittreksel aan het openbaar ministerie bezorgd. Wanneer verscheidene personen, die door een zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, hun De griffier overhandigt aan het openbaar ministerie een uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan en een veroordeling tot een vrijheidsstraf inhoudt. Wanneer een zelfde vonnis of arrest verscheidene personen tot een vrijheidsstraf heeft veroordeeld en die voor sommigen onder hen definitief is geworden, wordt voor de betrokken personen een uittreksel aan het openbaar ministerie bezorgd. Wanneer verscheidene personen, die door een zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, hun 2774/001 DOC 55 308 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E straf in verschillende strafinrichtingen moeten ondergaan, kan het openbaar ministerie zich voor elke inrichting een uittreksel doen afleveren. Binnen drie dagen stuurt de griffier, langs elektronische weg of bij gewone brief, aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen een uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan en een pecuniaire veroordeling inhoudt, als bedoeld in het achtste lid. Daarenboven stuurt de griffier, langs elektronische weg of bij gewone brief, een kopie van elk veroordelend vonnis dat de bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 197bis inhoudt, evenals een kopie van het uittreksel ervan, aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Binnen dezelfde termijn stuurt de griffier aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, verantwoordelijk voor de werking van de gegevensbank penale boeten, verbeurdverklaringen en gerechtskosten in strafzaken, langs elektronische weg of bij gewone brief, de elementen die vervat zijn in elk uittreksel, en die noodzakelijk zijn voor de verwerking van de gegevens betreffende de pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het achtste lid. Wanneer een zelfde vonnis of arrest verscheidene personen veroordeeld heeft tot pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het achtste lid, en die veroordelingen voor de enen definitief zijn geworden zonder het voor de anderen te zijn, wordt met betrekking tot het definitief geworden gedeelte van het vonnis of arrest gehandeld zoals bepaald in het vierde tot het zesde lid. Onder een pecuniaire veroordeling wordt elke veroordeling verstaan tot een geldboete, tot een verbeurdverklaring van een geldsom die een terugvorderbare schuldvordering inhoudt op straf in verschillende strafinrichtingen moeten ondergaan, kan het openbaar ministerie zich voor elke inrichting een uittreksel doen afleveren. Binnen drie dagen stuurt de griffier, langs elektronische weg of bij gewone brief, aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen een uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan en een pecuniaire veroordeling inhoudt, als bedoeld in het achtste lid. Daarenboven stuurt de griffier, langs elektronische weg of bij gewone brief, een kopie van elk veroordelend vonnis dat de bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 197bis inhoudt, evenals een kopie van het uittreksel ervan, aan het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring. Binnen dezelfde termijn stuurt de griffier aan de administratie van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de inning en de invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, verantwoordelijk voor de werking van de gegevensbank penale boeten, verbeurdverklaringen en gerechtskosten in strafzaken, langs elektronische weg of bij gewone brief, de elementen die vervat zijn in elk uittreksel, en die noodzakelijk zijn voor de verwerking van de gegevens betreffende de pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het achtste lid. Wanneer een zelfde vonnis of arrest verscheidene personen veroordeeld heeft tot pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het achtste lid, en die veroordelingen voor de enen definitief zijn geworden zonder het voor de anderen te zijn, wordt met betrekking tot het definitief geworden gedeelte van het vonnis of arrest gehandeld zoals bepaald in het vierde tot het zesde lid. Onder een pecuniaire veroordeling wordt elke veroordeling verstaan tot een geldboete, tot een verbeurdverklaring van een geldsom die een terugvorderbare schuldvordering inhoudt op 309 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het vermogen van de veroordeelde, tot de gerechtskosten, een bijdrage of een administratieve toeslag. het vermogen van de veroordeelde, tot de gerechtskosten, of een bijdrage of een administratieve toeslag. Art. 203 Art. 203 § 1. Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna, vervalt het recht van hoger beroep, indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld. § 2. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig § 4. § 1. Het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de betekening ervan aan de veroordeelde partij of aan haar woonplaats. Opgeheven. §2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft aangetekend beschikken de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar ministerie. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep hebben ingesteld. 2774/001 DOC 55 310 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Gedurende die termijnen en gedurende de rechtspleging in hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep. § 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn. § 3. Gedurende die termijnen en gedurende de rechtspleging in hoger beroep wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De vonnissen over de strafvordering, buiten die van veroordeling, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij een speciaal gemotiveerde beslissing uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad niettegenstaande hoger beroep. § 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de terechtzitting genomen conclusie incidenteel beroep instellen zolang de debatten in hoger beroep niet gesloten zijn. Art. 205 Art. 205 Het openbaar ministerie bij het hof of de rechtbank die van het beroep kennis moet nemen, moet, op straffe van verval, binnen [1 veertig dagen]1 te rekenen van de uitspraak van het vonnis, zijn beroep betekenen, hetzij aan de beklaagde, hetzij aan de voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke partij. [1 Het exploot bevat dagvaarding. In het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies gebeurt deze dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.]1. [2 Het openbaar ministerie geeft nauwkeurig de grieven aan die tegen het vonnis worden ingebracht overeenkomstig artikel 204 Opgeheven. Art. 258/1 Art. 258/1 (nieuw) § 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van assisen en het aantal procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert, voor de slachtoffers en hun 311 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E advocaten die om de toegang tot de uitzending hebben verzocht. Hij motiveert zijn beslissing rekening houdend met de voormelde criteria. § 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit van de debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare orde te voorkomen en kan om die reden de uitzending ten allen tijde onderbreken. § 3. Het opnemen van deze opname of het uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen. § 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit artikel toe te passen, wordt dit met alle passende middelen meegedeeld aan de gekende slachtoffers en hun advocaten. De slachtoffers en hun advocaten moeten ten minste acht dagen voor aanvang van de zitting aan de griffie of aan het parket meedelen dat zij de uitzending van de geluidsopname of van de audiovisuele opname van de terechtzittingen willen ontvangen. § 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten worden geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang tot de uitzending van de debatten worden zij expliciet op de hoogte gebracht van de bepaling in paragraaf 3. §6. Het gebruik van het systeem vereist de verwerking van de volgende gegevens: 1° Voor elke verschijnende natuurlijke persoon: a) de naam en voorna(a)m(en); b) in voorkomend geval, de geboortedatum en – plaats; c) in voorkomend geval, de woonplaats; d) in voorkomend geval, het rijksregisternummer; e) in voorkomend geval, het ondernemingsnummer van de onderneming die hij vertegenwoordigt; f) in voorkomend geval, het adres van maatschappelijke zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt. 2774/001 DOC 55 312 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd door de connectie met het systeem; 3° de afbeelding en de stem van de personen die deelnemen aan de zitting; 4° de gegevens, met inbegrip van de persoonsgegevens, meegedeeld in de loop van de zitting. §7. De gegevens worden bewaard voor de duur van het proces en de opnames kunnen in geen geval langer dan een jaar worden bewaard. Art. 258/2 Art. 258/2 (nieuw) Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de voorzitter beslissen dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het strafdossier gevoegd. Wijzigingen van het Strafwetboek Hoofdstuk IX. Verzachtende omstandigheden Hoofdstuk IX. Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en verzachtende omstandigheden Art. 78bis Art. 78bis (nieuw) Indien de wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximumstraf op dit misdrijf gesteld. Art. 78ter Art. 78ter (nieuw) De discriminerende drijfveer van de dader is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt. 313 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 405quater Art. 405quater Wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst, zijn de straffen de volgende: Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader, zijn de straffen de volgende: 2774/001 DOC 55 314 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in de in artikel 393 bedoelde gevallen is de straf levenslange opsluiting; 1° in de in artikel 393 bedoelde gevallen is de straf levenslange opsluiting; 2° in de in de artikelen 398, 399, 405 en 405bis, 1° tot 3°, bedoelde gevallen wordt de in voornoemde artikelen bedoelde maximale gevangenisstraf verdubbeld met een maximum van vijf jaar en de maximale geldboete verdubbeld met een maximum van vijfhonderd euro; 2° in de in de artikelen 398, 399, 405 en 405bis, 1° tot 3°, bedoelde gevallen wordt de in voornoemde artikelen bedoelde maximale gevangenisstraf verdubbeld met een maximum van vijf jaar en de maximale geldboete verdubbeld met een maximum van vijfhonderd euro; 3° in de in de artikelen 400, eerste lid, 402 en 405bis, 4°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar; 3° in de in de artikelen 400, eerste lid, 402 en 405bis, 4°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijf jaar tot tien jaar; 4° in de in de artikelen 400, tweede lid, 401, eerste lid, 403, 405bis, 5° en 9°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; 4° in de in de artikelen 400, tweede lid, 401, eerste lid, 403, 405bis, 5° en 9°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar; 5° in de in de artikelen 401, tweede lid, 405bis, 6°, 7° en 10°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar; 5° in de in de artikelen 401, tweede lid, 405bis, 6°, 7° en 10°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar; 6° in de in de artikelen 404, 405bis, 8° en 11°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. 6° in de in de artikelen 404, 405bis, 8° en 11°, bedoelde gevallen is de straf opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 422quater Art. 422quater In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en 422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en 422ter kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele 315 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 438bis Art. 438bis In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. 2774/001 DOC 55 316 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 442/1 Art. 442/1 § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, zonder een bevel van de overheid hetzij zonder toestemming van een houder van een titel die of een recht dat toegang verschaft tot de betrokken plaats of gebruik van of verblijf in het betrokken goed toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het toelaat, op eender welke manier andermans niet bewoonde huis, appartement, kamer of verblijf, of de aanhorigheden ervan of enige andere niet bewoonde ruimte of andermans roerend goed dat al dan niet als verblijf kan dienen, hetzij binnendringt, hetzij bezet, hetzij erin verblijft zonder zelf houder te zijn van voormelde titel of recht. § 2. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die binnen de vastgestelde termijn geen gevolg geeft aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed of aan de uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van Gerechtelijk Wetboek. § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde misdrijf kan alleen worden vervolgd op klacht van een persoon die houder is van een titel of een recht op het betrokken goed. § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die, zonder een bevel van de overheid hetzij zonder toestemming van een houder van een titel die of een recht dat toegang verschaft tot de betrokken plaats of gebruik van of verblijf in het betrokken goed toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het toelaat, op eender welke manier andermans niet bewoonde huis, appartement, kamer of verblijf, of de aanhorigheden ervan of enige andere niet bewoonde ruimte of andermans roerend goed dat al dan niet als verblijf kan dienen, hetzij binnendringt, hetzij bezet, hetzij erin verblijft zonder zelf houder te zijn van voormelde titel of recht. § 2. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tweehonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die binnen de vastgestelde termijn geen gevolg geeft aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed, zoals hersteld bij de wet van … of aan de uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van Gerechtelijk Wetboek. § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde misdrijf kan alleen worden vervolgd op klacht van een persoon die houder is van een titel of een recht op het betrokken goed. Art. 442ter Art. 442ter In de gevallen bepaald in artikel 442bis kan het minimum van de bij dit artikel bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, In de gevallen bepaald in artikel 442bis kan het minimum van de bij dit artikel bepaalde correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, 317 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 453bis Art. 453bis In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het minimum van de correctionele straffen worden verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. 2774/001 DOC 55 318 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 514bis Art. 514bis In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot 514 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot 514 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de dader uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 525bis Art. 525bis In de gevallen bepaald in de artikelen 521 tot 525, kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale In de gevallen bepaald in de artikelen 521 tot 525, kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of 319 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 532bis Art. 532bis In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot 532 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot 532 kan het minimum van de bij die artikelen bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader. Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Art. 534quater Art. 534quater In de gevallen bepaald in de artikelen 534bis en 534ter kan het minimum van de bij die artikelen In de gevallen bepaald in de artikelen 534bis en 534ter kan het minimum van de bij die artikelen 2774/001 DOC 55 320 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst. bepaalde straffen worden verdubbeld in geval van correctionele straffen en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken. Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 555/13, §2 Art. 555/13, §2 § 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan aan de gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die voor 1 december 2016 gedurende een ononderbroken periode van vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of § 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan aan de gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van 321 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold. gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold. Art. 1344octies Art. 1344octies Iedere houder van een recht of titel op het betrokken goed kan bij verzoekschrift op tegenspraak of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij eenzijdig verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het vredegerecht, een vordering inleiden tot uithuiszetting uit plaatsen die zonder recht of titel worden betrokken. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid : 1. de dag, de maand en het jaar; 2. de naam, de voornaam 3 en de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3. behalve ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering is ingesteld; 4. het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat, of, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, de handtekening van de advocaat. Ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak wordt een getuigschrift van de woonplaats van de persoon bedoeld in het tweede lid, onder de bepaling onder 3 bij het verzoekschrift gevoegd. Het getuigschrift wordt afgegeven door het gemeentebestuur. Ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak worden de partijen of, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, wordt de eisende partij door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen acht, respectievelijk twee dagen na de inschrijving van het verzoekschrift op de algemene rol te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt, Iedere houder van een recht of titel op het betrokken goed kan bij verzoekschrift op tegenspraak of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid doordat het ondanks pogingen van de verzoeker in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de identiteit van zelfs een van de bezetters van het goed te bepalen, bij eenzijdig verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het vredegerecht, een vordering inleiden tot uithuiszetting uit plaatsen die zonder recht of titel worden betrokken. Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van nietigheid : 1. de dag, de maand en het jaar; 2. de naam, de voornaam 3 en de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3. behalve ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, de naam, de voornaam en de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de persoon tegen wie de vordering is ingesteld; 4. het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5. de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat, of, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, de handtekening van de advocaat. Ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak wordt een getuigschrift van de woonplaats van de persoon bedoeld in het tweede lid, onder de bepaling onder 3 bij het verzoekschrift gevoegd. Het getuigschrift wordt afgegeven door het gemeentebestuur. Ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak worden de partijen of, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, wordt de eisende partij door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om binnen acht, respectievelijk twee dagen na de inschrijving van het verzoekschrift op de algemene rol te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt, 2774/001 DOC 55 322 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E onverminderd zijn mogelijkheid om deze termijnen op verzoek van een advocaat of gerechtsdeurwaarder in te korten. Bij de oproeping wordt, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak, een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. Wanneer de partijen verschijnen, probeert de rechter hen te verzoenen. De vrederechter kan op de inleidingszitting de zaak aanhouden of ze verwijzen opdat er op een nabije datum zou worden over gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt. Het vonnis vermeldt dat de partijen niet tot verzoening kwamen. In afwijking van artikel 747 worden op de inleidingszitting, ingeval het verzoek bij verzoekschrift op tegenspraak wordt ingeleid inzake een vordering tot uithuiszetting, conclusietermijnen ambtshalve en op nabije datum vastgesteld door de vrederechter. De partijen doen hun opmerkingen uiterlijk op de inleidingszitting gelden. onverminderd zijn mogelijkheid om deze termijnen op verzoek van een advocaat of gerechtsdeurwaarder in te korten. Bij de oproeping wordt, ingeval het verzoek wordt ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak, een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. Wanneer de partijen verschijnen, probeert de rechter hen te verzoenen. De vrederechter kan op de inleidingszitting de zaak aanhouden of ze verwijzen opdat er op een nabije datum zou worden over gepleit, waarbij hij de duur van de debatten bepaalt. Het vonnis vermeldt dat de partijen niet tot verzoening kwamen. In afwijking van artikel 747 worden op de inleidingszitting, ingeval het verzoek bij verzoekschrift op tegenspraak wordt ingeleid inzake een vordering tot uithuiszetting, conclusietermijnen ambtshalve en op nabije datum vastgesteld door de vrederechter. De partijen doen hun opmerkingen uiterlijk op de inleidingszitting gelden. Artikel 1727, § 2 tot 4 Artikel 1727, § 2 tot 4 § 2. De opdrachten van de Commissie zijn de volgende: 1° de instanties voor de opleiding van bemiddelaars en de opleiding die zij organiseren, erkennen of de erkenning ervan intrekken; 2° de minimumprogramma's inzake theoretische en praktische opleiding bepalen, evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure; 3° de bemiddelaars erkennen naargelang de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk; 4° beslissen over de inschrijving op de lijst van bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning verkregen hebben van een daartoe gemachtigde instantie in dat land; § 2. De opdrachten van de Commissie zijn de volgende: 1° de instanties voor de opleiding van bemiddelaars en de opleiding die zij organiseren, erkennen of de erkenning ervan intrekken; 2° de minimumprogramma's inzake theoretische en praktische opleiding bepalen, evenals de evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure; die de kandidaten- bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld; 2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning van bemiddelaars te bepalen; 3° de bemiddelaars erkennen naargelang de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk; 4° beslissen over de inschrijving op de lijst van bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning verkregen hebben van een daartoe gemachtigde instantie in dat land; 323 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 5° een deontologische code opstellen; 6° behandelen van de klachten tegen bemiddelaars of tegen de instellingen die de opleidingen verschaffen; advies verlenen in geval van betwisting van het honorarium van bemiddelaars en sancties opleggen jegens bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan de bepalingen van de deontologische code opgesteld door de Commissie; 7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle reglementaire beslissingen van de Commissie in het Belgisch Staatsblad; 8° de sanctieprocedure ten aanzien van de bemiddelaars bepalen; 9° een met redenen omkleed advies verlenen aan de minister van Justitie met betrekking tot de voorwaarden waaraan een vereniging van bemiddelaars moet voldoen om als representatief te gelden; 10° de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden bij de hoven en rechtbanken, bij de federale, gemeenschaps-, gewestelijke en lokale overheden; 11° het publiek inlichten over de mogelijkheden geboden door bemiddeling; 12° alle nodige maatregelen nemen om de behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes en praktijken van bemiddeling en andere vormen van geschillenoplossing te onderzoeken en te ondersteunen; 13° een jaarverslag over de uitvoering van haar wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op haar website; 14° waken over de goede organisatie van haar bureau en van haar commissies. 5° een deontologische code opstellen; 6° behandelen van de klachten tegen bemiddelaars of tegen de instellingen die de opleidingen verschaffen; advies verlenen in geval van betwisting van het honorarium van bemiddelaars en sancties opleggen jegens bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan de bepalingen van de deontologische code opgesteld door de Commissie; 7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle reglementaire beslissingen van de Commissie in het Belgisch Staatsblad; 8° de sanctieprocedure ten aanzien van de bemiddelaars bepalen; 9° een met redenen omkleed advies verlenen aan de minister van Justitie met betrekking tot de voorwaarden waaraan een vereniging van bemiddelaars moet voldoen om als representatief te gelden; 10° de lijst van bemiddelaars opstellen en volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden bij de hoven en rechtbanken, bij de federale, gemeenschaps-, gewestelijke en lokale overheden; 11° het publiek inlichten over de mogelijkheden geboden door bemiddeling; 12° alle nodige maatregelen nemen om de behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes en praktijken van bemiddeling en andere vormen van geschillenoplossing te onderzoeken en te ondersteunen; 13° een jaarverslag over de uitvoering van haar wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op haar website; 14° waken over de goede organisatie van haar bureau en van haar commissies. § 3. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau en voor een periode van twee jaar een voorzitter en ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris, waarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Het voorzitterschap en ondervoorzitter-schap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, § 3. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter aan en een ondervoorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretariswaarbij die ambten afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige worden bekleed. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen en ondervoorzitterschappen in aantal maanden 2774/001 DOC 55 324 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gerechtsdeurwaarders, bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen. De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter van de federale bemiddelingscommissie. gelijk is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het ondervoorzitterschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen. De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter van de federale bemiddelingscommissie. § 4. Het bureau legt aan de algemene vergadering voorstellen voor in het kader van de aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 11° en 12°. Het bureau keurt de beslissingen of adviezen van de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3. Het bureau coördineert de activiteiten van de Commissie, waakt over de uitvoering van de beslissingen genomen door haar organen, onder meer die bedoeld in artikel 1727, § 2, 6°, en is belast met het dagelijks beheer. Het bereidt tevens het jaarverslag bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, voor en legt het ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering. § 4. Het bureau legt aan de algemene vergadering voorstellen voor in het kader van de aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2, 8°, 9°, 10°, 11° en 12°. Het bureau keurt de beslissingen of adviezen van de commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3. Het bureau coördineert de activiteiten van de Commissie, waakt over de uitvoering van de beslissingen genomen door haar organen, onder meer die bedoeld in artikel 1727, § 2, 6° 7°, en is belast met het dagelijks beheer. Het bereidt tevens het jaarverslag bedoeld in artikel 1727/1, vijfde lid, voor en legt het ter goedkeuring voor aan de algemene vergadering. Artikel 1727/4, § 1er Artikel 1727/4, § 1er § 1. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming bestaan elk uit vijf leden, een voorzitter, twee vaste leden en twee plaatsvervangende leden. Met uitzondering van de voorzitter, telt elke commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. Bij afwezigheid wordt de voorzitter vervangen door een ander lid van het bureau, van dezelfde taalgroep. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. § 1. De commissie voor de erkenning van Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de commissie voor de erkenning van opleidingen en de opvolging van de permanente vorming bestaan elk uit vijf leden, een voorzitter, twee vaste leden en twee plaatsvervangende leden. Met uitzondering van de voorzitter, telt elke commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid aangewezen. Bij afwezigheid wordt de voorzitter vervangen door een ander lid van het bureau, van dezelfde taalgroep. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Een oproep tot kandidaten 325 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen uit de in lid 3 bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd. Deze leden worden benoemd door de minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld door het bureau, en waarin een met redenen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau een voorzitter voor elke commissie aan. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen de aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een Nederlandstalige en een Franstalige. 2774/001 DOC 55 326 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau voor een periode van twee jaar een voorzitter voor elke commissie aan, waarbij dit ambt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige wordt bekleed. De algemene vergadering wijst te midden van de leden van het bureau voor een periode van twee jaar een voorzitter voor elke commissie aan, waarbij dit ambt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige wordt bekleed. Artikel 1727/5 Artikel 1727/5 § 1. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf leden, een voorzitter, vier effectieve assessoren en twee plaatsvervangende assessoren. Met uitzondering van de voorzitter, telt de commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De commissie bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college met elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter. De commissie wordt voorgezeten door een lid van het bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen zitting meer heeft in een andere vaste of bijzondere commissie. Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan. Dit ambt wordt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige bekleed. De voorzitter moet het bewijs leveren van voldoende kennis van de andere landstaal. Ten minste een lid van het Nederlandstalig college of het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. De assessoren, die geen lid mogen zijn van de federale bemiddelingscommissie, worden voorgedragen door de algemene vergadering en benoemd door de minister van Justitie bij een met redenen omklede beslissing. De voordracht wordt met redenen omkleed op grond van hun vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen van geschillen. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. § 1. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf leden, een voorzitter, vier effectieve assessoren en twee plaatsvervangende assessoren. Met uitzondering van de voorzitter, telt de commissie evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De commissie bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college met elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter. De commissie wordt voorgezeten door een lid van het bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen zitting meer heeft in een andere vaste of bijzondere commissie. Het bureau wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan. en ziet er bij de benoeming op toe dat de duur van de voorzitterschappen de aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend door een Nederlandstalige en een Franstalige bekleed. De voorzitter moet het bewijs leveren van voldoende kennis van de andere landstaal. Ten minste een lid van het Nederlandstalig college of het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits. De assessoren, die geen lid mogen zijn van de federale bemiddelingscommissie, worden voorgedragen door de algemene vergadering en benoemd door de minister van Justitie bij een met redenen omklede beslissing. De voordracht wordt met redenen omkleed op grond van hun vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen van geschillen. De Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling. “§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. 327 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd worden door het ontslag van het lid of door een met redenen omklede beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal worden verlengd. § 2. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, belast met de tucht van bemiddelaars overeenkomstig artikel 1727, § 2, 5°, en met de behandeling van klachten tegen bemiddelaars en tegen instellingen die opleidingen in bemiddeling verschaffen, en verstrekt advies bij betwisting van het honorarium van bemiddelaars. De keuze van het college, Franstalig of Nederlandstalig, wordt gemaakt door de bemiddelaar of de instelling die het voorwerp uitmaakt van de procedure. De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling is ook belast met het formuleren van voorstellen overeenkomstig artikel 1727, § 2, 7 ° en 10 °, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering. § 2. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling is, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, belast met de tucht van bemiddelaars overeenkomstig artikel 1727, § 2, 5° 6°, en met de behandeling van klachten tegen bemiddelaars en tegen instellingen die opleidingen in bemiddeling verschaffen, en verstrekt advies bij betwisting van het honorarium van bemiddelaars. De keuze van het college, Franstalig of Nederlandstalig, wordt gemaakt door de bemiddelaar of de instelling die het voorwerp uitmaakt van de procedure. De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling is ook belast met het formuleren van voorstellen overeenkomstig artikel 1727, § 2, 7° en 10°, 5° en 8°, die ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering. § 3. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling stelt haar reglement van procesvoering op. Het reglement wordt door de algemene vergadering bekrachtigd. Na goedkeuring ervan door de algemene vergadering wordt het reglement op de website van de Commissie bekendgemaakt. § 3. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling stelt haar reglement van procesvoering op. Het reglement wordt door de algemene vergadering bekrachtigd. Na goedkeuring ervan door de algemene vergadering wordt het reglement op de website van de Commissie bekendgemaakt. § 4. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling kan, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, de volgende sancties opleggen ten aanzien van een erkend bemiddelaar: - de verwittiging; - de berisping; - de verplichting om een stage te voldoen gedurende de periode en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling; § 4. De commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling kan, door toedoen van het Nederlandstalig of Franstalig college, de volgende sancties opleggen ten aanzien van een erkend bemiddelaar: - de verwittiging; - de berisping; - de verplichting om een stage te voldoen gedurende de periode en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling; 2774/001 DOC 55 328 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E - de verplichting om het beroep uitsluitend in co- bemiddeling uit te oefenen voor de duur en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling; - de schorsing voor een periode die niet meer dan één jaar mag bedragen; - de intrekking van de erkenning. - de verplichting om het beroep uitsluitend in co- bemiddeling uit te oefenen voor de duur en volgens de nadere regels bepaald door de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling; - de schorsing voor een periode die niet meer dan één jaar mag bedragen; - de intrekking van de erkenning. § 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling een verslag op van de uitvoering van haar opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling evenals in de deontologische code. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie. § 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de tuchtregeling en klachtenbehandeling een verslag op van de uitvoering van haar opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat verslag bevat suggesties met betrekking tot de wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling evenals in de deontologische code. Dat verslag wordt meegedeeld aan de minister van Justitie. Artikel 1734, §1er/1 Artikel 1734, §1er/1 § 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen, hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door de partijen voorgedragen bemiddelaar of bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in. Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, wijst de rechter, bij voorkeur bij toerbeurt, een bemiddelaar of bemiddelaars aan, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, op basis van een lijst van alle bemiddelaars die is opgesteld door de federale bemiddelingscommissie. De rechter kiest, voor zover mogelijk, een bemiddelaar die gevestigd is in de buurt van de woonplaats van de partijen. § 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen, hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door de partijen voorgedragen bemiddelaar of bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit verzoek in. Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, wijst gaat de rechter, bij voorkeur bij toerbeurt, een bemiddelaar of bemiddelaars aan, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld door de Federale bemiddelingscommissie. De rechter kiest voor zover mogelijk, een bemiddelaar die gevestigd is in de buurt van de woonplaats van de partijen. een of meerdere bemiddelaars die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen. 329 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Artikel 8, § 6 Artikel 8, § 6 De politiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, zijn bij de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie vrijgesteld van een voorafgaande machtiging. Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de politiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, het Rijksregisternummer meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om dat nummer te ontvangen of dat het nummer gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie zoals bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers- hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid. Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens te ontvangen of dat die gegevens gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten. De politiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2, 2°, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, zijn bij de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie vrijgesteld van een voorafgaande machtiging. Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de politiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, het Rijksregisternummer meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om dat nummer te ontvangen of dat het nummer gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie zoals bedoeld in de artikelen 14 en 15 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers- hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid. Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel 13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat, in overtreding met de vertrouwelijkheidsverplichting, de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens het Rijksregisternummer meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn om die informatiegegevens dat nummer te ontvangen of dat die gegevens het nummer gebruikt voor andere doeleinden dan voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten. 2774/001 DOC 55 330 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 10 Art. 10 Belg is het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet bezat. Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen. Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit. § 1. Belg is het kind geboren in België en dat, op gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd, staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet bezat geen andere nationaliteit bezit. Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing zijn indien het kind een andere nationaliteit kan verkrijgen, mits zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) administratieve handelingen verrichten bij de diplomatieke of consulaire overheden van het land van de ouders of van één van hen. De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt door de procureur des Konings. § 2. Het in België gevonden pasgeboren kind wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld in België te zijn geboren. § 3. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit. Art. 24bis Art. 24bis De Minister van Justitie legt de richtlijnen vast met betrekking tot de wijze waarop het parket bij de rechtbank van eerste aanleg het onderzoek verricht met het oog op het verlenen van een advies zoals bepaald in deze wet nadat hij het advies heeft ingewonnen van het college van procureurs-generaal. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. Voor de opdrachten die vervuld De Minister van Justitie legt de richtlijnen vast Het college van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen met betrekking tot de wijze waarop het parket bij de rechtbank van eerste aanleg het onderzoek verricht met het oog op het verlenen van een advies zoals bepaald in deze wet nadat hij het advies heeft ingewonnen van het college van procureurs- generaal. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle 331 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E moeten worden teneinde de procureur des Konings in staat te stellen de vereiste adviezen te verstrekken, zijn de politiediensten onderworpen aan zijn gezag. Het college van procureurs-generaal houdt toezicht op de wijze waarop de parketten de opdrachten zoals beschreven in deze wet, uitvoeren. leden van het openbaar ministerie. Voor de opdrachten die vervuld moeten worden teneinde de procureur des Konings in staat te stellen de vereiste adviezen te verstrekken, zijn de politiediensten onderworpen aan zijn gezag. Het college van procureurs-generaal houdt toezicht op de wijze waarop de parketten de opdrachten zoals beschreven in deze wet, uitvoeren. Hoofdstuk Vter. - Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie Art 24ter (nieuw) § 1. Een Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie. Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden toekent aan de Procureur des Konings, verleent de Centrale Autoriteit niet-bindende adviezen, op vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen of wachtregister, in geval van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een of meer bepalingen van dit Wetboek. § 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. § 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit verleent advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit. § 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit brengt het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van het 2774/001 DOC 55 332 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd. Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Hoofdstuk 6. Bewijs van erfgenaamschap Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een erflater vrij, indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging: § 1. Al wie als erfgerechtigde tot een nalatenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging voor te leggen. a) van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie; of De langstlevende echtgenoot kan door voorlegging van een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden, zelfs indien de akte of attest de devolutie van de nalatenschap van zijn overleden echtgenoot niet vermeldt. b) van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris. Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aangewezen beheerder van de nalatenschap kunnen hun bevoegdheden om de goederen van de nalatenschap te beheren of om daarover te beschikken, bewijzen door een akte of een attest van erfopvolging voor te leggen. Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid bedoelde vrijgave van tegoeden. § 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opgemaakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de in de paragraaf 1 vermelde personen, of, desgevallend, hun rechtsopvolgers. § 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld door een notaris. § 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen waarin de nalatenschap van de erflater niet uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, in geval van bestaan van onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden of indien er sprake is van een uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst, een contractuele erfstelling of een Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, indien er geen onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden zijn en indien er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in hoofde van de erflater, kan een akte of een attest van erfopvolging ook worden opgemaakt door een ambtenaar van het bevoegde kantoor 333 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E huwelijksovereenkomst in hoofde van de erflater is alleen de notaris bevoegd om een akte of een attest van erfopvolging af te leveren. van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. § 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op duidelijke wijze wie de erfgenamen en erfgerechtigden zijn die aanspraak kunnen maken op de tegoeden van de erflater, met vermelding van volgende identificatiegegevens: naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en eventueel de datum van overlijden. De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister in overeenkomstig artikel 4.126. In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest van erfopvolging het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. § 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging vermeldt de volgende gegevens: § 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen elke aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen of erfgerechtigden kunnen aanwijzen. 1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; § 6. De akte of het attest van erfopvolging, opgemaakt overeenkomstig de paragrafen 3 tot 5, geldt, tegenover derden te goeder trouw, als bewijs van hun erfgerechtigdheid of van hun erfgenaamschap voor alle personen die daarin als dusdanig zijn vermeld. 2° het op de nalatenschap toepasselijk recht. § 4. Voor zover vereist door de wet, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald: 1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, eventueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen; 2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid: of, en in voorkomend geval hoe en wanneer ze hun erfkeuze hebben uitgeoefend, de omvang van het erfdeel, de omschrijving van de goederen die hen toekomen, de aard van 2774/001 DOC 55 334 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hun rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; 3° in voorkomend geval van de langstlevende echtgenoot: de gegevens over hun huwelijk en hun huwelijksstelsel, de omschrijving van de goederen die hem toekomen, de aard van zijn rechten, en de beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschikking; tevens of hij een keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, en in voorkomend geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitgeoefend, evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang van goederen betreft; 4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe en wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld, dan wel dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden; 5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van de nalatenschap: de omvang van zijn bevoegdheden en de gegevens met betrekking tot de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen. De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan, wanneer een akte van erfopvolging voor verschillende doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van de akte afleveren voor een bepaald doel. Het uittreksel bevat alle informatie die vereist is om de beoogde doelstelling te bereiken. De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor de vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke akte of attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in het tweede lid bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze doelstelling opgemaakt of afgeleverd, met de door de wet vereiste vermeldingen. Het bevat de gegevens van de personen vermeld in het eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor zover deze personen op deze tegoeden gerechtigd zijn. In de mate waarin een akte van erfopvolging de verkrijging van zakelijke rechten ter zake des 335 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E doods vaststelt met betrekking tot onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°, mag de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van die akte een letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.31. § 5. De notaris en het kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen de aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoeker voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de door hen verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn door paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het attest zou worden afgegeven. § 6. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn vermeld, worden geacht de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kunnen uitoefenen. Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de in de akte of het attest van erfopvolging vermelde informatie met een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld, wordt geacht te handelen met een persoon die de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid heeft. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien de schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan of op instructie van de personen die in de akte of het attest van erfopvolging zijn aangewezen als degene die op deze tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op instructie van een gerechtsmandataris. De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld, ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van deze tegoeden. 2774/001 DOC 55 336 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging opgesteld door een ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie: 1° de materiële vormen van de akte bepalen; 2° de modaliteiten inzake de aflevering van uitgiften en uittreksels van de akte bepalen; 3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de akte bepalen; 4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten te waarborgen; 5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan Hij het model bepaalt en bepalen of de aanvraag op een gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend alsmede de modaliteiten van haar indiening. De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, gelden eveneens voor de attesten van erfopvolging opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie overeenkomstig dit artikel. De Koning kan bepalen dat deze attesten op een gedematerialiseerde wijze kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede de modaliteiten van hun aflevering. Art. 4.125. Doeleinden Art. 4.125. Doeleinden Het centraal erfrechtregister is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde: Het centraal erfrechtregister is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doeleinde: 1° binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan derden, op elektronische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken; 1° binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan derden, op elektronische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken; a) van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen; a) van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen; b) van de identiteit van de personen die een nalatenschap hebben verworpen of aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; b) van de identiteit van de personen die een nalatenschap hebben verworpen of aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; c) van de gerechtelijke maatregelen genomen met betrekking tot het beheer van een nalatenschap. c) van de gerechtelijke maatregelen genomen met betrekking tot het beheer van een nalatenschap. 1°/1 binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, op geautomatiseerde wijze de 337 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vaststelling van de hoedanigheid van erfgenaam mogelijk te maken zoals bedoeld in artikel 14, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende de invoering van de Notariële Aktebank; 2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren. 2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register te verbeteren. Art. 4.126. Op te nemen akten Art. 4.126. op te nemen akten § 1. In het centraal erfrechtregister worden opgenomen: § 1. In het centraal erfrechtregister worden opgenomen: 1° de akten en attesten van erfopvolging die door een notaris worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.59; 1° de akten en attesten van erfopvolging die door een notaris worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.59; 2° de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van Verordening nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, alsmede de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van dezelfde Verordening; 2° de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van Verordening nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, alsmede de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van dezelfde Verordening; 3° de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van die Europese erfrechtverklaringen; 3° de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van die Europese erfrechtverklaringen; 4° de akten houdende de verklaring van verwerping, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.44; 4° de akten houdende de verklaring van verwerping, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.44; 5° de akten houdende de verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49; 5° de akten houdende de verklaring waarbij een erfgenaam te kennen geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbeschrijving aanneemt, die worden opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49; 2774/001 DOC 55 338 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van een beheerder van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing van een curator over een onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek. 6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van een beheerder van een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing van een curator over een onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. De notaris schrijft de akten en attesten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De inschrijving van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door een notaris, alsmede de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van deze Europese erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de notaris. § 2. De notaris schrijft de akten en attesten bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De inschrijving van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door een notaris, alsmede de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van deze Europese erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de notaris. Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die het heeft opgemaakt, in. De griffier van het rechtscollege dat de beslissing heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van de voormelde Verordening (EU) nr. 650/2012. De griffier van het rechtscollege dat de beslissing heeft uitgesproken, stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de Europese erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van de voormelde Verordening (EU) nr. 650/2012. Art. 4.127. In te schrijven gegevens Art. 4.127. In te schrijven gegevens § 1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: § 1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: 1° van de erflater: 1° van de erflater: a) de naam en voorna(a)m(en); a) de naam en voorna(a)m(en); b) het rijksregisternummer; b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; c) de geboortedatum en -plaats; c) de geboortedatum en -plaats; d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats; d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats; e) de plaats en de datum van overlijden; e) de plaats en de datum van overlijden; 1°/1 van de erfgenamen: a) de naam en voorna(a)m(en); b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 339 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° van de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49: 2° van de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49: a) de naam en voorna(a)m(en) in geval van een natuurlijke persoon, of, de naam of benaming in geval van een rechtspersoon; a) de naam en voorna(a)m(en) in geval van een natuurlijke persoon, of, de naam of benaming in geval van een rechtspersoon; b) de rechtsvorm in geval van een rechtspersoon; b) de rechtsvorm in geval van een rechtspersoon; c) het rijksregisternummer of in voorkomend geval het ondernemingsnummer; c) het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of in voorkomend geval het ondernemingsnummer; d) de geboortedatum en -plaats in geval van een natuurlijke persoon; d) de geboortedatum en -plaats in geval van een natuurlijke persoon; e) de woonplaatskeuze in geval van een verklaring overeenkomstig artikel 4.49; e) de woonplaatskeuze in geval van een verklaring overeenkomstig artikel 4.49; 3° van de aangestelde curator of beheerder van de nalatenschap, in geval van inschrijving van een vonnis of arrest tot aanstelling overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58: 3° van de aangestelde curator of beheerder van de nalatenschap, in geval van inschrijving van een vonnis of arrest tot aanstelling overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58: a) de naam en de voorna(a)m(en); a) de naam en de voorna(a)m(en); b) de functie; b) de functie; c) het kantooradres; c) het kantooradres; 4° de aard en de datum van de akte, het attest of de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door een notaris, met aanduiding van het voorwerp van de verklaring in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49; 4° de aard en de datum van de akte, het attest of de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door een notaris of door een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, met aanduiding van het voorwerp van de verklaring in geval van inschrijving van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49; 5° de aard en de datum van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door de rechtbank of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder; 5° de aard en de datum van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring indien opgemaakt door de rechtbank of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder; 6° de identificatie van de notaris, die de akte heeft verleden of het attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het rechtscollege dat de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder heeft gewezen; 6° de identificatie van de notaris, die de akte heeft verleden of het attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het attest van erfopvolging heeft opgemaakt, van het rechtscollege dat de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder heeft gewezen; 2774/001 DOC 55 340 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte of de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de attesten van erfopvolging, de referentie van het kantoor; 7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte of de Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de attesten van erfopvolging, de referentie van het kantoor van de notaris of van het bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie; 8° in voorkomend geval, de referentie volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier) van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder en bij gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of het arrest. 8° in voorkomend geval, de referentie volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier) van de beslissing houdende de Europese erfrechtverklaring of van de beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder en bij gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of het arrest. § 2. Het centraal erfrechtregister geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen. § 2. Het centraal erfrechtregister geldt als authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen. Art. 4.128. Inschrijvingskosten Art. 4.128. Inschrijvingskosten en mededeling in het Belgisch Staatsblad De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register. De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het register en de modaliteiten en de kosten van de mededeling in het Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving. Art. 4.131. Raadpleging Art. 4.131. Raadpleging § 1. De gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister zijn toegankelijk voor: § 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald onder artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens opgenomen in het centraal erfrechtregister toegankelijk voor: 1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de griffiers en magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun ambt; 1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de advocaten en de griffiers en magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun ambt; 2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut indien de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten; 2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut indien de kennisneming noodzakelijk is voor de uitvoering van hun wettelijke opdrachten; 3° eenieder, voor zover zij een actueel en rechtmatig belang kunnen aantonen. Het belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen getroffen worden door het overlijden van de erflater of door de erfkeuzes van de erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig belang wordt vermeld in het verzoek tot raadpleging. 3° eenieder, voor zover zij een actueel en rechtmatig belang kunnen aantonen. Het belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen getroffen worden door het overlijden van de erflater of door de erfkeuzes van de erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig belang wordt vermeld in het verzoek tot raadpleging. 341 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken. § 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal erfrechtregister opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in paragraaf 1. § 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal erfrechtregister opgenomen gegevens mee te delen aan andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in paragraaf 1. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. § 3. De toegang tot de gegevens van het centraal erfrechtregister is kosteloos. § 3. De toegang tot de gegevens van het centraal erfrechtregister is kosteloos. De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers. De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers. Art. 4.258. Later opdagende erfgenamen Art. 4.258. Later opdagende erfgenamen Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen invloed op de geldigheid van de overeenkomst, maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen opzichte. Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen invloed op de geldigheid van de overeenkomst, maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen opzichte. Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in de eerste paragraaf, worden de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen bij de overeenkomst. Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in het eerste lid, worden de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen bij de overeenkomst. Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen 2774/001 DOC 55 342 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Onderafdeling 2. - De aansprakelijkheid en plichten inzake de opmaak van een akte of attest van erfopvolging bedoeld in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek Onderafdeling 2. - De aansprakelijkheid en plichten inzake de opmaak van een akte of attest van erfopvolging bedoeld in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek Art. 43, § 1 Art. 43, § 1 § 1. Om de inning van zekere en vaststaande fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, die de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling verschuldigd zijn, te verzekeren zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, verschuldigde sommen uit hoofde van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die ter kennis gebracht kunnen worden overeenkomstig artikel 44, indien zij daarvan geen bericht geven aan: § 1. Om de inning van zekere en vaststaande fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, die de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling verschuldigd zijn, te verzekeren zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, verschuldigde sommen uit hoofde van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die ter kennis gebracht kunnen worden overeenkomstig artikel 44, indien zij daarvan geen bericht geven aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën., en dit op elektronische wijze; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën., en dit op elektronische wijze; 2° de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. 2° de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. Wanneer het gaat om door de erflater verschuldigde sommen, is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om door de erflater verschuldigde sommen, is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om door de rechtverkrijgenden verschuldigde sommen is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die Wanneer het gaat om door de rechtverkrijgenden verschuldigde sommen is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die 343 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Art. 46, § 1 Art. 46, § 1 § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de schulden waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van artikel 44, kan diegene die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel 44 werd gedaan. § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de schulden waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van artikel 44, kan diegene die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel 44 werd gedaan. In afwijking van het eerste lid kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of een gerechtsmandataris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt, waarin wordt vermeld: In afwijking van het eerste lid kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een contractuele erfstelling of een gerechtsmandataris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt, waarin wordt vermeld: a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van artikel 44 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van artikel 44 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan deze erfgenaam, legataris, begunstigde van een contractuele erfstelling of gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met de tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen. b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan deze erfgenaam, legataris, begunstigde van een contractuele erfstelling of gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met de tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen. Art. 48 Art. 48 De artikelen 43 tot 47 zijn van toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te maken. De artikelen 43 tot 47 zijn van toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk 2774/001 DOC 55 344 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te maken. Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Art. 15/3 Art. 15/3 § 1. Onverminderd de maatregelen bepaald in artikel 15/2, legt de commissie, in geval van inbreuk op de artikelen 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 43/4, 46, 54, 58, 60, 62, en onder de voorwaarden bepaald in artikel 15/1, § 1, aan de daders een administratieve geldboete op. § 2. Het minimumbedrag en het maximumbedrag van de administratieve geldboete komen respectievelijk overeen met het minimumbedrag en het maximumbedrag, verhoogd met de opdecimes, van de strafrechtelijke geldboete, bepaald bij deze wet, die hetzelfde feit sanctioneert. De omvang van de administratieve geldboete is evenredig ten aanzien van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele herhaling. § 3. De beslissing van de commissie bepaalt het bedrag van de administratieve boete en is met redenen omkleed. § 4. De kennisgeving van de beslissing waarbij het bedrag van de administratieve boete, wordt vastgesteld, doet de strafvordering vervallen. § 5. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit dat de bij deze wet vastgestelde inbreuken oplevert. § 1. Onverminderd de maatregelen bepaald in artikel 15/2, legt de commissie, in geval van inbreuk op de artikelen 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 43/4, 46, 54, 58, 60, 61, tweede lid, 62 en onder de voorwaarden bepaald in artikel 15/1, § 1, aan de daders een administratieve geldboete op. § 2. Het minimumbedrag en het maximumbedrag van de administratieve geldboete komen respectievelijk overeen met het minimumbedrag en het maximumbedrag, verhoogd met de opdecimes, van de strafrechtelijke geldboete, bepaald bij deze wet, die hetzelfde feit sanctioneert. De omvang van de administratieve geldboete is evenredig ten aanzien van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele herhaling. § 3. De beslissing van de commissie bepaalt het bedrag van de administratieve boete en is met redenen omkleed. § 4. De kennisgeving van de beslissing waarbij het bedrag van de administratieve boete, wordt vastgesteld, doet de strafvordering vervallen. § 5. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit dat de bij deze wet vastgestelde inbreuken oplevert. §6. De Commissie kan ermee instemmen de tenuitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve boete geheel of gedeeltelijk op te schorten op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet heeft ontvangen. 345 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De beslissing waarbij het uitstel, wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn. Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proeftijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete. Het uitstel wordt automatisch herroepen indien tijdens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe administratieve geldboete. Van de herroeping van het uitstel wordt kennis gegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd. De administratieve geldboete waarvan de betaling afdwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt gecumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd. Art. 52 Art. 52 Elk model van materiaal of van toestel dat met het oog op het gebruik door een vergunninghouder bepaald in deze wet, is ingevoerd of vervaardigd binnen de grenzen en voorwaarden vastgesteld in een vergunning klasse E, moet, teneinde op het Belgische grondgebied te kunnen worden verkocht of geëxploiteerd, goedgekeurd worden door de commissie op basis van de controles uitgevoerd door een van de instanties die vermeld zijn in het tweede lid van onderhavig artikel. Als bewijs van de goedkeuring wordt een goedkeuringsattest uitgereikt. De controles op basis waarvan de goedkeuring wordt verleend, worden uitgevoerd : - hetzij door de dienst technische evaluaties van de kansspelcommissie; - hetzij door een instelling die hiertoe geaccrediteerd is in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Elk model van materiaal of van toestel dat met het oog op het gebruik door een vergunninghouder bepaald in deze wet, is ingevoerd of vervaardigd binnen de grenzen en voorwaarden vastgesteld in een vergunning klasse E, moet, teneinde op het Belgische grondgebied te kunnen worden verkocht of geëxploiteerd, goedgekeurd worden door de commissie op basis van de controles uitgevoerd door een van de instanties die vermeld zijn in het tweede lid van onderhavig artikel. Als bewijs van de goedkeuring wordt een goedkeuringsattest uitgereikt. De controles op basis waarvan de goedkeuring wordt verleend, worden uitgevoerd : - hetzij door de dienst technische evaluaties van de kansspelcommissie; - hetzij door een instelling die hiertoe geaccrediteerd is in het raam van titel 2 van Boek VIII, van het Wetboek van economisch recht, onder toezicht van de dienst Technische evaluaties van de kansspelcommissie; 2774/001 DOC 55 346 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Europese Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, onder toezicht van de dienst Technische evaluaties van de kansspelcommissie; De controles bij de ingebruikneming en bij het gebruik van het materiaal of van de toestellen bedoeld in het eerste lid worden eveneens uitgevoerd door de instanties bedoeld in het tweede lid. De controles bij de ingebruikneming en bij het gebruik van het materiaal of van de toestellen bedoeld in het eerste lid worden eveneens uitgevoerd door de instanties bedoeld in het tweede lid. Art. 55 Art. 55 Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 ingesteld. De doelstellingen van dit systeem zijn: 1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen; 2° de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54. Voor iedere persoon maakt de volgende informatie het voorwerp uit van een verwerking: 1° de naam en voornamen; 2° de geboorteplaats en -datum; 3° de nationaliteit; 4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis van dit nummer, het nummer toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1991 betreffende de samenstelling en de wijze van toekenning van het identificatienummer van de natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen; 5° het beroep; 6° voorzover ze bestaat, de beslissingen van ontzegging bedoeld in artikel 54, § 3 en § 4 Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 ingesteld. De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid. De doelstellingen van dit systeem zijn: 1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen; 2° de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54. Voor iedere persoon maakt de volgende informatie het voorwerp uit van een verwerking: 1° de naam en voornamen; 2° de geboorteplaats en -datum; 3° de nationaliteit; 4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis van dit nummer, het nummer toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1991 betreffende de samenstelling en de wijze van toekenning van het identificatienummer van de natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen; 5° het beroep; 6° voorzover ze bestaat, de beslissingen van ontzegging bedoeld in artikel 54, § 3 en § 4 347 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uitgesproken door de kansspelcommissie, de datum en de motivering van deze beslissing. Tegen betaling van een bijdrage, wordt een vaste on-line toegang tot alle categorieën van informatie bedoeld in het derde lid verleend aan de kansspelcommissie. Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalt de Koning het bedrag van de in het vierde lid bedoelde bijdrage, de beheersregels van het systeem van informatieverwerking en de nadere regels inzake de informatieverwerking en de toegang tot het systeem. uitgesproken door de kansspelcommissie, de datum en de motivering van deze beslissing. Tegen betaling van een bijdrage, wordt een vaste on-line toegang tot alle categorieën van informatie bedoeld in het derde lid verleend aan de kansspelcommissie. Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bepaalt de Koning het bedrag van de in het vierde lid bedoelde bijdrage, de beheersregels van het systeem van informatieverwerking en de nadere regels inzake de informatieverwerking en de toegang tot het systeem. Art. 58 Art. 58 Behoudens het gebruik van kredietkaarten en debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I mag niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm van lening of krediet toestaan of met hen een geldelijke of materiële transactie aangaan ter betaling van een inzet of een verlies. Een verrichting waarvan de som 10.000 euro of meer bedraagt, moet gebeuren door middel van een kredietkaart of debetkaart. De betaling met kredietkaarten is verboden in de kansspelinrichtingen klasse II, III en IV en voor de kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten. De exploitanten van de kansspelinrichtingen zijn verplicht in alle voor het publiek toegankelijke lokalen op duidelijk leesbare en goed zichtbare wijze het verbod van kredietverlening, bepaald in het eerste lid, ter kennis te brengen van hun cliënteel. De aanwezigheid van geldautomaten in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is verboden. De aanwezigheid van geldwisselaars in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is toegelaten. Behoudens het gebruik van kredietkaarten en debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I mag niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm van lening of krediet toestaan of met hen een geldelijke of materiële transactie aangaan ter betaling van een inzet of een verlies. Een verrichting waarvan de som 3.000 euro of meer bedraagt, moet gebeuren door middel van een kredietkaart of debetkaart. De betaling met kredietkaarten is verboden in de kansspelinrichtingen klasse II, III en IV en voor de kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten. De exploitanten van de kansspelinrichtingen zijn verplicht in alle voor het publiek toegankelijke lokalen op duidelijk leesbare en goed zichtbare wijze het verbod van kredietverlening, bepaald in het eerste lid, ter kennis te brengen van hun cliënteel. De aanwezigheid van geldautomaten in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is verboden. De aanwezigheid van geldwisselaars in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is toegelaten. Art. 62 Art. 62 In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV is slechts In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV is slechts 2774/001 DOC 55 348 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toegestaan wanneer de betrokken persoon een identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en adres in een register inschrijft. De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen. Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende ten minste vijf jaar na zijn laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd. Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers. De commissie kan de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de over heden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen. toegestaan wanneer de betrokken persoon een identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en adres in een register inschrijft. Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden genomen en bewaard in het register. De doelstelling van dit register is de commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van de betrokkene. De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen. Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende een termijn van maximum tien jaar na zijn laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd. Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers. De commissie kan de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de over heden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt. De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen. 349 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 62/1 Art. 62/1 Elke inbreuk op de voorwaarden omschreven in artikel 3ter wordt gestraft met geldboete van honderd euro tot honderdduizend euro. Opgeheven. Art. 64 Art. 64 De daders van inbreuken op de bepalingen van de artikelen 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 43/4, 54, 60 en 62 worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en met een boete van 26 frank tot 25 000 frank of met één van die straffen alleen. De daders van inbreuken op de bepalingen van de artikelen 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3, 43/4, 54, 60, 61, tweede lid en 62 worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en met een boete van 26 frank tot 25 000 frank of met één van die straffen alleen. Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen TITEL VIquater. - Samenwerking met het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn TITEL VIquater. - Samenwerking met de internationale Onderzoeksmechanismen Art. 91. Art. 91. Voor de toepassing van Titel VIquater van deze wet wordt verstaan onder : - "Mechanisme" : het internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, ingesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bij haar resolutie 71/248 van 21 december 2016; - "Statuut" : het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, getiteld "Toepassing van de resolutie tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar de meest ernstige schendingen van internationaal recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Voor de toepassing van Titel VIquater van deze wet wordt verstaan onder : - "Mechanismen”: de internationale Onderzoeksmechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard ; - "Statuut" : het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is; 2774/001 DOC 55 350 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn", met referentienummer A/71/755; - "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van het Mechanisme alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij uitoefent krachtens het Statuut; - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Mechanisme, te weten binnen de federale Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur. - "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van het Mechanisme alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij uitoefent krachtens het Statuut; - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Mechanisme, te weten binnen de federale Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht; - "Openbaar ministerie" : de federale procureur. Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 6 Art. 6 §1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis driemaal zesendertig uren per trimester te verlaten. §1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis viermaal zesendertig uren per trimester te verlaten. Art. 10 Art. 10 § 2. Binnen veertien werkdagen na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. §2. Binnen veertien werkdagen na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven werkdagen worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven werkdagen worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de 351 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden. uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van een eerste penitentiair verlof, en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd, of van de plaatsing in een transitiehuis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van een eerste uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, §3, van een eerste penitentiair verlof, van de plaatsing in een transitiehuis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd. Art. 14 Art. 14 Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde. In de gevallen bedoeld in artikel 59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing mee aan het openbaar ministerie en aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde. In de gevallen bedoeld in artikel 59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing mee aan het openbaar ministerie en aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in een transitiehuis binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in een transitiehuis binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. Ingeval het een beslissing betreft inzake een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, wordt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, hiervan in kennis gesteld. Ingeval het een beslissing betreft inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, §3, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, wordt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, hiervan in kennis gesteld. TITEL V. – De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten TITEL V. – De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 28 Art. 28 §1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en met uitzondering van de §1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en met uitzondering van de 2774/001 DOC 55 352 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: 1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien; 1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien; 2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden; 2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden; 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid; 4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid; 5° (…); 5° (…); 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is. 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is. Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie. Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie. §2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: §2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: 1° (…); 1° (…); 2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden; 2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden; 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen; 4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het 4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het 353 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is. plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is. Art. 30 Art. 30 §3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient de veroordeelde, die onder elektronisch toezicht staat dat hem werd toegekend op een verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, § 2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn verzoek de elementen die relevant zijn voor de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit en de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie en aan de griffie van de gevangenis, die hen een afschrift van de opsluitingsfiche overzendt. §3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient de veroordeelde, die onder elektronisch toezicht staat dat hem werd toegekend op een verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, § 2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn verzoek de elementen die relevant zijn voor de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie en aan de griffie van de gevangenis, die hen een afschrift van de opsluitingsfiche overzendt. Art. 39 Art. 39 Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden: Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden: 1° geen strafbare feiten plegen; 1° geen strafbare feiten plegen; 2° behalve voor de beperkte detentie een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast; 2° behalve voor de beperkte detentie en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast; 3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast; 3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen die met de begeleiding is belast; 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter. 2774/001 DOC 55 354 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 40 Art. 40 De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. §1. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. §2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten. Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. §3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden. Art. 43 Art. 43 §3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd. §3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan viermaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd. Art. 60 Art. 60 Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt. 355 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied van een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal uitgevoerd worden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld. Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied van een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal uitgevoerd worden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld. (…) (…) Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het 2774/001 DOC 55 356 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld. Art. 65 Art. 65 In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten. In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd. In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen. Art. 66 Art. 66 §2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen, tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. §2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen, tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. §3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen. §3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit, in welk geval hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen, of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen. Art. 67 Art. 67 §1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan hij of zij de §1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan hij of zij de 357 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen. De strafuitvoeringsmodaliteit wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit. strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen. De strafuitvoeringsmodaliteit wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit. §2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt. §2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt. Art. 95/18 Art. 95/18 §2. De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en achtste en negende lid. §2. De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en tiende en elfde lid. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt. De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig artikel 54, § 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig artikel 54, § 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis. De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank. De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt. Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt. 2774/001 DOC 55 358 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens Art. 19, 1° Art. 19, 1° Het is verboden: 1° wapens per postorder of via internet te verkopen of te koop aan te bieden aan particulieren, of de verkoop op afstand van wapens, munitie en laders aan particulieren te organiseren; Het is verboden: 1° wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder of via het internet te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden of over te dragen aan particulieren, of de verkoop op afstand van wapens, munitie en laders aan particulieren te organiseren; Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 157, § 1 Art. 157, § 1 § 1. Om de inning te verzekeren van zekere en vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel 158, en verschuldigd door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de schulden van de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan: § 1. Om de inning te verzekeren van zekere en vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel 158, en verschuldigd door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de schulden van de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht geven aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. 2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. 359 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende welke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende welke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Art. 157/1, §1 Art. 157/1, §1 § 1. Om de inning te verzekeren van zekere en vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel 158/1, en verschuldigd door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de schulden van de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158/1 en mits voor de invordering van die schulden een uitvoerbare titel als bedoeld in artikel 138 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen bestaat vóór 1 januari 2020, indien zij daarvan geen bericht geven aan: § 1. Om de inning te verzekeren van zekere en vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel 158/1, en verschuldigd door de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de schulden van de erflater, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of de begunstigden van een door de erflater gemaakte contractuele erfstelling, mits die schulden het onderwerp kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld in artikel 158/1 en mits voor de invordering van die schulden een uitvoerbare titel als bedoeld in artikel 138 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet- fiscale schuldvorderingen bestaat vóór 1 januari 2020, indien zij daarvan geen bericht geven aan: 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 1° de dienst belast met informatie- en communicatietechnologie van de Federale Overheidsdienst Financiën, en dit op elektronische wijze; 2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1° : 2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het bericht omwille van overmacht of een technische storing niet kan worden meegedeeld overeenkomstig 1° : - de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven; - de ontvangers waaronder de erflater en de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest van erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger van de dienst die door de Koning daarvoor is aangewezen, wanneer de erflater en/of een van zijn rechtverkrijgenden in het buitenland verblijven; 2774/001 DOC 55 360 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E - de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. - de door de Koning aangewezen ambtenaar van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. In dat geval wordt het bericht bij aangetekende zending verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende welke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende welke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Art. 160 Art. 160 § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de ter kennis gebrachte schulden waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van de artikelen 158 en 158/1, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in de artikelen 158 en 158/1 werd gedaan. § 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de ter kennis gebrachte schulden waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van de artikelen 158 en 158/1, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in de artikelen 158 en 158/1 werd gedaan. § 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59 toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling of aan een gerechtsmandataris, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : § 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling of aan een gerechtsmandataris, indien deze een attest van erfopvolging of een uitgifte van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van de artikelen 158 en 158/1 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; a) dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van de artikelen 158 en 158/1 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris, de begunstigde van een 361 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen. contractuele erfstelling of de gerechtsmandataris na betaling van de schulden ter kennis gebracht op naam van de rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden ter kennis gebracht op naam van de erflater, met tegoeden gehouden door de schuldenaar van deze fondsen. § 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in de artikelen 158 en 158/1. § 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in de artikelen 158 en 158/1. Art. 163 Art. 163 De artikelen 157 tot 161 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest van erfopvolging op te maken. De artikelen 157 tot 161 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken. Wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Art. 12 Art. 12 Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, mits hij zijn beslissing ter zake met redenen omkleedt en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld, op verzoek van de houder van een recht of titel op het betrokken goed de ontruiming bevelen binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving van het bevel tot ontruiming bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen. De procureur des Konings geeft zijn bevel na hen te hebben gehoord tenzij het verhoor niet kan worden afgenomen wegens de concrete omstandigheden van de zaak. De procureur des Konings kan het bevel uitsluitend geven wanneer, gelet op de beschikbare gegevens, het in het eerste lid bedoelde verzoek op het eerste zicht kennelijk gegrond lijkt. Hij vermeldt in zijn bevel de omstandigheden, eigen aan het verzoek, die de maatregel tot ontruiming rechtvaardigen. Art. 12. §1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeksrechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen, ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen. De procureur des Konings richt een met redenen omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de volgende gegevens bevat: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is; 3° de identiteit van de bezetters van het betrokken goed voor zover die kan worden achterhaald. 2774/001 DOC 55 362 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd. § 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid : 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het bevel; 3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept; Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen. De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van maximum 72 uur na de ontvangst van het verzoek. De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter beoordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten. Hij hoort de personen, die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet mogelijk is. De beslissing van de onderzoeksrechter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk. Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent, vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed aangetroffen personen. Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd. § 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid: 1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt; 2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het bevel; 3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed waarop hij zich beroept; 363 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, eerste lid; 5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek; 6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarin die uitgeoefend moeten worden. Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming. § 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schorsende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt. Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond. 4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid; 5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek; 6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarbinnen dat beroep moet worden ingediend. Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming. § 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten geschaad worden door het bevel van de procureur des Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schorsende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt. Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond. 2774/001 DOC 55 364 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift. Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens andersluidende bepalingen verloopt de procedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen. De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit. § 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift. Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd. De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens andersluidende bepaling verloopt de procedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan zes maanden bedragen. De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien dagen volgend op de zitting uit. 365 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger beroep worden ingesteld. Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger beroep worden ingesteld. Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Art. 5 Art. 5 §1. De minister installeert binnen drie maanden na zijn benoeming, een penitentiaire beleidsraad. §1. Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht. De penitentiaire beleidsraad verleent, uit eigen beweging of op verzoek van de minister of de Voorzitter van het Directiecomité, adviezen met betrekking tot het penitentiair beleid. De penitentiaire beleidsraad verleent, uit eigen beweging of op verzoek van de minister of de Voorzitter van het Directiecomité, adviezen met betrekking tot het penitentiair beleid. Hij formuleert tevens elke aanbeveling die hij nuttig acht wat betreft zowel lopende als toekomstige wetgevingen aangaande het penitentiair beleid. De minister kan de penitentiaire beleidsraad om advies verzoeken aangaande voorontwerpen van wet met betrekking tot het penitentiair beleid. Hij formuleert tevens elke aanbeveling die hij nuttig acht wat betreft zowel lopende als toekomstige wetgevingen aangaande het penitentiair beleid. De minister kan de penitentiaire beleidsraad om advies verzoeken aangaande voorontwerpen van wet met betrekking tot het penitentiair beleid. De adviezen en aanbevelingen worden bij consensus aangenomen. De adviezen en aanbevelingen worden bij consensus aangenomen. De penitentiaire beleidsraad kan op elk moment personen raadplegen van wie hij het nuttig acht hen te horen in het kader van zijn opdrachten. De penitentiaire beleidsraad kan op elk moment personen raadplegen van wie hij het nuttig acht hen te horen in het kader van zijn opdrachten. De penitentiaire beleidsraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. De penitentiaire beleidsraad stelt zijn huishoudelijk reglement op. §2. De penitentiaire beleidsraad is als volgt samengesteld: §2. De penitentiaire beleidsraad is als volgt samengesteld: 1° de regionaal directeurs van de penitentiaire administratie of hun afgevaardigde; 1° de regionaal directeurs van de penitentiaire administratie of hun afgevaardigde; 2° een personeelslid van de FOD Justitie, aangeduid door de Voorzitter van het Directiecomité; 2° een personeelslid van de FOD Justitie, aangeduid door de Voorzitter van het Directiecomité; 3° een magistraat van het parket, per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de minister op basis van een lijst van telkens drie magistraten voorgesteld door het College van het openbaar ministerie; 3° een magistraat van het parket, per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, op voordracht van het College van het openbaar ministerie, een parketmagistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank; 4° een zetelende rechter per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de minister op basis van een lijst van telkens drie rechters voorgesteld door het College van de hoven en rechtbanken; 4° een zetelende rechter per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank; 5° een advocaat per taalrol, aangeduid door de minister op basis van telkens een lijst van drie 5° op respectievelijke voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de “Ordre des barreaux 2774/001 DOC 55 366 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Ordre des Barreaux francophones et germanophones; francophones et germanophone”, een advocaat per taalrol; 6° een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld, aangeduid door de minister op basis van telkens een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire Raad; 6° op respectievelijke voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld; 7° de Directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie of zijn afgevaardigde en 7° de Directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie of zijn afgevaardigde en 8° een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden; de betrokken vertegenwoordigers worden aangewezen middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen na akkoord van de bevoegde regeringen. 8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit. Een vertegenwoordiger van de minister woont als waarnemer de vergaderingen van de penitentiaire beleidsraad bij. Een vertegenwoordiger van de minister woont als waarnemer de vergaderingen van de penitentiaire beleidsraad bij. De Koning bepaalt de wijze waarop de oproep aan de kandidaten plaats vindt. De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen na akkoord van de bevoegde regeringen, voor een duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd. Art. 8 Art. 8 De Koning bepaalt de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de penitentiaire beleidsraad. De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad. Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders Art. 41sexies Art. 41sexies § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de § 1. De notarissen verzocht om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de 367 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E schulden waarvan kennis kan worden gegeven conform paragraaf 5, dewelke verschuldigd zijn door de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of door de begunstigden van een door de overledene gemaakte contractuele erfstelling, indien zij de inningsinstellingen van sociale zekerheidsbijdragen er niet van op de hoogte brengen per bericht : betaling van de schulden waarvan kennis kan worden gegeven conform paragraaf 5, dewelke verschuldigd zijn door de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest, of door de begunstigden van een door de overledene gemaakte contractuele erfstelling, indien zij de inningsinstellingen van sociale zekerheidsbijdragen er niet van op de hoogte brengen per bericht : 1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden. 2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig 1° kan worden verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden in hoofde van de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Wanneer het gaat om schulden in hoofde van de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgenden waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. § 2. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt hij beschouwd als van generlei waarde. § 2. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt hij beschouwd als van generlei waarde. § 3. Wanneer de mededeling van het bericht gebeurt overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding medegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen. § 3. Wanneer de mededeling van het bericht gebeurt overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding medegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen. § 4. In het bericht wordt de identiteit vermeld van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. § 4. In het bericht wordt de identiteit vermeld van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. De betrokken personen worden geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van De betrokken personen worden geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van 2774/001 DOC 55 368 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, alsook aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, alsook aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid. § 5. De inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen kan, voor het verstrijken van de 12e werkdag die volgt op de datum van de verzending van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1, aan de notaris die deze kennisgeving verzonden heeft, door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid gebruikt worden, kennis geven van het bestaan in hoofde van de overledene of in hoofde van één of meerdere andere personen vermeld in het bericht, van schulden opzichtens de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, alsook de hoegrootheid van deze schulden in hoofde van elke schuldenaar. § 5. De inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen kan, voor het verstrijken van de 12e werkdag die volgt op de datum van de verzending van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 1, aan de notaris die deze kennisgeving verzonden heeft, door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid gebruikt worden, kennis geven van het bestaan in hoofde van de overledene of in hoofde van één of meerdere andere personen vermeld in het bericht, van schulden opzichtens de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen, alsook de hoegrootheid van deze schulden in hoofde van elke schuldenaar. De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn : De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn : - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat; - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat; - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria die voortvloeien uit de aangiften gedaan aan de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen in toepassing van artikel 21. - alle schuldvorderingen in hoofdsom en accessoria die voortvloeien uit de aangiften gedaan aan de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen in toepassing van artikel 21. Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor de kennisgeving kan worden ondertekend. Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor de kennisgeving kan worden ondertekend. In de gevallen waarin de kennisgeving verzonden wordt door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van de kennisgeving de datum van de verzending. In de gevallen waarin de kennisgeving verzonden wordt door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van de kennisgeving de datum van de verzending. § 6. In het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging § 6. In het attest van erfopvolging of aan de voet van de uitgifte van de akte van erfopvolging 369 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dewelke werd afgeleverd, wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van paragraaf 5 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval door middel van de tegoeden vastgehouden door de schuldenaar. dewelke werd afgeleverd, wordt vermeld hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van paragraaf 5 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van één of meerdere personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval door middel van de tegoeden vastgehouden door de schuldenaar. n voorkomend geval wordt aan de voet van het attest door de door de Koning aangewezen ambtenaar de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd. n voorkomend geval wordt aan de voet van het attest door de door de Koning aangewezen ambtenaar de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd. De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig paragraaf 5, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in paragraaf 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. De notaris die een attest van erfopvolging of een uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig paragraaf 5, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in paragraaf 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. § 7. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de schuldvorderingen waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van paragraaf 5, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest of de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in paragraaf 5 werd gedaan. § 7. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te zijn voor de betaling van de schuldvorderingen waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van paragraaf 5, kan iemand die tegoeden van een overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het attest of de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in paragraaf 5 werd gedaan. In afwijking van het eerste lid, kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling, indien deze een attest van erfopvolging of een expeditie van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : In afwijking van het eerste lid, kan het vrijgeven van de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een legataris of een begunstigde van een contractuele erfstelling, indien deze een attest van erfopvolging of een expeditie van de akte van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld : 1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van deze erfgenaam, legataris of begunstigde van een contractuele erfstelling 1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van deze erfgenaam, legataris of begunstigde van een contractuele erfstelling 2774/001 DOC 55 370 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bestaande schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald; bestaande schulden waarvan bij toepassing van paragraaf 5 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald; 2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na de betaling, door middel van de door de schuldenaar vastgehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven. 2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na de betaling, door middel van de door de schuldenaar vastgehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake is in paragraaf 5. De in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de kennisgeving waarvan sprake is in paragraaf 5. § 8. De informatie in het bericht en de kennisgeving is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kunnen worden ondertekend. § 8. De informatie in het bericht en de kennisgeving is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kunnen worden ondertekend. § 9. Wanneer het wordt verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat het te ondertekenen, moet het bericht worden opgemaakt overeenkomstig het model vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken of zijn afgevaardigde. § 9. Wanneer het wordt verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat het te ondertekenen, moet het bericht worden opgemaakt overeenkomstig het model vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken of zijn afgevaardigde. § 10. Wanneer het in paragraaf 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mag de kennisgeving naar aanleiding van dit bericht en bedoeld in paragraaf 5 niet door middel van deze procedure worden verzonden, maar uitsluitend door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. § 10. Wanneer het in paragraaf 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mag de kennisgeving naar aanleiding van dit bericht en bedoeld in paragraaf 5 niet door middel van deze procedure worden verzonden, maar uitsluitend door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. § 11. Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel. § 11. Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel. § 12. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in paragrafen 1 en 5 bedoelde § 12. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in paragrafen 1 en 5 bedoelde 371 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, verzekerd te worden door aangepaste beveiligingstechnieken. berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, verzekerd te worden door aangepaste beveiligingstechnieken. § 13. Opdat de in paragraaf 5 bedoelde kennisgeving geldig zou zijn wanneer ze wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moet ze een electronische handtekening dragen, die met één der technieken wordt aangebracht dewelke vermeld worden in het artikel 41quater, § 12, van deze wet. § 13. Opdat de in paragraaf 5 bedoelde kennisgeving geldig zou zijn wanneer ze wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moet ze een electronische handtekening dragen, die met één der technieken wordt aangebracht dewelke vermeld worden in het artikel 41quater, § 12, van deze wet. Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd. Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er gegarandeerd dat enkel de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd. De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Deze gegevens moeten gedurende een periode van 10 jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd. Deze gegevens moeten gedurende een periode van 10 jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd. § 14. De paragrafen 1 tot en met 13 zijn van toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te maken. § 14. De paragrafen 1 tot en met 13 zijn van toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken. Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen Art. 23quater Art. 23quater § 1. De notarissen die gevorderd zijn om de akte of het attest van erfopvolging, bedoeld in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden, waarvan kennis kan worden gegeven overeenkomstig § 2, van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld staat in de akte of het attest, of van de begunstigden van een contractuele erfstelling waarmee de overledene heeft ingestemd, indien zij de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de hoogte stellen : § 1. De notarissen die gevorderd zijn om de akte of het attest van erfopvolging, bedoeld in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de schulden, waarvan kennis kan worden gegeven overeenkomstig § 2, van de overledene, zijn erfgenamen en legatarissen waarvan de identiteit vermeld staat in de akte of het attest, of van de begunstigden van een contractuele erfstelling waarmee de overledene heeft ingestemd, indien zij de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de hoogte stellen : 2774/001 DOC 55 372 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 1° door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid; 2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig het 1° kan worden verzonden. 2° door elk ander middel waardoor het bericht kan worden ondertekend en waardoor de verzending ervan een vaste dagtekening bekomt, wanneer het bericht niet overeenkomstig het 1° kan worden verzonden. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de nalatenschap. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Wanneer het gaat om schulden lastens de rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde van de tegoeden die toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld is in de akte of het attest en betreffende dewelke de notaris aansprakelijk kan worden gesteld. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt dit laatste beschouwd als van generlei waarde. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt opgesteld binnen de drie maanden vanaf de verzending van het bericht, wordt dit laatste beschouwd als van generlei waarde. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. Het bericht vermeldt de identiteit van de overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen en van de eventuele begunstigde van een contractuele erfstelling. § 2. Indien het belang van de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist, stelt ze de notaris die gevorderd is om de akte of het attest op te stellen op de hoogte, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, van het bedrag van de schulden lastens de overledene of een ander persoon vermeld in het bericht. § 2. Indien het belang van de inningsinstelling van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist, stelt ze de notaris die gevorderd is om de akte of het attest op te stellen op de hoogte, vóór het verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, van het bedrag van de schulden lastens de overledene of een ander persoon vermeld in het bericht. Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. Wanneer de kennisgeving niet kan worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, gaan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen over tot de kennisgeving door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn alle schulden in hoofdsom en bijbehoren ten opzichte van de inningsinstelling van De schulden waarvan in toepassing van het eerste lid kennis kan worden gegeven zijn alle schulden in hoofdsom en bijbehoren ten opzichte van de inningsinstelling van 373 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat. socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een titel bestaat. § 3. In het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift van de akte van erfopvolging wordt vermeld, hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van § 2 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van de personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of het afschrift, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van § 2 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval met de tegoeden gehouden door de schuldenaar. § 3. In het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift van de akte van erfopvolging wordt vermeld, hetzij dat er geen kennisgeving van schulden bij toepassing van § 2 werd gedaan en dit zowel in hoofde van de overledene als in hoofde van de personen die vermeld zijn in het bericht en die bestemmeling zijn van het attest of het afschrift, hetzij dat de schulden waarvan bij toepassing van § 2 kennis werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval met de tegoeden gehouden door de schuldenaar. In voorkomend geval wordt in het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift van de akte van erfopvolging de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd door de notaris. In voorkomend geval wordt in het attest van erfopvolging of onderaan het afschrift van de akte van erfopvolging de vermelding van de gedane of van de nog te verrichten betaling toegevoegd of vervolledigd door de notaris. De notaris die een attest van erfopvolging of een afschrift van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig § 2, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in § 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. De notaris die een attest van erfopvolging of een afschrift van een akte van erfopvolging aflevert waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende het ontbreken van de kennisgeving of betreffende de betaling van schulden waarvan van het bestaan kennis werd gegeven overeenkomstig § 2, loopt dezelfde aansprakelijkheid op als de notaris die de verplichting bepaald in § 1 niet naleeft. Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet kon worden ingevorderd. § 4. Op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor de betaling van de schulden aan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen waarvan kennis is gegeven overeenkomstig § 2, kan diegene die overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek tegoeden vrijgeeft van een overledene, dat slechts bevrijdend doen op voorwaarde dat uit de akte of het attest duidelijk blijkt dat geen enkele kennisgeving in de zin van § 2 is gedaan. § 4. Op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid voor de betaling van de schulden aan de inningsinstellingen van de socialezekerheidsbijdragen waarvan kennis is gegeven overeenkomstig § 2, kan diegene die overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek tegoeden vrijgeeft van een overledene, dat slechts bevrijdend doen op voorwaarde dat uit de akte of het attest duidelijk blijkt dat geen enkele kennisgeving in de zin van § 2 is gedaan. In afwijking op de vorige alinea, kunnen de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bevrijdend worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling die de akte of het attest of een afschrift van de akte voorlegt waarin is vermeld : In afwijking op de vorige alinea, kunnen de tegoeden van de overledene overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bevrijdend worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling die de akte of het attest of een afschrift van de akte voorlegt waarin is vermeld : 1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de 1° dat alle op naam van de overledene en alle op naam van de erfgenaam, de legataris of de 2774/001 DOC 55 374 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van § 2 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; begunstigde van een contractuele erfstelling bestaande schulden waarvan bij toepassing van § 2 in voorkomend geval kennis werd gegeven, werden betaald of; 2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven. 2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven aan de erfgenaam, de legataris of de begunstigde van een contractuele erfstelling na betaling, door middel van de door de schuldenaar gehouden fondsen, van zijn schulden waarvan werd kennisgegeven. § 5. De in § 4 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de in § 2 bedoelde kennisgeving. § 5. De in § 4 bedoelde aansprakelijkheid is beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn vermeld in de in § 2 bedoelde kennisgeving. § 6. In de gevallen waarin het in § 1 bedoeld bericht wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding meegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen of van de dienst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten bevoegd is. § 6. In de gevallen waarin het in § 1 bedoeld bericht wordt verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, wordt onder de datum van verzending van bedoeld bericht verstaan de datum van de ontvangstmelding meegedeeld door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na ontvangst door haar van de ontvangstmelding afkomstig van de inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen of van de dienst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten bevoegd is. In de gevallen waarin de in § 2 bedoelde kennisgevingen worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van deze kennisgevingen de datum van verzending ervan. In de gevallen waarin de in § 2 bedoelde kennisgevingen worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, is de datum van deze kennisgevingen de datum van verzending ervan. § 7. De informatie in de berichten en kennisgevingen is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. § 7. De informatie in de berichten en kennisgevingen is dezelfde, ongeacht of ze worden medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. Wanneer ze worden verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat ze te ondertekenen, moeten deze berichten en kennisgevingen worden opgemaakt overeenkomstig de modellen vastgesteld door de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de diensten aanwijst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten en kennisgevingen bevoegd zijn. Wanneer ze worden verzonden met elk ander middel dat een vaste dagtekening verleent aan de verzending ervan en dat toelaat ze te ondertekenen, moeten deze berichten en kennisgevingen worden opgemaakt overeenkomstig de modellen vastgesteld door de minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft of zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de diensten aanwijst die voor het ontvangen en doorzenden van deze berichten en kennisgevingen bevoegd zijn. 375 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Bij de verzending van voormelde berichten en kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de inningsinstelling, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. Bij de verzending van voormelde berichten en kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de inningsinstelling, worden de betrokken personen geïdentificeerd aan de hand van het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, en van het identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. § 8. Wanneer het in § 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de kennisgevingen naar aanleiding van dit bericht niet door middel van deze procedure worden verzonden maar enkel door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. § 8. Wanneer het in § 1 bedoeld bericht niet wordt medegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, mogen de kennisgevingen naar aanleiding van dit bericht niet door middel van deze procedure worden verzonden maar enkel door elk ander middel voor verzending met vaste dagtekening en waardoor ze kan worden ondertekend. Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel zoals bedoeld in het vorige lid. Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is het bericht of de kennisgeving verzonden met dit ander middel doorslaggevend ten opzichte van de eventuele verzending van hetzelfde bericht of dezelfde kennisgeving door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt wanneer de datum van de informaticaverzending verschilt ten opzichte van de datum van de verzending door elk ander middel zoals bedoeld in het vorige lid. § 9. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in §§ 1 en 2, bedoelde berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te worden verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken. § 9. De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de in §§ 1 en 2, bedoelde berichten en kennisgevingen dienen, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te worden verzekerd door middel van aangepaste beveiligingstechnieken. § 10. Opdat de in paragraaf 2 bedoelde kennisgevingen geldig zouden zijn wanneer ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde elektronische handtekening dragen in de zin van artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische § 10. Opdat de in paragraaf 2 bedoelde kennisgevingen geldig zouden zijn wanneer ze worden verzonden door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde elektronische handtekening dragen in de zin van artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische 2774/001 DOC 55 376 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening. transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van dezelfde verordening. Ongeacht de toegepaste techniek, wordt gewaarborgd dat enkel de bevoegde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd. Ongeacht de toegepaste techniek, wordt gewaarborgd dat enkel de bevoegde personen toegang hebben tot de middelen waarmee de handtekening wordt gecreëerd. De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. De gevolgde procedures moeten bovendien toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending correct kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld. Deze gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd. Deze gegevens moeten gedurende een periode van tien jaar door de afzender worden bewaard en in geval van betwisting binnen een redelijke termijn worden voorgelegd. § 11. De paragrafen 1 tot 10 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te maken. § 11. De paragrafen 1 tot 10 zijn van overeenkomstige toepassing op elke persoon of dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van erfopvolging op te maken. HOOFDSTUK 19 - Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de gevangenissen Art. 85 De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen "directeur", "veroordeelde", "slachtoffer" dienen te worden begrepen in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Art. 86 §1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld. In afwijking van het eerste lid, is de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel 377 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen gedurende zes maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling. Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde. Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt herroepen, kan zij niet opnieuw worden toegekend. §2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling bedoeld in paragraaf 1: - de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt; - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek; - de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in de artikelen 417/7 tot 417/24, 417/50, 417/55 417/56, 417/59 en 417/63 van - de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek; - de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf; - de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Art. 87 §1. De directeur neemt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende criteria getoetst te hebben: - het hebben van onderdak; - het beschikken over voldoende middelen van bestaan. het Strafwetboek; 2774/001 DOC 55 378 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden. §2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden: 1° geen strafbare feiten plegen; 2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddellijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet. De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling. In geval van herroeping van de vervroegde invrijheidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke hij in vervroegde invrijheidstelling was en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping van de vervroegde invrijheidsstelling, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. §3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende gevallen: - wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten niet heeft nageleefd; - wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarde vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° niet naleeft. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. 379 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E §4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur. De directeur neemt een beslissing over de al dan niet herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings. Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping. Art. 88 Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 augustus 2023. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum bedoeld in het eerste lid verlengen tot 31 december 2024. Wijzigingen aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Art. 18 Art. 18 §1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen. §1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen. §1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kunnen bepalen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig begeeft naar de aangewezen gevangenis. §2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III. §2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III. §3. (…) §3. (…) 2774/001 DOC 55 380 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1/24 Avis n° 113/2022 du 3 juin 2022 Objet : Avis concernant un avant-projet de loi visant à rendre la justice plus rapide, plus humaine et plus ferme II (articles 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 et 57) (CO-A-2022-086) Le Centre de Connaissances de l'Autorité de protection des données (ci-après "l'Autorité"), en présence de Messieurs Yves-Alexandre de Montjoye et Bart Preneel ; Vu la loi du 3 décembre 2017 portant création de l'Autorité de protection des données, en particulier les articles 23 et 26 (ci-après "la LCA") ; Vu le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la Directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données, ci-après le "RGPD") ; Vu la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel (ci-après "la LTD") ; Vu la demande d'avis de Monsieur Vincent Van Quickenborne, Vice-premier Ministre et Ministre de la Justice et de la Mer du Nord (ci-après "le demandeur "), reçue le 01/04/2022 ; Émet, le 3 juin 2022, l'avis suivant : 381 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 2/24 I. OBJET DE LA DEMANDE D'AVIS 1. Le demandeur sollicite l’avis de l’Autorité concernant les articles 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 et 57 d’un avant-projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II (ci-après "l’avant-projet" ou "l’avant-projet de loi"). 2. Les dispositions susmentionnées apportent plusieurs modifications dans diverses lois qui relèvent de la compétence du ministère de la Justice, notamment le Code d’instruction criminelle, la Loi relative au Registre national1, le Code civil et la Loi sur les jeux de hasard2. II. EXAMEN DE LA DEMANDE a. Modifications du Code d’instruction criminelle (art. 18 et 19 de l’avant-projet) 3. Les articles 18 et 19 de l’avant-projet prévoient l’insertion de deux dispositions - articles 258/1 et 258/2 - dans le Code d’instruction criminelle (ci-après : "CIC"), sous le Titre II ("De la cour d’assises") et plus précisément au Chapitre V, Section Ire ("Des fonctions du président"), qui prévoient la possibilité d’effectuer des captations sonores ou audiovisuelles d’audiences devant la cour d'assises, et ce d’une part au profit des victimes connues et de leurs avocats et, d’autre part, pour la constitution d’archives historiques. 4. Les dispositions en question sont libellées comme suit : “Art. 258/1. § 1er. Le président peut décider, dans l'intérêt de la bonne administration de la justice, en raison soit de la disproportion entre, la capacité d'accueil physique de la cour d’assises et le nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes de nationalité étrangère, que le déroulement de l'audience fera l'objet d'une captation sonore ou audiovisuelle permettant sa diffusion [en] différé, par un moyen de télécommunication garantissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion. § 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout ou partie des débats afin de garantir la sérénité des débats ou de prévenir un trouble à l'ordre public et peut à cette fin interrompre l'émission à tout moment (...)”. 1 Loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, M.B. du 21/04/1984. 2 Loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, M.B. du 30/12/1999. 2774/001 DOC 55 382 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 3/24 Art. 258/2. "Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le président peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour la constitution d'archives historiques de la justice. En cas de captation sonore ou audiovisuelle, conformément à l'alinéa précédent et à l'article 258/1, le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier pénal après la clôture des débats.” 5. De plus, l’article 18 de l’avant-projet prévoit des sanctions pénales (un emprisonnement de six mois à deux ans et une amende de deux cents euros à dix mille euros) en cas d’enregistrement des captations en question ou de leur diffusion à des tiers. 6. Dans l’Exposé des motifs de l’avant-projet, le demandeur explique que l’article 18 de l’avant- projet vise à prévoir la possibilité d’effectuer une captation sonore ou audiovisuelle des débats à l'audience permettant la diffusion en différé aux victimes connues et à leurs avocats. De plus, le demandeur affirme que cette disposition vise principalement les audiences impliquant un nombre important de parties au procès et/ou des victimes de nationalité étrangère qui ne peuvent pas être présentes. Le demandeur précise que la disposition en projet s’inspire de la réglementation prévue à l’article 802-3 du Code de procédure pénale français. Concernant l’article 19 de l’avant-projet, au sujet des captations en vue de constituer des archives historiques de la justice, le demandeur fait aussi référence à une disposition similaire en droit français. 7. Conformément à l’article 6.3 du RGPD, lu à la lumière du considérant 41 du RGPD3, le traitement de données à caractère personnel qui est nécessaire au respect d’une obligation légale4 et/ou à l'exécution d'une mission d'intérêt public ou relevant de l'exercice de l'autorité publique dont est investi le responsable du traitement5 doit être régi par une réglementation claire et précise dont l’application doit être prévisible pour les personnes concernées. En outre, aux termes de l’article 22 de la Constitution, il est nécessaire que les éléments essentiels du traitement de données soient définis au moyen d’une norme légale formelle (loi, décret ou ordonnance). 8. Les traitements de données à caractère personnel auxquels l’avant-projet donne lieu reposent sur l’article 6.1.e) du RGPD et engendrent une ingérence importante dans les droits et libertés des 3 “Lorsque le présent règlement fait référence à une base juridique ou à une mesure législative, cela ne signifie pas nécessairement que l'adoption d'un acte législatif par un parlement est exigée, sans préjudice des obligations prévues en vertu de l'ordre constitutionnel de l'État membre concerné. Cependant, cette base juridique- ou cette mesure législative devrait être claire et précise et son application devrait être prévisible pour les justiciables, conformément à la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne (ci-après dénommée "Cour de justice") et de la Cour européenne des droits de l'homme ". 4 Article 6.1.c) du RGPD 5 Article 6.1.e) du RGPD. 383 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 4/24 personnes concernées. L’Autorité constate en effet que les traitements envisagés impliquent notamment la réalisation de captations sonores ou audiovisuelles d’audiences de la cour d’assises et concernent dès lors des données sensibles telles que visées à l’article 10 du RGPD (données à caractère personnel relatives aux infractions). Vu le caractère sensible des traitements envisagés et leur impact sur le fonctionnement de l’ordre judiciaire, l’Autorité propose - dans la mesure où cela n’a pas encore eu lieu - d’également demander l’avis du Conseil supérieur de la Justice à ce sujet. 9. En vertu de l’article 6.3 du RGPD, lu conjointement avec l’article 22 de la Constitution et l’article 8 de la CEDH, une telle norme de rang législatif doit déterminer les circonstances dans lesquelles un traitement de données est autorisé. Conformément aux principes de légalité et de prévisibilité, cette norme législative doit ainsi, en tout cas, définir les éléments essentiels du (des) traitement(s)6. Lorsque le(s) traitement(s) de données représente(nt) une ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées7, comme dans le cas présent, les éléments essentiels suivants doivent être définis par le législateur : - la (les) finalité(s) précise(s) et concrète(s) ; - l’identité du (des) responsable(s) du traitement (à moins que cela ne soit clair) ; - les (catégories de) données qui sont nécessaires à la réalisation de cette (ces) finalité(s) ; - les catégories de personnes concernées dont les données seront traitées ; - le délai de conservation maximal des données ; - les destinataires ou catégories de destinataires auxquels les données seront communiquées et les circonstances dans lesquelles elles le seront, ainsi que les motifs y afférents ; - le cas échéant et dans la mesure où cela est nécessaire, la limitation des obligations et/ou droits mentionné(e)s aux articles 5, 12 à 22 et 34 du RGPD. 10. En ce qui concerne le premier élément essentiel du (des) traitement(s) envisagé(s), l’Autorité constate que les dispositions en projet en question de l’avant-projet de loi prévoient deux traitements distincts avec différentes finalités, à savoir des captations sonores ou audiovisuelles d’audiences de la cour d’assises au profit des victimes connues et de leurs avocats (A) d’une part et des captations en vue de constituer des archives de la justice (B) d’autre part. 6 Voir DEGRAVE, E., "L’e-gouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparence et contrôle", Collection du CRIDS, Larcier, Bruxelles, 2014, p. 161 e.s. (voir e.a. : CEDH, Arrêt Rotaru c. Roumanie, 4 mai 2000) ; Voir également quelques arrêts de la Cour constitutionnelle : l'Arrêt n° 44/2015 du 23 avril 2015 (p. 63), l'Arrêt n° 108/2017 du 5 octobre 2017 (p. 17) et l'Arrêt n° 29/2018 du 15 mars 2018 (p. 26). 7 Il sera généralement question d'ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées lorsqu'un traitement de données présente une ou plusieurs des caractéristiques suivantes : le traitement porte sur des catégories particulières de données à caractère personnel (sensibles) au sens des articles 9 ou 10 du RGPD, le traitement concerne des personnes vulnérables, le traitement est réalisé à des fins de surveillance ou de contrôle (avec d'éventuelles conséquences négatives pour les personnes concernées), le traitement implique un croisement ou une combinaison de données à caractère personnel provenant de différentes sources, il s'agit d'un traitement à grande échelle en raison de la grande quantité de données et/ou de personnes concernées, les données traitées sont communiquées à des tiers ou accessibles à ces derniers, … 2774/001 DOC 55 384 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 5/24 A. Captations au profit des victimes et de leurs avocats (art. 18 de l’avant-projet) 11. Conformément à l'article 5.1.b) du RGPD, un traitement de données à caractère personnel ne peut être réalisé que pour des finalités déterminées, explicites et légitimes. 12. On peut déduire de la formulation de l’article 18 de l’avant-projet et de l’Exposé des motifs que la finalité du traitement prévu dans cette disposition, à savoir la réalisation de captations sonores ou audiovisuelles, consiste à faciliter l’accès des victimes et de leurs avocats aux débats en cas d’audiences impliquant un nombre important de parties au procès ou un nombre élevé de victimes de nationalité étrangère, ayant pour conséquence que la capacité de la cour et/ou la situation des victimes ne permet pas qu’elles assistent aux audiences. À titre d’exemple, l’Exposé des motifs fait référence au procès des attentats terroristes à la station de métro Malbeek et à l’aéroport Brussels Airport Zaventem, planifié à l’automne 2022. L’Autorité en prend acte. 13. Bien que cette finalité en tant que telle puisse être qualifiée de déterminée, explicite et légitime, le traitement envisagé doit également être proportionnel et, le cas échéant, les autres éléments essentiels du traitement doivent aussi être repris explicitement dans l’avant-projet. 14. En ce qui concerne les traitements envisagés prévus à l’article 18 de l’avant-projet, l’Autorité s’interroge tout d’abord sur leur proportionnalité et constate que certains des éléments essentiels susmentionnés sont incomplets ou font défaut dans l’avant-projet de loi et que cet avant-projet reste vague quant aux garanties et aux mesures de sécurité qui seront mises en oeuvre dans le cadre des traitements de données envisagés. i. Proportionnalité du traitement envisagé 15. Le traitement envisagé et les ingérences dans les droits et libertés des personnes concernées qui l’accompagnent doivent tout d’abord constituer une mesure licite, nécessaire et proportionnelle. 16. À cet égard, il convient en premier lieu de faire remarquer que le traitement visé à l’article 18 - à savoir la réalisation de captations d’audiences devant la cour d’assises au profit des victimes connues et de leurs avocats et la mise à disposition de ces captations en vue de leur diffusion en différé - peut être appliqué de manière très large sur la base du présent texte. Dans l’Exposé des motifs, concernant ce que prescrit l’article précité de l’avant-projet de loi, le demandeur précise que cette disposition est destinée aux procès impliquant un nombre important de parties au procès et/ou des victimes de nationalité étrangère, en faisant référence au prochain procès des attentats terroristes. 385 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 6/24 Toutefois, l’avant-projet ne prévoit aucune limitation dans le temps de la disposition en question, ni d’autres conditions visant à en limiter l’application et à en garantir la proportionnalité. 17. L’Autorité se demande également si la finalité poursuivie par ce traitement à l’article 18 ne peut pas être réalisée au moyen d’un traitement impliquant une ingérence moins importante dans les droits et libertés des personnes concernées. La question se pose ainsi de savoir si pour les cas visés par la disposition précitée de l’avant-projet, il ne serait pas possible d'envisager d’utiliser un système de vidéoconférence en temps réel à laquelle les victimes concernées et leurs avocats peuvent participer, n’impliquant aucune captation et donc aucun enregistrement et transfert ou diffusion en différé des captations. En outre, la question se pose également de savoir si et dans quels cas, à la lumière de la (des) finalité(s) poursuivie(s), des captations audiovisuelles doivent être considérées comme nécessaires plutôt que seulement des captations sonores. 18. L’Autorité estime que, vu l’ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées qu'implique l’article 258/1 du CIC (qui doit être inséré par l’article 18 de l’avant-projet), la décision du président d’appliquer cet article doit en tout état de cause constituer une mesure d’exception. Elle souligne qu’en vue de garantir l’application proportionnelle et la prévisibilité du traitement en question, le demandeur doit reprendre dans l’avant-projet de loi des critères clairs et objectifs qui doivent être remplis afin que la disposition puisse s’appliquer et qu’ensuite, il faut demander au président de motiver au cas par cas l’application de cette réglementation, à la lumière des critères définis dans la loi. Sans préjudice de ce qui précède, les éléments essentiels du traitement devront également être repris dans l’avant-projet de loi (voir ci-dessous). 19. En supposant que le législateur confirme son intention d’instaurer le traitement envisagé, les dispositions en question de l’avant-projet doivent être complétées afin de répondre à tous les critères mentionnés au point 9 qui s’appliquent aux normes visant à encadrer des traitements de données à caractère personnel. ii. Le(s) responsable(s) du traitement 20. L'article 4.7) du RGPD dispose que pour les traitements dont les finalités et les moyens sont déterminés par la réglementation, le responsable du traitement est celui qui est désigné en tant que tel dans cette réglementation. 21. L’Autorité constate que l’avant-projet ne désigne pas explicitement et nominativement le(s) responsable(s) du traitement prévu à l’article 18. En ce qui concerne le traitement de données à caractère personnel qui fait l’objet des captations en tant que tel, on pourrait déduire du texte que le 2774/001 DOC 55 386 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 7/24 responsable du traitement est la cour d’assises ou son président, qui prend la décision d’effectuer la captation sonore ou audiovisuelle. 22. Le § 4 de l'article 18 de l'avant-projet dispose que les victimes et leurs avocats qui souhaitent utiliser la possibilité de recevoir la captation des débats, doivent en faire la demande au greffe ou au parquet. Le texte ne précise pas quelles données à caractère personnel seront collectées et traitées à cet égard (voir ci-dessous), ni qui doit être considéré comme responsable(s) du traitement pour cette activité de traitement. Afin d’éviter toute ambiguïté quant à l’identité de la (des) personne(s) ou de l’ (des) entité(s) qui doi(ven)t être considérée(s) comme responsable(s) du traitement et de faciliter ainsi l’exercice des droits des personnes concernées - tels que prévus aux articles 12 à 22 du RGPD - , l’Autorité invite le demandeur à identifier explicitement, dans l’avant-projet de loi, pour chacune des activités de traitement, la (les) personne(s) ou l’ (les) entité(s) qui doi(ven)t être considérée(s) comme le(s) responsable(s) du traitement. iii. Les catégories de données à caractère personnel 23. Conformément à l’article 5.1.c) du RGPD, les données à caractère personnel doivent être adéquates, pertinentes et limitées à ce qui est strictement nécessaire au regard des finalités visées (principe de "minimisation des données"). 24. Comme précisé ci-dessus, les catégories de données à caractère personnel font également partie des éléments essentiels du traitement qui doivent être définis dans la norme légale formelle qui encadre ce traitement. 25. L’Autorité constate que l’avant-projet de loi ne définit pas explicitement quelles catégories de données à caractère personnel seront précisément traitées dans le cadre de l’article 18 du présent avant-projet. À cet égard, il faut faire une distinction entre d’une part les (catégories de) données à caractère personnel qui seront traitées au moyen des captations sonores et/ou des captations audiovisuelles proprement dites et d’autre part, les données à caractère personnel des victimes (et de leurs avocats) qui seront collectées et traitées afin de leur donner accès aux captations. Ce dernier point peut éventuellement être réglé par arrêté royal, moyennant une habilitation suffisamment précise au Roi prévue dans l’avant-projet. 387 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 8/24 iv. Les catégories de personnes concernées 26. L’avant-projet doit également préciser les (catégories de) personnes concernées, c’est-à-dire les personnes physiques identifiées ou identifiables8 qui feront l’objet des traitements poursuivis. 27. À ce sujet, l’avant-projet mentionne les victimes connues et leurs avocats, dont des données à caractère personnel seront collectées et traitées si ceux-ci introduisent une demande en vue de recevoir la diffusion des captations. Toutefois, les autres catégories de personnes concernées, qui feront l’objet des captations sonores et audiovisuelles proprement dites, ne sont pas explicitement mentionnées (par ex. l’accusé, les parties civiles, les juges saisis, les jurés, les témoins, les experts, etc.). Cela doit également être prévu dans l’avant-projet. v. Les catégories de destinataires 28. Les destinataires au sens de l’article 4.9) du RGPD (toute "personne physique ou morale, l'autorité publique, le service ou tout autre organisme qui reçoit communication de données à caractère personnel, qu'il s'agisse ou non d'un tiers") font également partie des éléments essentiels du traitement qui doivent être précisés dans l’avant-projet. 29. L’Autorité constate qu’en ce qui concerne les captations sonores et audiovisuelles visées à l’article 18 (article 258/1 qui doit être inséré dans le CIC), l’avant-projet mentionne les victimes connues et leurs avocats en tant que destinataires. Si et dans la mesure où d’autres personnes ou instances recevront aussi les données à caractère personnel concernées - on pense notamment ici à des sous-traitants externes -, cela doit alors être précisé dans l’avant-projet. vi. Les délais de conservation 30. Conformément au principe de limitation de la conservation repris à l'article 5.1.e) du RGPD, "les données à caractère personnel doivent être conservées sous une forme permettant l'identification des personnes concernées pendant une période n'excédant pas celle nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées". 31. L’Autorité constate que rien n’est précisé dans l’avant-projet concernant les délais pendant lesquels les captations en question seront conservées, ni les critères visant à déterminer ces délais. En ce qui concerne la réglementation reprise à l’article 18 de l’avant-projet (article 258/1 à insérer 8 Conformément à l'article 4.1) du RGPD, est réputée être une "personne physique identifiable" : "une personne physique qui peut être identifiée, directement ou indirectement, notamment par référence à un identifiant, tel qu'un nom, un numéro d'identification, des données de localisation, un identifiant en ligne, ou à un ou plusieurs éléments spécifiques propres à son identité physique, physiologique, génétique, psychique, économique, culturelle ou sociale." 2774/001 DOC 55 388 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 9/24 dans le CIC), il faut prévoir un délai de conservation maximal ou au moins des critères clairs visant à déterminer un tel délai et/ou un délai maximal pendant lequel les victimes connues et leurs avocats peuvent demander à accéder aux captations. 32. L’Autorité souligne à cet égard que le délai de conservation prévu doit être limité à ce qui est strictement nécessaire pour réaliser la finalité poursuivie - à savoir le visionnage des captations par les victimes connues et leurs avocats - et que les données à caractère personnel doivent être supprimées au terme de ce délai. L’Autorité estime que ce délai doit en l’occurrence être limité à la durée du procès en question et que ces captations ne peuvent en aucun cas être conservées au-delà d’un an. 33. Dans ce cadre, l’Autorité souligne qu’en ce qui concerne le traitement de données à caractère personnel qui a lieu au moyen des captations sonores et/ou audiovisuelles, il est techniquement possible que les données soient réutilisées en vue de l’identification d’une personne (par exemple l’identification de l’auteur d’un délit à l’aide du son de sa voix). En ce sens, la simple conservation des données concernées comporte un risque de traitement de données biométriques au sens de l’article 4.14) du RGPD9. L’Autorité attire l’attention sur le fait qu’il faut veiller à ce que ces données ne puissent pas être utilisées en tant que telles et pour des finalités incompatibles avec la finalité initiale par les destinataires des captations ou par d’autres entités. Par conséquent, il faut préciser dans l’avant-projet quelles garanties seront intégrées afin de limiter ce risque. L’Autorité souligne qu’il est recommandé à cet égard d’interdire et de sanctionner au moyen d’une loi l’utilisation ultérieure à des fins incompatibles (par exemple en vue de l’identification des personnes filmées). vii. Analyse d'impact relative à la protection des données et garanties appropriées 34. Comme cela a déjà été précisé, les traitements prévus dans l’avant-projet - si le demandeur décide de les instaurer comme le prévoit l’avant-projet - engendreront dans la plupart des cas une violation grave des droits et libertés des personnes concernées. Une telle ingérence n’est admissible que si elle est proportionnée à l’objectif légitime qu’elle poursuit. L’Autorité n’étant pas convaincue de la proportionnalité de la mesure, elle invite le demandeur à procéder à une analyse stricte de proportionnalité. L’Autorité considère que l’analyse d'impact relative à la protection des données telle que visée à l’article 35 du RGPD constitue une méthode adéquate pour examiner la proportionnalité du traitement envisagé. L’Autorité rappelle en outre que dans la mesure où le traitement mis en place par l’avant-projet est susceptible d'engendrer un risque élevé pour les droits et libertés des personnes 9 À savoir "les données à caractère personnel résultant d'un traitement technique spécifique, relatives aux caractéristiques physiques, physiologiques ou comportementales d'une personne physique, qui permettent ou confirment son identification unique, telles que des images faciales ou des données dactyloscopiques”. 389 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 10/24 physiques au sens de l’article 35 du RGPD, le responsable du traitement devra également réaliser une analyse d’impact spécifique avant la mise en œuvre concrète du traitement. 35. En l’occurrence, l’Autorité estime préférable que cette analyse d’impact relative à la protection des données soit effectuée à ce stade du processus législatif. On ne peut en effet pas exclure que suite à cette analyse, des prescriptions spécifiques doivent être insérées dans la réglementation. 36. L'Autorité souligne le fait que le traitement de données à caractère personnel sensibles au sens de l’article 10 du RGPD nécessite des mesures de sécurité plus strictes. Dans ce cadre, il est fait référence à l’article 9 et - dans ce cas en particulier - à l’article 10, § 2 de la LTD qui indiquent quelles mesures de sécurité supplémentaires devront au moins être prévues si de telles données sont traitées : • désigner les catégories de personnes, ayant accès aux données à caractère personnel, avec une description précise de leur fonction par rapport au traitement des données visées ; • tenir la liste des catégories des personnes ainsi désignées à la disposition de l'Autorité ; • veiller à ce que ces personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire, ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des données visées. 37. L’Autorité fait en outre remarquer que le demandeur déclare, comme cela a déjà été mentionné ci-dessus, s’être inspiré, pour les dispositions en question, d’une législation française récente qui prévoit également la possibilité d’enregistrer les audiences. Il faut toutefois préciser que dans la législation citée par le demandeur, plusieurs garanties pour les droits et libertés des personnes concernées ont été élaborées, garanties qui ne se retrouvent pas dans le présent avant-projet. On peut notamment faire référence ici à la loi n° 2021-1729 du 21 décembre 2021 ("loi pour la confiance dans l’institution judiciaire") et au décret n° 2022-462 pris pour l’application de l’article 1er de la loi n° 2021-1729.10 Les normes précitées prévoient notamment les garanties suivantes : • l’image et les autres éléments permettant une identification des personnes enregistrées ne peuvent être diffusés que moyennant leur consentement écrit, qui doit être donné avant l’audience concernée. Les personnes enregistrées peuvent rétracter ce consentement dans les quinze jours après la fin de l’audience (art. 8-9 du décret n° 2022-462) ; • "le bénéficiaire de l’autorisation d’enregistrement est tenu à une obligation d’occultation des mineurs, des majeurs bénéficiant d’une protection juridique et des autres personnes enregistrées qui n’ont pas consenti à la diffusion des images et des éléments d’identification les concernant" (art. 14 du décret n° 2022-462) ; et • "à l'expiration d'un délai de cinq ans après la première diffusion de l'enregistrement ou de dix ans après l'autorisation d'enregistrement, l'obligation d'occultation est étendue à toute 10 https://www.legifrance.gouv.fr/loda/article_lc/JORFARTI000044546000/; https://www.legifrance.gouv.fr/jorf/id/JORFTEXT000045457824. 2774/001 DOC 55 390 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 11/24 personne enregistrée". Il est ainsi précisé que cela "implique que l'image et tout élément permettant l'identification directe ou indirecte des personnes enregistrées soient dissimulés, (...) les visages et les silhouettes floutés et les voix déformées" (art. 14 du décret n° 2022-462). 38. Vu l’ingérence importante du traitement visé, l’Autorité recommande au demandeur de prévoir dans le présent avant-projet des garanties spécifiques pour les droits et libertés des personnes concernées. B. Captations en vue de la constitution d'archives historiques de la justice (art. 19 de l'avant-projet) 39. L'article 19 de l'avant-projet (article 258/2 à insérer dans le CIC) prévoit, sans préjudice du prescrit de l'article 18 de l'avant-projet, la possibilité pour le président de la cour d'assises de décider de la captation d'audiences "pour la constitution d'archives historiques de la justice". Le deuxième alinéa de la disposition susmentionnée prévoit également - tant lors de l'application de l'articles 258/1 que de l'article 258/2 à insérer - que "le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier pénal après la clôture des débats”. 40. L'Autorité répète tout d'abord que le traitement en vue d'un archivage doit être distingué du traitement de données à caractère personnel au moyen de captations visé dans l'article 18 de l’avant-projet commenté ci-avant et que celui-ci a une finalité totalement différente. 41. En ce qui concerne ce traitement, l'Autorité estime que le demandeur ne démontre aucunement la nécessité et la proportionnalité du traitement visé11. À ce propos, il convient tout d'abord de souligner que les finalités poursuivies par ce traitement peuvent être - et sont déjà - atteintes au moyen de mesures moins intrusives. À cet égard, l'Autorité se réfère plus précisément 11 Un traitement de données à caractère personnel est considéré comme nécessaire s'il constitue la mesure la moins intrusive en vue d'atteindre la finalité visée (intérêt public). Il est donc nécessaire : - Premièrement, que le traitement de données permette effectivement d’atteindre l'objectif poursuivi. Il faut donc démontrer, sur la base d’éléments factuels et objectifs, l’efficacité du traitement de données à caractère personnel envisagé pour atteindre l’objectif recherché ; - Deuxièmement, que ce traitement de données à caractère personnel constitue la mesure la moins intrusive au regard du droit à la protection de la vie privée. Cela signifie que s’il est possible d’atteindre l’objectif recherché au moyen d’une mesure moins intrusive pour le droit au respect de la vie privée ou le droit à la protection des données à caractère personnel, le traitement de données initialement envisagé ne pourra pas être mis en place. Il faut, à cette fin, détailler et être en mesure de démontrer, à l’aide d’éléments de preuve factuels et objectifs, les raisons pour lesquelles les autres mesures moins intrusives ne sont pas suffisantes pour atteindre l’objectif recherché. Si la nécessité du traitement de données à caractère personnel est démontrée, il faut encore démontrer que celui-ci est proportionné (au sens strict) à l’objectif qu’il poursuit, c’est-à-dire qu’il faut démontrer qu’il existe un juste équilibre entre les différents intérêts en présence, droits et libertés des personnes concernées. En d’autres termes, il faut qu’il y ait un équilibre entre l’ingérence dans le droit au respect de la vie privée et à la protection des données à caractère personnel et l’objectif que poursuit – et permet effectivement d’atteindre – ce traitement. Les avantages qui découlent du traitement de données en question doivent donc être plus importants que les inconvénients qu’il génère pour les personnes concernées. À nouveau, il faut être en mesure de démontrer que cette analyse a bien été réalisée avant la mise en œuvre du traitement. 391 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 12/24 aux Archives de l’État déjà existantes, régies par la loi du 24 juin 1955 ("la loi relative aux archives")12, qui reprennent tous les documents conservés par les tribunaux du pouvoir judiciaire (y compris la cour d'assises), conformément aux délais et modalités définis aux articles 1 et 3 de la loi susmentionnée. 42. Ni l'avant-projet proprement dit, ni l'Exposé des motifs ne démontre et/ou ne motive la nécessité de ce traitement, complémentairement aux archives déjà existantes. Il n'est pas non plus expliqué pour quelle raison - compte tenu du principe de minimisation des données repris à l'article 5.1.c) du RGPD - un traitement supplémentaire de nouvelles catégories de données à caractère personnel via des captations sonores ou audiovisuelles d'audiences serait nécessaire en vue de réaliser la (les) finalité(s) visée(s), à savoir la constitution d'archives de la justice. Les documents archivés permettent déjà l'analyse et la recherche historiques des travaux de la cour d'assises. 43. L'Autorité attire enfin l'attention sur le fait que, même si la nécessité du traitement visé avait été démontrée - quod non -, il ne relève ni de la compétence du Service public fédéral Justice, ni de celle du pouvoir judiciaire de définir des règles concernant des traitements à des fins d'archivage ou à des fins historiques ou scientifiques. 44. Également en ce qui concerne le prescrit du deuxième alinéa de l'article 19 de l'avant-projet - à savoir le versement des captations sonores ou audiovisuelles au dossier pénal -, l'Autorité estime que la nécessité en vue de la réalisation de la finalité visée n'est pas du tout démontrée. b. Modifications à la loi Registre national (article 37 du projet) 45. L'article 37 de l'avant-projet vise à apporter des modifications à la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques (ci-après : "la loi Registre national") et plus précisément à l'article 8, § 6 de cette loi, qui concerne l'accès aux données reprises dans le Registre national par les services judiciaires. L'article 37 de l'avant-projet prévoit la suppression des mots "du ministre ayant l’Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l’article 3 alinéas 1er à 3" au troisième alinéa de l'article 8, § 6 de la loi Registre national et le remplacement des mots "des informations obtenues du" par les mots "le numéro de" au quatrième alinéa de la même disposition. 46. Le demandeur précise dans l'Exposé des motifs que la modification susmentionnée vise à rectifier une erreur matérielle. Il affirme que l'intention du législateur via la loi du 5 mai 2019 modifiant la loi Registre national était de donner une autorisation aux services de justice en ce qui concerne l’utilisation, d’une part, des informations du registre national et prévoir une sanction en cas d’abus de 12 M.B. du 12 août 1955. 2774/001 DOC 55 392 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 13/24 ce pouvoir, et l’utilisation d’autre part, du numéro de registre national et prévoir une sanction en cas d’abus également. Il ajoute que suite à une erreur dans l'actuel article 8, § 6 de la loi Registre national, les dispositions de l'article 5, § 4 de la même loi ont toutefois été textuellement reprises, lesquelles prévoient la possibilité pour les services de justice d'utiliser les informations du Registre national (et non le numéro de Registre national). 47. L'Autorité constate en effet que l'article 134 de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés13 visait à introduire la modification suivante dans l'article 8, § 6 de la loi Registre national : “Art. 134. L'article 8, § 6, de la même loi, remplacé par la loi du 25 novembre 2018, est complété par les alinéas 3 et 4, rédigés comme suit : "Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, les magistrats du ministère public, les juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.” 48. À l'époque, l'Autorité a émis un avis sur la loi susmentionnée.14 La disposition en question ne semble toutefois pas avoir été soumise pour avis. 49. L'Autorité attire l'attention sur le fait que dans son avant-projet, le demandeur n'indique pas quelles sont les finalités précises du traitement prévu du numéro de Registre national. Dans le formulaire de demande, il indique seulement à cet égard que "les service judiciaires doivent avoir accès au registre afin de pouvoir remplir leurs obligations légales" [Ndt : traduction libre effectuée par le Secrétariat Général de l'Autorité en l'absence de traduction officielle] Le demandeur ne précise cependant pas quelles obligations légales il vise. Par ailleurs, l'Exposé des motifs indique uniquement que la modification envisagée vise à rectifier une erreur matérielle, sans mentionner les finalités initiales du traitement prévu. L'Autorité recommande de spécifier la (les) finalité(s) précise(s). 13 M.B. du 19 juin 2019. 14 Voir l’avis n° 120/2018 du 7 novembre 2018 (https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-120-2018.pdf. 393 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 14/24 c. Modifications du Code civil (art. 43, 44, 45 et 47 de l’avant-projet) Généralités 50. Les articles 43, 44, 45 et 47 de l'avant-projet visent à apporter des modifications aux dispositions du (nouveau) Code civil (ci-après : "CC") et plus précisément au "Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale"(auparavant : "Preuve de la qualité d'héritier”). 51. Les dispositions soumises pour avis concernent (les traitements de données à caractère personnel dans le cadre de) la preuve de la qualité successorale au moyen d'un acte ou d'un certificat d'hérédité ainsi que l'inscription de ces documents et des données qui y sont reprises dans le registre central successoral (ci-après également le "RCS"). Le RCS a été instauré par la loi du 6 juillet 2017 portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice15 . Il s'agit d'une banque de données informatisée qui doit donner un aperçu complet des parties impliquées dans le règlement d'une succession et où sont par conséquent reprises les métadonnées de tous les actes et certificats importants relatifs au règlement d'une succession. Le demandeur précise dans sa demande que celle-ci a notamment pour but de permettre la consultation et la communication à des tiers d'informations relatives aux actes établissant l'identité des personnes appelées à une succession ouverte. 52. L’Autorité souligne tout d'abord que conformément à l’article 6.3 du RGPD, lu à la lumière du considérant 41 du RGPD16, le traitement de données à caractère personnel nécessaire à l’exécution d’une obligation légale et/ou d’une mission d’intérêt public ou relevant de l'exercice de l'autorité publique dont est investi le responsable du traitement doit être régi par une réglementation claire et précise dont l’application doit être prévisible pour les personnes concernées. En outre, aux termes de l’article 22 de la Constitution, il est nécessaire que les éléments essentiels du traitement de données soient définis au moyen d’une norme légale formelle (loi, décret ou ordonnance). 53. Les traitements de données à caractère personnel auxquels les dispositions concernées de l'avant-projet donnent lieu reposent sur les articles 6.1.c) et e) du RGPD et engendrent une ingérence 15 M.B. du 24 juillet 2017. L'Autorité a émis à propos de la loi susmentionnée l'avis n° 49/2016 du 21 septembre 2016, consultable via le lien suivant : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-49-2016.pdf et a émis sur le même sujet l'avis n° 73/2020 du 24 août 2020, consultable via le lien suivant : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis- n-73-2020.pdf. 16 “Lorsque le présent règlement fait référence à une base juridique ou à une mesure législative, cela ne signifie pas nécessairement que l'adoption d'un acte législatif par un parlement est exigée, sans préjudice des obligations prévues en vertu de l'ordre constitutionnel de l'État membre concerné. Cependant, cette base juridique ou cette mesure législative devrait être claire et précise et son application devrait être prévisible pour les justiciables, conformément à la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne (ci-après dénommée "Cour de justice") et de la Cour européenne des droits de l'homme ". 2774/001 DOC 55 394 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 15/24 importante dans les droits et libertés des personnes concernées. Comme le demandeur l'indique dans sa demande, les traitements de données à caractère personnel reprises dans le RCS concernent un traitement à grande échelle, à savoir l'enregistrement de documents comportant des données à caractère personnel dans une banque de données centrale largement accessible. 54. En vertu de l’article 6.3 du RGPD, lu conjointement avec l’article 22 de la Constitution et l’article 8 de la CEDH, une telle norme de rang législatif doit déterminer les circonstances dans lesquelles un traitement de données est autorisé. Conformément aux principes de légalité et de prévisibilité, cette norme législative doit ainsi, en tout cas, définir les éléments essentiels du (des) traitement(s)17. Lorsque le(s) traitement(s) de données représente(nt) une ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées18, comme dans le cas présent, les éléments essentiels suivants doivent être définis par le législateur : - la (les) finalité(s) précise(s) et concrète(s) ; - l’identité du (des) responsable(s) du traitement (à moins que cela ne soit clair) ; - les (catégories de) données qui sont nécessaires à la réalisation de cette (ces) finalité(s) ; - les catégories de personnes concernées dont les données seront traitées ; - le délai de conservation maximal des données ; - les destinataires ou catégories de destinataires auxquels les données seront communiquées et les circonstances dans lesquelles elles le seront, ainsi que les motifs y afférents ; - le cas échéant et dans la mesure où cela est nécessaire, la limitation des obligations et/ou droits mentionné(e)s aux articles 5, 12 à 22 et 34 du RGPD. 55. L'Autorité constate que les finalités des traitements en question n'apparaissent pas toujours clairement dans l'avant-projet de loi et que celles-ci ne sont pas non plus reprises dans le texte à modifier (cf. infra). 17 Voir DEGRAVE, E., "L’e-gouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparence et contrôle", Collection du CRIDS, Larcier, Bruxelles, 2014, p. 161 e.s. (voir e.a. : CEDH, Arrêt Rotaru c. Roumanie, 4 mai 2000) ; Voir également quelques arrêts de la Cour constitutionnelle : l'Arrêt n° 44/2015 du 23 avril 2015 (p. 63), l'Arrêt n° 108/2017 du 5 octobre 2017 (p. 17) et l'Arrêt n° 29/2018 du 15 mars 2018 (p. 26). 18 Il sera généralement question d'ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées lorsqu'un traitement de données présente une ou plusieurs des caractéristiques suivantes : le traitement porte sur des catégories particulières de données à caractère personnel (sensibles) au sens des articles 9 ou 10 du RGPD, le traitement concerne des personnes vulnérables, le traitement est réalisé à des fins de surveillance ou de contrôle (avec d'éventuelles conséquences négatives pour les personnes concernées), le traitement implique un croisement ou une combinaison de données à caractère personnel provenant de différentes sources, il s'agit d'un traitement à grande échelle en raison de la grande quantité de données et/ou de personnes concernées, les données traitées sont communiquées à des tiers ou accessibles à ces derniers, … 395 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 16/24 Article 43 de l’avant-projet 56. L'article 43 de l'avant-projet prévoit une modification de l'article 4.59 du nouveau CC. Cette disposition remplace l'article 1240bis de l'ancien CC et devait entrer en vigueur le 1er juillet 2022. 57. Dans sa demande, le demandeur précise que la disposition susmentionnée de l'avant-projet prévoit tout d'abord que les actes et les certificats peuvent également être établis et inscrits dans le registre central successoral par le bureau compétent de l'AGDP (Administration générale de la documentation patrimoniale) (article 43, § 2). 58. Les articles 43, § 3 e.s. déterminent ensuite les données (à caractère personnel) qui doivent être reprises dans les actes et les certificats d'hérédité établis par les notaires ou l'AGDP. Dans l'Exposé des motifs, le demandeur indique que le régime actuel qui est repris à l'article 4.59 du (nouveau) CC concernant la preuve de la qualité successorale se limite essentiellement à une seule finalité, à savoir la libération des avoirs du défunt. Il précise qu'une disposition plus large est cependant nécessaire, déterminant un régime général de la preuve de la dévolution ou de l’attribution de la succession, donc de la preuve de toute qualité successorale. Ceci étant donné que la preuve de la qualité successorale peut être requise dans des situations diverses et pour plusieurs finalités et que les mentions à apporter dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont différentes en fonction de ces situations et de ces finalités. Le demandeur renvoie à titre d'exemple à plusieurs situations où une telle preuve peut être requise, notamment à l’égard d’un débiteur (par ex. un locataire) ou d’un créancier ou d’un co-contractant (par ex. un bailleur ou un acquéreur), ou pour reprendre une instance dans laquelle était impliqué le défunt. 59. Le demandeur explique, à la lumière de ce qui précède, que le § 3 de l'article 43 de l'avant-projet dispose quelles mentions doivent en tout cas être reprises dans tout acte ou dans tout certificat d'hérédité, quelle que soit la finalité pour laquelle l'acte ou le certificat a été établi. Le § 4 détermine les mentions qui doivent être reprises dans l'acte ou le certificat d'hérédité, en fonction de la finalité pour laquelle l'acte ou le certificat est établi. 60. L'Autorité constate que le § 3 de l'article 43 de l'avant-projet mentionne les données suivantes : "1° du défunt : ses nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et date de décès ; le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ; 2° la loi applicable à la succession." L'Autorité fait remarquer que cette disposition concerne uniquement des données du défunt, c'est-à-dire d'une personne décédée, et attire l'attention 2774/001 DOC 55 396 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 17/24 sur le fait que, par conséquent, conformément au considérant 27 du RGPD, ces données ne relèvent pas du champ d'application du RGPD.19 61. L’article 43, § 4 de l'avant-projet dispose que : "Dans la mesure requise pour les finalités en vue desquelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré, l’acte ou le certificat mentionne les données suivantes, pour autant qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées : 1° pour toutes les personnes mentionnées au paragraphe 1er20, leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des entreprises ; (...)"21 Les alinéas 2 à 5 inclus énumèrent les données (à caractère personnel) qui doivent être mentionnées par catégorie de successible dans l'acte ou le certificat d'hérédité. L’Autorité en prend acte. 62. L'Autorité confirme qu'il est en effet indiqué de prévoir, par finalité distincte, quelles données peuvent - conformément à l'article 5.1.c) du RGPD - être considérées comme étant adéquates, pertinentes et limitées à ce qui est nécessaire au regard de la finalité visée et doivent par conséquent être reprises dans l'acte ou le certificat. Il convient toutefois de souligner que la partie de phrase "Dans la mesure requise pour les finalités en vue desquelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré (...)" ne précise pas davantage quelles sont ces finalités, ce qui ne permet pas d'évaluer si les données collectées répondent ou non aux exigences énumérées ci-dessus. Cette formulation laisse une large marge d'appréciation au rédacteur de l'acte ou du certificat d'hérédité (le notaire ou l'AGDP) concernant les données qu'il convient ou non de reprendre. Cela ne favorise pas la prévisibilité de la réglementation qui encadre le traitement, requise en vertu de l'article 6.3 et du considérant 41 du RGPD. Comme indiqué ci-avant, l'Exposé des motifs énumère plusieurs exemples spécifiques de finalités possibles. Celles-ci ne se retrouvent cependant pas dans le texte normatif. 63. L'Autorité souligne à cet égard que conformément à l'article 5.1.b) du RGPD, les données à caractère personnel doivent être collectées et traitées pour des finalités déterminées, explicites et légitimes. À la lumière de la disposition susmentionnée, ces finalités doivent être décrites de manière plus précise à l'article 43 de l'avant-projet. 19 Voir le considérant 27 du RGPD : "Le présent règlement ne s'applique pas aux données à caractère personnel des personnes décédées. Les États membres peuvent prévoir des règles relatives au traitement des données à caractère personnel des personnes décédées". 20 Art. 4.59, § 1er : "Toute personne appelée à la succession en tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d’hérédité”. 21 Soulignement par l’Autorité. 397 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 18/24 Article 44 de l’avant-projet 64. L'article 44 de l’avant-projet vise à modifier l’article 4.126 du nouveau CC. Plus précisément, la disposition précitée insère la phrase suivante à l'article 4.126, § 2 du nouveau CC : "Le bureau compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis." Cette disposition n'appelle aucune remarque particulière. Article 45 de l'avant-projet 65. L'article 45 de l'avant-projet vise à apporter des modifications à l'article 4.127 du (nouveau) CC, lequel énumère les données qui doivent être reprises dans le RCS. 66. L'Autorité constate qu'une première modification concerne une simple adaptation terminologique au § 1er de l'article 4.127 du CC, à savoir le remplacement des mots "numéro de registre national" par les mots "numéro d'identification du Registre national". Cette modification n'appelle aucune remarque particulière. 67. En outre, un alinéa 1°/1 est inséré à la disposition susmentionnée, lequel contient une énumération des données des successibles devant être reprises dans le RCS. Il est libellé comme suit :"§ 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au moment de l'inscription: (...) 1°/1 des héritiers : a) les nom et prénom(s) ; b) le numéro d'identification du Registre national ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale". Le demandeur indique dans l'Exposé des motifs que la finalité de la reprise des données susmentionnées des héritiers dans le RCS est de permettre d'établir la qualité de ces derniers de manière automatisée afin que - comme prévu par l'article 14, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 18 mars 2020 portant l'introduction de la Banque des actes notariés -, ils puissent exercer leur droit de consultation des actes notariés concernant leur prédécesseur en droit. 68. La finalité susmentionnée semble légitime mais elle ne peut pas être déduite du texte de l'avant-projet. L'Autorité souligne que la finalité de chaque traitement de données à caractère personnel constitue un des éléments essentiels du traitement et doit être reprise dans une norme légale formelle. 69. Afin de répondre à l'exigence de l'article 5.1.b) du RGPD ("finalité déterminée et explicite"), il est par conséquent recommandé de reprendre la finalité précise de ce nouveau traitement de données à caractère personnel dans l’avant-projet. 2774/001 DOC 55 398 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 19/24 70. La même remarque vaut pour l'ajout qui est apporté au moyen de l'article 45 de l'avant-projet à l'article 4.127, § 1er, 2° du (nouveau) CC, comprenant les données à caractère personnel du déclarant qui doivent être reprises dans le RCS. Article 47 de l’avant-projet 71. L'article 47 de l'avant-projet vise à insérer un alinéa à l'article 4.131, § 1er du nouveau CC, libellé comme suit : "Les données visées à l’article 4.127, §1er, 1°/1, sont uniquement accessibles au gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit". 72. Dans l'Exposé des motifs, le demandeur précise que la disposition susmentionnée vise à protéger les métadonnées des héritiers dans le RCS. Cette modification n'appelle aucune remarque particulière. d. Modification de la loi sur les jeux de hasard (art. 55 et 57 de l'avant-projet) 73. Les articles 55 et 57 de l'avant-projet visent tout d'abord à apporter plusieurs modifications à la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs (ci-après : "la loi sur les jeux de hasard") suite aux remarques formulées par l'Autorité dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021.22 74. Celles-ci concernent le traitement de données à caractère personnel via le système appelé Excluded Persons Information System (“système EPIS") - tel que décrit à l'article 54 de la loi sur les jeux de hasard - reprenant les données des personnes interdites d'accès aux établissements de jeux de hasard d'une part ainsi que les données à caractère personnel des visiteurs des établissements de jeux de hasard reprises dans le registre tenu par les exploitants, tel que visé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard d'autre part. 75. Plus précisément, en ce qui concerne le système EPIS susmentionné, il est premièrement proposé d'insérer, au moyen de l'article 55 de l'avant-projet, entre les alinéas 1er de 2 de l'article 55 de la loi sur les jeux de hasard, un alinéa libellé comme suit : "La commission est responsable du traitement du système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er." Deuxièmement, dans le (nouvel) alinéa 6, il est prévu de remplacer les mots "la Commission de la protection de la vie privée" 22 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-178-2021.pdf. 399 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 20/24 par les mots "l'Autorité de protection des données". L'Autorité n'a aucune remarque en ce qui concerne les modifications susmentionnées. 76. Deuxièmement, il est proposé d'insérer, au moyen de l'article 57 de l’avant-projet, deux alinéas à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard dans lesquels la finalité du registre visé dans la disposition susmentionnée ainsi que la période de conservation des données à caractère personnel qui y sont reprises sont précisées en ces termes : "La finalité de ce registre est de permettre à la commission [des jeux de hasard] de vérifier a posteriori si les consultations du système de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV. Les données à caractère personnel inscrites dans le registre sont conservées pendant dix ans à dater de la dernière activité de jeu de la personne concernée”. 77. Cette dernière modification - concernant le délai de conservation - est apportée notamment suite à l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 9 décembre 2021, annulant l'article 31 de la loi sur les jeux de hasard "en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation des données à caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 "sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs" et en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur”.23 78. En ce qui concerne le délai de conservation de (maximum) dix ans, le demandeur déclare que de cette manière, la durée de conservation est harmonisée avec les délais de conservation légaux prévus par l’article 60 de la loi 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, dans le cadre duquel la Commission des jeux de hasard dispose d'une compétence de surveillance (cf. Chapitre 6 du Titre 4). L’Autorité en prend acte. 79. L'article 57 de l’avant-projet prévoit enfin un traitement systématique de la photographie des visiteurs des établissements de jeux de hasard concernés au moyen du registre visé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard. Il vise en effet à insérer la phrase suivante à l'article 62, alinéa 1er de la loi sur les jeux de hasard : "À chaque visite de la personne concernée, une photographie de cette personne est prise et conservée dans le registre”.24 23 C. const., arrêt n° 177/2021, 21 décembre 2021, consultable via le lien suivant : http://www.const- court.be/public/f/2021/2021-177f.pdf.. 24 Soulignement par l’Autorité. 2774/001 DOC 55 400 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 21/24 80. Dans l'Exposé des motifs de l'avant-projet, le demandeur précise à propos de la finalité de la prise et de la conservation d'une photographie de chaque visiteur que "la photo du joueur est requise pour éviter toute fraude d'identité. Les photos sont aussi très utiles pour la police (comme preuve dans les enquêtes ou comme information car il s'agit de photos récentes de personnes)”. 81. Par le biais de la disposition susmentionnée, l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard prévoit le traitement d'une nouvelle catégorie de données à caractère personnel, à savoir l'image des personnes concernées. Il convient de souligner que conformément à l'article 4.14) du RGPD, des images faciales - dans les cas définis dans l'article précité - peuvent constituer des données biométriques. Ces données sont considérées comme une catégorie particulière de données à caractère personnel qui bénéficie d'une protection particulière et dont le traitement est en principe interdit, conformément à l’article 9.1 du RGPD. L'Autorité attire l'attention sur le fait que si et dans la mesure où le demandeur décide de maintenir ce traitement envisagé, les garanties nécessaires doivent être prévues afin que les images faciales ne puissent en aucun cas être traitées pour d'autres finalités que celles poursuivies par le registre visé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard. 82. À cet égard, il convient de souligner que l'utilisation des photographies concernées des visiteurs d'établissements de jeux de hasard par les services de police en vue de leur utilisation dans le cadre d' "enquêtes ou d'informations" (voir supra) est une finalité qui est totalement différente de et incompatible avec la finalité pour laquelle les données à caractère personnel en question sont collectées et reprises dans le registre, comme précisé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard. Les dispositions reprises au Chapitre VI de la loi sur les jeux de hasard - dont aussi l'article 62 en question - concernent des "mesures de protection des joueurs et des parieurs". L'utilisation et le traitement ultérieur de données à caractère personnel collectées dans ce contexte pour des finalités policières ne sont par conséquent - en l'absence d'une disposition légale claire en la matière - pas compatibles avec la finalité initiale du traitement de ces données au sens de l'article 6.4 du RGPD. Le traitement de données à caractère personnel doit en effet être prévisible et les personnes concernées doivent avoir une idée suffisamment claire des conditions dans lesquelles et des finalités pour lesquelles les données à caractère personnel collectées peuvent être traitées.25 25 CEDH, grande chambre,, 4 mai 2000, Rotaru c. Roumanie, § 57 ; grande chambre, 4 décembre 2008, S. et Marper c. Royaume-Uni, § 99. 401 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 22/24 83. Comme l'Autorité l'a déjà affirmé dans son avis n° 178/2021, conserver la photographie des personnes concernées n'est en outre pas une garantie d'identification correcte des personnes concernées, vu le risque de ressemblance entre les personnes. Par ailleurs, un traitement de la photographie des personnes concernées au moyen d'une technique permettant de les identifier et de les authentifier implique - comme déjà indiqué ci-dessus - la présence d'un des motifs d'exception de l'article 9.2 du RGPD pour pouvoir déroger à l'interdiction de traitement de l'article 9.1 du RGPD. En l'espèce, la logique voudrait que l'article 9.2.g) du RGPD s'applique, lequel prévoit que le traitement doit être justifié par des motifs d'intérêt public important et doit être encadré par une norme garantissant la proportionnalité avec l'objectif poursuivi, respectant l'essence du droit à la protection des données et prévoyant des mesures appropriées et spécifiques pour la sauvegarde des droits fondamentaux et des intérêts de la personne concernée. Dans ce cas, l’Autorité s’interroge toutefois sur la proportionnalité du traitement visé. 84. L'Autorité rappelle à cet égard, comme indiqué auparavant dans son avis n° 178/2021, qu'une solution technologique basée sur l’utilisation du module d’authentification électronique de la carte d’identité constituerait une option plus proportionnée générant une ingérence plus faible dans le droit à la protection des données des visiteurs d'établissements de jeux de hasard tout en atteignant le but souhaité par le demandeur.26 85. En résumé, l'Autorité recommande dans l'avis précité de prévoir une obligation pour toute personne majeure qui se présente pour accéder à une des salles de jeux concernées, de s’authentifier par voie électronique à l’aide de sa carte d’identité et qu’un couplage automatisé soit opéré avec le système EPIS afin qu’en cas de mention de la personne dans ce système, l’exploitant reçoive un message d’alerte l’avertissant qu’il doit refuser l’accès de cette personne à la salle de jeux. Une telle façon de procéder permettrait de s’assurer du respect de la réalisation des obligations de vérification préalable sans exiger la tenue d’un registre d’accès et sans exiger la prise de copie de la carte d’identité étant donné que l’utilisation avec succès du module d’authentification de la carte ne nécessiterait plus de devoir vérifier ultérieurement que l’identification/l’authentification de la personne ont été correctement réalisées vu que le titulaire de la carte est le seul à connaître le code pin de sa carte. De plus, pour éviter la consultation d’une base de données centrale (EPIS) qui implique que la Commission des jeux de hasard se voit divulguer le numéro de RN ou les données d’identification des personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et les moments auxquels elles les fréquentent, il conviendrait de mettre quotidiennement à disposition des établissements de jeux de hasard la liste actualisée des personnes exclues de jeu sous la forme d’une liste composée des hash de leur numéro de RN, numéro de carte d’identité et nom. Cette liste serait transmise avec un filtre de Bloom de telle 26 Avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021, consultable via le lien suivant : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-178-2021.pdf, points 25 e.s. (en particulier à partir du point 37). 2774/001 DOC 55 402 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 23/24 sorte que la confidentialité des personnes figurant sur cette liste serait assurée. Les exploitants de salles de jeux de hasard vérifieraient localement si les personnes qui souhaitent accéder aux salles de jeux sont exclues de jeu. Une journalisation des vérifications réalisées serait imposée afin de permettre aux inspecteurs de vérifier que les vérifications suffisantes ont bien été effectuées et des contrôles réguliers in situ seraient réalisés pour vérifier que chaque personne présente dans la salle de jeux n’est pas exclue de jeu. Une telle façon de procéder constitue aux yeux de l’Autorité un traitement de données plus adéquat et proportionné que ce qui est actuellement prévu par la loi sur les jeux de hasard et ses arrêtés d’exécution car cela évite d’une part, à la fois de réaliser une quantité importante de copies de cartes d’identité, ce qui n’est pas l’idéal au regard du risque de fraude à l’identité et de communiquer à la commission des jeux de hasard l’identité de toutes les personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et d’autre part, de tenir localement au niveau des établissements de jeux de hasard des registres contenant les données d’identification de toutes les personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et les moments auxquels elles les fréquentent ; ce qui peut apparaître comme disproportionné au regard de la mission de service public poursuivie qui est d’assurer l’effectivité de l’interdiction de fréquentation de ces salles de jeux à laquelle seules certaines personnes sont soumises. PAR CES MOTIFS, l’Autorité, estime que les adaptations suivantes s'imposent dans l’avant-projet de loi : - préciser les éléments essentiels des traitements prévus à l'article 18 de l'avant-projet (considérants 10 à 33 inclus) et prévoir des garanties appropriées supplémentaires pour protéger les droits et libertés des personnes concernées (considérants 34-39) ; - supprimer le traitement de données à caractère personnel prévu à l'article 19 de l'avant-projet (captations d'audiences de la cour d'assises en vue de constituer des archives historiques de la justice) vu son incompatibilité avec les principes de nécessité et de proportionnalité (considérants 39-44) ; - préciser la (les) finalité(s) du traitement prévu à l'article 43 de l'avant-projet (considérants 56 à 63 inclus) ; - préciser la (les) finalité(s) du traitement prévu à l'article 45 de l'avant-projet (considérants 65 à 70 inclus) ; 403 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Avis 113/2022 - 24/24 - supprimer l'obligation de prendre et de conserver la photographie des visiteurs d'établissements de jeux de hasard vu que la mesure n'est pas nécessaire, ni proportionnée (considérants 73 e.s). Pour le Centre de Connaissances, Jean-Michel Serna - Responsable a.i. du Centre de Connaissances 2774/001 DOC 55 404 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1/24 Advies nr. 113/2022 van 3 juni 2022 Betreft: Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II (artikelen 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 en 57) (CO-A-2022-086) Het Kenniscentrum van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna de “Autoriteit”), aanwezig: de heren Yves-Alexandre de Montjoye en Bart Preneel; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, inzonderheid op artikelen 23 en 26 (hierna “WOG”); Gelet op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (hierna “AVG”); Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna “WVG”); Gelet op het verzoek om advies van de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eerste Minister en Minister van Justitie en Noordzee (hierna "de aanvrager") ontvangen op 01/04/2022; Brengt op 3 juni 2022 het volgend advies uit: 405 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 2/24 I. VOORWERP VAN DE ADVIESAANVRAAG 1. De aanvrager verzoekt om het advies van de Autoriteit aangaande de artikelen 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 en 57 een voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II (hierna "het voorontwerp” of “het voorontwerp van wet"). 2. De voormelde bepalingen brengen een aantal wijzigingen aan in diverse wetten die onder de bevoegdheid vallen van het Departement Justitie, met name het Wetboek van Strafvordering, de Rijksregisterwet1, het Burgerlijk Wetboek en de Kansspelwet2. II. ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG a. Wijzigingen aan het Wetboek van Strafvordering (art. 18 en 19 van het ontwerp) 3. Artikelen 18 en 19 van het voorontwerp voorzien de invoeging van twee bepalingen - artikelen 258/1 en 258/2 - in het Wetboek van Strafvordering, onder Titel II (hof van assisen) en meer bepaald in Hoofdstuk V, Afdeling I (“Ambtsverrichtingen van de voorzitter”), die de mogelijkheid voorzien om geluidsopnames of audiovisuele opnames te maken van terechtzittingen voor het hof van assisen en dit, enerzijds, ten behoeve van gekende slachtoffers alsook hun advocaten en, anderzijds, voor het aanleggen van historische archieven. 4. De betrokken bepalingen luiden als volgt: “Art. 258/1. §1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van assisen en het aantal procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert, voor de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang tot de uitzending hebben verzocht. §2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit van de debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare orde te voorkomen en kan om die reden de uitzending ten allen tijde onderbreken (…)”. 1 Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen, BS 21/04/1984. 2 Wet van wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, BS 30/12/1999. 2774/001 DOC 55 406 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 3/24 Art. 258/2. “Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de voorzitter beslissen dat her verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van historische justitiearchieven. In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het strafdossier gevoegd.” 5. Verder voorziet artikel 18 van het voorontwerp in strafrechtelijke sancties (een gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van tweehonderd tot tienduizend euro) in geval van het opnemen van de betroffen opnames of het uitzenden ervan aan derden. 6. In de memorie van toelichting bij het ontwerp licht de aanvrager toe dat artikel 18 van het voorontwerp tot doel heeft de mogelijkheid te voorzien om van de debatten ter terechtzitting een geluids-of audiovisuele opname te maken die de uitgestelde uitzending mogelijk maakt ten voordele van de gekende slachtoffers en hun advocaten. Verder stelt de aanvrager dat deze bepaling voornamelijk bedoeld is voor terechtzittingen waarbij een groot aantal procespartijen betrokken zijn en/of buitenlandse slachtoffers die de zitting niet kunnen bijwonen. De aanvrager preciseert dat de ontworpen bepaling geïnspireerd is op de regeling vervat in artikel 802-3 van de Franse Code de procédure pénale. Ook wat betreft artikel 19 van het voorontwerp, betreffende de opnamen met oog op het aanleggen van historische justitiearchieven, verwijst de aanvrager naar een gelijkaardige bepaling in het Frans recht. 7. De verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van een wettelijke verplichting3 of voor de uitoefening van een opdracht van algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag die aan een verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd4, moet overeenkomstig artikel 6.3 AVG, gelezen in het licht van overweging 41 AVG5, worden geregeld door duidelijke en nauwkeurige regelgeving, waarvan de toepassing voor de betrokkenen voorzienbaar moet zijn. Bovendien is het volgens artikel 22 Grondwet noodzakelijk dat de wezenlijke elementen van de gegevensverwerking door middel van een formele wettelijke norm (wet, decreet of ordonnantie) wordt vastgesteld. 3 Artikel 6.1.c) AVG. 4 Artikel 6.1.e) AVG. 5 “Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevings- maatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. 407 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 4/24 8. De verwerking(en) van persoonsgegevens waartoe het ontwerp aanleiding geeft zijn gestoeld op artikel 6.1 e) AVG en hebben een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen tot gevolg. De Autoriteit stelt namelijk vast dat de beoogde verwerking onder meer het maken van geluids-of audiovisuele opnames van zittingen van het hof van assisen inhoudt en bijgevolg gevoelige gegevens zoals bedoeld in artikel 10 AVG (persoonsgegevens met betrekking tot strafbare feiten) betreft. Gelet op het gevoelige karakter van de beoogde verwerkingen en hun impact op de werking van de rechterlijke orde, stelt de Autoriteit voor om - voor zover dit nog niet gebeurde - eveneens het advies van de Hoge Raad voor Justitie hieromtrent te verzoeken. 9. Krachtens artikel 6.3 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, moet dergelijke norm van wettelijke rangorde bepalen onder welke omstandigheden een gegevensverwerking is toegestaan. Overeenkomstig het legaliteits- en het voorzienbaarheidsprincipe moet deze wetgevingsnorm dus in ieder geval de essentiële elementen van de verwerking(en) vastleggen6. Wanneer de gegevensverwerking(en) een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen vertegenwoordig(t)(en)7, zoals in casu het geval is, moeten volgende essentiële elementen door de wetgever worden vastgesteld: - het (de) precieze en concrete doeleinde(n); - de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke(n) (tenzij dit duidelijk is); - de (categorieën van) gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van (dit) (deze) doeleinde(n); - de categorieën van betrokkenen wiens gegevens zullen worden verwerkt; - de maximale bewaartermijn van de gegevens; - de (categorieën van) ontvangers aan wie de gegevens worden meegedeeld, evenals de omstandigheden waarin en de redenen waarom de gegevens worden verstrekt; - in voorkomend geval en voor zover noodzakelijk, de beperking van de verplichtingen en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 tot 22 en 34 AVG. 10. Wat betreft het eerste wezenlijke element van de voorgenomen verwerking(en), stelt de Autoriteit vast dat door middel van de betroffen ontwerpbepalingen van het voorontwerp van wet twee onderscheiden verwerkingen worden voorzien met verschillende doeleinden, i.e. geluidsopnames of audiovisuele opnames van zittingen van het hof van assisen ten behoeve van 6 Zie DEGRAVE, E., "L'egouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparance et contrôle", Collection du CRIDS, Larcier, Brussel, 2014, p. 161 e.v. (zie o.m.: EHRM, arrest Rotaru c. Roumania, 4 mei 2000); Zie ook enkele arresten van het Grondwettelijk Hof: Arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 (p. 63), Arrest nr. 108/2017 van 5 oktober 2017 (p. 17) en Arrest nr. 29/2018 van 15 maart 2018 (p. 26). 7 Er zal veelal sprake zijn van een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van betrokkenen wanneer een gegevensverwerking (een of) meer van volgende kenmerken vertoont: de verwerking heeft betrekking op speciale categorieën van (gevoelige) persoonsgegevens in de zin van art. 9 of 10 AVG, de verwerking betreft kwetsbare personen, de verwerking vindt plaats voor toezichts- of controledoeleinden (met gebeurlijke negatieve gevolgen voor de betrokkenen), de verwerking impliceert de kruising of koppeling van persoonsgegevens afkomstig uit verschillende bronnen, het gaat om een grootschalige verwerking vanwege de grote hoeveelheid gegevens en/of betrokkenen, de verwerkte gegevens worden meegedeeld of zijn toegankelijk voor derden, …. 2774/001 DOC 55 408 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 5/24 bekende slachtoffers en hun advocaten (A), enerzijds, en opnames met oog op het aanleggen justitiearchieven (B), anderzijds. A. Opnames ten behoeve van de slachtoffers en hun advocaten (art. 18 voorontwerp) 11. Overeenkomstig artikel 5.1.b) AVG mag een verwerking van persoonsgegevens enkel worden verricht voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden. 12. Uit de bewoordingen van artikel 18 van het ontwerp alsook de memorie van toelichting kan worden afgeleid dat de doeleinde van de in deze bepaling voorziene verwerking, i.e. het maken van geluidsopnamen of audiovisuele opnamen, erin bestaat de toegang voor slachtoffers en hun advocaten tot de debatten te vergemakkelijken in het geval van terechtzittingen waarbij een groot aantal procespartijen zijn betrokken dan wel een groot aantal buitenlandse slachtoffers, waardoor de capaciteit van het hof en/of de situatie van de slachtoffers niet toelaat dat zij de zittingen bijwonen. Bij wijze van voorbeeld wordt in de memorie van toelichting verwezen naar het proces inzake de terroristische aanslagen in de metrohalte Maalbeek en de luchthaven Brussels Airport Zaventem, dat in het najaar van 2022 zal plaatsvinden. De Autoriteit neemt hier akte van. 13. Hoewel deze doeleinde als dusdanig als welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd kan worden beschouwd, dient de voorgenomen verwerking tevens proportioneel te zijn en dienen desgevallend eveneens de overige wezenlijke elementen van de verwerking uitdrukkelijk in het voorontwerp te worden opgenomen. 14. Wat betreft de voorgenomen verwerking voorzien in artikel 18 van het voorontwerp, stelt de Autoriteit stelt zich vooreerst vragen bij diens proportionaliteit en stelt deze verder vast dat bepaalde van bovenvermelde wezenlijke elementen onvolledig zijn of ontbreken in het voorontwerp van wet alsook dat dit ontwerp vaag blijft met betrekking tot de waarborgen en beveiligingsmaatregelen zullen worden ingesteld wat betreft de beoogde gegevensverwerkingen. i. Proportionaliteit van de beoogde verwerking 15. De geplande verwerking en de hiermee gepaard gaande inmengingen in de rechten en vrijheden van de betrokkenen dient vooreerst een rechtmatige, noodzakelijke en proportionele maatregel te vormen. 16. In dit verband dient er ten eerste op te worden gewezen dat de in artikel 18 beoogde verwerking - i.e. het maken van opnames van terechtzittingen voor het hof van assisen ten behoeve van erkende slachtoffers en hun advocaten en het ter beschikking stellen van deze opnames met oog 409 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 6/24 op de uitgestelde uitzending ervan - op basis van de voorliggende tekst mogelijk zeer ruim kan worden toegepast. In de memorie van toelichting stelt de aanvrager met betrekking tot het bepaalde in voormeld artikel van het voorontwerp van wet dat deze bepaling bedoeld is voor processen met een groot aantal procespartijen en/of buitenlandse slachtoffers, waarbij wordt verwezen naar het aankomende proces betreffende de terroristische aanslagen. Het ontwerp voorziet evenwel geen enkele beperking in de tijd van de betrokken bepaling noch andere voorwaarden teneinde de toepassing ervan te beperken en om de proportionaliteit ervan te waarborgen. 17. De Autoriteit stelt zich tevens de vraag of de met deze in artikel 18 beoogde doeleinde niet kan worden bereikt door middel van een verwerking die een minder ernstige inmenging in de rechten en vrijheden van betrokkenen inhoudt. Zo rijst de vraag of voor de gevallen geviseerd door voormelde bepaling van het voorontwerp niet zou kunnen worden overwogen gebruik te maken van een systeem van live videoconferentie waaraan de betrokken slachtoffers en hun advocaten kunnen deelnemen, die geen opname en bijgevolg geen opslag en overdracht of uitgestelde uitzending van de opnames inhoudt. Verder rijst ook de vraag of en in welke gevallen, in het licht van de beoogde doeleinde(n), audiovisuele opnames in plaats van enkel geluidsopnames als noodzakelijk dienen te worden beschouwd. 18. De Autoriteit is van oordeel dat de beslissing van de voorzitter tot toepassing van artikel 258/1 Sv. (in te voegen bij artikel 18 van het voorontwerp), gelet op de ernstige inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen die deze teweegbrengt, in elk geval een uitzonderingsregeling dient te zijn. Ze wijst erop dat de aanvrager met oog op het waarborgen van de evenredige toepassing en de voorzienbaarheid van de betrokken verwerking in het wetsontwerp duidelijke en objectieve criteria dient op te nemen waaraan dient te zijn voldaan opdat de bepaling toepassing kan vinden en dat vervolgens van de voorzitter dient te worden gevraagd de toepassing van deze regeling geval per geval te motiveren, in het licht van de in de wet vastgestelde criteria. Onverminderd voorgaande, zullen tevens de wezenlijke elementen van de verwerking in de wet dienen te worden opgenomen (cf. infra). 19. In de veronderstelling dat de wetgever zijn voornemen bevestigt om de geplande verwerking in te voeren, dienen de desbetreffende bepalingen van het voorontwerp te worden aangevuld teneinde te beantwoorden aan alle onder randnummer 9 vermelde criteria die van toepassing zijn op normen ter omkadering van verwerkingen van persoonsgegevens. ii. De verwerkingsverantwoordelijke(n) 2774/001 DOC 55 410 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 7/24 20. Artikel 4.7 AVG bepaalt dat voor de verwerkingen waarvan de regelgeving het doel en de middelen vastlegt, de verwerkingsverantwoordelijke diegene is die daarin als dusdanig wordt aangewezen. 21. De Autoriteit stelt vast dat het ontwerp de verwerkingsverantwoordelijke(n) van de verwerking voorzien in artikel 18 niet uitdrukkelijk en nominatief aanduidt. Wat betreft de verwerking van persoonsgegevens die het voorwerp uitmaakt van de opnamen als dusdanig, zou uit de tekst zou kunnen worden afgeleid dat het hof van assisen de verwerkingsverantwoordelijke is dan wel diens voorzitter, die de beslissing neemt tot het maken van het geluidsopname of audiovisuele opname. 22. In artikel 18, §4 van het ontwerp wordt bepaald dat de slachtoffers en hun advocaten die gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot het ontvangen van de opname van de debatten, hiertoe een verzoek dienen te richten aan de griffie of aan het parket. De tekst preciseert niet welke persoonsgegevens in dit verband zullen worden verzameld en verwerkt (cf. infra), noch wie voor deze verwerkingsactiviteit als verwerkingsverantwoordelijke(n) dient/dienen te worden beschouwd. Om elke onduidelijkheid over de identiteit van de perso(o)n(en) of entiteit(en) die als verwerkingsverantwoordelijke(n) dient/dienen te worden beschouwd te vermijden en zo de uitoefening van de rechten van de betrokkenen - zoals vastgesteld in de artikelen 12 tot en met 22 AVG - te vergemakkelijken, verzoekt de Autoriteit de aanvrager om in het voorontwerp van wet uitdrukkelijk de persoon of entiteit aan te wijzen die als verantwoordelijke voor elk van de verwerkingsactiviteiten dient te worden beschouwd. iii. De categorieën van persoonsgegevens 23. Overeenkomstig artikel 5.1.c) AVG dienen persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt te zijn tot wat strikt noodzakelijk is voor de beoogde doeleinden (beginsel van “minimale gegevensverwerking”). 24. Zoals hierboven aangehaald, behoren de categorieën van persoonsgegevens eveneens tot de wezenlijke elementen van de verwerking die dienen te worden vastgelegd in de formele wettelijke norm die deze verwerking omkadert. 25. De Autoriteit stelt vast dat het voorontwerp van wet niet uitdrukkelijk bepaalt welke categorieën van persoonsgegevens precies zullen worden verwerkt in het kader van artikel 18 van dit ontwerp. In dit verband dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de (categorieën van) persoonsgegevens die zullen worden verwerkt door middel van de geluidsopnamen en/of audiovisuele opnamen zelf en, anderzijds, de persoonsgegevens van de slachtoffers (en hun advocaten) die verzameld en verwerkt zullen worden teneinde hen toegang te verlenen tot de 411 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 8/24 opnames. Dit laatste kan eventueel, mits een voldoende nauwkeurige machtiging aan de Koning in het voorontwerp, bij koninklijk besluit worden geregeld. iv. De categorieën van betrokkenen 26. Het voorontwerp dient tevens de (categorieën van) betrokkenen, i.e. de geïdentificeerde of identificeerbare8 natuurlijke personen die het voorwerp zullen uitmaken van de beoogde verwerkingen, te preciseren. 27. Het voorontwerp maakt in dit verband melding van de bekende slachtoffers en hun advocaten, wiens persoonsgegevens zullen worden verzameld en verwerkt in het geval waarin deze een aanvraag indienen tot het ontvangen van de uitzending van de opnames. Evenwel worden de overige categorieën van betrokkenen, die het voorwerp zullen uitmaken van de geluidsopnames en audiovisuele opnames zelf, niet uitdrukkelijk vermeld (bijv. de beschuldigde, de burgerlijke partijen, de zetelende rechters, de gezworenen, de getuigen, deskundigen, etc.). Dit dient eveneens te worden voorzien in het ontwerp. v. De categorieën van ontvangers 28. Ook de ontvangers in de zin van artikel 4.9 AVG (elke “natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de persoonsgegevens worden verstrekt”) maken deel uit van de wezenlijke elementen van de verwerking, die in het voorontwerp dienen te worden gepreciseerd. 29. De Autoriteit stelt vast dat dat het voorontwerp wat betreft de geluidsopnamen en audiovisuele opnamen geviseerd in artikel 18 (in te voegen artikel 258/1 Sv.) de gekende slachtoffers en hun advocaten vermeldt als ontvangers. Indien en voor zover eveneens andere personen of instanties de betrokken persoonsgegevens zullen ontvangen - hierbij wordt o.m. gedacht aan externe verwerkers - dan dient dit te worden gepreciseerd in het ontwerp. vi. De opslagtermijnen 8 Overeenkomstig artikel 4.1 AVG kan als identificeerbaar worden beschouwd: “een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. 2774/001 DOC 55 412 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 9/24 30. Overeenkomstig het in artikel 5.1.e) AVG vervatte beginsel van opslagbeperking moeten persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt. 31. De Autoriteit stelt vast dat in het ontwerp niets wordt bepaald betreffende de termijnen gedurende dewelke de betrokken opnames zullen worden bewaard, noch de criteria ter bepalingen van deze termijnen. Wat betreft de regeling opgenomen in artikel 18 van het ontwerp (in te voegen artikel 258/1 Sv.), dient te worden voorzien in een maximale opslagtermijn of minstens in duidelijke criteria ter bepaling van dergelijke termijn en/of een uiterlijke termijn waarbinnen de gekende slachtoffers en hun advocaten toegang tot de opnames kunnen verzoeken. 32. De Autoriteit benadrukt in dit verband dat de voorziene opslagtermijn dient te worden beperkt tot wat strikt noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de beoogde doeleinde - i.e. het bekijken van de opnames door de erkende slachtoffers en hun advocaten – en dat de persoonsgegevens na verloop van deze termijn dienen te worden verwijderd. De Autoriteit is van oordeel dat deze termijn in casu dient te worden beperkt tot de duur van het betrokken proces en dat deze opnames in geen geval langer dan één jaar kunnen worden bewaard. 33. De Autoriteit wijst er in dit verband, wat betreft de verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt door middel van de geluidsopnames en/of audiovisuele opnames, op dat het vanuit technisch oogpunt mogelijk is dat de betrokken gegevens zouden worden hergebruikt met oog op de identificatie van een persoon (bijvoorbeeld de identificatie van de dader van een misdrijf aan de hand van zijn stemgeluid). In deze zin houdt de loutere opslag van de betrokken gegevens een risico in op de verwerking van biometrische gegevens in de zin van artikel 4.14 AVG.9. De Autoriteit wijst erop dat er dient over te worden gewaakt dat deze gegevens niet als dusdanig en voor met het initiële doel onverenigbare doeleinden kunnen worden gebruikt door de ontvangers van de opnames dan wel door andere entiteiten. Er dient daarom in het voorontwerp gepreciseerd te worden welke waarborgen zullen worden ingebouwd teneinde dit risico te beperken. De Autoriteit wijst erop dat het in dit verband aangewezen is het verdere gebruik voor onverenigbare doeleinden (bijvoorbeeld met oog op identificatie van de gefilmde personen) bij wet te verbieden en te sanctioneren. vii. Gegevensbeschermingseffectbeoordeling en passende waarborgen 9 Met name “persoonsgegevens die het resultaat zijn van een specifieke technische verwerking met betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeel dingen of vingerafdrukgegevens”. 413 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 10/24 34. Zoals eerder aangehaald, zullen de in het voorontwerp voorziene verwerkingen - indien de aanvrager beslist deze in te voeren zoals voorzien in het voorontwerp - in de meeste gevallen leiden tot een ernstige inbreuk op de rechten en vrijheden van betrokkenen. Een dergelijke inmenging is enkel toegestaan indien deze in verhouding staat tot het rechtmatige doel dat ermee wordt nagestreefd. Aangezien de Autoriteit niet overtuigd is van de evenredigheid van de maatregel, verzoekt zij de aanvrager een strikt onderzoek naar deze proportionaliteit uit te voeren. De Autoriteit is van mening dat de gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 AVG een geschikte methode is om de proportionaliteit van de geplande verwerking te onderzoeken. Voorts herinnert de Autoriteit eraan dat, indien de verwerking dat het ontwerp opzet, een hoog risico kan inhouden voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen als bedoeld in artikel 35 van de AVG, de verwerkingsverantwoordelijke ook een specifieke effectbeoordeling zal moeten uitvoeren voordat de verwerking concreet wordt uitgevoerd. 35. In casu is de Autoriteit van oordeel dat deze gegevensbeschermingseffectbeoordeling best in dit stadium van het regelgevend proces wordt verricht. Het valt immers niet uit te sluiten dat ingevolge deze beoordeling specifieke voorschriften in de regelgeving dienen opgenomen te worden. 36. De Autoriteit wijst erop dat de verwerking van gevoelige persoonsgegevens in de zin van artikel 10 AVG het hanteren van strengere beveiligingsmaatregelen behoeven. In dit verband wordt verwezen naar artikel 9 en - in casu in het bijzonder - naar 10, §2 WVG, die aangeven welke bijkomende veiligheidsmaatregelen minstens zullen moeten worden voorzien indien dergelijke gegevens worden verwerkt: • de categorieën van personen aanwijzen die de persoonsgegevens kunnen raadplegen, waarbij hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de betrokken gegevens nauwkeurig wordt omschreven; • de lijst van de aldus aangewezen categorieën van personen ter beschikking houden van de Autoriteit; • ervoor zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen. 37. De Autoriteit merkt verder op dat de aanvrager stelt, zoals hierboven reeds vermeld, zich voor de betrokken bepalingen te hebben geïnspireerd op recente Franse wetgeving die eveneens de mogelijkheid tot het opnemen van terechtzittingen voorziet. Er dient evenwel op te worden gewezen dat in de door de aanvrager geciteerde wetgeving een aantal waarborgen voor de rechten en vrijheden van betrokkenen zijn ingebouwd die niet worden teruggevonden in het voorliggend ontwerp. In dit verband kan onder meer worden verwezen naar de wet nr. 2021-1729 van 21 december 2021 (“loi pour la confiance dans l’institution judiciaire”) alsook het décret n° 2022-462 pris pour l’application de 2774/001 DOC 55 414 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 11/24 l’article 1er de la loi n° 2021-1729.10 In voormelde normen worden onder meer de volgende waarborgen voorzien: • de afbeelding en andere identificerende kenmerken van de opgenomen personen mogen enkel worden verspreid mits hun schriftelijke toestemming, die vóór de betrokken zitting dient te worden gegeven. De opgenomen personen kunnen deze toestemming binnen vijftien dagen na het einde van de hoorzitting intrekken (art. 8-9 décret n° 2022-462); • de begunstigde van de machtiging tot opname is verplicht minderjarigen, meerderjarigen die een wettelijke bescherming genieten en andere opgenomen personen die niet hebben ingestemd met de verspreiding van de beelden en identificatie-elementen die op hen betrekking hebben, te verbergen (art. 14 décret n° 2022-462); en • na een periode van vijf jaar na de eerste vrijgave van de opname of tien jaar na de toestemming voor de opname, wordt de geheimhoudingsplicht uitgebreid tot alle opgenomen personen. Hierbij wordt gepreciseerd dat zulks inhoudt dat het beeld en elk element dat de directe of indirecte identificatie van de opgenomen personen mogelijk maakt, dient te worden verhuld, dat gezichten en silhouetten moeten worden vervaagd en stemmen worden vervormd (art. 14 décret n° 2022-462). 38. De Autoriteit beveelt de aanvrager aan in het voorliggende ontwerp, gelet op de ernstige inmenging van de beoogde verwerking, te voorzien in specifieke waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen. B. Opnames met oog op het aanleggen van historische justitiearchieven (art. 19 voorontwerp) 39. Artikel 19 van het voorontwerp (in te voegen artikel 258/2 Sv.) voorziet, onverminderd het bepaalde in artikel 18 van het ontwerp, de mogelijkheid voor de voorzitter van het hof van assisen om tot de opname van terechtzittingen te besluiten “voor het aanleggen van historische justitiearchieven”. Het tweede lid van voormelde bepaling voorziet tevens - zowel bij de toepassing van in te voegen artikel 258/1 als artikel 258/2 - dat “de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het sluiten van de debatten, bij het strafdossier [wordt] gevoegd”. 40. De Autoriteit herhaalt vooreerst dat de verwerking met oog op archivering dient te worden onderscheiden van de verwerking persoonsgegevens voor middel van opnames geviseerd in het hierboven besproken artikel 18 van het voorontwerp en dat deze een geheel onderscheiden doeleinde heeft. 10 https://www.legifrance.gouv.fr/loda/article_lc/JORFARTI000044546000/; https://www.legifrance.gouv.fr/jorf/id/JORFTEXT000045457824. 415 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 12/24 41. Wat betreft deze verwerking, is de Autoriteit van oordeel dat de aanvrager de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van de beoogde verwerking geenszins aantoont.11 In dit verband dient er vooreerst op te worden gewezen dat de met deze verwerking beoogde doeleinden kunnen worden - en reeds worden - bereikt door middel van minder ingrijpende maatregelen. De Autoriteit verwijst in dit verband meer bepaald naar het reeds bestaande Rijksarchief, geregeld door de wet van 24 juni 1955 (“Archiefwet”)12, waarin alle door de rechtbanken van de rechterlijke macht (waaronder eveneens het hof van assisen) bewaarde documenten, overeenkomstig de termijnen en modaliteiten vastgesteld in de artikelen 1 en 3 van voormelde wet, in dit archief worden opgenomen. 42. Noch in het voorontwerp zelf, noch in de memorie van toelichting wordt aangetoond dat en/of gemotiveerd om welke reden deze verwerking noodzakelijk zou zijn, in aanvulling van de reeds bestaande archieven. Evenmin wordt toegelicht om welke reden - gelet op het beginsel van minimale gegevensverwerking vervat in artikel 5.1.c) AVG - een bijkomende verwerking van nieuwe categorieën van persoonsgegevens via geluids-of audiovisuele opnames van terechtzittingen noodzakelijk zou zijn met oog op het verwezenlijken van de beoogde doeleinde(n), i.e. het aanleggen van justitiearchieven. De gearchiveerde stukken laten reeds historische analyse en onderzoek van de werkzaamheden van het hof van assisen toe. 43. De Autoriteit wijst er tot slot op dat, zelfs indien de noodzakelijkheid van de beoogde verwerking zou zijn aangetoond - quod non - het noch tot de bevoegdheid van de Federale Overheidsdienst Justitie noch tot deze van de rechterlijke macht behoort regels vast te stellen met betrekking tot verwerkingen voor archiveringsdoeleinden dan wel historische of wetenschappelijke doeleinden. 44. Ook wat betreft het bepaalde in het tweede lid van artikel 19 van het voorontwerp - met name de voeging van de geluids-of audiovisuele opnames bij het strafdossier - is de Autoriteit van oordeel 11 Een verwerking van persoonsgegevens wordt als noodzakelijk beschouwd indien zij de minst ingrijpende maatregel vormt om het ermee nagestreefde doel (algemeen belang) te bereiken. Daarom is het dus noodzakelijk: - Ten eerste, dat met de gegevensverwerking daadwerkelijk het beoogde doel kan worden bereikt. Derhalve moet op basis van feitelijke en objectieve elementen worden aangetoond dat de verwerking van persoonsgegevens doeltreffend is om het beoogde doel te bereiken; - Ten tweede, dat deze verwerking van persoonsgegevens de minst ingrijpende maatregel is met betrekking tot het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit betekent dat indien het mogelijk is het beoogde doel te bereiken met een maatregel die minder ingrijpt in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van persoonsgegevens, de oorspronkelijk beoogde gegevensverwerking niet ingevoerd mag worden. Hiertoe moet met een gedetailleerde beschrijving en aan de hand van feitelijk en objectief bewijsmateriaal kunnen worden aangetoond om welke redenen de andere minder ingrijpende maatregelen niet volstaan om het beoogde doel te bereiken. Indien de noodzaak van de verwerking van persoonsgegevens is aangetoond, moet nog worden aangetoond dat de verwerking evenredig is (in de strikte zin) met het beoogde doel, d.w.z. dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen de verschillende belangen die op het spel staan en de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Met andere woorden, er moet een evenwicht zijn tussen de inmenging in het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens, en het doel dat wordt beoogt - en dat daadwerkelijk kan worden bereikt - met die verwerking. De voordelen van de gegevensverwerking in kwestie moeten dus opwegen tegen de nadelen voor de betrokkenen. Ook hier moet kunnen worden aangetoond dat deze analyse is uitgevoerd voordat de verwerking wordt verricht. 12 BS 12/08/1955. 2774/001 DOC 55 416 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 13/24 dat de noodzakelijkheid hiervan met oog op de verwezenlijking van de beoogde doeleinde geenszins wordt aangetoond. b. Wijzigingen aan de Rijksregisterwet (artikel 37 van het ontwerp) 45. Artikel 37 van het ontwerp beoogt wijzigingen aan te brengen aan de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: “de Rijksregisterwet”) en meer bepaald aan artikel 8, §6 van voormelde wet, dat betrekking heeft op de toegang tot de gegevens vervat in het Rijksregister door de justitiële diensten. Artikel 37 van het ontwerp voorziet de schrapping van de woorden “van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid” in het derde lid van artikel 8, §6 van de Rijksregisterwet en de vervangen van de woorden “de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens” door “het Rijksregisternummer” in het vierde lid van dezelfde bepaling. 46. In de memorie van toelichting preciseert de aanvrager dat voormelde wijziging de rechtzetting van een materiële fout betreft. Deze stelt dat het de bedoeling was van de wetgever met de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de Rijksregisterwet de leden van de justitiediensten een bevoegdheid te geven met betrekking tot, enerzijds, het gebruik van informatiegegevens in het Rijksregister en te voorzien in een sanctie in geval van misbruik van deze bevoegdheid en, anderzijds, het gebruik van het rijksregisternummer en eveneens te voorzien in een sanctie in geval van misbruik. Deze stelt dat bij vergissing in huidig artikel 8, §6 van de Rijksregisterwet evenwel een woordelijke kopie van het bepaalde in artikel 5, §4 van dezelfde wet werd opgenomen, dat de mogelijkheid voorziet voor de justitiediensten om de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens te gebruiken (en niet het rijksregisternummer). 47. De Autoriteit stelt inderdaad vast dat artikel 134 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank13 deze wijziging beoogde aan te brengen in artikel 8, §6 van de Rijksregisterwet: “Art. 134. Artikel 8, § 6 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 november 2018, wordt aangevuld met een derde en vierde lid, luidende : "De rechters van de hoven en rechtbanken, de magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken 13 BS 19 juni 2019. 417 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 14/24 van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.” 48. De Autoriteit verleende destijds een advies betreffende voormelde wet.14 De betrokken bepaling lijkt evenwel niet ter advies zijn voorgelegd. 49. De Autoriteit wijst erop dat de aanvrager in zijn voorontwerp niet aangeeft welke de precieze doeleinden zijn van de voorziene verwerking van het rijksregisternummer. In het aanvraagformulier stelt deze in dit verband enkel dat “de justitiële diensten toegang [moeten] hebben tot het register om hun wettelijke verplichtingen te kunnen nakomen”. Er wordt evenwel niet nader gepreciseerd op welke wettelijke verplichtingen de aanvrager doelt. Verder wordt in de memorie van toelichting uitsluitend gesteld dat met de voorgenomen wijziging een materiële vergissing beoogt recht te zetten, doch de initiële motieven van de voorziene verwerking worden niet vermeld. De Autoriteit beveelt aan de precieze doeleinde(n) te preciseren. c. Wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek (artikelen 43, 44, 45 en 47 van het ontwerp) Algemeen 50. De artikelen 43, 44, 45 en 47 van het ontwerp beogen wijzigingen aan te brengen aan de bepalingen aan het (nieuw) Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) en meer bepaald aan “Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid” (voorheen: “Bewijs van erfgenaamschap”). 51. De ter advies voorgelegde bepalingen hebben betrekking op (de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van) het bewijs van de erfrechtelijke hoedanigheid door middel van een akte of attest van erfopvolging en de opname van deze documenten en de erin vervatte gegevens in het Centraal erfregister (hierna ook “CER”). Het CER werd ingevoerd middels de wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie.15 Het is een geïnformatiseerde gegevensbank die een volledig beeld moet geven over de betrokken partijen bij de afwikkeling van een nalatenschap en waarin dienvolgens de metagegevens van alle belangrijke akten en attesten die betrekking hebben op de afwikkeling van een nalatenschap worden opgenomen. De aanvrager preciseert in zijn aanvraag dat deze onder meer tot 14 Advies 120/2018, 7 november 2018, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-120-2018.pdf. 15 BS 24 juli 2017. De Autoriteit verleende omtrent voormelde wet advies 49/2016 van 21 september 2016, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-49-2016.pdf en verleende in hetzelfde verband advies 73/2020 van 24 augustus 2020, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-73-2020.pdf. 2774/001 DOC 55 418 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 15/24 doel heeft om de raadpleging en mededeling aan derden mogelijk te maken van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap zijn geroepen. 52. De Autoriteit wijst er vooreerst op dat een verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van een wettelijke verplichting en/of voor de uitoefening van een opdracht van algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag die aan een verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd, overeenkomstig artikel 6.3 AVG, gelezen in het licht van overweging 41 AVG16, moet worden geregeld door duidelijke en nauwkeurige regelgeving, waarvan de toepassing voor de betrokkenen voorzienbaar dient te zijn. Bovendien is het volgens artikel 22 Grondwet noodzakelijk dat de wezenlijke elementen van de gegevensverwerking door middel van een formele wettelijke norm (wet, decreet of ordonnantie) worden vastgesteld. 53. De verwerkingen van persoonsgegevens waartoe de betroffen bepalingen van het voorontwerp aanleiding geven, zijn gestoeld op de artikelen 6.1.c) en e) AVG en hebben een ernstige inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen tot gevolg. Zoals de aanvrager aangeeft in zijn aanvraag, betreft de verwerking van persoonsgegevens opgenomen in het CER een grootschalige verwerking, met name de registratie van documenten die persoonsgegevens bevatten in centrale gegevensbank die ruim toegankelijk is. 54. Krachtens artikel 6.3 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM, moet dergelijke norm van wettelijke rangorde bepalen onder welke omstandigheden een gegevensverwerking is toegestaan. Overeenkomstig het legaliteits- en het voorzienbaarheidsprincipe moet deze wetgevingsnorm dus in ieder geval de essentiële elementen van de verwerking(en) vastleggen17. Wanneer de gegevensverwerking(en) een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen vertegenwoordig(t)(en)18, zoals in casu het geval is, moeten volgende essentiële elementen door de wetgever worden vastgesteld: 16 “Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. 17 Zie DEGRAVE, E., "L'egouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparance et contrôle", Collection du CRIDS, Larcier, Brussel, 2014, p. 161 e.v. (zie o.m.: EHRM, arrest Rotaru c. Roumania, 4 mei 2000); Zie ook enkele arresten van het Grondwettelijk Hof: Arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 (p. 63), Arrest nr. 108/2017 van 5 oktober 2017 (p. 17) en Arrest nr. 29/2018 van 15 maart 2018 (p. 26). 18 Er zal veelal sprake zijn van een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van betrokkenen wanneer een gegevensverwerking (een of) meer van volgende kenmerken vertoont: de verwerking heeft betrekking op speciale categorieën van (gevoelige) persoonsgegevens in de zin van art. 9 of 10 AVG, de verwerking betreft kwetsbare personen, de verwerking vindt plaats voor toezichts- of controledoeleinden (met gebeurlijke negatieve gevolgen voor de betrokkenen), de verwerking impliceert de kruising of koppeling van persoonsgegevens afkomstig uit verschillende bronnen, het gaat om een grootschalige verwerking vanwege de grote hoeveelheid gegevens en/of betrokkenen, de verwerkte gegevens worden meegedeeld of zijn toegankelijk voor derden, …. 419 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 16/24 - het (de) precieze en concrete doeleinde(n); - de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke(n) (tenzij dit duidelijk is); - de (categorieën van) gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van (dit) (deze) doeleinde(n); - de categorieën van betrokkenen wiens gegevens zullen worden verwerkt; - de maximale bewaartermijn van de gegevens; - de (categorieën van) ontvangers aan wie de gegevens worden meegedeeld, evenals de omstandigheden waarin en de redenen waarom de gegevens worden verstrekt; - in voorkomend geval en voor zover noodzakelijk, de beperking van de verplichtingen en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 tot 22 en 34 AVG. 55. De Autoriteit stelt vast dat de doeleinden van de desbetreffende verwerkingen niet steeds duidelijk naar voor komen in het voorontwerp van wet en dat deze evenmin reeds vervat zijn in de te wijzigen tekst (cf. infra). Artikel 43 van het voorontwerp 56. Artikel 43 van het ontwerp voorziet een wijziging van artikel 4.59 nieuw BW. Laatstgenoemde bepaling vervangt artikel 1240bis van het oud BW en was voorzien in werking te treden op 1 juli 2022. 57. In zijn aanvraag preciseert de aanvrager dat voormelde bepaling van het voorontwerp vooreerst voorziet dat de akten en attesten eveneens door het bevoegde kantoor van de AAPD (Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie) kunnen worden opgemaakt en worden ingeschreven in het Centraal erfregister (artikel 43, §2). 58. Verder bepalen de artikelen 43, §3 e.v. de (persoons)gegevens die dienen te worden opgenomen in de akten en attesten van erfopvolging opgemaakt door notarissen dan wel de AAPD. In de memorie van toelichting geeft de aanvrager aan dat de huidige in artikel 4.59 (nieuw) BW vervatte regeling betreffende het bewijs van de erfrechtelijke hoedanigheid hoofdzakelijk is beperkt tot één doel, met name de vrijgave van de tegoeden van de erflater. Deze preciseert dat er evenwel nood is aan een bredere bepaling, die een algemene regeling bevat over het bewijs van de devolutie of vererving van de nalatenschap en het bewijs van iedere erfrechtelijke hoedanigheid. Dit aangezien het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid in uiteenlopende situaties en omwille van verschillende doeleinden vereist kan zijn en de vermeldingen die de akte of het attest van erfopvolging dienen te bevatten in functie van deze situaties en de doeleinden verschillend zijn. De aanvrager verwijst bij wijze van voorbeeld naar een aantal situaties waarin een dergelijk bewijs vereist kan zijn, met name tegenover een schuldenaar (bijv. een huurder) of een schuldeiser dan wel medecontractant (bijv. verhuurder of koper) of om een geding te kunnen hervatten waarbij de erflater betrokken was. 2774/001 DOC 55 420 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 17/24 59. De aanvrager licht toe, in het licht van bovenstaande, dat §3 van artikel 43 van het voorontwerp bepaalt welke vermeldingen in ieder geval in elke akte of in elk attest van erfopvolging moeten worden opgenomen, ongeacht de doelstelling waarvoor de akte of het attest is opgemaakt. In §4 wordt bepaald welke vermeldingen in de akte of attest van erfopvolging dienen te worden opgenomen, afhankelijk van de doelstelling waarvoor de akte of het attest wordt opgesteld. 60. De Autoriteit stelt vast dat §3 van artikel 43 van het voorontwerp de volgende gegevens vermeldt: “1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. 2° het op de nalatenschap toepasselijke recht”. De Autoriteit merkt op dat deze bepaling uitsluitend gegevens van de erflater, i.e. een overleden persoon, betreft en wijst erop dat deze bijgevolg, overeenkomstig het bepaalde in overweging 27 AVG, niet onder het toepassingsgebied van de AVG vallen.19 61. Artikel 43, § 4 van het ontwerp bepaalt: “Voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de akte of het attest van erfopvolging wordt afgegeven, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald: 1° van alle personen vermeld in paragraaf 120: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, eventueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. (…)”21 De leden 2 tot en met 5 sommen verder de (persoons)gegevens op die per categorie van erfgerechtigde in de akte of het attest van erfopvolging dienen te worden vermeld. De Autoriteit neemt hier akte van. 62. De Autoriteit bevestigt dat het inderdaad aangewezen is per afzonderlijke doeleinde te voorzien welke gegevens - overeenkomstig artikel 5.1.c) AVG – als toereikend, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor het bereiken van de betrokken doeleinde kunnen worden beschouwd en bijgevolg dienen te worden opgenomen in de akte of het attest. Er dient evenwel op te worden gewezen dat de zinsnede “voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de akte of het attest van erfopvolging wordt afgegeven (…)” zonder verdere precisering betreffende welke deze doeleinden zijn, niet toelaat te beoordelen of de verzamelde gegevens al dan niet beantwoorden aan de hierboven openomen vereisten. Aldus geformuleerd, wordt een ruime appreciatiemarge 19 Cf. overweging 27 AVG: “De onderhavige verordening is niet van toepassing op de persoonsgegevens van overleden personen. De lidstaten kunnen regels vaststellen betreffende de verwerking van de persoonsgegevens van overleden personen”. 20 Art. 4.59, §1: “Al wie als erfgerechtigde tot een nalatenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging”. 21 De Autoriteit onderlijnt. 421 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 18/24 overgelaten aan de opsteller van de akte of het attest van erfopvolging (de notaris of de AAPD) betreffende welke gegevens al dan niet dienen te worden opgenomen. Zulks komt niet ten goede van de op grond van artikel 6.3 en overweging 41 AVG vereiste voorzienbaarheid van de regelgeving die de verwerking omkadert. In de memorie van toelichting worden, zoals hierboven aangehaald, een aantal specifieke voorbeelden opgesomd van mogelijke doeleinden. Deze worden echter niet teruggevonden in de normatieve tekst. 63. De Autoriteit wijst er in dit verband op dat overeenkomstig artikel 5.1.b) AVG persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden dienen te worden verzameld en verwerkt. In het licht van voormelde bepaling dienen deze doeleinden duidelijker te worden omschreven in artikel 43 van het voorontwerp. Artikel 44 van het voorontwerp 64. Artikel 44 van het voorontwerp beoogt de wijziging van artikel 4.126 nieuw BW. Meer bepaald wordt door middel van voormelde bepaling de volgende zin toegevoegd aan artikel 4.126, §2 nieuw BW: “Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die hij heeft opgemaakt, in”. Deze bepaling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Artikel 45 van het voorontwerp 65. Artikel 45 van het voorontwerp beoogt wijzigingen aan te brengen aan artikel 4.127 (nieuw) BW, dat de gegevens opsomt die dienen te worden opgenomen in het Centraal erfregister. 66. De Autoriteit stelt vast dat een eerste wijziging een louter terminologische aanpassing betreft in § 1 van artikel 4.127 BW, met name de vervanging van “rijksregisternummer” door “identificatienummer van het Rijksregister”. Deze wijziging geeft geen aanleiding tot opmerkingen. 67. Verder wordt aan voormelde bepaling een lid 1°/1 toegevoegd dat een opsomming bevat van de gegevens van de erfgenamen die in het CER dienen te worden opgenomen. Deze luidt als volgt: “§1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: (…) 1°/1 van de erfgenamen: a) de naam en de voorna(a)m(en); b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”. In de memorie van toelichting geeft de aanvrager aan dat de doeleinde voor de opname van voormelde gegevens van de erfgenamen in het CER erin bestaat op geautomatiseerde wijze de vaststelling van de hoedanigheid van deze laatsten toe te laten, zodat zij – zoals voorzien door artikel 14, §1, tweede lid 2774/001 DOC 55 422 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 19/24 van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende invoering van de Notariële Aktebank – hun recht op toegang tot de notariële akten betreffende hun rechtsvoorganger kunnen uitoefenen. 68. Voormelde doeleinde lijkt gerechtvaardigd te zijn doch kan niet worden afgeleid uit de tekst van het voorontwerp. De Autoriteit wijst erop dat de doeleinde van elke verwerking van persoonsgegevens een van de wezenlijke elementen betreft van de verwerking en dient te worden opgenomen in een formele wettelijke norm. 69. Teneinde te voldoen aan de vereiste van artikel 5.1.b) AVG (“welbepaalde en uitdrukkelijk omschreven doeleinde”), is het bijgevolg aangewezen de precieze doeleinde van deze nieuwe verwerking van persoonsgegevens op te nemen in het ontwerp. 70. Dezelfde opmerking geldt voor de toevoeging die door middel van artikel 45 van het voorontwerp wordt aangebracht aan artikel 4.127, §1, 2°, bevattende de persoonsgegevens van de aangever die dienen te worden opgenomen in het CER. Artikel 47 van het voorontwerp 71. Artikel 47 van het voorontwerp beoogt een lid toe te voegen aan artikel 4.131, §1 nieuw BW, dat luidt als volgt: “De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken”. 72. In de memorie van toelichting preciseert de aanvrager dat voormelde bepaling de bescherming van de metagegevens van de erfgenamen in het centraal erfrechtregister tot doel heeft. Deze wijziging geeft geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen. d. Wijzigingen aan de Kansspelwet (artikelen 55 en 57 van het ontwerp) 73. De artikelen 55 en 57 van het ontwerp beogen vooreerst enkele wijzigingen aan te brengen aan de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: “de Kansspelwet”) naar aanleiding van de opmerkingen die de Autoriteit formuleerde in haar advies 178/2021 van 4 oktober 2021.22 22 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-178-2021.pdf. 423 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 20/24 74. Deze hebben, enerzijds, betrekking op de verwerking van persoonsgegevens via het zogenaamde Excluded Persons Information System (“EPIS-systeem”) - zoals omschreven in artikel 54 van de Kansspelwet - waarin de gegevens zijn opgenomen van de personen aan wie de toegang tot de kansspelinrichtingen is ontzegd alsook, anderzijds, op de persoonsgegevens van bezoekers van kansspelinrichtingen opgenomen in het register bijgehouden door de exploitanten, zoals bedoeld in artikel 62 van de Kansspelwet. 75. Meer bepaald wordt met betrekking tot het bovenvermelde EPIS-systeem ten eerste voorgesteld om, door middel van artikel 55 van het ontwerp, in artikel 55 van de Kansspelwet een lid in te voegen tussen het eerste en tweede lid, luidende als volgt: “De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid”. Ten tweede wordt voorzien om in het (nieuwe) zesde lid de woorden “de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer” te vervangen door de woorden “de Gegevensbeschermingsautoriteit”. De Autoriteit heeft geen opmerkingen wat betreft voormelde wijzigingen. 76. Ten tweede wordt voorgesteld om, door middel van artikel 57 van het ontwerp, twee leden toe te voegen in artikel 62 van de Kansspelwet waarin het doel van het register bedoeld in voormelde bepaling alsook de opslagperiode van de hierin vervatte persoonsgegevens als volgt worden verduidelijkt: “De doelstelling van dit register is de [Kansspel]commissie in staat te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoel in artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van de betrokkene”. 77. Deze laatste wijziging - betreffende de opslagperiode - wordt onder meer doorgevoerd naar aanleiding van het arrest van 9 december 2021 van het Grondwettelijk Hof waarbij artikel 31 van de Kansspelwet werd vernietigd “in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt”.23 78. Wat betreft de opslagperiode van (maximum) tien jaar stelt de aanvrager dat deze hiermee wordt afgestemd op de wettelijke bewaartermijnen voorzien in artikel 60 van de wet van 18 september 23 GwH, arrest 177/2021, 21 december 2021, https://www.const-court.be/public/n/2021/2021-177n.pdf. 2774/001 DOC 55 424 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 21/24 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, in het kader waarvan de Kansspelcommissie eveneens over een toezichtsbevoegdheid beschikt (cf. Hoofdstuk VI). De Autoriteit neemt hier akte van. 79. Artikel 57 van het ontwerp voorziet tot slot in een systematische verwerking van de foto van bezoekers aan de betrokken kansspelinrichtingen door middel van het in artikel 62 van de Kansspelwet bedoelde register. Het beoogt met name de volgende zin toe te voegen aan artikel 62, eerste lid van de Kansspelwet: “Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden genomen en bewaard in het register”.24 80. In de memorie van toelichting bij het ontwerp preciseert de aanvrager met betrekking tot de doelstelling van het nemen en bewaren van een foto van elke bezoeker dat “de foto van de speler immers vereist [is] om enige identiteitsfraude te voorkomen. De foto’s zijn ook zeer nuttig voor de politie (als bewijs in onderzoeken of ter informatie, aangezien het recente foto’s van personen betreft)”. 81. Door middel van voormelde bepaling wordt in artikel 62 van de Kansspelwet de verwerking voorzien van een nieuwe categorie van persoonsgegevens, met name de afbeelding van de betrokkenen. Er dient op te worden gewezen dat overeenkomstig artikel 4.14 AVG gezichtsafbeeldingen - in de in voormeld artikel bepaalde gevallen - een biometrisch gegeven kunnen uitmaken. Zulke gegevens worden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens gekwalificeerd, die een bijzondere bescherming genieten en waarvan de verwerking in beginsel, overeenkomstig artikel 9.1 AVG, verboden is. De Autoriteit wijst erop dat, indien en voor zover de aanvrager zou beslissen deze voorziene verwerking te behouden, de nodige waarborgen dienen te worden voorzien opdat de gezichtsafbeeldingen in geen geval kunnen worden verwerkt voor andere doeleinden dan deze beoogd door het register bedoeld in artikel 62 van de Kansspelwet. 82. In dit verband dient erop te worden gewezen dat het gebruik van de betrokken foto’s van de bezoekers van kansspelinrichtingen door de politiediensten met oog op het gebruik ervan in het kader van “onderzoeken of informatie” (cf. supra) een doeleinde betreft die geheel verschillend en onverenigbaar met de doeleinde waarvoor de betrokken persoonsgegevens worden verzameld en opgenomen in het register, zoals gepreciseerd in artikel 62 van de Kansspelwet. De bepalingen vervat onder Hoofdstuk VI van de Kansspelwet - waaronder ook het betroffen artikel 62 - betreffen “maatregelen ter bescherming van spelers en gokkers”. Het gebruik en de verdere verwerking van persoonsgegevens verzameld in dit verband voor politionele doeleinden is - bij gebreke van een duidelijke wettelijke bepaling hieromtrent - bijgevolg niet verenigbaar met de oorspronkelijke 24 De Autoriteit onderlijnt. 425 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 22/24 doeleinde van de verwerking van deze gegevens in de zin van artikel 6.4 AVG. De verwerking van persoonsgegevens dient immers voorzienbaar te zijn en het moet voor de betrokkenen voldoende duidelijk zijn in welke omstandigheden en voor welke doeleinden de verzamelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt.25 83. Zoals de Autoriteit reeds stelde in haar advies 178/2021, is het bewaren van de foto van de betrokkenen bovendien geen garantie op correcte identificatie van de betrokkenen, aangezien personen op elkaar kunnen lijken. Verder houdt een verwerking van de foto van de betrokkenen volgens een techniek die hun identificatie en authenticatie mogelijk maakt in - zoals hierboven reeds aangehaald - dat één van de uitzonderingsgronden van artikel 9.2 AVG dient voorhanden te zijn teneinde te kunnen afwijken van het verwerkingsverbod van artikel 9.1 AVG. In casu zou logischerwijs artikel 9.2.g) AVG van toepassing zijn, dat bepaalt dat de verwerking dient te worden gerechtvaardigd door redenen van zwaarwegend algemeen belang en moet worden omkaderd door een norm waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkene. De Autoriteit stelt zich in casu echter vragen bij de evenredigheid van de beoogde verwerking. 84. De Autoriteit herhaalt in dit verband, zoals eerder gesteld in haar advies 178/2021, dat een technologische oplossing gebaseerd op het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de identiteitskaart een meer evenredige optie zou zijn die een minder ingrijpende inmenging inhoudt in het recht op bescherming van persoonsgegevens van de bezoekers van de kansspelinrichtingen en die toelaat de door de aanvrager beoogde doeleinde te verwezenlijken.26 85. Samengevat beveelt de Autoriteit in voormeld advies aan dat zou worden voorzien in een verplichting voor elke meerderjarige persoon die één van de betrokken kansspelinrichtingen wenst te betreden, om zich langs elektronische weg te authenticeren aan de hand van zijn identiteitskaart en de nodige gegevens te koppelen met het EPIS-systeem zodat - wanneer de betrokkene in dit systeem is vermeld - de exploitant een waarschuwingsbericht ontvangt dat meldt dat de betrokkene de toegang tot de speelzaal dient te worden ontzegd. Dergelijke regeling zou ook kunnen bijdragen tot de controle van de naleving van de verplichting tot voorafgaande verificatie, zonder dat een toegangsregister moet worden bijgehouden en zonder dat een kopie van de identiteitskaart dient te worden genomen. Zodra de authenticatiemodule van de identiteitskaart met succes is gebruikt, dient immers niet meer te worden gecontroleerd of de identificatie/authenticatie van de betrokkene correct werd uitgevoerd, aangezien enkel de houder van de identiteitskaart de pincode van deze kaart kent. 25 EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 99. 26 Advies 178/2021, 4 oktober 2021, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-178-2021.pdf, randnr. 25 e.v. (in het bijzonder vanaf randnr. 37). 2774/001 DOC 55 426 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Advies 113/2022 - 23/24 Bovendien, om de raadpleging te vermijden vanuit een centrale gegevensbank (EPIS) wat met zich meebrengt dat de Kansspelcommissie de RR-nummers of de identificatiegegevens van personen moet bekendmaken die speelzaken bezoeken en de tijdstippen waarop zij deze bezoeken, is het raadzaam om dagelijks aan de kansspelinrichtingen de bijgewerkte lijst te bezorgen van personen die uitgesloten worden van kansspelen, in de vorm van een lijst die is samengesteld met hashes van hun RR-nummer, nummer van de identiteitskaart en naam. Deze lijst zou worden verstrekt met een Bloomfilter zodat de geheimhouding van de personen op die lijst verzekerd is. De uitbaters van speelzalen zouden ter plaatse verifiëren of de personen die een speelzaal willen binnengaan, al dan niet uitgesloten zijn. Een logbestand van de verrichte verificaties zou worden verplicht opdat de inspecteurs zouden kunnen nagaan of de verificaties goed werden uitgevoerd en er zouden regelmatige controles plaatsvinden ter plaatse om na te gaan of elke aanwezig persoon in de speelzaal niet van kansspelen is uitgesloten. Een dergelijke regeling is volgens de Autoriteit een meer passende en evenredige gegevensverwerking dan de regeling die vandaag is voorzien in de wet op de kansspelen en de uitvoeringsbesluiten ervan. Er wordt immers zowel vermeden dat talloze kopieën van identiteitskaarten moeten worden genomen, wat niet ideaal is gezien het risico van identiteitsfraude en dat de identiteit van de personen die kansspelinrichtingen bezoeken wordt meegedeeld aan de commissie, en anderzijds moeten geen registers worden bijgehouden die de identificatiegegevens bevatten van alle personen die de kansspelinrichtingen bezoeken en van de tijdstippen waarop zij deze bezoeken; dit lijkt immers onevenredig in het licht van de openbare opdracht die moet worden uitgevoerd, namelijk de werkzaamheid waarborgen omtrent het verbod op het bezoeken van deze speelzalen waaraan slechts bepaalde personen zijn onderworpen. OM DEZE REDENEN de Autoriteit, is van oordeel dat volgende aanpassingen zich opdringen in het voorontwerp van wet: - precisering van de wezenlijke elementen van de verwerkingen voorzien in de artikel 18 van het voorontwerp (overwegingen 10 t.e.m. 33) en het voorzien van bijkomende passende waarborgen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkenen (overwegingen 34-39); - schrapping van de verwerking van persoonsgegevens voorzien in artikel 19 van het voorontwerp (opnames van terechtzittingen van het hof van assisen met oog op het 427 2774/001 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Imprimerie centrale – Centrale drukkerij Advies 113/2022 - 24/24 aanleggen van historische justitiearchieven) wegens de onverenigbaarheid ervan met het noodzakelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel (overwegingen 39-44); - precisering van de doeleinde(n) van de verwerking voorzien in artikel 43 van het voorontwerp (overwegingen 56 t.e.m. 63); - precisering van de doeleinde(n) van de verwerking voorzien in artikel 45 van het voorontwerp (overwegingen 65 t.e.m. 70); en - schrapping van de verplichting tot het nemen en bewaren van de foto van de bezoekers van kansspelinrichtingen gelet op het feit dat de maatregel niet noodzakelijk en evenredig is (overweging 73 e.v.). Voor het Kenniscentrum, Jean-Michel Serna - Verantwoordelijke a.i. van het Kenniscentrum

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot