Inhoud
2774/001
DOC 55
2774/001
DOC 55
07314
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
22 juni 2022
22 juin 2022
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
Résumé.................................................................................3
Exposé des motifs................................................................4
Avant-projet de loi...............................................................85
Analyse d’impact...............................................................123
Avis du Conseil d’État.......................................................137
Projet de loi.......................................................................167
Coordination des articles..................................................209
Avis de l’Autorité de protection des données................. 380
Samenvatting........................................................................3
Memorie van toelichting........................................................4
Voorontwerp van wet..........................................................85
Impactanalyse...................................................................130
Advies van de Raad van State.........................................137
Wetsontwerp.....................................................................167
Coördinatie van de artikelen.............................................291
Advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.............404
om justitie menselijker, sneller en
straffer te maken II
visant à rendre la justice plus humaine,
plus rapide et plus ferme II
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
2774/001
DOC 55
2
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
Les Engagés
:
Les Engagés
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant – Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
22 juin 2022.
De regering heeft dit wetsontwerp op 22 juni 2022
ingediend.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 22 juin 2022.
De “goedkeuring tot drukken” werd op 22 juni 2022
door de Kamer ontvangen.
3
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
SAMENVATTING
Dit wetsontwerp beoogt een aantal diverse maatrege-
len te nemen en wijzigingen in diverse wetten die onder
de bevoegdheid van het departement Justitie vallen.
Het ontwerp bevat onder andere:
1° wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek (voor-
waarden huwelijkslocatie);
2° wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
(toezicht op langdurig opsporingsonderzoek en geluids-
of audiovisuele opname hof van assisen);
3° wijzigingen van het Strafwetboek (discriminerende
drijfveer bij misdrijven);
4° wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek;
5° wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek (met be-
trekking tot Boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen
en testamenten”);
6° wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kans-
spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen
en de bescherming van de spelers (o.a. administratieve
sanctie door kansspelcommissie en aanpassing maxi-
mumbedrag contante betalingen);
7° wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betref-
fende de samenwerking met het Internationaal Strafhof
en de internationale straftribunalen;
8° wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betref-
fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot
een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
(uitbreiding penitentiair verlof en betere informatiever-
strekking naar slachtoffers);
9° herstel van de vernietigde bepalingen van de
zogenaamde “kraakwet” van 18 oktober 2017;
10° tijdelijke maatregel tot vermindering overbevolking
in de gevangenissen, met name de vervroegde invrij-
heidstelling op zes maanden voor strafeinde;
11° wijziging van artikel 18 van de Basiswet inzake
de plaatsing en overplaatsing van gedetineerden.
RÉSUMÉ
Ce projet de loi vise un certain nombre de mesures
diverses et des modifications dans diverses lois qui
relèvent de la compétence du département de la Justice.
Le projet comprend entre autres:
1° modifications de l’ancien Code civil (conditions
concernant le lieu de mariage);
2° modifications du Code d’instruction criminelle
(contrôle sur les informations de longue durée et cap-
tation sonore ou audiovisuelle cour d’assises);
3° modifications du Code pénal (motifs discrimina-
toires au niveau des infractions);
4° modifications du Code judiciaire;
5° modifications du Code civil (concernant le livre 4
“Les successions, donations et testaments”);
6° modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de
hasard , les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs (amende administrative par
la Commission des jeux de hasard et montant maximum
du paiement en espèce);
7° modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant
la coopération avec la Cour pénale internationale et les
tribunaux pénaux internationaux;
8° modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au
statut juridique externe des personnes condamnées à
une peine privative de liberté et aux droits reconnus
à la victime dans le cadre des modalités d’exécution
de la peine (extension du congé pénitentiaire et mieux
informer les victimes);
9° rétablissement des dispositions de la loi du
18 octobre 2017 “incriminant le squat”;
10° mesure temporaire afin de réduire la surpopulation
dans les prisons;
11° modification de l’article 18 de la loi de base
concernant le placement et le transfèrement des détenus.
2774/001
DOC 55
4
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
MEMORIE VAN TOELICHTING
Dames en Heren,
TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet bepaalt
artikel 1 dat de ontwerpwet de aangelegenheden regelt
bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 2
Artikel 165/1 oud Burgerlijk Wetboek voorziet uitdruk-
kelijk in de mogelijkheid om huwelijken te sluiten op
andere plaatsen dan het gemeentehuis, onder bepaalde
voorwaarden.
Omwille van de coronapandemie wensen vele ge-
meenten huwelijken in open lucht te organiseren. Het
uitsluitend gebruiksrecht van de gemeente, dat als
voorwaarde wordt gesteld in artikel 165/1 oud Burgerlijk
Wetboek voor een huwelijkslocatie buiten het gemeen-
tehuis, is hierbij problematisch. Wat als de buitenlocatie
bijvoorbeeld eigendom is van of in erfpacht gegeven aan
een autonoom gemeentebedrijf? Wat met een locatie die
in concessie is gegeven aan de gemeente? Is huwen
op het strand mogelijk?
Dezelfde vragen stellen zich voor bepaalde binnen
locaties.
De huidige notie leidt tot interprÉtatieproblemen. Zo
wordt het uitsluitend gebruiksrecht enerzijds geïnterpre-
teerd als het beschikkingsrecht van de gemeente over
de locatie, anderzijds als het exclusief voorbehouden
van de locatie voor de gemeente.
De Vaste Commissie voor de burgerlijke stand heeft
hierover een advies uitgebracht (2022/001), dat stelt als
volgt: “De voorwaarde van het uitsluitend gebruiksrecht
EXPOSÉ DES MOTIFS
Mesdames, Messieurs,
COMMENTAIRE DES ARTICLES
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
Conformément à l’article 83 de la Constitution, l’article
premier précise que le projet de loi règle des matières
visées à l’article 74 de la Constitution.
CHAPITRE 2
Modification de l’ancien Code civil
Art. 2
L’article 165/1 de l’ancien Code civil prévoit expressé-
ment la possibilité de célébrer des mariages en d’autres
lieux que la maison communale à certaines conditions.
En raison de la pandémie de coronavirus, de nom-
breuses communes souhaitent organiser des mariages
en plein air. L’usage exclusif de la commune posé comme
condition à l’article 165/1 de l’ancien Code civil pour un
lieu de célébration du mariage en-dehors de la maison
communale, est problématique à cet égard. Et si, par
exemple, cet autre lieu est la propriété d’une régie
communale autonome ou a été cédé en emphytéose
à une telle régie? Qu’en est-il lorsqu’un lieu est donné
en concession à la commune? Est-ce possible de se
marier sur la plage?
Les mêmes questions se posent pour des espaces
intérieurs.
La notion actuelle pose des problèmes d’interpréta-
tion. Ainsi, l’usage exclusif est interprété par certains
comme le droit de la commune de disposer du lieu et
par d’autres comme le fait qu’un lieu soit exclusivement
réservé à la commune.
La Commission permanente de l’État civil a émis l’avis
suivant (2022/001): “La condition de l’usage exclusif de
la commune ne constitue pas une plus-value par rapport
5
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de gemeente vormt geen meerwaarde t.o.v. de ove-
rige bestaande voorwaarden, nl. de openbaarheid en
het neutraal karakter van de locatie, alsook het feit dat
de beslissing bij de gemeenteraad blijft. Het kan niet de
bedoeling zijn om op eender welke locatie huwelijken
te voltrekken. Een aanpassing van de wetgeving op dit
punt is aangewezen.”.
Dit artikel wil de voorwaarde van het uitsluitend ge-
bruiksrecht voor de huwelijkslocatie dan ook ophef-
fen. De andere voorwaarden voor de aanwijzing van
een huwelijkslocatie door de gemeenteraad blijven
behouden, nl. dat het huwelijk moet plaatsvinden op
het grondgebied van de gemeente, op een openbare
plaats met een neutraal karakter. Aangezien het moet
gaan om een openbare plaats, is het niet mogelijk om
een huwelijkslocatie aan te wijzen op een privélocatie,
zoals bijvoorbeeld een restaurant, een concertzaal of
een privétuin. Het huwelijk moet ook nog steeds worden
voltrokken op het grondgebied van de gemeente van de
woonplaats van een van beide aanstaande echtgenoten.
Het blijft dus onmogelijk voor kustbewoners om in de
Ardennen te trouwen, en omgekeerd.
De gemeenten kunnen zelf best beoordelen welke
plaatsen in hun gemeente geschikt zijn om als huwe-
lijkslocatie te dienen, en of het gaat om een openbare
plaats die voldoet aan de voorwaarde van neutraliteit. Bij
twijfel kan de gemeente advies vragen aan de bevoegde
procureur des Konings (die volgens artikel 191 oud
Burgerlijk Wetboek de nietigverklaring kan van elk hu-
welijk dat niet in het openbaar is aangegaan).
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Art. 3
Dit artikel voert een nieuwe afdeling 1bis/1 in, in
het Wetboek van Strafvordering met als opschrift:
“Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer
van inbeschuldigingstelling”.
Art. 4
Dit artikel voorziet in de invoeging van een arti-
kel 28decies in het Wetboek van Strafvordering en
dit in een nieuwe afdeling 1bis/1 met als opschrift:
“Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer
van inbeschuldigingstelling”.
aux autres conditions, à savoir la publicité et la neutralité
du lieu, et le fait que la décision reste dans les mains
du conseil communal. L’objectif ne peut être de célébrer
des mariages à n’importe quel endroit. Une adaptation
de la législation sur ce point est indiquée.”.
Cet article entend dès lors abroger la condition de
l’usage exclusif pour le lieu de célébration des mariages.
Les autres conditions pour la détermination du lieu de
célébration des mariages par le conseil communal sont
maintenues, à savoir que le mariage doit avoir lieu sur le
territoire de la commune, dans un lieu public, à caractère
neutre. Étant donné qu’il doit s’agir d’un lieu public, il
n’est pas possible de désigner un lieu de célébration du
mariage dans des lieux privés, comme par exemple un
restaurant, une salle de concert ou un jardin privé. Le
mariage doit aussi toujours être célébré sur le territoire
de la commune du domicile d’un des deux futurs époux.
Il reste donc impossible pour des habitants de la côte
de se marier dans les Ardennes, et vice versa.
Les communes sont plus à même de déterminer
quels lieux de leur commune sont appropriés pour y
célébrer des mariages et s’il s’agit de lieux publics qui
remplissent la condition de neutralité. En cas de doute,
la commune peut demander l’avis du procureur du Roi
compétent (lequel, conformément à l’article 191 de
l’ancien Code civil, peut annuler tout mariage qui n’a
pas été contracté publiquement).
CHAPITRE 3
Modifications du Code d’instruction criminelle
Art. 3
Cet article insère une nouvelle section 1rebis/1 dans le
Code d’instruction criminelle, intitulée: “Du contrôle de
l’information par la chambre des mises en accusation”.
Art. 4
Cet article prévoit l’insertion d’un article 28decies dans
le Code d’instruction criminelle, et ce dans une nouvelle
section 1rebis/1 intitulée: “Du contrôle de l’information
par la chambre des mises en accusation”.
2774/001
DOC 55
6
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Op deze manier wordt er een antwoord gegeven
op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 15/2022
van 3 februari 2022.
In dat arrest heeft het Hof gezegd voor recht dat arti-
kel 136, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in
samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in
zoverre het niet voorziet in een daadwerkelijk preventief
rechtsmiddel voor de verdachte, dat erop gericht is een
lopend opsporingsonderzoek te doen versnellen, indien
dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten.
Het Hof wijst erop dat het recht op een eerlijk proces
binnen een redelijke termijn van toepassing is op de
gehele procedure en al op onherstelbare wijze kan wor-
den geschonden tijdens de fase van het strafrechtelijk
vooronderzoek (EHRM, 15 juli 2002, Stratégies et com-
munications en Dumoulin t. België, § 39) (Overw. B.4.1).
Artikel 13 EVRM, in samenhang gelezen met arti-
kel 6 EVRM, waarborgt het recht op een daadwerkelijk
rechtsmiddel voor een nationale instantie in geval van
een verdedigbare klacht over de onredelijke duurtijd
van een strafrechtelijke procedure (Overw. B.5.1). Een
preventief rechtsmiddel geniet in dat verband de voor-
keur (B.5.2). De mogelijkheid die artikel 136, tweede lid,
van het Wetboek van Strafvordering biedt aan de in-
verdenkinggestelde in een gerechtelijk onderzoek om
de kamer van inbeschuldigingstelling te adiëren indien
dat onderzoek na een jaar niet is afgesloten, vormt een
preventief rechtsmiddel dat erop gericht is een lopend
gerechtelijk onderzoek te doen versnellen (Overw. B.6.1).
Volgens het Hof, dat wijst op het ‘mini-onderzoek’, kan
niet worden aangenomen dat opsporingsonderzoeken
per definitie minder complex van aard zijn en daardoor
geen onredelijk lange duurtijd zouden kunnen kennen
(Overw. B.7.2).
Het ontbreken van een preventief rechtsmiddel voor
de verdachte bij een langdurig opsporingsonderzoek,
terwijl wel daarin voorzien is voor de inverdenkingge-
stelde in het kader van een gerechtelijk onderzoek, is
bijgevolg niet pertinent volgens het Hof (Overw. B.7.3).
Het arrest plaatst zich enigszins in lijn met het arrest
van het GwH nr. 6/2017 van 25 januari 2017 waar er
een schending werd gezien in het art. 21bis Sv. over
het ontbreken van een beroep bij een onafhankelijke en
onpartijdige rechter tegen de weigering of de ontsten-
tenis van een beslissing door het openbaar ministerie
ten aanzien van een door een verdachte geformuleerd
verzoek om toegang tot een dossier in het opsporings-
onderzoek (Overw. B.7.1). Het besloot toen al tot een
onaanvaardbare ongelijkheid tussen opsporings- en
Il est ainsi répondu à l’arrêt de la Cour constitu-
tionnelle n° 15/2022 du 3 février 2022.
Dans cet arrêt, la Cour a dit pour droit que l’article 136,
alinéa 2, du Code d’instruction criminelle viole les ar-
ticles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison
avec les articles 6 et 13 de la Convention européenne
des droits de l’homme, en ce qu’il ne prévoit pas pour le
suspect une voie de recours préventive effective qui vise
à accélérer une information en cours si cette information
n’est pas encore clôturée après une année.
La Cour attire l’attention sur le fait que le droit à un
procès équitable dans un délai raisonnable s’applique à
l’ensemble de la procédure et peut déjà être irrémédia-
blement compromis au cours de l’information préliminaire
(CEDH, 15 juillet 2002, Stratégies et communications et
Dumoulin c. Belgique, § 39) (Cons. B.4.1).
L’article 13 de la CEDH, lu en combinaison avec
l’article 6 de la CEDH, garantit le droit à un recours
effectif devant une instance nationale dans le cas d’un
grief défendable concernant la durée déraisonnable d’une
procédure pénale (Cons. B.5.1). Un recours préventif est
préférable (Cons. B.5.2) La possibilité offerte à l’inculpé
par l’article 136, alinéa 2, du Code d’instruction criminelle
de saisir la chambre des mises en accusation dans le
cadre d’une instruction si cette dernière n’est pas encore
clôturée après une année constitue un recours préventif
qui vise à accélérer une instruction en cours (Cons.
B.6.1). Selon la Cour, qui pointe sur la mini-instruction,
il ne saurait être admis que l’information soit par défini-
tion moins complexe de nature et qu’elle ne puisse dès
lors durer déraisonnablement longtemps (Cons. B.7.2).
L’absence d’une voie de recours préventive pour le
suspect dans le cadre d’une information de longue durée,
alors qu’un tel recours est prévu pour l’inculpé dans le
cadre d’une instruction, n’est dès lors pas pertinente
(Cons. B.7.3).
L’arrêt se place quelque peu en ligne avec l’arrêt de
la Cour constitutionnelle. n° 6/2017 du 25 janvier 2017,
où une violation avait été constatée à l’art. 21bis du
Code d’instruction criminelle concernant l’absence de
recours devant un juge indépendant et impartial contre
le refus ou l’absence de décision du ministère public
quant à une demande d’accès à un dossier à l’informa-
tion formulée par la personne soupçonnée (Cons. B.7.1).
À l’époque, la Cour avait déjà statué sur une inégalité
inacceptable entre l’information et l’instruction. (Voir
7
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gerechtelijk onderzoek (Zie ook R. VERSTRAETEN,
“Het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onder-
zoek: werelden van verschil of tijd voor een eengemaakt
vooronderzoek? Het arrest van het Grondwettelijk Hof
van 25 juni 2020”, Nullum Crimen 2020, p. 423).
Om aan de vastgestelde schending te remediëren
voorziet het nieuwe artikel 28decies in een vergelijkbare
controle op het verloop van het opsporingsonderzoek
als in artikel 136, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering.
Als het opsporingsonderzoek na een jaar niet is
afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschuldi-
gingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan
de griffie van het hof van beroep gericht met redenen
omkleed verzoekschrift uitgaande van de verdachte of
de benadeelde persoon.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het
goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wet-
tigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet
de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van
inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht.
In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling,
zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van
zaken en kennis nemen van de dossiers en de bij de
artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord. De kamer van
inbeschuldigingstelling kan de procureur des Konings
in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid van de
partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de
benadeelde persoon, de verdachte en hun advocaten
horen, na kennisgeving die hen door de griffier ten laat-
ste achtenveertig uur voor de zitting per faxpost, bij een
gewone brief of langs elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het
verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed
arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal,
de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De ver-
zoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp
indienen vooraleer een termijn van zes maanden is
verstreken te rekenen van de laatste beslissing.
Artikelen 5 tot 12
Harmonisering van de straffen
Voor de uitvoering van verscheidene onderzoeks-
maatregelen, zoals degene die voorzien zijn in de artike-
len 39ter, 46bis, 46bis/1, 46ter, 46quater, 88bis, 88quater
en 90quater van het Wetboek van strafvordering, kan
de medewerking van derden van essentieel belang
zijn. Weigering tot medewerking of te late of nalatige
aussi R. VERSTRAETEN, “Het opsporingsonderzoek
en het gerechtelijk onderzoek: werelden van verschil
of tijd voor een eengemaakt vooronderzoek? Het arrest
van het Grondwettelijk Hof van 25 juni 2020”, Nullum
Crimen 2020, p. 423).
Afin de remédier à la violation constatée, le nouvel
article 28decies prévoit un contrôle sur le cours des
informations comparable à celui prévu l’article 136,
alinéa 2, du Code d’instruction criminelle.
Si l’information n’est pas clôturée après une année,
la chambre des mises en accusation peut être saisie
par une requête motivée de l’inculpé ou la partie lésée
adressée au greffe de la cour d’appel.
S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de
l’information, la légalité ou la régularité de la procédure,
le procureur général prend, à tout moment, devant la
chambre des mises en accusation, les réquisitions
qu’il juge utiles. Dans ce cas, la chambre des mises
en accusation peut, même d’office, demander des
rapports sur l’état des affaires et peut prendre connais-
sance des dossiers et prendre les mesures prévues aux
articles 235 et 235bis. Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut entendre le
procureur du Roi en son rapport, hors la présence des
parties si elle l’estime utile. Elle peut également entendre
la partie lésée, l’inculpé et leurs conseils, sur convoca-
tion qui leur est notifiée par le greffier, par télécopie,
par lettre simple ou par voie électronique, au plus tard
quarante-huit heures avant l’audience.
La chambre des mises en accusation statue sur la
requête par arrêt motivé, qui est communiqué au procureur
général, à la partie requérante et aux parties entendues.
Le requérant ne peut déposer de requête ayant le même
objet avant l’expiration du délai de six mois à compter
de la dernière décision.
Articles 5 à 12
Harmonisation des peines
Pour l’exécution de plusieurs mesures d’enquêtes,
telles que celles prévues aux articles 39ter, 46bis, 46bis/1,
46ter, 46quater, 88bis, 88quater et 90quater du Code
d’instruction criminelle, la collaboration de tiers peut
s’avérer essentielle. Par conséquent, le refus de colla-
borer ou l’exécution tardive ou négligée de la demande
2774/001
DOC 55
8
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uitvoering van de vraag om medewerking kan derhalve
schadelijk zijn voor het opsporingsonderzoek of het
gerechtelijk onderzoek.
Gezien het belang van deze samenwerking voor het
welslagen van het onderzoek, heeft de wetgever wet-
telijke verplichtingen ingevoerd om mee te werken aan
de uitvoering van deze maatregelen. De wetgever heeft
voorzien in strafrechtelijke sancties op de niet-nakoming
van deze verplichtingen om eenieder te dwingen op de
vereiste wijze en tijd aan de uitvoering van de maatregel
mee te werken.
Momenteel kunnen de voorziene sancties echter van
artikel tot artikel verschillen, zonder dat er altijd sprake
is van enige logica.
De artikelen 5 tot 12 beogen aldus de harmonisatie
van de sancties. Aangezien de strafbaarstellingen bijna
altijd dezelfde zijn, moeten de strafvorken ook even groot
zijn. Ze moeten ruim zijn, zodat de rechter rekening kan
houden met bepaalde criteria, zoals de financiële en
sociale situatie van de betrokken natuurlijke persoon
en de omzet en de grootte van de onderneming wan-
neer het om een rechtspersoon gaat. Aangezien deze
strafbaarstellingen vaak (maar niet altijd) tegen bijzonder
grote technologie- of communicatiebedrijven zijn gericht,
moet de maximumdrempel hoog genoeg zijn om hun
medewerking te vereisen. Tegelijk dient aan de rechter
voldoende ruimte voorzien te worden zodat hij rekening
kan houden met het statuut (rechtspersoon of natuurlijke
persoon) van de betrokken persoon.
Daarom is besloten het maximumbedrag van de
geldboete te verhogen tot dertigduizend euro. Deze
verhoging wordt ook gerechtvaardigd door het feit dat
in alle artikelen de gevangenisstraffen voor het basis-
misdrijf van niet-medewerking niet zijn gehandhaafd.
Aangezien gevangenisstraf het ultimum remedium moet
zijn, was het niet opportuun om deze straf voor deze
strafbare feiten te handhaven. Voor rechtspersonen
kan de geldboete echter hoger uitvallen, wanneer een
gevangenisstraf is voorzien, door de toepassing van
het omrekeningsmechanisme van artikel 41bis van het
strafwetboek. Daarom is de wetgever van oordeel dat
een strafmarge van honderd euro tot dertigduizend euro
gerechtvaardigd en evenredig is.
Op deze manier is er geen significante strafverlaging
voor rechtspersonen en heeft de rechter voldoende
ruimte om de straffen te individualiseren, zonder dat
daarbij het gelijkheidsbeginsel geschonden wordt: in
theorie kan de minimumboete en de maximumboete
opgelegd worden voor zowel natuurlijke personen als
voor rechtspersonen.
de collaboration peut être dommageable pour l’enquête
ou l’instruction.
Au vu de l’importance de cette coopération pour
le succès de l’enquête, le législateur a instauré des
obligations légales de coopérer à la mise en œuvre de
ces mesures. Il a prévu de sanctionner pénalement le
non-respect de ces obligations afin de contraindre toute
personne à collaborer à l’exécution de la mesure selon
la manière et au moment requis.
Cependant, actuellement, les peines prévues peuvent
varier d’un article à l’autre, sans qu’il n’y ait toujours
une cohérence.
Les articles 5 à 12 ont dès lors pour objectif d’har-
moniser les sanctions. En effet, les incriminations étant
pratiquement à chaque fois les mêmes, les fourchettes de
peines doivent être de la même grandeur. Elles doivent
être larges pour permettre au juge de tenir compte de
certains critères, dont la situation financière et sociale de
la personne physique et le chiffre d’affaire et la taille de
l’entreprise pour la personne morale. Puisque ces incrimi-
nations visent souvent (mais pas toujours) des entreprises
de technologie ou de communication particulièrement
grandes, le seuil maximum doit être suffisamment élevé
pour exiger leur coopération. Parallèlement, une marge
de manœuvre suffisante doit être laissée au juge pour
qu’il puisse tenir compte du statut (personne morale ou
personne physique) de la personne concernée.
Il a dès lors été décidé d’augmenter le seuil maximum
de l’amende à trente mille euros. Cette augmentation se
justifie également par le fait que dans tous les articles,
les peines de prison pour l’infraction de base de non-col-
laboration n’ont pas été conservées. La peine de prison
devant être l’ultime recours, il n’était pas opportun de
conserver cette peine pour ces infractions. Toutefois, dans
le cas des personnes morales, la fourchette de la peine
d’amende pouvait être plus élevée, lorsqu’une peine de
prison est prévue, par l’application du mécanisme de
conversion prévu à l’article 41bis du Code pénal. Par
conséquent, le législateur estime qu’une fourchette de
peine de cent euros à trente mille euros est justifiée et
proportionnée.
De cette manière, il n’y a pas de réduction significa-
tive des peines pour les personnes morales et le juge
dispose d’une marge de manœuvre suffisante pour
individualiser les peines sans violer le principe d’éga-
lité: en théorie, les amendes minimales et maximales
peuvent être imposées tant aux personnes physiques
qu’aux personnes morales.
9
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voorts moeten ook de in artikel 88quater, § 3, en arti-
kel 90quater, § 4, bedoelde strafbare feiten en sancties
op elkaar worden afgestemd, aangezien deze medewer-
kingsverplichtingen een soortgelijk specifiek karakter
hebben. Dezelfde verzwarende omstandigheid als die
van artikel 88quater, § 3, wordt dus ingevoerd in arti-
kel 90quater, § 4. Gezien de ernst van de verzwarende
omstandigheid (een strafbaar feit had kunnen worden
voorkomen of de gevolgen hadden kunnen worden
beperkt indien de betrokkene had meegewerkt), wordt
de gevangenisstraf hier wel gehandhaafd.
De Raad van State merkt in haar advies met
nr. 71 320/1-2-3-4 bij artikel 11 op dat de verwijzing
naar artikel 88bis, § 4, laatste lid, van het Wetboek
van strafvordering vervangen moet worden door een
verwijzing naar artikel 88bis, § 2, laatste lid. Deze op-
merking wordt niet gevolgd. § 2 en § 3 van artikel 88bis
zijn wel degelijk vernietigd door het Grondwettelijk Hof
bij arrest nr. 57/2021 van 22 april 2021, maar worden
hersteld en dus opnieuw ingevoerd door het wetsont-
werp betreffende het verzamelen en het bewaren van de
identificatiegegevens en van metagegevens in de sector
van de elektronische communicatie en de verstrekking
ervan aan de autoriteiten (goedgekeurd in Commissie
Economie van de Kamer in eerste lezing dd. 1 juni 2022).
We moeten dus wel degelijk verwijzen naar 88bis, § 4,
laatste lid van het Wetboek.
Vervanging door de juiste verwijzing
Met het arrest nr. 174/2018 van 6 december 2018 heeft
het Grondwettelijk Hof de wet van 25 december 2016 hou-
dende diverse wijzigingen van het Wetboek van strafvor-
dering en het Strafwetboek, met het oog op de verbetering
van de bijzondere opsporingsmethoden en bepaalde
onderzoeksmethoden met betrekking tot internet en
elektronische en telecommunicaties en tot oprichting van
een gegevensbank stemafdrukken, gedeeltelijk nietig
verklaard. Het heeft met name het nieuwe artikel 39bis,
§ 3, van het Wetboek van strafvordering nietig verklaard
voor zover het geen machtiging van de onderzoeksrechter
vereist om een maatregel tot uitbreiding van de zoeking
in een informaticasysteem te nemen. Om een rechts-
vacuüm te voorkomen, heeft het Hof ook artikel 13 van
dezelfde wet tot intrekking van het vroegere artikel 88ter
van het Wetboek van Strafvordering nietig verklaard.
Bij de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalin-
gen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging
van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie
en van het Sociaal Strafwetboek heeft de wetgever ver-
schillende artikelen van het Wetboek van strafvordering
gewijzigd om tegemoet te komen aan dit arrest van het
Grondwettelijk Hof. In artikel 90quater staat echter nog
een verwijzing naar artikel 39bis, § 3, die na vernietiging
Par ailleurs, il y a lieu d’également aligner les incri-
minations et les peines prévues aux articles 88quater,
§ 3 et 90quater, § 4, ces obligations de coopération ayant
une spécificité similaire. Ainsi, une même circonstance
aggravante que celle prévue à l’article 88quater, § 3 est
introduite à l’article 90quater, § 4. Vu la gravité de la
circonstance aggravante (une infraction aurait pu être
évitée ou les effets limités si la personne avait collaboré),
la peine de prison est ici maintenue.
Le Conseil d’État note dans son avis avec n° 71 320/1-
2-3-4 sur l’article 11 que la référence à l’article 88bis, § 4,
dernier alinéa, du Code d’instruction criminelle doit être
remplacée par une référence à l’article 88bis, § 2, dernier
alinéa. Cette observation n’est pas suivi. Les §§ 2 et 3 de
l’article 88bis ont en effet été annulés par la Cour consti-
tutionnelle par son arrêt n° 57/2021 du 22 avril 2021, mais
sont rétablis et donc réintroduits par le projet de loi relatif
à la collecte et à la conservation des données d’identifi-
cation et des métadonnées dans le secteur des commu-
nications électroniques et à la fourniture de ces données
aux autorités (approuvé en Commission Économie de
la Chambre en première lecture le 1er juin 2022). Nous
devons donc nous référer à l’article 88bis, § 4, dernier
alinéa du Code.
Remplacement par la juste référence
Par l’arrêt n° 174/2018 du 6 décembre 2018, la Cour
constitutionnelle a annulé partiellement la loi du 25 dé-
cembre 2016 portant des modifications diverses au
Code d’instruction criminelle et au Code pénal, en vue
d’améliorer les méthodes particulières de recherche et
certaines mesures d’enquête concernant Internet, les
communications électroniques et les télécommunications
et créant une banque de données des empreintes vocales.
Elle a notamment annulé le nouvel article 39bis, § 3 du
Code d’instruction criminelle, en ce qu’il n’exigeait pas
l’autorisation du Juge d’instruction pour prendre une
mesure d’extension de la recherche dans un système
informatique. Afin d’éviter un vide juridique, la Cour a
également annulé l’article 13 de la même loi abrogeant
l’ancien article 88ter du Code d’instruction criminelle.
Par la loi du 5 mai 2019 portant des dispositions
diverses en matière pénale et en matière de cultes, et
modifiant la loi du 28 mai 2002 relative à l’euthanasie et
le Code pénal social, le législateur a modifié plusieurs
articles du Code d’instruction Criminelle afin de répondre
à cet arrêt de la Cour Constitutionnelle. Cependant,
dans l’article 90quater, il y avait encore une référence à
l’article 39bis, § 3, devenue erronée suite à l’annulation
2774/001
DOC 55
10
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van dat artikel foutief is geworden. Dit dient derhalve te
worden vervangen door de juiste verwijzing, namelijk
naar artikel 88ter, vierde lid.
Art. 13
Dit artikel wijzigt artikel 136bis van het Wetboek
Strafvordering waar wordt bepaald dat de partijen en
hun advocaten kunnen worden gehoord na kennis-
geving door de griffier “per faxpost of bij een ter post
aangetekende brief” en brengt het in overeenstemming
met de in het ontworpen artikel 28decies gehanteerde
begrippen inzake de kennisgeving, zijnde “per faxpost,
bij gewone brief of langs elektronische weg”. Net zoals
het geval is in de artikelen 21bis en 61ter Sv. Er wordt
op die manier gevolg gegeven aan het advies van de
Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4).
Art. 14
In de huidige bewoordingen van artikel 162ter, eerste
en tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, zijn
er twee tarieven van de administratieve toeslag mogelijk
bij een vonnis, namelijk 8,84 euro (eerste lid, doordat
verwezen wordt naar de administratieve toeslag bedoeld
in het zevende lid van artikel 216bis, § 1) en 25,32 euro
(tweede lid), afhankelijk van het feit of er al dan niet een
minnelijke schikking is voorgesteld.
Dat was niet de bedoeling bij de invoering van de
administratieve toeslag. Het tarief van de administratieve
toeslag wordt met deze wetswijziging gelijkgetrokken,
wat eenduidigheid meebrengt voor de betrokkene en
de magistraten.
Art. 15
Er is discussie gerezen of de administratieve toeslag
al dan niet expliciet moet worden opgenomen in het
vonnis. Gezien de toeslag geen deel uitmaakt van de
veroordeling, zoals bevestigd door de Raad van State in
advies nr. 69 279/1 op de Programmawet van 21 juni 2021,
moet de toeslag niet worden vermeld. Door het weglaten
van de verwijzing naar de administratieve toeslag in deze
bepaling, wordt dat verduidelijkt.
Art. 16
Artikel 203 van het Wetboek van Strafvordering voor-
ziet in een wetswijziging voor wat betreft het volgberoep
voor beklaagden. Een problematiek waar de Orde van de
de cet article. Il convient dès lors de la remplacer par la
juste référence, soit l’article 88ter, alinéa 4.
Art. 13
Cet article modifie l’article 136bis du Code d’instruction
criminelle où il est prévu que les parties et leurs avo-
cats peuvent être entendus sur convocation du greffier
“par télécopie ou par lettre recommandée à la poste”
et l’aligne sur les notions de notification utilisées dans
l’article 28decies en projet, soit “par télécopie, par lettre
simple ou par voie électronique”. Comme c’est le cas
aux articles 21bis et 61ter CIC. Il est donné suite de cette
manière à l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4).
Art. 14
Dans la rédaction actuelle de l’article 162ter, ali-
néas 1 et 2 du Code d’instruction criminelle, deux taux
de la redevance administrative sont possibles en cas de
jugement, à savoir 8,84 euros (premier alinéa, par réfé-
rence à la redevance administrative visée à l’article 216bis,
§ 1er, septième alinéa) et 25,32 euros (deuxième alinéa),
selon qu’une transaction pénale a été proposé ou non.
Ce n’était pas l’intention lorsque la redevance admi-
nistrative a été introduite. Avec cette modification de la
loi, le taux de la redevance administrative sera aligné,
ce qui apporte de la clarté pour la personne concernée
et les magistrats.
Art. 15
Une discussion a eu lieu pour savoir si la redevance
administrative devait être explicitement incluse dans le
jugement ou non. Comme la redevance ne fait pas partie
de la peine, comme l’a confirmé le Conseil d’État dans
son avis n° 69 279/1 sur la loi programme du 21 juin 2021,
la redevance ne doit pas être mentionnée. En omettant
la référence à la redevance administrative dans cette
disposition, cela est clarifié.
Art. 16
L’article 203 du Code d’instruction criminelle prévoit
une modification pour ce qui concerne l’appel de suivi
pour les prévenus. Une problématique que l’Ordre des
11
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Vlaamse Balies op wees in de brief van 26 juli 2021 en
haar bezorgdheid over uitte.
Het geeft daarom een gevolg aan de rechtspraak van
het Grondwettelijk Hof in de arresten GwH nrs. 96/201
9 van 6 juni 2019 en 103/2021 van 8 juli 2021.
Op dit moment beschikt het Openbaar Ministerie
zowel bij de rechtbank die uitspraak deed als bij het
appelgerecht over de mogelijkheid om een rechtsmiddel
in te stellen. Tegen beslissingen van de correctionele
rechtbank, gaat het daarbij respectievelijk over enerzijds
de procureur des Konings of de arbeidsauditeur en an-
derzijds de procureur-generaal. Tegen beslissingen van
de politierechtbank gaat het daarbij respectievelijk over
de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in de
hoedanigheid van openbaar ministerie bij politierechtbank
of ook bij de correctionele rechtbank als appelgerecht
(art. 202, 5°, Sv.).
Sinds de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het
strafrecht en de strafvordering en houdende diverse
bepalingen inzake justitie (Belgisch Staatsblad 19 fe-
bruari 2016) of de zogenaamde Potpourri-II wet, voorziet
huidig art. 203, eerste paragraaf, tweede lid, Sv. (Parl. St.
Kamer, DOC 54-1418/001, p. 83/395), dat het openbaar
ministerie over een volgberoep beschikt of een bijkomende
termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen,
nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke
partij hoger beroep heeft ingesteld. Het was daarbij zo
voorzien dat de termijn inging in op de dag na het hoger
beroep van de beklaagde. Het Openbaar Ministerie kon
de standaardberoepstermijn van dertig dagen overschrij-
den, met name wanneer de beklaagde hoger beroep
aantekende tussen de twintigste en dertigste dag van
zijn termijn (Cass. 27 november 2017, A.R. P.17 0761.F.).
Het openbaar ministerie kon die termijn niet gebruiken
om hoger beroep in te stellen tegen andere beklaagden
of burgerrechtelijk aansprakelijke partijen.
De grondwettelijke rechtspraak zette deze regeling
echter op de helling.
In het arrest nr. 96/2019 van 6 juni 2019 heeft het
Grondwettelijk Hof allereerst gezegd voor recht dat ar-
tikel 203, eerste paragraaf, Sv., in samenhang gelezen
met artikel 204 Sv., de artikelen 10 en 11 GW, in samen-
hang gelezen met artikel 6, eerste lid, EVRM schendt, in
zoverre het, wanneer de procureur des Konings tussen
de twintigste en de dertigste dag van de beroepstermijn
hoger beroep instelt tegen een op tegenspraak gewezen
vonnis, voor de beklaagde niet voorziet in eenzelfde
bijkomende termijn. De gevolgen van art. 203, eerste
paragraaf, werden door het arrest gehandhaafd voor de
barreaux flamands avait pointé dans la lettre du 26 juil-
let 2021 et avait exprimé son inquiétude à ce sujet.
Il donne pour cette raison suite à la jurisprudence
de la Cour constitutionnelle dans les arrêts C.const.
n° 96/2019 du 6 juin 2019 et 103/2021 du 8 juillet 2021.
À l’heure actuelle, le Ministère Public a la possibi-
lité d’interjeter appel auprès du tribunal qui a rendu
la décision et auprès de la juridiction d’appel. Contre
les décisions du tribunal correctionnel, il s’agit, d’une
part, du procureur du Roi ou de l’auditeur de travail et,
d’autre part, du procureur général. Contre les décisions
du tribunal de police cela concerne respectivement le
procureur du Roi ou l’auditeur de travail en qualité de
ministère public près le tribunal de police ou encore
le tribunal correctionnel en tant que juridiction d’appel
(art. 202, 5°, CIC).
Depuis la loi du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et
la procédure pénale et portant des dispositions diverses
en matière de justice (Moniteur Belge 19 février 2016)
ou la loi dite Potpourri-II, l’actuel art. 203, paragraphe
premier, deuxième alinéa, prévoit (Doc. Parl. Chambre,
DOC 54-1418/001, p. 83/395) que le Ministère Public
dispose d’un délai supplémentaire de dix jours pour
interjeter appel, après que le prévenu ou la partie civi-
lement responsable a interjeté appel. Il était prévu que
le délai commençait à courir le lendemain de l’appel
du prévenu. Le Ministère Public pourrait dépasser le
délai normal de recours de trente jours, notamment
si le prévenu interjetait appel entre le vingtième et le
trentième jour de son délai (Cass. 27 novembre 2017,
R.G. P.17 0761.F.). Le ministère public ne pouvait utiliser
ce terme pour interjeter appel contre d’autres prévenus
ou parties civilement responsables.
Cependant, la jurisprudence constitutionnelle a
contesté cette réglementation.
Dans son arrêt n° 96/2019 du 6 juin 2016 la Cour
constitutionnelle a tout d’abord dit pour droit que l’ar-
ticle 203, premier paragraphe, CIC, lu en combinaison
avec l’article 204, viole les articles 10 et 11 Const., lus
en combinaison avec l’article 6, paragraphe 1er, de la
CESDH en ce qu’il ne prévoit pas, lorsque le procureur
du Roi fait appel d’un jugement contradictoire entre
le vingtième et le trentième jour du délai d’appel, un
même délai supplémentaire pour le prévenu. Les effets
de cette disposition sont maintenus pour les décisions
judiciaires contradictoires définitives rendues avant
2774/001
DOC 55
12
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
definitieve rechterlijke beslissingen op tegenspraak die
gewezen zijn vóór 3 juni 2020 zijnde de bekendmaking van
het arrest in het Belgisch Staatsblad (p. 38946-38951).
In het arrest nr. 103/2021 van 8 juli 2021 heeft het
Grondwettelijk Hof vervolgens gezegd voor recht dat
artikel 205 Sv., de artikelen 10 en 11 GW, in samenhang
gelezen met artikel 6, lid 1, EVRM schendt, in zoverre
het, wanneer het Openbaar Ministerie zijn beroep heeft
beperkt tot bepaalde gedeelten van het in eerste aanleg
gewezen vonnis, voor de beklaagde die geen beroep heeft
aangetekend op grond van de artikelen 203 en 204 Sv.,
niet voorziet in een bijkomende termijn van tien dagen
die volgen op de datum van de betekening van dat hoger
beroep om volgberoep in te stellen. De gevolgen van
die bepaling worden gehandhaafd voor de definitieve
rechterlijke beslissingen op tegenspraak die gewezen
zijn vóór de bekendmaking van het arrest in het Belgisch
Staatsblad.
Ingevolge deze rechtspraak is een wetswijziging nood-
zakelijk. Daar werd ook al op gewezen in het raam van
de hervorming van het Wetboek van Strafprocesrecht
waar de ontworpen tekst op gebaseerd is.
In de voorgestelde regeling wordt de mogelijkheid om
een nakomend hoger beroep in te stellen binnen een
bijkomende termijn van tien dagen veralgemeend, zoals
voorzien in het wetsvoorstel houdende het Wetboek van
Strafprocesrecht, tot alle partijen, met inbegrip van de
beklaagde (M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de
procédure pénale en projet: quelques lignes de force”,
in Actualités de droit pénal et de procédure pénale, V.
FRANSSEN en A. MASSET (ed.), Luik, Anthémis, Coll.
Commission Université-Palais, 2019, nr. 40, p. 157; M.-A.
BEERNAERT, “Le nouveau Code de procédure pénale
en projet: quelques lignes de force”, Pli Juridique, nr. 52,
juni 2020, nr. 40, p. 16). De wetgever is daarbij aansluitend
voorts van mening dat het huidige artikel 205 Sv. en het
specifieke hoger beroep van het openbaar ministerie in
graad van hoger beroep dat het voorziet, kan worden
geschrapt, aangezien dat overlapt met het nakomend
hoger beroep waartoe het parket op algemene wijze de
mogelijkheid heeft.
Door de opheffing van artikel 205 Sv. (artikel 17 van
het voorontwerp), wordt in artikel 203, § 1, eerste lid,
van hetzelfde wetboek ook de zinsnede “Behoudens
de uitzondering van artikel 205 hierna,” opgeheven
en dit ingevolge het advies van de Raad van State
(nr. 71 320/1-2-3-4).
De tweede paragraaf herneemt de bijkomende termijn
van tien dagen voor het openbaar ministerie nadat de
beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij
hoger beroep heeft ingesteld, zoals die werd ingevoegd
le 3 juin 2020 c’est-à-dire la publication de l’arrêt au
Moniteur belge (p. 38946-38948).
Dans l’arrêt n° 103/2021 du 8 juillet 2021 la Cour consti-
tutionnelle a ensuite dit pour droit que l’article 205 CIC,
viole les articles 10 et 11 Const., lus en combinaison
avec l’article 6, paragraphe 1er, de la CESDH, en ce que,
lorsque le Ministère Public a limité son appel à certaines
parties du jugement rendu en première instance, cet article
n’offre pas au prévenu qui n’a pas interjeté appel en vertu
des articles 203 et 204 CIC un délai supplémentaire de
dix jours à compter du lendemain de la signification de
cet appel pour réagir à cet appel en formant appel à son
tour. Les effets de cette disposition sont maintenus en
ce qui concerne les décisions judiciaires contradictoires
définitives rendues avant la publication du présent arrêt
au Moniteur belge.
En vertu de cette jurisprudence, une modification de
la loi est nécessaire. Cela a également été souligné dans
le cadre de la réforme du Code de procédure pénale
sur laquelle se fonde le texte en projet.
Dans la réglementation proposée la possibilité d’inter-
jeter un appel subséquent dans un délai supplémentaire
de dix jours est, en revanche, généralisée à l’ensemble
des parties, en ce compris le prévenu, comme prévue
dans la proposition contenant la Code de procédure
pénale (M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de
procédure pénale en projet: quelques lignes de force”,
in Actualités de droit pénal et de procédure pénale,
V. FRANSSEN et A. MASSET (sous la dir. de), Liège,
Anthémis, Coll. Commission Université-Palais, 2019,
n° 40, p. 157; M.-A. BEERNAERT, “Le nouveau Code de
procédure pénale en projet: quelques lignes de force”,
Pli Juridique, n° 52, juin 2020, n° 40, p. 16). De plus,
le législateur est d’avis que l’actuel article 205 CIC et
l’appel spécifique du Ministère Public d’appel qu’il pré-
voit, peut être supprimé dans la mesure où celui-ci fait
double emploi avec la possibilité d’appel subséquent
ouvert de manière générale au parquet.
En raison de la suppression de l’article 205 CIC
(l’article 17 de l’avant-projet), la phrase “, sauf l’exception
portée en l’article 205 ci-après,”, à l’article 203, § 1er,
alinéa 1er, du même code, est également supprimée et
ceci suite à l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4).
Le deuxième paragraphe reprend le délai supplémen-
taire de dix jours ouvert au ministère public après que le
prévenu ou la partie civilement responsable a interjeté
appel, tel qu’il avait été inséré par l’article 88 de la loi
13
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door artikel 88 van de wet van 5 februari 2016 tot wij-
ziging van het strafrecht en de strafvordering en hou-
dende diverse bepalingen inzake justitie (Belgisch
Staatsblad 19 februari 2016).
In tegenstelling tot hetgeen thans is bepaald bij arti-
kel 203, § 1, tweede lid, Sv., zoals uitgelegd door het Hof
van Cassatie (Cass. 29 november 2017, A.R. P.17 0761.F.),
geldt als aanvangspunt van die bijkomende termijn
evenwel niet langer de dag waarop hoger beroep is
ingesteld door de beklaagde of door de burgerrechtelijk
aansprakelijke partij, maar wel degelijk het verstrijken van
de termijn voor hoger beroep die voor hen openstaat.
De oplossing die erin bestaat de bijkomende termijn
te laten ingaan vanaf het hoofdberoep is immers amper
werkbaar, vermits zij de partijen verplicht om elke dag op
de griffie na te gaan of hoger beroep werd aangetekend.
De gekozen oplossing, namelijk de bijkomende ter-
mijn voor nakomend hoger beroep van het parket laten
ingaan vanaf het verstrijken van de termijn voor hoger
beroep die openstond voor de beklaagde, betekent echter
niet dat het parket systematisch een termijn voor hoger
beroep van 40 dagen (30+10) krijgt wanneer het parket
nakomend hoger beroep wil instellen.
Indien het in eerste aanleg gewezen vonnis ten aan-
zien van de beklaagde werd uitgesproken bij verstek,
situeert het aanvangspunt van zijn termijn voor hoger
beroep zich immers op de dag van de betekening van
het vonnis, terwijl de termijn voor hoger beroep van het
parket ingaat op de dag van de uitspraak. In een der-
gelijke hypothese heeft het parket dus eerst 30 dagen
de tijd, te rekenen van de uitspraak, om (hoofd)beroep
aan te tekenen, en vervolgens opnieuw 10 dagen, te
rekenen van het verstrijken van een termijn van 30 da-
gen volgend op de betekening van het vonnis, om in
voorkomend geval te reageren op het hoger beroep van
de beklaagde en nakomend hoger beroep in te stellen.
Overeenkomstig de al aangehaalde lering van het
Grondwettelijk Hof bekrachtigt artikel 203, tweede pa-
ragraaf, tweede lid, bovendien voortaan eenzelfde
bijkomende termijn van tien dagen ten gunste van de
beklaagde en van de burgerrechtelijk aansprakelijke
partij die wensen te reageren op hoger beroep ingesteld
door het parket.
Zoals het geval is voor nakomend hoger beroep van
het parket, en om dezelfde redenen, gaat deze bijko-
mende termijn in bij het verstrijken van de termijn voor
hoger hoofdberoep die openstond voor het openbaar
ministerie.
du 5 février 2016 modifiant le droit pénal et la procédure
pénale et portant des dispositions diverses en matière
de justice (Moniteur Belge 19 février 2016).
Contrairement à ce qui est actuellement prévu par
l’article 203, § 1er, alinéa 2, CIC tel qu’interprété par
la Cour de cassation (Cass., 29 novembre 2017, R.G.
P.17 0761.F.), le point de départ de ce délai supplémen-
taire n’est toutefois plus le jour où l’appel est formé par
le prévenu ou la partie civilement responsable, mais
bien l’expiration du délai d’appel qui leur était ouvert.
La solution qui consiste à faire courir le délai supplé-
mentaire à dater de l’appel principal n’est en effet guère
praticable, puisqu’elle oblige les parties à vérifier chaque
jour au greffe si un appel a été interjeté.
La solution retenue, consistant à faire courir le délai
supplémentaire pour l’appel subséquent du Parquet à
partir de l’expiration du délai d’appel qui était ouvert au
prévenu n’équivaut toutefois pas à donner systématique-
ment au Parquet un délai d’appel de 40 jours (30+10)
lorsqu’il entend former un appel subséquent.
Si le jugement rendu en première instance a été
prononcé par défaut à l’égard du prévenu, le point de
départ de son délai d’appel se situe en effet au jour de
la signification du jugement, alors que le délai d’appel
du Parquet court à dater du prononcé. Dans une telle
hypothèse, le Parquet a donc d’abord 30 jours à da-
ter du prononcé pour interjeter appel (principal), puis
à nouveau 10 jours à dater de l’expiration d’un délai
de 30 jours suivant la signification du jugement pour
réagir le cas échéant à l’appel du prévenu et former un
appel subséquent.
Conformément à l’enseignement de la Cour consti-
tutionnelle déjà mentionné, l’article 203, deuxième
paragraphe, alinéa 2, consacre en outre désormais un
même délai supplémentaire de dix jours au bénéfice
du prévenu et de la partie civilement responsable qui
souhaitent réagir à l’appel formé par le Parquet.
Comme pour l’appel subséquent du Parquet et par
identité de motifs, le point de départ de ce délai sup-
plémentaire se situe à également à l’expiration du délai
d’appel principal qui était ouvert au ministère public.
2774/001
DOC 55
14
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Tot slot, en naar analogie van hetgeen bepaald is in
huidig artikel 203, tweede paragraaf, Sv., stelt artikel 203,
§ 2, tweede lid, Sv. eveneens een bijkomende termijn
van tien dagen open voor de burgerlijke partij tegen
wie hoofdberoep is ingesteld, zodat zij beklaagden en
burgerrechtelijk aansprakelijke partijen in de zaak kan
doen blijven. Net als voor de twee andere bijkomende
termijnen, gaat ook deze termijn van tien dagen in bij
het verstrijken van de termijn voor hoger hoofdberoep
van de tegenpartij.
Art. 17
De wetgever is voorts van oordeel dat huidig ar-
tikel 205 Sv., en het specifiek hoger beroep van het
openbaar ministerie waarin het voorziet, kan worden
geschrapt aangezien het overlapt met de mogelijkheid
tot nakomend hoger beroep dat over het algemeen
openstaat voor het parket.
Het volgt op deze manier de visie van de experten
van de Commissie voor de hervorming van het straf-
procesrecht die stellen: “De Commissie was voorts van
mening dat het huidige artikel 205 van het Wetboek van
Strafvordering en het specifieke hoger beroep van het
openbaar ministerie in graad van hoger beroep dat het
voorziet, kon worden geschrapt, aangezien dat overlapt
met het nakomend hoger beroep waartoe het parket op
algemene wijze de mogelijkheid heeft.” (Parl. St. Kamer,
DOC 55-1239/001, p. 46/729).
Art. 18
Dit artikel voorziet in de invoeging van een arti-
kel 258/1 in het Wetboek van Strafvordering.
De bepaling is vergelijkbaar met de regeling in Frankrijk
in artikel 802-3 Code de procédure pénale, ingevoerd
door artikel 9 van de wet nr. 2020-1672 van 24 de-
cember 2020 na een amendement van de regering
(CL 124 van 23 november 2020) en artikel A. 53-
10 van hetzelfde wetboek, ingevoerd door een besluit
van 23 juli 2021. Dit initiatief beantwoordde aan een
behoefte met het oog op het proces van de aanslagen
van 13 november 2015, dat in 2021 plaatsvindt voor het
bijzonder hof van assisen inzake terrorisme te Parijs
met meer dan 1750 burgerlijke partijen (zie o.a. C. LA
CROIX, “La place des victimes dans les grands procès”,
AJP 2021, n° 1, p. 20).
In het artikel 258/1 van het Wetboek van Strafvordering
wordt voorzien in de mogelijkheid om van de debatten
ter terechtzitting een geluids- of -audiovisuele opname te
maken die de uitgestelde uitzending mogelijk maakt ten
Enfin, et à l’instar de ce que prévoit l’actuel article 203,
paragraphe deux, du Code d’instruction criminelle,
l’article 203, § 2, alinéa 2, CIC ouvre également un
délai supplémentaire de dix jours à la partie civile contre
laquelle un appel principal est dirigé, de manière à ce
qu’elle puisse maintenir à la cause des prévenus et
personnes civilement responsables. Comme pour les
deux autres délais supplémentaires, ce délai de dix jours
court lui aussi à partir de l’expiration du délai d’appel
principal de la partie adverse.
Art. 17
Le législateur a par ailleurs estimé pouvoir supprimer
l’actuel 205 du CIC et l’appel spécifique du ministère
public d’appel qu’il prévoit, dans la mesure où celui-ci
fait double emploi avec la possibilité d’appel subséquent
ouvert de manière générale au Parquet.
En ce sens, il suit le point de vue des experts de la
Commission pour la réforme de la procédure pénale, qui
déclarent: “La Commission a par ailleurs estimé pouvoir
supprimer l’actuel article 205 du Code d’instruction cri-
minelle et l’appel spécifique du ministère public d’appel
qu’il prévoit, dans la mesure où celui-ci fait double
emploi avec la possibilité d’appel subséquent ouvert
de manière générale au Parquet.” (Doc.Parl. Chambre,
DOC 55-1239/001, p. 46/729).
Art. 18
Cet article prévoit l’insertion d’un article 258/1 dans
le Code d’instruction criminelle.
La disposition est comparable à la réglementation
prévue en France à l’article 802-3 du Code de procé-
dure pénale, introduit par l’article 9 de la loi n° 2020-
1672 du 24 décembre 2020 après un amendement
du gouvernement (CL 124 du 23 novembre 2020) et
l’article A. 53-10 du même Code, inséré par un arrêté
du 23 juillet 2021. Cette initiative répondait à un besoin
en vue du procès des attentats du 13 novembre 2015,
qui se déroule en 2021 devant la cour d’assises spé-
ciale de Paris en matière de terrorisme et qui implique
plus de 1 750 parties civiles (voir notamment C. LA
CROIX, “La place des victimes dans les grands procès”,
AJP 2021, n° 1, p. 20).
L’article 258/1 du Code d’instruction criminelle prévoit
la possibilité d’effectuer une captation sonore ou audio-
visuelle des débats à l’audience permettant la diffusion
en différé aux victimes connues et à leurs avocats qui en
15
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voordele van de gekende slachtoffers en hun advocaten
die om de toegang ervan hebben verzocht. De uitzending
gebeurt door middel van een telecommunicatiemiddel
dat de vertrouwelijkheid van de uitzending garandeert
en na een beslissing van de voorzitter van het hof van
assisen. Hij moet zijn beslissing motiveren rekening
houdend met de navolgende criteria.
De bepaling is van toepassing op de procedures voor
het hof van assisen om de toegang van de slachtoffers
en hun advocaten tot de terechtzitting van het hof van
assisen te vergemakkelijken wanneer het gaat om te-
rechtzittingen waarbij een groot aantal procespartijen
betrokken zijn of door het groot aantal slachtoffers met
de buitenlandse nationaliteit, wat bijvoorbeeld het geval
kan zijn in het proces dat in het najaar 2022 gepland
is inzake de terroristische aanslagen in Zaventem en
Maalbeek.
De slachtoffers krijgen gepersonaliseerde toegang tot
de terechtzittingen, zonder dat ze zich naar de rechtsza-
len dienen te verplaatsen tijdens een proces dat enkele
weken of maanden kan duren.
Wanneer de voorzitter van het hof van assisen beslist
om deze regeling toe te passen, wordt dit met alle pas-
sende middelen meegedeeld aan de gekende slachtoffers
en hun advocaten. De slachtoffers en hun advocaten
moeten ten minste acht dagen voor aanvang van de zit-
ting aan de griffie meedelen dat zij de geluidsopname of
de audiovisuele opname van de terechtzittingen willen
ontvangen. Zij worden geïnformeerd over de praktische
modaliteiten van toegang tot de opname van de proce-
dure en van de strafbaarstelling van het verspreiden
van de opname. Het opnemen van deze opname of
het uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met een
gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met
geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro
of met een van die straffen alleen.
De voorzitter van het hof van assisen kan de uitzending
van alle of een deel van de debatten verbieden om de
sereniteit ervan te waarborgen of om verstoring van de
openbare orde te voorkomen, bijvoorbeeld in het geval
van provocerende opmerkingen van een verdachte.
Een nieuw artikel 258/2 voorziet dat de assisenvoorzit-
ter kan beslissen dat het verloop van de terechtzitting het
voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een
audiovisuele opname wanneer deze opname van belang
is voor het aanleggen van historische justitiearchieven.
Een dergelijke vergelijkbare regeling is ook voorzien
in Frankrijk in de artikelen L.221-1 tot 221-5 van de
Code du patrimoine die de bepalingen bevatten van de
vroegere wet nr. 85-699 van 11 juli 1985.
auront fait la demande. La diffusion se fait par un moyen
de télécommunication qui garantit la confidentialité de la
transmission et après décision du président de la cour
d’assises. Il doit motiver sa décision tenant compte des
critères suivants.
La disposition s’applique aux procédures devant la
cour d’assises afin de faciliter l’accès des victimes et de
leurs avocats à l’audience de la cour d’assises lorsqu’il
s’agit d’audiences impliquant un nombre important de
parties au procès ou en raison du nombre élevé de vic-
times de nationalité étrangère, ce qui pourra être le cas,
par exemple, dans le procès des attentats terroristes à
Zaventem et Maelbeek, planifié à l’automne 2022.
Les victimes disposeront d’un accès personnalisé
aux audiences sans devoir se rendre dans les salles
d’audience, pendant un procès qui peut durer plusieurs
semaines ou plusieurs mois.
Si le président de la cour d’assises décide d’appliquer
ce règlement, il en est fait part aux victimes connues
et à leurs avocats, par tous les moyens appropriés.
Les victimes et leurs avocats doivent informer le greffe
au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils
souhaitent recevoir la captation sonore ou audiovisuelle
des audiences. Ils sont informés des modalités pratiques
de l’accès à la captation de la procédure et de l’incrimi-
nation de la diffusion de la captation. L’enregistrement
de cette captation ou sa diffusion à des tiers sera puni
sera d’un emprisonnement de six mois à deux ans et
d’une amende de deux cents euros à dix mille euros ou
d’une de ces peines seulement.
Le président de la cour d’assises peut interdire la dif-
fusion de tout ou partie des débats afin de garantir leur
sérénité ou de prévenir un trouble de l’ordre public, par
exemple en cas de propos provocateurs d’un accusé.
Un nouvel article 258/2 prévoit que le président de
la cour d’assises peut décider que le déroulement de
l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audio-
visuelle lorsque cette captation présente un intérêt pour
la constitution d’archives historiques de la justice.
Un régime comparable est également prévu en France
dans les articles L.221-1 à 221-5 du Code du patri-
moine, qui contiennent les dispositions de l’ancienne
loi n° 85-699 du 11 juillet 1985.
2774/001
DOC 55
16
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In zijn advies nr. 113/3022 van 3 juni 2022 heeft de
Gegevensbeschermingsautoriteit verschillende opmer-
kingen gemaakt betreffende de artikelen 18 en 19.
Er dient vermeld te worden dat de AVG niet van toe-
passing is op dit ontwerp aangezien de AVG niet van
toepassing is op handelingen van het openbaar ministerie
en hoven en rechtbanken in hun specifieke strafrech-
telijke taken, maar wel de richtlijn van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen in verband met
de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde
autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onder-
zoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten
of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het
vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad, alsook titel II
van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking
van persoonsgegevens.
De Richtlijn 2016/680 is bij wijze van uitzondering van
toepassing op de overheden bevoegd voor “de voorko-
ming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van
strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen”.
Het hof van assisen is een dergelijke overheid.
Bijgevolg zijn de punten 1 t.e.m. 19 uit het advies van
de GBA niet gegrond.
Wat betreft de verplichting om een DPO aan te stel-
len dient vermeld te worden dat dit niet verplicht is voor
de rechtbanken overeenkomstig artikel 32. 1 van de
Richtlijn 2016/680.
Wat betreft de aanduiding van een verwerkingsver-
antwoordelijke dient vermeld te worden dat het ontwerp
de voorzitter van het hof van assisen aangeduid heeft.
Wanneer de advocaten en de slachtoffers vragen toe-
gang te krijgen tot de opname, worden zij verwerkings-
verantwoordelijke en zijn ze dus verantwoordelijk voor
het gebruik ervan.
De punten 24 tot 27 van het advies van de GBA betref-
fen de categorieën van verwerkte persoonsgegevens.
De GBA stelt voor die categorieën van persoonsge-
gevens te onderscheiden volgens de categorieën van
betrokken personen.
In dit verband bepaalt artikel 28 van de voormelde wet
van 30 juli 2018 dat de verwerkte gegevens toereikend
moeten zijn, ter zake dienend en niet bovenmatig in ver-
houding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
Dans son avis nr. 113/2022 du 3 juin 2022 l’Autorité de
Protection des Données a émis plusieurs considérations
concernant les articles 18 et 19.
Il y a lieu de souligner que le RGPD n’est pas d’appli-
cation au projet de loi puisque le RGPD ne s’applique
pas aux traitements par le ministère public et les cours et
tribunaux dans leurs tâches spécifiques de droit pénal,
mais bien la directive 2016/680 du Parlement Européen
et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection
des personnes physiques à l’égard du traitement des
données à caractère personnel par les autorités com-
pétentes à des fins de prévention et de détection des
infractions pénales, d’enquêtes et de poursuites en
la matière ou d’exécution de sanctions pénales, et à
la libre circulation de ces données, et abrogeant la
décision-cadre 2008/977/JAI du Conseil, et le titre II de
la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des per-
sonnes physiques à l’égard des traitements de données
à caractère personnel.
La directive 2016/680, par exception au RGPD, est
applicable “aux autorités compétentes à des fins de
prévention et de détection des infractions pénales,
d’enquêtes et de poursuites en la matière ou d’exécution
de sanctions pénales”.
La cour d’assises est une autorité dans ce sens. Par
conséquent, les points 1 à 19 de l’avis de l’APD ne sont
pas fondés.
Concernant l’obligation de désigner un DPO: il n’y a
pas d’obligation de désigner un DPO pour les tribunaux
conformément à l’article 32.1 de la directive 2016/680.
Concernant la désignation du responsable de traite-
ment Il est précisé que le projet de loi dispose que c’est
le président de la cour d’assises. Lorsque les avocats
et les victimes demandent à avoir accès à la captation
sonore, ils deviennent responsable de traitement de
cette copie et sont donc responsables de son usage.
Les points 24 à 27 de l’avis de l’ADP concernent les
catégories de données traitées. L’ADP recommande de
distinguer ces catégories de données selon les catégo-
ries de personnes concernées.
À cet égard, l’article 28 de la loi du 30 juillet 2018 pré-
citée dispose que les données traitées doivent être
adéquates, pertinentes et non excessives au regard des
finalités pour lesquelles elles sont traitées.
17
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Die bepaling vereist dat een algemene lijst van catego-
rieën van verwerkte persoonsgegevens wordt opgesteld.
In punt 30 van zijn advies beveelt de GBA aan om
de duur van bewaring van de opgenomen gegevens te
preciseren.
In dat verband bepaalt artikel 30 van de voormelde wet
van 30 juli 2018 onder andere dat de wet de maximale
bewaartermijn vermeldt en dat na afloop van die termijn
de gegevens worden gewist.
In de paragrafen 6 en 7 zijn bepalingen toegevoegd
overeenkomstig het artikel 28 van de voornoemde wet
van 30 juli 2018 m.b.t. de categorieën van persoonsge-
gevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van
dit doeleinde en het artikel 30 van dezelfde wet m.b.t.
de maximale bewaartermijn van de gegevens.
In punt 36 van het advies onderzoekt de GBA de
verwerking van gevoelige persoonsgegevens in het licht
van artikel 10 van de AVG terwijl deze kwestie geregeld
wordt door de artikelen 34 en volgende van de wet
van 30 juli 2018 die de hoven en rechtbanken toelaat
om gevoelige gegevens te verwerken op voorwaarde dat
de verwerkingsverantwoordelijke een lijst van bestem-
melingen (advocaten en burgerlijke partijen) opstelt.
De artikelen 37, § 4 en 44 van voornoemde wet
van 30 juli 2018 bepaalt dat “voor wat betreft de ge-
gevensverwerkingen van de hoven en rechtbanken,
worden de rechten van de partijen uitgeoefend binnen
de grenzen en conform de regels en nadere regels van
het Gerechtelijk Wetboek”. Het advies van de GBA moet
derhalve niet worden gevolgd.
Art. 19
In een nieuw artikel 258/2 van het Wetboek van
Strafvordering wordt voorzien dat onverminderd hetgeen
bepaald is in artikel 258/1 de voorzitter kan beslissen
dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal
uitmaken van een geluidsopname of van een audiovisuele
opname wanneer deze opname van belang is voor het
aanleggen van historische justitiearchieven.
In geval van geluidsopname of audiovisuele opname,
zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt
de digitale drager met de volledige opname van de
debatten, na het sluiten van de debatten, bij het straf-
dossier gevoegd.
In antwoord op het advies van de GBA kan worden
onderlijnd dat vermits alle door de rechtbanken van
de rechterlijke macht (waaronder het hof van assisen)
Cette disposition exige de dresser une liste générale
des catégories de données traitées.
Au point 30 de son avis, l’APD recommande de préci-
ser la durée de conservation des données enregistrées.
À cet égard, l’article 30 de la loi du 30 juillet 2018 pré-
citée dispose, entre autre, que la loi détermine la durée
maximale de conservation et qu’à l’échéance de cette
durée, les données sont effacées.
Aux paragraphes 6 et 7, des dispositions ont été
ajoutées conformément à l’article 28 de la loi du 30 juil-
let 2018 précitée concernant les catégories de données
personnelles nécessaires à la réalisation de cette fina-
lité et à l’article 30 de la même loi concernant la durée
maximale de conservation des données.
Le point 36 de l’avis de l’APD examine le traitement
des données sensibles au regard de l’art. 10 RGPD, alors
que la question est réglée par l’article 34 et suivant de
la loi du 30 juillet 2018 précitée qui autorise les cours et
tribunaux à traiter des données sensibles pour autant
que le responsable de traitement dresse une liste des
destinataires ( avocats et parties civiles).
Les articles 37, § 4 et 44 de la loi précitée du 30 juil-
let 2018 disposent que “pour les traitements des cours et
tribunaux, les droits des parties sont exercés conformé-
ment au Code judiciaire, au Code d’instruction criminelle,
aux lois particulières relatives à la procédure pénale ainsi
qu’à leurs arrêtés d’exécution.”. L’avis de l’APD ne doit
donc pas être pris en considération.
Art. 19
Un nouvel article 258/2 du Code d’instruction criminelle
prévoit que sans préjudice du prescrit de l’article 258/1, le
président peut décider que le déroulement de l’audience
fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque
cette captation présente un intérêt pour la constitution
d’archives historiques de la justice.
En cas de captation sonore ou audiovisuelle conformé-
ment à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support
numérique contenant la captation intégrale des débats
est versé au dossier répressif à la clôture des débats.”.
En réponse à l’avis de l’APD il peut être souligné
qu’étant donné que tous les documents conservés
par les juridictions de l’ordre judiciaire (y compris la
2774/001
DOC 55
18
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bewaarde documenten overeenkomstig de termijnen en
modaliteiten vastgesteld door de wet van 24 juni 1955
(de zgn. Archiefwet) in dit archief worden opgenomen,
ook de geluidsopname of audiovisuele opname, dat bij
het strafdossier wordt gevoegd, onder de toepassing
van die wet zullen vallen.
De punten 39 tot en met 44 van het advies van de
GBA bevelen aan om specifieke bepalingen te voorzien
overeenkomstig de bepalingen van de AVG.
Welnu, het zijn de artikelen 186 en volgende van de
wet gegevensbescherming die van toepassing zijn zodat
het advies van de GBA niet gevolgd moet worden.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 20 tot 24
De artikelen 20 tot 24 hebben tot doel het Strafwetboek
aan te passen aan het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van
de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrij-
ding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en
vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht.
Op 18 februari 2021 ontving België een ingebrekestel-
ling van de Europese Commissie wegens de onjuiste
omzetting van artikel 4 van dit kaderbesluit.
Artikel 4 bepaalt het volgende:
“De lidstaten nemen de nodige maatregelen om
ervoor te zorgen dat racistische en xenofobe motie-
ven voor andere dan in de artikelen 1 en 2 bedoelde
delicten als een verzwarende omstandigheid worden
beschouwd, dan wel dat die motieven door de rechter
in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling
van de strafmaat.”
De Europese Commissie stelt dat artikel 4 van het
kaderbesluit een verplichting inroept voor de lidstaten
om voor alle misdrijven een verzwarende omstandigheid
te voorzien, indien de dader handelt uit racistische of
xenofobe motieven.
De huidige redactie van het Strafwetboek, waarbij
enkel voor een beperkt aantal misdrijven expliciet wordt
voorzien in een verzwarende omstandigheid als de
dader handelt uit discriminatoire motieven, is dus niet
voldoende om het Kaderbesluit correct om te zetten in
hun visie. Artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering,
waardoor een rechter rekening kan houden met om het
even welk argument dat naar boven komt tijdens de
cour d’assises) sont inclus dans cette archive dans
les conditions et selon les modalités fixées par la loi
du 24 juin 1955 (loi dite des archives), la captation sonore
ou audiovisuelle, qui est jointe au dossier pénal, entrera
également dans le champ d’application de cette loi.
Les points 39 à 44 de l’avis de l’APD recommandent
de prendre des dispositions particulières conformément
aux dispositions du RGPD.
Or les articles 186 et suivants de la loi vie privée sont
d’application et l’avis de l’APD ne doit donc pas être pris
en considération.
CHAPITRE 4
Modifications du Code pénal
Art. 20 à 24
Les articles 20 à 24 ont pour but d’adapter le Code
pénal à la Décision-cadre 2008/913/JAI du Conseil
du 28 novembre 2008 sur la lutte contre certaines formes
et manifestations de racisme et de xénophobie au moyen
du droit pénal.
Le 18 février 2021, la Belgique a reçu une mise en
demeure de la Commission européenne pour transpo-
sition incorrecte de l’article 4 de cette décision-cadre.
L’article 4 dispose ce qui suit:
“Pour les infractions autres que celles visées aux
articles 1er et 2, les États membres prennent les mesures
nécessaires pour faire en sorte que la motivation raciste
et xénophobe soit considérée comme une circonstance
aggravante ou, à défaut, que cette motivation puisse
être prise en considération par la justice pour la déter-
mination des peines.”
La Commission européenne précise que l’article 4 de
la décision-cadre crée pour les États membres une
obligation de prévoir une circonstance aggravante pour
toutes les infractions lorsque l’auteur agit pour des motifs
racistes ou xénophobes.
La rédaction du Code pénal actuel, selon laquelle
il n’est prévu explicitement que pour un nombre limité
d’infractions une circonstance aggravante lorsque l’auteur
agit pour des motifs discriminatoires, ne suffit donc
pas pour transposer correctement la décision-cadre
conformément à sa vision. La Commission a estimé que
l’article 195 du Code d’instruction criminelle, qui permet
à un juge de tenir compte de n’importe quel argument
19
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
rechtsgang, om eventueel de zwaarst mogelijke straf
uit te spreken, vond men ook niet afdoende.
Er rest ons dus geen andere optie dan de wet aan
te passen door verzwarende factoren te voorzien voor
alle misdrijven, indien de dader handelt vanuit een dis-
criminerende drijfveer.
In de voorgestelde tekst moet rekening worden ge-
houden met de wet van 21 maart 2022 houdende wij-
zigingen van het Strafwetboek met betrekking tot het
seksueel strafrecht, waarin wordt verwezen naar de
begrippen “verzwarende factoren” en “verzwarende
omstandigheden”.
Voor de auteurs van het ontwerp van Strafwetboek
hebben de verzwarende bestanddelen een stijging van
een of meerdere trappen in de straffenschaal tot gevolg
en zijn verzwarende omstandigheden omstandigheden
waarmee de rechter rekening houdt bij de keuze en de
bepaling van de strafmaat.
Daar dat onderscheid in het huidige Strafwetboek niet
wordt gemaakt, herneemt de wet van 21 maart 2022 hou-
dende wijzigingen van het Strafwetboek met betrekking
tot het seksueel strafrecht het huidige begrip “verzwa-
rende omstandigheden”, die resulteren in een strafver-
zwaring door een verhoging van het maximum of door
een verhoging van het minimum of door een verhoging
van beide, en hanteert het bij wijze van overgang het
begrip “verzwarende factoren”, waarmee de rechter
rekening moet houden wanneer hij de straf kiest en de
strafmaat bepaalt binnen de wettelijke marge tussen
de maximum- en de minimumstraf. Eenmaal het nieuw
Strafwetboek gestemd zal zijn, zal de figuur van het
verzwarend bestanddeel de plaats innemen van dat
van verzwarende omstandigheid en de notie verzwa-
rende factor zal vervangen worden door verzwarende
omstandigheid.
Het wetsontwerp dat voor advies aan de Raad van
State werd voorgelegd, bevatte een artikel 78bis waarin
het volgende was bepaald: “Indien de wet voorziet in
verzwarende omstandigheden, wordt de straf verhoogd
of gewijzigd zoals omschreven in de desbetreffende
bepaling.” Naar aanleiding van het advies van de Raad
van State inzake hoofdstuk 4 van het wetsontwerp, heb-
ben de opstellers van het wetsontwerp beslist om deze
definitie te schrappen. Volgens de Raad van State leidt
de term “verzwarende omstandigheden” immers tot ver-
warring aangezien beoogd wordt om te omschrijven wat
in het Strafwetboek “verzwarende bestanddelen” wordt
genoemd. De verwarring is des te groter aangezien de
term “verzwarende omstandigheden” in het ontwerp van
Strafwetboek ook wordt gehanteerd, maar dan voor wat
apparaissant durant la procédure pour prononcer éven-
tuellement la peine la plus sévère possible, n’était pas
non plus concluant.
Il ne nous reste donc pas d’autre option que d’adapter
la loi en prévoyant des facteurs aggravants pour toutes
les infractions lorsque l’auteur agit avec un mobile
discriminatoire.
Le texte qui est proposé doit tenir compte de la loi
du 21 mars 2022 modifiant le Code pénal en ce qui
concerne le droit pénal sexuel qui fait référence aux
notions de “facteurs aggravants” et de “circonstances
aggravantes”.
Pour les auteurs du projet de Code pénal, les éléments
aggravants ont pour conséquence de remonter d’un
ou de plusieurs paliers dans l’échelle des peines et les
circonstances aggravantes sont des circonstances dont
le juge tient compte lors du choix et de la détermination
du taux de la peine.
Comme le Code pénal actuel ne connait pas cette
distinction, la loi du 21 mars 2022 reprend l’actuelle
notion de circonstances aggravantes, qui entraînent
une aggravation de la peine soit par une augmentation
du maximum, soit par un rehaussement du minimum,
soit par une aggravation des deux et retient, à titre
transitoire, la notion de “facteurs aggravants” dont le
juge doit tenir compte lorsqu’il fait le choix de la peine
et qu’il en détermine le taux dans la fourchette légale
entre le maximum et le minimum de la peine. Une fois
que le nouveau Code pénal sera adopté, la figure juri-
dique d’élément aggravant prendra la place de celle de
circonstance aggravante et la notion de facteur aggravant
sera remplacée par celle de circonstance aggravante.
Le projet de loi qui a été soumis pour avis au Conseil
d’État comportait un article 78bis qui précisait ce qui
suit: “Si la loi prévoit des circonstances aggravantes,
la peine est augmentée ou modifiée conformément aux
dispositions de cette loi.”. Suite à l’avis du Conseil d’État
portant sur le chapitre 4 du projet de loi, les auteurs du
projet de loi ont décidé de supprimer cette définition.
En effet, pour le Conseil d’État, l’utilisation du terme
“circonstances aggravantes” porte à confusion, puisque
l’intention est de définir ce que le projet de Code pénal
appelle “éléments aggravants”. La confusion est d’autant
plus grande que le terme “circonstances aggravantes”
est également utilisé dans le projet de Code pénal, mais
pour ce que le projet actuel appelle “facteurs aggravants”.
De plus, le Conseil d’État fait remarquer que ce concept
2774/001
DOC 55
20
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
in dit ontwerp “verzwarende factoren” wordt genoemd.
Bovendien doet de Raad van State opmerken dat dit be-
grip slechts tweemaal wordt gebruikt in het Strafwetboek,
ook al voorzien verscheidene strafbepalingen in een
verzwaring van de straf voor bepaalde misdrijven door
een verhoging van het maximum of een verhoging van
het minimum van de straf. De Raad van State voegt
daaraan toe dat dit artikel geen rechtsgevolg heeft en
niet nuttig is om de door het wetsontwerp beoogde
doelstelling te bereiken. Deze definitie hoort dus eerder
thuis in het ontwerp van Strafwetboek.
De ontwerptekst voorziet in de invoeging van de notie
verzwarende factor in hoofdstuk IX van boek 1 van het
Strafwetboek, dat aan de verzachtende omstandighe-
den is gewijd. Daartoe wijzigt het in de eerste plaats het
opschrift van dit hoofdstuk om naast de verzachtende
omstandigheden te verwijzen naar de verzwarende om-
standigheden en de verzwarende factoren. De nieuwe
artikelen krijgen een plaats net boven artikel 79, in de
artikelen 78bis en 78ter.
Het nieuwe artikel 78bis bevat een definitie van de verzwa
rende factoren. Dat begrip werd geïntegreerd in boek 2 van
het Strafwetboek door de wet van 21 maart 2022 hou-
dende wijzigingen van het Strafwetboek met betrekking
tot het seksueel strafrecht. De voorgestelde definitie is ge-
baseerd op artikel 29 van het ontwerp van Strafwetboek,
dat gewijd is aan de verzwarende omstandigheden.
Voor de verzwarende factoren voorziet de ontwerp-
tekst dus niet in de verhoging van het maximum of het
minimum van de straf, maar geeft hij de rechter een
indicatie met betrekking tot de omstandigheden waarmee
hij rekening moet houden wanneer hij de straf kiest en
de strafmaat bepaalt binnen de wettelijke marge tussen
het maximum en het minimum van de straf.
In haar advies met nr. 71 320/1-2-3-4 inzake hoofd-
stuk 4 is de Raad van State van oordeel dat in deze
bepaling dezelfde bewoordingen moeten worden ge-
bruikt als in de wet van 21 maart 2022 aangezien het
wetsontwerp gebaseerd is op de verzwarende factoren
die de wet in het Strafwetboek invoegt. De opstellers
van het wetsontwerp delen de mening van de Raad van
State over dit punt niet. De opstellers zijn immers van
oordeel dat het belangrijk is om de formule “indien de
wet voorziet in verzwarende factoren, moet de rechter
deze factoren in overweging nemen“ te gebruiken en
niet de zin ”de rechter houdt in het bijzonder rekening
met het feit dat” aangezien die laatste formulering de
indruk zou kunnen wekken dat die omstandigheid een
invloed moet hebben op de strafmaat.
Om het kaderbesluit correct om te zetten, is in een
nieuw artikel 78ter bepaald dat de discriminerende
n’est utilisé que deux fois dans le Code pénal même si
plusieurs dispositions pénales prévoient une aggrava-
tion de la peine attachée à certains infractions par une
augmentation du maximum ou un rehaussement du
minimum de la peine. Il ajoute que cet article n’a pas de
portée juridique et n’est pas utile pour atteindre l’objectif
visé par le projet de loi. Cette définition trouvera donc
mieux sa place dans le projet de Code pénal.
Le projet de texte prévoit d’insérer la notion de facteur
aggravant dans le chapitre IX du Livre premier du Code
pénal consacré aux circonstances atténuantes. Pour ce
faire, il modifie tout d’abord l’intitulé de ce chapitre pour
faire référence aux circonstances aggravantes et aux
facteurs aggravants à côté des circonstances atténuantes.
Les nouveaux articles prendront place juste au-dessus
de l’article 79 dans les articles 78bis et 78ter.
Le nouvel article 78bis comporte une définition des fac-
teurs aggravants. Cette notion vient d’être intégrée dans
le livre 2 du Code pénal avec la loi du 21 mars 2022. La
définition qui est proposée se base sur l’article 29 du projet
de Code pénal consacré aux circonstances aggravantes.
Pour les facteurs aggravants, le texte en projet ne
prévoit donc pas de rehaussement du maximum ou
du minimum de la peine mais donne une indication au
juge à propos de circonstances dont il tiendra compte
lorsqu’il fait le choix de la peine et qu’il en détermine le
taux dans la fourchette légale entre le maximum et le
minimum de la peine.
Dans son avis avec le n° 71 320/1-2-3-4 portant
sur le chapitre 4, le Conseil d’État considère que
cette disposition doit utiliser le même libellé que la loi
du 21 mars 2022 étant donné que le projet de loi se base
sur les facteurs aggravants que la loi introduit dans le
Code pénal. Les auteurs du projet de loi ne partagent
pas l’avis du Conseil d’État sur ce point. En effet, les
auteurs considèrent qu’il est important d’utiliser la formule
“si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit
les prendre en considération“ et non la phrase ”le juge
tient plus particulièrement compte du fait que” dès lors
que cette dernière formulation pourrait laisser entendre
que cette circonstance doit avoir une incidence sur le
quantum de la peine.
Pour transposer correctement la décision-cadre , il
est prévu, dans un nouvel article 78ter, que le mobile
21
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
drijfveer bij alle misdrijven een verzwarende factor
is. Aangezien de nieuwe bepaling in boek 1 van het
Strafwetboek zal staan, zal ze van toepassing zijn
op de misdrijven die zijn verzameld in boek 2 van het
Strafwetboek en op de misdrijven die zijn opgenomen
in de bijzondere wetten.
In de nieuwe bepaling wordt verduidelijkt dat de dis-
criminerende drijfveer van de dader bij alle misdrijven
een verzwarende factor is, behalve wanneer de wet van
de discriminerende drijfveer een verzwarende omstan-
digheid maakt. Met die formulering spelen de huidige
verzwarende omstandigheden van het Strafwetboek
mee en wordt een verzwarende factor toegevoegd voor
alle misdrijven die niet gepaard gaan met een discrimi-
nerende drijfveer.
De ontwerptekst breidt derhalve de verzwarende
factoren die verband houden met het discriminerende
drijfveer, dat de wet van 21 maart 2022 in boek 2 van
het strafwetboek heeft ingevoerd, uit tot alle strafbare
feiten. Dit betekent dat voor zedendelinquenten twee
verzwarende factoren met dezelfde draagwijdte zullen
gelden. Deze specifieke bepalingen zullen met het nieuwe
wetboek van strafrecht worden afgeschaft.
De discriminatiegronden stemmen overeen met de
beschermde criteria opgenomen in de drie antidiscrimi-
natiewetten, meer bepaald de wet van 30 juli 1981 tot
bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie
ingegeven daden, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding
van discriminatie tussen vrouwen en mannen, en de wet
van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen
van discriminatie.
Het criterium “geslacht” dient geïnterpreteerd te
worden in overeenstemming met artikel 4 van de wet
van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen
vrouwen en mannen.
Er worden vier aanpassingen aangebracht met be-
trekking tot de discriminatiegronden.
Vooreerst wordt benadrukt dat het medisch verleden
van de persoon onder de discriminatiegronden valt. Dit
was reeds de bedoeling van de wetgever bij de introductie
van het criterium “huidige of toekomstige gezondheids-
toestand” (D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK,
Handboek discriminatierecht, Mechelen, Kluwer, 2005,
462, nr. 1166 onder verwijzing naar Parl.St. Senaat 2001-
02, nr. 2-12/15, 122), maar in een strafrechtelijke context,
waarin de wet strikt wordt geïnterpreteerd, kan de huidige
tekst niet volstaan en dringt een andere formulering zich
op. Daarom wordt ervoor gekozen om te spreken van
“gezondheidstoestand”, die zowel betrekking heeft op het
verleden, het heden als de toekomst. Dit stemt overigens
discriminatoire constitue un facteur aggravant pour
toutes les infractions. Étant donné que la nouvelle dis-
position se trouvera dans le livre premier du Code pénal,
elle s’appliquera aux infractions rassemblées dans le
livre 2 du Code pénal ainsi qu’aux infractions intégrées
dans les lois particulières.
La nouvelle disposition précise que le motif discrimi-
natoire de l’auteur est un facteur aggravant pour toutes
les infractions sauf dans les cas où la loi fait du mobile
discriminatoire une circonstance aggravante. Avec cette
formulation, on laisse jouer les circonstances aggra-
vantes actuelles du Code pénal et on ajoute un facteur
aggravant pour toutes les infractions qui ne sont pas
assorties d’un mobile discriminatoire.
Le projet de texte étend donc les facteurs aggravants
liés au mobile discriminatoire, que la loi du 21 mars 2022 a
introduit dans le livre 2 du Code pénal, à toutes les
infractions pénales. Ce qui signifie que deux disposi-
tions relatives aux facteurs aggravants ayant la même
portée s’appliqueront aux délinquants sexuels. Ces
dispositions particulières seront supprimées avec le
nouveau Code pénal.
Les motifs de discrimination correspondent aux critères
protégés repris dans les trois lois anti-discrimination, à
savoir la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer cer-
tains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie,
la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la dis-
crimination entre les femmes et les hommes et la loi
du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes
de discrimination.
Le critère “sexe” doit être interprété conformément à
l’article 4 de la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre
la discrimination entre les femmes et les hommes.
Quatre adaptations sont apportées concernant les
motifs de discrimination.
Tout d’abord, il est souligné que les antécédents
médicaux de la personne relèvent des motifs de dis-
crimination. Telle était déjà l’intention du législateur
lors de l’introduction du critère “état de santé actuel ou
futur” (Voir D. DE PRINS, S. SOTTIAUX en J. VRIELINK,
Handboek discriminatierecht, Malines, Kluwer, 2005,
462, nr. 1166 sur référence au Parl.St. Senat 2001-02,
n° 2-12/15, 122), mais dans un contexte pénal dans lequel
la loi est interprétée strictement, le texte actuel ne suffit
plus et une formulation différente s’impose. C’est pourquoi
l’on choisit de parler de l’“état de santé” qui porte tant
sur le passé, le présent que le futur. Cela correspond
d’ailleurs à la notion utilisée à l’article 3, § 1er, de l’accord
2774/001
DOC 55
22
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
overeen met het begrip gehanteerd in artikel 3, § 1 van
het Samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013 tussen de
federale overheid, de Gewesten en de Gemeenschappen
voor de oprichting van het interfederaal Centrum voor
gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme
onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling
zoals bedoeld in artikel 92bis van de bijzondere wet
van 8 augustus 1980 (Belgisch Staatsblad 5 maart 2014)
en komt tegemoet aan een aanbeveling van Unia en de
Evaluatiecommissie federale wetgeving ter bestrijding van
discriminatie (Evaluatierapport Unia van februari 2017,
aanbeveling 9, https://www.unia.be/files/Documenten
/Publicaties_docs/Evaluatie_Antidiscriminatie-_en_
Antiracismewet_2017.pdf; EVALUATIECOMMISSIE
FEDERALE WETGEVING TER BESTRIJDING VAN
DISCRIMINATIE, Eerste evaluatierapport, 2017,
p. 48, nr. 121, https://www.unia.be/files/Documenten/
Aanbevelingen-advies/Evaluatiecommissie_federale_wet-
geving_ter_bestrijding_van_discriminatie.pdf).
Verder wordt het bijvoeglijk naamwoord “zogenaamde”
toegevoegd aan het beschermd kenmerk “geslachtver-
andering”. Immers, de medische en LGBTQI+-wereld
spreekt niet langer van een geslachtsverandering, maar
wel van een geslachts- of genderbevestigende ingreep,
of van een medische of sociale transitie, om te duiden
dat het uiterlijk van een persoon wordt gewijzigd om het
in overeenstemming te brengen met de genderidentiteit.
Omwille van legistieke samenhang wordt alsnog de
term “geslachtsverandering” gehanteerd. De toevoeging
van het bijvoeglijk naamwoord “zogenaamde” duidt er
op dat het woord niet langer wordt ondersteund door
de LGBTQI+-gemeenschap of wetenschappelijk wordt
onderschreven.
Het criterium “sociale afkomst” wordt uitgebreid
tot “sociale afkomst en positie”. Hiermee wordt tege-
moetgekomen aan een aanbeveling van Unia en de
Evaluatiecommissie federale wetgeving ter bestrijding van
discriminatie (Evaluatierapport Unia van februari 2017,
aanbeveling 8, https://www.unia.be/files/Documenten
/Publicaties_docs/Evaluatie_Antidiscriminatie-_en_
Antiracismewet_2017.pdf; EVALUATIECOMMISSIE
FEDERALE WETGEVING TER BESTRIJDING VAN
DISCRIMINATIE, Eerste evaluatierapport, 2017,
p. 48, nr. 121, https://www.unia.be/files/Documenten/
Aanbevelingen-advies/Evaluatiecommissie_federale_
wetgeving_ter_bestrijding_van_discriminatie.pdf). Dit
aangezien er momenteel onduidelijkheid zou kunnen
bestaan over de invulling van het criterium “sociale
afkomst”. Door deze uitbreiding zou het duidelijk zijn
dat zowel personen gedomicilieerd in bepaalde wijken
(= sociale afkomst) als personen met een gerechtelijk
verleden, dakloze personen en werklozen (= sociale
positie) bedoeld worden.
de coopération du 12 juin 2013 entre l’autorité fédérale,
les Régions et les Communautés visant à créer un Centre
interfédéral pour l’égalité des chances et la lutte contre
le racisme et les discriminations sous la forme d’une
institution commune au sens de l’article 92bis de la loi
spéciale du 8 août 1980 (Moniteur Belge 5 mars 2014) et
rencontre la recommandation d’Unia et de la Commission
d’évaluation de la législation fédérale relative à la lutte
contre les discriminations (Rapport d’évaluation Unia
de février 2017, recommandation 9 https://www.unia
.be/files/Documenten/Publicaties_docs/Evaluation_2e_
version_LAR_LAD_Unia_PDF_(Francophone).pdf;
COMMISSION D’EVALUATION DE LA LEGISLATION
FEDERALE RELATIVE A LA LUTTE CONTRE LES
DISCRIMINATIONS, premier rapport d’évaluation, 2017,
p. 48, nr. 121).
Ensuite, l’adjectif “prétendu” est ajouté au critère
protégé “changement de sexe”. Le monde médical et
LGBTQI+ ne parle plus de changement de sexe, mais
de chirurgie d’affirmation du sexe ou du genre, ou de
transition médicale ou sociale, pour indiquer que l’appa-
rence d’une personne est modifiée pour correspondre
à son identité de genre. Pour des raisons de cohérence
juridique, le terme “changement de sexe” est toujours
utilisé. L’ajout de l’adjectif “prétendu” indique que le
mot n’est plus soutenu par la communauté LGBTQI+
ni approuvé scientifiquement.
Enfin, le critère d’“origine sociale” est étendu au critère
“origine et condition sociales”. On répond ainsi à une
recommandation formulée par Unia et par la Commission
d’évaluation de la législation fédérale relative à la lutte
contre les discriminations (Rapport d’évaluation Unia
de février 2017, recommandation 8 https://www.unia
.be/files/Documenten/Publicaties_docs/Evaluation_2e_
version_LAR_LAD_Unia_PDF_(Francophone).pdf;
COMMISSION D’EVALUATION DE LA LEGISLATION
FEDERALE RELATIVE A LA LUTTE CONTRE LES
DISCRIMINATIONS, premier rapport d’évaluation, 2017,
p. 48, nr. 121). Ce, parce qu’il pourrait exister actuelle-
ment une certaine ambiguïté quant à l’interprétation du
critère d’“origine sociale”. Par cette extension, il serait
évident que tant les personnes domiciliées dans certains
quartiers (= origine sociale) que les personnes ayant
un passé judiciaire, les sans-abri et les demandeurs
d’emploi (= condition sociale), sont visées.
23
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Tot slot worden de discriminatiegronden moeder-
schap, vaderschap en mee-moederschap en adoptie,
die beschermd worden in de wet van 10 mei 2007 ter
bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en man-
nen, samengebracht onder het inclusieve koepelbegrip
“ouderschap”.
Het kenmerk waarop de haat, het misprijzen of de
vijandigheid gebaseerd is, dient niet noodzakelijk daad-
werkelijk aanwezig te zijn in hoofde van het slachtoffer;
het feit dat de dader meende dat een slachtoffer een
bepaald kenmerk had dat de basis was voor zijn haat,
misprijzen of vijandigheid volstaat.
Misprijzen moet geïnterpreteerd worden als “hypo-
theses waarbij een persoon als niet achtenswaardig
(…) wordt beschouwd” (Parl.St., Kamer, 2013-2014,
DOC 53-3297/001, p. 7).
Bovendien wordt het toepassingsgebied van deze
verzwarende omstandigheid uitgebreid naar feiten
waarbij een van de drijfveren van de dader erin bestaat
dat het slachtoffer een band (of vermeende band) heeft
met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprij-
zen of vijandigheid koestert wegens een of meer van
de opgesomde discriminatiegronden (de zogeheten
“discriminatie door associatie”).
Ten slotte maakt de ontworpen bepaling het mo-
gelijk om meervoudige discriminatie te identificeren.
Dat is de situatie waarin een persoon wordt geviseerd
op verschillende van de in deze bepaling vermelde
discriminatiegronden.
Deze nieuwigheden hebben slechts betrekking op
de verzwarende factoren. Met de hervorming van het
Strafwetboek zullen deze wijzigingen worden uitgebreid
naar de verzwarende bestanddelen en de verzwarende
omstandigheden.
In het huidige wetboek van strafrecht, in de arti-
kelen 405quater, 422quater, 438bis, 442ter, 453bis,
514bis, 525bis, 532bis en 534quater, waarin het dis-
criminerende motief als verzwarende omstandigheid
is opgenomen, wordt de definitie dienovereenkomstig
aangepast (artikelen 23 en 24).
Artikel 24 bevatte een referentie naar arti-
kel 377bis, maar zoals de Raad van State in haar ad-
vies met nr. 71 320/1-2-3-4 inzake hoofdstuk 4 van
het wetsontwerp onderstreept, is deze bepaling
op 1 juni 2022 opgeheven door de inwerkingtreding van de
wet van 21 maart 2022. Ze is dus van de lijst geschrapt.
Door deze wijziging zijn de artikelen 23 en 24 van het
wetsontwerp omgewisseld.
Enfin, les motifs de discrimination que sont la mater-
nité, la paternité et la co-maternité et l’adoption, qui sont
protégés par la loi du 10 mai 2007 relative à la lutte contre
la discrimination entre les femmes et les hommes, sont
regroupés sous le terme générique de “parentalité”.
La caractéristique donnant lieu à la haine, au mépris
ou à l’hostilité ne doit pas nécessairement être présente
dans le chef de la victime; le fait que l’auteur pensait
qu’une victime présentait une caractéristique donnée
qui est à l’origine de sa haine, de son mépris ou de son
hostilité suffit.
Le mépris doit être interprété comme “des hypothèses
où une personne est considérée comme indigne d’estime
(…)” (Doc.parl. Chambre, 2013-2014, DOC 53-3297/001,
p.7).
De plus, le champ d’application de cette circonstance
aggravante est élargi aux faits dans lesquels l’un des
mobiles de l’auteur réside dans le fait que la victime
a un lien (ou un lien présumé) avec une personne à
l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité en raison d’un ou de plusieurs des motifs de
discrimination énumérés (surnommée la “discrimination
par association”).
Enfin, la disposition en projet permet d’identifier une
discrimination multiple. C’est la situation dans laquelle
une personne est visée par différentes causes de dis-
crimination mentionnées dans cette disposition.
Ces nouveautés ne concernent que les facteurs
aggravants. Ces changements seront étendus tant aux
éléments aggravants qu’aux circonstances aggravantes
avec la réforme du Code pénal.
Dans le Code pénal actuel, aux articles 405quater,
422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis, 525bis, 532bis
et 534quater, qui prévoient le motif discriminatoire comme
circonstance aggravante, la définition est adaptée en
conséquence (articles 23 et 24).
L’article 24 comportait une référence à l’article 377bis.
Mais comme le souligne le Conseil d’État dans son avis
au n° 71 320/1-2-3-4 portant sur le chapitre 4 du projet de
loi, cette disposition a été abrogée le 1er juin 2022 avec
l’entrée en vigueur de la loi du 21 mars 2022. Elle a donc
été supprimée de la liste. Du fait de cette modification,
les articles 23 et 24 du projet de loi ont été permutés.
2774/001
DOC 55
24
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 25
Dit artikel wijzigt het artikel 442/1, § 2, van het
Strafwetboek.
Na de vernietiging van artikel 12 van de wet van 18 ok-
tober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendrin-
gen in, bezetten van of verblijven in andermans goed
door het arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof
van 12 maart 2020, wordt de verwijzing naar voormeld
artikel 12 hersteld.
HOOFDSTUK 5
Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 26
Artikel 29 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van
verschillende bepalingen met het oog op de oprichting
van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen
en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd
vertalers, tolken en vertalers-tolken werd gewijzigd door
artikel 10 van de wet van 20 december 2020 houdende
diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie
in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het
coronavirus COVID-19.
Met deze wetswijziging wordt de einddatum om te
voldoen aan alle voorwaarden voor definitieve opname
in het Nationaal Register met 1 jaar verlengd, namelijk,
tot 1 december 2022.
Artikel 555/13, § 2, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek
voorziet echter nog dat de minister van Justitie of de door
hem gemachtigde ambtenaar een vrijstelling voor de in
artikel 555/13, § 1, 2°, bedoelde voorwaarde kan verlenen
aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of
vertaler-tolk, die voor 1 december 2016 gedurende een
ononderbroken periode van vijftien jaar de activiteit van
gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-
tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende
heeft bijgeschoold.
De periode van 1 december 2001 tot 1 decem-
ber 2016 om vrijgesteld te worden van juridische opleiding
op basis van 15 jaar beroepservaring is dus ongewijzigd
gebleven. Diegenen die op dit ogenblik 15 werkervaring
hebben, doch niet vanaf 2001, zijn bijgevolg benadeeld.
Door deze wetswijziging wordt daaraan geremedieerd.
Er wordt voorzien dat de berekening van de referen-
tieperiode van 15 jaar gebeurt in functie van de datum
van de aanvraag.
Art. 25
Cet article modifie l’article 442/1, § 2, du Code pénal.
À la suite de l’annulation de l’article 12 de la loi
du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occu-
pation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui
par l’arrêt n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle
du 12 mars 2020, la référence à l’article 12 précité est
rétablie.
CHAPITRE 5
Modification du Code judiciaire
Art. 26
L’article 29 de la loi modifiant diverses dispositions en
vue d’établir un registre national des experts judiciaires
et établissant un registre national des traducteurs, inter-
prètes et traducteurs-interprètes jurés a été modifiée
par l’article 10 de la loi du 20 décembre 2020 portant
des dispositions diverses temporaires et structurelles
en matière de justice dans le cadre de la lutte contre la
propagation du coronavirus COVID-19.
Avec cette modification législative, la date définitive
pour remplir les conditions relatives à l’inscription défi-
nitive dans le Registre National a été prolongée d’un
an, c’est-à-dire jusqu’au 1er décembre 2022.
L’article 555/13, § 2, alinéa 2, Code Judiciaire prévoit
toutefois encore que le ministre de la Justice ou le fonc-
tionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de
la condition visée à l’article 555/13, § 1er, 2°, à l’expert
judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-in-
terprète juré qui, avant le 1er décembre 2016, a exercé
durant une période ininterrompue de quinze ans l’activité
d’expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou tra-
ducteur-interprète juré et qui s’est suffisamment formé
durant cette période.
La période du 1er décembre 2001 jusqu’au 1er dé-
cembre 2016 pour être dispensé de la formation juridique
sur base de 15 ans d’expérience professionnelle est donc
restée inchangée. Ceux qui ont actuellement 15 ans
d’expérience professionnelle, mais pas depuis 2001,
sont donc désavantagés.
Cette modification législative y remédiera. Il est prévu
que le calcul de la période de référence de 15 ans se
fait en fonction de la date de la demande.
25
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 27
Dit artikel voegt de grondwetsconforme interpretatie van
overweging B.25.1 van het arrest van het Grondwettelijk
Hof nr. 39/2020 van 12 maart 2020 (overweging B.25.1 en
B.25.2) expliciet in, in de wettekst van artikel 1344octies
Ger.W.
Dit is een explicitering van de parlementaire voorberei-
ding van de wet van 18 maart 2017 (Parl. St., Kamer, 2016-
2017, DOC 54-1008/007, p. 18; zie ook GwH nr. 39/2020,
overweging B.24.2).
Het bevestigt de principes over het eenzijdig verzoek-
schrift. Gelet op het feit dat een eventuele tegenpartij
in het geschil haar rechten van verdediging niet kan
uitoefenen in de eerste fase van de eenzijdige rechts-
pleging, moet het gebruik van de procedure op eenzijdig
verzoekschrift beperkt worden tot de gevallen die de wet
bepaalt, en de gevallen van volstrekte noodzakelijkheid
waaronder deze waarin de tegenpartij niet bekend is
(Cass. 25 februari 1999, A.R. C960409N, Arr.Cass. 1999,
279; P&B 1999, 94, noot H. BOULARBAH, “L’absence
de partie adverse ou l’impossibilité d’identifier celle-ci,
conditions de l’introduction de la demande par voie de
requête unilatérale”).
Art. 28
In het bepaalde onder punt 1° wordt met de voorge-
stelde wijziging een betere omschrijving van de opdracht
van de Federale Bemiddelingscommissie beoogd voor
wat betreft de bepaling van de inhoud van de theoretische
en praktische opleidingen die moeten worden gevolgd
door de bemiddelaars die een erkenning wensen te
verkrijgen.
Er moet worden opgemerkt dat de oorspronkelijke
tekst van artikel 1727 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals
ingevoegd bij de wet van 21 februari 2005, de Federale
commissie de bevoegdheid verleende om “de criteria voor
de erkenning van de bemiddelaars” te bepalen en om de
bemiddelaars en de opleidingsinstanties te erkennen.
Bij de hervorming door de wet van 18 juni 2018 werd
de bevoegdheid van de commissie op het stuk van de
erkenning van de bemiddelaars verduidelijkt, aangezien
de tekst haar voortaan ertoe machtigt “de minimumpro-
gramma’s inzake theoretische en praktische opleiding
[te] bepalen, evenals de evaluaties met het oog op het
afleveren van een erkenning en de erkenningsprocedure”.
De verwijzing naar “programma’s” kon tot enige on-
duidelijkheid leiden.
Art. 27
Cet article insère explicitement l’interprétation conforme
à la Constitution du considérant B.25.1 de l’arrêt de
la Cour constitutionnelle n° 39/2020 du 12 mars 2020
(considérations B.25.1 et B.25.2) dans le texte légal de
l’article 1344octies, du Code judiciaire.
Il s’agit d’une explicitation des travaux parlementaires
préparatoires de la loi du 18 mars 2017 (Doc. parl.,
Chambre, 2016-2017, DOC 54-1008/007, p. 18; voir
également Cour const. n° 39/2020, considérant B 24.2.).
Il confirme les principes relatifs à la requête unilaté-
rale. Étant donné qu’une éventuelle partie adverse au
litige ne peut exercer ses droits de la défense dans la
première phase de la procédure unilatérale, le recours à
la procédure sur requête unilatérale doit être limité aux
cas prévus par la loi et aux cas d’absolue nécessité,
parmi lesquels ceux où partie adverse est inconnue
(Cass.25 février 1999 , R.G. C960409N, Arr.Cass.1999,
279; P&B 1999, 94, note H. BOULARBAH, “L’absence
de partie adverse ou l “impossibilité de vérifier celle-ci,
conditions de dépôt de la demande par voie de requête
unilatérale”).
Art. 28
Au point 1°, la modification proposée vise à mieux
circonscrire la mission de la Commission fédérale de
médiation en ce qui concerne la détermination du contenu
des formations théoriques et pratiques devant être suivis
par les médiateurs qui souhaitent obtenir un agrément.
Rappelons que le texte initial de l’article 1727 du Code
judiciaire, tel qu’inséré par la loi du 21 février 2005, donnait
compétence à la Commission fédérale pour déterminer
“les critères d’agrément des médiateurs” et pour agréer
les médiateurs et les instances de formation. Lors de
la réforme intervenue par la loi du 18 juin 2018, la com-
pétence de la commission en matière d’agrément des
médiateurs a été précisée, le texte l’habilitant désormais
à “déterminer les programmes minimaux de formation
théorique et pratique devant être suivis ainsi que les
évaluations en vue de la délivrance d’un agrément et
la procédure d’agrément”.
La référence faite à des “programmes” a pu entraîner
certaines confusions.
2774/001
DOC 55
26
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Sinds die laatste hervorming is er onduidelijkheid over
hoever de bevoegdheid van de Federale commissie, met
betrekking tot de inhoud van de opleidingsprogramma’s,
maar ook op het vlak van de concrete organisatie van
die programma’s reikt. Op vraag van verscheidene
opleidingsinstanties wordt dit verduidelijkt.
De bevoegdheid die door de wet aan de Federale
Bemiddelingscommissie is toegewezen, beoogt de pro-
fessionele competenties van de erkende bemiddelaars
en de kwaliteit van de processen die ze begeleiden te
waarborgen (zie art. 1726, 2°, Ger. W.), wat een van
de componenten vormt van het vertrouwen dat de bur-
gers moeten kunnen stellen in de door het Gerechtelijk
Wetboek erkende bemiddeling. Die bevoegdheid sluit
aan bij het streven van de wetgever om zich er voorts van
te vergewissen dat de opleidingsinstanties voldoende
waarborgen inzake degelijkheid en professionalisme
bieden, wat wordt beoogd door de aan de Commissie
verleende machtiging om die instanties te erkennen
en de voorwaarden voor die erkenning te bepalen. Er
kan uiteraard geen sprake zijn van het schrappen van
een dergelijke bevoegdheid, die noodzakelijk en van
wezenlijk belang is, aangezien het gaat om de opleiding
van professionals die rechtzoekenden zullen moeten
begeleiden in een proces dat de wettelijk erkende ge-
rechtelijke wegen omvat.
Bij de uitoefening van die wettelijke bevoegdheid moet
de tussenkomst van de Commissie evenwel evenredig
blijven met die doeleinden – het waarborgen van de
kwaliteit van de opleidingen en de verworven profes-
sionele competenties – zowel op het stuk van de keuze
van de te onderwijzen disciplines als op het stuk van
het preciseren van de eisen in verband met het daad-
werkelijke karakter van de evaluatieproeven over de
onderwezen materies.
Ook al behoort de Commissie dus een gemeenschap-
pelijke basis van te volgen programma’s vast te leggen,
zodat de zekerheid bestaat dat de door de erkende
instanties aangeboden opleidingen een bepaald kwali-
teitsniveau bereiken, mag ze niet verder gaan dan dat
en in de praktijk de vrijheid van de instanties om andere
inhoud aan te bieden of in bepaalde gevallen zelfs de
academische vrijheid schenden.
Aldus wordt, teneinde tegemoet te komen aan de
verzoeken van verscheidene opleidingsinstanties, met de
voorgestelde wijziging enkel een lichte wijziging van de
inhoud van het einde van de bepaling onder punt 2° van
artikel 1727, § 2 beoogd, door de bevoegdheid van de
Commissie te beperken voor wat de concrete organisatie
van de evaluaties betreft. Voor wat het bepalen van de
programma’s betreft, blijft de formulering waarvoor de
wetgever had geopteerd in 2018 behouden, omdat ze
Depuis cette dernière réforme, l’étendue de la com-
pétence de la Commission fédérale en lien avec le
contenu des programmes de formations, mais aussi
avec l’organisation concrète de ces programmes n’est
pas très claire. À la demande de plusieurs organismes
de formation, cela est clarifié.
La compétence dévolue par la loi à la Commission
fédérale de médiation tend à garantir compétences
professionnelles des médiateurs agréés et la qualité des
processus qu’ils accompagnent (voir art. 1726, 2°, C.
jud.), ce qui constitue l’un des vecteurs de la confiance
que les citoyens doivent pouvoir accorder à la média-
tion reconnue par le Code judiciaire. Cette compétence
rejoint la volonté du législateur de s’assurer par ailleurs
que les instances de formation présentent des garanties
suffisantes de sérieux et de professionnalisme, ce vers
quoi tend l’habilitation donnée à la Commission à les
agréer et à fixer les conditions de cet agrément. Il ne
peut bien entendu être question de supprimer pareille
compétence, essentielle et nécessaire s’agissant de
former des professionnels qui seront amenés à accom-
pagner les justiciables dans un processus qui intègre
les voies de justice reconnues par la loi.
Dans l’exercice de cette compétence légale, l’inter-
vention de la Commission doit cependant demeurer
proportionnée à ces finalités – de garantir la qualité
des formations et des compétences professionnelles
acquises – tant en ce qui concerne le choix des disciplines
à enseigner que dans la précision des exigences liées
à l’effectivité d’épreuves d’évaluation sur les matières
enseignées.
Ainsi, s’il revient à la Commission de déterminer un
socle commun de programmes à suivre pour s’assurer
que les formations proposées par les instances agréées
atteignent un niveau établi de qualité, elle ne peut aller
au-delà et, dans les faits, porter atteinte à la liberté des
instances de proposer d’autres contenus, voire la liberté
académique dans certains cas.
Ainsi, en vue de répondre aux différentes demandes
exprimées par diverses instances de formation, la modi-
fication proposée vise uniquement à modifier légèrement
le contenu du la fin du point 2° de l’article 1727, § 2,
en limitant la compétence de la Commission en ce qui
concerne l’organisation concrète des évaluations. En
ce qui concerne la détermination des programmes, le
libellé choisi par le législateur de 2018 est maintenu
car il permet à la Commission de déterminer un socle
27
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de Commissie de mogelijkheid biedt een minimale basis
van kennis en competenties vast te stellen die van de
bemiddelaars moeten worden verwacht en deel moeten
uitmaken van een opleidingsprogramma om toegang
te geven tot een erkenning van de bemiddelaar, zulks
teneinde de kwaliteit van het beroep te waarborgen.
Zoals hierboven vermeld, moet echter worden benadrukt
dat de Commissie geen volledig programma behoort
te bepalen dat op volledig eenvormige wijze door alle
instanties zou moeten worden uitgevoerd. Dit lijkt niet
wenselijk, omdat de meerwaarde die een divers aan-
bod aan opleidingen, aangeboden door instanties met
verschillende profielen en expertise, kan bieden, moet
worden gevrijwaard. De beoordelingsbevoegdheid
waarover de Commissie beschikt bij de erkenning van
de opleidingsinstanties wordt voornamelijk uitgeoefend
bij de controle van het bestaan van waarborgen inzake
degelijkheid en professionalisme, maar ook inzake de
kwaliteitsgarantie van de inhoud van de opleidingen.
In de bepaling onder punt 2° wordt met de voorgestelde
wijziging eenvoudigweg beoogd rekening te houden met
de wijziging in de bepaling onder punt 1° waardoor een
deel van de huidige inhoud van punt 2° van artikel 1727,
tweede lid moet worden overgebracht naar een nieuw
punt 2°/1 waarin de bevoegdheid van de Commissie om
“de voorwaarden en de procedure voor de erkenning
van bemiddelaars te bepalen;” wordt bevestigd.
Het bepaalde onder punt 3° omvat een loutere toe-
voeging dat de bemiddelaars op de door de Federale
Bemiddelingscommissie verspreide lijst moeten worden
gerangschikt naargelang hun bijzondere domeinen van
de bemiddelingspraktijk. Dat zal met name het werk
vergemakkelijken van de rechter die een bemiddelaar
moet aanwijzen.
Art. 29
De voorgestelde wijziging moet een oplossing bieden
voor een zeer praktisch probleem dat door de Federale
bemiddelingscommissie te berde is gebracht, en dat
verband houdt met de duur van de voorzitterschappen.
De algemene vergadering wijst immers een voorzit-
ter en een ondervoorzitter aan onder de leden van het
bureau. De algemene vergadering kan pas overgaan
tot die aanwijzing wanneer zij rechtsgeldig gevormd
is, dat wil zeggen wanneer de leden van het bureau
benoemd zijn door de minister op voordracht van de
instanties bedoeld in artikel 1727/2, § 1, vierde lid, van
het Gerechtelijk Wetboek, en wanneer de leden van
de vaste commissies eveneens benoemd zijn door de
minister op voordracht van het bureau. Dit betekent dat
zij de voorzitter van het bureau (en dus van de Federale
minimal de connaissances et compétences devant être
attendues des médiateurs et devant figurer dans un
programme de formation pour ouvrir à un agrément du
médiateur et ce, afin d’assurer la qualité de la profession.
Mais, comme mentionné ci-dessus, il faut souligner qu’il
n’appartient pas à la Commission de déterminer un
programme complet qui serait à mettre en œuvre par
toutes les instances de façon totalement uniformisée.
Cela ne semble pas souhaitable car il faut préserver
la plus-value que peut avoir la diversité d’une offre de
formations, proposés par des instances aux profils et
expertises différents. Le pouvoir d’appréciation dont
jouit la Commission au moment d’agréer les instances
de formation s’exerce avant tout dans la vérification de
l’existence de garanties de sérieux et de professionna-
lisme, mais aussi d’assurance qualité de leurs contenus.
Au point 2°, la modification proposée vise simplement
à tenir compte, de la modification au point 1° qui impose
de reporter une partie de l’actuel contenu du point 2°
de l’article 1727, alinéa 2 dans un nouveau point 2°/1,
confirmant la compétence de la Commission pour “déter-
miner les conditions et la procédure d’agrément des
médiateurs;”.
Le point 3 ajoute simplement que la liste de médiateurs
diffusée par la Commission fédérale de médiation doit
classer les médiateurs en fonction de leurs domaines
particuliers de pratique de la médiation. Cela simplifiera
notamment le travail du juge chargé de désigner un
médiateur.
Art. 29
La modification proposée vise à remédier à un pro-
blème très pratique exprimé par la commission fédérale
de médiation concernant la durée des présidences.
En effet, l’assemblée générale désigne parmi les
membres du bureau un président et un vice-président.
L’assemblée générale ne peut procéder à cette dési-
gnation que lorsqu’elle est valablement formée c’est-
à-dire lorsque les membres du bureau ont été nommés
par le ministre sur proposition des instances visées
à l’article 1727/2, § 1er, alinéa 4 du Code judiciaire et
lorsque les membres des commissions permanentes
ont également été nommés par le ministre sur proposi-
tion du bureau. Ainsi ce n’est que lorsque les membres
du bureau et des commissions ont été nommés que
2774/001
DOC 55
28
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Bemiddelingscommissie) pas kan aanwijzen wanneer
de leden van het bureau en van de commissies zijn
benoemd. Er dient te worden op gewezen dat de duur
van het mandaat van de leden van het bureau vier jaar
bedraagt, en de duur van het mandaat van voorzitter
twee jaar, volgens de huidige regeling. Het spreekt van-
zelf dat de benoemingsprocedure ietwat tijd in beslag
neemt en dat er een tijdspanne van enkele maanden
kan verstrijken tussen het moment van aanvang van de
mandaten van de leden van het bureau en de aanwijzing
van de voorzitter. Bijgevolg kunnen bij de benoeming
van de voorzitter reeds enkele maanden verstreken
zijn. Indien de duur van het voorzitterschap twee jaar
bedraagt, zal het daaropvolgende voorzitterschap met
enkele maanden ingekort zijn vermits het mandaat van lid
van het bureau zal aflopen, hetgeen niet billijk is ten
aanzien van degene die tot voorzitter wordt benoemd
voor de volgende periode. Om die reden wordt voorge-
steld om de verwijzing naar “twee jaar” te schrappen
en haar te vervangen door een soepelere en duidelijker
formulering, overeenkomstig het advies van de Raad
van State (nr. 71 320/1-2-3-4) Er wordt bepaald dat de
algemene vergadering ervoor moet zorgen dat de duur
van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is
op het moment van aanwijzing van de eerste voorzitter.
Dat betekent concreet dat de algemene vergadering, bij
de aanwijzing van de “eerste” voorzitter, een berekening
moet maken van het aantal resterende maanden tot het
einde van de mandaten van de leden van het bureau,
en die periode op billijke wijze moet opdelen in aan-
tal maanden tussen beide voorzitterschappen.
In antwoord op de opmerking van de Raad van State
over de beoordeling van de hoedanigheid van “Franstalig”
of “Nederlandstalig” voor de toepassing van de betrok-
ken bepalingen, wijzen wij er bovendien op dat het
gaat om de woordelijke overname van de formulering
in de wet van 18 juni 2018, die zelf niet meer was dan
een “copy and paste” van een bepaling van de wet
van 21 februari 2005. Aangezien het hier gaat om be-
palingen betreffende de ambtstermijn van de voorzitters
en ondervoorzitters van de verschillende commissies,
zij erop gewezen dat laatstgenoemden worden gekozen
uit de leden van het bureau. De leden van het bureau
worden zelf voorgedragen door de beroepsorganisaties
(advocaten, notarissen, enz.), die verantwoordelijk zijn
voor het vaststellen van de criteria aan de hand waarvan
wordt beoordeeld of iemand Frans- of Nederlandstalig is.
Art. 30
De voorgestelde wijziging is louter technisch. Het
betreft de correctie van fouten in de kruisverwijzingen
naar bepaalde artikelen, die zijn gemaakt bij de aan-
neming van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse
l’assemblée générale peut désigner le président du
bureau (et donc de la commission fédérale de médiation).
Il faut rappeler que la durée du mandat des membres
du bureau est de 4 ans et que la durée du mandat de
président est de 2 ans selon le régime actuel. Il va de
soi que le processus de nomination prend un peu de
temps et qu’entre le moment du début des mandats des
membres du bureau et de la désignation du président, il
peut se passer quelques mois. En conséquence, lors de
la nomination du président il se peut que plusieurs mois
se soient passés. Si la durée de la présidence est de
deux ans, la présidence suivante sera écourtée de
quelques mois car le mandat de membre du bureau
prendra fin, ce qui n’est pas équitable pour celui qui
est nommé président pour la seconde période. C’est
la raison pour laquelle il est proposé de supprimer la
référence à “deux ans” et de la remplacer par un libellé
plus souple et clair, conformément à l’avis du Conseil
d’État (n° 71 320/1-2-3-4). Il est énoncé que l’assemblée
générale veille à ce que la durée de présidences soit
équitable en nombre de mois au moment de la désignation
du premier président. Ce qui signifie concrètement que
lors de la désignation du “premier” président, l’assemblée
générale calculera le nombre de mois restants jusqu’à
la fin des mandats des membres du bureau et partagera
équitablement cette période en nombre de mois entre
les deux présidences.
Par ailleurs, en réponse à la remarque du Conseil
d’État concernant l’appréciation de la qualité de “fran-
cophone” ou de “néerlandophone” pour l’application des
dispositions en projet, nous rappelons qu’il s’agit ici de
la reprise mot pour mot de la formulation existant dans la
loi du 18 juin 2018, qui elle-même n’était qu’un “copier-
coller” d’une disposition de la loi du 21 février 2005.
S’agissant en l’espèce de dispositions portant sur les
mandats de présidents et de vice-présidents des diffé-
rentes commissions, il faut noter que ces derniers sont
choisis parmi les membres du bureau. Les membres du
bureau sont eux-mêmes proposés par les organismes
professionnels (avocats, notaires, etc…) à qui il revient
de déterminer les critères d’appréciation de la qualité
de francophone ou néerlandophone.
Art. 30
La modification proposée est d’ordre purement tech-
nique. Il s’agit de corriger les erreurs de renvois à cer-
tains articles, commises lors de l’adoption de la loi
du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière
29
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met
het oog op de bevordering van alternatieve vormen van
geschillenoplossing.
Art. 31
Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd een
leemte op te vullen met betrekking tot de vervanging
tijdens de ambtstermijn van een lid van de commissie
voor de erkenning van Belgische en buitenlandse be-
middelaars en van de commissie voor de erkenning van
opleidingen en het toezicht op de permanente vorming
van de Federale Bemiddelingscommissie.
De wet van 18 juni 2018 bepaalt immers niets over de
vervanging van een lid tijdens zijn ambtstermijn na een
ontslag of een gemotiveerde beslissing van de minister.
De in 2018 ingestelde vrij lange procedure voor de
benoeming van de leden van de commissies, waarbij
het bureau een lijst van 25 kandidaten moet opstellen,
gerangschikt in volgorde van voorkeur, is gerechtvaardigd
met het oog op de vernieuwing van de commissies aan
het einde van de ambtstermijn. Wanneer de ambtstermijn
van een lid echter voortijdig afloopt, is het van belang te
voorzien in een soepelere procedure om onverwijld een
nieuwe kandidaat te kunnen benoemen. Daarom wordt
voorgesteld dat het Bureau van de Federale bemidde-
lingscommissie een kandidaat kiest uit de lijst die voor
de vernieuwing van de commissie is opgesteld. Indien
op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, zal
de procedure worden gevolgd die normaliter voor de
vernieuwing van de commissies wordt gevolgd.
Ook wordt voorzien in de wijziging van het zesde lid
met betrekking tot de duur van het mandaat van de voor-
zitterschappen van de commissies. We verwijzen naar
de toelichting bij artikel 1727/2, § 3 van het Gerechtelijk
Wetboek.
Op technisch niveau worden het derde en zesde lid
van artikel 1727/4, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek
enigszins geherformuleerd om deze nieuwe procedure
in te voegen in geval van vervanging van een lid, maar
de in 2018 voorziene procedure in geval van vernieuwing
van de commissies wordt niet gewijzigd.
Art. 32
De voorgestelde wijzigingen verhelpen ook een aan-
tal tekortkomingen met betrekking tot de ambtstermijn
van de assessoren van de commissie voor de tucht-
regeling en de klachtenbehandeling van de Federale
de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges.
Art. 31
Les modifications proposées visent à combler une
lacune concernant le remplacement en cours de mandat
d’un membre de la commission pour l’agrément des
médiateurs belges et étrangers et de la commission
pour l’agrément des formations et le suivi de la forma-
tion continue de la Commission fédérale de médiation.
En effet, la loi du 18 juin 2018 n’a rien prévu concer-
nant le remplacement d’un membre en cours de mandat
à la suite d’une démission ou d’une décision motivée
du ministre.
La procédure assez longue mise en place en 2018 pour
la nomination des membres des commissions qui néces-
site la rédaction par le Bureau d’une liste de 25 candidats
classés par ordre de préférence se justifie pour le renou-
vellement des commissions à l’échéance des mandats.
Toutefois, lorsque le mandat d’un membre prend fin
prématurément, il importe de prévoir une procédure plus
souple qui permette de nommer un nouveau candidat
sans attendre. Dès lors, il est proposé que le Bureau de
la ommission fédérale de médiation choisisse un can-
didat dans la liste élaborée pour le renouvellement de
la commission. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant
ne peut être trouvé sur cette liste, la procédure utilisée
habituellement pour le renouvellement des commissions
sera suivie.
Il est également prévu de modifier l’alinéa 6 concernant
la durée du mandat des présidences des commissions.
Nous renvoyons au commentaire relatif à l’article 1727/2,
§ 3 du Code judiciaire.
Au niveau technique, les alinéas 3 à 6 de l’ar-
ticle 1727/4, § 1er, du Code judiciaire sont légèrement
remaniés pour insérer cette nouvelle procédure en cas
de remplacement d’un membre mais la procédure prévue
en 2018 en cas de renouvellement des commissions
n’est pas modifiée.
Art. 32
Les modifications proposées visent également à
combler quelques lacunes concernant le mandat des
assesseurs de la commission disciplinaire et de traitement
des plaintes de la Commission fédérale de médiation
2774/001
DOC 55
30
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bemiddelingscommissie en behelzen ook verbeterpunten
met betrekking tot bepaalde problemen uit de praktijk.
Het bepaalde onder punt 1° preciseert de duur van het
mandaat van de voorzitterschappen van de commissies.
We verwijzen naar de toelichting bij artikel 1727/2, § 3
van het Gerechtelijk Wetboek.
Het bepaalde onder punt 2° voorziet in bepalingen
betreffende de ambtstermijn van de assessoren.
Er is niet voorzien in een ambtstermijn, noch in een
procedure voor de vervanging van een lid tijdens zijn
ambtstermijn na ontslagneming of een met redenen
omkleed besluit van de minister. De ambtstermijn van
de assessoren bedraagt derhalve vier jaar, zoals ook
voor de leden van de andere commissies het geval is.
Indien het mandaat van een assessor voortijdig wordt
beëindigd, wordt bovendien voorgesteld hem te vervan-
gen volgens de procedure bedoeld in artikel 1727/5, § 1,
derde lid van het Gerechtelijk Wetboek.
De overige wijzigingen in het bepaalde onder de
punten 3° en 4° geven geen aanleiding tot opmerkin-
gen, aangezien het gaat om correcties van fouten in de
verwijzingen naar bepaalde artikelen.
Art. 33
Dit artikel beoogt verbetering aan te brengen in de
bepaling uit 2018, die tot tal van problemen in de praktijk
heeft geleid.
De wet van 2018 had vooropgesteld dat de rech-
ter bij voorkeur en bij toerbeurt een bemiddelaar zou
aanwijzen uit de lijst opgesteld door de Federale
Bemiddelingscommissie. Sommigen hebben hieraan
de betekenis gegeven dat de rechter een bemiddelaar
moest aanwijzen zonder rekening te houden met diens
specialisatie of activiteitendomein, door zich te houden
aan de volgorde op de lijst. Dat was niet de bedoeling,
ondanks de ongelukkige formulering, van de wetgever
in 2018. De bedoeling was in hoofdzaak te voorkomen
dat rechters steeds dezelfde bemiddelaars zouden be-
noemen, op basis van hun connecties. De voorgestelde
wijziging moet de rechter meer flexibiliteit geven, en
verduidelijkt dat hij een geschikte bemiddelaar moet
benoemen, naargelang de aard van het geschil, en
bij voorkeur op basis van een lijst opgesteld door de
Federale Bemiddelingscommissie.
et à proposer des améliorations à certains problèmes
rencontrés au niveau de la pratique.
Au point 1°, il s’agit de préciser la durée du mandat
des présidences des commissions. Nous renvoyons
au commentaire relatif à l’article 1727/2, § 3 du Code
judiciaire.
Le point 2° vise à prévoir des dispositions concernant
le mandat des assesseurs.
Aucune durée de mandat n’a été prévue, ni aucune
procédure lors du remplacement d’un membre en cours
de mandat à la suite de la démission de celui-ci ou d’une
décision motivée du ministre. Il est donc prévu une durée
de 4 ans pour les mandats d’assesseurs à l’instar de
celle existant pour les mandats de membres d’autres
commissions. En outre, lors de la fin prématurée du
mandat d’un assesseur, il est proposé de le remplacer
en suivant la procédure visée à l’article 1727/5, § 1er,
alinéa 3, du Code judiciaire.
Le reste des modifications aux points 3° et 4° n’appelle
pas de commentaires, s’agissant de corrections d’erreurs
de renvoi à certains articles.
Art. 33
Cet article vise à corriger la disposition adoptée
en 2018 qui a suscité de nombreux problèmes dans la
pratique.
La loi de 2018 avait préconisé que le juge désigne,
de préférence et à tour de rôle un médiateur figurant sur
la liste établie par la commission fédérale de médiation.
Certaines personnes l’ont interprétée comme signifiant
que le juge devait désigner un médiateur sans égard à sa
spécialité ou son domaine d’activité en suivant l’ordre de
la liste. Telle n’était pas l’intention, certes mal exprimée,
du législateur de 2018. L’intention était principalement
d’éviter que des juges nomment toujours les mêmes
médiateurs en fonction de leur accointance. La modifi-
cation proposée vise à donner plus de flexibilité au juge
et à préciser qu’il doit nommer un médiateur compétent
au regard de la nature du différend de préférence sur
la base d’une liste établie par la commission fédérale
de médiation.
31
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 6
Wijziging van de wet tot regeling
van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Art. 34
Dit artikel beoogt de correctie van een louter materiële
fout van een in 2019 aangenomen bepaling.
De wijziging beoogt immers de correctie van een
materiële fout in artikel 8, § 6, derde en vierde lid, die
is ingevoerd bij de wet van 5 mei 2019 tot wijziging
van de wet van 3 augustus 1983 tot regeling van een
Rijksregister van de natuurlijke personen. Het was de
bedoeling van de wetgever om leden van de justitie-
diensten een bevoegdheid te geven met betrekking
tot, enerzijds, het gebruik van informatiegegevens in
het Rijksregister en te voorzien in een sanctie in geval
van misbruik van deze bevoegdheid, en, anderzijds,
het gebruik van het Rijksregisternummer en eveneens
te voorzien in een sanctie in geval van misbruik. Een
dergelijke machtiging bestond reeds voor de leden van
de politiediensten en is opgenomen in artikel 5, § 3, en
artikel 8, § 6, leden 1 en 2.
Zo voorziet het nieuwe artikel 5, § 4, van de wet in
de mogelijkheid voor de justitiediensten om de via het
Rijksregister verkregen informatiegegevens te gebrui-
ken. Het nieuwe artikel 8, § 6, leden 3 en 4, moest
voorzien in de mogelijkheid voor de justitiediensten
om het Rijksregisternummer te gebruiken. Deze bepa-
ling bevat echter een materiële fout, aangezien zij een
woordelijke kopie betreft van de bepalingen in artikel 5,
§ 4, dat betrekking heeft op informatiegegevens uit het
Rijksregister en niet op het Rijksregisternummer.
Deze materiële fout moet derhalve worden gecorrigeerd
door de woorden “Rijksregister verkregen informatie-
gegevens” te vervangen door “Rijksregisternummer ”.
In zijn advies nr. 113/2022 van 3 juni 2022 vraagt de
Gegevensbeschermingsautoriteit om alsnog de precieze
doeleinden van de door de justitiële diensten voorziene
verwerking van het rijksregisternummer te preciseren. De
voorgestelde wetswijziging (nl herstel van een eerdere
materiële vergissing , wat de bestraffing van misbruik van
verwerking betreft) is voor de GBA geen probleem. Dit
eist dus geen aanpassing van de voorgestelde wijziging.
Het Openbaar Ministerie moet over deze gegevens
beschikken om partijen correct te kunnen dagvaarden.
CHAPITRE 6
Modification de la loi organisant un registre
national des personnes physiques
Art. 34
Cet article vise à corriger une erreur purement maté-
rielle contenue dans une disposition adoptée en 2019.
En effet, la modification vise à rectifier une erreur maté-
rielle figurant dans l’article 8 § 6 alinéas 3 et 4 introduites
par la loi du 5 mai 2019 modifiant la loi du 3 aout 1983 or-
ganisant un Registre national des personnes physiques.
L’intention du législateur était de donner une autorisation
aux services de justice en ce qui concerne l’utilisation,
d’une part, des informations du registre national et
prévoir une sanction en cas d’abus de ce pouvoir, et
l’utilisation d’autre part, du numéro de registre national
et prévoir une sanction en cas d’abus également. Une
telle autorisation existait déjà pour les membres des
services de police et est inscrite aux articles 5, § 3 et 8,
§ 6, alinéas 1 et 2.
Ainsi, le nouvel article 5, § 4 de la loi prévoit la possibi-
lité pour les services de justice d’utiliser les informations
obtenues du Registre national. Le nouvel article 8, § 6,
alinéas 3 et 4, était censé prévoir la possibilité pour les
services de justices d’utiliser le numéro du Registre
national. Toutefois, cette disposition comporte une
erreur matérielle en ce qu’elle est une copie textuelle
des dispositions de l’article 5, § 4, qui traite des données
d’information du Registre national et non du numéro de
registre national.
Il y a dès lors lieu de rectifier cette erreur matérielle en
remplaçant les mots “informations du Registre national”
par “numéro de registre national”.
Dans son avis nr. 113/2022 du 3 juin 2022, l’Autorité
de Protection des Données demande que les finalités
précises du traitement prévu du numéro de registre
national par les services judiciaires soient précisées.
La modification législative proposée (c’est-à-dire la
correction d’une erreur matérielle antérieure, en ce qui
concerne la sanction de l’abus de traitement) n’est pas
un problème pour l’APD. Cela ne nécessite donc aucun
ajustement de la modification proposée.
Le Ministère Public doit disposer de ces données pour
pouvoir convoquer correctement les parties.
2774/001
DOC 55
32
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 7
Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
Art. 35
Artikel 10 werd ingevoegd in het Wetboek van de
Belgische nationaliteit door de wet van 28 juni 1984 waar-
door dat wetboek werd ingevoerd. Sinds de redactie
ervan werd er slechts één technische wijziging aan
aangebracht door de wet van 27 december 2006.
De huidige bewoordingen van artikel 10 zijn dus de-
gene die in 1984 werden gebruikt door de wetgever en
doen helaas vragen rijzen, ten eerste met betrekking tot
de definitie van de term “staatloos” en ten tweede met
betrekking tot de rol van de administratieve of gerechte-
lijke instanties die moeten optreden in dat soort dossier.
De term “staatloos” die in artikel 10 van het wetboek
wordt gebruikt, moet worden begrepen als “geen andere
nationaliteit bezittend”, waarbij het niet noodzakelijk
is dat de persoon zijn status van staatloze heeft laten
erkennen door de familierechtbank. Het was nooit de
bedoeling van de wetgever om te vragen dat een vonnis
van staatloosheid zou worden gewezen ten aanzien van
het kind of zijn ouders.
De voorgestelde wijziging verandert dus niets aan
de inhoud van het artikel, maar heeft de verduidelijking
van dat punt tot doel.
Voorts staat de ambtenaar van de burgerlijke stand
vaak machteloos voor wat betreft de controle van die
voorwaarde dat men geen andere nationaliteit bezit.
Daarvoor moet namelijk de nationaliteit van de ouders
worden vastgesteld en moet worden nagegaan of het
kind in het licht van de buitenlandse wetgeving de na-
tionaliteit van zijn ouders kon toegekend krijgen. In
artikel 10 wordt niet verduidelijkt welke autoriteit ermee
belast is een advies ter zake te verstrekken.
In het kader van de toekenningen waarvoor de controle
van complexe voorwaarden is vereist, zoals bedoeld in
artikel 11bis, bepaalt het wetboek dat de procureur des
Konings een advies verstrekt over die toekenning.
In artikel 11bis van het wetboek wordt verduidelijkt
dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift
van het volledige dossier voor advies aan de procureur
des Konings van de rechtbank van eerste aanleg moet
zenden opdat die een negatief advies kan uitbrengen
inzake de toekenning van de Belgische nationaliteit
CHAPITRE 7
Modifications du Code de
la nationalité belge
Art. 35
L’article 10 a été inséré dans le Code de la nationalité
belge par la loi du 28 juin 1984 qui l’a institué. Depuis sa
rédaction, il n’a subi qu’une seule modification technique
par la loi du 27 décembre 2006.
Les termes actuels de l’article 10 sont donc ceux
utilisés par le législateur de 1984 et créent malheureu-
sement des interrogations, d’une part, sur la définition du
terme “apatride” et, d’autre part, sur le rôle des instances
administratives ou judiciaires amenées à intervenir dans
ce type de dossier.
Le terme “apatride” utilisé à l’article 10 du Code doit
s’entendre comme “ne possédant pas d’autre nationa-
lité”, sans qu’il soit nécessaire que la personne ait fait
reconnaitre son statut d’apatride devant le tribunal de
la famille. Il n’a jamais été dans l’esprit du législateur de
demander qu’un jugement d’apatridie soit rendu dans
le chef de l’enfant ou de ses parents.
La modification proposée ne change donc rien au fond
de l’article, mais a pour objectif de préciser ce point.
En outre, l’officier de l’état civil se retrouve souvent
démuni quant à la vérification de cette condition de ne pas
posséder d’autre nationalité. Cette question nécessite,
en effet, d’établir la nationalité des parents et de vérifier
si, au regard de la législation étrangère, l’enfant a pu se
voir attribuer la nationalité de ses parents. L’article 10 ne
précise pas quelle autorité est chargée de rendre un
avis sur ce point.
Dans le cadre des attributions qui nécessitent la véri-
fication de conditions complexes, telles celles prévues
à l’article 11bis, le Code prévoit que le procureur du Roi
rende un avis sur cette attribution.
L’article 11bis du Code précise que l’officier de l’état
civil doit transmettre, pour avis, une copie de l’intégralité
du dossier au procureur du Roi du tribunal de première
instance afin que celui-ci puisse émettre un avis négatif
sur l’attribution de la nationalité belge si la déclaration
vise un autre but que l’intérêt de l’enfant à se voir attribuer
33
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
indien de verklaring een ander oogmerk heeft dan het
belang van het kind om zich de Belgische nationaliteit
te zien toekennen of als de grondvoorwaarden, die hij
moet aanduiden, niet vervuld zijn.
In dat geval wordt de verplichting om het advies van
het parket te vragen verantwoord door de opmaak van
een akte van nationaliteit, wat niet het geval is bij de
toepassing van artikel 10 van het wetboek.
Teneinde de bevoegdheden van elke autoriteit in
het kader van de toepassing van artikel 10 van het
wetboek te verduidelijken, is het derhalve opportuun
om te voorzien in een mogelijkheid voor de ambtenaar
van de burgerlijke stand om de procureur des Konings
om advies te vragen, zonder dat evenwel te verplichten.
Het advies van het parket moet door de ambtenaar
van de burgerlijke stand enkel gevraagd worden in geval
van twijfel. Dit advies moet dus uiteraard niet gevraagd
worden als er geen twijfel bestaat over de afwezigheid
van nationaliteit, bijvoorbeeld omdat dit duidelijk blijkt uit
de stukken van het dossier of omdat het parket in een
gelijkaardig dossier reeds een advies heeft uitgebracht.
In het kader van de toepassing van artikel 10 van het
Wetboek, wordt het advies van de Centrale Autoriteit
inzake Nationaliteit van de FOD Justitie uitgesloten
overeenkomstig het nieuwe artikel 24ter, § 1 van het
Wetboek.
In het nieuwe lid dat wordt voorgesteld om toe te
voegen aan (de nieuwe) § 1, wordt met de woorden
“wettelijke vertegenwoordiger van het kind” elk individu
bedoeld dat bij rechterlijke beslissing of bij wet is aange-
wezen om de belangen van een natuurlijke persoon te
vertegenwoordigen en te verdedigen. De voogd van een
minderjarige is dus ook een wettelijke vertegenwoordiger
van het kind in de zin van artikel 10 van het wetboek.
Art. 36
Sinds de hervorming van de burgerlijke stand kan het
College van procureurs-generaal richtlijnen vastleggen
waarin de nadere regels voor de controle van de akten
van de burgerlijke stand worden uitgelegd. Deze richtlijnen
zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie.
De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan
in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen bin-
nen hun rechtsgebied (artikel 40 van het oud Burgerlijk
Wetboek). De ‘potpourri-wet’ van 19 oktober 2015 heeft
artikel 764 van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd,
dat voortaan bepaalt dat in procedures met betrekking
tot inzonderheid de burgerlijke stand het College van
procureurs-generaal richtlijnen geeft die verduidelijken
la nationalité belge ou lorsque les conditions de base,
qu’il doit indiquer, ne sont pas remplies.
Dans ce cas, l’obligation de demander l’avis du par-
quet est justifiée par l’établissement d’un acte de natio-
nalité, ce qui n’est pas le cas lors de l’application de
l’article 10 du Code.
Afin de clarifier les compétences de chaque autorité
dans le cadre de l’application de l’article 10 du Code, il
est donc opportun de prévoir une possibilité pour l’officier
de l’état civil d’interroger le procureur du Roi sans pour
autant en faire une obligation.
L’avis du parquet ne doit être demandé par l’officier
de l’état civil qu’en cas de doute. Celui-ci ne doit évi-
demment pas être demandé si l’absence de nationalité
ne fait aucun doute, par exemple, parce que cela ressort
clairement des pièces du dossier ou parce que le parquet
a déjà émis un avis dans un dossier similaire.
Dans le cadre de l’application de l’article 10 du Code,
l’avis de l’Autorité Centrale en matière de nationalité
du SPF Justice est exclu, conformément au nouvel
article 24ter, § 1er du Code.
Dans le nouvel alinéa qu’il est proposé d’ajouter
au § 1er (nouveau), les termes “représentant légal de
l’enfant” désignent tout individu désigné par décision
de justice ou par la loi pour représenter et défendre les
intérêts d’une personne physique. Le tuteur d’un mineur
est donc aussi un représentant légal de l’enfant au sens
de l’article 10 du Code.
Art. 36
Depuis la réforme de l’état civil, le Collège des pro-
cureurs généraux peut arrêter des directives précisant
les modalités de contrôle des actes d’état civil. Ces
directives sont contraignantes pour tous les membres
du ministère public. Les procureurs généraux près les
cours d’appel veillent à l’exécution de ces directives au
sein de leur ressort (article 40 ancien Code civil). La loi
“pot-pourri” du 19 octobre 2015 a modifié l’article 764 du
Code judiciaire qui prévoit désormais que dans les
procédures qui concernent, notamment, l’état civil, le
Collège des procureurs généraux arrête des directives
précisant dans quelles affaires un avis sera rendu. Ces
directives sont contraignantes pour tous les membres
2774/001
DOC 55
34
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
in welke zaken advies wordt verstrekt. Deze richtlijnen
zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie.
De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan
in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen
hun rechtsgebied.
Bovendien verankert artikel 4 van de wet van
18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake bur-
gerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevorde-
ring van alternatieve vormen van geschillenoplossing,
dat in werking is getreden op 31 maart 2019, in het
Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid voor het College van
procureurs-generaal om richtlijnen voor de parketten uit
te vaardigen. Die verduidelijking was nodig om de wet
aan het huidige gerechtelijke landschap aan te passen
(memorie van toelichting, Doc 54 2919/001, blz. 96).
Vanuit dat oogpunt, en in het licht van die verduide-
lijkingen, diende artikel 24bis van het Wetboek van de
Belgische nationaliteit, dat de adviesbevoegdheden
van het parket beoogt, eveneens eraan te herinneren
dat de richtlijnen voor de parketten niet langer worden
vastgelegd door de minister van Justitie, maar door het
College van procureurs-generaal.
Art. 37 en 38
In zijn aanbevelingen van het derde trimester 2013 heeft
de federale ombudsman eraan herinnerd dat de minister
van Justitie, via de dienst Nationaliteit, de bewaarder
van de Belgische nationaliteit is.
De dienst Nationaliteit bestaat al sinds jaar en dag,
maar zijn opdrachten zijn nooit vastgelegd in een wet-
tekst. Dat geeft aanleiding tot juridische vaagheid rond
zijn bevoegdheden en tot problemen in verband met de
strekking van zijn adviezen.
Uitgaande van artikel 31 van het Wetboek van internati-
onaal privaatrecht moet de samenhang van de opdrachten
van de dienst ten aanzien van de andere actoren van het
domein (gemeenten, Belgische consulaten, parketten)
in de hand worden gewerkt, en overeenstemmen met
de aanbevelingen van de federale ombudsman.
Daarom bepaalt een nieuw artikel dat de Centrale
Autoriteit inzake Nationaliteit opricht binnen de
FOD Justitie, en dat deze niet-bindende adviezen ver-
leent in geval van ernstige twijfel inzake de Belgische
nationaliteit, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdhe-
den van de Procureur des Konings in deze materie. Het
betreft, bijvoorbeeld, de adviesbevoegdheid toegekend
aan het parket door artikel 11bis van het Wetboek van
de Belgische nationaliteit en zijn bevoegdheid zoals
gedefinieerd door het Gerechtelijk Wetboek.
du ministère public. Les procureurs généraux près les
cours d’appel veillent à l’exécution de ces directives au
sein de leur ressort.
En outre, l’article 4 de la loi du 18 juin 2018 portant
dispositions diverses en matière de droit civil et des dis-
positions en vue de promouvoir des formes alternatives
de résolution des litiges, entré en vigueur le 31 mars 2019,
a souhaité ancrer, dans le Code civil, la possibilité pour
le Collège des procureurs généraux d’arrêter des direc-
tives à destination des parquets. Cette précision était
nécessaire afin d’adapter la loi au paysage judiciaire
actuel (exposé des motifs, Doc 54 2919/001, p. 96).
Dans cette optique et suite à ces précisions, l’ar-
ticle 24bis du Code de la nationalité belge, visant les
compétences d’avis du parquet, devait également prévoir
que les directives à destination des parquets ne sont
plus arrêtées par le ministre de la Justice, mais par le
Collège des procureurs généraux.
Art. 37 et 38
Le médiateur fédéral a dans ses recommandations
du 3ième trimestre 2013 rappelé que le ministre de la
Justice, par l’intermédiaire du service de la nationalité,
est le gardien de la nationalité belge.
Le service de la nationalité existe depuis toujours
mais n’a pourtant jamais vu ses missions définies par
un texte légal. Il en résulte un flou juridique quant à ses
compétences et des difficultés relatives à la portée de
ses avis.
En s’inspirant de l’article 31 du Code de droit inter-
national privé, l’articulation de ses missions par rapport
aux autres acteurs du domaine (communes, consulats
belges, parquets) doit être facilitée et correspondre aux
recommandations du médiateur fédéral.
Dans ce but, un nouvel article crée l’Autorité Centrale
en matière de nationalité au sein du SPF Justice, et
indique que celle-ci rend des avis non contraignants
en cas de doute sérieux en matière de nationalité, sans
toutefois porter atteinte aux compétences du Procureur
du Roi en cette matière. Il s’agit, par exemple, de la
compétence d’avis dévolue au parquet par l’article 11bis
du Code de la nationalité belge et de sa compétence
telle que définie par le Code judiciaire.
35
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit zal dus geen
advies uitbrengen in de gevallen waarin het Wetboek
van de Belgische Nationaliteit of de wet bevoegdheden
toekent aan de Procureur des Konings, ongeacht of deze
adviesbevoegdheid verplicht of facultatief is.
Voorts bepaalt het artikel dat deze Centrale Autoriteit
kan worden aangesproken door een ambtenaar van de
burgerlijke stand of een houder van het bevolkings-,
vreemdelingen- of wachtregister, met in begrip van de
Belgische consulaten voor zover in dat geval de aanvra-
gen worden overgezonden aan de Centrale Autoriteit via
de dienst Nationaliteit van de FOD Buitenlandse Zaken,
met inachtneming van de bevoegdheden toegekend
aan deze FOD.
De procedure voor het indienen van aanvragen, de
termijn waarin de Centrale Autoriteit advies moet verle-
nen, alsmede de wijze van overzending van dat advies
worden eveneens vastgelegd in het nieuwe artikel 24ter.
De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder
van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister
zal zijn adviesaanvraag overzenden aan de dienst
Nationaliteit, samen met een vooranalyse van het dos-
sier. Hij zal zijn aanvraag onderbouwen met een zo
compleet mogelijke stukkenbundel.
HOOFDSTUK 8
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 39 en 40
Artikel 4.59 dat in het kader van de codificatie van
boek 4 recent is goedgekeurd, en op 1 juli 2022 in werking
treedt herneemt de inhoud van artikel 1240bis van het
oud BW over het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid.
De daarin vervatte regeling is evenwel hoofdzakelijk
beperkt tot één doelstelling: de vrijgave van tegoeden
van de erflater. Er is echter nood aan een bredere bepa-
ling, die een algemene regeling bevat over het bewijs
van de devolutie of vererving van de nalatenschap, dus
over het bewijs van iedere erfrechtelijke hoedanigheid.
Een dergelijk bewijs kan immers in vele andere om-
standigheden vereist zijn. Bijvoorbeeld tegenover een
schuldenaar (bijv. huurder) of een schuldeiser of me-
decontractant (bijv. verhuurder of koper), of om een
geding te kunnen hervatten waarin de erflater betrok-
ken was, of nog op grond van de bepalingen van het
scheepvaartwetboek, en uiteraard ook met het oog op
L’Autorité centrale de la nationalité ne rendra donc pas
d’avis dans les cas où le Code de la nationalité belge
ou la loi accordent des compétences au Procureur du
Roi, que cette compétence d’avis soit obligatoire ou
facultative.
En outre, il précise que cette Autorité Centrale peut être
interpellée par un officier de l’état civil ou un détenteur
du registre de la population, du registre des étrangers
ou du registre d’attente, en ce compris les consulats
belges pour autant que dans ce cas, les demandes
soient transmises à l’Autorité Centrale par l’intermédiaire
de l’administration centrale du SPF Affaires étrangères,
dans le respect des compétences attribuées à ce SPF.
La procédure d’introduction des demandes, le délai
dans lequel l’Autorité Centrale doit rendre un avis ainsi
que le mode de transmission de celui-ci sont également
fixés par le nouvel article 24ter.
L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre de
la population, du registre des étrangers ou du registre
d’attente, transmettra sa demande d’avis au service
de la nationalité, accompagnée d’une pré-analyse du
dossier. Il étayera sa demande d’un dossier de pièces
le plus exhaustif possible.
CHAPITRE 8
Modifications du Code civil
Art. 39 et 40
L’article 4.59 qui a été récemment approuvé dans le
cadre de la codification du livre 4 du Code civil, et qui
entre en vigueur le 1er juillet 2022, reprend le contenu de
l’article 1240bis de l’ancien Code civil relatif à la preuve
de la qualité successorale. Le régime qu’il instaure est
cependant essentiellement limité à une seule finalité:
la libération des avoirs du défunt. Une disposition plus
large est cependant nécessaire, déterminant un régime
général de la preuve de la dévolution ou de l’attribution
de la succession, donc de la preuve de toute qualité
successorale.
Une telle preuve peut en effet être requise dans bien
d’autres circonstances. Par exemple à l’égard d’un
débiteur (par ex. un locataire) ou d’un créancier ou d’un
co-contractant (par ex. un bailleur ou un acquéreur), ou
pour reprendre une instance dans laquelle était impliqué
le défunt, ou encore sur base du code de la navigation,
et évidemment aussi en vue de la publicité foncière
2774/001
DOC 55
36
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de onroerende publiciteit na overlijden, zoals voorzien
in art. 3.30, § 1, 7°, BW dat eveneens op 1 juli 2022 in
werking treedt.
Vandaar het belang van één algemene bepaling die het
bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid breder regelt dan
het nieuwe artikel 4.59. Die bepaling moet kunnen dienen
voor elke situatie waarin een erfrechtelijke hoedanigheid
moet aangetoond worden, breder en duidelijker dan wat
met paragraaf 6 van dat artikel 4.59 kan worden bereikt.
De nieuwe bepaling beoogt de invoering van een
dergelijke algemene bepaling die de actuele draagwijdte
van de akten en attesten van erfopvolging verruimt.
Vermits het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid
in uiteenlopende situaties en omwille van verschillende
doeleinden kan vereist zijn, zullen de vermeldingen die
de akte of het attest van erfopvolging moet bevatten
in functie van deze situaties en van deze doeleinden
verschillend kunnen zijn.
Het nieuw artikel 4.59 wordt onderverdeeld in zeven
paragrafen.
Paragraaf 1 geeft in zijn eerste lid aan dat een akte of
attest van erfopvolging kan worden voorgelegd tot bewijs
van de hoedanigheid van erfgerechtigde, van erfgenaam,
van algemene legataris, van legataris ten algemene titel
(in de zin van artikel 4.2 BW) of van bijzonder legataris.
De akte of het attest van erfopvolging is niet het enig
mogelijk bewijsmiddel om deze hoedanigheden aan te
tonen. Net zoals dit onder het huidige recht het geval
is, kan een dergelijke hoedanigheid ook door andere
bewijsmiddelen worden bewezen. Daar raakt het ont-
worpen artikel niet aan.
In de praktijk blijkt er vooral in hoofde van de langst-
levende echtgenoot een enorme nood aan een snelle
vrijgave van tegoeden op een bankrekening die om-
wille van het overlijden van de titularis of mede-titularis
geblokkeerd wordt. Indien de langstlevende krachtens
de bedingen van zijn huwelijksovereenkomst als enige
aanspraak kan maken op die tegoeden, moet het mo-
gelijk zijn om tot die vrijgave over te gaan, ook al zijn
alle opzoekingen ten aanzien van de devolutie van de
nalatenschap nog niet verricht.
Daarom bepaalt het tweede lid van paragraaf 1 dat
dit ook via een akte of attest van erfopvolging moet kun-
nen aangetoond worden (hoewel die akte of dat attest
alleen de huwelijksvermogensrechtelijke, en niet de
erfrechtelijke aanspraken van de langstlevende vermeldt,
après le décès, comme prévu par l’article 3.30, § 1er,
7°, C. civ. qui lui aussi entre en vigueur le 1er juillet 2022.
D’où l’importance d’une disposition générale qui règle
la preuve de la qualité successorale plus largement que
le nouvel article 4.59. Cette disposition doit pouvoir servir
dans toute situation où cette qualité doit être démontrée,
de manière plus étendue et plus claire que ce que peut
atteindre le paragraphe 6 de cet article 4.59.
La nouvelle disposition envisagée dans ce projet vise
à instaurer une telle disposition générale, qui élargit la
portée actuelle des actes et des certificats d’hérédité.
La preuve de la qualité successorale pouvant être
requise dans des circonstances diverses et en raison de
plusieurs finalités, les mentions à apporter dans l’acte
ou le certificat d’hérédité pourront être différentes en
raison de ces circonstances et de ces finalités.
Le nouvel article 4.59 en projet est divisé en sept
paragraphes.
Le premier paragraphe mentionne en son premier ali-
néa que l’acte ou le certificat d’hérédité peut être présenté
pour démontrer la qualité de successible, d’héritier, de
légataire universel, de légataire à titre universel (dans
le sens de l’art. 4.2 C. civ.), ou de légataire particulier.
L’acte ou le certificat d’hérédité n’est pas le seul moyen
de preuve pour démontrer ces qualités. Tout comme c’est
le cas actuellement, une telle qualité peut également
être établie par d’autres moyens de preuve. L’article en
projet n’apporte à cet égard aucun changement.
Dans la pratique il est apparu qu’il existe dans le
chef du conjoint survivant un besoin énorme d’obtenir
rapidement la libération des avoirs en banque qui sont
bloqués, suite au décès du titulaire ou du cotitulaire du
compte. Si le conjoint survivant a seul droit à ces avoirs
en vertu des clauses de sa convention de mariage, il
faut qu’il puisse obtenir la libération de ces avoirs, même
si les recherches pour déterminer la dévolution de la
succession sont toujours en cours.
C’est pourquoi le deuxième alinéa du paragraphe 1er
prévoit qu’un tel droit doit aussi pouvoir être démontré
par un acte ou un certificat d’hérédité (alors même que
dans ce cas l’acte ou le certificat ne mentionne que
les droits issus du régime matrimonial et non les droits
37
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
en dus strikt genomen niet met de uitdrukking “akte of
attest van erfopvolging” zou mogen worden aangeduid).
Indien de banktegoeden bijvoorbeeld tot de huwelijks-
gemeenschap behoren en de langstlevende krachtens
haar huwelijksovereenkomst als enige op die bankte-
goeden gerechtigd is, dan moet zij zo snel mogelijk over
de vereiste akte of attest kunnen beschikken om dit
tegenover de bank te bewijzen. Hoe de eigen goederen
van de erflater vervolgens vererfd worden, moet dan niet
in de akte of het attest worden vermeld. Dit kan leiden
tot aanzienlijke tijdwinst voor de langstlevende.
Dit is dus een voorbeeld van een akte of attest van
erfopvolging waarvan de vermeldingen beperkt mogen
blijven tot hetgeen vereist is voor de specifieke doelstel-
ling waarvoor de akte of het attest wordt afgeleverd.
In het derde lid wordt ook de mogelijkheid vermeld om
in de akte of het attest van erfopvolging de testamentuit-
voerder of de gerechtelijk aangestelde beheerder van
de nalatenschap aan te duiden, omdat ieder van hen
bevoegd kan zijn om de nalatenschap te beheren of om
over de goederen ervan te beschikken, en in dat geval
het bewijs van zijn bevoegdheden moet kunnen leveren.
Dat bewijs zal met name nodig zijn voor de beheerder
van de nalatenschap die de onroerende goederen van
deze nalatenschap mag verkopen.
Met gerechtelijk aangewezen beheerder worden dus
met name bedoeld, de beheerder van een beneficiair
aanvaarde nalatenschap (artikel 4.53 en 4.54 Burgerlijk
Wetboek) en de beheerder van een nalatenschap die
in het kader van een gerechtelijke vereffening wordt
aangeduid (artikel 1212 Gerechtelijk Wetboek). Het zou
ook kunnen gaan om de curator over een onbeheerde
nalatenschap (artikel 1228 Gerechtelijk Wetboek, waar-
naar verwezen wordt in artikel 4.58 Burgerlijk Wetboek).
Of nog om een beheerder ad hoc, aangesteld op grond
van artikel 584 Gerechtelijk Wetboek.
Paragraaf 2, eerste lid geeft aan welke personen
om de afgifte van de akte of het attest van erfopvol-
ging kunnen verzoeken. In de eerste plaats gaat het
over de personen wier erfrechtelijke hoedanigheid de
akte of het attest van erfopvolging bewijst, namelijk de
erfgerechtigden, erfgenamen of bijzondere legataris-
sen vermeld in paragraaf 1. Ook hun rechtsopvolgers
kunnen, desgevallend, om de afgifte van de akte of het
attest van erfopvolging verzoeken.
Uiteraard kunnen ook testamentuitvoerders en ge-
rechtelijk aangewezen beheerders van de nalaten-
schap om een akte of attest van erfopvolging verzoeken,
zelfs al hebben ze die akte of dat attest niet nodig om
successoraux du conjoint survivant, et n’est donc, stric-
tement, pas couvert par l’expression “acte ou certificat
d’hérédité”).
Si par exemple les avoirs bancaires dépendent de
la communauté conjugale et que le survivant y a seul
droit par l’effet de sa convention matrimoniale, alors il
faut que puisse être établi le plus rapidement possible
l’acte ou le certificat requis pour le démontrer à l’égard
de la banque. Celui-ci ne mentionnera alors pas com-
ment sont dévolus les biens propres du défunt. Ceci
peut représenter un gain de temps important pour le
conjoint survivant.
Ceci est donc un exemple d’un acte ou d’un certificat
d’hérédité dont les mentions peuvent être limitées à ce
que requiert la finalité particulière pour laquelle cet acte
ou ce certificat est délivré.
Au troisième alinéa il est fait mention de la possibilité
d’indiquer dans l’acte ou le certificat d’hérédité, l’exécu-
teur testamentaire ou l’administrateur de la succession
désigné par une décision judiciaire, parce que chacun
d’eux peut avoir le pouvoir de gérer la succession ou
de disposer des biens de la succession, et doit dans
ce cas pouvoir apporter la preuve de ces pouvoirs.
Cette preuve sera en particulier requise pour l’admi-
nistrateur de la succession qui peut vendre les biens
immeubles dépendant de cette succession.
On entend donc par administrateurs désignés par
une décision judiciaire, notamment, l’administrateur
d’une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire
(articles 4.53 et 4.54 du Code civil) et l’administra-
teur désigné dans le cadre d’une liquidation judiciaire
(article 1212 du Code judiciaire). Il pourrait s’agir aussi
d’un curateur à succession vacante (article 1228 du
Code judiciaire. auquel se réfère l’article 4.58 du Code
civil). Ou encore d’un administrateur ad hoc, désigné
sur base de l’article 584 du Code judiciaire.
Le deuxième paragraphe mentionne en son alinéa 1er
quelles sont les personnes qui peuvent requérir un acte
ou un certificat d’hérédité. Il s’agit en premier lieu des
personnes dont la qualité héréditaire est prouvée par
l’acte ou le certificat d’hérédité, à savoir, les successibles,
les héritiers ou les légataires particuliers mentionnés
au paragraphe 1er. Les ayants-droit de ces personnes
peuvent également, le cas échéant, requérir l’acte ou
le certificat d’hérédité.
Bien entendu, les exécuteurs testamentaires et les
administrateurs de la succession désignés par une déci-
sion judiciaire peuvent eux aussi demander un acte ou
un certificat d’hérédité, même s’ils n’ont pas besoin de
2774/001
DOC 55
38
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hun hoedanigheid ten aanzien van de nalatenschap te
bewijzen.
Het is inderdaad mogelijk dat de testamentuitvoerder
met zekerheid wil weten wie in de nalatenschap gerechtigd
is, omdat het tegenover de erfgenamen en legatarissen
zal zijn dat hij rekenschap en verantwoording over de
vervulling van zijn opdracht zal moeten afleggen.
Voor de gerechtelijk aangewezen beheerders van een
beneficiaire aanvaarde nalatenschap is deze informa-
tie nuttig omdat ook zij moeten weten aan wie ze een
eventueel positief saldo na vereffening van het passief
moeten overdragen.
Ten slotte kan de akte of het attest van erfopvolging
nuttig zijn voor de curator over de onbeheerde nalaten-
schap, omdat zijn opdracht eindigt indien zich toch een
erfgenaam meldt. De curator moet aan de hand van een
akte of attest van erfopvolging kunnen nagaan of deze
persoon die zich als erfgenaam meldt wel degelijk in de
nalatenschap gerechtigd is. Ook moet de curator over
de onbeheerde nalatenschap om een akte of attest van
erfopvolging kunnen vragen indien hem moet worden
bewezen wie als bijzondere legataris aanspraken heeft op
bestanddelen van de onbeheerde nalatenschap waarvan
het bezit hem door de curator moet worden verleend.
Paragraaf 2, tweede en derde lid, bepalen wie instaat
voor de opmaak en de afgifte van de akte en het attest
van erfopvolging. Inhoudelijk wijzigt deze regel niet
ten opzichte van de paragrafen 1 en 3 van het reeds
goedgekeurde artikel 4.59, die zelf overeenstemmen
met paragrafen 1 en 3 van artikel 1240bis oud Burgerlijk
Wetboek.
De akte van erfopvolging kan steeds worden afgegeven
door de notaris. Het gaat in dat geval inderdaad om een
notariële akte. Het door een notaris afgeleverde attest
van erfopvolging is daarentegen niet een authentieke
akte. De akte en het attest kunnen evenwel ook, in wat
men “eenvoudige situaties” kan noemen, door het be-
voegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie worden afgeleverd.
De inhoudelijk niet gewijzigde regel werd evenwel ge-
herformuleerd. Het tweede lid bevat thans de algemene
regel, die steeds geldt. Het derde lid bevat de specifieke
regel, die enkel geldt in de door de wet omschreven
“eenvoudige” situaties.
Het vierde lid bepaalt tenslotte dat de notaris of het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten inschrijft
in het centraal erfrechtregister. Deze verplichting is ook
cet acte ou de ce certificat pour démontrer leur qualité
à l’égard de la succession.
Il est en effet possible qu’un exécuteur testamentaire
ait besoin de savoir avec certitude qui est appelé à la
succession, parce que c’est à l’égard des héritiers et
des légataires qu’il devra rendre compte de l’exécution
de sa mission.
Pour les administrateurs de succession bénéficiaire
désignés par décision judiciaire, cette information est
utile parce qu’ils doivent savoir à qui ils devront remettre
le solde positif éventuel après apurement du passif.
Enfin, l’acte ou le certificat d’hérédité peut être utile
au curateur à succession vacante, parce que sa mis-
sion prend fin si un héritier se présente néanmoins. Le
curateur doit pouvoir déterminer au vu d’un acte ou d’un
certificat d’hérédité si la personne qui se présente comme
héritier est en effet appelée à la succession. De même
le curateur à succession vacante doit pouvoir demander
un acte ou un certificat d’hérédité si doit être démontrée
la qualité d’un légataire particulier qui aurait droit à des
éléments de la succession vacante dont la possession
doit lui être accordée par le curateur.
Les deuxième et troisième alinéas 2 et 3 du deuxième
paragraphe déterminent qui est habilité à délivrer un
acte ou un certificat d’hérédité. Le contenu de cette
règle est conforme à celui des paragraphes 1 et 3 de
l’article 4.59 déjà approuvé, eux-mêmes conformes
aux paragraphes 1 et 3 de l’article 1240bis de l’ancien
Code civil.
L’acte d’hérédité peut toujours être délivré par un
notaire. Il s’agit bien dans ce cas d’un acte notarié. Le
certificat d’hérédité délivré par un notaire n’est par contre
pas un acte authentique. L’acte et le certificat peuvent
aussi, dans les situations qu’on pourrait appeler des
situations “simples”, être délivrés par le bureau compé-
tent de l’Administration générale de la documentation
patrimoniale.
La règle maintenue quant à son contenu est cepen-
dant reformulée. Le deuxième alinéa contient la règle
générale, qui est toujours applicable. Le troisième alinéa
contient la règle spécifique, qui ne s’applique que dans
les situations dites “simples” telles que circonscrites
par la loi.
Enfin, l’alinéa 4 précise que le notaire ou le bureau
compétent de l’Administration générale de la documenta-
tion patrimoniale inscrit les actes et certificats au registre
central successoral. Cette obligation est également
39
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
opgenomen in artikel 4.126, § 1, 1°, van het Burgerlijk
Wetboek. Naar aanleiding van het advies van de Raad
van State (nr. 71 320/1-2-3-4) wordt om reden van rechts-
zekerheid verduidelijkt dat de inschrijving gebeurt over-
eenkomstig artikel 4.126 Burgerlijk Wetboek.
Paragraaf 3 geeft aan welke vermeldingen in ieder
geval in elke akte of attest van erfopvolging moeten wor-
den opgenomen. Deze paragraaf bevat dus de “gemene
regel” of “truncus communis” die in acht moet worden
genomen, ongeacht voor welke doelstelling de akte of
het attest wordt opgemaakt. Het gaat om de gegevens
ter nadere identificatie van de erflater enerzijds, en om
de aanduiding van het op de nalatenschap toepasselijk
erfrecht anderzijds.
Paragraaf 4 geeft aan welke vermeldingen in de akte
of attest van erfopvolging moeten worden opgenomen,
afhankelijk van de doelstelling waarvoor de akte of het
attest wordt opgemaakt, en ook enkel voor zover die
gegevens kunnen worden achterhaald. Uiteraard wordt
van de notaris verwacht dat hij redelijkerwijze alle nodige
inspanningen zal leveren om deze gegevens inder-
daad te achterhalen. Hetzelfde geldt voor de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, in de
mate waarin er sprake is van een akte of attest waarvan
de afgifte tot haar bevoegdheid hoort. Het betreft een
middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis.
Na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit
bepaalt paragraaf 4, eerste lid, dat de wet bepaalt welke
gegevens ter zake dienend en noodzakelijk zijn voor
het bereiken van de doelstelling waartoe de gegevens
worden verzameld. Op die manier wordt voorkomen dat
hier een te ruime appreciatiemarge aan de notaris of
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie wordt gegeven die
als disproportioneel kan worden ervaren.
De verschillende onderdelen van deze paragraaf
vermelden onder meer:
1° de gegevens vereist ter identificatie van alle erfop-
volgers, erfgenamen, legatarissen en voor de langstle-
vende echtgenoot;
2° – of de erfkeuze is uitgeoefend, omdat het ook
mogelijk is om een akte of attest van erfopvolging op te
maken met de vermelding van erfgerechtigden die hun
keuze nog niet hebben gemaakt, of waarvan men niet
weet of ze die keuze al hebben gemaakt;
— voor zover als vereist omwille van de beoogde
doeleinden, de omschrijving van de goederen; dit zal
bijvoorbeeld vereist zijn indien het om onroerende goe-
deren gaat en de akte zoals door art. 3.30, § 1, 7°,
reprise à l’article 4.126, § 1, 1°, du Code civil. Suivant
l’avis du Conseil d’État (n° 71 320/1-2-3-4), il est précisé
pour des raisons de sécurité juridique que l’inscription
a lieu conformément à l’article 4.126 Code civil.
Le troisième paragraphe indique quelles sont les
mentions qui doivent toujours être reprises dans tout acte
ou certificat d’hérédité. Ce paragraphe contient donc la
“règle générale” ou le “tronc commun” dont il faut tenir
compte, quelle que soit la finalité pour laquelle l’acte ou
le certificat est établi. Il s’agit des données permettant
d’identifier le défunt d’une part, et de l’indication de la
loi applicable à cette succession d’autre part.
Le quatrième paragraphe indique quelles sont les
mentions qui doivent être reprises dans l’acte ou le
certificat d’hérédité, selon les finalités pour lesquelles
cet acte ou ce certificat est établi, et uniquement pour
autant que ces données aient pu être déterminées. On
attend bien entendu du notaire qu’il déploie raisonna-
blement les efforts requis pour retrouver ces données.
Il en est de même pour l’Administration générale de la
documentation patrimoniale, dans la mesure où il s’agit
d’un acte ou certificat qu’elle est habilitée à délivrer.
Il s’agit d’une obligation de moyens et non pas d’une
obligation de résultat.
Après l’avis de l’Autorité de protection des données,
le paragraphe 4, alinéa 1er, stipule que la loi détermine
quelles données sont pertinentes et nécessaires pour
atteindre l’objectif pour lequel les données sont collec-
tées. De cette manière, on évite qu’une trop grande
marge d’appréciation soit donnée au notaire ou au
bureau compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale, qui pourrait être perçue
comme disproportionnée.
Les diverses sous-divisions du paragraphe men-
tionnent en particulier:
1° les données requises pour identifier les succes-
sibles, les héritiers, les légataires et le conjoint survivant;
2° – si l’option héréditaire a été exercée, parce qu’il
est en effet possible d’établir un acte ou un certificat
d’hérédité en mentionnant les successibles qui n’ont
pas encore opté, ou dont on ne sait pas s’ils l’ont fait;
— pour autant que requis en raison des finalités recher-
chées, la description des biens; ceci sera par exemple
requis s’il s’agit de biens immeubles et que l’acte doit,
comme édicté à l’article 3.30, § 1er, 7°, du Code civil,
2774/001
DOC 55
40
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Burgerlijk Wetboek voorgeschreven, in de registers van
de Patrimoniumdocumentatie moet worden overgeschre-
ven; of indien een bepaald goed aan een bijzondere
legataris toekomt die de afgifte van een derde houder
moet kunnen eisen, enz.;
— de beperkingen aan de uitoefening van de rechten
die zijn toegekend, in de mate waarin derden daar re-
kening mee moeten houden wanneer de erfgenaam of
legataris die rechten tegenover derden uitoefent;
3° op analoge wijze voor de langstlevende echtgenote
de gegevens die haar zullen toelaten haar rechten uit
te oefenen zoals ze haar door de huwelijksovereen-
komst zijn toegekend; daarvoor is in de eerste plaats
vereist dat ze haar hoedanigheid van echtgenote bewijst
(plaats en datum van het huwelijk) en vervolgens haar
huwelijksstelsel;
4° specifiek voor de legatarissen of ze het bezit van
rechtswege hebben, dan wel in het bezit moeten wor-
den gesteld en in voorkomend geval of ze al in het bezit
werden gesteld;
5° voor de testamentuitvoerder of de gerechtelijk
aangestelde beheerder van de nalatenschap moet de
omvang van zijn bevoegdheden worden gepreciseerd,
evenals de gegevens met betrekking tot de beschikking
die hem deze bevoegdheden verlenen: het testament
of de gerechtelijke beslissing.
Ook moet worden benadrukt dat de vermeldingen in
de akte of het attest van erfopvolging moeten beperkt
worden tot hetgeen voor de doelstellingen waarvoor de
akte of het attest wordt opgemaakt, vereist is. Indien
de akte wordt opgemaakt om in de registers van de
patrimoniumdocumentatie te worden overgeschreven,
moet daarin enkel vermeld worden wat voor die over-
schrijving vereist is.
De notaris die de akte opmaakt zal daarin geen ver-
meldingen opnemen die niet ter kennis van derden horen
te worden gebracht. Zo bijvoorbeeld als de akte enkel
wordt opgemaakt om aan te tonen dat een bijzondere
legataris een bepaald onroerend goed, dat eigen aan
de erflater was, heeft verkregen en waarvan hij in het
bezit is gesteld, zullen in die akte de modaliteiten van de
verdeling van het huwelijksstelsel niet worden vermeld,
noch de overige legaten die de erflater heeft opgemaakt.
Daarnaast is ook bepaald dat de notaris of het be-
voegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie een letterlijk uittreksel van
een akte van erfopvolging dat voor meerdere doeleinden
être transcrit dans les registres de la documentation
patrimoniale; ou s’il s’agit d’un bien déterminé attribué à
un légataire particulier qui doit pouvoir exiger d’un tiers
détenteur, qu’il lui soit remis, etc.;
— les restrictions à l’exercice des droits attribués,
dans la mesure où les tiers doivent en tenir compte
lorsque l’héritier ou le légataire exerce leurs droits à
l’égard de ces tiers;
3° de manière analogue, les données relatives au
conjoint survivant qui lui permettront d’exercer les droits
qui lui ont été attribués par la convention matrimoniale; il
faut pour cela que soit démontrée d’abord sa qualité de
conjoint, donc le lieu et la date du mariage, et ensuite
son régime matrimonial;
4° en particulier pour les légataires, s’ils jouissent de
la possession de plein droit, ou alors s’ils doivent être
envoyés en possession et le cas échéant si cet envoi
en possession a déjà eu lieu;
5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur
judiciaire de la succession, il faut préciser l’étendue de
ses pouvoirs ainsi que les données relatives à la dis-
position qui lui accorde ces pouvoirs: le testament ou
la décision judicaire.
Il faut insister aussi sur la nécessité de limiter les
mentions dans l’acte ou le certificat d’hérédité, à ce
que requièrent les finalités pour lesquelles il est établi.
Si l’acte est uniquement établi pour être transcrit dans
les registres de la documentation patrimoniale, il ne
doit mentionner que ce que cette transcription requiert.
Le notaire qui l’établit s’abstiendra d’y ajouter des
mentions qui n’ont pas à être portées à la connaissance
des tiers. Par exemple, si l’acte est établi uniquement
pour établir qu’un légataire particulier s’est vu attribuer
tel bien immeuble qui est un bien propre du défunt et
dont il a obtenu la délivrance, il ne sera pas fait men-
tion également des modalités du partage du régime
matrimonial, ni aux autres legs attribués par le défunt.
Il est par ailleurs précisé que le notaire ou le bu-
reau compétent de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait
littéral d’un acte d’hérédité établi pour atteindre plusieurs
41
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
is opgemaakt, kan afgeven, indien het uittreksel alle
informatie bevat dat vereist is om het nagestreefde doel
op nuttige wijze te bereiken.
Evenzo zal in de akte of het attest van erfopvolging
die enkel wordt opgemaakt om de vrijgave van tegoeden
te verkrijgen, enkel vermelding worden gemaakt van de
personen die op die tegoeden zijn gerechtigd. Dat zijn
immers ook, naast de erflater zelf, de enige personen
die door de regels inzake fiscale of sociale notificaties
geviseerd worden. Daarom net sluiten de bewoordingen,
op dit specifieke punt, in het derde lid van deze paragraaf,
zo nauw mogelijk aan op deze van artikel 1240bis oud
Burgerlijk Wetboek, dat artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek
is geworden. Deze modaliteiten alsook het regime met
betrekking tot fiscale of sociale notificaties zijn ook van
toepassing op uittreksels uit akten uitgegeven om de
vrijgave van tegoeden te verkrijgen.
Er wordt ook aangegeven dat de notaris of het be-
voegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie een uittreksel van een akte
van erfopvolging kan afgeven waarin de verwerving
door overlijden van zakelijke rechten op onroerende
goederen wordt vastgesteld. Dit uittreksel moet worden
overgeschreven op de wijze en binnen de termijnen
bepaald in artikel 3.31 van het Burgerlijk Wetboek.
Dit zal de kosten voor het opstellen van een akte van
erfopvolging verminderen, aangezien het niet nodig
zal zijn voor elk doeleinde een afzonderlijke akte op te
maken. Om ervoor te zorgen dat alleen de relevante
informatie wordt overgeschreven, zal de notaris of het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie een uittreksel uit deze
akte kunnen opstellen.
Bovendien is het mogelijk dat de notaris in één en
dezelfde akte (instrumentum) een andere rechtshande-
ling (negotium) opneemt zoals bijv. de uitoefening van
de erfkeuze, naast de akte van erfopvolging op zich. Op
die manier kan de erfgenaam of erfgerechtigde kosten
besparen voor rechtshandelingen die nauw verbonden
en vaak onderling afhankelijk zijn.
Paragraaf 5 neemt eerst de inhoud over van para-
graaf 5 van art. 1240bis oud Burgerlijk Wetboek, dat
paragraaf 5 van het nieuw artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek
geworden is.
Daar wordt ter nadere verduidelijking nog aan toege-
voegd dat het hier gaat om de gegevens die voor elke
akte of attest van erfopvolging vereist zijn (§ 3) en van
de gegevens die omwille van de doeleinden van de
akte of het attest vereist kunnen zijn (§ 4). Indien dus
gegevens niet kunnen achterhaald worden die voor de
finalités, si l’extrait mentionne toute l’information requise
pour atteindre utilement la finalité poursuivie.
De même, il ne sera fait mention dans l’acte ou le
certificat d’hérédité établi uniquement en vue d’obtenir
la libération des avoirs, que des personnes appelées à
recueillir ces avoirs. Ces personnes sont effet, outre le
défunt lui-même, les seules qui sont visées par les dispo-
sitions relatives aux notifications fiscales et sociales. C’est
bien pourquoi la formulation est, sur ce point particulier, à
l’alinéa 3 de ce paragraphe, conçue en conformité aussi
étroite que possible avec celle de l’article 1240bis de
l’ancien Code civil, devenu l’article 4.59 du Code civil
Ces modalités ainsi que le régime relatif aux notifications
fiscales et sociales s’appliquent également aux extraits
d’actes délivrés en vue d’obtenir la libération des avoirs.
Il est également précisé que le notaire ou le bu-
reau compétent de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale peut délivrer un extrait
d’un acte d’hérédité constatant l’acquisition pour cause
de mort de droits réels portant sur des immeubles. Cet
extrait devra être transcrit de la manière et dans les
délais prévus à l’article 3.31 du Code civil. Ce faisant, on
réduit les coûts pour l’établissement de l’acte d’hérédité,
puisqu’il ne faudra pas établir d’acte distinct pour chaque
finalité. Pour que seules les informations pertinentes
soient transcrites, le notaire ou le bureau compétent de
l’Administration générale de la Documentation patrimo-
niale pourra établir un extrait de cet acte.
Par ailleurs, il est possible que le notaire reprenne
dans un même et seul acte (instrumentum), un autre acte
juridique (negotium) comme p.ex. l’exercice de l’option
héréditaire, outre l’acte d’hérédité en soi. Ainsi, l’héritier
ou successible peut faire une économie de frais pour ces
actes juridiques étroitement liés et souvent dépendants
les uns des autres.
Le cinquième paragraphe reprend dans un premier
temps le contenu du paragraphe 5 de l’article 4.59 du
Code civil, lui-même conforme au paragraphe 5 de
l’article 1240bis de l’ancien Code civil.
On y ajoute pour plus de précision qu’il s’agit ici des
données qui sont requises pour tout acte ou certificat
d’hérédité (§ 3) et de celles qui peuvent être requises
en fonction de la finalité de l’acte ou du certificat (§ 4).
Si les données qui ne peuvent être déterminées ne
sont pas requises en raison de la finalité de l’acte ou du
2774/001
DOC 55
42
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
doeleinden van de akte of het attest niet vereist zijn, kan
het ontbreken van die gegevens niet worden ingeroepen
om de afgifte van de akte of het attest te weigeren.
Paragraaf 6 bepaalt de wettelijke bewijswaarde (in
de zin van art. 8.1,15°, van het Burgerlijk Wetboek) van
de akte of het attest van erfopvolging.
Het recent goedgekeurd artikel 4.59 regelt hoofdza-
kelijk, net zoals artikel 1240bis oud Burgerlijk Wetboek
dat nog strikter deed, enkel de vrijgave van de tegoeden
van de erflater. Het nieuw ontworpen artikel 4.59 heeft
daarentegen een veel bredere draagwijdte, zoals reeds
toegelicht. De nieuwe bepaling biedt immers een grond-
slag voor een veralgemeend bewijs van de erfrechte-
lijke hoedanigheid, dat geldt ongeacht de specifieke
omstandigheden.
De bewijswaarde van de akte en het attest van erf-
opvolging moeten dan ook in lijn worden gebracht met
die bredere draagwijdte.
De structuur van paragraaf 6 is geïnspireerd door
artikel 69 van de Europese Verordening nr. 650/2012 van
het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 be-
treffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de
erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en
de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke
akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betref-
fende de instelling van een Europese erfrechtverklaring
(zie hierover A. Bonomi en P. Wautelet, Le droit euro-
péen des successions. Commentaire du Règlement
n° 650/2012 du 4 juillet 2012, Larcier, 2016).
Die verordening voert een Europese erfrechtverklaring
in, een algemeen bewijsdocument voor de erfrechtelijke
hoedanigheid in grensoverschrijdende erfopvolgingen.
De bewijswaarde van de Europese erfrechtverklaring
sluit bovendien aan bij de bewijswaarde van de nationale
erfrechtelijke bewijsdocumenten die reeds in andere
Europese lidstaten bestaan (zie hierover E. Goossens,
De Europese erfrechtverklaring, Intersentia, 2016). De
bewoordingen van de verordening werden in deze pa-
ragraaf 6 evenwel aangepast aan de eigenheden van
de Belgische akten en attesten van erfopvolging.
In het eerste lid wordt de principiële bewijswaarde van
de akte en het attest van erfopvolging geponeerd. Alle
personen die in de akte of het attest van erfopvolging
zijn vermeld, worden geacht de vermelde hoedanig-
heid te hebben, en de daaraan verbonden rechten en
bevoegdheden te kunnen uitoefenen.
In het tweede lid wordt de principiële bewijswaarde van
de akte en het attest van erfopvolging geconcretiseerd
naar derden toe. Het heeft immers weinig zin om een
certificat, le défaut de ces données ne peut être invoqué
pour refuser la délivrance de l’acte ou du certificat.
Le sixième paragraphe détermine la force probante
(au sens de l’article 8.1,15°, du Code civil) de l’acte ou
du certificat d’hérédité.
L’article 4.59 du Code civil récemment approuvé ne
règle essentiellement, comme le faisait encore plus
strictement l’article 1240bis de l’ancien Code civil, que
la libération des avoirs du défunt. Par contre le nouvel
article 4.59 en projet, a une portée beaucoup plus large,
ainsi qu’il a été exposé. La disposition nouvelle offre
en effet le fondement d’une preuve généralisée de la
qualité successorale, qui peut valoir quelles que soient
les circonstances spécifiques.
La force probante de l’acte ou du certificat d’hérédité
doit donc être mise en concordance avec cette portée
élargie.
La structure du paragraphe 6 est inspirée de l’ar-
ticle 69 du Règlement (UE) n ° 650/2012 du Parlement eu-
ropéen et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compé-
tence, la loi applicable, la reconnaissance et l’exécution
des décisions, et l’acceptation et l’exécution des actes
authentiques en matière de successions et à la création
d’un certificat successoral européen (voy. à ce sujet A.
Bonomi en P. Wautelet, Le droit européen des succes-
sions. Commentaire du Règlement n° 650/2012 du 4 juil-
let 2012, Larcier, 2016).
Ce règlement introduit le certificat successoral euro-
péen, un document probant général pour déterminer la
qualité successorale dans des situations transfrontières.
La force probante du certificat successoral européen
suit par ailleurs celle des documents probants nationaux
qui existent déjà dans plusieurs États membres (voy.
à ce sujet E. Goossens, De Europese erfrechtverkla-
ring, Intersentia, 2016). Les termes du Règlement ont
cependant été adaptés, dans ce sixième paragraphe,
aux particularités des actes et certificats d’hérédité en
droit belge.
Le premier alinéa pose le principe de la force probante
de l’acte et du certificat d’hérédité. Toutes les personnes
qui sont mentionnées dans l’acte ou le certificat d’hérédité
sont censées avoir la qualité qui y est indiquée, et pou-
voir exercer les droits et les pouvoirs qui s’y rattachent.
Le deuxième alinéa concrétise le principe de la force
probante de l’acte et du certificat d’hérédité à l’égard
des tiers. Pour que la disposition ait tout son sens,
43
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
principiële bewijswaarde toe te kennen aan de akte en het
attest van erfopvolging, zonder vervolgens bescherming
te bieden aan derden die zich erop beroepen. Daarom
stelt deze bepaling een bescherming in voor derden te
goeder trouw die handelen op basis van de informatie
die in de akte of het attest wordt vermeld, met een
persoon die in de akte of het attest wordt vermeld. Die
bescherming geldt zowel wanneer de derde optreedt als
schuldenaar (bijv. bij de terugbetaling van een lening,
of bij de teruggave van een nalatenschapsgoed dat de
derde in bruikleen had) als wanneer de derde optreedt
als schuldeiser (bijv. de verhuurder aan wie de erflater
nog huurgelden en huurschade verschuldigd was) of als
verkrijger van goederen uit de nalatenschap (bijv. als
een erfgenaam een nalatenschapsgoed verkoopt). Het
begrip “goede trouw” moet hier worden ingevuld zoals
elders in het Burgerlijk Wetboek, bijvoorbeeld zoals in
Boek 3 waar dit begrip veel aandacht krijgt (zie bijv.
artikel 3.34 Burgerlijk Wetboek).
Het derde en het vierde lid zijn een verbijzondering
van de derdenwerking van het akte en het attest van
erfopvolging voor de specifieke hypothese van de vrijgave
van de tegoeden van de erflater. Deze bepaling werd zo
nauw mogelijk overgenomen uit artikel 4.59 Burgerlijk
Wetboek, dat het zelf overnam van artikel 1240bis oud
Burgerlijk Wetboek. Zo blijkt ook hier, dat de huidige
procedures en bepalingen inzake vrijgave van tegoeden,
inclusief de fiscale en sociale notificaties, zonder enige
twijfel ongewijzigd van toepassing blijven gelden. Het is
immers niet de bedoeling om af te wijken van de regels
die hiervoor actueel gelden. Wel werd de formulering
aangepast om te vermijden dat daarin sprake zou zijn
van een “bevrijdende vrijgave” die vooral in de Franse
versie ongelukkig klonk: “la libération libératoire”.
Paragraaf 7 machtigt de Koning om verschillende
aspecten vast te stellen die uitsluitend betrekking heb-
ben op de akten en attesten die door de Administratie
zullen worden vastgesteld. Overeenkomstig het advies
van de Raad van State bepaalt het eerste lid, 5°, niet
langer dat het model van de voorgeschreven formulieren
door de minister van Financiën wordt bepaald. Het is
de Koning zelf die het model bepaalt.
Art. 41
Er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd in arti-
kel 4.127, paragraaf 1, van het Burgerlijk Wetboek dat
bepaalt dat de naam en voornaam alsook het identifica-
tienummer van de erfgenamen wordt ingeschreven in het
centraal erfrechtregister. Het doel achter deze wijziging
is om mogelijk te maken dat de hoedanigheid van erfge-
namen op een geautomatiseerde wijze wordt vastgesteld
zodat zij hun recht op toegang tot de notariële akten van
il faut en effet que la force probante de l’acte ou du
certificat aboutisse à la protection des tiers de bonne
foi qui s’en prévalent. C’est pourquoi cette disposition
instaure une protection au profit des tiers de bonne foi
qui agissent sur base de l’information fournie par l’acte
ou le certificat, avec une personne indiquée dans cet
acte ou ce certificat. Cette protection vaut aussi bien
lorsque le tiers agit en tant que débiteur (par ex. pour
le remboursement d’un emprunt, ou pour la restitution
d’un bien de la succession dont ce tiers était détenteur à
titre de prêt) que lorsqu’il agit en tant que créancier (par
ex. le bailleur à qui le défunt devait encore des arriérés
de loyer ou de dégâts locatifs) ou en tant qu’acquéreur
de biens de la succession (par ex. si un héritier vend
un bien de la succession). La notion de “bonne foi”
doit être comprise ici comme elle l’est ailleurs dans le
Code civil, par exemple comme dans le Livre 3 où cette
notion est fréquemment mentionnée (voy. par exemple
l’article 3.34 Code civil).
Les alinéas 3 et 4 précisent l’effet de l’acte ou du
certificat d’hérédité à l’égard des tiers, pour l’hypothèse
particulière de la libération des avoirs du défunt. Cette
disposition est reprise aussi textuellement que possible
de l’article 1240bis de l’ancien Code civil tel qu’il a été
remplacé par l’article 4.59 du Code civil. Cela permet
de confirmer qu’il ne peut y avoir, ici encore, aucun
doute sur le maintien de l’application intégrale des
procédures et dispositions actuelles relatives à cette
libération d’avoirs, en ce compris les notifications fis-
cales et sociales. Il n’y a en effet aucune intention de
déroger à cet égard aux règles actuellement en vigueur.
La formulation a néanmoins été adaptée afin d’éviter de
maintenir l’expression malheureuse dans laquelle il est
question d’une “libération libératoire” des avoirs.
Le septième paragraphe autorise le Roi à définir diffé-
rents aspects relatifs exclusivement aux actes et certificats
qui seront établis par l’Administration. Conformément à
l’avis du Conseil d’État, l’alinéa 1er, 5°, ne stipule plus
que le modèle des formulaires prescrits est déterminé
par le ministre des Finances. C’est le Roi lui-même qui
détermine le modèle.
Art. 41
Une disposition sous 1°/1 est insérée à l’article 4.127,
paragraphe 1er, du Code civil stipulant que le nom et le
prénom ainsi que le numéro d’identification des héritiers
sont enregistrés dans le registre central des héritiers.
Le but de cette modification est de permettre la déter-
mination automatisée de la qualité d’héritiers afin de
permettre à ces derniers d’exercer leur droit d’accès aux
actes notariés de leur auteur. L’article 14, § 1er, alinéa 2,
2774/001
DOC 55
44
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hun rechtsvoorganger kunnen uitoefenen. Artikel 14, § 1,
lid 2, van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 hou-
dende de invoering van de Notariële Aktebank juncto
artikel 23 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van
het notarisambt voorziet dat de erfgenamen het recht op
rechtstreekse consultatie van een gedematerialiseerd
afschrift van een akte kunnen uitoefenen op voorwaarde
dat hun hoedanigheid kan worden vastgesteld op geau-
tomatiseerde wijze via een authentieke bron. Het centraal
erfrechtregister doet dienst als authentieke bron en
bovengenoemde specifieke doelstelling wordt op vraag
van de Gegevensbeschermingsautoriteit opgenomen in
artikel 4.125 Burgerlijk Wetboek.
Art. 42
Tot hiertoe werden de akten en attesten van erfopvol-
ging enkel in het centraal erfrechtregister opgenomen
als ze door een notaris waren opgemaakt.
Er bestaat evenwel geen reden om de akten en attesten
van erfopvolging die door de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie zijn opgemaakt daarvan
uit te sluiten. Integendeel: de doelstellingen van dit re-
gister worden slechts ten volle bereikt als ook die akten
en attesten daarin terug te vinden zijn. Dat is wat met
de wijziging van het actuele artikel 4.126 onder punt 1°
wordt beoogd.
De akten onroerende erfopvolging die worden opge-
maakt door een notaris conform artikel 3.30 Burgerlijk
Wetboek, worden ingeschreven in het centraal erfrecht-
register, ook wanneer deze afzonderlijk werden opge-
maakt, met andere woorden ook als de akte uitsluitend
als finaliteit de overdracht van een onroerend goed
afhangende van de nalatenschap heeft.
Punt 2° vervangt de eerste zin van artikel 4.126, § 2,
eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Deze wijziging
heeft tot doel het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie te ver-
plichten het centraal erfrechtregister in kennis te stellen
van de akten en attesten van erfopvolging, overeenkom-
stig artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek.
Art. 43
Artikel 4.127 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt
welke gegevens ingeschreven dienen te worden in het
centraal erfrechtregister. Wat betreft de gegevens van
de erflater en de aangever, in geval van inschrijving
van een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of arti-
kel 4.49 Burgerlijk Wetboek, wordt in artikel 4.127, § 1, 1°
en 2°, van het Burgerlijk Wetboek momenteel bepaald dat
de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant l’introduction
de la Banque des actes notaires juncto l’article 23 de
la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du nota-
riat prévoit que les héritiers peuvent exercer le droit de
consultation directe d’une copie dématérialisée d’un
acte à condition que leur qualité puisse être établie
par voie automatisée par une source authentique. Le
Registre central des héritiers sert de source authentique
et l’objectif spécifique susmentionné est inclus dans
l’article 4.125 du Code civil à la demande de l’Autorité
de protection des données.
Art. 42
Jusqu’ici n’étaient inscrits dans le registre central
successoral que les actes et certificats d’hérédité pour
autant qu’ils soient établis par un notaire.
Il n’y a cependant aucune raison d’exclure les actes et
certificats d’hérédité établis par l’Administration générale
de la Documentation patrimoniale de cette formalité. Au
contraire: les objectifs de ce registre ne sont pleinement
atteints que si on peut y retrouver également ces actes
et certificats. C’est ce qu’on vise à réaliser par la modi-
fication de l’article 4.126 actuel reprise sous le point 1°.
Les actes d’hérédité en matière immobilière qui sont
établis par un notaire conformément à l’article 3.30 du
Code civil sont enregistrés dans le registre central suc-
cessoral, même lorsqu’ils ont été établis séparément,
en d’autres mots même si l’acte a exclusivement pour
finalité le transfert d’un bien immobilier dépendant d’une
succession.
Le 2° remplace la première phrase de l’article 4.126,
§ 2, alinéa 1er, du Code civil. Cette modification a pour
but d’ajouter l’obligation pour le bureau compétent de
l’Administration générale de la documentation patrimo-
niale de communiquer au registre central successoral les
actes et certificats d’hérédité qu’il établit, conformément
à l’article 4.59 du Code civil.
Art. 43
L’article 4.127 du Code civil stipule les données qui
doivent être enregistrées dans le registre central suc-
cessoral. En ce qui concerne les données du testateur et
du déclarant, en cas d’enregistrement d’une déclaration
conformément à l’article 4.44 ou à l’article 4.49 du Code
civil, l’article 4.127, § 1er, 1° et 2°, du Code civil prévoit
actuellement que le numéro du registre national doit
45
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het rijksregisternummer dient opgenomen te worden. Het
verdient evenwel de voorkeur om de terminologie te laten
aansluiten bij deze die wordt gebruikt in artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek. De wijzigingen onder a) en c)
zijn met dit doel opgesteld.
Krachtens artikel 14, § 1, tweede lid van het koninklijk
besluit van 18 maart 2020 houdende invoering van de
Notariële Aktebank zullen de “erfgenamen” van een
partij bij een akte hun recht op rechtstreekse consultatie
daarvan in de Notariële Aktebank kunnen uitoefenen wan-
neer hun hoedanigheid zal kunnen worden vastgesteld
op geautomatiseerde wijze via een authentieke bron.
Gelet op het gegeven dat ingevolge artikel 40 van het
ontwerp, de akten en attesten van erfopvolging bedoeld
in artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek het bewijs
zullen vormen van de hoedanigheid van erfgenaam
en dat deze bewijzen dienen te worden ingeschreven
in het centraal erfrechtregister overeenkomstig de ar-
tikelen 4.59 en 4.126, § 2, van het Burgerlijk Wetboek,
is het duidelijk dat het centraal erfrechtregister de uit-
gelezen authentieke bron is om deze hoedanigheid op
geautomatiseerde wijze vast te stellen voor de toegang
tot databanken en applicaties. Om deze reden wordt
voorzien dat de inschrijving in dit register ook de identifi-
catiegegevens dient te vermelden van de in de akte of het
attest aangewezen “erfgenamen”, teneinde toe te laten
dat zij dit kunnen gebruiken om hun recht op toegang
tot de authentieke akten van hun rechtsvoorganger in
de Notariële Aktebank uit te oefenen.
Deze uitbreiding van de op te nemen (meta)gegevens
in het centraal erfrechtregister valt onder de doelein-
den van deze authentieke bron, aangezien één van
de doeleinden van het centraal erfrechtregister erin
bestaat de raadpleging en de mededeling aan derden
van informatie met betrekking tot de akten waarin de
identiteit wordt bepaald van de personen die tot een
opengevallen nalatenschap zijn geroepen, mogelijk te
maken. De metagegevens van deze attesten en akten
van erfopvolging worden dus reeds vermeld in het cen-
traal erfrechtregister. Door ook de metagegevens van de
erin vermelde “erfgenamen” op te nemen in het centraal
erfrechtregister wordt verder tegemoetgekomen aan
het doeleinde van het centraal erfrechtregister om de
raadpleging mogelijk te maken aan (bepaalde) derden
van de informatie inzake deze akten.
Het betreft de identiteitsgegevens van de “erfgenamen”
die in deze hoedanigheid worden vermeld in het attest of
de akte van erfopvolging overeenkomstig artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd in artikel 40 van
het ontwerp. Het artikel 4.2 van het Burgerlijk Wetboek,
zoals ingevoerd bij de wet van 19 januari 2022 houdende
boek 2, titel 3, “Relatievermogensrecht” en boek 4
“Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” van
être repris. Il est toutefois préférable d’utiliser la même
terminologie que celle utilisée dans l’article 4.59 du Code
civil. Les modifications sous a) et c) ont été rédigées
dans cette optique.
En application de l’article 14, § 1er, alinéa 2, de l’arrêté
royal du 18 mars 2020 portant l’introduction de la Banque
des actes notariés, les “héritiers” d’une partie à un acte
pourront exercer leur droit de consultation directe de
celui-ci dans la Banque des actes notariés lorsque leur
qualité pourra être établie de manière automatisée par
une source authentique. Étant donné qu’en vertu de
l’article 40 du projet, les actes et certificats d’hérédité
visés à l’article 4.59 du Code civil constituent la preuve
de la qualité d’héritier et que cette preuve doit être
enregistrée au registre central successoral conformé-
ment aux articles 4.59 et 4.126, § 2, du Code civil, il est
clair que le registre central successoral est la source
authentique idéale pour la détermination automatisée
de cette qualité aux fins d’accès aux bases de données
et aux applications. Pour cette raison, il est prévu que
l’inscription dans ce registre mentionne également les
données d’identification des “héritiers” désignés dans le
certificat ou l’attestation, afin de leur permettre d’exer-
cer leur droit d’accès aux actes authentiques de leur
prédécesseur légal dans la Banque des actes notariés.
Cette extension des (méta)données à enregistrer
dans le registre central successoral est couverte par
les finalités de cette source authentique, puisque l’un
des objectifs du registre central successoral est de
permettre la consultation et la communication aux tiers
des informations relatives aux actes qui déterminent
l’identité des personnes appelées à administrer une
succession vacante. Les métadonnées contenues dans
ces certificats et actes de succession seront donc déjà
inscrites dans le registre central successoral. L’inclusion
dans le registre central successoral des métadonnées
des “héritiers” qui y sont mentionnés répond également
à la finalité du registre central successoral, qui est de
permettre la consultation par (certains) tiers des infor-
mations relatives à ces actes.
Il s’agit des données d’identité des “héritiers” qui sont
mentionnés en cette qualité dans le certificat ou l’acte
d’hérédité conformément à l’article 4.59 du Code civil, tel
que modifié par l’article 40 du projet. L’article 4.2 du Code
civil, tel qu’introduit par la loi du 19 janvier 2022 portant le
livre 2, titre 3, “Les relations patrimoniales des couples”
et le livre 4 “Les successions, donations et testaments”
du Code civil (MB 14 mars 2022), définit clairement la
2774/001
DOC 55
46
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het Burgerlijk Wetboek (BS 14 maart 2022) definieert
duidelijk het onderscheid tussen “erfgerechtigden” en
“erfgenamen” als volgt: “Erfgerechtigden hebben roe-
ping tot de nalatenschap krachtens de wet, of hebben
een algemene roeping of een roeping onder algemene
titel tot de nalatenschap door de wil van de erflater.
Door de aanvaarding van de nalatenschap neemt de
erfgerechtigde de hoedanigheid aan van erfgenaam,
of erfopvolger.”.
De wijzigingen onder d), e) en f) hebben tot doel om de
bepaling af te stemmen op de artikelen 4.59 en 4.126 van
het Burgerlijk Wetboek zoals gewijzigd door dit wets-
ontwerp, daar wordt voorzien dat de gegevens van de
akten en attesten van erfopvolging opgemaakt door de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
worden ingeschreven in het centraal erfrechtregister.
Daartoe dient artikel 4.127 van het Burgerlijk Wetboek
ook te bepalen welke gegevens concreet kunnen wor-
den opgenomen in het register met betrekking tot het
bevoegde kantoor dat de inschrijving doet.
Het advies van de Raad van State (nr. 71 320/1-2-3-4)
om artikel 4.125, 1°, Burgerlijk Wetboek te vervolledigen
om expliciet te voorzien dat een van de doelstellingen
van het register erin bestaat “de permettre la consultation
et la communication aux tiers de l’identité des héritiers”,
kan niet worden bijgetreden. Momenteel voorziet arti-
kel 4.125, 1°, Burgerlijk Wetboek al in het doeleinde om
de raadpleging en de mededeling aan derden mogelijk te
maken van informatie met betrekking tot de akten waarin
de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een
opengevallen nalatenschap zijn geroepen. Aldus blijkt
deze doelstelling reeds voldoende uit artikel 4.125, 1°,
a), Burgerlijk Wetboek aangezien de doelstelling reeds
impliceert dat de identiteit van de personen die tot een
nalatenschap zijn geroepen achterhaald is opdat infor-
matie met betrekking tot de akten waarin de identiteit van
deze personen is opgenomen kan worden geraadpleegd
en meegedeeld aan derden.
Art. 44
De modaliteiten en de kosten van de mededeling in het
Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding
onder voorrecht van boedelbeschrijving moeten door de
Koning bepaald worden. Deze machtiging bestond op
grond van artikel 892/6 van het oud Burgerlijk Wetboek,
maar is niet terug te vinden in het nieuwe Boek 4. Ze
dient daarom te worden herhaald.
distinction entre “successibles” et “héritiers” comme suit:
“Les successibles ont vocation à la succession en vertu
de la loi, ou ont vocation universelle ou à titre universel
à la succession par la volonté du défunt. Le successible
prend, par son acceptation de la succession, la qualité
d’héritier, ou successeur.”.
Les modifications apportées aux points d), e) et f)
visent à mettre la disposition en conformité avec les
articles 4.59 et 4.126 du Code civil, tels que modifiés
par le présent projet de loi, puisqu’il est prévu que les
données des actes et certificats d’hérédité établis par
l’Administration générale de la documentation patrimoniale
soient enregistrées dans le registre central successoral.
À cette fin, l’article 4.127 du Code civil doit également
préciser les données spécifiques qui peuvent être inclues
dans le registre en relation avec le bureau compétent
effectuant l’enregistrement.
La demande du Conseil d’État, dans son avis
(n° 71 320/1-2-3-4), de compléter l’article 4.125, 1°, du
Code civil pour prévoir explicitement que l’une des
finalités du registre est de “permettre la consultation et
la communication aux tiers de l’identité des héritiers”,
ne peut être suivie. Actuellement, l’article 4.125, 1°, du
Code civil prévoit déjà de permettre la consultation et la
communication aux tiers des informations relatives aux
actes déterminant l’identité des personnes appelées à
une succession ouverte. L’article 4.125, 1°, a) du Code
civil démontre déjà suffisamment cette finalité puisque
la finalité implique déjà que l’identité des personnes
qui ont été appelées à une succession soit connue afin
que les informations concernant les actes dans lesquels
l’identité de ces personnes est enregistrée puissent être
consultées et communiquées aux tiers.
Art. 44
Les modalités et les frais de la mention au Moniteur
belge des déclarations d’acceptation sous bénéfice
d’inventaire doivent être déterminées par le Roi. Cette
habilitation existait sous l’article 892/6 de l’ancien Code
civil mais ne se retrouve pas dans le nouveau Livre 4.
Il y a donc lieu de la reprendre.
47
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 45
Deze bepaling beoogt de bescherming van de meta-
gegevens van de erfgenamen in het centraal erfrechtre-
gister. Deze metagegevens zullen enkel toegankelijk zijn
voor de beheerder van de Notariële Aktebank, teneinde
de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun
rechtsvoorganger mogelijk te maken.
Art. 46
Artikel 4.258 van het Burgerlijk Wetboek zoals het werd
gecodificeerd middels de wet van 19 januari 2022 be-
vat een foutieve verwijzing naar de eerste paragraaf.
De oorspronkelijke bepaling (zie DOC 55 1272/001,
p. 367) was opgedeeld in paragrafen. Middels amen-
dement 173 (DOC 55 1272/008, p. 23), dat werd aan-
genomen met 14 stemmen voor en 1 onthouding, werd
de opdeling in paragrafen opgeheven overeenkomstig
de aanbevelingen van de Raad van State en overeen-
komstig opmerking nr. 59 van de Juridische Dienst. Het
gevolg hiervan is dat in de tekst van het tweede lid van
artikel 4.258 verkeerdelijk de verwijzing naar de eerste
paragraaf is blijven staan. Dit amendement is bedoeld
om de juridisch-technische verwijzing te corrigeren en
aldus te verwijzen naar het eerste lid van de bepaling.
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Art. 47
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde-
ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet
worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen
moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het
attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van
de erflater beoogt.
Art. 48
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde-
ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet
worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen
moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het
attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van
de erflater beoogt.
Art. 45
Cette disposition vise à protéger les métadonnées
des héritiers dans le registre central successoral. Ces
métadonnées seront uniquement accessibles au ges-
tionnaire de la Banque des actes notariés, en vue de
permettre l’accès des héritiers aux actes de leur pré-
décesseur en droit.
Art. 46
L’article 4.258 du Code civil tel que codifié par la loi
du 19 janvier 2022 contient une référence erronée au para-
graphe 1er. La disposition initiale (voir DOC 55 1272/001,
p. 367) était divisée en paragraphes. Par l’amende-
ment 173 (DOC 55 1272/008, p. 23), adopté avec 14 voix
pour et 1 abstention, la division en paragraphes a été
supprimée conformément aux recommandations du
Conseil d’État et au commentaire n° 59 du Service
juridique. En conséquence, le texte de l’alinéa 2 de
l’article 4.258 conserve par erreur la référence au para-
graphe 1er. Le but de cet amendement est de corriger
la référence juridique technique et de se référer ainsi à
l’alinéa 1er de la disposition.
CHAPITRE 9
Modifications du Code du recouvrement amiable
et forcé des créances fiscales et non fiscales
Art. 47
La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code
du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales
et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites
dans ces dispositions ne doivent être respectées que
lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération
des avoirs du défunt.
Art. 48
La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code
du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales
et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites
dans ces dispositions ne doivent être respectées que
lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération
des avoirs du défunt.
2774/001
DOC 55
48
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 49
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde-
ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet
worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen
moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het
attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van
de erflater beoogt.
Art. 50
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorde-
ring van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen moet
worden gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen
enkel moeten worden nageleefd wanneer de akte of het
attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van
de erflater beoogt.
HOOFDSTUK 10
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de
spelers
Art. 51
Artikel 61, tweede lid van de wet van 7 mei 1999 op de
kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen
en de bescherming van de spelers wordt toegevoegd
aan de lijst van artikelen waarvoor de kansspelcommis-
sie een administratieve boete kan opleggen. Dit artikel
machtigt de Koning om de nadere regels te bepalen
betreffende de reclame over de kansspelen.
Overeenkomstig artikel 15/3, eerste lid van de kans-
spelwet, legt de kansspelcommissie een administratieve
boete op aan degenen die bepaalde wetsartikelen
overtreden.
Op 4 maart 2021 heeft het Grondwettelijk Hof arti-
kel 15/3 nietig verklaard voor zover het niet voorziet in
de mogelijkheid voor de Kansspelcommissie om de in
dat artikel bedoelde sanctie met uitstel gepaard te doen
gaan. In afwachting van wetgevende maatregelen kan
artikel 15/3 echter nog steeds worden toegepast wan-
neer een inbreuk wordt vastgesteld, het bedrag van de
geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk
en er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen,
mocht de wet in die maatregel hebben voorzien.(B39.3,
arrest nr. 36/2021). Om deze leemte op te vullen is het
Art. 49
La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code
du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales
et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites
dans ces dispositions ne doivent être respectées que
lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération
des avoirs du défunt.
Art. 50
La référence à l’article 4.59 du Code civil dans le Code
du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales
et non fiscales, doit être précisée: les obligations inscrites
dans ces dispositions ne doivent être respectées que
lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération
des avoirs du défunt.
CHAPITRE 10
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux
de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs
Art. 51
L’article 61 alinéa 2 de la loi du 7 mai 1999 sur les
jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs est ajouté à la
liste des articles pour lesquels la commission des jeux
de hasard peut infliger une amende administrative. Cet
article habilite le Roi à déterminer les modalités relatives
à la publicité sur les jeux de hasard.
Conformément à l’alinéa 1er de l’article 15/3 de la
loi sur les jeux de hasard, la Commission des jeux de
hasard impose une amende administrative aux auteurs
d’infractions à certains articles de la loi.
Le 4 mars 2021, la Cour Constitutionnelle a annulé
l’article 15/3 en ce qu’il ne prévoit pas la possibilité pour
la Commission des jeux de hasard d’assortir d’un sursis
la sanction visée dans ledit article. Néanmoins, dans
l’attente d’une intervention législative, l’article 15/3 peut
toujours être appliqué lorsqu’une infraction est constatée,
que le montant de l’amende n’est pas disproportionné
à la gravité de l’infraction et qu’il n’y aurait pas eu lieu
d’accorder un sursis si cette mesure avait été prévue
par la loi (B. 39.3, arrêt n° 36/2021). Afin de combler
cette lacune, il appartient au législateur de déterminer
49
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
aan de wetgever om de procedure en de voorwaarden
voor het verlenen en intrekken van uitstel van executie
op dit gebied vast te stellen.
Daarom wordt een nieuwe paragraaf 6 toegevoegd
aan artikel 15/3 van de Kansspelwet, op grond waarvan
de Commissie kan besluiten de tenuitvoerlegging van de
beslissing tot oplegging van een administratieve boete
op te schorten, mits aan de overtreder niet reeds een
administratieve boete is opgelegd.
Art. 52
Dit artikel vervangt de verwijzing naar de wet van
20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen
voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in
een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen
of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst
betreffende de Europese Economische Ruimte, door de
nieuwe overeenkomstige bepalingen van het Wetboek
van economisch recht.
Art. 53
In haar advies nr. 178/2021 van 4 oktober 2021,
over een ontwerp van koninklijk besluit, doet de
Gegevensbeschermingsautoriteit de aanbeveling tot
aanpassing van artikel 55 van de kansspelwet, teneinde
te preciseren dat “de Kansspelcommissie de verwerkings-
verantwoordelijke is van het EPIS-informatiesysteem,
om elke dubbelzinnigheid te vermijden over de identiteit
van de persoon of entiteit die moet worden beschouwd
als verwerkingsverantwoordelijke en zo de uitoefening
van de rechten van de betrokkene te vergemakkelij-
ken, zoals voorzien in artikelen 12 tot 22 van de AVG.”
(overwegingen 11 en 12)
Het artikel vervangt tevens de verwijzing naar de
“Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer” door “Gegevensbeschermingsautoriteit”.
Art. 54
Het maximumbedrag van de betaling in contanten
in de casino’s wordt verlaagd tot 3 000 euro teneinde
in overeenstemming te zijn met de beperking van het
gebruik van contanten, waarin is voorzien in de wet
van 18 september 2017 “tot voorkoming van het witwas-
sen van geld en de financiering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten”.
la procédure et les conditions de l’octroi et du retrait
d’un sursis en la matière.
Dès lors, un paragraphe 6 est ajouté à l’article 15/3 de
la loi sur les jeux de hasard en vertu duquel la Commission
peut décider qu’il sera sursis à l’exécution de la décision
infligeant une amende administrative pour autant que le
contrevenant ne s’est pas déjà vu infliger une amende
administrative.
Art. 52
Cet article remplace le renvoi à la loi du 20 juillet 1990
“concernant l”accréditation des organismes d’évaluation
de la conformité ou accrédité dans un autre État membre
des Communautés européennes ou dans un autre pays
qui est partie à l’Accord sur l’Espace économique euro-
péen’ par les nouvelles dispositions du Code de droit
économique correspondants.
Art. 53
Dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021, sur un
projet d’arrêté royal, l’Autorité de protection des don-
nées recommande d’adapter l’article 55, de la loi sur
les jeux de hasard pour préciser que “la Commission
des jeux de hasard est le responsable du traitement du
système d’information EPIS afin d’éviter toute ambiguïté
quant à l’identité de la personne ou de l’entité qui doit
être considérée comme responsable du traitement et
de faciliter ainsi l’exercice des droits de la personne
concernée tels que prévus aux articles 12 à 22 du RGPD”
(considérants 11 et 12)
L’article remplace également la référence à “la
Commission de la protection de la vie privée” par “l’Au-
torité de protection des données”.
Art. 54
Le montant maximum du paiement en espèce dans
les casinos est abaissé à 3 000 euros pour s’aligner
sur la limitation de l‘utilisation des espèces prévu dans
la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la prévention du
blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
et à la limitation de l“utilisation des espèces”.
2774/001
DOC 55
50
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 55
Artikel 62, eerste lid, van de kansspelwet bepaalt
de lijst van de persoonsgegevens die verplicht moe-
ten worden opgenomen in het toegangsregister in de
kansspelinrichtingen van de klassen I, II en in de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV. De foto van de spelers
wordt aan de lijst toegevoegd. De foto van de speler is
immers vereist om enige identiteitsfraude te voorkomen.
Naar aanleiding van het advies van de Raad van
State nr. 71 320/1-2-3-4, kunnen de volgende verdui-
delijkingen worden aangebracht:
Overeenkomstig art. 62 moet de exploitant een register
bijhouden, en moet de speler een identiteitsbewijs voorleg-
gen. Nadien moet de speler het register ondertekenen.
Omdat de ondertekening van dat register in het verle-
den als omslachtig, tijdrovend en papier verspillend werd
ervaren door de exploitanten, werd destijds vervangen
door een foto.
Een identiteitsbewijs moet een naam, familienaam,
geboortedatum, foto en handtekening bevatten om de
identiteit van de persoon met zekerheid te kunnen veri-
fiëren. Op het ogenblik dat er zich een speler aandient,
moet de uitbater visueel kunnen verifiëren of de persoon
die zich aandient, dezelfde persoon is als op de foto van
het identiteitsbewijs. Het doel is dus fraude met identi-
teitsbewijzen te voorkomen, allereerst met het oog op
de bescherming van de spelers. Een van de redenen
waarom een speler zich met een vals identiteitsbewijs
zou presenteren, is immers dat hij uitgesloten is en op
die manier toegang tot kansspelen probeert te krijgen.
Indien een uitgesloten speler zich zou aandienen met
een vals identiteitsbewijs, dan kan de Kansspelcommissie
dit nadien enkel controleren op basis van de handtekening
of de foto. Deze mogelijkheid tot controle is nodig om na
te gaan of de exploitanten hun wettelijke verplichtingen
correct nakomen. Op vandaag bestaan mogelijkheden
om digitaal te tekenen, hetgeen in het verleden niet
het geval was. Een handtekening via touchscreen is
echter verre van betrouwbaar (dit is meestal gewoon
een onleesbare krabbel). Een foto is in dat geval veel
makkelijker te controleren.
Er zij op gewezen dat modernisering en digitalisering
van de procedures, zowel in de echte wereld als online,
noodzakelijk zijn op het gebied van kansspelen, maar
deze moeten worden bestudeerd en ontwikkeld met
inachtneming van de bestaande regels, met name die
inzake gegevensbescherming. In de tussentijd wordt
het bestaande systeem gehandhaafd.
Art. 55
L’article 62, alinéa 1er, de la loi sur les jeux de hasard
détermine la liste des données à caractère personnel à
reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux
établissements de jeux de hasard des classes I, II et
aux établissements de jeux de hasard fixes de classe
IV. La photographie des joueurs est ajouté à la liste. En
effet, la photo du joueur est requise pour éviter toute
fraude d‘identité.
Suite à l’avis du Conseil d’État n° 71 320/1-2-3-4, les
précisions suivantes peuvent être apportées:
Selon l‘art. 62, l‘opérateur doit tenir un registre, et le
joueur doit présenter une preuve d‘identité. Ensuite, le
joueur doit signer le registre.
La signature de ce registre ayant été considérée par
le passé comme lourde, chronophage et gaspilleuse
de papier par les opérateurs, elle a été remplacée par
une photographie.
Un document d‘identité doit contenir un nom, un
prénom, une date de naissance, une photographie et
une signature afin de vérifier avec certitude l‘identité de
la personne. Lorsqu‘un joueur se présente, l’exploitant
doit être en mesure de vérifier visuellement si la per-
sonne qui se présente est la même que celle figurant
sur la photo de la carte d‘identité. L‘objectif est donc de
prévenir la fraude aux documents d‘identité, avant tout
dans le but de protéger les joueurs. En effet, un des
raisons pour lesquelles un joueur se présenterait avec
un faux document d‘identité est qu‘il est exclu et tente
d‘accéder aux jeux de hasard de cette manière.
Si un joueur exclu se présente avec une fausse pièce
d‘identité, la Commission des jeux de hasard ne peut le
vérifier par après que sur la base de la signature ou de
la photo. Cette possibilité de contrôle est nécessaire afin
de vérifier que les opérateurs remplissent correctement
leurs obligations légales. Aujourd‘hui, il est possible de
signer numériquement, ce qui n‘était pas le cas dans
le passé. Toutefois, la signature sur écran tactile est
loin d‘être fiable (elle se résume généralement à un
gribouillage illisible). Une photo est beaucoup plus facile
à vérifier dans ce cas.
Il faut préciser qu’une modernisation et une digitalisa-
tion des procédures, tant dans le monde réel qu’en ligne,
sont nécessaires dans la matière des jeux de hasard
mais celles-ci doivent être étudiées et développées en
adéquation avec les règles existantes notamment en
matière de protection des données. En attendant, le
système existant est maintenu.
51
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In haar advies nr. 178/2021 van 4 oktober 2021,
over een ontwerp van koninklijk besluit, doet de
Gegevensbeschermingsautoriteit de aanbeveling tot
aanpassing van artikel 62 van de kansspelwet, teneinde
de doelstelling van het bijhouden van het toegangsre-
gister van de speelzalen van kansspelinrichtingen te
preciseren. (cf. overweging 20).
Naar aanleiding van de aanhangigmaking van een
beroep tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet
van 7 mei 2019 “tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrich-
tingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging
van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationali-
sering van de werking en het beheer van de Nationale
Loterij” bij het Grondwettelijk Hof, vernietigde dit hof in
zijn arrest 177/2021 van 9 december 2021 artikel 31 van
de voormelde wet van 7 mei 2019, enkel in zoverre het
niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren
van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van
de wet van 7 mei 1999 “op de kansspelen, de wedden-
schappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming
van de spelers” bedoelde register zijn ingeschreven en
in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor
het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de
identiteit van de speler blijkt.
Ter herinnering: voornoemd artikel 31 heeft arti-
kel 62 van de kansspelwet van 7 mei 1999 toepas-
selijk gemaakt op vaste kansspelinrichtingen klasse
IV. Artikel 62, eerste lid, bepaalt de persoonsgegevens
die moeten worden ingeschreven in het register dat
de exploitant moet bijhouden. Bij artikel 62, derde lid,
wordt aan de exploitant de verplichting opgelegd om
een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de
speler blijkt, te bewaren gedurende ten minste vijf jaar
na de laatste deelneming aan een kansspel.
De maximumduur inzake bewaring van de gegevens
enerzijds en van de kopie van het stuk dat gediend
heeft tot de identificatie van de speler anderzijds, wordt
vastgesteld op 10 jaar. Zo wordt de bewaartermijn gelijk
gebracht en wordt hiermee aan de wettelijke bewaar-
termijnen voldaan die voorzien zijn in artikel 60 van
de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het
witwassen van geld en de financiering van terrorisme
en tot beperking van het gebruik van contanten.
Art. 56
In zijn arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021 ver-
nietigde het Grondwettelijk Hof artikel 4 van de wet
van 7 mei 2019 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelin-
richtingen en de bescherming van de spelers, en tot
Dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021, sur un
projet d’arrêté royal, l’Autorité de protection des données
recommande d’adapter l’article 62 de la loi sur les jeux de
hasard pour préciser la finalité pour laquelle un registre
des accès aux salles de jeux de hasard doit être tenu.
(Cf. considérant 20)
Saisie d’un recours en annulation totale ou partielle
de la loi du 7 mai 2019 “modifiant la loi du 7 mai 1999 sur
les jeux de hasard, les paris, les établissements de
jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant
l’article 37/1 dans la loi du 19 avril 2002 relative à la
rationalisation du fonctionnement et de la gestion de
la Loterie Nationale”, la Cour constitutionnelle, dans
son arrêt 177/2021 du 9 décembre 2021, a annulé l’ar-
ticle 31 de la loi du 7 mai 2019 précitée, uniquement en
ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conserva-
tion des données à caractère personnel inscrites dans
le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 “sur
les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs” et en ce qu’il ne
prévoit pas de durée maximale de conservation de la
copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur.
Pour rappel, l’article 31 précité a rendu applicable
l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard,
aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV.
L’article 62, alinéa 1er, détermine les données à carac-
tère personnel qui doivent être inscrites dans le registre
que l’exploitant doit tenir. L’article 62, alinéa 3 impose
à l’exploitant de conserver une copie de la pièce ayant
servi à l’identification du joueur pendant au moins cinq
ans à dater de la dernière activité de jeu.
La durée maximale de conservation des données d’une
part et de la copie de la pièce ayant servi à l’identifica-
tion du joueur d’autre part est fixée à 10 ans. De cette
manière, la durée de conservation est harmonisée, et
permet de respecter les délais de conservation légales
prévues par l’article 60 de la loi 18 septembre 2017 du
relative à la prévention du blanchiment de capitaux et
du financement du terrorisme et à la limitation de l‘uti-
lisation des espèces.
Art. 56
Dans son arrêt 177/2021 du 9 décembre 2021, la Cour
constitutionnelle a annulé l’article 4 de la loi du 7 mai 2019
“modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard,
les paris, les établissements de jeux de hasard et la
protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans
2774/001
DOC 55
52
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot
rationalisering van de werking en het beheer van de
Nationale Loterij. Dit artikel 4 had een nieuw artikel 3ter
ingevoerd in de kansspelwet, met betrekking tot inter-
nationale passagiersschepen.
Ingevolge die vernietiging dient te worden overgegaan
tot de opheffing van artikel 62/1, ingevoerd in de kans-
spelwet bij voornoemde wet van 7 mei 2019, dat voorziet
in de toepasselijke sancties ingeval van schending van de
voorwaarden bepaald in artikel 3ter van de kansspelwet.
Art. 57
Momenteel wordt in de kansspelwet niet in een straf-
sanctie voorzien in geval van schending van artikel 61,
tweede lid die de Koning machtigt om de nadere regels
te bepalen betreffende de reclame over de kansspelen.
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004
betreffende de samenwerking met het
Internationaal Strafhof en de internationale
straftribunalen
ALGEMENE TOELICHTING
I. — INLEIDING
Dit hoofdstuk heeft ten doel een technische cor-
rectie aan te brengen in artikel 43 van de wet
van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met
het Internationaal Strafhof en de internationale straftri-
bunalen (hierna “de wet van 29 maart 2004”), alsook
Titel VIquater van voornoemde wet – betreffende de
samenwerking met het internationaal, onpartijdig en
onafhankelijk Mechanisme voor Syrië – aan te passen
teneinde het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot het
geheel van de internationale Onderzoeksmechanismen
die zijn ingesteld door de Verenigde Naties, of door een
andere internationale organisatie waarvan België lid is,
en die het mandaat hebben om tegen de straffeloos-
heid voor de meest ernstige internationale misdaden te
strijden door de uitoefening van bepaalde functies van
gerechtelijke aard.
De tekst van dit hoofdstuk werd opgesteld met me-
dewerking van de Interministeriële Commissie voor
Humanitair Recht (ICHR).
la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du
fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale”.
Cet article 4 avait introduit un nouvel article 3ter dans
la loi sur les jeux de hasard concernant les navires à
passagers internationaux.
Suite à cette annulation, il convient d’abroger l’ar-
ticle 62/1, introduit dans la loi sur les jeux de hasard
par la loi du 7 mai 2019 précitée, qui vise les sanctions
applicable en cas de violation des conditions prescrites
à l’article 3ter de la loi sur les jeux de hasard.
Art. 57
Actuellement, la loi sur les jeux de hasard ne prévoit
pas de sanction pénale en cas d’infraction à l’article 61 ali-
néa 2 qui habilite le Roi à déterminer les modalités
relatives à la publicité sur les jeux de hasard.
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 29 mars 2004
concernant la coopération avec la Cour
pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux
EXPOSÉ GÉNÉRAL
I. — INTRODUCTION
Le présent chapitre a pour but d’apporter une correction
technique à l’article 43 de la loi du 29 mars 2004 concer-
nant la coopération avec la Cour pénale internationale
et les tribunaux pénaux internationaux (ci-après, “la
loi du 29 mars 2004”) et d’adapter le Titre VIquater de
ladite loi – relatif à la coopération avec le Mécanisme
international, impartial et indépendant pour la Syrie –
afin d’étendre son champ d’application à l’ensemble
des Mécanismes d’enquête internationaux créés par
l’Organisation des Nations Unies, ou par une autre orga-
nisation internationale, dont la Belgique est membre, et
qui ont pour mandat de lutter contre l’impunité pour les
crimes internationaux les plus graves par l’exercice de
certaines fonctions à caractère judiciaire.
Le texte de ce chapitre a été rédigé avec la colla-
boration de la Commission Interministérielle de Droit
Humanitaire (CIDH).
53
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In zijn huidige versie doelt Titel VIquater van de wet
van 29 maart 2004 enkel op de samenwerking met het
internationaal, onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme
belast met het ondersteunen van de onderzoeken naar
de meest ernstige schendingen van internationaal recht
die zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië
sinds maart 2011 en het helpen bij de berechting van de
personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, en dat is in-
gesteld bij resolutie 71/248 van de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties van 21 december 2016.
Deze instantie heeft tot doel de straffeloosheid van
daders van de meest ernstige internationale misdaden be-
gaan in de Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 te
bestrijden, en te garanderen dat de verantwoordelijken
voor schendingen van het internationaal humanitair
recht, voor schendingen van de rechten van de mens
en voor inbreuken op dat recht die begaan zijn in dat
land zich daadwerkelijk rekenschap geven van al hun
daden (Res. 71/248, beschikkend gedeelte, § 2).
De afgelopen jaren zijn er nog meer Mechanismen
of soortgelijke structuren ingesteld door de Verenigde
Naties of door andere internationale organisaties, en
waarvan het in de bedoeling ligt dat zij samenwerken
met de Staten in het kader van de uitoefening van hun
mandaat.
Dat is met name het geval voor het onafhankelijk
Onderzoeksmechanisme voor Myanmar; het Team van
onderzoekers belast met de ondersteuning van de inspan-
ningen geleverd op nationaal vlak om de Islamitische
Staat in Irak en de Levant (IS) ertoe te brengen reken-
schap en verantwoording af te leggen voor de in Irak
gepleegde daden die oorlogsmisdaden, misdaden tegen
de mensheid en misdaden van genocide kunnen vormen;
en voor structuren ingesteld door de Organisatie voor
het Verbod op Chemische Wapens (hierna “de OPCW”)
in het kader van de onderzoeken met betrekking tot het
gebruik van chemische wapens in Syrië.
De voorgestelde aanpassingen in Titel VIquater van de
wet van 29 maart 2004 hebben ten doel het toepassings-
gebied van deze Titel uit te breiden, zodat een algemeen
wettelijk kader wordt verschaft aan de samenwerking van
België met het geheel van de Onderzoeksmechanismen
die het mandaat hebben om tegen straffeloosheid voor de
meest ernstige internationale misdaden te strijden door
de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke
aard, en die ingesteld zijn door ofwel de Verenigde Naties,
ofwel een andere internationale organisatie waarvan
België lid is, ongeacht de precieze benaming ervan
(“Mechanisme”, “Team van onderzoekers”, “Gezamenlijk
onderzoeksteam”, …).
Dans sa version actuelle, le Titre VIquater de la loi
du 29 mars 2004 vise uniquement la coopération avec
le Mécanisme international, impartial et indépendant
chargé de faciliter les enquêtes sur les violations les plus
graves du droit international commises en République
arabe syrienne depuis mars 2011 et d’aider à juger les
personnes qui en sont responsables, créé par la résolu-
tion 71/248 de l’Assemblée générale des Nations Unies
du 21 décembre 2016.
Cette institution a pour objet de lutter contre l’impu-
nité des auteurs des crimes de droit international les
plus graves commis en République arabe syrienne
depuis mars 2011 et d’assurer que “les responsables de
violations du droit international humanitaire, de violations
du droit des droits de l’homme et d’atteintes à ce droit
commises dans le pays rendent véritablement compte de
l’ensemble de leurs actes” (Rés. 71/248, dispositif, § 2).
Ces dernières années, d’autres Mécanismes ou
structures similaires ont été mis en place par l’Organi-
sation des Nations Unies, ou par d’autres organisations
internationales, et sont appelés à coopérer avec les États
dans le cadre de l’exercice de leur mandat.
C’est notamment le cas du Mécanisme d’enquête
indépendant pour le Myanmar, de l’Équipe d’enquêteurs
chargée d’appuyer les efforts engagés à l’échelle natio-
nale pour amener l’État islamique d’Irak et du Levant
(Daech) à rendre compte des actes susceptibles de
constituer des crimes de guerre, des crimes contre
l’humanité et des crimes de génocide perpétrés en Irak,
et de structures mises en place par l’Organisation pour
l’interdiction des armes chimiques (ci-après, “l’OIAC”)
dans le cadre des enquêtes relatives à l’utilisation d’armes
chimiques en Syrie.
Les adaptations qu’il est proposé d’apporter au
Titre VIquater de la loi du 29 mars 2004 ont pour but
d’étendre le champ d’application de ce Titre pour donner
un cadre légal général à la coopération de la Belgique
avec l’ensemble des Mécanismes d’enquête ayant pour
mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes inter-
nationaux les plus graves, par l’exercice de certaines
fonctions à caractère judiciaire, créés soit par l’Organi-
sation des Nations Unies, soit par une autre organisation
internationale dont la Belgique est membre, quelle que
soit leur dénomination précise (“Mécanisme”, “Équipe
d’enquêteurs”, “Équipe d’enquête conjointe”, …).
2774/001
DOC 55
54
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Onderstaande paragrafen omvatten nadere toelichtin-
gen over, bij wijze van voorbeeld, het mandaat van het
onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar
(II) en behandelen de overige Mechanismen die gedekt
zijn door Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004
(III). Voorts wordt toegelicht hoe de uitbreiding van het
toepassingsgebied van Titel VIquater leidt tot de inper-
king van het toepassingsgebied van Titel VIquinquies
(IV). Tot slot volgt nog enige uitleg over de keuze van
het communicatiekanaal (V).
II. — ONAFHANKELIJK ONDERZOEKS-
MECHANISME VOOR MYANMAR
Op 25 september 2018 is de VN-Mensenrechtenraad,
bij resolutie 39/2, overgegaan tot het instellen van een
onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar,
belast met het verzamelen, groeperen, vrijwaren en
analyseren van bewijsmateriaal dat duidt op het ple-
gen van de meest ernstige internationale misdaden en
schendingen van het internationaal recht in Myanmar
sinds 2011, en met het samenstellen van de dossiers
met het oog op het faciliteren en versnellen van billijke,
onafhankelijke strafprocedures die in overeenstem-
ming zijn met de normen van het internationaal recht,
voor de nationale, regionale of internationale hoven
of rechtbanken die de bevoegdheid hebben of zullen
kunnen hebben om kennis te nemen van die misdaden
overeenkomstig het internationaal recht (hierna “het
onafhankelijk Onderzoeksmechanisme”).
Dit nieuwe orgaan heeft als missie te strijden tegen
de straffeloosheid van daders van de meest ernstige
internationale misdaden gepleegd in Myanmar sinds 2011.
Het werd ingesteld door de Mensenrechtenraad naar
aanleiding van de vaststelling dat, volgens de beschik-
bare informatie en in het bijzonder de informatie ingeza-
meld door de onafhankelijke internationale fact-finding
missie (die voorafgaandelijk was ingesteld door de
raad en gedekt is door Titel VIquinquies van de wet
van 29 maart 2004), er voldoende elementen aanwezig
zijn als motivering voor het instellen van gerechtelijke
onderzoeken en vervolging tegen de verantwoordelijken
voor internationale misdaden gepleegd in Myanmar
sinds 2011.
In paragrafen 25 en 28 van resolutie 39/2 verzoekt
de Mensenrechtenraad aan de secretaris-generaal
van de Verenigde Naties om de nodige maatregelen te
treffen teneinde de goede werking van het onafhankelijk
Onderzoeksmechanisme te verzekeren. Aansluitend
toonde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties
zich, bij resolutie 73/264 aangenomen op 22 decem-
ber 2018, verheugd over het instellen van het onafhankelijk
Les paragraphes ci-dessous exposent plus en détails,
à titre d’exemples, le mandat du Mécanisme d’enquête
indépendant pour le Myanmar (II) et traiteront des autres
Mécanismes couverts par le Titre VIquater de la loi
du 29 mars 2004 (III). En outre, il sera expliqué en quoi
l’extension du champ d’application du Titre VIquater
conduit à la réduction du champ d’application du
Titre VIquinquies (IV). Enfin, une explication sera don-
née sur le choix du canal de communication (V).
II. — LE MÉCANISME D’ENQUÊTE INDÉPENDANT
POUR LE MYANMAR
Le 25 septembre 2018, le Conseil des droits de
l’homme des Nations Unies a créé, par sa résolution 39/2,
un Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar
chargé de recueillir, de regrouper, de préserver et d’ana-
lyser les éléments de preuve attestant la commission
de crimes internationaux les plus graves et de violations
du droit international au Myanmar depuis 2011, et de
constituer des dossiers en vue de faciliter et de diligenter
des procédures pénales équitables, indépendantes et
conformes aux normes du droit international devant des
cours ou tribunaux nationaux, régionaux ou internationaux
qui ont ou pourront avoir compétence pour connaître de
ces crimes conformément au droit international (ci-après,
“le Mécanisme d’enquête indépendant”).
Ce nouvel organe a pour mission de lutter contre
l’impunité des auteurs des crimes internationaux les
plus graves commis au Myanmar depuis 2011. Il a été
établi par le Conseil des droits de l’homme à la suite
du constat que d’après les informations disponibles,
en particulier celles récoltées par la mission internatio-
nale indépendante d’établissement des faits (qu’il avait
préalablement mise en place et qui est couverte par le
Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004), il existe suf-
fisamment d’éléments pour justifier l’ouverture d’enquêtes
et de poursuites judiciaires contre les responsables de
crimes internationaux commis au Myanmar depuis 2011.
Par les paragraphes 25 et 28 de sa résolution 39/2,
le Conseil des droits de l’homme prie le Secrétaire
général des Nations Unies de prendre les mesures
nécessaires pour assurer le bon fonctionnement du
Mécanisme d’enquête indépendant. Dans la foulée,
l’Assemblée générale des Nations Unies s’est félicitée,
par sa résolution 73/264 adoptée le 22 décembre 2018,
de la création du Mécanisme d’enquête indépendant et
55
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Onderzoeksmechanisme, en vroeg zij om zo snel mogelijk
de nodige maatregelen te nemen teneinde de goede
werking ervan te garanderen.
Op grond van die bepalingen heeft het Secretariaat
van de Verenigde Naties het mandaat van het onafhan-
kelijk Onderzoeksmechanisme (hierna ‘het mandaat)
uitgewerkt, steunend op ervaringen met vergelijkbare
onderzoeksmechanismen. Dat mandaat is gevoegd in
bijlage bij een brief van 16 januari 2019, die door de
secretaris-generaal gericht werd aan de voorzitster van
de Algemene Vergadering.
Met toepassing van dat mandaat wordt de actie van
het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme uitgesplitst
in twee delen. Ten eerste is dit orgaan belast met het
verzamelen, hergroeperen, vrijwaren en analyseren van
bewijsmateriaal dat duidt op het plegen van de meest
ernstige internationale misdaden en van schendingen
van het internationaal recht in Myanmar sinds 2011.
Ten tweede dient het orgaan dossiers samen te stellen
met het oog op het faciliteren en versnellen van billijke,
onafhankelijke strafprocedures die in overeenstemming
zijn met de normen van het internationaal recht, voor de
nationale, regionale of internationale hoven of rechtbanken
die de bevoegdheid hebben of zullen kunnen hebben
om kennis te nemen van die misdaden overeenkomstig
het internationaal recht.
In het kader van het eerste gedeelte van zijn mandaat
verzamelt het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme
bewijsmateriaal en inlichtingen bij verschillende bron-
nen, in het bijzonder bij de onafhankelijke internationale
fact-finding missie betreffende Myanmar, maar ook bij
alle bronnen die noodzakelijk of gepast worden geacht,
met name betrokken nationale autoriteiten, entiteiten
van het VN-stelsel, nationale, regionale of internationale
instellingen of organisaties, niet-gouvernementele orga-
nisaties, andere niet-statelijke entiteiten, rechtspersonen,
ondernemingen uit de private sector of andere groepen of
individuen, op verzoek van het Mechanisme of op initiatief
van die bronnen (paragraaf 8, b), van het mandaat). Die
informatie zal vervolgens worden onderworpen aan een
analyse – gestoeld op de erkende normen en principes
inzake bewijs en methodologie geldend binnen de voor-
naamste mondiale rechtsstelsels (paragraaf 9 van het
mandaat) – en geklasseerd, gevrijwaard en opgeslagen.
In het kader van het tweede deel van zijn missie zal
het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme overgaan tot
het samenstellen van dossiers die het misdadige gedrag
van de verantwoordelijken aan het licht brengen, teneinde
billijke en onafhankelijke strafprocedures te faciliteren
en te versnellen (paragraaf 15 van het mandaat).
a demandé que les mesures nécessaires soient prises
pour assurer son bon fonctionnement dès que possible.
Sur la base de ces dispositions, le Secrétariat des
Nations Unies a élaboré le mandat du Mécanisme
d’enquête indépendant (ci-après, “le mandat”) en se
fondant sur l’expérience tirée de mécanismes d’enquête
comparables. Ce mandat est annexé à une lettre, datée
du 16 janvier 2019, adressée par le Secrétaire général
à la Présidente de l’Assemblée générale.
En application dudit mandat, l’action du Mécanisme
d’enquête indépendant est déclinée en deux volets. D’une
part, il est chargé de recueillir, regrouper, préserver et
analyser les éléments de preuve attestant de la com-
mission de crimes internationaux les plus graves et de
violations du droit international au Myanmar depuis 2011.
D’autre part, il doit constituer des dossiers en vue de
faciliter et de diligenter des procédures pénales équi-
tables, indépendantes et conformes aux normes du droit
international devant des cours ou tribunaux nationaux,
régionaux ou internationaux qui ont ou pourront avoir
compétence pour connaître de ces crimes conformément
au droit international.
Dans le cadre du premier volet de son mandat, le
Mécanisme d’enquête indépendant va recueillir des
éléments de preuve et des renseignements auprès de
différentes sources, en particulier auprès de la mission
internationale indépendante d’établissement des faits sur
le Myanmar, mais également auprès de toutes “sources
jugées nécessaires ou appropriées, notamment des
autorités nationales concernées, d’entités du système
des Nations Unies, d’organisations ou institutions inter-
nationales, régionales ou nationales, d’organisations
non gouvernementales, d’autres entités non étatiques,
personnes morales, sociétés du secteur privé ou autres
groupes ou individus, à [la] demande [du Mécanisme]
ou à l’initiative de ces sources” (paragraphe 8, b), du
mandat). Ces informations seront ensuite analysées –
en “s’inspirant des normes et principes reconnus en
matière de preuve et de méthodologie dans les principaux
systèmes juridiques du monde” (paraphe 9 du mandat),
classées, préservées et stockées.
Dans le cadre du second volet de sa mission, le
Mécanisme d’enquête indépendant va constituer des
“dossiers mettant en lumière le comportement criminel des
personnes responsables, afin de faciliter et de diligenter
des procédures pénales équitables et indépendantes”
(paragraphe 15 du mandat).
2774/001
DOC 55
56
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Die dossiers worden vervolgens gedeeld met de na-
tionale, regionale en internationale rechtbanken die de
bevoegdheid hebben of zullen kunnen hebben om kennis
te nemen van de gepleegde misdaden overeenkomstig
het internationaal recht (paragraaf 18 van het mandaat).
Net als het internationaal, onpartijdig en onafhan-
kelijk Mechanisme voor Syrië (zie in dat verband de
toelichting in de memorie van toelichting bij de wet
van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen in straf-
zaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet
van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het
Sociaal Strafwetboek – Gedr. St., Kamer, gewone zitting,
2018-2019, nr. 54-3515/001, blz. 208 tot en met 213), is
het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme voor Myanmar
dus een hybride instelling, die zich halverwege tussen
de internationale onderzoekscommissie en een inter-
nationaal strafgerecht beweegt.
Zijn missie is immers ruimer opgevat dan die van een
klassieke onderzoekscommissie, vermits het onafhan-
kelijk Onderzoeksmechanisme, naast de vaststelling
van feiten, systematisch een analyse zal verrichten
van het beschikbare bewijsmateriaal met het oog op
het samenstellen van dossiers. Tezelfdertijd is het niet
zijn roeping om zelf degenen te berechten die verdacht
worden van schendingen van het internationaal recht.
In zijn resolutie 39/02 lanceert de Mensenrechtenraad
de oproep aan alle Staten, alsook aan de regering van
Myanmar en aan haar onafhankelijke onderzoekscommis-
sie, om ten volle samen te werken met het mechanisme
zodat het zich doelmatig kan kwijten van zijn mandaat
en, in het bijzonder, het in kennis te stellen van alle
informatie of documenten waarover zij beschikken of
zouden kunnen beschikken in de toekomst, alsook enige
andere vorm van bijstand te verlenen die betrekking heeft
op hun respectieve mandaten. De samenwerking van
België met het onafhankelijk Onderzoeksmechanisme
valt dus niet onder een internationale verplichting. Zij
past evenwel in de traditie van goede samenwerking
van het Koninkrijk met de internationale hoven en recht-
banken en de overige instrumenten voor internationale
strafrechtsbedeling.
Voorts, waar het gaat om de praktische samenwer-
kingsmodaliteiten, wordt in de bepalingen van het mandaat
(paragrafen 35 tot en met 41) van het Mechanisme onder
meer gepreciseerd dat het Mechanisme gemachtigd is
tot het afsluiten van akkoorden namens de VN met elke
Staat, organisatie of entiteit omwille van de uitvoering
van zijn mandaat (paragraaf 36 van het mandaat), en
dat het Mechanisme samenwerkt met de Staten, met
name in het kader van akkoorden inzake wederzijdse
rechtshulp, indien nodig en voor zover nodig, of van
specifieke akkoorden die daartoe zijn afgesloten, in
Ces dossiers seront ensuite partagés avec les cours
ou tribunaux nationaux, régionaux ou internationaux qui
ont ou pourront avoir compétence pour connaître des
crimes commis conformément au droit international
(paragraphe 18 du mandat).
Comme le Mécanisme international, impartial et indé-
pendant pour la Syrie (voy. à ce sujet les développements
de l’exposé des motifs de la loi du 5 mai 2019 portant des
dispositions diverses en matière pénale et en matière
de cultes, et modifiant la loi du 28 mai 2002 relative à
l’euthanasie et le Code pénal social – Doc. parl., Ch. repr.,
sess. ord. 2018-2019, n° 54-3515/001, pp. 208 à 213),
le Mécanisme d’enquête indépendant pour le Myanmar
est donc une institution hybride, à mi-chemin entre la
commission d’enquête internationale et une juridiction
pénale internationale.
En effet, sa mission est plus large que celle d’une
commission d’enquête traditionnelle puisqu’au-delà de
la constatation des faits, le Mécanisme d’enquête indé-
pendant va analyser systématiquement les éléments de
preuve disponibles pour constituer des dossiers. Dans
le même temps, il n’a pas vocation à juger lui-même les
personnes suspectées d’avoir commis des violations du
droit international.
Dans sa résolution 39/02, le Conseil des droits de
l’homme “demande à tous les États, ainsi qu’au gou-
vernement du Myanmar et à sa commission d’enquête
indépendante, de coopérer pleinement avec le mécanisme
afin qu’il puisse s’acquitter efficacement de son mandat
et, en particulier, de lui fournir toute information ou tout
document dont ils disposent ou dont ils pourraient dis-
poser à l’avenir, ainsi que toute autre forme d’assistance
touchant à leurs mandats respectifs, […]”. La coopération
de la Belgique avec le Mécanisme d’enquête indépendant
ne relève donc pas d’une obligation internationale. Elle
s’inscrit toutefois dans la tradition de bonne coopération
du Royaume avec les cours et tribunaux internationaux
et les autres instruments de justice pénale internationale.
Par ailleurs, s’agissant des modalités pratiques de coo-
pération, les dispositions du mandat (paragraphes 35 à 41)
du Mécanisme précisent notamment que “le Mécanisme
est habilité à conclure au nom de l’Organisation des
accords avec tout État, organisation ou entité aux fins de
l’exécution de son mandat.” (paragraphe 36 du mandat)
et que “le Mécanisme coopère avec les États, notamment
dans le cadre d’accords d’entraide judiciaire, si nécessaire
et selon qu’il convient, ou d’accords spéciaux conclus
à ces fins, en particulier pour recevoir d’eux tous ren-
seignements, documents ou éléments de preuve qu’ils
57
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het bijzonder voor het ontvangen van hen van enerlei
inlichtingen, documenten of bewijsmateriaal die zij kun-
nen bezitten en die onder hun mandaat vallen, onder
voorbehoud van de restricties of voorwaarden zij kun-
nen vastleggen voor integrale of partiële mededeling
van de inlichtingen, documenten of bewijsmateriaal in
kwestie (paragraaf 38 van het mandaat).
Een soort akkoord dat het Mechanisme zou kunnen
afsluiten in het kader van zijn functies van gerechtelijke
aard is een akkoord inzake bescherming van bedreigde
getuigen, waardoor het Mechanisme de medewerking
van bepaalde Staten zou kunnen verkrijgen om de
bescherming te garanderen van getuigen die in een
risicosituatie terechtgekomen zijn vanwege hun getuige-
nis ten aanzien van het Mechanisme in het kader van
het verzamelen van bewijsmateriaal.
III. — ANDERE MECHANISMEN BEOOGD DOOR
TITEL VIQUATER
Titel VIquater, zoals ter aanpassing voorgesteld,
beoogt zowel de Onderzoeksmechanismen die zijn
ingesteld door de Verenigde Naties, als die welke zijn
ingevoerd door een andere internationale organisatie
waarvan België lid is.
In dat verband kunnen we als voorbeeld verwijzen
naar de organen die sinds 2014 ingevoerd zijn door de
OVCW in het kader van de onderzoeken die gevoerd zijn
naar aanleiding van het gebruik van chemische wapen
bij vijandelijkheden in Syrië.
Naar aanleiding van aanhoudende beweringen over
het inzetten van chemische wapens in Syrië heeft de
OVCW een fact-finding missie ingesteld, die belast was
met het vaststellen van de feiten met betrekking tot de
beweringen omtrent het inzetten van toxische chemische
wapens, van chloor volgens bepaalde bronnen, voor
vijandige doeleinden in de Arabische Republiek Syrië.
Zij heeft haar activiteiten sindsdien voortgezet. Die fact-
finding missie wordt gedekt door Titel VIquinquies van
de wet van 29 maart 2004, aangezien ze geen activiteit
van gerechtelijke aard uitoefent.
De conclusies van de fact-finding missie heb-
ben geleid tot het instellen van een gezamenlijk
Onderzoeksmechanisme tussen de OVCW en de VN,
in de hoedanigheid van onafhankelijk orgaan ingesteld
door de Veiligheidsraad bij resolutie 2235 van 7 augus-
tus 2015. Dat Mechanisme was belast met het iden-
tificeren, zoveel mogelijk, van personen, entiteiten,
groepen of regeringen die het gebruik als wapen van
chemische stoffen, waaronder chloor of enig ander
peuvent détenir et relevant de son mandat, sous réserve
des restrictions ou conditions qu’ils peuvent fixer pour
communiquer en tout ou en partie les renseignements,
documents ou éléments de preuve en question.” (para-
graphe 38 du mandat).
Un type d’accord que le Mécanisme pourrait conclure
dans le cadre de ses fonctions à caractère judiciaire
serait un accord de protection de témoins menacés
permettant au Mécanisme d’obtenir la coopération de
certains États pour assurer la protection de témoins
mis en situation de risque en raison de leur témoignage
auprès du Mécanisme dans le cadre de la récolte des
éléments de preuve.
III. — AUTRES MÉCANISMES VISÉS PAR LE
TITRE VIQUATER
Le Titre VIquater tel qu’il est proposé de l’adapter visera
tant les Mécanismes d’enquête créés par l’Organisation
des Nations Unies que ceux mis en place par une autre
organisation internationale dont la Belgique est membre.
À cet égard, on peut citer, à titre d’exemple, les organes
mis en place depuis 2014 par l’OIAC dans le cadre des
enquêtes menées à la suite de l’utilisation d’armes
chimiques dans le cadre des hostilités en Syrie.
À la suite des allégations persistantes d’emploi d’armes
chimiques en Syrie, l’OIAC a mis en place, en 2014, une
mission d’établissement des faits chargée d’ “établir
les faits relatifs aux allégations d’emploi de produits
chimiques toxiques, du chlore selon certaines sources,
à des fins hostiles en République arabe syrienne”. Elle
poursuit ses activités depuis lors. Cette mission d’éta-
blissement des faits est couverte par le Titre VIquinquies
de la loi du 29 mars 2004, étant donné qu’elle n’exerce
pas d’activité à caractère judiciaire.
Les conclusions de la mission d’établissement des faits
ont mené à la création d’un Mécanisme d’enquête conjoint
entre l’OIAC et l’ONU, en tant qu’organe indépendant
établi par le Conseil de sécurité des Nations Unies par
sa résolution 2235, du 7 août 2015. Ce Mécanisme était
chargé “d’identifier dans toute la mesure possible les
personnes, entités, groupes ou gouvernements qui ont
perpétré, organisé ou commandité l’utilisation comme
armes, en République arabe syrienne, de produits
2774/001
DOC 55
58
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toxisch chemisch product, in de Arabische Republiek
Syrië hebben bewerkstelligd, georganiseerd of gefinan-
cierd, of die daaraan op een of andere wijze hebben
deelgenomen, in de gevallen waarin de fact-finding
Missie van de OVCW vaststelt of vastgesteld heeft dat
chemische producten, waaronder chloor of enig ander
toxisch chemisch product, gebruikt zijn of waarschijnlijk
gebruikt zijn als wapen in de Arabische Republiek Syrië
(paragraaf 5 van resolutie 2235).
In het licht van zijn missies zou dit Mechanisme gedekt
zijn door Titel VIquater, zoals ter aanpassing voorgesteld.
Nadat het mandaat van het Mechanisme tweemaal
was verlengd door de Veiligheidsraad, liep het evenwel
af in november 2017 wegens het uitblijven van een ak-
koord binnen de Raad over een nieuwe verlenging ervan.
Met het oog op de voortzetting van de werkzaamheden
rond de identificatie van degenen die verantwoordelijk
zijn voor het inzetten van chemische wapens in Syrië,
en naast de werkzaamheden van de voornoemde fact-
finding missie, heeft de OVCW, bij een beslissing getiteld
“Tegengaan van de dreiging die gevormd wordt door
het inzetten van chemische wapens”, aangenomen
op 27 juni 2018 op haar vierde buitengewone zitting,
dan een Onderzoeks- en identifcatieteam opgericht dat
belast is met het identificeren van de daders achter het
inzetten van chemische wapens in de gevallen die onder
de actieradius van het Team vallen, dat wil zeggen elk
gebruik of vermoedelijk gebruik van dergelijke wapens
waarvan de fact-finding missie vastgesteld heeft dat het
heeft plaatsgehad (blz. 9 van het eerste verslag van het
Onderzoeks- en identifcatieteam van de OVCW, met
toepassing van paragraaf 10 van beslissing C-SS-4/
DEC.3 “Tegengaan van de dreiging die gevormd wordt
door het inzetten van chemische wapens” ltamenah
(Arabische Republiek Syrië), van 8 april 2020).
Dit Onderzoeks- en identificatieteam wordt gedekt
door Titel VIquinquies van de wet van 29 maart 2004,
aangezien het geen activiteit van gerechtelijke aard uit-
oefent. Het is echter niet onmogelijk dat de OVCW of een
andere internationale organisatie waarvan België lid is, in
de toekomst een internationaal Onderzoeksmechanisme
instelt dat activiteiten van gerechtelijke aard zou uitoe-
fenen. Teneinde de wet van 29 maart 2004 in dat geval
niet opnieuw te hoeven wijzigen, wijzigt dit ontwerp
dientengevolge de wet.
chimiques, y compris le chlore ou tout autre produit
chimique toxique, ou qui y ont participé d’une manière ou
d’une autre, dans les cas où la Mission d’établissement
des faits de l’OIAC détermine ou a déterminé que des
produits chimiques, y compris le chlore ou tout autre
produit chimique toxique, ont été utilisés ou ont proba-
blement été utilisés comme arme en République arabe
syrienne, (…)” (paragraphe 5 de la résolution 2235).
Au vu de ses missions, ce Mécanisme d’enquête
serait couvert par le Titre VIquater tel qu’il est proposé
de le modifier.
Toutefois, après avoir été prorogé à deux reprises par
le Conseil de sécurité, le mandat du Mécanisme a pris
fin en novembre 2017, faute d’accord au sein du Conseil
quant à une nouvelle prolongation de ce mandat.
Afin de poursuivre les travaux relatifs à l’identifica-
tion des personnes responsables de l’emploi d’armes
chimiques en Syrie, et en parallèle des travaux de la
mission d’établissement des faits susmentionnée, l’OIAC a
alors établi, par une décision intitulée “Contrer la menace
que constitue l’emploi d’armes chimiques”, adoptée
le 27 juin 2018, lors de sa quatrième session extraordi-
naire, une Équipe d’enquête et d’identification chargée
d’ “identifier les auteurs de l’emploi d’armes chimiques”
dans les cas qui sont du ressort de l’Équipe, c’est-à-dire,
“tout emploi ou tout emploi probable de telles armes
dont la Mission [d’établissement des faits de l’OIAC] a
déterminé qu’il a eu lieu”. (p. 9 du 1er rapport de l’Équipe
d’enquête et d’identification de l’OIAC en application du
paragraphe 10 de la décision C-SS-4/DEC.3 “contrer
la menace que constitue l’emploi d’armes chimiques”
ltamenah (République arabe syrienne), du 8 avril 2020).
Cette Équipe d’enquête et d’identification relève du
Titre VIquinquies de la loi du 29 mars 2004, étant donné
qu’elle n’exerce pas d’activité à caractère judiciaire.
Toutefois, il n’est pas impossible qu’à l’avenir l’OIAC ou
une autre organisation internationale dont la Belgique
est membre, crée un Mécanisme d’enquête interna-
tionale exerçant des activités à caractère judiciaire.
De manière à ne pas devoir à nouveau changer la loi
du 29 mars 2004 dans ce cas, le présent projet modifie
la loi en conséquence.
59
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
IV. — INPERKING VAN HET
TOEPASSINGSGEBIED VAN TITEL VIQUINQUIES
INGEVOLGE DE UITBREIDING VAN HET
TOEPASSINGSGEBIED VAN TITEL VIQUATER
Ingevolge de uitbreiding van het toepassingsge-
bied van Titel VIquater zullen bepaalde structuren die
voorheen vielen onder Titel VIquinquies van de wet
van 29 maart 2004, in verband met de Onderzoeksteams,
gedekt worden door Titel VIquater. Dat is met name
het geval met het Team van onderzoekers dat is belast
met de ondersteuning van de inspanningen geleverd
op nationaal vlak om de Islamitische Staat in Irak en
de Levant (IS) ertoe te brengen rekenschap en verant-
woording af te leggen voor de in Irak gepleegde daden
die oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid en
misdaden van genocide kunnen vormen (hierna “het
Team van onderzoekers”).
De missie van het Team van onderzoekers zoals
omschreven in de instrumenten in verband met de
oprichting ervan (cf. Resolutie 2379 (2017)) van de VN-
Veiligheidsraad van 21 september 2017 en het mandaat
van het Team van onderzoekers zoals gepresenteerd
door de secretaris-generaal aan de Veiligheidsraad
op 9 februari 2018, met referentienummer S/2018/118),
vertoont immers ook overeenkomsten met functies
van gerechtelijke aard. Het is belast met, ten eerste,
het verzamelen van bewijsmateriaal met betrekking tot
door de Islamitische Staat in Irak en de Levant (IS) in
Irak gepleegde daden die oorlogsmisdaden, misdaden
tegen de mensheid en misdaden van genocide kunnen
vormen, en, ten tweede, het bewaren en opslaan van
dat bewijsmateriaal zodat het in de meest ruime zin kan
worden gebruikt voor de Iraakse nationale rechtbanken
of voor het completeren van de onderzoeken gevoerd
door de overheden van derde landen op hun verzoek.
V. — KEUZE VAN HET COMMUNICATIEKANAAL
Wat betreft het communicatiekanaal dient te wor-
den gepreciseerd dat, hoewel artikel 93 van de wet
van 29 maart 2004 in beginsel voorziet in een direc-
te communicatie tussen de centrale autoriteit en het
Mechanisme voor de overzending van verzoeken om
wederzijdse rechtshulp, zulks de centrale autoriteit niet
belet om een beroep te doen op het diplomatische kanaal
wanneer dat nodig kan blijken voor het garanderen van
een optimale samenwerking met het desbetreffende
Mechanisme.
Dat zal België in staat stellen om gebruik te ma-
ken van het meest directe maar ook meest beveiligde
IV. — RÉDUCTION DU CHAMP D’APPLICATION
DU TITRE VIQUINQUIES À LA SUITE DE
L’EXTENSION DU CHAMP D’APPLICATION DU
TITRE VIQUATER
On notera qu’à la suite de l’extension du champ d’appli-
cation du Titre VIquater, certaines structures qui, précé-
demment, tombaient sous le coup du Titre VIquinquies
de la loi du 29 mars 2004 relatif aux Équipes d’enquête,
seront couvertes par le Titre VIquater. C’est le cas, en
particulier, de l’Équipe d’enquêteurs chargée d’appuyer
les efforts engagés à l’échelle nationale pour amener l’État
islamique d’Irak et du Levant (Daech) à rendre compte des
actes susceptibles de constituer des crimes de guerre,
des crimes contre l’humanité et des crimes de génocide
perpétrés en Irak (ci-après, “l’Équipe d’enquêteurs”).
En effet, la mission de l’Équipe d’enquêteurs telle
que définie dans ses instruments fondateurs (voy. la
résolution 2379 (2017) du Conseil de sécurité des
Nations Unies du 21 septembre 2017 et le mandat de
l’Équipe d’enquêteurs présenté par le Secrétaire général
au Conseil de sécurité le 9 février 2018, sous la cote
S/2018/118) correspond également à des fonctions à
caractère judiciaire. Celle-ci est chargée, d’une part,
de recueillir des éléments de preuve concernant des
actes qui sont susceptibles de constituer des crimes de
guerre, des crimes contre l’humanité ou des crimes de
génocide commis par l’EIIL (Daech) en Irak et, d’autre
part, de conserver et de stocker ces éléments de preuve
afin qu’ils puissent être utilisés le plus largement pos-
sible devant les tribunaux nationaux irakiens ou pour
compléter les enquêtes menées par les autorités de
pays tiers à leur demande.
V. — CHOIX DU CANAL DE COMMUNICATION
Concernant le canal de communication, il convient
de préciser que bien que l’article 93 de la loi
du 29 mars 2004 prévoit, en principe, une communication
directe entre l’autorité centrale et le Mécanisme pour la
transmission des demandes d’entraide judiciaire, cela
n’empêche pas l’autorité centrale de recourir au canal
diplomatique lorsque cela peut s’avérer nécessaire pour
assurer la meilleure coopération avec le Mécanisme
concerné.
Cela permettra à la Belgique d’utiliser le canal de
communication le plus direct mais aussi le plus sécurisé
2774/001
DOC 55
60
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
communicatiekanaal teneinde de samenwerking met
die instrumenten voor internationale strafrechtsbedeling
te verzekeren.
TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
Art. 58
Dit artikel behelst een technische correctie van de
Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van de wet
van 29 maart 2004, waarin wordt gepreciseerd dat voor
de toepassing van Titel III van deze wet, onder “Tribunaal”
wordt verstaan: de ad-hoc Tribunalen voor voormalig
Joegoslavië en voor Rwanda, alsook het internationaal
Mechanisme dat de restbevoegdheden van die Tribunalen
na hun sluiting moet uitoefenen.
Dit Mechanisme werd ingesteld bij de resolutie 1966
(2010) van de VN-Veiligheidsraad van 22 december 2010,
waarin het wordt aangeduid als “Mécanisme international
chargé d’exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux
pénaux” Deze resolutie werd echter onderworpen aan
een nieuwe oplage op 12 september 2011, waarbij de
Franse benaming van het Mechanisme aangepast werd
als volgt: “Mécanisme international appelé à exercer les
fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux”.
Deze wijziging moet garanderen dat de terminologie
uit de wet van 29 maart 2004 overeenstemt met de of-
ficiële Franse benaming van het Mechanisme.
Art. 59
Dit artikel wijzigt Titel VIquater van de wet van 29 maart
2004 teneinde te preciseren dat deze Titel de sa-
menwerking met het geheel van de internationale
Onderzoeksmechanismen dekt.
Art. 60
Dit artikel behelst de aanpassing van de definitie van
de termen “Mechanisme” en “Statuut”, in de eerste twee
streepjes van artikel 91 van de wet van 29 maart 2004.
Artikel 91, eerste streepje, preciseert dat de term
“Mechanismen” verwijst naar het geheel van internati-
onale Onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door
de Verenigde Naties, of door een andere internationale
organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat
hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, mis-
daden tegen de mensheid, misdaden van genocide of
pour assurer la coopération avec ces instruments de
justice pénale internationale.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
Art. 58
Cet article opère une correction technique du texte fran-
çais de l’article 43, 1er tiret, de la loi du 29 mars 2004 qui
précise qu’aux fins du Titre III de ladite loi, le terme
“Tribunal” désigne les Tribunaux ad hoc pour l’ex-You-
goslavie et pour le Rwanda ainsi que le Mécanisme
international appelé à exercer les fonctions résiduelles
de ces Tribunaux après leur fermeture.
Ce Mécanisme a été créé par la résolution 1966
(2010) du Conseil de sécurité des Nations Unies, datée
du 22 décembre 2010, dans laquelle il est désigné
comme “Mécanisme international chargé d’exercer
les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux”. Cette
résolution a, toutefois, fait l’objet d’un nouveau tirage
le 12 septembre 2011 par lequel la dénomination française
du Mécanisme a été adaptée comme suit: “Mécanisme
international appelé à exercer les fonctions résiduelles
des Tribunaux pénaux”.
La présente modification vise à assurer que les termes
utilisés dans la loi du 29 mars 2004 correspondent au
titre officiel français du Mécanisme.
Art. 59
Cet article modifie l’intitulé du Titre VIquater de la loi
du 29 mars 2004 pour préciser que ce Titre couvre la
coopération avec les Mécanismes d’enquête internatio-
naux dans leur ensemble.
Art. 60
Cet article adapte les définitions des termes
“Mécanisme” et “Statut” reprises aux deux premiers
tirets de l’article 91 de la loi du 29 mars 2004.
Le nouveau 1er tiret de l’article 91 précise que le terme
“Mécanismes” renvoie à l’ensemble des Mécanismes
d’enquête internationaux créés par l’Organisation des
Nations Unies, ou par une autre organisation interna-
tionale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat
de lutter contre l’impunité pour les crimes de guerre,
les crimes contre l’humanité, les crimes de génocide
61
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de
uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard.
Zoals benadrukt is in de algemene bespreking, kunnen
de benamingen van de Mechanismen lichtelijk verschillen.
Het nieuwe eerste streepje doelt dus op die Mechanismen
in algemene termen en dekt alle missies van die aard,
ongeacht de precieze benaming die wordt gehanteerd. De
doorslaggevende factor om te bepalen of Titel VIquater
van de wet van 29 maart 2004 van toepassing is op de
samenwerking met een Mechanisme in het bijzonder,
is de analyse van zijn mandaat, waarvan op zijn minst
een deel moet gewijd zijn aan de strijd tegen straffeloos-
heid via de uitoefening van functies van gerechtelijke
aard (bijvoorbeeld het verzamelen van bewijsmateriaal
voor de samenstelling van een gerechtelijk dossier;
bescherming van bedreigde getuigen; tenuitvoerlegging
van akten van wederzijdse rechtshulp met nationale of
internationale gerechtelijke autoriteiten, enz.).
Het nieuwe tweede streepje van artikel 91 preci-
seert dat de term “Statuut” duidt op het mandaat van
het Mechanisme zoals omschreven in de relevante
instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde
Naties of door de bevoegde internationale organisatie
waarvan België lid is.
De specifieke bevoegdheden van elk Mechanisme zijn
immers nader omschreven in de instrumenten (resoluties,
beslissingen van een bevoegd orgaan, …) waardoor zij
worden ingevoerd.
Die wijzigingen bewerkstelligen dat de integrale
Titel VIquater van de wet van 29 maart 2004 van toe-
passing is op het geheel van internationale Mechanismen
die zijn ingesteld door de Verenigde Naties of door een
andere bevoegde internationale organisatie waarvan
België lid is.
HOOFDSTUK 12
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006
betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en
de aan het slachtoffer toegekende rechten
in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 61
Hoofdstuk 12 van dit wetsontwerp brengt meerdere
wijzigingen aan de wet van 17 mei 2006 betreffende de
externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrij-
heidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten
in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten aan. De
ou toute autre infraction internationale, par l’exercice
de certaines fonctions à caractère judiciaire.
Comme souligné dans le commentaire général, les
dénominations des Mécanismes peuvent légèrement
différer. Le nouveau 1e tiret vise donc ces Mécanismes
en termes généraux et couvre toutes les missions de ce
type quelle qu’en soit la dénomination précise adoptée.
L’élément décisif pour déterminer si le Titre VIquater
de la loi du 29 mars 2004 est applicable à la coopéra-
tion avec un Mécanisme en particulier est l’analyse de
son mandat qui doit comprendre au moins une partie
consacrée à la lutte contre l’impunité par l’exercice de
fonctions à caractère judiciaire (comme, par exemple,
la collecte d’éléments de preuve aux fins de constitution
d’un dossier judiciaire, la protection de témoins mena-
cés, l’exécution d’actes d’entraide judiciaire avec des
autorités judiciaires nationales ou internationales, etc.).
Le nouveau 2e tiret de l’article 91 précise que le terme
“Statut” désigne le mandat du Mécanisme tel qu’il est
défini dans les instruments pertinents adoptés par
l’Organisation des Nations Unies ou par l’organisation
internationale compétente, dont la Belgique est membre.
Les compétences spécifiques de chaque Mécanisme
sont, en effet, détaillées dans les instruments (résolutions,
décisions d’un organe compétent, …) par lesquels ils
sont mis en place.
Ces modifications rendent l’entièreté du Titre VIquater
de la loi du 29 mars 2004 applicable à l’ensemble des
Mécanismes internationaux mis en place par l’Organi-
sation des Nations Unies ou par une autre organisation
internationale compétente dont la Belgique est membre.
CHAPITRE 12
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes
condamnées à une peine privative de liberté et
aux droits reconnus à la victime dans le cadre
des modalités d’exécution de la peine
Art. 61
Le chapitre 12 de ce projet de loi apporte plusieurs
modifications à la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une peine
privative de liberté et aux droits reconnus à la victime
dans le cadre des modalités d’exécution de la peine. La
2774/001
DOC 55
62
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
in dit artikel voorgestelde wijziging heeft de verbetering
van de sociale re-integratie van de veroordeelden tot
doel met het oog op een vlottere doorstroming van de
veroordeelde gedetineerden.
Artikel 6 van de wet externe rechtspositie wordt daarom
gewijzigd teneinde de veroordeelde die penitentiaire ver-
loven geniet toe te laten de gevangenis vier keer 36 uur
per trimester te verlaten, en niet drie keer 36 uur per
trimester. De veroordeelde toelaten om de gevangenis
frequenter te verlaten heeft tot doel om de voorbereiding
van de sociale re-integratie te doen versnellen. Wanneer
de strafuitvoeringsrechter of –rechtbank een aanvraag
tot het verkrijgen van een strafuitvoeringsmodaliteit zal
ontvangen van een veroordeelde die verloven geniet,
zullen er bovendien meer uitgangen hebben plaatsge-
vonden, wat een positief element is dat de strafuitvoe-
ringsrechter of –rechtbank mee in rekening zal kunnen
nemen bij de besluitvorming.
Een tweede wijziging die voorzien was in het oor-
spronkelijke voorontwerp was het toevertrouwen van
de strafuitvoeringsmodaliteit “beperkte detentie” aan
de minister en niet langer aan de strafuitvoeringsrechter
of de strafuitvoeringsrechtbank. Enkel in het kader van
artikel 59 en de ter beschikking stelling van de straf-
uitvoeringsrechtbank zou dit een bevoegdheid blijven
van de strafuitvoeringsrechter- of rechtbank. Met name
ingevolge de adviezen van de Raad van State, het
College van procureurs-generaal en van de Centrale
Toezichtsraad voor het gevangeniswezen werd deze
wijziging geschrapt.
Art. 62 en 63
verbetering informatieplicht ten aanzien van de
slachtoffers
Een volgende wijziging is een verbetering van de
informatieplicht ten aanzien van de slachtoffers.
In het artikel 10 wordt daartoe ingeschreven dat de
slachtoffers, die zich overeenkomstig artikel 2, 6°, van de
wet hebben gemanifesteerd teneinde hun rechten uit te
oefenen, ook worden geïnformeerd over de toekenning
van een eerste uitgaansvergunning, zoals bedoeld in
artikel 4, § 3, van de wet. Dit betreft de uitgaansvergun-
ningen die kunnen worden toegekend met het oog op
de sociale re-integratie.
De wetgever achtte het in 2006 “niet noodzakelijk en
niet opportuun” het slachtoffer hiervan te informeren ge-
zien de korte tijdsduur waarvoor een uitgangsvergunning
wordt toegekend; bovendien wordt de uitgangsvergunning
ook steeds toegekend met een welbepaald doel voor
modification proposée dans cet article vise à améliorer
la réinsertion sociale des personnes condamnées en
vue de faciliter le flux des détenus condamnés.
L’article 6 de la loi relative au statut juridique externe
est pour cela modifié afin de permettre au condamné qui
bénéficie de congés pénitentiaires de quitter la prison
quatre fois trente-six heures par trimestre, et non plus
trois fois trente-six heures par trimestre. Permettre au
condamné de quitter la prison de manière plus fréquente
a pour objectif d’accélérer la préparation de sa réinsertion
sociale. Cela aura également pour impact que, lorsque le
juge ou le tribunal de l’application des peines sera saisi
d’une demande de modalité d’exécution de la peine par
un condamné qui bénéficie de congés, plus de sorties
auront eu lieu, ce qui constitue un élément positif que
le juge ou le tribunal de l’application des peines pourra
prendre en compte dans sa prise de décision.
Une deuxième modification qui était prévue dans
l’avant-projet de loi initial était de confier la modalité
d’exécution de la peine “détention limitée” au ministre et
non plus au juge ou au tribunal de l’application des peines.
Cette modalité resterait uniquement une compétence du
juge ou tribunal de l’application des peines dans le cadre
de l’article 59 et de la mise à disposition du tribunal de
l’application des peines. Suite, notamment, à l’avis du
Conseil d’État, du Collège des procureurs généraux et
du Conseil Central de Surveillance Pénitentiaire cette
modification a été supprimée.
Art. 62 en 63
amélioration de l’obligation d’information
vis-à-vis des victimes
Une autre modification est l’amélioration de l’obligation
d’information vis-à-vis des victimes.
Dans l’article 10 est à cet effet prévu que les victimes,
qui se sont manifestées conformément à l’article 2, 6°,
de la loi en vue d’exercer leurs droits, pourront aussi
être informées de l’octroi d’une première permission
de sortie, comme visée à l’article 4, § 3, de la loi. Ceci
concerne les permissions de sortie qui sont octroyées
en vue de la réinsertion sociale.
Le législateur estimait en 2006 “ni nécessaire, ni
opportun” d’en informer la victime étant donné le court
laps de temps pour lequel la permission de sortie est
octroyée; de plus, la permission de sortie est toujours
octroyée dans un but bien précis. En réponse à une
63
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ogen. In antwoord op een opmerking van de Raad van
State , onderlijnde de wetgever destijds “dat het vooront-
werp van wet beoogt een evenwicht tot stand te brengen
tussen de belangen van de onderscheiden betrokken
partijen en dat naast het belang dat het slachtoffer op
de hoogte wordt gebracht van de ten aanzien van de
veroordeelde genomen beslissingen er tegelijkertijd moet
worden over gewaakt dat een systematische kennisge-
ving van deze beslissingen ten onrechte angstgevoelens
zou kunnen provoceren in hoofde van het slachtoffer”
(Parl. St. Senaat, DOC 3-1128/001, p. 10). Tevens hield
de wetgever in 2006 mede rekening met de praktische
haalbaarheid van deze mededeling, gelet op het hoge
aantal uitgaansvergunningen dat jaarlijks wordt toegekend
(Parl. St. Senaat, DOC 3-1128/007, p. 18).
De ratio legis van de keuze van de wetgever in 2006 is
begrijpelijk. Echter, voor wat betreft de toekenning van
uitgaansvergunningen met het oog op de voorbereiding
van de sociale re-integratie die kunnen worden toege-
kend met periodiciteit, wordt voorgesteld de slachtoffers
daar toch van te informeren. Ondanks het feit dat de
uitgaansvergunning zeer beperkt in tijd is en met een
welbepaald doel wordt toegekend, is juist omwille van
de regelmatigheid waarmee de veroordeelde de gevan-
genis kan verlaten, de kans groter dat de slachtoffers
onverwachts de dader ontmoeten. Het slachtoffer wordt
geïnformeerd van de eerste toekenning van een uitgaans-
vergunning met het oog op sociale re-integratie. Deze
informatie is het signaal dat de veroordeelde mogelijks
op regelmatige tijdstippen de gevangenis zal verlaten,
wat het slachtoffer toelaat zich daar op voor te bereiden.
Artikel 14 wordt eveneens aangepast zodat het slacht-
offer ook geïnformeerd wordt over de beslissingen tot
wijziging van de voorwaarden, schorsing of herroeping,
ook ingeval deze volgen op een voorlopige aanhouding.
Een in het voorontwerp voorziene wijziging van arti-
kel 27 om het toepassingsgebied van de wet te beperken
tot veroordeelden met een uitvoerbaar straftotaal van
meer dan 6 maanden werd geschrapt ingevolge het
advies van de Raad van State.
Art. 64
In artikel 28 wordt een technische wijziging aange-
bracht: er wordt aan toegevoegd dat voor personen
die zijn veroordeeld tot een totale gevangenisstraf van
drie jaar of minder, de door titel V bepaalde strafuitvoe-
ringsmodaliteiten (met uitzondering van de voorlopige
invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het
grondgebied of met het oog op overlevering en met uit-
zondering van de vermindering van de duur van de door
remarque du Conseil d’État, le législateur soulignait à
cette époque que “l’avant-projet de loi vise à instaurer un
équilibre entre les intérêts des différentes parties concer-
nées et que, s’il est important d’informer la victime des
décisions prises à l’égard du condamné, il convient dans
le même temps de veiller à ce qu’une communication
systématique de ces décisions n’engendre indûment un
sentiment d’inquiétude chez la victime” (Doc. parl., Sénat,
DOC 3-1128/001, p. 10). Le législateur en 2006 tenait
également compte de la faisabilité pratique d’une telle
obligation de communication, vu le nombre élevé des
permissions de sortie qui sont octroyées chaque année
(Doc. parl., Sénat, DOC 3-1128/001, p. 18).
La ratio legis du choix du législateur en 2006 est
compréhensible. Toutefois, en ce qui concerne l’octroi
de permissions de sortie visant à préparer la réinsertion
sociale qui peuvent être octroyées avec périodicité, il est
quand même proposé d’en informer les victimes. Bien
qu’une permission de sortie soit très limitée dans le
temps et qu’elle soit accordée dans un but précis, c’est
précisément en raison de la régularité avec laquelle le
condamné peut quitter la prison que le risque que les
victimes rencontrent l’auteur, de manière inattendue, est
plus élevé. La victime est informée du premier octroi de
permission de sortie visant la réinsertion sociale. Cette
information est un signal que la personne condamnée
peut quitter la prison à intervalles réguliers, ce qui permet
à la victime de s’y préparer.
De même, l’article 14 est modifié de sorte que la vic-
time soit également informée des décisions d’adaptation
des conditions, de suspension et de révocation et ce,
même si celles-ci font suite à une arrestation provisoire.
Dans l’avant-projet une modification à l’article 27 était
prévue afin de limiter le champ d’application de la loi
aux condamnés à une ou plusieurs peines privatives
de liberté dont la partie exécutoire est supérieure à
six mois. Cette modification a été supprimée suite à
l’avis du Conseil d’État.
Art. 64
Une modification technique est apportée à l’article 28:
il est ajouté que, pour les condamnés à un total de peines
de 3 ans ou moins, les modalités d’exécution de la peine
visées aux titre V (à l’exception de la mise en liberté
provisoire en vue de l’éloignement du territoire ou de
la remise et à l’exception de la réduction de la durée de
l’interdiction, prononcée par le juge, du droit d’habiter,
de résider ou de se tenir dans une zone déterminée
2774/001
DOC 55
64
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een
bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er
zich te vertonen) kunnen worden toegekend, voor zover
er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzin-
gen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen
door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Met
die wijziging wordt tegemoet gekomen aan een lacune:
het artikel voorzag niet in het opleggen van bijzondere
voorwaarden, terwijl artikel 47 daar wel in voorziet voor
personen die zijn veroordeeld tot een totale gevangenis-
straf van meer dan 3 jaar. Door die mogelijkheid alleen
te voorzien voor straffen van meer dan 3 jaar, is de
procedure voor kortgestraften veeleisender aangezien
het bestaan van tegenaanwijzingen zou volstaan om
de gevraagde modaliteit te weigeren, zonder dat moet
worden onderzocht of er bijzondere voorwaarden kun-
nen worden opgelegd om aan die tegenaanwijzingen
tegemoet te komen, wat uiteraard niet de bedoeling was
van de wetgever in 2006.
Art. 65
De wijziging die in artikel 30, § 3, wordt aangebracht
betreft een louter taalkundige precisering.
Art. 66
Aan artikel 39 worden twee wijzigingen aangebracht.
In 2°, wordt de modaliteit van de voorlopige invrij-
heidstelling met het oog op verwijdering toegevoegd als
modaliteit voor dewelke de algemene voorwaarde inzake
het beschikken over een vast adres niet geldt. Dit is al
zo voorzien in artikel 55 met betrekking tot personen die
veroordeeld zijn tot een straf van meer dan 3 jaar, maar
was nog niet aangepast in artikel 39.
Aan artikel 39 wordt een 4° toegevoegd dat voor-
ziet dat, in geval van toekenning van een voorlopige
invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het
grondgebied, het vonnis bepaalt dat de veroordeelde
onderworpen is aan de voorwaarde om het grondgebied
effectief te verlaten en aan het verbod om tijdens zijn
proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn
met de wetgeving en de reglementering betreffende de
toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder
de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.
Die voorwaarde was wel opgenomen in de bepaling met
betrekking tot personen die veroordeeld zijn tot een straf
van meer dan 3 jaar, maar ontbrak in artikel 39.
désignée) peuvent être accordées s’il n’existe pas de
contre-indications auxquelles la fixation de conditions
particulières ne puisse répondre. Cette modification
répond à une lacune: l’article ne prévoyait pas que des
conditions particulières puissent être imposées, alors
que l’article 47 le prévoit pour les condamnés à un total
de peines privatives de liberté de plus de trois ans. Le
prévoir uniquement pour les peines supérieures à trois
ans revient à rendre la procédure plus exigeante pour les
condamnés à des courtes peines, puisque la présence de
contre-indications suffirait pour justifier le refus d’octroi
de la modalité demandée, sans qu’il ne soit nécessaire
d’examiner si des conditions particulières peuvent être
imposées pour répondre à ces contre-indications, ce qui
n’était bien entendu pas la volonté du législateur en 2006.
Art. 65
La modification apportée à l’article 30, § 3 concerne
un simple précision linguistique.
Art. 66
À l’article 39 deux modifications sont apportées.
Au 2°, la modalité de la libération provisoire en vue
de l’éloignement du territoire est rajoutée en tant que
modalité pour laquelle la condition d’avoir une adresse
fixe ne vaut pas. Ceci est déjà prévu dans la disposition
de l’article 55 relative aux condamnés à des peines de
plus de trois ans, mais n’était pas encore intégré dans
l’article 39.
Il est rajouté à l’article 39 un 4° qui prévoit qu’en cas
d’octroi d’une libération provisoire en vue de l’éloignement
du territoire, le jugement prévoit que le condamné est
soumis à l’obligation de quitter effectivement le territoire
et l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai
d’épreuve sans être en règle avec la législation et la
réglementation relative à l’accès au territoire, au séjour
ou à l’établissement dans le Royaume et sans l’auto-
risation préalable du juge de l’application des peines.
Cette condition était prévue dans la disposition relative
aux condamnés à des peines de plus de trois ans mais
manquait dans l’article 39.
65
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 67
Artikel 40 wordt aangevuld met twee paragrafen om
te voorzien dat de strafuitvoeringsrechter, zoals ook het
geval is voor de toekenning van strafuitvoeringsmodali-
teiten door de strafuitvoeringsrechtbank, in zijn vonnis
tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling
moet bepalen of de veroordeelde tijdens de voorwaarde-
lijke invrijheidstelling al dan niet het grondgebied van het
Rijk mag verlaten. Als de veroordeelde dat mag, moet
de strafuitvoeringsrechter eveneens in zijn vonnis de
maximumperiode bepalen voor dewelke de veroordeelde
dat kan, de frequentie ervan en, in voorkomend geval,
of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar
ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het
grondgebied van het Rijk verlaat. In geval van terroris-
tische misdrijven of in het geval er concrete elementen
bestaan van gewelddadig extremisme, wordt voorzien
dat de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig pa-
ragraaf 3 gegeven toestemming om het grondgebied te
verlaten met bijzondere redenen moet omkleden.
Art. 68
Naar aanleiding van de wijziging van de definitie
van penitentiair verlof in artikel 6, wordt artikel 43, § 3,
gewijzigd om te bepalen dat de duur van het penitentiair
verlof dat de strafuitvoeringsrechter kan toekennen in
geval van elektronisch toezicht of beperkte detentie, niet
minder mag zijn dan viermaal (in plaats van driemaal)
zesendertig uur per trimester.
Art. 69
Aan artikel 60 wordt een lid toegevoegd om ervoor
te zorgen dat de beslissing tot toekenning van een
voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering
genomen door de strafuitvoeringsrechter (dus aan ver-
oordeelden met een straftotaal tot en met 3 jaar) in alle
gevallen uiterlijk 20 dagen na het in kracht van gewijsde
treden van het vonnis leidt tot een einde van de strafuit-
voering. Deze uiterste datum van uitvoerbaarheid wordt
dus niet, zoals het geval is (en blijft) bij de veroordeel-
den boven de 3 jaar, beperkt tot de veroordeelden die
het voorwerp uitmaken van een uitvoerbaar koninklijk
besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel
besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot
verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve
verwijdering. Ook voor de andere veroordeelden zonder
recht op verblijf (die misschien niet onmiddellijk verwij-
derbaar zijn) moet de uitvoering van het vonnis (en dus
de vrijstelling uit de gevangenis) voorrang krijgen op
de wens of mogelijkheid tot rechtstreekse repatriëring
vanuit de gevangenis. Dit zal maken dat de continuïteit
Art. 67
Deux paragraphes sont ajoutés à l’article 40 pour
prévoir, comme c’est le cas pour l’octroi des modalités
d’exécution par le tribunal de l’application des peines, que
le juge de l’application des peines doit déterminer, dans
son jugement d’octroi d’une libération conditionnelle, si
le condamné peut quitter la Belgique ou non pendant la
libération conditionnelle. Si c’est le cas, il doit également
déterminer la période maximale pendant laquelle il peut
le faire, à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de
quelle manière le condamné doit en informer le ministère
public avant de quitter le territoire du Royaume. Il est
également prévu qu’en cas d’infractions terroristes ou
en cas d’éléments concrets d’extrémisme violent l’auto-
risation donnée par le juge de l’application des peines
conformément au paragraphe 3 de quitter le territoire
du Royaume doit faire l’objet d’une motivation spéciale.
Art. 68
Suite à la modification de la définition des congés
pénitentiaires contenue à l’article 6, l’article 43, § 3 est
adapté, pour prévoir que la durée du congé pénitentiaire
que le juge de l’application des peines peut octroyer en
cas de surveillance électronique ou détention limitée ne
peut être inférieure à quatre fois (au lieu de trois fois)
trente-six heures par trimestre.
Art. 69
Un alinéa est ajouté à l’article 60 pour garantir que
la décision d’accorder la liberté provisoire en vue de
l’éloignement prise par le juge de l’application des
peines (c’est-à-dire pour les condamnés à un total de
peines jusque 3 ans inclus) mène, dans tous les cas, à
la fin de l’exécution des peines au plus tard le 20 jours
après le jugement soit passé en force de chose jugée.
Cette date limite d’exécution n’est donc pas limitée,
comme c’est (et reste) le cas pour les condamnés de
plus de 3 ans, aux condamnés qui font l’objet d’un arrêté
royal d’expulsion exécutoire, d’un arrêté ministériel de
renvoi exécutoire ou d’un ordre de quitter le territoire
exécutoire avec preuve d’éloignement effectif. Pour les
autres condamnés sans droit au séjour (qui peuvent
ne pas être immédiatement éloignables), l’exécution
du jugement (et donc la sortie de prison) doit primer
sur le souhait ou la possibilité d’un rapatriement direct
à partir de la prison. Cela signifiera que la continuité
avec la situation existante (selon laquelle, sur la base
de la circulaire actuelle sur la libération provisoire, les
2774/001
DOC 55
66
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
met de bestaande situatie (waarbij op basis van de
huidige omzendbrief inzake de voorlopige invrijheidstel-
ling de vreemdelingen zonder recht op verblijf slechts
tot maximum 10 dagen na de toelaatbaarheidsdatum
van de voorlopige invrijheidstelling in detentie kunnen
blijven) het minst wordt aangetast. Of de veroordeelde
na die vrijstelling aansluitend gerepatrieerd wordt, in een
gesloten centrum van de Dienst Vreemdelingenzaken
wordt opgesloten dan wel een eenvoudig bevel om het
grondgebied te verlaten krijgt afgeleverd, is een beslis-
sing van de Dienst Vreemdelingezaken, maar de keuze
en/of mogelijkheid van de ene of de andere piste recht-
vaardigt voor deze categorie veroordeelden niet dat de
betrokkene langer opgesloten blijft in een gevangenis.
Sowieso geldt als algemene voorwaarde bij de beslis-
sing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling
met het oog op verwijdering de verplichting voor de
veroordeelde om het grondgebied effectief te verlaten.
Deze verplichting was in de wet externe rechtspositie niet
voorzien voor veroordeelden met straftotaal tot en met
drie jaar en wordt via artikel 66 van dit wetsontwerp inge-
voegd. In geval van niet-naleving van deze voorwaarde
kan de strafuitvoeringsrechter bovendien de toegekende
voorlopige invrijheidstelling steeds herroepen.
Om de Dienst Vreemdelingenzaken echter de tijd te
geven een beslissing te nemen en zich te organiseren,
wordt bepaald dat de vrijstelling van een vreemdeling
zonder recht op verblijf, categorie tot en met 3 jaar, uit-
voerbaar wordt van zodra de Dienst Vreemdelingenzaken
betrokkene “overneemt” (in de ruime betekenis van het
woord, dit kan dus ook het louter afleveren zijn van een
bevel om het grondgebied te verlaten) en dit ten laatste
twintig dagen nadat het vonnis van de strafuitvoerings-
rechter in kracht van gewijsde trad. In de praktijk betekent
dit een termijn van 25 dagen vanaf het vonnis. Indien er
niets gebeurt, gaat de betrokkene vrij op dag 26.
Bovendien is het belangrijk om mee te geven dat de
Dienst Vreemdelingenzaken niet pas vanaf het vonnis
tot toekenning van de voorlopige invrijheidstelling wordt
ingelicht, maar ook al veel vroeger in de procedure,
zodat men het dossier kan voorbereiden. Zo wordt de
Dienst Vreemdelingenzaken geïnformeerd van de op-
sluiting van elke vreemdeling en zal voorzien worden
in de instructies naar de gevangenissen dat de gevan-
genisdirectie de Dienst Vreemdelingenzaken dient te
informeren zodra de veroordeelde een aanvraag voor
de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijde-
ring heeft geformuleerd. En tot slot, zal de directeur na
ontvangst van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter
uiteraard onmiddellijk de Dienst Vreemdelingenzaken
informeren, zoals nu reeds het geval is.
étrangers sans droit de séjour ne peuvent rester en
détention que pendant un maximum de 10 jours après
la date d’admissibilité à la libération provisoire) sera la
moins touchée. Que le condamné soit rapatrié après sa
libération, incarcéré dans un centre fermé de l’Office
des Etrangers ou qu’il reçoive un simple ordre de quitter
le territoire, est une décision de l’Office des Etrangers,
mais le choix et/ou la possibilité de l’une ou l’autre piste
ne justifie pas, pour cette catégorie de condamnés, que
l’intéressé rester incarcéré plus longtemps en prison.
En tout état de cause, la décision d’octroi d’une libé-
ration provisoire en vue le d’éloignement est assortie de
la condition générale de l’obligation pour le condamné
de quitter effectivement le territoire. Cette obligation
n’était pas prévue dans la loi relative au statut juridique
externe pour les condamnés avec un total de peines
jusqu’à 3 ans inclus et est ajoutée via l’article 66 de ce
projet de loi. En cas de non-respect de cette condition,
le juge de l’application des peines peut toujours révoquer
la libération provisoire qui a été octroyée.
Toutefois, afin de laisser à l’Office des Etrangers le
temps de se prononcer et de s’organiser, il est précisé
que la libération d’un étranger sans droit au séjour, caté-
gorie jusqu’à 3 ans inclus, devient exécutoire dès que
l’Office des Etrangers “prend en charge” la personne
concernée (au sens large du terme, cela peut donc
aussi être la simple délivrance d’un ordre de quitter
le territoire) et ce au plus tard vingt jours après que le
jugement du juge de l’application des peines soit devenu
définitif. En pratique, cela signifie un délai de 25 jours à
compter du jugement. Si rien ne se passe, l’intéressé
est libéré le 26ème jour.
En outre, il est important de souligner que l’Office des
Etrangers n’est pas seulement informé à partir du juge-
ment de libération provisoire, mais aussi déjà beaucoup
plus tôt dans la procédure, afin que le dossier puisse
être préparé. C’est ainsi que l’Office des Etrangers sera
informé de l’incarcération de chaque étranger et il sera
prévu dans les instructions aux prisons que la direction
de la prison doit informer l’Office des Etrangers dès
que le condamné a formulé une demande de libération
provisoire en vue de l’éloignement. Enfin, lorsque le
directeur a reçu le jugement de juge de l’application
des peines, il en informera immédiatement l’Office des
Etrangers, comme c’est déjà le cas actuellement.
67
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Omdat de bepaling inzake de veroordeelden met een
straftotaal boven de 3 jaar niet wordt aangepast, diende
ook het vierde lid van artikel 60 te worden aangepast om
het toepassingsgebied te beperken tot deze categorie.
Daartoe werd verduidelijkt dat het gaat om de vonnissen
tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met
het oog op verwijdering van de strafuitvoeringsrechtbank.
Art. 70
Aan artikel 65 wordt toegevoegd dat de strafuitvoe-
ringsrechter of –rechtbank, in geval van herroeping van
een strafuitvoeringsmodaliteit, aan de veroordeelde een
andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen, mits
akkoord van de veroordeelde. De wet voorziet nu in de
mogelijkheid om een andere strafuitvoeringsmodaliteit
toe te kennen in het kader van de herziening (artikel 67).
In de praktijk levert dit echter veel problemen op: de
gevolgen van die beslissing (wat betreft het lot van
de proeftijd, het ingaan van de nieuwe modaliteit, …)
werden immers niet geregeld in de wet. De praktijken
verschillen van de ene strafuitvoeringsrechtbank tot de
andere. Door te bepalen dat de strafuitvoeringsrechter
of –rechtbank de modaliteit eerst herroept en vervolgens
in dat kader kan beslissen om onmiddellijk een andere
strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, wordt meer
rechtszekerheid gecreëerd.
Art. 71
In artikel 66 worden twee wijzigingen aangebracht.
Paragraaf 2/1 wordt aangepast naar aanleiding van
het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het
Grondwettelijk Hof.
In het kader van die procedure voor het Grondwettelijk
hof verzochten de verzoekende partijen om de ver-
nietiging van de artikelen 148, 153 en 163 van de wet
van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de
strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake
justitie. Die artikelen voegden een aantal bepalingen toe
aan de wet betreffende de externe rechtspositie waar-
mee veroordeelden die, op grond van een advies van
de Dienst Vreemdelingenzaken, niet waren toegelaten
of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk, op absolute
wijze werden uitgesloten van strafuitvoeringsmodalitei-
ten (behalve van de occasionele uitgaansvergunning).
Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat het door die be-
palingen ingevoerde verschil in behandeling onder de
tot een vrijheidsstraf veroordeelde personen, op grond
van hun verblijfsstatuut, niet redelijk verantwoord was
en onredelijke gevolgen had ten aanzien van een aantal
Étant donné que la disposition relative aux condamnés
à un total de peines de plus de 3 ans n’est pas modi-
fiées, le quatrième alinéa de l’article 60 a également dû
être modifié pour limiter le champ d’application à cette
catégorie. À cette fin, il a été précisé qu’il s’agit des
jugements du tribunal de l’application des peines d’octroi
d’une libération provisoire en vue de l’éloignement.
Art. 70
Il est rajouté à l’article 65 qu’en cas de révocation d’une
modalité d’exécution de la peine, le juge ou le tribunal
de l’application des peines peut, moyennant l’accord
du condamné, lui octroyer une autre modalité d’exécu-
tion de la peine. La loi prévoit maintenant la possibilité
d’octroyer une autre modalité d’exécution dans le cadre
de la révision (article 67). Cela pose toutefois beaucoup
de problèmes dans la pratique, les conséquences de
cette décision (quant au sort du délai d’épreuve, quant à
la prise de cours de la nouvelle modalité, …) n’étant pas
réglée dans la loi. Les pratiques diffèrent d’un tribunal
de l’application des peines à l’autre. Le fait de prévoir
que le juge ou le tribunal révoque d’abord et puis qu’il
peut, dans ce cadre, immédiatement octroyer une autre
modalité d’exécution de la peine, crée plus de sécurité
juridique.
Art. 71
Deux modifications sont apportées à l’article 66.
Le paragraphe 2/1 est adapté suite à l’arrêt
n° 148/2017 du 21 décembre 2017 de la Cour consti
tutionnelle.
Dans le cadre de cette procédure devant la Cour consti-
tutionnelle, les requérants ont demandé l’annulation des
articles 148, 153 et 163 de la loi du 5 février 2016 modi-
fiant le droit pénal et la procédure pénale et portant des
dispositions diverses en matière de justice. Ces articles
ajoutaient un certain nombre de dispositions à la loi
relative au statut juridique externe en vertu desquelles
les personnes condamnées qui, sur base d’un avis
de l’Office des Étrangers, n’ont pas été autorisées ou
habilitées à séjourner dans le Royaume, étaient absolu-
ment exclues des modalités d’exécution de la peine (à
l’exception des permissions de sorties occasionnelles).
La Cour Constitutionnelle a jugé que la différence de
traitement introduite par ces dispositions entre les per-
sonnes condamnées à une peine privative de liberté, sur
la base de leur statut de séjour, n’était pas raisonnable-
ment justifiée et avait des conséquences déraisonnables
2774/001
DOC 55
68
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
fundamentele grondrechten. De aangevoerde artikelen
werden aldus vernietigd.
Ook artikel 167 van de wet van 5 februari 2016 voeg-
de aan artikel 66 van de wet betreffende de externe
rechtspositie een § 2/1 toe, waarmee bepaald werd
dat de strafuitvoeringsrechter of – rechtbank in geval
van schorsing van een strafuitvoeringsmodaliteit, een
uitgaansvergunning of een penitentiair verlof kan toeken-
nen, tenzij er op grond van een advies van de Dienst
Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet is
toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk.
Verzoekende partijen vroegen niet om de vernietiging
van dat artikel 167. Aangezien het Grondwettelijk Hof
evenwel alle analoge bepalingen vernietigde, betreft
het eerder een vergetelheid dat artikel 167 niet werd
vernietigd. Die vergetelheid wordt nu rechtgezet.
In paragraaf 3 wordt verduidelijkt dat wanneer de
strafuitvoeringsrechter of –rechtbank de modaliteit her-
roept na een schorsing van die modaliteit, de rechter
of -rechtbank ook een andere modaliteit kan toekennen
zoals voorzien in de nieuwe versie van artikel 65.
Art. 72
In artikel 67 wordt de mogelijkheid voor de strafuitvoe-
ringsrechter of –rechtbank om een andere strafuitvoerings-
modaliteit toe te kennen in het kader van de herziening
van een strafuitvoeringsmodaliteit, opgeheven, zoals
uitgelegd in de toelichting bij de wijziging van artikel 65.
Art. 73
In artikel 95/18, § 2, eerste lid, wordt een louter tech-
nische wijziging aangebracht. De daarin opgenomen
kruisverwijzing naar o.m. het achtste en negende lid
van artikel 53 van de wet, moest worden aangepast.
Door de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van de wet
van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan
het slachtoffer toegekende rechten in het raam van
de strafuitvoeringsmodaliteiten tot aanpassing van de
procedure voor de strafuitvoeringsrechter voor de vrij-
heidsstraffen van drie jaar of minder, werd het vijfde lid
van artikel 53 opgeheven en werd een zevende t.e.m.
elfde lid toegevoegd. De kruisverwijzing dient dus te
slaan op het tiende en elfde (in plaats van op het achtste
en negende) lid van artikel 53.
au regard d’un certain nombre de droits fondamentaux.
Les articles mentionnés ont donc été annulés.
De même, l’article 167 de la loi du 5 février 2016 a
ajouté un § 2/1 à l’article 66 de la loi sur le statut juri-
dique externe qui prévoyait que le juge ou le tribunal
de l’application des peines pouvaient accorder une
permission de sortie ou un congé pénitentiaire en cas
de suspension sauf s’il ressortait d’un avis de l’Office
des Étrangers que la personne condamnée n’était pas
autorisée ou habilitée à séjourner dans le Royaume.
Les requérants n’ont pas demandé l’annulation de cet
article 167. Toutefois, étant donné que la Cour constitu-
tionnelle a annulé toutes les dispositions analogues, le
fait que l’article 167 n’ait pas été annulé résulte d’une
omission. Cette omission est à présent rectifiée.
Par ailleurs, il est précisé au paragraphe 3 que, si,
suite à la suspension d’une modalité d’exécution de la
peine, le juge ou le tribunal de l’application des peines
révoque la modalité, il peut octroyer une autre modalité,
comme prévu par la nouvelle version de l’article 65.
Art. 72
À l’article 67, la possibilité pour le juge ou le tribunal
de l’application des peines d’accorder une autre modalité
d’exécution de la peine dans le cadre de la révision est
supprimée, comme expliqué dans la justification de la
modification de l’article 65.
Art. 73
Dans l’article 95/18, § 2, alinéa 1er, une modification
purement technique est faite. Une référence croisée y
est faite à, entre autre, l’article 53, alinéas 8 et 9. Par la
loi du 5 mai 2019 modifiant la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes condamnées
à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à
la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la
peine en vue d’adapter la procédure devant le juge de
l’application des peines en ce qui concerne les peines
privatives de liberté de trois ans ou moins, l’alinéa 5 de
l’article 53 a été abrogé et des alinéas 7 à 11 ont été
rajoutés. La référence croisée doit donc renvoyer aux
alinéas 10 et 11 (au lieu de 8 et 9) de l’article 53.
69
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 13
Wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende
regeling van economische en individuele
activiteiten met wapens
Art. 74
Artikel 19,1° van de wapenwet verbiedt de verkoop of
het te koop aanbieden van wapens aan particulieren.
Er wordt vastgesteld dat steeds meer particulieren
wapens kopen op websites in het buitenland en deze
per postpakket of koerierdienst laten bezorgen. Deze
praktijk omzeilt de wet en brengt de openbare veilig-
heid in gevaar.
Daarom is het passend om niet alleen de verkoop via
postorder of internet, maar ook de aankoop en overdracht
te verbieden.
HOOFDSTUK 14
Wijzigingen van de programmawet (I) van
29 maart 2012
Art. 75
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
de programmawet (I) van 29 maart 2012, moet worden
gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten
enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest
van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de
erflater beoogt.
Art. 76
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden
gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten
enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest
van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de
erflater beoogt.
Art. 77
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden
gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten
enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest
van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de
erflater beoogt.
CHAPITRE 13
Modification de la loi du 8 juin 2006 réglant
des activités économiques et individuelles
avec des armes du 8 juin 2006
Art. 74
L’article 19, 1° de la loi sur les armes interdit de vendre
ou d’offrir en vente des armes à des particuliers.
On a constaté que de plus en plus de particuliers
achètent des armes sur des sites internet à l’étranger
et qu’il se font livrer celles-ci par colis postal ou courrier
express. Cette pratique contourne la loi et met en danger
la sécurité publique.
Il convient dès lors d’interdire non seulement la vente
par correspondance ou internet mais également l’achat
et la cession.
CHAPITRE 14
Modifications de la loi-programme (I)
du 29 mars 2012
Art. 75
La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi-
programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les
obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être
respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité
vise la libération des avoirs du défunt.
Art. 76
La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi-
programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les
obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être
respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité
vise la libération des avoirs du défunt.
Art. 77
La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi-
programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les
obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être
respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité
vise la libération des avoirs du défunt.
2774/001
DOC 55
70
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 78
De verwijzing naar artikel 4.59 Burgerlijk Wetboek in
de programmawet (I) van 29 maart 2012 moet worden
gepreciseerd: de daarin vermelde verplichtingen moeten
enkel worden nageleefd wanneer de akte of het attest
van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van de
erflater beoogt.
HOOFDSTUK 15
Wijziging van de wet van 18 oktober 2017
betreffende het onrechtmatig binnendringen in,
bezetten van of verblijven in andermans goed
Art. 79
Dit artikel vervangt de regeling van artikel 12 van de
wet van 18 oktober 2017 dat door het Grondwettelijk Hof
bij arrest 39/2020 van 12 maart 2020 werd vernietigd
(S. CAREEL, “Strafrechtelijk ontruimingsbevel onder de
krakerswet ongrondwettig”, NJW, nr. 422, p. 20 mei 2020,
408-409; L.-O. HENROTTE en J. ANCIA, “Loi ”anti-
squat” du 18 octobre 2017 partiellement annulée par
l’arrêt du 12 mars 2020 de la Cour constitutionnelle”, For.
Immo. 2020, nr. 34, 2-3; T. VANDROMME, “Krakerswet
gaat gedeeltelijk op de schop”, Juristenkrant, nr. 406,
25 maart 2020, p. 1-2.).
Het wetsontwerp beoogt tegemoet te komen aan
het voormeld vernietigingsarrest nr. 39/2020 van het
Grondwettelijk Hof.
In het ontworpen artikel 12 wordt voorzien dat een
bevel tot ontruiming kan worden uitgevaardigd, ten
aanzien van de in het goed aangetroffen personen,
door de procureur des Konings, na machtiging door de
onderzoeksrechter, in het kader van een opsporings-
onderzoek met betrekking tot de misdrijven voorzien in
artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek. De samenhang
tussen de strafklacht en de procedure van het bevel
tot ontruiming wordt aldus behouden. Er moet worden
vanuit gegaan dat de feiten niet bij de onderzoeksrechter
moeten zijn aangebracht via een klacht met burgerlijke
partijstelling. Het bevel tot ontruiming dient gekoppeld
te zijn aan de gewone strafklacht. Deze bevoegdheid
die wordt toegekend aan de onderzoeksrechter, staat
los van enig gerechtelijk onderzoek.
De vatting van de onderzoeksrechter beperkt zich tot
het al dan niet verlenen van een machtiging om het bevel
tot ontruiming uit te vaardigen en de onderzoeksrechter
Art. 78
La référence à l’article 4.59 Code civil dans la loi-
programme (I) du 29 mars 2012, doit être précisée: les
obligations inscrites dans ces dispositions ne doivent être
respectées que lorsque l’acte ou le certificat d’hérédité
vise la libération des avoirs du défunt.
CHAPITRE 15
Modification de la loi du 18 octobre 2017 relative
à la pénétration, à l’occupation ou au séjour
illégitimes dans le bien d’autrui
Art. 79
Cet article remplace le régime de l’article 12 de la loi
du 18 octobre 20171, qui avait été annulé par la Cour
constitutionnelle dans son arrêt 39/2020 du 12 mars 2020
(S. CAREEL, “Strafrechtelijk ontruimingsbevel onder de
krakerswet ongrondwettig”, NJW, n° 422, 20 mai 2020,
p. 408-409; L.-O. HENROTTE en J. ANCIA, “Loi ”anti-
squat” du 18 octobre 2017 partiellement annulée par
l’arrêt du 12 mars 2020 de la Cour constitutionnelle”, For.
Immo. 2020, n° 34, p. 2-3; T. VANDROMME, “Krakerswet
gaat gedeeltelijk op de schop”, Juristenkrant, n° 406,
25 mars 2020, p. 1-2.).
Le projet de loi vise à répondre à cet arrêt d’annula-
tion n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle.
Dans l’article 12 en projet, il est prévu qu’une ordon-
nance d’évacuation peut être prise à l’égard des per-
sonnes trouvées dans le bien par le procureur du Roi,
après autorisation par le juge d’instruction, dans le cadre
d’une information portant sur les infractions prévues à
l’article 442/1, § 1er, du Code pénal. L’articulation entre
la plainte et la procédure relative à l’ordonnance d’éva-
cuation est donc maintenue. On doit partir du principe
que les faits ne doivent pas être portés devant le juge
d’instruction par le biais d’une plainte avec constitution de
partie civile. L’ordonnance d’évacuation doit être liée à la
plainte pénale ordinaire. Cette compétence attribuée au
juge d’instruction est indépendante de toute instruction.
La saisine du juge d’instruction se limite à l’octroi ou
non d’une autorisation de prendre l’ordonnance d’éva-
cuation. Le juge d’instruction n’est donc pas saisi pour
71
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wordt derhalve niet gevat om verder onderzoek te voeren
naar het kraakmisdrijf nadat hij machtiging heeft gegeven
aan de procureur des Konings.
Voor de onderzoeksrechter zal derhalve hier sprake
zijn van een novum. Hij zal immers geroepen worden
om de tussenkomst van zijn ambt te verlenen bij het
verlenen van een machtiging tot ontruiming.
De onderzoeksrechter is de geschikte rechterlij-
ke overheid om snel en vlot op te treden in een pro-
cedure met een strafrechtelijke finaliteit. De Raad
van State is, met verwijzing naar het arrest van het
Grondwettelijk Hof nr. 39/2020 en haar eerder gewezen
advies nr. 67 381/1 op het wetsvoorstel tot wijziging van
de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrecht-
matig binnendringen in, bezetten van of verblijven in
andermans goed, dieper ingegaan op de vereiste van
een onafhankelijke en onpartijdige rechter en heeft
geen bezwaren geformuleerd tegen de tussenkomst
van de onderzoeksrechter m.o.o. het verlenen van de
machtiging m.o.o. het bevel tot ontruiming.
In de ontwerptekst wordt voorzien dat de procureur
des Konings hiertoe een met redenen omkleed verzoek
richt aan de onderzoeksrechter dat minstens een aantal
gegevens bevat zoals de identificatie van het betrokken
goed dat het voorwerp is van de machtiging tot ontruiming
en alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat
het gebruik van dit middel nodig is. In antwoord op de
opmerking van de Raad van State (advies nr. 71 320/1-
2-3-4) kan worden verduidelijkt dat de documenten
en inlichtingen die aan de onderzoeksrechter worden
voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des
Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te
worden bekeken. Dit kan de betrokken personen betref-
fen tegen wie een ontruiming wordt beoogd indien dit
gekend is. Dit kunnen de personen zijn die in het goed
worden aangetroffen. Dit kan door de eigenaar of elke
burger worden aangegeven. Dit kan worden vastgesteld
na aangifte door de politiediensten. In de ontwerptekst
wordt uitdrukkelijk bepaald dat de identiteit van de be-
zetters van het niet-bewoonde goed, voor zover deze
achterhaald kan worden, in het verzoek moet worden
opgenomen (artikel 12, § 1, tweede lid, 3° in ontwerp).
De procureur de Konings vermeldt de omstandigheden
die het bevel tot ontruiming rechtvaardigen.
Om willekeur te vermijden en eenheid te waarborgen,
wordt voorzien dat de onderzoeksrechter daadwerkelijk
waakt over de grondrechten van de betrokken perso-
nen. De onderzoeksrechter dient daarom de wettigheid
en de proportionaliteit van de maatregel af te wegen
ten aanzien van de feiten. Teneinde te beantwoorden
aan de opmerking van de Raad van State wordt in het
mener une enquête plus approfondie sur l’infraction de
squat après avoir donné l’autorisation au procureur du Roi.
Pour le juge d’instruction, il sera dès lors question
ici d’une compétence nouvelle. Il sera en effet appelé
à accorder l’intervention de son office lors la délivrance
d’une autorisation d’évacuation.
Le juge d’instruction est l’autorité judiciaire compétente
pour agir rapidement et sans heurts dans une procédure
à finalité pénale. Le Conseil d’État, se référant à l’arrêt
de la Cour constitutionnelle n° 39/2020 et à son avis
antérieur n° 67 381/1 sur le projet de loi modifiant la
loi du 18 octobre 2017 relative à l’entrée, l’occupation
ou le séjour irréguliers chez autrui des biens, précise
l’exigence d’un juge indépendant et impartial et n’a pas
formuler d’objections à l’intervention du juge d’instruction
accordant l’autorisation pour l’ordre d’expulsion.
Il est prévu dans le texte en projet que le procureur du
Roi adresse à cet effet au juge d’instruction une demande
motivée qui contient au moins un nombre de données,
comme l’identification du bien concerné qui fait l’objet
de l’autorisation d’évacuation et tous les documents et
renseignements desquels il ressort que le recours à
ce moyen est nécessaire. En réponse à la remarque
du Conseil d’État (avis n° 71 320/1-2-3-4) il peut être
précisé que les pièces et informations transmises au
juge d’instruction sont destinées à étayer la demande
du procureur du Roi; ceux-ci doivent être examinés au
cas par cas. Cela peut concerner les personnes concer-
nées contre lesquelles une expulsion est envisagée,
si cela est connu. Ceux-ci peuvent être les personnes
trouvées dans le bien. Cela peut être déclaré par le
propriétaire ou tout citoyen. Cela peut être déterminé
après rapport des services de police. Le texte en projet
précise expressément que l’identité des occupants de
la propriété inhabitée, dans la mesure où elle peut être
identifiée, doit figurer dans la demande (article 12, § 1,
alinéa 2, 3° en projet).
Le procureur du Roi mentionne les circonstances
susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation.
Afin d’éviter l’arbitraire et d’assurer l’unité, il est prévu
que le juge d’instruction contrôle effectivement les
droits fondamentaux des personnes concernées. Le
juge d’instruction doit donc apprécier la légalité et la
proportionnalité de la mesure au regard des faits. Afin
de répondre à la remarque du Conseil d’État il est prévu
dans le projet de loi qu’il entend les personnes qui se
2774/001
DOC 55
72
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wetsontwerp voorzien dat hij de personen die zich in het
goed bevinden en tegen wie een bevel tot ontruiming
wordt beoogd, hoort, tenzij dit wegens de concrete om-
standigheden van de zaak niet mogelijk is. Teneinde dit
haalbaar te maken wordt de termijn van 48 uur voor het
verlenen van de machtiging door de onderzoeksrechter
opgetrokken naar 72uur. Op die manier is de machtiging
meer dan een louter formeel nazicht maar minder verre-
gaand als de beoordeling van een onderzoeksmaatregel
tijdens een gerechtelijk onderzoek.
Er wordt voorzien dat de onderzoeksrechter het verzoek
kan afwijzen als het kennelijk ongegrond is.
Deze specifieke bevoegdheid voor de onderzoeks-
rechter staat naast de bevoegdheden die voortvloeien
uit het Wetboek van Strafvordering. De terugkeer naar
de logica dat het de procureur des Konings is die het
bevel uitvaardigt, mits machtiging van de onderzoeks-
rechter, en dus onder toezicht van een onafhankelijke
en onpartijdige rechter, zorgt er ook voor dat de vraag
naar de juiste beroepsinstantie wordt opgelost en dat
dit de vrederechter kan blijven.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging aflevert,
vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontrui-
ming uit. Zijn beslissing, met redenen omkleed en met
eerbiediging van het vermoeden van onschuld, houdt de
ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf
het ogenblik van de kennisgeving van het bevel tot ont-
ruiming aan de in het goed aangetroffen personen. In
antwoord op de opmerking van de Raad van State moet
worden onderlijnd dat het bevel tot ontruiming dat wordt
genomen mits machtiging van de onderzoeksrechter,
zal gesteund zijn op de motivering voor die machtiging.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaande
uit een afschrift van het bevel en de datum en het uur
van de kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier
gevoegd.
Aangezien het bevel van de procureur des Konings
een dwangmaatregel is, moet het geschrift een aantal
bepalingen bevatten. Het is immers opportuun dat
de bestemmelingen van deze maatregel op een vol-
doende volledige manier geïnformeerd worden over
de beroepsmogelijkheden tegen het bevel en van de
strafrechtelijke risico’s die men loopt wanneer men het
bevel niet respecteert.
Dit bevel moet ook op een doeltreffende manier be-
kend gemaakt en gecommuniceerd worden. Er wordt
voorzien dat het bevel de vermelding moet bevatten
van het adres van het goed dat er het voorwerp van
uitmaakt. Het voorziet in een bijkomende manier van
kennisgeving: op het moment van aanplakking van het
trouvent dans le bien et contre lesquelles une ordonnance
d’évacuation est visé, sauf si cela n’est pas possible en
raison de l’affaire. Afin de rendre cela possible, le délai
de 48 heures pour accorder l’autorisation par le juge
d’instruction a été porté à 72 heures. De cette manière,
l’autorisation est plus qu’une vérification purement for-
melle, mais va moins loin que l’évaluation d’une mesure
d’enquête au cours d’une instruction.
Il est prévu que le juge d’instruction peut rejeter la
demande si elle est manifestement non fondée.
Cette compétence spécifique du juge d’instruction
est distincte des compétences qui découlent du Code
d’instruction criminelle. Grâce au retour à la logique selon
laquelle c’est le procureur du Roi qui prend l’ordonnance
moyennant l’autorisation du juge d’instruction, c’est-à-
dire sous le contrôle d’un juge indépendant et impartial,
la question de savoir quelle est l’instance de recours
compétente est également résolue: c’est le juge de paix
qui reste compétent en l’espèce.
Si le juge d’instruction l’y autorise, le procureur du Roi
prend l’ordonnance d’évacuation. Sa décision, motivée
et respectant la présomption d’innocence, implique
l’évacuation dans un délai de huit jours à compter de
la notification de l’ordonnance d’évacuation faite aux
personnes qui se trouvent dans le bien. En réponse à
la remarque du Conseil d’État,il convient de souligner
que l’arrêté d’expulsion pris sous réserve d’autorisation
du juge d’instruction, sera fondé sur le motif de cette
autorisation.
Un procès-verbal de notification, constitué d’une
copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de
la notification, est dressé et joint au dossier.
Étant donné que l’ordonnance du procureur du Roi est
une mesure contraignante, l’écrit doit comporter plusieurs
mentions. Il est en effet opportun que les destinataires
de cette mesure soient informés de manière suffisam-
ment complète quant aux possibilités de recours contre
l’ordonnance et aux risques encourus sur le plan pénal
en cas de non-respect de l’ordonnance.
Celle-ci doit également être notifiée et communiquée
de manière efficace. Il est prévu que l’ordonnance doit
faire mention de l’adresse du bien qui en fait l’objet.
Une modalité supplémentaire de notification est pré-
vue: au moment de l’affichage de l’ordonnance, une
copie de celle-ci doit être remise à quiconque se trouve
73
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bevel moet een afschrift ervan worden overhandigd
aan wie zich in het te ontruimen goed bevindt. Een
afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte
communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef
van de lokale politie van de politiezone waarbinnen het
goed waarop het bevel betrekking heeft, gelegen is en
aan de houder van het recht of de titel op het betrokken
goed, alsook aan het bevoegde Openbaar Centrum voor
Maatschappelijk Welzijn.
Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten ge-
schaad worden door het bevel van de onderzoeksrechter
kan zich verzetten tegen het bevel bij de vrederechter
binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de
kennisgeving van het bevel. Het beroep heeft schorsende
werking. Dat het bevel tot ontruiming niet kan worden
uitgevoerd terwijl de termijn om beroep in te stellen nog
loopt, wordt uitdrukkelijk in de ontwerptekst opgenomen.
De vrederechter doet uitspraak over de gegrondheid
van de ontruiming en het recht of de titel waarop men
zich beroept.
De procedure voor de vrederechter heeft een tegen-
sprekelijk karakter.
Deze procedure is voor wat de vastlegging van de
zitting en de oproeping van de partijen betreft te ver-
gelijken met deze die is voorgeschreven door de wet
van 15 mei 2012 betreffende het tijdelijk huisverbod in
geval van huiselijk geweld.
De zitting vindt plaats binnen de tien dagen volgend
op de neerlegging van het verzoekschrift.
Er wordt ook voorzien dat de vrederechter zich bin-
nen een termijn van tien dagen volgend op de zitting
moet uitspreken.
De vrederechter kan omwille van uitzonderlijke, ern-
stige omstandigheden een langere termijn bepalen dan
voorzien in het bevel van de procureur des Konings,
zonder dat deze termijn meer dan één maand mag
bedragen wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechts-
persoon. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn
niet meer dan zes maanden bedragen.
Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen
hoger beroep worden ingesteld.
dans le bien à évacuer. Une copie de l’ordonnance est
communiquée par le moyen de communication le plus
approprié au chef de corps de la police locale de la zone
de police au sein de laquelle se situe le bien concerné
par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou du
titre sur le bien concerné et au Centre public d’action
sociale compétent.
Toute personne qui considère que ses droits sont
lésés par l’ordonnance du juge d’instruction peut former
un recours contre l’ordonnance auprès du juge de paix
dans les huit jours de la notification de l’ordonnance. Le
recours est suspensif. Le fait que l’ordonnance d’éva-
cuation ne peut pas être exécutée tant que le délai pour
introduire ce recours court toujours est expressément
mentionné dans le texte en projet.
Le juge de paix statue sur le bien-fondé de l’expulsion
et sur le droit ou le titre invoqué.
La procédure devant le juge de paix a un caractère
contradictoire.
Cette procédure s’apparente à la procédure prescrite
par la loi du 15 mai 2012 relative à l’interdiction tempo-
raire de résidence en cas de violence domestique en
ce qui concerne tant la fixation de l’audience que la
convocation des parties.
L’audience a lieu dans les dix jours qui suivent le
dépôt de la requête.
Il est également prévu que le juge de paix doit se
prononcer dans un délai de dix jours suivant l’audience.
Dans des circonstances graves exceptionnelles, le
juge de paix peut fixer un délai plus long que le délai
fixé par le procureur du Roi dans son ordonnance, sans
que ce délai puisse excéder un mois lorsque le titre ou
le droit appartient à une personne physique ou une
personne morale de droit privé. Lorsque le titre ou le
droit appartient à une personne morale de droit public,
ce délai ne peut pas être supérieur à six mois.
La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun
recours.
2774/001
DOC 55
74
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 16
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019
betreffende de organisatie van de penitentiaire
diensten en van het statuut van het penitentiair
personeel
Art. 80
Dit artikel strekt ertoe artikel 5, § 1, eerste lid van de
wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van
de penitentiaire diensten en van het statuut van het pe-
nitentiair personeel te wijzigen om de installatie van de
penitentiaire beleidsraad niet langer te verbinden aan
de benoeming van een nieuwe minister aangezien dit
de continuïteit van de activiteiten van de penitentiaire
beleidsraad in gevaar zou kunnen brengen.
De voorgestelde wijziging van het eerste lid van de
tweede paragraaf van voormelde bepaling beoogt de
procedure tot aanduiding van de leden van de peniten-
tiaire beleidsraad te vereenvoudigen.
In 3°, 4°, 5° en 6° wordt niet meer vereist dat iedere
orde voor elke functie een lijst van 3 kandidaten per
taalrol voorstelt. Het is namelijk enerzijds niet zo van-
zelfsprekend om 3 kandidaten per taalrol te vinden, en
anderzijds lijkt het raadzaam om de keuze van de meest
geschikte kandidaat voor deze opdracht over te laten
aan de betrokken orde.
Door de minister te betrekken in het systeem van aan-
duiding ontstaat bovendien een niet gewenste politieke
inmenging in de penitentiaire beleidsraad.
Met de in 8° voorgestelde wijziging wordt voorzien dat
de vertegenwoordiger van de gefedereerde entiteiten
voortaan zal worden aangewezen op respectieve voor-
dracht van de ministers van de gefedereerde entiteiten
bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de ge-
detineerden teneinde elke inmenging in de afvaardiging
vanuit een ander bestuursniveau te vermijden.
De voorgestelde wijziging in het derde lid van de
tweede paragraaf verduidelijkt de duur van het mandaat
en voorziet in de hernieuwing van het mandaat van de
aangeduide leden.
Art. 81
Het ontwerp van artikel beoogt te voorzien dat de
regels inzake de modaliteiten van voorstelling van de
kandidaturen en de aanwijzing van de leden van de
penitentiaire beleidsraad worden bepaald bij koninklijk
besluit.
CHAPITRE 16
Modifications de la loi du 23 mars 2019
concernant l’organisation des services
pénitentiaires et le statut du personnel
pénitentiaire
Art. 80
Cet article vise à modifier l’article 5, premier para-
graphe, alinéa 1, de la loi du 23 mars 2019 concernant
l’organisation des services pénitentiaires et le statut
du personnel pénitentiaire, afin de ne plus lier la mise
en place du Conseil pénitentiaire à l’entrée en fonction
d’un nouveau ministre car cela pourrait mettre en péril
la continuité des activités du Conseil pénitentiaire.
Il est proposé de modifier l’alinéa 1er du deuxième
paragraphe de la disposition susmentionnée afin de
simplifier le processus de désignation des membres du
Conseil pénitentiaire.
Aux 3°, 4°, 5° et 6°, il est envisagé de ne plus requérir
que chaque ordre propose une liste de 3 candidats par
rôle linguistique pour chaque fonction. En effet, d’une
part, il n’est pas aisé de trouver 3 candidats par rôle
linguistique et d’autre part, il semble plus judicieux de
laisser le choix du candidat le plus adéquat pour cette
tâche à l’ordre en question.
Par ailleurs, impliquer le ministre dans le système de
désignation créé une interférence politique non souhaité
dans le Conseil pénitentiaire.
Au 8°, la modification proposée vise à prévoir que
le représentant des entités fédérées sera, à présent,
désigné sur proposition respective des ministres des
entités fédérées compétents en matière d’aide sociale
aux détenus afin d’éviter toute interférence d’un autre
niveau administratif dans la délégation.
La modification proposée à l’alinéa 3 du second
paragraphe clarifie la durée du mandat et prévoit le
renouvellement du mandat des membres désignés.
Art. 81
L’article en projet vise à prévoir que les règles quant
aux modalités de présentation des candidatures et de
désignation des membres du Conseil pénitentiaires
seront précisées dans un arrêté royal.
75
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Daarnaast voorziet de nieuwe bepaling dat de regels
met betrekking tot de werking van de penitentiaire be-
leidsraad, evenals deze met betrekking tot de vergoe-
dingen en de onkosten die van toepassing zijn op de
leden van de penitentiaire beleidsraad worden bepaald
bij koninklijk besluit.
HOOFDSTUK 17
Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek
Art. 82
Deze bepaling heeft tot doel een louter technische
wijziging aan te brengen in artikel 41sexies van de
wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet
van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke
zekerheid der arbeiders door de verwijzing naar arti-
kel 1240bis, zoals vervangen door de wet van 19 janua-
ri 2022 houdende boek 2, titel 3, “Relatievermogensrecht”
en boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamen-
ten” van het Burgerlijk Wetboek, te vervangen door een
verwijzing naar het artikel 4.59, § 4, derde lid, van het
Burgerlijk Wetboek. De daarin vermelde verplichtingen
moeten enkel worden nageleefd wanneer de akte of het
attest van erfopvolging de vrijgave van de tegoeden van
de erflater beoogt.
Op vraag van de Raad van State werd in de
Nederlandse versie de voorgestelde wijziging onder
artikel 82, 2°, geherformuleerd om taalkundige redenen.
Art. 83
Zie de toelichting bij artikel 82. Eenzelfde technische
wijziging wordt aangebracht in artikel 32quater van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrich-
ting van het sociaal statuut der zelfstandigen.
Op vraag van de Raad van State werd in de
Nederlandse versie de voorgestelde wijziging onder
artikel 83, 2°, geherformuleerd om taalkundige redenen.
De même, la nouvelle disposition envisagée a pour
objectif de prévoir que les règles relatives au fonctionne-
ment du Conseil pénitentiaire ainsi que celles relatives
aux rémunérations et de défraiement applicables aux
membres du Conseil pénitentiaire seront précisées dans
un arrêté royal.
CHAPITRE 17
Modifications en conséquence du nouvel
article 4.59 du Code civil
Art. 82
Cette disposition vise à apporter une modifica-
tion purement technique à l’article 41sexies de la
loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 dé-
cembre 1944 concernant la sécurité sociale des tra-
vailleurs en remplaçant la référence à l’article 1240bis,
tel que remplacé par la loi du 19 janvier 2022 portant le
livre 2, titre 3, “Les relations patrimoniales des couples”
et le livre 4 “Les successions, donations et testaments”
du Code civil, par une référence à l’article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil. Les obligations inscrites dans
ces dispositions ne doivent être respectées que lorsque
l’acte ou le certificat d’hérédité vise la libération des
avoirs du défunt.
À la demande du Conseil d’État, la proposition de
modification de l’article 82, 2° était reformulée dans la
version néerlandaise pour des raisons linguistiques.
Art. 83
Voir commentaire de l’article 82. Une modification
technique similaire est apportée à l’article 32quater de
l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut
social des travailleurs indépendants.
À la demande du Conseil d’État, la proposition de
modification de l’article 83, 2° était reformulée dans la
version néerlandaise pour des raisons linguistiques.
2774/001
DOC 55
76
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 18
Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake
kansspelen
Art. 84
Dit artikel bekrachtigt het koninklijk besluit van 27 janu-
ari 2022 betreffende de bijdrage in de werkings-, perso-
neels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie
verschuldigd door de houders van de vergunningen
klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor
het burgerlijk jaar 2022 overeenkomstig artikel 19, § 1,
zesde lid, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspe-
len, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en
de bescherming van de spelers, gewijzigd bij de wet
van 10 januari 2010 tot wijziging van de voormelde wet
van 7 mei 1999, wat de Kansspelcommissie betreft.
Dit besluit legt het bedrag van de retributies vast door
deze houders verschuldigd voor het kalenderjaar 2022.
De bijdragen zijn bedoeld om het fonds van de
Kansspelcommissie ingeschreven in de begroting van
de Federale Overheidsdienst Justitie te voeden en worden
door de kansspelsector gestort om te dienen als bijdrage
in de oprichtings-, werkings- en personeelskosten van
de Kansspelcommissie.
De bijdragen voor het kalenderjaar 2022 zijn de-
zelfde als degene die voorzien werden voor het
kalenderjaar 2021.
Dit besluit beoogt in feite de aanvulling van het ko-
ninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van
de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtings-
kosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door
de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E.
Op 26 januari 2022 heeft de Raad van State ad-
vies nr. 70 628/4 uitgebracht over het wetsontwerp tot
bevestiging van bovengenoemd koninklijk besluit.
Onder verwijzing naar een uitspraak van het
Grondwettelijk Hof nr. 42/2018 van 29 maart 2018 tre
kt de Raad van State de overdracht van een deel van
de bedragen van het fonds van de Kansspelcommissie
naar de schatkist in twijfel en is de Raad derhalve van
mening dat een deel van de door de vergunninghouders
betaalde bijdragen een belasting vormt. Zij concludeert
dat de bedragen van de bijdragen te hoog zijn en niet
redelijk zijn in verhouding tot de werkelijke exploitatie-
kosten van de Kansspelcommissie Bijgevolg verzoekt
de Raad van State om een globaal nieuw onderzoek
van het Koninklijk Besluit.
CHAPITRE 18
Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux
de hasard.
Art. 84
Cet article confirme l’arrêté royal du 27 janvier 2022 re-
latif à la contribution aux frais de fonctionnement, de
personnel et d’installation de la Commission des jeux
de hasard due par les titulaires de licence de classe
A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et G2 pour l’année
civile 2022, conformément à l’article 19, § 1, alinéa 6, de
la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les
établissements de jeux de hasard et la protection des
joueurs, modifié par la loi du 10 janvier 2010 modifiant
la loi du 7 mai 1999 précitée, en ce qui concerne la
Commission des jeux de hasard.
Cet arrêté fixe le montant des rétributions dû par ces
titulaires pour l’année civile 2022.
Les contributions sont destinées à alimenter le fonds
de la Commission des jeux de hasard inscrit au budget
du Service Public Fédéral Justice et sont versées par le
secteur des jeux de hasard afin de contribuer aux frais
de création, de fonctionnement et de personnel de la
Commission des jeux de hasard.
Les contributions pour l’année civile 2022 sont les
mêmes que celles qui étaient prévues pour l’année
civile 2021.
Cet arrêté tend en réalité à compléter l’arrêté royal
du 22 décembre 2000 fixant la contribution aux frais
de fonctionnement, de personnel et d’installation de la
Commission des jeux de hasard due par les titulaires
de licence de classe A, B, C et E.
Le 26 janvier 2022, le Conseil d’État a rendu un avis
n° 70 628/4 sur le projet de loi de confirmation de l’arrêté
royal précité.
Par renvoi à un arrêt de la Cour constitution-
nelle n° 42/2018 du 29 mars 2018, le Conseil d’État
remet en cause le transfert d’une partie des montants
du fonds de la Commission des jeux de hasard vers le
Trésor et estime dès lors qu’une partie des contributions
payées par les titulaires de licences constituent un impôt.
Il conclut que les montants des contributions sont trop
élevés et ne sont pas raisonnables par rapport aux frais
réels de fonctionnement de la Commission des jeux de
hasard. Par conséquent, le Conseil d’État demande un
réexamen global de l’arrêté royal.
77
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het volgende dient echter te worden opgemerkt:
1° Op 6 december 2021 werd bovengenoemd konink-
lijk besluit van 27 januari 2022 aan de Raad van State
voorgelegd voor advies binnen een termijn van 30 dagen.
De termijn is op 5 januari 2022 verstreken. De Raad van
State heeft wegens haar werklast echter geen advies
uitgebracht.
2° het verzoek om advies over het bekrachtigings-
wetsontwerp is op 6 december 2021 ingediend en de
termijn voor het uitbrengen van het advies is op 5 janu-
ari 2022 verstreken. Er zij dus op gewezen dat dit advies
buiten de termijn werd gegeven.
3° de Raad van State verwijst naar een uitspraak
van het Grondwettelijk Hof van 29 maart 2018. In haar
adviezen over de bekrachtigingswetten of de koninklijke
besluiten betreffende de bijdragen voor de voorgaande
kalenderjaren (2019, 2020 en 2021) heeft zij echter nooit
naar deze uitspraak verwezen.
Tot slot, de opmerking van de Raad van State is per-
tinent. Dit is niet de eerste keer dat de overdracht van
het fonds van de Kansspelcommissie naar de Schatkist
wordt aangevochten. Maar het is op het niveau van de
begrotingswet dat het probleem moet worden opgelost.
HOOFDSTUK 19
Tijdelijke maatregel tot vermindering van de
overbevolking in de gevangenissen
Art. 85 tot 88
In het licht van de huidige toestand van overbevolking
in de gevangenissen en de vooruitzichten op dat vlak,
is het noodzakelijk om de maatregel van vervroegde
invrijheidstelling die met gewenst effect werd ingezet
ter bestrijding van de coronacrisis, tijdelijk te behouden
als instrument in de strijd tegen de overbevolking en dit
tot 31 augustus 2023. Die datum kan door de Koning,
bij een in Ministerraad overlegd besluit verlengd worden
tot 31 december 2024.
Deze maatregel wordt dus in eerste instantie voor-
zien tot 31 augustus 2023, maar kan verlengd worden
tot eind 2024. Tussen eind dit jaar en eind 2024 zal er
immers definitieve detentiecapaciteit bijkomen. Een
tussentijdse evaluatie tegen 31 augustus 2023 dringt
zich evenwel op.
Door de opening van de gevangenis van Haren
(t.a.v. gevangenis Brussel nu) worden 106 bijkomende
Il faut toutefois souligner les éléments suivants:
1° le 6 décembre 2021, l’arrêté royal du 27 jan-
vier 2022 précité a été soumis à l’avis du Conseil d’État,
dans un délai de 30 jours. Le délai expirait le 5 jan-
vier 2022. Le Conseil d’État n’a cependant pas rendu
d’avis en raison de sa charge de travail.
2° la demande d’avis sur le projet de loi de confirma-
tion a été enrôlé le 6 décembre 2021 et le délai dans
lequel l’avis devait être rendu expirait le 05/01/2022. Il
faut dès lors constater que cet avis est rendu hors délai.
3° le Conseil d’État se réfère à un arrêt de la Cour
constitutionnelle du 29 mars 2018. Or, il n’a jamais
fait référence à cet arrêt dans les avis sur les lois de
confirmation ou arrêtés royaux de contributions pour
les années civiles précédentes (2019, 2020 et 2021).
Enfin, la remarque du Conseil d’État est pertinente.
Ce n’est pas la première fois que le transfert du montant
du fonds de la Commission des jeux de hasard vers le
Trésor est contesté. Mais c’est au niveau de la loi bud-
gétaire qu’il convient de régler le problème.
CHAPITRE 19
Mesure temporaire afin de réduire la
surpopulation dans les prisons
Art. 85 à 88
Compte tenu de la situation actuelle de surpopulation
dans les prisons et des perspectives à cet égard, il est
nécessaire de conserver temporairement la mesure de
libération anticipée qui avait été utilisée dans le but de
lutter contre la crise du coronavirus en tant cette fois
qu’instrument de lutte contre la surpopulation et ce,
jusqu’au 31 août 2023. Cette date peut être prolongée par
le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres,
jusqu’au 31 décembre 2024.
Cette mesure est donc prévue dans un premier temps
jusqu’au 31 août 2023, mais peut être prolongée jusqu’au
fin 2024. Entre la fin de cette année et la fin 2024, de
la capacité permanente de détention sera ajoutée. Une
évaluation à mi-parcours d’ici au 31 août 2023 s’impose
toutefois.
Avec l’ouverture de Haren, 106 places de détention
supplémentaires seront créées (en comparaison avec la
2774/001
DOC 55
78
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
detentieplaatsen gecreëerd. De opening van de nieuwe
gevangenis Dendermonde zal leiden tot 276 bijkomende
plaatsen, wat een extra capaciteit van 384 plaatsen zal
opleveren.
Het verder operationeel houden van de oude gevan-
genis te Dendermonde levert ook nog 100 plaatsen op
want de verlenging van de levensduur van deze inrich-
ting loopt tot eind 2027 waarna de nieuwe penitentiaire
inrichting te Leopoldsburg operationeel zou moeten zijn,
alsook deze te Vresse-sur-Semois.
De inwerkingtreding van de wet externe rechtspositie
op 1 juni 2022 zal voor gevolg hebben dat, veel meer
dan vandaag het geval is, kortgestraften effectief zullen
worden opgesloten. Het objectief van de regering is steeds
geweest om deze in “alternatieve detentiecapaciteit”
te herbergen buiten de bestande gevangenissen om,
maar het creëren van die capaciteit vergt uiteraard tijd
en zal bij aanvang niet “matchen” met de effecten van
de inwerkingtreding van de wet waardoor bij aanvang
een aantal kortgestraften nog niet in een detentiehuis
terecht zullen kunnen. Maar tegen eind 2024 dienen
er 720 plaatsen in detentiehuizen beschikbaar te zijn en
zouden die effecten wel opgevangen kunnen worden.
Vermits de realisatie van al deze plannen enige tijd
vergt, zal de overbevolking en het daarmee gepaard
gaande risico op inhumane detentieomstandigheden
blijven bestaan of zelfs nog toenemen en dus is een
flankerende maatregel zoals deze vervroegde invrijheid-
stelling nodig om die periode te overbruggen. Bovendien
heeft deze maatregel, die met identieke inhoud ook in de
context van de pandemie werd gebruikt, aangetoond dat
die nauwelijks of geen impact heeft op de maatschap-
pelijke veiligheid omdat het aantal herroepingen ervan
omwille van het plegen van nieuwe strafbare feiten,
verwaarloosbaar was.
De inhoud van de maatregel is identiek aan de maat-
regel van de vervroegde invrijheidstelling “COVID-19.
zoals die laatst bij de wet van 23 december 2021 tot
invoering van het parket voor de verkeersveiligheid en
houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke orga-
nisatie en justitie werd ingevoerd.
Gelet op het feit dat huidige wet de autonome grond-
slag vormt van de maatregel (zoals dit ook het geval
was met de resp. wetten waarin de vervroegde invrij-
heidstelling “COVID-19. was geregeld) is het ook nu
nodig om voor de definitie van de gebruikte begrippen
“directeur”, “veroordeelde” en “slachtoffer” te verwijzen
naar de overeenkomstige definities van de wet externe
rechtspositie. Dit gebeurt in het eerste artikel.
prison actuelle de Bruxelles). L’ouverture de la nouvelle
prison de Termonde entrainera la création de 276 places
supplémentaires. Cela se traduira par une capacité
supplémentaire de 384 places.
Garder l’ancienne prison de Termonde opérationnelle
offre également 100 places, car la prolongation de la
durée de vie de cet établissement court jusqu’à fin 2027,
après quoi le nouvel établissement pénitentiaire de
Bourg-Léopold, ainsi que celui de Vresse-sur-Semois,
devraient être opérationnels.
L’entrée en vigueur de la loi relative au statut juridique
externe le 1er juin 2022 signifiera que les condamnés
à des courtes peines seront effectivement incarcérés,
beaucoup plus que ce n’est le cas aujourd’hui. L’objectif
du gouvernement a toujours été de les accueillir dans
une “capacité de détention alternative” en dehors des
prisons existantes, mais la création de cette capacité
prend naturellement du temps et ne “correspondra” pas
aux effets de l’entrée en vigueur de la loi, ce qui signifie
qu’au début un certain nombre de condamnés à des
courtes peines ne pourront pas se rendre dans une
maison de détention. Mais d’ici la fin 2024, 720 places
devraient être disponibles en maison de détention et
ces effets devraient être absorbés.
Étant donné que la réalisation de tous ces plans
prend un certain temps, la surpopulation et le risque de
conditions de détention inhumaines qui y est associé
continueront d’exister ou même d’augmenter et une
mesure d’accompagnement telle que cette libération
anticipée est donc nécessaire pour combler cette période.
Par ailleurs, cette mesure, qui a également été utilisée
avec un contenu identique dans le contexte de la pan-
démie, a montré qu’elle a peu ou pas d’impact sur la
sécurité publique car le nombre de révocations dues à
la commission de nouvelles infractions était négligeable.
Le contenu de cette mesure est identique à la mesure
de libération anticipée “COVID-19. qui a été introduite la
dernière fois par la loi du 23 décembre 2021 introduisant
le parquet de la sécurité routière et portant des dispo-
sitions diverses en matière d’organisation judiciaire et
de justice.
Compte tenu que la loi actuelle constitue la base
autonome de la mesure (comme ce fut le cas avec les
différentes lois dans lesquelles la libération anticipée
“COVID-19. a été réglée), il est également nécessaire de
se référer aux définitions correspondantes de la loi sur
le statut juridique externe pour la définition des termes
“directeur”, “condamné” et “victime” utilisés. Ceci est
fait dans le premier article.
79
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het tweede artikel stelt in paragraaf 1 de toekennings-
voorwaarden en in paragraaf 2 de uitgesloten categorieën
veroordeelden vast. Er werd een zuiver technische aan-
passing aangebracht in de tweede paragraaf. Volgend op
de inwerkingtreding van de wet van 21 maart 2022 hou-
dende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking
tot het seksueel strafrecht, op 1 juni 2022, moeten de
verwijzingen in paragraaf 2, derde gedachtestreepje,
dienovereenkomstig worden aangepast.
De vervroegde invrijheidstelling wordt toegekend
vanaf zes maanden voor strafeinde.
Om te vermijden dat veroordeelden met een gering uit-
voerbaar gedeelte van de straf op basis van deze bepaling
reeds vervroegd in vrijheid zouden gesteld worden nog
vooraleer ze overeenkomstig de van toepassing zijnde
ministeriële omzendbrief of de wet externe rechtspositie
voorlopig of voorwaardelijk in vrijheid gesteld kunnen
worden, is voorzien dat de veroordeelde slechts in aan-
merking komt voor zover hij de toelaatbaarheidsdatum
voorwaardelijke invrijheidstelling (bedoeld in artikel 25 van
de wet externe rechtspositie) heeft bereikt.
In tegenstelling tot de vervroegde invrijheidsstelling
COVID-19 wordt de voorwaarde dat deze maatregel
enkel van toepassing is op veroordeelden die hun straf
geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaan niet
hernomen. Hierdoor is deze maatregel ook van toe-
passing op veroordeelden die elektronisch toezicht als
strafuitvoeringsmodaliteit hebben toegekend gekregen.
Deze categorie van veroordeelden ondergaat ook een
vrijheidsstraf, zij het onder elektronisch toezicht. Het
zou onrechtvaardig zijn om hen uit te sluiten van de
vervroegde invrijheidstelling om de enkele reden dat zij
zich niet langer in de gevangenis bevinden.
Ingevolge het advies van de Raad van State
nr. 71 320/1-2-3-4, onder Hoofdstuk 19, kan inzake de
verhouding tussen bovenstaande verruiming van het toe-
passingsgebied van de maatregel (tot de veroordeelden
die onder elektronisch toezicht staan) en de finaliteit van
de maatregel volgende bijkomende toelichting worden
verstrekt:
De maatregel loopt tot 31 augustus 2023, maar kan
verlengd worden tot 31 december 2024. Dit betekent
dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de
veroordeelden die op het ogenblik van inwerkingtreding
onder elektronisch toezicht staan (en die inderdaad
slechts potentieel binnen de finaliteit van de maatregel
komen, nl. wanneer hun elektronisch toezicht zou worden
herroepen en ze wederopgesloten worden – waarna ze
gedurende zes maanden niet in aanmerking komen voor
de toekenning van deze maatregel), maar ook/vooral
met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur
Le deuxième article énonce les conditions d’octroi au
paragraphe 1er et les catégories de condamnés exclus au
paragraphe 2. Une modification purement technique a
été apporté au deuxième paragraphe. Suite à l’entrée en
vigueur de la loi du 21 mars 2022 modifiant le Code pénal
en ce qui concerne le droit pénal sexuel, le 1er juin 2022,
les références du paragraphe 2, troisième tiret, doivent
être adaptées en conséquence.
La libération anticipée est accordée à partir de six mois
avant la fin de la peine.
Pour éviter que des condamnés dont la partie de la
peine encore à exécuter est minime ne soient libérés
anticipativement sur base de cette disposition avant qu’ils
ne puissent être libérés provisoirement ou condition-
nellement conformément à la circulaire ministérielle en
application ou à la loi relative au statut juridique externe,
il est prévu que le condamné n’entre en ligne de compte
que pour autant qu’il ait atteint la date d’admissibilité à
la libération conditionnelle (visée à l’article 25 de la loi
sur le statut externe).
Contrairement à ce qui était prévu pour la libération
anticipée COVID-19. la condition selon laquelle cette
mesure ne s’applique qu’aux personnes condamnées
qui purgent tout ou partie de leur peine en prison ne sera
pas reprise. Par conséquent, cette mesure s’applique
également aux personnes condamnées qui ont béné-
ficié d’une surveillance électronique comme modalité
d’exécution de la peine. Cette catégorie de personnes
condamnées subit également une peine d’emprisonne-
ment, bien que sous surveillance électronique. Il serait
injuste de les exclure de la libération anticipée au seul
motif qu’ils ne se trouvent plus.
Suite à l’avis du Conseil d’État n° 71 320/1-2-3-4,
sous le chapitre 19, il peut être donnée l’explication
supplémentaire suivante quant à le rapport entre l’élar-
gissement susmentionné du champ d’application de la
mesure (aux condamnés sous surveillance électronique)
et la finalité de la mesure:
Le mesure court jusqu’au 31 août 2023, mais peut être
prolongée jusqu’au 31 décembre 2024. Ceci implique
qu’on ne doit pas uniquement tenir compte des condam-
nés qui seront sous surveillance électronique au moment
de l’entrée en vigueur (et qui, en effet, ne rentreront que
potentiellement dans la finalité de la mesure, notamment
quand leur surveillance électronique serait révoquée et
qu’ils seraient réécroués, après quoi ils ne sont pas éli-
gibles pour la mesure pendant les six mois qui suivent),
mais aussi/surtout des condamnés qui rentreront dans les
conditions de temps pour une surveillance électronique
2774/001
DOC 55
80
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn
om elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te al-
len prijze vermeden worden dat deze laatste categorie
veroordeelden een afweging zou maken tussen het
aanvragen van elektronisch toezicht (met de daaraan
verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten
tot zes maanden voor strafeinde om dan quasi auto-
matisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor die
laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor
de problematiek van overbevolking. De maatregel zou
dus ook worden toegekend aan veroordeelden onder
elektronisch toezicht, om de aanvragen elektronisch
toezicht niet te fnuiken en dit mogelijke perverse effect
dus te vermijden.
Ook nu worden de veroordeelden wiens strafuitvoe-
ringsmodaliteit (ET of VI) door de strafuitvoeringsrech-
ter of -rechtbank tijdens de geldigheidsduur van de
maatregel wordt herroepen, uitgesloten. Dit om de zin
van de herroeping door de strafuitvoeringsrechter of
strafuitvoeringsrechtbank niet te ondermijnen. Gezien de
geldigheidsduur van de maatregel, wordt deze uitsluiting
evenwel beperkt tot een periode van zes maanden na
de opsluiting ingevolge de herroeping. Het zou immers
disproportioneel zijn om de veroordeelde wiens ET of
VI bvb. wordt herroepen op twee jaar voor strafeinde,
niet meer van de maatregel te kunnen laten genieten
wanneer die anderhalf jaar later in de tijdsvoorwaarde
komt voor deze maatregel.
Paragraaf 2 van het tweede artikel somt de categorieën
veroordeelden op die van de vervroegde invrijheidstel-
ling zijn uitgesloten. Het zijn dezelfde categorieën als bij
de maatregel vervroegde invrijheidstelling “COVID-19.
en ook de verantwoording is dezelfde. Het gaat om de
personen die veroordeeld zijn tot één of meer vrijheids-
berovende straffen waarvan het totaal meer dan 10 jaar
bedraagt, omdat het totaal van de straffen te hoog is en
het te gevaarlijk is om deze veroordeelden automatisch
vervroegd vrij te laten, zonder eventuele contra-indicaties
te beoordelen. Bovendien wordt ook de aard van de
veroordeling als criterium gehanteerd: veroordeling voor
zedenfeiten, terroristische misdrijven en veroordelingen
met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoerings-
rechtbank. Ook de vreemdelingen zonder recht op
verblijf worden uitgesloten. En tot slot worden ook de
veroordeelden die worden opgevolgd door het OCAD in
het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken
uitgesloten. De motivering voor uitsluiting is dezelfde als
voor de andere categorieën: het maatschappelijk gevaar
dat van deze veroordeelden uitgaat.
In het derde artikel wordt in een eerste paragraaf
bepaald dat de directeur de invrijheidstelling niet kan
toekennen zonder de haalbaarheid ervan te hebben
nagegaan aan de hand van de criteria onderdak en
pendant la période de validité de la mesure. Il faut éviter
à tout prix que cette dernière catégorie de condamnés
mette en balance les désavantages et risques liés à
demander une surveillance électronique et la stratégie
de juste “attendre” jusqu’à six mois avant la fin de peine
pour à ce moment être libéré quasi automatiquement,
et qu’ils choisissent cette dernière option, qui serait,
évidemment, contreproductif pour le problème de la
surpopulation. La mesure serait donc aussi octroyée aux
condamnés sous surveillance électronique afin de ne
pas étouffer les demandes de surveillance électronique
et d’éviter donc cet effet pervers potentiel.
Les condamnés dont la modalité d’exécution de la
peine (SE ou LC) a été révoquée par le juge ou le tri-
bunal de l’application des peines pendant la validité de
la mesure sont cette fois aussi exclus et ce, afin de ne
pas porter atteinte au sens de la révocation par le juge
de l’application des peines ou le tribunal de l’application
des peines. Au vu de la durée de validité de la mesure,
cette exclusion toutefois est limitée à une période de
six mois après la réincarcération suite à la révocation.
Il serait en effet disproportionné que le condamné dont
la SE ou la LC est révoquée deux ans avant la fin de la
peine par exemple ne puisse plus bénéficier de la mesure
lorsqu’il entre dans les conditions de temps pour cette
mesure un an et demi plus tard.
Le paragraphe 2 reprend les catégories de condam-
nés qui sont exclus de la libération anticipée. Ce sont
les mêmes catégories que pour la libération anticipée
“COVID”, et la justification est la même. Il s’agit des
personnes qui sont condamnés à une ou plusieurs
peines privatives de liberté dont le total s’élève à plus
de 10 ans, car le total des peines est trop élevé et qu’il
est trop dangereux de libérer ces condamnés antici-
pativement de manière automatique, sans examiner
aucune contre-indication. Par ailleurs, la nature de la
peine est également utilisée comme critère: condamna-
tion pour des faits de mœurs, infractions terroristes, et
condamnations avec une mise à disposition du tribunal
de l’application des peines. Les étrangers sans droit
au séjour sont également exclus. Enfin, les personnes
condamnées qui sont suivies par l’OCAM dans le cadre
des banques de données communes sont également
exclues. La justification de l’exclusion est la même que
pour les autres catégories: le danger que représentent
ces condamnés pour la société.
Dans le troisième article, il est déterminé au para-
graphe premier que le directeur ne peut pas octroyer
la libération sans en avoir vérifié la faisabilité du point
de vue du lieu de séjour et des moyens d’existence.
81
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
middelen van bestaan. Ook de kennisgevingsplicht ten
aanzien van het openbaar ministerie en het slachtoffer
is geregeld. Voornoemde actoren worden ook ingelicht
van de aan de vervroegde invrijheidstelling verbonden
algemene voorwaarden.
Paragraaf 2 somt de algemene voorwaarden op
waaraan de veroordeelde zich moet houden tijdens de
proeftermijn en waarvan de niet-naleving kan leiden tot
de herroeping van de vervroegde invrijheidstelling. Hier
gelden enkel de “klassieke” voorwaarden van het niet
plegen van strafbare feiten en het niet verontrusten van
de slachtoffers.
De proeftermijn wordt bepaald op het resterend ge-
deelte van de straf op het ogenblik van de toekenning
van de vervroegde invrijheidstelling.
In geval van herroeping van de vervroegde invrijheid-
stelling wordt de reeds ondergane proeftermijn afgetrok-
ken van het op het ogenblik van de toekenning nog te
ondergane deel van de straf. De proeftermijn telt dus
mee als straf. Dit geldt evenwel enkel voor de periode
tot aan de beslissing tot herroeping.
Paragraaf 3 somt de gevallen op waarin tot herroe-
ping van de vervroegde invrijheidstelling kan worden
overgegaan. Om de maatregel te kunnen herroepen op
grond van de niet-naleving van de voorwaarde “geen
nieuwe strafbare feiten plegen”, is het niet vereist dat
er een in kracht van gewijsde getreden veroordeling is
tussengekomen voor deze feiten. Ernstige aanwijzingen
dat die voorwaarde werd geschonden (daarbij wordt
dan gedacht aan een proces-verbaal van de politie tot
vaststelling van feiten en, a fortiori, aan aanhoudings-
mandaat voor nieuwe feiten), volstaan. Ook voor de
andere herroepingsgrond moet worden verduidelijkt dat
de vaststelling van de niet-naleving van de voorwaarde
(en dus de mogelijke herroeping) enkel gebaseerd kan
zijn op informatie afkomstig van personen of instanties
die de formele bevoegdheid hebben om vaststellingen
in dat verband te doen (dus niet louter op basis van
bericht van partner, buurman, …).
Paragraaf 4, ten slotte, voorziet in een grondslag voor
de voorlopige aanhouding van de veroordeelde door de
procureur des Konings wanneer hij tijdens de proeftermijn
de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig
in gevaar brengt. In dat geval moet de directeur binnen
de zeven dagen volgend op de aanhouding beslissen
of de invrijheidstelling wordt herroepen, dan wel kan
voortgezet worden.
Een vierde en laatste artikel van dit hoofdstuk bepaalt
de geldigheidsduur van de bepalingen van dit hoofdstuk.
L’obligation de communication au ministère public et à
la victime est également réglée. Les acteurs précités
sont aussi informés des conditions générales attachées
à la libération anticipée.
Le paragraphe 2 énumère les conditions générales que
le condamné doit respecter pendant le délai d’épreuve
et dont le non-respect peut entraîner la révocation de la
libération anticipée. Ici, seules les conditions “classiques”
de ne pas commettre d’infractions pénales et de ne pas
importuner les victimes s’appliquent.
Le délai d’épreuve est équivalent au reste de la peine
au moment de l’octroi de la libération anticipée.
En cas de révocation de la libération anticipée, le délai
d’épreuve déjà subi est déduit de la partie restante des
peines privatives de liberté au moment de l’octroi. Le
délai d’épreuve est donc pris en compte comme peine
subie. Cela vaut uniquement pour la période jusqu’à la
décision de révocation.
Le paragraphe 3 énumère les cas dans lesquels
la libération anticipée peut être révoquée. Il n’est pas
exigé, pour pouvoir révoquer la mesure sur base du
non-respect de la condition de “ne pas commettre de
nouvelle infraction”, qu’une condamnation définitive soit
intervenue pour ces faits. Des indications sérieuses que
cette condition n’a pas été respectée (on pense ici à un
procès-verbal de constatation des faits par la police et,
a fortiori, à un mandat d’arrêt pour de nouveaux faits)
suffisent. Pour les autres motifs de révocation, il convient
également de préciser que le constat du non-respect
des conditions (et donc la possible révocation) peut uni-
quement être basée sur des informations provenant de
personnes ou instances qui ont la compétence formelle
d’effectuer des constatations en ce sens (et donc pas
uniquement sur base d’une information du partenaire
du condamné, d’un voisin, …).
Le paragraphe 4, enfin, prévoit une base légale pour
l’arrestation provisoire du condamné par le procureur
du Roi quand il met gravement l’intégrité physique ou
psychique de tiers en danger pendant le délai d’épreuve.
Dans ce cas, le directeur doit décider dans les sept jours
de l’arrestation si la libération est révoquée ou si elle
peut se poursuivre.
Un quatrième et dernier article de ce chapitre détermine
la durée de validité des dispositions de ce chapitre. Les
2774/001
DOC 55
82
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De redenen voor deze (verlengbare) geldigheidsduur
werden hierboven reeds toegelicht.
HOOFDSTUK 20
Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005
betreffende het gevangeniswezen en de
rechtspositie van de gedetineerden
Art. 89
Artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 be-
treffende het gevangeniswezen en de rechtspositie
van de gedetineerden bepaalt dat ambtenaren van de
penitentiaire administratie, daartoe aangewezen door
de directeur-generaal, beslissen over de plaatsing en
overplaatsing van gedetineerden. Zij beslissen met
name in welke gevangenis een veroordeelde zijn straf
dient te ondergaan. Deze wijzigingsbepaling beoogt het
mogelijk te maken dat de door de directeur-generaal
daartoe aangewezen ambtenaar bij een beslissing tot
plaatsing of overplaatsing kan beslissen dat de veroor-
deelde zich zelfstandig verplaatst naar de plaats waar
hij zijn straf zal ondergaan, zonder dat in enige vorm
van bewaking of begeleiding voorzien dient te worden.
Deze bepaling zal vooral toegepast worden in geval
van beslissingen tot plaatsingen in een detentiehuis.
Detentiehuizen zijn kleinschalige gevangenissen met
een lage beveiligingsgraad.
Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de wet
externe rechtspositie voor veroordeelden met straftotaal
tot en met drie jaar zullen voortaan bepaalde categorieën
van veroordeelden in de gevangenis hun straf onder-
gaan die op dit ogenblik, op basis van de ministeriële
omzendbrieven, hun straf ondergaan onder elektronisch
toezicht. Het is de bedoeling om deze categorie van
veroordeelden bij opsluiting en na screening, zo snel
mogelijk in een detentiehuis te plaatsen. Indien een
beslissing wordt genomen tot plaatsing van een veroor-
deelde in een laag beveiligde detentieomgeving, zoals
in een detentiehuis, is het aangewezen dat wettelijk
uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorzien wordt om deze
inmiddels gedetineerde veroordeelde zich zelfstandig te
laten verplaatsen naar het detentiehuis, zonder hiervoor
een beroep te doen op de politie voor de beveiliging van
deze overbrenging.
Deze bepaling is in algemene bewoordingen ge-
formuleerd om dit principe ook te kunnen toepassen
op andere en eventuele toekomstige laagbeveiligde
detentieomgevingen. Via instructies van de penitenti-
aire administratie zullen evenwel duidelijke richtlijnen
raisons pour cette durée de validité (prorogeable) ont
déjà été expliquées ci-dessus.
CHAPITRE 20
Modification de la loi de principes du
12 janvier 2005 concernant l’administration
pénitentiaire ainsi que le statut juridique des
détenus
Art. 89
L’article 18 de la loi de principes du 12 jan-
vier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi
que le statut juridique des détenus dispose que les
fonctionnaires de l’administration pénitentiaire, désignés
par le directeur général, décident du placement et du
transfèrement des détenus. Ils décident notamment dans
quelle prison une personne condamnée doit purger sa
peine. Cette disposition modificative vise à permettre
au fonctionnaire désigné par le directeur général de
décider, lorsqu’il prend une décision de placement ou de
transfèrement, que la personne condamnée se rendra,
de manière indépendante, au lieu où il purgera sa peine
et ce, sans avoir besoin d’une quelconque forme de
surveillance ou d’accompagnement. Cette disposition
sera principalement appliquée en cas de décision de
placement dans une maison de détention. Les maisons
de détention sont des prisons de petite taille avec un
faible niveau de sécurité.
Suite à l’entrée en vigueur de la loi sur le statut juri-
dique externe des personnes condamnées à une peine
inférieure ou égale à trois ans, certaines catégories de
personnes condamnées, qui purgent actuellement leur
peine sous surveillance électronique sur la base de
circulaires ministérielles, purgeront désormais leur peine
en prison. L’objectif est de placer cette catégorie de
personnes condamnées dans une maison de détention
le plus rapidement possible après leur condamnation et
après vérification. Si la décision est prise de placer un
condamné dans un environnement de détention de faible
sécurité, tel qu’une maison de détention, il est opportun
que la législation prévoie explicitement la possibilité pour
le détenu de se rendre à la maison de détention de sa
propre initiative sans devoir faire appel à la police pour
assurer la sécurité de ce transfert.
Cette disposition est formulée en termes généraux
afin de pouvoir appliquer ce principe à d’autres milieux
de détention de faible sécurité et à d’éventuels futurs
milieux de détention de faible sécurité. Toutefois, grâce
aux instructions de l’administration pénitentiaire, des
83
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gegeven worden omtrent de te respecteren draagwijdte
van deze bepaling.
HOOFDSTUK 21
Overgangsbepalingen
Art. 90
Deze bepaling moet ervoor zorgen dat de regel in
de nieuwe § 1/1, eerste lid, van artikel 1727/5 van het
Gerechtelijk Wetboek inzake ambtstermijn en herbenoe-
mingsvereiste van toepassing is op de huidige ambts-
termijnen van de bij ministerieel besluit van 25 febru-
ari 2020 benoemde assessoren na de inwerkingtreding
van de wet van 18 juni 2018. Daarom is de datum waarop
het mandaat afloopt goed gespecificeerd, evenals de
voorwaarden voor verlenging om een tweede mandaat
aan te vragen.
Art. 91
Dit artikel beoogt een verlenging van het man-
daat van de leden van het bureau van de Federale
Bemiddelingcommissie. De leden werden benoemd
op 24 mei 2019, maar om diverse redenen, en meer
bepaald de vertraging bij de vernieuwing van de Federale
Bemiddelingcommissie, konden zij hun mandaten maan-
denlang niet op correcte wijze uitoefenen. De leden van
de vaste commissies werden pas benoemd op 5 decem-
ber 2019. Om te voorkomen dat er een al te grote tijdspan-
ne zou ontstaan tussen de hernieuwing van de mandaten
van de leden van het bureau die op 1 juni 2023 aflopen,
en de hernieuwing van de mandaten van de leden van
de commissies die aflopen op 20 december 2023, wordt
voorgesteld om de mandaten van de leden van het bureau
te verlengen tot 20 december 2023. Dat zou de Federale
Bemiddelingscommissie, die in 2023 wordt hernieuwd,
in staat moeten stellen om sneller te werken, met een
geringe tijdspanne tussen de benoemingen van de ver-
schillende leden van de verschillende organen ervan.
HOOFDSTUK 22
Inwerkingtreding
Art. 92
Artikel 42, 2°, maakt het mogelijk dat ook de be-
voegde kantoren van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten van
erfopvolging inschrijven in het centraal erfrechtregister. Dit
directives claires seront données concernant la portée
de cette disposition à respecter.
CHAPITRE 21
Dispositions transitoires
Art. 90
Cette disposition vise à s’assurer que la règle prévue
au nouveau § 1/1, alinéa 1er, de l’article 1727/5 du Code
judiciaire concernant la durée du mandat et la condition
de renouvellement du mandat s’applique bien aux man-
dats en cours des assesseurs nommés par un arrêté
ministériel du 25 février 2020 à la suite de l’entrée en
vigueur de la loi du 18 juin 2018. Dès lors, la date de fin
de mandat est bien précisée ainsi que les conditions
de renouvellement pour poser sa candidature à un
second mandat.
Art. 91
Cet article vise à prolonger le mandat des membres
du bureau de la Commission fédérale médiation. Les
membres ont été nommés le 24 mai 2019 mais n’ont pas
pu, pour diverses raisons et notamment le retard pris
dans le renouvellement de la commission fédérale de
médiation, exercer correctement leurs mandats pendant
plusieurs mois. Les membres des commissions per-
manentes n’ont été nommés que le 5 décembre 2019.
Afin d’éviter qu’il n’y ait un trop grand écart entre le
renouvellement des mandats des membres du bureau
venant à échéance le 1er juin 2023 et le renouvelle-
ment des mandats des membres des commissions
venant à échéance le 20 décembre 2023, il est pro-
posé de prolonger le mandat des membres du bureau
jusqu’au 20 décembre 2023. Cela devrait permettre à la
commission fédérale de médiation qui sera renouvelée
en 2023 de travailler plus rapidement avec peu d’écart
entre les nominations des différents membres des dif-
férents organes la composant.
CHAPITRE 22
Entrée en vigueur
Art. 92
L’article 42, 2°, prévoit la possibilité pour les bureaux
compétents de l’Administration générale de la documen-
tation patrimoniale d’enregistrer les actes et certificats
d’hérédité dans le registre central successoral. Cela
2774/001
DOC 55
84
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
veronderstelt dat een aantal bijkomende functionaliteiten
gecreëerd dienen te worden. Het is daarom wenselijk om
voldoende tijd in te bouwen die het mogelijk maakt de
nodige technische aanpassingen hiertoe uit te voeren.
Daartoe fixeert deze bepaling de inwerkingtreding
van hoofstukken 8, 9, 14 en 17 op een nuttige datum,
namelijk 1 november 2022. Vanaf die datum zullen ook
de bevoegde kantoren van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie de akten en attesten
van erfopvolging moeten inschrijven in het centraal erf-
rechtregister. De Koning kan echter een eerdere datum
van inwerkingtreding vaststellen.
In tegendeel treden de artikelen 44 en 46 in werking op
de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch
Staatsblad, voor zover zij tot doel hebben twee bepalingen
van het nieuwe Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek die
op 1 juli 2022 in werking treden, te verbeteren.
Art. 93
Gelet op het uitstel van inwerkingtreding van de wet
van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan
het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de
strafuitvoeringsmodaliteiten naar 1 september 2022 waar-
toe beslist werd (wet van 18 mei tot uitstel van de in-
werkingtreding van de bepalingen inzake de uitvoering
van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder), wordt
voorzien dat de artikelen van hoofdstuk 12, die wijzigin-
gen betreffen aan diezelfde wet, eveneens in werking
treden op 1 september 2022 teneinde een coherente
inwerkingtreding mogelijk te maken.
De minister van Justitie,
Vincent VAN QUICKENBORNE
présuppose la création d’un certain nombre de fonc-
tionnalités supplémentaires. Il est donc souhaitable de
prévoir un délai suffisant pour effectuer les ajustements
techniques nécessaires.
À cet effet, cette disposition fixe l’entrée en vigueur
des chapitres 8, 9, 14 et 17, à une date utile, à savoir
le 1er novembre 2022. À partir de cette date, les bureaux
compétents de l’Administration générale de la docu-
mentation patrimoniale devront également enregistrer
les actes et certificats d’hérédité dans le registre central
successoral. Le Roi peut toutefois fixer une date d’entrée
en vigueur antérieure.
En revanche, les articles 44 et 46 entrent en vigueur
le jour de la publication de la présente loi au Moniteur
belge, dans la mesure où ils visent à réparer deux dis-
positions du nouveau Livre 4 du Code civil qui entrent
en vigueur le 1er juillet 2022.
Art. 93
Vu le report de l’entrée en vigueur de la loi
du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des
personnes condamnées à une peine privative de liberté et
aux droits reconnus à la victime dans le cadre des moda-
lités d’exécution de la peine au 1er septembre 2022 qui
est décidé (loi du 18 mai 2022 visant à reporter l’entrée
en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des
peines privatives de liberté de trois ans ou moins) il est
prévu que les articles du chapitre 12, qui concernent
des modifications de la même loi, entrent en vigueur
également le 1er septembre 2022, afin d’assurer une
entrée en vigueur cohérente.
Le ministre de la Justice,
Vincent VAN QUICKENBORNE
85
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
VOORONTWERP VAN WET
Onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller
en straffer te maken II
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. De artikelen 27 en 28 van huidige wet voorzien in een
gedeeltelijke omzetting van de richtlijn (EU) 2018/1673 van het
Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake
de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 3. In artikel 165/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de
woorden “, waarvan de gemeente het uitsluitend gebruiksrecht
heeft,” opgeheven.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Art 4. In het Eerste Boek, Hoofdstuk IV van het Wetboek
van Strafvordering wordt een Afdeling 1bis/1 ingevoegd, dat
artikel 28decies omvat, met als opschrift: “Afdeling 1bis/1.
- Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer van
inbeschuldigingstelling”.
Art 5. In Afdeling 1bis/1 van hoofdstuk IV van het Eerste
boek van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 28decies in-
gevoegd, luidende:
“Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een jaar
niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van inbeschul-
digingstelling worden aanhangig gemaakt door een aan de
griffie van het hof van beroep gericht met redenen omkleed
verzoekschrift uitgaande van de verdachte of de burgerlijke
partij.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het goede
verloop van het opsporingsonderzoek, de wettigheid of de
regelmatigheid van de procedure, doet de procureur-generaal
te allen tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling de
vorderingen die hij nuttig acht.
In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstelling,
zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van zaken
AVANT-PROJET DE LOI
Soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi visant à rendre la justice plus
humaine, plus rapide et plus ferme II
CHAPITRE 1er
Dispositions générales
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’ar-
ticle 74 de la Constitution.
Art. 2. Les articles 27 et 28 assurent une transposition
partielle de la directive (UE) 2018/1673 du parlement euro-
péen et du Conseil du 23 octobre 2018 visant à lutter contre
le blanchiment de capitaux au moyen du droit pénal.
CHAPITRE 2
Modification de l’ancien Code civil
Art. 3. Dans l’article 165/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil,
inséré par la loi du 18 juin 2018 les mots “dont la commune a
l’usage exclusif,” sont abrogés.
CHAPITRE 3
Modifications du Code d’instruction criminelle
Art. 4. Dans le Livre premier, chapitre IV, du Code d’instruc-
tion criminelle, il est inséré une section 1rebis/1, comportant
l’article 28decies, et intitulée comme suit: “Section 1rebis/1.
- Du contrôle de l’information par la chambre des mises en
accusation”.
Art. 5. Dans la section 1rebis/1 du chapitre IV du Livre
premier du même Code, il est inséré un article 28decies,
rédigé comme suit:
“Art. 28decies. Si l’information n’est pas clôturée après
une année, la chambre des mises en accusation peut être
saisie par une requête motivée de l’inculpé ou de la partie
civile adressée au greffe de la cour d’appel.
S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de l’infor-
mation, la légalité ou la régularité de la procédure, le procureur
général prend, à tout moment, devant la chambre des mises
en accusation, les réquisitions qu’il juge utiles.
Dans ce cas, la chambre des mises en accusation peut,
même d’office, demander des rapports sur l’état des affaires
2774/001
DOC 55
86
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
en kennis nemen van de dossiers en de bij de artikelen 235
en 235bis bepaalde maatregelen nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan de procureur
des Konings in zijn verslag horen, buiten de aanwezigheid
van de partijen indien zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de
burgerlijke partij, de verdachte en hun advocaten horen, na
kennisgeving die hen door de griffier ten laatste achtenveertig
uur voor de zitting per faxpost, bij een gewone brief of langs
elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het ver-
zoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed arrest dat
wordt medegedeeld aan de procureur-generaal, de verzoe-
kende partij en de gehoorde partijen. De verzoeker mag geen
verzoekschrift met hetzelfde voorwerp indienen vooraleer
een termijn van zes maanden is verstreken te rekenen van
de laatste beslissing.”.
Art. 6 In artikel 39ter, § 3, tweede lid van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd door de wet van 5 mei 2019, worden de woorden
“met een gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en
met een geldboete van zesentwintig tot twintigduizend euro of
met één van die straffen alleen” vervangen door de woorden
“met een geldboete van honderd tot dertigduizend euro”.
Art. 7. In artikel 46bis, § 2, vierde lid van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden de
woorden “met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend
euro” vervangen door de woorden “met een geldboete van
honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 8. In artikel 46bis/1, § 2, derde lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd door de wet van 17 mei 2017, worden
de woorden “met een geldboete van zesentwintig euro tot
tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een
geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 9. In artikel 46ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd door de wet van 6 januari 2003, worden de woor-
den “met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en
met geldboete van zesentwintig EUR tot tienduizend EUR of
met een van die straffen alleen” vervangen door de woorden
“met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 10. in artikel 46quater, § 4, laatste lid, van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2019 en 28 no-
vember 2021, worden de woorden “met gevangenisstraf van
acht dagen tot een jaar en met een geldboete van zesentwintig
euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen”
vervangen door de woorden “met een geldboete van honderd
euro tot dertigduizend euro”.
Art. 11. In artikel 88bis, § 4, laatste lid, van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 25 december 2016 en
5 mei 2019, worden de woorden “met geldboete van zesen-
twintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de woorden
“met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
et peut prendre connaissance des dossiers et prendre les
mesures prévues aux articles 235 et 235bis.
Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut entendre le
procureur du Roi en son rapport, hors la présence des parties
si elle l’estime utile. Elle peut également entendre la partie
civile, l’inculpé et leurs conseils, sur convocation qui leur est
notifiée par le greffier, par télécopie, par lettre simple ou par
voie électronique, au plus tard quarante-huit heures avant
l’audience.
La chambre des mises en accusation statue sur la requête
par arrêt motivé, qui est communiqué au procureur général, à
la partie requérante et aux parties entendues. Le requérant ne
peut déposer de requête ayant le même objet avant l’expira-
tion du délai de six mois à compter de la dernière décision.”.
Art. 6. À l’article 39ter, § 3, alinéa 2 du même Code, modifié
par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’un emprisonnement de six
mois à un an ou d’une amende de vingt-six euros à vingt mille
euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par
les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 7. À l’article 46bis, § 2, alinéa 4 du même Code, modifié
par la loi du 25 décembre 2016, les mots “d’une amende de
vingt-six euros à dix milles euros” sont remplacés par les mots
“d’une amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 8. À l’article 46bis/1, § 2, alinéa 3 du même Code,
inséré par la loi du 17 mai 2017, les mots “d’une amende de
vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les mots
“d’une amende de cent euros à trente mille euros “.
Art. 9. À l’article 46ter, § 2, alinéa 4 du même Code, inséré
par la loi du 06 janvier 2003, les mots “d’un emprisonnement
de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six EUR à dix
mille EUR ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés
par les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 10. À l’article 46quater, § 4, dernier alinéa du même
Code, modifié par la loi du 05 mai 2019 et par la loi du 28 no-
vembre 2021, les mots “d’un emprisonnement de huit jours à
un an et d’une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou
d’une de ces peines seulement” sont remplacés par les mots
“d’une amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 11. À l’article 88bis, § 4, dernier alinéa du même Code,
modifié par la loi du 25 décembre 2016 et par la loi du 5 mai
2019, les mots “d’une amende de vingt-six euros à dix mille
euros” sont remplacés par les mots “d’une amende de cent
euros à trente mille euros”.
87
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 12. In artikel 88quater, § 3, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd door de wet van 28 november 2000 en gewijzigd
door de wet van 25 december 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “met gevangenis-
straf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van
zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die
straffen alleen” vervangen door de woorden “met geldboete
van honderd tot dertigduizend euro”;
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden “of een
van die straffen alleen”.
Art. 13. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen door de wet van 25 december 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden “met geld-
boete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro” vervangen
door de woorden “met een geldboete van honderd euro tot
dertigduizend euro”;
2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als volgt:
“Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert
aan de vorderingen bedoeld in het eerste en tweede lid, of de
maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert, wordt gestraft
met een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.;
3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en het
vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste en tweede
lid de uitvoering van een misdaad of een wanbedrijf kan
verhinderen, of de gevolgen ervan kan beperken, en deze
medewerking niet verleend wordt, zijn de straffen een gevan-
genisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van vijfhonderd
tot vijftigduizend euro of een van die straffen alleen.”.
4° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 39bis, § 3,
vierde lid” vervangen door de woorden “artikel 88ter, vierde lid”.
Art. 14. In artikel 162ter van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de be-
klaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burger-
rechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot de betaling
van de administratieve toeslag zoals bedoeld in titel 4 van
de programmawet van 21 juni 2021, indien de voorgestelde
minnelijke schikking zoals bepaald in artikel 216bis niet kan
worden uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de admi-
nistratieve toeslag bedraagt 25,32 euro.”
2° in het tweede lid wordt de zin “Het bedrag van de adminis-
tratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro.” opgeheven.
Art. 12. À l’article 88quater, § 3, du même Code, inséré par
la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du 25 décembre
2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “d’un emprisonnement de six
mois à trois ans et d’une amende de vingt-six euros à vingt mille
euros ou d’une de ces peines seulement” sont remplacés par
les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros “;
2° l’alinéa 2 est complété par les mots “ou une de ces
peines seulement”.
Art. 13. À l’article 90quater du même Code, remplacé
par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes
sont apportées:
1° Dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “d’une amende
de vingt-six euros à vingt mille euros” sont remplacés par
les mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”;
2° Dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est remplacé par ce
qui suit:
“Toute personne qui refuse de prêter son concours tech-
nique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2, ou qui fait
obstacle aux mesures visées à l’article 90ter, § 1er, est punie
d’une amende de cent euros à trente mille euros.”;
3° Dans le même paragraphe un alinéa rédigé comme suit
est inséré entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4:
“Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut empêcher
la commission d’un crime ou d’un délit ou peut en limiter les
effets et que cette collaboration n’est pas fournie, les peines
sont un emprisonnement de un à cinq ans et une amende
de cinq cents euros à cinquante mille euros ou une de ces
peines seulement.”.
4° Dans le paragraphe 5, les mots “l’article 39bis, § 3,
alinéa 4” sont remplacés par “l’article 88ter, alinéa 4”.
Art. 14. Dans l’article 162ter du même Code, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Tout jugement de condamnation rendu contre le prévenu
et les personnes civilement responsables de l’infraction
donne lieu au paiement de la redevance administrative telle
que visée au titre 4 de la loi-programme du 21 juin 2021, si
la transaction pénale proposée et prévue par cet article ne
peut pas être exécutée ou homologuée. Le montant de la
redevance administrative s’élève à 25,32 euros.”
2° dans l’alinéa 2, la phrase “Le montant de la redevance
administrative s’élève dans ce cas à 25,32 euros.” est abrogée.
2774/001
DOC 55
88
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 15. In artikel 196/1, laatste lid, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “een bijdrage of een administratieve toe-
slag.” vervangen door de woorden “of een bijdrage.”.
Art. 16. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste paragraaf wordt het laatste lid opgeheven;
2° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt:
“§ 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aanspra-
kelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt het open-
baar ministerie over een bijkomende termijn van tien dagen
om hoger beroep in te stellen. Deze termijn loopt vanaf het
verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde of de
burgerrechtelijk aansprakelijke partij.
Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft aan-
getekend beschikken de beklaagde en de burgerrechtelijk
aansprakelijke partij over een bijkomende termijn van tien
dagen om hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn loopt
vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van het openbaar
ministerie.
Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht, dan
beschikt deze over de bijkomende termijn van tien dagen
om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden en de
burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de zaak
wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel beroep
in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn loopt
vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de beklaagde
of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het hoofdberoep
hebben ingesteld.”.
Art. 17. Artikel 205 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 18. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/1
ingevoegd, luidende:
“§ 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een
goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid tussen de
fysieke onthaalcapaciteit van het hof van assisen en het aantal
procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de
buitenlandse nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting
het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van
een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan
mogelijk maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel
dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert, voor
de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang tot de
uitzending hebben verzocht.
§ 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een
deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit van de
debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare
orde te voorkomen en kan om die reden de uitzending ten
allen tijde onderbreken.
§ 3. Het opnemen van deze opname of het uitzenden ervan
aan derden wordt bestraft met een gevangenisstraf van zes
Art. 15. Dans l’article 196/1, dernier alinéa, du même Code,
les mots “, à une contribution ou à une redevance adminis-
trative.” sont remplacés par les mots “ou à une contribution.”
Art. 16. Dans l’article 203 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le premier paragraphe le dernier alinéa est supprimé;
2° le deuxième paragraphe est remplacé comme suit:
“§ 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable a
interjeté appel, le ministère public dispose d’un délai supplé-
mentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à
partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à
la partie civilement responsable.
Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et la partie
civilement responsable disposent d’un délai supplémentaire
de dix jours pour interjeter appel. Ce délai court à partir de
l’expiration du délai d’appel ouvert au ministère public.
Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile, celle-ci
a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter appel
contre les prévenus et les personnes civilement responsables
qu’elle entend maintenir à la cause, sans préjudice de son
droit de faire appel incident conformément au paragraphe 4.
Ce délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert
au prévenu ou à la personne civilement responsable ayant
formé l’appel principal.”.
Art. 17. L’article 205 du même Code est abrogé.
Art. 18. Dans le même Code un article 258/1 est inséré,
rédigé comme suit:
“§ 1er. Le président peut décider, dans l’intérêt de la bonne
administration de la justice, en raison soit de la disproportion
entre, la capacité d’accueil physique de la cour d’assises et le
nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes
de nationalité étrangère, que le déroulement de l’audience fera
l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle permettant sa
diffusion différé, par un moyen de télécommunication garan-
tissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à
leurs avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion.
§ 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout
ou partie des débats afin de garantir la sérénité des débats
ou de prévenir un trouble à l’ordre public et peut à cette fin
interrompre l’émission à tout moment.
§ 3. L’enregistrement de cette captation ou sa diffusion à
des tiers sera puni d’un emprisonnement de six mois à deux
89
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
maanden tot twee jaar en met geldboete van tweehonderd
euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen.
§ 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit artikel toe te pas-
sen, wordt dit met alle passende middelen meegedeeld aan
de gekende slachtoffers en hun advocaten. De slachtoffers en
hun advocaten moeten ten minste acht dagen voor aanvang
van de zitting aan de griffie of aan het parket meedelen dat zij
de uitzending van de geluidsopname of van de audiovisuele
opname van de terechtzittingen willen ontvangen.
§ 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten worden
geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang
tot de uitzending van de debatten worden zij expliciet op de
hoogte gebracht van de bepaling in paragraaf 3.”.
Art 19. In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/2
ingevoegd, luidende:
“Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de
voorzitter beslissen dat het verloop van de terechtzitting het
voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van een
audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is
voor het aanleggen van historische justitiearchieven.
In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals
voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt de digitale
drager met de volledige opname van de debatten, na het
sluiten van de debatten, bij het strafdossier gevoegd.”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 20. Het opschrift van hoofdstuk IX van Boek 1 van het
Strafwetboek wordt als volgt vervangen:
“Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren en
verzachtende omstandigheden”.
Art. 21. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende:
“Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende om-
standigheden, wordt de straf verhoogd of gewijzigd zoals
omschreven in de desbetreffende bepaling.”.
Art. 22. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende:
“Art. 78ter. Indien de wet voorziet in verzwarende factoren,
moet de rechter deze factoren in overweging nemen wanneer
hij de straf of de maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder
dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan de maximum-
straf op dit misdrijf gesteld.”.
Art. 23. In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 78quater ingevoegd, luidende:
ans et d’une amende de deux cents euros à dix mille euros
ou avec l’une de ces pénalités seules.
§ 4. Si le président décide d’appliquer le présent article, il en
est fait part aux victimes connues et à leurs avocats, par tous
les moyens appropriés. Les victimes et leurs avocats doivent
informer le greffe ou le parquet au moins huit jours avant le
début de l’audience qu’ils souhaitent recevoir la diffusion de
la captation sonore ou audiovisuelle des audiences.
§ 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont informés
des modalités pratiques d’accès à la diffusion des débats, la
disposition du paragraphe 3 est expressément portée à leur
connaissance.”.
Art 19. Dans le même Code un article 258/2 est inséré,
rédigé comme suit:
“Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le président
peut décider que le déroulement de l’audience fera l’objet
d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette captation
présente un intérêt pour la constitution d’archives historiques
de la justice.
En cas de captation sonore ou audiovisuelle, conformément
à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support numérique
contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier
pénal après la clôture des débats.”.
CHAPITRE 4
Modifications du Code pénal
Art. 20. L’intitulé du chapitre IX du Livre 1er du Code pénal
est remplacé par ce qui suit:
“Des circonstances aggravantes, des facteurs aggravants
et des circonstances atténuantes”.
Art. 21. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il
est inséré un article 78bis, rédigé comme suit:
“Art. 78bis. Si la loi prévoit des circonstances aggravantes,
la peine est augmentée ou modifiée conformément aux dis-
positions de cette loi.”.
Art. 22. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il
est inséré un article 78ter, rédigé comme suit:
“Art. 78ter. Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge
doit les prendre en considération lors du choix de la peine
ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir
prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue
pour l’infraction.”.
Art. 23. Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il
est inséré un article 78quater, rédigé comme suit:
2774/001
DOC 55
90
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Art. 78quater. De discriminerende drijfveer van de dader
is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens in
die gevallen waarin de wet van de discriminerende drijfveer
een verzwarende omstandigheid maakt.
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit een
discriminerende drijfveer wanneer een van de drijfveren van
de dader bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens zogenaamd
ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming,
nationaliteit, geslacht, zwangerschap, bevalling, ouderschap,
geslachtsverandering, genderidentiteit, genderexpressie,
seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, ver-
mogen, geloof of levensbeschouwing, gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging,
fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie,
ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader
erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band
heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen
of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het
vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”.
Art. 24. In de artikelen 377bis, 422quater, 438bis, 442ter,
453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen
bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 de-
cember 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “wanneer een van de drijfveren van de
misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het mis-
prijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale
of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn
seksuele geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte,
zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een handicap,
zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging,
een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale afkomst”
worden vervangen door de woorden “wanneer een van de
drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het misprij-
zen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische
afstamming, nationaliteit, geslacht, zwangerschap, beval-
ling, ouderschap, geslachtsverandering, genderidentiteit,
genderexpressie, seksuele geaardheid, burgerlijke staat,
geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of levensbeschouwing,
gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke overtuiging,
syndicale overtuiging, fysieke of genetische eigenschap of
sociale afkomst en positie, ongeacht of dit kenmerk daad-
werkelijk aanwezig is of slechts vermeend is door de dader”.
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Art. 78quater. Le motif discriminatoire de l’auteur est un
facteur aggravant pour toutes les infractions sauf dans les
cas où la loi fait du mobile discriminatoire une circonstance
aggravante.
Une infraction est réputée avoir été commise avec un mobile
discriminatoire lorsque l’un des mobiles de l’auteur consiste
en la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de
sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son accou-
chement, de sa parentalité, de son changement de sexe, de
son identité de genre, de son expression de genre, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou philo-
sophique, de son état de santé, d’un handicap, de sa langue,
de sa conviction politique, de sa conviction syndicale, d’une
caractéristique physique ou génétique ou de son origine et de
sa condition sociale, que cette caractéristique soit présente
de manière effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une
personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris
ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques
réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”.
Art. 24. Aux articles 377bis, 422quater, 438bis, 442ter,
453bis, 514bis, 525bis, 532bis, 534quater, du même Code,
insérés par la loi du 25 février 2003, remplacés par la loi du
10 mai 2007 et modifiés par la loi du 30 décembre 2009, les
modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit
est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de sa
nationalité, de son sexe, de son orientation sexuelle, de son
état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé
actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue, de sa conviction
politique, de sa conviction syndicale, d’une caractéristique phy-
sique ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés
par les mots “lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine, le
mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son ascendance,
de son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son
sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de sa parentalité,
de son changement de sexe, de son identité de genre, de son
expression de genre, de son orientation sexuelle, de son état
civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé,
d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de
sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou
génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière effective ou
seulement supposée par l’auteur”
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
91
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader
erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band
heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen
of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het
vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”.
Art. 25. In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, van
hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003,
vervangen bij de wet van 10 mei 2007, gewijzigd bij de wet
van 30 december 2009 en vervangen bij de wet van 14 januari
2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de
misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het mis-
prijzen van of de vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale
of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn geslacht, zijn
geslachtsverandering, zijn seksuele geaardheid, zijn burger-
lijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige gezondheids-
toestand, een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn
syndicale overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap
of zijn sociale afkomst” worden vervangen door de woorden
“Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst,
nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, ouderschap, geslachtsverandering,
genderidentiteit, genderexpressie, seksuele geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of
levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap, taal,
politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of gene-
tische eigenschap of sociale afkomst en positie, ongeacht of
dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts vermeend
is door de dader”.
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van de dader
erin bestaat dat het slachtoffer een band of vermeende band
heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen
of vijandigheid koestert wegens een of meer van de in het
vorige lid aangehaalde werkelijke of vermeende kenmerken.”.
Art. 26. In boek II, titel VIII, hoofdstuk IV, van hetzelfde
wetboek worden in artikel 442/1 in de plaats van de woorden
“aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van
de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig bin-
nendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed
of”, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk
Hof, de volgende woorden ingevoegd: “aan het bevel tot ont-
ruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de wet van 18 oktober
2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezet-
ten van of verblijven in andermans goed, zoals hersteld bij
de wet van … of”.
Art. 27. In artikel 505 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 7 april 1995 en laatst gewijzigd bij de wet van 15 juli
2013, worden het derde en het vierde lid vervangen als volgt:
“Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une
personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris
ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques
réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”.
Art. 25. À l’article 405quater du même Code, inséré par
la loi du 25 février 2003, remplacé par la loi du 10 mai 2007,
modifié par la loi du 30 décembre 2009 et remplacé par la loi
du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “Lorsqu’un des mobiles du crime ou du délit
est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou ethnique, de
sa nationalité, de son sexe, de son changement de sexe, de
son orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou philo-
sophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un handicap,
de sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction
syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique ou de
son origine sociale” sont remplacés par les mots “Lorsqu’un
des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité
à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue race,
de sa couleur de peau, de son ascendance, de son origine
nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de
sa grossesse, de son accouchement, de sa parentalité, de
son changement de sexe, de son identité de genre, de son
expression de genre, de son orientation sexuelle, de son état
civil, de sa naissance, de son âge, de son patrimoine, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son état de santé,
d’un handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de
sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou
génétique ou de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière effective ou
seulement supposée par l’auteur”.
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime et une
personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris
ou de l’hostilité pour une ou plusieurs des caractéristiques
réelles ou supposées énoncées à l’alinéa précédent.”.
Art. 26. Dans l’article 442/1 du livre II, titre VIII, chapitre IV,
du même code, à la place des mots “à l’ordonnance d’éva-
cuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017
relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes
dans le bien d’autrui ou” annulés par l’arrêt n° 39/2020 de
la Cour constitutionnelle, les mots suivants sont insérés: “à
l’ordonnance d’évacuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi
du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation
ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui, rétabli par la
loi du …, ou”.
Art. 27. Dans l’article 505 du même Code, remplacé par
la loi du 7 avril 1995 et modifié dernièrement par la loi du
15 juillet 2013, les alinéas 3 et 4 sont remplacé par ce qui suit:
2774/001
DOC 55
92
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“De onderworpen entiteiten als bedoeld in artikel 5, §§ 1
en 4 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van
het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en
tot beperking van het gebruik van contanten, alsmede hun
bestuurders, aangestelden en lasthebbers, blijven vrij van
straf voor de in § 1, 1ste lid, 2° en 4° genoemde misdrijven, voor
zover zij zich, ten aanzien van de betrokken feiten gepleegd
in het raam van andere fiscale fraude dan ernstige fiscale
fraude, al dan niet georganiseerd, hebben geconformeerd aan
de verplichtingen de wetgeving en reglementering inzake de
bestrijding van fiscale fraude waaronder deze die voortvloeien
uit de wet van 18 september 2017.”
Art. 28. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 505ter
ingevoegd, luidende:
“De misdrijven bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2° tot 4°
worden gestraft met opsluiting van drie jaar tot vijf jaar en met
een geldboete van tienduizend tot tweehonderdduizend euro
of met een van die straffen alleen wanneer zij zijn gepleegd
in de volgende omstandigheden:
1° de dader van het misdrijf is een meldingsplichtige en-
titeit volgens artikel 2 van de richtlijn (EU) 2015/849 van het
Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de
voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het
witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van
Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement
en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het
Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van
de Commissie, gevestigd in België, in een ander land van de
Europese Economische Ruimte of een derde land dat verplich-
tingen oplegt die gelijkaardig zijn aan die uit de voornoemde
richtlijn, en deze het misdrijf heeft gepleegd in het kader van
de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten;
2° het strafbare feit is gepleegd in het kader van een crimi-
nele organisatie zoals omschreven in artikel 324bis.”
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 29. Artikel 555/13, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt ver-
vangen als volgt:
“De minister van Justitie of de door hem gemachtigde
ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde
voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd
vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag
van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van
minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of
beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich
in die periode voldoende heeft bijgeschoold.”.
Art. 30. In artikel 1344octies, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 oktober 2017, worden
de woorden “doordat het ondanks pogingen van de verzoeker
in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de identiteit
“Les entités assujetties telles que visées à l’article 5, §§ 1er
et 4 de la Loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention
du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme
et à la limitation de l’utilisation des espèces, ainsi que leurs
administrateurs, préposés et mandataires, restent exempts
de peine pour les infractions visées au § 1er, alinéa 1er, 2° et
4°, dans la mesure où, en ce qui concerne les faits concernés
commis dans le cadre de la fraude fiscale autre que la fraude
fiscale grave, organisée ou non, ils se sont conformés, à la
législation et à la réglementation en matière de lutte contre la
fraude fiscale y compris celles découlant de la loi du 18 sep-
tembre 2017.”
Art. 28. Dans le même Code, un article 505ter est inséré,
libellé comme suit:
“Les infractions prévues à l’article 505 alinéa 1er, 2° à 4°
seront punies de la réclusion de trois à cinq ans et d’une
amende de dix mille à deux cent mille euros ou d’une de ces
peines seulement lorsqu’elles auront été commises dans les
circonstances suivantes:
1° l’auteur de l’infraction est une entité assujettie visée à
l’article 2 de la directive (UE) 2015/849 du Parlement euro-
péen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention
de l’utilisation du système financier aux fins du blanchiment
de capitaux ou du financement du terrorisme, modifiant le
Règlement (UE) n° 648/2012 du Parlement européen et du
Conseil et abrogeant la directive 2005/60/CE du Parlement
européen et du Conseil et la directive 2006/70/CE de la
Commission, établie en Belgique, dans un autre pays de
l’Espace économique européen ou dans un pays tiers qui
impose des obligations équivalentes à celles prévues par la
directive précitée, et a commis l’infraction dans l’exercice de
ses activités professionnelles;
2° l’infraction est commise dans le cadre d’une organisation
criminelle telle que définie à l’article 324bis.”
CHAPITRE 5
Modifications du Code judiciaire
Art. 29. L’article 555/13, § 2, alinéa 2 du Code judiciaire,
inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit:
“Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par
lui peut accorder une dispense de la condition visée au § 1er,
2°, à l’expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traduc-
teur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de
minimum quinze ans avant la date de la demande de la dis-
pense, a exercé l’activité d’expert judiciaire ou de traducteur,
interprète ou traducteur-interprète juré et s’est suffisamment
formé durant cette période.”.
Art. 30. Dans l’article 1344octies, alinéa 1er, du même
Code, inséré par la loi du 18 octobre 2017, les mots “découlant
du fait que malgré les tentatives du requérant en ce sens, il
ne lui a pas été possible de déterminer l’identité d’aucun des
93
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van zelfs een van de bezetters van het goed te bepalen”
ingevoegd tussen de woorden “noodzakelijkheid” en “, bij”.
Art. 31. In artikel 1727, § 2, van hetzelfde Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “, evenals de
evaluaties met het oog op het afleveren van een erkenning en
de erkenningsprocedure;” vervangen door de woorden “die de
kandidaten-bemiddelaars moeten volgen en die daadwerkelijk
door de opleidingsinstantie moeten worden beoordeeld;”;
2° de bepaling onder 2°/1 wordt ingevoegd, luidende:
“2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de erkenning
van bemiddelaars te bepalen;”;
3° de bepaling onder 5° wordt aangevuld met de woorden
“na overleg met de instanties van bemiddelaars en van op-
leiders in bemiddeling”;
4° in de bepaling onder 10° worden de woorden “de lijst
van bemiddelaars opstellen en verspreiden” vervangen door
de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen volgens de
bijzondere domeinen van de bemiddelingspraktijk en deze
lijst verspreiden”.
Art. 32. In artikel 1727/2, § 3, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het eerste lid
vervangen als volgt:
“De algemene vergadering wijst te midden van de leden
van het bureau een voorzitter aan en een ondervoorzitter,
die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals een secretaris,
voor een periode die overeenkomt met de helft van de ambts-
termijn van een lid van het bureau. Bij de aanwijzing ziet de
algemene vergadering erop toe dat de duur van de voorzit-
terschappen en ondervoorzitterschappen gelijk is. Die ambten
worden afwisselend toegekend aan een Franstalige en een
Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het ondervoorzit-
terschap worden bovendien afwisselend uitgeoefend door
notarissen, advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders
en door bemiddelaars die geen van voornoemde beroepen
uitoefenen.”.
Art. 33. In artikel 1727/2, § 4, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden “in artikel 1727, § 2,
8°, 9°, 11° en 12°” vervangen door de woorden “in artikel 1727,
§ 2, 9°, 10°, 11° en 12°”;
2° in het derde lid, wordt het nummer “6°” vervangen door
het nummer “7°”.
Art. 34. In artikel 1727/4, § 1, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de derde tot
zesde lid vervangen als volgt:
occupants du bien” sont insérés entre les mots “nécessité”
et “, par”.
Art. 31. Dans l’article 1727, § 2, du même Code, remplacé
par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le 2°, les mots “ainsi que les évaluations en vue
de la délivrance d’un agrément et la procédure d’agrément;”
sont remplacés par les mots “par les candidats médiateurs et
devant faire l’objet d’une évaluation effective organisée par
l’organe de formation;”;
2° il est inséré un 2°/1 rédigé comme suit:
“2°/1 déterminer les conditions et la procédure d’agrément
des médiateurs;”;
3° le 5° est complété par les mots ““après une consulta-
tion avec les organismes de médiateurs et de formateurs en
médiation”;
4° dans le 10°, les mots “dresser et diffuser la liste des
médiateurs” sont remplacés par les mots “dresser la liste des
médiateurs en fonction des domaines particuliers de pratique
de la médiation et la diffuser”.
Art. 32. Dans l’article 1727/2, § 3, du même Code, inséré par
la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“L’assemblée générale désigne parmi les membres du bureau
un président et un vice-président, qui remplace le président
le cas échéant, ainsi qu’un secrétaire pour une période qui
correspond à la moitié de celle du mandat de membre au
sein du bureau. L’assemblée générale veille au moment de
la désignation à ce que la durée des présidences et vice-
présidences soit équivalente. Ces fonctions sont attribuées
alternativement à un francophone et un néerlandophone. La
présidence et la vice-présidence sont, en outre, exercées
alternativement par des notaires, des avocats, des magistrats,
des huissiers de justice et par des médiateurs qui n’exercent
aucune des professions précitées.”.
Art. 33. Dans l’article 1727/2, § 4, du même Code, inséré
par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “à l’article 1727, § 2, 8°, 9°,
11° et 12°” sont remplacés par les mots “à l’article 1727, § 2,
9°, 10°, 11° et 12°”;
2° dans l’alinéa 3, le “6°” est remplacé par “7°”.
Art. 34. Dans l’article 1727/4, § 1er, du même Code, inséré
par la loi du 18 juin 2018, les alinéas 3 à 6 sont remplacés
par ce qui suit:
2774/001
DOC 55
94
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd door de
minister van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld
door het bureau, en waarin een met redenen omkleed ad-
vies is opgenomen met betrekking tot maximaal vijfentwintig
kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De
Koning bepaalt de nadere regels voor de bekendmaking van
de vacatures, voor de indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd. Het
mandaat van een lid kan voortijdig beëindigd worden door
het ontslag van het lid of door een met redenen omklede
beslissing genomen door de minister van Justitie op voorstel
van het bureau. De als vervanger aangewezen persoon wordt
door het bureau gekozen uit de in lid 3 bedoelde lijst. Indien
op deze lijst geen vervanger kan worden gevonden, wordt er
vervolgens gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle
gevallen voltooien de ter vervanging benoemde personen het
mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste man-
daat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging benoemde
persoon tweemaal worden verlengd.
De algemene vergadering wijst te midden van de leden van
het bureau een voorzitter voor elke commissie aan voor een
periode die overeenkomt met de helft van de ambtstermijn
van een lid van het bureau. Bij de aanwijzing ziet de algemene
vergadering erop toe dat de duur van de voorzitterschap-
pen gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed door een
Nederlandstalige en een Franstalige.”.
Art. 35. In artikel 1727/5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “Het bureau wijst
voor een periode van twee jaar de voorzitter aan.” vervangen
door de woorden “Het bureau wijst de voorzitter aan voor een
periode die overeenkomt met de helft van de ambtstermijn
van een lid van het Bureau, waarbij het er bij de benoeming
op toeziet dat de duur van de voorzitterschappen gelijk is”;
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
“§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor een periode van
vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden verlengd.
Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëindigd
worden door het ontslag van het lid of door een met redenen
omklede beslissing genomen door de minister van Justitie
op voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens gehandeld
overeenkomstig de paragraaf 1, derde lid. In alle gevallen
voltooien de ter vervanging benoemde personen het mandaat
van de voorganger. Indien het om een eerste mandaat gaat,
mag het mandaat van de ter vervanging benoemde persoon
tweemaal worden verlengd.”;
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het nummer “5°” ver-
vangen door het nummer “6°”;
“Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge. Les
membres sont nommés par le ministre de la Justice sur la
base de la présentation d’une liste rédigée par le bureau de
maximum vingt-cinq candidats classés par ordre de préférence,
contenant un avis motivé pour chaque candidat. Le Roi fixe
les modalités de la publication des vacances, du dépôt des
candidatures, de la présentation des membres ainsi que les
critères requis pour poser sa candidature.
Ces membres sont nommés pour une période de quatre
ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une seule fois. Il
peut être mis fin prématurément au mandat d’un membre par
la démission du membre ou par une décision motivée prise
par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. La
personne nommée en remplacement doit être choisie par
le bureau sur la liste visée à l’alinéa 3. Dans l’hypothèse où
aucun remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera
procédé conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas, les
personnes nommées en remplacement achèvent le mandat
du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le mandat
de la personne nommée en remplacement peut être renou-
velé deux fois.
L’assemblée générale désigne parmi les membres du
bureau un président pour chaque commission pour une
période qui correspond à la moitié de celle du mandat de
membre au sein du bureau. L’assemblée générale veille au
moment de la désignation à ce que la durée des présidences
soit équivalente. Cette fonction est attribuée alternativement
à un francophone et à un néerlandophone.”.
Art. 35. Dans l’article 1727/5, du même Code, inséré par la
loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “Le bureau désigne le
président pour une période de deux ans” sont remplacés par
“Le bureau désigne le président pour une période qui corres-
pond à la moitié de celle du mandat de membre au sein du
bureau en veillant, au moment de la désignation, à ce que la
durée des présidences soit équivalente.”;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
“§ 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période
de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une
seule fois.
Il peut être mis fin prématurément au mandat d’un assesseur
par la démission de celui-ci ou par une décision motivée prise
par le ministre de la Justice sur la proposition du bureau. Il est
ensuite procédé conformément au paragraphe 1er, alinéa 3.
Dans tous les cas, les personnes nommées en remplacement
achèvent le mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier
mandat, le mandat de la personne nommée en remplacement
peut être renouvelé deux fois.”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le “5°” est remplacé
par “6°”;
95
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden
“artikel 1727, § 2, 7° en 10°,” vervangen door de woorden
“artikel 1727, § 2, 5° en 8°,”;
5° paragraaf 5 wordt aangevuld met de volgende zin:
“De commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbe-
handeling ziet toe op een integrale of gedeeltelijke publicatie
van haar tuchtbeslissingen, die geanonimiseerd zijn, op de
website van de Federale bemiddelingscommissie.”.
Art. 36. In artikel 1734, § 1/1, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid
vervangen als volgt:
“Indien de partijen geen overeenstemming bereiken over de
aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat de rechter
over tot de aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars,
die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, bij voorkeur op
basis van een lijst met alle bemiddelaars die is opgesteld
door de Federale bemiddelingscommissie. De rechter kiest
een of meerdere bemiddelaars die competent zijn in het licht
van de aard van het geschil tussen de partijen en die, voor
zover mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de woonplaats
van de partijen.”.
HOOFDSTUK 6
Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling
van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Art. 37. In artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983
tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen,
laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid, worden de woorden “van de minister
bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang heb-
ben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot
derde lid” opgeheven;
2° in het vierde lid, worden de woorden “de via het
Rijksregister verkregen informatiegegevens” vervangt door
de woorden “het Rijksregisternummer”, de woorden “die
informatiegegevens” door de woorden “dat nummer” en de
woorden “die gegevens” door de woorden “het nummer”.
HOOFDSTUK 7
Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
Art. 38. In artikel 10 van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° in nieuwe paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden
“zou staatloos zijn, indien het die nationaliteit niet bezat”
vervangen door de woorden “geen andere nationaliteit bezit”;
4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots “à l’ar-
ticle 1727, § 2, 7° et 10°,” sont remplacés par les mots “à
l’article 1727, § 2, 5° et 8°,”;
5° le paragraphe 5 est complété par la phrase suivante:
“La commission de discipline et de traitement des plaintes
veille à une publication intégrale ou partielle de ses décisions
disciplinaires, rendues anonymes, sur le site internet de la
Commission fédérale de médiation.”.
Art. 36. Dans l’article 1734, § 1er/1, du même Code, inséré
par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Si les parties ne s’accordent pas sur le médiateur ou
les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur ou
des médiateurs agréés selon l’article 1727, de préférence
sur la base d’une liste de tous les médiateurs établie par la
Commission fédérale de médiation. Le juge choisit un ou des
médiateurs compétents au regard de la nature du différend
entre les parties et, dans la mesure du possible, établis à
proximité du domicile des parties.”.
CHAPITRE 6
Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un
registre national des personnes physiques
Art. 37. A l’article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983, organi-
sant un registre national des personnes physiques, modifié
en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 3, les mots “du ministre ayant l’Intérieur dans
ses attributions et peuvent accéder aux informations visées
à l’article 3 alinéas 1er à 3” sont abrogés;
2° à l’alinéa 4, les mots “des informations obtenues du”
sont remplacés par les mots “le numéro de”, les mots “à les
recevoir” sont remplacés par les mots “à le recevoir” et les
mots “ces données” sont remplacés par les mots “ce numéro”.
CHAPITRE 7
Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 38. Dans l’article 10 du Code de la nationalité belge,
modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er;
2° au paragraphe 1er nouveau, alinéa 1er, les mots “serait
apatride s’il n’avait cette nationalité” sont remplacés par les
mots “ne possède aucune autre nationalité”;
2774/001
DOC 55
96
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° nieuwe paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt alle
nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de plaats waar het kind geboren
is. In geval van twijfel over het ontbreken van nationaliteit van
het kind, vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand het
advies van de procureur des Konings. In dat geval zendt hij
hem een afschrift van het dossier. Het advies wordt op korte
termijn verstrekt door de procureur des Konings.”;
4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen;
5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen.
Art. 39. In artikel 24bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° worden de woorden “De minister van Justitie legt de
richtlijnen vast” vervangen door de woorden “Het college van
procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen”;
2° worden de woorden “nadat hij het advies heeft ingewon-
nen van het college van procureurs-generaal” opgeheven.
Art. 40. In hetzelfde Wetboek wordt een Hoofdstuk Vter inge-
voegd, met als opschrift “Hoofdstuk Vter. - Adviesbevoegdheid
van de Federale Overheidsdienst Justitie”.
Art. 41. In Hoofdstuk Vter, ingevoegd bij artikel 40, wordt
een artikel 24ter ingevoegd, luidende:
“Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit
wordt opgericht binnen de Federale Overheidsdienst Justitie.
Behalve in de materies of in de gevallen waar dit Wetboek of
de wet bevoegdheden toekent aan de Procureur des Konings,
verleent de Centrale Autoriteit niet-bindende adviezen, op
vraag van de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder
van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval
van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van een
of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder
van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister zendt
zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit, samen met de stukken waarover hij beschikt.
De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit kan, indien nodig,
bijkomende documenten of akten opvragen bij de ambtenaar
van de burgerlijke stand of de houder van het bevolkings-,
vreemdelingen- of wachtregister die het advies heeft gevraagd.
Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de Centrale
Autoriteit inzake Nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit verleent advies
binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van
alle benodigde stukken, verlengbaar met zes maanden door
de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit.
3° le § 1er nouveau est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Le représentant légal de l’enfant transmet à l’Officier de
l’état civil de naissance de l’enfant toutes les pièces utiles dont
il dispose. En cas de doute sur l’absence de nationalité de
l’enfant, l’Officier de l’état civil demande l’avis du Procureur
du Roi. Dans ce cas, il lui transmet copie du dossier. L’avis
est rendu à bref délai par le Procureur du Roi.”;
4° l’alinéa 3 formera le paragraphe 2;
5° l’alinéa 4 formera le paragraphe 3.
Art. 39. Dans l’article 24bis du même Code, inséré par la
loi du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont
apportées:
1° les mots “Le ministre de la Justice arrête” sont remplacés
par les mots “Le Collège des procureurs généraux peut arrêter”;
2° les mots “, après consultation du Collège des procureurs
généraux” sont abrogés.
Art. 40. Dans le même Code, il est inséré un Chapitre Vter,
intitulé “Chapitre Vter. - Compétence d’avis du Service public
fédéral Justice”.
Art. 41. Dans le Chapitre Vter, inséré par l’article 40, il est
inséré un article 24ter rédigé comme suit:
“Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de natio-
nalité est créée au sein du Service Public Fédéral Justice.
Sauf dans les matières où le présent Code ou la loi accordent
des compétences au Procureur du Roi, l’Autorité Centrale en
matière de nationalité rend des avis non contraignants, à la
demande de l’officier de l’état civil ou du détenteur du registre
de la population, du registre des étrangers ou du registre
d’attente, en cas de doute sérieux sur la manière d’appliquer
une ou plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre de la
population, du registre des étrangers ou du registre d’attente,
transmet sa demande d’avis à l’Autorité Centrale en matière de
nationalité, accompagnée des pièces dont il dispose. L’Autorité
Centrale en matière de nationalité peut, si nécessaire, deman-
der des documents ou des actes complémentaires, à l’officier
de l’état civil ou au détenteur du registre de la population, du
registre des étrangers ou du registre d’attente qui a demandé
l’avis. Celui-ci les transmet sur-le-champ à l’Autorité Centrale
en matière de nationalité.
§ 3. L’Autorité Centrale en matière de nationalité rend un
avis dans un délai de six mois à partir de la réception de
l’ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de six mois
par l’Autorité Centrale en matière de nationalité.
97
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit brengt het
advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand
of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of wacht-
register die het advies heeft gevraagd.”.
HOOFDSTUK 8
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 42. In het Burgerlijk Wetboek, wordt het opschrift van
hoofdstuk 6 van ondertitel 6 van titel 1 van Boek 4 van het
Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt:
“Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid”.
Art. 43. Artikel 4.59 van hetzelfde Wetboek wordt vervan-
gen als volgt:
“Art. 4.59. § 1. Al wie als erfgerechtigde tot een nalaten-
schap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam
heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is,
kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van
erfopvolging voor te leggen.
De langstlevende echtgenoot kan door voorlegging van
een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke rechten
hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als gevolg van de
ontbinding ervan door het overlijden, zelfs indien de akte of
attest de devolutie van de nalatenschap van zijn overleden
echtgenoot niet vermeldt.
Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aangewezen
beheerder van de nalatenschap kunnen hun bevoegdheden
om de goederen van de nalatenschap te beheren of om daar-
over te beschikken, bewijzen door een akte of een attest van
erfopvolging voor te leggen.
§ 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opge-
maakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de in
de paragraaf 1 vermelde personen, of, desgevallend, hun
rechtsopvolgers.
De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld
door een notaris.
Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt
vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, indien
er geen uiterste wilsbeschikking, geen erfovereenkomst, geen
contractuele erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in
hoofde van de erflater, en voor zover er geen onbekwame
erfgerechtigden zijn, kan een akte of een attest van erfop-
volging ook worden opgemaakt door een ambtenaar van het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie.
De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten
en attesten van erfopvolging in het centraal erfrechtregister in.
§ 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging vermeldt
de volgende gegevens:
§ 4. L’Autorité Centrale en matière de nationalité porte l’avis
à la connaissance de l’officier de l’état civil ou du détenteur
du registre de la population, du registre des étrangers ou du
registre d’attente qui l’a demandé.”.
CHAPITRE 8
Modifications du Code civil
Art. 42. Dans le Code civil, l’intitulé du chapitre 6 du sous-
titre 6 du titre 1er du Livre 4 du Code civil est remplacé par
l’intitulé suivant:
“Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale”.
Art. 43. L’article 4.59 du même Code est remplacé par
ce qui suit:
“Art. 4.59. § 1er. Toute personne appelée à la succession en
tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore
en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en
présentant un acte ou un certificat d’hérédité.
Le conjoint survivant peut, par la présentation d’un acte
ou d’un certificat d’hérédité, prouver quels droits il acquiert
en vertu de son régime matrimonial suite à la dissolution de
celui-ci par le décès, même si l’acte ou le certificat n’indique
pas la dévolution de la succession de son conjoint défunt.
Un exécuteur testamentaire et un administrateur judiciaire de
la succession peuvent prouver leurs pouvoirs d’administration
ou de disposition à l’égard des biens de la succession par la
présentation d’un acte ou d’un certificat d’hérédité.
§ 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi et délivré
à la demande d’une ou plusieurs des personnes indiquées
au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de leurs ayants droit.
L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par un notaire.
Si la succession du défunt est exclusivement dévolue
conformément aux dispositions du sous-titre 4, s’il n’y a pas
d’héritiers incapables et s’il n’est pas question de dispositions
de dernière volonté, d’un pacte successoral, d’une institution
contractuelle ou d’une convention matrimoniale dans le chef
du défunt, un acte ou un certificat d’hérédité peut également
être établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compétent
de l’Administration générale de la documentation patrimoniale.
Le notaire ou le bureau compétent de l’Administration
générale de la documentation patrimoniale inscrit ses actes
et certificats d’hérédité dans le registre central successoral.
§ 3. Tout acte et tout certificat d’hérédité mentionnent les
données d’identification suivantes:
2774/001
DOC 55
98
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum
van geboorte, adres en datum van overlijden; in voorkomend
geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank
van Ondernemingen;
2°het op de nalatenschap toepasselijk recht.
§ 4. Voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de akte
of het attest van erfopvolging wordt afgegeven, vermeldt de
akte of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens,
voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald:
1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam,
voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, eventueel
de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identi-
ficatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het iden-
tificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste lid: of, en
in voorkomend geval hoe en wanneer ze hun erfkeuze hebben
uitgeoefend, de omvang van het erfdeel, de omschrijving van
de goederen die hen toekomen, de aard van hun rechten, en de
beperkingen op de uitoefening van die rechten die het gevolg
zijn van onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel
of van een testamentaire beschikking;
3° in voorkomend geval van de langstlevende echtgenoot:
de gegevens over hun huwelijk en hun huwelijksstelsel, de
omschrijving van de goederen die hem toekomen, de aard
van zijn rechten, en de beperkingen op de uitoefening van
die rechten die het gevolg zijn van onbekwaamheid, van een
beschermingsmaatregel of van een testamentaire beschik-
king; tevens of hij een keuze heeft uitgeoefend omtrent de
rechten vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, en in
voorkomend geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitge-
oefend, evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang
van goederen betreft;
4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe en
wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld, dan wel
dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden;
5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aangestelde
beheerder van de nalatenschap: de omvang van zijn bevoegd-
heden en de gegevens met betrekking tot de beschikking die
hem deze bevoegdheden verlenen.
De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan, wan-
neer een akte van erfopvolging voor verschillende doeleinden
wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van de akte afleveren
voor een bepaald doel. Het uittreksel bevat alle informatie die
vereist is om de beoogde doelstelling te bereiken.
De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor de
vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke akte of
attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in het tweede lid
bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze doelstelling opgemaakt
1° du défunt: ses nom, prénoms, lieu et date de naissance,
adresse et date de décès; le cas échéant, le numéro d’iden-
tification du Registre national, le numéro d’identification à
la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises;
2° la loi applicable à la succession.
§ 4. Dans la mesure requise pour les finalités en vue des-
quelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré, l’acte ou
le certificat mentionne les données suivantes, pour autant
qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées:
1° pour toutes les personnes mentionnées au paragraphe 1er,
leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et
éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro
d’identification du Registre national, le numéro d’identification
à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour des entreprises;
2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er, ali-
néa 1er: si, et le cas échéant comment et quand ils ont exercé
leur option héréditaire, l’étendue de leur part héréditaire, la
description des biens qui leur reviennent, la nature de leurs
droits et les restrictions à l’exercice de leurs droits en raison
de leur incapacité, d’une mesure de protection ou d’une dis-
position testamentaire;
3° le cas échéant, pour le conjoint survivant: les données
relatives au mariage et au régime matrimonial, la description
des biens qui lui reviennent, la nature de ses droits, et les res-
trictions à l’exercice de ses droits en raison de son incapacité,
d’une mesure de protection ou d’une disposition testamentaire;
en outre, s’il a exercé une option quant aux droits mentionnés
au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et
quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences de
celle-ci pour la transmission des biens;
4° pour les légataires: s’ils ont et, le cas échéant quand et
comment ils ont été mis en possession de leur legs, ou s’ils
sont entrés en cette possession de plein droit;
5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur judiciaire
de la succession: l’étendue de ses pouvoirs et les données
relatives à la disposition qui lui accorde ces pouvoirs.
Lorsqu’un acte d’hérédité est établi en vue de plusieurs
finalités, le notaire ou le bureau compétent de l’Administra-
tion générale de la Documentation patrimoniale peut délivrer
un extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité déterminée.
L’extrait mentionne toute l’information requise pour atteindre
utilement la finalité envisagée.
L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la libération des
avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat distinct,
soit faire l’objet d’un extrait conformément à l’alinéa 2, établi
ou délivré exclusivement en vue de cette finalité et contenant
99
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
of afgeleverd, met de door de wet vereiste vermeldingen. Het
bevat de gegevens van de personen vermeld in het eerste lid,
1° tot 5°, enkel voor zover deze personen op deze tegoeden
gerechtigd zijn.
In de mate waarin een akte van erfopvolging de verkrijging
van zakelijke rechten ter zake des doods vaststelt met betrek-
king tot onroerende goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1,
7°, mag de notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van die akte een
letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied waarbinnen
de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen
bedoeld in artikel 3.31.
§ 5. De notaris en het kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie kunnen de aflevering van
een akte of een attest van erfopvolging weigeren indien zij aan
de hand van de door de verzoeker voorgelegde stukken, de
gedane verklaringen en de door hen verrichte opzoekingen,
niet met zekerheid de gegevens kunnen vaststellen die vereist
zijn door paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig
zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het attest
zou worden afgegeven.
§ 6. Alle personen die in de akte of het attest van erfopvol-
ging zijn vermeld, worden geacht de in de akte of het attest
vermelde hoedanigheid te hebben, en de daaraan verbonden
rechten en bevoegdheden te kunnen uitoefenen.
Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de in
de akte of het attest van erfopvolging vermelde informatie met
een persoon die in de akte of het attest wordt vermeld, wordt
geacht te handelen met een persoon die de in de akte of het
attest vermelde hoedanigheid heeft.
Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de
betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien de
schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan
of op instructie van de personen die in de akte of het attest
van erfopvolging zijn aangewezen als degene die op deze
tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op instructie van een
gerechtsmandataris.
De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld,
ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wettelijke
verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van
deze tegoeden.
§ 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging opgesteld
door een ambtenaar van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie:
1° de materiële vormen van de akte bepalen;
2° de modaliteiten inzake de aflevering van uitgiften en
uittreksels van de akte bepalen;
3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de akte bepalen;
les mentions exigées par la loi. Il ne contient les données des
personnes mentionnées à l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant
que ces personnes puissent prétendre à ces avoirs.
Dans la mesure où un acte d’hérédité constate l’acqui-
sition pour cause de mort de droits réels portant sur des
immeubles, tels que visé à l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire
ou le bureau compétent de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale peut en délivrer un extrait littéral
qui sera transcrit au bureau compétent de l’Administration
générale de la Documentation patrimoniale dans le ressort
duquel les biens sont situés, de la manière et dans les délais
prévus à l’article 3.31.
§ 5. Le notaire ou le bureau de l’Administration générale de
la Documentation patrimoniale peuvent refuser toute remise
d’acte ou de certificat d’hérédité si les pièces présentées par
la partie intéressée requérante, les déclarations faites et les
recherches effectuées ne leur permettent pas de constater
avec certitude les données qui sont requises par le para-
graphe 3 ou qui sont requises conformément au paragraphe 4
en raison des finalités pour lesquelles l’acte ou le certificat
devrait être délivré.
§ 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte ou le
certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui est
mentionnée dans l’acte ou le certificat, et pouvoir exercer les
droits et les pouvoirs qui y sont rattachés.
Toute personne agissant de bonne foi sur la base de l’infor-
mation mentionnée dans l’acte ou le certificat d’hérédité avec
une personne désignée dans cet acte ou ce certificat, est
censée agir avec une personne ayant la qualité mentionnée
dans cet acte ou ce certificat.
Sauf disposition légale contraire, le paiement des avoirs
du défunt est libératoire s’il est fait par le débiteur de bonne
foi, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par
cet acte ou ce certificat d’hérédité comme étant celles qui y
ont droit, soit à ou sur instruction d’un mandataire judiciaire.
Le respect des dispositions prévues au présent paragraphe
n’exempte en aucun cas le débiteur d’éventuelles autres obli-
gations légales prescrites pour le déblocage de ces avoirs.
§ 7. Le Roi peut, pour les actes d’hérédité établis par un
fonctionnaire de l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale:
1° déterminer les formes matérielles de l’acte;
2° déterminer les modalités relatives à la délivrance des
expéditions et extraits de cet acte;
3° déterminer les modalités relatives à la légalisation de
l’acte;
2774/001
DOC 55
100
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn om de
onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de bewaring van
de akten te waarborgen;
5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van iedere
aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan het gebruik
voorschrijven van formulieren waarvan de minister van Financiën
het model bepaalt. Hij kan bepalen of de aanvraag op een
gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend
alsmede de modaliteiten van haar indiening.
De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°, gelden
eveneens voor de attesten van erfopvolging opgesteld door
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie overeenkomstig dit artikel. De
Koning kan bepalen dat deze attesten op een gedemateriali-
seerde wijze kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede
de modaliteiten van hun aflevering.”.
Art. 44. In artikel 4 126 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden “door een notaris”
opgeheven;
2° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een zin
luidende als volgt: “Het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de
akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1
die hij heeft opgemaakt, in.”.
Art. 45. In artikel 4 127, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 1°, b), wordt het woord “rijksregis-
ternummer” vervangen door de woorden “identificatienum-
mer van het Rijksregister of het identificatienummer bij de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”;
b) er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd, luidende:
“1°/1 van de erfgenamen:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) het identificatienummer van het Rijksregister of het identi-
ficatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”;
c) in de bepaling onder 2°, c), wordt het woord “rijksregister-
nummer” vervangen door de woorden “identificatienummer van
het Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank
van de Sociale Zekerheid”;
d) in de bepaling onder 4° worden de woorden “of door
een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie” ingevoegd tussen de woorden
“door een notaris” en de woorden “, met aanduiding van”;
e) in de bepaling onder 6° worden de woorden “van het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de
4° déterminer des modalités complémentaires nécessaires
pour garantir l’immuabilité, la confidentialité et la conservation
de l’acte;
5° déterminer les formes matérielles et le contenu de
chaque demande d’acte d’hérédité. Il peut prescrire l’utilisation
de formulaires dont le modèle est déterminé par le ministre
des Finances et déterminer si la demande peut ou doit être
présentée de manière dématérialisée et les modalités de sa
présentation.
Les dispositions de l’alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s’appliquent
également aux certificats d’hérédité établis par le bureau
compétent de l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale conformément au présent article. Le Roi peut
déterminer que ces certificats peuvent ou doivent être déli-
vrés de manière dématérialisée, ainsi que les modalités de
leur délivrance.”.
Art. 44. Dans l’article 4 126 du même Code, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots “par un notaire”
sont abrogés;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la phrase
suivante: “Le bureau compétent de l’Administration générale
de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les
certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis.”.
Art. 45. À l’article 4 127, § 1er, du même Code, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
a) au 1°, b), les mots “numéro de registre national” sont
remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre
national ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale”;
b) un 1°/1 est inséré, rédigé comme suit:
“1°/1 des héritiers:
a) les nom et prénom(s);
b) le numéro d’identification du Registre national ou le
numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité
sociale”;
c) au 2°, c), les mots “numéro de registre national” sont
remplacés par les mots “numéro d’identification du Registre
national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de
la Sécurité sociale”;
d) au 4° les mots “ou par un bureau compétent de l’Admi-
nistration générale de la documentation patrimoniale” sont
insérés entre les mots “par un notaire” et les mots “, avec
indication de”;
e) au 6° les mots “du bureau compétent de l’Administra-
tion générale de la documentation patrimoniale qui a établi
101
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het attest van erfop-
volging heeft opgemaakt,” ingevoegd tussen de woorden “het
attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt,” en
de woorden “van het rechtscollege dat de Europese”;
f) de bepaling onder 7° wordt aangevuld met de woorden
“van de notaris of van het bevoegd kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie”.
Art. 46. In artikel 4 128 van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° wordt de titel aangevuld met de woorden “en mededeling
in het Belgisch Staatsblad”;
2° het lid wordt aangevuld met de woorden “en de mo-
daliteiten en de kosten van de mededeling in het Belgisch
Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding onder voor-
recht van boedelbeschrijving”.
Art. 47. In artikel 4 131, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt vervangen door hetgeen volgt:
“§ 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald onder
artikel 4 127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens opgenomen in het
centraal erfrechtregister toegankelijk voor:”;
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid luidend:
“De gegevens bedoeld in artikel 4 127, § 1, 1°/1, zijn enkel
toegankelijk voor de beheerder van de Notariële Aktebank
bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op
het notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen
tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk te maken.”.
Art. 48. In artikel 4 258 van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “de eerste paragraaf” vervangen door de woorden
“het eerste lid”.
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Art. 49. In het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 3
van hoofdstuk 3 van titel 3 van het Wetboek van de minnelijke
en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuld-
vorderingen, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het
cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”.
Art. 50. In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 ja-
nuari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden
“4.59, § 4, derde lid”.
l’acte ou le certificat hérédité” sont insérés entre les mots “le
certificat ou le certificat successoral européen,” et les mots
“de la juridiction qui a établi”;
f) le 7° est complété par les mots “du notaire ou du bureau
compétent de l’Administration générale de la documentation
patrimoniale”.
Art. 46. Dans l’article 4 128 du même Code, les modifica-
tions suivantes sont apportées:
1° l’intitulé est complété par les mots “et mention au Moniteur
belge”;
2° l’alinéa est complété par les mots “et les modalités et
les frais de la mention au Moniteur belge des déclarations
d’acceptation sous bénéfice d’inventaire”.
Art. 47. Dans l’article 4 131, § 1er, du même Code, les
modifications suivantes sont apportées:
1° la phrase introductive est remplacée par ce qui suit:
“§ 1er. A l’exception des données visées à l’article 4 127,
§ 1er, 1°/1, les données figurant dans le registre central suc-
cessoral sont accessibles:”;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Les données visées à l’article 4 127, § 1er, 1°/1, sont uni-
quement accessibles au gestionnaire de la Banque des
actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An
XI contenant organisation du notariat, en vue de permettre
l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en droit.”.
Art. 48. Dans l’article 4 258 du même Code, les mots “au
paragraphe” sont remplacés par les mots “à l’alinéa”.
CHAPITRE 9
Modifications du Code de recouvrement amiable et
forcé des créances fiscales et non fiscales
Art. 49. Dans l’intitulé de la sous-section 2 de la section 3
du chapitre 3 du titre 3 du Code du recouvrement amiable et
forcé des créances fiscales et non fiscales, modifié par la loi
du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots
“4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 50. Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code,
modifié par la loi du 23 avril 2020 et par la loi du 19 janvier
2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4,
alinéa 3”.
2774/001
DOC 55
102
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 51. In artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het
cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”.
Art. 52. In artikel 48 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen
door de woorden “4.59, § 4, derde lid”.
HOOFDSTUK 10
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspe-
len, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en
de bescherming van de spelers
Art. 53. In artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 op de
kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen
en de bescherming van de spelers, ingevoegd bij de wet van
10 januari 2010,gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019 en gedeel-
telijk vernietigd bij het arrest nr. 36/2021 van het Grondwettelijk
Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “60, 62” vervangen
door de woorden “60, 61, tweede lid, 62”;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende:
“§ 6. De Commissie kan ermee instemmen de tenuitvoerleg-
ging van de beslissing tot het opleggen van een administratieve
boete geheel of gedeeltelijk op te schorten op voorwaarde
dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand aan de inbreuk
geen andere administratieve of strafrechtelijke boetes voor
inbreuken op deze wet heeft ontvangen.
De beslissing waarbij het uitstel, wordt toegestaan of ge-
weigerd, moet met redenen omkleed zijn.
Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De proef-
tijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving van de
beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete.
Het uitstel wordt automatisch herroepen indien tijdens de
proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die aanleiding
geeft tot een beslissing tot het opleggen van een nieuwe
administratieve geldboete.
Van de herroeping van het uitstel wordt kennis gegeven bij
dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve geldboete
voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd
De administratieve geldboete waarvan de betaling af-
dwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt ge-
cumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe inbreuk
wordt opgelegd.”.
Art. 54. In artikel 52, tweede lid, tweede streepje, van
dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 januari 2010 en
gewijzigd bij de wet van 26 december 2015, worden de woor-
den “in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de
accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling
of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese
Art. 51. Dans l’article 46, § 1er, alinéas 1er et 2, du même
Code, modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59”
est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 52. Dans l’article 48 du même Code, modifié par la
loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les
mots “4.59, § 4, alinéa 3”.
CHAPITRE 10
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de
hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs
Art. 53. À l’article 15/3 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux
de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et
la protection des joueurs, inséré par la loi du 10 janvier 2010,
modifié par la loi du 7 mai 2019 et partiellement annulé par
l’arrêt n° 36/2021 de la Cour constitutionnelle, les modifications
suivantes sont apportées:
1° au paragraphe 1er, les mots “60, 62” sont remplacés par
les mots “60, 61, alinéa 2, 62”;
2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé comme
suit:
“§ 6. La Commission peut convenir qu’il sera sursis à l’exé-
cution de la décision infligeant une amende administrative,
en tout ou en partie, pour autant que le contrevenant ne s’est
pas vu infliger d’autres amendes administratives ou pénales
pour infractions à la présente loi durant les trois années qui
précèdent l’infraction.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être motivée.
Le sursis vaut pendant un délai d’épreuve de trois ans. Le
délai d’épreuve commence à courir à partir de la date de la
notification de la décision infligeant une amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une nouvelle
infraction qui donne lieu à une décision infligeant une nouvelle
amende administrative est commise pendant le délai d’épreuve.
La révocation du sursis est notifiée par la même décision
que celle qui inflige l’amende administrative pour cette nou-
velle infraction.
L’amende administrative dont le paiement devient exécutoire
suite à la révocation du sursis est cumulée avec celle infligée
du chef de cette nouvelle infraction.”.
Art. 54. À l’article 52, alinéa 2, 2e tiret, de la même loi,
remplacé par la loi du 10 janvier 2010 et modifié par la loi du
26 décembre 2015, les mots “dans le cadre de la loi du 20 juillet
1990 concernant l’accréditation des organismes d’évaluation
de la conformité ou accrédité dans un autre État membre des
Communautés européennes ou dans un autre pays qui est
103
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de
Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte”
vervangen door de woorden “in het raam van titel 2 van
Boek VIII, van het Wetboek van economisch recht”.
Art. 55. In artikel 55 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid inge-
voegd, luidende:
“De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke van het
systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid.”;
2° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de
woorden “de Commissie voor de bescherming van de per-
soonlijke levenssfeer” vervangen door de woorden “de
Gegevensbeschermingsautoriteit”.
Art. 56. In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet, aangevuld
bij de wet van 10 januari 2010, wordt het bedrag “10 000 euro”
vervangen door het bedrag “3 000 euro”.
Art. 57. In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten
van 10 januari 2010 en 7 mei 2019 en gedeeltelijk vernietigd
bij het arrest nr. 177/2021 van het Grondwettelijk Hof, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Bij
elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die
persoon te worden genomen en bewaard in het register.”;
2° tussen het eerste en het tweede lid, worden twee leden
ingevoegd, luidende:
“De doelstelling van dit register is de commissie in staat
te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het
systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel
degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kans-
spelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting
klasse IV bezoeken.
De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register
worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te
rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van de betrokkene.”;
3° in het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de
woorden “gedurende ten minste vijf jaar” vervangen door de
woorden “gedurende een termijn van maximum tien jaar”.
Art. 58. Artikel 62/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de
wet van 7 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 59. In artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten
van 10 januari 2010 en 7 mei 2019, worden de woorden “60
en 62” vervangen door de woorden “60, 61, tweede lid en 62”.
partie à l’Accord sur l’Espace économique européen” sont
remplacés par les mots “dans le cadre du Titre 2 du Livre VIII,
du Code de droit économique”.
Art. 55. À l’article 55 de la même loi, modifié par la loi du
10 janvier 2010, les modifications suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les ali-
néas 1er et 2:
“La commission est responsable du traitement du système
de traitement des informations visé à l’alinéa 1er.”;
2° dans l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, les mots “la
Commission de la protection de la vie privée” sont remplacés
par les mots “l’Autorité de protection des données,”.
Art. 56. À l’article 58, alinéa 2, de la même loi, complété
par la loi du 10 janvier 2010, le montant “10 000 euros” est
remplacé par le montant “3 000 euros”.
Art. 57. À l’article 62 de la même loi, modifié par les lois
du 10 janvier 2010 et du 7 mai 2019 et partiellement annulé
par l’arrêt n° 177/2021 de la Cour constitutionnelle, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “A chaque
visite de la personne concernée, une photographie de cette
personne est prise et conservée dans le registre.”;
2° il est inséré, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, deux alinéas
rédigés comme suit:
“La finalité de ce registre est de permettre à la commis-
sion de vérifier a posteriori si les consultations du système
de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été
réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements
de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de
jeux de hasard fixe de classe IV.
Les données à caractère personnel inscrites dans le registre
sont conservées pendant dix ans à dater de la dernière activité
de jeu de la personne concernée.”;
3° dans l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 5, les mots “pendant
au moins cinq ans” sont remplacés par les mots “pour une
durée de maximum dix ans”.
Art. 58. L’article 62/1 de la même loi, inséré par la loi du
7 mai 2019, est abrogé.
Art. 59. À l’article 64 de la même loi, modifié par les lois
du 10 janvier 2010 et 7 mai 2019, les mots “60 et 62” sont
remplacé par les mots “60, 61, alinéa 2 et 62”.
2774/001
DOC 55
104
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende
de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de
internationale straftribunalen
Art. 60. In de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje,
van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking
met het Internationaal Strafhof en de internationale straftri-
bunalen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de
woorden “chargé d’” vervangen door de woorden “appelé à”.
Art. 61. In dezelfde wet wordt het opschrift van
Titel VIquater, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, ver-
vangen als volgt: “Samenwerking met de internationale
Onderzoeksmechanismen”.
Art. 62. In artikel 91 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 5 mei 2019, worden de eerste twee streepjes vervangen
als volgt:
“- “Mechanismen”: de internationale Onderzoeks
mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door
een andere internationale organisatie waarvan België lid
is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oor-
logsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van
genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door
de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard;
— “Statuut”: het mandaat van het Mechanisme, zoals nader
omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen
door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale
organisatie waarvan België lid is;”
HOOFDSTUK 12
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende
de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een
vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 63. In artikel 6, § 1, van de wet van 17 mei 2006 betref-
fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een
vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in
het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt het woord
“driemaal” vervangen door het woord “viermaal“.
Art. 64. In titel IV, van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk IIter
ingevoegd, luidende:
“Hoofdstuk IIter. - De beperkte detentie”.
Art. 65. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt
een artikel 9/4 ingevoegd, luidend:
“Art. 9/4. § 1. De beperkte detentie is een wijze van uit-
voering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om
op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een
bepaalde duur van maximum zestien uur per dag.
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la
coopération avec la Cour pénale internationale et les
tribunaux pénaux internationaux
Art. 60. Dans le texte français de l’article 43, 1er tiret, de la
loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour
pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux,
modifié par la loi du 26 mars 2014, les mots “chargé d’” sont
remplacés par les mots “appelé à”.
Art. 61. Dans la même loi, l’intitulé du Titre VIquater,
inséré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit:
“Coopération avec les Mécanismes d’enquête internationaux.”.
Art. 62. Dans l’article 91 de la même loi, inséré par la loi
du 5 mai 2019, les deux premiers tirets sont remplacés par
ce qui suit:
“- “Mécanismes”: les Mécanismes d’enquête internationaux
créés par l’Organisation des Nations unies, ou par une autre
organisation internationale, dont la Belgique est membre, et
ayant mandat de lutter contre l’impunité pour les crimes de
guerre, les crimes contre l’humanité, les crimes de génocide
ou toute autre infraction internationale, par l’exercice de cer-
taines fonctions à caractère judiciaire;
— “Statut”: le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans
les instruments pertinents adoptés par l’Organisation des
Nations unies ou par l’organisation internationale compétente,
dont la Belgique est membre;”
CHAPITRE 12
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une
peine privative de liberté et aux droits reconnus à la vic-
time dans le cadre des modalités d’exécution de la peine
Art. 63. Dans l’article 6, § 1, de la loi du 17 mai 2006 rela-
tive au statut juridique externe des personnes condamnées
à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la
victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine,
les mots “trois fois” sont remplacés par les mots “quatre fois”.
Art. 64. Dans le titre IV, de la même loi, il est inséré un
chapitre IIter, rédigé comme suit:
“Chapitre IIter. – La détention limitée”.
Art. 65. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est
inséré un article 9/4, rédigé comme suit:
“Art. 9/4. § 1er. La détention limitée est un mode d’exécution
de la peine privative de liberté qui permet au condamné de
quitter, de manière régulière, l’établissement pénitentiaire pour
une durée déterminée de maximum seize heures par jour.
105
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden
toegekend om professionele of opleidingsbelangen te behar-
tigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.”.
Art. 66. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt
een artikel 9/5 ingevoegd, luidend:
“Art. 9/5. De beperkte detentie wordt toegekend aan de
veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden:
1° de veroordeelde bevindt zich, op 9 maanden na, in de
tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke
invrijheidstelling;
2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegen-
aanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het
opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen
hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan
de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat
hij tijdens de beperkte detentie ernstige strafbare feiten zou
plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen;
3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan
de beperkte detentie kunnen worden verbonden krachtens
artikel 11, § 3.”.
Art. 67. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt
een artikel 9/6 ingevoegd, luidend:
“Art. 9/6. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door
artikel 9/5, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt of indien deze
termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk, licht de
directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheid
tot toekenning van beperkte detentie.
De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot beperkte
detentie aan de directeur.
Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek,
stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt
hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan
de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde
een afschrift ervan.”.
Art. 68. In hoofdstuk IIter, ingevoegd door artikel 64, wordt
een artikel 9/7 ingevoegd, luidend:
“Art. 9/7. Indien het advies van de directeur niet wordt mee-
gedeeld binnen de in artikel 9/6, derde lid, bepaalde termijn,
kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op
schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe
van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn
advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de
voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de
veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de
minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies
van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst
van het verzoek.
§ 2. La détention limitée peut être accordée au condamné
afin de défendre des intérêts professionnels ou de formation
qui requièrent sa présence hors de la prison.”.
Art. 66. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est
inséré un article 9/5, rédigé comme suit:
“Art. 9/5. La détention limitée est accordée au condamné
qui satisfait aux conditions suivantes:
1° le condamné se trouve à 9 mois près dans les conditions
de temps pour l’octroi d’une libération conditionnelle;
2° il n’existe pas, dans le chef du condamné, de contre-
indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne
puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque
que le condamné se soustraie à l’exécution de sa peine, sur
le risque qu’il commette des infractions graves pendant la
détention limitée ou sur le risque qu’il importune les victimes;
3° le condamné marque son accord aux conditions qui
peuvent être attachées à la détention limitée en vertu de
l’article 11, § 3.”.
Art. 67. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est
inséré un article 9/6, rédigé comme suit:
“Art. 9/6. Trois mois avant que le condamné ne se trouve
dans la condition de temps prévue à l’article 9/5, 1°, ou im-
médiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur
informe le condamné, par écrit, des possibilités d’octroi de
détention limitée.
Le condamné adresse sa demande écrite de détention
limitée au directeur.
Dans les deux mois de la réception de la demande, le
directeur rédige un avis motivé, transmet la demande et son
avis motivé au ministre ou à son délégué et en adresse une
copie au condamné.”.
Art. 68. Dans le chapitre IIter, inséré par l’article 64, il est
inséré un article 9/7, rédigé comme suit:
“Art. 9/7. Si l’avis du directeur n’est pas communiqué dans
le délai prévu à l’article 9/2, alinéa 3, le président du tribunal
de première instance peut, à la demande écrite du condamné,
condamner le ministre sous peine d’astreinte à émettre son
avis, par l’intermédiaire du directeur dans le délai prévu par le
président du tribunal de première instance et à communiquer
au condamné une copie de cet avis.
Le président statue après avoir entendu le condamné et
le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans
les cinq jours de la réception de la demande.
2774/001
DOC 55
106
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.”.
Art. 69. In het opschrift van hoofdstuk III, van dezelfde wet
worden de woorden “en IIbis vervangen door de woorden ‘,
IIbis en IIter”.
Art. 70. In het opschrift van afdeling I van Hoofdstuk III, van
dezelfde wet, vervangen door de wet van 11 juli 2018, worden
de woorden “en de plaatsing in een transitiehuis” vervangen
door de woorden “, de plaatsing in een transitiehuis en de
beperkte detentie”.
Art. 71. In artikel 10 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “of het penitentiair
verlof” vervangen door de woorden “, het penitentiair verlof
of de beperkte detentie”;
2° in paragraaf 2, derde lid, gewijzigd door de wet van
11 juli 2018, worden de woorden “, of een plaatsing in het
transitiehuis” vervangen door de woorden “, een plaatsing in
een transitiehuis of een beperkte detentie”;
3° in paragraaf 2, derde lid, gewijzigd door de wet van 11 juli
2018, worden de woorden “waar de uitgaansvergunning, het
penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis” vervan-
gen door de woorden “waar de strafuitvoeringsmodaliteit”;
4° in paragraaf 2, vierde lid, laatstelijk gewijzigd door de wet
van 28 november 2021, worden de woorden “van een eerste
uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3,” ingevoegd
tussen de woorden “van de toekenning” en de woorden “van
een eerste penitentiair verlof” en worden de woorden “en, in
voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn
opgelegd, of van de plaatsing in een transitiehuis” vervangen
door de woorden “van de plaatsing in een transitiehuis of van
de toekenning van een beperkte detentie”;
5° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd door de wet van
27 december 2006, worden de woorden “bedoeld in artikel 4,
of het penitentiair verlof” gewijzigd door de woorden “het
penitentiair verlof of de beperkte detentie”;
6° in paragraaf 4, eerste zin, gewijzigd door de wet van
27 december 2006, worden de woorden “of het penitentiair
verlof” vervangen door de woorden “, het penitentiair verlof
of de beperkte detentie”;
7° in paragraaf 4, tweede zin, worden de woorden “of dit
penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, dit penitentiair
verlof of deze beperkte detentie”.
Art. 72. In artikel 11 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° een nieuwe paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidend:
“§ 2/1. De beslissing tot toekenning van een beperkte deten-
tie bepaalt het programma van de concrete invulling hiervan.
Cette décision n’est susceptible d’aucun recours.”.
Art. 69. Dans l’intitulé du chapitre III, de la même loi les
mots “et IIbis” sont remplacés par les mots “, IIbis et IIter”.
Art. 70. Dans l’intitulé de la section Iière, du Chapitre III, de
la même loi, remplacé par la loi du 11 juillet 2018, les mots
“et du placement en maison de transition” sont remplacés
par les mots “, du placement en maison de transition et de la
détention limitée”.
Art. 71. Dans l’article 10 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er , les mots “ou le congé péniten-
tiaire” sont remplacés par les mots “, le congé pénitentiaire
ou la détention limitée”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, modifié par la loi du
11 juillet 2018, les mots “ou d’un placement dans une maison
de transition” sont remplacés par les mots “, d’un placement
dans une maison de transition ou d’une détention limitée”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 3, modifié par la loi du
11 juillet 2018, les mots “où la permission de sortie, le congé
pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition”
sont remplacés par les mots “où la modalité de l’exécution
de la peine”;
4° dans le paragraphe 2, alinéa 4, modifié en dernier lieu
par la loi du 28 novembre 2021, les mots “d’une première
permission de sortie visée à l’article 4, § 3,” sont insérés
entre les mots “de l’octroi” et les mots “d’un premier congé
pénitentiaire” et les mots “et, le cas échéant, des conditions
imposées dans son intérêt, ou du placement en maison de
transition” sont remplacés par les mots “du placement en
maison de transition ou de l’octroi de la détention limitée”;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifié par la loi du
27 décembre 2006, les mots “visée à l’article 4, ou le congé
pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, le congé péni-
tentiaire ou la détention limitée”;
6° dans le paragraphe 4, première phrase, modifié par la
loi du 27 décembre 2006, les mots “ou le congé pénitentiaire”
sont remplacés par les mots “, le congé pénitentiaire ou la
détention limitée”;
7° dans le paragraphe 4, deuxième phrase, les mots “ou ce
congé pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, ce congé
pénitentiaire ou cette détention limitée”.
Art. 72. Dans l’article 11 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° un nouvel paragraphe 2/1 est inséré, rédigé comme suit:
“§ 2/1. La décision d’octroi d’une détention limitée prévoit
le programme du contenu concret de la modalité.
107
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De bevoegde dienst van de Gemeenschappen staat in voor
de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende
strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning
daartoe bepaalde regels.
In geval van toekenning van beperkte detentie, kan de
minister of zijn gemachtigde eveneens penitentiair verlof
toekennen, waarvan de duur niet minder dan viermaal zes-
endertig uur per trimester bedraagt. Het penitentiair verlof is
elk trimester van rechtswege hernieuwd.”;
2° in paragraaf 3, eerste zin, vervangen door de wet van
28 juli 2018, worden de woorden “of een plaatsing in een
transitiehuis” vervangen door de woorden “, de plaatsing in
een transitiehuis of een beperkte detentie””;
3° in paragraaf 3, derde zin, vervangen door de wet van
28 juli 2018, worden de woorden “en 9/3, § 1, 3°” vervangen
door de woorden “, 9/3, § 1, 3° en 9/5, 2°”.
Art. 73. In titel IV, Hoofdstuk III, van dezelfde wet, wordt
afdeling Ibis ingevoegd, luidend:
“Afdeling Ibis. – De opvolging van en het toezicht op de
beperkte detentie”.
Art. 74. In afdeling Ibis ingevoegd door artikel 73, wordt
een artikel 11/1 ingevoegd, luidend:
“Art. 11/1. § 1. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen
is belast met de opvolging van en het toezicht op:
1° het programma en de concrete invulling van de beperkte
detentie;
2° de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die
door de minister of zijn gemachtigde aan de veroordeelde
opgelegd zijn.
§ 2. Ingeval een beperkte detentie wordt toegekend, con-
tacteert de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de
veroordeelde om hem alle nuttige informatie voor een goed
verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen.
§ 3. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen brengt
binnen een maand na de toekenning van de beperkte deten-
tie verslag uit over de veroordeelde aan de minister of zijn
gemachtigde en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer
de minister of zijn gemachtigde hem erom verzoekt en ten
minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de
minister of zijn gemachtigde relevante informatie met betrek-
king tot de veroordeelde waarover de bevoegde dienst van
de Gemeenschappen beschikt. Het verslag bevat ten minste:
1° informatie over het programma en de concrete invul-
ling van de beperkte detentie en de mate waarin die in acht
worden genomen;
Le service compétent des Communautés se charge de
donner un contenu concret à la modalité d’exécution de la
peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi.
Si le ministre ou son délégué décide de l’octroi d’une déten-
tion limitée, il peut également octroyer un congé pénitentiaire.
En cas d’octroi d’un congé pénitentiaire, la durée du congé
pénitentiaire ne peut être inférieure à quatre fois trente-six
heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé
de plein droit chaque trimestre.”;
2° dans le paragraphe 3, première phrase, remplacée par
la loi du 28 juillet 2018, les mots “ou d’un placement dans
une maison de transition” sont remplacés par les mots “, d’un
placement dans une maison de transition ou d’une détention
limitée”;
3° dans le paragraphe 3, troisième phrase, remplacé par la
loi du 28 juillet 2018, les mots “et 9/3, § 1, 3” sont remplacés
par les mots “, 9/3, § 1, 3° et 9/5, 2°”.
Art. 73. Dans le Titre IV, Chapitre III, de la même loi, il est
inséré une section Ibis, rédigée comme suit:
“Section Ibis – Du suivi et du contrôle de la détention limitée”
Art. 74. Dans la section Ibis, insérée par l’article 73, il est
inséré un article 11/1, rédigé comme suit:
“Art. 11/1. § 1. Le service compétent des Communautés
est chargé du suivi et du contrôle:
1° du programme et du contenu concret de la détention
limitée;
2° des conditions particulières individualisées imposées
au condamné par le ministre ou son délégué.
§ 2. Si une détention limitée est octroyée, le service com-
pétent des Communautés convoque le condamné afin de
lui fournir toute information utile au bon déroulement de la
modalité d’exécution de la peine.
§ 3. Le service compétent des Communautés fait rapport
au ministre ou à son délégué sur le condamné dans le mois de
l’octroi de la détention limitée, puis chaque fois qu’il l’estime
utile ou que le ministre ou son délégué l’y invite, et au moins
une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les
informations relatives au condamné dont dispose le service
compétent des Communautés et qui sont pertinentes pour le
ministre ou son délégué. Le rapport contient au moins:
1° des informations sur le programme et le contenu concret
de la détention limitée ainsi que la mesure dans laquelle
celles-ci sont respectées;
2774/001
DOC 55
108
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde
geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden alsook de mate
waarin die in acht worden genomen.
De bevoegde dienst van de Gemeenschappen stelt, in
voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.”.
Art 75. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° een nieuwe paragraaf 2ter wordt ingevoegd, luidend:
“§ 2ter. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van
een beslissing tot toekenning van een beperkte detentie, of in
geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing
ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van
de beperkte detentie, kan de minister of zijn gemachtigde
beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum
drie maanden, te rekenen van de laatste uitgang;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroor-
deelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden
na de datum van deze herroeping.
In geval van herroeping van de beperkte detentie beslist
de minister of zijn gemachtigde over de eventuele herroeping
van het penitentiair verlof. Indien het penitentiair verlof niet
herroepen wordt, wordt het herleid tot het aantal bepaald in
artikel 6, § 1.”;
2° in paragraaf 3, eerste lid, gewijzigd door de wetten van
5 februari 2016 en 11 juli 2018 worden de woorden “of van
een penitentiair verlof” vervangen door de woorden “, van een
penitentiair verlof of van een beperkte detentie”.
Art. 76. In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd
door de wet van 11 juli 2018, worden de woorden “artikel 12,
§§ 2 en 2bis” vervangen door de woorden “artikel 12, §§ 1,
2, 2bis en 2ter”.
Art. 77. In artikel 14 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid, gewijzigd door de wet van 11 juli 2018,
worden de woorden “of de plaatsing in het transitiehuis” ver-
vangen door de woorden “, de plaatsing in een transitiehuis
of de beperkte detentie”;
2° in het derde lid, gewijzigd door de wetten van 15 de-
cember 2013 en 11 juli 2018, worden de woorden “inzake
een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis”
vervangen door de woorden “inzake een uitgaansvergunning,
bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof, een plaatsing
in een transitiehuis of een beperkte detentie”.
Art. 78. Het opschrift van hoofdstuk I van Titel V, wordt
vervangen als volgt:
2° une énumération de toutes les conditions particulières
individualisées imposées au condamné ainsi que la mesure
dans laquelle celles-ci sont respectées.
Le cas échéant, le service compétent des Communautés
propose les mesures qu’il juge utiles.”.
Art. 75. Dans l’article 12 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° un nouveau paragraphe 2ter est inséré, rédigé comme suit:
“§ 2ter. En cas de non-respect des conditions d’une déci-
sion d’octroi d’une détention limitée ou s’il apparaît dans le
chef du condamné une contre-indication qui n’existait pas au
moment de l’octroi de la détention limitée, le ministre ou son
délégué peut décider:
1° d’adapter les conditions;
2° de suspendre la décision pour une période de trois mois
maximum, à compter de la dernière sortie;
3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut
introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après
la date de cette révocation.
En cas de révocation de la détention limitée, le ministre ou
son délégué décide de la révocation éventuelle des congés
pénitentiaires. Si le congé pénitentiaire n’est pas révoqué, il
sera réduit au nombre déterminé à l’article 6, § 1.”
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, modifié par les lois
du 5 février 2016 et 11 juillet 2018, les mots “ou d’un congé
pénitentiaire” sont remplacés par les mots “, d’un congé
pénitentiaire ou d’une détention limitée”.
Art 76. Dans l’article 13, alinéa 2, de la même loi, modifié
par la loi du 11 juillet 2018, les mots “l’article 12, §§ 2 et 2bis”
sont remplacés par les mots “l’article 12, §§ 1, 2, 2bis et 2ter”.
Art. 77. Dans l’article 14 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 2, modifié par la loi du 11 juillet 2018, les
mots “ou le placement en maison de transition” sont rempla-
cés par les mots “, le placement en maison de transition ou
la détention limitée”;
2° dans l’alinéa 3, modifié par les lois du 15 décembre 2013
et 11 juillet 2018, les mots “concernant un congé pénitentiaire
ou un placement en maison de transition” sont remplacés
par les mots “concernant une permission de sortie, visée à
l’article 4, § 3, un congé pénitentiaire, un placement en maison
de transition ou une détention limitée”.
Art. 78. L’intitulé du chapitre Ier du Titre V est remplacé
comme suit:
109
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Hoofdstuk I. – Het elektronisch toezicht”.
Art. 79. In Titel V, van dezelfde wet, wordt afdeling I, die
artikel 21 omvat, opgeheven.
Art. 80. Het opschrift van afdeling II wordt vervangen als
volgt:
“Afdeling II. – Definitie”.
Art. 81. In artikel 23 van de dezelfde wet worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “De beperkte
detentie en het elektronisch toezicht kunnen” vervangen door
de woorden “Het elektronisch toezicht kan’”;
2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “een
beperkte detentie of” opgeheven;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “een
beperkte detentie of” opgeheven.
Art. 82. In artikel 27, van dezelfde wet, worden de woorden
“drie jaar of minder bedraagt” vervangen door de woorden
“drie jaar of minder, maar meer dan zes maanden bedraagt”.
Art. 83. In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, gewijzigd door de wet
van 14 december 2012, wordt aangevuld met de woorden
“waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen
van bijzondere voorwaarden”;
2° paragraaf 1, tweede lid wordt opgeheven;
3° paragraaf 2, eerste lid, eerste zin, wordt aangevuld met
de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door het
opleggen van bijzondere voorwaarden”.
Art. 84. In artikel 29 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden “De beperkte deten-
tie en het elektronisch toezicht worden” vervangen door de
woorden “Het elektronisch toezicht wordt”;
2° paragraaf 2/1, derde lid, ingevoegd door de wet van
29 juni 2021, wordt vervangen als volgt:
“Binnen vijftien werkdagen vanaf de indiening van het
schriftelijk verzoek op de griffie van de gevangenis, legt de
betrokken veroordeelde zijn dossier neer op de griffie van de
strafuitvoeringsrechtbank. Dit dossier omvat de mededeling
van de elementen die relevant zijn voor de aanvraag van het
elektronisch toezicht, met name: precieze informatie over een
zinvolle dagbesteding, over de plaats waar het elektronisch
“Chapitre Ier. – La surveillance électronique”.
Art. 79. Dans le Titre V, de la même loi, la section Ire, qui
contient l’article 21, est abrogée.
Art. 80. L’intitulé de la section II est remplacé comme suit:
“Section II. – Définition”.
Art. 81. Dans l’article 23 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “La détention
limitée et la surveillance électronique peuvent être accordées”
sont remplacés par les mots “La surveillance électronique
peut être accordée”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “une détention
limitée ou” sont abrogés;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “de détention
limitée ou” sont abrogés.
Art. 82. Dans l’article 27 de la même loi, les mots “s’élève
à trois ans ou moins” sont remplacés par les mots “s’élève à
trois ans ou moins, mais à plus de six mois”.
Art. 83. Dans l’article 28 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, modifié
par la loi du 14 décembre 2012 est complété par les mots
“auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse
répondre”;
2° le paragraphe 1er, alinéa 2 est supprimé;
3° le paragraphe 2, alinéa 1er, première phrase, est complété
par les mots “auxquelles la fixation de conditions particulières
ne puisse répondre”.
Art. 84. Dans l’article 29 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “La détention limitée et
la surveillance électronique sont accordées” sont remplacés
par les mots “La surveillance électronique est accordée”;
2° le paragraphe 2/1, alinéa 3, inséré par la loi du 29 juin
2021, est remplacé comme suit:
“Dans les quinze jours ouvrables de l’introduction de la
demande écrite au greffe de la prison, le condamné concerné
dépose son dossier au greffe du tribunal de l’application des
peines. Ce dossier contient la communication des éléments
pertinents pour la demande de surveillance électronique, à
savoir: des informations précises sur la manière dont il entend
occuper utilement ses journées, sur l’endroit où la surveillance
2774/001
DOC 55
110
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de
meerderjarige huisgenoten op die plaats.”.
Art. 85. In artikel 30, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd door
de wet van 29 juni 2021, worden de woorden “strafuitvoerings-
modaliteit en de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”
vervangen door de woorden “strafuitvoeringsmodaliteit en
voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”.
Art. 86 In artikel 34, paragraaf 2, eerste, tweede en vierde
lid, van dezelfde wet, vervangen door de wet van 29 juni 2021,
worden telkens de woorden “, de beperkte detentie” opgeheven.
Art. 87. In artikel 39 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het 2°, gewijzigd door de wet van 28 november 2021,
worden de woorden “de beperkte detentie” vervangen door
de woorden “de voorlopige invrijheidstelling met het oog op
verwijdering van het grondgebied”;
2° het artikel wordt aangevuld met een 4° luidende:
“4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op
verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het
grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de
proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de
wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het
verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande
toelating van de strafuitvoeringsrechter.”.
Art. 88. Artikel 40 van dezelfde wet, waarvan de bestaande
tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met paragra-
fen 2 en 3, luidende:
“§ 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke
invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter
in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voor-
waardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van
het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag
verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de
maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en
de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke
wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk
moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld
in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er con-
crete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals
gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuit-
voeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven
toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten,
met bijzondere redenen omkleden.”.
Art. 89. In artikel 42, eerste lid, van dezelfde wet, worden
de woorden “een beperkte detentie of” opgeheven.
Art. 90. In artikel 43 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzingen aangebracht:
électronique se déroulera et l’accord des cohabitants majeurs
de cet endroit.”.
Art. 85. Dans l’article 30, § 3, de la même loi, inséré par la
loi du 29 juin 2021, les mots “de la peine demandée et l’éva-
luation par le juge de l’application des peines” sont remplacés
par les mots “de la peine demandée et pour l’évaluation par
le juge de l’application des peines”.
Art. 86. Dans l’article 34, paragraphe 2, alinéas 1er, 2 et 4,
de la même loi, remplacés par la loi du 29 juin 2021, les mots
“, la détention limitée” sont à chaque fois abrogés.
Art. 87. Dans l’article 39 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le 2°, modifié par la loi du 28 novembre 2021, les
mots “la détention limitée” sont remplacés par les mots “la
mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire”;
2° l’article est complété par un 4°, rédigé comme suit:
“4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l ’éloignement
du territoire, l’obligation de quitter effectivement le territoire et
l’interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d’épreuve
sans être en règle avec la législation et la réglementation
relative à l’accès au territoire, au séjour ou à l’établissement
dans le Royaume et sans l’autorisation préalable du juge de
l’application des peines.”.
Art. 88. L’article 40 de la même loi, dont le texte actuel
formera le paragraphe 1er , est complété par les paragraphes 2
et 3, rédigés comme suit:
“§ 2. En cas d’octroi d’une libération conditionnelle, le juge
de l’application des peines détermine également dans son
jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du
Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du
Royaume, le juge de l’application des peines détermine
dans son jugement la période maximale pendant laquelle
le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas
échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer
le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume.
§ 3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II,
titre Ierter, du Code pénal, ou s’il existe des éléments concrets
d’extrémisme violent tels que définis à l’article 32, § 2, alinéa 2,
l’autorisation donnée par le juge de l’application des peines
conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du
Royaume doit faire l’objet d’une motivation spéciale.”.
Art. 89. Dans l’article 42, alinéa 1er, de la même loi, les
mots “d’une détention limitée ou” sont abrogés.
Art. 90. Dans l’article 43 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
111
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in paragraaf 1, vervangen door de wet van 29 juni 2021,
worden de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “de beperkte detentie
of” opgeheven;
3° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 29 juni 2021,
worden de woorden “de beperkte detentie of” opgeheven;
4° in paragraaf 3 wordt het woord “driemaal” vervangen
door het woord “viermaal”.
Art. 91. in artikel 49, § 1, van dezelfde wet, worden de
woorden “De beperkte detentie en het elektronisch toezicht
worden” vervangen door de woorden “Het elektronisch toe-
zicht wordt”.
Art. 92. In artikel 55, 2°, van dezelfde wet, gewijzigd door
de wetten van 5 februari 2016 en 28 november 2021, worden
de woorden “voor de beperkte detentie en” opgeheven.
Art. 93. In artikel 59 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het laatste lid, ingevoegd door de wet van 28 november
2021, worden de woorden “artikelen 64” vervangen door de
woorden “artikelen 63, 64,”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“In geval van toekenning van een beperkte detentie, bepaalt
de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in het
vonnis tot toekenning het programma van de concrete invulling
ervan. De bevoegde dienst van de Gemeenschappen staat in
voor de uitwerking van de concrete invulling van de beperkte
detentie overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde
regels. Artikel 11/1 is van toepassing voor de opvolging en de
controle van de beperkte detentie, met dien verstande dat
verslag wordt uitgebracht aan de strafuitvoeringsrechter of
strafuitvoeringsrechtbank.”.
Art. 94. In artikel 60 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid, ingevoegd door de wet van 15 maart
2013 en gewijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de
woorden “van de strafuitvoeringsrechtbank” ingevoegd tussen
de woorden “op de beslissingen” en “tot toekenning van”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de
beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van
een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering
van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar
op het ogenblik van effectieve verwijdering, van overbrenging
naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minis-
ter die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het
verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
of van kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat
de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit
1° dans le paragraphe 1er, remplacé par la loi du 29 juin
2021, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés;
2° dans le paragraphe 2, les mots “de la détention limitée
ou” sont abrogés;
3° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 29 juin 2021,
les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés;
4° dans le paragraphe 3, les mots “trois fois” sont remplacé
par les mots “quatre fois”.
Art. 91. Dans l’article 49, § 1er , de la même loi, les mots
“La détention limitée et la surveillance électronique sont
accordées” sont remplacés par les mots “La surveillance
électronique est accordée”.
Art. 92. Dans l’article 55, 2°, de la même loi, modifié par
les lois du 5 février 2016 et 28 novembre 2021, les mots “pour
la détention limitée et” sont abrogés.
Art. 93. Dans l’article 59 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le dernier alinéa, inséré par la loi du 28 novembre
2021, les mots “articles 64” sont remplacés par les mots
“articles 63, 64,”;
2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
“En cas d’octroi d’une détention limitée, le juge de l’appli-
cation des peines ou le tribunal de l’application des peines
détermine dans le jugement d’octroi le programme du contenu
concret de celle-ci. Le service compétent des Communautés
se charge de donner un contenu concret à la détention limitée
conformément aux modalités fixées par le Roi. L’article 11/1 est
d’application pour le suivi et le contrôle de la détention limitée,
étant entendu que rapport est fait au juge de l’application des
peines ou au tribunal de l’application des peines.”.
Art. 94. Dans l’article 60 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 4, inséré par la loi du 15 mars 2013 et
modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “du tribunal de
l’application des peines” sont insérés entre les mots “pas aux
décisions” et les mots “d’octroi d’une mise en liberté provisoire”;
2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme suit:
“Le premier et le deuxième alinéas ne s’appliquent pas aux
décisions du juge de l’application des peines d’octroi d’une
mise en liberté provisoire en vue de l’éloignement du territoire.
Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de
l’éloignement effectif, du transfert vers un lieu qui relève de la
compétence du ministre compétent pour l’accès au territoire,
le séjour, l’établissement et l’éloignement d’étrangers ou de
la notification par l’Office des étrangers que l’éloignement
ou le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours
après que la décision d’octroi est coulée en force de chose
2774/001
DOC 55
112
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot toekenning
in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de verwijdering,
overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij
het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde
in vrijheid gesteld.”.
Art. 95. In artikel 62 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede zin, vervangen door de wet van
28 november 2021, worden onder 1°, de woorden “de beperkte
detentie of” opgeheven;
2° in paragraaf 3, vervangen door de wet van 28 november
2021, worden onder 1° de woorden “de beperkte detentie of”
opgeheven.
Art. 96. Artikel 65 van dezelfde wet, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank
kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuit-
voeringsmodaliteit toekennen.”
Art. 97. In artikel 66 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 5 februari
2016, worden de woorden “tenzij op grond van een advies
van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde
niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk”
opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “, in welk geval hij
of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere straf-
uitvoeringsmodaliteit kan toekennen,” ingevoegd tussen de
woorden “herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe-
ringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit” en de woorden
“of heft hij of zij de schorsing”.
Art. 98. In artikel 67 van dezelfde wet, gewijzigd door de
wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede zin, worden de woorden “of een
andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen” opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde zin, worden de woorden “of met
de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit” opgeheven;
3° in paragraaf 2, worden de woorden “of een andere straf-
uitvoeringsmodaliteit toe te kennen” opgeheven.
Art. 99. In artikel 68, § 5, eerste lid, van dezelfde wet, ge-
wijzigd door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden
“een beperkte detentie of” en de woorden “in beperkte detentie
was of” opgeheven.
jugée. Si l’éloignement, le transfert ou la notification n’a pas
eu lieu à l’expiration du délai précité, le condamné est libéré.”.
Art. 95. Dans l’article 62 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, deuxième phrase, remplacé par
la loi du 28 novembre 2021, sous 1°, les mots “de la détention
limitée ou” sont abrogés;
2° dans le paragraphe 3, remplacé par la loi du 28 novembre
2021, sous 1°, les mots “de la détention limitée ou” sont abrogés.
Art. 96. L’article 65 de la même loi, est complété par un
alinéa, rédigé comme suit:
“Le juge de l’application des peines ou le tribunal de l’appli-
cation des peines, peut, moyennant l’accord du condamné,
octroyer une autre modalité de l’exécution de la peine”.
Art. 97. Dans l’article 66 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 5 février 2016,
les mots “, sauf s’il ressort d’un avis de l’Office des étrangers
que le condamné n’est pas autorisé ou habilité à séjourner
dans le Royaume” sont abrogés;
2° dans le paragraphe 3, les mots “auquel cas il peut,
conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer une autre
modalité de l’exécution de la peine” sont insérés entre les
mots “révoque la modalité d’exécution de la peine” et les mots
“ou en lève la suspension”.
Art. 98. Dans l’article 67 de la même loi, modifié par la loi
du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er , deuxième phrase, les mots “ou
octroyer une autre modalité d’exécution de la peine” sont
abrogés;
2° dans le paragraphe 1, troisième phrase, les mots “ou sur
la nouvelle modalité d’exécution de la peine” sont abrogés;
3° dans le paragraphe 2, les mots “ou d’octroyer une autre
modalité d’exécution de la peine” sont abrogés.
Art. 99. Dans l’article 68, § 5, alinéa 1er, de la même loi,
modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “d’une détention
limitée ou” et les mots “en détention limitée ou” sont abrogés.
113
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 100. In artikel 95/18 van dezelfde wet, ingevoegd door
de wet van 26 april 2007, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “in arti-
kel 21” vervangen door de woorden “in artikel 9/4”;
2° paragraaf 1, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
“Artikel 9/5, voor de beperkte detentie, en de artikelen 47,
§ 1, en 48, voor het elektronisch toezicht, zijn van toepassing.”;
3° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt:
“§ 2. De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig
de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en tiende
en elfde lid.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar op-
levert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale
veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking
gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig ar-
tikel 54, § 1.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie
of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar
vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw
verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan
zes maanden te rekenen van het vonnis.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een elektronisch
toezicht toekent, kan zij de veroordeelde onderwerpen aan
geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid
bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet
te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen,
dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een beperkte detentie
toekent, kan zij de veroordeelde onderwerpen aan geïndi-
vidualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid
bieden tegemoet te komen aan de in artikel 9/5 bedoelde
tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang
van de slachtoffers.
De artikelen 55, 56, § 1, tweede lid, §§ 2, 3 en 4 en 58
zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoerings-
rechtbank. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt in het von-
nis tot toekenning van de beperkte detentie het programma
van de concrete invulling ervan. De bevoegde dienst van de
gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete
invulling van de beperkte detentie overeenkomstig de door
de Koning daartoe bepaalde regels.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of
een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in
kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank
kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis
uitvoerbaar wordt.”.
Art. 100. Dans l’article 95/18 de la même loi, inséré par la
loi du 26 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “l’article 21”
sont remplacés par les mots “l’article 9/4”;
2° le paragraphe 1er, alinéa 2, est remplacé comme suit:
“L’article 9/5 est d’application en ce qui concerne la détention
limitée, et les articles 47, § 1er, et 48, sont d’application en ce
qui concerne la surveillance électronique”.
3° le paragraphe 2 est remplacé comme suit:
“§ 2. La procédure d’octroi se déroule conformément aux
articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et alinéas 10 et 11.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse
pour l’ordre public, les bonnes mœurs ou la sécurité nationale,
l’audience est publique si le condamné en fait la demande.
Le tribunal de l’application des peines rend sa décision
conformément à l’article 54, § 1er.
Si le tribunal de l’application des peines n’accorde pas la
détention limitée ou la surveillance électronique, il indique
dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à
disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai
ne peut excéder six mois à compter du jugement.
Si le tribunal de l’application des peines octroie une sur-
veillance électronique, il peut soumettre le condamné à des
conditions particulières individualisées qui permettent la
réalisation du plan de réinsertion sociale ou qui permettent de
répondre aux contre-indications visées à l’article 47, § 1er, ou
qui s’avèrent nécessaires dans l’intérêt des victimes.
Si le tribunal de l’application des peines octroie une déten-
tion limitée, il peut soumettre le condamné à des conditions
particulières individualisées qui permettent de répondre
aux contre-indications visées à l’article 9/5 ou qui s’avèrent
nécessaires dans l’intérêt des victimes.
Les articles 55, 56, § 1er, alinéa 2, §§ 2, 3 et 4 et 58 s’ap-
pliquent à la décision du tribunal de l’application des peines.
Le tribunal de l’application des peines détermine dans le
jugement d’octroi de la détention limitée le programme du
contenu concret de la modalité. Le service compétent des
Communautés se charge de donner un contenu concret à la
modalité d’exécution de la peine octroyée conformément aux
modalités fixées par le Roi.
Le jugement d’octroi d’une détention limitée ou d’une
surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où
il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal
de l’application des peines peut fixer à une date ultérieure le
moment où le jugement sera exécutoire.”.
2774/001
DOC 55
114
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 101. Artikel 95/20 van dezelfde wet, ingevoegd door
de wet van 26 april 2007, wordt vervangen als volgt:
“Art. 95/20. Artikel 11/1 is van toepassing voor de opvolging
en de controle van de beperkte detentie, met dien verstande
dat verslag wordt uitgebracht aan de strafuitvoeringsrechtbank.
Artikel 62 is van toepassing voor de opvolging en de controle
van het elektronisch toezicht.
Artikel 63 is van toepassing op de beperkte detentie en
het elektronisch toezicht.
Titel VIII en titel IX zijn van toepassing, met dien verstande
dat het openbaar ministerie met het oog op de herroeping van
de beperkte detentie de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank
aanhangig kan maken wanneer de veroordeelde het pro-
gramma van de concrete invulling van de beperkte detentie,
met inbegrip van de naleving van het uurrooster, niet naleeft.”.
HOOFDSTUK 13
Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende rege-
ling van economische en individuele activiteiten met
wapens
Art. 102. In de Nederlandse tekst van artikel 11/1, laatste
lid van de wapenwet van 8 juni 2006, worden de woorden
“Artikel 11, 4, § 3, 6°, 7° en 9°” vervangen door de woorden
“Artikel 11, § 3, 6°, 7° en 9°”.
Art. 103. In artikel 19,1° van dezelfde wet, worden de
woorden “wapens per postorder of via internet te verkopen of
te koop aan te bieden aan particulieren” vervangen door de
woorden “Wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk
voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder of via
het internet te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden of
over te dragen aan particulieren”.
HOOFDSTUK 14
Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 104. In artikel 157, § 1, van de programmawet (I) van
29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020 en
gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59”
vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid”.
Art. 105. In artikel 157/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd
bij de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van 19 ja-
nuari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden
“4.59, § 4, derde lid”.
Art. 106. In artikel 160 van dezelfde wet, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 januari
2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door de woorden
“4.59, § 4, derde lid”.
Art. 107. In artikel 163 van dezelfde wet, gewijzigd bij de
wet van 13 december 2012 en de wet van 19 januari 2022,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 101. L’article 95/20 de la même loi, inséré par la loi du
26 avril 2007, est remplacé comme suit:
“Art. 95/20. L’article 11/1 est d’application pour le suivi et
le contrôle de la détention limitée, étant entendu que rapport
est fait au tribunal de l’application des peines.
L’article 62 est d’application pour le suivi et le contrôle de
la détention limitée.
L’article 63 est d’application pour la détention limitée et la
surveillance électronique.
Le Titre VII et le Titre IX sont d’application, étant entendu
que le ministère public peut saisir le tribunal de l’application
des peines en vue de la révocation de la détention limitée
lorsque le condamné ne respecte pas le programme du contenu
concret de la détention limitée, y inclus le respect de l’horaire.”.
CHAPITRE 13
Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activi-
tés économiques et individuelles avec des armes
Art. 102. Dans le texte néerlandais de l’article 11/1,der-
nier alinéa de la loi sur les armes du 8 juin 2006 ,les mots
“article 11,4,§ 3,6° ,7°et 9° sont remplacés par les mots “ar-
ticle 11,§ 3 ,6° ,7° et 9°”
Art. 103. Dans l’article 19, point 1°, de la loi sur les armes
du 8 juin 2006, les mots “de vendre ou d’offrir en vente des
armes à des particuliers par correspondance ou par inter-
net” sont remplacés par les mots “d’acheter ou de vendre,
d’offrir en vente ou de céder des armes ainsi que des pièces
détachées soumises à l’épreuve légale à des particuliers par
correspondance ou par internet”.
CHAPITRE 14
Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012
Art. 104. Dans l’article 157, § 1er, de la loi-programme (I) du
29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et modifié
par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par
les mots “4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 105. Dans l’article 157/1, § 1er, de la même loi, inséré par
la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier 2022,
le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 106. Dans l’article 160 de la même loi, modifié en
dernier lieu par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du
19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots
“4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 107. A l’article 163 de la même loi, modifié par la loi
du 13 décembre 2012 et la loi du 19 janvier 2022, les modifi-
cations suivantes sont apportées:
115
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° het cijfer “4.59” wordt vervangen door de woorden “4.59,
§ 4, derde lid”.
2° de woorden “akte of” worden ingevoegd tussen het
woord “bedoelde” en het woord “attest”.
HOOFDSTUK 15
Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betref-
fende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van
of verblijven in andermans goed
Art. 108. In de wet van 18 oktober 2017 betreffende het
onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in
andermans goed, wordt in de plaats van artikel 12, vernietigd
bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt
luidende artikel 12 ingevoegd:
“Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1, § 1, van
het Strafwetboek kan de procureur des Konings, op verzoek
van de houder van een titel of een recht op het betrokken goed,
na machtiging door de onderzoeksrechter, de ontruiming van
het betrokken goed bevelen.
De procureur des Konings richt hiertoe een met redenen
omkleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens de
volgende gegevens bevat:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel
betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed
dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat het
gebruik van dit middel nodig is.
Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die het
bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen.
De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn van
maximum 48 uur na de ontvangst van het verzoek. De on-
derzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien het kennelijk
ongegrond is. De onderzoeksrechter beoordeelt minstens
de wettigheid en de proportionaliteit van de machtiging ten
aanzien van de feiten. De beslissing van de onderzoeksrech-
ter is met redenen omkleed. Tegen deze beslissing is geen
beroep mogelijk.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent,
vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming
uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging van
het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het bevel houdt
de ontruiming in binnen een termijn van acht dagen vanaf het
ogenblik van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2, tweede
lid, aan de in het goed aangetroffen personen.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit een
afschrift van het bevel en de datum en het uur van de ken-
nisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt op
schrift gesteld en bevat inzonderheid:
1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4,
alinéa 3”;
2° les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots “à
établir “et les mots “un certificat d’hérédité”.
CHAPITRE 15
Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à
la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes
dans le bien d’autrui
Art. 108. Dans la loi du 18 octobre 2017 relative à la péné-
tration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien
d’autrui, à la place de l’article 12 annulé par l’arrêt n° 39/2020
de la Cour constitutionnelle, il est inséré un article 12 rédigé
comme suit:
“Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1, § 1er,
du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la demande du
détenteur d’un droit ou d’un titre sur le bien concerné, ordon-
ner l’évacuation du bien concerné après autorisation du juge
d’instruction.
A cette fin, le procureur du Roi adresse au juge d’instruction
une demande motivée qui contient au moins les données
suivantes:
1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indi-
cation de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance;
2° tous les documents et renseignements desquels il ressort
que le recours à ce moyen est nécessaire.
Il mentionne dans sa demande les circonstances suscep-
tibles de justifier l’ordonnance d’évacuation.
Le juge d’instruction décide dans un délai de 48 heures
maximum après réception de la demande. Le juge d’instruc-
tion peut rejeter la demande si elle est manifestement non
fondée. Le juge d’instruction apprécie au moins la légalité et
la proportionnalité de l’autorisation au regard des faits. La
décision du juge d’instruction est motivée. Cette décision
n’est susceptible d’aucun recours.
Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le procureur
du Roi prend l’ordonnance d’évacuation en la motivant et
dans le respect de la présomption d’innocence. L’ordonnance
implique l’évacuation dans un délai de huit jours à compter
de la notification visée au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux
personnes qui se trouvent dans le bien.
Un procès-verbal de notification, constitué d’une copie de
l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de la notification,
est dressé et joint au dossier.
§ 2. L’ordonnance du procureur du Roi est consignée par
écrit et contient entre autres:
2774/001
DOC 55
116
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° een omschrijving van de plaats waarop de maatregel
betrekking heeft en de vermelding van het adres van het goed
dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven
hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de verzoeker
met aanduiding van het recht of de titel op het betrokken goed
waarop hij zich beroept;
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot ontrui-
ming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid deze bedoeld
in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarin die uitge-
oefend moet worden.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan
het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt ter
kennisgeving overhandigd aan de personen die zich op het
moment van de aanplakking in het betrokken goed bevinden.
Een afschrift van het bevel wordt via het meest geschikte
communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de
lokale politie van de politiezone waarbinnen het goed waarop
het bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de houder van
het recht of de titel op het betrokken goed, alsook aan het
bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoerleg-
ging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten ge-
schaad worden door het bevel van de procureur des Konings
kan beroep instellen tegen het bevel bij een met redenen om-
kleed verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van
het vredegerecht van het kanton waarin het betrokken goed
gelegen is binnen een termijn van acht dagen te rekenen vanaf
de kennisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking
aan het te ontruimen goed of door de overhandiging van het
afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft schor-
sende werking. Het bevel van de procureur des Konings kan
niet ten uitvoer worden gelegd zolang de termijn waarbinnen
beroep kan worden ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een strafvorde-
ring die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten is gegrond.
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van het
verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en het uur van
de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting
vindt plaats binnen de tien dagen na de neerlegging van het
verzoekschrift. In afwijking van artikel 1344octies van het
Gerechtelijk Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats
vereist voor de neerlegging van het verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis aan
de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook aan de
houder van het recht of de titel op het goed van de plaats, de
1° une description du lieu concerné par la mesure et l’indi-
cation de l’adresse du bien qui fait l’objet de l’ordonnance;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l’ordonnance;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une indi-
cation du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à l’égard
du bien concerné;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5;
5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de
non-respect de cette ordonnance d’évacuation, notamment
celles visées à l’article 442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit
recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du bien
concerné. Une copie de l’ordonnance est remise à titre de
notification aux personnes qui se trouvent dans le bien concerné
au moment de l’affichage. Une copie de l’ordonnance est
transmise par le moyen de communication le plus approprié
au chef de corps de la police locale de la zone de police au
sein de laquelle se situe le bien concerné par l’ordonnance,
ainsi qu’au détenteur du droit ou du titre sur le bien concerné
et au Centre public d’action sociale compétent.
Le procureur du Roi se charge de l’exécution de l’ordon-
nance d’évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits sont lésés
par l’ordonnance du procureur du Roi peut former un recours
contre cette ordonnance par requête contradictoire motivée
déposée au greffe de la justice de paix du canton où le bien
concerné est situé dans un délai de huit jours à compter de
la notification de l’ordonnance par affichage visible sur le
bien à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à peine
de déchéance. Le recours est suspensif. L’ordonnance du
procureur du Roi ne peut pas être exécutée tant que le délai
pour introduire ce recours court toujours.
Ce recours n’est pas suspendu pendant une action publique
fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la requête, le
juge de paix fixe les date et heure de l’audience au cours de
laquelle la cause peut être instruite. L’audience a lieu au plus
tard dans les dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par
dérogation à l’article 1344octies du Code judiciaire, un certificat
de résidence n’est pas requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les date
et heure de l’audience à la personne qui forme un recours
contre l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un droit ou d’un
117
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dag en het uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en
het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die
het bevel tot ontruiming heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief
wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige partijen
te hebben opgeroepen, ten einde hen te horen, alsook te
hebben geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens anders-
luidende bepalingen verloopt de procedure zoals bepaald in
artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek. De vrede-
rechter doet uitspraak over de gegrondheid van de ontruiming
en het recht of de titel waarop men zich beroept. In de uit-
zonderlijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld in
artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
kan de vrederechter bij een met redenen omklede beslissing
een langere termijn bepalen dan die waarin het bevel van de
procureur des Konings voorziet. Wanneer de titel of het recht
toebehoort aan een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke
rechtspersoon, mag deze termijn niet meer dan één maand
bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan een
publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn niet meer
dan zes maanden bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van tien
dagen volgend op de zitting uit.
Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen hoger
beroep worden ingesteld.”.”
HOOFDSTUK 16
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende
de organisatie van de penitentiaire diensten en van het
statuut van het penitentiair personeel
Art. 109. In artikel 5 van de wet betreffende de organisatie
van de penitentiaire diensten en van het statuut van het peni-
tentiair personeel worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
“Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad opgericht.”
2° In paragraaf 2, eerste lid worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
a) in de bepaling onder 3° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie
magistraten voorgesteld door het College van het openbaar
ministerie” vervangen door de woorden “op voordracht van
het College van het openbaar ministerie, een parketma-
gistraat per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de
strafuitvoeringsrechtbank”;
b) in de bepaling onder 4° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie
rechters voorgesteld door het College van de hoven en recht-
banken” vervangen door de woorden “op voordracht van het
College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat
van de zetel per taalrol, waarvan minstens één behoort tot
de strafuitvoeringsrechtbank;”;
titre sur le bien. Il communique également les jour et heure
de l’audience au procureur du Roi qui a pris l’ordonnance
d’évacuation. Une copie de la requête est jointe au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties pré-
sentes afin de les entendre et après avoir tenté une conciliation
entre elles. Sauf disposition contraire, la procédure se déroule
comme déterminé à l’article 1344octies du Code judiciaire. Le
juge de paix statue sur le bien-fondé de l’évacuation et sur le
droit ou le titre invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles
et graves visées notamment à l’article 1344decies, alinéa 1er,
du Code judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée,
fixer un délai plus long que le délai prévu dans l’ordonnance
du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit appartient à
une personne physique ou une personne morale de droit privé,
ce délai ne peut pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre
ou le droit appartient à une personne morale de droit public,
ce délai ne peut pas être supérieur à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans les dix jours
qui suivent l’audience.
La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun
recours.”.”
CHAPITRE 16
Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant
l’organisation des services pénitentiaires et le statut
du personnel pénitentiaire
Art. 109. A l’article 5 de la loi du 23 mars 2019 concernant
l’organisation des services pénitentiaires et le statut du person-
nel pénitentiaire, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1, est remplacé par ce qui suit:
“Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du ministre.”
2° Au paragraphe 2, alinéa 1, les modifications suivantes
sont apportées:
a) au 3°, les mots “désigné par le ministre sur la base chaque
fois d’une liste de trois magistrats proposés par le Collège
du ministère public” sont remplacés par “sur proposition du
Collège du ministère public, un magistrat du parquet par
rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de
l’application des peines;”;
b) au 4°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par le
Collège des cours et tribunaux” sont remplacés par “sur pro-
position du Collège des cours et tribunaux, un magistrat par
rôle linguistique, dont au moins un appartient au tribunal de
l’application des peines;”;
2774/001
DOC 55
118
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
c) in de bepaling onder 5° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van telkens een lijst van drie
advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en
een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Ordre des
Barreaux francophones et germanophones” vervangen door
de woorden “op respectievelijke voordracht van de Orde van
Vlaamse Balies en de “Ordre des barreaux francophones et
germanophone”, een advocaat per taalrol;”;
d) In de bepaling onder 6° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van telkens een lijst van drie
kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren van de
Franstalige universiteiten en een lijst van drie kandidaten
voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire Raad” ver-
vangen door de woorden “op respectievelijke voordracht van
de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en de
Vlaamse Interuniversitaire Raad, een vertegenwoordiger per
taalrol van de academische wereld;”;
e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
“8° op respectievelijke voordracht van de ministers van de
gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de hulp- en dienst-
verlening aan de gedetineerden, een vertegenwoordiger per
gefedereerde entiteit;”
3° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
“De leden worden benoemd middels een koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen na ak-
koord van de bevoegde regeringen, voor een duur van vier
jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.”.
Art. 110. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening
van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van
de penitentiaire beleidsraad.
De Koning bepaalt de regels inzake de werking van de
penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met betrekking
tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn
op de leden van de penitentiaire beleidsraad.”.
HOOFDSTUK 17
Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het
Burgerlijk Wetboek
Art. 111. In artikel 41sexies van de wet van 27 juni 1969 tot
herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende
de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, ingevoegd bij
de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd bij de wet van 19 januari
2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het cijfer “4.59” vervangen door de
woorden “4.59, § 4, derde lid”;
2° in paragraaf 14 worden de woorden “akte of” ingevoegd
tussen het woord “bedoeld” en het woord “attest”;
c) au 5°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois avocats proposés par l’Ordre
des barreaux francophone et germanophone et d’une liste
de trois avocats proposés par l’Orde van Vlaamse Balies”
sont remplacés par “sur proposition respective de l’Orde van
Vlaamse Balies et de l’Ordre des barreaux francophone et
germanophone, un avocat par rôle linguisitique;”;
d) au 6°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois candidats proposés par le
Conseil des recteurs des Universités francophones et d’une
liste de trois candidats proposés par le Conseil interuniversi-
taire flamand” sont remplacés par “sur proposition respective
du Conseil des recteurs des Universités francophones et du
Conseil interuniversitaire flamand, un représentant par rôle
linguistique du monde accadémique;”;
e) le 8° est remplacé par ce qui suit:
“8° un représentant par entité fédérée, sur proposition
respective des ministres des entités fédérées compétents en
matière d’aide sociale aux détenus.”.
3° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
“Les membres sont nommés par arrêté royal délibéré en
Conseil des ministres, pris après accord des gouvernements
compétents, pour une période de quatre ans. Leur mandat
est renouvelable.”.
Art. 110. L’article 8 de la même loi est remplacé par ce
qui suit:
“Art. 8. Le Roi détermine les modalités d’introduction des
candidatures et de nomination des membres du Conseil
pénitentiaire.
Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement
du Conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives aux
indemnités et aux frais applicables aux membres du Conseil
pénitentiaire.”.
CHAPITRE 17
Modifications en conséquence du nouvel article 4.59
du Code civil
Art. 111. À l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969 révi-
sant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité
sociale des travailleurs, inséré par la loi du 22 juin 2012 et
modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications sui-
vantes sont apportées:
1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59, § 4,
alinéa 3”;
2° dans le paragraphe 14, les mots “un acte ou” sont insérés
entre les mots “à établir “et les mots “un certificat d’hérédité “;
119
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de
woorden “4.59, § 4, derde lid”.
Art. 112. In artikel 23quater van het koninklijk besluit nr. 38
van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut
der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en
gewijzigd bij de wetten van 20 september 2018, 7 mei 2019 en
19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het cijfer “4.59” vervangen
door de woorden “4.59, § 4, derde lid”;
2° in paragraaf 11 worden de woorden “akte of” ingevoegd
tussen het woord “bedoeld” en het woord “attest”;
3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door de
woorden “4.59, § 4, derde lid”.
HOOFDSTUK 18
Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake
kansspelen
Art. 113. Het koninklijk besluit van 27 januari 2022 betref-
fende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprich-
tingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de
houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1,
F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar 2022 is bekrachtigd
met uitwerking op de dag van zijn inwerkingtreding.
HOOFDSTUK 19
Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevol-
king in de gevangenissen
Art. 114. De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen “directeur”,
“veroordeelde”, “slachtoffer” dienen te worden begrepen in de
zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de
externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf
en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van
de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 115. § 1. De directeur kent een vervroegde invrij-
heidstelling toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoor-
waarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke
invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het
uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheids-
straffen waartoe hij is veroordeeld.
In afwijking van het eerste lid, is de veroordeelde wiens
strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze
maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe-
ringsrechtbank wordt herroepen gedurende zes maanden na
de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten
van de vervroegde invrijheidstelling.
Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen,
loopt zij tot het bereiken van het strafeinde.
Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt herroepen,
kan zij niet opnieuw worden toegekend.
3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots
“4.59, § 4, alinéa 3”.
Art. 112. À l’article 23quater de l’arrêté royal n° 38 du
27 juin 1967 organisant le statut social des travailleurs indé-
pendants, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par les
lois du 20 septembre 2018, 7 mai 2019 et 19 janvier 2022, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le chiffre “4.59” est
remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3”;
2° dans le paragraphe 11, les mots “un acte ou” sont insérés
entre les mots “à établir “et les mots “un certificat d’hérédité “;
3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les mots
“4.59, § 4, alinéa 3”.
CHAPITRE 18
Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de
hasard
Art. 113. L’arrêté royal du 27 janvier 2022 relatif à la contribu-
tion aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installation
de la Commission des jeux de hasard due par les titulaires
de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 et
G2 pour l’année civile 2022 est confirmé avec effet à la date
de son entrée en vigueur.
CHAPITRE 19
Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation
dans les prisons
Art. 114. Les notions de “directeur”, de “condamné” et de
“victime” visées au présent chapitre doivent être entendues
au sens de l’article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une peine
privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans
le cadre des modalités d’exécution de la peine.
Art. 115. § 1er. Le directeur octroie la libération anticipée au
condamné qui se trouve dans les conditions de temps pour
l’octroi de la libération conditionnelle, à partir de six mois avant
la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de
liberté auxquelles il a été condamné.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le condamné dont la modalité
d’exécution de la peine est révoquée par le juge d’application
des peines ou le tribunal de l’application des peines pendant
la durée de validité de cette mesure est exclu de la libération
anticipée pendant six mois à compter de l’exécution du juge-
ment de révocation.
Si la libération anticipée n’est pas révoquée, elle court
jusqu’à la fin de la peine.
Si la libération anticipée est révoquée, elle ne peut plus
être octroyée à nouveau.
2774/001
DOC 55
120
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de
vervroegde invrijheidstelling bedoeld in paragraaf 1:
— de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbe-
nemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan
10 jaar bedraagt;
— de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraf-
fen ondergaan voor de feiten vermeld in boek II, titel Iter, van
het Strafwetboek;
— de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraf-
fen ondergaan voor de feiten vermeld in de artikelen 371/1 tot
378bis van het Strafwetboek;
— de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een
veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoe-
ringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater
van het Strafwetboek;
— de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf;
— de veroordeelden die worden opgevolgd door het
Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader
van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in
de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van
5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 116. § 1. De directeur neemt de beslissing tot toeken-
ning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te
hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende
criteria getoetst te hebben:
— het hebben van onderdak;
— het beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De procureur des Konings van het arrondissement waar de
veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de
strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank reeds
gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrecht-
bank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de
toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de
daaraan verbonden voorwaarden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin-
nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van
de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden
voorwaarden.
§ 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn onderworpen
aan de volgende algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddellijk
verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet.
§ 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libération
anticipée visée au § 1er:
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines
privatives de liberté dont le total s’élève à plus de 10 ans;
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s)
d’emprisonnement pour des faits visés au livre II, titre Iter, du
Code pénal;
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs peine(s)
d’emprisonnement pour des faits visés aux articles 371/1 à
378bis du Code pénal;
— les condamnés qui font l’objet d’une condamnation avec
une mise à disposition du tribunal de l’application des peines,
conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal;
— les condamnés qui n’ont pas de droit de séjour;
— les condamnés qui sont suivis par l’Organe pour la
coordination de l’analyse de la menace dans le cadre des
banques de données communes visées aux articles 44/11/3bis
à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la fonction
de police.
Art. 116. § 1. Le directeur octroie la libération anticipée
après s’être assuré de la faisabilité de la mesure et après
avoir fait les vérifications suivantes:
— le condamné dispose d’un logement;
— le condamné dispose de moyens d’existence suffisants.
Le procureur du Roi de l’arrondissement où le condamné a
son lieu de résidence ou de séjour et, si le juge de l’application
des peines ou le tribunal de l’application des peines est déjà
saisi, le ministère public près le tribunal de l’application des
peines, sont informés le plus rapidement possible de l’octroi
de la libération anticipée et des conditions qui y sont liées.
La victime est informée le plus rapidement possible, et
en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de
communication écrit le plus rapide de l’octroi de la libération
anticipée et des conditions qui y sont liées.
§ 2. Pendant le délai d’épreuve, le condamné est soumis
aux conditions générales suivantes:
1° ne pas commettre d’infraction;
2° ne pas importuner les victimes et immédiatement quitter
les lieux lorsqu’il rencontre une victime.
121
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog reste-
rende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van
de vervroegde invrijheidstelling.
In geval van herroeping van de vervroegde invrijheidstelling
op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke
hij in vervroegde invrijheidstelling was en die loopt tot aan de
beslissing tot herroeping van de vervroegde invrijheidsstelling,
afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog
resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
§ 3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende
gevallen:
— wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat
de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten
niet heeft nageleefd;
— wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarde
vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° niet naleeft.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin-
nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot
herroeping.
§ 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische in-
tegriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de
proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank
binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt,
zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn
beslissing mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de al dan niet
herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven
dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze
met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig
uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de pro-
cureur des Konings.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval bin-
nen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot
herroeping.
Art. 117. Dit hoofdstuk treedt buiten werking op 1 januari
2025.
HOOFDSTUK 20
Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betref-
fende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de
gedetineerden
Art. 118. In artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005
betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de
gedetineerden, gewijzigd door de wet van 25 december 2016,
wordt een § 1/1 ingevoegd, luidend als volgt:
“§ 1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kunnen be-
palen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van de beslissing
Le délai d’épreuve est égal à la durée de la peine qu’il
restait à subir au moment de la libération anticipée.
Si la libération anticipée est révoquée sur la base du para-
graphe 3, la période au cours de laquelle le condamné était
en libération anticipée et qui court jusqu’à la décision de
révocation de la libération anticipée est déduite de la partie
restante des peines privatives de liberté au moment de l’octroi.
§ 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les cas
suivants:
— lorsqu’il existe des indications sérieuses selon lesquelles
le condamné n’a pas respecté l’interdiction de commettre
des infractions;
— lorsque le condamné ne respecte pas la condition géné-
rale mentionnée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
La victime est informée de la décision de révocation le plus
rapidement possible et dans tous les cas dans les vingt-quatre
heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.
§ 4. Si le condamné met gravement en péril l’intégrité
physique ou psychique de tiers pendant le délai d’épreuve,
le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le
condamné se trouve peut ordonner l’arrestation provisoire de
celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au directeur.
Le directeur prend une décision sur la révocation ou non de
la libération anticipée dans les sept jours qui suivent l’arresta-
tion du condamné. Cette décision motivée est communiquée
par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au
procureur du Roi.
La victime est informée le plus rapidement possible, et en
tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de com-
munication écrit le plus rapide de la décision de révocation.
Art. 117. Le présent chapitre cesse d’être en vigueur le
1er janvier 2025.
CHAPITRE 20
Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005
concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le
statut juridique des détenus
Art. 118. A l’article 18 de la loi de principes du 12 janvier
2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le
statut juridique des détenus, modifiée par la loi du 25 décembre
2016, il est inséré un paragraphe 1/1, rédigé comme suit:
“§ 1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er peuvent
décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à
2774/001
DOC 55
122
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig begeeft naar de
aangewezen gevangenis.”
HOOFDSTUK 21
Overgangsbepalingen
Art. 119. De bij ministerieel besluit van 25 februari 2020
(Moniteur belge du 6 maart 2020) benoemde assessoren van
de commissie voor de tuchtregeling en de klachtenbehande-
ling van de Federale bemiddelingscommissie beëindigen hun
mandaat op 6 maart 2024. Hun mandaten kunnen slechts
eenmaal worden verlengd. Assessoren die vóór de inwer-
kingtreding van de wet van 18 juni 2018 een eerste mandaat
hebben uitgeoefend in de federale bemiddelingscommissie
overeenkomstig de bepalingen van de wet van 21 februari
2005, mogen zich niet meer kandidaat stellen voor een tweede
mandaat.
Art. 120. De mandaten van de leden van het bureau van
de Federale bemiddelingscommissie die zijn benoemd bij de
ministeriële besluiten van 24 mei 2019, 15 oktober 2019 en
7 december 2020, worden verlengd tot 20 december 2023.
Art. 121. De artikelen 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 74, 75,
76 en 77 van deze wet zijn van toepassing op de verzoeken
tot beperkte detentie ingediend na 1 september 2022.
In de procedures waarin een schriftelijk verzoek is inge-
diend voor de inwerkingtreding van deze wet en waarin de
toekenningsprocedure lopende is en de procedures waarin
bij beslissing van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe-
ringsrechtbank reeds een beperkte detentie is toegekend,
worden de artikelen 23, § 1, 28, § 1, 2°, 29, 34, 39, 42, 43,
§§ 1, 2 en 4, 55, 59, 62, 63, 68, § 5, 95/18 en 95/20 van de wet
van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de
veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmo-
daliteiten toegepast zoals zij voor 1 september 2022 luidden
en die bij wijze van overgangsmaatregel van kracht blijven.
HOOFDSTUK 22
Inwerkingtreding
Art. 122. Hoofdstukken 8, 9, 14 en 17 van deze wet treden
in werking op de door de Koning bepaalde datum en uiterlijk
op 1 november 2022.
In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 46 en 48
in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in
het Belgisch Staatsblad.
Art. 123. Hoofdstuk 12 van deze wet treedt in werking op
1 september 2022.
la prison désignée pour exécuter la décision de placement
ou de transfèrement.”
CHAPITRE 21
Dispositions transitoires
Art. 119. Les assesseurs de la commission disciplinaire
et de traitement des plaintes de la Commission fédérale de
médiation, nommés par arrêté ministériel du 25 février 2020
(Moniteur belge du 6 mars 2020) terminent leur mandat le
6 mars 2024. Leurs mandats ne peuvent être renouvelés
qu’une seule fois selon la procédure prévue par le Roi. Les
assesseurs, qui ont exercé un premier mandat, avant l’entrée
en vigueur de la loi du 18 juin 2018, au sein de la Commission
fédérale de médiation conformément aux dispositions de la loi
du 21 février 2005, ne peuvent plus présenter leur candidature
dans le cadre d’un second mandat.
Art. 120. Les mandats des membres du bureau de la com-
mission fédérale de médiation nommés par arrêtés ministériels
du 24 mai 2019, du 15 octobre 2019 et du 7 décembre 2020
sont prolongés jusqu’au 20 décembre 2023.
Art. 121. Les articles 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 72, 74, 75,
76 en 77 de la présente loi sont d’application aux demandes
de détention limitée introduites après le 1er septembre 2022.
Pour les procédures dans lesquelles une demande écrite
a été déposée avant l’entrée en vigueur de la présente loi et
dans lesquelles la procédure d’octroi est en cours, et pour
les procédures dans lesquelles une détention limitée a déjà
été accordée par décision du juge de l’application des peines
ou du tribunal de l’application des peines, les articles 23, § 1,
28, § 1, 2°, 29, 34, 39, 42, 43, §§ 1, 2 et 4, 55, 59, 62, 63, 68,
§ 5, 95/18 et 95/20 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une peine
privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le
cadre des modalités d’exécution de la peine, sont d’application
comme ils étaient rédigés avant le 1er septembre 2022, et ils
restent en vigueur à titre de mesure transitoire.
CHAPITRE 22
Entrée en vigueur
Art. 122. Les chapitres 8, 9, 14 et 17 de la présente loi
entrent en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus
tard le 1er novembre 2022.
Par dérogation à l’alinéa 1er, les article 46 et 48 entrent en
vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur
belge.
Art. 123. Le chapitre 12 de la présente loi entre en vigueur
le 1er septembre 2022.
123
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
1 / 7
Analyse d'impact de la réglementation
RiA-AiR
:: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be
:: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be
:: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be
Fiche signalétique
Auteur .a.
Membre du Gouvernement compétent
Ministre de la Justice
Contact cellule stratégique (nom, email,
tél.)
Lieselotte Hendrickx, lotte@teamjustitie.be, +32 474 68 65 50
Administration compétente
SPF Justice
Contact administration (nom, email, tél.)
Steven Limbourg, steven.limbourg@just.fgov.be, +32 2 542 71 27
Projet .b.
Titre du projet de réglementation
Avant-projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus
ferme II
Description succincte du projet de
réglementation en mentionnant l'origine
réglementaire (traités, directive, accord de
coopération, actualité, …), les objectifs
poursuivis et la mise en œuvre.
Ce projet vise un certain nombre de modifications dans diverses lois qui relèvent
de la compétence du ministère de la Justice. _ _
Analyses d'impact déjà réalisées
☐ Oui
☒ Non
Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du
document : _ _
Consultations sur le projet de réglementation .c.
Consultations obligatoires, facultatives ou
informelles :
Inspecteur des Finances, Ministre du Budget, Autorité de protection des
données, Conseil d’Etat
Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d.
Statistiques, documents de référence,
organisations et personnes de référence :
_ _
Date de finalisation de l’analyse d’impact .e.
_
2774/001
DOC 55
124
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
2 / 7
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
>
Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes.
Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème.
S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et
indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs.
Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées.
Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question.
Lutte contre la pauvreté .1.
Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y
compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Égalité des chances et cohésion sociale .2.
Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu,
effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes
handicapées et les minorités).
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
Non-discrimination (modifications des articles 78bis, 78ter et 78quater CP).
Efficacité des droits civils, politiques et sociaux.Dans la mesure où le projet favorisera un
meilleur déroulement des procédures, il aura, de manière indirecte, un impact positif
(réparation de la loi sur les squatters, l'appel de suivi pour les prévenus et la modification de
l'art. 555/13 du Cod. Jud.) et augmenter l'effectivité de l'exercice des droits (vis-à-vis les
victimes dans les procédures d'assises, en ce qui concerne la modification de l'article 258/1
CIC).
Égalité entre les femmes et les hommes .3.
Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité,
éducation/savoir/formation, mobilité, temps, loisirs, etc.
Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques.
1.
Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de
ce(s) groupe(s) de personnes ?
Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi.
Modification loi jeux de hasard : Impact sur la Commission des jeux de hasard ou les titulaires de licence A (casinos), B
(salles de jeux), F1 (agences de paris), indépendamment de leur âge ou leur genre.
↓
Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière
relative au projet de réglementation.
Pas de différences.
↓
S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4.
3.
Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des
femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez
_ _
4.
Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur
l’égalité des femmes et les hommes ?
_ _
125
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
3 / 7
↓
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Santé .4.
Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques
(maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique,
alimentation, pollution), qualité de la vie.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Emploi .5.
Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail,
bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable,
possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Modes de consommation et production .6.
Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des
externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Développement économique .7.
Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de
compétitivité, accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières
internationales, balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques,
minérales et organiques.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Investissements .8.
Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement)
et humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Recherche et développement .9.
Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles
pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
2774/001
DOC 55
126
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
4 / 7
PME .10.
Impact sur le développement des PME.
1.
Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ?
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10
travailleurs).
Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi.
Modification loi jeux de hasard : Licences A (casinos): 9 licences détenues par 8 sociétés dont 3 utilisent entre 10 et 50
personnes et 5 plus de 50 personnes. Licences B (salles de jeux) : 176 licences détenues par 120 sociétés dont 2 utilisent
plus de 50 personnes, 16 entre 10 et 50 personnes et 102 moins de 10 personnes. Licences F1 (agences de paris): 31
licences détenues par 30 sociétés dont 1 société étrangère. 4 utilisent plus de 50 personnes, 6 entre 10 et 50 personnes et
20 moins de 10 personnes. _ _
↓
Si des PME sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
Modification loi jeux de hasard : Dans les casinos, le montant maximum du paiement en espèce est abaissé à 3.000
euros pour s’aligner sur la limitation de l'utilisation des espèces prévu dans la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la
prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des
espèces’ _ Pour les liences A, B, et F1, la photographie des joueurs est ajouté à la liste des données à caractère
personnel à reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux établissements de jeux de hasard des classes I, II
et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV_ _
↓
S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5.
3.
Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] >
expliquez
_ _
4.
Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez
_ _
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Charges administratives .11.
Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un
droit, d’une interdiction ou d’une obligation.
↓
Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes.
1.
Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation.
S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi.
a.
Les titulaires de licence A, B et F1
b.
Les titulaires de licence A, B et F1.
↓
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation actuelle*, répondez aux
questions 2a à 4a.
↓
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation en projet**, répondez aux
questions 2b à 4b.
2.
Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
a.
_ _*
b.
Prendre une photo du joueur.
3.
Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
a.
_ _*
b.
Photographie.
4.
Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
a.
_ _*
b.
A chaque visite de la personne concernée, une
photographie de cette personne est prise et
conservée dans le registre.
127
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
5 / 7
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
_ _
Énergie .12.
Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation
d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Mobilité .13.
Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire,
maritime et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Alimentation .14.
Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Changements climatiques .15.
Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources
d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du
carbone.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Ressources naturelles .16.
Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans),
qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation),
déforestation.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Air intérieur et extérieur .17.
Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx,
NOx, NH3), particules fines.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Biodiversité .18.
Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation
des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les
écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées.
2774/001
DOC 55
128
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
6 / 7
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Nuisances .19.
Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Autorités publiques .20.
Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations,
mesures d’exécution, investissements publics.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
CHAPITRE 5 (modification liées à la Commission fédérale de médiation) et CHAPITRE
21 (Dispositions transitoires-deux premiers articles) : Impact positif pour le
fonctionnement de la commission fédérale de médiation. Ces chapitres visent
principalement à réparer certaines lacunes de la loi du 18 juin 2018 portant
dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de
promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, à préciser les
compétences de la Commission fédérale de médiation et à remédier à certaines
difficultés pratiques rencontrées par celle-ci. Ainsi, la compétence de la Commission
fédérale est précisée en ce qui concerne l’organisation concrète des évaluations ; la
durée de mandat concernant les présidences successives des commissions est
modifiée afin d’assurer une parfaite égalité ; des règles plus souples concernant le
remplacement de membre des commissions permanentes dont le mandat a pris fin
sont prévues ; une durée de mandat des assesseurs de la commission disciplinaire et
de traitement des plaintes est insérée ainsi qu’une procédure de remplacement des
membres ; la liste des médiateurs établie par la commission précise la spécialité ou
son domaine d’activité ; des dispositions transitoires visent à prolonger les mandats
actuels des membres du bureau de la commission fédérale de médiation et à
mentionner une date de fin de mandat pour ceux exerçant actuellement la fonction
d’assesseurs au sein de la commission disciplinaire.
CHAPITRE 8 : Impact positif sur le service aux citoyens, car le nouvel article 4.59 du
Code civil permettra d'établir des actes et des certificats d’hérédité pour différentes
finalités, assurant ainsi une plus grande fluidité des relations juridiques. La possibilité
pour l'Administration générale de la documentation patrimoniale d'enregistrer les
certificats d’hérédité dans le registre central des successions facilitera également la
prestation de services aux citoyens.
Modification loi jeux de hasard : La Commission des jeux de hasard peut convenir qu'il
sera sursis à l'exécution de la décision infligeant une amende administrative. La
Commission est responsable du traitement du système EPIS.
Cohérence des politiques en faveur du développement .21.
Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement.
129
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Formulaire AIR - v2 – oct. 2014
7 / 7
1.
Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants :
○ sécurité alimentaire
○ santé et accès aux
médicaments
○ travail décent
○ commerce local et
international
○ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation)
○ mobilité des personnes
○ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement
propre)
○ paix et sécurité
Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné.
CH11 : Impact positif dans le domaine « paix et sécurité ». Les adaptations apportées à la loi du 29
mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux par le chapitre 11 de l’avant-projet de loi ont en particulier pour objectif de donner
un cadre légal général à la coopération de la Belgique avec l’ensemble des Mécanismes d’enquête
internationaux créés par l'Organisation des Nations unies ou par une autre organisation
internationale dont la Belgique est membre. Cette volonté s’inscrit dans la longue tradition de bonne
coopération de la Belgique avec les juridictions pénales internationales et les autres mécanismes
internationaux visant à lutter contre l’impunité des auteurs des crimes internationaux les plus
graves. Modification loi jeux de hasard : Les titulaires d'une licence sont toutes
les personnes morales établies en Belgique ou dans l’Union européenne. Il n'y a pas d'impact sur les
pays en développement.
↓
S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2.
2.
Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel
_ _
↓
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3.
3.
Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
2774/001
DOC 55
130
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
1 / 7
Regelgevingsimpactanalyse
RiA-AiR
:: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be
:: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be
:: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be
Beschrijvende fiche
Auteur .a.
Bevoegd regeringslid
Minister van Justitie
Contactpersoon beleidscel (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Lieselotte Hendrickx, lotte@teamjustitie.be, +32 474 68 65 50
Overheidsdienst
FOD Justitie
Contactpersoon overheidsdienst (Naam, E-mail, Tel. Nr.)
Steven Limbourg, steven.limbourg@just.fgov.be, + 32 2 542 71 27
Ontwerp .b.
Titel van het ontwerp van regelgeving
Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te
maken II
Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met
vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit, …), de beoogde
doelen van uitvoering.
Dit ontwerp beoogt een aantal wijzigingen in diverse wetten die
onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen.
Impactanalyses reeds uitgevoerd
☐ Ja
☒ Nee
Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie
van het document te vermelden: _ _
Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c.
Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen:
Inspecteur van financien, Minister begroting,
Gegevensbeschermingsautoriteit, Raad van State
Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d.
Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en
contactpersonen:
_ _
Datum van beëindiging van de impactanalyse .e.
_
131
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
2 / 7
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
>
Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s.
Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te
vergemakkelijken.
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en
vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te
compenseren.
Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21, worden meer gedetailleerde vragen gesteld.
Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen heeft.
Kansarmoedebestrijding .1.
Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij
minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Gelijke Kansen en sociale cohesie .2.
Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof,
effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met
een handicap en minderheden).
☒ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☐ Geen impact
Niet-discriminatie (wijzigingen artikelen 78bis, 78ter en 78quater Sw.).
Effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten. Aangezien het ontwerp een beter
verloop van de procedures in de hand zal werken, zal het in dat opzicht onrechtstreeks een
positieve impact hebben (reparatie van de kraakwet, het volgberoep voor beklaagden en de
wijziging van art. 555/13 Ger.W.) en de effectiviteit bij de uitoefening van rechten vergroten
(t.a.v. slachtoffers in assisenprocedures, voor wat betreft de wijziging in artikel 258/1 Sv.).
Gelijkheid van vrouwen en mannen .3.
Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid,
opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc.
Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten.
1.
Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste
samenstelling van deze groep(en) van personen?
Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom.
Wijziging Kansspelwet: Impact voor de Kansspelcommissie of de vergunninghouders A (casino's), B (speelzalen), F1
(wedkantoren), ongeacht leeftijd of geslacht _ _
↓
Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop
het ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
Wijziging Kansspelwet: Geen verschillen.
↓
Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4.
3.
Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele
rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen,
rekening houdend met de voorgaande antwoorden?
2774/001
DOC 55
132
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
3 / 7
_ _
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Gezondheid .4.
Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van
chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch
niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Werkgelegenheid .5.
Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd,
welzijn op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot
beroepsopleiding, collectieve arbeidsverhoudingen.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Consumptie- en productiepatronen .6.
Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en
integratie van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van
organisaties.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Economische ontwikkeling .7.
Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen,
competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale
handels- en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale
en organische hulpbronnen.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Investeringen .8.
Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk
kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Onderzoek en ontwikkeling .9.
Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes,
nieuwe ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
133
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
4 / 7
Kmo’s .10.
Impact op de ontwikkeling van de kmo’s.
1.
Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-
ondernemingen (< 10 werknemers).
Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom.
Wijziging Kansspelwet: Vergunningen A (casino’s): 9 vergunningen, in het bezit van 8 vennootschappen waarvan er 3
tussen 10 en 50 personen inzet en 5 meer dan 50 personen inzetten. Vergunningen B (speelzalen): 176 vergunningen, in
het bezit van 120 vennootschappen waarvan 2 meer dan 50 personen inzet, 16 tussen 10 en 50 personen inzetten en 102
minder dan 10 personen inzetten. Vergunningen F1: 31 vergunningen, in het bezit van 30 vennootschappen waarvan 1
buitenlandse vennootschappen. 4 meer dan 50 personen inzet, 6 tussen 10 en 50 personen inzetten en 20 minder dan 10
personen inzetten.
↓
Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden.
Wijziging Kansspelwet: In de casino’s, wordt het maximumbedrag van de betaling in contanten verlaagd tot 3.000
euro teneinde in overeenstemming te zijn met de beperking van het gebruik van contanten, waarin is voorzien in de
wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten’. Voor de vergunninhouders A, B en F1, wordt de foto van de spelers
toegevoegd aan de lijst van de persoonsgegevens die verplicht moeten worden opgenomen in het toegangsregister
in de kansspelinrichtingen van de klassen I, II en in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV.
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5.
3.
Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit
_ _
5.
Welke maatregelen worden genomen om deze negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Administratieve lasten .11.
Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de
instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting.
↓
Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen.
1.
Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving.
Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom.
a.
Wijziging Kansspelwet: De vergunninghouders A, B en
F1.
b.
De Vergunnninghouders A, B en F1
↓
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de
huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot
4a.
↓
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het
ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen
2b tot 4b.
2.
Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
a.
_ _*
b.
Een foto nemen van de speler.
3.
Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
a.
_ _*
b.
Door het nemen van een foto.
2774/001
DOC 55
134
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
5 / 7
4.
Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
a.
_ _*
b.
Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een
foto van die persoon te worden genomen en bewaard
in het register
5.
Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Energie .12.
Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de
industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Mobiliteit .13.
Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen,
sporen en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Voeding .14.
Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Klimaatverandering .15.
Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energie overgang, hernieuwbare
energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Natuurlijke hulpbronnen .16.
Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen),
bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie),
ontbossing.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Buiten- en binnenlucht .17.
135
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
6 / 7
Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan,
koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOX, NOX, NH3), fijn stof.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Biodiversiteit .18.
Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de
habitatten, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de
ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde
soorten.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Hinder .19.
Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast.
☐ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Overheid .20.
Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen,
wijze van uitvoering, overheidsinvesteringen.
☒ Positieve impact
☐ Negatieve impact
↓
Leg uit.
☐ Geen impact
HOOFDSTUK 5 (wijzigingen met betrekking tot de Federale Bemiddelingscommissie) en HOOFDSTUK 21
(Overgangsbepalingen - eerste twee artikelen) : Positieve impact voor de werking van de Federale
Bemiddelingscommissie. Deze hoofdstukken hebben voornamelijk tot doel bepaalde tekortkomingen van
de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen op het gebied van burgerlijk recht en bepalingen
ter bevordering van alternatieve vormen van geschillenbeslechting te verhelpen, de bevoegdheden van de
Federale Bemiddelingscommissie te specificeren en bepaalde praktische moeilijkheden waarmee
laatstgenoemden worden geconfronteerd. Zo wordt de bevoegdheid van de Federale Commissie
gespecificeerd met betrekking tot de concrete organisatie van de beoordelingen; de ambtstermijn voor
opeenvolgende voorzitterschappen van commissies wordt gewijzigd om volledige gelijkheid te
waarborgen; er wordt voorzien in soepeler regels voor de vervanging van leden van vaste commissies
waarvan de ambtstermijn is afgelopen; een ambtstermijn voor de assessoren van de commissie voor de
tuchtregeling en Klachtenbehandeling wordt ingevoegd, alsmede een procedure voor de vervanging van
leden; de door de commissie opgestelde lijst van bemiddelaars specificeert het specialisme of het
werkterrein ervan; overgangsbepalingen hebben tot doel de huidige mandaten van de leden van het
bureau van de federale bemiddelingscommissie te verlengen en een einddatum van het mandaat te
vermelden voor degenen die momenteel de functie van assessoren binnen de commissie voor de
tuchtregeling en klachtenbehandeling uitoefenen.
HOOFDSTUK 8: positieve impact op de dienstverlening aan de burger, aangezien het nieuwe artikel 4.59
BW erin zal voorzien dat akten en attesten van erfopvolging voor verschillende doeleinden kunnen
worden opgemaakt waardoor een vlottere voortgang van het rechtsverkeer kan worden verzekerd. Ook
de mogelijkheid voor de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie om de attesten van
erfopvolging in te schrijven in het Centraal erfrechtregister bevordert de dienstverlening aan de burger.
Wijziging Kansspelwet: De Kansspelcommissie kan ermee instemmen de tenuitvoerlegging van de
beslissing tot het opleggen van een administratieve boete op te schorten. De commissie is de
verwerkingsverantwoordelijke van het EPIS-systeem.
Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21.
Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden.
2774/001
DOC 55
136
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
RIA formulier - v2 - oct. 2014
7 / 7
1.
Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak
van:
○ voedselveiligheid
○ gezondheid en toegang tot
geneesmiddelen
○ waardig werk
○ lokale en internationale handel
○ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie)
○ mobiliteit van personen
○ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling)
○ vrede en veiligheid
Indien er geen enkelen ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom.
HS11: Positieve impact op het gebied van 'vrede en veiligheid'. De wetswijzigingen van de wet van 29 maart 2004
betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen door hoofdstuk 11 van
het wetsontwerp hebben hoofdzakelijk als doel om een algemeen wettelijk kader ter verschaffen voor de samenwerking
van België met het geheel van de internationale onderzoeksmechanismen die zijn ingesteld door de Verenigde Naties of
door een andere internationale organisatie waarvan België lid is. Dit doel maakt deel uit van de lange traditie van België
om een goede samenwerking te bevorderen met internationale straftribunalen en andere internationale mechanismen
ter bestrijding van de straffeloosheid voor de daders van de ernstigste internationale misdrijven. De vergunninghouders
betreffen allen rechtspersonen die in België of de Europese Unie gevestigd zijn. WIJZIGING KANSSPELWET: Er is geen
impact op de ontwikkelingslanden. De vergunninghouders betreffen allen rechtspersonen die in België of de Europese
Unie gevestigd zijn. Er is geen impact op de ontwikkelingslanden.
↓
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2.
2.
Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage
_ _
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3.
3.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
137
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 71.320/1-2-3-4 VAN 7 JUNI 2022
Op 4 april 2022 is de Raad van State, afdeling Wetgeving,
door de Vice‑eersteminister en minister van Justitie en Noordzee
verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te
verstrekken over een voorontwerp van wet ‘om justitie men‑
selijker, sneller en straffer te maken II’.
De hoofdstukken 1 (artikel 1), 3, 4 (artikelen 20 tot 26), 11
en 12, 16, 20 en 21, en 22 (artikel 123) zijn door de eerste kamer
onderzocht op 5 mei 2022. De kamer was samengesteld uit
Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wouter Pas en Inge Vos,
staatsraden, Johan Put, assessor, en Greet Verberckmoes,
griffier.
Het verslag is uitgebracht door Barbara Speybrouck, eerste
auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wouter Pas.
De hoofdstukken 1, 2, 4 (artikelen 27 tot 29), 5 tot 8 en 22
(artikel 122) zijn door de tweede kamer onderzocht op 5 mei
2022. De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot,
kamervoorzitter, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets,
staatsraden, Christian Behrendt en Marianne Dony, asses‑
soren, en Béatrice Drapier, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Xavier Delgrange, eerste
auditeur-afdelingshoofd en Roger Wimmer, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Pierre Vandernoot.
De hoofdstukken 1 (artikel 1), 9, 14 en 15, 17, 19 en 22 (arti‑
kel 122) zijn door de derde kamer onderzocht op 5 mei 2022.
De kamer was samengesteld uit Wilfried Van Vaerenbergh,
kamervoorzitter, Jeroen Van Nieuwenhove en Koen Muylle,
staatsraden, en Annemie Goossens, griffier.
De verslagen zijn uitgebracht door Barbara Speybrouck,
eerste auditeur, en Lise Vandenhende, adjunct-auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Wilfried Van Vaerenbergh.
De hoofdstukken 1 (artikel 1), 10, 13, 18 en 22 (artikel 122) zijn
door de vierde kamer onderzocht op 2 mei 2022. De kamer was
samengesteld uit Martine Baguet, kamervoorzitter, Luc Cambier
en Bernard Blero, staatsraden, Sébastien Van Drooghenbroeck
en Jacques Englebert, assessoren, en Charles‑Henri Van Hove,
toegevoegd griffier.
De verslagen zijn uitgebracht door Roger Wimmer en
Stephane Tellier, eerste auditeurs.
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 71.320/1-2-3-4 DU 7 JUIN 2022
Le 4 avril 2022, le Conseil d’État, section de législation, a
été invité par le Vice‑Premier ministre et ministre de la Justice
et de la Mer du Nord à communiquer un avis, dans un délai
de trente jours, sur un avant‑projet de loi ‘visant à rendre la
justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II’.
Les chapitres 1er (article 1er), 3, 4 (articles 20 à 26), 11
et 12, 16, 20 et 21, et 22 (article 123) ont été examinés par la
première chambre le 5 mai 2022. La chambre était composée
de Marnix Van Damme, président de chambre, Wouter Pas
et Inge Vos, conseillers d’État, Johan Put, assesseur, et
Greet Verberckmoes, greffier.
Le rapport a été présenté par Barbara Speybrouck, premier
auditeur.
La concordance entre la version française et la version néer‑
landaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de Wouter Pas.
Les chapitres 1er, 2, 4 (articles 27 à 29), 5 à 8 et 22 (ar‑
ticle 122) ont été examinés par la deuxième chambre le 5 mai
2022. La chambre était composée de Pierre Vandernoot, pré‑
sident de chambre, Patrick Ronvaux et Christine Horevoets,
conseillers d’État, Christian Behrendt et Marianne Dony,
assesseurs, et Béatrice Drapier, greffier.
Le rapport a été présenté par Xavier Delgrange, premier
auditeur chef de section et Roger Wimmer, premier auditeur.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Pierre Vandernoot.
Les chapitres 1er (article 1er), 9, 14 et 15, 17, 19 et 22 (ar‑
ticle 122) ont été examinés par la troisième chambre le 5 mai
2022. La chambre était composée de Wilfried Van Vaerenbergh,
président de chambre, Jeroen Van Nieuwenhove et Koen Muylle,
conseillers d’État, et Annemie Goossens, greffier.
Les rapports ont été présentés par Barbara Speybrouck,
premier auditeur, et Lise Vandenhende, auditeur adjoint.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Wilfried Van Vaerenbergh.
Les chapitres 1er (article 1er), 10, 13, 18 et 22 (article 122)
ont été examinés par la quatrième chambre le 2 mai 2022.
La chambre était composée de Martine Baguet, président de
chambre, Luc Cambier et Bernard Blero, conseillers d’État,
Sébastien Van Drooghenbroeck et Jacques Englebert, asses‑
seurs, et Charles‑Henri Van Hove, greffier assumé.
Les rapports ont été présentés par Roger Wimmer et
Stéphane Tellier, premiers auditeurs.
2774/001
DOC 55
138
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Bernard Blero
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
7 juni 2022.
*
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van
State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling
Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde
gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond
van het voorontwerp,1‡ de bevoegdheid van de steller van de
handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding
tot de volgende opmerkingen.
Bevoegdheid van de Raad van State
De afdeling Wetgeving is reeds om advies verzocht over
een voorontwerp dat dezelfde strekking heeft als artikel 113
van voorliggend voorontwerp, namelijk de bekrachtiging van
het koninklijk besluit van 27 januari 2022 ‘betreffende de bij‑
drage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van
de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de
vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en
G2 voor het burgerlijk jaar 2022’. Over dat voorontwerp heeft
ze op 26 januari 2022 advies 70.628/4 gegeven.
Wanneer de afdeling Wetgeving een advies gegeven heeft,
heeft ze de bevoegdheid waarover ze krachtens de wet be‑
schikt volledig uitgeoefend; het komt haar derhalve niet toe
om zich opnieuw uit te spreken over de reeds onderzochte
bepalingen, ongeacht of die herzien zijn teneinde rekening
te houden met de opmerkingen die in het eerste advies zijn
gemaakt, dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig
nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat
van de opmerkingen of voorstellen die de afdeling Wetgeving
in het eerste advies geformuleerd heeft: in zo’n geval moet
de afdeling Wetgeving opnieuw geraadpleegd worden, deze
keer over de nieuwe bepalingen.
Dat geldt evenmin wanneer na het eerste advies nieuwe
juridische gegevens opduiken die grond opleveren om de tekst
nogmaals door de afdeling Wetgeving te laten onderzoeken:
in zo’n geval moeten de bepalingen van de tekst waarvoor
die nieuwe gegevens consequenties hebben, aan de afdeling
Wetgeving voorgelegd worden.
Aangezien geen van beide gevallen zich in casu voordoet,
is de afdeling Wetgeving niet meer bevoegd om artikel 113
van het voorontwerp te onderzoeken.
‡
Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder
“rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen
verstaan.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise de l’avis a été vérifiée sous le contrôle de
Bernard Blero.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 7 juin 2022.
*
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de
l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’,
coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite
son examen au fondement juridique de l’avant-projet1‡, à la
compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement
des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3,
des lois coordonnées précitées.
Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations
suivantes.
Compétence du Conseil d’État
La section de législation a déjà été saisie d’une demande
d’avis portant sur un avant‑projet ayant le même objet que
celui dont question à l’article 113 de l’avant‑projet à l’examen, à
savoir celui de confirmer l’arrêté royal du 27 janvier 2022 ‘relatif
à la contribution aux frais de fonctionnement, de personnel et
d’installation de la Commission des jeux de hasard due par
les titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+,
F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022’. Elle a donné sur cet
avant-projet l’avis n° 70.628/4 du 26 janvier 2022.
Lorsque la section de législation a donné un avis, elle a
épuisé la compétence que lui confère la loi, et il ne lui appartient
dès lors pas de se prononcer à nouveau sur les dispositions
déjà examinées, qu’elles aient été revues pour tenir compte
des observations formulées dans le premier avis ou qu’elles
demeurent inchangées.
Il en va différemment lorsqu’il est envisagé d’insérer dans le
texte des dispositions entièrement nouvelles, dont le contenu
est indépendant des observations ou suggestions formulées
dans le premier avis de la section de législation: en pareil
cas, une nouvelle consultation de la section de législation est
requise, portant sur les dispositions nouvelles.
Il en va aussi différemment quand interviennent, après le
premier avis, des éléments juridiques nouveaux de nature à
justifier un nouvel examen du texte par la section de législa‑
tion: en pareil cas, la section de législation doit être saisie des
dispositions du texte affectées par ces éléments nouveaux.
Dès lors qu’aucune de ces deux hypothèses n’est ren‑
contrée, la section de législation n’est plus compétente pour
examiner l’article 113 de l’avant‑projet.
‡
S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement
juridique” la conformité aux normes supérieures.
139
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voorafgaande vormvereisten
1. Krachtens artikel 36, lid 4, van verordening (EU) 2016/679
van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens en betref‑
fende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescher‑
ming)’ (hierna: de “AVG”), gelezen in samenhang met artikel 57,
lid 1, c), en overweging 96 van de preambule ervan en met
artikel 2, tweede lid, van de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende
de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot
de verwerking van persoonsgegevens’, dient de toezichthou‑
dende autoriteit, in casu de Gegevensbeschermingsautoriteit
bedoeld in de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de
Gegevensbeschermingsautoriteit’, geraadpleegd te worden
bij het opstellen van een voorstel voor een door een nationaal
parlement vast te stellen wetgevingsmaatregel of een daarop
gebaseerde regelgevingsmaatregel in verband met verwerking.
Gelet op de verwerking van persoonsgegevens die geregeld
of gewijzigd wordt bij de artikelen 43, 44, 45 en 47 van het
voorontwerp, dient erop toegezien te worden dat dit verplichte
vormvereiste vervuld wordt.
Indien het vervullen van dat vormvereiste nog aanleiding
zou geven tot wijzigingen van de tekst die aan de Raad van
State voorgelegd is op andere punten dan die welke in dit
advies besproken worden, zouden de gewijzigde of toege‑
voegde bepalingen overeenkomstig artikel 3, § 1, eerste lid,
van de gecoördineerde wetten ‘op de Raad van State’ aan de
afdeling Wetgeving voorgelegd moeten worden.
2. Bij artikel 57, 1°, van het voorontwerp wordt artikel 62,
eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de
weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming
van de spelers’ aldus gewijzigd dat daarin bepaald wordt dat
van de speler die een speelzaal van een kansspelinrichting
van de klassen I2 of II3 of een vaste kansspelinrichting van
klasse IV binnengaat een foto genomen wordt die vervolgens
bewaard moet worden.4
Aldus impliceert het voorliggend voorontwerp het verza‑
melen en verwerken van persoonsgegevens. Bijgevolg dient
de Gegevensbeschermingsautoriteit over dit voorontwerp
geraadpleegd te worden, krachtens de artikelen 36, lid 4,
en 57, lid 1, alsook krachtens overweging 96 van verorde‑
ning (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad
van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgege‑
vens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en
tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening
gegevensbescherming)’.
In dat verband heeft de gemachtigde van de minister aange‑
geven dat het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit
gevraagd is en tegen 3 juni 2022 verwacht wordt.
2
Namelijk een casino.
3
Namelijk een speelautomatenhal.
4
Namelijk een onlinegokkantoor.
Formalités préalables
1. L’article 36, paragraphe 4, du règlement (UE) 2016/679
du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à
la protection des personnes physiques à l’égard du traitement
des données à caractère personnel et à la libre circulation de
ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement
général sur la protection des données)’ (ci‑après: “le RGPD”),
combiné avec son article 57, paragraphe 1, c), et le considérant
96 de son préambule, ainsi qu’avec l’article 2, alinéa 2, de la
loi du 30 juillet 2018 ‘relative à la protection des personnes
physiques à l’égard des traitements de données à caractère
personnel’, prévoit une obligation de consulter l’autorité de
contrôle, en l’occurrence l’Autorité de protection des données
visée dans la loi du 3 décembre 2017 ‘portant création de
l’Autorité de protection des données’, dans le cadre notamment
de l’élaboration d’une proposition de mesure législative devant
être adoptée par un parlement national, ou d’une mesure
réglementaire fondée sur une telle mesure législative, qui se
rapporte au traitement.
Compte tenu des traitements de données à caractère
personnel organisés ou modifiés par les articles 43, 44, 45
et 47 de l’avant‑projet, il convient de veiller au respect de cette
formalité obligatoire.
Si son accomplissement devait encore donner lieu à des
modifications du texte soumis au Conseil d’État sur des points
autres que ceux faisant l’objet du présent avis, les dispositions
modifiées ou ajoutées devraient être soumises à la section
de législation conformément à l’article 3, § 1er, alinéa 1er , des
lois coordonnées ‘sur le Conseil d’État’.
2. L’article 57, 1°, de l’avant‑projet modifie l’article 62,
alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999 ‘sur les jeux de hasard, les
paris, les établissements de jeux de hasard et la protection
des joueurs’ de manière à y prévoir la prise et la conservation
d’une photographie du joueur accédant aux salles de jeux des
établissements de jeux de hasard des classes I2, II3 et aux
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV4.
Ce faisant, l’avant-projet à l’examen emporte la collecte et
le traitement de données à caractère personnel. Il y a dès lors
lieu de soumettre celui‑ci à l’avis de l’Autorité de protection
des données conformément aux articles 36, paragraphe 4,
et 57, paragraphe 1, ainsi qu’au considérant 96 du règle‑
ment (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du
27 avril 2016 ‘relatif à la protection des personnes physiques à
l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la
libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/
CE (règlement général sur la protection des données)’.
Sur ce point, le délégué du ministre a précisé que l’avis
de l’Autorité de protection des données a été sollicité et est
attendu pour le 3 juin 2022.
2
Soit les casinos.
3
Soit les salles de jeux de hasard automatiques.
4
Soit les agences de paris en ligne.
2774/001
DOC 55
140
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Men dient ervoor te zorgen dat dit vormvereiste naar be‑
horen vervuld wordt.
Als de tekst die aan de afdeling Wetgeving voorgelegd
is, naar aanleiding van het vervullen van dat vormvereiste
nog wijzigingen zou ondergaan die niet eveneens zouden
voortvloeien uit het gevolg dat aan dit advies gegeven wordt,
zouden de gewijzigde bepalingen opnieuw aan de afdeling
Wetgeving voorgelegd moeten worden overeenkomstig ar‑
tikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten ‘op de
Raad van State’.
Onderzoek van het voorontwerp
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 2
Uit artikel 2 blijkt dat het voorontwerp strekt tot de gedeelte‑
lijke omzetting van richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees
Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 ‘inzake de straf‑
rechtelijke bestrijding van het witwassen van geld’.
In de beginselen van de wetgevingstechniek die door de
afdeling Wetgeving opgesteld zijn, worden de stellers van
ontwerpen verzocht om bij de omzetting van richtlijnen, om‑
zettingstabellen op te maken:
“191. Maak twee omzettingstabellen op.
191.1. Om te controleren of een richtlijn correct en volledig
wordt omgezet, maak een concordantietabel op met de (on‑
derdelen van de) artikelen van de richtlijn en van de er mee
overeenstemmende (onderdelen van de) artikelen van de
door u opgestelde tekst die in de omzetting voorziet. Vermeld
eveneens in deze tabel:
a) de (onderverdelingen van de) artikelen van de richtlijn
die eventueel reeds zijn omgezet, alsmede de overeenstem‑
mende teksten van intern recht en de (onderverdelingen van
de) artikelen waarbij de richtlijn is omgezet;
b) de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn die door
een andere instantie nog moeten worden omgezet.
191.2. Om ieder artikel van de tekst die in de omzetting
voorziet te kunnen lezen in het licht van de vereisten van de
richtlijn, maak eveneens een concordantietabel op met de
(onderdelen van de) artikelen van de tekst die in de omzetting
voorziet en de (onderdelen van de) artikelen van de richtlijn.”5
In casu had men er goed aan gedaan dergelijke tabellen,
hoe beknopt ook, samen met de voorliggende tekst aan de
5
Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het
opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.raadvst
-consetat.be, tab “Wetgevingstechniek”.
Il sera veillé au bon accomplissement de cette formalité.
Si l’accomplissement de celle-ci devait encore donner lieu
à des modifications du texte soumis à la section de législation
qui ne résulteraient pas également des suites réservées au
présent avis, les dispositions modifiées devraient lui être sou‑
mises à nouveau, conformément à l’article 3, § 1er, alinéa 1er,
des lois coordonnées ‘sur le Conseil d’État’.
Examen de l’avant‑projet
Chapitre 1
er
Dispositions générales
Article 2
Il ressort de l’article 2 que l’avant‑projet a pour objet de trans‑
poser partiellement la directive (UE) 2018/1673 du Parlement
européen et du Conseil du 23 octobre 2018 ‘visant à lutter
contre le blanchiment de capitaux au moyen du droit pénal’.
Les principes de technique législative établis par la section
de législation invitent les auteurs de projets, lors d’une trans‑
position de directive, à établir des tableaux de transposition:
“191. Établissez deux tableaux de transposition.
191.1. Pour contrôler qu’une directive est transposée cor‑
rectement et complètement, établissez un tableau de corres‑
pondance entre les (subdivisions des) articles de la directive
et les (subdivisions des) articles de l’acte de transposition
que vous rédigez. Mentionnez également dans ce tableau:
a) les (subdivisions des) articles de la directive qui ont
éventuellement déjà été transposés, en correspondance avec
les actes de droit interne et les (subdivisions des) articles qui
ont procédé à cette transposition;
b) les (subdivisions des) articles de la directive qui doivent
encore être transposés par une autre autorité.
191.2. Pour pouvoir lire chaque article de l’acte de trans‑
position à la lumière des exigences de la directive, établissez
aussi un tableau de correspondance entre les (subdivisions
des) articles de l’acte de transposition et les (subdivisions
des) articles de la directive”5.
En l’espèce, il aurait convenu que de tels tableaux, fussent‑ils
succincts, soient transmis à la section de législation en même
5
Principes de technique législative ‑ Guide de rédaction des
textes législatifs et réglementaires, www.raadvst-consetat.be,
onglet “Technique législative”.
141
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
afdeling Wetgeving te bezorgen. Ze moeten hoe dan ook
opgesteld worden en bij het ontwerp gevoegd worden dat
aan het Parlement overgezonden wordt.
Hoofdstuk 2
Wijziging van het Oud Burgerlijk Wetboek
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 3
Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Artikelen 4 en 5
Het ontworpen artikel 28decies van het Wetboek van
Strafvordering (Sv.) beoogt tegemoet te komen aan het arrest
nr. 15/2022 van het Grondwettelijk Hof.6 Naar analogie met
het bepaalde in artikel 136, tweede lid, Sv. dat geldt voor het
gerechtelijk onderzoek, wordt een daadwerkelijk preventief
rechtsmiddel ingevoerd dat erop gericht is een lopend opspo‑
ringsonderzoek te doen versnellen, indien dat onderzoek na
een jaar niet is afgesloten.
De procedure in geval van een gerechtelijk onderzoek, be‑
paald in artikel 136bis Sv., wordt overgenomen in het ontworpen
artikel 28decies. Evenwel dient in het ontworpen 28decies het
begrip “burgerlijke partij” te worden weggelaten, aangezien
de ontworpen bepaling het opsporingsonderzoek betreft.
Daarenboven is het aan te bevelen om artikel 136bis, waar
wordt bepaald dat de partijen en hun advocaten kunnen wor‑
den gehoord na kennisgeving door de griffier “per faxpost of
bij een ter post aangetekende brief”, in overeenstemming te
brengen met de in het ontworpen artikel 28decies gehanteerde
begrippen inzake de kennisgeving, zijnde “per faxpost, bij
gewone brief of langs elektronische weg”.7
Artikel 11
In artikel 11 van het voorontwerp moet de verwijzing naar
artikel 88bis, § 4, laatste lid, Sv. vervangen worden door een
verwijzing naar artikel 88bis, § 2, laatste lid, Sv.
Artikelen 16 en 17
Door de opheffing van artikel 205 Sv. (artikel 17 van het
voorontwerp), dient in artikel 203, § 1, van hetzelfde wetboek
ook de zinsnede “Behoudens de uitzondering van artikel 205
hierna,” te worden opgeheven (en niet alleen het laatste lid
ervan, zoals gebeurt in artikel 16 van het voorontwerp).
6
GwH 30 februari 2022, nr. 15/2022.
7
Net zoals het geval is in de artikelen 21bis en 61ter Sv.
temps que l’a été le texte à l’examen. En tout état de cause,
ils seront établis et joints au projet transmis au Parlement.
Chapitre 2
Modification de l’ancien Code civil
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 3
Modifications du Code d’instruction criminelle
Articles 4 et 5
L’article 28decies en projet du Code d’instruction cri‑
minelle (CIC) vise à donner suite à l’arrêt n° 15/2022 de la
Cour constitutionnelle6. Par analogie avec la règle énoncée
à l’article 136, alinéa 2, du CIC, qui s’applique à l’instruction,
un recours préventif effectif est instauré visant à accélérer une
information en cours si cette information n’est pas clôturée
après une année.
L’article 28decies en projet reproduit la procédure en cas
d’instruction, prévue à l’article 136bis du CIC. Toutefois, il
faut omettre la notion de “partie civile” dans l’article 28decies
en projet, dès lors que la disposition en projet concerne
l’information. En outre, il est recommandé de conformer
l’article 136bis, qui prévoit que les parties et leurs conseils
peuvent être entendus après notification par le greffier “par
télécopie ou par lettre recommandée à la poste”, aux notions
relatives à la notification utilisées dans l’article 28decies en
projet, à savoir “par télécopie, par lettre simple ou par voie
électronique”7.
Article 11
À l’article 11 de l’avant-projet, on remplacera la référence
à l’article 88bis, § 4, dernier alinéa, du CIC, par une référence
à l’article 88bis, § 2, dernier alinéa, du CIC.
Articles 16 et 17
Consécutivement à l’abrogation de l’article 205 du CIC
(article 17 de l’avant-projet) on supprimera également à
l’article 203, § 1er, du même code, le segment de phrase
“, sauf l’exception portée en l’article 205 ci-après,” (et pas
seulement son dernier alinéa, comme c’est le cas à l’article 16
de l’avant-projet).
6
C.C., 30 février 2022, n° 15/2022.
7
À l’instar des articles 21bis et 61ter du CIC.
2774/001
DOC 55
142
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hoofdstuk 4
Wijzigingen van het Strafwetboek
Artikelen 20 tot 25
1.1.
De artikelen 20 tot 25 van het voorontwerp voegen
in het Strafwetboek de omschrijving van de begrippen “ver‑
zwarende omstandigheden” en “verzwarende factoren” in.
Er wordt vastgelegd dat een discriminerende drijfveer een
verzwarende factor is, behoudens in de gevallen waarin de
wet daarvan een verzwarende omstandigheid maakt.
1.2. De memorie van toelichting verduidelijkt dat het
invoeren van verzwarende factoren voor alle misdrijven in‑
dien de dader handelt vanuit een discriminerende drijfveer,
ingegeven is door de ingebrekestelling van België door de
Europese Commissie wegens de onjuiste omzetting van ar‑
tikel 4 van het Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van
28 november 2008 ‘betreffende de bestrijding van bepaalde
vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door
middel van het strafrecht’.8
Hoewel er redenen zijn – zoals de tekst van artikel 4 van
het Kaderbesluit – om te twijfelen aan de juistheid van de
vaststelling van de Europese Commissie, bestaat er als dus‑
danig geen bezwaar tegen de keuze van de wetgever om op
deze wijze in de verzwaring van de bestraffing te voorzien.
Bij de wijze waarop deze verzwaring in het Strafwetboek
wordt ingeschreven, kunnen evenwel volgende bedenkingen
worden geformuleerd.
De memorie van toelichting stelt dat de ontworpen tekst
rekening houdt met het “wetsontwerp houdende wijzigingen van
het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht”
(intussen de wet van 21 maart 2022) en met het “ontwerp
van Strafwetboek”.
Aldus wordt in artikel 78bis ingeschreven dat indien de
wet voorziet in verzwarende omstandigheden, de straf wordt
verhoogd of gewijzigd zoals omschreven in de desbetreffende
bepaling. In de eerste plaats moet opgemerkt worden dat het
gebruik van de term “verzwarende omstandigheden” hier
zeer verwarrend is, aangezien beoogd wordt te omschrijven
hetgeen in het ontwerp van Strafwetboek “verzwarende be‑
standdelen” wordt genoemd. De verwarring is des te groter
aangezien de term “verzwarende omstandigheden” in het
ontwerp van Strafwetboek ook wordt gehanteerd, maar dan
voor hetgeen in het voorliggende ontwerp “verzwarende
factoren” wordt genoemd.
Weliswaar wordt het begrip “verzwarende omstandigheden”
thans reeds in de wetgeving gebruikt (hoewel slechts tweemaal
in het Strafwetboek). In de overgrote meerderheid van de
gevallen wordt een strafverzwaring omwille van een “verzwa‑
rende omstandigheid” evenwel opgelegd, zonder uitdrukkelijk
te verwijzen naar het begrip “verzwarende omstandigheden”.
Het ontworpen artikel 78bis van het Strafwetboek lijkt dus
8
Ingebrekestelling van 18 februari 2021.
Chapitre 4
Modifications du Code pénal
Articles 20 à 25
1.1.
Les articles 20 à 25 de l’avant‑projet insèrent dans
le Code pénal la définition des notions de “circonstances
aggravantes” et de “facteurs aggravants”. Il est prescrit qu’un
mobile discriminatoire est un facteur aggravant, sauf dans les
cas où la loi en fait une circonstance aggravante.
1.2. L’exposé des motifs précise que l’introduction de
facteurs aggravants pour toutes les infractions si l’auteur
agit avec un mobile discriminatoire s’inspire de la mise en
demeure de la Belgique par la Commission européenne pour
la transposition incorrecte de l’article 4 de la décision-cadre
2008/913/JAI du Conseil du 28 novembre 2008 ‘sur la lutte
contre certaines formes et manifestations de racisme et de
xénophobie au moyen du droit pénal’8.
Bien qu’il y ait des motifs – comme le texte de l’article 4 de
la décision-cadre – de douter de la justesse de la constatation
de la Commission européenne, le choix du législateur de
prévoir l’aggravation de la peine de cette manière ne soulève
en tant que tel aucune objection.
Sur la manière dont cette aggravation est inscrite dans le
Code pénal, il est toutefois permis de formuler les observa‑
tions suivantes.
L’exposé des motifs indique que le texte en projet tient
compte du “projet de loi modifiant le Code pénal en ce qui
concerne le droit pénal sexuel” (entre-temps la loi du 21 mars
2022) et du “projet de Code pénal”.
Ainsi, il est inscrit à l’article 78bis que si la loi prévoit des
circonstances aggravantes, la peine est augmentée ou modifiée
conformément aux dispositions de cette loi. Il faut tout d’abord
observer qu’en l’espèce, l’utilisation des termes “circonstances
aggravantes” prête particulièrement à confusion, dès lors que
l’on entend définir ce que le projet de Code pénal appelle
“éléments aggravants”. La confusion est d’autant plus grande
que les termes “circonstances aggravantes” sont aussi utilisés
dans le projet de Code pénal, mais pour désigner ce que le
projet à l’examen qualifie de “facteurs aggravants”.
Certes, la notion de “circonstances aggravantes” est déjà
actuellement utilisée dans la législation (bien que seulement
deux fois dans le Code pénal). Toutefois, dans la grande
majorité des cas, une aggravation de la peine est imposée
en raison d’une “circonstance aggravante”, sans faire explici‑
tement référence à la notion de “circonstances aggravantes”.
L’article 78bis en projet du Code pénal ne paraît donc que
8
Mise en demeure du 18 février 2021.
143
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
enkel verwarring te scheppen, maar brengt, buiten de context
van een volledige hervorming van het Strafwetboek, geen
verduidelijking. Het ontworpen artikel heeft op zich ook geen
enkel rechtsgevolg, en is evenmin nuttig om de hogervermelde
doelstelling van de strafverzwaring wegens discriminerende
drijfveer te bereiken. Voor de misdrijven waarop het ontworpen
artikel 78bis doelt, voorzien de desbetreffende bepalingen
in het Strafwetboek immers reeds in een verhoging van de
minimumstraf wanneer het misdrijf is ingegeven door een
discriminerende drijfveer.9
Ook de omschrijving in artikel 78ter van het Strafwetboek
van de “verzwarende factoren” roept vragen op. De memorie
van toelichting verwijst voor het gebruik van deze term uit‑
drukkelijk naar wat de wet van 21 maart 2022 is geworden.
In de artikelen 417/23, 417/50 en 417/55 van het Strafwetboek,
zoals ingevoegd bij de wet van 21 maart 2022, worden de
verzwarende factoren als volgt omschreven: “Bij de keuze
van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan voor feiten
/ een misdrijf bedoeld in (…) houdt de rechter in het bijzonder
rekening met het feit dat …”. In het ontworpen artikel 78ter
van het Strafwetboek luidt het dat indien de wet voorziet in
verzwarende factoren de rechter deze factoren in overweging
moet nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte
ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die hoger
is dan de maximumstraf.
Indien hetzelfde bedoeld wordt, moet dezelfde formulering
worden gebruikt.
2. Wat de ontworpen wijziging van artikel 377bis van het
Strafwetboek betreft (artikel 24 van het voorontwerp), mag
niet uit het oog worden verloren dat dit artikel met ingang van
1 juni 2022 zal worden opgeheven.10
Artikel 26
Zie de opmerking bij artikel 108 van het voorontwerp.
Artikel 27
1. In de toelichting bij dit artikel wordt de conformiteit van de
strafuitsluitende verschoningsgrond in de richtlijn (EU) 2018/1673
als volgt verantwoord:
“Deze strafuitsluitende verschoningsgrond grijpt enkel in
op het vlak van de strafwaardigheid van de gedragingen die
wel degelijk beantwoorden aan een delictsomschrijving en die
wederrechtelijk zijn. De verschoningsgrond betreft dus enkel de
mogelijkheid tot bestraffing waardoor het betreffende gedrag
zijn onrechtmatig karakter behoudt, het misdrijf blijft bestaan
en de strafvordering wel nog kan worden ingesteld conform
de vereisten van de richtlijn 2018/1673. Echter, als aan de
wettelijke voorwaarden voor de verschoningsgrond is voldaan,
zal de rechter een buitenvervolgingsstelling, een ontslag van
rechtsvervolging of een vrijspraak moeten uitspreken.”
9
Zie de artikelen 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter,
453bis, 514bis, 525bis, 523bis en 534quater van het Strafwetboek.
10
Artikel 117, 9°, van de wet van 21 maart 2022.
semer la confusion, mais n’apporte pas d’éclaircissement en
dehors du contexte d’une réforme complète du Code pénal.
En soi, l’article en projet ne produit également aucun effet
juridique et n’est pas non plus utile pour atteindre l’objectif
précité de l’aggravation de la peine pour mobile discrimina‑
toire. Pour les infractions visées par l’article 78bis en projet,
les dispositions concernées du Code pénal prévoient déjà en
effet une augmentation de la peine minimale lorsque l’infraction
est inspirée par un mobile discriminatoire9.
De même, la définition des “facteurs aggravants”, à l’ar‑
ticle 78ter du Code pénal, soulève des questions. Pour l’uti‑
lisation de ces termes, l’exposé des motifs fait explicitement
référence à ce qui est devenu la loi du 21 mars 2022.
Les articles 417/23, 417/50 et 417/55 du Code pénal, insérés
par la loi du 21 mars 2022, définissent les facteurs aggravants
comme suit: “Lors du choix de la peine ou de la mesure et
de la sévérité de celle-ci, pour des faits/une infraction visée
dans (…), le juge tient plus particulièrement compte du fait
que …”. L’article 78ter en projet du Code pénal énonce que si
la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge doit les prendre
en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et
de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine
supérieure à la peine maximale.
Si l’intention est la même, il faudra utiliser la même
formulation.
2. En ce qui concerne la modification en projet de l’ar‑
ticle 377bis du Code pénal (article 24 de l’avant‑projet), il ne
faut pas perdre de vue que cet article sera abrogé avec effet
au 1er juin 202210.
Article 26
Voir l’observation formulée à propos de l’article 108 de
l’avant‑projet.
Article 27
1. Le commentaire de l’article justifie comme suit la conformi‑
té de la cause d’excuse absolutoire à la directive (UE) 2018/1673:
“Cette cause d’excuse absolutoire n’interfère qu’avec
la condamnabilité des comportements qui correspondent
effectivement à la description d’une infraction et qui sont abu‑
sifs. La cause d’excuse ne concerne donc que la possibilité
de sanction, en conséquence de quoi le comportement en
question conserve son caractère illicite, l’infraction continue
d’exister et des poursuites pénales peuvent encore être enga‑
gées conformément aux exigences de la directive 2018/1673.
Toutefois, si les conditions légales de la cause d’excuse sont
remplies, le tribunal devra prononcer un renvoi des poursuites,
un non‑lieu ou un acquittement”.
9
Voir les articles 377bis, 405quater, 422quater, 438bis, 442ter,
453bis, 514bis, 525bis, 523bis et 534quater du Code pénal.
10
Article 117, 9°, de la loi du 21 mars 2022.
2774/001
DOC 55
144
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikel 3 van richtlijn (EU) 2018/1673 luidt echter als volgt:
“De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te
zorgen dat de volgende gedragingen strafbaar worden gesteld
indien er sprake is van opzet (…)”
Hoewel gewone fiscale fraude (anders dan ernstige fiscale
fraude) wel degelijk strafrechtelijk strafbaar gesteld wordt,
valt evenwel op te merken dat ze, in het geval bedoeld in het
ontworpen artikel 505, derde lid, van het Strafwetboek, niet
strafbaar zal zijn, aangezien daarvoor de strafuitsluitende
verschoningsgrond zal gelden.
Ongeacht de relevantie, in termen van opportuniteit, van de
overwegingen die in de toelichting bij artikel 27 uiteengezet
worden, volgt uit wat voorafgaat dat dit artikel niet in overeen‑
stemming lijkt te zijn met artikel 3 van richtlijn (EU) 2018/1673.
Het is onder voorbehoud van deze belangrijke opmerking
dat de volgende opmerkingen gemaakt worden.
2. Zoals de afdeling Wetgeving reeds in haar advies
52.854/1/2/3 opgemerkt heeft,
“zou het toch meer in overeenstemming met [het strafrech‑
telijk legaliteitsbeginsel] zijn[,] mochten in het Strafwetboek
zelf criteria worden opgenomen aan de hand waarvan kan
worden beoordeeld of de gepleegde feiten al dan niet kunnen
worden beschouwd als ‘ernstige fiscale fraude’.”11
Een dergelijke opmerking kan ook in casu gemaakt worden:
het dispositief zou aldus aangevuld moeten worden dat be‑
paald wordt wat verstaan moet worden onder “andere fiscale
fraude dan ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd”.
3. In haar voormeld advies 52.854/1/2/3 heeft de afdeling
Wetgeving ook het volgende opgemerkt:
“Met de toevoeging van de woorden ‘al dan niet geor‑
ganiseerd’ in de te wijzigen artikelen van het Strafwetboek
wordt weliswaar ten overvloede duidelijk gemaakt dat ook
niet-georganiseerde fraude ernstig kan zijn, maar wordt niets
toegevoegd aan het begrip ‘ernstige fiscale fraude’. De woor‑
den ‘al dan niet georganiseerd’ kunnen dan ook vervallen.”
Een dergelijke opmerking kan ook in casu gemaakt worden.
4. Het ontworpen artikel 505, derde lid, van het Strafwetboek
strekt ertoe als voorwaarde voor de strafuitsluitende verscho‑
ningsgrond te stellen dat “de verplichtingen [van] de wetgeving
en reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude en
het witwassen van geld, waaronder deze die voortvloeien uit
de wet van 18 september 2017” nagekomen zijn.
11
Advies 52.854/1/2/3 van 11 maart 2013 over een voorontwerp
dat geleid heeft tot de wet van 15 juli 2013 ‘houdende dringende
bepalingen inzake fraudebestrijding’ (Parl.St. Kamer 2012-13,
nr. 53-2763/1), 26, (http://www.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen
/52854.pdf).
Or, l’article 3 de la directive (UE) 2018/1673 dispose que
“[l]es États membres prennent les mesures nécessaires
pour s’assurer que les comportements suivants, lorsqu’ils sont
intentionnels, sont passibles de sanctions en tant qu’infrac‑
tions pénales […]”.
Si la fraude fiscale ordinaire (autre que la fraude fiscale
grave) est bien érigée en infraction pénale, force est toutefois
de constater que, dans l’hypothèse visée à l’article 505, ali‑
néa 3, en projet du Code pénal, celle‑ci ne sera pas passible
de sanction puisqu’elle bénéficiera de la cause d’excuse
absolutoire.
Quelle que soit la pertinence, en termes d’opportunité, des
considérations émises dans le commentaire de l’article 27, il
résulte de ce qui précède que cet article ne paraît pas conforme
à l’article 3 de la directive (UE) 2018/1673.
C’est sous réserve de cette importante observation que
celles qui suivent sont formulées.
2. Ainsi que la section de législation l’a déjà fait observer
dans son avis 52.854/1/2/3,
“[…] il serait plus conforme [au principe de légalité en
matière pénale] d’inscrire dans le Code pénal même les cri‑
tères permettant de déterminer si les faits commis peuvent
être regardés comme une ‘fraude fiscale grave’”11.
Pareille observation peut être réitérée en l’espèce: le dis‑
positif devrait être complété afin de déterminer ce qu’il y a lieu
d’entendre par “la fraude fiscale autre que la fraude fiscale
grave, organisée ou non”.
3. Dans son avis 52.854/1/2/3 précité, la section de légis‑
lation a également relevé ce qui suit:
“Si, en ajoutant les mots ‘organisée ou non’ dans les ar‑
ticles à modifier du Code pénal, on précise à titre surabondant
que la fraude non organisée peut également être grave, cela
n’ajoute toutefois rien à la notion de ‘fraude fiscale grave’. Les
mots ‘organisée ou non’ peuvent dès lors être omis”.
Pareille observation peut être réitérée en l’espèce.
4. L’article 505, alinéa 3, en projet du Code pénal entend
poser comme condition à la cause d’excuse absolutoire le
respect “de la législation et de la réglementation en matière
de lutte contre la fraude fiscale y compris celles découlant
de la loi du 18 septembre 2017”.
11
Avis 52.854/1/2/3 donné le 11 mars 2013 sur un avant‑projet
devenu la loi du 15 juillet 2013 ‘portant des dispositions urgentes en
matière de lutte contre la fraude’ (Doc. parl., Chambre, 2012‑2013,
n° 53‑2763/1, p. 26, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis
/52854.pdf).
145
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In de toelichting bij het artikel wordt daaromtrent het vol‑
gende uitgelegd:
“Het voorstel strekt ertoe de rechtszekerheid te verhogen
voor de [entiteiten en personen onderworpen aan de wet tot
voorkoming van het witwassen van geld en de financiering
van terrorisme en tot beperking van het gebruik van con‑
tanten]. De rechtszekerheid wordt gecreëerd door [in] een
strafuitsluitende verschoningsgrond te voorzien voor gevallen
van gewone fiscale fraude in zoverre de aan de voornoemde
preventieve antiwitwaswet onderworpen entiteiten hebben
geconformeerd aan de verplichtingen van de wetgeving en
reglementering inzake de bestrijding van fiscale fraude en het
witwassen van geld, waaronder deze die voortvloeien uit de
wet van 18 september 2017.
Voor bijvoorbeeld de bancaire sector houdt dit meer specifiek
in dat zij zich adequaat moeten organiseren met het oog op
het naleven van bijvoorbeeld de bepalingen van de wet van
2 juni 2021 houdende diverse financiële bepalingen inzake
fraudebestrijding, de wet van 17 februari 2021 houdende de
invoering van een jaarlijkse taks op de effectenrekeningen,
de wet van 20 december 2019 tot omzetting van richtlijn
(EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging
van richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische
uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrek‑
king tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie,
de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal
aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten
en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand
van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve
schuldenregeling en protest, de wet van 16 december 2015
tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende
financiële rekeningen, door de Belgische financiële instel‑
lingen en de FOD Financiën, in het kader van een automa‑
tische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau
en voor belastingdoeleinden, het artikel 307, § 1, lid 5 tot 8
van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en de
diverse koninklijke besluiten, reglementen en circulaires van
de toezichthouder die uitvoering geven aan de opgesomde
wetgeving.
Met andere woorden dienen de onderworpen entiteiten zich,
ten aanzien van de betrokken feiten, geconformeerd [te] heb‑
ben aan de verplichtingen van de wetgeving en reglementering
inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van
geld én in het bijzonder aan deze die voortvloeien uit de wet
van 18 september 2017. Deze voorwaarden zijn dus cumulatief.”
In de ontworpen regeling wordt niet nauwkeurig aangege‑
ven welke bepalingen inzake de bestrijding van fiscale fraude
nageleefd moeten worden.
De toelichting bij het artikel verduidelijkt evenmin om welke
bepalingen het gaat en verwijst harerzijds naar de bepalingen
“inzake de bestrijding van fiscale fraude en het witwassen van
geld” (en niet louter inzake de bestrijding van fiscale fraude).
De toelichting bij het artikel beperkt zich tot het opsommen,
voor een bepaalde sector (namelijk de banksector), van een
niet‑limitatieve lijst van de bepalingen in kwestie.
Le commentaire de l’article expose ce qui suit à cet égard:
“La proposition vise à renforcer la sécurité juridique pour
les entités et personnes assujetties à la loi relative à la pré‑
vention [du blanchiment de capitaux et du financement du
terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces]. La
sécurité juridique est créée en prévoyant une cause d’excuse
absolutoire dans les cas de fraude fiscale ordinaire, dans la
mesure où les entités assujetties ont respecté les obligations
de la législation et de la réglementation en matière de lutte
contre la fraude fiscale et le blanchiment d’argent, notamment
celles découlant de la loi du 18 septembre 2017.
Pour par exemple le secteur bancaire, cela signifie plus
précisément qu’il doit s’organiser de manière adéquate afin
de respecter par exemple les dispositions du loi du 2 juin 2021
portant dispositions financières diverses relatives à la lutte
contre la fraude, de la loi du 17 février 2021 portant introduc‑
tion d’une taxe annuelle sur les comptes-titres, de la loi du
20 décembre 2019 transposant la directive (UE) 2018/822
du Conseil du 25 mai 2018 modifiant la directive 2011/16/
UE en ce qui concerne l’échange automatique et obligatoire
d’informations dans le domaine fiscal en rapport avec les
dispositifs transfrontières devant faire l’objet d’une déclaration,
de la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d’un point de
contact central des comptes et contrats financiers et portant
extension de l’accès au fichier central des avis de saisie, de
délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de
protêt, de la loi du 16 décembre 2015 réglant la communica‑
tion des renseignements relatifs aux comptes financiers, par
les institutions financières belges et le SPF Finances, dans
le cadre d’un échange automatique de renseignements au
niveau international et à des fins fiscales, de l’article 307, § 1,
alinéa 5 à 8 du Code des impôts sur les revenus 1992, et des
différents arrêtés royaux, règlements et circulaires de l’autorité
de contrôle qui mettent en œuvre les législations évoquées.
En d’autres termes, les entités assujetties doivent avoir
respecté, au regard des faits en cause, les obligations de la
législation et réglementation relative à la lutte contre la fraude
fiscale et le blanchiment d’argent et, en particulier, celles
découlant de la loi du 18 septembre 2017. Ces conditions
sont donc cumulatives”.
Le dispositif en projet n’identifie pas avec précision les
dispositions en matière de lutte contre la fraude fiscale devant
être respectées.
Le commentaire de l’article ne précise pas non plus les
dispositions visées et se réfère, quant à lui, aux dispositions
“relatives à la lutte contre la fraude fiscale et le blanchiment
d’argent” (et non uniquement en matière de lutte contre la
fraude fiscale). Le commentaire de l’article se limite à énumérer
pour un secteur particulier (à savoir le secteur bancaire) une
liste non‑limitative des dispositions visées.
2774/001
DOC 55
146
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Teneinde het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel te respecteren,
zou nauwkeuriger bepaald moeten worden – en in het bijzon‑
der wat betreft de wet van 18 september 2017 ‘tot voorkoming
van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
en tot beperking van het gebruik van contanten’ – welke be‑
palingen nageleefd moeten worden om de strafuitsluitende
verschoningsgrond te kunnen genieten.
5. In de Franse tekst schrijve men niet “restent exempts”
maar “sont exempts”.
Artikel 28
1. Om ervoor te zorgen dat artikel 6, lid 1, van richtlijn
(EU) 2018/1673 correct omgezet wordt, moet in het ontworpen
artikel 505ter, 1°, van het Strafwetboek het woord “of” worden
toegevoegd na “beroepsactiviteiten;”.
2. Wat het ontworpen artikel 505ter, 1°, betreft, staat de
precisering dat de meldingsplichtige entiteit “gevestigd [moet
zijn] in België, in een ander land van de Europese Economische
Ruimte of een derde land dat verplichtingen oplegt die gelijk‑
aardig zijn aan die uit de voornoemde richtlijn”, niet in artikel 6,
lid 1, van richtlijn (EU) 2018/1673 tot de omzetting waarvan
het ontworpen artikel 505ter strekt.
De toelichting bij dit artikel dient bijgevolg op dit punt
aangevuld te worden opdat uitdrukkelijk aangegeven wordt
waarom die voorwaarde toegevoegd is terwijl ze niet in de
richtlijn voorkomt.
Hoofdstuk 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Artikel 31
De bepaling onder 3° strekt ertoe artikel 1727, § 2, 5°, van
het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met de woorden “na
overleg met de instanties van bemiddelaars en van opleiders
in bemiddeling”.
Die toevoeging wordt in de memorie van toelichting verklaard
door de wens “mensen uit het werkveld” te consulteren voor
het opstellen van een deontologische code, namelijk meer in
het bijzonder de “instanties van bemiddelaars en van opleiding
in bemiddeling”.
Als het de bedoeling is dat de raad in te winnen van de
“instanties voor de opleiding van bemiddelaars” die door de
Federale bemiddelingscommissie erkend zijn krachtens arti‑
kel 1727, § 2, 1°, dient verwezen te worden naar de “instanties
voor de opleiding van bemiddelaars” waarvan in voornoemd
artikel 1727, § 2, 1°, sprake is, in plaats van naar de “instan‑
ties (…) van opleiders in bemiddeling”.
Als het de bedoeling is ook de raad van “instanties van
bemiddelaars” in te winnen, zoals de memorie van toelich‑
ting lijkt te bevestigen, moet gepreciseerd worden om welke
instanties het gaat.
Afin de respecter le principe de légalité en matière pénale, il
conviendrait d’identifier avec plus de précision – et spécialement
pour ce qui concerne la loi du 18 septembre 2017 ‘relative à la
prévention du blanchiment de capitaux et du financement du
terrorisme et à la limitation de l’utilisation des espèces’ –, les
dispositions devant être respectées pour pouvoir bénéficier
de la cause d’excuse absolutoire.
5. Dans la version française, le mot “restent” sera remplacé
par le mot “sont”.
Article 28
1. Afin d’assurer une transposition correcte de l’article 6,
paragraphe 1, de la directive (UE) 2018/1673, l’article 505ter,
1°, en projet du Code pénal sera complété par le mot “ou”
après les mot et signe “professionnelles;”.
2. À l’article 505ter, 1°, en projet, la précision selon laquelle
l’entité assujettie doit être “établie en Belgique, dans un autre
pays de l’Espace économique européen ou dans un pays tiers
qui impose des obligations équivalentes à celles prévues par la
directive précitée” ne figure pas dans l’article 6, paragraphe 1,
de la directive (UE) 2018/1673 que l’article 505ter en projet
entend transposer.
Le commentaire de l’article sera par conséquent utile‑
ment complété sur ce point, afin d’expliciter les motifs pour
lesquels cette condition a été ajoutée alors que la directive
ne la prévoit pas.
Chapitre 5
Modifications du Code judiciaire
Article 31
Le 3° tend à compléter l’article 1727, § 2, 5°, du Code judi‑
ciaire par les mots “après une consultation avec les organismes
de médiateurs et de formateurs en médiation”.
Cet ajout est expliqué dans l’exposé des motifs par le
souci de consulter “les gens du terrain” pour l’élaboration
d’un code de déontologie, à savoir plus particulièrement “[l]
es organismes de médiateurs et de formation en médiation”.
Si l’intention est de consulter les “organes de formation des
médiateurs” qui font l’objet d’un agrément par la Commission
fédérale de médiation en vertu de l’article 1727, § 2, 1°, il y a
lieu de viser les “organes de formation des médiateurs” dont
il est question à l’article 1727, § 2, 1°, précité plutôt que les
“organismes de […] formateurs en médiation”.
Si l’intention est également de consulter des “organismes
de médiateurs”, comme semble le confirmer l’exposé des
motifs, il y a lieu de préciser de quels organismes il s’agit.
147
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikelen 32 en 34
Er dient bepaald te worden hoe de hoedanigheid van
“Nederlandstalige” of van “Franstalige” beoordeeld wordt voor
de toepassing van de ontworpen bepalingen.
Artikel 32
In plaats van vage formuleringen te gebruiken voor het
bepalen van de duur van de ambtstermijnen (“helft van de
ambtstermijn”, “gelijke (…) duur”), dient men een tijdschema vast
te stellen voor de procedure tot aanwijzing voor de mandaten
van voorzitter en ondervoorzitter en moet men de mandaten
verdelen naar gelang van de resterende tijd.
Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 34 en 35, 1°.
Artikel 35
De bepaling onder 5° strekt ertoe artikel 1727/5, § 5, van
het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met een zin waarin
bepaald wordt dat de tuchtbeslissingen van de commissie
voor de tuchtregeling en de klachtenbehandeling integraal of
gedeeltelijk gepubliceerd moeten worden op de website van
de Federale bemiddelingscommissie, met dien verstande dat
die beslissingen daartoe “geanonimiseerd” moeten worden.
Die maatregel wordt in de toelichting bij dat artikel gemoti‑
veerd door een doeleinde van transparantie en voorzienbaar‑
heid voor het gehele beroep van bemiddelaar.
Aangezien die verplichting tot publicatie voor werkelijk al
die beslissingen geldt, en ter waarborging van het recht op
eerbiediging van het privéleven van de betrokkenen zoals dat
verankerd is in artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dient ervoor
gezorgd te worden dat de anonimisering van de beslissingen
waartoe overgegaan zal worden aldus uitgevoerd wordt dat
de persoonsgegevens die in die beslissingen voorkomen, niet
meer aan een specifieke persoon gekoppeld kunnen worden
zonder daartoe aanvullende gegevens te gebruiken, en dit
naar het voorbeeld van hetgeen geïmpliceerd wordt door de
procedure van pseudonimisering zoals die gedefinieerd wordt
in artikel 4, punt 5), van verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/
EG (algemene verordening gegevensbescherming)’.
Artikel 4, punt 5), van die verordening luidt als volgt:
“‘pseudonimisering’: het verwerken van persoonsgegevens
op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet meer aan
een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder
dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits deze aan‑
vullende gegevens apart worden bewaard en technische en
organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te
zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde
of identificeerbare natuurlijke persoon worden gekoppeld.”
Articles 32 et 34
Il convient de déterminer comment s’apprécie la qualité
de “francophone” ou de “néerlandophone” pour l’application
des dispositions en projet.
Article 32
Plutôt que de recourir à des formules vagues pour définir
la durée des mandats (moitié du mandat, durée équivalente),
il convient de fixer un calendrier de procédure de désignation
des mandats de président et vice‑président et de répartir les
mandats en fonction du temps restant.
La même observation vaut pour les articles 34 et 35, 1°.
Article 35
Le 5° tend à compléter l’article 1727/5, § 5, du Code judiciaire
par une phrase prévoyant la publication intégrale ou partielle
des décisions disciplinaires rendues par la commission de
discipline et de traitement des plaintes sur le site internet de
la Commission fédérale de médiation, ces décisions devant
être “rendues anonymes” à cet effet.
Le commentaire de l’article justifie la mesure par un objec‑
tif de transparence et de prévisibilité pour l’ensemble de la
profession de médiateur.
En raison du caractère automatique de la publication et
afin d’assurer le droit au respect de la vie privée des per‑
sonnes concernées tel qu’il est consacré par l’article 22 de
la Constitution et l’article 8 de la Convention européenne des
droits de l’homme, il y a lieu de s’assurer que l’anonymisation
des décisions à laquelle il sera procédé soit opérée de telle
façon que les données à caractère personnel qui apparaissent
dans ces décisions ne puissent plus être attribuées à une
personne précise sans avoir recours à des informations
supplémentaires, à l’instar de ce qu’implique la procédure
de pseudonymisation telle qu’elle est définie par l’article 4,
point 5), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen
et du Conseil du 27 avril 2016 ‘relatif à la protection des
personnes physiques à l’égard du traitement des données à
caractère personnel et à la libre circulation de ces données,
et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la
protection des données)’.
L’article 4, point 5), de ce règlement dispose comme suit:
“‘pseudonymisation’, le traitement de données à caractère
personnel de telle façon que celles-ci ne puissent plus être
attribuées à une personne concernée précise sans avoir
recours à des informations supplémentaires, pour autant
que ces informations supplémentaires soient conservées
séparément et soumises à des mesures techniques et orga‑
nisationnelles afin de garantir que les données à caractère
personnel ne sont pas attribuées à une personne physique
identifiée ou identifiable”.
2774/001
DOC 55
148
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Op die voorwaarde kan die maatregel aanvaard worden in
het licht van voornoemd grondrecht.
Hoofdstuk 6
Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling
van een Rijksregister van de natuurlijke personen
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 7
Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit
Artikel 38
In de Franse tekst van de eerste zin van het nieuwe lid van
het ontworpen artikel 10, § 1, van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit (artikel 38, 3°, van het voorontwerp) dienen de
woorden “du lieu” ingevoegd te worden tussen de woorden
“l’état civil” en de woorden “de naissance”, waardoor die tekst
precies zal overeenstemmen met de Nederlandse tekst.
Hoofdstuk 8
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Artikel 43
1. De verplichting waarin het ontworpen artikel 4.59, § 2,
vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek voorziet betreffende de
inschrijving van de akten en attesten van erfopvolging in het
centraal erfrechtregister, wordt ook voorgeschreven door het
ontworpen artikel 4 126 van het Burgerlijk Wetboek, dat een
opsomming geeft van alle akten die in dat register moeten
worden ingeschreven.
Met het oog op de rechtszekerheid zou het dan ook beter
zijn om ofwel dat lid te schrappen, ofwel aan te geven dat
die verplichting tot inschrijving geldt “overeenkomstig arti‑
kel 4 126, 1°”.
2. Het ontworpen artikel 4.59, § 7, 5°, van het Burgerlijk
Wetboek voorziet in een delegatie van verordenende bevoegd‑
heid aan de minister van Financiën. Krachtens de grondwet‑
telijke beginselen inzake de uitoefening der machten staat
het echter niet aan de wetgever om rechtstreeks aan een
minister bevoegdheden toe te kennen die normaal aan de
Koning toekomen. Het is weliswaar niet onverenigbaar met
die beginselen om aan een minister bevoegdheden inzake
bijkomstige of detailkwesties te delegeren maar in dat geval
staat het niettemin in beginsel aan de Koning, en niet aan de
wetgever, om een dergelijke delegatie te verlenen. Indien de
wetgever zulke bevoegdheden rechtstreeks aan een minister
C’est à cette condition que la mesure peut être admise au
regard du droit fondamental précité.
Chapitre 6
Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un
registre national des personnes physiques
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 7
Modification du Code de la nationalité belge
Article 38
Dans la version française de la première phrase de l’ali‑
néa nouveau de l’article 10, § 1er, en projet du Code de la
nationalité belge (article 38, 3°, de l’avant‑projet), il y a lieu
d’insérer les mots “du lieu” entre les mots “l’état civil” et les
mots “de naissance”, ce qui assurera une exacte concordance
avec la version néerlandaise du texte.
Chapitre 8
Modifications du Code civil
Article 43
1. L’obligation prévue par l’article 4.59, § 2, alinéa 4, en
projet du Code civil concernant l’inscription des actes et
certificats d’hérédité au sein du registre central successoral
est également prévue par l’article 4 126 en projet du Code
civil, qui liste l’ensemble des actes qui doivent être inscrits
au sein dudit registre.
Dans un souci de sécurité juridique, il serait donc préférable
soit de supprimer cet alinéa, soit de préciser que cette obliga‑
tion d’inscription s’impose “conformément à l’article 4 126, 1°”.
2. L’article 4.59, § 7, 5°, en projet du Code civil prévoit une
délégation réglementaire de compétence en faveur du ministre
des Finances. Or, en vertu des principes constitutionnels relatifs
à l’exercice des pouvoirs, il n’appartient pas à la loi d’attribuer
directement à un ministre des pouvoirs qui reviennent nor‑
malement au Roi. Certes, il n’est pas incompatible avec ces
principes de conférer à un ministre une délégation de pouvoirs
d’ordre accessoire ou secondaire mais il n’en demeure pas
moins qu’il appartient alors, en principe, au Roi et non au
législateur, d’octroyer pareille délégation. En effet, l’octroi
par le législateur d’une délégation directe de tels pouvoirs à
un ministre signifierait que le législateur empiéterait sur une
149
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
delegeert, zou dat namelijk betekenen dat de wetgever zich
een prerogatief toe-eigent dat toekomt aan de Koning als
hoofd van de federale uitvoerende macht.12
Artikel 45
1. In de Franse tekst van artikel 45, e), dient de tekst die in
het dispositief ingevoegd wordt ook een komma te bevatten,
zodat het dispositief als volgt luidt:
“du bureau compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat
d’hérédité,”.
2. Met het oog op de rechtszekerheid zou artikel 4 125, 1°,
van het Burgerlijk Wetboek aldus aangevuld moeten worden dat
daarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat een van de doeleinden
van het centraal erfrechtregister er ook in bestaat de raadple‑
ging van de identiteit van de erfgenamen en de mededeling
ervan aan derden mogelijk te maken.
Hoofdstuk 9
Wijzigingen van het wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken.
Hoofdstuk 10
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen,
de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de
bescherming van de spelers
Artikel 57
In verband met het feit dat in de wet van 7 mei 1999 nieuwe
verwerkingen van persoonsgegevens voorgeschreven worden,
namelijk het nemen en het bewaren van een foto van de speler
die een speelzaal van een kansspelinrichting van de klassen I
of II of een vaste kansspelinrichting van klasse IV binnengaat,
heeft de gemachtigde van de minister het volgende gesteld:
“La modification vise aussi à suivre l’avis 70.926/4 du
Conseil d’État du 28 février 2022 dans lequel il est précisé
que la ‘prise d’image’ d’un joueur constitue un traitement de
données à caractère personnel. Or, l’article 62, alinéa 1er,
de la loi du 7 mai 1999 dispose de manière exhaustive que
doivent être inscrits par l’exploitant dans le registre les ‘nom
12
Zie ook Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor
het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, www.
raadvst-consetat.be, tab “Wetgevingstechniek”, aanbeveling 7.3:
“Het komt (…) de wetgever niet toe om zich te mengen in de
interne organisatie van de uitvoerende macht en de regeling van
een aangelegenheid rechtstreeks aan een minister op te dragen.
Alleen de Koning of een Gemeenschaps- of een Gewestregering
kan een dergelijke delegatie uitvaardigen.”
prérogative qui revient au Roi en tant que chef du pouvoir
exécutif fédéral12.
Article 45
1. À l’article 45, e), de la version française, il convient
d’ajouter une virgule aux mots qui sont ajoutés au dispositif
en manière telle qu’ils se présentent comme suit:
“du bureau compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat
d’hérédité,”.
2. Dans un souci de sécurité juridique, il conviendrait de
compléter l’article 4 125, 1°, du Code civil afin de prévoir
explicitement que l’une des finalités du registre central suc‑
cessoral sera également de permettre la consultation et la
communication aux tiers de l’identité des héritiers.
Chapitre 9
Modifications du Code du recouvrement amiable et
forcé des créances fiscales et non fiscales
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 10
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de
hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs
Article 57
S’agissant de prévoir dans la loi du 7 mai 1999 de nouveaux
traitements de données à caractère personnel que sont la prise
et la conservation d’une photographie du joueur accédant
aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des
classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV, le délégué du ministre a précisé ce qui suit:
“La modification vise aussi à suivre l’avis 70.926/4 du
Conseil d’État du 28 février 2022 dans lequel il est précisé
que la ‘prise d’image’ d’un joueur constitue un traitement de
données à caractère personnel. Or, l’article 62, alinéa 1er,
de la loi du 7 mai 1999 dispose de manière exhaustive que
doivent être inscrits par l’exploitant dans le registre les ‘nom
12
Voir également Principes de technique législative - Guide
de rédaction des textes législatifs et réglementaires,
www.raadvst-consetat.be, onglet “Technique législative”,
recommandation n° 7.3:” […] il ne revient pas au législateur de
s’immiscer dans l’organisation interne du pouvoir exécutif et de
confier le règlement d’une matière directement à un ministre.
Seul le Roi ou un gouvernement de Communauté ou de Région
peut accorder une telle délégation”.
2774/001
DOC 55
150
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance,
profession et […] l’adresse’ de la personne voulant accéder
à un établissement de classe I, II ou aux établissements de
jeux de hasard fixes de classe IV.
Conformément à la jurisprudence rappelée ci-dessus et
compte tenu de ce que l’habilitation donnée au Roi ne peut
s’interpréter comme l’autorisant à prévoir l’inscription dans le
registre de données supplémentaires à celles que l’article 62
de la loi du 7 mai 1999 énonce, il n’est pas au pouvoir du Roi
de prévoir un nouveau traitement de données à caractère
personnel portant, aux termes du projet à l’examen, sur la
prise d’image.”
De enige bedoeling van de opmerking uit advies 70.926/4
die door de gemachtigde van de minister aldus in herinnering
gebracht wordt,13 bestaat erin te wijzen op het legaliteitsbe‑
ginsel dat geldt voor verwerkingen van persoonsgegevens.
De opname van de verwerking van persoonsgegevens,
die bestaat in het “nemen van een afbeelding” en het bewa‑
ren ervan in het toegangsregister, in de wet van 7 mei 1999,
heeft tot doel ervoor te zorgen dat die gegevensverwerking
in overeenstemming is met het legaliteitsbeginsel.
Er dient evenwel op gewezen te worden dat de afdeling
Wetgeving in haar advies 68.936/AV van 7 april 2021 over
een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 14 augustus
2021 ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tij‑
dens een epidemische noodsituatie’14 de volgende opmerking
gemaakt heeft:
“b) Artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM
100. Artikel 6 van het voorliggende voorontwerp handelt
over de verwerking van persoonsgegevens welke verwerking
een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het
privéleven van de betrokkenen, een recht dat inzonderheid
wordt gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en bij
artikel 8 van het EVRM.
Om in het licht van de voornoemde bepalingen aanvaard‑
baar te zijn, moet de inmenging in het recht op eerbiediging
van het privéleven worden geformuleerd in duidelijke en vol‑
doende nauwkeurige bewoordingen die het mogelijk maken
de gevallen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke
inmenging toestaat.
Elke inmenging in het recht op eerbiediging van het privé‑
leven moet bovendien steunen op een objectieve en redelijke
verantwoording en bijgevolg evenredig zijn met de door de
13
Advies 70.926/4 van 28 februari 2022 over een ontwerp dat geleid
heeft tot het koninklijk besluit van 20 maart 2022 ‘tot wijziging van
twee koninklijke besluiten van 15 december 2004 met betrekking
tot het EPIS‑systeem en het toegangsregister’, http://www.raadvst
-consetat.be/dbx/adviezen/70926.pdf.
14
Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 55-1951/001, 55-127, http://www
.raadvst-consetat.be/dbx/adviezen/68936.pdf.
complet, prénoms, date de naissance, lieu de naissance,
profession et […] l’adresse’ de la personne voulant accéder
à un établissement de classe I, II ou aux établissements de
jeux de hasard fixes de classe IV.
Conformément à la jurisprudence rappelée ci-dessus et
compte tenu de ce que l’habilitation donnée au Roi ne peut
s’interpréter comme l’autorisant à prévoir l’inscription dans le
registre de données supplémentaires à celles que l’article 62
de la loi du 7 mai 1999 énonce, il n’est pas au pouvoir du Roi
de prévoir un nouveau traitement de données à caractère
personnel portant, aux termes du projet à l’examen, sur la
prise d’image”.
L’observation de l’avis n° 70.926/413 ainsi rappelée par le
délégué du ministre n’a pour seul objet que de rappeler le
principe de légalité qui s’attache aux traitements de données
à caractère personnel.
L’insertion dans la loi du 7 mai 1999 du traitement des
données à caractère personnel que sont la prise d’image et
la conservation de celle‑ci dans le registre d’accès, vise à
assurer la conformité de ce traitement au principe de légalité.
Toutefois, il y a lieu de rappeler que dans son avis n° 68.936/
AG donné le 7 avril 2021 sur un avant-projet devenu la loi du
14 aout 2021 ‘relative aux mesures de police administrative
lors d’une situation d’urgence épidémique’14, la section de
législation a également observé ce qui suit:
“b) Article 22 de la Constitution et article 8 de la CEDH
100. L’article 6 de l’avant-projet à l’examen envisage des
traitements de données à caractère personnel qui constituent
des ingérences dans le droit au respect de la vie privée des
personnes concernées, garanti notamment par l’article 22 de
la Constitution et l’article 8 de la CEDH.
Pour être admissible au regard des dispositions précitées,
l’ingérence dans l’exercice du droit au respect de la vie privée
doit être définie en des termes clairs et suffisamment précis qui
permettent d’appréhender de manière prévisible les hypothèses
dans lesquelles le législateur autorise une pareille ingérence.
Toute ingérence dans le droit au respect de la vie privée
doit, en outre, reposer sur une justification objective et rai‑
sonnable et, par conséquent, être proportionnée aux buts
13
Avis n° 70.926/4 donné le 28 février 2022 sur un projet devenu
l’arrêté royal du 20 mars 2022 ‘modifiant deux arrêtés royaux
du 15 décembre 2004 en ce qui concerne le système EPIS et le
registre d’accès’, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis/70926
.pdf.
14
Doc. parl., Chambre, 2020-2021, n° 55-1951/1, pp. 55 à 127,
http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis/68936.pdf.
151
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wetgever nagestreefde doelstellingen.15 Hoewel de inmengin‑
gen waarin het voorliggende voorontwerp van wet voorziet
een legitiem doel nastreven, namelijk de bescherming van de
gezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden
van anderen16, dient nagegaan te worden of aan de vereisten
van wettelijkheid, relevantie en evenredigheid wordt voldaan.”
Bijgevolg moet niet alleen het legaliteitsbeginsel in acht
genomen worden, maar moet ook de legitimiteit aangetoond
worden van het doel dat met de gegevensverwerking nage‑
streefd wordt en moet nagegaan worden of aan de vereisten
van relevantie en proportionaliteit van de beoogde maatregel
voldaan is.
Voor de verwerking van persoonsgegevens die in het
ontworpen artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999
in het vooruitzicht gesteld wordt, wordt de volgende reden
opgegeven in de toelichting bij artikel 57 van het voorontwerp
dat die wijziging invoegt:
“De foto van de spelers wordt aan de lijst toegevoegd. De
foto van de speler is immers vereist om enige identiteitsfraude
te voorkomen. De foto’s zijn ook zeer nuttig voor de politie
(als bewijs in onderzoeken of ter informatie, aangezien het
recente foto’s van personen betreft).”
Over de voorgenomen wetswijziging heeft de gemachtigde
van de minister voorts het volgende gesteld:
“Les dispositions en projet s’inscrivent dans la perspective
du renforcement de la protection des joueurs et partant, de
la santé publique. La photographie est un moyen efficace
supplémentaire d’identifier un joueur, en plus des données
d’identification déjà requises par la loi sur les jeux de hasard
pour renforcer la protection des joueurs.”
De bescherming van de spelers is inderdaad een legitiem
doel. Maar het nemen en het bewaren van een afbeelding
moeten beschouwd worden in het perspectief van het doel
waarom het toegangsregister bijgehouden wordt en dat als
volgt beschreven wordt in het ontworpen artikel 62, tweede
lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 57, 2°,
van het voorontwerp:
15
Voetnoot 172 van het geciteerde advies: Adv.RvS 63.192/2
van 19 april 2018 over een voorontwerp dat heeft geleid tot
de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende de bescherming van
natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van
persoonsgegevens’, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3126/001,
402-456, http://www.raadvst‑consetat.be/dbx/adviezen/63192
.pdf; adv.RvS 63.202/2 van 26 april 2018 over een voorontwerp
dat heeft geleid tot de wet van 5 september 2018 ‘tot oprichting
van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse
wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679
van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband
met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/
EG’, Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3185/001, 120-145, http://
www.raadvst‑consetat.be/dbx/adviezen/63202.pdf.
16
Voetnoot 173 van het geciteerde advies: Artikel 8, § 2, EVRM.
poursuivis par le législateur15. Si les ingérences prévues par
l’avant-projet de loi à l’examen poursuivent un objectif légitime,
à savoir la protection de la santé ainsi que la protection des
droits et libertés d’autrui16, il convient de vérifier le respect des
exigences de légalité, de pertinence et de proportionnalité”.
Partant, outre le respect du principe de légalité, il faut encore
que la légitimité de l’objectif poursuivi par le traitement soit
établie et que le respect des exigences de pertinence et de
proportionnalité de la mesure envisagée soit vérifié.
Le traitement de données à caractère personnel envisagé
à l’article 62, alinéa 1er, en projet de la loi du 7 mai 1999, est
justifié comme suit dans le commentaire de l’article 57 de
l’avant‑projet, qui insère cette modification:
“La photographie des joueurs est ajouté à la liste. En effet,
la photo du joueur est requise pour éviter toute fraude d’iden‑
tité. Les photos sont aussi très utiles pour la police (comme
preuve dans les enquêtes ou comme information car il s’agit
de photos récentes de personnes)”.
Le délégué du ministre a ajouté ce qui suit à propos de la
modification législative envisagée:
“Les dispositions en projet s’inscrivent dans la perspective
du renforcement de la protection des joueurs et partant, de
la santé publique. La photographie est un moyen efficace
supplémentaire d’identifier un joueur, en plus des données
d’identification déjà requises par la loi sur les jeux de hasard
pour renforcer la protection des joueurs”.
L’objectif de protection des joueurs est effectivement légitime.
Cependant, la prise d’image et sa conservation doivent être
mises en perspective avec la finalité de la tenue du registre
d’accès, qui est décrite comme suit à l’article 62, alinéa 2,
en projet, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 57, 2°,
de l’avant‑projet:
15
Note de bas de page n° 172 de l’avis cité: Avis C.E. n° 63.192/2
donné le 19 avril 2018 sur un avant‑projet devenu la loi du
30 juillet 2018 ‘relative à la protection des personnes physiques
à l’égard des traitements de données à caractère personnel’,
Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 54‑3126/001, pp. 402 à 456,
http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis/63192.pdf; avis C.E.
n° 63.202/2 donné le 26 avril 2018 sur l’avant‑projet devenu
la loi du 5 septembre 2018 ‘instituant le comité de sécurité de
l’information et modifiant diverses lois concernant la mise en œuvre
du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil
du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à
l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la
libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/
CE’, Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 54‑3185/001, pp. 120 à
145, http://www.raadvst-consetat.be/dbx/avis/63202.pdf.
16
Note de bas de page n° 173 de l’avis cité: Article 8, § 2, de la
CEDH.
2774/001
DOC 55
152
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“De doelstelling van dit register is de commissie in staat
te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen van het
systeem van informatieverwerking, bedoeld in artikel 55, wel
degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kans‑
spelinrichtingen klasse I, II of een vaste kansspelinrichting
klasse IV bezoeken.”
Overigens heeft de gemachtigde van de minister het vol‑
gende bevestigd: “La finalité du traitement est de vérifier si
EPIS a bien été consulté.”
Op de vraag of de wetgever met de vermelding, in de toe‑
lichting bij artikel 57, dat het ook voor de politie zeer nuttig is
dat foto’s genomen worden, de bedoeling heeft dat de politie
een foto die bij het binnengaan van een inrichting van klasse I
of II of van een vaste inrichting van klasse IV genomen is, zou
mogen gebruiken in het kader van een onderzoek dat geen
verband houdt met de naleving van de bepalingen inzake
kansspelen, heeft de gemachtigde van de minister evenwel
geantwoord dat “[à] priori, cela pourrait être le cas”.
Uit dat antwoord vloeit voort dat de persoonsgegevens
die volgens artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999
verwerkt kunnen worden, gebruikt zouden kunnen worden
in het kader van politieonderzoeken die geen enkel verband
zouden houden met het legitiem doel van bescherming van
de spelers. Gelet op de voorgaande toelichtingen volgt daaruit
dat het nemen en het bewaren van een foto andere doelen
dienen dan de bescherming van de spelers, die daarvoor
grond zou moeten opleveren.
Bovendien zou het bewaren van de genomen foto andere
doelen kunnen dienen dan de doelstelling waarvan sprake
is in het ontworpen artikel 62, tweede lid, van de wet van
7 mei 1999.
Ook al moet het advies van de Gegevens-bescherming-
sautoriteit over artikel 57 van het voorontwerp nog uitgebracht
worden, men dient zich op dat punt overigens te baseren op
advies 178/2021 dat de Gegevensbeschermingsautoriteit op
4 oktober 2021 gegeven heeft17 over het ontwerp18 dat geleid
heeft tot het koninklijk besluit van 20 maart 2022 ‘tot wijziging
van twee koninklijke besluiten van 15 december 2004 met
betrekking tot het EPIS‑systeem en het toegangsregister’.
Dat advies bevat de volgende opmerkingen:
“Nemen van de afbeelding van alle spelers die de speelzalen
betreden en bewaring ervan in het toegangsregister
25. Aangaande de verplichting om een ‘afbeelding’19 te
nemen van de spelers bij elk bezoek aan een kansspelinrich‑
ting en om die afbeelding te bewaren in het toegangsregister,
17
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/
advies-nr.-178-2021.pdf
18
Zoals hierboven is aangegeven, voorzag dat ontwerp in het nemen
van een afbeelding van de spelers en in de bewaring daarvan in
het toegangsregister.
19
Voetnoot 13 van het geciteerde advies: Volgens de aanvullende
informatie gaat het om een foto die de exploitant van de speelzaal
moet nemen van de speler. Met het oog op de voorzienbaarheid
verdient de term ‘foto’ de voorkeur boven de term ‘afbeelding’.
“La finalité de ce registre est de permettre à la commis‑
sion de vérifier à postériori si les consultations du système
de traitement des informations visé à l’article 55 ont bien été
réalisées sur les joueurs qui fréquentent les établissements
de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de
jeux de hasard fixe de classe IV”.
Le délégué du ministre confirme, du reste, que “la finalité
du traitement est de vérifier si EPIS a bien été consulté”.
Or, à la question de savoir si par le fait d’indiquer dans le
commentaire de l’article 57 que la prise d’une photographie
est aussi très utile pour la police, le législateur entend que
cette dernière pourrait utiliser une photographie prise lors de
l’accès à un établissement de classe I, II ou fixe de classe IV,
dans le cadre d’une enquête qui n’aurait pas de lien avec le
respect des dispositions applicables en matière de jeux de
hasard, le délégué du ministre a indiqué qu’” [à] priori, cela
pourrait être le cas”.
Il découle de cette dernière réponse que les données à
caractère personnel dont les traitements sont envisagés à
l’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999, pourraient être
utilisées dans le cadre d’enquêtes de police qui seraient
sans lien avec l’objectif légitime de protection des joueurs.
Il s’ensuit, compte tenu des explications qui précèdent, que
la prise d’une photographie et sa conservation poursuivent
d’autres objectifs que celui de protection des joueurs qui est
supposé les justifier.
En outre, la conservation de la photographie prise pour‑
rait servir à d’autres finalités que celle décrite à l’article 62,
alinéa 2, en projet, de la loi du 7 mai 1999.
Par ailleurs, si l’avis de l’Autorité de protection des don‑
nées sur l’article 57 de l’avant-projet doit encore être rendu, il
convient toutefois de se référer sur ce point à l’avis de l’Auto‑
rité de protection des données 178/2021 donné le 4 octobre
202117 sur le projet18 devenu l’arrêté royal du 20 mars 2022
‘modifiant deux arrêtés royaux du 15 décembre 2004 en ce
qui concerne le système EPIS et le registre d’accès’, lequel
contient les remarques suivantes:
“Collecte de l’image de tous les joueurs accédant aux salles
de jeux et insertion dans le registre d’accès
25. Quant à l’obligation de collecter ‘l’image’19 des joueurs
lors de chacune de leur visite d’un établissement de jeux
de hasard et de la conserver au sein du registre d’accès,
17
https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n
-178-2021.pdf.
18
Lequel, comme indiqué ci-dessus, prévoyait la prise d’image des
joueurs et la conservation de celle-ci dans le registre d’accès.
19
Note de bas de page n° 13 de l’avis cité: Il s’agit selon les
informations complémentaires de la prise de photo du joueur
par l’exploitant de la salle de jeux. À des fins de [prévisibilité], il
convient de viser la prise de photographie en lieu et place de la
prise d’image.
153
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vraagt de Autoriteit zich af of een dergelijke verwerking van
persoonsgegevens rechtmatig en evenredig is.
26. Op de vraag van de Autoriteit in dit verband antwoordde
de afgevaardigde van de minister als volgt: “Het nemen van
een foto van de speler bij elk bezoek vervangt de handteke‑
ning van de speler. Het nemen van een foto als bewijs van
identificatie is efficiënt en niet voor vervalsing vatbaar, in
tegenstelling tot het plaatsen van een handtekening. Door
het nemen van een foto verklaart de speler zich daarenboven
akkoord om de kansspelinrichting onder de wettelijke voor‑
waarden te betreden, en dit op een snelle, doeltreffende en
milieuvriendelijke manier, doordat niet langer bij elk bezoek
een document moet worden afgedrukt waarop de speler zijn
handtekening dient te plaatsen.”
27. De Autoriteit merkt evenwel op dat de toestemming
van de speler geen rechtmatige grond is voor een dergelijke
verwerking van de persoonsgegevens van de spelers20. Een
dergelijke verwerking kan enkel worden gerechtvaardigd
door een wettelijke verplichting die op de exploitanten rust
(art. 6.1.c AVG). (…)
28. Volledigheidshalve merkt de Autoriteit bovendien op
dat uit de motivatie van de afgevaardigde van de minister
kan worden afgeleid dat het doel van de verplichte bewaring
van de foto van de spelers in het toegangsregister van de
speelzalen erin bestaat om de bewaring op te leggen van
niet voor vervalsing vatbare gegevens aan de hand waarvan
de meerderjarige spelers die de speelzalen betreden kunnen
worden geauthentificeerd, om na te gaan of de exploitanten
geen (al dan niet opzettelijke) fouten omtrent de persoon
hebben gemaakt tijdens de verplichte toegangscontrole van
de speelzalen. Enerzijds is het bewaren van een foto van de
betrokkene geen garantie om dat doel te bereiken, aangezien
personen op elkaar kunnen lijken. Anderzijds is het zo dat als
de foto van de spelers wordt verwerkt volgens een specifieke
techniek die hun identificatie en authenticatie mogelijk maakt,
artikel 9.2.g van de AVG bepaalt dat de verwerking van der‑
gelijke biometrische gegevens moet worden gerechtvaardigd
door redenen van zwaarwegend algemeen belang en moet
worden omkaderd door een norm waarbij de evenredigheid
met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke
inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens
wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen
worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de
fundamentele belangen van de betrokkenen. In dit verband
zou een technologische oplossing gebaseerd op het gebruik
van de elektronische authenticatiemodule van de identiteits‑
kaart een meer evenredige optie zijn die minder inmenging
genereert in het recht op bescherming van persoonsgegevens
van de spelers, maar het door de auteur van het ontwerp
vooropgestelde doel bereikt (zie verder).”
Daaruit vloeit voort dat de maatregel die erin bestaat van
een speler een foto te nemen en die foto bij te houden, zoals
die in het vooruitzicht gesteld wordt in artikel 57, 1°, van het
20
Voetnoot 14 van het geciteerde advies: aangezien deze
toestemming in toepassing van artikelen 4.11 en 7 van de AVG
vrij moet zijn; dit impliceert dat ze niet aan voorwaarden mag
worden gebonden.
l’Autorité s’interroge sur la légitimité et la proportionnalité d’un
tel traitement de données à caractère personnel.
26. Interrogée à ce sujet, la déléguée du ministre a répondu
que ‘Het nemen van een foto van de speler bij elk bezoek
vervangt de handtekening van de speler. Het nemen van
een foto als bewijs van identificatie is efficiënt en niet voor
vervalsing vatbaar, in tegenstelling tot het plaatsen van een
handtekening. Door het nemen van een foto verklaart de speler
zich daarenboven akkoord om de kansspelinrichting onder
de wettelijke voorwaarden te betreden, en dit op een snelle,
doeltreffende en milieuvriendelijke manier, doordat niet langer
bij elk bezoek een document moet worden afgedrukt waarop
de speler zijn handtekening dient te plaatsen.’
27. Tout d’abord, à ce sujet, l’Autorité relève que le consen‑
tement ne peut être la base de légitimité d’un tel traitement
de données à caractère personnel des joueurs20. La légitimité
d’un tel traitement ne peut que résulter d’une obligation légale
imposée aux exploitants (art. 6.1.c RGPD). […].
28. De plus, par souci d’exhaustivité, l’Autorité relève de
la motivation de la déléguée du ministre que le but recherché
par l’insertion obligatoire de la photo des joueurs dans le
registre d’accès aux salles de jeux est d’imposer la conser‑
vation de données infalsifiables permettant d’authentifier les
joueurs majeurs qui accèdent aux salles de jeux pour vérifier
qu’aucune erreur (intentionnelle ou non) sur la personne ne soit
intervenue lors des opérations de contrôle d’accès aux salles
de jeux que les exploitants doivent réaliser. Or, d’une part, la
photographie d’une personne ne permet pas nécessairement
d’atteindre ce but au vu du risque de ressemblance entre les
personnes. D’autre part, si la photographie des joueurs sera
traitée selon un mode technique spécifique permettant leur
identification et authentification unique, l’article 9.2.g du RGPD
impose que le traitement de ce type de données biométriques
soit justifié par des motifs d’intérêt public important et soit
encadré par le biais d’une norme proportionnée à l’objectif
poursuivi, respectant l’essence du droit à la protection des
données et prévoyant des mesures appropriées et spécifiques
pour la sauvegarde des droits fondamentaux et des intérêts
des personnes concernées. À cet égard, une solution tech‑
nologique basée sur l’utilisation du module d’authentification
électronique de la carte d’identité constituerait une option plus
proportionnée générant une ingérence plus faible dans le droit
à la protection des données des joueurs tout en atteignant le
but souhaité par l’auteur du projet (cf. infra)”.
Il en résulte que la mesure qui consiste à prendre et conser‑
ver la photographie d’un joueur, qui est celle envisagée à
l’article 57, 1°, de l’avant-projet, telle qu’éclairée par l’exposé des
20
Note de bas de page n° 14 de l’avis cité: étant donné qu’il doit en
application des articles 4.11 et 7 RGPD être libre; ce qui implique
qu’il ne peut être conditionné.
2774/001
DOC 55
154
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voorontwerp en verduidelijkt wordt in de memorie van toe‑
lichting en in de uitleg van de gemachtigde van de minister,
enerzijds niet uitsluitend het legitiem doel inzake bescherming
van de spelers lijkt na te streven, maar ook een niet nader
gedefinieerd doel nastreeft inzake bestraffing van overtre‑
dingen. Anderzijds lijkt die maatregel, om de redenen die de
Gegevensbeschermingsautoriteit in haar advies 178/2021
opgegeven heeft, niet in verhouding tot dat doel te staan.
Hoofdstuk 11
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende
de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de
internationale straftribunalen
Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken.
Hoofdstuk 12
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de
externe rechtspositie van de veroordeelden tot een
vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
1.1.
Artikel 157, vierde lid, van de Grondwet bepaalt dat
er strafuitvoeringsrechtbanken zijn. De wet wijst de plaatsen
aan voor die strafuitvoeringsrechtbanken en regelt hun orga‑
nisatie, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming
en de duur van het ambt van hun leden.
Door aan de wetgever de opdracht te geven de bevoegd‑
heid van de strafuitvoeringsrechtbanken te regelen, verleent
de grondwetgever een ruime bevoegdheid ter zake aan de
wetgever.
Uit de parlementaire voorbereiding bij de invoering van
het vierde lid in artikel 157 bij de grondwetsherziening van
17 december 2002 kan afgeleid worden dat de grondwetgever
zich wilde richten naar de aanbeveling in het rapport van de
parlementaire onderzoekscommissie Dutroux c.s. die luidde
dat een strafuitvoeringsrechtbank zal moeten “beslissen over
alle modaliteiten en aspecten van de strafuitvoering, met in‑
begrip van de voorwaardelijke invrijheidstelling (Gedr. Stuk,
Kamer, nr. 713/6, 1996-1997, blz. 183).”21-22 De minister van
Justitie verduidelijkt in die parlementaire voorbereiding ook
dat de wijziging van de Grondwet nodig is om te voldoen aan
het vereiste dat de rechtbanken “zich moeten uitspreken over
de maatregelen die de aard en de duur van de opgelegde
straf wijzigen”.23
21
Zie verklarende nota bij het voorstel van de regering tot herziening
van artikel 157 van de Grondwet, Parl.St. Senaat 2000-01,
nr. 2-697/1, 3, en het Verslag namens de commissie voor de
herziening van de Grondwet en de hervorming der instellingen,
Parl.St. Kamer 2002-03, nr. 50-1914/3, 5.
22
Zie ook GwH 19 november 2020 nr. 147/2020, B.5.2.
23
Parl.Handelingen Senaat, 4 juli 2002, nr. 2-215/15.
motifs et les explications données par le délégué du ministre,
d’une part, n’apparait pas poursuivre exclusivement l’objectif
légitime de protection des joueurs mais poursuit également
un objectif de répression des infractions qui n’est pas préci‑
sément défini, et, d’autre part, pour les raisons indiquées par
l’Autorité de protection des données dans son avis 178/2021,
n’apparait pas proportionnée à cet objectif.
Chapitre 11
Modification de la loi du 29 mars 2004 concernant la
coopération avec la Cour pénale internationale et les
tribunaux pénaux internationaux
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 12
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une peine
privative de liberté et aux droits reconnus à la victime
dans le cadre des modalités d’exécution de la peine
1.1.
L’article 157, alinéa 4, de la Constitution prévoit qu’il
y a des tribunaux de l’application des peines. La loi détermine
les lieux de ces tribunaux de l’application des peines et règle
leur organisation, leurs attributions, ainsi que le mode de
nomination de leurs membres et la durée des fonctions de
ces derniers.
En confiant au législateur la mission de régler les attributions
des tribunaux de l’application des peines, le constituant lui
confère un large pouvoir en la matière.
Il peut se déduire des travaux préparatoires relatifs à
l’insertion d’un alinéa 4 dans l’article 157 lors de la révision
de la Constitution du 17 décembre 2002 que le constituant
entendait se conformer à la recommandation formulée dans
le rapport de la commission d’enquête parlementaire “Dutroux
et consorts”, qui énonçait qu’un tribunal de l’application des
peines devra “décider de tous les aspects et modalités de
l’application des peines, y compris la libération condition‑
nelle (Doc. parl., Chambre, n° 713/6, 1996-1997, p. 183)”21-22.
Lors de ces travaux préparatoires, le ministre de la Justice
a également précisé que la modifiation de la Constitution
est nécessaire pour satisfaire à l’exigence selon laquelle les
juridictions “doivent se prononcer sur les mesures modifiant
la nature et la durée de la peine infligée”23.
21
Voir la note explicative de la proposition du gouvernement de
révision de l’article 157 de la Constitution, Doc. parl., Sénat, 2000-
01, n° 2-697/1, p. 3, et le Rapport fait au nom de la Commission
de révision de la Constitution et de la réforme des institutions,
Doc. parl., Chambre, 2002-03, n° 50-1914/3, p. 5.
22
Voir également C.C., 19 novembre 2020, n° 147/2020, B.5.2.
23
Ann. parl., Sénat, 4 juillet 2002, n° 2-215/15.
155
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het Grondwettelijk Hof bevestigt dat “[o]vereenkomstig
artikel 40, tweede lid, van de Grondwet, (…) de uitvoerende
macht bevoegd [is] om uit te voeren wat de strafrechter heeft
beslist, onder voorbehoud van de aan de strafuitvoerings‑
rechtbank toegekende bevoegdheid wanneer het erom gaat
de aard of de duurtijd van de straf te wijzigen”.24
Aansluitend bij de reeds vermelde parlementaire voorberei‑
ding benadrukt het Grondwettelijk Hof ook dat de Grondwetgever
heeft gewild dat die rechtbanken bestaan uit “‘naast een voor‑
zitter-magistraat […] twee experten […] met een […] voldoende
terreinkennis […] inzake de mogelijkheden en beperkingen van
het gevangenissysteem, inzake de sociale kaart, inzake de
behandelingsmogelijkheden …’ (…), waarbij de multidiscipli‑
nariteit ‘een enorme verrijking én een bijkomende waarborg
naar de beveiliging van de maatschappij en een optimale
reclassering en reïntegratie van de veroordeelde [vormt]’”.25
1.2. Ter uitvoering van artikel 157, vierde lid, van de
Grondwet kwam de wet van 17 mei 2006 ‘houdende oprich‑
ting van strafuitvoeringsrechtbanken‘ tot stand. De wet van
17 mei 2006 ‘betreffende de externe rechtspositie van de
veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodali‑
teiten’ bepaalt de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechters
en de strafuitvoeringsrechtbanken.
Ten aanzien van het ontwerp dat leidde tot deze laatste
wet, stelt de memorie van toelichting:
“Het voorliggend ontwerp rationaliseert deze strafuitvoerings‑
modaliteiten [zijnde de halve vrijheid en de beperkte hechtenis]
door ze samen te voegen tot één strafuitvoeringsmodaliteit,
met name de beperkte detentie. De ratio van deze strafuitvoe‑
ringsmodaliteit verandert in het ontwerp niet en de beperkte
detentie kan aldus aan de veroordeelde worden toegekend om
professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen
die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen. Zo stelt
deze strafuitvoeringsmodaliteit de veroordeelde bijvoorbeeld
in de mogelijkheid om verder zijn werk te blijven uitoefenen,
de uitoefening van een professionele activiteit aan te vatten of
een opleiding verder te zetten of te beginnen. In het kader van
het principe van de beperking van de detentieschade vormt
deze strafuitvoeringsmodaliteit aldus een belangrijk gegeven.”26
1.3.
De artikelen 64 tot 81, 84-87, 89-93, 95, en 99-101 van
het voorontwerp strekken ertoe de strafuitvoeringsmodaliteit
beperkte detentie toe te vertrouwen aan de minister of zijn
gemachtigde en niet langer aan de strafuitvoeringsrechter of
-rechtbank.27
In het ontworpen artikel 9/4 (artikel 65 van het voorontwerp)
wordt de beperkte detentie gedefinieerd als “een wijze van
24
GwH 19 juli 2007, nr. 105/2007, B.7.3.
25
GwH 19 november 2020 nr. 147/2020, B.5.2.
26
Parl.St. Senaat 2004-05, nr. 3-1128/1, 20.
27
Dit geldt niet voor de beperkte detentie in artikel 59 van de
wet van 17 mei 2006 die bij wijze van uitzondering door de
strafuitvoeringsrechtbank kan worden toegekend en evenmin voor
de mogelijkheid om een beperkte detentie toe te kennen in het kader
van een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank
(artikelen 95/18 en 95/20 van de wet van 17 mei 2006).
La Cour constitutionnelle confirme que “[c]onformément
à l’article 40, alinéa 2, de la Constitution, le pouvoir exécutif
est compétent pour procéder à l’exécution de ce que le juge
pénal a décidé, sous réserve de la compétence attribuée au
tribunal de l’application des peines lorsqu’il s’agit de modifier
la nature ou la durée de la peine”24.
Faisant écho aux travaux préparatoires précités, la Cour
constitutionnelle souligne également que le constituant a
voulu que ces tribunaux comportent en leur sein, “‘à côté du
magistrat-président, deux experts ayant […] une connaissance
de terrain suffisante quant aux possibilités et aux limites du
système pénitentiaire en ce qui concerne la situation sociale,
les possibilités de traitement …’, la pluridisciplinarité constituant
‘un enrichissement énorme et une garantie supplémentaire
pour la protection de la société, la réinsertion et la réintégration
optimale du condamné’”25.
1.2. La loi du 17 mai 2006 ‘instaurant des tribunaux
de l’application des peines’ a été adoptée en exécution de
l’article 157, alinéa 4, de la Constitution. La loi du 17 mai 2006
‘relative au statut juridique externe des personnes condam‑
nées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus
à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la
peine’ détermine les attributions des juges de l’application
des peines et des tribunaux de l’application des peines.
L’exposé des motifs mentionne à l’égard du projet qui a
donné lieu à cette dernière loi:
“Le présent projet rationalise ces modalités d’exécution de
la peine [ à savoir la semi-liberté et la détention limitée] en
les fusionnant en une seule, à savoir la détention limitée. La
raison de cette modalité d’exécution de la peine ne change
pas dans le projet; la détention limitée peut ainsi être accordée
au condamné en vue de servir des intérêts professionnels,
familiaux ou de formation qui requièrent sa présence en dehors
de la prison. Ainsi, cette modalité d’exécution de la peine
permet, par exemple, au condamné de continuer à exercer
sa profession, de commencer à exercer une activité profes‑
sionnelle, de poursuivre ou d’entamer une formation. Dans le
cadre du principe de la limitation des effets préjudiciables de
la détention, cette modalité d’exécution de la peine est donc
un élément important”26.
1.3.
Les articles 64 à 81, 84-87, 89-93, 95, et 99-101 de
l’avant-projet ont pour objet de confier la modalité d’exécu‑
tion de la peine de la détention limitée au ministre ou à son
délégué et non plus au juge ou au tribunal de l’application
des peines27.
L’article 9/4 en projet (article 65 de l’avant-projet) définit la
détention limitée comme “un mode d’exécution de la peine
24
C.C., 19 juillet 2007, n° 105/2007, B.7.3.
25
C.C., 19 novembre 2020, n° 147/2020, B.5.2.
26
Doc. parl., Sénat, 2004-05, n° 3-1128/1, p. 20.
27
Cette règle se n’applique pas à la détention limitée prévue à
l’article 59 de la loi du 17 mai 2006 que le tribunal de l’application
des peines peut accorder à titre exceptionnel ni à la possibilité
d’accorder une détention limitée dans le cadre d’une mise à la
disposition du tribunal de l’application des peines (articles 95/18
et 95/20 de la loi du 17 mai 2006).
2774/001
DOC 55
156
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat
om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor
een bepaalde duur van maximum zestien uur per week” en
hem kan worden toegekend “om profesionele of opleidings-
belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de
gevangenis vereisen”.
Luidens de memorie van toelichting heeft deze bevoegd‑
heidsoverdracht betrekking op “de verbetering van de sociale
re-integratie van de veroordeelden met het oog op een vlottere
doorstroming van de veroordeelde gedetineerden” en is het
doel ervan “meer flexibiliteit te bieden bij het toekennen van
beperkte detenties”. Er wordt op gewezen dat de procedure
voor de toekenning van de beperkte detentie door de strafuit‑
voeringsrechtbank soms meerdere maanden in beslag neemt,
wat moeilijk te rijmen valt met een tewerkstellingsbelofte of de
aanvang van een opleiding. Anders gezegd, de continuïteit
van een cruciaal element in de sociale re-integratie, deze die
is gebaseerd op een tewerkstelling of een andere nuttige dag‑
besteding (via bijvoorbeeld een opleiding), wordt bemoeilijkt
omdat aansluitend op de inspanningen die de veroordeelde
geleverd heeft om de mogelijkheid tot deze dagbesteding te
verwerven, deze niet aansluitend kan omgezet worden in een
tewerkstelling/opleiding. Nog volgens de memorie van toelichting
leunt de modaliteit van de beperkte detentie bovendien “nau-
wer aan bij uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven”.
1.4.
De vraag rijst aldus of de beslissing tot het al dan niet
toekennen van de beperkte detentie geacht moet worden de
aard van de gevangenisstraf te veranderen. De wetgever be‑
schikt weliswaar over een beoordelingsvrijheid bij het vaststellen
of de beperkte detentie aldus kan worden gekwalificeerd. Er
moet daarbij evenwel worden vastgesteld dat de grondwet‑
gever uitging van het beginsel dat de beslissingen over “alle
modaliteiten en aspecten van de strafuitvoering” toekomen
aan de strafuitvoeringsrechtbanken. Daarenboven was de
wetgever in 2006 van oordeel dat de beperkte detentie een
wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf is die van die aard
is dat ze moet toekomen aan de strafuitvoeringsrechtbank.
Hoewel het niet uitgesloten is dat de wetgever terugkomt
op de kwalificatie die hij in 2006 heeft gegeven, blijft het
een feit dat de beperkte detentie zich onderscheidt van de
uitgaansvergunning en het penititentiar verlof doordat ze op
zich de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze de
strafinrichting te verlaten.
Hoewel artikel 157 van de Grondwet veel ruimte laat voor
de wetgever, mag het artikel niet ingevuld worden op een
wijze die strijdt met de principiële keuze van de grondwetgever
om de beslissingen over de wijze van strafuitvoering toe te
vertrouwen aan een rechtbank.
Over de verenigbaarheid van de ontworpen bepalingen met
artikel 157 van de Grondwet, dient de Raad van State bijge‑
volg een voorbehoud te maken. Het komt de stellers van het
voorontwerp in ieder geval toe uitdrukkelijk te verantwoorden
waarom de ontworpen bepalingen verenigbaar zouden kunnen
worden geacht met artikel 157 van de Grondwet.
privative de liberté qui permet au condamné de quitter, de
manière régulière, l’établissement pénitentiaire pour une durée
déterminée de maximum seize heures par jour” et peut lui
être accordée “afin de défendre des intérêts professionnels
ou de formation qui requièrent sa présence hors de la prison”.
Selon l’exposé des motifs, ce transfert de compétences vise
également à “améliorer la réintégration sociale des condamnés
en vue d’un flux plus fluide des détenus condamnés” et son
objectif est “d’apporter plus de flexibilité dans l’octroi des
détentions limitées”. Il souligne que la procédure d’octroi de
la détention limitée par le tribunal de l’application des peines
prend parfois plusieurs mois, ce qui peut être difficile à concilier
avec une promesse d’embauche ou le début d’une formation.
En d’autres termes, la continuité d’un élément crucial de la
réinsertion sociale, celui qui repose sur l’emploi ou une autre
occupation quotidienne utile (par la formation, par exemple),
est rendue plus difficile car, malgré les efforts déployés par le
condamné pour obtenir cette activité, [celle-ci] ne peut par la
suite être concrétisé[e] en un emploi/une formation. Toujours
selon l’exposé des motifs, la modalité de la détention limitée
“s’apparente plus aux permissions de sortie et aux congés
pénitentiaires”.
1.4.
La question se pose donc de savoir si la décision
d’accorder ou non la détention limitée doit être reputée changer
la nature de la peine d’emprisonnement. Certes, le législa‑
teur dispose d’une marge d’appréciation pour déterminer si
la détention limitée peut être qualifiée de la sorte. Toutefois,
force est de constater à cet égard que le constituant est parti
du principe que les décisions relatives à “tous les aspects et
modalités de l’application des peines” reviennent aux tribunaux
de l’application des peines. En outre, le législateur estimait
en 2006 que la détention limitée était un mode d’exécution
de la peine privative de liberté dont la nature est telle qu’elle
doit revenir au tribunal de l’application des peines.
Bien qu’il ne soit pas exclu que le législateur revienne
sur la qualification qu’il a donnée en 2006, il n’en reste pas
moins que la détention limitée se distingue de la permission
de sortie et du congé pénitentiaire en ce qu’elle permet en soi
au condamné de quitter, de manière régulière, l’établissement
pénitentiaire.
Bien que l’article 157 de la Constitution laisse une grande
latitude au législateur, un contenu ne peut être donné à cet
article d’une manière telle qu’il serait contraire au choix de
principe du constituant de confier à un tribunal les décisions
relatives aux modalités d’exécution de la peine.
Par conséquent, le Conseil d’État se doit d’émettre une
réserve à propos de la compatibilité des dispositions en projet
avec l’article 157 de la Constitution. Il appartient en tout état de
cause aux auteurs de l’avant-projet de justifier expressément
pourquoi les dispositions en projet pourraient être réputées
compatibles avec l’article 157 de la Constitution.
157
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1.5.
Artikel 82 van het voorontwerp wijzigt artikel 27 van
de wet van 17 mei 2006. Luidens de memorie van toelichting
strekt de bepaling ertoe het toepassingsgebied van de wet en
dus de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter te beperken
tot de veroordeelden met één of meer vrijheidsstraffen waarvan
het uitvoerbaar gedeelte meer dan zes maanden bedraagt.
Voor de veroordeelden met een straftotaal van zes maanden
of minder, zouden de ministeriële omzendbrieven van toepas‑
sing blijven. Volgens de memorie van toelichting wordt aldus
geanticipeerd op het toekomstige uitdoven van het bestaan
van de gevangenisstraf van minder dan zes maanden die niet
meer voorkomt in het ontwerp van nieuw Strafwetboek.
Het feit dat in een eventueel nieuw Strafwetboek geen
gevangenisstraffen van minder dan zes maanden meer zou‑
den worden opgelegd, verhindert niet dat thans naar geldend
recht zulke straffen kunnen worden opgelegd. Het is niet in
overeenstemming te brengen met artikel 157, vierde lid, van
de Grondwet, en de eraan ten grondslag liggende doelstel‑
lingen, om de strafuitvoering ten aanzien van deze straffen
volledig te onttrekken aan de strafuitvoeringsrechtbanken.
Artikel 82 van het voorontwerp kan dus geen doorgang
vinden.
2. Uit het ontworpen artikel 9/4, § 2 (artikel 65 van het
voorontwerp), volgt dat de beperkte detentie enkel nog wordt
toegekend aan de veroordeelde “om professionele of oplei-
dingsbelangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de
gevangenis vereisen” en dus niet meer “om familiale belangen
te behartigen”, zoals thans bepaald in artikel 21, § 2, van de
wet van 17 mei 2006.
Aangezien de bevoegdheidsoverdracht, zoals hiervoor
aangehaald, betrekking heeft op de verbetering van de soci‑
ale re-integratie van de veroordeelden, lijkt het raadzaam in
de memorie van toelichting te verantwoorden waarom geen
beperkte detentie meer wordt toegekend om de familiale
belangen te behartigen.
3. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de
procedure voor de toekenning van de beperkte detentie door
de minister dezelfde is als die voor de toekenning van de
uitgaansvergunningen en penitentiaire verloven.
Het volgende dient hierbij te worden vastgesteld.
De beperkte detentie wordt toegekend aan de veroordeelde
die zich, op negen maanden na, bevindt in de tijdsvoorwaarden
voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling.28
De verdere voorwaarden voor de toekenning zijn geïnspireerd
op deze voor het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning.29
De toekenningsprocedure is gelijkaardig aan de procedure
die geldt voor het penitentiair verlof30, maar de wijzigingen
van artikel 11 van de wet van 17 mei 2006 (artikel 72 van het
voorontwerp) en het ontworpen artikel 11/1 (artikel 74 van het
voorontwerp) nemen de bepalingen over uit de procedure voor
28
Dit stemt, behalve wat de negen maanden betreft, overeen met
artikel 23 van de wet van 17 mei 2006.
29
Zie artikelen 5 resp. 7 van de wet van 17 mei 2006.
30
Zie artikelen 8 en 9 van de wet van 17 mei 2006.
1.5.
L’article 82 de l’avant-projet modifie l’article 27 de la
loi du 17 mai 2006. Selon l’exposé des motifs, la disposition
vise à limiter le champ d’application de la loi et donc la com‑
pétence du juge de l’application des peines aux personnes
condamnées à une ou plusieurs peines privatives de liberté
dont la partie exécutoire est supérieure à six mois. Les cir‑
culaires ministérielles continueraient de s’appliquer pour les
condamnés dont la peine totale est inférieure ou égale à six
mois. Selon l’exposé des motifs, on anticipe ainsi la suppres‑
sion (lire: l’extinction) future des peines d’emprisonnement
de moins de six mois, qui ne figurent plus dans le projet de
nouveau Code pénal.
Le fait qu’un éventuel nouveau Code pénal n’imposerait plus
de peines d’emprisonnement de moins de six mois n’empêche
pas que de telles peines puissent être imposées actuellement
en vertu du droit en vigueur. Le fait de soustraire entièrement
l’exécution de ces peines aux tribunaux de l’application des
peines ne peut pas se concilier avec l’article 157, alinéa 4,
de la Constitution, ni avec les objectifs qui le sous-tendent.
L’article 82 de l’avant-projet ne peut dès lors se concrétiser.
2. Il découle de l’article 9/4, § 2, en projet (article 65 de
l’avant-projet) que la détention limitée est uniquement encore
accordée au condamné “afin de défendre des intérêts pro-
fessionnels ou de formation qui requièrent sa présence hors
de la prison” et donc plus “afin de défendre des intérêts (…)
familiaux”, comme le prévoit actuellement l’article 21, § 2, de
la loi du 17 mai 2006.
Dès lors que, comme il a été indiqué ci-dessus, le transfert
de compétences vise à améliorer la réintégration sociale des
condamnés, il paraît indiqué de justifier dans l’exposé des
motifs pourquoi la détention limitée n’est plus accordée afin
de défendre des intérêts familiaux.
3. L’exposé des motifs mentionne que la procédure d’octroi
de la détention limitée par le ministre est la même que celle
qui est prévue pour les permissions de sortie et les congés
pénitentiaires.
À cet égard, il convient d’observer ce qui suit.
La détention limitée est accordée au condamné qui se
trouve, à neuf mois près, dans les conditions de temps pour
l’octroi de la libération conditionnelle28. Les autres conditions
d’octroi sont inspirées des conditions concernant le congé
pénitentiaire ou la permission de sortie29. La procédure d’octroi
est similaire à celle qui s’applique pour le congé péniten‑
tiaire30, mais les modifications de l’article 11 de la loi du 17 mai
2006 (article 72 de l’avant-projet) et l’article 11/1, en projet
(article 74 de l’avant-projet), reproduisent les dispositions de
la procédure suivie devant les tribunaux de l’application des
28
Ce qui correspond, sauf en ce qui concerne les neuf mois, à
l’article 23 de la loi du 17 mai 2006.
29
Voir respectivement les articles 5 et 7 de la loi du 17 mai 2006.
30
Voir respectivement les articles 8 et 9 de la loi du 17 mai 2006.
2774/001
DOC 55
158
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de strafuitvoeringsrechtbanken.31 Met de uitwerking van de
concrete invulling van de beperkte detentie, de opvolging en
het toezicht erop, worden de Justitiehuizen belast. Bijgevolg
worden zij nog steeds betrokken bij de beperkte detentie,
terwijl dit niet het geval is bij de uitgaansvergunning en het
penitentiair verlof.
Het is niet duidelijk waarom de justitiehuizen deze taak nog
steeds op zich moeten nemen, in acht genomen het feit dat
de beperkte detentie wordt toegekend voor professionele en
opleidingsbelangen (en niet meer voor familiale belangen),
en er wordt gesteld dat de modaliteit van beperkte detentie
nauwer aanleunt bij de uitgaansvergunning en het penitentiair
verlof. Het is raadzaam in de memorie van toelichting hiervoor
de nodige verduidelijking en verantwoording op te nemen.
4. De artikelen 69, 79 en 80 van het voorontwerp moeten
als volgt worden verbeterd:
“Art. 69. In het opschrift van hoofdstuk III van titel IV van
dezelfde wet worden de woorden ‘en IIbis’ vervangen door
de woorden ‘, IIbis en IIter’.”
“Art. 79. In Titel V, van dezelfde wet, wordt afdeling I van
hoofdstuk I, die artikel 21 omvat, opgeheven.”
“Art. 80. Het opschrift van afdeling II van Titel V wordt
vervangen als volgt (…).”
Hoofdstuk 13
Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende
regeling van economische en individuele activiteiten met
wapens
1. De Nederlandse tekst van artikel 11/1, derde lid, van de
wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en
individuele activiteiten met wapens’, ingevoegd bij de wet van
25 juli 2008, bevat geen materiële fout.32
Artikel 102 van het voorontwerp moet dan ook weggelaten
worden.
2. In artikel 103 van het voorontwerp dienen de woorden “In
artikel 19,1° van dezelfde wet” vervangen te worden door de
woorden “In artikel 19, 1°, van de wapenwet, vervangen bij de
wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019”.
31
Zie artikelen 42 en 43 resp. 62 van de wet van 17 mei 2006.
32
Zie artikel 7 van de wet van 25 juli 2008 ‘tot wijziging van de
wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en
individuele activiteiten met wapens’ (Belgisch Staatsblad van
22 augustus 2008, 44144).
peines31. Les maisons de justice sont chargées d’élaborer le
contenu concret de la détention limitée, le suivi ainsi que le
contrôle de celle-ci. Il s’ensuit qu’elles sont encore associées
à la détention limitée, alors que tel n’est pas le cas pour la
permission de sortie et le congé pénitentiaire.
On n’aperçoit pas clairement pourquoi les maisons de
justice doivent encore assumer cette tâche, compte tenu du
fait que la détention limitée est accordée pour des intérêts
professionnels et de formation (et non plus pour des intérêts
familiaux), et qu’il est précisé que la modalité de la détention
limitée s’apparente plus aux permissions de sortie et aux
congés pénitentiaires. Il est indiqué d’inscrire les précisions et
justifications nécessaires à cet effet dans l’exposé des motifs.
4. Les articles 69, 79 et 80 de l’avant-projet doivent être
corrigés comme suit:
“Art. 69. Dans l’intitulé du chapitre III du titre IV de la même
loi, les mots ‘et IIbis’ sont remplacés par les mots ‘, IIbis et IIter’”.
“Art. 79. Dans le Titre V, de la même loi, la section Ire du
chapitre Ier, qui contient l’article 21, est abrogée”.
“Art. 80. L’intitulé de la section II du titre V est remplacé
par ce qui suit (…)”.
Chapitre 13
Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des
activités économiques et individuelles avec des armes
1. La version néerlandaise de l’article 11/1, alinéa 3, de
la loi du 8 juin 2006 ‘réglant des activités économiques et
individuelles avec des armes’, inséré par la loi du 25 juillet
2008, ne comporte aucune erreur matérielle32.
L’article 102 de l’avant-projet sera dès lors omis.
2. À l’article 103 de l’avant-projet, il convient de remplacer
les mots “Dans l’article 19, point 1°, de la loi sur les armes du
8 juin 2006” par les mots “Dans l’article 19, 1°, de la loi sur les
armes, remplacé par la loi du 25 juillet 2008 et modifié par la
loi du 5 mai 2019”.
31
Voir respectivement les articles 42 et 43 ainsi que 62 de la loi du
17 mai 2006.
32
Voir l’article 7 de la loi du 25 juillet 2008 ‘modifiant la loi du 8 juin
2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des
armes’ (Moniteur belge du 22 aout 2008, p. 44144).
159
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hoofdstuk 14
Wijzigingen van de programmawet (i) van 29 maart 2012
Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken.
Hoofdstuk 15
Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017
betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten
van of verblijven in andermans goed
Artikel 108
1.1.
Artikel 10833 van het voorontwerp strekt ertoe de
door het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 39/2020 van 12 maart
2020 vernietigde bepalingen van de wet van 18 oktober 2017
‘betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van
of verblijven in andermans goed’ te herstellen, waarbij wordt
beoogd tegemoet te komen aan de door het Hof gemaakte
bezwaren.
1.2.
Het ontworpen artikel 12 van de wet van 18 oktober
2017 voorziet erin dat het bevel tot ontruiming wordt uitge‑
vaardigd door de procureur des Konings, na machtiging
door de onderzoeksrechter. Daartoe richt de procureur des
Konings een verzoek aan de onderzoeksrechter, die binnen
een termijn van maximum 48 uur minstens de wettigheid en de
proportionaliteit van de machtiging ten aanzien van de feiten
beoordeelt. Voor het overige wordt de regeling zoals die was
opgenomen in het door het Grondwettelijk Hof vernietigde
artikel 12 van de voornoemde wet ongewijzigd overgenomen,34
met dien verstande dat er in de thans voorliggende regeling
in een kennisgeving wordt voorzien aan de personen die zich
in het betrokken goed bevinden.
1.3. Het Grondwettelijk Hof overwoog met betrekking tot
de vernietigde bepalingen in arrest nr. 39/2020 het volgende:
“B.31.2. Die bepaling verleent aan de procureur des Konings,
in het kader van een strafrechtelijke procedure ingesteld
ingevolge een klacht ingediend op grond van artikel 442/1,
§ 1, van het Strafwetboek, de bevoegdheid om prima facie
het kennelijk gegronde karakter van een rechtsvordering te
beoordelen, vordering die ertoe strekt de gevolgen van een
strafrechtelijk misdrijf te doen ophouden. Ook al wordt in de
bestreden bepaling gepreciseerd dat die bevoegdheid wordt
uitgeoefend ‘met eerbiediging van het vermoeden van onschuld’,
toch houdt de vaststelling door de procureur des Konings dat
de vordering tot ontruiming van de bezette niet-bewoonde
33
Zie ook artikel 26 van het voorontwerp.
34
Zie, wat die regeling betreft, adv.RvS 61.256/3 van 5 mei 2017
over amendementen op een wetsvoorstel ‘tot wijziging van het
Strafwetboek wat betreft het zonder toestemming van de eigenaar
in gebruik nemen van een onroerend goed’ (Parl.St. Kamer 2016-
17, nr. 54-1008/004).
Chapitre 14
Modification de la loi-programme (I) du 29 mars 2012
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 15
Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la
pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans
le bien d’autrui
Article 108
1.1.
L’article 10833 de l’avant-projet vise à rétablir les dis‑
positions de la loi du 18 octobre 2017 ‘relative à la pénétration,
à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui’,
annulées par l’arrêt n° 39/2020 du 12 mars 2020 de la Cour
constitutionnelle, et ce aux fins de répondre aux objections
soulevées par celle-ci.
1.2.
L’article 12, en projet, de la loi du 18 octobre 2017
prévoit que l’ordonnance d’évacuation est prise par le procu‑
reur du Roi, après autorisation du juge d’instruction. À cette
fin, le procureur du Roi adresse une demande au juge d’ins‑
truction qui, dans un délai de 48 heures maximum, apprécie
au moins la légalité et la proportionnalité de l’autorisation
au regard des faits. Pour le surplus, le régime tel qu’il était
inscrit dans l’article 12 de la loi précitée, annulé par la Cour
constitutionnelle, est reproduit tel quel34, étant entendu que le
régime actuellement à l’examen prévoit une notification aux
personnes qui se trouvent dans le bien concerné.
1.3. Dans son arrêt n° 39/2020, la Cour constitutionnelle
a considéré, à propos des dispositions annulées, ce qui suit:
“B.31.2. Cette disposition confère au procureur du Roi, dans
le cadre d’une procédure pénale mue à la suite d’une plainte
déposée sur la base de l’article 442/1, § 1er, du Code pénal,
le pouvoir d’apprécier prima facie le caractère manifestement
fondé d’une demande en justice, demande qui tend à faire
cesser les conséquences d’une infraction pénale. Même si
la disposition attaquée précise que ce pouvoir s’exerce ‘dans
le respect de la présomption d’innocence’, le constat par le
procureur du Roi que la demande d’évacuation des lieux non
habités occupés ‘semble manifestement fondée à première vue’
implique que les occupants du bien d’autrui sont, à première
33
Voir également l’article 26 de l’avant-projet.
34
Voir, concernant ce régime, l’avis C.E. 61.256/3 du 5 mai 2017
sur des amendements à une proposition de loi ‘modifiant le
Code pénal en ce qui concerne l’occupation d’un immeuble
sans l’autorisation du propriétaire’ (Doc. parl., Chambre, 2016-17,
n° 54-1008/004).
2774/001
DOC 55
160
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
plaatsen ‘op het eerste gezicht kennelijk gegrond lijkt’, in dat
de bezetters van andermans goed zich op het eerste gezicht
kennelijk schuldig hebben gemaakt aan het plegen van het
in artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek bedoelde misdrijf.
B.32.1. Wanneer het niet-bewoonde en zonder titel of
recht bezette goed de woonplaats van de betrokken persoon
uitmaakt, vormt het bevel tot ontruiming van de procureur
des Konings een inmenging, zoals in B.23 wordt vermeld, in
hun recht op eerbiediging van het privéleven en in hun recht
op onschendbaarheid van de woning. Zoals in B.24.1 wordt
vermeld, is het voorafgaande optreden van een onafhankelijke
en onpartijdige rechter, met inachtneming van de jurisdictio‑
nele waarborgen en met name van het recht op toegang tot
een rechter en van de rechten van verdediging van de partij
tegen wie de vordering tot ontruiming is gericht, bijgevolg
een essentiële waarborg om de inachtneming van de in het
geding zijnde grondrechten te verzekeren. De uitvoering er‑
van moet het voorwerp uitmaken van een controle door een
onafhankelijke en onpartijdige rechter.
B.32.2. In principe komt het het openbaar ministerie niet
toe maatregelen te bevelen die afbreuk doen aan de individu‑
ele rechten en vrijheden. Zoals het Hof vroeger reeds heeft
geoordeeld, mogen maatregelen die een dwangmaatregel
of een schending van individuele rechten en vrijheden ver‑
onderstellen, enkel worden uitgevoerd met de toestemming
en onder de controle van een rechter (zie arrest nr. 174/2018
van 6 december 2018, B.14.4).
B.32.3. De bezetter van het niet-bewoonde goed worden
door de procureur des Konings gehoord, ‘tenzij het verhoor niet
kan worden afgenomen wegens de concrete omstandigheden
van de zaak’. Geconfronteerd met een bevel tot ontruiming
dat door de procureur des Konings is genomen, hebben ze
de mogelijkheid om daartegen een opschortend beroep in te
stellen bij de vrederechter, binnen een termijn van acht dagen.
De aanhangigmaking bij de vrederechter vereist evenwel de
uitoefening van een rechtsmiddel. Zij houdt ook in dat zij ken‑
nis hebben genomen van het bevel, dat hen enkel ter kennis
wordt gebracht door aanplakking op het te ontruimen goed, en
dat zij binnen een relatief korte termijn erop reageren. Daaruit
volgt dat de uitvoering van het bevel tot ontruiming dat door
de procureur des Konings is genomen, niet noodzakelijk het
voorwerp uitmaakt van een controle door een onafhankelijke
en onpartijdige rechter.”
1.4.
In advies 67.381/135, over een wetsvoorstel dat ertoe
strekte de door het Grondwettelijk Hof vernietigde bepalingen
van de wet van 18 oktober 2017 te herstellen, en waarin werd
bepaald dat het bevel tot ontruiming door een onderzoeks‑
rechter zou worden afgeleverd, wordt eraan herinnerd dat
in het arrest van het Grondwettelijk Hof wordt bevestigd dat
35 Adv.RvS 67.381/1 van 23 juni 2020 over een wetsvoorstel
‘tot wijziging van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het
onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in
andermans goed’ (Parl.St. Kamer 2019‑20, nr. 55‑1170/001).
In dat voorstel luidde het ontworpen artikel 12, § 1, eerste lid,
in fine: “De onderzoeksrechter geeft zijn bevel na hen te hebben
gehoord tenzij het verhoor niet kan worden afgenomen wegens
de concrete omstandigheden van de zaak.”
vue, manifestement coupables d’avoir commis l’infraction
visée par l’article 442/1, § 1er, du Code pénal.
B.32.1. Lorsque le bien non habité et occupé sans titre
ni droit constitue le domicile des personnes concernées,
l’ordonnance d’évacuation du procureur du Roi constitue une
ingérence, comme il est dit en B.23, dans leur droit au respect
de la vie privée et dans leur droit à l’inviolabilité du domicile.
Comme il est dit en B.24.1, l’intervention préalable d’un juge
indépendant et impartial, dans le respect des garanties juri‑
dictionnelles et, notamment, du droit d’accès à un juge et
des droits de la défense de la partie contre qui est dirigée la
demande d’évacuation, est dès lors une garantie essentielle
pour assurer le respect des droits fondamentaux en cause.
Sa mise en œuvre doit faire l’objet d’un contrôle par un juge
indépendant et impartial.
B.32.2. En principe, il ne revient pas au ministère public
d’ordonner des mesures portant atteinte aux droits et libertés
individuels. Comme la Cour l’a déjà jugé précédemment, des
dispositions qui supposent une mesure contraignante ou une
violation de droits individuels et de libertés ne peuvent être
exécutées qu’avec l’autorisation et sous le contrôle d’un juge
(voir l’arrêt n° 174/2018 du 6 décembre 2018, B.14.4).
B.32.3. Les occupants du bien non habité sont entendus par
le procureur du Roi, ‘sauf si l’audition ne peut être réalisée en
raison des circonstances concrètes de la cause’. Confrontés
à une ordonnance d’évacuation prise par le procureur du Roi,
ils ont la possibilité d’introduire un recours suspensif contre
celle-ci auprès du juge de paix, dans un délai de huit jours.
Toutefois, la saisine du juge de paix nécessite l’exercice de
cette voie de recours. Elle suppose aussi qu’ils aient pris
connaissance de l’ordonnance, laquelle ne leur est notifiée
que par affichage sur le bien à évacuer, et qu’ils y réagissent
dans un délai relativement court. Il en résulte que la mise en
œuvre de l’ordonnance d’évacuation prise par le procureur
du Roi ne fait pas nécessairement l’objet d’un contrôle par
un juge indépendant et impartial”.
1.4.
L’avis 67.381/135, sur une proposition de loi qui visait à
rétablir les dispositions annulées par la Cour constitutionnelle
de la loi du 18 octobre 2017, et qui prévoyait que l’ordonnance
d’évacuation serait délivrée par un juge d’instruction, rappelle
que l’arrêt de la Cour constitutionnelle confirme que “l’inter‑
vention d’un juge indépendant et impartial doit avoir lieu ‘dans
35
Avis C.E. 67.381/1 du 23 juin 2020 sur une proposition de loi
‘modifiant la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à
l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui’ (Doc.
parl., Chambre, 2019-20, n° 55‑1170/001).
Dans cette proposition, la fin de l’article 12, § 1er, alinéa 1er, en
projet, s’énonçait comme suit: “Le juge d’instruction prend une
ordonnance après avoir entendu celles-ci sauf si l’audition ne
peut être réalisée en raison des circonstances concrètes de la
cause”.
161
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het “optreden van een onafhankelijke en onpartijdige rechter
moet plaatsvinden ‘met inachtneming van de jurisdictionele
waarborgen en met name van het recht op toegang tot de
rechter en van de rechten van verdediging van de partij tegen
wie de vordering tot ontruiming is gericht’ (B.32.1), hetgeen
een essentiële waarborg vormt om de inachtneming van
het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op
onschendbaarheid van de woning te verzekeren”.
In hetzelfde advies wordt voorts gesteld dat een onder‑
zoeksrechter, in tegenstelling tot de procureur des Konings,
een onafhankelijke en onpartijdige rechter is zoals bedoeld bij
het arrest nr. 39/2020. Aangezien de taak van een onderzoeks‑
rechter bestaat in het leiden van het gerechtelijk onderzoek,
en in de voorgestelde regeling nog steeds een strafklacht bij
het parket was vereist, was de Raad van State echter van
oordeel dat “de samenhang tussen de klacht en de procedure
van het bevel tot uithuiszetting niet duidelijk” was. Bijgevolg
rees de vraag “of de onvolledige regeling van de procedure
voor de nieuwe atypische taak van de onderzoeksrechter36,
voldoende beantwoordt aan het vereiste van de jurisdictionele
waarborgen waaraan het Grondwettelijk Hof herinnert”.
Het advies besluit dat “[h]et [aanbeveling] verdient (…) dat
de stellers van het voorstel hierover de nodige verduidelijking
verschaffen, en aldus verduidelijken op welke wijze het verzoek
bij de onderzoeksrechter aanhangig moet worden gemaakt,
op welke wijze de onderzoeksrechter hiervan kennis geeft aan
de betrokkenen, of de in het goed aangetroffen personen over
de nodige tijd kunnen beschikken om een juridisch antwoord
op te stellen, en dat deze personen zich door een advocaat
kunnen laten bijstaan”.
1.5. In het licht van het voornoemde arrest van het
Grondwettelijk Hof en het voornoemde advies van de Raad
van State, afdeling Wetgeving, kunnen bij de thans ontworpen
regeling nog de hiernavolgende opmerkingen worden gemaakt.
1.5.1. Het ontworpen artikel 12, § 1, eerste lid, van de wet
van 18 oktober 2017 bepaalt niet langer dat het bevel tot
ontruiming wordt uitgevaardigd ten aanzien van “de in het
goed aangetroffen personen”. Het lijkt aangewezen om dit
uitdrukkelijk te bepalen.
1.5.2. Het ontworpen artikel 12, § 1, tweede lid, van de wet
van 18 oktober 2017 bepaalt dat de procureur des Konings
aan de onderzoeksrechter een met redenen omkleed ver‑
zoek richt dat minstens de volgende gegevens bevat: 1° een
omschrijving van de plaats waarop de maatregel betrekking
heeft en de vermelding van het adres van het goed dat het
voorwerp van het bevel uitmaakt, en 2° alle documenten en
inlichtingen waaruit blijkt dat het gebruik van dit middel nodig
is. Daarnaast moet dat verzoek de omstandigheden vermelden
die het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen. In die
bepaling wordt er echter niet in voorzien dat in het verzoek
36 Voetnoot 5 uit het advies: Deze atypische taak heeft ook
het merkwaardige gevolg dat tegen een beslissing van een
onderzoeksrechter een beroep kan worden ingesteld bij de
vrederechter.
le respect des garanties juridictionnelles et, notamment, du
droit d’accès à un juge et des droits de la défense de la partie
contre qui est dirigée la demande’ (B.32.1), ce qui constitue
une garantie essentielle pour assurer le respect du droit à la
vie privée et du droit à l’inviolabilité du domicile”.
Le même avis indique par ailleurs que, contrairement au
procureur du Roi, un juge d’instruction est un juge indépendant
et impartial, au sens de l’arrêt n° 39/2020. Dès lors que la mis‑
sion d’un juge d’instruction consiste à diriger l’instruction, et
que le régime proposé exigeait toujours le dépôt d’une plainte
auprès du parquet, le Conseil d’État estimait cependant que
“l’articulation entre la plainte et la procédure relative à l’ordon‑
nance d’expulsion manqu[ait] de clarté”. La question se posait
par conséquent de savoir “si la réglementation imparfaite de
la procédure concernant la tâche nouvelle et atypique du juge
d’instruction36, répond suffisamment à l’exigence des garan‑
ties juridictionnelles rappelées par la Cour constitutionnelle”.
L’avis conclut qu’“[i]l est recommandé que les auteurs de la
proposition fournissent les éclaircissements nécessaires à ce
sujet, et précisent ainsi de quelle manière le juge d’instruction
doit être saisi de la requête, comment il la notifie aux intéressés,
si les personnes qui se trouvent dans le bien peuvent disposer
du temps nécessaire pour rédiger une réponse juridique, et
que ces personnes peuvent se faire assister par un avocat”.
1.5.
À la lumière de l’arrêt précité de la Cour constitu‑
tionnelle et de l’avis précité du Conseil d’État, section de
législation, on peut encore formuler les observations suivantes
à propos du régime actuellement en projet.
1.5.1. L’article 12, § 1er, alinéa 1er, en projet, de la loi du
18 octobre 2017 ne prévoit plus que l’ordonnance d’évacuation
soit prise à l’égard des “personnes qui se trouvent dans le
bien”. Il paraît recommandé de le préciser explicitement.
1.5.2. L’article 12, § 1er, alinéa 2, en projet, de la loi du
18 octobre 2017 prévoit que le procureur du Roi adresse au
juge d’instruction une demande motivée qui contient au moins
les données suivantes: 1° une description du lieu concerné
par la mesure et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet
de l’ordonnance, et 2° tous les documents et renseignements
desquels il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire.
Par ailleurs, cette demande doit mentionner les circonstances
susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation. Or, cette
disposition ne prévoit pas que la demande mentionne les
personnes concernées, en particulier les occupants du bien
36
Note de bas de page n° 5 de l’avis: Cette tâche atypique a
également pour conséquence remarquable qu’une décision d’un
juge d’instruction est susceptible de recours devant le juge de
paix.
2774/001
DOC 55
162
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de betrokken personen worden vermeld, in het bijzonder de
bezetters van het niet-bewoonde goed. Hierover ondervraagd,
antwoordde de gemachtigde het volgende:
“De documenten en inlichtingen die aan de onderzoeksrech‑
ter worden voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des
Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te worden
bekeken. Dit kan de betrokken personen betreffen tegen wie
een ontruiming wordt beoogd indien dit gekend is. Dit kunnen
de personen zijn die in het goed worden aangetroffen. Dit
kan door de eigenaar of elke burger worden aangegeven. Dit
kan worden vastgesteld na aangifte door de politiediensten.”
Gelet op dat antwoord, zou het best uitdrukkelijk worden
bepaald dat de identiteit van de bezetters van het niet-bewoonde
goed, voor zover deze achterhaald kan worden, in het verzoek
moet worden opgenomen. Het verdient in elk geval aanbeve‑
ling om de toelichting van de gemachtigde op te nemen in de
memorie van toelichting.
1.5.3. In het ontworpen artikel 12, § 1, van de wet van
18 oktober 2017 wordt er niet in voorzien dat de betrokken
personen worden gehoord. Het ontworpen artikel 12, § 1, vierde
lid, bepaalt wel dat de onderzoeksrechter de wettigheid en de
proportionaliteit beoordeelt van de machtiging ten aanzien van
de feiten. Luidens de memorie van toelichting wordt op die
wijze gewaarborgd dat de onderzoeksrechter “daadwerkelijk
waakt over de grondrechten van de betrokken personen” en
is de machtiging op die manier “meer dan een louter formeel
nazicht maar minder verregaand als een beoordeling van een
onderzoeksmaatregel tijdens een gerechtelijk onderzoek”.
Volgens de gemachtigde zijn de “betrokken personen”,
“de personen die zich in het goed bevinden en tegen wie een
bevel tot ontruiming wordt beoogd”.
Gevraagd hoe de onderzoeksrechter de wettigheid en de
proportionaliteit van de maatregel zal beoordelen zonder de
betrokken personen te horen, antwoordde de gemachtigde:
“Door zich te baseren op het dossier. Doordat er voldoende
gegevens voorhanden zijn uit de documenten en inlichtingen
die de onderzoeksrechter worden voorgelegd. De onder‑
zoeksrechter gaat de wettigheid en de proportionaliteit van
de maatregel na ten aanzien van de feiten.”
Ofschoon het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest
nr. 39/2020 enkel lijkt te vereisen dat de uitvoering van het
bevel tot ontruiming dat door de procureur des Konings is
genomen, het voorwerp uitmaakt van een controle door een
onafhankelijke en onpartijdige rechter, zonder dat noodza‑
kelijkerwijs de personen die het voorwerp uitmaken van dat
bevel worden gehoord, vormt het horen van de betrokkenen
een grotere procedurele waarborg, zowel in het belang van de
persoon ten aanzien van wie het bevel zal worden genomen,
als in het belang om geen ongefundeerde maatregel te nemen.
Het verdient dan ook aanbeveling om te voorzien in het horen
van de betrokken personen, tenzij dit wegens de concrete
omstandigheden van de zaak niet mogelijk is.
non habité. Interrogé sur ce point, le délégué a répondu ce
qui suit:
“De documenten en inlichtingen die aan de onderzoeksrech‑
ter worden voorgelegd beogen het verzoek van de procureur des
Konings te onderbouwen; deze dienen per dossier te worden
bekeken. Dit kan de betrokken personen betreffen tegen wie
een ontruiming wordt beoogd indien dit gekend is. Dit kunnen
de personen zijn die in het goed worden aangetroffen. Dit
kan door de eigenaar of elke burger worden aangegeven. Dit
kan worden vastgesteld na aangifte door de politiediensten”.
Compte tenu de cette réponse, mieux vaudrait prévoir
expressément que l’identité des occupants du bien non habité,
pour autant qu’elle puisse être retrouvée, doit être reproduite
dans la demande. En tout cas, il est recommandé de faire
figurer les explications du délégué dans l’exposé des motifs.
1.5.3. L’article 12, § 1er, en projet, de la loi du 18 octobre 2017
ne prévoit pas que les personnes concernées sont entendues.
L’article 12, § 1er, alinéa 4, en projet, dispose toutefois que le
juge d’instruction apprécie la légalité et la proportionnalité de
l’autorisation au regard des faits. Selon l’exposé des motifs,
on garantit ce faisant que le juge d’instruction “contrôle effec‑
tivement les droits fondamentaux des personnes concernées”
et de cette manière, l’autorisation est “plus qu’une vérification
purement formelle, mais va moins loin que l’évaluation d’une
mesure d’enquête au cours d’une instruction”.
Selon le délégué, les “betrokken personen” sont “de per‑
sonen die zich in het goed bevinden en tegen wie een bevel
tot ontruiming wordt beoogd”.
À la question de savoir comment le juge d’instruction
appréciera la légalité et la proportionnalité de la mesure sans
entendre les personnes concernées, le délégué a répondu
en ces termes:
“Door zich te baseren op het dossier. Doordat er voldoende
gegevens voorhanden zijn uit de documenten en inlichtingen
die de onderzoeksrechter worden voorgelegd. De onde‑
rzoeksrechter gaat de wettigheid en de proportionaliteit van
de maatregel na ten aanzien van de feiten”.
Bien que dans l’arrêt n° 39/2020 précité, la Cour constitu‑
tionnelle semble uniquement exiger que la mise en œuvre de
l’ordonnance d’évacuation prise par le procureur du Roi fasse
l’objet d’un contrôle par un juge indépendant et impartial, sans
que les personnes qui font l’objet de cette ordonnance soient
nécessairement entendues, l’audition des intéressés constitue
une garantie de procédure plus importante, tant dans l’intérêt
de la personne à l’égard de laquelle l’ordonnance sera prise
que dans celui d’éviter de prendre une mesure manquant de
fondement. Il est dès lors recommandé de prévoir l’audition
des personnes concernées, sauf en cas d’impossibilité en
raison des circonstances concrètes de la cause.
163
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1.5.4. Het ontworpen artikel 12, § 1, vijfde lid, van de wet
van 18 oktober 2017 bepaalt dat het bevel tot ontruiming dat
de procureur des Konings uitvaardigt “met redenen wordt
omkleed”. De gemachtigde verklaarde in dat verband dat het
bevel tot ontruiming, dat wordt genomen mits machtiging van
de onderzoeksrechter, zal zijn gesteund op de motivering voor
die machtiging. Het lijkt aangewezen deze verduidelijking op
te nemen in de memorie van toelichting.
Hoofdstuk 16
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende
de organisatie van de penitentiaire diensten en van het
statuut van het penitentiair personeel
Artikel 109
In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 109
van het voorontwerp moeten tussen de woorden “van de wet”
en “betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten
en van het statuut van het penitentiair personeel” de woorden
“van 23 maart 2019” worden opgenomen.
Hoofdstuk 17
Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het
burgerlijk wetboek
Artikelen 111 en 112
In de Nederlandse tekst van de artikelen 111, 2°, en 112,
2°, van het voorontwerp wordt om taalkundige redenen beter
telkens geschreven “in paragraaf (…) worden de woorden
‘bedoeld attest’ vervangen door de woorden ‘bedoelde akte
of attest’”.
Hoofdstuk 18
Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake
kansspelen
Artikel 113
Zoals hierboven uitgezet is, is de afdeling Wetgeving niet
meer bevoegd om deze bepaling te onderzoeken. Deze bepa‑
ling wordt dan ook niet onderzocht.
1.5.4. L’article 12, § 1er, alinéa 5, en projet, de la loi du
18 octobre 2017 énonce que le procureur du Roi prend l’ordon‑
nance d’évacuation “en la motivant”. À ce propos, le délé‑
gué a déclaré que l’ordonnance d’évacuation, qui est prise
moyennant l’autorisation du juge d’instruction, s’appuiera sur
la motivation de cette autorisation. Il paraît indiqué d’intégrer
ces précisions dans l’exposé des motifs.
Chapitre 16
Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant
l’organisation des services pénitentiaires et le statut du
personnel pénitentiaire
Article 109
Dans le texte néerlandais de la phrase liminaire de l’ar‑
ticle 109 de l’avant-projet, il y a lieu d’insérer les mots “van
23 maart 2019” entre les mots “van de wet” et les mots “betref-
fende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het
statuut van het penitentiair personeel”.
Chapitre 17
Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du
code civil
Articles 111 et 112
Par souci de correction de la langue, il serait préférable,
dans le texte néerlandais des articles 111, 2°, et 112, 2°, d’écrire
chaque fois “in paragraaf (…) worden de woorden ‘bedoeld
attest’ vervangen door de woorden ‘bedoelde akte of attest”.
Chapitre 18
Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard
Article 113
Comme exposé ci‑avant, la section de législation n’est
plus compétente pour examiner cette disposition. Elle n’est
donc pas examinée.
2774/001
DOC 55
164
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hoofdstuk 19
Tijdelijke maatregel tot vermindering van de
overbevolking in de gevangenissen
Artikelen 114 tot 117
1. De artikelen 114 tot 117 van het voorontwerp voorzien erin
dat de regeling inzake vervroegde invrijheidstelling, die werd
ingevoerd in het kader van de strijd tegen de verspreiding van
het coronavirus COVID-19, tot 1 januari 2025 wordt ingevoerd
als instrument tegen de overbevolking in de gevangenissen.37
De thans ontworpen bepalingen stemmen inhoudelijk groten‑
deels overeen met die regeling.38
2. In vergelijking met artikel 110 van de wet van 23 december
2021 ‘tot invoering van het parket voor de verkeersveiligheid en
houdende diverse bepalingen inzake rechterlijke organisatie en
justitie’, wordt in artikel 115, § 1, eerste lid, van het voorontwerp
niet meer bepaald dat de vervroegde invrijheidstelling geldt
voor veroordeelden die hun straf geheel of gedeeltelijk in de
gevangenis ondergaan. In de memorie van toelichting wordt
dienaangaande verduidelijkt dat “[h]ierdoor (…) deze maatre‑
gel ook van toepassing [is] op veroordeelden die elektronisch
toezicht als strafuitvoeringsmodaliteit hebben toegekend
gekregen. Deze categorie van veroordeelden ondergaat ook
een vrijheidsstraf, zij het onder elektronisch toezicht. Het zou
onrechtvaardig zijn om hen uit te sluiten van de vervroegde
invrijheidstelling om de enkele reden dat zij zich niet langer
in de gevangenis bevinden”.
37
In de memorie van toelichting wordt dienaangaande verwezen
naar “de huidige toestand van overbevolking in de gevangenissen
en de vooruitzichten op dat vlak”, waarbij wordt gewezen op de
volledige inwerkingtreding op 1 juni 2022 van de wet van 17 mei
2006 ‘betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden
tot een vrijheidsstraf en de aan de slachtoffer toegekende rechten
in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten’, die “voor gevolg
[zal] hebben dat, veel meer dan vandaag het geval is, kortgestraften
effectief zullen worden opgesloten”. Wat dit laatste betreft,
dient erop te worden gewezen dat het wetsontwerp ‘tot uitstel
van de inwerkingtreding van de bepalingen inzake uitvoering
van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder’ op 12 mei 2022 is
aangenomen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waardoor
de inwerkingtreding van de bepalingen inzake strafuitvoering
voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder wordt uitgesteld tot
1 september 2022 voor de veroordeelden met een totaal aan
vrijheidsstraffen van meer dan twee jaar (maar minder dan drie
jaar) en tot uiterlijk 1 september 2023 voor de veroordeelden met
eens straftotaal van twee jaar of minder (Parl.St. Kamer 2021-22,
nr. 55-2645/001 en nr. 55‑2645/005).
38
Zie artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 3 van 9 april 2020
‘houdende diverse bepalingen inzake strafprocedure en uitvoering
van straffen en maatregelen in het kader van de strijd tegen de
verspreiding van het coronavirus COVID‑19’, waarover de Raad
van State, in ontwerpvorm, op 3 april 2020 advies 67.181/1
heeft uitgebracht. Zie ook de artikelen 109 tot 111 van de wet
van 23 december 2021 ‘tot invoering van het parket voor de
verkeersveiligheid en houdende diverse bepalingen inzake
rechterlijke organisatie en justitie’ (ingevoegd bij amendement –
zonder advies van de Raad van State). Laatstgenoemde regeling
treedt buiten werking op 1 juni 2022.
Chapitre 19
Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation
dans les prisons
Articles 114 à 117
1. Les articles 114 à 117 de l’avant-projet prévoient que le
régime de libération anticipée, qui a été instauré dans le cadre
de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID‑19,
est instauré jusqu’au 1er janvier 2025 en tant qu’instrument de
lutte contre la surpopulation dans les prisons37. Sur le fond,
les dispositions actuellement en projet sont dans une large
mesure conformes à ce régime38.
2. Par rapport à l’article 110 de la loi du 23 décembre 2021
‘introduisant le parquet de la sécurité routière et portant des
dispositions diverses en matière d’organisation judiciaire et de
justice’, l’article 115, § 1er, alinéa 1er, de l’avant-projet ne prévoit
plus que la libération anticipée s’applique aux condamnés qui
subissent leur peine en tout ou en partie en prison. L’exposé
des motifs précise à ce sujet que “[p]ar conséquent, cette
mesure s’applique également aux personnes condamnées
qui ont bénéficié d’une surveillance électronique comme
modalité d’exécution de la peine. Cette catégorie de personnes
condamnées subit également une peine d’emprisonnement,
bien que sous surveillance électronique. Il serait injuste de
les exclure de la libération anticipée au seul motif qu’ils ne
se trouvent plus [en prison]”.
37
L’exposé des motifs fait référence à cet égard à “la situation actuelle
de surpopulation dans les prisons et des perspectives à cet égard”,
en attirant l’attention sur l’entrée en vigueur intégrale, le 1er juin
2002, de la loi du 17 mai 2006 ‘relative au statut juridique externe
des personnes condamnées à une peine privative de liberté et
aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités
d’exécution de la peine’ qui “signifiera que les condamnés à des
courtes peines seront effectivement incarcérés, beaucoup plus
que ce n’est le cas aujourd’hui”. En ce qui concerne ce dernier
point, il convient de souligner que le projet de loi ‘visant à reporter
l’entrée en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des
peines privatives de liberté de trois ans ou moins’ a été adopté
par la Chambre des représentants le 12 mai 2022, l’entrée
en vigueur des dispositions relatives à l’exécution des peines
privatives de liberté de trois ans ou moins étant ainsi reportée
au 1er septembre 2022 pour les condamnés à un total de peines
privatives de liberté de plus de deux ans (mais moins de trois ans)
et au 1er septembre 2023 au plus tard pour les condamnés avec
un total de peines de deux ans ou moins (Doc. parl., Chambre,
2021-22, n° 55-2645/001 et n° 55-2645/005).
38
Voir l’article 15 de l’arrêté royal n° 3 du 9 avril 2020 ‘portant
des dispositions diverses relatives à la procédure pénale et à
l’exécution des peines et des mesures prévues dans le cadre
de la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19’, dont
le projet a fait l’objet de l’avis 67.181/1 du Conseil d’État, donné
le 3 avril 2020. Voir également les articles 109 à 111 de la loi du
23 décembre 2021 ‘introduisant le parquet de la sécurité routière
et portant des dispositions diverses en matière d’organisation
judiciaire et de justice’ (insérés par amendement – sans l’avis
du Conseil d’État). Ce dernier dispositif cesse d’être en vigueur
le 1er juin 2022.
165
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Gevraagd hoe deze verruiming moet worden begrepen in
het licht van de doelstelling van de maatregel, antwoordde
de gemachtigde het volgende:
“De maatregel loopt tot eind 2024. Dit betekent dat niet al‑
leen rekening moet worden gehouden met de veroordeelden
die op het ogenblik van inwerkingtreding onder elektronisch
toezicht staan (en die inderdaad slechts potentieel binnen de
finaliteit van de maatregel komen, nl. wanneer hun elektronisch
toezicht zou worden herroepen en ze wederopgesloten wor‑
den – waarna ze gedurende zes maanden niet in aanmerking
komen voor de toekenning van deze maatregel), maar ook/
vooral met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur
van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn om
elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te allen prijze
vermeden worden dat deze laatste categorie veroordeelden een
afweging zou maken tussen het aanvragen van elektronisch
toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en
het gewoon wachten tot 6 maanden voor strafeinde om dan
quasi automatisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor
die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor
de problematiek van overbevolking. De maatregel zou dus
ook worden toegekend aan veroordeelden onder elektronisch
toezicht, om de aanvragen elektronisch toezicht niet te fnuiken
en dit mogelijke perverse effect dus te vermijden.”
Het is aangewezen om deze verantwoording op te nemen
in de memorie van toelichting.
Hoofdstuk 20
Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende
het gevangeniswezen en de rechtspositie gedetineerden
Bij dit hoofdstuk zijn geen opmerkingen te maken.
Hoofdstuk 21
Overgangsbepalingen
In artikel 121, tweede lid, van het voorontwerp moet ook
worden verwezen naar artikel 49 van de wet van 17 mei 2006.
Hoofdstuk 22
Inwerkingtreding
Artikel 122
Aangezien de artikelen 46 en 48 luidens de toelichting bij
het artikel strekken ter “verbetering” van een bepaling die op
1 juli 2022 in werking treedt, is het beter om in het tweede lid
te bepalen dat die artikelen op die datum in werking treden,
voor zover dat geen terugwerkende kracht meebrengt.
À la question de savoir comment cet élargissement doit
s’entendre au regard de l’objectif de la mesure, le délégué a
répondu ce qui suit:
“De maatregel loopt tot eind 2024. Dit betekent dat niet
alleen rekening moet worden gehouden met de veroordeelden
die op het ogenblik van inwerkingtreding onder elektronisch
toezicht staan (en die inderdaad slechts potentieel binnen de
finaliteit van de maatregel komen, nl. wanneer hun elektronisch
toezicht zou worden herroepen en ze wederopgesloten wor‑
den – waarna ze gedurende zes maanden niet in aanmerking
komen voor de toekenning van deze maatregel), maar ook/
vooral met de veroordeelden die tijdens de geldigheidsduur
van de maatregel in de tijdsvoorwaarden komen of zijn om
elektronisch toezicht aan te vragen. Er moet te allen prijze
vermeden worden dat deze laatste categorie veroordeelden een
afweging zou maken tussen het aanvragen van elektronisch
toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en
het gewoon wachten tot 6 maanden voor strafeinde om dan
quasi automatisch vrijgesteld te worden, om te kiezen voor
die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor
de problematiek van overbevolking. De maatregel zou dus
ook worden toegekend aan veroordeelden onder elektronisch
toezicht, om de aanvragen elektronisch toezicht niet te fnuiken
en dit mogelijke perverse effect dus te vermijden”.
Il est recommandé d’inscrire cette justification dans l’exposé
des motifs.
Chapitre 20
Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005
concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut
juridique des détenus
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 21
Dispositions transitoires
À l’article 121, alinéa 2, de l’avant‑projet, on visera égale‑
ment l’article 49 de la loi du 17 mai 2006.
Chapitre 22
Entrée en vigueur
Article 122
À l’alinéa 2, puisque les articles 46 et 48 tendent à “réparer”,
selon la formulation du commentaire de l’article, une dispo‑
sition qui entre en vigueur le 1er juillet 2022, mieux vaudrait
les faire entrer en vigueur à cette date, pour autant que cela
n’entraîne pas de rétroactivité.
2774/001
DOC 55
166
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Slotopmerking
Bij de te wijzigen bepalingen wordt niet steeds de (cor‑
recte) wetsgeschiedenis vermeld. Het voorontwerp dient op
dit punt grondig te worden nagekeken. Wat de wijzingen aan
de artikelen van de wet van 17 mei 2006 (hoofdstuk 12 van het
voorontwerp) betreft, dient bijvoorbeeld rekening te worden
gehouden met de wijzigingen bij de wet van 29 juni 2021 ‘tot
operationalisering van de procedure voor de uitvoering van
vrijheidsstraffen van drie jaar of minder’, die uiterlijk op 1 juni
2022 in werking zullen treden.39
De griffier,
Greet VERBERCKMOES
De voorzitter,
MARNIX VAN DAMME
De griffier,
Béatrice DRAPIER
De voorzitter,
Pierre VANDERNOOT
De griffier,
Annemie GOOSSENS
De voorzitter,
Wilfried VAN VAERENBERGH
De griffier,
Charles‑Henri VAN HOVE
De voorzitter,
Martine BAGUET
39
Bijv. de artikelen 23 en 43 van de wet van 7 mei 2006 (artikelen 81
en 90 van het voorontwerp).
Observation finale
L’historique législatif (correct) des dispositions à modifier n’est
pas toujours mentionné. Il s’impose de vérifier l’avant-projet
de manière approfondie sur ce point. En ce qui concerne les
modifications apportées aux articles de la loi du 17 mai 2006
(chapitre 12 de l’avant‑projet), il convient par exemple de tenir
compte des modifications apportées par la loi du 29 juin 2021
‘portant opérationnalisation de la procédure d’exécution des
peines privatives de liberté de trois ans ou moins’, qui entrent
en vigueur au plus tard le 1er juin 202239.
Le greffier,
Greet VERBERCKMOES
Le président,
MARNIX VAN DAMME
Le greffier,
Béatrice DRAPIER
Le président,
Pierre VANDERNOOT
Le greffier,
Annemie GOOSSENS
Le président,
Wilfried VAN VAERENBERGH
Le greffier,
Charles‑Henri VAN HOVE
Le président,
Martine BAGUET
39
Par exemple, les articles 23 et 43 de la loi du 7 mai 2006 (articles 81
et 90 de l’avant-projet).
167
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
WETSONTWERP
FILIP,
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van de minister van Justitie,
hebben Wij besloten en besluiten Wij:
De minister van Justitie is ermee belast in Onze naam
bij de Kamer van volksvertegenwoordigers het ontwerp
van wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt:
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 2
In artikel 165/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden
de woorden “, waarvan de gemeente het uitsluitend
gebruiksrecht heeft,” opgeheven.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Art. 3
In het Eerste Boek, Hoofdstuk IV van het Wetboek van
Strafvordering wordt een Afdeling 1bis/1 ingevoegd, dat
artikel 28decies omvat, met als opschrift: “Afdeling 1bis/1.
Toezicht op het opsporingsonderzoek door de kamer
van inbeschuldigingstelling”.
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
Roi des Belges,
À tous, présents et à venir,
Salut.
Sur la proposition du ministre de la Justice,
Nous avons arrêté et arrêtons:
Le ministre de la Justice est chargé de présenter en
Notre nom à la Chambre des représentants le projet de
loi dont la teneur suit:
CHAPITRE 1ER
Dispositions générales
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74
de la Constitution.
CHAPITRE 2
Modification de l’ancien Code civil
Art. 2
Dans l’article 165/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil,
inséré par la loi du 18 juin 2018 les mots “dont la com-
mune a l’usage exclusif,” sont abrogés.
CHAPITRE 3
Modifications du Code d’instruction criminelle
Art. 3
Dans le Livre premier, chapitre IV, du Code d’ins-
truction criminelle, il est inséré une section 1rebis/1,
comportant l’article 28decies, et intitulée comme suit:
“Section 1rebis/1. Du contrôle de l’information par la
chambre des mises en accusation”.
2774/001
DOC 55
168
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 4
In Afdeling 1bis/1 van hoofdstuk IV van het Eerste
boek van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 28decies
ingevoegd, luidende:
“Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na een
jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de kamer van
inbeschuldigingstelling worden aanhangig gemaakt
door een aan de griffie van het hof van beroep gericht
met redenen omkleed verzoekschrift uitgaande van de
verdachte of de benadeelde persoon.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor het
goede verloop van het opsporingsonderzoek, de wet-
tigheid of de regelmatigheid van de procedure, doet
de procureur-generaal te allen tijde voor de kamer van
inbeschuldigingstelling de vorderingen die hij nuttig acht.
In dat geval kan de kamer van inbeschuldigingstel-
ling, zelfs ambtshalve, verslag vragen over de stand van
zaken en kennis nemen van de dossiers en de bij de
artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan de pro-
cureur des Konings in zijn verslag horen, buiten de
aanwezigheid van de partijen indien zij dat nuttig acht.
Zij kan eveneens de benadeelde persoon, de verdachte
en hun advocaten horen, na kennisgeving die hen door
de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de zitting
per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische
weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over het
verzoekschrift uitspraak bij een met redenen omkleed
arrest dat wordt medegedeeld aan de procureur-generaal,
de verzoekende partij en de gehoorde partijen. De ver-
zoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp
indienen vooraleer een termijn van zes maanden is
verstreken te rekenen van de laatste beslissing.”.
Art. 5
In artikel 39ter, § 3, tweede lid van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd door de wet van 5 mei 2019, worden de woor-
den “met een gevangenisstraf van zes maanden tot
een jaar en met een geldboete van zesentwintig tot
twintigduizend euro of met één van die straffen alleen”
vervangen door de woorden “met een geldboete van
honderd tot dertigduizend euro”.
Art. 4
Dans la section 1rebis/1 du chapitre IV du Livre pre-
mier du même Code, il est inséré un article 28decies,
rédigé comme suit:
“Art. 28decies. Si l’information n’est pas clôturée après
une année, la chambre des mises en accusation peut
être saisie par une requête motivée de l’inculpé ou de la
personne lésée adressée au greffe de la cour d’appel.
S’il l’estime nécessaire pour le bon déroulement de
l’information, la légalité ou la régularité de la procédure,
le procureur général prend, à tout moment, devant la
chambre des mises en accusation, les réquisitions qu’il
juge utiles.
Dans ce cas, la chambre des mises en accusation
peut, même d’office, demander des rapports sur l’état
des affaires et peut prendre connaissance des dossiers et
prendre les mesures prévues aux articles 235 et 235bis.
Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut entendre
le procureur du Roi en son rapport, hors la présence
des parties si elle l’estime utile. Elle peut également
entendre la personne lésée, l’inculpé et leurs conseils,
sur convocation qui leur est notifiée par le greffier, par
télécopie, par lettre simple ou par voie électronique, au
plus tard quarante-huit heures avant l’audience.
La chambre des mises en accusation statue sur la
requête par arrêt motivé, qui est communiqué au pro-
cureur général, à la partie requérante et aux parties
entendues. Le requérant ne peut déposer de requête
ayant le même objet avant l’expiration du délai de six
mois à compter de la dernière décision.”.
Art. 5
À l’article 39ter, § 3, alinéa 2 du même Code, modifié
par la loi du 5 mai 2019, les mots “d’un emprisonnement
de six mois à un an ou d’une amende de vingt-six euros
à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement”
sont remplacés par les mots “d’une amende de cent
euros à trente mille euros”.
169
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 6
In artikel 46bis, § 2, vierde lid van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd door de wet van 25 december 2016, worden
de woorden “met geldboete van zesentwintig euro tot
tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een
geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 7
In artikel 46bis/1, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd door de wet van 17 mei 2017, worden de
woorden “met een geldboete van zesentwintig euro tot
tienduizend euro” vervangen door de woorden “met een
geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 8
In artikel 46ter, § 2, vierde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd door de wet van 6 januari 2003, worden de
woorden “met gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig EUR tot tiendui-
zend EUR of met een van die straffen alleen” vervangen
door de woorden “met een geldboete van honderd euro
tot dertigduizend euro”.
Art. 9
In artikel 46quater, § 4, laatste lid, van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2019 en
28 november 2021, worden de woorden “met gevangenis-
straf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete
van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met een
van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met
een geldboete van honderd euro tot dertigduizend euro”.
Art. 10
In artikel 88bis, § 4, laatste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wetten van 25 december 2016 en 5 mei
2019, worden de woorden “met geldboete van zesen-
twintig euro tot tienduizend euro” vervangen door de
woorden “met een geldboete van honderd euro tot
dertigduizend euro”.
Art. 11
In artikel 88quater, § 3, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd door de wet van 28 november 2000 en gewijzigd
door de wet van 25 december 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
Art. 6
À l’article 46bis, § 2, alinéa 4 du même Code, modifié
par la loi du 25 décembre 2016, les mots “d’une amende
de vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les
mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 7
À l’article 46bis/1, § 2, alinéa 3 du même Code, inséré
par la loi du 17 mai 2017, les mots “d’une amende de
vingt-six euros à dix mille euros” sont remplacés par les
mots “d’une amende de cent euros à trente mille euros “.
Art. 8
À l’article 46ter, § 2, alinéa 4 du même Code, inséré par
la loi du 06 janvier 2003, les mots “d’un emprisonnement
de huit jours à un an et d’une amende de vingt-six EUR
à dix mille EUR ou d’une de ces peines seulement” sont
remplacés par les mots “d’une amende de cent euros
à trente mille euros”.
Art. 9
À l’article 46quater, § 4, dernier alinéa du même
Code, modifié par la loi du 05 mai 2019 et par la loi du
28 novembre 2021, les mots “d’un emprisonnement de
huit jours à un an et d’une amende de vingt-six euros à
dix mille euros ou d’une de ces peines seulement” sont
remplacés par les mots “d’une amende de cent euros
à trente mille euros”.
Art. 10
À l’article 88bis, § 4, dernier alinéa du même Code,
modifié par la loi du 25 décembre 2016 et par la loi du
5 mai 2019, les mots “d’une amende de vingt-six euros
à dix mille euros” sont remplacés par les mots “d’une
amende de cent euros à trente mille euros”.
Art. 11
À l’article 88quater, § 3, du même Code, inséré par
la loi du 28 novembre 2000 et modifié par la loi du
25 décembre 2016, les modifications suivantes sont
apportées:
2774/001
DOC 55
170
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in het eerste lid worden de woorden “met gevange-
nisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete
van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een
van die straffen alleen” vervangen door de woorden “met
geldboete van honderd tot dertigduizend euro”;
2° het tweede lid wordt aangevuld met de woorden
“of een van die straffen alleen”.
Art. 12
In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, vervangen
door de wet van 25 december 2016, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid worden de woorden “met
geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro”
vervangen door de woorden “met een geldboete van
honderd euro tot dertigduizend euro”;
2° in paragraaf 4, wordt het derde lid vervangen als
volgt:
“Iedere persoon die zijn technische medewerking
weigert aan de vorderingen bedoeld in het eerste en
tweede lid, of de maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1,
hindert, wordt gestraft met een geldboete van honderd
euro tot dertigduizend euro”.;
3° in dezelfde paragraaf wordt tussen het derde en
het vierde lid een lid ingevoegd, luidende:
“Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste
en tweede lid de uitvoering van een misdaad of een
wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen ervan kan
beperken, en deze medewerking niet verleend wordt,
zijn de straffen een gevangenisstraf van één tot vijf jaar
en een geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend euro
of een van die straffen alleen.”.
4° in paragraaf 5 worden de woorden “artikel 39bis,
§ 3, vierde lid” vervangen door de woorden “artikel 88ter,
vierde lid”.
Art. 13
In artikel 136bis van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd
door de wet van 5 februari 2016, worden de woorden
“per faxpost of bij een ter post aangetekende brief”
vervangen door de woorden “per faxpost, bij gewone
brief of langs elektronische weg”.
1° dans l’alinéa 1er, les mots “d’un emprisonnement de
six mois à trois ans et d’une amende de vingt-six euros
à vingt mille euros ou d’une de ces peines seulement”
sont remplacés par les mots “d’une amende de cent
euros à trente mille euros“;
2° l’alinéa 2 est complété par les mots “ou une de
ces peines seulement”.
Art. 12
À l’article 90quater du même Code, remplacé par la
loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “d’une
amende de vingt-six euros à vingt mille euros” sont
remplacés par les mots “d’une amende de cent euros
à trente mille euros”;
2° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est remplacé par
ce qui suit:
“Toute personne qui refuse de prêter son concours
technique aux réquisitions visées aux alinéas 1er et 2,
ou qui fait obstacle aux mesures visées à l’article 90ter,
§ 1er, est punie d’une amende de cent euros à trente
mille euros.”;
3° dans le même paragraphe un alinéa rédigé comme
suit est inséré entre l’alinéa 3 et l’alinéa 4:
“Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut
empêcher la commission d’un crime ou d’un délit ou
peut en limiter les effets et que cette collaboration n’est
pas fournie, les peines sont un emprisonnement de un à
cinq ans et une amende de cinq cents euros à cinquante
mille euros ou une de ces peines seulement.”.
4° Dans le paragraphe 5, les mots “l’article 39bis, § 3,
alinéa 4” sont remplacés par “l’article 88ter, alinéa 4”.
Art. 13
Dans l’article 136bis du même Code, modifié en
dernier lieu par la loi du 5 février 2016, les mots “par
télécopie ou par lettre recommandée à la poste” sont
remplacés par les mots “par télécopie, par lettre simple
ou par voie électronique”.
171
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 14
In artikel 162ter van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt:
“Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de
beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf
burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft aanleiding tot
de betaling van de administratieve toeslag zoals bedoeld
in titel 4 van de programmawet van 21 juni 2021, indien
de voorgestelde minnelijke schikking zoals bepaald in
artikel 216bis niet kan worden uitgevoerd of bekrachtigd.
Het bedrag van de administratieve toeslag bedraagt
25,32 euro.”
2° in het tweede lid wordt de zin “Het bedrag van de
administratieve toeslag bedraagt in dat geval 25,32 euro.”
opgeheven.
Art. 15
In artikel 196/1, laatste lid, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “een bijdrage of een administratieve
toeslag.” vervangen door de woorden “of een bijdrage.”.
Art. 16
In artikel 203 van hetzelfde Wetboek worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in de eerste paragraaf worden de woorden
“Behoudens de uitzondering van artikel 205 hierna,
vervalt het recht van hoger beroep,” vervangen door de
woorden “Het recht van hoger beroep vervalt”;
2° in de eerste paragraaf wordt het laatste lid
opgeheven;
3° de tweede paragraaf wordt vervangen als volgt:
“§ 2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk aan-
sprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld beschikt
het openbaar ministerie over een bijkomende termijn van
tien dagen om hoger beroep in te stellen. Deze termijn
loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn van de
beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij.
Indien het openbaar ministerie hoger beroep heeft
aangetekend beschikken de beklaagde en de burger-
rechtelijk aansprakelijke partij over een bijkomende termijn
Art. 14
Dans l’article 162ter du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
“Tout jugement de condamnation rendu contre le
prévenu et les personnes civilement responsables de
l’infraction donne lieu au paiement de la redevance admi-
nistrative telle que visée au titre 4 de la loi-programme
du 21 juin 2021, si la transaction pénale proposée et
prévue par cet article ne peut pas être exécutée ou
homologuée. Le montant de la redevance administrative
s’élève à 25,32 euros.”
2° dans l’alinéa 2, la phrase “Le montant de la rede-
vance administrative s’élève dans ce cas à 25,32 euros.”
est abrogée.
Art. 15
Dans l’article 196/1, dernier alinéa, du même Code,
les mots “, à une contribution ou à une redevance ad-
ministrative.” sont remplacés par les mots “ou à une
contribution.”.
Art. 16
Dans l’article 203 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le premier paragraphe les mots “, sauf l’excep-
tion portée en l’article 205 ci-après,” sont supprimés”;
2° dans le premier paragraphe le dernier alinéa est
supprimé;
3° le deuxième paragraphe est remplacé comme suit:
“§ 2. Si le prévenu ou la partie civilement responsable
a interjeté appel, le ministère public dispose d’un délai
supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce
délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert
au prévenu ou à la partie civilement responsable.
Si le ministère public a interjeté appel, le prévenu et
la partie civilement responsable disposent d’un délai
supplémentaire de dix jours pour interjeter appel. Ce
2774/001
DOC 55
172
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van tien dagen om hoger beroep aan te tekenen. Deze
termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn
van het openbaar ministerie.
Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij gericht,
dan beschikt deze over de bijkomende termijn van tien
dagen om hoger beroep in te stellen tegen de beklaagden
en de burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij in de
zaak wil doen blijven, onverminderd haar recht incidenteel
beroep in te stellen overeenkomstig paragraaf 4. Deze
termijn loopt vanaf het verstrijken van de beroepstermijn
van de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke
partij die het hoofdberoep hebben ingesteld.”.
Art. 17
Artikel 205 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 18
In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/1 in-
gevoegd, luidende:
“§ 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een
goede rechtsbedeling, hetzij door de onevenredigheid
tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van as-
sisen en het aantal procespartijen, hetzij door het groot
aantal slachtoffers met de buitenlandse nationaliteit, dat
het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uit-
maken van een geluidsopname of van een audiovisuele
opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk
maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel
dat de vertrouwelijkheid van de verzending garandeert,
voor de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang
tot de uitzending hebben verzocht. Hij motiveert zijn
beslissing rekening houdend met de voormelde criteria.
§ 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of
een deel van de debatten uit te zenden om de sereniteit
van de debatten te garanderen of om de verstoring van
de openbare orde te voorkomen en kan om die reden
de uitzending ten allen tijde onderbreken.
§ 3. Het opnemen van deze opname of het uitzenden
ervan aan derden wordt bestraft met een gevangenis-
straf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete
van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een
van die straffen alleen.
§ 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit artikel toe te
passen, wordt dit met alle passende middelen meege-
deeld aan de gekende slachtoffers en hun advocaten.
De slachtoffers en hun advocaten moeten ten minste
acht dagen voor aanvang van de zitting aan de griffie
délai court à partir de l’expiration du délai d’appel ouvert
au ministère public.
Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile, celle-
ci a un délai supplémentaire de dix jours pour interjeter
appel contre les prévenus et les personnes civilement
responsables qu’elle entend maintenir à la cause, sans
préjudice de son droit de faire appel incident confor-
mément au paragraphe 4. Ce délai court à partir de
l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu ou à la
personne civilement responsable ayant formé l’appel
principal.”.
Art. 17
L’article 205 du même Code est abrogé.
Art. 18
Dans le même Code un article 258/1 est inséré,
rédigé comme suit:
“§ 1er. Le président peut décider, dans l’intérêt de la
bonne administration de la justice, en raison soit de la
disproportion entre, la capacité d’accueil physique de la
cour d’assises et le nombre de parties au procès, soit du
grand nombre de victimes de nationalité étrangère, que
le déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation
sonore ou audiovisuelle permettant sa diffusion différé,
par un moyen de télécommunication garantissant la
confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs
avocats qui ont fait la demande d’accès à la diffusion. Il
motive sa décision en tenant compte des critères précités.
§ 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion
de tout ou partie des débats afin de garantir la sérénité
des débats ou de prévenir un trouble à l’ordre public et
peut à cette fin interrompre l’émission à tout moment.
§ 3. L’enregistrement de cette captation ou sa diffu-
sion à des tiers sera puni d’un emprisonnement de six
mois à deux ans et d’une amende de deux cents euros
à dix mille euros ou avec l’une de ces pénalités seules.
§ 4. Si le président décide d’appliquer le présent
article, il en est fait part aux victimes connues et à leurs
avocats, par tous les moyens appropriés. Les victimes
et leurs avocats doivent informer le greffe ou le parquet
au moins huit jours avant le début de l’audience qu’ils
173
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
of aan het parket meedelen dat zij de uitzending van de
geluidsopname of van de audiovisuele opname van de
terechtzittingen willen ontvangen.
§ 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten worden
geïnformeerd over de praktische modaliteiten van toegang
tot de uitzending van de debatten worden zij expliciet
op de hoogte gebracht van de bepaling in paragraaf 3.”.
§ 6. Het gebruik van het systeem vereist de verwerking
van de volgende gegevens:
1° Voor elke verschijnende natuurlijke persoon:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) in voorkomend geval, de geboortedatum en – plaats;
c) in voorkomend geval, de woonplaats;
d) in voorkomend geval, het rijksregisternummer;
e) in voorkomend geval, het ondernemingsnummer
van de onderneming die hij vertegenwoordigt;
f) in voorkomend geval, het adres van maatschappe-
lijke zetel van de onderneming die hij vertegenwoordigt.
2° voor elke gebruiker, de metagegevens gegenereerd
door de connectie met het systeem;
3° de afbeelding en de stem van de personen die
deelnemen aan de zitting;
4° de gegevens, met inbegrip van de persoonsgege-
vens, meegedeeld in de loop van de zitting.
§ 7. De gegevens worden bewaard voor de duur van
het proces en de opnames kunnen in geen geval langer
dan een jaar worden bewaard.
Art. 19
In hetzelfde Wetboek wordt er een artikel 258/2 in-
gevoegd, luidende:
“Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan
de voorzitter beslissen dat het verloop van de terechtzit-
ting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname
of van een audiovisuele opname wanneer deze op-
name van belang is voor het aanleggen van historische
justitiearchieven.
In geval van geluidsopname of audiovisuele opname,
zoals voorzien in het vorige lid en in artikel 258/1, wordt
souhaitent recevoir la diffusion de la captation sonore
ou audiovisuelle des audiences.
§ 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont infor-
més des modalités pratiques d’accès à la diffusion des
débats, la disposition du paragraphe 3 est expressément
portée à leur connaissance.”.
§ 6. L’utilisation du système requiert le traitement des
données suivantes:
1° Pour chaque personne physique comparante:
a) les nom et prénom(s);
b) le cas échéant, la date et le lieu de naissance;
c) le cas échéant, le domicile;
d) le cas échéant, le numéro de registre national;
e) le cas échéant, le numéro d’entreprise de l’entre-
prise qu’il représente;
f) le cas échéant, l’adresse du siège social de l’entre-
prise qu’il représente.
2° pour chaque utilisateur, les métadonnées générées
par la connexion au système;
3° l’image et la voix des personnes participant à
l’audience;
4° les données, y compris celles à caractère personnel,
communiquées au cours de l’audience.
§ 7. Les données sont conservées pendant toute la
durée du procès et les enregistrements ne peuvent en
aucun cas être conservés plus d’un an.
Art. 19
Dans le même Code un article 258/2 est inséré,
rédigé comme suit:
“Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le pré-
sident peut décider que le déroulement de l’audience fera
l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque
cette captation présente un intérêt pour la constitution
d’archives historiques de la justice.
En cas de captation sonore ou audiovisuelle, confor-
mément à l’alinéa précédent et à l’article 258/1, le support
2774/001
DOC 55
174
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de digitale drager met de volledige opname van de
debatten, na het sluiten van de debatten, bij het straf-
dossier gevoegd.”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 20
Het opschrift van hoofdstuk IX van Boek 1 van het
Strafwetboek wordt als volgt vervangen:
“Verzwarende omstandigheden, verzwarende factoren
en verzachtende omstandigheden”.
Art. 21
In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 78bis ingevoegd, luidende:
“Art. 78bis. Indien de wet voorziet in verzwarende
factoren, moet de rechter deze factoren in overweging
nemen wanneer hij de straf of de maatregel en de zwaarte
ervan kiest, zonder dat hij een straf kan opleggen die
hoger is dan de maximumstraf op dit misdrijf gesteld.”.
Art. 22
In hoofdstuk IX van Boek 1 van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 78ter ingevoegd, luidende:
“Art. 78ter. De discriminerende drijfveer van de dader
is een verzwarende factor bij alle misdrijven, behoudens
in die gevallen waarin de wet van de discriminerende
drijfveer een verzwarende omstandigheid maakt.
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd vanuit
een discriminerende drijfveer wanneer een van de
drijfveren van de dader bestaat uit de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon
wegens diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst,
nationale of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van borstvoeding,
medisch begeleide voortplanting, ouderschap, zoge-
naamde geslachtsverandering, genderidentiteit, gen-
derexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of
levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap,
taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke
of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie,
numérique contenant la captation intégrale des débats
est versé au dossier pénal après la clôture des débats.”.
CHAPITRE 4
Modifications du Code pénal
Art. 20
L’intitulé du chapitre IX du Livre 1er du Code pénal est
remplacé par ce qui suit:
“Des circonstances aggravantes, des facteurs aggra-
vants et des circonstances atténuantes”.
Art. 21
Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est
inséré un article 78bis, rédigé comme suit:
“Art. 78bis. Si la loi prévoit des facteurs aggravants,
le juge doit les prendre en considération lors du choix
de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci,
sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine
maximale prévue pour l’infraction.”.
Art. 22
Dans le chapitre IX du Livre 1er du même Code, il est
inséré un article 78ter, rédigé comme suit:
“Art. 78ter. Le motif discriminatoire de l’auteur est
un facteur aggravant pour toutes les infractions sauf
dans les cas où la loi fait du mobile discriminatoire une
circonstance aggravante.
Une infraction est réputée avoir été commise avec
un mobile discriminatoire lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en la haine, le mépris ou l’hostilité
à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue
race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de
son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de
son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de
l’allaitement, de la procréation médicalement assistée,
de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe,
de son identité de genre, de son expression de genre,
de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de
175
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of
slechts vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van
de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of
vermeende band heeft met een persoon ten aanzien
van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we-
gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.”.
Art. 23
In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, van het-
zelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 februari
2003, vervangen bij de wet van 10 mei 2007, gewijzigd
bij de wet van 30 december 2009 en vervangen bij de
wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “Wanneer een van de drijfveren van de
misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een persoon we-
gens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst,
zijn nationale of etnische afstamming, zijn nationaliteit,
zijn geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn
leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing,
zijn huidige of toekomstige gezondheidstoestand, een
handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale
overtuiging, een fysieke of genetische eigenschap of zijn
sociale afkomst” worden vervangen door de woorden
“Wanneer een van de drijfveren van de dader bestaat uit
de haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur,
afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit,
geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borst-
voeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap,
zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of
levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap,
taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke
of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie,
ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of
slechts vermeend is door de dader”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction
syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique
ou de son origine et de sa condition sociales, que cette
caractéristique soit présente de manière effective ou
seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime
et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la
haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs
des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à
l’alinéa précédent.”.
Art. 23
À l’article 405quater du même Code, inséré par la loi
du 25 février 2003, remplacé par la loi du 10 mai 2007,
modifié par la loi du 30 décembre 2009 et remplacé
par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “Lorsqu’un des mobiles du crime ou du
délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une
personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur
de peau, de son ascendance, de son origine nationale
ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
changement de sexe, de son orientation sexuelle, de son
état civil, de sa naissance, de son âge, de sa fortune, de
sa conviction religieuse ou philosophique, de son état
de santé actuel ou futur, d’un handicap, de sa langue,
de sa conviction politique, de sa conviction syndicale,
d’une caractéristique physique ou génétique ou de son
origine sociale” sont remplacés par les mots “Lorsqu’un
des mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou l’hosti-
lité à l’égard d’une personne en raison de sa prétendue
race, de sa couleur de peau, de son ascendance, de
son origine nationale ou ethnique, de sa nationalité, de
son sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de
l’allaitement, de la procréation médicalement assistée,
de sa parentalité, de son prétendu changement de sexe,
de son identité de genre, de son expression de genre,
de ses caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de son patrimoine, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé, d’un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa conviction
syndicale, d’une caractéristique physique ou génétique
ou de son origine et de sa condition sociales, que cette
caractéristique soit présente de manière effective ou
seulement supposée par l’auteur”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
2774/001
DOC 55
176
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van
de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of
vermeende band heeft met een persoon ten aanzien
van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we-
gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.”.
Art. 24
In de artikelen 422quater, 438bis, 442ter, 453bis,
514bis, 525bis, 532bis, 534quater, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 25 februari 2003, vervangen
bij de wet van 10 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van
30 december 2009, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de woorden “wanneer een van de drijfveren van
de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen,
het misprijzen van of de vijandigheid tegen een per-
soon wegens diens zogenaamd ras, zijn huidskleur,
zijn afkomst, zijn nationale of etnische afstamming, zijn
nationaliteit, zijn geslacht, zijn seksuele geaardheid,
zijn burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn for-
tuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn huidige of
toekomstige gezondheidstoestand, een handicap, zijn
taal, zijn politieke overtuiging, zijn syndicale overtuiging,
een fysieke of genetische eigenschap of zijn sociale
afkomst” worden vervangen door de woorden “wan-
neer een van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de vijandigheid tegen
een persoon wegens diens zogenaamd ras, huidskleur,
afkomst, nationale of etnische afstamming, nationaliteit,
geslacht, zwangerschap, bevalling, het geven van borst-
voeding, medisch begeleide voortplanting, ouderschap,
zogenaamde geslachtsverandering, genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen, geloof of
levensbeschouwing, gezondheidstoestand, handicap,
taal, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke
of genetische eigenschap of sociale afkomst en positie,
ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of
slechts vermeend is door de dader”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren van
de dader erin bestaat dat het slachtoffer een band of
vermeende band heeft met een persoon ten aanzien
van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert we-
gens een of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.”.
“Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime
et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la
haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs
des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à
l’alinéa précédent.”.
Art. 24
Aux articles 422quater, 438bis, 442ter, 453bis, 514bis,
525bis, 532bis, 534quater, du même Code, insérés par
la loi du 25 février 2003, remplacés par la loi du 10 mai
2007 et modifiés par la loi du 30 décembre 2009, les
modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “lorsqu’un des mobiles du crime ou du
délit est la haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une
personne en raison de sa prétendue race, de sa couleur
de peau, de son ascendance, de son origine nationale
ou ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa naissance,
de son âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé actuel ou futur, d’un
handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de
sa conviction syndicale, d’une caractéristique physique
ou génétique ou de son origine sociale” sont remplacés
par les mots “lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la
haine, le mépris ou l’hostilité à l’égard d’une personne en
raison de sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou ethnique,
de sa nationalité, de son sexe, de sa grossesse, de son
accouchement, de l’allaitement, de la procréation médi-
calement assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre, de son
expression de genre, de ses caractéristiques sexuelles,
de son orientation sexuelle, de son état civil, de sa nais-
sance, de son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de santé, d’un
handicap, de sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d’une caractéristique physique ou
génétique ou de son origine et de sa condition sociales,
que cette caractéristique soit présente de manière effec-
tive ou seulement supposée par l’auteur”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Il en va de même lorsque l’un des mobiles de l’auteur
consiste en un lien ou un lien supposé entre la victime
et une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la
haine, du mépris ou de l’hostilité pour une ou plusieurs
des caractéristiques réelles ou supposées énoncées à
l’alinéa précédent.”.
177
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 25
In boek II, titel VIII, hoofdstuk IV, van hetzelfde wetboek
worden in artikel 442/1 in de plaats van de woorden “aan
het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1, van de
wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig
binnendringen in, bezetten van of verblijven in ander-
mans goed of”, vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het
Grondwettelijk Hof, de volgende woorden ingevoegd:
“aan het bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1,
van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het on-
rechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven
in andermans goed, zoals hersteld bij de wet van … of”.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 26
Artikel 555/13, § 2, tweede lid van het Gerechtelijk
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt
vervangen als volgt:
“De minister van Justitie of de door hem gemachtigde
ambtenaar kan een vrijstelling voor de in § 1, 2°, bedoelde
voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of
beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum
van aanvraag van de vrijstelling gedurende een onon-
derbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit
van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of
vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode
voldoende heeft bijgeschoold.”.
Art. 27
In artikel 1344octies, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 18 oktober 2017, worden de
woorden “doordat het ondanks pogingen van de verzoe-
ker in die zin, voor hem niet mogelijk is geweest om de
identiteit van zelfs een van de bezetters van het goed te
bepalen” ingevoegd tussen de woorden “noodzakelijk-
heid” en “, bij”.
Art. 28
In artikel 1727, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder 2° worden de woorden “, even-
als de evaluaties met het oog op het afleveren van een
erkenning en de erkenningsprocedure;” vervangen door
Art. 25
Dans l’article 442/1 du livre II, titre VIII, chapitre IV, du
même code, à la place des mots “à l’ordonnance d’éva-
cuation visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre
2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour
illégitimes dans le bien d’autrui ou” annulés par l’arrêt
n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, les mots sui-
vants sont insérés: “à l’ordonnance d’évacuation visée
à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre 2017 relative
à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes
dans le bien d’autrui, rétabli par la loi du …, ou”.
CHAPITRE 5
Modifications du Code judiciaire
Art. 26
L’article 555/13, § 2, alinéa 2 du Code judiciaire, inséré
par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui suit:
“Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délé-
gué par lui peut accorder une dispense de la condition
visée au § 1er, 2°, à l’expert judiciaire ou au traducteur,
interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une
période ininterrompue de minimum quinze ans avant
la date de la demande de la dispense, a exercé l’acti-
vité d’expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou
traducteur-interprète juré et s’est suffisamment formé
durant cette période.”.
Art. 27
Dans l’article 1344octies, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 18 octobre 2017, les mots “découlant
du fait que malgré les tentatives du requérant en ce
sens, il ne lui a pas été possible de déterminer l’identité
d’aucun des occupants du bien” sont insérés entre les
mots “nécessité” et “, par”.
Art. 28
Dans l’article 1727, § 2, du même Code, remplacé
par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans le 2°, les mots “ainsi que les évaluations en vue
de la délivrance d’un agrément et la procédure d’agré-
ment;” sont remplacés par les mots “par les candidats
2774/001
DOC 55
178
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de woorden “die de kandidaten-bemiddelaars moeten
volgen en die daadwerkelijk door de opleidingsinstantie
moeten worden beoordeeld;”;
2° de bepaling onder 2°/1 wordt ingevoegd, luidende:
“2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de erken-
ning van bemiddelaars te bepalen;”;
3° in de bepaling onder 10° worden de woorden “de lijst
van bemiddelaars opstellen en verspreiden” vervangen
door de woorden “de lijst van bemiddelaars opstellen
volgens de bijzondere domeinen van de bemiddelings-
praktijk en deze lijst verspreiden”.
Art. 29
In artikel 1727/2, § 3, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het eerste lid
vervangen als volgt:
“De algemene vergadering wijst te midden van de
leden van het bureau een voorzitter aan en een onder-
voorzitter, die de voorzitter zo nodig vervangt, evenals
een secretaris. Bij de aanwijzing ziet de algemene ver-
gadering erop toe dat de duur van de voorzitterschappen
en ondervoorzitterschappen in aantal maanden gelijk
is. Die ambten worden afwisselend toegekend aan een
Franstalige en een Nederlandstalige. Het voorzitter-
schap en het ondervoorzitterschap worden bovendien
afwisselend uitgeoefend door notarissen, advocaten,
magistraten, gerechtsdeurwaarders en door bemidde-
laars die geen van voornoemde beroepen uitoefenen.”.
Art. 30
In artikel 1727/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden “in artikel 1727,
§ 2, 8°, 9°, 11° en 12°” vervangen door de woorden “in
artikel 1727, § 2, 9°, 10°, 11° en 12°”;
2° in het derde lid, wordt het nummer “6°” vervangen
door het nummer “7°”.
Art. 31
In artikel 1727/4, § 1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de derde tot
zesde lid vervangen als volgt:
médiateurs et devant faire l’objet d’une évaluation effective
organisée par l’organe de formation;”;
2° il est inséré un 2°/1 rédigé comme suit:
“2°/1 déterminer les conditions et la procédure d’agré-
ment des médiateurs;”;
3° dans le 10°, les mots “dresser et diffuser la liste des
médiateurs” sont remplacés par les mots “dresser la liste
des médiateurs en fonction des domaines particuliers
de pratique de la médiation et la diffuser”.
Art. 29
Dans l’article 1727/2, § 3, du même Code, inséré
par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 1er est remplacé par
ce qui suit:
“L’assemblée générale désigne parmi les membres
du bureau un président et un vice-président, qui rem-
place le président le cas échéant, ainsi qu’un secrétaire.
L’assemblée générale veille au moment de la désignation
à ce que la durée des présidences et vice-présidences
soit équivalente en nombre de mois. Ces fonctions sont
attribuées alternativement à un francophone et un néer-
landophone. La présidence et la vice-présidence sont,
en outre, exercées alternativement par des notaires, des
avocats, des magistrats, des huissiers de justice et par
des médiateurs qui n’exercent aucune des professions
précitées.”.
Art. 30
Dans l’article 1727/2, § 4, du même Code, inséré par
la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “à l’article 1727, § 2, 8°, 9°,
11° et 12°” sont remplacés par les mots “à l’article 1727,
§ 2, 9°, 10°, 11° et 12°”;
2° dans l’alinéa 3, le “6°” est remplacé par “7°”.
Art. 31
Dans l’article 1727/4, § 1er, du même Code, inséré par
la loi du 18 juin 2018, les alinéas 3 à 6 sont remplacés
par ce qui suit:
179
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Een oproep tot kandidaten wordt bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad. Deze leden worden benoemd
door de minister van Justitie op voordracht van een lijst
opgesteld door het bureau, en waarin een met rede-
nen omkleed advies is opgenomen met betrekking tot
maximaal vijfentwintig kandidaten die in volgorde van
voorkeur zijn gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de bekendmaking van de vacatures, voor
de indiening van de kandidaturen, voor de voordracht
van de leden en de criteria voor de kandidaatstelling.
De leden worden benoemd voor een periode van
vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal worden
verlengd. Het mandaat van een lid kan voortijdig beëin-
digd worden door het ontslag van het lid of door een met
redenen omklede beslissing genomen door de minister
van Justitie op voorstel van het bureau. De als vervanger
aangewezen persoon wordt door het bureau gekozen
uit de in lid 3 bedoelde lijst. Indien op deze lijst geen
vervanger kan worden gevonden, wordt er vervolgens
gehandeld overeenkomstig het derde lid. In alle geval-
len voltooien de ter vervanging benoemde personen het
mandaat van de voorganger. Indien het om een eerste
mandaat gaat, mag het mandaat van de ter vervanging
benoemde persoon tweemaal worden verlengd.
De algemene vergadering wijst te midden van de
leden van het bureau een voorzitter voor elke commis-
sie aan. Bij de aanwijzing ziet de algemene vergadering
erop toe dat de duur van de voorzitterschappen in aantal
maanden gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend bekleed
door een Nederlandstalige en een Franstalige.”.
Art. 32
In artikel 1727/5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, worden de woorden “Het bureau
wijst voor een periode van twee jaar de voorzitter aan.”
vervangen door de woorden “Het bureau wijst de voorzit-
ter aan, en ziet er bij de benoeming op toe dat de duur
van de voorzitterschappen in aantal maanden gelijk is.”;
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
“§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor een
periode van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal
worden verlengd.
Het mandaat van een assessor kan voortijdig beëin-
digd worden door het ontslag van het lid of door een
met redenen omklede beslissing genomen door de mi-
nister van Justitie op voorstel van het bureau. Er wordt
“Un appel aux candidats est publié au Moniteur belge.
Les membres sont nommés par le ministre de la Justice
sur la base de la présentation d’une liste rédigée par le
bureau de maximum vingt-cinq candidats classés par
ordre de préférence, contenant un avis motivé pour
chaque candidat. Le Roi fixe les modalités de la publi-
cation des vacances, du dépôt des candidatures, de la
présentation des membres ainsi que les critères requis
pour poser sa candidature.
Ces membres sont nommés pour une période de
quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé qu’une
seule fois. Il peut être mis fin prématurément au man-
dat d’un membre par la démission du membre ou par
une décision motivée prise par le ministre de la Justice
sur la proposition du bureau. La personne nommée
en remplacement doit être choisie par le bureau sur
la liste visée à l’alinéa 3. Dans l’hypothèse où aucun
remplaçant ne peut être trouvé sur cette liste, il sera
procédé conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas,
les personnes nommées en remplacement achèvent le
mandat du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat,
le mandat de la personne nommée en remplacement
peut être renouvelé deux fois.
L’assemblée générale désigne parmi les membres
du bureau un président pour chaque commission.
L’assemblée générale veille au moment de la désigna-
tion à ce que la durée des présidences soit équivalente
en nombre de mois. Cette fonction est attribuée alter-
nativement à un francophone et à un néerlandophone.”.
Art. 32
Dans l’article 1727/5, du même Code, inséré par la
loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, les mots “Le bureau désigne
le président pour une période de deux ans” sont remplacés
par “Le bureau désigne le président et veille, au moment
de la désignation, à ce que la durée des présidences
soit équivalente en nombre de mois.”;
2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit:
“§ 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une période
de quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé
qu’une seule fois.
Il peut être mis fin prématurément au mandat d’un
assesseur par la démission de celui-ci ou par une décision
motivée prise par le ministre de la Justice sur la propo-
sition du bureau. Il est ensuite procédé conformément
2774/001
DOC 55
180
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vervolgens gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1,
derde lid. In alle gevallen voltooien de ter vervanging
benoemde personen het mandaat van de voorganger.
Indien het om een eerste mandaat gaat, mag het mandaat
van de ter vervanging benoemde persoon tweemaal
worden verlengd.”;
3° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het nummer “5°”
vervangen door het nummer “6°”;
4° in dezelfde paragraaf, derde lid, worden de woorden
“artikel 1727, § 2, 7° en 10°,” vervangen door de woorden
“artikel 1727, § 2, 5° en 8°,”;
Art. 33
In artikel 1734, § 1/1, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid
vervangen als volgt:
“Indien de partijen geen overeenstemming bereiken
over de aan te wijzen bemiddelaar of bemiddelaars, gaat
de rechter over tot de aanwijzing van een of meerdere
bemiddelaars, die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727,
bij voorkeur op basis van een lijst met alle bemiddelaars
die is opgesteld door de Federale bemiddelingscom-
missie. De rechter kiest een of meerdere bemiddelaars
die geschikt zijn in het licht van de aard van het geschil
tussen de partijen en die, voor zover mogelijk, gevestigd
zijn in de buurt van de woonplaats van de partijen.”.
HOOFDSTUK 6
Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot
regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen
Art. 34
In artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot
regeling van een Rijksregister van de natuurlijke perso-
nen, laatst gewijzigd bij de wet van 5 mei 2019, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid, worden de woorden “van de minister
bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang
hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3,
eerste tot derde lid” opgeheven;
2° in het vierde lid, worden de woorden “de via het
Rijksregister verkregen informatiegegevens” vervangen
door de woorden “het Rijksregisternummer”, de woorden
au paragraphe 1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les per-
sonnes nommées en remplacement achèvent le mandat
du prédécesseur. S’il s’agit d’un premier mandat, le
mandat de la personne nommée en remplacement peut
être renouvelé deux fois.”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, le “5°” est rem-
placé par “6°”;
4° dans le même paragraphe, alinéa 3, les mots “à
l’article 1727, § 2, 7° et 10°,” sont remplacés par les mots
“à l’article 1727, § 2, 5° et 8°,”;
Art. 33
Dans l’article 1734, § 1er/1, du même Code, inséré
par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est remplacé par
ce qui suit:
“Si les parties ne s’accordent pas sur le médiateur ou
les médiateurs à désigner, le juge désigne un médiateur
ou des médiateurs agréés selon l’article 1727, de pré-
férence sur la base d’une liste de tous les médiateurs
établie par la Commission fédérale de médiation. Le juge
choisit un ou des médiateurs compétents au regard de la
nature du différend entre les parties et, dans la mesure
du possible, établis à proximité du domicile des parties.”.
CHAPITRE 6
Modification de la loi du 8 août 1983 organisant
un registre national des personnes physiques
Art. 34
À l’article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983, organisant
un registre national des personnes physiques, modifié
en dernier lieu par la loi du 5 mai 2019, les modifications
suivantes sont apportées:
1° à l’alinéa 3, les mots “du ministre ayant l’Intérieur
dans ses attributions et peuvent accéder aux informa-
tions visées à l’article 3 alinéas 1er à 3” sont abrogés;
2° à l’alinéa 4, les mots “des informations obtenues
du” sont remplacés par les mots “le numéro de”, les
mots “à les recevoir” sont remplacés par les mots “à le
181
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“die informatiegegevens” door de woorden “dat num-
mer” en de woorden “die gegevens” door de woorden
“het nummer”.
HOOFDSTUK 7
Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit
Art. 35
In artikel 10 van het Wetboek van de Belgische na-
tionaliteit, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste en tweede lid zullen paragraaf 1 vormen;
2° in nieuwe paragraaf 1, eerste lid, worden de woor-
den “staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit niet
bezat” vervangen door de woorden “geen andere na-
tionaliteit bezit”;
3° nieuwe paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid,
luidende:
“De wettelijke vertegenwoordiger van het kind zendt
alle nuttige stukken waarover hij beschikt over aan de
ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar
het kind geboren is. In geval van twijfel over het ontbreken
van nationaliteit van het kind, vraagt de ambtenaar van
de burgerlijke stand het advies van de procureur des
Konings. In dat geval zendt hij hem een afschrift van
het dossier. Het advies wordt op korte termijn verstrekt
door de procureur des Konings.”;
4° het derde lid zal paragraaf 2 vormen;
5° het vierde lid zal paragraaf 3 vormen.
Art. 36
In artikel 24bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 22 december 1998, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° worden de woorden “De minister van Justitie legt de
richtlijnen vast” vervangen door de woorden “Het college
van procureurs-generaal kan de richtlijnen vastleggen”;
2° worden de woorden “nadat hij het advies heeft
ingewonnen van het college van procureurs-generaal”
opgeheven.
recevoir” et les mots “ces données” sont remplacés par
les mots “ce numéro”.
CHAPITRE 7
Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 35
Dans l’article 10 du Code de la nationalité belge,
modifié par la loi du 27 décembre 2006, les modifications
suivantes sont apportées:
1° les alinéas 1er et 2 formeront le paragraphe 1er;
2° Au paragraphe 1er nouveau, alinéa 1er, les mots
“serait apatride s’il n’avait cette nationalité” sont rempla-
cés par les mots “ne possède aucune autre nationalité”;
3° Le § 1er nouveau est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Le représentant légal de l’enfant transmet à l’Officier
de l’état civil du lieu de naissance de l’enfant toutes
les pièces utiles dont il dispose. En cas de doute sur
l’absence de nationalité de l’enfant, l’Officier de l’état
civil demande l’avis du Procureur du Roi. Dans ce cas,
il lui transmet copie du dossier. L’avis est rendu à bref
délai par le Procureur du Roi.”;
4° l’alinéa 3 formera le paragraphe 2;
5° l’alinéa 4 formera le paragraphe 3.
Art. 36
Dans l’article 24bis du même Code, inséré par la loi
du 22 décembre 1998, les modifications suivantes sont
apportées:
1° les mots “Le ministre de la Justice arrête” sont
remplacés par les mots “Le Collège des procureurs
généraux peut arrêter”;
2° les mots “, après consultation du Collège des
procureurs généraux” sont abrogés.
2774/001
DOC 55
182
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 37
In hetzelfde Wetboek wordt een Hoofdstuk Vter
ingevoegd, met als opschrift “Hoofdstuk Vter.
Adviesbevoegdheid van de Federale Overheidsdienst
Justitie”.
Art. 38
In Hoofdstuk Vter, ingevoegd bij artikel 40, wordt een
artikel 24ter ingevoegd, luidende:
“Art. 24ter. § 1. Een Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit wordt opgericht binnen de Federale
Overheidsdienst Justitie. Behalve in de materies of in
de gevallen waar dit Wetboek of de wet bevoegdheden
toekent aan de Procureur des Konings, verleent de
Centrale Autoriteit niet-bindende adviezen, op vraag van
de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder van
het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister, in geval
van ernstige twijfel omtrent de wijze van toepassing van
een of meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of de hou-
der van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister
zendt zijn adviesaanvraag over aan de Centrale Autoriteit
inzake Nationaliteit, samen met de stukken waarover hij
beschikt. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit kan,
indien nodig, bijkomende documenten of akten opvragen
bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of de houder
van het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister die
het advies heeft gevraagd. Deze laatste zendt ze onmid-
dellijk over aan de Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit verleent
advies binnen een termijn van zes maanden vanaf de
ontvangst van alle benodigde stukken, verlengbaar
met zes maanden door de Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit brengt
het advies ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke
stand of de houder van het bevolkings-, vreemdelingen-
of wachtregister die het advies heeft gevraagd.”.
Art. 37
Dans le même Code, il est inséré un Chapitre Vter,
intitulé “Chapitre Vter. Compétence d’avis du Service
public fédéral Justice”.
Art. 38
Dans le Chapitre Vter, inséré par l’article 40, il est
inséré un article 24ter rédigé comme suit:
“Art. 24ter. § 1er. Une Autorité Centrale en matière de
nationalité est créée au sein du Service Public Fédéral
Justice. Sauf dans les matières où le présent Code ou
la loi accordent des compétences au Procureur du Roi,
l’Autorité Centrale en matière de nationalité rend des
avis non contraignants, à la demande de l’officier de
l’état civil ou du détenteur du registre de la population,
du registre des étrangers ou du registre d’attente, en
cas de doute sérieux sur la manière d’appliquer une ou
plusieurs dispositions du présent Code.
§ 2. L’officier de l’état civil ou le détenteur du registre
de la population, du registre des étrangers ou du registre
d’attente, transmet sa demande d’avis à l’Autorité Centrale
en matière de nationalité, accompagnée des pièces dont
il dispose. L’Autorité Centrale en matière de nationalité
peut, si nécessaire, demander des documents ou des
actes complémentaires, à l’officier de l’état civil ou au
détenteur du registre de la population, du registre des
étrangers ou du registre d’attente qui a demandé l’avis.
Celui-ci les transmet sur-le-champ à l’Autorité Centrale
en matière de nationalité.
§ 3. L’Autorité Centrale en matière de nationalité rend
un avis dans un délai de six mois à partir de la réception
de l’ensemble des pièces nécessaires, prolongeable de
six mois par l’Autorité Centrale en matière de nationalité.
§ 4. L’Autorité Centrale en matière de nationalité porte
l’avis à la connaissance de l’officier de l’état civil ou du
détenteur du registre de la population, du registre des
étrangers ou du registre d’attente qui l’a demandé.”.
183
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 8
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 39
In het Burgerlijk Wetboek, wordt het opschrift van
hoofdstuk 6 van ondertitel 6 van titel 1 van Boek 4 van
het Burgerlijk Wetboek vervangen als volgt:
“Hoofdstuk 6. Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid”.
Art. 40
Artikel 4.59 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen
als volgt:
“Art. 4.59. § 1. Al wie als erfgerechtigde tot een na-
latenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van
erfgenaam heeft, dan wel als bijzondere legataris daarin
gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een
akte of attest van erfopvolging voor te leggen.
De langstlevende echtgenoot kan door voorlegging
van een akte of attest van erfopvolging bewijzen welke
rechten hij krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als
gevolg van de ontbinding ervan door het overlijden, zelfs
indien de akte of attest de devolutie van de nalatenschap
van zijn overleden echtgenoot niet vermeldt.
Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk aan-
gewezen beheerder van de nalatenschap kunnen hun
bevoegdheden om de goederen van de nalatenschap
te beheren of om daarover te beschikken, bewijzen door
een akte of een attest van erfopvolging voor te leggen.
§ 2. De akte of het attest van erfopvolging wordt opge-
maakt en afgeleverd op verzoek van een of meer van de
in de paragraaf 1 vermelde personen, of, desgevallend,
hun rechtsopvolgers.
De akte of het attest van erfopvolging wordt opgesteld
door een notaris.
Indien de nalatenschap van de erflater uitsluitend wordt
vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4,
indien er geen onbekwame erfgenamen of erfgerech-
tigden zijn en indien er geen uiterste wilsbeschikking,
geen erfovereenkomst, geen contractuele erfstelling
of geen huwelijksovereenkomst is in hoofde van de
erflater, kan een akte of een attest van erfopvolging
ook worden opgemaakt door een ambtenaar van het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie.
CHAPITRE 8
Modifications du Code civil
Art. 39
Dans le Code civil, l’intitulé du chapitre 6 du sous-
titre 6 du titre 1er du Livre 4 du Code civil est remplacé
par l’intitulé suivant:
“Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale”.
Art. 40
L’article 4.59 du même Code est remplacé par ce
qui suit:
“Art. 4.59. § 1er. Toute personne appelée à la suc-
cession en tant que successible, ou y ayant la qualité
d’héritier, ou encore en tant que légataire particulier,
peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un
certificat d’hérédité.
Le conjoint survivant peut, par la présentation d’un
acte ou d’un certificat d’hérédité, prouver quels droits il
acquiert en vertu de son régime matrimonial suite à la
dissolution de celui-ci par le décès, même si l’acte ou
le certificat n’indique pas la dévolution de la succession
de son conjoint défunt.
Un exécuteur testamentaire et un administrateur judi-
ciaire de la succession peuvent prouver leurs pouvoirs
d’administration ou de disposition à l’égard des biens
de la succession par la présentation d’un acte ou d’un
certificat d’hérédité.
§ 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi et
délivré à la demande d’une ou plusieurs des personnes
indiquées au paragraphe 1er, ou, le cas échéant, de
leurs ayants droit.
L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par un notaire.
Si la succession du défunt est exclusivement dévolue
conformément aux dispositions du sous-titre 4, s’il n’y a
pas d’héritiers ou successibles incapables et s’il n’est
pas question de dispositions de dernière volonté, d’un
pacte successoral, d’une institution contractuelle ou
d’une convention matrimoniale dans le chef du défunt,
un acte ou un certificat d’hérédité peut également être
établi et délivré par un fonctionnaire du bureau compé-
tent de l’Administration générale de la documentation
patrimoniale.
2774/001
DOC 55
184
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie schrijft
zijn akten en attesten van erfopvolging in het centraal
erfrechtregister in overeenkomstig artikel 4.126.
§ 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging
vermeldt de volgende gegevens:
1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en
datum van geboorte, adres en datum van overlijden;
in voorkomend geval, het identificatienummer van het
Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank
van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij
de Kruispuntbank van Ondernemingen;
2° het op de nalatenschap toepasselijk recht.
§ 4. Voor zover vereist door de wet, vermeldt de akte
of het attest van erfopvolging ook de volgende gegevens,
voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald:
1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de naam,
voornamen, plaats en datum van geboorte, adres, even-
tueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval
het identificatienummer van het Rijksregister, het iden-
tificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid of het identificatienummer bij de Kruispuntbank
van Ondernemingen;
2° van de personen vermeld in paragraaf 1, eerste
lid: of, en in voorkomend geval hoe en wanneer ze
hun erfkeuze hebben uitgeoefend, de omvang van het
erfdeel, de omschrijving van de goederen die hen toe-
komen, de aard van hun rechten, en de beperkingen op
de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van
onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of
van een testamentaire beschikking;
3° in voorkomend geval van de langstlevende echt-
genoot: de gegevens over hun huwelijk en hun huwe-
lijksstelsel, de omschrijving van de goederen die hem
toekomen, de aard van zijn rechten, en de beperkingen
op de uitoefening van die rechten die het gevolg zijn van
onbekwaamheid, van een beschermingsmaatregel of
van een testamentaire beschikking; tevens of hij een
keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten vermeld
in het tweede lid van paragraaf 1, en in voorkomend
geval hoe en wanneer hij die keuze heeft uitgeoefend,
evenals de gevolgen daarvan voor wat de overgang van
goederen betreft;
4° van de legatarissen: of en, in voorkomend geval, hoe
en wanneer ze in het bezit van hun legaat zijn gesteld,
dan wel dat ze van rechtswege in dat bezit zijn getreden;
Le notaire ou le bureau compétent de l’Administration
générale de la documentation patrimoniale inscrit ses
actes et certificats d’hérédité dans le registre central
successoral conformément à l’article 4.126.
§ 3. Tout acte et tout certificat d’hérédité mentionnent
les données d’identification suivantes:
1° du défunt: ses nom, prénoms, lieu et date de nais-
sance, adresse et date de décès; le cas échéant, le
numéro d’identification du Registre national, le numéro
d’identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité
sociale ou le numéro d’identification à la Banque-Carrefour
des entreprises;
2° la loi applicable à la succession.
§ 4. Dans la mesure requise par la loi, l’acte ou le
certificat mentionne les données suivantes, pour autant
qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées:
1° pour toutes les personnes mentionnées au para-
graphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et date de nais-
sance, adresse et éventuellement date de décès et,
le cas échéant, le numéro d’identification du Registre
national, le numéro d’identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à la
Banque-Carrefour des entreprises;
2° pour les personnes mentionnées au paragraphe 1er,
alinéa 1er: si, et le cas échéant comment et quand ils
ont exercé leur option héréditaire, l’étendue de leur part
héréditaire, la description des biens qui leur reviennent,
la nature de leurs droits et les restrictions à l’exercice de
leurs droits en raison de leur incapacité, d’une mesure
de protection ou d’une disposition testamentaire;
3° le cas échéant, pour le conjoint survivant: les
données relatives au mariage et au régime matrimonial,
la description des biens qui lui reviennent, la nature de
ses droits, et les restrictions à l’exercice de ses droits
en raison de son incapacité, d’une mesure de protec-
tion ou d’une disposition testamentaire; en outre, s’il
a exercé une option quant aux droits mentionnés au
paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas échéant, comment et
quand il a exercé son option, ainsi que les conséquences
de celle-ci pour la transmission des biens;
4° pour les légataires: s’ils ont et, le cas échéant quand
et comment ils ont été mis en possession de leur legs,
ou s’ils sont entrés en cette possession de plein droit;
185
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
5° van de testamentuitvoerder of de gerechtelijk aan-
gestelde beheerder van de nalatenschap: de omvang van
zijn bevoegdheden en de gegevens met betrekking tot
de beschikking die hem deze bevoegdheden verlenen.
De notaris of het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kan,
wanneer een akte van erfopvolging voor verschillende
doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk uittreksel van
de akte afleveren voor een bepaald doel. Het uittrek-
sel bevat alle informatie die vereist is om de beoogde
doelstelling te bereiken.
De akte of het attest van erfopvolging bestemd voor
de vrijgave van tegoeden moet ofwel een afzonderlijke
akte of attest zijn, ofwel het onderwerp zijn van een in
het tweede lid bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze
doelstelling opgemaakt of afgeleverd, met de door de wet
vereiste vermeldingen. Het bevat de gegevens van de
personen vermeld in het eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor
zover deze personen op deze tegoeden gerechtigd zijn.
In de mate waarin een akte van erfopvolging de ver-
krijging van zakelijke rechten ter zake des doods vast-
stelt met betrekking tot onroerende goederen zoals
bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°, mag de notaris of het
bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van
de Patrimoniumdocumentatie van die akte een letterlijk
uittreksel afleveren dat zal worden overgeschreven op
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie van het rechtsgebied
waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en
binnen de termijnen bedoeld in artikel 3.31.
§ 5. De notaris en het kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen
de aflevering van een akte of een attest van erfopvolging
weigeren indien zij aan de hand van de door de verzoe-
ker voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en
de door hen verrichte opzoekingen, niet met zekerheid
de gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn door
paragraaf 3 of die overeenkomstig paragraaf 4 nodig
zijn omwille van de doeleinden waarvoor de akte of het
attest zou worden afgegeven.
§ 6. Alle personen die in de akte of het attest van
erfopvolging zijn vermeld, worden geacht de in de akte
of het attest vermelde hoedanigheid te hebben, en de
daaraan verbonden rechten en bevoegdheden te kun-
nen uitoefenen.
Eenieder die te goeder trouw handelt op grond van de
in de akte of het attest van erfopvolging vermelde infor-
matie met een persoon die in de akte of het attest wordt
vermeld, wordt geacht te handelen met een persoon die
de in de akte of het attest vermelde hoedanigheid heeft.
5° pour l’exécuteur testamentaire ou l’administrateur
judiciaire de la succession: l’étendue de ses pouvoirs
et les données relatives à la disposition qui lui accorde
ces pouvoirs.
Lorsqu’un acte d’hérédité est établi en vue de plusieurs
finalités, le notaire ou le bureau compétent de l’Adminis-
tration générale de la Documentation patrimoniale peut
délivrer un extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité
déterminée. L’extrait mentionne toute l’information requise
pour atteindre utilement la finalité envisagée.
L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la libération
des avoirs du défunt doit soit être un acte ou un certificat
distinct, soit faire l’objet d’un extrait conformément à
l’alinéa 2, établi ou délivré exclusivement en vue de cette
finalité et contenant les mentions exigées par la loi. Il
ne contient les données des personnes mentionnées à
l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour autant que ces personnes
puissent prétendre à ces avoirs.
Dans la mesure où un acte d’hérédité constate l’acqui-
sition pour cause de mort de droits réels portant sur des
immeubles, tels que visé à l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire
ou le bureau compétent de l’Administration générale
de la Documentation patrimoniale peut en délivrer un
extrait littéral qui sera transcrit au bureau compétent de
l’Administration générale de la Documentation patrimo-
niale dans le ressort duquel les biens sont situés, de la
manière et dans les délais prévus à l’article 3.31.
§ 5. Le notaire ou le bureau de l’Administration géné-
rale de la Documentation patrimoniale peuvent refuser
toute remise d’acte ou de certificat d’hérédité si les
pièces présentées par la partie intéressée requérante,
les déclarations faites et les recherches effectuées ne
leur permettent pas de constater avec certitude les
données qui sont requises par le paragraphe 3 ou qui
sont requises conformément au paragraphe 4 en raison
des finalités pour lesquelles l’acte ou le certificat devrait
être délivré.
§ 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte ou
le certificat d’hérédité sont censées avoir la qualité qui
est mentionnée dans l’acte ou le certificat, et pouvoir
exercer les droits et les pouvoirs qui y sont rattachés.
Toute personne agissant de bonne foi sur la base
de l’information mentionnée dans l’acte ou le certificat
d’hérédité avec une personne désignée dans cet acte ou
ce certificat, est censée agir avec une personne ayant
la qualité mentionnée dans cet acte ou ce certificat.
2774/001
DOC 55
186
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, is de
betaling van tegoeden van de erflater bevrijdend, indien
de schuldenaar daar te goeder trouw toe overgaat, ofwel
aan of op instructie van de personen die in de akte of
het attest van erfopvolging zijn aangewezen als degene
die op deze tegoeden gerechtigd zijn, ofwel aan of op
instructie van een gerechtsmandataris.
De naleving van de regels in deze paragraaf vermeld,
ontslaat de schuldenaar niet van eventuele andere wet-
telijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblok-
kering van deze tegoeden.
§ 7. De Koning kan voor de akten van erfopvolging
opgesteld door een ambtenaar van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie:
1° de materiële vormen van de akte bepalen;
2° de modaliteiten inzake de aflevering van uitgiften
en uittreksels van de akte bepalen;
3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de akte
bepalen;
4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig zijn
om de onveranderlijkheid, de vertrouwelijkheid en de
bewaring van de akten te waarborgen;
5° de materiële vormen en de inhoud bepalen van
iedere aanvraag om een akte van erfopvolging. Hij kan
het gebruik voorschrijven van formulieren waarvan Hij
het model bepaalt en bepalen of de aanvraag op een
gedematerialiseerde wijze kan of moet worden ingediend
alsmede de modaliteiten van haar indiening.
De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en 5°,
gelden eveneens voor de attesten van erfopvolging
opgesteld door het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie over-
eenkomstig dit artikel. De Koning kan bepalen dat deze
attesten op een gedematerialiseerde wijze kunnen of
moeten worden afgeleverd, alsmede de modaliteiten
van hun aflevering.”.
Art. 41
In artikel 4.125 van hetzelfde Wetboek, wordt de
bepaling onder 1°/1 ingevoegd, luidende:
“1°/1 binnen de perken van de bepalingen van deze
ondertitel, op geautomatiseerde wijze de vaststelling
van de hoedanigheid van erfgenaam mogelijk te maken
Sauf disposition légale contraire, le paiement des
avoirs du défunt est libératoire s’il est fait par le débiteur
de bonne foi, soit aux ou sur instruction des personnes
désignées par cet acte ou ce certificat d’hérédité comme
étant celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction d’un
mandataire judiciaire.
Le respect des dispositions prévues au présent para-
graphe n’exempte en aucun cas le débiteur d’éventuelles
autres obligations légales prescrites pour le déblocage
de ces avoirs.
§ 7. Le Roi peut, pour les actes d’hérédité établis
par un fonctionnaire de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale:
1° déterminer les formes matérielles de l’acte;
2° déterminer les modalités relatives à la délivrance
des expéditions et extraits de cet acte;
3° déterminer les modalités relatives à la légalisation
de l’acte;
4° déterminer des modalités complémentaires néces-
saires pour garantir l’immuabilité, la confidentialité et la
conservation de l’acte;
5° déterminer les formes matérielles et le contenu
de chaque demande d’acte d’hérédité. Il peut prescrire
l’utilisation de formulaires dont Il détermine le modèle
et déterminer si la demande peut ou doit être présen-
tée de manière dématérialisée et les modalités de sa
présentation.
Les dispositions de l’alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, s’ap-
pliquent également aux certificats d’hérédité établis par
le bureau compétent de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale conformément au présent
article. Le Roi peut déterminer que ces certificats peuvent
ou doivent être délivrés de manière dématérialisée, ainsi
que les modalités de leur délivrance.”.
Art. 41
Dans l’article 4.125 du même Code, il est inséré un
1°/1, rédigé comme suit:
“1°/1 de permettre, dans les limites précisées dans
le présent sous-titre, de constater la qualité d’héritier
de manière automatisée, comme prévu à l’article 14,
187
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zoals bedoeld in artikel 14, § 1, lid 2, van het koninklijk
besluit van 18 maart 2020 houdende de invoering van
de Notariële Aktebank;”.
Art. 42
In artikel 4.126 van hetzelfde Wetboek, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, 1°, worden de woorden “door een
notaris” opgeheven;
2° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met de
volgende zin:
“Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en
de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die
het heeft opgemaakt, in.”.
Art. 43
In artikel 4.127, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 1°, b), wordt het woord “rijksre-
gisternummer” vervangen door de woorden “identificatie-
nummer van het Rijksregister of het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”;
b) er wordt een bepaling onder 1°/1 ingevoegd,
luidende:
“1°/1 van de erfgenamen:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) het identificatienummer van het Rijksregister of
het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de
Sociale Zekerheid;”;
c) in de bepaling onder 2°, c), wordt het woord “rijksre-
gisternummer” vervangen door de woorden “identifica-
tienummer van het Rijksregister, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”;
d) in de bepaling onder 4° worden de woorden “of door
een bevoegd kantoor van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie” ingevoegd tussen
de woorden “door een notaris” en de woorden “, met
aanduiding van”;
e) in de bepaling onder 6° worden de woorden “van
het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie
§ 1er, alinéa 2, de l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant
l’introduction de la Banque des actes notariés;”.
Art. 42
Dans l’article 4.126 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, 1°, les mots “par un notaire”
sont abrogés;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est complété par la
phrase suivante:
“Le bureau compétent de l’Administration générale
de la documentation patrimoniale inscrit les actes et
les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il
a établis.”.
Art. 43
À l’article 4.127, § 1er, du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
a) au 1°, b), les mots “numéro de registre national”
sont remplacés par les mots “numéro d’identification
du Registre national ou le numéro d’identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”;
b) un 1°/1 est inséré, rédigé comme suit:
“1°/1 des héritiers:
a) les nom et prénom(s);
b) le numéro d’identification du Registre national ou
le numéro d’identification à la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale;”;
c) au 2°, c), les mots “numéro de registre national”
sont remplacés par les mots “numéro d’identification
du Registre national, le numéro d’identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale”;
d) au 4° les mots “ou par un bureau compétent de
l’Administration générale de la documentation patrimo-
niale” sont insérés entre les mots “par un notaire” et les
mots “, avec indication de”;
e) au 6° les mots “du bureau compétent de l’Admi-
nistration générale de la documentation patrimoniale
2774/001
DOC 55
188
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het
attest van erfopvolging heeft opgemaakt,” ingevoegd
tussen de woorden “het attest of de Europese erfrecht-
verklaring heeft opgemaakt,” en de woorden “van het
rechtscollege dat de Europese”;
f) de bepaling onder 7° wordt aangevuld met
de woorden “van de notaris of van het bevoegd
kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie”.
Art. 44
In artikel 4.128 van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° wordt het opschrift aangevuld met de woorden “en
mededeling in het Belgisch Staatsblad”;
2° het lid wordt aangevuld met de woorden “en de
modaliteiten en de kosten van de mededeling in het
Belgisch Staatsblad van de verklaringen van aanvaarding
onder voorrecht van boedelbeschrijving”.
Art. 45
In artikel 4.131, § 1, van hetzelfde Wetboek, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt vervangen door hetgeen volgt:
“§ 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald onder
artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens opgenomen in
het centraal erfrechtregister toegankelijk voor:”;
2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid luidend:
“De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn
enkel toegankelijk voor de beheerder van de Notariële
Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse
Jaar XI op het notarisambt, teneinde de toegang van
de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger
mogelijk te maken.”.
Art. 46
In artikel 4.258 van hetzelfde Wetboek, worden de
woorden “de eerste paragraaf” vervangen door de
woorden “het eerste lid”.
qui a établi l’acte ou le certificat hérédité,” sont insérés
entre les mots “le certificat ou le certificat successoral
européen,” et les mots “de la juridiction qui a établi”;
f) le 7° est complété par les mots “du notaire ou du
bureau compétent de l’Administration générale de la
documentation patrimoniale”.
Art. 44
Dans l’article 4.128 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’intitulé est complété par les mots “et mention au
Moniteur belge”;
2° l’alinéa est complété par les mots “et les moda-
lités et les frais de la mention au Moniteur belge des
déclarations d’acceptation sous bénéfice d’inventaire”.
Art. 45
Dans l’article 4.131, § 1er, du même Code, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° la phrase introductive est remplacée par ce qui suit:
“§ 1er. À l’exception des données visées à l’article 4.127,
§ 1er, 1°/1, les données figurant dans le registre central
successoral sont accessibles:”;
2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Les données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1, sont
uniquement accessibles au gestionnaire de la Banque
des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25
Ventôse An XI contenant organisation du notariat, en
vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur
prédécesseur en droit.”.
Art. 46
Dans l’article 4.258 du même Code, les mots “au
paragraphe” sont remplacés par les mots “à l’alinéa”.
189
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Art. 47
In het opschrift van onderafdeling 2 van afdeling 3
van hoofdstuk 3 van titel 3 van het Wetboek van de
minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en
niet-fiscale schuldvorderingen, gewijzigd bij de wet van
19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door
de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 48
In artikel 43, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van
19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door
de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 49
In artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde
Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt
het cijfer “4.59” telkens vervangen door de woorden
“4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 50
In artikel 48 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen
door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
HOOFDSTUK 10
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de
spelers
Art. 51
In artikel 15/3 van de wet van 7 mei 1999 op de kans-
spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen
en de bescherming van de spelers, ingevoegd bij de wet
van 10 januari 2010, gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019
en gedeeltelijk vernietigd bij het arrest nr. 36/2021 van
het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
CHAPITRE 9
Modifications du Code de recouvrement amiable
et forcé des créances fiscales et non fiscales
Art. 47
Dans l’intitulé de la sous-section 2 de la section 3 du
chapitre 3 du titre 3 du Code du recouvrement amiable et
forcé des créances fiscales et non fiscales, modifié par
la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé
par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
Art. 48
Dans l’article 43, § 1er, alinéa 1er, du même Code,
modifié par la loi du 23 avril 2020 et par la loi du 19 jan-
vier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots
“4.59, § 4, alinéa 3,”.
Art. 49
Dans l’article 46, § 1er, alinéas 1er et 2, du même Code,
modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est
chaque fois remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
Art. 50
Dans l’article 48 du même Code, modifié par la loi
du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les
mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
CHAPITRE 10
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux
de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs
Art. 51
À l’article 15/3 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de
hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs, inséré par la loi du 10 janvier
2010, modifié par la loi du 7 mai 2019 et partiellement
annulé par l’arrêt n° 36/2021 de la Cour constitutionnelle,
les modifications suivantes sont apportées:
2774/001
DOC 55
190
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in paragraaf 1, worden de woorden “60, 62” ver-
vangen door de woorden “60, 61, tweede lid, 62”;
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 6,
luidende:
“§ 6. De Commissie kan ermee instemmen de ten-
uitvoerlegging van de beslissing tot het opleggen van
een administratieve boete geheel of gedeeltelijk op te
schorten op voorwaarde dat de overtreder in de drie jaar
voorafgaand aan de inbreuk geen andere administratieve
of strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze wet
heeft ontvangen.
De beslissing waarbij het uitstel, wordt toegestaan of
geweigerd, moet met redenen omkleed zijn.
Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie jaar. De
proeftijd begint te lopen vanaf de datum van kennisgeving
van de beslissing tot het opleggen van een administra-
tieve geldboete.
Het uitstel wordt automatisch herroepen indien tij-
dens de proeftijd een nieuwe inbreuk wordt begaan die
aanleiding geeft tot een beslissing tot het opleggen van
een nieuwe administratieve geldboete.
Van de herroeping van het uitstel wordt kennisgegeven
bij dezelfde beslissing als die waarbij de administratieve
geldboete voor deze nieuwe inbreuk wordt opgelegd
De administratieve geldboete waarvan de betaling
afdwingbaar wordt na de herroeping van het uitstel wordt
gecumuleerd met de geldboete die voor deze nieuwe
inbreuk wordt opgelegd.”.
Art. 52
In artikel 52, tweede lid, tweede streepje, van dezelfde
wet, vervangen bij de wet van 10 januari 2010 en gewijzigd
bij de wet van 26 december 2015, worden de woorden
“in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de
accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoor-
deling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de
Europese Gemeenschappen of in een ander land dat
partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese
Economische Ruimte” vervangen door de woorden “in
het raam van titel 2 van Boek VIII, van het Wetboek van
economisch recht”.
1° au paragraphe 1er, les mots “60, 62” sont remplacés
par les mots “60, 61, alinéa 2, 62”;
2° l’article est complété par un paragraphe 6 rédigé
comme suit:
“§ 6. La Commission peut convenir qu’il sera sur-
sis à l’exécution de la décision infligeant une amende
administrative, en tout ou en partie, pour autant que le
contrevenant ne s’est pas vu infliger d’autres amendes
administratives ou pénales pour infractions à la présente
loi durant les trois années qui précèdent l’infraction.
La décision accordant ou refusant le sursis doit être
motivée.
Le sursis vaut pendant un délai d’épreuve de trois
ans. Le délai d’épreuve commence à courir à partir de
la date de la notification de la décision infligeant une
amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une nouvelle
infraction qui donne lieu à une décision infligeant une
nouvelle amende administrative est commise pendant
le délai d’épreuve.
La révocation du sursis est notifiée par la même
décision que celle qui inflige l’amende administrative
pour cette nouvelle infraction.
L’amende administrative dont le paiement devient
exécutoire suite à la révocation du sursis est cumulée
avec celle infligée du chef de cette nouvelle infraction.”.
Art. 52
À l’article 52, alinéa 2, 2e tiret, de la même loi, rem-
placé par la loi du 10 janvier 2010 et modifié par la loi du
26 décembre 2015, les mots “dans le cadre de la loi du
20 juillet 1990 concernant l’accréditation des organismes
d’évaluation de la conformité ou accrédité dans un autre
État membre des Communautés européennes ou dans
un autre pays qui est partie à l’Accord sur l’Espace
économique européen” sont remplacés par les mots
“dans le cadre du Titre 2 du Livre VIII, du Code de droit
économique”.
191
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 53
In artikel 55 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid
ingevoegd, luidende:
“De commissie is de verwerkingsverantwoordelijke
van het systeem van informatieverwerking bedoeld in
het eerste lid.”;
2° in het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, worden de
woorden “de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer” vervangen door de woorden
“de Gegevensbeschermingsautoriteit”.
Art. 54
In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet, aange-
vuld bij de wet van 10 januari 2010, wordt het bedrag
“10 000 euro” vervangen door het bedrag “3 000 euro”.
Art. 55
In artikel 62 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten
van 10 januari 2010 en 7 mei 2019 en gedeeltelijk ver-
nietigd bij het arrest nr. 177/2021 van het Grondwettelijk
Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende
zin: “Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een
foto van die persoon te worden genomen en bewaard
in het register.”;
2° tussen het eerste en het tweede lid, worden twee
leden ingevoegd, luidende:
“De doelstelling van dit register is de commissie in staat
te stellen a posteriori na te gaan of de raadplegingen
van het systeem van informatieverwerking, bedoeld in
artikel 55, wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot
de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een
vaste kansspelinrichting klasse IV bezoeken.
De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het
register worden bewaard gedurende een termijn van
tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van
de betrokkene.”;
Art. 53
À l’article 55 de la même loi, modifié par la loi du 10 jan-
vier 2010, les modifications suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les
alinéas 1er et 2:
“La commission est responsable du traitement du
système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er.”;
2° dans l’alinéa 5, qui devient l’alinéa 6, les mots
“la Commission de la protection de la vie privée” sont
remplacés par les mots “l’Autorité de protection des
données,”.
Art. 54
À l’article 58, alinéa 2, de la même loi, complété par
la loi du 10 janvier 2010, le montant “10 000 euros” est
remplacé par le montant “3 000 euros”.
Art. 55
À l’article 62 de la même loi, modifié par les lois du
10 janvier 2010 et du 7 mai 2019 et partiellement annulé
par l’arrêt n° 177/2021 de la Cour constitutionnelle, les
modifications suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “A
chaque visite de la personne concernée, une photo-
graphie de cette personne est prise et conservée dans
le registre.”;
2° il est inséré, entre l’alinéa 1er et l’alinéa 2, deux
alinéas rédigés comme suit:
“La finalité de ce registre est de permettre à la com-
mission de vérifier a posteriori si les consultations du
système de traitement des informations visé à l’article 55
ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent
les établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou
d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV.
Les données à caractère personnel inscrites dans
le registre sont conservées pendant dix ans à dater de
la dernière activité de jeu de la personne concernée.”;
2774/001
DOC 55
192
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° in het derde lid, dat het vijfde lid wordt, worden de
woorden “gedurende ten minste vijf jaar” vervangen
door de woorden “gedurende een termijn van maximum
tien jaar”.
Art. 56
Artikel 62/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 7 mei 2019, wordt opgeheven.
Art. 57
In artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten
van 10 januari 2010 en 7 mei 2019, worden de woorden
“60 en 62” vervangen door de woorden “60, 61, tweede
lid en 62”.
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004
betreffende de samenwerking met het
Internationaal Strafhof en de internationale
straftribunalen
Art. 58
In de Franse tekst van artikel 43, eerste streepje, van
de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwer-
king met het Internationaal Strafhof en de internationale
straftribunalen, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014,
worden de woorden “chargé d’” vervangen door de
woorden “appelé à”.
Art. 59
In dezelfde wet wordt het opschrift van Titel VIquater,
ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, vervangen
als volgt: “Samenwerking met de internationale
Onderzoeksmechanismen”.
Art. 60
In artikel 91 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet
van 5 mei 2019, worden de eerste twee streepjes ver-
vangen als volgt:
“- “Mechanismen”: de internationale Onderzoeks
mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door
een andere internationale organisatie waarvan België
lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid
voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid,
3° dans l’alinéa 3, qui devient l’alinéa 5, les mots
“pendant au moins cinq ans” sont remplacés par les
mots “pour une durée de maximum dix ans”.
Art. 56
L’article 62/1 de la même loi, inséré par la loi du 7 mai
2019, est abrogé.
Art. 57
À l’article 64 de la même loi, modifié par les lois du
10 janvier 2010 et 7 mai 2019, les mots “60 et 62” sont
remplacé par les mots “60, 61, alinéa 2 et 62”.
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 29 mars 2004
concernant la coopération avec la Cour
pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux
Art. 58
Dans le texte français de l’article 43, 1er tiret, de la
loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec
la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux, modifié par la loi du 26 mars 2014, les
mots “chargé d’” sont remplacés par les mots “appelé à”.
Art. 59
Dans la même loi, l’intitulé du Titre VIquater, insé-
ré par la loi du 5 mai 2019, est remplacé par ce qui
suit: “Coopération avec les Mécanismes d’enquête
internationaux.”.
Art. 60
Dans l’article 91 de la même loi, inséré par la loi du
5 mai 2019, les deux premiers tirets sont remplacés
par ce qui suit:
“- “Mécanismes”: les Mécanismes d’enquête inter-
nationaux créés par l’Organisation des Nations unies,
ou par une autre organisation internationale, dont la
Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre
l’impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre
193
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
misdaden van genocide of enig ander internationaal
misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde
functies van gerechtelijke aard;
— “Statuut”: het mandaat van het Mechanisme, zoals
nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn
aangenomen door de Verenigde Naties of door de be-
voegde internationale organisatie waarvan België lid is;”
HOOFDSTUK 12
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006
betreffende de externe rechtspositie van de
veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het
slachtoffer toegekende rechten in het raam van
de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 61
In artikel 6, § 1, van de wet van 17 mei 2006 betref-
fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot
een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten,
wordt het woord “driemaal” vervangen door het woord
“viermaal“.
Art. 62
In artikel 10, paragraaf 2, vierde lid, van dezelfde wet,
laatstelijk gewijzigd door de wet van 28 november 2021,
worden de woorden “van een eerste uitgaansvergun-
ning, bedoeld in artikel 4, § 3,” ingevoegd tussen de
woorden “van de toekenning” en de woorden “van een
eerste penitentiair verlof” en worden de woorden “en, in
voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang
zijn opgelegd, of van de plaatsing in een transitiehuis”
vervangen door de woorden “, van de plaatsing in een
transitiehuis”.
Art. 63
In artikel 14, derde lid, van dezelfde wet, gewijzigd
door de wetten van 15 december 2013 en 11 juli 2018,
worden de woorden “inzake een penitentiair verlof of
een plaatsing in een transitiehuis” vervangen door de
woorden “inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in
artikel 4, § 3, een penitentiair verlof of een plaatsing in
een transitiehuis.”
l’humanité, les crimes de génocide ou toute autre infrac-
tion internationale, par l’exercice de certaines fonctions
à caractère judiciaire;
— “Statut”: le mandat du Mécanisme tel que détaillé
dans les instruments pertinents adoptés par l’Organisation
des Nations unies ou par l’organisation internationale
compétente, dont la Belgique est membre;”
CHAPITRE 12
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes
condamnées à une peine privative de liberté et
aux droits reconnus à la victime dans le cadre des
modalités d’exécution de la peine
Art. 61
Dans l’article 6, § 1, de la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes condamnées
à une peine privative de liberté et aux droits reconnus
à la victime dans le cadre des modalités d’exécution
de la peine, les mots “trois fois” sont remplacés par les
mots “quatre fois”.
Art. 62
Dans l’article 10, paragraphe 2, alinéa 4, de la même
loi, modifié en dernier lieu par la loi du 28 novembre 2021,
les mots “d’une première permission de sortie visée à
l’article 4, § 3,” sont insérés entre les mots “de l’octroi” et
les mots “d’un premier congé pénitentiaire” et les mots
“et, le cas échéant, des conditions imposées dans son
intérêt, ou du placement en maison de transition” sont
remplacés par les mots “, du placement en maison de
transition”.
Art. 63
Dans l’article 14, alinéa 3, de la même loi, modifié par
les lois du 15 décembre 2013 et 11 juillet 2018, les mots
“concernant un congé pénitentiaire ou un placement
en maison de transition” sont remplacés par les mots
“concernant une permission de sortie, visée à l’article 4,
§ 3, un congé pénitentiaire ou un placement en maison
de transition.”
2774/001
DOC 55
194
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 64
In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, eerste zin, gewijzigd door
de wet van 14 december 2012, wordt aangevuld met de
woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen door
het opleggen van bijzondere voorwaarden”;
2° paragraaf 2, eerste lid, eerste zin, wordt aangevuld
met de woorden “waaraan men niet tegemoet kan komen
door het opleggen van bijzondere voorwaarden”.
Art. 65
In artikel 30, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd door de
wet van 29 juni 2021, worden de woorden “strafuitvoerings-
modaliteit en de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”
vervangen door de woorden “strafuitvoeringsmodaliteit
en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter”.
Art. 66
In artikel 39 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het 2°, gewijzigd door de wet van 28 november
2021, worden de woorden “en de voorlopige invrijheid-
stelling met het oog op verwijdering van het grondge-
bied,” tussen de woorden “de beperkte detentie” en de
woorden “een vast adres”;
2° het artikel wordt aangevuld met een 4° luidende:
“4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog
op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om
het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om
tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder
in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering
betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in
het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de
strafuitvoeringsrechter.”.
Art. 67
Artikel 40 van dezelfde wet, waarvan de bestaande
tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met
paragrafen 2 en 3, luidende:
“§ 2. Ingeval het een toekenning van een voor-
waardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de
Art. 64
Dans l’article 28 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, première phrase, modi-
fié par la loi du 14 décembre 2012 est complété par les
mots “auxquelles la fixation de conditions particulières
ne puisse répondre”;
2° le paragraphe 2, alinéa 1er, première phrase, est
complété par les mots “auxquelles la fixation de condi-
tions particulières ne puisse répondre”.
Art. 65
Dans l’article 30, § 3, de la même loi, inséré par la
loi du 29 juin 2021, les mots “de la peine demandée et
l’évaluation par le juge de l’application des peines” sont
remplacés par les mots “de la peine demandée et pour
l’évaluation par le juge de l’application des peines”.
Art. 66
Dans l’article 39 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le 2°, modifié par la loi du 28 novembre 2021,
les mots “et la mise en liberté provisoire en vue de l’éloi-
gnement du territoire” sont insérés entre les mots “la
détention limitée” et les mots “, avoir une adresse fixe”;
2° l’article est complété par un 4°, rédigé comme suit:
“4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l’éloi-
gnement du territoire, l’obligation de quitter effective-
ment le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique
pendant le délai d’épreuve sans être en règle avec la
législation et la réglementation relative à l’accès au ter-
ritoire, au séjour ou à l’établissement dans le Royaume
et sans l’autorisation préalable du juge de l’application
des peines.”.
Art. 67
L’article 40 de la même loi, dont le texte actuel formera
le paragraphe 1er , est complété par les paragraphes 2
et 3, rédigés comme suit:
“§ 2. En cas d’octroi d’une libération conditionnelle,
le juge de l’application des peines détermine également
195
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de
veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling
al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk
mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn
vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde
dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval,
of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar
ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het
grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 3. In geval van een veroordeling wegens feiten
bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in
geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig
extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede
lid, moet de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig
paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondge-
bied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen
omkleden.”.
Art. 68
In artikel 43, § 3, van dezelfde wet wordt het woord
“driemaal” vervangen door het woord “viermaal.
Art. 69
In artikel 60 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het vierde lid, ingevoegd door de wet van 15 maart
2013 en gewijzigd door de wet van 5 februari 2016,
worden de woorden “van de strafuitvoeringsrechtbank”
ingevoegd tussen de woorden “op de beslissingen” en
“tot toekenning van”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing
op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot
toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het
oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval
is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve
verwijdering, van overbrenging naar een plaats die valt
onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is
voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of van
kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat
de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden,
en dit ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot
dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le
territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire
du Royaume, le juge de l’application des peines déter-
mine dans son jugement la période maximale pendant
laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence
et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné
doit en informer le ministère public avant de quitter le
territoire du Royaume.
§ 3. En cas de condamnation pour des faits visés
au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s’il existe des
éléments concrets d’extrémisme violent tels que définis
à l’article 32, § 2, alinéa 2, l’autorisation donnée par
le juge de l’application des peines conformément au
paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit
faire l’objet d’une motivation spéciale.”.
Art. 68
Dans l’article 43, § 3, de la même loi, les mots “trois
fois” sont remplacés par les mots “quatre fois”.
Art. 69
Dans l’article 60 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 4, inséré par la loi du 15 mars 2013 et
modifié par la loi du 5 février 2016, les mots “du tribunal
de l’application des peines” sont insérés entre les mots
“pas aux décisions” et les mots “d’octroi d’une mise en
liberté provisoire”;
2° l’article est complété par un alinéa, rédigé comme
suit:
“Le premier et le deuxième alinéas ne s’appliquent
pas aux décisions du juge de l’application des peines
d’octroi d’une mise en liberté provisoire en vue de
l’éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement
devient exécutoire au moment de l’éloignement effectif,
du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du
ministre compétent pour l’accès au territoire, le séjour,
l’établissement et l’éloignement d’étrangers ou de la
notification par l’Office des étrangers que l’éloignement
ou le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt
jours après que la décision d’octroi est coulée en force
de chose jugée. Si l’éloignement, le transfert ou la
2774/001
DOC 55
196
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toekenning in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de
verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft
plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn,
wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.”.
Art. 70
Artikel 65 van dezelfde wet, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoerings-
rechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een
andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen.”
Art. 71
In artikel 66 van dezelfde wet, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2/1, ingevoegd door de wet van 5 fe-
bruari 2016, worden de woorden “tenzij op grond van
een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt
dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is
tot een verblijf in het Rijk” opgeheven;
2° in paragraaf 3 worden de woorden “, in welk geval
hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere
strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen,” ingevoegd
tussen de woorden “herroept de strafuitvoeringsrechter
of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmo-
daliteit” en de woorden “of heft hij of zij de schorsing”.
Art. 72
In artikel 67 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet
van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede zin, worden de woorden
“of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen”
opgeheven;
2° in paragraaf 1, derde zin, worden de woorden “of
met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit” opgeheven;
3° in paragraaf 2, worden de woorden “of een andere
strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen” opgeheven.
notification n’a pas eu lieu à l’expiration du délai précité,
le condamné est libéré.”.
Art. 70
L’article 65 de la même loi, est complété par un alinéa,
rédigé comme suit:
“Le juge de l’application des peines ou le tribunal de
l’application des peines, peut, moyennant l’accord du
condamné, octroyer une autre modalité de l’exécution
de la peine”.
Art. 71
Dans l’article 66 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2/1, inséré par la loi du 5 février
2016, les mots “, sauf s’il ressort d’un avis de l’Office
des étrangers que le condamné n’est pas autorisé ou
habilité à séjourner dans le Royaume” sont abrogés;
2° dans le paragraphe 3, les mots “auquel cas il peut,
conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer une autre
modalité de l’exécution de la peine” sont insérés entre
les mots “révoque la modalité d’exécution de la peine”
et les mots “ou en lève la suspension”.
Art. 72
Dans l’article 67 de la même loi, modifié par la loi du
5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er , deuxième phrase, les mots
“ou octroyer une autre modalité d’exécution de la peine”
sont abrogés;
2° dans le paragraphe 1, troisième phrase, les mots
“ou sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine”
sont abrogés;
3° dans le paragraphe 2, les mots “ou d’octroyer une
autre modalité d’exécution de la peine” sont abrogés.
197
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 73
In artikel 95/18, § 2, eerste lid, van dezelfde wet,
worden de woorden “achtste en negende lid” vervangen
door de woorden “tiende en elfde lid”.
HOOFDSTUK 13
Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende
regeling van economische en individuele
activiteiten met wapens
Art. 74
In artikel 19,1° van de wapenwet van 8 juni 2006,
vervangen bij de wet van 25 juli 2008 en gewijzigd bij de
wet van 5 mei 2019, worden de woorden “wapens per
postorder of via internet te verkopen of te koop aan te
bieden aan particulieren” vervangen door de woorden
“wapens alsook losse onderdelen die aan de wettelijk
voorgeschreven proef zijn onderworpen per postorder
of via het internet te kopen of te verkopen, te koop aan
te bieden of over te dragen aan particulieren”.
HOOFDSTUK 14
Wijzigingen van de programmawet (I) van
29 maart 2012
Art. 75
In artikel 157, § 1, van de programmawet (I) van
29 maart 2012, vervangen bij de wet van 23 april 2020
en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2022, wordt het
cijfer “4.59” vervangen door de woorden “4.59, § 4,
derde lid,”.
Art. 76
In artikel 157/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij
de wet van 23 april 2020 en gewijzigd bij de wet van
19 januari 2022, wordt het cijfer “4.59” vervangen door
de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 77
In artikel 160 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 23 april 2020 en bij de wet van 19 januari
2022, wordt het cijfer “4.59” telkens vervangen door de
woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 73
Dans l’article 95/18, § 2, alinéa 1er, de la même loi,
les mots “alinéas 8 et 9” sont remplacés par les mots
“alinéas 10 et 11”.
CHAPITRE 13
Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des
activités économiques et individuelles avec des
armes
Art. 74
Dans l’article 19, 1°, de la loi sur les armes du 8 juin
2006, remplacé par la loi du 25 juillet 2008 et modifié par
la loi du 5 mai 2019, les mots “de vendre ou d’offrir en
vente des armes à des particuliers par correspondance
ou par internet” sont remplacés par les mots “d’acheter ou
de vendre, d’offrir en vente ou de céder des armes ainsi
que des pièces détachées soumises à l’épreuve légale
à des particuliers par correspondance ou par internet”.
CHAPITRE 14
Modifications de la loi-programme (I)
du 29 mars 2012
Art. 75
Dans l’article 157, § 1er, de la loi-programme (I) du
29 mars 2012, remplacé par la loi du 23 avril 2020 et
modifié par la loi du 19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est
remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
Art. 76
Dans l’article 157/1, § 1er, de la même loi, inséré par
la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du 19 janvier
2022, le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59,
§ 4, alinéa 3,”.
Art. 77
Dans l’article 160 de la même loi, modifié en dernier
lieu par la loi du 23 avril 2020 et modifié par la loi du
19 janvier 2022, le chiffre “4.59” est chaque fois remplacé
par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
2774/001
DOC 55
198
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 78
In artikel 163 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet
van 13 december 2012 en de wet van 19 januari 2022,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het cijfer “4.59” wordt vervangen door de woorden
“4.59, § 4, derde lid,”.
2° de woorden “akte of” worden ingevoegd tussen
het woord “bedoelde” en het woord “attest”.
HOOFDSTUK 15
Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017
betreffende het onrechtmatig binnendringen in,
bezetten van of verblijven in andermans goed
Art. 79
In de wet van 18 oktober 2017 betreffende het on-
rechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven
in andermans goed, wordt in de plaats van artikel 12,
vernietigd bij arrest nr. 39/2020 van het Grondwettelijk
Hof, het als volgt luidende artikel 12 ingevoegd:
“Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel 442/1,
§ 1, van het Strafwetboek kan de procureur des Konings,
op verzoek van de houder van een titel of een recht op
het betrokken goed, na machtiging door de onderzoeks-
rechter, de ontruiming van het betrokken goed bevelen,
ten aanzien van de in het goed aangetroffen personen.
De procureur des Konings richt een met redenen om-
kleed verzoek aan de onderzoeksrechter dat minstens
de volgende gegevens bevat:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maat-
regel betrekking heeft en de vermelding van het adres
van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° alle documenten en inlichtingen waaruit blijkt dat
het gebruik van dit middel nodig is;
3° de identiteit van de bezetters van het betrokken
goed voor zover die kan worden achterhaald.
Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden die
het bevel tot ontruiming zouden rechtvaardigen.
De onderzoeksrechter beslist binnen een termijn
van maximum 72 uur na de ontvangst van het verzoek.
De onderzoeksrechter kan het verzoek afwijzen indien
het kennelijk ongegrond is. De onderzoeksrechter be-
oordeelt minstens de wettigheid en de proportionaliteit
Art. 78
À l’article 163 de la même loi, modifié par la loi du
13 décembre 2012 et la loi du 19 janvier 2022, les modi-
fications suivantes sont apportées:
1° le chiffre “4.59” est remplacé par les mots “4.59,
§ 4, alinéa 3,”;
2° les mots “un acte ou” sont insérés entre les mots
“à établir” et les mots “un certificat d’hérédité”.
CHAPITRE 15
Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative
à la pénétration, à l’occupation ou au séjour
illégitimes dans le bien d’autrui
Art. 79
Dans la loi du 18 octobre 2017 relative à la péné-
tration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le
bien d’autrui, à la place de l’article 12 annulé par l’arrêt
n° 39/2020 de la Cour constitutionnelle, il est inséré un
article 12 rédigé comme suit:
“Art. 12. § 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1,
§ 1er, du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la
demande du détenteur d’un droit ou d’un titre sur le
bien concerné, ordonner l’évacuation du bien concerné
après autorisation du juge d’instruction, à l’égard des
personnes trouvée dans le bien.
Le procureur du Roi adresse au juge d’instruction une
demande motivée qui contient au moins les données
suivantes:
1° une description du lieu concerné par la mesure
et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de
l’ordonnance;
2° tous les documents et renseignements desquels
il ressort que le recours à ce moyen est nécessaire;
3° l’identité des occupants du bien concerné dans la
mesure où celle-ci peut être retrouvée.
Il mentionne dans sa demande les circonstances
susceptibles de justifier l’ordonnance d’évacuation.
Le juge d’instruction décide dans un délai de 72 heures
maximum après réception de la demande. Le juge d’ins-
truction peut rejeter la demande si elle est manifestement
non fondée. Le juge d’instruction apprécie au moins la
légalité et la proportionnalité de l’autorisation au regard
199
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de machtiging ten aanzien van de feiten. Hij hoort
de personen, die zich in het goed bevinden en tegen
wie een bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit
wegens de concrete omstandigheden van de zaak niet
mogelijk is. De beslissing van de onderzoeksrechter is
met redenen omkleed. Tegen deze beslissing is geen
beroep mogelijk.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging verleent,
vaardigt de procureur des Konings het bevel tot ontruiming
uit, dat met redenen wordt omkleed en met eerbiediging
van het vermoeden van onschuld wordt genomen. Het
bevel houdt de ontruiming in binnen een termijn van
acht dagen vanaf het ogenblik van de kennisgeving
bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, aan de in het goed
aangetroffen personen.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand uit
een afschrift van het bevel en de datum en het uur van de
kennisgeving, wordt opgesteld en in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings wordt
op schrift gesteld en bevat inzonderheid:
1° een omschrijving van de plaats waarop de maat-
regel betrekking heeft en de vermelding van het adres
van het goed dat het voorwerp van het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding ge-
geven hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de ver-
zoeker met aanduiding van het recht of de titel op het
betrokken goed waarop hij zich beroept;
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel tot
ontruiming tot gevolg kunnen hebben, inzonderheid
deze bedoeld in artikel 442/1, § 2, van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarbinnen
dat beroep moet worden ingediend.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats aangeplakt aan
het betrokken goed. Een afschrift van het bevel wordt
ter kennisgeving overhandigd aan de personen die zich
op het moment van de aanplakking in het betrokken
goed bevinden. Een afschrift van het bevel wordt via
het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld
aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone
waarbinnen het goed waarop het bevel betrekking heeft,
gelegen is en aan de houder van het recht of de titel op
het betrokken goed, alsook aan het bevoegde Openbaar
Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
des faits. Il entend les personnes qui se trouvent dans
le bien et contre lesquelles une ordonnance d’évacua-
tion est visé, sauf si cela n’est pas possible en raison
des circonstances particulières de l’affaire. La décision
du juge d’instruction est motivée. Cette décision n’est
susceptible d’aucun recours.
Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le
procureur du Roi prend l’ordonnance d’évacuation
en la motivant et dans le respect de la présomption
d’innocence. L’ordonnance implique l’évacuation dans
un délai de huit jours à compter de la notification visée
au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui se
trouvent dans le bien.
Un procès-verbal de notification, constitué d’une
copie de l’ordonnance et indiquant la date et l’heure de
la notification, est dressé et joint au dossier.
§ 2. L’ordonnance du procureur du Roi est consignée
par écrit et contient entre autres:
1° une description du lieu concerné par la mesure
et l’indication de l’adresse du bien qui fait l’objet de
l’ordonnance;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à
l’ordonnance;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant et une
indication du droit ou du titre dont celui-ci se prévaut à
l’égard du bien concerné;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5;
5° les sanctions qui pourront être imposées en cas de
non-respect de cette ordonnance d’évacuation, notam-
ment celles visées à l’article 442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans lequel ledit
recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit visible du
bien concerné. Une copie de l’ordonnance est remise à
titre de notification aux personnes qui se trouvent dans
le bien concerné au moment de l’affichage. Une copie
de l’ordonnance est transmise par le moyen de commu-
nication le plus approprié au chef de corps de la police
locale de la zone de police au sein de laquelle se situe
le bien concerné par l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur
du droit ou du titre sur le bien concerné et au Centre
public d’action sociale compétent.
2774/001
DOC 55
200
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De procureur des Konings staat in voor de tenuitvoer-
legging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn rechten
geschaad worden door het bevel van de procureur des
Konings kan beroep instellen tegen het bevel bij een
met redenen omkleed verzoekschrift op tegenspraak
neergelegd ter griffie van het vredegerecht van het
kanton waarin het betrokken goed gelegen is binnen
een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de ken-
nisgeving van het bevel door zichtbare aanplakking aan
het te ontruimen goed of door de overhandiging van het
afschrift, zulks op straffe van verval. Het beroep heeft
schorsende werking. Het bevel van de procureur des
Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de
termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een straf-
vordering die geheel of gedeeltelijk op dezelfde feiten
is gegrond.
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging van
het verzoekschrift bepaalt de vrederechter de dag en
het uur van de zitting waarop de zaak kan worden be-
handeld. De zitting vindt plaats binnen de tien dagen na
de neerlegging van het verzoekschrift. In afwijking van
artikel 1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen
getuigschrift van woonplaats vereist voor de neerlegging
van het verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld kennis
aan de persoon die beroep instelt tegen het bevel alsook
aan de houder van het recht of de titel op het goed van
de plaats, de dag en het uur van de zitting. Hij deelt
eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan
de procureur des Konings die het bevel tot ontruiming
heeft gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift
van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige
partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te ho-
ren, alsook te hebben geprobeerd hen te verzoenen.
Behoudens andersluidende bepaling verloopt de pro-
cedure zoals bepaald in artikel 1344octies van het
Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter doet uitspraak
over de gegrondheid van de ontruiming en het recht
of de titel waarop men zich beroept. In de uitzonder-
lijke, ernstige omstandigheden onder meer bedoeld
in artikel 1344decies, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, kan de vrederechter bij een met redenen
omklede beslissing een langere termijn bepalen dan
die waarin het bevel van de procureur des Konings
voorziet. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
Le procureur du Roi se charge de l’exécution de
l’ordonnance d’évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits sont
lésés par l’ordonnance du procureur du Roi peut former
un recours contre cette ordonnance par requête contra-
dictoire motivée déposée au greffe de la justice de paix
du canton où le bien concerné est situé dans un délai de
huit jours à compter de la notification de l’ordonnance par
affichage visible sur le bien à évacuer ou de la remise
de sa copie, et ce, à peine de déchéance. Le recours
est suspensif. L’ordonnance du procureur du Roi ne
peut pas être exécutée tant que le délai pour introduire
ce recours court toujours.
Ce recours n’est pas suspendu pendant une action
publique fondée en tout ou en partie sur les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la
requête, le juge de paix fixe les date et heure de l’au-
dience au cours de laquelle la cause peut être ins-
truite. L’audience a lieu au plus tard dans les dix jours
qui suivent le dépôt de la requête. Par dérogation à
l’article 1344octies du Code judiciaire, un certificat de
résidence n’est pas requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le lieu, les
date et heure de l’audience à la personne qui forme un
recours contre l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un
droit ou d’un titre sur le bien. Il communique également
les jour et heure de l’audience au procureur du Roi qui a
pris l’ordonnance d’évacuation. Une copie de la requête
est jointe au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les parties
présentes afin de les entendre et après avoir tenté une
conciliation entre elles. Sauf disposition contraire, la pro-
cédure se déroule comme déterminé à l’article 1344octies
du Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-
fondé de l’évacuation et sur le droit ou le titre invoqué. En
cas de circonstances exceptionnelles et graves visées
notamment à l’article 1344decies, alinéa 1er, du Code
judiciaire, le juge de paix peut, par décision motivée,
fixer un délai plus long que le délai prévu dans l’ordon-
nance du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit
appartient à une personne physique ou une personne
morale de droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur
à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient à une
201
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een natuurlijke persoon of een privaatrechtelijke rechts-
persoon, mag deze termijn niet meer dan één maand
bedragen. Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze termijn
niet meer dan zes maanden bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een termijn van
tien dagen volgend op de zitting uit.
Tegen de beslissing van de vrederechter kan geen
hoger beroep worden ingesteld.”.”
HOOFDSTUK 16
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019
betreffende de organisatie van de penitentiaire
diensten en van het statuut van het penitentiair
personeel
Art. 80
In artikel 5 van de wet van 23 maart 2019 betreffende
de organisatie van de penitentiaire diensten en van het
statuut van het penitentiair personeel worden de volgende
wijzingen aangebracht:
1° paragraaf 1, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
“Bij de minister wordt een penitentiaire beleidsraad
opgericht.”
2° In paragraaf 2, eerste lid worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
a) in de bepaling onder 3° worden de woorden “aan-
geduid door de minister op basis van een lijst van telkens
drie magistraten voorgesteld door het College van het
openbaar ministerie” vervangen door de woorden “op
voordracht van het College van het openbaar ministerie,
een parketmagistraat per taalrol, waarvan minstens één
behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank”;
b) in de bepaling onder 4° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van een lijst van telkens drie
rechters voorgesteld door het College van de hoven en
rechtbanken” vervangen door de woorden “op voordracht
van het College van de hoven en de rechtbanken, een
magistraat van de zetel per taalrol, waarvan minstens
één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank;”;
c) in de bepaling onder 5° worden de woorden “aange-
duid door de minister op basis van telkens een lijst van
drie advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse
Balies en een lijst van drie advocaten voorgesteld door
personne morale de droit public, ce délai ne peut pas
être supérieur à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans les
dix jours qui suivent l’audience.
La décision du juge de paix n’est susceptible d’aucun
recours.”.”
CHAPITRE 16
Modifications de la loi du 23 mars 2019
concernant l’organisation des services
pénitentiaires et le statut du personnel
pénitentiaire
Art. 80
À l’article 5 de la loi du 23 mars 2019 concernant
l’organisation des services pénitentiaires et le statut
du personnel pénitentiaire, les modifications suivantes
sont apportées:
1° le paragraphe 1er, alinéa 1, est remplacé par ce
qui suit:
“Un conseil pénitentiaire est mis en place auprès du
ministre.”
2° Au paragraphe 2, alinéa 1, les modifications sui-
vantes sont apportées:
a) au 3°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par
le Collège du ministère public” sont remplacés par “sur
proposition du Collège du ministère public, un magis-
trat du parquet par rôle linguistique, dont au moins un
appartient au tribunal de l’application des peines;”;
b) au 4°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois magistrats proposés par
le Collège des cours et tribunaux” sont remplacés par
“sur proposition du Collège des cours et tribunaux, un
magistrat par rôle linguistique, dont au moins un appar-
tient au tribunal de l’application des peines;”;
c) au 5°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois avocats proposés par
l’Ordre des barreaux francophone et germanophone
et d’une liste de trois avocats proposés par l’Orde van
2774/001
DOC 55
202
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de Ordre des Barreaux francophones et germanopho-
nes” vervangen door de woorden “op respectievelijke
voordracht van de Orde van Vlaamse Balies en de
“Ordre des barreaux francophones et germanophone”,
een advocaat per taalrol;”;
d) In de bepaling onder 6° worden de woorden “aan-
geduid door de minister op basis van telkens een lijst van
drie kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren
van de Franstalige universiteiten en een lijst van drie kan-
didaten voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire
Raad” vervangen door de woorden “op respectievelijke
voordracht van de Raad van rectoren van de Franstalige
universiteiten en de Vlaamse Interuniversitaire Raad,
een vertegenwoordiger per taalrol van de academische
wereld;”;
e) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt:
“8° op respectievelijke voordracht van de ministers
van de gefedereerde entiteiten, bevoegd inzake de
hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden, een
vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit;”
3° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als
volgt:
“De leden worden benoemd middels een koninklijk
besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, geno-
men na akkoord van de bevoegde regeringen, voor een
duur van vier jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.”.
Art. 81
Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“Art. 8. De Koning bepaalt de nadere regels voor de
indiening van de kandidaturen en voor de voordracht
van de leden van de penitentiaire beleidsraad.
De Koning bepaalt de regels inzake de werking van
de penitentiaire beleidsraad alsmede de regels met
betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die
van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire
beleidsraad.”.
Vlaamse Balies” sont remplacés par “sur proposition
respective de l’Orde van Vlaamse Balies et de l’Ordre
des barreaux francophone et germanophone, un avocat
par rôle linguisitique;”;
d) au 6°, les mots “désigné par le ministre sur la base
chaque fois d’une liste de trois candidats proposés par
le Conseil des recteurs des Universités francophones
et d’une liste de trois candidats proposés par le Conseil
interuniversitaire flamand” sont remplacés par “sur
proposition respective du Conseil des recteurs des
Universités francophones et du Conseil interuniversitaire
flamand, un représentant par rôle linguistique du monde
accadémique;”;
e) le 8° est remplacé par ce qui suit:
“8° un représentant par entité fédérée, sur proposition
respective des ministres des entités fédérées compétents
en matière d’aide sociale aux détenus.”.
3° au paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce
qui suit:
“Les membres sont nommés par arrêté royal délibéré
en Conseil des ministres, pris après accord des gouver-
nements compétents, pour une période de quatre ans.
Leur mandat est renouvelable.”.
Art. 81
L’article 8 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
“Art. 8. Le Roi détermine les modalités d’introduction
des candidatures et de nomination des membres du
Conseil pénitentiaire.
Le Roi détermine les règles relatives au fonctionnement
du Conseil pénitentiaire ainsi que les règles relatives
aux indemnités et aux frais applicables aux membres
du Conseil pénitentiaire.”.
203
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 17
Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek
Art. 82
In artikel 41sexies van de wet van 27 juni 1969 tot
herziening van de besluitwet van 28 december 1944
betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbei-
ders, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012 en gewijzigd
bij de wet van 19 januari 2022, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 wordt het cijfer “4.59” vervangen
door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”;
2° in paragraaf 14 wordt het woord “bedoeld” vervan-
gen door de woorden “bedoelde akte of”;
3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door
de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
Art. 83
In artikel 23quater van het koninklijk besluit nr. 38 van
27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut
der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 22 juni 2012
en gewijzigd bij de wetten van 20 september 2018, 7 mei
2019 en 19 januari 2022, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het cijfer “4.59”
vervangen door de woorden “4.59, § 4, derde lid,”;
2° in paragraaf 11 wordt het woord “bedoeld” vervan-
gen door de woorden “bedoelde akte of”;
3° het woord “1240bis” wordt telkens vervangen door
de woorden “4.59, § 4, derde lid,”.
HOOFDSTUK 18
Bekrachtiging van een koninklijk besluit
inzake kansspelen
Art. 84
Het koninklijk besluit van 27 januari 2022 betreffende
de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprich-
tingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd
CHAPITRE 17
Modifications en conséquence du nouvel
article 4.59 du Code civil
Art. 82
À l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969 révisant
l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité
sociale des travailleurs, inséré par la loi du 22 juin 2012
et modifié par la loi du 19 janvier 2022, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er le chiffre “4.59” est remplacé
par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”;
2° dans le paragraphe 14, les mots “un acte ou” sont
insérés entre les mots “à établir” et les mots “un certificat
d’hérédité”;
3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les
mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
Art. 83
À l’article 23quater de l’arrêté royal n° 38 du 27 juin
1967 organisant le statut social des travailleurs indépen-
dants, inséré par la loi du 22 juin 2012 et modifié par
les lois du 20 septembre 2018, 7 mai 2019 et 19 janvier
2022, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, le chiffre “4.59”
est remplacé par les mots “4.59, § 4, alinéa 3,”;
2° dans le paragraphe 11, les mots “un acte ou” sont
insérés entre les mots “à établir” et les mots “un certificat
d’hérédité”;
3° le mot “1240bis” est chaque fois remplacé par les
mots “4.59, § 4, alinéa 3,”.
CHAPITRE 18
Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux
de hasard
Art. 84
L’arrêté royal du 27 janvier 2022 relatif à la contribution
aux frais de fonctionnement, de personnel et d’installa-
tion de la Commission des jeux de hasard due par les
2774/001
DOC 55
204
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B,
B+, C, E, F1, F1+, F2, G1 en G2 voor het burgerlijk jaar
2022 is bekrachtigd met uitwerking op de dag van zijn
inwerkingtreding.
HOOFDSTUK 19
Tijdelijke maatregel tot vermindering van de
overbevolking in de gevangenissen
Art. 85
De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen “directeur”,
“veroordeelde”, “slachtoffer” dienen te worden begrepen
in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betref-
fende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot
een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 86
§ 1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling
toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoorwaarden
bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke in-
vrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van
het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de
vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld.
In afwijking van het eerste lid, is de veroordeelde wiens
strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van
deze maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen gedurende
zes maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot
herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling.
Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt
herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde.
Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt herroepen,
kan zij niet opnieuw worden toegekend.
§ 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van
de vervroegde invrijheidstelling bedoeld in paragraaf 1:
— de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbe-
nemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer
dan 10 jaar bedraagt;
— de veroordeelden die één of meerdere gevange-
nisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in boek II,
titel Iter, van het Strafwetboek;
titulaires de licence de classe A, A+, B, B+, C, E, F1,
F1+, F2, G1 et G2 pour l’année civile 2022 est confirmé
avec effet à la date de son entrée en vigueur.
CHAPITRE 19
Mesure temporaire afin de réduire la
surpopulation dans les prisons
Art. 85
Les notions de “directeur”, de “condamné” et de “vic-
time” visées au présent chapitre doivent être entendues
au sens de l’article 2 de la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes condamnées
à une peine privative de liberté et aux droits reconnus
à la victime dans le cadre des modalités d’exécution
de la peine.
Art. 86
§ 1er. Le directeur octroie la libération anticipée au
condamné qui se trouve dans les conditions de temps
pour l’octroi de la libération conditionnelle, à partir de
six mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des
peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné.
Par dérogation à l’alinéa 1er, le condamné dont la
modalité d’exécution de la peine est révoquée par le juge
d’application des peines ou le tribunal de l’application
des peines pendant la durée de validité de cette mesure
est exclu de la libération anticipée pendant six mois à
compter de l’exécution du jugement de révocation.
Si la libération anticipée n’est pas révoquée, elle court
jusqu’à la fin de la peine.
Si la libération anticipée est révoquée, elle ne peut
plus être octroyée à nouveau.
§ 2. Les condamnés suivants sont exclus de la libé-
ration anticipée visée au § 1er:
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peines privatives de liberté dont le total s’élève à plus
de 10 ans;
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés au
livre II, titre Iter, du Code pénal;
205
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
— de veroordeelden die één of meerdere gevan-
genisstraffen ondergaan voor de feiten vermeld in de
artikelen 417/7 tot 417/24, 417/50, 417/55, 417/56, 417/59
en 417/63 van het Strafwetboek;
— de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van
een veroordeling met een terbeschikkingstelling van
de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de arti-
kelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
— de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf;
— de veroordeelden die worden opgevolgd door het
Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader
van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld
in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de
wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 87
§ 1. De directeur neemt de beslissing tot toekenning
van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd
te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de
volgende criteria getoetst te hebben:
— het hebben van onderdak;
— het beschikken over voldoende middelen van
bestaan.
De procureur des Konings van het arrondissement
waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft
en, indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoe-
ringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie
bij de strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig
mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de
vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan ver-
bonden voorwaarden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval
binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke
schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van
de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en
van de daaraan verbonden voorwaarden.
§ 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn on-
derworpen aan de volgende algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddel-
lijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer
ontmoet.
— les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peine(s) d’emprisonnement pour des faits visés aux
articles 417/7 à 417/24, 417/50, 417/55, 417/56, 417/59
et 417/63 du Code pénal;
— les condamnés qui font l’objet d’une condamnation
avec une mise à disposition du tribunal de l’application
des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater
du Code pénal;
— les condamnés qui n’ont pas de droit de séjour;
— les condamnés qui sont suivis par l’Organe pour
la coordination de l’analyse de la menace dans le cadre
des banques de données communes visées aux ar-
ticles 44/11/3bis à 44/11/3quinquies de la loi du 5 août
1992 sur la fonction de police.
Art. 87
§ 1. Le directeur octroie la libération anticipée après
s’être assuré de la faisabilité de la mesure et après avoir
fait les vérifications suivantes:
— le condamné dispose d’un logement;
— le condamné dispose de moyens d’existence
suffisants.
Le procureur du Roi de l’arrondissement où le
condamné a son lieu de résidence ou de séjour et,
si le juge de l’application des peines ou le tribunal de
l’application des peines est déjà saisi, le ministère public
près le tribunal de l’application des peines, sont informés
le plus rapidement possible de l’octroi de la libération
anticipée et des conditions qui y sont liées.
La victime est informée le plus rapidement possible,
et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen
de communication écrit le plus rapide de l’octroi de la
libération anticipée et des conditions qui y sont liées.
§ 2. Pendant le délai d’épreuve, le condamné est
soumis aux conditions générales suivantes:
1° ne pas commettre d’infraction;
2° ne pas importuner les victimes et immédiatement
quitter les lieux lorsqu’il rencontre une victime.
2774/001
DOC 55
206
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog
resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het
ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling.
In geval van herroeping van de vervroegde invrij-
heidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode
tijdens dewelke hij in vervroegde invrijheidstelling was
en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping van de
vervroegde invrijheidsstelling, afgetrokken van het op
het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte
van de vrijheidsstraffen.
§ 3. De directeur kan de beslissing herroepen in
volgende gevallen:
— wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden
zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van
strafbare feiten niet heeft nageleefd;
— wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarde
vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 2° niet naleeft.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval
binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke
schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van
de beslissing tot herroeping.
§ 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische
integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedu-
rende de proeftermijn, kan de procureur des Konings
bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de
veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding
bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan
de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de al dan niet
herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen
zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroor-
deelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt
binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de
veroordeelde en de procureur des Konings.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval
binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke
schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van
de beslissing tot herroeping.
Art. 88
Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 augustus 2023.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad, de datum bedoeld in het eerste lid
verlengen tot 31 december 2024.
Le délai d’épreuve est égal à la durée de la peine
qu’il restait à subir au moment de la libération anticipée.
Si la libération anticipée est révoquée sur la base
du paragraphe 3, la période au cours de laquelle le
condamné était en libération anticipée et qui court jusqu’à
la décision de révocation de la libération anticipée est
déduite de la partie restante des peines privatives de
liberté au moment de l’octroi.
§ 3. Le directeur peut révoquer la décision dans les
cas suivants:
— lorsqu’il existe des indications sérieuses selon
lesquelles le condamné n’a pas respecté l’interdiction
de commettre des infractions;
— lorsque le condamné ne respecte pas la condition
générale mentionnée au paragraphe 2, alinéa 1er, 2°.
La victime est informée de la décision de révocation
le plus rapidement possible et dans tous les cas dans
les vingt-quatre heures, par le moyen de communication
écrit le plus rapide.
§ 4. Si le condamné met gravement en péril l’inté-
grité physique ou psychique de tiers pendant le délai
d’épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le
ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner
l’arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immé-
diatement sa décision au directeur.
Le directeur prend une décision sur la révocation ou
non de la libération anticipée dans les sept jours qui
suivent l’arrestation du condamné. Cette décision motivée
est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures
au condamné et au procureur du Roi.
La victime est informée le plus rapidement possible,
et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen
de communication écrit le plus rapide de la décision de
révocation.
Art. 88
Le présent chapitre s’applique jusqu’au 31 août 2023.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi-
nistres, prolonger la date visée au premier alinéa jusqu’au
31 décembre 2024.
207
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 20
Wijziging aan de basiswet van 12 januari
2005 betreffende het gevangeniswezen en de
rechtspositie van de gedetineerden
Art. 89
In artikel 18 van de basiswet van 12 januari 2005 betref-
fende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de
gedetineerden, gewijzigd door de wet van 25 december
2016, wordt een § 1/1 ingevoegd, luidend als volgt:
“§ 1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kun-
nen bepalen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van
de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig
begeeft naar de aangewezen gevangenis.”
HOOFDSTUK 21
Overgangsbepalingen
Art. 90
De bij ministerieel besluit van 25 februari 2020
(Belgisch Staatsblad van 6 maart 2020) benoemde
assessoren van de commissie voor de tuchtregeling en
de klachtenbehandeling van de Federale bemiddelings-
commissie beëindigen hun mandaat op 6 maart 2024.
Hun mandaten kunnen slechts eenmaal worden verlengd.
Art. 91
De mandaten van de leden van het bureau van de
Federale bemiddelingscommissie die zijn benoemd bij
de ministeriële besluiten van 24 mei 2019, 15 oktober
2019, 7 december 2020 en 4 april 2022, worden verlengd
tot 20 december 2023.
HOOFDSTUK 22
Inwerkingtreding
Art. 92
Hoofdstukken 8, 9, 14 en 17 van deze wet treden
in werking op de door de Koning bepaalde datum en
uiterlijk op 1 november 2022.
In afwijking van het eerste lid treden de artikelen 44
en 46 in werking op de dag van de bekendmaking van
deze wet in het Belgisch Staatsblad.
CHAPITRE 20
Modification de la loi de principes du 12 janvier
2005 concernant l’administration pénitentiaire
ainsi que le statut juridique des détenus
Art. 89
À l’article 18 de la loi de principes du 12 janvier 2005
concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut
juridique des détenus, modifiée par la loi du 25 décembre
2016, il est inséré un paragraphe 1/1, rédigé comme suit:
“§ 1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er
peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre
initiative à la prison désignée pour exécuter la décision
de placement ou de transfèrement.”
CHAPITRE 21
Dispositions transitoires
Art. 90
Les assesseurs de la commission disciplinaire et de
traitement des plaintes de la Commission fédérale de
médiation, nommés par arrêté ministériel du 25 février
2020 (Moniteur belge du 6 mars 2020) terminent leur
mandat le 6 mars 2024. Leurs mandats ne peuvent être
renouvelés qu’une seule fois selon la procédure prévue
par le Roi.
Art. 91
Les mandats des membres du bureau de la com-
mission fédérale de médiation nommés par arrêtés
ministériels du 24 mai 2019, du 15 octobre 2019, du
7 décembre 2020 et du 4 avril 2022 sont prolongés
jusqu’au 20 décembre 2023.
CHAPITRE 22
Entrée en vigueur
Art. 92
Les chapitres 8, 9, 14 et 17 de la présente loi entrent
en vigueur à la date déterminée par le Roi et au plus
tard le 1er novembre 2022.
Par dérogation à l’alinéa 1er, les articles 44 et 46 entrent
en vigueur le jour de la publication de la présente loi au
Moniteur belge.
2774/001
DOC 55
208
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 93
Hoofdstuk 12 van deze wet treedt in werking op 1 sep-
tember 2022.
Gegeven te Brussel, 21 juni 2022.
FILIP
Van Koningswege:
De minister van Justitie,
Vincent VAN QUICKENBORNE
Art. 93
Le chapitre 12 de la présente loi entre en vigueur le
1er septembre 2022.
Donné à Bruxelles, le 21 juin 2022.
PHILIPPE
Par le Roi:
Le ministre de la Justice,
Vincent VAN QUICKENBORNE
209
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
COORDINATION DES ARTICLES
TEXTE DE BASE
TEXTE DE BASE ADAPTÉ AU PROJET DE LOI
Modification de l’ancien Code Civil
Art. 165/1
Art. 165/1
Le jour désigné par les parties, à l'exception des
dimanches et jours fériés, après le délai visé à
l'article 165, l'officier de l'état civil explique aux
parties à la maison communale, éventuellement
en présence des témoins, le contenu du chapitre
VI du présent titre. Les parties déclarent à tour
de rôle qu'elles veulent se prendre pour époux.
L'officier de l'état civil déclare ensuite, au nom
de la loi, qu'elles sont unies par le mariage. Il en
établit l'acte sans délai dans la BAEC.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal
peut désigner, sur le territoire de la commune,
d'autres lieux publics à caractère neutre, dont la
commune a l'usage exclusif, pour célébrer les
mariages.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal
peut autoriser à célébrer les mariages les
dimanches et/ou jours fériés.
Le jour désigné par les parties, à l'exception des
dimanches et jours fériés, après le délai visé à
l'article 165, l'officier de l'état civil explique aux
parties à la maison communale, éventuellement
en présence des témoins, le contenu du chapitre
VI du présent titre. Les parties déclarent à tour
de rôle qu'elles veulent se prendre pour époux.
L'officier de l'état civil déclare ensuite, au nom
de la loi, qu'elles sont unies par le mariage. Il en
établit l'acte sans délai dans la BAEC.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal
peut désigner, sur le territoire de la commune,
d'autres lieux publics à caractère neutre, dont la
commune a l'usage exclusif, pour célébrer les
mariages.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le conseil communal
peut autoriser à célébrer les mariages les
dimanches et/ou jours fériés.
Modifications du Code d’instruction criminelle
Art. 28decies
Art. 28decies (nouveau)
/
Section 1rebis/1. - Du contrôle de l’information
par la chambre des mises en accusation
Art. 28decies. Si l'information n'est pas clôturée
après une année, la chambre des mises en
accusation peut être saisie par une requête
motivée de l'inculpé ou de la personne lésée
adressée au greffe de la cour d'appel.
S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement
de l'information, la légalité ou la régularité de
la procédure, le procureur général prend, à tout
moment, devant la chambre des mises en
accusation, les réquisitions qu'il juge utiles.
Dans ce cas, la chambre des mises en accusation
peut, même d'office, demander des rapports
sur l'état des affaires et peut prendre
connaissance des dossiers et prendre les
mesures prévues aux articles 235 et 235bis.
2774/001
DOC 55
210
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut
entendre le procureur du Roi en son rapport,
hors la présence des parties si elle l'estime utile.
Elle peut également entendre la personne
lésée, l'inculpé et leurs conseils, sur
convocation qui leur est notifiée par le greffier,
par télécopie, par lettre simple ou par voie
électronique, au plus tard quarante-huit heures
avant l'audience.
La chambre des mises en accusation statue sur
la
requête
par
arrêt
motivé,
qui
est
communiqué au procureur général, à la partie
requérante et aux parties entendues. Le
requérant ne peut déposer de requête ayant le
même objet avant l'expiration du délai de six
mois à compter de la dernière décision.
Art. 39ter
Art. 39ter
§ 1er. Lors de la recherche de crimes et délits et
sans préjudice des compétences visées aux
articles 39bis, 46bis et 88bis et aux articles XII.17,
XII.18, XII.19 et XII.20 du Code de droit
économique, tout officier de police judiciaire
peut, s'il existe des raisons de croire que des
données stockées, traitées ou transmises au
moyen
d'un
système
informatique
sont
particulièrement susceptibles de perte ou de
modification, ordonner, par une décision écrite
et motivée, à une ou plusieurs personnes
physiques ou personnes morales de conserver
les données qui sont en leur possession ou sous
leur contrôle.
La décision écrite motivée mentionne:
- les nom et qualité de l'officier de police
judiciaire qui ordonne la conservation;
- l'infraction qui fait l'objet de l'ordre;
- les données qui doivent être conservées;
- la durée de conservation des données, qui ne
peut excéder nonante jours. Ce délai peut être
prolongé par écrit.
En cas d'urgence, la conservation peut être
ordonnée verbalement. L'ordre doit être
confirmé dans les plus brefs délais dans la forme
prévue à l'alinéa 2.
§ 1er. Lors de la recherche de crimes et délits et
sans préjudice des compétences visées aux
articles 39bis, 46bis et 88bis et aux articles XII.17,
XII.18, XII.19 et XII.20 du Code de droit
économique, tout officier de police judiciaire
peut, s'il existe des raisons de croire que des
données stockées, traitées ou transmises au
moyen
d'un
système
informatique
sont
particulièrement susceptibles de perte ou de
modification, ordonner, par une décision écrite
et motivée, à une ou plusieurs personnes
physiques ou personnes morales de conserver
les données qui sont en leur possession ou sous
leur contrôle.
La décision écrite motivée mentionne:
- les nom et qualité de l'officier de police
judiciaire qui ordonne la conservation;
- l'infraction qui fait l'objet de l'ordre;
- les données qui doivent être conservées;
- la durée de conservation des données, qui ne
peut excéder nonante jours. Ce délai peut être
prolongé par écrit.
En cas d'urgence, la conservation peut être
ordonnée verbalement. L'ordre doit être
confirmé dans les plus brefs délais dans la forme
prévue à l'alinéa 2.
211
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. Les personnes physiques ou personnes
morales visées au paragraphe 1er, alinéa 1er,
veillent à ce que l'intégrité des données soit
garantie et à ce que les données soient
conservées de manière sécurisée.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction,
a connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de coopérer, ou qui
fait disparaître, détruit ou modifie les données
conservées, est punie d'un emprisonnement de
six mois à un an ou d'une amende de vingt-six
euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines
seulement.
§ 2. Les personnes physiques ou personnes
morales visées au paragraphe 1er, alinéa 1er,
veillent à ce que l'intégrité des données soit
garantie et à ce que les données soient
conservées de manière sécurisée.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction,
a connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de coopérer, ou qui
fait disparaître, détruit ou modifie les données
conservées, est punie d’une amende de cent
euros à trente mille euros.
Art. 46bis
Art. 46bis
§ 1er. En recherchant les crimes et les délits, le
procureur du Roi peut, par une décision motivée
et écrite, procéder ou faire procéder sur la base
de toutes données détenues par lui, ou au
moyen d'un accès aux fichiers des clients des
acteurs visés à l'alinéa 2, premier et deuxième
tirets, à:
1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur
habituel d'un service visé à l'alinéa 2, deuxième
tiret, ou bien du moyen de communication
électronique utilisé;
2° l'identification des services visés à l'alinéa 2,
deuxième
tiret,
auxquels
une
personne
déterminée
est
abonnée
ou
qui
sont
habituellement utilisés par une personne
déterminée.
Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, la collaboration:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques, et
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
§ 1er. En recherchant les crimes et les délits, le
procureur du Roi peut, par une décision motivée
et écrite, procéder ou faire procéder sur la base
de toutes données détenues par lui, ou au
moyen d'un accès aux fichiers des clients des
acteurs visés à l'alinéa 2, premier et deuxième
tirets, à:
1° l'identification de l'abonné ou de l'utilisateur
habituel d'un service visé à l'alinéa 2, deuxième
tiret, ou bien du moyen de communication
électronique utilisé;
2° l'identification des services visés à l'alinéa 2,
deuxième
tiret,
auxquels
une
personne
déterminée
est
abonnée
ou
qui
sont
habituellement utilisés par une personne
déterminée.
Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, la collaboration:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques, et
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
2774/001
DOC 55
212
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
La motivation reflète le caractère proportionnel
eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire
à tout autre devoir d'enquête.
En cas d'extrême urgence, le procureur du Roi
peut ordonner verbalement cette mesure. La
décision est confirmée par écrit dans les plus
brefs délais.
Pour des infractions qui ne sont pas de nature à
entraîner un emprisonnement correctionnel
principal d'un an ou une peine plus lourde, le
procureur du Roi ne peut requérir les données
visées à l'alinéa 1er que pour une période de six
mois préalable à sa décision.
§ 2. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, 1er et 2e
tirets, requis de communiquer les données
visées au paragraphe 1er communiquent au
procureur du Roi ou à l'officier de police
judiciaire les données en temps réel ou, le cas
échéant, au moment précisé dans la réquisition,
selon les modalités fixées par le Roi, sur
proposition du ministre de la Justice et du
ministre
compétent
pour
les
Télécommunications.
Le Roi fixe, après avis de la Commission de la
protection de la vie privée et sur proposition du
Ministre de la Justice et du Ministre compétent
pour les Télécommunications, les conditions
techniques d'accès aux données visées au § 1er
et disponibles pour le procureur du Roi et le
service de police désigné au même paragraphe.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de communiquer les
données ou qui ne les communique pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition est punie d'une
amende de vingt-six euros à dix mille euros.
La motivation reflète le caractère proportionnel
eu égard au respect de la vie privée et subsidiaire
à tout autre devoir d'enquête.
En cas d'extrême urgence, le procureur du Roi
peut ordonner verbalement cette mesure. La
décision est confirmée par écrit dans les plus
brefs délais.
Pour des infractions qui ne sont pas de nature à
entraîner un emprisonnement correctionnel
principal d'un an ou une peine plus lourde, le
procureur du Roi ne peut requérir les données
visées à l'alinéa 1er que pour une période de six
mois préalable à sa décision.
§ 2. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2, 1er et 2e
tirets, requis de communiquer les données
visées au paragraphe 1er communiquent au
procureur du Roi ou à l'officier de police
judiciaire les données en temps réel ou, le cas
échéant, au moment précisé dans la réquisition,
selon les modalités fixées par le Roi, sur
proposition du ministre de la Justice et du
ministre
compétent
pour
les
Télécommunications.
Le Roi fixe, après avis de la Commission de la
protection de la vie privée et sur proposition du
Ministre de la Justice et du Ministre compétent
pour les Télécommunications, les conditions
techniques d'accès aux données visées au § 1er et
disponibles pour le procureur du Roi et le service
de police désigné au même paragraphe.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de communiquer les
données ou qui ne les communique pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition est punie d’une
amende de cent euros à trente mille euros.
Art. 46bis/1.
Art. 46bis/1.
§ 1er. Dans le cadre de la recherche des
infractions terroristes visées au livre II, titre
§ 1er. Dans le cadre de la recherche des
infractions terroristes visées au livre II, titre
213
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Ierter, du Code pénal, le procureur du Roi peut,
par une décision motivée et écrite, requérir
toutes les institutions de sécurité sociale visées
à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier
1990 relative à l'institution et à l'organisation
d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et
à l'article 2, alinéa 1e , 2°, de la loi du 11 avril 1995
visant à instituer "la charte" de l'assuré social de
lui fournir les renseignements administratifs
qu'il juge nécessaires.
Dans sa décision, le procureur du Roi décrit
précisément les renseignements qu'il demande,
et spécifie la forme sous laquelle ils lui seront
communiqués.
§ 2. En application de l'exception visée à l'article
458 du Code pénal et par dérogation à toutes
dispositions contraires, les institutions de
sécurité sociale visées au paragraphe 1er, alinéa
1er,
communiquent
sans
délai
les
renseignements qui y sont visés.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne refusant de communiquer les
renseignements sera punie d'une amende de
vingt-six euros à dix mille euros.
Ierter, du Code pénal, le procureur du Roi peut,
par une décision motivée et écrite, requérir
toutes les institutions de sécurité sociale visées à
l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la loi du 15 janvier
1990 relative à l'institution et à l'organisation
d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale et
à l'article 2, alinéa 1er , 2°, de la loi du 11 avril
1995 visant à instituer "la charte" de l'assuré
social de lui fournir les renseignements
administratifs qu'il juge nécessaires.
Dans sa décision, le procureur du Roi décrit
précisément les renseignements qu'il demande,
et spécifie la forme sous laquelle ils lui seront
communiqués.
§ 2. En application de l'exception visée à l'article
458 du Code pénal et par dérogation à toutes
dispositions contraires, les institutions de
sécurité sociale visées au paragraphe 1er, alinéa
1er,
communiquent
sans
délai
les
renseignements qui y sont visés.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne refusant de communiquer les
renseignements sera punie d’une amende de
cent euros à trente mille euros.
Art. 46ter
Art. 46ter
§ 1er. Dans le cadre de la recherche des crimes et
délits, le procureur du Roi peut intercepter et
saisir le courrier confié à un opérateur postal,
destiné à, provenant de ou concernant un
suspect, s'il existe des indices sérieux que les
infractions
peuvent
donner
lieu
à
un
emprisonnement correctionnel principal d'un an
ou à une peine plus lourde.
Si cette mesure s'inscrit dans le cadre d'une
recherche proactive visée à l'article 28bis, § 2, le
procureur du Roi vérifie s'il est satisfait aux
conditions spécifiques visées audit article.
Si le procureur du Roi estime ne pas devoir
maintenir la saisie, il rend sans délai les pièces à
l'opérateur postal pour envoi. Dans le cas
§ 1er. Dans le cadre de la recherche des crimes et
délits, le procureur du Roi peut intercepter et
saisir le courrier confié à un opérateur postal,
destiné à, provenant de ou concernant un
suspect, s'il existe des indices sérieux que les
infractions
peuvent
donner
lieu
à
un
emprisonnement correctionnel principal d'un an
ou à une peine plus lourde.
Si cette mesure s'inscrit dans le cadre d'une
recherche proactive visée à l'article 28bis, § 2, le
procureur du Roi vérifie s'il est satisfait aux
conditions spécifiques visées audit article.
Si le procureur du Roi estime ne pas devoir
maintenir la saisie, il rend sans délai les pièces à
l'opérateur postal pour envoi. Dans le cas
2774/001
DOC 55
214
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
contraire, il est procédé conformément aux
dispositions des articles 35 à 39.
La notion de " courrier " au sens du présent
article s'entend ainsi qu'elle est définie à l'article
131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991
portant réforme de certaines entreprises
publiques économiques.
§ 2. Le procureur du Roi peut, par une décision
écrite et motivée, requérir le concours de
l'opérateur postal afin de permettre les mesures
visées au § 1er. L'opérateur postal est tenu de
prêter son concours sans délai.
II précise dans sa décision la durée de la mesure
visée au paragraphe précédent.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours aux réquisitions visées au présent
article, est punie d'un emprisonnement de huit
jours à un an et d'une amende de vingt-six EUR à
dix mille EUR ou d'une de ces peines seulement.
contraire, il est procédé conformément aux
dispositions des articles 35 à 39.
La notion de " courrier " au sens du présent
article s'entend ainsi qu'elle est définie à l'article
131, 6°, 7° et 11°, de la loi du 21 mars 1991
portant réforme de certaines entreprises
publiques économiques.
§ 2. Le procureur du Roi peut, par une décision
écrite et motivée, requérir le concours de
l'opérateur postal afin de permettre les mesures
visées au § 1er. L'opérateur postal est tenu de
prêter son concours sans délai.
II précise dans sa décision la durée de la mesure
visée au paragraphe précédent.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours aux réquisitions visées au présent
article, est punie d’une amende de cent euros à
trente mille euros.
Art. 46quater
Art. 46quater
§ 1. En recherchant les crimes et les délits, le
procureur du Roi peut requérir, s'il existe des
indices sérieux que les infractions peuvent
donner lieu à une peine d'emprisonnement
correctionnel principal d'un an ou à une peine
plus lourde, les informations nécessaires relative
aux produits, services et transactions de nature
financière et aux valeurs virtuelles concernant le
suspect, auprès :
1° des personnes et institutions visées à l'article
5, § 1er, 3° à 22° de la loi du 18 septembre 2017
relative à la prévention du blanchiment de
capitaux et du financement du terrorisme et à la
limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le
territoire belge, mettent à disposition ou
proposent des services en lien avec des valeurs
virtuelles permettant d'échanger des moyens de
payement réglementés en valeurs virtuelles.
§ 1. En recherchant les crimes et les délits, le
procureur du Roi peut requérir, s'il existe des
indices sérieux que les infractions peuvent
donner lieu à une peine d'emprisonnement
correctionnel principal d'un an ou à une peine
plus lourde, les informations nécessaires relative
aux produits, services et transactions de nature
financière et aux valeurs virtuelles concernant le
suspect, auprès :
1° des personnes et institutions visées à l'article
5, § 1er, 3° à 22° de la loi du 18 septembre 2017
relative à la prévention du blanchiment de
capitaux et du financement du terrorisme et à la
limitation de l'utilisation des espèces;
2° des personnes et institutions qui, sur le
territoire belge, mettent à disposition ou
proposent des services en lien avec des valeurs
virtuelles permettant d'échanger des moyens de
payement réglementés en valeurs virtuelles.
215
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. Afin de permettre les mesures visées au
paragraphe 1er, le procureur du Roi peut, par
sollicitation spécifique et motivée, demander
des informations au point de contact central
tenu par la Banque nationale de Belgique
conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant
organisation d'un point de contact central des
comptes et contrats financiers et portant
extension de l'accès au fichier central des avis de
saisie, de délégation, de cession, de règlement
collectif de dettes et de protêt.
§ 3. Lorsque les nécessités de l'information
l'exigent, le procureur du Roi peut en outre
requérir que :
1° pendant une période renouvelable d'au
maximum deux mois, les transactions du suspect
seront observées;
2° l'institution ou la personne interrogée ne
pourra plus se dessaisir des créances et
engagements concernant les produits, les
services, les transactions et les valeurs visées au
paragraphe 1er pour une période qu'il détermine,
mais qui ne peut excéder la période allant du
moment où la personne ou l'institution prend
connaissance de sa requête à cinq jours
ouvrables après la notification des données
visées par cette personne ou institution.
La mesure visée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être
requise que si des circonstances graves et
exceptionnelles le justifient et uniquement si les
recherches portent sur des crimes ou délits visés
à l'article 90ter, §§ 2 à 4.
§ 4. Le procureur du Roi peut, sur décision écrite
et motivée, requérir le concours des personnes
et institutions visées au paragraphe 1er.
L'institution ou la personne interrogée est tenue
de coopérer immédiatement. Dans sa décision,
le procureur du Roi décrit précisément les
renseignements qu'il réclame et la forme
employée
pour
lui
communiquer
ces
informations.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
§ 2. Afin de permettre les mesures visées au
paragraphe 1er, le procureur du Roi peut, par
sollicitation spécifique et motivée, demander
des informations au point de contact central
tenu par la Banque nationale de Belgique
conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant
organisation d'un point de contact central des
comptes et contrats financiers et portant
extension de l'accès au fichier central des avis de
saisie, de délégation, de cession, de règlement
collectif de dettes et de protêt.
§ 3. Lorsque les nécessités de l'information
l'exigent, le procureur du Roi peut en outre
requérir que :
1° pendant une période renouvelable d'au
maximum deux mois, les transactions du suspect
seront observées;
2° l'institution ou la personne interrogée ne
pourra plus se dessaisir des créances et
engagements concernant les produits, les
services, les transactions et les valeurs visées au
paragraphe 1er pour une période qu'il détermine,
mais qui ne peut excéder la période allant du
moment où la personne ou l'institution prend
connaissance de sa requête à cinq jours
ouvrables après la notification des données
visées par cette personne ou institution.
La mesure visée à l'alinéa 1er, 2°, ne peut être
requise que si des circonstances graves et
exceptionnelles le justifient et uniquement si les
recherches portent sur des crimes ou délits visés
à l'article 90ter, §§ 2 à 4.
§ 4. Le procureur du Roi peut, sur décision écrite
et motivée, requérir le concours des personnes
et institutions visées au paragraphe 1er.
L'institution ou la personne interrogée est tenue
de coopérer immédiatement. Dans sa décision,
le procureur du Roi décrit précisément les
renseignements qu'il réclame et la forme
employée
pour
lui
communiquer
ces
informations.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
2774/001
DOC 55
216
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Toute personne qui refuse de communiquer les
données ou qui ne les communique pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d'un
emprisonnement de huit jours à un an et d'une
amende de vingt-six euros à dix mille euros ou
d'une de ces peines seulement.
Toute personne qui refuse de communiquer les
données ou qui ne les communique pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d’une
amende de cent euros à trente mille euros.
Art. 88bis
Art. 88bis
§ 1er. S'il existe des indices sérieux que les
infractions sont de nature à entraîner un
emprisonnement correctionnel principal d'un an
ou une peine plus lourde, et lorsque le juge
d'instruction
estime
qu'il
existe
des
circonstances qui rendent le repérage de
communications électroniques ou la localisation
de
l'origine
ou
de
la
destination
de
communications électroniques nécessaire à la
manifestation de la vérité, il peut faire procéder:
1° au repérage des données de trafic de moyens
de
communication
électronique
à
partir
desquels ou vers lesquels des communications
électroniques sont adressées ou ont été
adressées;
2° à la localisation de l'origine ou de la
destination de communications électroniques.
Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, la collaboration:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques; et
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque
moyen de communication électronique dont les
données de trafic sont repérées ou dont l'origine
ou
la
destination
de
la
communication
électronique est localisée, le jour, l'heure, la
durée et, si nécessaire, le lieu de la
communication électronique sont indiqués et
consignés dans un procès-verbal.
§ 1er. S'il existe des indices sérieux que les
infractions sont de nature à entraîner un
emprisonnement correctionnel principal d'un an
ou une peine plus lourde, et lorsque le juge
d'instruction
estime
qu'il
existe
des
circonstances qui rendent le repérage de
communications électroniques ou la localisation
de
l'origine
ou
de
la
destination
de
communications électroniques nécessaire à la
manifestation de la vérité, il peut faire procéder:
1° au repérage des données de trafic de moyens
de
communication
électronique
à
partir
desquels ou vers lesquels des communications
électroniques sont adressées ou ont été
adressées;
2° à la localisation de l'origine ou de la
destination de communications électroniques.
Si nécessaire, il peut pour ce faire requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, la collaboration:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques; et
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque
moyen de communication électronique dont les
données de trafic sont repérées ou dont l'origine
ou
la
destination
de
la
communication
électronique est localisée, le jour, l'heure, la
durée et, si nécessaire, le lieu de la
communication électronique sont indiqués et
consignés dans un procès-verbal.
217
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Le juge d'instruction indique les circonstances de
fait de la cause qui justifient la mesure, son
caractère proportionnel eu égard au respect de
la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir
d'enquête, dans une ordonnance motivée.
Il précise également la durée durant laquelle la
mesure pourra s'appliquer pour le futur, cette
durée ne pouvant excéder deux mois à dater de
l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement
et, le cas échéant, la période pour le passé sur
laquelle l'ordonnance s'étend conformément au
paragraphe 2.
En cas de flagrant délit, le procureur du Roi peut
ordonner la mesure pour les infractions visées à
l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4. Dans ce cas, la mesure
doit être confirmée dans les vingt-quatre heures
par le juge d'instruction.
S'il s'agit toutefois de l'infraction visée à l'article
137, 347bis, 434 ou 470 du Code pénal, à
l'exception de l'infraction visée à l'article 137, §
3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut
ordonner la mesure tant que la situation de
flagrant délit perdure, sans qu'une confirmation
par le juge d'instruction ne soit nécessaire.
S'il s'agit de l'infraction visée à l'article 137 du
Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à
l'article 137, § 3, 6°, du même Code, le procureur
du Roi peut en outre ordonner la mesure dans
les septante-deux heures suivant la découverte
de cette infraction, sans qu'une confirmation par
le juge d'instruction soit nécessaire.
Toutefois, le procureur du Roi peut ordonner la
mesure si le plaignant le sollicite, lorsque cette
mesure s'avère indispensable à l'établissement
d'une infraction visée à l'article 145, § 3 et § 3bis
de la loi du 13 juin 2005 relative aux
communications électroniques.
En cas d'urgence, la mesure peut être ordonnée
verbalement. Elle doit être confirmée dans les
plus brefs délais dans la forme prévue aux
alinéas 4 et 5.
§ 2.
§ 3.
Le juge d'instruction indique les circonstances de
fait de la cause qui justifient la mesure, son
caractère proportionnel eu égard au respect de
la vie privée et subsidiaire à tout autre devoir
d'enquête, dans une ordonnance motivée.
Il précise également la durée durant laquelle la
mesure pourra s'appliquer pour le futur, cette
durée ne pouvant excéder deux mois à dater de
l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement
et, le cas échéant, la période pour le passé sur
laquelle l'ordonnance s'étend conformément au
paragraphe 2.
En cas de flagrant délit, le procureur du Roi peut
ordonner la mesure pour les infractions visées à
l'article 90ter, §§ 2, 3 et 4. Dans ce cas, la mesure
doit être confirmée dans les vingt-quatre heures
par le juge d'instruction.
S'il s'agit toutefois de l'infraction visée à l'article
137, 347bis, 434 ou 470 du Code pénal, à
l'exception de l'infraction visée à l'article 137, §
3, 6°, du même Code, le procureur du Roi peut
ordonner la mesure tant que la situation de
flagrant délit perdure, sans qu'une confirmation
par le juge d'instruction ne soit nécessaire.
S'il s'agit de l'infraction visée à l'article 137 du
Code pénal, à l'exception de l'infraction visée à
l'article 137, §3, 6°, du même Code, le procureur
du Roi peut en outre ordonner la mesure dans
les septante-deux heures suivant la découverte
de cette infraction, sans qu'une confirmation par
le juge d'instruction soit nécessaire.
Toutefois, le procureur du Roi peut ordonner la
mesure si le plaignant le sollicite, lorsque cette
mesure s'avère indispensable à l'établissement
d'une infraction visée à l'article 145, § 3 et § 3bis
de la loi du 13 juin 2005 relative aux
communications électroniques.
En cas d'urgence, la mesure peut être ordonnée
verbalement. Elle doit être confirmée dans les
plus brefs délais dans la forme prévue aux
alinéas 4 et 5.
§ 2.
§ 3.
2774/001
DOC 55
218
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 4. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2,
communiquent les informations demandées en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, selon les modalités
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées au
présent article, concours dont les modalités sont
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications, ou ne le prête pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d'une
amende de vingt-six euros à dix mille euros.
§ 4. Les acteurs visés au § 1er, alinéa 2,
communiquent les informations demandées en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, selon les modalités
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées au
présent article, concours dont les modalités sont
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications, ou ne le prête pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d’une
amende de cent euros à trente mille euros.
Art. 88quater
Art. 88quater
§ 1er. Le juge d'instruction ou un officier de police
judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de
l'auditeur du travail délégué par lui, peut
ordonner à quiconque dont il présume qu'il a
connaissance
particulière
du
système
informatique qui fait l'objet de la recherche ou
de son extension visée à l'article 88ter ou des
services qui permettent de protéger ou de
crypter des données qui sont stockées, traitées
ou transmises par un système informatique, de
fournir des informations sur le fonctionnement
de ce système et sur la manière d'y accéder ou
d'accéder aux données qui sont stockées,
traitées ou transmises par un tel système, dans
une forme compréhensible. Le juge d'instruction
mentionne les circonstances propres à l'affaire
justifiant la mesure dans une ordonnance
motivée qu'il transmet au procureur du Roi ou à
l'auditeur du travail.
§ 2. Le juge d'instruction ou un officier de police
judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de
l'auditeur du travail délégué par lui, peut
ordonner à toute personne appropriée de
mettre
en
fonctionnement
elle-même
le
§ 1er. Le juge d'instruction ou un officier de police
judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de
l'auditeur du travail délégué par lui, peut
ordonner à quiconque dont il présume qu'il a
connaissance
particulière
du
système
informatique qui fait l'objet de la recherche ou
de son extension visée à l'article 88ter ou des
services qui permettent de protéger ou de
crypter des données qui sont stockées, traitées
ou transmises par un système informatique, de
fournir des informations sur le fonctionnement
de ce système et sur la manière d'y accéder ou
d'accéder aux données qui sont stockées,
traitées ou transmises par un tel système, dans
une forme compréhensible. Le juge d'instruction
mentionne les circonstances propres à l'affaire
justifiant la mesure dans une ordonnance
motivée qu'il transmet au procureur du Roi ou à
l'auditeur du travail.
§ 2. Le juge d'instruction ou un officier de police
judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de
l'auditeur du travail délégué par lui, peut
ordonner à toute personne appropriée de
mettre en
fonctionnement
elle-même
le
219
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
système informatique ou, selon le cas, de
rechercher, rendre accessibles, copier, rendre
inaccessibles ou retirer les données pertinentes
qui sont stockées, traitées ou transmises par ce
système, dans la forme qu'il aura demandée. Ces
personnes sont tenues d'y donner suite, dans la
mesure de leurs moyens.
L'ordonnance vises à l'alinéa 1er, ne peut être
prise à l'égard de l'inculpé et à l'égard des
personnes visées à l'article 156.
§ 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration
ordonnée aux §§ 1er et 2 ou qui fait obstacle à la
recherche ou à son extension dans le système
informatique, est puni d'un emprisonnement de
six mois à trois ans et d'une amende de vingt-six
euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines
seulement.
Si la collaboration visée à l'alinéa 1er peut
empêcher la commission d'un crime ou d'un délit
ou peut en limiter les effets et que cette
collaboration n'est pas fournie, les peines sont
un emprisonnement de un à cinq ans et une
amende de cinq cents euros à cinquante mille
euros.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction,
a connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
§ 5. L'Etat est civilement responsable pour le
dommage causé de façon non intentionnelle par
les
personnes
requises
à
un
système
informatique ou aux données qui sont stockées,
traitées ou transmises par un tel système.
système informatique ou, selon le cas, de
rechercher, rendre accessibles, copier, rendre
inaccessibles ou retirer les données pertinentes
qui sont stockées, traitées ou transmises par ce
système, dans la forme qu'il aura demandée. Ces
personnes sont tenues d'y donner suite, dans la
mesure de leurs moyens.
L'ordonnance vises à l'alinéa 1er, ne peut être
prise à l'égard de l'inculpé et à l'égard des
personnes visées à l'article 156.
§ 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration
ordonnée aux §§ 1er et 2 ou qui fait obstacle à la
recherche ou à son extension dans le système
informatique, est puni d’une amende de cent
euros à trente mille euros.
Si la collaboration visée à l'alinéa 1er peut
empêcher la commission d'un crime ou d'un délit
ou peut en limiter les effets et que cette
collaboration n'est pas fournie, les peines sont
un emprisonnement de un à cinq ans et une
amende de cinq cents euros à cinquante mille
euros ou une de ces peines seulement.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction,
a connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
§ 5. L'Etat est civilement responsable pour le
dommage causé de façon non intentionnelle par
les
personnes
requises
à
un
système
informatique ou aux données qui sont stockées,
traitées ou transmises par un tel système.
Art. 90quater
Art. 90quater
§ 1er. Toute mesure sur la base de l'article 90ter
fait l'objet d'une autorisation écrite préalable et
motivée du juge d'instruction, que celui-ci
communique au procureur du Roi.
L'autorisation est datée et indique:
1° les indices ainsi que les faits concrets et
propres à la cause qui justifient la mesure
conformément à l'article 90ter;
§ 1er. Toute mesure sur la base de l'article 90ter
fait l'objet d'une autorisation écrite préalable et
motivée du juge d'instruction, que celui-ci
communique au procureur du Roi.
L'autorisation est datée et indique:
1° les indices ainsi que les faits concrets et
propres à la cause qui justifient la mesure
conformément à l'article 90ter;
2774/001
DOC 55
220
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° les motifs pour lesquels la mesure est
indispensable à la manifestation de la vérité;
3° la personne, le moyen de communication, le
système informatique ou le lieu soumis à la
mesure;
4° la période pendant laquelle la mesure peut
être exécutée et qui ne peut excéder un mois. Ce
délai commence à courir le jour de l'autorisation
ordonnant ou, dans le cas de l'article
90quinquies, alinéa 1er, prolongeant la mesure et
s'achève la veille du quantième du mois suivant;
5° les nom et qualité de l'officier ou des officiers
de police judiciaire commis pour l'exécution de
la mesure.
En cas d'urgence, l'autorisation peut être
donnée verbalement. Elle est confirmée dans la
forme prévue à l'alinéa 2 au plus tard dans les
vingt-quatre heures.
§ 2. Afin de permettre la mesure visée à l'article
90ter, § 1er, le juge d'instruction peut requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, le concours:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques;
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées à
l'alinéa 1er, concours dont les modalités sont
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications, ou ne le prête pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d'une
amende de vingt-six euros à vingt mille euros.
2° les motifs pour lesquels la mesure est
indispensable à la manifestation de la vérité;
3° la personne, le moyen de communication, le
système informatique ou le lieu soumis à la
mesure;
4° la période pendant laquelle la mesure peut
être exécutée et qui ne peut excéder un mois. Ce
délai commence à courir le jour de l'autorisation
ordonnant ou, dans le cas de l'article
90quinquies, alinéa 1er, prolongeant la mesure et
s'achève la veille du quantième du mois suivant;
5° les nom et qualité de l'officier ou des officiers
de police judiciaire commis pour l'exécution de
la mesure.
En cas d'urgence, l'autorisation peut être
donnée verbalement. Elle est confirmée dans la
forme prévue à l'alinéa 2 au plus tard dans les
vingt-quatre heures.
§ 2. Afin de permettre la mesure visée à l'article
90ter, § 1er, le juge d'instruction peut requérir,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, le concours:
- de l'opérateur d'un réseau de communications
électroniques;
- de toute personne qui met à disposition ou
offre, sur le territoire belge, d'une quelconque
manière, un service qui consiste à transmettre
des signaux via des réseaux de communications
électroniques ou à autoriser des utilisateurs à
obtenir, recevoir ou diffuser des informations via
un réseau de communications électroniques. Est
également compris le fournisseur d'un service de
communications électroniques.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou y prête son
concours, est tenue de garder le secret. Toute
violation du secret est punie conformément à
l'article 458 du Code pénal.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées à
l'alinéa 1er, concours dont les modalités sont
fixées par le Roi, sur la proposition du ministre
de la Justice et du ministre compétent pour les
Télécommunications, ou ne le prête pas en
temps réel ou, le cas échéant, au moment
précisé dans la réquisition, est punie d’une
amende de cent euros à trente mille euros.
221
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Le juge d'instruction ne peut commettre
pour l'exécution de la mesure visée à l'article
90ter, § 1er, que des officiers de police judiciaire.
Ceux-ci peuvent néanmoins se faire assister par
des agents de police judiciaire et, selon les
conditions fixées par le Roi, par des agents du
cadre administratif et logistique de la police
intégrée. Ces dernières personnes ne peuvent
être chargées de l'analyse du contenu des
communications ou données enregistrées, sauf
s'il s'agit d'une expertise spécifique, ou de la
sélection des parties estimées pertinentes pour
l'instruction, comme prévu à l'article 90sexies, §
1er, 2°.
Les officiers de police judiciaire conservent les
noms des personnes qui peuvent les assister
dans une liste établie séparément pour chaque
dossier selon les modalités fixées par le Roi,
après avis de la Commission pour la protection
de la vie privée. Si ces personnes sont chargées
de l'exécution de l'ordonnance visée à l'article
90ter, § 1er, alinéa 3, leur nom n'est pas
mentionné dans le dossier judiciaire.
Les officiers de police judiciaire commis font
rapport par écrit au moins tous les cinq jours au
juge
d'instruction
sur
l'exécution
de
l'autorisation.
§ 4. Le juge d'instruction peut exiger,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, de personnes dont il
présume
qu'elles
ont
une
connaissance
particulière du moyen de communication ou du
système informatique qui fait l'objet de la
mesure ou de services ou applications qui
permettent de protéger, de coder ou de crypter
les données qui sont stockées, traitées ou
transmises par un moyen de communication ou
un système informatique, qu'elles fournissent
des informations sur le fonctionnement de ce
moyen ou système et sur la manière d'accéder à
son contenu qui est ou a été transmis, dans une
forme compréhensible.
Il peut ordonner aux personnes de rendre
accessible ce contenu, dans la forme qu'il
souhaite.
§ 3. Le juge d'instruction ne peut commettre
pour l'exécution de la mesure visée à l'article
90ter, § 1er, que des officiers de police judiciaire.
Ceux-ci peuvent néanmoins se faire assister par
des agents de police judiciaire et, selon les
conditions fixées par le Roi, par des agents du
cadre administratif et logistique de la police
intégrée. Ces dernières personnes ne peuvent
être chargées de l'analyse du contenu des
communications ou données enregistrées, sauf
s'il s'agit d'une expertise spécifique, ou de la
sélection des parties estimées pertinentes pour
l'instruction, comme prévu à l'article 90sexies, §
1er, 2°.
Les officiers de police judiciaire conservent les
noms des personnes qui peuvent les assister
dans une liste établie séparément pour chaque
dossier selon les modalités fixées par le Roi,
après avis de la Commission pour la protection
de la vie privée. Si ces personnes sont chargées
de l'exécution de l'ordonnance visée à l'article
90ter, § 1er, alinéa 3, leur nom n'est pas
mentionné dans le dossier judiciaire.
Les officiers de police judiciaire commis font
rapport par écrit au moins tous les cinq jours au
juge
d'instruction
sur
l'exécution
de
l'autorisation.
§ 4. Le juge d'instruction peut exiger,
directement ou par l'intermédiaire du service de
police désigné par le Roi, de personnes dont il
présume
qu'elles
ont
une
connaissance
particulière du moyen de communication ou du
système informatique qui fait l'objet de la
mesure ou de services ou applications qui
permettent de protéger, de coder ou de crypter
les données qui sont stockées, traitées ou
transmises par un moyen de communication ou
un système informatique, qu'elles fournissent
des informations sur le fonctionnement de ce
moyen ou système et sur la manière d'accéder à
son contenu qui est ou a été transmis, dans une
forme compréhensible.
Il peut ordonner aux personnes de rendre
accessible ce contenu, dans la forme qu'il
souhaite.
2774/001
DOC 55
222
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées aux
alinéas 1er et 2 est punie d'un emprisonnement
de six mois à un an et d'une amende de vingt-six
euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines
seulement.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou est requise d'y
prêter son concours technique, est tenue au
secret. Toute violation du secret est punie
conformément à l'article 458 du Code pénal.
§ 5. Le cas échéant, l'article 39bis, § 3, alinéa 4,
est applicable aux données recueillies par une
recherche dans un système informatique en
application de l'article 90ter, § 1er.
Toute personne qui refuse de prêter son
concours technique aux réquisitions visées aux
alinéas 1er et 2, ou qui fait obstacle aux mesures
visées à l’article 90ter, § 1er, est punie d’une
amende de cent euros à trente mille euros.
Si la collaboration visée aux alinéas 1er et 2 peut
empêcher la commission d'un crime ou d'un
délit ou peut en limiter les effets et que cette
collaboration n'est pas fournie, les peines sont
un emprisonnement de un à cinq ans et une
amende de cinq cents euros à cinquante mille
euros ou une de ces peines seulement.
Toute personne qui, du chef de sa fonction, a
connaissance de la mesure ou est requise d'y
prêter son concours technique, est tenue au
secret. Toute violation du secret est punie
conformément à l'article 458 du Code pénal.
§ 5. Le cas échéant, l'article 88ter, alinéa 4, est
applicable aux données recueillies par une
recherche dans un système informatique en
application de l'article 90ter, § 1er
Art. 136bis
Art. 136bis
Le procureur du Roi fait rapport au procureur
général de toutes les affaires sur lesquelles la
chambre du conseil n'aurait point statué dans
l'année à compter du premier réquisitoire.
S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement
de l'instruction, la légalité ou la régularité de la
procédure, le procureur général prend, à tout
moment, devant la chambre des mises en
accusation, les réquisitions qu'il juge utiles.
Dans ce cas, la chambre des mises en accusation
peut, même d'office, prendre les mesures
prévues par les articles 136, 235 et 235bis.
Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut
entendre le juge d'instruction en son rapport,
hors la présence des parties si elle l'estime utile.
Elle peut également entendre la partie civile,
l'inculpé et leurs conseils, sur convocation qui
leur est notifiée par le greffier, par télécopie ou
par lettre recommandée à la poste, au plus tard
quarante-huit heures avant l'audience.
Le procureur du Roi fait rapport au procureur
général de toutes les affaires sur lesquelles la
chambre du conseil n'aurait point statué dans
l'année à compter du premier réquisitoire.
S'il l'estime nécessaire pour le bon déroulement
de l'instruction, la légalité ou la régularité de la
procédure, le procureur général prend, à tout
moment, devant la chambre des mises en
accusation, les réquisitions qu'il juge utiles.
Dans ce cas, la chambre des mises en accusation
peut, même d'office, prendre les mesures
prévues par les articles 136, 235 et 235bis.
Le procureur général est entendu.
La chambre des mises en accusation peut
entendre le juge d'instruction en son rapport,
hors la présence des parties si elle l'estime utile.
Elle peut également entendre la partie civile,
l'inculpé et leurs conseils, sur convocation qui
leur est notifiée par le greffier, par télécopie, par
lettre simple ou par voie électronique, au plus
tard quarante-huit heures avant l'audience.
223
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
La chambre des mises en accusation peut
décider que l'inculpé qui se trouve en détention
préventive comparaîtra par vidéoconférence.
La chambre des mises en accusation peut
décider que l'inculpé qui se trouve en détention
préventive comparaîtra par vidéoconférence.
Art. 162ter
Art. 162ter
Tout jugement de condamnation rendu contre le
prévenu
et
les
personnes
civilement
responsables de l'infraction donne lieu au
paiement de la redevance administrative visée à
l'alinéa 7 de l'article 216bis, § 1er, si la transaction
pénale proposée et prévue par cet article ne
peut pas être exécutée ou homologuée.
Il en va de même lorsque, en cas d'infractions à
la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la
circulation routière et aux règlements pris en
vertu de cette loi, lesdites infractions n'ont fait
l'objet ni d'une perception immédiate visée à
l'article 65, § 1er, alinéa 2, de la loi du 16 mars
1968 relative à la police de la circulation
routière, ni d'une transaction pénale visée à
l'article 216bis du Code d'instruction criminelle.
Le montant de la redevance administrative
s'élève dans ce cas à 25,32 euros.
La redevance administrative visée au premier
alinéa est exigible à la date de la condamnation.
Le montant de la redevance administrative visée
au premier alinéa est automatiquement adapté
le 1er janvier de chaque année en fonction de
l'évolution
de
l'indice
des
prix
à
la
consommation du mois de novembre de l'année
précédente.
La redevance administrative visée à l'alinéa 1er
est recouvrée par l'administration du Service
public fédéral Finances en charge de la
perception et du recouvrement des créances
fiscales et non fiscales, selon les règles qui
s'appliquent en matière de recouvrement des
amendes pénales.
Tout jugement de condamnation rendu contre
le prévenu et les personnes civilement
responsables de l'infraction donne lieu au
paiement de la redevance administrative telle
que visée au titre 4 de la loi-programme du 21
juin 2021, si la transaction pénale proposée et
prévue par cet article ne peut pas être exécutée
ou homologuée. Le montant de la redevance
administrative s'élève à 25,32 euros.
Il en va de même lorsque, en cas d'infractions à
la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la
circulation routière et aux règlements pris en
vertu de cette loi, lesdites infractions n'ont fait
l'objet ni d'une perception immédiate visée à
l'article 65, § 1er, alinéa 2, de la loi du 16 mars
1968 relative à la police de la circulation
routière, ni d'une transaction pénale visée à
l'article 216bis du Code d'instruction criminelle.
Le montant de la redevance administrative
s'élève dans ce cas à 25,32 euros.
La redevance administrative visée au premier
alinéa est exigible à la date de la condamnation.
Le montant de la redevance administrative visée
au premier alinéa est automatiquement adapté
le 1er janvier de chaque année en fonction de
l'évolution de l'indice des prix à la consommation
du mois de novembre de l'année précédente.
La redevance administrative visée à l'alinéa 1er
est recouvrée par l'administration du Service
public fédéral Finances en charge de la
perception et du recouvrement des créances
fiscales et non fiscales, selon les règles qui
s'appliquent en matière de recouvrement des
amendes pénales.
Art. 196/1
Art. 196/1
Le greffier remet au ministère public un extrait
de tout jugement ou arrêt passé en force de
chose jugée et portant condamnation à une
peine privative de liberté.
Le greffier remet au ministère public un extrait
de tout jugement ou arrêt passé en force de
chose jugée et portant condamnation à une
peine privative de liberté.
2774/001
DOC 55
224
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné
plusieurs personnes à une peine privative de
liberté et que celle-ci est devenue définitive pour
certaines d'entre elles, un extrait de la décision
sera délivré au ministère public en ce qui
concerne les personnes concernées.
Lorsque plusieurs personnes condamnées par un
même jugement ou arrêt doivent subir leur
peine dans des établissements pénitentiaires
différents, le ministère public peut se faire
délivrer un extrait pour chaque établissement.
Endéans les trois jours, le greffier communique à
l'administration du Service public fédéral
Finances en charge de la perception et du
recouvrement des créances fiscales et non
fiscales, par voie électronique ou par lettre
simple, un extrait de tout jugement ou arrêt
passé en force de chose jugée et portant une
condamnation pécuniaire visée à l'alinéa 8.
En outre, le greffier communique à l'Organe
Central pour la Saisie et la Confiscation, par voie
électronique ou par lettre simple, une copie de
tout jugement de condamnation emportant la
confiscation spéciale prévue à l'article 197bis,
ainsi qu'une copie de l'extrait de ce jugement.
Dans le même délai, le greffier communique, par
voie électronique ou par lettre simple, à
l'administration du Service public fédéral
Finances en charge de la perception et du
recouvrement des créances fiscales et non
fiscales, responsable de la banque de données
amendes pénales, confiscations et frais de
justice en matière répressive, les éléments qui
sont contenus dans tout extrait et qui sont
nécessaires pour le traitement des données
relatives aux condamnations pécuniaires visées
à l'alinéa 8.
Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné
plusieurs personnes à des condamnations
pécuniaires visées à l'alinéa 8, et que ces
condamnations sont devenues définitives pour
les uns, sans l'être pour les autres, il est procédé
conformément aux alinéas 4 à 6 concernant la
partie devenue définitive du jugement ou de
l'arrêt.
Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné
plusieurs personnes à une peine privative de
liberté et que celle-ci est devenue définitive pour
certaines d'entre elles, un extrait de la décision
sera délivré au ministère public en ce qui
concerne les personnes concernées.
Lorsque plusieurs personnes condamnées par un
même jugement ou arrêt doivent subir leur
peine dans des établissements pénitentiaires
différents, le ministère public peut se faire
délivrer un extrait pour chaque établissement.
Endéans les trois jours, le greffier communique à
l'administration du Service public fédéral
Finances en charge de la perception et du
recouvrement des créances fiscales et non
fiscales, par voie électronique ou par lettre
simple, un extrait de tout jugement ou arrêt
passé en force de chose jugée et portant une
condamnation pécuniaire visée à l'alinéa 8.
En outre, le greffier communique à l'Organe
Central pour la Saisie et la Confiscation, par voie
électronique ou par lettre simple, une copie de
tout jugement de condamnation emportant la
confiscation spéciale prévue à l'article 197bis,
ainsi qu'une copie de l'extrait de ce jugement.
Dans le même délai, le greffier communique, par
voie électronique ou par lettre simple, à
l'administration du Service public fédéral
Finances en charge de la perception et du
recouvrement des créances fiscales et non
fiscales, responsable de la banque de données
amendes pénales, confiscations et frais de
justice en matière répressive, les éléments qui
sont contenus dans tout extrait et qui sont
nécessaires pour le traitement des données
relatives aux condamnations pécuniaires visées
à l'alinéa 8.
Lorsqu'un même jugement ou arrêt a condamné
plusieurs personnes à des condamnations
pécuniaires visées à l'alinéa 8, et que ces
condamnations sont devenues définitives pour
les uns, sans l'être pour les autres, il est procédé
conformément aux alinéas 4 à 6 concernant la
partie devenue définitive du jugement ou de
l'arrêt.
225
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Par condamnation pécuniaire, on entend toute
condamnation à une amende, à une confiscation
d'une somme d'argent qui comporte la création
d'une créance recouvrable sur le patrimoine du
condamné, à des frais de justice, à une
contribution ou à une redevance administrative.
Par condamnation pécuniaire, on entend toute
condamnation à une amende, à une confiscation
d'une somme d'argent qui comporte la création
d'une créance recouvrable sur le patrimoine du
condamné, à des frais de justice, ou à une
contribution
ou
à
une
redevance
administrative.
Art. 203
Art. 203
§ 1. Il y aura, sauf l'exception portée en l'article
205 ci-après, déchéance de l'appel, si la
déclaration d'appeler n'a pas été faite au greffe
du tribunal qui a rendu le jugement, trente jours
au plus tard après celui où il a été prononcé, et,
si le jugement est rendu par défaut, trente jours
au plus tard après celui de la signification qui en
aura été faite à la partie condamnée ou à son
domicile.
Le
ministère
public
dispose
d'un
délai
supplémentaire de dix jours pour interjeter
appel, après que le prévenu ou la partie
civilement responsable a interjeté appel.
§ 2. Lorsque l'appel sera dirigé contre la partie
civile, celle-ci aura un délai supplémentaire de
dix jours pour interjeter appel contre les
prévenus
et
les
personnes
civilement
responsables qu'elle entend maintenir à la
cause, sans préjudice de son droit de faire appel
incident conformément au § 4.
§ 1. Il y aura […] si la déclaration d'appeler n'a
pas été faite au greffe du tribunal qui a rendu le
jugement, trente jours au plus tard après celui où
il a été prononcé, et, si le jugement est rendu par
défaut, trente jours au plus tard après celui de la
signification qui en aura été faite à la partie
condamnée ou à son domicile.
Abrogé.
§2. Si le prévenu ou la partie civilement
responsable a interjeté appel, le ministère
public dispose d’un délai supplémentaire de dix
jours pour interjeter appel. Ce délai court à
partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au
prévenu ou à la partie civilement responsable.
Si le ministère public a interjeté appel, le
prévenu et la partie civilement responsable
disposent d’un délai supplémentaire de dix
jours pour interjeter appel. Ce délai court à
partir de l’expiration du délai d’appel ouvert au
ministère public.
Lorsque l’appel est dirigé contre la partie civile,
celle-ci a un délai supplémentaire de dix jours
pour interjeter appel contre les prévenus et les
personnes civilement responsables qu’elle
entend maintenir à la cause, sans préjudice de
son droit de faire appel incident conformément
au paragraphe 4. Ce délai court à partir de
l’expiration du délai d’appel ouvert au prévenu
ou à la personne civilement responsable ayant
formé l’appel principal.
2774/001
DOC 55
226
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Pendant ces délais et pendant l'instance
d'appel, il sera sursis à l'exécution du jugement.
Toutefois, les jugements sur l'action publique
autres que ceux qui portent condamnation,
acquittement ou absolution et les jugements sur
l'action civile peuvent être déclarés exécutoires
provisoirement nonobstant appel, par une
disposition spécialement motivée.
§ 4. Dans tous les cas où l'action civile sera
portée devant la juridiction d'appel, l'intimé
pourra, jusqu'à clôture des débats sur l'appel,
faire appel incident par conclusions prises à
l'audience.
§ 3. Pendant ces délais et pendant l'instance
d'appel, il sera sursis à l'exécution du jugement.
Toutefois, les jugements sur l'action publique
autres que ceux qui portent condamnation,
acquittement ou absolution et les jugements sur
l'action civile peuvent être déclarés exécutoires
provisoirement nonobstant appel, par une
disposition spécialement motivée.
§ 4. Dans tous les cas où l'action civile sera
portée devant la juridiction d'appel, l'intimé
pourra, jusqu'à clôture des débats sur l'appel,
faire appel incident par conclusions prises à
l'audience.
Art. 205
Art. 205
Le ministère public près le tribunal ou la cour qui
doit connaître de l'appel devra, à peine de
déchéance, notifier son recours soit au prévenu,
soit à la partie civilement responsable de
l'infraction dans les quarante jours à compter du
prononcé du jugement. L'exploit contiendra
l'assignation. Dans le cadre de la procédure de
comparution
immédiate
visée
à
l'article
216quinquies, cette assignation se fera dans les
soixante jours à compter du prononcé du
jugement.
Le
ministère
public
indique
précisément les griefs élevés contre le jugement
conformément à l'article 204.
Abrogé.
Art. 258/1
Art. 258/1 (nouveau)
§ 1er. Le président peut décider, dans l'intérêt
de la bonne administration de la justice, en
raison soit de la disproportion entre, la capacité
d'accueil physique de la cour d’assises et le
nombre de parties au procès, soit du grand
nombre de victimes de nationalité étrangère,
que le déroulement de l'audience fera l'objet
d'une captation sonore ou audiovisuelle
permettant sa diffusion différé, par un moyen
de
télécommunication
garantissant
la
confidentialité de la transmission aux victimes
et à leurs avocats qui ont fait la demande
d’accès à la diffusion. Il motive sa décision en
tenant compte des critères précités.
§ 2. Le président peut toutefois interdire la
diffusion de tout ou partie des débats afin de
garantir la sérénité des débats ou de prévenir
un trouble à l'ordre public et peut à cette fin
interrompre l'émission à tout moment.
227
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. L’enregistrement de cette captation ou sa
diffusion à des tiers sera puni d'un
emprisonnement de six mois à deux ans et
d'une amende de deux cents euros à dix mille
euros ou avec l'une de ces pénalités seules.
§ 4. Si le président décide d’appliquer le présent
article, il en est fait part aux victimes connues
et à leurs avocats, par tous les moyens
appropriés. Les victimes et leurs avocats
doivent informer le greffe ou le parquet au
moins huit jours avant le début de l’audience
qu’ils souhaitent recevoir la diffusion de la
captation
sonore
ou
audiovisuelle
des
audiences.
§ 5. Lorsque les victimes et leurs avocats sont
informés des modalités pratiques d'accès à la
diffusion des débats, la disposition du
paragraphe 3 est expressément portée à leur
connaissance.
§6. L’utilisation du système requiert le
traitement des données suivantes:
1°
Pour
chaque
personne
physique
comparante:
a) les nom et prénom(s) ;
b) le cas échéant, la date et le lieu de naissance
c) le cas échéant, le domicile ;
d) le cas échéant, le numéro de registre
national ;
e) le cas échéant, le numéro d’entreprise de
l’entreprise qu’il représente ;
f) le cas échéant, l’adresse du siège social de
l’entreprise qu’il représente.
2° pour chaque utilisateur, les métadonnées
générées par la connexion au système;
3° l’image et la voix des personnes participant à
l’audience ;
4° les données, y compris celles à caractère
personnel,
communiquées
au
cours
de
l’audience.
§7. Les données sont conservées pendant toute
la durée du procès et les enregistrements ne
peuvent en aucun cas être conservés plus d'un
an.
Art. 258/2
Art. 258/2 (nouveau)
2774/001
DOC 55
228
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
/
Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le
président peut décider que le déroulement de
l’audience fera l’objet d’une captation sonore
ou audiovisuelle lorsque cette captation
présente un intérêt pour la constitution
d'archives historiques de la justice.
En cas de captation sonore ou audiovisuelle,
conformément à l'alinéa précédent et à l'article
258/1, le support numérique contenant la
captation intégrale des débats est versé au
dossier pénal après la clôture des débats.
Code pénal
Chapitre IX. Des circonstances atténuantes
Chapitre IX. Des circonstances aggravantes, des
facteurs aggravants et des circonstances
atténuantes
Art. 78bis (nouveau)
Si la loi prévoit des facteurs aggravants, le juge
doit les prendre en considération lors du choix
de la peine ou de la mesure et de la sévérité de
celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine
supérieure à la peine maximale prévue pour
l’infraction.
Art. 78ter (nouveau)
Le motif discriminatoire de l'auteur est un
facteur aggravant pour toutes les infractions
sauf dans les cas où la loi fait du mobile
discriminatoire une circonstance aggravante.
Une infraction est réputée avoir été commise
avec un mobile discriminatoire lorsque l’un des
mobiles de l’auteur consiste en la haine, le
mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de
peau, de son ascendance, de son origine
nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son
sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
229
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 405quater
Art. 405quater
Lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la
haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une
personne en raison de sa prétendue race, de sa
couleur de peau, de son ascendance, de son
origine nationale ou ethnique, de sa nationalité,
de son sexe, de son changement de sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa
naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son
état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d'une caractéristique
physique ou génétique ou de son origine sociale,
les peines seront les suivantes :
Lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine,
le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de
peau, de son ascendance, de son origine
nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son
sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur,
les peines seront les suivantes :
1° dans les cas visés à l'article 393, la peine sera
la réclusion à perpétuité;
1° dans les cas visés à l'article 393, la peine sera
la réclusion à perpétuité;
2° dans les cas visés aux articles 398, 399, 405 et
405bis, 1° à 3°, le maximum de la peine
d'emprisonnement portée par ces articles sera
doublé avec un maximum de cinq ans et le
maximum de la peine d'amende sera doublé
avec un maximum de cinq cents euros ;
2° dans les cas visés aux articles 398, 399, 405 et
405bis, 1° à 3°, le maximum de la peine
d'emprisonnement portée par ces articles sera
doublé avec un maximum de cinq ans et le
maximum de la peine d'amende sera doublé
avec un maximum de cinq cents euros ;
3° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 1er,
402 et 405bis, 4°, la peine sera la réclusion de
cinq ans à dix ans ;
3° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 1er,
402 et 405bis, 4°, la peine sera la réclusion de
cinq ans à dix ans ;
4° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 2,
401, alinéa 1er, 403, 405bis, 5° et 9°, la peine sera
la réclusion de dix ans à quinze ans ;
4° dans les cas visés aux articles 400, alinéa 2,
401, alinéa 1er, 403, 405bis, 5° et 9°, la peine sera
la réclusion de dix ans à quinze ans ;
2774/001
DOC 55
230
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
5° dans les cas visés aux articles 401, alinéa 2,
405bis, 6°, 7° et 10°, la peine sera la réclusion de
quinze ans à vingt ans ;
5° dans les cas visés aux articles 401, alinéa 2,
405bis, 6°, 7° et 10°, la peine sera la réclusion de
quinze ans à vingt ans ;
6° dans les cas visés aux articles 404, 405bis, 8°
et 11°, la peine sera la réclusion de vingt ans à
trente ans.
6° dans les cas visés aux articles 404, 405bis, 8°
et 11°, la peine sera la réclusion de vingt ans à
trente ans.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Article 422quater
Article 422quater
Dans les cas prévus par les articles 422bis et
422ter, le minimum des peines correctionnelles
portées par ces articles peut être doublé,
lorsqu'un des mobiles du crime ou du délit est la
haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard d'une
personne en raison de sa prétendue race, de sa
couleur de peau, de son ascendance, de son
origine nationale ou ethnique, de sa nationalité,
de son sexe, de son orientation sexuelle, de son
état civil, de sa naissance, de son âge, de sa
fortune,
de
sa
conviction
religieuse
ou
philosophique, de son état de santé actuel ou
futur, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine sociale.
Dans les cas prévus par les articles 422bis et
422ter, le minimum des peines correctionnelles
portées par ces articles peut être doublé,
lorsqu’un des mobiles de l’auteur est la haine,
le mépris ou l’hostilité à l'égard d'une personne
en raison de sa prétendue race, de sa couleur de
peau, de son ascendance, de son origine
nationale ou ethnique, de sa nationalité, de son
sexe, de sa grossesse, de son accouchement, de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 438bis
Art. 438bis
231
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Dans les cas prévus par le présent chapitre, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles et augmenté de deux ans s'il
s'agit de la réclusion, lorsqu'un des mobiles du
crime ou du délit est la haine, le mépris ou
l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa
naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son
état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d'une caractéristique
physique ou génétique ou de son origine sociale.
Dans les cas prévus par le présent chapitre, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles et augmenté de deux ans s'il
s'agit de la réclusion, lorsqu’un des mobiles de
l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à
l'égard d'une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 442/1
Art. 442/1
§ 1er. Sera puni d'un emprisonnement de huit
jours à un mois et d'une amende de vingt-six
euros à cent euros ou d'une de ces peines
seulement, celui qui, soit sans ordre de
l'autorité, soit sans autorisation d'une personne
possédant un titre ou un droit qui donne accès
au bien concerné ou qui permet de l'utiliser ou
de séjourner dans le bien et hors les cas où la loi
l'autorise, aura pénétré dans la maison,
l'appartement, la chambre ou le logement non
habité d'autrui, ou leurs dépendances ou tout
autre local ou le bien meuble non habité d'autrui
pouvant ou non servir de logement, soit
l'occupera, soit y séjournera de quelque façon
que ce soit, sans être soi-même détenteur du
droit ou du titre précité.
§ 1er. Sera puni d'un emprisonnement de huit
jours à un mois et d'une amende de vingt-six
euros à cent euros ou d'une de ces peines
seulement, celui qui, soit sans ordre de
l'autorité, soit sans autorisation d'une personne
possédant un titre ou un droit qui donne accès
au bien concerné ou qui permet de l'utiliser ou
de séjourner dans le bien et hors les cas où la loi
l'autorise, aura pénétré dans la maison,
l'appartement, la chambre ou le logement non
habité d'autrui, ou leurs dépendances ou tout
autre local ou le bien meuble non habité d'autrui
pouvant ou non servir de logement, soit
l'occupera, soit y séjournera de quelque façon
que ce soit, sans être soi-même détenteur du
droit ou du titre précité.
2774/001
DOC 55
232
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. Sera puni d'un emprisonnement de huit
jours à un an et d'une amende de vingt-six euros
à deux cents euros ou d'une de ces peines
seulement, celui qui, dans le délai fixé, ne
donnera pas suite à l'ordonnance d'évacuation
visée à l'article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre
2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou
au séjour illégitimes dans le bien d'autrui ou à
l'expulsion visée à l'article 1344decies du Code
judiciaire.
§ 3. Le délit visé au paragraphe 1er ne pourra
être poursuivi que sur la plainte d'une personne
possédant un titre ou un droit sur le bien
concerné.
§ 2. Sera puni d'un emprisonnement de huit
jours à un an et d'une amende de vingt-six euros
à deux cents euros ou d'une de ces peines
seulement, celui qui, dans le délai fixé, ne
donnera pas suite à l’ordonnance d’évacuation
visée à l’article 12, § 1er, de la loi du 18 octobre
2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou
au séjour illégitimes dans le bien d’autrui,
rétabli par la loi du …, ou à l'expulsion visée à
l'article 1344decies du Code judiciaire.
§ 3. Le délit visé au paragraphe 1er ne pourra
être poursuivi que sur la plainte d'une personne
possédant un titre ou un droit sur le bien
concerné.
Art. 442ter
Art. 442ter
Dans les cas prévus par l'article 442bis, le
minimum des peines correctionnelles portées
par cette article peut être doublé, lorsqu'un des
mobiles du délit est la haine, le mépris ou
l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa
naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son
état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d'une caractéristique
physique ou génétique ou de son origine sociale.
Dans les cas prévus par l'article 442bis, le
minimum des peines correctionnelles portées
par cette article peut être doublé, lorsqu’un des
mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou
l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 453bis
Art. 453bis
233
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Dans les cas prévus par le présent chapitre, le
minimum des peines correctionnelles portées
par ces articles peut être doublé, lorsqu'un des
mobiles du délit est la haine, le mépris ou
l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa
naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son
état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d'une caractéristique
physique ou génétique ou de son origine sociale.
Dans les cas prévus par le présent chapitre, le
minimum des peines correctionnelles portées
par ces articles peut être doublé, lorsqu’un des
mobiles de l’auteur est la haine, le mépris ou
l’hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de
son ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 514bis
Art. 514bis
Dans les cas prévus par les articles 510 à 514, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles et augmenté de deux ans s'il
s'agit de la réclusion, lorsqu'un des mobiles du
crime ou du délit est la haine, le mépris ou
l'hostilité à l'égard d'une personne en raison de
sa prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de son
orientation sexuelle, de son état civil, de sa
naissance, de son âge, de sa fortune, de sa
conviction religieuse ou philosophique, de son
état de santé actuel ou futur, d'un handicap, de
sa langue, de sa conviction politique, de sa
conviction syndicale, d'une caractéristique
physique ou génétique ou de son origine sociale.
Dans les cas prévus par les articles 510 à 514, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles et augmenté de deux ans s'il
s'agit de la réclusion, lorsqu’un des mobiles de
l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à
l'égard d'une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
2774/001
DOC 55
234
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 525bis
Art. 525bis
Dans les cas prévus par les articles 521 à 525, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit
est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard
d'une personne en raison de sa prétendue race,
de sa couleur de peau, de son ascendance, de
son origine nationale ou ethnique, de sa
nationalité, de son sexe, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé actuel ou
futur, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine sociale.
Dans les cas prévus par les articles 521 à 525, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de
l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à
l'égard d'une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
235
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 532bis
Art. 532bis
Dans les cas prévus par les articles 528 à 532, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit
est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard
d'une personne en raison de sa prétendue race,
de sa couleur de peau, de son ascendance, de
son origine nationale ou ethnique, de sa
nationalité, de son sexe, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé actuel ou
futur, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine sociale.
Dans les cas prévus par les articles 528 à 532, le
minimum des peines portées par ces articles
peut
être
doublé
s'il
s'agit
de
peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de
l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à
l'égard d'une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Art. 534quater
Art. 534quater
Dans les cas prévus par les articles 534bis et
534ter, le minimum des peines portées par ces
articles peut être doublé s'il s'agit de peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu'un des mobiles du délit
est la haine, le mépris ou l'hostilité à l'égard
d'une personne en raison de sa prétendue race,
de sa couleur de peau, de son ascendance, de
son origine nationale ou ethnique, de sa
nationalité, de son sexe, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de son
âge, de sa fortune, de sa conviction religieuse ou
philosophique, de son état de santé actuel ou
futur, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
Dans les cas prévus par les articles 534bis et
534ter, le minimum des peines portées par ces
articles peut être doublé s'il s'agit de peines
correctionnelles, et augmenté de deux ans s'il
s'agit de réclusion, lorsqu’un des mobiles de
l’auteur est la haine, le mépris ou l’hostilité à
l'égard d'une personne en raison de sa
prétendue race, de sa couleur de peau, de son
ascendance, de son origine nationale ou
ethnique, de sa nationalité, de son sexe, de sa
grossesse,
de
son
accouchement,
de
l’allaitement, de la procréation médicalement
assistée, de sa parentalité, de son prétendu
changement de sexe, de son identité de genre,
de
son
expression
de
genre,
de
ses
2774/001
DOC 55
236
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine sociale.
caractéristiques sexuelles, de son orientation
sexuelle, de son état civil, de sa naissance, de
son âge, de son patrimoine, de sa conviction
religieuse ou philosophique, de son état de
santé, d'un handicap, de sa langue, de sa
conviction politique, de sa conviction syndicale,
d'une caractéristique physique ou génétique ou
de son origine et de sa condition sociale, que
cette caractéristique soit présente de manière
effective ou seulement supposée par l’auteur.
Il en va de même lorsque l’un des mobiles de
l’auteur consiste en un lien ou un lien supposé
entre la victime et une personne à l’égard de
laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de
l’hostilité
pour
une
ou
plusieurs
des
caractéristiques réelles ou supposées énoncées
à l’alinéa précédent.
Modifications du Code Judiciaire
Art. 555/13, §2
Art. 555/13, §2
§ 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire
délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire
une dispense de la condition de cinq ans
d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour
les spécialités qui ne peuvent être exercées que
dans le cadre d'une expertise judiciaire.
Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire
délégué par lui peut accorder une dispense de la
condition visée au § 1er, 2°, à l'expert judiciaire
ou au traducteur, interprète ou traducteur-
interprète jure qui, avant le 1er décembre 2016,
a exercé durant une période ininterrompue de
quinze ans l'activité d'expert judiciaire ou de
traducteur, interprète ou traducteur-interprète
juré et qui s'est suffisamment recyclé durant
cette période.
§ 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire
délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire
une dispense de la condition de cinq ans
d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour
les spécialités qui ne peuvent être exercées que
dans le cadre d'une expertise judiciaire.
Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire
délégué par lui peut accorder une dispense de
la condition visée au § 1er, 2°, à l'expert
judiciaire ou au traducteur, interprète ou
traducteur-interprète juré qui, durant une
période ininterrompue de minimum quinze ans
avant la date de la demande de la dispense, a
exercé l'activité d'expert judiciaire ou de
traducteur, interprète ou traducteur-interprète
juré et s'est suffisamment formé durant cette
période.
Art. 1344octies
Art. 1344octies
Tout détenteur d'un droit ou d'un titre sur le
bien occupé peut introduire, par requête
contradictoire ou, en cas d'absolue nécessité,
par requête unilatérale déposée au greffe de la
justice de paix, une demande d'expulsion de
lieux occupés sans droit ni titre.
Tout détenteur d'un droit ou d'un titre sur le bien
occupé
peut
introduire,
par
requête
contradictoire ou, en cas d'absolue nécessité
découlant du fait que malgré les tentatives du
requérant en ce sens, il ne lui a pas été possible
de déterminer l’identité d’aucun des occupants
du bien, par requête unilatérale déposée au
greffe de la justice de paix, une demande
d'expulsion de lieux occupés sans droit ni titre.
237
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
La requête contient à peine de nullité :
1. l'indication des jour, mois et an;
2. les nom, prénom et domicile du requérant et,
le cas échéant, son numéro de registre national
ou numéro d'entreprise;
3. sauf en cas d'introduction de la demande par
une requête unilatérale, les nom, prénom et
domicile ou, à défaut de domicile, la résidence
de la personne contre laquelle la demande est
introduite;
4. l'objet et l'exposé sommaire des moyens de la
demande;
5. la signature du requérant ou de son avocat ou,
en cas d'introduction de la demande par une
requête unilatérale, la signature de l'avocat.
En cas d'introduction de la demande par une
requête contradictoire, un certificat de domicile
de la personne visée à l'alinéa 2, sous le 3 est
annexé à la requête. Ce certificat est délivré par
l'administration communale.
En cas d'introduction de la demande par une
requête contradictoire, les parties ou, en cas
d'introduction de la demande par une requête
unilatérale, la partie demanderesse sont
convoquées par le greffier, sous pli judiciaire, à
comparaître, respectivement dans les huit jours
ou dans les deux jours de l'inscription de la
requête au rôle général, à l'audience fixée par le
juge, sans préjudice de sa possibilité de réduire
les délais à la demande d'un avocat ou d'un
huissier de justice. En cas d'introduction de la
demande par une requête contradictoire, une
copie de la requête est annexée à la convocation.
Lorsque les parties comparaissent, le juge tente
de concilier les parties.
Le juge de paix peut retenir l'affaire à l'audience
d'introduction ou la remettre pour qu'elle soit
plaidée à une date rapprochée, en fixant la durée
des débats. Le jugement indique que les parties
n'ont pu être conciliées.
Par
dérogation
à
l'article
747,
en
cas
d'introduction de la demande d'expulsion par
une requête contradictoire, les délais pour
conclure sont fixés d'office et à une date
rapprochée par le juge de paix à l'audience
La requête contient à peine de nullité :
1. l'indication des jour, mois et an;
2. les nom, prénom et domicile du requérant et,
le cas échéant, son numéro de registre national
ou numéro d'entreprise;
3. sauf en cas d'introduction de la demande par
une requête unilatérale, les nom, prénom et
domicile ou, à défaut de domicile, la résidence
de la personne contre laquelle la demande est
introduite;
4. l'objet et l'exposé sommaire des moyens de la
demande;
5. la signature du requérant ou de son avocat ou,
en cas d'introduction de la demande par une
requête unilatérale, la signature de l'avocat.
En cas d'introduction de la demande par une
requête contradictoire, un certificat de domicile
de la personne visée à l'alinéa 2, sous le 3 est
annexé à la requête. Ce certificat est délivré par
l'administration communale.
En cas d'introduction de la demande par une
requête contradictoire, les parties ou, en cas
d'introduction de la demande par une requête
unilatérale,
la
partie demanderesse
sont
convoquées par le greffier, sous pli judiciaire, à
comparaître, respectivement dans les huit jours
ou dans les deux jours de l'inscription de la
requête au rôle général, à l'audience fixée par le
juge, sans préjudice de sa possibilité de réduire
les délais à la demande d'un avocat ou d'un
huissier de justice. En cas d'introduction de la
demande par une requête contradictoire, une
copie de la requête est annexée à la convocation.
Lorsque les parties comparaissent, le juge tente
de concilier les parties.
Le juge de paix peut retenir l'affaire à l'audience
d'introduction ou la remettre pour qu'elle soit
plaidée à une date rapprochée, en fixant la durée
des débats. Le jugement indique que les parties
n'ont pu être conciliées.
Par
dérogation
à
l'article
747,
en
cas
d'introduction de la demande d'expulsion par
une requête contradictoire, les délais pour
conclure sont fixés d'office et à une date
rapprochée par le juge de paix à l'audience
2774/001
DOC 55
238
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
d'introduction. Les parties font valoir leurs
observations
au
plus
tard
à
l'audience
d'introduction.
d'introduction. Les parties font valoir leurs
observations
au
plus
tard
à
l'audience
d'introduction.
Article 1727, § 2 à 4
Article 1727, § 2 à 4
§ 2. Les missions de la Commission sont les
suivantes:
1° agréer les organes de formation des
médiateurs et les formations qu'ils organisent ou
retirer cet agrément;
2° déterminer les programmes minimaux de
formation théorique et pratique devant être
suivis ainsi que les évaluations en vue de la
délivrance d'un agrément et la procédure
d'agrément;
3° agréer les médiateurs en fonction des
domaines particuliers de pratique de la
médiation;
4° décider de l'inscription sur la liste des
médiateurs établis dans un pays membre ou non
membre de l'Union européenne, qui ont été
agréés par une instance habilitée à cet effet dans
ce pays;
5° établir un code de déontologie;
6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs
ou
des
organismes
qui
dispensent
les
formations, donner des avis en cas de
contestation des honoraires des médiateurs et
imposer des sanctions à l'encontre des
médiateurs qui ne satisferaient plus aux
conditions prévues à l'article 1726 ou aux
dispositions du code
de déontologie établi par la Commission;
7° publier périodiquement au Moniteur belge
l'ensemble des décisions réglementaires de la
Commission;
8° déterminer la procédure de sanction à l'égard
des médiateurs;
9° rendre des avis motivés au ministre de la
Justice sur les conditions auxquelles une
association de médiateurs
doit répondre pour pouvoir être représentative;
10° dresser et diffuser la liste des médiateurs
auprès des cours et tribunaux, des autorités
§ 2. Les missions de la Commission sont les
suivantes:
1° agréer les organes de formation des
médiateurs et les formations qu'ils organisent ou
retirer cet agrément;
2° déterminer les programmes minimaux de
formation théorique et pratique devant être
suivis ainsi que les évaluations en vue de la
délivrance d'un agrément et la procédure
d'agrémen par les candidats médiateurs et
devant faire l’objet d’une évaluation effective
organisée par l’organe de formation ;
2°/1 déterminer les conditions et la procédure
d'agrément des médiateurs ;
3° agréer les médiateurs en fonction des
domaines particuliers de pratique de la
médiation ;
4° décider de l'inscription sur la liste des
médiateurs établis dans un pays membre ou non
membre de l'Union européenne, qui ont été
agréés par une instance habilitée à cet effet dans
ce pays;
5° établir un code de déontologie ;
6° traiter les plaintes à l'encontre des médiateurs
ou
des
organismes
qui
dispensent
les
formations, donner des avis en cas de
contestation des honoraires des médiateurs et
imposer des sanctions à l'encontre des
médiateurs qui ne satisferaient plus aux
conditions prévues à l'article 1726 ou aux
dispositions du code
de déontologie établi par la Commission;
7° publier périodiquement au Moniteur belge
l'ensemble des décisions réglementaires de la
Commission;
8° déterminer la procédure de sanction à l'égard
des médiateurs;
9° rendre des avis motivés au ministre de la
Justice sur les conditions auxquelles une
association de médiateurs
doit répondre pour pouvoir être représentative;
10° dresser la liste des médiateurs en fonction
des domaines particuliers de pratique de la
médiation et la diffuser auprès des cours et
239
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
fédérales, communautaires et régionales et des
pouvoirs locaux;
11° informer le public des possibilités offertes
par la médiation;
12° prendre toutes les mesures nécessaires pour
promouvoir le bon exercice de la médiation, et
en particulier examiner et soutenir de nouvelles
méthodes et pratiques de médiation et d'autres
modes de résolution des litiges;
13° rédiger et publier, sur son site internet, un
rapport annuel portant sur l'exécution de ses
missions légales comme prévu à l'article 1727/1,
alinéa 5;
14° veiller à la bonne organisation de son bureau
et de ses commissions.
tribunaux,
des
autorités
fédérales,
communautaires et régionales et des pouvoirs
locaux;
11° informer le public des possibilités offertes
par la médiation;
12° prendre toutes les mesures nécessaires pour
promouvoir le bon exercice de la médiation, et
en particulier examiner et soutenir de nouvelles
méthodes et pratiques de médiation et d'autres
modes de résolution des litiges;
13° rédiger et publier, sur son site internet, un
rapport annuel portant sur l'exécution de ses
missions légales comme prévu à l'article 1727/1,
alinéa 5;
14° veiller à la bonne organisation de son bureau
et de ses commissions.
§ 3. L'assemblée générale désigne parmi les
membres du bureau et pour une période de
deux ans un président et un vice-président, qui
remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un
secrétaire, ces fonctions étant attribuées
alternativement à un francophone et un
néerlandophone. La présidence et la vice-
présidence
sont,
en
outre,
exercées
alternativement par des notaires, des avocats,
des magistrats, des huissiers de justice et par des
médiateurs
qui
n'exercent
aucune
des
professions précitées.
Le président du bureau est également président
de la commission fédérale de médiation.
§ 3. L'assemblée générale désigne parmi les
membres du bureau et pour une période de
deux ans un président et un vice-président, qui
remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un
secrétaire, ces fonctions étant attribuées
alternativement à un francophone et un
néerlandophone. L’assemblée générale veille
au moment de la désignation à ce que la durée
des présidences et vice-présidences soit
équivalente en nombre de mois. Ces fonctions
sont
attribuées
alternativement
à
un
francophone
et
un
néerlandophone.
La
présidence et la vice-présidence sont, en outre,
exercées alternativement par des notaires, des
avocats, des magistrats, des huissiers de justice
et par des médiateurs qui n'exercent aucune des
professions précitées.
Le président du bureau est également président
de la commission fédérale de médiation.
§ 4. Le bureau soumet des propositions à
l'assemblée générale dans les matières visées à
l'article 1727, § 2, 8°, 9°, 11° et 12°.
Le bureau approuve les décisions ou avis émis
par la commission pour l'agrément des
médiateurs belges et étrangers et par la
commission pour l'agrément des formations et
le suivi de la formation permanente en vertu de
l'article 1727/4, § 3.
§ 4. Le bureau soumet des propositions à
l'assemblée générale dans les matières visées à
l’article 1727, § 2, 8°, 9°, 9°, 10°, 11° et 12°.
Le bureau approuve les décisions ou avis émis
par la commission pour l'agrément des
médiateurs belges et étrangers et par la
commission pour l'agrément des formations et le
suivi de la formation permanente en vertu de
l'article 1727/4, § 3.
2774/001
DOC 55
240
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Le bureau coordonne les activités de la
Commission, veille à l'exécution des décisions
prises par ses organes notamment celles visées à
l'article 1727, § 2, 6°, et est chargé de la gestion
journalière. Il prépare également le rapport
annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et le
soumet
à
l'assemblée
générale
pour
approbation.
Le bureau coordonne les activités de la
Commission, veille à l'exécution des décisions
prises par ses organes notamment celles visées à
l'article 1727, § 2, 6°, 7°, et est chargé de la
gestion journalière. Il prépare également le
rapport annuel visé à l'article 1727/1, alinéa 5, et
le soumet à l'assemblée générale pour
approbation.
Article 1727/4, § 1er
Article 1727/4, § 1er
§ 1er. La commission pour l'agrément des
médiateurs belges et étrangers et la commission
pour l'agrément des formations et le suivi de la
formation continue sont chacune composées de
cinq membres, un président, deux membres
effectifs, et deux membres suppléants. À
l'exception du président, chaque commission
comporte autant de membres d'expression
française
que
de
membres
d'expression
néerlandaise.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un
membre suppléant. En cas d'absence du
président, un autre membre du bureau, du
même groupe linguistique, le remplace.
Les membres sont nommés pour une période de
quatre ans. Leur mandat ne peut être renouvelé
qu'une seule fois.
Un appel aux candidats est publié au Moniteur
belge.
§ 1er. La commission pour l'agrément des
médiateurs belges et étrangers et la commission
pour l'agrément des formations et le suivi de la
formation continue sont chacune composées de
cinq membres, un président, deux membres
effectifs, et deux membres suppléants. À
l'exception du président, chaque commission
comporte autant de membres d'expression
française
que
de
membres
d'expression
néerlandaise.
Pour chaque membre effectif, il est désigné un
membre suppléant. En cas d'absence du
président, un autre membre du bureau, du
même groupe linguistique, le remplace.
Les membres sont nommés pour une période
de quatre ans. Leur mandat ne peut être
renouvelé qu'une seule fois. Un appel aux
candidats est publié au Moniteur belge. Les
membres sont nommés par le ministre de la
Justice sur la base de la présentation d'une liste
rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq
candidats classés par ordre de préférence,
contenant un avis motivé pour chaque
candidat. Le Roi fixe les modalités de la
publication des vacances, du dépôt des
candidatures, de la présentation des membres
ainsi que les critères requis pour poser sa
candidature.
Un appel aux candidats est publié au Moniteur
belge. Ces membres sont nommés pour une
période de quatre ans. Leur mandat ne peut
être renouvelé qu'une seule fois. Il peut être
mis fin prématurément au mandat d'un
membre par la démission du membre ou par
une décision motivée prise par le ministre de la
Justice sur la proposition du bureau. La
personne nommée en remplacement doit être
choisie par le bureau sur la liste visée à l’alinéa
241
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Ces membres sont nommés par le ministre de la
Justice sur la base de la présentation d'une liste
rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq
candidats classés par ordre de préférence,
contenant un avis motivé pour chaque candidat.
Le Roi fixe les modalités de la publication des
vacances, du dépôt des candidatures, de la
présentation des membres ainsi que les critères
requis pour poser sa candidature.
L'assemblée
générale
désigne
parmi
les
membres du bureau et pour une période de
deux ans un président pour chaque commission,
cette fonction étant attribuée alternativement à
un francophone et un néerlandophone.
3. Dans l’hypothèse où aucun remplaçant ne
peut être trouvé sur cette liste, il sera procédé
conformément à l’alinéa 3. Dans tous les cas,
les personnes nommées en remplacement
achèvent le mandat du prédécesseur. S'il s'agit
d'un premier mandat, le mandat de la personne
nommée en remplacement peut être renouvelé
deux fois.
Ces membres sont nommés par le ministre de la
Justice sur la base de la présentation d'une liste
rédigée par le bureau de maximum vingt-cinq
candidats classés par ordre de préférence,
contenant un avis motivé pour chaque
candidat. Le Roi fixe les modalités de la
publication des vacances, du dépôt des
candidatures, de la présentation des membres
ainsi que les critères requis pour poser sa
candidature. L'assemblée générale désigne
parmi les membres du bureau un président
pour chaque commission. L’assemblée générale
veille au moment de la désignation à ce que la
durée des présidences soit équivalente en
nombre de mois. Cette fonction est attribuée
alternativement à un francophone et à un
néerlandophone.
L'assemblée
générale
désigne
parmi
les
membres du bureau et pour une période de
deux
ans
un
président
pour
chaque
commission, cette fonction étant attribuée
alternativement à un francophone et un
néerlandophone.
Article 1727/5
Article 1727/5
§ 1er. La commission disciplinaire et de
traitement des plaintes est composée de 5
membres, un président, quatre assesseurs
effectifs, et de deux assesseurs suppléants. À
l'exception
du
président,
la
commission
comporte autant de membres d'expression
française
que
de
membres
d'expression
néerlandaise. La commission se compose d'un
collège
francophone
et
d'un
collège
néerlandophone, composés chacun de deux
assesseurs effectifs, et du président. La
commission est présidée par un membre du
bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans
§ 1er. La commission disciplinaire et de
traitement des plaintes est composée de 5
membres, un président, quatre assesseurs
effectifs, et de deux assesseurs suppléants. À
l'exception
du
président,
la
commission
comporte autant de membres d'expression
française
que
de
membres
d'expression
néerlandaise. La commission se compose d'un
collège
francophone
et
d'un
collège
néerlandophone, composés chacun de deux
assesseurs effectifs, et du président. La
commission est présidée par un membre du
bureau qui, dès désignation, ne siègera plus dans
2774/001
DOC 55
242
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
une autre commission permanente ou spéciale.
Le bureau désigne le président pour une période
de deux ans. Cette fonction est attribuée
alternativement à un francophone et à un
néerlandophone. Le président justifie d'une
connaissance suffisante de l'autre langue
nationale.
Au moins un membre du collège francophone ou
du collège néerlandophone doit justifier de la
connaissance de l'allemand.
Les assesseurs, qui ne peuvent pas être
membres de la commission fédérale de
médiation, sont présentés par l'assemblée
générale et nommés par le ministre de la Justice
par décision motivée. La présentation est
motivée sur la base de leur expertise en droit
disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe
les modalités de la publication des vacances, du
dépôt des candidatures, de la présentation des
membres ainsi que les critères requis pour poser
sa candidature.
une autre commission permanente ou spéciale.
Le bureau désigne le président pour une période
de deux ans. et veille, au moment de la
désignation, à ce que la durée des présidences
soit équivalente en nombre de mois. Cette
fonction est attribuée alternativement à un
francophone et à un néerlandophone. Le
président justifie d'une connaissance suffisante
de l'autre langue nationale.
Au moins un membre du collège francophone ou
du collège néerlandophone doit justifier de la
connaissance de l'allemand.
Les assesseurs, qui ne peuvent pas être
membres de la commission fédérale de
médiation, sont présentés par l'assemblée
générale et nommés par le ministre de la Justice
par décision motivée. La présentation est
motivée sur la base de leur expertise en droit
disciplinaire et en résolution de litiges. Le Roi fixe
les modalités de la publication des vacances, du
dépôt des candidatures, de la présentation des
membres ainsi que les critères requis pour poser
sa candidature.
§ 1er/1. Les assesseurs sont nommés pour une
période de quatre ans. Leur mandat ne peut
être renouvelé qu'une seule fois.
Il peut être mis fin prématurément au mandat
d'un assesseur par la démission de celui-ci ou
par une décision motivée prise par le ministre
de la Justice sur la proposition du bureau. Il est
ensuite procédé conformément au paragraphe
1er, alinéa 3. Dans tous les cas, les personnes
nommées en remplacement achèvent le
mandat du prédécesseur. S'il s'agit d'un
premier mandat, le mandat de la personne
nommée en remplacement peut être renouvelé
deux fois.
§ 2. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes, par l'intermédiaire du collège
néerlandophone ou francophone, est chargée de
la discipline des médiateurs en vertu de l'article
1727, § 2, 5°, et du traitement des plaintes
contre les médiateurs et contre les organismes
qui dispensent des formations en médiation et
de donner des avis en cas de contestation des
honoraires des médiateurs.
Le
choix
du
collège,
francophone
ou
néerlandophone, est effectué par le médiateur
ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure.
§ 2. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes, par l'intermédiaire du collège
néerlandophone ou francophone, est chargée de
la discipline des médiateurs en vertu de l'article
1727, § 2, 5° 6°, et du traitement des plaintes
contre les médiateurs et contre les organismes
qui dispensent des formations en médiation et
de donner des avis en cas de contestation des
honoraires des médiateurs.
Le
choix
du
collège,
francophone
ou
néerlandophone, est effectué par le médiateur
ou l'organisme qui fait l'objet de la procédure.
243
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
La commission disciplinaire et de traitement des
plaintes est également chargée de faire des
propositions en vertu de l'article 1727, § 2, 7° et
10°, qui sont soumises, pour approbation, à
l'assemblée générale.
La commission disciplinaire et de traitement des
plaintes est également chargée de faire des
propositions en vertu de l’article 1727, § 2, 7° et
10°, 5° et 8°, qui sont soumises, pour
approbation, à l'assemblée générale.
§ 3. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes établit son règlement de procédure.
Le règlement est validé par l'assemblée
générale. Une fois approuvé par l'Assemblée
générale, ce règlement est publié sur le site
internet de la Commission.
§ 3. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes établit son règlement de procédure.
Le règlement est validé par l'assemblée
générale. Une fois approuvé par l'Assemblée
générale, ce règlement est publié sur le site
internet de la Commission.
§ 4. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes par l'intermédiaire du collège
néerlandophone ou francophone peut imposer
les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur
agréé:
– l'avertissement;
– la réprimande;
– l'obligation d'accomplir un stage pendant la
durée et selon les modalités fixées par la
commission disciplinaire et de traitement des
plaintes;
–
l'obligation
d'exercer
sa
profession
exclusivement en co-médiation pendant la
durée et selon les modalités
fixées par la commission disciplinaire et de
traitement des plaintes;
– la suspension pour une période qui ne peut
excéder un an;
– le retrait de l'agrément.
§ 4. La commission disciplinaire et de traitement
des plaintes par l'intermédiaire du collège
néerlandophone ou francophone peut imposer
les sanctions suivantes à l'égard d'un médiateur
agréé:
– l'avertissement;
– la réprimande;
– l'obligation d'accomplir un stage pendant la
durée et selon les modalités fixées par la
commission disciplinaire et de traitement des
plaintes;
–
l'obligation
d'exercer
sa
profession
exclusivement en co-médiation pendant la durée
et selon les modalités
fixées par la commission disciplinaire et de
traitement des plaintes;
– la suspension pour une période qui ne peut
excéder un an;
– le retrait de l'agrément.
§ 5. Chaque année, la commission disciplinaire et
de traitement des plaintes fait un rapport sur
l'exécution de ses missions au cours de l'année
écoulée. Ce rapport contient des suggestions
relatives à l'opportunité de modifier la
procédure disciplinaire ou le traitement des
plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce
rapport est communiqué au ministre de la
Justice.
§ 5. Chaque année, la commission disciplinaire et
de traitement des plaintes fait un rapport sur
l'exécution de ses missions au cours de l'année
écoulée. Ce rapport contient des suggestions
relatives
à
l'opportunité
de
modifier
la
procédure disciplinaire ou le traitement des
plaintes ainsi que le Code de déontologie. Ce
rapport est communiqué au ministre de la
Justice.
Article 1734, §1er/1
Article 1734, §1er/1
§ 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties,
leur avocat, peuvent demander conjointement
au juge de désigner le médiateur ou les
médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à
cette demande, sauf si le médiateur ou les
médiateurs proposés par les parties ne satisfont
pas aux conditions visées à l'article 1726.
Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur
ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de
§ 1er/1. Les parties, ou en l'absence des parties,
leur avocat, peuvent demander conjointement
au juge de désigner le médiateur ou les
médiateurs qu'elles présentent. Le juge accède à
cette demande, sauf si le médiateur ou les
médiateurs proposés par les parties ne satisfont
pas aux conditions visées à l'article 1726.
Si les parties ne s'accordent pas sur le médiateur
ou les médiateurs à désigner, le juge désigne, de
2774/001
DOC 55
244
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
préférence à tour de rôle, un médiateur ou des
médiateurs agréés selon l'article 1727 sur la base
d'une liste de tous les médiateurs établie par la
Commission fédérale de médiation. Dans la
mesure du possible, le juge choisit un médiateur
établi à proximité du domicile des parties.
préférence à tour de rôle, un médiateur ou des
médiateurs agréés selon l'article 1727, de
préférence sur la base d'une liste de tous les
médiateurs établie par la Commission fédérale
de médiation. Dans la mesure du possible, le
juge choisit un médiateur établi à proximité du
domicile des parties. Le juge choisit un ou des
médiateurs compétents au regard de la nature
du différend entre les parties et, dans la mesure
du possible, établis à proximité du domicile des
parties.
Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques
Article 8, § 6
Article 8, § 6
Dans le cadre de l'exécution de leurs missions de
police administrative et judiciaire, les services
de police tels que définis à l'article 2, 2°, de la loi
du 7 décembre 1998 organisant un service de
police intégré, structuré à deux niveaux, sont
dispensés d'une autorisation préalable.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa
1er, tout membre des services de police qui, en
violation de l'obligation de confidentialité,
communique le numéro de Registre national à
des personnes non habilitées à le recevoir ou qui
fait usage de ce numéro à des fins autres que
l'exercice de missions de police administrative
et judiciaire telles que visées aux articles 14 et
15 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de
police.
Dans l'exercice de leurs missions respectives, les
juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire,
les magistrats du ministère public, les juges
d'instruction, les agents de niveau 1 des
autorités
administratives
chargées
de
l'exécution des décisions rendues en matière
pénale et des mesures de défense sociale
nommément désignés par écrit, les greffiers en
chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs
de service des cours et tribunaux de l'ordre
judiciaire, sont dispensés d'une autorisation
préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses
attributions
et
peuvent
accéder
aux
informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa
1er, tout membre des services de justice qui, en
violation de l'obligation de confidentialité,
Dans le cadre de l'exécution de leurs missions de
police administrative et judiciaire, les services de
police tels que définis à l'article 2, 2°, de la loi du
7 décembre 1998 organisant un service de police
intégré, structuré à deux niveaux, sont dispensés
d'une autorisation préalable.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa
1er, tout membre des services de police qui, en
violation de l'obligation de confidentialité,
communique le numéro de Registre national à
des personnes non habilitées à le recevoir ou qui
fait usage de ce numéro à des fins autres que
l'exercice de missions de police administrative et
judiciaire telles que visées aux articles 14 et 15
de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Dans l'exercice de leurs missions respectives, les
juges des cours et tribunaux de l'ordre judiciaire,
les magistrats du ministère public, les juges
d'instruction, les agents de niveau 1 des
autorités
administratives
chargées
de
l'exécution des décisions rendues en matière
pénale et des mesures de défense sociale
nommément désignés par écrit, les greffiers en
chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs
de service des cours et tribunaux de l'ordre
judiciaire, sont dispensés d'une autorisation
préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses
attributions
et
peuvent
accéder
aux
informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.
Est puni de la sanction visée à l'article 13, alinéa
1er, tout membre des services de justice qui, en
violation de l'obligation de confidentialité,
245
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
communique des informations obtenues du
Registre national à des personnes non habilitées
à les recevoir ou qui fait usage de ces données à
des fins autres que l'exercice de ses missions
légales.
communique des informations obtenues du le
numéro de Registre national à des personnes
non habilitées à les le recevoir ou qui fait usage
de ces données ce numéro à des fins autres que
l'exercice de ses missions légales.
Modifications du Code de la nationalité belge
Article 10
Article 10
Est Belge, l'enfant né en Belgique et qui, à un
moment quelconque avant l'âge de dix-huit ans
ou l'émancipation antérieure à cet âge, serait
apatride s'il n'avait cette nationalité.
Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si
l'enfant peut obtenir une autre nationalité
moyennant l'accomplissement par son ou ses
représentants
légaux
d'une
démarche
administrative
auprès
des
autorités
diplomatiques ou consulaires du pays de ses
auteurs ou de l'un de ceux-ci.
L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est
présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en
Belgique.
L'enfant auquel la nationalité belge a été
attribuée en vertu du présent article conserve
cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi,
avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou
n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède
une nationalité étrangère.
§ 1er. Est Belge, l'enfant né en Belgique et qui, à
un moment quelconque avant l'âge de dix-huit
ans ou l'émancipation antérieure à cet âge,
serait apatride s'il n'avait cette nationalité ne
possède aucune autre nationalité.
Toutefois, l'alinéa 1er ne s'appliquera pas si
l'enfant peut obtenir une autre nationalité
moyennant l'accomplissement par son ou ses
représentants
légaux
d'une
démarche
administrative
auprès
des
autorités
diplomatiques ou consulaires du pays de ses
auteurs ou de l'un de ceux-ci.
Le représentant légal de l’enfant transmet à
l’Officier de l’état civil du lieu de naissance de
l’enfant toutes les pièces utiles dont il dispose.
En cas de doute sur l’absence de nationalité de
l’enfant, l’Officier de l’état civil demande l’avis
du Procureur du Roi. Dans ce cas, il lui transmet
copie du dossier. L’avis est rendu à bref délai
par le Procureur du Roi.
§ 2. L'enfant nouveau-né trouvé en Belgique est
présumé, jusqu'à preuve du contraire, être né en
Belgique.
§ 3. L'enfant auquel la nationalité belge a été
attribuée en vertu du présent article conserve
cette nationalité tant qu'il n'a pas été établi,
avant qu'il n'ait atteint l'âge de dix-huit ans ou
n'ait été émancipé avant cet âge, qu'il possède
une nationalité étrangère.
Article 24bis
Article 24bis
Le Ministre de la Justice arrête les directives
concernant les modalités selon lesquelles le
parquet près le Tribunal de première instance
mène l'enquête en vue de la présentation d'un
avis tel que prévu dans la présente loi, après
consultation
du
Collège
des
procureurs
Le Ministre de la Justice arrête Le Collège des
procureurs généraux peut arrêter les directives
concernant les modalités selon lesquelles le
parquet près le Tribunal de première instance
mène l'enquête en vue de la présentation d'un
avis tel que prévu dans la présente loi, après
2774/001
DOC 55
246
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
généraux. Ces directives sont contraignantes
pour tous les membres du ministère public. Pour
les missions qui doivent être accomplies afin de
permettre au procureur du Roi d'émettre les avis
requis, les services de police sont soumis à
l'autorité de celui-ci. Le Collège des procureurs
généraux exerce le contrôle sur les modalités
selon lesquelles les parquets exécutent les
missions définies dans la présente loi.
consultation
du
Collège
des
procureurs
généraux. Ces directives sont contraignantes
pour tous les membres du ministère public. Pour
les missions qui doivent être accomplies afin de
permettre au procureur du Roi d'émettre les avis
requis, les services de police sont soumis à
l'autorité de celui-ci. Le Collège des procureurs
généraux exerce le contrôle sur les modalités
selon lesquelles les parquets exécutent les
missions définies dans la présente loi.
Chapitre Vter. - Compétence d'avis du Service
public fédéral Justice
Article 24ter
§ 1er. Une Autorité Centrale en matière de
nationalité est créée au sein du Service Public
Fédéral Justice. Sauf dans les matières où le
présent Code ou la loi accordent des
compétences au Procureur du Roi, l’Autorité
Centrale en matière de nationalité rend des avis
non contraignants, à la demande de l'officier de
l'état civil ou du détenteur du registre de la
population, du registre des étrangers ou du
registre d'attente, en cas de doute sérieux sur la
manière
d’appliquer
une
ou
plusieurs
dispositions du présent Code.
§ 2. L'officier de l'état civil ou le détenteur du
registre de la population, du registre des
étrangers ou du registre d'attente, transmet sa
demande d’avis à l’Autorité Centrale en
matière de nationalité, accompagnée des
pièces dont il dispose. L’Autorité Centrale en
matière de nationalité peut, si nécessaire,
demander des documents ou des actes
complémentaires, à l'officier de l'état civil ou au
détenteur du registre de la population, du
registre des étrangers ou du registre d'attente
qui a demandé l'avis. Celui-ci les transmet sur-
le-champ à l’Autorité Centrale en matière de
nationalité.
§ 3. L’Autorité Centrale en matière de
nationalité rend un avis dans un délai de six
mois à partir de la réception de l’ensemble des
pièces nécessaires, prolongeable de six mois
par
l’Autorité
Centrale
en
matière
de
nationalité.
247
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 4. L’Autorité Centrale en matière de
nationalité porte l'avis à la connaissance de
l'officier de l'état civil ou du détenteur du
registre de la population, du registre des
étrangers ou du registre d'attente qui l'a
demandé.
Modifications du Code civil
Chapitre 6. Preuve de la qualité d’héritier
Chapitre 6. Preuve de la qualité successorale
Art. 4.59. Actes ou certificats d’hérédité
Art. 4.59. Actes ou certificats d’hérédité
§ 1er. Sauf disposition légale contraire, un
débiteur de bonne foi libère les avoirs d'un
défunt de manière libératoire à condition que
cela ait été fait, soit aux ou sur instruction des
personnes désignées par un certificat ou un acte
d'hérédité, soit à ou sur instruction d'un
mandataire judiciaire, après présentation:
§ 1er. Toute personne appelée à la succession en
tant que successible, ou y ayant la qualité
d’héritier, ou encore en tant que légataire
particulier, peut prouver cette qualité en
présentant un acte ou un certificat d’hérédité.
a) d'un certificat d'hérédité rédigé par le bureau
compétent de l'Administration générale de la
documentation patrimoniale; ou
Le conjoint survivant peut, par la présentation
d’un acte ou d’un certificat d’hérédité, prouver
quels droits il acquiert en vertu de son régime
matrimonial suite à la dissolution de celui-ci par
le décès, même si l’acte ou le certificat
n’indique pas la dévolution de la succession de
son conjoint défunt.
b) d'un certificat ou d'un acte d'hérédité rédigé
par un notaire.
Un
exécuteur
testamentaire
et
un
administrateur judiciaire de la succession
peuvent
prouver
leurs
pouvoirs
d’administration ou de disposition à l’égard des
biens de la succession par la présentation d’un
acte ou d’un certificat d’hérédité.
Le certificat ou l'acte d'hérédité est délivré sur
demande d'une partie intéressée en vue de la
libération des avoirs visée à l'alinéa 1er.
§ 2. L’acte ou le certificat d’hérédité est établi
et délivré à la demande d’une ou plusieurs des
personnes indiquées au paragraphe 1er, ou, le
cas échéant, de leurs ayants droit.
§ 2. L'acte ou le certificat délivré n'exempte en
aucun cas le débiteur visé au paragraphe 1er
d'éventuelles
autres
obligations
légales
prescrites pour le déblocage de ces avoirs.
L’acte ou le certificat d’hérédité est établi par
un notaire.
§ 3. La partie intéressée est libre de s'adresser au
bureau visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au
notaire. Dans les cas où la succession du défunt
n'est pas exclusivement dévolue conformément
aux dispositions du sous-titre 4, en cas de
présence d'héritiers ou successibles incapables
ou s'il est question de dispositions de dernière
volonté, d'un pacte successoral, d'une institution
contractuelle ou d'une convention matrimoniale
dans le chef du défunt, seul le notaire est
Si la succession du défunt est exclusivement
dévolue conformément aux dispositions du
sous-titre 4, s’il n’y a pas d’héritiers ou
successibles incapables et s’il n’est pas question
de dispositions de dernière volonté, d'un pacte
successoral, d'une institution contractuelle ou
d'une convention matrimoniale dans le chef du
défunt, un acte ou un certificat d'hérédité peut
également être établi et délivré par un
fonctionnaire
du
bureau
compétent
de
2774/001
DOC 55
248
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
autorisé à délivrer un acte ou un certificat
d'hérédité.
l’Administration générale de la documentation
patrimoniale.
§ 4. Tant l'acte que le certificat d'hérédité
mentionnent clairement qui sont les héritiers et
les successibles qui peuvent prétendre aux
avoirs du défunt, avec mention des données
d'identification suivantes: nom, prénoms, lieu et
date de naissance, adresse et éventuellement
date de décès.
Le notaire ou le bureau compétent de
l’Administration générale de la documentation
patrimoniale inscrit ses actes et certificats
d’hérédité dans le registre central successoral
conformément à l’article 4.126.
Le cas échéant, l'acte ou le certificat d'hérédité
mentionne le numéro d'identification du
Registre national, le numéro d'identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le
numéro d'identification à la Banque-Carrefour
des entreprises.
§ 3. Tout acte et tout certificat d'hérédité
mentionnent
les
données
d'identification
suivantes :
§ 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration
générale de la Documentation patrimoniale visé
au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent refuser
toute remise de certificat ou d'acte d'hérédité si
les pièces présentées par la partie intéressée
requérante, les déclarations faites et les
recherches effectuées ne leur permettent pas de
désigner les héritiers ou les successibles avec
certitude.
1° du défunt : ses nom, prénoms, lieu et date de
naissance, adresse et date de décès ; le cas
échéant, le numéro d'identification du Registre
national, le numéro d'identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le
numéro d'identification à la Banque-Carrefour
des entreprises ;
§ 6. L'acte ou le certificat d'hérédité établi
conformément aux paragraphes 3 à 5, emporte
la preuve, à l'égard des tiers de bonne foi, de leur
qualité d'héritiers ou de successibles pour toutes
les personnes qui y sont mentionnées comme
telles.
2° la loi applicable à la succession.
§ 4. Dans la mesure requise par la loi, l’acte ou
le certificat mentionne les données suivantes,
pour autant qu’elles aient pu raisonnablement
être déterminées :
1° pour toutes les personnes mentionnées au
paragraphe 1er, leurs nom, prénoms, lieu et
date de naissance, adresse et éventuellement
date de décès et, le cas échéant, le numéro
d'identification du Registre national, le numéro
d'identification à la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale ou le numéro d'identification à
la Banque-Carrefour des entreprises ;
2° pour les personnes mentionnées au
paragraphe 1er, alinéa 1er : si, et le cas échéant
comment et quand ils ont exercé leur option
héréditaire, l’étendue de leur part héréditaire,
la description des biens qui leur reviennent, la
nature de leurs droits et les restrictions à
l’exercice de leurs droits en raison de leur
incapacité, d’une mesure de protection ou
d’une disposition testamentaire ;
249
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° le cas échéant, pour le conjoint survivant : les
données relatives au mariage et au régime
matrimonial, la description des biens qui lui
reviennent, la nature de ses droits, et les
restrictions à l’exercice de ses droits en raison
de son incapacité, d’une mesure de protection
ou d’une disposition testamentaire ; en outre,
s’il a exercé une option quant aux droits
mentionnés au paragraphe 1er, alinéa 2, et le cas
échéant, comment et quand il a exercé son
option, ainsi que les conséquences de celle-ci
pour la transmission des biens ;
4° pour les légataires : s’ils ont et, le cas échéant
quand et comment ils ont été mis en possession
de leur legs, ou s’ils sont entrés en cette
possession de plein droit ;
5°
pour
l’exécuteur
testamentaire
ou
l’administrateur judiciaire de la succession :
l’étendue de ses pouvoirs et les données
relatives à la disposition qui lui accorde ces
pouvoirs.
Lorsqu'un acte d’hérédité est établi en vue de
plusieurs finalités, le notaire ou le bureau
compétent de l'Administration générale de la
Documentation patrimoniale peut délivrer un
extrait littéral de l’acte en vue d’une finalité
déterminée.
L’extrait
mentionne
toute
l’information requise pour atteindre utilement
la finalité envisagée.
L’acte ou le certificat d’hérédité destiné à la
libération des avoirs du défunt doit soit être un
acte ou un certificat distinct, soit faire l’objet
d’un extrait conformément à l’alinéa 2, établi
ou délivré exclusivement en vue de cette
finalité et contenant les mentions exigées par la
loi. Il ne contient les données des personnes
mentionnées à l’alinéa 1er, 1° à 5°, que pour
autant que ces personnes puissent prétendre à
ces avoirs.
Dans la mesure où un acte d’hérédité constate
l’acquisition pour cause de mort de droits réels
portant sur des immeubles, tels que visé à
l’article 3.30, § 1er, 7°, le notaire ou le bureau
compétent de l'Administration générale de la
Documentation patrimoniale peut en délivrer
un extrait littéral qui sera transcrit au bureau
compétent de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale dans le ressort
duquel les biens sont situés, de la manière et
dans les délais prévus à l'article 3.31.
2774/001
DOC 55
250
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 5. Le notaire ou le bureau de l'Administration
générale de la Documentation patrimoniale
peuvent refuser toute remise d'acte ou de
certificat d'hérédité si les pièces présentées par
la partie intéressée requérante, les déclarations
faites et les recherches effectuées ne leur
permettent pas de constater avec certitude les
données qui sont requises par le paragraphe 3
ou qui sont requises conformément au
paragraphe 4 en raison des finalités pour
lesquelles l’acte ou le certificat devrait être
délivré.
§ 6. Toutes les personnes désignées dans l’acte
ou le certificat d’hérédité sont censées avoir la
qualité qui est mentionnée dans l’acte ou le
certificat, et pouvoir exercer les droits et les
pouvoirs qui y sont rattachés.
Toute personne agissant de bonne foi sur la
base de l’information mentionnée dans l’acte
ou le certificat d’hérédité avec une personne
désignée dans cet acte ou ce certificat, est
censée agir avec une personne ayant la qualité
mentionnée dans cet acte ou ce certificat.
Sauf disposition légale contraire, le paiement
des avoirs du défunt est libératoire s’il est fait
par le débiteur de bonne foi, soit aux ou sur
instruction des personnes désignées par cet
acte ou ce certificat d'hérédité comme étant
celles qui y ont droit, soit à ou sur instruction
d'un mandataire judiciaire.
Le respect des dispositions prévues au présent
paragraphe n'exempte en aucun cas le débiteur
d'éventuelles
autres
obligations
légales
prescrites pour le déblocage de ces avoirs.
§ 7. Le Roi peut, pour les actes d'hérédité établis
par un fonctionnaire de l'Administration
générale de la Documentation patrimoniale :
1° déterminer les formes matérielles de l'acte ;
2° déterminer les modalités relatives à la
délivrance des expéditions et extraits de cet
acte ;
3° déterminer les modalités relatives à la
légalisation de l'acte ;
4° déterminer des modalités complémentaires
nécessaires pour garantir l’immuabilité, la
confidentialité et la conservation de l'acte ;
5° déterminer les formes matérielles et le
contenu de chaque demande d’acte d’hérédité.
Il peut prescrire l’utilisation de formulaires dont
Il détermine le modèle et déterminer si la
demande peut ou doit être présentée de
251
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
manière dématérialisée et les modalités de sa
présentation.
Les dispositions de l'alinéa 1er, 1°, 2°, 4° et 5°,
s’appliquent
également
aux
certificats
d’hérédité établis par le bureau compétent de
l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale conformément au présent article.
Le Roi peut déterminer que ces certificats
peuvent ou doivent être délivrés de manière
dématérialisée, ainsi que les modalités de leur
délivrance.
Art. 4.125. Finalités
Art. 4.125. Finalités
Le registre central successoral est une banque de
données informatisée ayant comme finalité:
Le registre central successoral est une banque de
données informatisée ayant comme finalité:
1° de permettre, dans les limites précisées dans
le présent sous-titre, la consultation et la
communication
aux
tiers,
par
la
voie
électronique, ou, le cas échéant, par la voie
postale;
1° de permettre, dans les limites précisées dans
le présent sous-titre, la consultation et la
communication
aux
tiers,
par
la
voie
électronique, ou, le cas échéant, par la voie
postale;
a)
des
informations
relatives
aux
actes
déterminant l'identité des personnes appelées à
une succession ouverte;
a)
des
informations
relatives
aux
actes
déterminant l'identité des personnes appelées à
une succession ouverte;
b) de l'identité des personnes ayant renoncé ou
accepté
une
succession
sous
bénéfice
d'inventaire;
b) de l'identité des personnes ayant renoncé ou
accepté
une
succession
sous
bénéfice
d'inventaire;
c) des mesures judiciaires prises relativement à
l'administration d'une succession.
c) des mesures judiciaires prises relativement à
l'administration d'une succession.
1°/1 de permettre, dans les limites précisées
dans le présent sous-titre, de constater la
qualité d’héritier de manière automatisée,
comme prévu à l’article 14, § 1er, alinéa 2, de
l’arrêté royal du 18 mars 2020 portant
l’introduction de la Banque des actes notariés ;
2° le traitement, dans les limites déterminées
par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement
européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à
la protection des personnes physiques à l'égard
du traitement des données à caractère
personnel et à la libre circulation de ces
données, et abrogeant la directive 95/46/CE, des
données enregistrées dans le registre central à
des fins d'intérêt général, et en particulier à des
fins statistiques et scientifiques, ou afin
d'améliorer la qualité du registre.
2° le traitement, dans les limites déterminées
par le règlement (UE) 2016/679 du Parlement
européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à
la protection des personnes physiques à l'égard
du traitement des données à caractère
personnel et à la libre circulation de ces données,
et abrogeant la directive 95/46/CE, des données
enregistrées dans le registre central à des fins
d'intérêt général, et en particulier à des fins
statistiques et scientifiques, ou afin d'améliorer
la qualité du registre.
Art. 4.126. Actes à inscrire
Art. 4.126. Actes à inscrire
§ 1er. Sont inscrits dans le registre central
successoral:
§ 1er. Sont inscrits dans le registre central
successoral:
2774/001
DOC 55
252
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° les actes et certificats d'hérédité qui sont
établis par un notaire conformément à l'article
4.59;
1° les actes et certificats d'hérédité qui sont
établis par un notaire conformément à l'article
4.59;
2° les certificats successoraux européens, qui
sont établis conformément à l'article 68 du
règlement n° 650/2012 du Parlement européen
et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la
compétence, la loi applicable, la reconnaissance
et l'exécution des décisions, et l'acceptation et
l'exécution des actes authentiques en matière
de successions et à la création d'un certificat
successoral européen, ainsi que les certificats
successoraux européens qui sont établis par
l'autorité judiciaire compétente conformément
à l'article 72, alinéa 2, in fine, du même
règlement;
2° les certificats successoraux européens, qui
sont établis conformément à l'article 68 du
règlement n° 650/2012 du Parlement européen
et du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la
compétence, la loi applicable, la reconnaissance
et l'exécution des décisions, et l'acceptation et
l'exécution des actes authentiques en matière de
successions et à la création d'un certificat
successoral européen, ainsi que les certificats
successoraux européens qui sont établis par
l'autorité judiciaire compétente conformément
à l'article 72, alinéa 2, in fine, du même
règlement;
3° les rectifications, modifications et retraits
desdits certificats successoraux européens;
3° les rectifications, modifications et retraits
desdits certificats successoraux européens;
4° les actes portant la déclaration de
renonciation, qui sont établis conformément à
l'article 4.44;
4° les actes portant la déclaration de
renonciation, qui sont établis conformément à
l'article 4.44;
5° les actes portant la déclaration d'un héritier
qu'il entend ne prendre cette qualité que sous
bénéfice
d'inventaire,
qui
sont
établis
conformément à l'article 4.49;
5° les actes portant la déclaration d'un héritier
qu'il entend ne prendre cette qualité que sous
bénéfice
d'inventaire,
qui
sont
établis
conformément à l'article 4.49;
6° les jugements et arrêts portant désignation
d'un administrateur pour une succession
acceptée
sous
bénéfice
d'inventaire
conformément à l'article 4.54, ou d'un curateur
à succession vacante conformément à l'article
4.58 et à l'article 1231 du Code judiciaire.
6° les jugements et arrêts portant désignation
d'un administrateur pour une succession
acceptée
sous
bénéfice
d'inventaire
conformément à l'article 4.54, ou d'un curateur
à succession vacante conformément à l'article
4.58 et à l'article 1231 du Code judiciaire.
§ 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés
au paragraphe 1er, 1°, 4° et 5°. L'inscription des
certificats successoraux européens, visés au
paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un
notaire,
ainsi
que
les
rectifications,
les
modifications, et les retraits desdits certificats
successoraux
européens,
est
effectuée
également par le notaire.
§ 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés
au paragraphe 1er, 1°, 4° et 5°. L'inscription des
certificats successoraux européens, visés au
paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un
notaire,
ainsi
que
les
rectifications,
les
modifications, et les retraits desdits certificats
successoraux
européens,
est
effectuée
également par le notaire. Le bureau compétent
de
l’Administration
générale
de
la
documentation patrimoniale inscrit les actes et
les certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er
qu’il a établis.
Le greffier de la juridiction qui a prononcé la
décision, communique au registre central
successoral
les
certificats
successoraux
européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont
établis par l'autorité judiciaire compétente
conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du
règlement (UE) n° 650/2012 précité.
Le greffier de la juridiction qui a prononcé la
décision, communique au registre central
successoral
les
certificats
successoraux
européens, visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont
établis par l'autorité judiciaire compétente
conformément à l'article 72, alinéa 2, in fine, du
règlement (UE) n° 650/2012 précité.
253
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 4.127. Données à inscrire
Art. 4.127. Données à inscrire
§ 1er. Le registre contient les données suivantes,
en vigueur au moment de l'inscription:
§ 1er. Le registre contient les données suivantes,
en vigueur au moment de l'inscription:
1° du défunt:
1° du défunt:
a) les nom et prénom(s);
a) les nom et prénom(s);
b) le numéro de registre national;
b)
le
numéro
d'identification
du
Registre
national
ou
le
numéro
d'identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale ;
c) le lieu et la date de naissance;
c) le lieu et la date de naissance;
d) le domicile ou la résidence habituelle;
d) le domicile ou la résidence habituelle;
e) le lieu et la date du décès;
e) le lieu et la date du décès;
1°/1 des héritiers :
a) les nom et prénom(s) ;
b)
le
numéro
d'identification
du
Registre
national
ou
le
numéro
d'identification à la Banque-Carrefour
de la Sécurité sociale ;
2° du déclarant, en cas d'enregistrement d'une
inscription conformément à l'article 4.44 ou à
l'article 4.49:
2° du déclarant, en cas d'enregistrement d'une
inscription conformément à l'article 4.44 ou à
l'article 4.49:
a) les nom et prénom(s) dans le cas
d'une personne physique, ou, le nom ou
la dénomination, dans le cas d'une
personne morale;
a) les nom et prénom(s) dans le cas d'une
personne physique, ou, le nom ou la
dénomination,
dans
le
cas
d'une
personne morale;
b) la forme juridique dans le cas d'une
personne morale;
b) la forme juridique dans le cas d'une
personne morale;
c) le numéro de registre national ou, le
cas échéant, le numéro d'entreprise;
c) le numéro d'identification du Registre
national, le numéro d'identification à la
Banque-Carrefour
de
la
Sécurité
sociale ou, le cas échéant, le numéro
d'entreprise;
d) la date et le lieu de naissance dans le
cas d'une personne physique;
d) la date et le lieu de naissance dans le
cas d'une personne physique;
e) l'élection de domicile en cas d'une
déclaration conformément à l'article
4.49;
e) l'élection de domicile en cas d'une
déclaration conformément à l'article
4.49;
3° du curateur ou de l'administrateur de la
succession désigné, en cas d'inscription d'un
jugement ou d'un arrêt de désignation
conformément aux articles 4.54 et 4.58:
3° du curateur ou de l'administrateur de la
succession désigné, en cas d'inscription d'un
jugement ou d'un arrêt de désignation
conformément aux articles 4.54 et 4.58:
a) les nom et prénom(s);
a) les nom et prénom(s);
b) la fonction;
b) la fonction;
c) l'adresse professionnelle;
c) l'adresse professionnelle;
4° la nature et la date de l'acte, du certificat ou
du certificat successoral européen s'il a été établi
par un notaire, avec indication de l'objet de la
déclaration
en
cas
d'inscription
d'une
déclaration conformément à l'article 4.44 ou à
l'article 4.49;
4° la nature et la date de l'acte, du certificat ou
du certificat successoral européen s'il a été établi
par un notaire ou par un bureau compétent de
l’Administration générale de la documentation
patrimoniale, avec indication de l'objet de la
déclaration
en
cas
d'inscription
d'une
2774/001
DOC 55
254
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
déclaration conformément à l'article 4.44 ou à
l'article 4.49;
5° la nature et la date de la décision portant le
certificat successoral européen s'il a été établi
par le tribunal ou de l'ordonnance de
désignation
d'un
curateur
ou
d'un
administrateur;
5° la nature et la date de la décision portant le
certificat successoral européen s'il a été établi
par le tribunal ou de l'ordonnance de
désignation
d'un
curateur
ou
d'un
administrateur;
6° l'identification du notaire qui a passé l'acte ou
qui a établi le certificat ou le certificat
successoral européen, de la juridiction qui a
établi le certificat successoral européen ou de la
juridiction qui a rendu l'ordonnance de
désignation
d'un
curateur
ou
d'un
administrateur;
6° l'identification du notaire qui a passé l'acte ou
qui a établi le certificat ou le certificat
successoral européen, du bureau compétent de
l’Administration générale de la documentation
patrimoniale qui a établi l’acte ou le certificat
hérédité, de la juridiction qui a établi le certificat
successoral européen, ou de la juridiction qui a
rendu
l'ordonnance
de
désignation
d'un
curateur ou d'un administrateur;
7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte
ou du certificat successoral européen, telle que
visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803
contenant organisation du notariat; et à défaut
le numéro de répertoire, ou, pour les certificats
d'hérédité, la référence de l'étude;
7° le cas échéant, la référence NABAN de l'acte
ou du certificat successoral européen, telle que
visée à l'article 18 de la loi du 16 mars 1803
contenant organisation du notariat; et à défaut
le numéro de répertoire, ou, pour les certificats
d'hérédité, la référence de l'étude du notaire ou
du bureau compétent de l’Administration
générale de la documentation patrimoniale ;
8° le cas échéant, la référence selon le standard
ECLI (European Case Law identifier) de la
décision
portant
le
certificat
successoral
européen ou de l'ordonnance de désignation
d'un curateur ou d'un administrateur et à défaut,
le numéro de rôle général du jugement ou de
l'arrêt.
8° le cas échéant, la référence selon le standard
ECLI (European Case Law identifier) de la
décision
portant
le
certificat
successoral
européen ou de l'ordonnance de désignation
d'un curateur ou d'un administrateur et à défaut,
le numéro de rôle général du jugement ou de
l'arrêt.
§ 2. Le registre central successoral tient lieu de
source authentique des données qui y sont
inscrites.
§ 2. Le registre central successoral tient lieu de
source authentique des données qui y sont
inscrites.
Art. 4.128. Frais d’inscription
Art. 4.128. Frais d’inscription et mention au
Moniteur belge
Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription
dans le registre.
Le Roi détermine le tarif des frais de l'inscription
dans le registre et les modalités et les frais de la
mention au Moniteur belge des déclarations
d’acceptation sous bénéfice d’inventaire.
Art. 4.131. Consultation
Art. 4.131. Consultation
§ 1er. Les données figurant dans le registre
central successoral sont accessibles:
§ 1er. A l’exception des données visées à l’article
4.127, § 1er, 1°/1, les données figurant dans le
registre central successoral sont accessibles:
1° aux notaires, aux huissiers de justice, aux
avocats, aux greffiers et aux magistrats dans les
juridictions, dans le cadre de l'exercice de leur
fonction;
1° aux notaires, aux huissiers de justice, aux
avocats, aux greffiers et aux magistrats dans les
juridictions, dans le cadre de l'exercice de leur
fonction;
255
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° aux autorités publiques, aux organismes
d'intérêt public, si la prise de connaissance est
nécessaire
à
l'accomplissement
de
leurs
missions légales;
2° aux autorités publiques, aux organismes
d'intérêt public, si la prise de connaissance est
nécessaire à l'accomplissement de leurs missions
légales;
3° à toute personne, pour autant qu'elle puisse
justifier un intérêt actuel et légitime. L'intérêt du
demandeur est actuel et légitime lorsque ses
droits et obligations actuels sont affectés par le
décès du défunt ou par les options héréditaires
des successibles. L'intérêt actuel et légitime est
mentionné dans la demande de consultation.
3° à toute personne, pour autant qu'elle puisse
justifier un intérêt actuel et légitime. L'intérêt du
demandeur est actuel et légitime lorsque ses
droits et obligations actuels sont affectés par le
décès du défunt ou par les options héréditaires
des successibles. L'intérêt actuel et légitime est
mentionné dans la demande de consultation.
Les données visées à l’article 4.127, § 1er, 1°/1,
sont uniquement accessibles au gestionnaire de
la Banque des actes notariés visée à l’article 18
de la loi du 25 Ventôse An XI contenant
organisation du notariat, en vue de permettre
l’accès des héritiers aux actes de leur
prédécesseur en droit.
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à
communiquer les données inscrites dans le
registre central successoral à d'autres personnes
que celles qui y ont accès comme déterminé au
paragraphe 1er.
§ 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à
communiquer les données inscrites dans le
registre central successoral à d'autres personnes
que celles qui y ont accès comme déterminé au
paragraphe 1er.
Sans préjudice des dispositions légales visant à la
protection des données à caractère personnel,
quiconque participe, à quelque titre que ce soit,
à
la
collecte,
au
traitement
ou
à
la
communication des données visées à l'article
4.127, ou a connaissance de ces données, est
tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
Sans préjudice des dispositions légales visant à la
protection des données à caractère personnel,
quiconque participe, à quelque titre que ce soit,
à
la
collecte,
au
traitement
ou
à
la
communication des données visées à l'article
4.127, ou a connaissance de ces données, est
tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
L'article 458 du Code pénal leur est applicable.
L'article 458 du Code pénal leur est applicable.
§ 3. L'accès aux données du registre central
successoral est gratuit.
§ 3. L'accès aux données du registre central
successoral est gratuit.
Le gestionnaire du registre peut autoriser la
consultation en ligne pour les parties intéressées
visées au paragraphe 1er qui en font la demande,
dans les limites de leurs droits de consultation.
Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais
supplémentaires supportés par celui-ci dans
l'exercice de cette mission seront facturés aux
personnes ayant consulté le registre.
Le gestionnaire du registre peut autoriser la
consultation en ligne pour les parties intéressées
visées au paragraphe 1er qui en font la demande,
dans les limites de leurs droits de consultation.
Les prestations du gestionnaire ainsi que les frais
supplémentaires supportés par celui-ci dans
l'exercice de cette mission seront facturés aux
personnes ayant consulté le registre.
Art. 4.258. Survenance de nouveaux héritiers
Art. 4.258. Survenance de nouveaux héritiers
La survenance, postérieurement au pacte, de
nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe
descendante qui seraient appelés à la succession
de leur propre chef est sans incidence sur la
validité du pacte, mais celui-ci demeure sans
effet à leur égard.
La survenance, postérieurement au pacte, de
nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe
descendante qui seraient appelés à la succession
de leur propre chef est sans incidence sur la
validité du pacte, mais celui-ci demeure sans
effet à leur égard.
A l'égard des héritiers visés au paragraphe 1er, les
donations visées dans le pacte sont, pour les
A l'égard des héritiers visés à l’alinéa 1er, les
donations visées dans le pacte sont, pour les
2774/001
DOC 55
256
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
besoins de la réduction et du rapport,
présumées
consenties
conjointement
à
l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne
directe descendante parties au pacte.
besoins de la réduction et du rapport,
présumées
consenties
conjointement
à
l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne
directe descendante parties au pacte.
Modifications du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
Sous-section 2. - De la responsabilité et des
obligations en matière d'établissement d'un acte
ou d'un certificat d'hérédité visés à l'article 4.59
du Code civil
Sous-section 2. - De la responsabilité et des
obligations en matière d'établissement d'un acte
ou d'un certificat d'hérédité visés à l'article 4.59,
§ 4, alinéa 3, du Code civil
Art. 43, § 1er
Art. 43, § 1er
§ 1er. Afin de garantir la perception des créances
fiscales et non fiscales certaines et liquides et
dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou
les bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, les notaires requis de
rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à
l'article 4.59 du Code civil sont personnellement
responsables au sens de l'article 1382 du Code
civil, du paiement des sommes dues à titre de
créances fiscales et non fiscales par le de cujus,
ses héritiers et légataires dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les
bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, et qui sont
susceptibles d'être notifiées conformément à
l'article 44, s'ils n'en avisent pas:
§ 1er. Afin de garantir la perception des créances
fiscales et non fiscales certaines et liquides et
dues par le de cujus, ses héritiers et légataires ou
les bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, les notaires requis de
rédiger l'acte ou le certificat d'hérédité visés à
l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil sont
personnellement responsables au sens de
l'article 1382 du Code civil, du paiement des
sommes dues à titre de créances fiscales et non
fiscales par le de cujus, ses héritiers et légataires
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat, ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, et qui
sont susceptibles d'être notifiées conformément
à l'article 44, s'ils n'en avisent pas:
1° le service en charge de la technologie de
l'information et de la communication du Service
public fédéral Finances, par voie électronique ;
1° le service en charge de la technologie de
l'information et de la communication du Service
public fédéral Finances, par voie électronique ;
2° les receveurs dont relèvent le de cujus et les
ayants droit dont l'identité est mentionnée dans
l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le
receveur du service désigné à cette fin par le Roi
lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit
ont leur résidence à l'étranger, lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un
cas
de
force
majeure
ou
d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est
adressé par envoi recommandé.
2° les receveurs dont relèvent le de cujus et les
ayants droit dont l'identité est mentionnée dans
l'acte ou le certificat d'hérédité, ainsi que le
receveur du service désigné à cette fin par le Roi
lorsque le de cujus et/ou l'un de ses ayants droit
ont leur résidence à l'étranger, lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un
cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement
technique, être effectuée conformément au 1°.
Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi
recommandé.
S'agissant de sommes dues par le de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de sommes dues par le de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de sommes dues par des ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
S'agissant de sommes dues par des ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
257
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
Art. 46, § 1er
Art. 46, § 1er
§ 1er. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes notifiées en
vertu de l'article 44, celui qui libère des avoirs
d'un défunt conformément à l'article 4.59 du
Code civil ne peut le faire de manière libératoire
qu'à condition qu'il résulte clairement du
certificat d'hérédité ou de l'expédition de l'acte
d'hérédité qu'aucune notification au sens de
l'article 44 n'a été faite.
§ 1er. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes notifiées en
vertu de l'article 44, celui qui libère des avoirs
d'un défunt conformément à l'article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil ne peut le faire de manière
libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement
du certificat d'hérédité ou de l'expédition de
l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens
de l'article 44 n'a été faite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article 4.59
du Code civil peut se faire de manière libératoire
à l'héritier, au légataire, au bénéficiaire d'une
institution contractuelle ou à un mandataire
judiciaire qui présente un certificat ou une
expédition de l'acte d'hérédité mentionnant :
Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, §
4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière
libératoire
à
l'héritier,
au
légataire,
au
bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à
un mandataire judiciaire qui présente un
certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité
mentionnant :
a) que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément à l'article 44 au
nom du défunt et au nom de cet héritier,
légataire
ou
bénéficiaire
d'une
institution contractuelle ont été payées
ou
a) que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément à l'article 44 au
nom du défunt et au nom de cet héritier,
légataire
ou
bénéficiaire
d'une
institution contractuelle ont été payées
ou
b) que la libération des avoirs peut avoir
lieu au profit de cet héritier, légataire,
bénéficiaire
d'une
institution
contractuelle ou mandataire judiciaire,
après paiement des dettes notifiées au
nom de l'ayant droit et de sa part dans
les dettes notifiées au nom du de cujus,
au moyen des fonds détenus auprès du
débiteur de ces fonds.
b) que la libération des avoirs peut avoir
lieu au profit de cet héritier, légataire,
bénéficiaire
d'une
institution
contractuelle ou mandataire judiciaire,
après paiement des dettes notifiées au
nom de l'ayant droit et de sa part dans
les dettes notifiées au nom du de cujus,
au moyen des fonds détenus auprès du
débiteur de ces fonds.
Art. 48
Art. 48
Les articles 43 à 47 sont applicables à toute
personne ou service habilité à établir un
certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code
civil.
Les articles 43 à 47 sont applicables à toute
personne ou service habilité à établir un
certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil.
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs
Art. 15/3
Art. 15/3
§ 1er. Sans préjudice des mesures prévues à
l'article 15/2, la commission, en cas d'infraction
aux articles 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3,
§ 1er. Sans préjudice des mesures prévues à
l'article 15/2, la commission, en cas d'infraction
aux articles 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3,
2774/001
DOC 55
258
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
43/4, 46, 54, 58, 60, 62 et aux conditions fixées à
l'article 15/1, § 1er, impose aux auteurs une
amende administrative.
§ 2. Les montants minimum et maximum de
l'amende
administrative
correspondent
respectivement aux montants minimum et
maximum, majorés des décimes additionnels, de
l'amende pénale prévue par la présente loi, qui
sanctionne le même fait.
L'importance de l'amende administrative est
proportionnelle à la gravité de l'infraction qui
justifie l'amende et à une éventuelle récidive.
§ 3. La commission fixe le montant de l'amende
administrative par décision motivée.
§ 4. La notification de la décision fixant le
montant de l'amende administrative éteint
l'action publique.
§ 5. La décision d'infliger une amende
administrative ne peut plus être prise cinq ans
après le fait constitutif d'infractions fixées par la
présente loi.
43/4, 46, 54, 58, 60, 61, alinéa 2, 62 et aux
conditions fixées à l'article 15/1, § 1er, impose
aux auteurs une amende administrative.
§ 2. Les montants minimum et maximum de
l'amende
administrative
correspondent
respectivement aux montants minimum et
maximum, majorés des décimes additionnels, de
l'amende pénale prévue par la présente loi, qui
sanctionne le même fait.
L'importance de l'amende administrative est
proportionnelle à la gravité de l'infraction qui
justifie l'amende et à une éventuelle récidive.
§ 3. La commission fixe le montant de l'amende
administrative par décision motivée.
§ 4. La notification de la décision fixant le
montant de l'amende administrative éteint
l'action publique.
§ 5. La décision d'infliger une amende
administrative ne peut plus être prise cinq ans
après le fait constitutif d'infractions fixées par la
présente loi.
§6. La Commission peut convenir qu'il sera
sursis à l'exécution de la décision infligeant une
amende administrative, en tout ou en partie,
pour autant que le contrevenant ne s'est pas vu
infliger d’autres amendes administratives ou
pénales pour infractions à la présente loi durant
les trois années qui précèdent l’infraction.
La décision accordant ou refusant le sursis doit
être motivée.
Le sursis vaut pendant un délai d'épreuve de
trois ans. Le délai d'épreuve commence à courir
à partir de la date de la notification de la
décision infligeant une amende administrative.
Le sursis est révoqué de plein droit lorsqu’une
nouvelle infraction qui donne lieu à une
décision infligeant une nouvelle amende
administrative est commise pendant le délai
d’épreuve.
259
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
La révocation du sursis est notifiée par la même
décision que celle qui inflige l'amende
administrative pour cette nouvelle infraction.
L'amende administrative dont le paiement
devient exécutoire suite à la révocation du
sursis est cumulée avec celle infligée du chef de
cette nouvelle infraction.
Art. 52
Art. 52
Tout modèle de matériel ou d'appareil qui est
importé ou fabriqué dans les limites et les
conditions fixées par une licence de classe E en
vue de son utilisation par un titulaire de licence
visé par la présente loi, doit, en vue de sa mise
en vente ou de son exposition sur le territoire
belge, être agréé par la commission sur la base
des contrôles exécutés par une des instances
mentionnées au deuxième alinéa du présent
article. Une attestation d'agrément est délivrée
à titre de preuve.
Les contrôles sur la base desquels cet agrément
est délivré sont exécutés :
- soit par le service Evaluations techniques de la
Commission des Jeux de hasard;
- soit par un organisme accrédité à cet effet dans
le cadre de la loi du 20 juillet 1990 concernant
l'accréditation des organismes d'évaluation de la
conformité ou accrédité dans un autre Etat
membre des Communautés européennes ou
dans un autre pays qui est partie à l'Accord sur
l'Espace économique européen, sous le contrôle
du service Evaluations techniques de la
Commission des Jeux de hasard;
Les contrôles lors de la mise en service et en
cours d'utilisation sont également exécutés par
une des instances visées au deuxième alinéa.
Tout modèle de matériel ou d'appareil qui est
importé ou fabriqué dans les limites et les
conditions fixées par une licence de classe E en
vue de son utilisation par un titulaire de licence
visé par la présente loi, doit, en vue de sa mise
en vente ou de son exposition sur le territoire
belge, être agréé par la commission sur la base
des contrôles exécutés par une des instances
mentionnées au deuxième alinéa du présent
article. Une attestation d'agrément est délivrée
à titre de preuve.
Les contrôles sur la base desquels cet agrément
est délivré sont exécutés :
- soit par le service Evaluations techniques de la
Commission des Jeux de hasard;
- soit par un organisme accrédité à cet effet dans
le cadre du Titre 2 du Livre VIII, du Code de droit
économique, sous le contrôle du service
Evaluations techniques de la Commission des
Jeux de hasard;
Les contrôles lors de la mise en service et en
cours d'utilisation sont également exécutés par
une des instances visées au deuxième alinéa.
Art. 55
Art. 55
Il est créé, auprès du service public fédéral
Justice,
un
système
de
traitement
des
informations concernant les personnes visées à
l'article 54.
Les finalités de ce système sont:
Il est créé, auprès du service public fédéral
Justice,
un
système
de
traitement
des
informations concernant les personnes visées à
l'article 54.
La commission est responsable du traitement
du système de traitement des informations visé
à l’alinéa 1er.
Les finalités de ce système sont:
2774/001
DOC 55
260
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° de permettre à la commission des jeux de
hasard d'exercer les missions qui lui sont
attribuées par la présente loi;
2° de permettre aux exploitants et au personnel
des établissements de jeux de hasard de
contrôler le respect des exclusions visées à
l'article 54.
Pour
chaque
personne,
les
informations
suivantes font l'objet d'un traitement:
1° les nom et prénoms;
2° le lieu et la date de naissance;
3° la nationalité;
4° le numéro d'identification visé à l'article 8 de
la loi du 8 août 1983 organisant un Registre
national des personnes physiques ou, en
l'absence de ce numéro, le numéro octroyé en
vertu de l'arrêté royal du 8 février 1991 relatif à
la composition et aux modalités d'attribution du
numéro
d'identification
des
personnes
physiques qui ne sont pas inscrites au Registre
national des personnes physiques;
5° la profession;
6° s'il échet, les décisions d'exclusion visées à
l'article 54, § 3 et § 4 prononcée par la
commission des jeux de hasard, la date et les
fondements de cette décision.
L'accès permanent en ligne à toutes les
catégories d'informations mentionnées à l'alinéa
3 est accordé à la commission des jeux de hasard
contre paiement d'une contribution.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil
des ministres et après avis de la Commission de
la protection de la vie privée le montant de la
contribution visée à l'alinéa 4, les modalités de
gestion
du
système
de
traitement
des
informations, les modalités de traitement des
informations et les modalités d'accès au
système.
1° de permettre à la commission des jeux de
hasard d'exercer les missions qui lui sont
attribuées par la présente loi;
2° de permettre aux exploitants et au personnel
des établissements de jeux de hasard de
contrôler le respect des exclusions visées à
l'article 54.
Pour
chaque
personne,
les
informations
suivantes font l'objet d'un traitement:
1° les nom et prénoms;
2° le lieu et la date de naissance;
3° la nationalité;
4° le numéro d'identification visé à l'article 8 de
la loi du 8 août 1983 organisant un Registre
national des personnes physiques ou, en
l'absence de ce numéro, le numéro octroyé en
vertu de l'arrêté royal du 8 février 1991 relatif à
la composition et aux modalités d'attribution du
numéro
d'identification
des
personnes
physiques qui ne sont pas inscrites au Registre
national des personnes physiques;
5° la profession;
6° s'il échet, les décisions d'exclusion visées à
l'article 54, § 3 et § 4 prononcée par la
commission des jeux de hasard, la date et les
fondements de cette décision.
L'accès permanent en ligne à toutes les
catégories d'informations mentionnées à l'alinéa
3 est accordé à la commission des jeux de hasard
contre paiement d'une contribution.
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil
des ministres et après avis de l’Autorité de
protection des données, le montant de la
contribution visée à l'alinéa 4, les modalités de
gestion
du
système
de
traitement
des
informations, les modalités de traitement des
informations et les modalités d'accès au
système.
Art. 58
Art. 58
Hormis l'utilisation des cartes de crédit et des
cartes de débit dans les établissements de jeux
de hasard de classe I, il est interdit à quiconque
de consentir aux joueurs ou aux parieurs toute
forme de prêt ou de crédit, de conclure avec eux
une transaction matérielle ou financière en vue
de payer un enjeu ou une perte.
Hormis l'utilisation des cartes de crédit et des
cartes de débit dans les établissements de jeux
de hasard de classe I, il est interdit à quiconque
de consentir aux joueurs ou aux parieurs toute
forme de prêt ou de crédit, de conclure avec eux
une transaction matérielle ou financière en vue
de payer un enjeu ou une perte.
261
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Une opération dont la somme s'élève à 10.000
euros ou plus doit être effectuée au moyen
d'une carte de crédit ou d'une carte de débit. Le
paiement au moyen de cartes de crédit est
interdit dans les établissements de jeux de
hasard des classes II, III et IV et pour les jeux de
hasard exploités par le biais d'instruments de la
société de l'information.
Les exploitants des établissements de jeux de
hasard sont tenus d'informer leur clientèle, de
manière lisible et bien apparente, dans tous les
locaux accessibles au public, de l'interdiction de
consentir un crédit qui est prévue au premier
alinéa.
La présence de distributeurs automatiques de
billets de banque est interdite dans les
établissements de jeux de hasard des classes I, II,
III et IV. La présence de changeurs de monnaie
dans les établissements de jeux de hasard des
classes I, II, III et IV est autorisée.
Une opération dont la somme s'élève à 3.000
euros ou plus doit être effectuée au moyen
d'une carte de crédit ou d'une carte de débit. Le
paiement au moyen de cartes de crédit est
interdit dans les établissements de jeux de
hasard des classes II, III et IV et pour les jeux de
hasard exploités par le biais d'instruments de la
société de l'information.
Les exploitants des établissements de jeux de
hasard sont tenus d'informer leur clientèle, de
manière lisible et bien apparente, dans tous les
locaux accessibles au public, de l'interdiction de
consentir un crédit qui est prévue au premier
alinéa.
La présence de distributeurs automatiques de
billets de banque est interdite dans les
établissements de jeux de hasard des classes I, II,
III et IV. La présence de changeurs de monnaie
dans les établissements de jeux de hasard des
classes I, II, III et IV est autorisée.
Art. 62
Art. 62
Complémentairement à ce qui est prévu à
l'article 54, l'accès aux salles de jeux des
établissements de jeux de hasard des classes I, II
et aux établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV n'est autorisé que sur présentation, par
la
personne
concernée,
d'un
document
d'identité et moyennant l'inscription, par
l'exploitant, des nom complet, prénoms, date de
naissance, lieu de naissance, profession et de
l'adresse de cette personne dans un registre.
Complémentairement à ce qui est prévu à
l'article 54, l'accès aux salles de jeux des
établissements de jeux de hasard des classes I, II
et aux établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV n'est autorisé que sur présentation, par
la
personne
concernée,
d'un
document
d'identité et moyennant l'inscription, par
l'exploitant, des nom complet, prénoms, date de
naissance, lieu de naissance, profession et de
l'adresse de cette personne dans un registre. A
chaque visite de la personne concernée, une
photographie de cette personne est prise et
conservée dans le registre.
La finalité de ce registre est de permettre à la
commission de vérifier a posteriori si les
consultations du système de traitement des
informations visé à l’article 55 ont bien été
réalisées sur les joueurs qui fréquentent les
établissements de jeux de hasard de classe I, II,
ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de
classe IV.
Les données à caractère personnel inscrites
dans le registre sont conservées pendant dix
ans à dater de la dernière activité de jeu de la
personne concernée.
2774/001
DOC 55
262
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
L'exploitant fait signer ce registre par la
personne concernée.
Une copie de la pièce ayant servi à
l'identification du joueur doit être conservée
pendant au moins cinq ans à dater de la dernière
activité de jeu de celui-ci.
Le Roi détermine les modalités pratiques
d'admission et d'enregistrement des joueurs.
Il arrête les conditions d'accès aux registres.
L'absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce
registre de même que sa non-communication
aux autorités, son altération ou sa disparition
peut entraîner le retrait de la licence de classe I,
II ou de classe IV pour les établissements de jeux
de hasard fixes par la commission.
Le Roi détermine les modalités d'admission et
d'enregistrement des joueurs pour la pratique
de jeux de hasard via un réseau de
communication électronique ainsi que les
conditions que le registre doit remplir.
L'exploitant fait signer ce registre par la
personne concernée.
Une
copie
de
la
pièce
ayant
servi
à
l'identification du joueur doit être conservée
pour une durée de maximum dix ans à dater de
la dernière activité de jeu de celui-ci.
Le Roi détermine les modalités pratiques
d'admission et d'enregistrement des joueurs.
Il arrête les conditions d'accès aux registres.
L'absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce
registre de même que sa non-communication
aux autorités, son altération ou sa disparition
peut entraîner le retrait de la licence de classe I,
II ou de classe IV pour les établissements de jeux
de hasard fixes par la commission.
Le Roi détermine les modalités d'admission et
d'enregistrement des joueurs pour la pratique
de jeux de hasard via un réseau de
communication électronique ainsi que les
conditions que le registre doit remplir.
Art. 62/1
Art. 62/1
Toute violation des conditions prescrites à
l'article 3ter sera punie d'une amende de cent
euros à cent mille euros.
Abrogé.
Art. 64
Art. 64
Les auteurs des infractions aux dispositions des
articles 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1 43/3, 43/4, 54,
60 et 62 seront punis d'un emprisonnement d'un
mois à trois ans et d'une amende de 26 francs à
25.000 francs ou d'une de ces peines.
Les auteurs des infractions aux dispositions des
articles 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1 43/3, 43/4, 54,
60, 61, alinéa 2 et 62 seront punis d'un
emprisonnement d'un mois à trois ans et d'une
amende de 26 francs à 25.000 francs ou d'une de
ces peines.
Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale
internationale et les tribunaux pénaux internationaux
Art. 43
Art. 43
Aux fins du Titre III de la présente loi, les termes
ci-après désignent :
- " Tribunal " : le Tribunal international créé par
le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa
résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé
de juger les personnes présumées responsables
Aux fins du Titre III de la présente loi, les termes
ci-après désignent :
- " Tribunal " : le Tribunal international créé par
le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa
résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé
de juger les personnes présumées responsables
263
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de violations graves du droit international
humanitaire commises sur le territoire de l'ex-
Yougoslavie
depuis
1991,
le
Tribunal
international créé par le Conseil de sécurité des
Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8
novembre 1994 et chargé de juger les personnes
présumées coupables d'actes de génocide ou
d'autres violations graves du droit international
humanitaire commis sur le territoire du Rwanda
et les citoyens rwandais présumés responsables
de tels actes ou violations commis sur le
territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le
31
décembre
1994
et
le
Mécanisme
international chargé d'exercer les fonctions
résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le
Conseil de sécurité des Nations unies par sa
résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010;
- " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808
(1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil
de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827
(1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de
sécurité des Nations unies;
- " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955
(1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le
Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966
(2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le
Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 827 (1993), le Statut adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 1966 (2010);
- " Règlement " : le Règlement de procédure et
de preuve du Tribunal pénal international pour
l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le
Règlement de procédure et de preuve du
Tribunal pénal international pour le Rwanda
adopté le 29 juin 1995, le Règlement de
procédure et de preuve du Tribunal pénal
international pour le Rwanda adopté le 29 juin
1995 et le Règlement de procédure et de preuve
du Mécanisme international chargé d'exercer les
fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux
adopté le 8 juin 2012;
- " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi
que toute personne autorisée par lui ou
de violations graves du droit international
humanitaire commises sur le territoire de l'ex-
Yougoslavie
depuis
1991,
le
Tribunal
international créé par le Conseil de sécurité des
Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8
novembre 1994 et chargé de juger les personnes
présumées coupables d'actes de génocide ou
d'autres violations graves du droit international
humanitaire commis sur le territoire du Rwanda
et les citoyens rwandais présumés responsables
de tels actes ou violations commis sur le
territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le
31
décembre
1994
et
le
Mécanisme
international appelé à exercer les fonctions
résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le
Conseil de sécurité des Nations unies par sa
résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010;
- " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808
(1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil
de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827
(1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de
sécurité des Nations unies;
- " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955
(1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le
Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966
(2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le
Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 827 (1993), le Statut adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le
Conseil de sécurité des Nations unies dans sa
résolution 1966 (2010);
- " Règlement " : le Règlement de procédure et
de preuve du Tribunal pénal international pour
l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le
Règlement de procédure et de preuve du
Tribunal pénal international pour le Rwanda
adopté le 29 juin 1995, le Règlement de
procédure et de preuve du Tribunal pénal
international pour le Rwanda adopté le 29 juin
1995 et le Règlement de procédure et de preuve
du Mécanisme international chargé d'exercer les
fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux
adopté le 8 juin 2012;
- " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi
que toute personne autorisée par lui ou
2774/001
DOC 55
264
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
travaillant sous son autorité dans le cadre des
fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en
matière de coopération entre la Belgique et le
Tribunal soit, au sein du Service public fédéral
Justice, le service de droit international
humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17
septembre 2005 relatif à la création d'un service
de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.
travaillant sous son autorité dans le cadre des
fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en
matière de coopération entre la Belgique et le
Tribunal soit, au sein du Service public fédéral
Justice, le service de droit international
humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17
septembre 2005 relatif à la création d'un service
de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.
TITRE
VIquater.
-
Coopération
avec
le
Mécanisme
international,
impartial
et
indépendant chargé de faciliter les enquêtes sur
les violations les plus graves du droit
international commises en République arabe
syrienne depuis mars 2011 et d'aider à juger les
personnes qui en sont responsables
TITRE
VIquater.
-
Coopération
avec
les
Mécanismes d’enquête internationaux
Art. 91
Art. 91
Aux fins du titre VIquater de la présente loi, les
termes ci-après désignent :
- "Mécanisme" : le Mécanisme international,
impartial et indépendant chargé de faciliter les
enquêtes sur les violations les plus graves du
droit international commises en République
arabe syrienne depuis mars 2011 et d'aider à
juger les personnes qui en sont responsables,
créé par l'Assemblée générale des Nations unies
par sa résolution 71/248 du 21 décembre 2016;
- "Statut" : le mandat du Mécanisme tel que
détaillé dans le rapport du Secrétaire général des
Nations unies intitulé "Application de la
résolution portant création d'un Mécanisme
international, impartial et indépendant chargé
de faciliter les enquêtes sur les violations les plus
graves du droit international commises en
République arabe syrienne depuis mars 2011 et
d'aider à juger les personnes qui en sont
responsables", portant la cote A/71/755;
- "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme
ainsi que toute personne autorisée par lui ou
travaillant sous son autorité dans le cadre des
fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en
matière de coopération entre la Belgique et le
Mécanisme, soit, au sein du Service public
fédéral Justice, le service de droit international
Aux fins du titre VIquater de la présente loi, les
termes ci-après désignent :
- « Mécanismes » : les Mécanismes d’enquête
internationaux créés par l'Organisation des
Nations unies, ou par une autre organisation
internationale, dont la Belgique est membre, et
ayant mandat de lutter contre l'impunité pour
les crimes de guerre, les crimes contre
l'humanité, les crimes de génocide ou toute
autre infraction internationale, par l’exercice
de certaines fonctions à caractère judiciaire;
- "Statut" : le mandat du Mécanisme tel que
détaillé dans les instruments pertinents adoptés
par l'Organisation des Nations unies ou par
l’organisation internationale compétente, dont
la Belgique est membre;
- "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme
ainsi que toute personne autorisée par lui ou
travaillant sous son autorité dans le cadre des
fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en
matière de coopération entre la Belgique et le
Mécanisme, soit, au sein du Service public
fédéral Justice, le service de droit international
265
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17
septembre 2005 relatif à la création d'un service
de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.
humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17
septembre 2005 relatif à la création d'un service
de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes
condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre
des modalités d’exécution de la peine
Art. 6
Art. 6
§1er.
Le
congé
pénitentiaire
permet
au
condamné de quitter la prison trois fois trente-
six heures par trimestre.
§1er.
Le
congé
pénitentiaire
permet
au
condamné de quitter la prison quatre fois
trente-six heures par trimestre.
Art. 10
Art. 10
§2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la
réception du dossier, le ministre ou son délégué
prend une décision. Cette décision motivée est
communiquée par écrit dans les vingt-quatre
heures au condamné, au ministère public et au
directeur.
§2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la
réception du dossier, le ministre ou son délégué
prend une décision. Cette décision motivée est
communiquée par écrit dans les vingt-quatre
heures au condamné, au ministère public et au
directeur.
Si le ministre ou son délégué estime que le
dossier n'est pas en état et que des informations
complémentaires sont nécessaires pour pouvoir
prendre une décision, ce délai peut être
prolongé une seule fois pour une période de sept
jours ouvrables. Le ministre ou son délégué en
informe sans délai le directeur et le condamné.
Si le ministre ou son délégué estime que le
dossier n'est pas en état et que des informations
complémentaires sont nécessaires pour pouvoir
prendre une décision, ce délai peut être
prolongé une seule fois pour une période de sept
jours ouvrables. Le ministre ou son délégué en
informe sans délai le directeur et le condamné.
La décision d'octroi d'une permission de sortie,
d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans
une maison de transition est communiquée dans
les vingt-quatre heures au procureur du Roi de
l'arrondissement où la permission de sortie, le
congé pénitentiaire ou le placement dans une
maison de transition se déroulera.
La décision d'octroi d'une permission de sortie,
d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans
une maison de transition est communiquée dans
les vingt-quatre heures au procureur du Roi de
l'arrondissement où la permission de sortie, le
congé pénitentiaire ou le placement dans une
maison de transition se déroulera.
La victime est, informée le plus rapidement
possible et en tout cas dans les vingt-quatre
heures, par le moyen de communication écrit le
plus rapide, de l'octroi d'un premier congé
pénitentiaire (et, le cas échéant, des conditions
imposées dans son intérêt), ou du placement en
maison de transition et, le cas échéant, des
conditions imposées dans son intérêt.
La victime est, informée le plus rapidement
possible et en tout cas dans les vingt-quatre
heures, par le moyen de communication écrit le
plus rapide, de l'octroi d’une première
permission de sortie visée à l’article 4, §3, d'un
premier congé pénitentiaire, du placement en
maison de transition et, le cas échéant, des
conditions imposées dans son intérêt.
Art. 14
Art. 14
Si le condamné met gravement en péril
l'intégrité physique ou psychique de tiers, le
procureur du Roi près le tribunal dans le ressort
duquel le condamné se trouve, peut ordonner
l'arrestation
provisoire
de
celui-ci.
Il
Si le condamné met gravement en péril
l'intégrité physique ou psychique de tiers, le
procureur du Roi près le tribunal dans le ressort
duquel le condamné se trouve, peut ordonner
l'arrestation
provisoire
de
celui-ci.
Il
2774/001
DOC 55
266
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
communique immédiatement sa décision au
ministre ou à son délégué. Dans les cas visés par
l'article 59, le procureur du Roi communique sa
décision au ministère public et au juge de
l'application des peines ou au tribunal de
l'application des peines.
communique immédiatement sa décision au
ministre ou à son délégué. Dans les cas visés par
l'article 59, le procureur du Roi communique sa
décision au ministère public et au juge de
l'application des peines ou au tribunal de
l'application des peines.
Le ministre ou son délégué prend une décision
sur
la permission
de
sortie,
le
congé
pénitentiaire ou le placement en maison de
transition dans les sept jours qui suivent
l'arrestation du condamné. Cette décision
motivée est communiquée par écrit dans les
vingt-quatre heures au condamné, au ministère
public et au directeur.
Le ministre ou son délégué prend une décision
sur
la permission
de
sortie,
le
congé
pénitentiaire ou le placement en maison de
transition dans les sept jours qui suivent
l'arrestation du condamné. Cette décision
motivée est communiquée par écrit dans les
vingt-quatre heures au condamné, au ministère
public et au directeur.
S'il s'agit d'une décision concernant un congé
pénitentiaire ou un placement en maison de
transition, la victime en est informée le plus
rapidement possible et en tout cas dans les
vingt-quatre
heures,
par
le
moyen
de
communication écrit le plus rapide.
S'il s'agit d'une décision concernant une
permission de sortie, visée à l’article 4, §3, un
congé pénitentiaire ou un placement en maison
de transition, la victime en est informée le plus
rapidement possible et en tout cas dans les
vingt-quatre
heures,
par
le
moyen
de
communication écrit le plus rapide.
Art. 28
Art. 28
§1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire
en vue de l'éloignement du territoire ou de la
remise et à l'exception de la réduction de la
durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du
droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans
une zone déterminée désignée, les modalités
d'exécution de la peine prévues au Titre V
peuvent être accordées au condamné pour
autant qu'il n'existe pas de contre-indications
dans le chef de celui-ci. Ces contre-indications
portent sur :
§1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire
en vue de l'éloignement du territoire ou de la
remise et à l'exception de la réduction de la
durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du
droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans
une zone déterminée désignée, les modalités
d'exécution de la peine prévues au Titre V
peuvent être accordées au condamné pour
autant qu'il n'existe pas de contre-indications
dans le chef de celui-ci auxquelles la fixation de
conditions particulières ne puisse répondre. Ces
contre-indications portent sur :
1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité
de subvenir à ses besoins;
1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité
de subvenir à ses besoins;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique
de tiers;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique
de tiers;
3° le risque que le condamné importune les
victimes;
3° le risque que le condamné importune les
victimes;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes
des infractions qui ont donné lieu à sa
condamnation;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes
des infractions qui ont donné lieu à sa
condamnation;
5° ...;
5° (...) ;
6° les efforts consentis par le condamné pour
indemniser la partie civile, compte tenu de la
situation patrimoniale du condamné telle qu'elle
a évolué par son fait depuis la perpétration des
faits pour lesquels il a été condamné.
6° les efforts consentis par le condamné pour
indemniser la partie civile, compte tenu de la
situation patrimoniale du condamné telle qu'elle
a évolué par son fait depuis la perpétration des
faits pour lesquels il a été condamné.
Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée.
Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée.
267
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§2. La mise en liberté provisoire en vue de
l'éloignement du territoire ou de la remise peut
être accordée au condamné pour autant qu'il
n'existe pas de contre-indications dans le chef de
celui-ci. Ces contre-indications portent sur :
§2. La mise en liberté provisoire en vue de
l'éloignement du territoire ou de la remise peut
être accordée au condamné pour autant qu'il
n'existe pas de contre-indications dans le chef de
celui-ci auxquelles la fixation de conditions
particulières ne puisse répondre. Ces contre-
indications portent sur :
1° (…) ;
1° (…) ;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique
de tiers;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique
de tiers;
3° le risque que le condamné importune les
victimes;
3° le risque que le condamné importune les
victimes;
4° les efforts fournis par le condamné pour
indemniser les parties civiles, compte tenu de la
situation patrimoniale du condamné telle qu'elle
a évolué par son fait depuis la perpétration des
faits pour lesquels il a été condamné.
4° les efforts fournis par le condamné pour
indemniser les parties civiles, compte tenu de la
situation patrimoniale du condamné telle qu'elle
a évolué par son fait depuis la perpétration des
faits pour lesquels il a été condamné.
Art. 30
Art. 30
§3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le
condamné
qui
est
sous
surveillance
électronique, laquelle lui a été accordée sur une
demande
introduite
conformément
à
l’article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au
greffe du tribunal de l’application des peines et
joint à sa demande les éléments pertinents pour
la modalité d’exécution de la peine demandée et
l’évaluation par le juge de l’application des
peines des contre-indications énumérées à
l’article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de
l’application des peines en remet une copie au
ministère public et au greffe de la prison, qui leur
communique une copie de la fiche d’écrou.
§3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le
condamné
qui
est
sous
surveillance
électronique, laquelle lui a été accordée sur une
demande
introduite
conformément
à
l’article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au
greffe du tribunal de l’application des peines et
joint à sa demande les éléments pertinents pour
la modalité d’exécution de la peine demandée
et pour l’évaluation par le juge de l’application
des peines des contre-indications énumérées à
l’article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de
l’application des peines en remet une copie au
ministère public et au greffe de la prison, qui leur
communique une copie de la fiche d’écrou.
Art. 39
Art. 39
Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution
de la peine détermine que le condamné est
soumis aux conditions générales suivantes :
Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution
de la peine détermine que le condamné est
soumis aux conditions générales suivantes :
1° ne pas commettre d'infractions;
1° ne pas commettre d'infractions;
2° sauf pour la détention limitée, avoir une
adresse fixe et, en cas de changement d'adresse,
communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle
résidence au ministère public et, le cas échéant,
au service compétent des Communautés chargé
de sa guidance;
2° sauf pour la détention limitée et la mise en
liberté provisoire en vue de l’éloignement du
territoire, avoir une adresse fixe et, en cas de
changement d'adresse, communiquer sans délai
l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère
public et, le cas échéant, au service compétent
des Communautés chargé de sa guidance;
3° donner suite aux convocations du ministère
public et, le cas échéant, du service compétent
des Communautés chargé d'exercer la guidance.
3° donner suite aux convocations du ministère
public et, le cas échéant, du service compétent
des Communautés chargé d'exercer la guidance.
4° pour la mise en liberté provisoire en vue de
l’éloignement du territoire, l’obligation de
2774/001
DOC 55
268
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
quitter
effectivement
le
territoire
et
l’interdiction de revenir en Belgique pendant le
délai d’épreuve sans être en règle avec la
législation et la réglementation relative à
l’accès
au
territoire,
au
séjour
ou
à
l’établissement dans le Royaume et sans
l’autorisation préalable du juge de l’application
des peines.
Art. 40
Art. 40
Le juge de l'application des peines peut
soumettre le condamné à des conditions
particulières
individualisées
si
elles
sont
absolument nécessaires pour limiter le risque de
récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt
de la victime.
§1er. Le juge de l'application des peines peut
soumettre le condamné à des conditions
particulières
individualisées
si
elles
sont
absolument nécessaires pour limiter le risque de
récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt
de la victime.
§2.
En
cas
d'octroi
d'une
libération
conditionnelle, le juge de l'application des
peines
détermine
également
dans
son
jugement si le condamné peut ou non quitter le
territoire du Royaume pendant la libération
conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le
territoire du Royaume, le juge de l'application
des peines détermine dans son jugement la
période
maximale
pendant
laquelle
le
condamné peut le faire et à quelle fréquence et,
le cas échéant, si et de quelle manière le
condamné doit en informer le ministère public
avant de quitter le territoire du Royaume.
§3. En cas de condamnation pour des faits visés
au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il
existe des éléments concrets d'extrémisme
violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa
2, l'autorisation donnée par le juge de
l'application des peines conformément au
paragraphe 2 de quitter le territoire du
Royaume doit faire l'objet d'une motivation
spéciale.
Art. 43
Art. 43.
§3. Le juge de l’application des peines fixe la
durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être
inférieure à trois fois trente-six heures par
trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé
de plein droit chaque trimestre.
§3. Le juge de l’application des peines fixe la
durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être
inférieure à quatre fois trente-six heures par
trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé
de plein droit chaque trimestre.
Art. 60
Art. 60
Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution
de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir
du jour où il est passé en force de chose jugée et
Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution
de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir
du jour où il est passé en force de chose jugée et
269
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
au plus tôt à partir du moment où le condamné
satisfait aux conditions de temps prévues par la
présente loi.
au plus tôt à partir du moment où le condamné
satisfait aux conditions de temps prévues par la
présente loi.
Toutefois, le juge de l'application des peines ou
le tribunal de l'application des peines peut fixer
à une date ultérieure le moment où le jugement
sera exécutoire.
Toutefois, le juge de l'application des peines ou
le tribunal de l'application des peines peut fixer
à une date ultérieure le moment où le jugement
sera exécutoire.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux
décisions d'octroi d'une mise en liberté
provisoire en vue de la remise qui deviennent
exécutoires au moment de la remise.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux
décisions d'octroi d'une mise en liberté
provisoire en vue de la remise qui deviennent
exécutoires au moment de la remise.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux
décisions d'octroi d'une mise en liberté
provisoire en vue de l'éloignement du territoire
d'un condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal
d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel
de renvoi exécutoire ou d'un ordre de quitter le
territoire exécutoire avec preuve d'éloignement
effectif. Dans ce cas, le jugement devient
exécutoire au moment de l'éloignement effectif
ou du transfert vers un lieu qui relève de la
compétence du Ministre compétent pour l'accès
au territoire, le séjour, l'établissement et
l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard
vingt jours après que la décision d'octroi a été
coulée en force de chose jugée.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux
décisions du tribunal de l’application des peines
d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue
de l'éloignement du territoire d'un condamné
qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion
exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi
exécutoire ou d'un ordre de quitter le territoire
exécutoire avec preuve d'éloignement effectif.
Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au
moment de l'éloignement effectif ou du
transfert vers un lieu qui relève de la
compétence du Ministre compétent pour l'accès
au territoire, le séjour, l'établissement et
l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard
vingt jours après que la décision d'octroi a été
coulée en force de chose jugée.
(…)
(…)
Le premier et le deuxième alinéas ne
s'appliquent pas aux décisions du juge de
l’application des peines d'octroi d'une mise en
liberté provisoire en vue de l'éloignement du
territoire. Dans ce cas, le jugement devient
exécutoire au moment de l'éloignement
effectif, du transfert vers un lieu qui relève de
la compétence du Ministre compétent pour
l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et
l'éloignement d'étrangers ou de la notification
par l’Office des étrangers que l’éloignement ou
le transfert n’aura pas lieu, et ce, au plus tard
vingt jours après que la décision d'octroi est
coulée
en
force
de
chose
jugée.
Si
l’éloignement, le transfert ou la notification n’a
pas eu lieu à l’expiration du délai précité, le
condamné est libéré.
Art. 65
Art. 65
En cas de révocation, le condamné est
immédiatement réincarcéré.
En cas de révocation, le condamné est
immédiatement réincarcéré.
2774/001
DOC 55
270
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
En cas de révocation conformément à l'article
64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le
jour où le crime ou le délit a été commis.
En cas de révocation conformément à l'article
64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le
jour où le crime ou le délit a été commis.
Le juge de l’application des peines ou le tribunal
de l’application des peines, peut, moyennant
l’accord du condamné, octroyer une autre
modalité de l’exécution de la peine.
Art. 66
Art. 66
§2/1. En cas de suspension, le juge de
l'application des peines ou le tribunal de
l'application des peines peut accorder une
permission de sortie conformément aux articles
4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément
aux articles 7 et 8, sauf s'il ressort d'un avis de
l'Office des étrangers que le condamné n'est pas
autorisé ou habilité à séjourner dans le
Royaume.
§2/1. En cas de suspension, le juge de
l'application des peines ou le tribunal de
l'application des peines peut accorder une
permission de sortie conformément aux articles
4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément
aux articles 7 et 8, sauf s'il ressort d'un avis de
l'Office des étrangers que le condamné n'est
pas autorisé ou habilité à séjourner dans le
Royaume.
§ 3. Dans un délai d'un mois maximum à compter
du jugement de suspension, le juge de
l'application des peines ou le tribunal de
l'application des peines révoque la modalité
d'exécution de la peine ou en lève la suspension.
Dans ce dernier cas, la modalité d'exécution de
la peine peut être revue conformément aux
dispositions de l'article 63. Si aucune décision
n'intervient dans ce délai, le condamné est remis
en
liberté
aux
mêmes
conditions
que
précédemment.
§3. Dans un délai d'un mois maximum à compter
du jugement de suspension, le juge de
l'application des peines ou le tribunal de
l'application des peines révoque la modalité
d'exécution de la peine auquel cas il peut,
conformément à l’article 65, alinéa 3, octroyer
une autre modalité d’exécution de la peine, ou
en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la
modalité d'exécution de la peine peut être revue
conformément aux dispositions de l'article 63. Si
aucune décision n'intervient dans ce délai, le
condamné est remis en liberté aux mêmes
conditions que précédemment.
Art. 67
Art. 67
§1er. Si le juge de l'application des peines ou le
tribunal de l'application des peines, saisi
conformément aux articles 64 ou 66, estime que
la révocation ou la suspension n'est pas
nécessaire dans l'intérêt de la société, de la
victime ou de la réinsertion sociale du
condamné, il peut revoir la modalité d'exécution
de la peine. Dans ce cas, le juge de l'application
des peines ou le tribunal de l'application des
peines peut renforcer les conditions imposées
ou imposer des conditions supplémentaires ou
octroyer une autre modalité d’exécution de la
peine. La modalité d'exécution de la peine est
toutefois révoquée si le condamné ne marque
pas son accord sur les nouvelles conditions ou
sur la nouvelle modalité d’exécution de la peine.
§1er. Si le juge de l'application des peines ou le
tribunal de l'application des peines, saisi
conformément aux articles 64 ou 66, estime que
la révocation ou la suspension n'est pas
nécessaire dans l'intérêt de la société, de la
victime ou de la réinsertion sociale du
condamné, il peut revoir la modalité d'exécution
de la peine. Dans ce cas, le juge de l'application
des peines ou le tribunal de l'application des
peines peut renforcer les conditions imposées
ou imposer des conditions supplémentaires ou
octroyer une autre modalité d’exécution de la
peine. La modalité d'exécution de la peine est
toutefois révoquée si le condamné ne marque
pas son accord sur les nouvelles conditions ou
sur la nouvelle modalité d’exécution de la
peine.
271
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. Si le juge de l'application des peines ou le
tribunal de l'application des peines décide de
renforcer les conditions imposées ou d'imposer
des conditions supplémentaires ou d’octroyer
une autre modalité d’exécution de la peine, il
fixe le moment à partir duquel cette décision
devient exécutoire.
§ 2. Si le juge de l'application des peines ou le
tribunal de l'application des peines décide de
renforcer les conditions imposées ou d'imposer
des conditions supplémentaires ou d’octroyer
une autre modalité d’exécution de la peine, il
fixe le moment à partir duquel cette décision
devient exécutoire.
Art. 95/18
Art. 95/18
§2.
La
procédure
d'octroi
se
déroule
conformément aux articles 49, 51, 52 et 53,
alinéas 1er à 4 et alinéas 8 et 9.
§2.
La
procédure
d'octroi
se
déroule
conformément aux articles 49, 51, 52 et 53,
alinéas 1er à 4 et alinéas 10 et 11.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est
dangereuse pour l'ordre public, les bonnes
mœurs ou la sécurité nationale, l'audience est
publique si le condamné mis à disposition en fait
la demande.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est
dangereuse pour l’ordre public, les bonnes
mœurs ou la sécurité nationale, l’audience est
publique si le condamné en fait la demande.
Le tribunal de l'application des peines rend sa
décision conformément à l'article 54, § 1er.
Le tribunal de l'application des peines rend sa
décision conformément à l'article 54, § 1er.
Si le tribunal de l'application des peines
n'accorde pas la détention limitée ou la
surveillance électronique, il indique dans son
jugement la date à laquelle le condamné mis à
disposition
peut
introduire
une
nouvelle
demande. Ce délai ne peut excéder six mois à
compter du jugement.
Si le tribunal de l’application des peines
n’accorde pas la détention limitée ou la
surveillance électronique, il indique dans son
jugement la date à laquelle le condamné mis à
disposition
peut
introduire
une
nouvelle
demande. Ce délai ne peut excéder six mois à
compter du jugement.
Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision
du tribunal de l'application des peines.
Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision
du tribunal de l'application des peines.
Le jugement d'octroi d'une détention limitée ou
d'une surveillance électronique est exécutoire à
partir du jour où il est passé en force de chose
jugée. Toutefois, le tribunal de l'application des
peines peut fixer à une date ultérieure le
moment où le jugement sera exécutoire.
Le jugement d’octroi d’une détention limitée ou
d’une surveillance électronique est exécutoire à
partir du jour où il est passé en force de chose
jugée. Toutefois, le tribunal de l’application des
peines peut fixer à une date ultérieure le
moment où le jugement sera exécutoire.
Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des
armes
Art. 19, 1°
Art. 19, 1°
Il est interdit :
1° de vendre ou d'offrir en vente des armes à
des particuliers par correspondance ou par
internet, ou d'organiser la vente à distance des
armes, des munitions et des chargeurs à des
particuliers ;
Il est interdit :
1° d’acheter ou de vendre, d’offrir en vente ou
de céder des armes ainsi que des pièces
détachées soumises à l’épreuve légale à des
particuliers
par
correspondance
ou
par
internet, ou d'organiser la vente à distance des
armes , des munitions et des chargeurs à des
particuliers ;
Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012
2774/001
DOC 55
272
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 157, § 1er
Art. 157, § 1er
§ 1er. Afin de garantir la perception des dettes
fiscales certaines et liquides au sens de l'article
158 et dues par le de cujus, ses héritiers et
légataires ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, les
notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat
d'hérédité visés à l'article 4.59 du Code civil, sont
personnellement responsables au sens de
l'article 1382 du Code civil, du paiement des
dettes dont la débition est susceptible d'être
notifiée conformément à l'article 158, qui sont
dues par le de cujus, ses héritiers et légataires
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat, ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en
avisent pas :
§ 1er. Afin de garantir la perception des dettes
fiscales certaines et liquides au sens de l'article
158 et dues par le de cujus, ses héritiers et
légataires ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, les
notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat
d'hérédité visés à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du
Code civil, sont personnellement responsables
au sens de l'article 1382 du Code civil, du
paiement des dettes dont la débition est
susceptible d'être notifiée conformément à
l'article 158, qui sont dues par le de cujus, ses
héritiers et légataires dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les
bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas :
1° le service en charge de l'information et de la
communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique ;
1° le service en charge de l'information et de la
communication du Service public fédéral
Finances, par voie électronique ;
2° le fonctionnaire de l'Administration générale
de la documentation patrimoniale désigné par le
Roi lorsque la communication de l'avis ne peut,
en raison d'un cas de force majeure ou d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est
adressé par envoi recommandé.
2° le fonctionnaire de l'Administration générale
de la documentation patrimoniale désigné par le
Roi lorsque la communication de l'avis ne peut,
en raison d'un cas de force majeure ou d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1°. Dans ce cas, l'avis est
adressé par envoi recommandé.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
Art. 157/1, § 1er
Art. 157/1, § 1er
§ 1er. Afin de garantir la perception des dettes
fiscales certaines et liquides au sens de l'article
158/1 et dues par le de cujus, ses héritiers et
légataires ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, les
notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat
d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code civil, sont
personnellement responsables au sens de
l'article 1382 du Code civil, du paiement des
dettes dont la débition est susceptible d'être
notifiée conformément à l'article 158/1, qui sont
dues par le de cujus, ses héritiers et légataires
§ 1er. Afin de garantir la perception des dettes
fiscales certaines et liquides au sens de l'article
158/1 et dues par le de cujus, ses héritiers et
légataires ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, les
notaires requis de rédiger l'acte ou le certificat
d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du
Code civil, sont personnellement responsables
au sens de l'article 1382 du Code civil, du
paiement des dettes dont la débition est
susceptible d'être notifiée conformément à
l'article 158/1, qui sont dues par le de cujus, ses
273
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat, ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, à
condition que pour le recouvrement de ces
dettes un titre exécutoire visé à l'article 138 de
la loi du 13 avril 2019 introduisant le Code du
recouvrement amiable et forcé des créances
fiscales et non fiscales existe avant le 1er janvier
2020, s'ils n'en avisent pas :
héritiers et légataires dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les
bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, à condition que pour le
recouvrement de ces dettes un titre exécutoire
visé à l'article 138 de la loi du 13 avril 2019
introduisant le Code du recouvrement amiable
et forcé des créances fiscales et non fiscales
existe avant le 1er janvier 2020, s'ils n'en avisent
pas :
1° le service en charge de la technologie de
l'information et de la communication du Service
public fédéral Finances, par voie électronique ;
1° le service en charge de la technologie de
l'information et de la communication du Service
public fédéral Finances, par voie électronique ;
2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un
cas
de
force
majeure
ou
d'un
dysfonctionnement technique, être effectuée
conformément au 1° :
2° les fonctionnaires ci-après, lorsque la
communication de l'avis ne peut, en raison d'un
cas de force majeure ou d'un dysfonctionnement
technique, être effectuée conformément au 1° :
- les receveurs dont relèvent le de cujus
et les ayants droit dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat
d'hérédité, ainsi que le receveur du
service désigné à cette fin par le Roi
lorsque le de cujus et/ou l'un de ses
ayants droit ont leur résidence à
l'étranger ;
- les receveurs dont relèvent le de cujus
et les ayants droit dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat
d'hérédité, ainsi que le receveur du
service désigné à cette fin par le Roi
lorsque le de cujus et/ou l'un de ses
ayants droit ont leur résidence à
l'étranger ;
- le fonctionnaire de l'Administration
générale
de
la
documentation
patrimoniale, désigné par le Roi.
- le fonctionnaire de l'Administration
générale
de
la
documentation
patrimoniale, désigné par le Roi.
Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi
recommandé.
Dans ce cas, l'avis est adressé par envoi
recommandé.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
Art. 160
Art. 160
§ 1er. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes notifiées en
vertu des articles 158 et 158/1, celui qui libère
des avoirs d'un défunt conformément à l'article
4.59 du Code civil ne peut le faire de manière
libératoire qu'à condition qu'il résulte clairement
du certificat d'hérédité ou de l'expédition de
l'acte d'hérédité qu'aucune notification au sens
des articles 158 et 158/1 n'a été faite.
§ 1er. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes notifiées en
vertu des articles 158 et 158/1, celui qui libère
des avoirs d'un défunt conformément à l'article
4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut le faire
de manière libératoire qu'à condition qu'il
résulte clairement du certificat d'hérédité ou de
l'expédition de l'acte d'hérédité qu'aucune
2774/001
DOC 55
274
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
notification au sens des articles 158 et 158/1 n'a
été faite.
§ 2. Par dérogation au § 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article 4.59
du Code civil peut se faire de manière libératoire
à l'héritier, au légataire ou au bénéficiaire d'une
institution contractuelle ou à un mandataire
judiciaire qui présente un certificat ou une
expédition de l'acte d'hérédité mentionnant :
§ 2. Par dérogation au § 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, §
4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière
libératoire à l'héritier, au légataire ou au
bénéficiaire d'une institution contractuelle ou à
un mandataire judiciaire qui présente un
certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité
mentionnant :
a) que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément aux articles 158
et 158/1 au nom du défunt et au nom de
cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle ont été
payées;
a) que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément aux articles 158
et 158/1 au nom du défunt et au nom de
cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle ont été
payées;
b) que la libération des avoirs peut avoir
lieu au profit de cet héritier, légataire,
bénéficiaire
d'une
institution
contractuelle ou mandataire judiciaire,
après paiement des dettes notifiées au
nom de l'ayant droit et de sa part dans
les dettes notifiées au nom du de cujus,
au moyen des fonds détenus auprès du
débiteur de ces fonds.
b) que la libération des avoirs peut avoir
lieu au profit de cet héritier, légataire,
bénéficiaire
d'une
institution
contractuelle ou mandataire judiciaire,
après paiement des dettes notifiées au
nom de l'ayant droit et de sa part dans
les dettes notifiées au nom du de cujus,
au moyen des fonds détenus auprès du
débiteur de ces fonds.
§ 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des
débiteurs mentionnés dans la notification visée
aux articles 158 et 158/1.
§ 3. La responsabilité visée au § 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des
débiteurs mentionnés dans la notification visée
aux articles 158 et 158/1.
Art. 163
Art. 163
Les articles 157 à 161 sont applicables à toute
personne ou service habilité à établir un
certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code
civil.
Les articles 157 à 161 sont applicables à toute
personne ou service habilité à établir un acte ou
un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil.
Loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l'occupation ou au séjour illégitimes dans le
bien d'autrui
Art. 12
Art. 12
§ 1er. Dans les cas visés à l'article 442/1, § 1er, du
Code pénal, le procureur du Roi peut, en
motivant sa décision sur ce point et dans le
respect
de
la
présomption
d'innocence,
ordonner à la demande du détenteur d'un droit
ou d'un titre sur le bien concerné l'évacuation
dans un délai de huit jours à compter de la
notification de l'ordonnance d'évacuation visée
au paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes
qui se trouvent dans le bien. Le procureur du Roi
prend une ordonnance après avoir entendu
§ 1er. Dans les cas visés à l’article 442/1, § 1er,
du Code pénal, le procureur du Roi peut, à la
demande du détenteur d’un droit ou d’un titre
sur le bien concerné, ordonner l’évacuation du
bien concerné après autorisation du juge
d’instruction, à l'égard des personnes trouvée
dans le bien.
275
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
celles-ci sauf si l'audition ne peut être réalisée en
raison des circonstances concrètes de la cause.
Le procureur du Roi ne peut prendre une
ordonnance que lorsque, compte tenu des
éléments disponibles, la demande visée à
l'alinéa 1er semble manifestement fondée à
première vue.
Il mentionne les circonstances propres à la
demande justifiant la mesure d'évacuation dans
l'ordonnance.
Un procès-verbal de notification, constitué d'une
copie de l'ordonnance et de la date et de l'heure
de la notification, est dressé et joint au dossier.
Le procureur du Roi adresse au juge
d’instruction une demande motivée qui
contient au moins les données suivantes :
1° une description du lieu concerné par la
mesure et l’indication de l’adresse du bien qui
fait l’objet de l’ordonnance ;
2° tous les documents et renseignements
desquels il ressort que le recours à ce moyen est
nécessaire;
3° l'identité des occupants du bien concerné
dans la mesure où celle-ci peut être retrouvée.
Il mentionne dans sa demande les circonstances
susceptibles
de
justifier
l’ordonnance
d’évacuation.
Le juge d'instruction décide dans un délai de 72
heures maximum après réception de la
demande. Le juge d'instruction peut rejeter la
demande si elle est manifestement non fondée.
Le juge d'instruction apprécie au moins la
légalité et la proportionnalité de l'autorisation
au regard des faits. Il entend les personnes qui
se trouvent dans le bien et contre lesquelles
une ordonnance d’évacuation est visé, sauf si
cela n'est pas possible en raison des
circonstances particulières de l'affaire. La
décision du juge d'instruction est motivée.
Cette décision n’est susceptible d’aucun
recours.
Si le juge d’instruction accorde l’autorisation , le
procureur
du
Roi
prend
l’ordonnance
d’évacuation en la motivant et dans le respect
de la présomption d’innocence. L’ordonnance
implique l’évacuation dans un délai de huit
jours à compter de la notification visée au
paragraphe 2, alinéa 2, faite aux personnes qui
se trouvent dans le bien.
Un procès-verbal de notification, constitué
d’une copie de l’ordonnance et indiquant la
date et l’heure de la notification, est dressé et
joint au dossier.
2774/001
DOC 55
276
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 2. L'ordonnance du procureur du Roi est
consignée par écrit et contient entre autres :
1° une description du lieu concerné par la
mesure et l'indication de l'adresse du bien qui
fait l'objet de l'ordonnance;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à
l'ordonnance;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant et
une indication du droit ou du titre dont celui-ci
se prévaut à l'égard du bien concerné;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 1er;
5° les sanctions qui pourront être imposées en
cas de non-respect de cette ordonnance
d'évacuation, notamment celles visées à l'article
442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans lequel
ledit recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit
visible du bien concerné. Une copie de
l'ordonnance est transmise par le moyen de
communication le plus approprié au chef de
corps de la police locale de la zone de police au
sein de laquelle se situe le bien concerné par
l'ordonnance, ainsi qu'au détenteur du droit ou
du titre sur le bien concerné et au Centre public
d'action sociale compétent.
Le procureur du Roi se charge de l'exécution de
l'ordonnance d'évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits
sont lésés par l'ordonnance du procureur du Roi
peut former un recours contre cette ordonnance
par requête contradictoire motivée déposée au
greffe de la justice de paix du canton où le bien
concerné est situé dans un délai de huit jours à
compter de la notification de l'ordonnance par
affichage visible sur le bien à évacuer, et ce, à
peine de déchéance. Le recours est suspensif.
L'ordonnance du procureur du Roi ne peut pas
être exécutée tant que le délai pour introduire
ce recours court toujours.
§ 2. L’ordonnance du procureur du Roi est
consignée par écrit et contient entre autres :
1° une description du lieu concerné par la
mesure et l’indication de l’adresse du bien qui
fait l’objet de l’ordonnance ;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à
l’ordonnance ;
3° les nom, prénoms et domicile du requérant
et une indication du droit ou du titre dont celui-
ci se prévaut à l’égard du bien concerné ;
4° le délai visé au paragraphe 1er, alinéa 5;
5° les sanctions qui pourront être imposées en
cas de non-respect de cette ordonnance
d’évacuation, notamment celles visées à
l’article 442/1, § 2, du Code pénal;
6° la possibilité de recours et le délai dans
lequel ledit recours doit être introduit.
Cette ordonnance est affichée à un endroit
visible du bien concerné. Une copie de
l’ordonnance est remise à titre de notification
aux personnes qui se trouvent dans le bien
concerné au moment de l’affichage. Une copie
de l’ordonnance est transmise par le moyen de
communication le plus approprié au chef de
corps de la police locale de la zone de police au
sein de laquelle se situe le bien concerné par
l’ordonnance, ainsi qu’au détenteur du droit ou
du titre sur le bien concerné et au Centre public
d’action sociale compétent.
Le procureur du Roi se charge de l’exécution de
l’ordonnance d’évacuation.
§ 3. Toute personne qui estime que ses droits
sont lésés par l’ordonnance du procureur du Roi
peut
former
un
recours
contre
cette
ordonnance
par
requête
contradictoire
motivée déposée au greffe de la justice de paix
du canton où le bien concerné est situé dans un
délai de huit jours à compter de la notification
de l’ordonnance par affichage visible sur le bien
à évacuer ou de la remise de sa copie, et ce, à
peine de déchéance. Le recours est suspensif.
L’ordonnance du procureur du Roi ne peut pas
277
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Ce recours n'est pas suspendu pendant une
action publique fondée en tout ou en partie sur
les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la
requête, le juge de paix fixe les date et heure de
l'audience au cours de laquelle la cause peut être
instruite. L'audience a lieu au plus tard dans les
dix jours qui suivent le dépôt de la requête. Par
dérogation à l'article 1344octies du Code
judiciaire, un certificat de résidence n'est pas
requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le
lieu, les date et heure de l'audience à la
personne
qui
forme
un
recours
contre
l'ordonnance ainsi qu'au détenteur d'un droit ou
d'un titre sur le bien. Il communique également
les jours et heures de l'audience au procureur du
Roi qui a pris l'ordonnance d'évacuation. Une
copie de la requête est jointe au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les
parties présentes afin de les entendre et après
avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf
disposition contraire, la procédure se déroule
comme déterminé à l'article 1344octies du Code
judiciaire. Le juge de paix statue sur le bien-
fondé de l'évacuation et sur le droit ou le titre
invoqué. En cas de circonstances exceptionnelles
et
graves
visées
notamment
à
l'article
1344decies, alinéa 1er du Code judiciaire, le juge
de paix peut, par décision motivée, fixer un délai
plus long que le délai prévu dans l'ordonnance
du procureur du Roi. Lorsque le titre ou le droit
appartient à une personne physique ou une
personne morale de droit privé, ce délai ne peut
pas être supérieur à un mois. Lorsque le titre ou
le droit appartient à une personne morale de
droit public, ce délai ne peut pas être supérieur
à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans les
dix jours qui suivent l'audience.
La décision du juge de paix n'est pas susceptible
d'appel.
être exécutée tant que le délai pour introduire
ce recours court toujours.
Ce recours n’est pas suspendu pendant une
action publique fondée en tout ou en partie sur
les mêmes faits.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures du dépôt de la
requête, le juge de paix fixe les date et heure de
l’audience au cours de laquelle la cause peut
être instruite. L’audience a lieu au plus tard
dans les dix jours qui suivent le dépôt de la
requête. Par dérogation à l’article 1344octies
du Code judiciaire, un certificat de résidence
n’est pas requis pour le dépôt de la requête.
Par pli judiciaire, le greffier notifie sans délai le
lieu, les date et heure de l’audience à la
personne qui forme un recours contre
l’ordonnance ainsi qu’au détenteur d’un droit
ou d’un titre sur le bien. Il communique
également les jour et heure de l’audience au
procureur du Roi qui a pris l’ordonnance
d’évacuation. Une copie de la requête est jointe
au pli judiciaire.
Le juge de paix statue après avoir convoqué les
parties présentes afin de les entendre et après
avoir tenté une conciliation entre elles. Sauf
disposition contraire, la procédure se déroule
comme déterminé à l’article 1344octies du
Code judiciaire. Le juge de paix statue sur le
bien-fondé de l’évacuation et sur le droit ou le
titre
invoqué.
En
cas
de
circonstances
exceptionnelles et graves visées notamment à
l’article 1344decies, alinéa 1er, du Code
judiciaire, le juge de paix peut, par décision
motivée, fixer un délai plus long que le délai
prévu dans l’ordonnance du procureur du Roi.
Lorsque le titre ou le droit appartient à une
personne physique ou une personne morale de
droit privé, ce délai ne peut pas être supérieur
à un mois. Lorsque le titre ou le droit appartient
à une personne morale de droit public, ce délai
ne peut pas être supérieur à six mois.
Le juge de paix se prononce au plus tard dans
les dix jours qui suivent l’audience.
La décision du juge de paix n’est susceptible
d’aucun recours.
2774/001
DOC 55
278
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et
le statut du personnel pénitentiaire
Art. 5
Art. 5
§1er. Le ministre installe dans les trois mois de sa
nomination un conseil pénitentiaire.
§1er. Un conseil pénitentiaire est mis en place
auprès du ministre.
Le conseil pénitentiaire rend, d'initiative propre
ou sur demande du ministre ou du Président du
Comité de direction, des avis concernant la
politique pénitentiaire.
Le conseil pénitentiaire rend, d'initiative propre
ou sur demande du ministre ou du Président du
Comité de direction, des avis concernant la
politique pénitentiaire.
Il formule également toute recommandation
qu'il juge utile concernant les législations
actuelles ou futures en matière de politique
pénitentiaire. Le ministre peut demander l'avis
du conseil pénitentiaire sur les avant-projets de
loi en matière de la politique pénitentiaire.
Il formule également toute recommandation
qu'il juge utile concernant les législations
actuelles ou futures en matière de politique
pénitentiaire. Le ministre peut demander l'avis
du conseil pénitentiaire sur les avant-projets de
loi en matière de la politique pénitentiaire.
Les avis et recommandations sont approuvés par
consensus.
Les avis et recommandations sont approuvés par
consensus.
Le conseil pénitentiaire peut, à tout moment,
consulter les personnes qu'il estime utile
d'entendre dans le cadre de ses missions.
Le conseil pénitentiaire peut, à tout moment,
consulter les personnes qu'il estime utile
d'entendre dans le cadre de ses missions.
Le conseil pénitentiaire établit son règlement
d'ordre intérieur.
Le conseil pénitentiaire établit son règlement
d'ordre intérieur.
§ 2. Le conseil pénitentiaire est composé comme
suit:
§ 2. Le conseil pénitentiaire est composé comme
suit:
1° des directeurs régionaux de l'administration
pénitentiaire ou de leurs délégués;
1° des directeurs régionaux de l'administration
pénitentiaire ou de leurs délégués;
2° d'un membre du personnel du SPF Justice
désigné par le Président du Comité de direction;
2° d'un membre du personnel du SPF Justice
désigné par le Président du Comité de direction;
3° un magistrat du parquet, par rôle linguistique,
dont au moins un appartient au tribunal de
l'application des peines, désigné par le ministre
sur la base chaque fois d'une liste de trois
magistrats proposés par le Collège du ministère
public ;
3° un magistrat du parquet, par rôle linguistique,
dont au moins un appartient au tribunal de
l'application des peines, sur proposition du
Collège du ministère public, un magistrat du
parquet par rôle linguistique, dont au moins un
appartient au tribunal de l’application des
peines ;
4° un juge du siège par rôle linguistique, dont au
moins un appartient au tribunal de l'application
des peines, désigné par le ministre sur la base
chaque fois d'une liste de trois magistrats
proposés par le Collège des cours et des
tribunaux ;
4° un juge du siège par rôle linguistique, dont au
moins un appartient au tribunal de l'application
des peines, sur proposition du Collège des cours
et tribunaux, un magistrat par rôle linguistique,
dont au moins un appartient au tribunal de
l’application des peines ;
5° un avocat par rôle linguistique, désigné par le
ministre sur la base chaque fois d'une liste de
trois avocats proposés par l'Ordre des barreaux
francophone et germanophone et d'une liste de
trois avocats proposés par l'Orde van Vlaamse
Balies;
5° un avocat par rôle linguistique, sur
proposition respective de l’Orde van Vlaamse
Balies et de l’Ordre des barreaux francophone
et
germanophone,
un
avocat
par
rôle
linguisitique ;
6° un représentant du monde académique par
rôle linguistique désigné par le ministre sur la
6° un représentant du monde académique par
rôle linguistique sur proposition respective du
279
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
base chaque fois d'une liste de trois candidats
proposés par le Conseil des recteurs des
Universités francophones et d'une liste de trois
candidats
proposés
par
le
Conseil
interuniversitaire flamand;
Conseil
des
recteurs
des
Universités
francophones et du Conseil interuniversitaire
flamand, un représentant par rôle linguistique
du monde accadémique ;;
7° le Directeur général de l'Institut National de
Criminalistique et de Criminologie ou son
délégué et
7° le Directeur général de l'Institut National de
Criminalistique et de Criminologie ou son
délégué et
8°
un
représentant
par
entité
fédérée
compétent en matière d'aide sociale aux
détenus; les représentants concernés sont
désignés par un arrêté royal délibéré en Conseil
des ministres, après l'accord des gouvernements
compétents.
8° un représentant par entité fédérée, sur
proposition respective des ministres des entités
fédérées compétents en matière d’aide sociale
aux détenus.
Un représentant du ministre assiste comme
observateur
aux
réunions
du
conseil
pénitentiaire.
Un représentant du ministre assiste comme
observateur
aux
réunions
du
conseil
pénitentiaire.
Le Roi détermine le mode d'appel aux
candidatures.
Les membres sont nommés par arrêté royal
délibéré en Conseil des ministres, pris après
accord des gouvernements compétents, pour
une période de quatre ans. Leur mandat est
renouvelable.
Art. 8
Art. 8
Le Roi détermine les règles de rémunération et
de défraiement applicables aux membres du
conseil pénitentiaire.
Le Roi détermine les modalités d’introduction
des candidatures et de nomination des
membres du Conseil pénitentiaire.
Le Roi détermine les règles relatives au
fonctionnement du Conseil pénitentiaire ainsi
que les règles relatives aux indemnités et aux
frais applicables aux membres du Conseil
pénitentiaire.
Modification de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la
sécurité sociale des travailleurs
Art. 41sexies
Art. 41sexies
§ 1er. Les notaires requis de dresser un acte ou
un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du
Code civil, sont personnellement responsables
du paiement des dettes dont la débition est
susceptible d'être notifiée conformément au
paragraphe 5, qui sont dues par le de cujus, ses
héritiers et légataires dont l'identité est
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou les
bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus, s'ils n'en avisent pas
par avis les organismes percepteurs de
cotisations de sécurité sociale :
§ 1er. Les notaires requis de dresser un acte ou
un certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil, sont personnellement
responsables du paiement des dettes dont la
débition
est
susceptible
d'être
notifiée
conformément au paragraphe 5, qui sont dues
par le de cujus, ses héritiers et légataires dont
l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat, ou les bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le de cujus, s'ils n'en
avisent pas par avis les organismes percepteurs
de cotisations de sécurité sociale :
2774/001
DOC 55
280
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, via la Banque-
Carrefour de la Sécurité sociale;
1° au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, via la Banque-
Carrefour de la Sécurité sociale;
2° par tout autre moyen permettant de signer
l'avis et de conférer date certaine à son envoi,
lorsque
l'envoi
ne
peut
être
effectué
conformément au 1°.
2° par tout autre moyen permettant de signer
l'avis et de conférer date certaine à son envoi,
lorsque
l'envoi
ne
peut
être
effectué
conformément au 1°.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef du de cujus, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
§ 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est
pas dressé dans les trois mois à compter de
l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré
comme non avenu.
§ 2. Si l'acte ou le certificat dont question n'est
pas dressé dans les trois mois à compter de
l'expédition de l'avis, celui-ci sera considéré
comme non avenu.
§
3.
Lorsque
l'avis
est
communiqué
conformément au paragraphe 1er, 1°, on entend
par date d'envoi de l'avis, la date de l'accusé de
réception communiqué par la Banque-carrefour
de la Sécurité sociale après réception par celle-ci
de l'accusé de réception émanant de l'organisme
percepteur des cotisations de sécurité sociale.
§
3.
Lorsque
l'avis
est
communiqué
conformément au paragraphe 1er, 1°, on entend
par date d'envoi de l'avis, la date de l'accusé de
réception communiqué par la Banque-carrefour
de la Sécurité sociale après réception par celle-ci
de l'accusé de réception émanant de l'organisme
percepteur des cotisations de sécurité sociale.
§ 4. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de
ses héritiers ou légataires, ainsi que du
bénéficiaire
éventuel
d'une
institution
contractuelle.
§ 4. L'avis mentionne l'identité du de cujus, de
ses héritiers ou légataires, ainsi que du
bénéficiaire
éventuel
d'une
institution
contractuelle.
Les personnes concernées sont identifiées au
moyen du numéro d'identification visé à l'article
5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création
d'une
Banque-carrefour
des
Entreprises,
modernisation du registre de commerce,
création de guichets-entreprises agréés et
portant diverses dispositions ainsi que du
numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi
du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à
l'organisation d'une Banque-carrefour de la
sécurité sociale.
Les personnes concernées sont identifiées au
moyen du numéro d'identification visé à l'article
5 de la loi du 16 janvier 2003 portant création
d'une
Banque-carrefour
des
Entreprises,
modernisation du registre de commerce,
création de guichets-entreprises agréés et
portant diverses dispositions ainsi que du
numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi
du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à
l'organisation d'une Banque-carrefour de la
sécurité sociale.
§ 5. Avant l'expiration du 12e jour ouvrable qui
suit la date d'expédition de l'avis visé au
paragraphe 1er, l'organisme percepteur des
cotisations de sécurité sociale peut notifier au
notaire ayant expédié l'avis et au moyen d'une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique, via la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale, l'existence dans le chef du de
cujus ou d'une ou plusieurs autres personnes
§ 5. Avant l'expiration du 12e jour ouvrable qui
suit la date d'expédition de l'avis visé au
paragraphe 1er, l'organisme percepteur des
cotisations de sécurité sociale peut notifier au
notaire ayant expédié l'avis et au moyen d'une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique, via la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale, l'existence dans le chef du de
cujus ou d'une ou plusieurs autres personnes
281
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mentionnées dans l'avis d'une dette à l'égard de
l'organisme percepteur des cotisations de
sécurité sociale, ainsi que le montant de la dette
susvisée, dans le chef de chaque débiteur.
mentionnées dans l'avis d'une dette à l'égard de
l'organisme percepteur des cotisations de
sécurité sociale, ainsi que le montant de la dette
susvisée, dans le chef de chaque débiteur.
Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées
en application de l'alinéa 1er sont :
Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées
en application de l'alinéa 1er sont :
- toutes les créances en principal et
accessoires de l'organisme percepteur
des cotisations de sécurité sociale qui
sont couvertes par un titre;
- toutes les créances en principal et
accessoires de l'organisme percepteur
des cotisations de sécurité sociale qui
sont couvertes par un titre;
- toutes les créances en principal et
accessoires
qui
résultent
des
déclarations
faites
à
l'organisme
percepteur des cotisations de sécurité
sociale en application de l'article 21.
- toutes les créances en principal et
accessoires
qui
résultent
des
déclarations
faites
à
l'organisme
percepteur des cotisations de sécurité
sociale en application de l'article 21.
Lorsque la notification ne peut être envoyée au
moyen d'une procédure utilisant les techniques
de l'informatique, les organismes percepteurs de
cotisations de sécurité sociale procèdent à la
notification par tout autre moyen conférant date
certaine à l'envoi et permettant de le signer.
Lorsque la notification ne peut être envoyée au
moyen d'une procédure utilisant les techniques
de l'informatique, les organismes percepteurs de
cotisations de sécurité sociale procèdent à la
notification par tout autre moyen conférant date
certaine à l'envoi et permettant de le signer.
Dans les cas où la notification est envoyée au
moyen d'une procédure utilisant les techniques
de l'informatique, la date de la notification est
celle de son envoi.
Dans les cas où la notification est envoyée au
moyen d'une procédure utilisant les techniques
de l'informatique, la date de la notification est
celle de son envoi.
§ 6. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est
fait mention soit de l'absence de notification de
dettes en vertu du paragraphe 5, tant dans le
chef du de cujus que dans le chef d'une ou
plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et
destinataires du certificat ou de l'expédition, soit
du paiement des dettes notifiées en vertu du
paragraphe 5, le cas échéant à intervenir au
moyen des fonds détenus auprès du débiteur.
§ 6. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité délivrée, il est
fait mention soit de l'absence de notification de
dettes en vertu du paragraphe 5, tant dans le
chef du de cujus que dans le chef d'une ou
plusieurs personnes mentionnées dans l'avis et
destinataires du certificat ou de l'expédition, soit
du paiement des dettes notifiées en vertu du
paragraphe 5, le cas échéant à intervenir au
moyen des fonds détenus auprès du débiteur.
Le cas échéant, la mention du paiement
intervenu ou à intervenir est ajoutée ou
complétée au pied du certificat par le
fonctionnaire désigné par le Roi.
Le cas échéant, la mention du paiement
intervenu ou à intervenir est ajoutée ou
complétée au pied du certificat par le
fonctionnaire désigné par le Roi.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou
une expédition de l'acte d'hérédité portant des
mentions inexactes relatives à l'absence de
notification ou au paiement des dettes dont
l'existence a été notifiée en application du
paragraphe 5, encourt la même responsabilité
que celui qui contrevient à l'obligation visée au
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou
une expédition de l'acte d'hérédité portant des
mentions inexactes relatives à l'absence de
notification ou au paiement des dettes dont
l'existence a été notifiée en application du
paragraphe 5, encourt la même responsabilité
que celui qui contrevient à l'obligation visée au
2774/001
DOC 55
282
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
paragraphe
1er.
Cette
responsabilité
est
toutefois limitée au montant non recouvré du
fait de ces inexactitudes.
paragraphe
1er.
Cette
responsabilité
est
toutefois limitée au montant non recouvré du
fait de ces inexactitudes.
§ 7. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes telles que
notifiées en application du paragraphe 5, celui
qui libère des avoirs d'un défunt conformément
à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire
de manière libératoire qu'à condition qu'il
résulte clairement du certificat ou de l'acte
d'hérédité qu'aucune notification au sens du
paragraphe 5 n'a été faite.
§ 7. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes telles que
notifiées en application du paragraphe 5, celui
qui libère des avoirs d'un défunt conformément
à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut
le faire de manière libératoire qu'à condition
qu'il résulte clairement du certificat ou de l'acte
d'hérédité qu'aucune notification au sens du
paragraphe 5 n'a été faite.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article
1240bis du Code civil peut se faire de manière
libératoire à l'héritier, au légataire ou au
bénéficiaire d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus qui présente un
certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité
mentionnant :
Par dérogation à l'alinéa 1er, la libération des
avoirs du défunt conformément à l'article 4.59, §
4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de manière
libératoire à l'héritier, au légataire ou au
bénéficiaire d'une institution contractuelle
consentie par le de cujus qui présente un
certificat ou une expédition de l'acte d'hérédité
mentionnant :
1° que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément au paragraphe 5 au
nom du défunt et au nom de cet héritier,
légataire ou bénéficiaire d'une institution
contractuelle ont été payées;
1° que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément au paragraphe 5 au
nom du défunt et au nom de cet héritier,
légataire ou bénéficiaire d'une institution
contractuelle ont été payées;
2° ou que la libération des avoirs peut avoir lieu
au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle, après paiement
de ses dettes notifiées, au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
2° ou que la libération des avoirs peut avoir lieu
au profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle, après paiement
de ses dettes notifiées, au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
La responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des
débiteurs mentionnés dans la notification visée
au paragraphe 5.
La responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs libérés au profit des
débiteurs mentionnés dans la notification visée
au paragraphe 5.
§ 8. Les renseignements que contiennent l'avis
et la notification sont identiques qu'ils soient
transmis au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique ou par tout autre
moyen conférant date certaine à l'envoi et
permettant de les signer.
§ 8. Les renseignements que contiennent l'avis et
la notification sont identiques qu'ils soient
transmis au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique ou par tout autre
moyen conférant date certaine à l'envoi et
permettant de les signer.
§ 9. Lorsqu'il est envoyé par tout autre moyen
conférant date certaine à l'envoi et permettant
de le signer, l'avis est établi conformément au
modèle arrêté par le Ministre des Affaires
sociales ou son délégué.
§ 9. Lorsqu'il est envoyé par tout autre moyen
conférant date certaine à l'envoi et permettant
de le signer, l'avis est établi conformément au
modèle arrêté par le Ministre des Affaires
sociales ou son délégué.
§ 10. Lorsque l'avis visé au paragraphe 1er n'est
pas introduit par une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la notification
consécutive à cet avis et visée au paragraphe 5
ne peut pas être envoyée selon cette procédure
mais exclusivement par tout autre moyen
§ 10. Lorsque l'avis visé au paragraphe 1er n'est
pas introduit par une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la notification
consécutive à cet avis et visée au paragraphe 5
ne peut pas être envoyée selon cette procédure
mais exclusivement par tout autre moyen
283
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
conférant une date certaine à leur envoi et
permettant de la signer.
conférant une date certaine à leur envoi et
permettant de la signer.
§ 11. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis
en oeuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet
autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du
même avis ou de la même notification par une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique dès lors que la date de l'envoi
informatique diffère de la date de l'envoi par
tout autre moyen.
§ 11. Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis
en oeuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet
autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du
même avis ou de la même notification par une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique dès lors que la date de l'envoi
informatique diffère de la date de l'envoi par
tout autre moyen.
§ 12. L'origine et l'intégrité du contenu des avis
et notifications visés aux paragraphes 1er et 5 en
cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant
les techniques de l'informatique doivent être
assurées au moyen des techniques de protection
adaptées.
§ 12. L'origine et l'intégrité du contenu des avis
et notifications visés aux paragraphes 1er et 5 en
cas d'envoi au moyen d'une procédure utilisant
les techniques de l'informatique doivent être
assurées au moyen des techniques de protection
adaptées.
§ 13. Pour que la notification visée au
paragraphe 5 soit valable lorsqu'elle est envoyée
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, elle doit être
revêtue
d'une
signature
électronique,
implémentée selon l'une des techniques visées à
l'article 41quater, § 12, de la présente loi.
§ 13. Pour que la notification visée au
paragraphe 5 soit valable lorsqu'elle est envoyée
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, elle doit être
revêtue
d'une
signature
électronique,
implémentée selon l'une des techniques visées à
l'article 41quater, § 12, de la présente loi.
Quelle que soit la technique appliquée, il est
garanti que seules les personnes habilitées ont
accès aux moyens avec lesquels la signature est
créée.
Quelle que soit la technique appliquée, il est
garanti que seules les personnes habilitées ont
accès aux moyens avec lesquels la signature est
créée.
Les procédures suivies doivent par ailleurs
permettre à la personne physique responsable
de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi
que d'identifier correctement le moment de
l'envoi.
Les procédures suivies doivent par ailleurs
permettre à la personne physique responsable
de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi
que d'identifier correctement le moment de
l'envoi.
Ces données doivent être conservées par
l'expéditeur pendant une période de 10 ans et,
en cas de litige, elles doivent être produites dans
un délai raisonnable.
Ces données doivent être conservées par
l'expéditeur pendant une période de 10 ans et,
en cas de litige, elles doivent être produites dans
un délai raisonnable.
§ 14. Les paragraphes 1er à 13 sont applicables à
toute personne ou service habilité à établir un
certificat d'hérédité visé à l'article 1240bis du
Code civil.
§ 14. Les paragraphes 1er à 13 sont applicables à
toute personne ou service habilité à établir un
acte ou un certificat d'hérédité visé à l'article
4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil.
Modification de l’ arrêté royal n° 38 du 27 juin 1967 organisant le statut social des travailleurs
indépendants
Art. 23quater
Art. 23quater
§ 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou
certificat d'hérédité visé à l'article 4.59 du Code
civil sont personnellement responsables du
paiement des dettes, susceptibles d'être
notifiées conformément au § 2, du défunt, de ses
héritiers et légataires dont l'identité est
§ 1er. Les notaires requis de rédiger l'acte ou
certificat d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4,
alinéa 3, du Code civil sont personnellement
responsables
du
paiement
des
dettes,
susceptibles d'être notifiées conformément au §
2, du défunt, de ses héritiers et légataires dont
2774/001
DOC 55
284
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mentionnée dans l'acte ou le certificat, ou des
bénéficiaires d'une institution contractuelle
consentie par le défunt s'ils n'en avisent pas les
organismes percepteurs de cotisations de
sécurité sociale :
l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat, ou des bénéficiaires d'une institution
contractuelle consentie par le défunt s'ils n'en
avisent pas les organismes percepteurs de
cotisations de sécurité sociale :
1° au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, via la Banque-
Carrefour de la sécurité sociale;
1° au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, via la Banque-
Carrefour de la sécurité sociale;
2° par tout autre moyen permettant de signer
l'avis et de conférer une date certaine à son
envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué
conformément au 1°.
2° par tout autre moyen permettant de signer
l'avis et de conférer une date certaine à son
envoi, lorsque l'envoi ne peut être effectué
conformément au 1°.
S'agissant de dettes dans le chef du défunt, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef du défunt, la
responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à la
valeur de la succession.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
S'agissant de dettes dans le chef d'ayants droit,
la responsabilité visée à l'alinéa 1er est limitée à
la valeur des avoirs qui échoient à l'ayant droit
dont l'identité est mentionnée dans l'acte ou le
certificat et à propos duquel la responsabilité du
notaire est engagée.
Si l'acte ou certificat envisagé n'est pas dressé
dans les trois mois à compter de l'expédition de
l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu.
Si l'acte ou certificat envisagé n'est pas dressé
dans les trois mois à compter de l'expédition de
l'avis, celui-ci sera considéré comme non avenu.
L'avis mentionne l'identité du défunt, de ses
héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire
éventuel d'une institution contractuelle.
L'avis mentionne l'identité du défunt, de ses
héritiers ou légataires, ainsi que du bénéficiaire
éventuel d'une institution contractuelle.
§ 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des
cotisations l'exige, il notifie au notaire requis de
dresser l'acte ou le certificat, avant l'expiration
du douzième jour ouvrable qui suit la date
d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen
d'une procédure utilisant les techniques de
l'informatique, via la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale, le montant des dettes à charge
du défunt ou d'une autre personne mentionnée
dans l'avis.
§ 2. Si l'intérêt de l'organisme percepteur des
cotisations l'exige, il notifie au notaire requis de
dresser l'acte ou le certificat, avant l'expiration
du douzième jour ouvrable qui suit la date
d'expédition de l'avis prévu au § 1er et au moyen
d'une procédure utilisant les techniques de
l'informatique, via la Banque-Carrefour de la
Sécurité sociale, le montant des dettes à charge
du défunt ou d'une autre personne mentionnée
dans l'avis.
Lorsque l'envoi de la notification ne peut être
effectué au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, les organismes
percepteurs de cotisations de sécurité sociale
procèdent à la notification par tout autre moyen
conférant une date certaine à son envoi et
permettant de la signer.
Lorsque l'envoi de la notification ne peut être
effectué au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, les organismes
percepteurs de cotisations de sécurité sociale
procèdent à la notification par tout autre moyen
conférant une date certaine à son envoi et
permettant de la signer.
Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées
en application de l'alinéa 1er sont toutes les
dettes en principal et accessoires à l'égard de
l'organisme percepteur des cotisations de
sécurité sociale qui sont couvertes par un titre.
Les dettes qui sont susceptibles d'être notifiées
en application de l'alinéa 1er sont toutes les
dettes en principal et accessoires à l'égard de
l'organisme percepteur des cotisations de
sécurité sociale qui sont couvertes par un titre.
§ 3. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité, il est fait
§ 3. Dans le certificat d'hérédité ou au pied de
l'expédition de l'acte d'hérédité, il est fait
285
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mention, soit de l'absence de notification de
dettes en vertu du § 2, tant dans le chef du
défunt que dans le chef d'une ou plusieurs
personnes
mentionnées
dans
l'avis
et
destinataires du certificat ou de l'expédition, soit
du paiement des dettes notifiées en vertu du §
2, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
mention, soit de l'absence de notification de
dettes en vertu du § 2, tant dans le chef du
défunt que dans le chef d'une ou plusieurs
personnes
mentionnées
dans
l'avis
et
destinataires du certificat ou de l'expédition, soit
du paiement des dettes notifiées en vertu du §
2, le cas échéant à intervenir au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
Le cas échéant, la mention du paiement
intervenu ou à intervenir est ajoutée ou
complétée par le notaire dans le certificat
d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte
d'hérédité.
Le cas échéant, la mention du paiement
intervenu ou à intervenir est ajoutée ou
complétée par le notaire dans le certificat
d'hérédité ou au pied de l'expédition de l'acte
d'hérédité.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou
une expédition de l'acte d'hérédité portant des
mentions inexactes relatives à l'absence de
notification ou au paiement des dettes dont
l'existence a été notifiée en vertu du § 2, encourt
la même responsabilité que le notaire qui
contrevient à l'obligation visée au § 1er. Cette
responsabilité est toutefois limitée au montant
non recouvré du fait de ces inexactitudes.
Le notaire qui délivre un certificat d'hérédité ou
une expédition de l'acte d'hérédité portant des
mentions inexactes relatives à l'absence de
notification ou au paiement des dettes dont
l'existence a été notifiée en vertu du § 2, encourt
la même responsabilité que le notaire qui
contrevient à l'obligation visée au § 1er. Cette
responsabilité est toutefois limitée au montant
non recouvré du fait de ces inexactitudes.
§ 4. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes aux
organismes percepteurs de cotisations de
sécurité sociale, notifiées en vertu du § 2, celui
qui libère des avoirs d'un défunt conformément
à l'article 1240bis du Code civil ne peut le faire
de manière libératoire qu'à condition qu'il
résulte clairement de l'acte ou du certificat
qu'aucune notification au sens du § 2 n'a été
faite.
§ 4. Sous peine d'être personnellement
responsable du paiement des dettes aux
organismes percepteurs de cotisations de
sécurité sociale, notifiées en vertu du § 2, celui
qui libère des avoirs d'un défunt conformément
à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil ne peut
le faire de manière libératoire qu'à condition
qu'il résulte clairement de l'acte ou du certificat
qu'aucune notification au sens du § 2 n'a été
faite.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la libération
des avoirs du défunt conformément à l'article
1240bis du Code civil peut se faire de manière
libératoire à l'héritier, au légataire ou au
bénéficiaire d'une institution contractuelle qui
présente l'acte ou le certificat ou une expédition
de cet acte mentionnant :
Par dérogation à l'alinéa précédent, la libération
des avoirs du défunt conformément à l'article
4.59, § 4, alinéa 3, du Code civil peut se faire de
manière libératoire à l'héritier, au légataire ou au
bénéficiaire d'une institution contractuelle qui
présente l'acte ou le certificat ou une expédition
de cet acte mentionnant :
1° que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément au § 2 au nom du
défunt et au nom de cet héritier, légataire ou
bénéficiaire d'une institution contractuelle ont
été payées ou;
1° que toutes les dettes éventuellement
notifiées conformément au § 2 au nom du défunt
et au nom de cet héritier, légataire ou
bénéficiaire d'une institution contractuelle ont
été payées ou;
2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au
profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle, après paiement
de ses dettes notifiées, au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
2° que la libération des avoirs peut avoir lieu au
profit de cet héritier, légataire ou bénéficiaire
d'une institution contractuelle, après paiement
de ses dettes notifiées, au moyen des fonds
détenus auprès du débiteur.
2774/001
DOC 55
286
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 5. La responsabilité visée au § 4 est limitée à la
valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs
mentionnés dans la notification visée au § 2.
§ 5. La responsabilité visée au § 4 est limitée à la
valeur des avoirs libérés au profit des débiteurs
mentionnés dans la notification visée au § 2.
§ 6. Dans les cas où l'avis visé au § 1er est envoyé
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la date d'envoi
dudit avis s'entend comme étant la date de
l'accusé de réception communiqué par la
Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après
réception par celle-ci de l'accusé de réception
émanant
de
l'organisme
percepteur
de
cotisations de sécurité sociale ou du service
compétent pour recevoir et transmettre cet avis.
§ 6. Dans les cas où l'avis visé au § 1er est envoyé
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la date d'envoi
dudit avis s'entend comme étant la date de
l'accusé de réception communiqué par la
Banque-Carrefour de la sécurité sociale, après
réception par celle-ci de l'accusé de réception
émanant
de
l'organisme
percepteur
de
cotisations de sécurité sociale ou du service
compétent pour recevoir et transmettre cet avis.
Dans les cas où les notifications visées au § 2 sont
envoyées au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la date de ces
notifications est celle de leur envoi.
Dans les cas où les notifications visées au § 2 sont
envoyées au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, la date de ces
notifications est celle de leur envoi.
§ 7. Les renseignements que contiennent les avis
et notifications sont identiques qu'ils soient
transmis au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique ou par tout autre
moyen conférant une date certaine à l'envoi et
permettant de les signer.
§ 7. Les renseignements que contiennent les avis
et notifications sont identiques qu'ils soient
transmis au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique ou par tout autre
moyen conférant une date certaine à l'envoi et
permettant de les signer.
Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen
conférant une date certaine à l'envoi et
permettant de les signer, ces avis et notifications
sont établis conformément aux modèles arrêtés
par le ministre qui a le statut social des
travailleurs indépendants dans ses attributions
ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les
services
compétents
pour
recevoir
et
transmettre ces avis et notifications.
Lorsqu'ils sont envoyés par tout autre moyen
conférant une date certaine à l'envoi et
permettant de les signer, ces avis et notifications
sont établis conformément aux modèles arrêtés
par le ministre qui a le statut social des
travailleurs indépendants dans ses attributions
ou son délégué qui, le cas échéant, désigne les
services
compétents
pour
recevoir
et
transmettre ces avis et notifications.
Lors de l'envoi des avis et notifications
mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de
l'organisme
percepteur,
les
personnes
concernées sont identifiées au moyen du
numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi
du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à
l'organisation d'une Banque-Carrefour de la
Sécurité
sociale,
ainsi
que
du
numéro
d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16
janvier 2003 portant création d'une Banque-
Carrefour des Entreprises, modernisation du
registre de commerce, création de guichets-
entreprises
agréés
et
portant
diverses
dispositions.
Lors de l'envoi des avis et notifications
mentionnés ci-dessus, adressés à ou émanant de
l'organisme
percepteur,
les
personnes
concernées sont identifiées au moyen du
numéro d'identification visé à l'article 8 de la loi
du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à
l'organisation d'une Banque-Carrefour de la
Sécurité
sociale,
ainsi
que
du
numéro
d'identification visé à l'article 5 de la loi du 16
janvier 2003 portant création d'une Banque-
Carrefour des Entreprises, modernisation du
registre de commerce, création de guichets-
entreprises
agréés
et
portant
diverses
dispositions.
§ 8. Lorsque l'avis visé au § 1er n'est pas
communiqué par une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, les notifications
consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées
selon cette procédure mais exclusivement par
§ 8. Lorsque l'avis visé au § 1er n'est pas
communiqué par une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, les notifications
consécutives à cet avis ne peuvent être envoyées
selon cette procédure mais exclusivement par
287
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
tout autre moyen conférant une date certaine à
leur envoi et permettant de les signer.
tout autre moyen conférant une date certaine à
leur envoi et permettant de les signer.
Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en
œuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet
autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du
même avis ou de la même notification par une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique dès lors que la date de l'envoi
informatique diffère de la date de l'envoi par
tout autre moyen tel que visé à l'alinéa
précédent.
Lorsque l'usage d'un autre moyen est mis en
œuvre, l'avis ou la notification envoyé par cet
autre moyen prévaut sur l'envoi éventuel du
même avis ou de la même notification par une
procédure
utilisant
les
techniques
de
l'informatique dès lors que la date de l'envoi
informatique diffère de la date de l'envoi par
tout autre moyen tel que visé à l'alinéa
précédent.
§ 9. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et
notifications visés aux §§ 1er et 2, en cas d'envoi
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, doivent être
assurées au moyen des techniques de protection
adaptées.
§ 9. L'origine et l'intégrité du contenu des avis et
notifications visés aux §§ 1er et 2, en cas d'envoi
au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, doivent être
assurées au moyen des techniques de protection
adaptées.
§ 10. Pour que les notifications visées au
paragraphe 2 soient valables lorsqu'elles sont
envoyées au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, elles doivent être
revêtues d'une signature électronique avancée
au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n°
910/2014 du Parlement européen et du Conseil
du
23
juillet
2014
sur
l'identification
électronique et les services de confiance pour les
transactions électroniques au sein du marché
intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE
ou d'une signature électronique qualifiée au
sens de l'article 3.12. de ce même règlement.
§ 10. Pour que les notifications visées au
paragraphe 2 soient valables lorsqu'elles sont
envoyées au moyen d'une procédure utilisant les
techniques de l'informatique, elles doivent être
revêtues d'une signature électronique avancée
au sens de l'article 3.11. du règlement (UE) n°
910/2014 du Parlement européen et du Conseil
du
23
juillet
2014
sur
l'identification
électronique et les services de confiance pour les
transactions électroniques au sein du marché
intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE
ou d'une signature électronique qualifiée au
sens de l'article 3.12. de ce même règlement.
Quelle que soit la technique appliquée, il est
garanti que seules les personnes habilitées ont
accès aux moyens avec lesquels la signature est
créée.
Quelle que soit la technique appliquée, il est
garanti que seules les personnes habilitées ont
accès aux moyens avec lesquels la signature est
créée.
Les procédures suivies doivent par ailleurs
permettre à la personne physique responsable
de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi
que d'identifier correctement le moment de
l'envoi.
Les procédures suivies doivent par ailleurs
permettre à la personne physique responsable
de l'envoi d'être identifiée correctement, ainsi
que d'identifier correctement le moment de
l'envoi.
Ces données doivent être conservées par
l'expéditeur pendant une période de dix ans et,
en cas de litige, elles doivent être produites dans
un délai raisonnable.
Ces données doivent être conservées par
l'expéditeur pendant une période de dix ans et,
en cas de litige, elles doivent être produites dans
un délai raisonnable.
§ 11. Les paragraphes 1er à 10 sont applicables de
la même manière à toute personne ou service
habilité à établir un certificat d'hérédité visé à
l'article 1240bis du Code civil.
§ 11. Les paragraphes 1er à 10 sont applicables de
la même manière à toute personne ou service
habilité à établir un acte ou un certificat
d'hérédité visé à l'article 4.59, § 4, alinéa 3, du
Code civil.
CHAPITRE 19 - Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons
2774/001
DOC 55
288
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 85
Les notions de « directeur », de « condamné »
et de « victime » visées au présent chapitre
doivent être entendues au sens de l'article 2 de
la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique
externe des personnes condamnées à une
peine privative de liberté et aux droits reconnus
à la victime dans le cadre des modalités
d'exécution de la peine.
Art. 86
§ 1er. Le directeur octroie la libération anticipée
au condamné qui se trouve dans les conditions
de temps pour l'octroi de la libération
conditionnelle, à partir de six mois avant la fin
de la partie exécutoire de la ou des peines
privatives de liberté auxquelles il a été
condamné.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le condamné dont
la modalité d'exécution de la peine est
révoquée par le juge d'application des peines
ou le tribunal de l'application des peines
pendant la durée de validité de cette mesure
est exclu de la libération anticipée pendant six
mois à compter de l’exécution du jugement de
révocation.
Si la libération anticipée n'est pas révoquée,
elle court jusqu'à la fin de la peine.
Si la libération anticipée est révoquée, elle ne
peut plus être octroyée à nouveau.
§ 2. Les condamnés suivants sont exclus de la
libération anticipée visée au § 1er:
- les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peines privatives de liberté dont le total s'élève
à plus de 10 ans;
- les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés
au livre II, titre Iter, du Code pénal;
- les condamnés qui subissent une ou plusieurs
peine(s) d'emprisonnement pour des faits visés
aux articles 417/7 à 417/24, 417/50, 417/55,
- les condamnés qui font l'objet d'une
condamnation avec une mise à disposition du
tribunal
de
l'application
des
peines,
conformément aux articles 34ter ou 34quater
du Code pénal;
- les condamnés qui n'ont pas de droit de
séjour;
- les condamnés qui sont suivis par l'Organe
pour la coordination de l'analyse de la menace
dans le cadre des banques de données
417/56, 417/59 et 417/63 du Code penal;
289
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
communes visées aux articles 44/11/3bis à
44/11/3quinquies de la loi du 5 août 1992 sur la
fonction de police.
Art. 87
§1er. Le directeur octroie la libération anticipée
après s'être assuré de la faisabilité de la mesure
et après avoir fait les vérifications suivantes :
- le condamné dispose d'un logement;
- le condamné dispose de moyens d'existence
suffisants.
Le procureur du Roi de l'arrondissement où le
condamné a son lieu de résidence ou de séjour
et, si le juge de l’application des peines ou le
tribunal de l'application des peines est déjà
saisi, le ministère public près le tribunal de
l'application des peines, sont informés le plus
rapidement possible de l'octroi de la libération
anticipée et des conditions qui y sont liées.
La victime est informée le plus rapidement
possible, et en tout cas dans les vingt-quatre
heures, par le moyen de communication écrit le
plus rapide de l'octroi de la libération anticipée
et des conditions qui y sont liées.
§ 2. Pendant le délai d'épreuve, le condamné
est soumis aux conditions générales suivantes:
1° ne pas commettre d'infraction;
2° ne pas importuner les victimes et
immédiatement quitter les lieux lorsqu'il
rencontre une victime.
Le délai d'épreuve est égal à la durée de la peine
qu'il restait à subir au moment de la libération
anticipée.
Si la libération anticipée est révoquée sur la
base du paragraphe 3, la période au cours de
laquelle le condamné était en libération
anticipée et qui court jusqu'à la décision de
révocation de la libération anticipée est déduite
de la partie restante des peines privatives de
liberté au moment de l'octroi.
§ 3. Le directeur peut révoquer la décision dans
les cas suivants :
- lorsqu'il existe des indications sérieuses selon
lesquelles le condamné n'a pas respecté
l'interdiction de commettre des infractions;
- lorsque le condamné ne respecte pas la
condition générale mentionnée au paragraphe
2, alinéa 1er, 2°.
La victime est informée de la décision de
révocation le plus rapidement possible et dans
2774/001
DOC 55
290
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
tous les cas dans les vingt-quatre heures, par le
moyen de communication écrit le plus rapide.
§ 4. Si le condamné met gravement en péril
l'intégrité physique ou psychique de tiers
pendant le délai d'épreuve, le procureur du Roi
près le tribunal dans le ressort duquel le
condamné
se
trouve
peut
ordonner
l'arrestation
provisoire
de
celui-ci.
Il
communique immédiatement sa décision au
directeur.
Le directeur prend une décision sur la
révocation ou non de la libération anticipée
dans les sept jours qui suivent l'arrestation du
condamné.
Cette
décision
motivée
est
communiquée par écrit dans les vingt-quatre
heures au condamné et au procureur du Roi.
La victime est informée le plus rapidement
possible, et en tout cas dans les vingt-quatre
heures, par le moyen de communication écrit le
plus rapide de la décision de révocation.
Art. 88
Le présent chapitre s’applique jusqu’au 31 août
2023.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des
ministres, prolonger la date visée au premier
alinéa jusqu’au 31 décembre 2024.
Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire
ainsi que le statut juridique des détenus
Art. 18
Art. 18
§1er. Sans préjudice de dispositions légales
contraires, le placement ou le transfèrement des
détenus est décidé par des fonctionnaires de
l'administration pénitentiaire désignés à cet
effet par le directeur général.
§1er. Sans préjudice de dispositions légales
contraires, le placement ou le transfèrement des
détenus est décidé par des fonctionnaires de
l'administration pénitentiaire désignés à cet
effet par le directeur général.
§1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er
peuvent décider que le condamné se rendra de
sa propre initiative à la prison désignée pour
exécuter la décision de placement ou de
transfèrement.
§2. Toute décision de placement ou de
transfèrement prise par les fonctionnaires visés
au § 1er peut faire l'objet d'une réclamation
comme prévu au titre VIII, chapitre III.
§2. Toute décision de placement ou de
transfèrement prise par les fonctionnaires visés
au § 1er peut faire l'objet d'une réclamation
comme prévu au titre VIII, chapitre III.
§3. (…)
§3. (…)
291
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
COÖRDINATIE VAN DE ARTIKELEN
BASISTEKST
BASISTEKST AANGEPAST AAN HET
WETSONTWERP
Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 165/1
Art. 165/1
Op de door de partijen gekozen dag, met
uitzondering van zon- en feestdagen, na verloop
van de termijn bedoeld in artikel 165, licht de
ambtenaar van de burgerlijke stand in het
gemeentehuis, eventueel in aanwezigheid van
de getuigen, aan de partijen de inhoud toe van
hoofdstuk VI van deze titel. Om de beurt
verklaren de partijen dat zij elkaars echtgenoot
willen zijn. Daarna verklaart de ambtenaar in
naam van de wet dat zij door het huwelijk
verbonden zijn. Hij maakt daarvan zonder
vertraging de akte op in de DABS.
In afwijking van het eerste lid, kan de
gemeenteraad op het grondgebied van de
gemeente andere openbare plaatsen met een
neutraal karakter, waarvan de gemeente het
uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om
huwelijken te voltrekken.
In afwijking van het eerste lid, kan de
gemeenteraad toestaan om huwelijken op zon-
en/of feestdagen te voltrekken.
Op de door de partijen gekozen dag, met
uitzondering van zon- en feestdagen, na verloop
van de termijn bedoeld in artikel 165, licht de
ambtenaar van de burgerlijke stand in het
gemeentehuis, eventueel in aanwezigheid van
de getuigen, aan de partijen de inhoud toe van
hoofdstuk VI van deze titel. Om de beurt
verklaren de partijen dat zij elkaars echtgenoot
willen zijn. Daarna verklaart de ambtenaar in
naam van de wet dat zij door het huwelijk
verbonden zijn. Hij maakt daarvan zonder
vertraging de akte op in de DABS.
In afwijking van het eerste lid, kan de
gemeenteraad op het grondgebied van de
gemeente andere openbare plaatsen met een
neutraal karakter, waarvan de gemeente het
uitsluitend gebruiksrecht heeft, aanwijzen om
huwelijken te voltrekken.
In afwijking van het eerste lid, kan de
gemeenteraad toestaan om huwelijken op zon-
en/of feestdagen te voltrekken.
Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
/
Art. 28decies (nieuw)
Afdeling
1bis/1.
-
Toezicht
op
het
opsporingsonderzoek door de kamer van
inbeschuldigingstelling
Art. 28decies. Als het opsporingsonderzoek na
een jaar niet is afgesloten, kan de zaak bij de
kamer van inbeschuldigingstelling worden
aanhangig gemaakt door een aan de griffie van
het hof van beroep gericht met redenen
omkleed verzoekschrift uitgaande van de
verdachte of de benadeelde persoon.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor
het
goede
verloop
van
het
opsporingsonderzoek, de wettigheid of de
2774/001
DOC 55
292
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
regelmatigheid van de procedure, doet de
procureur-generaal te allen tijde voor de kamer
van inbeschuldigingstelling de vorderingen die
hij nuttig acht.
In
dat
geval
kan
de
kamer
van
inbeschuldigingstelling,
zelfs
ambtshalve,
verslag vragen over de stand van zaken en
kennis nemen van de dossiers en de bij de
artikelen 235 en 235bis bepaalde maatregelen
nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan de
procureur des Konings in zijn verslag horen,
buiten de aanwezigheid van de partijen indien
zij dat nuttig acht. Zij kan eveneens de
benadeelde persoon, de verdachte en hun
advocaten horen, na kennisgeving die hen door
de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de
zitting per faxpost, bij een gewone brief of
langs elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet over
het verzoekschrift uitspraak bij een met
redenen
omkleed
arrest
dat
wordt
medegedeeld aan de procureur-generaal, de
verzoekende partij en de gehoorde partijen. De
verzoeker mag geen verzoekschrift met
hetzelfde voorwerp indienen vooraleer een
termijn van zes maanden is verstreken te
rekenen van de laatste beslissing.
Art. 39ter
Art. 39ter
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven
en
onverminderd
de
bevoegdheden bedoeld in de artikelen 39bis,
46bis en 88bis en de artikelen XII.17, XII.18,
XII.19 en XII.20 van het Wetboek van
Economisch Recht, kan iedere officier van
gerechtelijke politie, wanneer er redenen
bestaan om aan te nemen dat gegevens die
opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden
door middel van een informaticasysteem
bijzonder kwetsbaar zijn voor verlies of voor
wijziging, bij een met redenen omklede en
schriftelijke beslissing aan een of meerdere
natuurlijke personen of rechtspersonen bevelen
de gegevens die in hun bezit zijn of waarover zij
controle hebben te bewaren.
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven
en
onverminderd
de
bevoegdheden bedoeld in de artikelen 39bis,
46bis en 88bis en de artikelen XII.17, XII.18,
XII.19 en XII.20 van het Wetboek van
Economisch Recht, kan iedere officier van
gerechtelijke politie, wanneer er redenen
bestaan om aan te nemen dat gegevens die
opgeslagen, verwerkt of overgedragen worden
door middel van een informaticasysteem
bijzonder kwetsbaar zijn voor verlies of voor
wijziging, bij een met redenen omklede en
schriftelijke beslissing aan een of meerdere
natuurlijke personen of rechtspersonen bevelen
de gegevens die in hun bezit zijn of waarover zij
controle hebben te bewaren.
293
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De met redenen omklede en schriftelijke
beslissing vermeldt:
- de naam en hoedanigheid van de officier van
gerechtelijke politie die de bewaring beveelt;
- het strafbare feit waarop het bevel betrekking
heeft;
- de gegevens die bewaard moeten worden;
- de duur van bewaring van de gegevens, die niet
langer mag zijn dan negentig dagen. Deze
termijn kan schriftelijk worden verlengd.
In spoedeisende gevallen kan het bevel tot
bewaring mondeling worden gegeven. Het bevel
moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in
de vorm bepaald in het tweede lid.
§ 2. De natuurlijke personen of rechtspersonen
bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor
dat de integriteit van de gegevens gewaarborgd
is en dat de gegevens op een veilige manier
bewaard worden.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn
bediening kennis krijgt van de maatregel of
daaraan zijn medewerking verleent, is tot
geheimhouding verplicht. Iedere schending van
het geheim wordt gestraft overeenkomstig
artikel 458 van het Strafwetboek.
Iedere persoon die weigert mee te werken, of
die de bewaarde gegevens doet verdwijnen,
vernietigt of wijzigt, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en
met een geldboete van zesentwintig tot
twintigduizend euro of met één van die straffen
alleen.
De met redenen omklede en schriftelijke
beslissing vermeldt:
- de naam en hoedanigheid van de officier van
gerechtelijke politie die de bewaring beveelt;
- het strafbare feit waarop het bevel betrekking
heeft;
- de gegevens die bewaard moeten worden;
- de duur van bewaring van de gegevens, die niet
langer mag zijn dan negentig dagen. Deze
termijn kan schriftelijk worden verlengd.
In spoedeisende gevallen kan het bevel tot
bewaring mondeling worden gegeven. Het bevel
moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in
de vorm bepaald in het tweede lid.
§ 2. De natuurlijke personen of rechtspersonen
bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zorgen ervoor
dat de integriteit van de gegevens gewaarborgd
is en dat de gegevens op een veilige manier
bewaard worden.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn
bediening kennis krijgt van de maatregel of
daaraan zijn medewerking verleent, is tot
geheimhouding verplicht. Iedere schending van
het geheim wordt gestraft overeenkomstig
artikel 458 van het Strafwetboek.
Iedere persoon die weigert mee te werken, of
die de bewaarde gegevens doet verdwijnen,
vernietigt of wijzigt, wordt gestraft met een
geldboete van honderd tot dertigduizend euro.
Art. 46bis
Art. 46bis
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven kan de procureur des Konings bij
een met redenen omklede en schriftelijke
beslissing overgaan of doen overgaan op basis
van ieder gegeven in zijn bezit of door middel
van een toegang tot de klantenbestanden van
de actoren bedoeld in het tweede lid, eerste en
tweede streepje, tot:
1° de identificatie van de abonnee of de
gewoonlijke gebruiker van een dienst bedoeld in
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven kan de procureur des Konings bij
een met redenen omklede en schriftelijke
beslissing overgaan of doen overgaan op basis
van ieder gegeven in zijn bezit of door middel
van een toegang tot de klantenbestanden van
de actoren bedoeld in het tweede lid, eerste en
tweede streepje, tot:
1° de identificatie van de abonnee of de
gewoonlijke gebruiker van een dienst bedoeld in
2774/001
DOC 55
294
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het tweede lid, tweede streepje, of van het
gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° de identificatie van de diensten bedoeld in het
tweede lid, tweede streepje, waarop een
bepaald persoon geabonneerd is of die door een
bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden.
Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de
door de Koning aangewezen politiedienst, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatienetwerk, en
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
De motivering weerspiegelt de proportionaliteit
met
inachtneming
van
de
persoonlijke
levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van
elke andere onderzoeksdaad.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid
kan de procureur des Konings de maatregel
mondeling bevelen. De beslissing wordt zo
spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
Voor strafbare feiten die geen correctionele
hoofdgevangenisstraf van een jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, kan
de procureur des Konings de in het eerste lid
bedoelde gegevens slechts vorderen voor een
periode van zes maanden voorafgaand aan zijn
beslissing.
§ 2. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, eerste
en tweede streepje, van wie gevorderd wordt de
in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen,
verstrekken de procureur des Konings of de
officier van gerechtelijke politie de gegevens in
werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het
tijdstip bepaald in de vordering, volgens de
nadere regels vastgesteld door de Koning, op het
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie.
het tweede lid, tweede streepje, of van het
gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° de identificatie van de diensten bedoeld in het
tweede lid, tweede streepje, waarop een
bepaald persoon geabonneerd is of die door een
bepaald persoon gewoonlijk gebruikt worden.
Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de
door de Koning aangewezen politiedienst, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatienetwerk, en
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
De motivering weerspiegelt de proportionaliteit
met
inachtneming
van
de
persoonlijke
levenssfeer en de subsidiariteit ten opzichte van
elke andere onderzoeksdaad.
In geval van uiterst dringende noodzakelijkheid
kan de procureur des Konings de maatregel
mondeling bevelen. De beslissing wordt zo
spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
Voor strafbare feiten die geen correctionele
hoofdgevangenisstraf van een jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, kan
de procureur des Konings de in het eerste lid
bedoelde gegevens slechts vorderen voor een
periode van zes maanden voorafgaand aan zijn
beslissing.
§ 2. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, eerste
en tweede streepje, van wie gevorderd wordt de
in paragraaf 1 bedoelde gegevens mee te delen,
verstrekken de procureur des Konings of de
officier van gerechtelijke politie de gegevens in
werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het
tijdstip bepaald in de vordering, volgens de
nadere regels vastgesteld door de Koning, op het
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie.
295
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer en op voorstel van de Minister van
Justitie en van de minister die bevoegd is voor
Telecommunicatie, de technische voorwaarden
voor de toegang tot de in § 1 bedoelde
gegevens, die beschikbaar zijn voor de
procureur des Konings en voor de in dezelfde
paragraaf aangewezen politiedienst.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die de gegevens weigert mee te
delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering, wordt gestraft met geldboete van
zesentwintig euro tot tienduizend euro.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer en op voorstel van de Minister van
Justitie en van de minister die bevoegd is voor
Telecommunicatie, de technische voorwaarden
voor de toegang tot de in § 1 bedoelde
gegevens, die beschikbaar zijn voor de
procureur des Konings en voor de in dezelfde
paragraaf aangewezen politiedienst.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die de gegevens weigert mee te
delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering, wordt gestraft met een geldboete
van honderd euro tot dertigduizend euro.
Art. 46bis/1
Art. 46bis/1
§ 1. Bij het opsporen van terroristische
misdrijven als bedoeld in boek II, Titel Iter van
het Strafwetboek, kan de procureur des Konings
bij een met redenen omklede en schriftelijke
beslissing, de noodzakelijke administratieve
inlichtingen vorderen bij alle instellingen van
sociale zekerheid als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende
oprichting en organisatie van een Kruispuntbank
van de sociale zekerheid en artikel 2, eerste lid,
2°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering
van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
In zijn beslissing beschrijft de procureur des
Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij
vordert en bepaalt hij de vorm waarin deze hem
worden medegedeeld.
§ 2. Met toepassing van de uitzondering bedoeld
in artikel 458 van het Strafwetboek en in
afwijking van andersluidende bepalingen, delen
de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde
instellingen van sociale zekerheid de aldaar
bedoelde inlichtingen onverwijld mee.
§ 1. Bij het opsporen van terroristische
misdrijven als bedoeld in boek II, Titel Iter van
het Strafwetboek, kan de procureur des Konings
bij een met redenen omklede en schriftelijke
beslissing, de noodzakelijke administratieve
inlichtingen vorderen bij alle instellingen van
sociale zekerheid als bedoeld in artikel 2, eerste
lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende
oprichting en organisatie van een Kruispuntbank
van de sociale zekerheid en artikel 2, eerste lid,
2°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering
van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
In zijn beslissing beschrijft de procureur des
Konings nauwkeurig de inlichtingen die hij
vordert en bepaalt hij de vorm waarin deze hem
worden medegedeeld.
§ 2. Met toepassing van de uitzondering bedoeld
in artikel 458 van het Strafwetboek en in
afwijking van andersluidende bepalingen, delen
de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde
instellingen van sociale zekerheid de aldaar
bedoelde inlichtingen onverwijld mee.
2774/001
DOC 55
296
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die weigert de inlichtingen mee
te delen, wordt gestraft met een geldboete van
zesentwintig euro tot tienduizend euro.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die weigert de inlichtingen mee
te delen, wordt gestraft met een geldboete van
honderd euro tot dertigduizend euro.
Art. 46ter
Art. 46ter
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven kan de procureur des Konings aan
een postoperator toevertrouwde post, bestemd
voor of afkomstig van een verdachte of die op
hem betrekking heeft, onderscheppen en in
beslag
nemen,
wanneer
er
ernstige
aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een
correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar
of een zwaardere straf tot gevolg kunnen
hebben.
Indien deze maatregel zich situeert in het
proactieve onderzoek zoals omschreven in
artikel 28bis, § 2, gaat de procureur des Konings
na
of
aan
de
bijzondere
voorwaarden
omschreven in dit artikel voldaan is.
Indien de procureur des Konings van oordeel is
de inbeslagneming niet te moeten handhaven,
geeft hij de stukken onverwijld aan de
postoperator voor verdere verzending terug. In
het
andere
geval
wordt
gehandeld
overeenkomstig de artikelen 35 tot 39.
Het begrip " post " in de zin van dit artikel dient
te worden verstaan zoals het gedefinieerd is in
artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21
maart 1991 betreffende de hervorming van
sommige economische overheidsbedrijven.
§ 2. De procureur des Konings kan, bij een
schriftelijke en met redenen omklede beslissing
de medewerking van een postoperator vorderen
teneinde de maatregel bepaald in § 1 mogelijk
te maken. De postoperator is gehouden zijn
medewerking onverwijld te verlenen.
Hij bepaalt in zijn beslissing de duur van de
maatregel beoogd in de vorige paragraaf.
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en
wanbedrijven kan de procureur des Konings aan
een postoperator toevertrouwde post, bestemd
voor of afkomstig van een verdachte of die op
hem betrekking heeft, onderscheppen en in
beslag
nemen,
wanneer
er
ernstige
aanwijzingen zijn dat de strafbare feiten een
correctionele hoofdgevangenisstraf van een jaar
of een zwaardere straf tot gevolg kunnen
hebben.
Indien deze maatregel zich situeert in het
proactieve onderzoek zoals omschreven in
artikel 28bis, § 2, gaat de procureur des Konings
na
of
aan
de
bijzondere
voorwaarden
omschreven in dit artikel voldaan is.
Indien de procureur des Konings van oordeel is
de inbeslagneming niet te moeten handhaven,
geeft hij de stukken onverwijld aan de
postoperator voor verdere verzending terug. In
het
andere
geval
wordt
gehandeld
overeenkomstig de artikelen 35 tot 39.
Het begrip " post " in de zin van dit artikel dient
te worden verstaan zoals het gedefinieerd is in
artikel 131, 6°, 7° en 11°, van de wet van 21
maart 1991 betreffende de hervorming van
sommige economische overheidsbedrijven.
§ 2. De procureur des Konings kan, bij een
schriftelijke en met redenen omklede beslissing
de medewerking van een postoperator vorderen
teneinde de maatregel bepaald in § 1 mogelijk
te maken. De postoperator is gehouden zijn
medewerking onverwijld te verlenen.
Hij bepaalt in zijn beslissing de duur van de
maatregel beoogd in de vorige paragraaf.
297
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn medewerking weigert
aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, wordt
gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot
een jaar en met geldboete van zesentwintig EUR
tot tienduizend EUR of met een van die straffen
alleen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn medewerking weigert
aan de vorderingen bedoeld in dit artikel, wordt
gestraft met een geldboete van honderd euro
tot dertigduizend euro.
Art. 46quater
Art. 46quater
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en de
wanbedrijven kan de procureur des Konings,
wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de
misdrijven
een
correctionele
hoofdgevangenisstraf van een jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de
noodzakelijke informatie over de producten,
diensten en verrichtingen van financiële aard en
betreffende virtuele waarden, die betrekking
hebben op een verdachte vorderen bij :
1° personen en instellingen als bedoeld in artikel
5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september
2017 tot voorkoming van het witwassen van
geld en de financiering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten;
2° personen en instellingen die binnen het
Belgisch grondgebied diensten beschikbaar
stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele
waarden die toelaten dat gereglementeerde
betaalmiddelen in virtuele waarden worden
uitgewisseld.
§ 2. Teneinde de maatregelen bedoeld in
paragraaf 1 mogelijk te maken, kan de procureur
des Konings op specifiek en met redenen
omkleed verzoek informatie opvragen die is
opgenomen in het centraal aanspreekpunt
gehouden door de Nationale Bank van België
overeenkomstig de wet van 8 juli 2018
houdende
organisatie
van
een
centraal
aanspreekpunt van rekeningen en financiële
contracten en tot uitbreiding van de toegang tot
het centraal bestand van berichten van beslag,
delegatie,
overdracht,
collectieve
schuldenregeling en protest.
§ 1. Bij het opsporen van de misdaden en de
wanbedrijven kan de procureur des Konings,
wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat de
misdrijven
een
correctionele
hoofdgevangenisstraf van een jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, de
noodzakelijke informatie over de producten,
diensten en verrichtingen van financiële aard en
betreffende virtuele waarden, die betrekking
hebben op een verdachte vorderen bij :
1° personen en instellingen als bedoeld in artikel
5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september
2017 tot voorkoming van het witwassen van
geld en de financiering van terrorisme en tot
beperking van het gebruik van contanten;
2° personen en instellingen die binnen het
Belgisch grondgebied diensten beschikbaar
stellen of aanbieden met betrekking tot virtuele
waarden die toelaten dat gereglementeerde
betaalmiddelen in virtuele waarden worden
uitgewisseld.
§ 2. Teneinde de maatregelen bedoeld in
paragraaf 1 mogelijk te maken, kan de procureur
des Konings op specifiek en met redenen
omkleed verzoek informatie opvragen die is
opgenomen in het centraal aanspreekpunt
gehouden door de Nationale Bank van België
overeenkomstig de wet van 8 juli 2018
houdende
organisatie
van
een
centraal
aanspreekpunt van rekeningen en financiële
contracten en tot uitbreiding van de toegang tot
het centraal bestand van berichten van beslag,
delegatie,
overdracht,
collectieve
schuldenregeling en protest.
2774/001
DOC 55
298
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Ingeval de noodwendigheden van het
opsporingsonderzoek
dit
vergen, kan
de
procureur des Konings bovendien vorderen dat :
1° gedurende een vernieuwbare periode van
maximum twee maanden de verrichtingen van
de verdachte onder toezicht worden geplaatst;
2° de bevraagde persoon of instelling de
tegoeden en verbintenissen met betrekking tot
de producten, diensten, verrichtingen en
waarden bedoeld in paragraaf 1 niet meer uit
handen mag geven voor een termijn die hij
bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de
termijn die loopt van het ogenblik waarop die
persoon of instelling kennis neemt van zijn
vordering tot vijf werkdagen na de kennisgeving
van de hier bedoelde gegevens door die persoon
of instelling.
De maatregel bedoeld in het eerste lid, 2°, kan
slechts gevorderd worden wanneer ernstige en
uitzonderlijke
omstandigheden
dit
verantwoorden en enkel in geval de opsporing
betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven
als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4.
§ 4. De procureur des Konings kan, bij een
schriftelijke en met redenen omklede beslissing,
de medewerking vorderen van de personen en
instellingen bedoeld in paragraaf 1. De
bevraagde instelling of persoon is gehouden zijn
medewerking onverwijld te verlenen. In zijn
beslissing beschrijft de procureur des Konings
nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en de
vorm waarin deze hem worden meegedeeld.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die de gegevens weigert mee te
delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering,
wordt
gestraft
met
een
gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en
met een geldboete van zesentwintig euro tot
tienduizend euro of met een van die straffen
alleen.
§ 3. Ingeval de noodwendigheden van het
opsporingsonderzoek
dit
vergen, kan
de
procureur des Konings bovendien vorderen dat :
1° gedurende een vernieuwbare periode van
maximum twee maanden de verrichtingen van
de verdachte onder toezicht worden geplaatst;
2° de bevraagde persoon of instelling de
tegoeden en verbintenissen met betrekking tot
de producten, diensten, verrichtingen en
waarden bedoeld in paragraaf 1 niet meer uit
handen mag geven voor een termijn die hij
bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de
termijn die loopt van het ogenblik waarop die
persoon of instelling kennis neemt van zijn
vordering tot vijf werkdagen na de kennisgeving
van de hier bedoelde gegevens door die persoon
of instelling.
De maatregel bedoeld in het eerste lid, 2°, kan
slechts gevorderd worden wanneer ernstige en
uitzonderlijke
omstandigheden
dit
verantwoorden en enkel in geval de opsporing
betrekking heeft op misdaden of wanbedrijven
als bedoeld in artikel 90ter, §§ 2 tot 4.
§ 4. De procureur des Konings kan, bij een
schriftelijke en met redenen omklede beslissing,
de medewerking vorderen van de personen en
instellingen bedoeld in paragraaf 1. De
bevraagde instelling of persoon is gehouden zijn
medewerking onverwijld te verlenen. In zijn
beslissing beschrijft de procureur des Konings
nauwkeurig de inlichtingen die hij vordert en de
vorm waarin deze hem worden meegedeeld.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die de gegevens weigert mee te
delen of niet meedeelt in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering, wordt gestraft met een geldboete
van honderd euro tot dertigduizend euro.
299
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 88bis
Art. 88bis
§ 1. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat
de
strafbare
feiten
een
correctionele
hoofdgevangenisstraf van één jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de
onderzoeksrechter van oordeel is dat er
omstandigheden zijn die het doen opsporen van
elektronische communicatie of het lokaliseren
van de oorsprong of de bestemming van
elektronische
communicatie
noodzakelijk
maken om de waarheid aan de dag te brengen,
kan hij:
1° de verkeersgegevens doen opsporen van
elektronische
communicatiemiddelen
van
waaruit
of
waarnaar
elektronische
communicaties worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van
elektronische communicatie laten lokaliseren.
Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de
door de Koning aangewezen politiedienst, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatienetwerk; en
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt
voor ieder elektronisch communicatiemiddel
waarvan
de
verkeersgegevens
worden
opgespoord of waarvan de oorsprong of de
bestemming van de elektronische communicatie
wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur,
en, indien nodig, de plaats van de elektronische
communicatie vastgesteld en opgenomen in een
proces-verbaal.
De onderzoeksrechter doet in een met redenen
omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke
omstandigheden van de zaak die de maatregel
rechtvaardigen, van de proportionaliteit met
inachtneming van de persoonlijke levenssfeer
§ 1. Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn dat
de
strafbare
feiten
een
correctionele
hoofdgevangenisstraf van één jaar of een
zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben en de
onderzoeksrechter van oordeel is dat er
omstandigheden zijn die het doen opsporen van
elektronische communicatie of het lokaliseren
van de oorsprong of de bestemming van
elektronische
communicatie
noodzakelijk
maken om de waarheid aan de dag te brengen,
kan hij:
1° de verkeersgegevens doen opsporen van
elektronische
communicatiemiddelen
van
waaruit
of
waarnaar
elektronische
communicaties worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van
elektronische communicatie laten lokaliseren.
Hiertoe kan hij zo nodig, rechtstreeks of via de
door de Koning aangewezen politiedienst, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatienetwerk; en
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
In de gevallen bedoeld in het eerste lid wordt
voor ieder elektronisch communicatiemiddel
waarvan
de
verkeersgegevens
worden
opgespoord of waarvan de oorsprong of de
bestemming van de elektronische communicatie
wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur,
en, indien nodig, de plaats van de elektronische
communicatie vastgesteld en opgenomen in een
proces-verbaal.
De onderzoeksrechter doet in een met redenen
omkleed bevelschrift opgave van de feitelijke
omstandigheden van de zaak die de maatregel
rechtvaardigen, van de proportionaliteit met
inachtneming van de persoonlijke levenssfeer
2774/001
DOC 55
300
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere
onderzoeksdaad.
Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor
de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee
maanden te rekenen vanaf het bevelschrift,
onverminderd
een
hernieuwing
en,
in
voorkomend geval, de periode in het verleden
waarover
de
vordering
zich
uitstrekt
overeenkomstig paragraaf 2.
In geval van ontdekking op heterdaad kan de
procureur des Konings de maatregel bevelen
voor de in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, bedoelde
strafbare feiten. In dat geval moet de maatregel
binnen vierentwintig uur worden bevestigd door
de onderzoeksrechter.
Indien het echter het in artikel 137, 347bis, 434
of 470 van het Strafwetboek bedoelde strafbare
feit betreft, met uitzondering van het in artikel
137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde
strafbare feit, kan de procureur des Konings de
maatregel bevelen zolang de heterdaadsituatie
duurt, zonder dat een bevestiging door de
onderzoeksrechter nodig is.
Indien het het in artikel 137 van het
Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft,
met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°,
van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit,
kan de procureur des Konings bovendien de
maatregel bevelen binnen de tweeënzeventig
uur na de ontdekking van dit strafbare feit,
zonder
dat
een
bevestiging
door
de
onderzoeksrechter nodig is.
De procureur des Konings kan evenwel de
maatregel bevelen indien de klager erom
verzoekt,
wanneer
deze
maatregel
onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een
strafbaar feit bedoeld in artikel 145, § 3 en § 3bis
van de wet van 13 juni 2005 betreffende de
elektronische communicatie.
In spoedeisende gevallen kan de maatregel
mondeling worden bevolen. Het bevel moet zo
spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm
bepaald in het vierde en vijfde lid.
§ 2.
en de subsidiariteit ten opzichte van elke andere
onderzoeksdaad.
Hij vermeldt ook de duur van de maatregel voor
de toekomst, die niet langer kan zijn dan twee
maanden te rekenen vanaf het bevelschrift,
onverminderd
een
hernieuwing
en,
in
voorkomend geval, de periode in het verleden
waarover
de
vordering
zich
uitstrekt
overeenkomstig paragraaf 2.
In geval van ontdekking op heterdaad kan de
procureur des Konings de maatregel bevelen
voor de in artikel 90ter, §§ 2, 3 en 4, bedoelde
strafbare feiten. In dat geval moet de maatregel
binnen vierentwintig uur worden bevestigd door
de onderzoeksrechter.
Indien het echter het in artikel 137, 347bis, 434
of 470 van het Strafwetboek bedoelde strafbare
feit betreft, met uitzondering van het in artikel
137, § 3, 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde
strafbare feit, kan de procureur des Konings de
maatregel bevelen zolang de heterdaadsituatie
duurt, zonder dat een bevestiging door de
onderzoeksrechter nodig is.
Indien het het in artikel 137 van het
Strafwetboek bedoelde strafbare feit betreft,
met uitzondering van het in artikel 137, § 3, 6°,
van hetzelfde Wetboek bedoelde strafbare feit,
kan de procureur des Konings bovendien de
maatregel bevelen binnen de tweeënzeventig
uur na de ontdekking van dit strafbare feit,
zonder
dat
een
bevestiging
door
de
onderzoeksrechter nodig is.
De procureur des Konings kan evenwel de
maatregel bevelen indien de klager erom
verzoekt,
wanneer
deze
maatregel
onontbeerlijk lijkt voor het vaststellen van een
strafbaar feit bedoeld in artikel 145, § 3 en § 3bis
van de wet van 13 juni 2005 betreffende de
elektronische communicatie.
In spoedeisende gevallen kan de maatregel
mondeling worden bevolen. Het bevel moet zo
spoedig mogelijk worden bevestigd in de vorm
bepaald in het vierde en vijfde lid.
§ 2.
301
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3.
§ 4. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen
de gegevens waarom verzocht werd mee in
werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het
tijdstip bepaald in de vordering, volgens de
nadere regels vastgesteld door de Koning, op
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn technische medewerking
aan de vorderingen bedoeld in dit artikel weigert
of niet verleent in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering, medewerking waarvan de nadere
regels vastgesteld worden door de Koning, op
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie,
wordt gestraft met geldboete van zesentwintig
euro tot tienduizend euro.
§ 3.
§ 4. De actoren bedoeld in § 1, tweede lid, delen
de gegevens waarom verzocht werd mee in
werkelijke tijd of, in voorkomend geval, op het
tijdstip bepaald in de vordering, volgens de
nadere regels vastgesteld door de Koning, op
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn technische medewerking
aan de vorderingen bedoeld in dit artikel weigert
of niet verleent in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering, medewerking waarvan de nadere
regels vastgesteld worden door de Koning, op
voorstel van de minister van Justitie en de
minister bevoegd voor Telecommunicatie,
wordt gestraft met een geldboete van honderd
euro tot dertigduizend euro.
Art. 88quater
Art. 88quater
§ 1. De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht
een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier
van de procureur des Konings en van de
arbeidsauditeur, kan aan eenieder van wie hij
vermoedt dat hij een bijzondere kennis hebben
van het informaticasysteem dat het voorwerp
uitmaakt van de zoeking of de uitbreiding ervan
bedoeld in artikel 88ter of van diensten om
gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen
door
middel
van
een
informaticasysteem,
te
beveiligen
of
te
versleutelen,
bevelen
inlichtingen
te
verstrekken over de werking ervan en over de
wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een
verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de
gegevens die door middel daarvan worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De
onderzoeksrechter
vermeldt
de
omstandigheden eigen aan de zaak die de
maatregel wettigen in een met redenen
omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de
§ 1. De onderzoeksrechter, of in zijn opdracht
een officier van gerechtelijke politie, hulpofficier
van de procureur des Konings en van de
arbeidsauditeur, kan aan eenieder van wie hij
vermoedt dat hij een bijzondere kennis hebben
van het informaticasysteem dat het voorwerp
uitmaakt van de zoeking of de uitbreiding ervan
bedoeld in artikel 88ter of van diensten om
gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen
door
middel
van
een
informaticasysteem,
te
beveiligen
of
te
versleutelen,
bevelen
inlichtingen
te
verstrekken over de werking ervan en over de
wijze om er toegang toe te verkrijgen, of in een
verstaanbare vorm toegang te verkrijgen tot de
gegevens die door middel daarvan worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen. De
onderzoeksrechter
vermeldt
de
omstandigheden eigen aan de zaak die de
maatregel wettigen in een met redenen
omkleed bevelschrift dat hij meedeelt aan de
2774/001
DOC 55
302
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
procureur
des
Konings
of
aan
de
arbeidsauditeur.
§ 2. De onderzoeksrechter, of een door hem
afgevaardigd officier van gerechtelijke politie,
hulpofficier van de procureur des Konings en van
de arbeidsauditeur, kan iedere geschikte
persoon
bevelen
om
zelf
het
informaticasysteem te bedienen of de ter zake
dienende gegevens, die door middel daarvan
worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen,
naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te
maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of
te verwijderen, in de door hem gevorderde
vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan
gevolg te geven, voorzover dit in hun
mogelijkheden ligt.
Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet
worden gegeven aan de verdachte en aan de
personen bedoeld in artikel 156.
§ 3. Hij die de in §§ 1 en 2 gevorderde
medewerking niet verleent of de zoeking in het
informaticasysteem of de uitbreiding ervan
hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van
zes maanden tot drie jaar en met geldboete van
zesentwintig euro tot twintigduizend euro of
met een van die straffen alleen.
Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste
lid de uitvoering van een misdaad of een
wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen
ervan kan beperken, en deze medewerking niet
verleend
wordt,
zijn
de
straffen
een
gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een
geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend
euro.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn
bediening kennis krijgt van de maatregel of
daaraan zijn medewerking verleent, is tot
geheimhouding verplicht. Iedere schending van
het geheim wordt gestraft overeenkomstig
artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk
voor de schade die onopzettelijk door de
gevorderde
personen
aan
een
informaticasysteem of de gegevens. die door
procureur
des
Konings
of
aan
de
arbeidsauditeur.
§ 2. De onderzoeksrechter, of een door hem
afgevaardigd officier van gerechtelijke politie,
hulpofficier van de procureur des Konings en van
de arbeidsauditeur, kan iedere geschikte
persoon
bevelen
om
zelf
het
informaticasysteem te bedienen of de ter zake
dienende gegevens, die door middel daarvan
worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen,
naargelang het geval, te zoeken, toegankelijk te
maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of
te verwijderen, in de door hem gevorderde
vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan
gevolg te geven, voorzover dit in hun
mogelijkheden ligt.
Het bevel bedoeld in het eerste lid kan niet
worden gegeven aan de verdachte en aan de
personen bedoeld in artikel 156.
§ 3. Hij die de in §§ 1 en 2 gevorderde
medewerking niet verleent of de zoeking in het
informaticasysteem of de uitbreiding ervan
hindert, wordt gestraft met een geldboete van
honderd tot dertigduizend euro.
Wanneer de medewerking bedoeld in het eerste
lid de uitvoering van een misdaad of een
wanbedrijf kan verhinderen, of de gevolgen
ervan kan beperken, en deze medewerking niet
verleend
wordt,
zijn
de
straffen
een
gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een
geldboete van vijfhonderd tot vijftigduizend
euro of een van die straffen alleen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn
bediening kennis krijgt van de maatregel of
daaraan zijn medewerking verleent, is tot
geheimhouding verplicht. Iedere schending van
het geheim wordt gestraft overeenkomstig
artikel 458 van het Strafwetboek.
§ 5. De Staat is burgerrechtelijk aansprakelijk
voor de schade die onopzettelijk door de
gevorderde
personen
aan
een
informaticasysteem of de gegevens. die door
303
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen, wordt veroorzaakt.
middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of
overgedragen, wordt veroorzaakt.
Art. 90quater
Art. 90quater
§ 1. Voor iedere maatregel op grond van artikel
90ter wordt vooraf een met redenen omklede
schriftelijke machtiging gegeven door de
onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de
procureur des Konings.
De machtiging wordt gedagtekend en vermeldt:
1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen
aan de zaak, die de maatregel wettigen
overeenkomstig artikel 90ter;
2°
de
redenen
waarom
de
maatregel
onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te
brengen;
3° de persoon, het communicatiemiddel, het
informaticasysteem of de plaats die het
voorwerp is van de maatregel;
4° de periode tijdens welke de maatregel kan
worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn
dan één maand. Deze termijn vangt aan de dag
van de machtiging waarbij de maatregel wordt
bevolen, of, in geval van artikel 90quinquies,
eerste lid, verlengd, en loopt tot en met de dag
voor de zoveelste van de daarop volgende
maand;
5° de naam en de hoedanigheid van de officier
of
officieren
van
gerechtelijke
politie
aangewezen voor de uitvoering van de
maatregel.
In spoedeisende gevallen kan de machtiging
mondeling worden verleend. Deze machtiging
wordt uiterlijk binnen vierentwintig uren
bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid.
§ 2. De onderzoeksrechter kan, om de maatregel
bedoeld in artikel 90ter, § 1, mogelijk te maken,
rechtstreeks of via de tussenkomst van een
politiedienst aangewezen door de Koning, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatie-netwerk;
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
§ 1. Voor iedere maatregel op grond van artikel
90ter wordt vooraf een met redenen omklede
schriftelijke machtiging gegeven door de
onderzoeksrechter die deze meedeelt aan de
procureur des Konings.
De machtiging wordt gedagtekend en vermeldt:
1° de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen
aan de zaak, die de maatregel wettigen
overeenkomstig artikel 90ter;
2°
de
redenen
waarom
de
maatregel
onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te
brengen;
3° de persoon, het communicatiemiddel, het
informaticasysteem of de plaats die het
voorwerp is van de maatregel;
4° de periode tijdens welke de maatregel kan
worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn
dan één maand. Deze termijn vangt aan de dag
van de machtiging waarbij de maatregel wordt
bevolen, of, in geval van artikel 90quinquies,
eerste lid, verlengd, en loopt tot en met de dag
voor de zoveelste van de daarop volgende
maand;
5° de naam en de hoedanigheid van de officier
of
officieren
van
gerechtelijke
politie
aangewezen voor de uitvoering van de
maatregel.
In spoedeisende gevallen kan de machtiging
mondeling worden verleend. Deze machtiging
wordt uiterlijk binnen vierentwintig uren
bevestigd in de vorm bepaald in het tweede lid.
§ 2. De onderzoeksrechter kan, om de maatregel
bedoeld in artikel 90ter, § 1, mogelijk te maken,
rechtstreeks of via de tussenkomst van een
politiedienst aangewezen door de Koning, de
medewerking vorderen van:
-
de
operator
van
een
elektronisch
communicatie-netwerk;
- iedereen die binnen het Belgisch grondgebied,
op welke wijze ook, een dienst beschikbaar stelt
of aanbiedt, die bestaat in het overbrengen van
signalen
via
elektronische
communicatienetwerken, of er in bestaat
gebruikers toe te laten via een elektronisch
2774/001
DOC 55
304
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn technische medewerking
aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid
weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering,
medewerking
waarvan
de
modaliteiten vastgesteld worden door de
Koning, op voorstel van de minister van Justitie
en de minister bevoegd voor Telecommunicatie,
wordt gestraft met geldboete van zesentwintig
euro tot twintigduizend euro.
§ 3. De onderzoeksrechter mag voor de
tenuitvoerlegging van de maatregel bedoeld in
artikel 90ter, § 1, alleen officieren van
gerechtelijke politie aanwijzen. Deze kunnen
zich echter laten bijstaan door agenten van
gerechtelijke politie en, onder de voorwaarden
door de Koning bepaald, door personeelsleden
van het administratief en logistiek kader van de
geïntegreerde
politie.
De
laatstgenoemde
personen mogen niet belast worden met de
analyse van de inhoud van de opgenomen
communicatie of gegevens, tenzij het een
specifieke expertise betreft, of met de selectie
van voor het onderzoek van belang geachte
delen, zoals bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°.
De officieren van gerechtelijke politie houden de
namen bij van de personen door wie zij zich
laten bijstaan, in een lijst die voor elk dossier
afzonderlijk wordt opgesteld volgens de nadere
regels door de Koning bepaald, na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. Indien deze personen
belast zijn met de uitvoering van het bevel
bedoeld in artikel 90ter, § 1, derde lid, worden
hun namen niet vermeld in het gerechtelijk
dossier.
communicatienetwerk informatie te verkrijgen
of te ontvangen of te verspreiden. Hieronder
wordt ook de verstrekker van een elektronische
communicatiedienst begrepen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn
medewerking verleent, is tot geheimhouding
verplicht. Iedere schending van het geheim
wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van
het Strafwetboek.
Iedere persoon die zijn technische medewerking
aan de vorderingen bedoeld in het eerste lid
weigert of niet verleent in werkelijke tijd of, in
voorkomend geval, op het tijdstip bepaald in de
vordering,
medewerking
waarvan
de
modaliteiten vastgesteld worden door de
Koning, op voorstel van de minister van Justitie
en de minister bevoegd voor Telecommunicatie,
wordt gestraft met een geldboete van honderd
euro tot dertigduizend euro.
§ 3. De onderzoeksrechter mag voor de
tenuitvoerlegging van de maatregel bedoeld in
artikel 90ter, § 1, alleen officieren van
gerechtelijke politie aanwijzen. Deze kunnen
zich echter laten bijstaan door agenten van
gerechtelijke politie en, onder de voorwaarden
door de Koning bepaald, door personeelsleden
van het administratief en logistiek kader van de
geïntegreerde
politie.
De
laatstgenoemde
personen mogen niet belast worden met de
analyse van de inhoud van de opgenomen
communicatie of gegevens, tenzij het een
specifieke expertise betreft, of met de selectie
van voor het onderzoek van belang geachte
delen, zoals bedoeld in artikel 90sexies, § 1, 2°.
De officieren van gerechtelijke politie houden de
namen bij van de personen door wie zij zich
laten bijstaan, in een lijst die voor elk dossier
afzonderlijk wordt opgesteld volgens de nadere
regels door de Koning bepaald, na advies van de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer. Indien deze personen
belast zijn met de uitvoering van het bevel
bedoeld in artikel 90ter, § 1, derde lid, worden
hun namen niet vermeld in het gerechtelijk
dossier.
305
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De aangewezen officieren van gerechtelijke
politie brengen ten minste om de vijf dagen
schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter
over de tenuitvoerlegging van de machtiging.
§ 4. De onderzoeksrechter kan personen van wie
hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis
hebben van het communicatiemiddel of het
informaticasysteem
waarop
de
maatregel
betrekking
heeft
of
van
diensten
of
toepassingen
om
gegevens,
die
worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een
communicatiemiddel
of
een
informaticasysteem, te beveiligen, te coderen of
te
versleutelen,
rechtstreeks
of
via
de
tussenkomst van een politiedienst aangewezen
door de Koning, vorderen inlichtingen te
verlenen over de werking ervan en over de wijze
om in een verstaanbare vorm toegang te
verkrijgen tot de inhoud ervan die wordt of is
overgebracht.
Hij kan personen vorderen om deze inhoud
toegankelijk te maken in de door hem gewenste
vorm.
Iedere persoon die zijn technische medewerking
weigert aan de vorderingen bedoeld in het
eerste en tweede lid, wordt gestraft met
gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en
met geldboete van zesentwintig euro tot
twintigduizend euro of met een van die straffen
alleen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of gevorderd
wordt zijn technische medewerking te verlenen,
is
tot
geheimhouding
verplicht.
Iedere
schending van het geheim wordt gestraft
overeenkomstig
artikel
458
van
het
Strafwetboek.
De aangewezen officieren van gerechtelijke
politie brengen ten minste om de vijf dagen
schriftelijk verslag uit aan de onderzoeksrechter
over de tenuitvoerlegging van de machtiging.
§ 4. De onderzoeksrechter kan personen van wie
hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis
hebben van het communicatiemiddel of het
informaticasysteem
waarop
de
maatregel
betrekking
heeft
of
van
diensten
of
toepassingen
om
gegevens,
die
worden
opgeslagen, verwerkt of overgedragen via een
communicatiemiddel
of
een
informaticasysteem, te beveiligen, te coderen of
te
versleutelen,
rechtstreeks
of
via
de
tussenkomst van een politiedienst aangewezen
door de Koning, vorderen inlichtingen te
verlenen over de werking ervan en over de wijze
om in een verstaanbare vorm toegang te
verkrijgen tot de inhoud ervan die wordt of is
overgebracht.
Hij kan personen vorderen om deze inhoud
toegankelijk te maken in de door hem gewenste
vorm.
Iedere
persoon
die
zijn
technische
medewerking weigert aan de vorderingen
bedoeld in het eerste en tweede lid, of de
maatregel bedoeld in artikel 90ter, § 1, hindert,
wordt gestraft met een geldboete van honderd
euro tot dertigduizend euro.
Wanneer de medewerking bedoeld in het
eerste en tweede lid de uitvoering van een
misdaad of een wanbedrijf kan verhinderen, of
de gevolgen ervan kan beperken, en deze
medewerking niet verleend wordt, zijn de
straffen een gevangenisstraf van één tot vijf
jaar en een geldboete van vijfhonderd tot
vijftigduizend euro of een van die straffen
alleen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening
kennis krijgt van de maatregel of gevorderd
wordt zijn technische medewerking te verlenen,
is
tot
geheimhouding
verplicht.
Iedere
schending van het geheim wordt gestraft
overeenkomstig
artikel
458
van
het
Strafwetboek.
2774/001
DOC 55
306
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 5. In voorkomend geval is artikel 39bis, § 3,
vierde
lid
toepasbaar
op
de
gegevens,
aangetroffen
door
een
zoeking
in
een
informaticasysteem met toepassing van artikel
90ter, § 1.
§ 5. In voorkomend geval is artikel 88ter, vierde
lid toepasbaar op de gegevens, aangetroffen
door een zoeking in een informaticasysteem
met toepassing van artikel 90ter, § 1.
Art. 136bis
Art. 136bis
De procureur des Konings doet verslag aan de
procureur-generaal
omtrent
alle
zaken
waarover de raadkamer geen uitspraak heeft
gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste
vordering.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor
het goede verloop van het onderzoek, de
wettigheid of de regelmatigheid van de
procedure, doet de procureur-generaal te allen
tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling
de vorderingen die hij nuttig acht.
In
dat
geval
kan
de
kamer
van
inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, de bij
de artikelen 136, 235 en 235bis bepaalde
maatregelen nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan de
onderzoeksrechter in zijn verslag horen, buiten
de aanwezigheid van de partijen indien zij dat
nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke
partij,
de
inverdenkinggestelde
en
hun
advocaten horen, na kennisgeving die hen door
de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de
zitting per faxpost of bij een ter post
aangetekende brief wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan
beslissen dat de inverdenkinggestelde die zich in
voorlopige
hechtenis
bevindt
in
een
videoconferentie verschijnt.
De procureur des Konings doet verslag aan de
procureur-generaal
omtrent
alle
zaken
waarover de raadkamer geen uitspraak heeft
gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste
vordering.
Indien hij oordeelt dat het noodzakelijk is voor
het goede verloop van het onderzoek, de
wettigheid of de regelmatigheid van de
procedure, doet de procureur-generaal te allen
tijde voor de kamer van inbeschuldigingstelling
de vorderingen die hij nuttig acht.
In
dat
geval
kan
de
kamer
van
inbeschuldigingstelling, zelfs ambtshalve, de bij
de artikelen 136, 235 en 235bis bepaalde
maatregelen nemen.
De procureur-generaal wordt gehoord.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan de
onderzoeksrechter in zijn verslag horen, buiten
de aanwezigheid van de partijen indien zij dat
nuttig acht. Zij kan eveneens de burgerlijke
partij,
de
inverdenkinggestelde
en
hun
advocaten horen, na kennisgeving die hen door
de griffier ten laatste achtenveertig uur voor de
zitting per faxpost, bij gewone brief of langs
elektronische weg wordt gedaan.
De kamer van inbeschuldigingstelling kan
beslissen dat de inverdenkinggestelde die zich in
voorlopige
hechtenis
bevindt
in
een
videoconferentie verschijnt.
Art. 162ter
Art. 162ter
Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen
de beklaagde en tegen de personen die voor het
misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, geeft
aanleiding
tot
de
betaling
van
de
administratieve toeslag bedoeld in het zevende
lid van artikel 216bis, § 1, indien de voorgestelde
minnelijke schikking bepaald in dat artikel niet
kan worden uitgevoerd of bekrachtigd.
Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen
de beklaagde en tegen de personen die voor
het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn,
geeft aanleiding tot de betaling van de
administratieve toeslag zoals bedoeld in titel 4
van de programmawet van 21 juni 2021, indien
de voorgestelde minnelijke schikking zoals
bepaald in artikel 216bis niet kan worden
307
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hetzelfde geldt wanneer, in het geval van
inbreuken op de wet van 16 maart 1968
betreffende de politie over het wegverkeer en
op de reglementen aangenomen krachtens deze
wet, deze inbreuken niet het voorwerp hebben
uitgemaakt van een onmiddellijke inning
bedoeld in artikel 65, § 1, tweede lid, van de wet
van 16 maart 1968 betreffende de politie van
het wegverkeer, noch van een minnelijke
schikking bedoeld in artikel 216bis van het
Wetboek van strafvordering. Het bedrag van de
administratieve toeslag bedraagt in dat geval
25,32 euro.
De in het eerste lid bedoelde administratieve
toeslag wordt opeisbaar op datum van de
veroordeling.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde
administratieve toeslag wordt elk jaar op 1
januari automatisch aangepast in functie van de
evolutie van de consumptieprijsindex van de
maand november van het voorgaande jaar.
De in het eerste lid bedoelde administratieve
toeslag
wordt
ingevorderd
door
de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën die belast is met de inning en
invordering van fiscale en niet-fiscale schulden,
volgens de regels die van toepassing zijn met
betrekking
tot
de
invordering
van
strafrechtelijke boetes.
uitgevoerd of bekrachtigd. Het bedrag van de
administratieve toeslag bedraagt 25,32euro.
Hetzelfde geldt wanneer, in het geval van
inbreuken op de wet van 16 maart 1968
betreffende de politie over het wegverkeer en
op de reglementen aangenomen krachtens deze
wet, deze inbreuken niet het voorwerp hebben
uitgemaakt van een onmiddellijke inning
bedoeld in artikel 65, § 1, tweede lid, van de wet
van 16 maart 1968 betreffende de politie van
het wegverkeer, noch van een minnelijke
schikking bedoeld in artikel 216bis van het
Wetboek van strafvordering. Het bedrag van de
administratieve toeslag bedraagt in dat geval
25,32 euro.
De in het eerste lid bedoelde administratieve
toeslag wordt opeisbaar op datum van de
veroordeling.
Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde
administratieve toeslag wordt elk jaar op 1
januari automatisch aangepast in functie van de
evolutie van de consumptieprijsindex van de
maand november van het voorgaande jaar.
De in het eerste lid bedoelde administratieve
toeslag
wordt
ingevorderd
door
de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën die belast is met de inning en
invordering van fiscale en niet-fiscale schulden,
volgens de regels die van toepassing zijn met
betrekking
tot
de
invordering
van
strafrechtelijke boetes.
Art. 196/1
Art. 196/1
De griffier overhandigt aan het openbaar
ministerie een uittreksel uit elk vonnis of arrest
dat in kracht van gewijsde is gegaan en een
veroordeling tot een vrijheidsstraf inhoudt.
Wanneer
een
zelfde
vonnis
of
arrest
verscheidene personen tot een vrijheidsstraf
heeft veroordeeld en die voor sommigen onder
hen definitief is geworden, wordt voor de
betrokken personen een uittreksel aan het
openbaar ministerie bezorgd.
Wanneer verscheidene personen, die door een
zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, hun
De griffier overhandigt aan het openbaar
ministerie een uittreksel uit elk vonnis of arrest
dat in kracht van gewijsde is gegaan en een
veroordeling tot een vrijheidsstraf inhoudt.
Wanneer
een
zelfde
vonnis
of
arrest
verscheidene personen tot een vrijheidsstraf
heeft veroordeeld en die voor sommigen onder
hen definitief is geworden, wordt voor de
betrokken personen een uittreksel aan het
openbaar ministerie bezorgd.
Wanneer verscheidene personen, die door een
zelfde vonnis of arrest zijn veroordeeld, hun
2774/001
DOC 55
308
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
straf in verschillende strafinrichtingen moeten
ondergaan, kan het openbaar ministerie zich
voor elke inrichting een uittreksel doen
afleveren.
Binnen drie dagen stuurt de griffier, langs
elektronische weg of bij gewone brief, aan de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën belast met de inning en de invordering
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen een
uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht
van gewijsde is gegaan en een pecuniaire
veroordeling inhoudt, als bedoeld in het achtste
lid.
Daarenboven
stuurt
de
griffier,
langs
elektronische weg of bij gewone brief, een kopie
van elk veroordelend vonnis dat de bijzondere
verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel
197bis inhoudt, evenals een kopie van het
uittreksel ervan, aan het Centraal Orgaan voor
de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.
Binnen dezelfde termijn stuurt de griffier aan de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën belast met de inning en de invordering
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen,
verantwoordelijk voor de werking van de
gegevensbank
penale
boeten,
verbeurdverklaringen en gerechtskosten in
strafzaken, langs elektronische weg of bij
gewone brief, de elementen die vervat zijn in elk
uittreksel, en die noodzakelijk zijn voor de
verwerking van de gegevens betreffende de
pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het
achtste lid.
Wanneer
een
zelfde
vonnis
of
arrest
verscheidene personen veroordeeld heeft tot
pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het
achtste lid, en die veroordelingen voor de enen
definitief zijn geworden zonder het voor de
anderen te zijn, wordt met betrekking tot het
definitief geworden gedeelte van het vonnis of
arrest gehandeld zoals bepaald in het vierde tot
het zesde lid.
Onder een pecuniaire veroordeling wordt elke
veroordeling verstaan tot een geldboete, tot een
verbeurdverklaring van een geldsom die een
terugvorderbare schuldvordering inhoudt op
straf in verschillende strafinrichtingen moeten
ondergaan, kan het openbaar ministerie zich
voor elke inrichting een uittreksel doen
afleveren.
Binnen drie dagen stuurt de griffier, langs
elektronische weg of bij gewone brief, aan de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën belast met de inning en de invordering
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen een
uittreksel uit elk vonnis of arrest dat in kracht
van gewijsde is gegaan en een pecuniaire
veroordeling inhoudt, als bedoeld in het achtste
lid.
Daarenboven
stuurt
de
griffier,
langs
elektronische weg of bij gewone brief, een kopie
van elk veroordelend vonnis dat de bijzondere
verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel
197bis inhoudt, evenals een kopie van het
uittreksel ervan, aan het Centraal Orgaan voor
de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.
Binnen dezelfde termijn stuurt de griffier aan de
administratie van de Federale Overheidsdienst
Financiën belast met de inning en de invordering
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen,
verantwoordelijk voor de werking van de
gegevensbank
penale
boeten,
verbeurdverklaringen en gerechtskosten in
strafzaken, langs elektronische weg of bij
gewone brief, de elementen die vervat zijn in elk
uittreksel, en die noodzakelijk zijn voor de
verwerking van de gegevens betreffende de
pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het
achtste lid.
Wanneer
een
zelfde
vonnis
of
arrest
verscheidene personen veroordeeld heeft tot
pecuniaire veroordelingen, als bedoeld in het
achtste lid, en die veroordelingen voor de enen
definitief zijn geworden zonder het voor de
anderen te zijn, wordt met betrekking tot het
definitief geworden gedeelte van het vonnis of
arrest gehandeld zoals bepaald in het vierde tot
het zesde lid.
Onder een pecuniaire veroordeling wordt elke
veroordeling verstaan tot een geldboete, tot een
verbeurdverklaring van een geldsom die een
terugvorderbare schuldvordering inhoudt op
309
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het vermogen van de veroordeelde, tot de
gerechtskosten,
een
bijdrage
of
een
administratieve toeslag.
het vermogen van de veroordeelde, tot de
gerechtskosten, of een bijdrage of een
administratieve toeslag.
Art. 203
Art. 203
§ 1. Behoudens de uitzondering van artikel 205
hierna, vervalt het recht van hoger beroep,
indien de verklaring van hoger beroep niet
gedaan is op de griffie van de rechtbank die het
vonnis heeft gewezen, uiterlijk dertig dagen na
de dag van die uitspraak en indien het vonnis bij
verstek is gewezen, uiterlijk dertig dagen na de
dag
van
de
betekening
ervan
aan
de
veroordeelde partij of aan haar woonplaats.
Het openbaar ministerie beschikt over een
bijkomende termijn van tien dagen om hoger
beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de
burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger
beroep heeft ingesteld.
§ 2. Is het hoger beroep tegen de burgerlijke
partij gericht, dan beschikt deze over een
bijkomende termijn van tien dagen om hoger
beroep in te stellen tegen de beklaagden en de
burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij
in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar
recht
incidenteel
beroep
in
te
stellen
overeenkomstig § 4.
§ 1. Het recht van hoger beroep vervalt indien
de verklaring van hoger beroep niet gedaan is op
de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft
gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van die
uitspraak en indien het vonnis bij verstek is
gewezen, uiterlijk dertig dagen na de dag van de
betekening ervan aan de veroordeelde partij of
aan haar woonplaats.
Opgeheven.
§2. Indien de beklaagde of de burgerrechtelijk
aansprakelijke partij hoger beroep heeft
ingesteld beschikt het openbaar ministerie
over een bijkomende termijn van tien dagen
om hoger beroep in te stellen. Deze termijn
loopt
vanaf
het
verstrijken
van
de
beroepstermijn van de beklaagde of de
burgerrechtelijk aansprakelijke partij.
Indien het openbaar ministerie hoger beroep
heeft aangetekend beschikken de beklaagde en
de burgerrechtelijk aansprakelijke partij over
een bijkomende termijn van tien dagen om
hoger beroep aan te tekenen. Deze termijn
loopt
vanaf
het
verstrijken
van
de
beroepstermijn van het openbaar ministerie.
Is het hoger beroep tegen de burgerlijke partij
gericht, dan beschikt deze over de bijkomende
termijn van tien dagen om hoger beroep in te
stellen
tegen
de
beklaagden
en
de
burgerrechtelijk aansprakelijke personen die zij
in de zaak wil doen blijven, onverminderd haar
recht
incidenteel
beroep
in
te
stellen
overeenkomstig paragraaf 4. Deze termijn
loopt
vanaf
het
verstrijken
van
de
beroepstermijn van de beklaagde of de
burgerrechtelijk aansprakelijke partij die het
hoofdberoep hebben ingesteld.
2774/001
DOC 55
310
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Gedurende die termijnen en gedurende de
rechtspleging in hoger beroep wordt de
tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De
vonnissen over de strafvordering, buiten die van
veroordeling,
vrijspraak
of
ontslag
van
rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de
burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij
een
speciaal
gemotiveerde
beslissing
uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad
niettegenstaande hoger beroep.
§ 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke
rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter
in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de
terechtzitting genomen conclusie incidenteel
beroep instellen zolang de debatten in hoger
beroep niet gesloten zijn.
§ 3. Gedurende die termijnen en gedurende de
rechtspleging in hoger beroep wordt de
tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. De
vonnissen over de strafvordering, buiten die van
veroordeling,
vrijspraak
of
ontslag
van
rechtsvervolging, alsook de vonnissen over de
burgerlijke rechtsvordering kunnen echter bij
een
speciaal
gemotiveerde
beslissing
uitvoerbaar verklaard worden bij voorraad
niettegenstaande hoger beroep.
§ 4. In alle gevallen waarin de burgerlijke
rechtsvordering gebracht wordt voor de rechter
in hoger beroep, kan de gedaagde bij een op de
terechtzitting genomen conclusie incidenteel
beroep instellen zolang de debatten in hoger
beroep niet gesloten zijn.
Art. 205
Art. 205
Het openbaar ministerie bij het hof of de
rechtbank die van het beroep kennis moet
nemen, moet, op straffe van verval, binnen [1
veertig dagen]1 te rekenen van de uitspraak van
het vonnis, zijn beroep betekenen, hetzij aan de
beklaagde, hetzij aan de voor het misdrijf
burgerrechtelijk aansprakelijke partij. [1 Het
exploot bevat dagvaarding. In het kader van de
procedure
van
onmiddellijke
verschijning
bedoeld in artikel 216quinquies gebeurt deze
dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van
de uitspraak van het vonnis.]1. [2 Het openbaar
ministerie geeft nauwkeurig de grieven aan die
tegen
het
vonnis
worden
ingebracht
overeenkomstig artikel 204
Opgeheven.
Art. 258/1
Art. 258/1 (nieuw)
§ 1. De voorzitter kan beslissen, in het belang
van een goede rechtsbedeling, hetzij door de
onevenredigheid
tussen
de
fysieke
onthaalcapaciteit van het hof van assisen en
het aantal procespartijen, hetzij door het groot
aantal slachtoffers met de buitenlandse
nationaliteit,
dat
het
verloop
van
de
terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van
een geluidsopname of van een audiovisuele
opname die de uitgestelde uitzending ervan
mogelijk maakt,
door
middel van
een
telecommunicatiemiddel
dat
de
vertrouwelijkheid
van
de
verzending
garandeert, voor de slachtoffers en hun
311
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
advocaten die om de toegang tot de uitzending
hebben verzocht. Hij motiveert zijn beslissing
rekening houdend met de voormelde criteria.
§ 2. De voorzitter kan evenwel verbieden om
alle of een deel van de debatten uit te zenden
om de sereniteit van de debatten te
garanderen of om de verstoring van de
openbare orde te voorkomen en kan om die
reden
de
uitzending
ten
allen
tijde
onderbreken.
§ 3. Het opnemen van deze opname of het
uitzenden ervan aan derden wordt bestraft met
een gevangenisstraf van zes maanden tot twee
jaar en met geldboete van tweehonderd euro
tot tienduizend euro of met een van die
straffen alleen.
§ 4. Wanneer de voorzitter beslist om dit
artikel toe te passen, wordt dit met alle
passende middelen meegedeeld aan de
gekende slachtoffers en hun advocaten. De
slachtoffers en hun advocaten moeten ten
minste acht dagen voor aanvang van de zitting
aan de griffie of aan het parket meedelen dat
zij de uitzending van de geluidsopname of van
de
audiovisuele
opname
van
de
terechtzittingen willen ontvangen.
§ 5. Wanneer de slachtoffers en hun advocaten
worden geïnformeerd over de praktische
modaliteiten van toegang tot de uitzending van
de debatten worden zij expliciet op de hoogte
gebracht van de bepaling in paragraaf 3.
§6. Het gebruik van het systeem vereist de
verwerking van de volgende gegevens:
1° Voor elke verschijnende natuurlijke persoon:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) in voorkomend geval, de geboortedatum en
– plaats;
c) in voorkomend geval, de woonplaats;
d)
in
voorkomend
geval,
het
rijksregisternummer;
e)
in
voorkomend
geval,
het
ondernemingsnummer van de onderneming
die hij vertegenwoordigt;
f) in voorkomend geval, het adres van
maatschappelijke zetel van de onderneming
die hij vertegenwoordigt.
2774/001
DOC 55
312
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° voor elke gebruiker, de metagegevens
gegenereerd door de connectie met het
systeem;
3° de afbeelding en de stem van de personen
die deelnemen aan de zitting;
4° de gegevens, met inbegrip van de
persoonsgegevens, meegedeeld in de loop van
de zitting.
§7. De gegevens worden bewaard voor de duur
van het proces en de opnames kunnen in geen
geval langer dan een jaar worden bewaard.
Art. 258/2
Art. 258/2 (nieuw)
Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel
258/1 kan de voorzitter beslissen dat het
verloop van de terechtzitting het voorwerp zal
uitmaken van een geluidsopname of van een
audiovisuele opname wanneer deze opname
van belang is voor het aanleggen van
historische justitiearchieven.
In geval van geluidsopname of audiovisuele
opname, zoals voorzien in het vorige lid en in
artikel 258/1, wordt de digitale drager met de
volledige opname van de debatten, na het
sluiten van de debatten, bij het strafdossier
gevoegd.
Wijzigingen van het Strafwetboek
Hoofdstuk IX. Verzachtende omstandigheden
Hoofdstuk IX. Verzwarende omstandigheden,
verzwarende
factoren
en
verzachtende
omstandigheden
Art. 78bis
Art. 78bis (nieuw)
Indien de wet voorziet in verzwarende
factoren, moet de rechter deze factoren in
overweging nemen wanneer hij de straf of de
maatregel en de zwaarte ervan kiest, zonder
dat hij een straf kan opleggen die hoger is dan
de maximumstraf op dit misdrijf gesteld.
Art. 78ter
Art. 78ter (nieuw)
De discriminerende drijfveer van de dader is
een verzwarende factor bij alle misdrijven,
behoudens in die gevallen waarin de wet van
de discriminerende drijfveer een verzwarende
omstandigheid maakt.
313
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Een misdrijf wordt geacht te zijn gepleegd
vanuit een discriminerende drijfveer wanneer
een van de drijfveren van de dader bestaat
uit de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale
of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 405quater
Art. 405quater
Wanneer een van de drijfveren van de misdaad
of het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht, zijn geslachtsverandering, zijn seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte,
zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal,
zijn
politieke
overtuiging,
zijn
syndicale
overtuiging,
een
fysieke
of
genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst, zijn de
straffen de volgende:
Wanneer een van de drijfveren van de dader
bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of
de vijandigheid tegen een persoon wegens
diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst,
nationale
of
etnische
afstamming,
nationaliteit,
geslacht,
zwangerschap,
bevalling, het geven van borstvoeding, medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie,
seksekenmerken,
seksuele
geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke
overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of
genetische eigenschap of sociale afkomst en
positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk
aanwezig is of slechts vermeend is door de
dader, zijn de straffen de volgende:
2774/001
DOC 55
314
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in de in artikel 393 bedoelde gevallen is de
straf levenslange opsluiting;
1° in de in artikel 393 bedoelde gevallen is de
straf levenslange opsluiting;
2° in de in de artikelen 398, 399, 405 en 405bis,
1° tot 3°, bedoelde gevallen wordt de in
voornoemde artikelen bedoelde maximale
gevangenisstraf verdubbeld met een maximum
van vijf jaar en de maximale geldboete
verdubbeld met een maximum van vijfhonderd
euro;
2° in de in de artikelen 398, 399, 405 en 405bis,
1° tot 3°, bedoelde gevallen wordt de in
voornoemde artikelen bedoelde maximale
gevangenisstraf verdubbeld met een maximum
van vijf jaar en de maximale geldboete
verdubbeld met een maximum van vijfhonderd
euro;
3° in de in de artikelen 400, eerste lid, 402 en
405bis, 4°, bedoelde gevallen is de straf
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;
3° in de in de artikelen 400, eerste lid, 402 en
405bis, 4°, bedoelde gevallen is de straf
opsluiting van vijf jaar tot tien jaar;
4° in de in de artikelen 400, tweede lid, 401,
eerste lid, 403, 405bis, 5° en 9°, bedoelde
gevallen is de straf opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar;
4° in de in de artikelen 400, tweede lid, 401,
eerste lid, 403, 405bis, 5° en 9°, bedoelde
gevallen is de straf opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar;
5° in de in de artikelen 401, tweede lid, 405bis,
6°, 7° en 10°, bedoelde gevallen is de straf
opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;
5° in de in de artikelen 401, tweede lid, 405bis,
6°, 7° en 10°, bedoelde gevallen is de straf
opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar;
6° in de in de artikelen 404, 405bis, 8° en 11°,
bedoelde gevallen is de straf opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar.
6° in de in de artikelen 404, 405bis, 8° en 11°,
bedoelde gevallen is de straf opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 422quater
Art. 422quater
In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en
422ter kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde
correctionele
straffen
worden
verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van
de misdaad of het wanbedrijf bestaat in de haat
tegen, het misprijzen van of de vijandigheid
tegen een persoon wegens diens zogenaamd
ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale
of etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
In de gevallen bepaald in de artikelen 422bis en
422ter kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde
correctionele
straffen
worden
verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van
de dader bestaat uit de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon
wegens
diens
zogenaamd
ras,
huidskleur, afkomst, nationale of etnische
afstamming,
nationaliteit,
geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
315
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 438bis
Art. 438bis
In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de bij die artikelen bepaalde
straffen worden verdubbeld in geval van
correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de bij die artikelen bepaalde
straffen worden verdubbeld in geval van
correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale
of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
2774/001
DOC 55
316
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 442/1
Art. 442/1
§ 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een
maand en met geldboete van zesentwintig euro
tot honderd euro of met een van die straffen
alleen wordt gestraft hij die, zonder een bevel
van de overheid hetzij zonder toestemming van
een houder van een titel die of een recht dat
toegang verschaft tot de betrokken plaats of
gebruik van of verblijf in het betrokken goed
toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het
toelaat, op eender welke manier andermans
niet bewoonde huis, appartement, kamer of
verblijf, of de aanhorigheden ervan of enige
andere niet bewoonde ruimte of andermans
roerend goed dat al dan niet als verblijf kan
dienen, hetzij binnendringt, hetzij bezet, hetzij
erin verblijft zonder zelf houder te zijn van
voormelde titel of recht.
§ 2. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot
tweehonderd euro of met een van die straffen
alleen wordt gestraft hij die binnen de
vastgestelde termijn geen gevolg geeft aan het
bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1,
van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het
onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of
verblijven in andermans goed of aan de
uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van
Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde misdrijf kan
alleen worden vervolgd op klacht van een
persoon die houder is van een titel of een recht
op het betrokken goed.
§ 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een
maand en met geldboete van zesentwintig euro
tot honderd euro of met een van die straffen
alleen wordt gestraft hij die, zonder een bevel
van de overheid hetzij zonder toestemming van
een houder van een titel die of een recht dat
toegang verschaft tot de betrokken plaats of
gebruik van of verblijf in het betrokken goed
toestaat en buiten de gevallen waarin de wet het
toelaat, op eender welke manier andermans
niet bewoonde huis, appartement, kamer of
verblijf, of de aanhorigheden ervan of enige
andere niet bewoonde ruimte of andermans
roerend goed dat al dan niet als verblijf kan
dienen, hetzij binnendringt, hetzij bezet, hetzij
erin verblijft zonder zelf houder te zijn van
voormelde titel of recht.
§ 2. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een
jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot
tweehonderd euro of met een van die straffen
alleen wordt gestraft hij die binnen de
vastgestelde termijn geen gevolg geeft aan het
bevel tot ontruiming bedoeld in artikel 12, § 1,
van de wet van 18 oktober 2017 betreffende
het onrechtmatig binnendringen in, bezetten
van of verblijven in andermans goed, zoals
hersteld bij de wet van … of aan de
uithuiszetting bedoeld in artikel 1344decies van
Gerechtelijk Wetboek.
§ 3. Het in paragraaf 1 bedoelde misdrijf kan
alleen worden vervolgd op klacht van een
persoon die houder is van een titel of een recht
op het betrokken goed.
Art. 442ter
Art. 442ter
In de gevallen bepaald in artikel 442bis kan het
minimum van de bij dit artikel bepaalde
correctionele straffen worden verdubbeld,
wanneer een van de drijfveren van het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
In de gevallen bepaald in artikel 442bis kan het
minimum van de bij dit artikel bepaalde
correctionele straffen worden verdubbeld,
wanneer een van de drijfveren van de dader
bestaat uit de haat tegen, het misprijzen van of
de vijandigheid tegen een persoon wegens
diens zogenaamd ras, huidskleur, afkomst,
nationale
of
etnische
afstamming,
nationaliteit,
geslacht,
zwangerschap,
bevalling, het geven van borstvoeding, medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie,
317
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
seksekenmerken,
seksuele
geaardheid,
burgerlijke staat, geboorte, leeftijd, vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand, handicap, taal, politieke
overtuiging, syndicale overtuiging, fysieke of
genetische eigenschap of sociale afkomst en
positie, ongeacht of dit kenmerk daadwerkelijk
aanwezig is of slechts vermeend is door de
dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 453bis
Art. 453bis
In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de correctionele straffen worden
verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van
het wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
In de gevallen bepaald in dit hoofdstuk kan het
minimum van de correctionele straffen worden
verdubbeld, wanneer een van de drijfveren van
de dader bestaat uit de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon
wegens
diens
zogenaamd
ras,
huidskleur, afkomst, nationale of etnische
afstamming,
nationaliteit,
geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
2774/001
DOC 55
318
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 514bis
Art. 514bis
In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot
514 kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
In de gevallen bepaald in de artikelen 510 tot
514 kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de dader uit de haat
tegen, het misprijzen van of de vijandigheid
tegen een persoon wegens diens zogenaamd
ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische
afstamming,
nationaliteit,
geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 525bis
Art. 525bis
In de gevallen bepaald in de artikelen 521 tot
525, kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in
de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale
of
etnische
afstamming,
zijn
nationaliteit,
zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte,
zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal,
zijn
politieke
overtuiging,
zijn
syndicale
In de gevallen bepaald in de artikelen 521 tot
525, kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale
of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
319
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
overtuiging,
een
fysieke
of
genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst.
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 532bis
Art. 532bis
In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot
532 kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de misdaad of het
wanbedrijf bestaat in de haat tegen, het
misprijzen van of de vijandigheid tegen een
persoon wegens diens zogenaamd ras, zijn
huidskleur, zijn afkomst, zijn nationale of
etnische afstamming, zijn nationaliteit, zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid,
zijn
burgerlijke staat, zijn geboorte, zijn leeftijd, zijn
fortuin, zijn geloof of levensbeschouwing, zijn
huidige of toekomstige gezondheidstoestand,
een handicap, zijn taal, zijn politieke overtuiging,
zijn syndicale overtuiging, een fysieke of
genetische eigenschap of zijn sociale afkomst.
In de gevallen bepaald in de artikelen 528 tot
532 kan het minimum van de bij die artikelen
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale
of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader.
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Art. 534quater
Art. 534quater
In de gevallen bepaald in de artikelen 534bis en
534ter kan het minimum van de bij die artikelen
In de gevallen bepaald in de artikelen 534bis en
534ter kan het minimum van de bij die artikelen
2774/001
DOC 55
320
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van het wanbedrijf bestaat in
de haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, zijn huidskleur, zijn afkomst, zijn
nationale
of
etnische
afstamming,
zijn
nationaliteit,
zijn
geslacht,
zijn
seksuele
geaardheid, zijn burgerlijke staat, zijn geboorte,
zijn leeftijd, zijn fortuin, zijn geloof of
levensbeschouwing, zijn huidige of toekomstige
gezondheidstoestand, een handicap, zijn taal,
zijn
politieke
overtuiging,
zijn
syndicale
overtuiging,
een
fysieke
of
genetische
eigenschap of zijn sociale afkomst.
bepaalde straffen worden verdubbeld in geval
van correctionele straffen en met twee jaar
verhoogd in geval van opsluiting, wanneer een
van de drijfveren van de dader bestaat uit de
haat tegen, het misprijzen van of de
vijandigheid tegen een persoon wegens diens
zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale
of etnische afstamming, nationaliteit, geslacht,
zwangerschap, bevalling, het geven van
borstvoeding,
medisch
begeleide
voortplanting,
ouderschap,
zogenaamde
geslachtsverandering,
genderidentiteit,
genderexpressie, seksekenmerken, seksuele
geaardheid,
burgerlijke
staat,
geboorte,
leeftijd,
vermogen,
geloof
of
levensbeschouwing,
gezondheidstoestand,
handicap, taal, politieke overtuiging, syndicale
overtuiging, fysieke of genetische eigenschap
of sociale afkomst en positie, ongeacht of dit
kenmerk daadwerkelijk aanwezig is of slechts
vermeend is door de dader
Hetzelfde geldt wanneer een van de drijfveren
van de dader erin bestaat dat het slachtoffer
een band of vermeende band heeft met een
persoon ten aanzien van wie hij haat,
misprijzen of vijandigheid koestert wegens een
of meer van de in het vorige lid aangehaalde
werkelijke of vermeende kenmerken.
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 555/13, §2
Art. 555/13, §2
§ 2. De minister van Justitie of de door hem
gemachtigde
ambtenaar
kan
aan
de
gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen
van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf
jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die
enkel in het kader van een gerechtelijk
deskundigenonderzoek
kunnen
uitgeoefend
worden.
De minister van Justitie of de door hem
gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling
voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde
verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd
vertaler, tolk of vertaler-tolk, die voor 1
december 2016 gedurende een ononderbroken
periode van vijftien jaar de activiteit van
gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of
§ 2. De minister van Justitie of de door hem
gemachtigde
ambtenaar
kan
aan
de
gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen
van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf
jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die
enkel in het kader van een gerechtelijk
deskundigenonderzoek
kunnen
uitgeoefend
worden.
De minister van Justitie of de door hem
gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling
voor de in § 1, 2°, bedoelde voorwaarde
verlenen
aan
de
gerechtsdeskundige
of
beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór
de datum van aanvraag van de vrijstelling
gedurende een ononderbroken periode van
minimum vijftien jaar de activiteit van
321
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die
periode voldoende heeft bijgeschoold.
gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of
vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die
periode voldoende heeft bijgeschoold.
Art. 1344octies
Art. 1344octies
Iedere houder van een recht of titel op het
betrokken goed kan bij verzoekschrift op
tegenspraak of, in geval van volstrekte
noodzakelijkheid, bij eenzijdig verzoekschrift,
neergelegd ter griffie van het vredegerecht, een
vordering inleiden tot uithuiszetting uit plaatsen
die zonder recht of titel worden betrokken.
Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van
nietigheid :
1. de dag, de maand en het jaar;
2. de naam, de voornaam
3 en de woonplaats van de verzoeker en, in
voorkomend
geval,
zijn
rijksregister-
of
ondernemingsnummer;
3. behalve ingeval het verzoek wordt ingeleid bij
eenzijdig verzoekschrift, de naam, de voornaam
en de woonplaats, of bij gebreke van een
woonplaats, de verblijfplaats van de persoon
tegen wie de vordering is ingesteld;
4. het onderwerp en de korte samenvatting van
de middelen van de vordering;
5. de handtekening van de verzoeker of van zijn
advocaat, of, ingeval het verzoek wordt ingeleid
bij eenzijdig verzoekschrift, de handtekening van
de advocaat.
Ingeval
het
verzoek
wordt
ingeleid
bij
verzoekschrift op tegenspraak wordt een
getuigschrift van de woonplaats van de persoon
bedoeld in het tweede lid, onder de bepaling
onder 3 bij het verzoekschrift gevoegd. Het
getuigschrift
wordt
afgegeven
door
het
gemeentebestuur. Ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak
worden de partijen of, ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, wordt de
eisende partij door de griffier bij gerechtsbrief
opgeroepen om binnen acht, respectievelijk
twee dagen na de inschrijving van het
verzoekschrift op de algemene rol te verschijnen
op
de
zitting
die
de
rechter
bepaalt,
Iedere houder van een recht of titel op het
betrokken goed kan bij verzoekschrift op
tegenspraak of, in geval van volstrekte
noodzakelijkheid
doordat
het
ondanks
pogingen van de verzoeker in die zin, voor hem
niet mogelijk is geweest om de identiteit van
zelfs een van de bezetters van het goed te
bepalen, bij eenzijdig verzoekschrift, neergelegd
ter griffie van het vredegerecht, een vordering
inleiden tot uithuiszetting uit plaatsen die
zonder recht of titel worden betrokken.
Het verzoekschrift vermeldt, op straffe van
nietigheid :
1. de dag, de maand en het jaar;
2. de naam, de voornaam
3 en de woonplaats van de verzoeker en, in
voorkomend
geval,
zijn
rijksregister-
of
ondernemingsnummer;
3. behalve ingeval het verzoek wordt ingeleid bij
eenzijdig verzoekschrift, de naam, de voornaam
en de woonplaats, of bij gebreke van een
woonplaats, de verblijfplaats van de persoon
tegen wie de vordering is ingesteld;
4. het onderwerp en de korte samenvatting van
de middelen van de vordering;
5. de handtekening van de verzoeker of van zijn
advocaat, of, ingeval het verzoek wordt ingeleid
bij eenzijdig verzoekschrift, de handtekening van
de advocaat.
Ingeval
het
verzoek
wordt
ingeleid
bij
verzoekschrift op tegenspraak wordt een
getuigschrift van de woonplaats van de persoon
bedoeld in het tweede lid, onder de bepaling
onder 3 bij het verzoekschrift gevoegd. Het
getuigschrift
wordt
afgegeven
door
het
gemeentebestuur. Ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak
worden de partijen of, ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij eenzijdig verzoekschrift, wordt de
eisende partij door de griffier bij gerechtsbrief
opgeroepen om binnen acht, respectievelijk
twee dagen na de inschrijving van het
verzoekschrift op de algemene rol te verschijnen
op
de
zitting
die
de
rechter
bepaalt,
2774/001
DOC 55
322
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
onverminderd zijn mogelijkheid om deze
termijnen op verzoek van een advocaat of
gerechtsdeurwaarder in te korten. Bij de
oproeping wordt, ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak, een
afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
Wanneer de partijen verschijnen, probeert de
rechter hen te verzoenen.
De vrederechter kan op de inleidingszitting de
zaak aanhouden of ze verwijzen opdat er op een
nabije datum zou worden over gepleit, waarbij
hij de duur van de debatten bepaalt. Het vonnis
vermeldt dat de partijen niet tot verzoening
kwamen.
In afwijking van artikel 747 worden op de
inleidingszitting,
ingeval
het
verzoek
bij
verzoekschrift op tegenspraak wordt ingeleid
inzake
een
vordering
tot
uithuiszetting,
conclusietermijnen ambtshalve en op nabije
datum vastgesteld door de vrederechter. De
partijen doen hun opmerkingen uiterlijk op de
inleidingszitting gelden.
onverminderd zijn mogelijkheid om deze
termijnen op verzoek van een advocaat of
gerechtsdeurwaarder in te korten. Bij de
oproeping wordt, ingeval het verzoek wordt
ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak, een
afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
Wanneer de partijen verschijnen, probeert de
rechter hen te verzoenen.
De vrederechter kan op de inleidingszitting de
zaak aanhouden of ze verwijzen opdat er op een
nabije datum zou worden over gepleit, waarbij
hij de duur van de debatten bepaalt. Het vonnis
vermeldt dat de partijen niet tot verzoening
kwamen.
In afwijking van artikel 747 worden op de
inleidingszitting,
ingeval
het
verzoek
bij
verzoekschrift op tegenspraak wordt ingeleid
inzake
een
vordering
tot
uithuiszetting,
conclusietermijnen ambtshalve en op nabije
datum vastgesteld door de vrederechter. De
partijen doen hun opmerkingen uiterlijk op de
inleidingszitting gelden.
Artikel 1727, § 2 tot 4
Artikel 1727, § 2 tot 4
§ 2. De opdrachten van de Commissie zijn de
volgende:
1° de instanties voor de opleiding van
bemiddelaars
en
de
opleiding
die
zij
organiseren, erkennen of de erkenning ervan
intrekken;
2°
de
minimumprogramma's
inzake
theoretische en praktische opleiding bepalen,
evenals de evaluaties met het oog op het
afleveren
van
een
erkenning
en
de
erkenningsprocedure;
3° de bemiddelaars erkennen naargelang de
bijzondere
domeinen
van
de
bemiddelingspraktijk;
4° beslissen over de inschrijving op de lijst van
bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de
Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning
verkregen hebben van een daartoe gemachtigde
instantie in dat land;
§ 2. De opdrachten van de Commissie zijn de
volgende:
1° de instanties voor de opleiding van
bemiddelaars
en
de
opleiding
die
zij
organiseren, erkennen of de erkenning ervan
intrekken;
2°
de
minimumprogramma's
inzake
theoretische en praktische opleiding bepalen,
evenals de evaluaties met het oog op het
afleveren
van
een
erkenning
en
de
erkenningsprocedure; die de kandidaten-
bemiddelaars
moeten
volgen
en
die
daadwerkelijk door de opleidingsinstantie
moeten worden beoordeeld;
2°/1 de voorwaarden en de procedure voor de
erkenning van bemiddelaars te bepalen;
3° de bemiddelaars erkennen naargelang de
bijzondere
domeinen
van
de
bemiddelingspraktijk;
4° beslissen over de inschrijving op de lijst van
bemiddelaars gevestigd in landen van zowel de
Europese Unie als daarbuiten, die een erkenning
verkregen hebben van een daartoe gemachtigde
instantie in dat land;
323
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
5° een deontologische code opstellen;
6°
behandelen
van
de
klachten
tegen
bemiddelaars of tegen de instellingen die de
opleidingen verschaffen; advies verlenen in
geval van betwisting van het honorarium van
bemiddelaars en sancties opleggen jegens
bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan
de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan
de bepalingen van de deontologische code
opgesteld door de Commissie;
7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle
reglementaire beslissingen van de Commissie in
het Belgisch Staatsblad;
8° de sanctieprocedure ten aanzien van de
bemiddelaars bepalen;
9° een met redenen omkleed advies verlenen
aan de minister van Justitie met betrekking tot
de voorwaarden waaraan een vereniging van
bemiddelaars
moet
voldoen
om
als
representatief te gelden;
10° de lijst van bemiddelaars opstellen en
verspreiden bij de hoven en rechtbanken, bij de
federale, gemeenschaps-, gewestelijke en lokale
overheden;
11° het publiek inlichten over de mogelijkheden
geboden door bemiddeling;
12° alle nodige maatregelen nemen om de
behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te
bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes
en praktijken van bemiddeling en andere
vormen van geschillenoplossing te onderzoeken
en te ondersteunen;
13° een jaarverslag over de uitvoering van haar
wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel
1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op
haar website;
14° waken over de goede organisatie van haar
bureau en van haar commissies.
5° een deontologische code opstellen;
6°
behandelen
van
de
klachten
tegen
bemiddelaars of tegen de instellingen die de
opleidingen verschaffen; advies verlenen in
geval van betwisting van het honorarium van
bemiddelaars en sancties opleggen jegens
bemiddelaars die niet meer zouden voldoen aan
de voorwaarden bepaald in artikel 1726 of aan
de bepalingen van de deontologische code
opgesteld door de Commissie;
7° zorgen voor de periodieke publicatie van alle
reglementaire beslissingen van de Commissie in
het Belgisch Staatsblad;
8° de sanctieprocedure ten aanzien van de
bemiddelaars bepalen;
9° een met redenen omkleed advies verlenen
aan de minister van Justitie met betrekking tot
de voorwaarden waaraan een vereniging van
bemiddelaars
moet
voldoen
om
als
representatief te gelden;
10° de lijst van bemiddelaars opstellen en
volgens de bijzondere domeinen van de
bemiddelingspraktijk en deze lijst verspreiden
bij de hoven en rechtbanken, bij de federale,
gemeenschaps-,
gewestelijke
en
lokale
overheden;
11° het publiek inlichten over de mogelijkheden
geboden door bemiddeling;
12° alle nodige maatregelen nemen om de
behoorlijke uitoefening van de bemiddeling te
bevorderen, en inzonderheid nieuwe methodes
en praktijken van bemiddeling en andere
vormen van geschillenoplossing te onderzoeken
en te ondersteunen;
13° een jaarverslag over de uitvoering van haar
wettelijke opdrachten, bedoeld in artikel
1727/1, vijfde lid, opmaken en bekendmaken op
haar website;
14° waken over de goede organisatie van haar
bureau en van haar commissies.
§ 3. De algemene vergadering wijst te midden
van de leden van het bureau en voor een
periode van twee jaar een voorzitter en
ondervoorzitter aan, die de voorzitter zo nodig
vervangt, evenals een secretaris, waarbij die
ambten afwisselend door een Nederlandstalige
en een Franstalige worden bekleed. Het
voorzitterschap
en
ondervoorzitter-schap
worden bovendien afwisselend uitgeoefend
door
notarissen,
advocaten,
magistraten,
§ 3. De algemene vergadering wijst te midden
van de leden van het bureau een voorzitter aan
en een ondervoorzitter, die de voorzitter zo
nodig vervangt, evenals een secretariswaarbij
die
ambten
afwisselend
door
een
Nederlandstalige en een Franstalige worden
bekleed. Bij de aanwijzing ziet de algemene
vergadering erop toe dat de duur van de
voorzitterschappen
en
ondervoorzitterschappen in aantal maanden
2774/001
DOC 55
324
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gerechtsdeurwaarders, bemiddelaars die geen
van voornoemde beroepen uitoefenen.
De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter
van de federale bemiddelingscommissie.
gelijk is. Die ambten worden afwisselend
toegekend aan een Franstalige en een
Nederlandstalige. Het voorzitterschap en het
ondervoorzitterschap
worden
bovendien
afwisselend
uitgeoefend
door
notarissen,
advocaten, magistraten, gerechtsdeurwaarders
en door bemiddelaars die geen van voornoemde
beroepen uitoefenen.
De voorzitter van het bureau is tevens voorzitter
van de federale bemiddelingscommissie.
§ 4. Het bureau legt aan de algemene
vergadering voorstellen voor in het kader van de
aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2,
8°, 9°, 11° en 12°.
Het bureau keurt de beslissingen of adviezen
van de commissie voor de erkenning van
Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van
de
commissie
voor
de
erkenning
van
opleidingen en de opvolging van de permanente
vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3.
Het bureau coördineert de activiteiten van de
Commissie, waakt over de uitvoering van de
beslissingen genomen door haar organen, onder
meer die bedoeld in artikel 1727, § 2, 6°, en is
belast met het dagelijks beheer. Het bereidt
tevens het jaarverslag bedoeld in artikel 1727/1,
vijfde lid, voor en legt het ter goedkeuring voor
aan de algemene vergadering.
§ 4. Het bureau legt aan de algemene
vergadering voorstellen voor in het kader van de
aangelegenheden bedoeld in artikel 1727, § 2,
8°, 9°, 10°, 11° en 12°.
Het bureau keurt de beslissingen of adviezen
van de commissie voor de erkenning van
Belgische en buitenlandse bemiddelaars en van
de
commissie
voor
de
erkenning
van
opleidingen en de opvolging van de permanente
vorming goed op grond van artikel 1727/4, § 3.
Het bureau coördineert de activiteiten van de
Commissie, waakt over de uitvoering van de
beslissingen genomen door haar organen, onder
meer die bedoeld in artikel 1727, § 2, 6° 7°, en is
belast met het dagelijks beheer. Het bereidt
tevens het jaarverslag bedoeld in artikel 1727/1,
vijfde lid, voor en legt het ter goedkeuring voor
aan de algemene vergadering.
Artikel 1727/4, § 1er
Artikel 1727/4, § 1er
§ 1. De commissie voor de erkenning van
Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de
commissie voor de erkenning van opleidingen
en de opvolging van de permanente vorming
bestaan elk uit vijf leden, een voorzitter, twee
vaste leden en twee plaatsvervangende leden.
Met uitzondering van de voorzitter, telt elke
commissie
evenveel
Nederlandstalige
als
Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid
aangewezen.
Bij
afwezigheid
wordt
de
voorzitter vervangen door een ander lid van het
bureau, van dezelfde taalgroep.
De leden worden benoemd voor een periode
van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal
worden verlengd.
§ 1. De commissie voor de erkenning van
Belgische en buitenlandse bemiddelaars en de
commissie voor de erkenning van opleidingen
en de opvolging van de permanente vorming
bestaan elk uit vijf leden, een voorzitter, twee
vaste leden en twee plaatsvervangende leden.
Met uitzondering van de voorzitter, telt elke
commissie
evenveel
Nederlandstalige
als
Franstalige leden.
Voor elk vast lid wordt een plaatsvervangend lid
aangewezen.
Bij
afwezigheid
wordt
de
voorzitter vervangen door een ander lid van het
bureau, van dezelfde taalgroep.
De leden worden benoemd voor een periode
van vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal
worden verlengd. Een oproep tot kandidaten
325
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Een
oproep
tot
kandidaten
wordt
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Deze leden worden benoemd door de minister
van Justitie op voordracht van een lijst opgesteld
door het bureau, en waarin een met redenen
omkleed advies is opgenomen met betrekking
tot maximaal vijfentwintig kandidaten die in
volgorde van voorkeur zijn gerangschikt. De
Koning bepaalt de nadere regels voor de
bekendmaking van de vacatures, voor de
indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de
kandidaatstelling.
wordt
bekendgemaakt
in
het
Belgisch
Staatsblad. Deze leden worden benoemd door
de minister van Justitie op voordracht van een
lijst opgesteld door het bureau, en waarin een
met redenen omkleed advies is opgenomen
met betrekking tot maximaal vijfentwintig
kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn
gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de bekendmaking van de vacatures,
voor de indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de
kandidaatstelling.
Een
oproep
tot
kandidaten
wordt
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De
leden worden benoemd voor een periode van
vier jaar. Hun mandaat kan slechts eenmaal
worden verlengd. Het mandaat van een lid kan
voortijdig beëindigd worden door het ontslag
van het lid of door een met redenen omklede
beslissing genomen door de minister van
Justitie op voorstel van het bureau. De als
vervanger aangewezen persoon wordt door het
bureau gekozen uit de in lid 3 bedoelde lijst.
Indien op deze lijst geen vervanger kan worden
gevonden, wordt er vervolgens gehandeld
overeenkomstig het derde lid. In alle gevallen
voltooien
de
ter
vervanging
benoemde
personen het mandaat van de voorganger.
Indien het om een eerste mandaat gaat, mag
het mandaat van de ter vervanging benoemde
persoon tweemaal worden verlengd.
Deze leden worden benoemd door de minister
van Justitie op voordracht van een lijst
opgesteld door het bureau, en waarin een met
redenen omkleed advies is opgenomen met
betrekking
tot
maximaal
vijfentwintig
kandidaten die in volgorde van voorkeur zijn
gerangschikt. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de bekendmaking van de vacatures,
voor de indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de
kandidaatstelling. De algemene vergadering
wijst te midden van de leden van het bureau
een voorzitter voor elke commissie aan. Bij de
aanwijzing ziet de algemene vergadering erop
toe dat de duur van de voorzitterschappen de
aantal maanden gelijk is. Dit ambt wordt
afwisselend bekleed door een Nederlandstalige
en een Franstalige.
2774/001
DOC 55
326
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De algemene vergadering wijst te midden van de
leden van het bureau voor een periode van twee
jaar een voorzitter voor elke commissie aan,
waarbij dit ambt afwisselend door een
Nederlandstalige en een Franstalige wordt
bekleed.
De algemene vergadering wijst te midden van
de leden van het bureau voor een periode van
twee jaar een voorzitter voor elke commissie
aan, waarbij dit ambt afwisselend door een
Nederlandstalige en een Franstalige wordt
bekleed.
Artikel 1727/5
Artikel 1727/5
§ 1. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf
leden, een voorzitter, vier effectieve assessoren
en twee plaatsvervangende assessoren. Met
uitzondering
van
de
voorzitter,
telt
de
commissie
evenveel
Nederlandstalige
als
Franstalige leden. De commissie bestaat uit een
Nederlandstalig en een Franstalig college met
elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter.
De commissie wordt voorgezeten door een lid
van het bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen
zitting meer heeft in een andere vaste of
bijzondere commissie. Het bureau wijst voor een
periode van twee jaar de voorzitter aan. Dit
ambt
wordt
afwisselend
door
een
Nederlandstalige en een Franstalige bekleed. De
voorzitter moet het bewijs leveren van
voldoende kennis van de andere landstaal.
Ten minste een lid van het Nederlandstalig
college of het Franstalig college moet het bewijs
leveren van de kennis van het Duits.
De assessoren, die geen lid mogen zijn van de
federale
bemiddelingscommissie,
worden
voorgedragen door de algemene vergadering en
benoemd door de minister van Justitie bij een
met redenen omklede beslissing. De voordracht
wordt met redenen omkleed op grond van hun
vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen
van geschillen. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de bekendmaking van de vacatures,
voor de indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de
kandidaatstelling.
§ 1. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling is samengesteld uit vijf
leden, een voorzitter, vier effectieve assessoren
en twee plaatsvervangende assessoren. Met
uitzondering
van
de
voorzitter,
telt
de
commissie
evenveel
Nederlandstalige
als
Franstalige leden. De commissie bestaat uit een
Nederlandstalig en een Franstalig college met
elk twee effectieve assessoren, en de voorzitter.
De commissie wordt voorgezeten door een lid
van het bureau dat, vanaf zijn aanwijzing, geen
zitting meer heeft in een andere vaste of
bijzondere commissie. Het bureau wijst voor
een periode van twee jaar de voorzitter aan. en
ziet er bij de benoeming op toe dat de duur van
de voorzitterschappen de aantal maanden
gelijk is. Dit ambt wordt afwisselend door een
Nederlandstalige en een Franstalige bekleed. De
voorzitter moet het bewijs leveren van
voldoende kennis van de andere landstaal.
Ten minste een lid van het Nederlandstalig
college of het Franstalig college moet het bewijs
leveren van de kennis van het Duits.
De assessoren, die geen lid mogen zijn van de
federale
bemiddelingscommissie,
worden
voorgedragen door de algemene vergadering en
benoemd door de minister van Justitie bij een
met redenen omklede beslissing. De voordracht
wordt met redenen omkleed op grond van hun
vaardigheid in het tuchtrecht en in het oplossen
van geschillen. De Koning bepaalt de nadere
regels voor de bekendmaking van de vacatures,
voor de indiening van de kandidaturen, voor de
voordracht van de leden en de criteria voor de
kandidaatstelling.
“§ 1/1. De assessoren worden benoemd voor
een periode van vier jaar. Hun mandaat kan
slechts eenmaal worden verlengd.
327
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het mandaat van een assessor kan voortijdig
beëindigd worden door het ontslag van het lid
of door een met redenen omklede beslissing
genomen door de minister van Justitie op
voorstel van het bureau. Er wordt vervolgens
gehandeld overeenkomstig de paragraaf 1,
derde lid. In alle gevallen voltooien de ter
vervanging benoemde personen het mandaat
van de voorganger. Indien het om een eerste
mandaat gaat, mag het mandaat van de ter
vervanging benoemde persoon tweemaal
worden verlengd.
§ 2. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling is, door toedoen van het
Nederlandstalig of Franstalig college, belast met
de tucht van bemiddelaars overeenkomstig
artikel 1727, § 2, 5°, en met de behandeling van
klachten
tegen
bemiddelaars
en
tegen
instellingen die opleidingen in bemiddeling
verschaffen, en verstrekt advies bij betwisting
van het honorarium van bemiddelaars.
De keuze van het college, Franstalig of
Nederlandstalig, wordt gemaakt door de
bemiddelaar of de instelling die het voorwerp
uitmaakt van de procedure.
De commissie voor de tuchtregeling en de
klachtenbehandeling is ook belast met het
formuleren van voorstellen overeenkomstig
artikel 1727, § 2, 7 ° en 10 °, die ter goedkeuring
worden
voorgelegd
aan
de
algemene
vergadering.
§ 2. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling is, door toedoen van het
Nederlandstalig of Franstalig college, belast met
de tucht van bemiddelaars overeenkomstig
artikel 1727, § 2, 5° 6°, en met de behandeling
van klachten tegen bemiddelaars en tegen
instellingen die opleidingen in bemiddeling
verschaffen, en verstrekt advies bij betwisting
van het honorarium van bemiddelaars.
De keuze van het college, Franstalig of
Nederlandstalig, wordt gemaakt door de
bemiddelaar of de instelling die het voorwerp
uitmaakt van de procedure.
De commissie voor de tuchtregeling en de
klachtenbehandeling is ook belast met het
formuleren van voorstellen overeenkomstig
artikel 1727, § 2, 7° en 10°, 5° en 8°, die ter
goedkeuring
worden
voorgelegd
aan
de
algemene vergadering.
§ 3. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling stelt haar reglement van
procesvoering op. Het reglement wordt door de
algemene
vergadering
bekrachtigd.
Na
goedkeuring
ervan
door
de
algemene
vergadering wordt het reglement op de website
van de Commissie bekendgemaakt.
§ 3. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling stelt haar reglement van
procesvoering op. Het reglement wordt door de
algemene
vergadering
bekrachtigd.
Na
goedkeuring
ervan
door
de
algemene
vergadering wordt het reglement op de website
van de Commissie bekendgemaakt.
§ 4. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling kan, door toedoen van het
Nederlandstalig
of
Franstalig
college,
de
volgende sancties opleggen ten aanzien van een
erkend bemiddelaar:
- de verwittiging;
- de berisping;
- de verplichting om een stage te voldoen
gedurende de periode en volgens de nadere
regels bepaald door de commissie voor de
tuchtregeling en klachtenbehandeling;
§ 4. De commissie voor de tuchtregeling en
klachtenbehandeling kan, door toedoen van het
Nederlandstalig
of
Franstalig
college,
de
volgende sancties opleggen ten aanzien van een
erkend bemiddelaar:
- de verwittiging;
- de berisping;
- de verplichting om een stage te voldoen
gedurende de periode en volgens de nadere
regels bepaald door de commissie voor de
tuchtregeling en klachtenbehandeling;
2774/001
DOC 55
328
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
- de verplichting om het beroep uitsluitend in co-
bemiddeling uit te oefenen voor de duur en
volgens de nadere regels bepaald door de
commissie
voor
de
tuchtregeling
en
klachtenbehandeling;
- de schorsing voor een periode die niet meer
dan één jaar mag bedragen;
- de intrekking van de erkenning.
- de verplichting om het beroep uitsluitend in co-
bemiddeling uit te oefenen voor de duur en
volgens de nadere regels bepaald door de
commissie
voor
de
tuchtregeling
en
klachtenbehandeling;
- de schorsing voor een periode die niet meer
dan één jaar mag bedragen;
- de intrekking van de erkenning.
§ 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de
tuchtregeling en klachtenbehandeling een
verslag op van de uitvoering van haar
opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat
verslag bevat suggesties met betrekking tot de
wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in
de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling
evenals in de deontologische code. Dat verslag
wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.
§ 5. Ieder jaar maakt de commissie voor de
tuchtregeling en klachtenbehandeling een
verslag op van de uitvoering van haar
opdrachten gedurende het afgelopen jaar. Dat
verslag bevat suggesties met betrekking tot de
wenselijkheid om wijzigingen aan te brengen in
de tuchtprocedure of in de klachtenbehandeling
evenals in de deontologische code. Dat verslag
wordt meegedeeld aan de minister van Justitie.
Artikel 1734, §1er/1
Artikel 1734, §1er/1
§ 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen,
hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk
vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars
die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door
de partijen voorgedragen bemiddelaar of
bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden
bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit
verzoek in.
Indien de partijen geen overeenstemming
bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of
bemiddelaars, wijst de rechter, bij voorkeur bij
toerbeurt, een bemiddelaar of bemiddelaars
aan, die erkend zijn overeenkomstig artikel
1727, op basis van een lijst van alle
bemiddelaars die is opgesteld door de federale
bemiddelingscommissie. De rechter kiest, voor
zover mogelijk, een bemiddelaar die gevestigd is
in de buurt van de woonplaats van de partijen.
§ 1/1. De partijen of, in afwezigheid van partijen,
hun advocaat kunnen de rechter gezamenlijk
vragen om de bemiddelaar of de bemiddelaars
die zij voordragen aan te wijzen. Tenzij de door
de partijen voorgedragen bemiddelaar of
bemiddelaars niet voldoen aan de voorwaarden
bedoeld in artikel 1726, willigt de rechter dit
verzoek in.
Indien de partijen geen overeenstemming
bereiken over de aan te wijzen bemiddelaar of
bemiddelaars, wijst gaat de rechter, bij
voorkeur bij toerbeurt, een bemiddelaar of
bemiddelaars
aan,
die
erkend
zijn
overeenkomstig artikel 1727, over tot de
aanwijzing van een of meerdere bemiddelaars,
die erkend zijn overeenkomstig artikel 1727, bij
voorkeur op basis van een lijst met alle
bemiddelaars die is opgesteld door de Federale
bemiddelingscommissie. De rechter kiest voor
zover mogelijk, een bemiddelaar die gevestigd
is in de buurt van de woonplaats van de
partijen. een of meerdere bemiddelaars die
geschikt zijn in het licht van de aard van het
geschil tussen de partijen en die, voor zover
mogelijk, gevestigd zijn in de buurt van de
woonplaats van de partijen.
329
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen
Artikel 8, § 6
Artikel 8, § 6
De politiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2,
2°, van de wet van 7 december 1998 tot
organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus, zijn bij de
uitoefening
van
hun
opdrachten
van
bestuurlijke en gerechtelijke politie vrijgesteld
van een voorafgaande machtiging.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel
13, eerste lid, elk lid van de politiediensten dat,
in
overtreding
met
de
vertrouwelijkheidsverplichting,
het
Rijksregisternummer meedeelt aan personen
die niet gemachtigd zijn om dat nummer te
ontvangen of dat het nummer gebruikt voor
andere doeleinden dan voor de uitoefening van
opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke
politie zoals bedoeld in de artikelen 14 en 15 van
de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De rechters van de hoven en rechtbanken, de
magistraten van het openbaar ministerie, de
onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam
aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de
administratieve overheden belast met de
tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken
en van maatregelen ter bescherming van de
maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-
hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden
van dienst van de hoven en rechtbanken van de
rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun
respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een
voorafgaande machtiging van de minister
bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen
toegang hebben tot de informatiegegevens
bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel
13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat,
in
overtreding
met
de
vertrouwelijkheidsverplichting,
de
via
het
Rijksregister
verkregen
informatiegegevens
meedeelt aan personen die niet gemachtigd zijn
om die informatiegegevens te ontvangen of dat
die gegevens gebruikt voor andere doeleinden
dan voor de uitoefening van zijn wettelijke
opdrachten.
De politiediensten zoals gedefinieerd in artikel 2,
2°, van de wet van 7 december 1998 tot
organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus, zijn bij de
uitoefening
van
hun
opdrachten
van
bestuurlijke en gerechtelijke politie vrijgesteld
van een voorafgaande machtiging.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel
13, eerste lid, elk lid van de politiediensten dat,
in
overtreding
met
de
vertrouwelijkheidsverplichting,
het
Rijksregisternummer meedeelt aan personen
die niet gemachtigd zijn om dat nummer te
ontvangen of dat het nummer gebruikt voor
andere doeleinden dan voor de uitoefening van
opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke
politie zoals bedoeld in de artikelen 14 en 15 van
de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De rechters van de hoven en rechtbanken, de
magistraten van het openbaar ministerie, de
onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam
aangewezen ambtenaren van niveau 1 van de
administratieve overheden belast met de
tenuitvoerlegging van beslissingen in strafzaken
en van maatregelen ter bescherming van de
maatschappij, de hoofdgriffiers, de griffiers-
hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden
van dienst van de hoven en rechtbanken van de
rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun
respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een
voorafgaande machtiging van de minister
bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen
toegang hebben tot de informatiegegevens
bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.
Wordt gestraft met de sanctie bedoeld in artikel
13, eerste lid, elk lid van de justitiediensten dat,
in
overtreding
met
de
vertrouwelijkheidsverplichting,
de
via
het
Rijksregister verkregen informatiegegevens het
Rijksregisternummer meedeelt aan personen
die
niet
gemachtigd
zijn
om
die
informatiegegevens dat nummer te ontvangen
of dat die gegevens het nummer gebruikt voor
andere doeleinden dan voor de uitoefening van
zijn wettelijke opdrachten.
2774/001
DOC 55
330
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
Art. 10
Art. 10
Belg is het kind geboren in België en dat, op
gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien
jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd,
staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit
niet bezat.
Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing
zijn indien het kind een andere nationaliteit kan
verkrijgen,
mits
zijn
wettelijke
vertegenwoordiger(s)
administratieve
handelingen verrichten bij de diplomatieke of
consulaire overheden van het land van de
ouders of van één van hen.
Het in België gevonden pasgeboren kind wordt,
behoudens tegenbewijs, verondersteld in België
te zijn geboren.
Het kind aan wie de Belgische nationaliteit
krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die
nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat
het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of
ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een
vreemde nationaliteit bezit.
§ 1. Belg is het kind geboren in België en dat, op
gelijk welk ogenblik voor de leeftijd van achttien
jaar of voor de ontvoogding voor die leeftijd,
staatloos zou zijn, indien het die nationaliteit
niet bezat geen andere nationaliteit bezit.
Het eerste lid zal evenwel niet van toepassing
zijn indien het kind een andere nationaliteit kan
verkrijgen,
mits
zijn
wettelijke
vertegenwoordiger(s)
administratieve
handelingen verrichten bij de diplomatieke of
consulaire overheden van het land van de
ouders of van één van hen.
De wettelijke vertegenwoordiger van het kind
zendt alle nuttige stukken waarover hij
beschikt over aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de plaats waar het kind
geboren is. In geval van twijfel over het
ontbreken van nationaliteit van het kind,
vraagt de ambtenaar van de burgerlijke stand
het advies van de procureur des Konings. In dat
geval zendt hij hem een afschrift van het
dossier. Het advies wordt op korte termijn
verstrekt door de procureur des Konings.
§ 2. Het in België gevonden pasgeboren kind
wordt, behoudens tegenbewijs, verondersteld
in België te zijn geboren.
§ 3. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit
krachtens dit artikel is toegekend, behoudt die
nationaliteit zolang niet is aangetoond, voordat
het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of
ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een
vreemde nationaliteit bezit.
Art. 24bis
Art. 24bis
De Minister van Justitie legt de richtlijnen vast
met betrekking tot de wijze waarop het parket
bij de rechtbank van eerste aanleg het
onderzoek verricht met het oog op het verlenen
van een advies zoals bepaald in deze wet nadat
hij het advies heeft ingewonnen van het college
van procureurs-generaal. Deze richtlijnen zijn
bindend voor alle leden van het openbaar
ministerie. Voor de opdrachten die vervuld
De Minister van Justitie legt de richtlijnen vast
Het college van procureurs-generaal kan de
richtlijnen vastleggen met betrekking tot de
wijze waarop het parket bij de rechtbank van
eerste aanleg het onderzoek verricht met het
oog op het verlenen van een advies zoals
bepaald in deze wet nadat hij het advies heeft
ingewonnen van het college van procureurs-
generaal. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle
331
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
moeten worden teneinde de procureur des
Konings in staat te stellen de vereiste adviezen
te
verstrekken,
zijn
de
politiediensten
onderworpen aan zijn gezag. Het college van
procureurs-generaal houdt toezicht op de wijze
waarop de parketten de opdrachten zoals
beschreven in deze wet, uitvoeren.
leden van het openbaar ministerie. Voor de
opdrachten
die
vervuld
moeten
worden
teneinde de procureur des Konings in staat te
stellen de vereiste adviezen te verstrekken, zijn
de politiediensten onderworpen aan zijn gezag.
Het college van procureurs-generaal houdt
toezicht op de wijze waarop de parketten de
opdrachten zoals beschreven in deze wet,
uitvoeren.
Hoofdstuk Vter. - Adviesbevoegdheid van de
Federale Overheidsdienst Justitie
Art 24ter (nieuw)
§ 1. Een Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit
wordt
opgericht
binnen
de
Federale
Overheidsdienst
Justitie.
Behalve
in
de
materies of in de gevallen waar dit Wetboek of
de wet bevoegdheden toekent aan de
Procureur des Konings, verleent de Centrale
Autoriteit niet-bindende adviezen, op vraag
van de ambtenaar van de burgerlijke stand of
de houder van het bevolkings-, vreemdelingen
of wachtregister, in geval van ernstige twijfel
omtrent de wijze van toepassing van een of
meer bepalingen van dit Wetboek.
§ 2. De ambtenaar van de burgerlijke stand of
de houder van het bevolkings-, vreemdelingen-
of wachtregister zendt zijn adviesaanvraag
over aan de Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit, samen met de stukken waarover
hij beschikt. De Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit kan, indien nodig, bijkomende
documenten of akten opvragen bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand of de
houder van het bevolkings-, vreemdelingen- of
wachtregister die het advies heeft gevraagd.
Deze laatste zendt ze onmiddellijk over aan de
Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit.
§ 3. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit
verleent advies binnen een termijn van zes
maanden vanaf de ontvangst van alle
benodigde stukken, verlengbaar met zes
maanden door de Centrale Autoriteit inzake
Nationaliteit.
§ 4. De Centrale Autoriteit inzake Nationaliteit
brengt het advies ter kennis van de ambtenaar
van de burgerlijke stand of de houder van het
2774/001
DOC 55
332
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister
die het advies heeft gevraagd.
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Hoofdstuk 6. Bewijs van erfgenaamschap
Hoofdstuk
6.
Bewijs
van
erfrechtelijke
hoedanigheid
Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging
Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging
§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke
bepaling, geeft een schuldenaar te goeder trouw
bevrijdend tegoeden van een erflater vrij, indien
dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de
personen aangewezen in een attest of een akte
van erfopvolging, ofwel aan of op instructie van
een gerechtsmandataris, na voorlegging:
§ 1. Al wie als erfgerechtigde tot een
nalatenschap geroepen is of daarin de
hoedanigheid van erfgenaam heeft, dan wel als
bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan
deze hoedanigheid bewijzen door een akte of
attest van erfopvolging voor te leggen.
a) van een attest van erfopvolging opgesteld
door het bevoegde kantoor van de Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie; of
De
langstlevende
echtgenoot
kan
door
voorlegging van een akte of attest van
erfopvolging bewijzen welke rechten hij
krachtens zijn huwelijksstelsel verkrijgt als
gevolg van de ontbinding ervan door het
overlijden, zelfs indien de akte of attest de
devolutie van de nalatenschap van zijn
overleden echtgenoot niet vermeldt.
b) van een attest of akte van erfopvolging
opgesteld door een notaris.
Een testamentuitvoerder en een gerechtelijk
aangewezen beheerder van de nalatenschap
kunnen hun bevoegdheden om de goederen
van de nalatenschap te beheren of om
daarover te beschikken, bewijzen door een
akte of een attest van erfopvolging voor te
leggen.
Het attest of de akte van erfopvolging wordt op
verzoek van een belanghebbende afgeleverd
met het oog op de in het eerste lid bedoelde
vrijgave van tegoeden.
§ 2. De akte of het attest van erfopvolging
wordt opgemaakt en afgeleverd op verzoek van
een of meer van de in de paragraaf 1 vermelde
personen,
of,
desgevallend,
hun
rechtsopvolgers.
§ 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde
attest ontslaat de in paragraaf 1 bedoelde
schuldenaar in geen geval van eventuele andere
wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor
de deblokkering van deze tegoeden.
De akte of het attest van erfopvolging wordt
opgesteld door een notaris.
§ 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om
zich te wenden tot het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde kantoor of de notaris. In de gevallen
waarin de nalatenschap van de erflater niet
uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de
bepalingen van ondertitel 4, in geval van
bestaan van onbekwame erfgenamen of
erfgerechtigden of indien er sprake is van een
uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst,
een
contractuele
erfstelling
of
een
Indien de nalatenschap van de erflater
uitsluitend wordt vererfd overeenkomstig de
bepalingen van ondertitel 4, indien er geen
onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden
zijn en indien er geen uiterste wilsbeschikking,
geen erfovereenkomst, geen contractuele
erfstelling of geen huwelijksovereenkomst is in
hoofde van de erflater, kan een akte of een
attest van erfopvolging ook worden opgemaakt
door een ambtenaar van het bevoegde kantoor
333
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
huwelijksovereenkomst in hoofde van de
erflater is alleen de notaris bevoegd om een akte
of een attest van erfopvolging af te leveren.
van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie.
§ 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging
vermelden
op
duidelijke
wijze
wie
de
erfgenamen
en
erfgerechtigden
zijn
die
aanspraak kunnen maken op de tegoeden van
de erflater, met vermelding van volgende
identificatiegegevens: naam, voornamen, plaats
en datum van geboorte, adres en eventueel de
datum van overlijden.
De notaris of het bevoegde kantoor van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie schrijft zijn akten
en attesten van erfopvolging in het centraal
erfrechtregister in overeenkomstig artikel
4.126.
In voorkomend geval vermeldt de akte of het
attest van erfopvolging het identificatienummer
van het Rijksregister, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of
het identificatienummer bij de Kruispuntbank
van Ondernemingen.
§ 3. Iedere akte en ieder attest van erfopvolging
vermeldt de volgende gegevens:
§ 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid,
bedoelde
kantoor
van
de
Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
kunnen elke aflevering van een akte of een
attest van erfopvolging weigeren indien zij aan
de hand van de door de verzoekende
belanghebbende
voorgelegde
stukken,
de
gedane
verklaringen
en
de
verrichte
opzoekingen, niet met zekerheid de erfgenamen
of erfgerechtigden kunnen aanwijzen.
1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats
en datum van geboorte, adres en datum van
overlijden;
in
voorkomend
geval,
het
identificatienummer van het Rijksregister, het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
de
Sociale
Zekerheid
of
het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
Ondernemingen;
§ 6. De akte of het attest van erfopvolging,
opgemaakt overeenkomstig de paragrafen 3 tot
5, geldt, tegenover derden te goeder trouw, als
bewijs van hun erfgerechtigdheid of van hun
erfgenaamschap voor alle personen die daarin
als dusdanig zijn vermeld.
2° het op de nalatenschap toepasselijk recht.
§ 4. Voor zover vereist door de wet, vermeldt
de akte of het attest van erfopvolging ook de
volgende
gegevens,
voor
zover
ze
redelijkerwijze konden worden achterhaald:
1° van alle personen vermeld in paragraaf 1: de
naam, voornamen, plaats en datum van
geboorte, adres, eventueel de datum van
overlijden, en in voorkomend geval het
identificatienummer van het Rijksregister, het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
de
Sociale
Zekerheid
of
het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van
Ondernemingen;
2° van de personen vermeld in paragraaf 1,
eerste lid: of, en in voorkomend geval hoe en
wanneer ze hun erfkeuze hebben uitgeoefend,
de omvang van het erfdeel, de omschrijving van
de goederen die hen toekomen, de aard van
2774/001
DOC 55
334
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hun rechten, en de beperkingen op de
uitoefening van die rechten die het gevolg zijn
van
onbekwaamheid,
van
een
beschermingsmaatregel
of
van
een
testamentaire beschikking;
3° in voorkomend geval van de langstlevende
echtgenoot: de gegevens over hun huwelijk en
hun huwelijksstelsel, de omschrijving van de
goederen die hem toekomen, de aard van zijn
rechten, en de beperkingen op de uitoefening
van die rechten die het gevolg zijn van
onbekwaamheid,
van
een
beschermingsmaatregel
of
van
een
testamentaire beschikking; tevens of hij een
keuze heeft uitgeoefend omtrent de rechten
vermeld in het tweede lid van paragraaf 1, en
in voorkomend geval hoe en wanneer hij die
keuze heeft uitgeoefend, evenals de gevolgen
daarvan voor wat de overgang van goederen
betreft;
4° van de legatarissen: of en, in voorkomend
geval, hoe en wanneer ze in het bezit van hun
legaat zijn gesteld, dan wel dat ze van
rechtswege in dat bezit zijn getreden;
5°
van
de
testamentuitvoerder
of
de
gerechtelijk aangestelde beheerder van de
nalatenschap:
de
omvang
van
zijn
bevoegdheden en de gegevens met betrekking
tot de beschikking die hem deze bevoegdheden
verlenen.
De notaris of het bevoegde kantoor van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie kan, wanneer een
akte van erfopvolging voor verschillende
doeleinden wordt opgesteld, een letterlijk
uittreksel van de akte afleveren voor een
bepaald doel. Het uittreksel bevat alle
informatie die vereist is om de beoogde
doelstelling te bereiken.
De akte of het attest van erfopvolging bestemd
voor de vrijgave van tegoeden moet ofwel een
afzonderlijke akte of attest zijn, ofwel het
onderwerp zijn van een in het tweede lid
bedoelde uittreksel, uitsluitend voor deze
doelstelling opgemaakt of afgeleverd, met de
door de wet vereiste vermeldingen. Het bevat
de gegevens van de personen vermeld in het
eerste lid, 1° tot 5°, enkel voor zover deze
personen op deze tegoeden gerechtigd zijn.
In de mate waarin een akte van erfopvolging de
verkrijging van zakelijke rechten ter zake des
335
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
doods vaststelt met betrekking tot onroerende
goederen zoals bedoeld in artikel 3.30, § 1, 7°,
mag de notaris of het bevoegde kantoor van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie van die akte een
letterlijk uittreksel afleveren dat zal worden
overgeschreven op het bevoegde kantoor van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie
van
het
rechtsgebied waarbinnen de goederen gelegen
zijn, op de wijze en binnen de termijnen
bedoeld in artikel 3.31.
§ 5. De notaris en het kantoor van de Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie
kunnen
de
aflevering van een akte of een attest van
erfopvolging weigeren indien zij aan de hand
van de door de verzoeker voorgelegde stukken,
de gedane verklaringen en de door hen
verrichte opzoekingen, niet met zekerheid de
gegevens kunnen vaststellen die vereist zijn
door paragraaf 3 of die overeenkomstig
paragraaf 4 nodig zijn omwille van de
doeleinden waarvoor de akte of het attest zou
worden afgegeven.
§ 6. Alle personen die in de akte of het attest
van erfopvolging zijn vermeld, worden geacht
de in de akte of het attest vermelde
hoedanigheid te hebben, en de daaraan
verbonden rechten en bevoegdheden te
kunnen uitoefenen.
Eenieder die te goeder trouw handelt op grond
van de in de akte of het attest van erfopvolging
vermelde informatie met een persoon die in de
akte of het attest wordt vermeld, wordt geacht
te handelen met een persoon die de in de akte
of het attest vermelde hoedanigheid heeft.
Behoudens
andersluidende
wettelijke
bepaling, is de betaling van tegoeden van de
erflater bevrijdend, indien de schuldenaar daar
te goeder trouw toe overgaat, ofwel aan of op
instructie van de personen die in de akte of het
attest van erfopvolging zijn aangewezen als
degene die op deze tegoeden gerechtigd zijn,
ofwel
aan
of
op
instructie
van
een
gerechtsmandataris.
De naleving van de regels in deze paragraaf
vermeld, ontslaat de schuldenaar niet van
eventuele andere wettelijke verplichtingen
voorgeschreven voor de deblokkering van deze
tegoeden.
2774/001
DOC 55
336
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 7. De Koning kan voor de akten van
erfopvolging opgesteld door een ambtenaar
van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie:
1° de materiële vormen van de akte bepalen;
2° de modaliteiten inzake de aflevering van
uitgiften en uittreksels van de akte bepalen;
3° de modaliteiten inzake de legalisatie van de
akte bepalen;
4° bijkomende modaliteiten bepalen die nodig
zijn
om
de
onveranderlijkheid,
de
vertrouwelijkheid en de bewaring van de akten
te waarborgen;
5° de materiële vormen en de inhoud bepalen
van iedere aanvraag om een akte van
erfopvolging. Hij kan het gebruik voorschrijven
van formulieren waarvan Hij het model bepaalt
en
bepalen
of
de
aanvraag
op
een
gedematerialiseerde wijze kan of moet worden
ingediend alsmede de modaliteiten van haar
indiening.
De bepalingen van het eerste lid, 1°, 2°, 4° en
5°, gelden eveneens voor de attesten van
erfopvolging opgesteld door het bevoegde
kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie overeenkomstig dit
artikel. De Koning kan bepalen dat deze
attesten op een gedematerialiseerde wijze
kunnen of moeten worden afgeleverd, alsmede
de modaliteiten van hun aflevering.
Art. 4.125. Doeleinden
Art. 4.125. Doeleinden
Het
centraal
erfrechtregister
is
een
geïnformatiseerde
gegevensbank
met
als
doeleinde:
Het
centraal
erfrechtregister
is
een
geïnformatiseerde
gegevensbank
met
als
doeleinde:
1° binnen de perken van de bepalingen van deze
ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan
derden,
op
elektronische
wijze
of,
in
voorkomend geval, per post, mogelijk te maken;
1° binnen de perken van de bepalingen van deze
ondertitel, de raadpleging en de mededeling aan
derden,
op
elektronische
wijze
of,
in
voorkomend geval, per post, mogelijk te maken;
a) van informatie met betrekking tot de akten
waarin de identiteit wordt bepaald van de
personen
die
tot
een
opengevallen
nalatenschap zijn geroepen;
a) van informatie met betrekking tot de akten
waarin de identiteit wordt bepaald van de
personen
die
tot
een
opengevallen
nalatenschap zijn geroepen;
b) van de identiteit van de personen die een
nalatenschap hebben verworpen of aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving;
b) van de identiteit van de personen die een
nalatenschap hebben verworpen of aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving;
c) van de gerechtelijke maatregelen genomen
met betrekking tot het beheer van een
nalatenschap.
c) van de gerechtelijke maatregelen genomen
met betrekking tot het beheer van een
nalatenschap.
1°/1 binnen de perken van de bepalingen van
deze ondertitel, op geautomatiseerde wijze de
337
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vaststelling
van
de
hoedanigheid
van
erfgenaam mogelijk te maken zoals bedoeld in
artikel 14, § 1, lid 2, van het koninklijk besluit
van 18 maart 2020 houdende de invoering van
de Notariële Aktebank;
2° binnen de perken bepaald door Verordening
(EU) 2016/679 van het Europees Parlement en
de Raad van 27 april 2016 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen in
verband
met
de
verwerking
van
persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het
centraal
register
geregistreerde
gegevens
mogelijk te maken met het oog op het algemeen
belang en in het bijzonder statistische en
wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de
kwaliteit van het register te verbeteren.
2° binnen de perken bepaald door Verordening
(EU) 2016/679 van het Europees Parlement en
de Raad van 27 april 2016 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen in
verband
met
de
verwerking
van
persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in het
centraal
register
geregistreerde
gegevens
mogelijk te maken met het oog op het algemeen
belang en in het bijzonder statistische en
wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de
kwaliteit van het register te verbeteren.
Art. 4.126. Op te nemen akten
Art. 4.126. op te nemen akten
§ 1. In het centraal erfrechtregister worden
opgenomen:
§ 1. In het centraal erfrechtregister worden
opgenomen:
1° de akten en attesten van erfopvolging die
door
een
notaris
worden
opgemaakt
overeenkomstig artikel 4.59;
1° de akten en attesten van erfopvolging die
door
een
notaris
worden
opgemaakt
overeenkomstig artikel 4.59;
2° de Europese erfrechtverklaringen die worden
opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van
Verordening nr. 650/2012 van het Europees
Parlement en de Raad van 4 juli 2012
betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke
recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen
en
de
aanvaarding
en
de
tenuitvoerlegging van authentieke akten op het
gebied van erfopvolging, alsmede betreffende
de
instelling
van
een
Europese
erfrechtverklaring,
alsmede
de
Europese
erfrechtverklaringen die worden opgemaakt
door de bevoegde gerechtelijke autoriteit
overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine,
van dezelfde Verordening;
2° de Europese erfrechtverklaringen die worden
opgemaakt overeenkomstig artikel 68 van
Verordening nr. 650/2012 van het Europees
Parlement en de Raad van 4 juli 2012
betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke
recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van
beslissingen
en
de
aanvaarding
en
de
tenuitvoerlegging van authentieke akten op het
gebied van erfopvolging, alsmede betreffende
de
instelling
van
een
Europese
erfrechtverklaring,
alsmede
de
Europese
erfrechtverklaringen die worden opgemaakt
door de bevoegde gerechtelijke autoriteit
overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine,
van dezelfde Verordening;
3° de correcties, de wijzigingen en de
intrekkingen
van
die
Europese
erfrechtverklaringen;
3° de correcties, de wijzigingen en de
intrekkingen
van
die
Europese
erfrechtverklaringen;
4° de akten houdende de verklaring van
verwerping,
die
worden
opgemaakt
overeenkomstig artikel 4.44;
4° de akten houdende de verklaring van
verwerping,
die
worden
opgemaakt
overeenkomstig artikel 4.44;
5° de akten houdende de verklaring waarbij een
erfgenaam te kennen geeft dat hij deze
hoedanigheid slechts onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanneemt, die worden
opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49;
5° de akten houdende de verklaring waarbij een
erfgenaam te kennen geeft dat hij deze
hoedanigheid slechts onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanneemt, die worden
opgemaakt overeenkomstig artikel 4.49;
2774/001
DOC 55
338
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van
een beheerder van een onder voorrecht van
boedelbeschrijving
aanvaarde
nalatenschap
overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing
van
een
curator
over
een
onbeheerde
nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en
artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek.
6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van
een beheerder van een onder voorrecht van
boedelbeschrijving
aanvaarde
nalatenschap
overeenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing
van
een
curator
over
een
onbeheerde
nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en
artikel 1231 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. De notaris schrijft de akten en attesten
bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De
inschrijving
van
de
Europese
erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°,
die worden opgemaakt door een notaris,
alsmede de correcties, de wijzigingen en de
intrekkingen
van
deze
Europese
erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de
notaris.
§ 2. De notaris schrijft de akten en attesten
bedoeld in paragraaf 1, 1°, 4° en 5° in. De
inschrijving
van
de
Europese
erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°,
die worden opgemaakt door een notaris,
alsmede de correcties, de wijzigingen en de
intrekkingen
van
deze
Europese
erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de
notaris. Het bevoegde kantoor van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie schrijft de akten en
de attesten van erfopvolging bedoeld in
paragraaf 1 die het heeft opgemaakt, in.
De griffier van het rechtscollege dat de beslissing
heeft
uitgesproken,
stelt
het
centraal
erfrechtregister in kennis van de Europese
erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°,
die worden opgemaakt door de bevoegde
gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel
72, tweede lid, in fine, van de voormelde
Verordening (EU) nr. 650/2012.
De griffier van het rechtscollege dat de beslissing
heeft
uitgesproken,
stelt
het
centraal
erfrechtregister in kennis van de Europese
erfrechtverklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°,
die worden opgemaakt door de bevoegde
gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel
72, tweede lid, in fine, van de voormelde
Verordening (EU) nr. 650/2012.
Art. 4.127. In te schrijven gegevens
Art. 4.127. In te schrijven gegevens
§ 1. Het register bevat de volgende gegevens
geldend op het ogenblik van de inschrijving:
§ 1. Het register bevat de volgende gegevens
geldend op het ogenblik van de inschrijving:
1° van de erflater:
1° van de erflater:
a) de naam en voorna(a)m(en);
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) het rijksregisternummer;
b) het identificatienummer van het
Rijksregister
of
het
identificatienummer
bij
de
Kruispuntbank
van
de
Sociale
Zekerheid;
c) de geboortedatum en -plaats;
c) de geboortedatum en -plaats;
d) de woonplaats of de gewone
verblijfplaats;
d) de woonplaats of de gewone
verblijfplaats;
e) de plaats en de datum van overlijden;
e) de plaats en de datum van overlijden;
1°/1 van de erfgenamen:
a) de naam en voorna(a)m(en);
b) het identificatienummer van het
Rijksregister
of
het
identificatienummer
bij
de
Kruispuntbank
van
de
Sociale
Zekerheid;
339
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° van de aangever, in geval van inschrijving van
een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of
artikel 4.49:
2° van de aangever, in geval van inschrijving van
een verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of
artikel 4.49:
a) de naam en voorna(a)m(en) in geval
van een natuurlijke persoon, of, de
naam of benaming in geval van een
rechtspersoon;
a) de naam en voorna(a)m(en) in geval
van een natuurlijke persoon, of, de
naam of benaming in geval van een
rechtspersoon;
b) de rechtsvorm in geval van een
rechtspersoon;
b) de rechtsvorm in geval van een
rechtspersoon;
c)
het
rijksregisternummer
of
in
voorkomend
geval
het
ondernemingsnummer;
c) het identificatienummer van het
Rijksregister, het identificatienummer
bij de Kruispuntbank van de Sociale
Zekerheid of in voorkomend geval het
ondernemingsnummer;
d) de geboortedatum en -plaats in geval
van een natuurlijke persoon;
d) de geboortedatum en -plaats in geval
van een natuurlijke persoon;
e) de woonplaatskeuze in geval van een
verklaring overeenkomstig artikel 4.49;
e) de woonplaatskeuze in geval van een
verklaring overeenkomstig artikel 4.49;
3° van de aangestelde curator of beheerder van
de nalatenschap, in geval van inschrijving van
een
vonnis
of
arrest
tot
aanstelling
overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58:
3° van de aangestelde curator of beheerder van
de nalatenschap, in geval van inschrijving van
een
vonnis
of
arrest
tot
aanstelling
overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58:
a) de naam en de voorna(a)m(en);
a) de naam en de voorna(a)m(en);
b) de functie;
b) de functie;
c) het kantooradres;
c) het kantooradres;
4° de aard en de datum van de akte, het attest
of de Europese erfrechtverklaring indien
opgemaakt door een notaris, met aanduiding
van het voorwerp van de verklaring in geval van
inschrijving van een verklaring overeenkomstig
artikel 4.44 of artikel 4.49;
4° de aard en de datum van de akte, het attest
of de Europese erfrechtverklaring indien
opgemaakt door een notaris of door een
bevoegd
kantoor
van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie, met aanduiding
van het voorwerp van de verklaring in geval van
inschrijving van een verklaring overeenkomstig
artikel 4.44 of artikel 4.49;
5° de aard en de datum van de beslissing
houdende de Europese erfrechtverklaring indien
opgemaakt door de rechtbank of van de
beschikking tot aanwijzing van een curator of
van een beheerder;
5° de aard en de datum van de beslissing
houdende de Europese erfrechtverklaring indien
opgemaakt door de rechtbank of van de
beschikking tot aanwijzing van een curator of
van een beheerder;
6° de identificatie van de notaris, die de akte
heeft verleden of het attest of de Europese
erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het
rechtscollege
dat
de
Europese
erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het
rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing
van een curator of van een beheerder heeft
gewezen;
6° de identificatie van de notaris, die de akte
heeft verleden of het attest of de Europese
erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het
bevoegde
kantoor
van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie dat de akte of het
attest van erfopvolging heeft opgemaakt, van
het
rechtscollege
dat
de
Europese
erfrechtverklaring heeft opgemaakt of van het
rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing
van een curator of van een beheerder heeft
gewezen;
2774/001
DOC 55
340
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie
van de akte of de Europese erfrechtverklaring,
zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16
maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en
bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de
attesten van erfopvolging, de referentie van het
kantoor;
7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie
van de akte of de Europese erfrechtverklaring,
zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van 16
maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en
bij gebrek, het repertoriumnummer, of, voor de
attesten van erfopvolging, de referentie van het
kantoor van de notaris of van het bevoegd
kantoor van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie;
8° in voorkomend geval, de referentie volgens
de
ECLI-standaard
(European
Case
Law
Identifier) van de beslissing houdende de
Europese
erfrechtverklaring
of
van
de
beschikking tot aanwijzing van een curator of
van een beheerder en bij gebrek, het algemeen
rolnummer van het vonnis of het arrest.
8° in voorkomend geval, de referentie volgens
de
ECLI-standaard
(European
Case
Law
Identifier) van de beslissing houdende de
Europese
erfrechtverklaring
of
van
de
beschikking tot aanwijzing van een curator of
van een beheerder en bij gebrek, het algemeen
rolnummer van het vonnis of het arrest.
§ 2. Het centraal erfrechtregister geldt als
authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn
opgenomen.
§ 2. Het centraal erfrechtregister geldt als
authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn
opgenomen.
Art. 4.128. Inschrijvingskosten
Art. 4.128. Inschrijvingskosten en mededeling
in het Belgisch Staatsblad
De Koning bepaalt het tarief van de kosten van
de inschrijving in het register.
De Koning bepaalt het tarief van de kosten van
de inschrijving in het register en de modaliteiten
en de kosten van de mededeling in het Belgisch
Staatsblad
van
de
verklaringen
van
aanvaarding
onder
voorrecht
van
boedelbeschrijving.
Art. 4.131. Raadpleging
Art. 4.131. Raadpleging
§ 1. De gegevens opgenomen in het centraal
erfrechtregister zijn toegankelijk voor:
§ 1. Met uitzondering van de gegevens bepaald
onder artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn de gegevens
opgenomen in het centraal erfrechtregister
toegankelijk voor:
1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de
advocaten en de griffiers en magistraten bij de
rechtscolleges, in functie van de uitoefening van
hun ambt;
1° de notarissen, de gerechtsdeurwaarders, de
advocaten en de griffiers en magistraten bij de
rechtscolleges, in functie van de uitoefening van
hun ambt;
2° de openbare overheden, de instellingen van
openbaar
nut
indien
de
kennisneming
noodzakelijk is voor de uitvoering van hun
wettelijke opdrachten;
2° de openbare overheden, de instellingen van
openbaar
nut
indien
de
kennisneming
noodzakelijk is voor de uitvoering van hun
wettelijke opdrachten;
3° eenieder, voor zover zij een actueel en
rechtmatig belang kunnen aantonen. Het belang
van de verzoeker is actueel en rechtmatig
wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen
getroffen worden door het overlijden van de
erflater
of
door
de
erfkeuzes
van
de
erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig
belang wordt vermeld in het verzoek tot
raadpleging.
3° eenieder, voor zover zij een actueel en
rechtmatig belang kunnen aantonen. Het belang
van de verzoeker is actueel en rechtmatig
wanneer zijn actuele rechten en verplichtingen
getroffen worden door het overlijden van de
erflater
of
door
de
erfkeuzes
van
de
erfgerechtigden. Het actueel en rechtmatig
belang wordt vermeld in het verzoek tot
raadpleging.
341
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1,
zijn enkel toegankelijk voor de beheerder van
de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van
de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het
notarisambt, teneinde de toegang van de
erfgenamen
tot
de
akten
van
hun
rechtsvoorganger mogelijk te maken.
§ 2. Het is de beheerder verboden de in het
centraal erfrechtregister opgenomen gegevens
mee te delen aan andere personen dan zij die
toegang ertoe hebben zoals bepaald in
paragraaf 1.
§ 2. Het is de beheerder verboden de in het
centraal erfrechtregister opgenomen gegevens
mee te delen aan andere personen dan zij die
toegang ertoe hebben zoals bepaald in
paragraaf 1.
Met behoud van de toepassing van de wettelijke
bepalingen
ter
bescherming
van
de
persoonsgegevens moet hij die in welke
hoedanigheid
ook
deelneemt
aan
de
verzameling, de verwerking of de mededeling
van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of
kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk
karakter ervan in acht nemen.
Met behoud van de toepassing van de wettelijke
bepalingen
ter
bescherming
van
de
persoonsgegevens moet hij die in welke
hoedanigheid
ook
deelneemt
aan
de
verzameling, de verwerking of de mededeling
van de in artikel 4.127 bedoelde gegevens of
kennis heeft van die gegevens, het vertrouwelijk
karakter ervan in acht nemen.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van
toepassing.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van
toepassing.
§ 3. De toegang tot de gegevens van het centraal
erfrechtregister is kosteloos.
§ 3. De toegang tot de gegevens van het centraal
erfrechtregister is kosteloos.
De beheerder is gemachtigd om online
raadpleging mogelijk te maken voor de in
paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die
daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun
consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit
voortvloeiende
bijkomende
taken
en
investeringen ten laste van de beheerder, wordt
aangerekend aan deze raadplegers.
De beheerder is gemachtigd om online
raadpleging mogelijk te maken voor de in
paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die
daarom verzoeken, binnen de grenzen van hun
consultatierecht. De vergoeding voor de daaruit
voortvloeiende
bijkomende
taken
en
investeringen ten laste van de beheerder, wordt
aangerekend aan deze raadplegers.
Art. 4.258. Later opdagende erfgenamen
Art. 4.258. Later opdagende erfgenamen
Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe
vermoedelijke
erfgenamen
in
rechte
neerdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de
nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen
invloed op de geldigheid van de overeenkomst,
maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen
opzichte.
Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe
vermoedelijke
erfgenamen
in
rechte
neerdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de
nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen
invloed op de geldigheid van de overeenkomst,
maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen
opzichte.
Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in de
eerste paragraaf, worden de schenkingen
bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de
inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te
zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke
erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen
bij de overeenkomst.
Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in het
eerste lid, worden de schenkingen bedoeld in de
overeenkomst, wat betreft de inkorting en de
inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan
aan
het
geheel
van
de
vermoedelijke
erfgenamen in rechte neerdalende lijn, partijen
bij de overeenkomst.
Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en
niet-fiscale schuldvorderingen
2774/001
DOC 55
342
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Onderafdeling 2. - De aansprakelijkheid en
plichten inzake de opmaak van een akte of attest
van erfopvolging bedoeld in artikel 4.59 van het
Burgerlijk Wetboek
Onderafdeling 2. - De aansprakelijkheid en
plichten inzake de opmaak van een akte of attest
van erfopvolging bedoeld in artikel 4.59, § 4,
derde lid, van het Burgerlijk Wetboek
Art. 43, § 1
Art. 43, § 1
§ 1. Om de inning van zekere en vaststaande
fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, die de
erflater, zijn erfgenamen en legatarissen of de
begunstigden van een door de erflater
gemaakte contractuele erfstelling verschuldigd
zijn, te verzekeren zijn de notarissen die
verzocht zijn om een in artikel 4.59 van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van
erfopvolging
op
te
maken,
persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
door
de
erflater,
zijn
erfgenamen
en
legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, verschuldigde sommen uit hoofde
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die
ter
kennis
gebracht
kunnen
worden
overeenkomstig artikel 44, indien zij daarvan
geen bericht geven aan:
§ 1. Om de inning van zekere en vaststaande
fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, die de
erflater, zijn erfgenamen en legatarissen of de
begunstigden van een door de erflater
gemaakte contractuele erfstelling verschuldigd
zijn, te verzekeren zijn de notarissen die
verzocht zijn om een in artikel 4.59, § 4, derde
lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of
attest van erfopvolging op te maken, persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
door
de
erflater,
zijn
erfgenamen
en
legatarissen, waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, verschuldigde sommen uit hoofde
van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen die
ter
kennis
gebracht
kunnen
worden
overeenkomstig artikel 44, indien zij daarvan
geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën.,
en
dit
op
elektronische wijze;
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën.,
en
dit
op
elektronische wijze;
2° de ontvangers waaronder de erflater en de
rechtverkrijgenden
waarvan
de
identiteit
vermeld is in de akte of het attest van
erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger
van de dienst die door de Koning daarvoor is
aangewezen, wanneer de erflater en/of een van
zijn rechtverkrijgenden in het buitenland
verblijven, wanneer het bericht omwille van
overmacht of een technische storing niet kan
worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat
geval wordt het bericht bij aangetekende
zending verzonden.
2° de ontvangers waaronder de erflater en de
rechtverkrijgenden
waarvan
de
identiteit
vermeld is in de akte of het attest van
erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger
van de dienst die door de Koning daarvoor is
aangewezen, wanneer de erflater en/of een van
zijn rechtverkrijgenden in het buitenland
verblijven, wanneer het bericht omwille van
overmacht of een technische storing niet kan
worden meegedeeld overeenkomstig 1°. In dat
geval wordt het bericht bij aangetekende
zending verzonden.
Wanneer het gaat om door de erflater
verschuldigde sommen, is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de nalatenschap.
Wanneer het gaat om door de erflater
verschuldigde sommen, is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de nalatenschap.
Wanneer
het
gaat
om
door
de
rechtverkrijgenden verschuldigde sommen is de
aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid
beperkt tot de waarde van de tegoeden die
Wanneer
het
gaat
om
door
de
rechtverkrijgenden verschuldigde sommen is de
aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid
beperkt tot de waarde van de tegoeden die
343
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de
identiteit vermeld is in de akte of het attest en
betreffende dewelke de notaris aansprakelijk
kan worden gesteld.
toekomen aan de rechtverkrijgende waarvan de
identiteit vermeld is in de akte of het attest en
betreffende dewelke de notaris aansprakelijk
kan worden gesteld.
Art. 46, § 1
Art. 46, § 1
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de schulden waarvan
kennis werd gegeven bij toepassing van artikel
44, kan diegene die tegoeden van een
overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel
4.59 van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op
een bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit
het attest van erfopvolging of uit de uitgifte van
de akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele
kennisgeving als bedoeld in artikel 44 werd
gedaan.
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de schulden waarvan
kennis werd gegeven bij toepassing van artikel
44, kan diegene die tegoeden van een
overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel
4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek,
dat maar op een bevrijdende wijze doen indien
duidelijk uit het attest van erfopvolging of uit de
uitgifte van de akte van erfopvolging blijkt dat
geen enkele kennisgeving als bedoeld in artikel
44 werd gedaan.
In afwijking van het eerste lid kan het vrijgeven
van
de
tegoeden
van
de
overledene
overeenkomstig artikel 4.59 van het Burgerlijk
Wetboek toch op een bevrijdende wijze gedaan
worden aan de erfgenaam, de legataris, de
begunstigde van een contractuele erfstelling of
een gerechtsmandataris die een attest van
erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt, waarin wordt vermeld:
In afwijking van het eerste lid kan het vrijgeven
van
de
tegoeden
van
de
overledene
overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van
het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende
wijze gedaan worden aan de erfgenaam, de
legataris, de begunstigde van een contractuele
erfstelling of een gerechtsmandataris die een
attest van erfopvolging of een uitgifte van de
akte van erfopvolging voorlegt, waarin wordt
vermeld:
a) dat alle op naam van de overledene
en alle op naam van de erfgenaam, de
legataris of de begunstigde van een
contractuele
erfstelling
bestaande
schulden waarvan bij toepassing van
artikel 44 in voorkomend geval kennis
werd gegeven, werden betaald of
a) dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
artikel 44 in voorkomend geval kennis werd
gegeven, werden betaald of
b) dat de tegoeden kunnen worden
vrijgegeven
aan
deze
erfgenaam,
legataris,
begunstigde
van
een
contractuele
erfstelling
of
gerechtsmandataris na betaling van de
schulden ter kennis gebracht op naam
van de rechtverkrijgende en van zijn
deel in de schulden ter kennis gebracht
op naam van de erflater, met de
tegoeden
gehouden
door
de
schuldenaar van deze fondsen.
b) dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan deze erfgenaam, legataris, begunstigde van
een
contractuele
erfstelling
of
gerechtsmandataris na betaling van de schulden
ter
kennis
gebracht
op
naam
van
de
rechtverkrijgende en van zijn deel in de schulden
ter kennis gebracht op naam van de erflater, met
de tegoeden gehouden door de schuldenaar van
deze fondsen.
Art. 48
Art. 48
De artikelen 43 tot 47 zijn van toepassing op elke
persoon of dienst die bevoegd is om een in
artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld
attest van erfopvolging op te maken.
De artikelen 43 tot 47 zijn van toepassing op elke
persoon of dienst die bevoegd is om een in
artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk
2774/001
DOC 55
344
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wetboek bedoeld attest van erfopvolging op te
maken.
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
Art. 15/3
Art. 15/3
§ 1. Onverminderd de maatregelen bepaald in
artikel 15/2, legt de commissie, in geval van
inbreuk op de artikelen 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2,
43/2/1, 43/3, 43/4, 46, 54, 58, 60, 62, en onder
de voorwaarden bepaald in artikel 15/1, § 1, aan
de daders een administratieve geldboete op.
§
2.
Het
minimumbedrag
en
het
maximumbedrag
van
de
administratieve
geldboete komen respectievelijk overeen met
het minimumbedrag en het maximumbedrag,
verhoogd
met
de
opdecimes,
van
de
strafrechtelijke geldboete, bepaald bij deze wet,
die hetzelfde feit sanctioneert.
De omvang van de administratieve geldboete is
evenredig ten aanzien van de ernst van de
inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele
herhaling.
§ 3. De beslissing van de commissie bepaalt het
bedrag van de administratieve boete en is met
redenen omkleed.
§ 4. De kennisgeving van de beslissing waarbij
het bedrag van de administratieve boete, wordt
vastgesteld, doet de strafvordering vervallen.
§ 5. De beslissing tot het opleggen van een
administratieve geldboete kan niet meer
worden genomen vijf jaar na het feit dat de bij
deze wet vastgestelde inbreuken oplevert.
§ 1. Onverminderd de maatregelen bepaald in
artikel 15/2, legt de commissie, in geval van
inbreuk op de artikelen 4, 8, 26, 27, 43/1, 43/2,
43/2/1, 43/3, 43/4, 46, 54, 58, 60, 61, tweede
lid, 62 en onder de voorwaarden bepaald in
artikel 15/1, § 1, aan de daders een
administratieve geldboete op.
§
2.
Het
minimumbedrag
en
het
maximumbedrag
van
de
administratieve
geldboete komen respectievelijk overeen met
het minimumbedrag en het maximumbedrag,
verhoogd
met
de
opdecimes,
van
de
strafrechtelijke geldboete, bepaald bij deze wet,
die hetzelfde feit sanctioneert.
De omvang van de administratieve geldboete is
evenredig ten aanzien van de ernst van de
inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele
herhaling.
§ 3. De beslissing van de commissie bepaalt het
bedrag van de administratieve boete en is met
redenen omkleed.
§ 4. De kennisgeving van de beslissing waarbij
het bedrag van de administratieve boete, wordt
vastgesteld, doet de strafvordering vervallen.
§ 5. De beslissing tot het opleggen van een
administratieve geldboete kan niet meer
worden genomen vijf jaar na het feit dat de bij
deze wet vastgestelde inbreuken oplevert.
§6. De Commissie kan ermee instemmen de
tenuitvoerlegging van de beslissing tot het
opleggen van een administratieve boete geheel
of gedeeltelijk op te schorten op voorwaarde
dat de overtreder in de drie jaar voorafgaand
aan de inbreuk geen andere administratieve of
strafrechtelijke boetes voor inbreuken op deze
wet heeft ontvangen.
345
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De beslissing waarbij het uitstel, wordt
toegestaan of geweigerd, moet met redenen
omkleed zijn.
Het uitstel geldt voor een proeftijd van drie
jaar. De proeftijd begint te lopen vanaf de
datum van kennisgeving van de beslissing tot
het
opleggen
van
een
administratieve
geldboete.
Het uitstel wordt automatisch herroepen
indien tijdens de proeftijd een nieuwe inbreuk
wordt begaan die aanleiding geeft tot een
beslissing tot het opleggen van een nieuwe
administratieve geldboete.
Van de herroeping van het uitstel wordt kennis
gegeven bij dezelfde beslissing als die waarbij
de administratieve geldboete voor deze
nieuwe inbreuk wordt opgelegd.
De administratieve geldboete waarvan de
betaling afdwingbaar wordt na de herroeping
van het uitstel wordt gecumuleerd met de
geldboete die voor deze nieuwe inbreuk wordt
opgelegd.
Art. 52
Art. 52
Elk model van materiaal of van toestel dat met
het
oog
op
het
gebruik
door
een
vergunninghouder bepaald in deze wet, is
ingevoerd of vervaardigd binnen de grenzen en
voorwaarden vastgesteld in een vergunning
klasse E, moet, teneinde op het Belgische
grondgebied te kunnen worden verkocht of
geëxploiteerd, goedgekeurd worden door de
commissie op basis van de controles uitgevoerd
door een van de instanties die vermeld zijn in het
tweede lid van onderhavig artikel. Als bewijs van
de goedkeuring wordt een goedkeuringsattest
uitgereikt.
De controles op basis waarvan de goedkeuring
wordt verleend, worden uitgevoerd :
- hetzij door de dienst technische evaluaties van
de kansspelcommissie;
- hetzij door een instelling die hiertoe
geaccrediteerd is in het raam van de wet van 20
juli 1990 betreffende de accreditatie van
instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of
geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de
Elk model van materiaal of van toestel dat met
het
oog
op
het
gebruik
door
een
vergunninghouder bepaald in deze wet, is
ingevoerd of vervaardigd binnen de grenzen en
voorwaarden vastgesteld in een vergunning
klasse E, moet, teneinde op het Belgische
grondgebied te kunnen worden verkocht of
geëxploiteerd, goedgekeurd worden door de
commissie op basis van de controles uitgevoerd
door een van de instanties die vermeld zijn in het
tweede lid van onderhavig artikel. Als bewijs van
de goedkeuring wordt een goedkeuringsattest
uitgereikt.
De controles op basis waarvan de goedkeuring
wordt verleend, worden uitgevoerd :
- hetzij door de dienst technische evaluaties van
de kansspelcommissie;
- hetzij door een instelling die hiertoe
geaccrediteerd is in het raam van titel 2 van
Boek VIII, van het Wetboek van economisch
recht, onder toezicht van de dienst Technische
evaluaties van de kansspelcommissie;
2774/001
DOC 55
346
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Europese Gemeenschappen of in een ander land
dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de
Europese Economische Ruimte, onder toezicht
van de dienst Technische evaluaties van de
kansspelcommissie;
De controles bij de ingebruikneming en bij het
gebruik van het materiaal of van de toestellen
bedoeld in het eerste lid worden eveneens
uitgevoerd door de instanties bedoeld in het
tweede lid.
De controles bij de ingebruikneming en bij het
gebruik van het materiaal of van de toestellen
bedoeld in het eerste lid worden eveneens
uitgevoerd door de instanties bedoeld in het
tweede lid.
Art. 55
Art. 55
Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt
een
systeem
van
informatieverwerking
betreffende de personen bedoeld in artikel 54
ingesteld.
De doelstellingen van dit systeem zijn:
1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij
deze wet toegekende opdrachten uit te
oefenen;
2° de exploitanten en het personeel van de
kansspelinrichtingen in staat te stellen de
naleving te controleren van de ontzegging van
toegang bedoeld in artikel 54.
Voor iedere persoon maakt de volgende
informatie het voorwerp uit van een verwerking:
1° de naam en voornamen;
2° de geboorteplaats en -datum;
3° de nationaliteit;
4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8
van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van
een Rijksregister van de natuurlijke personen of,
bij ontstentenis van dit nummer, het nummer
toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8
februari 1991 betreffende de samenstelling en
de
wijze
van
toekenning
van
het
identificatienummer
van
de
natuurlijke
personen die niet ingeschreven zijn in het
Rijksregister van de natuurlijke personen;
5° het beroep;
6° voorzover ze bestaat, de beslissingen van
ontzegging bedoeld in artikel 54, § 3 en § 4
Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt
een
systeem
van
informatieverwerking
betreffende de personen bedoeld in artikel 54
ingesteld.
De
commissie
is
de
verwerkingsverantwoordelijke
van
het
systeem van informatieverwerking bedoeld in
het eerste lid.
De doelstellingen van dit systeem zijn:
1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij
deze wet toegekende opdrachten uit te
oefenen;
2° de exploitanten en het personeel van de
kansspelinrichtingen in staat te stellen de
naleving te controleren van de ontzegging van
toegang bedoeld in artikel 54.
Voor iedere persoon maakt de volgende
informatie het voorwerp uit van een verwerking:
1° de naam en voornamen;
2° de geboorteplaats en -datum;
3° de nationaliteit;
4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8
van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van
een Rijksregister van de natuurlijke personen of,
bij ontstentenis van dit nummer, het nummer
toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8
februari 1991 betreffende de samenstelling en
de
wijze
van
toekenning
van
het
identificatienummer
van
de
natuurlijke
personen die niet ingeschreven zijn in het
Rijksregister van de natuurlijke personen;
5° het beroep;
6° voorzover ze bestaat, de beslissingen van
ontzegging bedoeld in artikel 54, § 3 en § 4
347
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uitgesproken door de kansspelcommissie, de
datum en de motivering van deze beslissing.
Tegen betaling van een bijdrage, wordt een
vaste on-line toegang tot alle categorieën van
informatie bedoeld in het derde lid verleend aan
de kansspelcommissie.
Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na
advies van de Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer, bepaalt de
Koning het bedrag van de in het vierde lid
bedoelde bijdrage, de beheersregels van het
systeem van informatieverwerking en de nadere
regels inzake de informatieverwerking en de
toegang tot het systeem.
uitgesproken door de kansspelcommissie, de
datum en de motivering van deze beslissing.
Tegen betaling van een bijdrage, wordt een
vaste on-line toegang tot alle categorieën van
informatie bedoeld in het derde lid verleend aan
de kansspelcommissie.
Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na
advies
van
de
Gegevensbeschermingsautoriteit, bepaalt de
Koning het bedrag van de in het vierde lid
bedoelde bijdrage, de beheersregels van het
systeem van informatieverwerking en de nadere
regels inzake de informatieverwerking en de
toegang tot het systeem.
Art. 58
Art. 58
Behoudens het gebruik van kredietkaarten en
debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I
mag niemand aan de spelers en de gokkers enige
vorm van lening of krediet toestaan of met hen
een geldelijke of materiële transactie aangaan
ter betaling van een inzet of een verlies.
Een verrichting waarvan de som 10.000 euro of
meer bedraagt, moet gebeuren door middel van
een kredietkaart of debetkaart. De betaling met
kredietkaarten
is
verboden
in
de
kansspelinrichtingen klasse II, III en IV en voor de
kansspelen die worden geëxploiteerd via
informatiemaatschappij-instrumenten.
De exploitanten van de kansspelinrichtingen zijn
verplicht in alle voor het publiek toegankelijke
lokalen op duidelijk leesbare en goed zichtbare
wijze het verbod van kredietverlening, bepaald
in het eerste lid, ter kennis te brengen van hun
cliënteel.
De
aanwezigheid
van
geldautomaten
in
kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is
verboden. De aanwezigheid van geldwisselaars
in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is
toegelaten.
Behoudens het gebruik van kredietkaarten en
debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I
mag niemand aan de spelers en de gokkers enige
vorm van lening of krediet toestaan of met hen
een geldelijke of materiële transactie aangaan
ter betaling van een inzet of een verlies.
Een verrichting waarvan de som 3.000 euro of
meer bedraagt, moet gebeuren door middel van
een kredietkaart of debetkaart. De betaling met
kredietkaarten
is
verboden
in
de
kansspelinrichtingen klasse II, III en IV en voor de
kansspelen die worden geëxploiteerd via
informatiemaatschappij-instrumenten.
De exploitanten van de kansspelinrichtingen zijn
verplicht in alle voor het publiek toegankelijke
lokalen op duidelijk leesbare en goed zichtbare
wijze het verbod van kredietverlening, bepaald
in het eerste lid, ter kennis te brengen van hun
cliënteel.
De
aanwezigheid
van
geldautomaten
in
kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is
verboden. De aanwezigheid van geldwisselaars
in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is
toegelaten.
Art. 62
Art. 62
In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is
de
toegang
tot
de
speelzalen
van
kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de
vaste kansspelinrichtingen klasse IV is slechts
In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is
de
toegang
tot
de
speelzalen
van
kansspelinrichtingen van de klassen I, II en tot de
vaste kansspelinrichtingen klasse IV is slechts
2774/001
DOC 55
348
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toegestaan wanneer de betrokken persoon een
identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn
volledige naam, voornamen, geboortedatum,
geboorteplaats, beroep en adres in een register
inschrijft.
De exploitant doet de betrokkene dat register
ondertekenen.
Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit
van de speler blijkt, moet gedurende ten minste
vijf jaar na zijn laatste deelneming aan een
kansspel worden bewaard.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers
worden toegelaten en geregistreerd.
Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot
de registers.
De commissie kan de vergunning klasse I, II of
klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen
intrekken zo dat register niet of onjuist wordt
bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan
de over heden wordt medegedeeld, beschadigd
raakt dan wel verdwijnt.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers
worden toegelaten en geregistreerd voor
deelneming aan kansspelen via een elektronisch
communicatienetwerk evenals de voorwaarden
waaraan het register moet voldoen.
toegestaan wanneer de betrokken persoon een
identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn
volledige naam, voornamen, geboortedatum,
geboorteplaats, beroep en adres in een register
inschrijft. Bij elk bezoek van de betrokken
persoon dient een foto van die persoon te
worden genomen en bewaard in het register.
De doelstelling van dit register is de commissie
in staat te stellen a posteriori na te gaan of de
raadplegingen
van
het
systeem
van
informatieverwerking, bedoeld in artikel 55,
wel degelijk gedaan zijn met betrekking tot de
spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of
een
vaste
kansspelinrichting
klasse
IV
bezoeken.
De persoonsgegevens die opgenomen zijn in
het register worden bewaard gedurende een
termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de
laatste spelactiviteit van de betrokkene.
De exploitant doet de betrokkene dat register
ondertekenen.
Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit
van de speler blijkt, moet gedurende een
termijn van maximum tien jaar na zijn laatste
deelneming aan een kansspel worden bewaard.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers
worden toegelaten en geregistreerd.
Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot
de registers.
De commissie kan de vergunning klasse I, II of
klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen
intrekken zo dat register niet of onjuist wordt
bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan
de over heden wordt medegedeeld, beschadigd
raakt dan wel verdwijnt.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers
worden toegelaten en geregistreerd voor
deelneming aan kansspelen via een elektronisch
communicatienetwerk evenals de voorwaarden
waaraan het register moet voldoen.
349
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 62/1
Art. 62/1
Elke inbreuk op de voorwaarden omschreven in
artikel 3ter wordt gestraft met geldboete van
honderd euro tot honderdduizend euro.
Opgeheven.
Art. 64
Art. 64
De daders van inbreuken op de bepalingen van
de artikelen 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3,
43/4, 54, 60 en 62 worden gestraft met een
gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en
met een boete van 26 frank tot 25 000 frank of
met één van die straffen alleen.
De daders van inbreuken op de bepalingen van
de artikelen 4 § 2, 43/1, 43/2, 43/2/1, 43/3,
43/4, 54, 60, 61, tweede lid en 62 worden
gestraft met een gevangenisstraf van één maand
tot drie jaar en met een boete van 26 frank tot
25 000 frank of met één van die straffen alleen.
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het
Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen
TITEL VIquater. - Samenwerking met het
internationaal, onpartijdig en onafhankelijk
Mechanisme belast met het ondersteunen van
de onderzoeken naar de meest ernstige
schendingen van internationaal recht die zijn
gepleegd in de Arabische Republiek Syrië sinds
maart 2011 en het helpen bij de berechting van
de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn
TITEL VIquater. - Samenwerking met de
internationale Onderzoeksmechanismen
Art. 91.
Art. 91.
Voor de toepassing van Titel VIquater van deze
wet wordt verstaan onder :
-
"Mechanisme"
:
het
internationaal,
onpartijdig en onafhankelijk Mechanisme belast
met het ondersteunen van de onderzoeken naar
de
meest
ernstige
schendingen
van
internationaal recht die zijn gepleegd in de
Arabische Republiek Syrië sinds maart 2011 en
het helpen bij de berechting van de personen die
hiervoor verantwoordelijk zijn, ingesteld door
de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties bij haar resolutie 71/248 van 21
december 2016;
- "Statuut" : het mandaat van het Mechanisme,
zoals nader omschreven in het verslag van de
secretaris-generaal van de Verenigde Naties,
getiteld "Toepassing van de resolutie tot
instelling van een internationaal, onpartijdig en
onafhankelijk Mechanisme belast met het
ondersteunen van de onderzoeken naar de
meest ernstige schendingen van internationaal
recht die zijn gepleegd in de Arabische Republiek
Voor de toepassing van Titel VIquater van deze
wet wordt verstaan onder :
-
"Mechanismen”:
de
internationale
Onderzoeksmechanismen ingesteld door de
Verenigde Naties, of door een andere
internationale organisatie waarvan België lid is,
en die het mandaat hebben om straffeloosheid
voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de
mensheid, misdaden van genocide of enig
ander internationaal misdrijf te bestrijden door
de uitoefening van bepaalde functies van
gerechtelijke aard ;
- "Statuut" : het mandaat van het Mechanisme,
zoals nader omschreven in de relevante
instrumenten die zijn aangenomen door de
Verenigde Naties of door de bevoegde
internationale organisatie waarvan België lid is;
2774/001
DOC 55
350
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Syrië sinds maart 2011 en het helpen bij de
berechting van de personen die hiervoor
verantwoordelijk zijn", met referentienummer
A/71/755;
- "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van
het Mechanisme alsmede eenieder die door
hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in
het kader van de functies die hij uitoefent
krachtens het Statuut;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die
bevoegd is voor samenwerking tussen België en
het Mechanisme, te weten binnen de federale
Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal
humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk
besluit van 17 september 2005 houdende
oprichting
van
een
dienst
internationaal
humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale
procureur.
- "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van
het Mechanisme alsmede eenieder die door
hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in
het kader van de functies die hij uitoefent
krachtens het Statuut;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die
bevoegd is voor samenwerking tussen België en
het Mechanisme, te weten binnen de federale
Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal
humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk
besluit van 17 september 2005 houdende
oprichting
van
een
dienst
internationaal
humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale
procureur.
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de
veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam
van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 6
Art. 6
§1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde
toe de gevangenis driemaal zesendertig uren per
trimester te verlaten.
§1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde
toe de gevangenis viermaal zesendertig uren
per trimester te verlaten.
Art. 10
Art. 10
§ 2. Binnen veertien werkdagen na de ontvangst
van het dossier neemt de minister of zijn
gemachtigde een beslissing. Deze met redenen
omklede beslissing wordt binnen vierentwintig
uur
schriftelijk
meegedeeld
aan
de
veroordeelde, het openbaar ministerie en de
directeur.
§2. Binnen veertien werkdagen na de ontvangst
van het dossier neemt de minister of zijn
gemachtigde een beslissing. Deze met redenen
omklede beslissing wordt binnen vierentwintig
uur
schriftelijk
meegedeeld
aan
de
veroordeelde, het openbaar ministerie en de
directeur.
Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt
dat het dossier niet in staat is en er bijkomende
informatie noodzakelijk is om een beslissing te
kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met
zeven werkdagen worden verlengd. De minister
of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan
de directeur en de veroordeelde.
Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt
dat het dossier niet in staat is en er bijkomende
informatie noodzakelijk is om een beslissing te
kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met
zeven werkdagen worden verlengd. De minister
of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan
de directeur en de veroordeelde.
De
beslissing
tot
toekenning
van
een
uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of
een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen
vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur
des Konings van het arrondissement waar de
De
beslissing
tot
toekenning
van
een
uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of
een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen
vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur
des Konings van het arrondissement waar de
351
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de
plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.
uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de
plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk
geval binnen vierentwintig uur, via het snelst
mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in
kennis gesteld van de toekenning van een eerste
penitentiair verlof, en, in voorkomend geval, van
de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd,
of van de plaatsing in een transitiehuis en, in
voorkomend geval, van de voorwaarden die in
zijn belang zijn opgelegd.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk
geval binnen vierentwintig uur, via het snelst
mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in
kennis gesteld van de toekenning van een eerste
uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, §3,
van een eerste penitentiair verlof, van de
plaatsing
in
een
transitiehuis
en,
in
voorkomend geval, van de voorwaarden die in
zijn belang zijn opgelegd.
Art. 14
Art. 14
Indien de veroordeelde de fysieke of psychische
integriteit van derden ernstig in gevaar brengt,
kan de procureur des Konings bij de rechtbank
binnen
het
rechtsgebied
waarvan
de
veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige
aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn
beslissing mee aan de minister of zijn
gemachtigde. In de gevallen bedoeld in artikel
59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing
mee aan het openbaar ministerie en aan de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank.
Indien de veroordeelde de fysieke of psychische
integriteit van derden ernstig in gevaar brengt,
kan de procureur des Konings bij de rechtbank
binnen
het
rechtsgebied
waarvan
de
veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige
aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn
beslissing mee aan de minister of zijn
gemachtigde. In de gevallen bedoeld in artikel
59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing
mee aan het openbaar ministerie en aan de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank.
De minister of zijn gemachtigde neemt een
beslissing over de uitgaansvergunning, het
penitentiair verlof of de plaatsing in een
transitiehuis binnen zeven dagen volgend op de
aanhouding van de veroordeelde. Deze met
redenen omklede beslissing wordt binnen
vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de
veroordeelde, het openbaar ministerie en de
directeur.
De minister of zijn gemachtigde neemt een
beslissing over de uitgaansvergunning, het
penitentiair verlof of de plaatsing in een
transitiehuis binnen zeven dagen volgend op de
aanhouding van de veroordeelde. Deze met
redenen omklede beslissing wordt binnen
vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de
veroordeelde, het openbaar ministerie en de
directeur.
Ingeval het een beslissing betreft inzake een
penitentiair verlof of een plaatsing in een
transitiehuis, wordt het slachtoffer zo snel
mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig
uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke
communicatiemiddel, hiervan in kennis gesteld.
Ingeval het een beslissing betreft inzake een
uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, §3,
een penitentiair verlof of een plaatsing in een
transitiehuis, wordt het slachtoffer zo snel
mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig
uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke
communicatiemiddel, hiervan in kennis gesteld.
TITEL V. – De door de strafuitvoeringsrechter en
de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen
strafuitvoeringsmodaliteiten
TITEL V. – De door de strafuitvoeringsrechter en
de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen
strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 28
Art. 28
§1. Met uitzondering van de voorlopige
invrijheidstelling met het oog op verwijdering
van het grondgebied of met het oog op
overlevering en met uitzondering van de
§1. Met uitzondering van de voorlopige
invrijheidstelling met het oog op verwijdering
van het grondgebied of met het oog op
overlevering en met uitzondering van de
2774/001
DOC 55
352
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vermindering van de duur van de door de
rechter uitgesproken ontzetting van het recht in
een bepaalde aangewezen zone te wonen, te
verblijven of er zich te vertonen, kunnen de door
Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten
aan de veroordeelde worden toegekend voor
zover er in hoofde van de veroordeelde geen
tegenaanwijzingen
bestaan.
Deze
tegenaanwijzingen hebben betrekking op:
vermindering van de duur van de door de
rechter uitgesproken ontzetting van het recht in
een bepaalde aangewezen zone te wonen, te
verblijven of er zich te vertonen, kunnen de door
Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten
aan de veroordeelde worden toegekend voor
zover er in hoofde van de veroordeelde geen
tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet
tegemoet kan komen door het opleggen van
bijzondere
voorwaarden.
Deze
tegenaanwijzingen hebben betrekking op:
1° het feit dat de veroordeelde niet de
mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te
voorzien;
1° het feit dat de veroordeelde niet de
mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te
voorzien;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit
van derden;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit
van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers
zou lastig vallen;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers
zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien
van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn
veroordeling hebben geleid;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien
van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn
veroordeling hebben geleid;
5° (…);
5° (…);
6°
de
door
de
veroordeelde
geleverde
inspanningen om de burgerlijke partij te
vergoeden,
rekening
houdend
met
de
vermogenssituatie van de veroordeelde zoals
die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het
plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld
is.
6°
de
door
de
veroordeelde
geleverde
inspanningen om de burgerlijke partij te
vergoeden,
rekening
houdend
met
de
vermogenssituatie van de veroordeelde zoals
die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het
plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld
is.
Het 1° is niet van toepassing op de beperkte
detentie.
Het 1° is niet van toepassing op de beperkte
detentie.
§2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog
op verwijdering van het grondgebied of met het
oog op overlevering kan aan de veroordeelde
worden toegekend voor zover er in hoofde van
de
veroordeelde
geen
tegenaanwijzingen
bestaan.
Deze
tegenaanwijzingen
hebben
betrekking op:
§2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog
op verwijdering van het grondgebied of met het
oog op overlevering kan aan de veroordeelde
worden toegekend voor zover er in hoofde van
de
veroordeelde
geen
tegenaanwijzingen
bestaan waaraan men niet tegemoet kan
komen door het opleggen van bijzondere
voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben
betrekking op:
1° (…);
1° (…);
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit
van derden;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit
van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers
zou lastig vallen;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers
zou lastig vallen;
4°
de
door
de
veroordeelde
geleverde
inspanning
om
de
burgerlijke
partij
te
vergoeden,
rekening
houdend
met
de
vermogenssituatie van de veroordeelde zoals
die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het
4°
de
door
de
veroordeelde
geleverde
inspanning
om
de
burgerlijke
partij
te
vergoeden,
rekening
houdend
met
de
vermogenssituatie van de veroordeelde zoals
die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het
353
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld
is.
plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld
is.
Art. 30
Art. 30
§3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient
de veroordeelde, die onder elektronisch
toezicht staat dat hem werd toegekend op een
verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, §
2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van
de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn
verzoek de elementen die relevant zijn voor de
gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit en de
evaluatie door de strafuitvoeringsrechter van de
tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1. De
griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bezorgt
hiervan een afschrift aan het openbaar
ministerie en aan de griffie van de gevangenis,
die hen een afschrift van de opsluitingsfiche
overzendt.
§3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient
de veroordeelde, die onder elektronisch
toezicht staat dat hem werd toegekend op een
verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, §
2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van
de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn
verzoek de elementen die relevant zijn voor de
gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit en voor
de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter
van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28,
§ 1. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank
bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar
ministerie en aan de griffie van de gevangenis,
die hen een afschrift van de opsluitingsfiche
overzendt.
Art. 39
Art. 39
Het
vonnis
tot
toekenning
van
de
strafuitvoeringsmodaliteit
bepaalt
dat
de
veroordeelde onderworpen is aan de volgende
algemene voorwaarden:
Het
vonnis
tot
toekenning
van
de
strafuitvoeringsmodaliteit
bepaalt
dat
de
veroordeelde onderworpen is aan de volgende
algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie een vast
adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe
verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het
openbaar ministerie en, in voorkomend geval,
ook
aan
de
bevoegde
dienst
van
de
Gemeenschappen die met de begeleiding is
belast;
2° behalve voor de beperkte detentie en de
voorlopige invrijheidstelling met het oog op
verwijdering van het grondgebied een vast
adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe
verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het
openbaar ministerie en, in voorkomend geval,
ook
aan
de
bevoegde
dienst
van
de
Gemeenschappen die met de begeleiding is
belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het
openbaar ministerie en, in voorkomend geval,
van
de
bevoegde
dienst
van
de
Gemeenschappen die met de begeleiding is
belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het
openbaar ministerie en, in voorkomend geval,
van
de
bevoegde
dienst
van
de
Gemeenschappen die met de begeleiding is
belast;
4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het
oog op verwijdering van het grondgebied, de
verplichting om het grondgebied effectief te
verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd
terug te keren naar België zonder in orde te zijn
met de wetgeving en de reglementering
betreffende de toegang, het verblijf of de
vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande
toelating van de strafuitvoeringsrechter.
2774/001
DOC 55
354
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 40
Art. 40
De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde
aan
geïndividualiseerde
bijzondere
voorwaarden
onderwerpen
indien
deze
absoluut noodzakelijk zijn om het risico op
recidive te beperken of indien deze noodzakelijk
zijn in het belang van het slachtoffer.
§1.
De
strafuitvoeringsrechter
kan
de
veroordeelde
aan
geïndividualiseerde
bijzondere voorwaarden onderwerpen indien
deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op
recidive te beperken of indien deze noodzakelijk
zijn in het belang van het slachtoffer.
§2. Ingeval het een toekenning van een
voorwaardelijke
invrijheidsstelling
betreft,
bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn
vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de
voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet
het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van
het
Rijk
mag
verlaten,
bepaalt
de
strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de
maximumperiode
voor
dewelke
de
veroordeelde dit kan en de frequentie ervan
en, in voorkomend geval, of en op welke wijze
de veroordeelde het openbaar ministerie
voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het
grondgebied van het Rijk verlaat.
§3. In geval van een veroordeling wegens feiten
bedoeld in Boek II, titel Iter, van het
Strafwetboek,
of
in
geval
er
concrete
elementen
bestaan
van
gewelddadig
extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, §
2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechter
zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven
toestemming om het grondgebied van het Rijk
te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.
Art. 43
Art. 43
§3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur
van het penitentiair verlof, dat niet minder dan
driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn.
Het penitentiair verlof is elk trimester van
rechtswege hernieuwd.
§3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur
van het penitentiair verlof, dat niet minder dan
viermaal zesendertig uur per trimester mag zijn.
Het penitentiair verlof is elk trimester van
rechtswege hernieuwd.
Art. 60
Art. 60
Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V
bedoelde
strafuitvoeringsmodaliteit
zoals
bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de
dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en
ten vroegste vanaf het ogenblik dat de
veroordeelde aan de door deze wet bepaalde
tijdsvoorwaarden voldoet.
Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V
bedoelde
strafuitvoeringsmodaliteit
zoals
bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de
dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en
ten vroegste vanaf het ogenblik dat de
veroordeelde aan de door deze wet bepaalde
tijdsvoorwaarden voldoet.
De
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een
latere datum bepalen waarop het vonnis
uitvoerbaar wordt.
De
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een
latere datum bepalen waarop het vonnis
uitvoerbaar wordt.
355
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het eerste en het tweede lid zijn niet van
toepassing op de beslissingen tot toekenning
van een voorlopige invrijheidstelling met het
oog op overlevering die uitvoerbaar worden op
het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van
toepassing op de beslissingen tot toekenning
van een voorlopige invrijheidstelling met het
oog op overlevering die uitvoerbaar worden op
het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van
toepassing op de beslissingen tot toekenning
van een voorlopige invrijheidstelling met het
oog op de verwijdering van het grondgebied van
een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt
van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot
uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel
besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar
bevel tot verlaten van het grondgebied met
bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval
is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van
effectieve verwijdering, van overbrenging naar
een plaats die valt onder de bevoegdheid van de
Minister die bevoegd is voor de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering
van
vreemdelingen
of
van
kennisgeving
door
de
Dienst
Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of
overbrenging niet zal uitgevoerd worden, en dit
ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot
toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.
Indien
de
verwijdering,
overbrenging
of
kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het
verstrijken van voormelde termijn, wordt de
veroordeelde in vrijheid gesteld.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van
toepassing
op
de
beslissingen
van
de
strafuitvoeringsrechtbank tot toekenning van
een voorlopige invrijheidstelling met het oog op
de verwijdering van het grondgebied van een
veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van
een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting,
van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot
terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot
verlaten van het grondgebied met bewijs van
effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis
uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve
verwijdering, van overbrenging naar een plaats
die valt onder de bevoegdheid van de Minister
die bevoegd is voor de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering
van
vreemdelingen
of
van
kennisgeving
door
de
Dienst
Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of
overbrenging niet zal uitgevoerd worden, en dit
ten laatste twintig dagen nadat de beslissing tot
toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.
Indien
de
verwijdering,
overbrenging
of
kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het
verstrijken van voormelde termijn, wordt de
veroordeelde in vrijheid gesteld.
(…)
(…)
Het eerste en het tweede lid zijn niet van
toepassing
op
de
beslissingen
van
de
strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een
voorlopige invrijheidstelling met het oog op de
verwijdering van het grondgebied. In dat geval
is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van
effectieve verwijdering, van overbrenging naar
een plaats die valt onder de bevoegdheid van
de Minister die bevoegd is voor de toegang tot
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering
van
vreemdelingen
of
van
kennisgeving
door
de
Dienst
Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of
overbrenging niet zal plaats vinden, en dit ten
laatste twintig dagen nadat de beslissing tot
toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.
Indien de verwijdering, overbrenging of
kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het
2774/001
DOC 55
356
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verstrijken van voormelde termijn, wordt de
veroordeelde in vrijheid gesteld.
Art. 65
Art. 65
In geval van herroeping wordt de veroordeelde
onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping wordt de veroordeelde
onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel
64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn
gegaan op de dag waarop die misdaad of dat
wanbedrijf is gepleegd.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel
64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn
gegaan op de dag waarop die misdaad of dat
wanbedrijf is gepleegd.
De
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank kan, mits akkoord
van
de
veroordeelde,
een
andere
strafuitvoeringsmodaliteit toekennen.
Art. 66
Art. 66
§2/1.
In
geval
van
schorsing
kan
de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank
een
uitgaansvergunning
overeenkomstig
de
artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof
overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen,
tenzij op grond van een advies van de Dienst
Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde
niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf
in het Rijk.
§2/1.
In
geval
van
schorsing
kan
de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank
een
uitgaansvergunning
overeenkomstig
de
artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof
overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen,
tenzij op grond van een advies van de Dienst
Vreemdelingenzaken
blijkt
dat
de
veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is
tot een verblijf in het Rijk.
§3. Binnen een termijn van ten hoogste één
maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing,
herroept de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank
de
strafuitvoeringsmodaliteit of heft hij of zij de
schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op.
In
dat
laatste
geval
kan
de
strafuitvoeringsmodaliteit
worden
herzien
overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze
termijn geen beslissing is genomen, wordt de
veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder
dezelfde voorwaarden als voorheen.
§3. Binnen een termijn van ten hoogste één
maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing,
herroept de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank
de
strafuitvoeringsmodaliteit, in welk geval hij of
zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een
andere
strafuitvoeringsmodaliteit
kan
toekennen, of heft hij of zij de schorsing van de
strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste
geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden
herzien overeenkomstig artikel 63. Indien
binnen deze termijn geen beslissing is genomen,
wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid
gesteld onder
dezelfde
voorwaarden
als
voorheen.
Art. 67
Art. 67
§1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank,
waarbij
overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak
aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de
herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in
het belang van de maatschappij, van het
slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de
veroordeelde,
kan
hij
of
zij
de
§1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank,
waarbij
overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak
aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de
herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in
het belang van de maatschappij, van het
slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de
veroordeelde,
kan
hij
of
zij
de
357
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval
kan
de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank
de
opgelegde
voorwaarden
verscherpen
of
bijkomende
voorwaarden
opleggen
of
een
andere
strafuitvoeringsmodaliteit
toekennen.
De
strafuitvoeringsmodaliteit
wordt
evenwel
herroepen, indien de veroordeelde niet instemt
met de nieuwe voorwaarden of met de nieuwe
strafuitvoeringsmodaliteit.
strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval
kan
de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank
de
opgelegde
voorwaarden
verscherpen
of
bijkomende
voorwaarden
opleggen
of
een
andere
strafuitvoeringsmodaliteit
toekennen.
De
strafuitvoeringsmodaliteit
wordt
evenwel
herroepen, indien de veroordeelde niet instemt
met de nieuwe voorwaarden of met de nieuwe
strafuitvoeringsmodaliteit.
§2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde
voorwaarden te verscherpen of bijkomende
voorwaarden op te leggen of een andere
strafuitvoeringsmodaliteit
toe
te
kennen,
bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze
beslissing uitvoerbaar wordt.
§2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de
strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde
voorwaarden te verscherpen of bijkomende
voorwaarden op te leggen of een andere
strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen,
bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze
beslissing uitvoerbaar wordt.
Art. 95/18
Art. 95/18
§2.
De
toekenningsprocedure
verloopt
overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53,
eerste tot vierde lid en achtste en negende lid.
§2.
De
toekenningsprocedure
verloopt
overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53,
eerste tot vierde lid en tiende en elfde lid.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid
gevaar oplevert voor de openbare orde, de
goede zeden of de nationale veiligheid, is de
zitting openbaar indien de ter beschikking
gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid
gevaar oplevert voor de openbare orde, de
goede zeden of de nationale veiligheid, is de
zitting openbaar indien de ter beschikking
gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
De
strafuitvoeringsrechtbank
beslist
overeenkomstig artikel 54, § 1.
De
strafuitvoeringsrechtbank
beslist
overeenkomstig artikel 54, § 1.
Ingeval
de
strafuitvoeringsrechtbank
de
beperkte detentie of het elektronisch toezicht
niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum
waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw
verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet
langer zijn dan zes maanden te rekenen van het
vonnis.
Ingeval
de
strafuitvoeringsrechtbank
de
beperkte detentie of het elektronisch toezicht
niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum
waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw
verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet
langer zijn dan zes maanden te rekenen van het
vonnis.
De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op
de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op
de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte
detentie of een elektronisch toezicht wordt
uitvoerbaar de dag dat het in kracht van
gewijsde
is
gegaan.
De
strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een
latere datum bepalen waarop het vonnis
uitvoerbaar wordt.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte
detentie of een elektronisch toezicht wordt
uitvoerbaar de dag dat het in kracht van
gewijsde
is
gegaan.
De
strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een
latere datum bepalen waarop het vonnis
uitvoerbaar wordt.
2774/001
DOC 55
358
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele
activiteiten met wapens
Art. 19, 1°
Art. 19, 1°
Het is verboden:
1° wapens per postorder of via internet te
verkopen of te koop aan te bieden aan
particulieren, of de verkoop op afstand van
wapens, munitie en laders aan particulieren te
organiseren;
Het is verboden:
1° wapens alsook losse onderdelen die aan de
wettelijk
voorgeschreven
proef
zijn
onderworpen per postorder of via het internet
te kopen of te verkopen, te koop aan te bieden
of over te dragen aan particulieren, of de
verkoop op afstand van wapens, munitie en
laders aan particulieren te organiseren;
Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012
Art. 157, § 1
Art. 157, § 1
§ 1. Om de inning te verzekeren van zekere en
vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel
158, en verschuldigd door de erflater, zijn
erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden
van een door de erflater gemaakte contractuele
erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn
om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk
Wetboek
bedoelde
akte
of
attest
van
erfopvolging
op
te
maken,
persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
schulden van de erflater, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, mits die schulden het onderwerp
kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld
in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht
geven aan:
§ 1. Om de inning te verzekeren van zekere en
vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel
158, en verschuldigd door de erflater, zijn
erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden
van een door de erflater gemaakte contractuele
erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn
om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van
erfopvolging
op
te
maken,
persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
schulden van de erflater, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, mits die schulden het onderwerp
kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld
in artikel 158 indien zij daarvan geen bericht
geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën,
en
dit
op
elektronische wijze;
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën,
en
dit
op
elektronische wijze;
2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie,
wanneer
het
bericht
omwille
van
overmacht
of
een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het
bericht bij aangetekende zending verzonden.
2° de door de Koning aangeduide ambtenaar van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie,
wanneer
het
bericht
omwille
van
overmacht
of
een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1°. In dat geval wordt het
bericht bij aangetekende zending verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het
eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het
eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
359
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende welke
de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende welke
de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Art. 157/1, §1
Art. 157/1, §1
§ 1. Om de inning te verzekeren van zekere en
vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel
158/1, en verschuldigd door de erflater, zijn
erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden
van een door de erflater gemaakte contractuele
erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn
om een in artikel 4.59 van het Burgerlijk
Wetboek
bedoelde
akte
of
attest
van
erfopvolging
op
te
maken,
persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
schulden van de erflater, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, mits die schulden het onderwerp
kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld
in artikel 158/1 en mits voor de invordering van
die schulden een uitvoerbare titel als bedoeld in
artikel 138 van de wet van 13 april 2019 tot
invoering van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-
fiscale schuldvorderingen bestaat vóór 1 januari
2020, indien zij daarvan geen bericht geven aan:
§ 1. Om de inning te verzekeren van zekere en
vaststaande fiscale schulden in de zin van artikel
158/1, en verschuldigd door de erflater, zijn
erfgenamen en legatarissen, of de begunstigden
van een door de erflater gemaakte contractuele
erfstelling, zijn de notarissen die verzocht zijn
om een in artikel 4.59, § 4, derde lid, van het
Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of attest van
erfopvolging
op
te
maken,
persoonlijk
aansprakelijk in de zin van artikel 1382 van het
Burgerlijk Wetboek, voor de betaling van de
schulden van de erflater, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of de begunstigden van een
door
de
erflater
gemaakte
contractuele
erfstelling, mits die schulden het onderwerp
kunnen uitmaken van een kennisgeving bedoeld
in artikel 158/1 en mits voor de invordering van
die schulden een uitvoerbare titel als bedoeld in
artikel 138 van de wet van 13 april 2019 tot
invoering van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-
fiscale schuldvorderingen bestaat vóór 1 januari
2020, indien zij daarvan geen bericht geven aan:
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën,
en
dit
op
elektronische wijze;
1° de dienst belast met informatie- en
communicatietechnologie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën,
en
dit
op
elektronische wijze;
2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het
bericht
omwille
van
overmacht
of
een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1° :
2° de hiernavolgende ambtenaren, wanneer het
bericht
omwille
van
overmacht
of
een
technische storing niet kan worden meegedeeld
overeenkomstig 1° :
- de ontvangers waaronder de erflater
en de rechtverkrijgenden waarvan de
identiteit vermeld is in de akte of het
attest van erfopvolging ressorteren,
evenals de ontvanger van de dienst die
door de Koning daarvoor is aangewezen,
wanneer de erflater en/of een van zijn
rechtverkrijgenden in het buitenland
verblijven;
- de ontvangers waaronder de erflater en de
rechtverkrijgenden
waarvan
de
identiteit
vermeld is in de akte of het attest van
erfopvolging ressorteren, evenals de ontvanger
van de dienst die door de Koning daarvoor is
aangewezen, wanneer de erflater en/of een van
zijn rechtverkrijgenden in het buitenland
verblijven;
2774/001
DOC 55
360
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
- de door de Koning aangewezen
ambtenaar
van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie.
- de door de Koning aangewezen ambtenaar van
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie.
In dat geval wordt het bericht bij aangetekende
zending verzonden.
In dat geval wordt het bericht bij aangetekende
zending verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het
eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
erflater is de aansprakelijkheid bedoeld in het
eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende welke
de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende welke
de notaris aansprakelijk kan worden gesteld.
Art. 160
Art. 160
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de ter kennis gebrachte
schulden waarvan kennis werd gegeven bij
toepassing van de artikelen 158 en 158/1, kan
iemand die tegoeden van een overledene
vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59 van het
Burgerlijk
Wetboek,
dat
maar
op
een
bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het
attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de
akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele
kennisgeving als bedoeld in de artikelen 158 en
158/1 werd gedaan.
§ 1. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de ter kennis gebrachte
schulden waarvan kennis werd gegeven bij
toepassing van de artikelen 158 en 158/1, kan
iemand die tegoeden van een overledene
vrijgeeft overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde
lid, van het Burgerlijk Wetboek, dat maar op een
bevrijdende wijze doen indien duidelijk uit het
attest van erfopvolging of uit de uitgifte van de
akte van erfopvolging blijkt dat geen enkele
kennisgeving als bedoeld in de artikelen 158 en
158/1 werd gedaan.
§ 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de
tegoeden van de overledene overeenkomstig
artikel 4.59 toch op een bevrijdende wijze
gedaan worden aan een erfgenaam, een
legataris
of
een
begunstigde
van
een
contractuele
erfstelling
of
aan
een
gerechtsmandataris, indien deze een attest van
erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld :
§ 2. In afwijking van § 1 kan het vrijgeven van de
tegoeden van de overledene overeenkomstig
artikel 4.59, § 4, derde lid, toch op een
bevrijdende wijze gedaan worden aan een
erfgenaam, een legataris of een begunstigde van
een contractuele erfstelling of aan een
gerechtsmandataris, indien deze een attest van
erfopvolging of een uitgifte van de akte van
erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld :
a) dat alle op naam van de overledene
en alle op naam van de erfgenaam, de
legataris of de begunstigde van een
contractuele
erfstelling
bestaande
schulden waarvan bij toepassing van de
artikelen 158 en 158/1 in voorkomend
geval kennis werd gegeven, werden
betaald of;
a) dat alle op naam van de overledene
en alle op naam van de erfgenaam, de
legataris of de begunstigde van een
contractuele
erfstelling
bestaande
schulden waarvan bij toepassing van de
artikelen 158 en 158/1 in voorkomend
geval kennis werd gegeven, werden
betaald of;
b) dat de tegoeden kunnen worden
vrijgegeven aan de erfgenaam, de
legataris, de begunstigde van een
b) dat de tegoeden kunnen worden
vrijgegeven aan de erfgenaam, de
legataris, de begunstigde van een
361
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
contractuele
erfstelling
of
de
gerechtsmandataris na betaling van de
schulden ter kennis gebracht op naam
van de rechtverkrijgende en van zijn
deel in de schulden ter kennis gebracht
op naam van de erflater, met tegoeden
gehouden door de schuldenaar van deze
fondsen.
contractuele
erfstelling
of
de
gerechtsmandataris na betaling van de
schulden ter kennis gebracht op naam
van de rechtverkrijgende en van zijn
deel in de schulden ter kennis gebracht
op naam van de erflater, met tegoeden
gehouden door de schuldenaar van deze
fondsen.
§ 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in
de artikelen 158 en 158/1.
§ 3. De in de § 1 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de kennisgeving waarvan sprake in
de artikelen 158 en 158/1.
Art. 163
Art. 163
De
artikelen
157
tot
161
zijn
van
overeenkomstige toepassing op elke persoon of
dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek bedoelde attest van
erfopvolging op te maken.
De
artikelen
157
tot
161
zijn
van
overeenkomstige toepassing op elke persoon of
dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4,
derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
akte of attest van erfopvolging op te maken.
Wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of
verblijven in andermans goed
Art. 12
Art. 12
Art. 12. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel
442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de
procureur des Konings, mits hij zijn beslissing ter
zake met redenen omkleedt en met eerbiediging
van het vermoeden van onschuld, op verzoek
van de houder van een recht of titel op het
betrokken goed de ontruiming bevelen binnen
een termijn van acht dagen vanaf het ogenblik
van de kennisgeving van het bevel tot
ontruiming bedoeld in paragraaf 2, tweede lid,
aan de in het goed aangetroffen personen. De
procureur des Konings geeft zijn bevel na hen te
hebben gehoord tenzij het verhoor niet kan
worden afgenomen wegens de concrete
omstandigheden van de zaak.
De procureur des Konings kan het bevel
uitsluitend geven wanneer, gelet op de
beschikbare gegevens, het in het eerste lid
bedoelde verzoek op het eerste zicht kennelijk
gegrond lijkt.
Hij vermeldt in zijn bevel de omstandigheden,
eigen aan het verzoek, die de maatregel tot
ontruiming rechtvaardigen.
Art. 12. §1. In de gevallen bedoeld in
artikel 442/1, § 1, van het Strafwetboek kan de
procureur des Konings, op verzoek van de
houder van een titel of een recht op het
betrokken goed, na machtiging door de
onderzoeksrechter, de ontruiming van het
betrokken goed bevelen, ten aanzien van de in
het goed aangetroffen personen.
De procureur des Konings richt een met
redenen
omkleed
verzoek
aan
de
onderzoeksrechter dat minstens de volgende
gegevens bevat:
1° een omschrijving van de plaats waarop de
maatregel betrekking heeft en de vermelding
van het adres van het goed dat het voorwerp
van het bevel uitmaakt;
2° alle documenten en inlichtingen waaruit
blijkt dat het gebruik van dit middel nodig is;
3° de identiteit van de bezetters van het
betrokken goed voor zover die kan worden
achterhaald.
2774/001
DOC 55
362
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand
uit een afschrift van het bevel en de datum en
het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld en
in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings
wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid :
1° een omschrijving van de plaats waarop de
maatregel betrekking heeft en de vermelding
van het adres van het goed dat het voorwerp van
het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding
gegeven hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de
verzoeker met aanduiding van het recht of de
titel op het betrokken goed waarop hij zich
beroept;
Hij vermeldt in zijn verzoek de omstandigheden
die
het
bevel
tot
ontruiming
zouden
rechtvaardigen.
De onderzoeksrechter beslist binnen een
termijn van maximum 72 uur na de ontvangst
van het verzoek. De onderzoeksrechter kan het
verzoek
afwijzen
indien
het
kennelijk
ongegrond
is.
De
onderzoeksrechter
beoordeelt minstens de wettigheid en de
proportionaliteit van de machtiging ten
aanzien van de feiten. Hij hoort de personen,
die zich in het goed bevinden en tegen wie een
bevel tot ontruiming wordt beoogd, tenzij dit
wegens de concrete omstandigheden van de
zaak niet mogelijk is. De beslissing van de
onderzoeksrechter is met redenen omkleed.
Tegen deze beslissing is geen beroep mogelijk.
Indien de onderzoeksrechter de machtiging
verleent, vaardigt de procureur des Konings het
bevel tot ontruiming uit, dat met redenen
wordt omkleed en met eerbiediging van het
vermoeden van onschuld wordt genomen. Het
bevel houdt de ontruiming in binnen een
termijn van acht dagen vanaf het ogenblik van
de kennisgeving bedoeld in paragraaf 2,
tweede lid, aan de in het goed aangetroffen
personen.
Een proces-verbaal van kennisgeving, bestaand
uit een afschrift van het bevel en de datum en
het uur van de kennisgeving, wordt opgesteld
en in het dossier gevoegd.
§ 2. Het bevel van de procureur des Konings
wordt op schrift gesteld en bevat inzonderheid:
1° een omschrijving van de plaats waarop de
maatregel betrekking heeft en de vermelding
van het adres van het goed dat het voorwerp
van het bevel uitmaakt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding
gegeven hebben tot het bevel;
3° de naam, voornamen en woonplaats van de
verzoeker met aanduiding van het recht of de
titel op het betrokken goed waarop hij zich
beroept;
363
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, eerste lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel
tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben,
inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1, § 2,
van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn waarin
die uitgeoefend moeten worden.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats
aangeplakt aan het betrokken goed. Een
afschrift van het bevel wordt via het meest
geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan
de korpschef van de lokale politie van de
politiezone waarbinnen het goed waarop het
bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de
houder van het recht of de titel op het betrokken
goed, alsook aan het bevoegde Openbaar
Centrum voor Maatschappelijk Welzijn.
De procureur des Konings staat in voor de
tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn
rechten geschaad worden door het bevel van de
procureur des Konings kan beroep instellen
tegen het bevel bij een met redenen omkleed
verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter
griffie van het vredegerecht van het kanton
waarin het betrokken goed gelegen is binnen
een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de
kennisgeving van het bevel door zichtbare
aanplakking aan het te ontruimen goed, zulks op
straffe van verval. Het beroep heeft schorsende
werking. Het bevel van de procureur des Konings
kan niet ten uitvoer worden gelegd zolang de
termijn
waarbinnen
beroep
kan
worden
ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een
strafvordering die geheel of gedeeltelijk op
dezelfde feiten is gegrond.
4° de termijn bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid;
5° de sancties die de niet-naleving van dit bevel
tot ontruiming tot gevolg kunnen hebben,
inzonderheid deze bedoeld in artikel 442/1,
§ 2, van het Strafwetboek;
6° de beroepsmogelijkheid en de termijn
waarbinnen
dat
beroep
moet
worden
ingediend.
Dit bevel wordt op een zichtbare plaats
aangeplakt aan het betrokken goed. Een
afschrift van het bevel wordt ter kennisgeving
overhandigd aan de personen die zich op het
moment van de aanplakking in het betrokken
goed bevinden. Een afschrift van het bevel
wordt
via
het
meest
geschikte
communicatiemiddel meegedeeld aan de
korpschef van de lokale politie van de
politiezone waarbinnen het goed waarop het
bevel betrekking heeft, gelegen is en aan de
houder van het recht of de titel op het
betrokken goed, alsook aan het bevoegde
Openbaar Centrum voor Maatschappelijk
Welzijn.
De procureur des Konings staat in voor de
tenuitvoerlegging van het bevel tot ontruiming.
§ 3. Elke persoon die van oordeel is dat zijn
rechten geschaad worden door het bevel van
de procureur des Konings kan beroep instellen
tegen het bevel bij een met redenen omkleed
verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter
griffie van het vredegerecht van het kanton
waarin het betrokken goed gelegen is binnen
een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de
kennisgeving van het bevel door zichtbare
aanplakking aan het te ontruimen goed of door
de overhandiging van het afschrift, zulks op
straffe van verval. Het beroep heeft schorsende
werking. Het bevel van de procureur des
Konings kan niet ten uitvoer worden gelegd
zolang de termijn waarbinnen beroep kan
worden ingesteld loopt.
Dit beroep wordt niet geschorst gedurende een
strafvordering die geheel of gedeeltelijk op
dezelfde feiten is gegrond.
2774/001
DOC 55
364
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging
van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter
de dag en het uur van de zitting waarop de zaak
kan worden behandeld. De zitting vindt plaats
binnen de tien dagen na de neerlegging van het
verzoekschrift.
In
afwijking
van
artikel
1344octies van het Gerechtelijk Wetboek is geen
getuigschrift van woonplaats vereist voor de
neerlegging van het verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld
kennis aan de persoon die beroep instelt tegen
het bevel alsook aan de houder van het recht of
de titel op het goed van de plaats, de dag en het
uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en
het uur van de zitting mee aan de procureur des
Konings die het bevel tot ontruiming heeft
gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een afschrift
van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de aanwezige
partijen te hebben opgeroepen, ten einde hen te
horen, alsook te hebben geprobeerd hen te
verzoenen.
Behoudens
andersluidende
bepalingen verloopt de procedure zoals bepaald
in artikel 1344octies van het Gerechtelijk
Wetboek. De vrederechter doet uitspraak over
de gegrondheid van de ontruiming en het recht
of de titel waarop men zich beroept. In de
uitzonderlijke, ernstige omstandigheden onder
meer bedoeld in artikel 1344decies, eerste lid,
van
het
Gerechtelijk
Wetboek,
kan
de
vrederechter bij een met redenen omklede
beslissing een langere termijn bepalen dan die
waarin het bevel van de procureur des Konings
voorziet. Wanneer de titel of het recht
toebehoort aan een natuurlijke persoon of een
privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze
termijn niet meer dan één maand bedragen.
Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag deze
termijn niet meer dan zes maanden bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een termijn
van tien dagen volgend op de zitting uit.
§ 4. Binnen vierentwintig uur na de neerlegging
van het verzoekschrift bepaalt de vrederechter
de dag en het uur van de zitting waarop de zaak
kan worden behandeld. De zitting vindt plaats
binnen de tien dagen na de neerlegging van het
verzoekschrift.
In
afwijking
van
artikel
1344octies
van
het
Gerechtelijk
Wetboek is geen getuigschrift van woonplaats
vereist
voor
de
neerlegging
van
het
verzoekschrift.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier onverwijld
kennis aan de persoon die beroep instelt tegen
het bevel alsook aan de houder van het recht of
de titel op het goed van de plaats, de dag en het
uur van de zitting. Hij deelt eveneens de dag en
het uur van de zitting mee aan de procureur des
Konings die het bevel tot ontruiming heeft
gegeven. Bij de gerechtsbrief wordt een
afschrift van het verzoekschrift gevoegd.
De vrederechter doet uitspraak na de
aanwezige partijen te hebben opgeroepen, ten
einde hen te horen, alsook te hebben
geprobeerd hen te verzoenen. Behoudens
andersluidende
bepaling
verloopt
de
procedure zoals bepaald in artikel 1344octies
van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter
doet uitspraak over de gegrondheid van de
ontruiming en het recht of de titel waarop men
zich beroept. In de uitzonderlijke, ernstige
omstandigheden onder meer bedoeld in
artikel 1344decies,
eerste
lid,
van
het
Gerechtelijk Wetboek, kan de vrederechter bij
een met redenen omklede beslissing een
langere termijn bepalen dan die waarin het
bevel van de procureur des Konings voorziet.
Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een
natuurlijke
persoon
of
een
privaatrechtelijke rechtspersoon, mag deze
termijn niet meer dan één maand bedragen.
Wanneer de titel of het recht toebehoort aan
een publiekrechtelijke rechtspersoon, mag
deze termijn niet meer dan zes maanden
bedragen.
De vrederechter spreekt zich binnen een
termijn van tien dagen volgend op de zitting uit.
365
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Tegen de beslissing van de vrederechter kan
geen hoger beroep worden ingesteld.
Tegen de beslissing van de vrederechter kan
geen hoger beroep worden ingesteld.
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire
diensten en van het statuut van het penitentiair personeel
Art. 5
Art. 5
§1. De minister installeert binnen drie maanden
na
zijn
benoeming,
een
penitentiaire
beleidsraad.
§1. Bij de minister wordt een penitentiaire
beleidsraad opgericht.
De penitentiaire beleidsraad verleent, uit eigen
beweging of op verzoek van de minister of de
Voorzitter van het Directiecomité, adviezen met
betrekking tot het penitentiair beleid.
De penitentiaire beleidsraad verleent, uit eigen
beweging of op verzoek van de minister of de
Voorzitter van het Directiecomité, adviezen met
betrekking tot het penitentiair beleid.
Hij formuleert tevens elke aanbeveling die hij
nuttig acht wat betreft zowel lopende als
toekomstige
wetgevingen
aangaande
het
penitentiair beleid. De minister kan de
penitentiaire beleidsraad om advies verzoeken
aangaande voorontwerpen van wet met
betrekking tot het penitentiair beleid.
Hij formuleert tevens elke aanbeveling die hij
nuttig acht wat betreft zowel lopende als
toekomstige
wetgevingen
aangaande
het
penitentiair beleid. De minister kan de
penitentiaire beleidsraad om advies verzoeken
aangaande voorontwerpen van wet met
betrekking tot het penitentiair beleid.
De adviezen en aanbevelingen worden bij
consensus aangenomen.
De adviezen en aanbevelingen worden bij
consensus aangenomen.
De penitentiaire beleidsraad kan op elk moment
personen raadplegen van wie hij het nuttig acht
hen te horen in het kader van zijn opdrachten.
De penitentiaire beleidsraad kan op elk moment
personen raadplegen van wie hij het nuttig acht
hen te horen in het kader van zijn opdrachten.
De
penitentiaire
beleidsraad
stelt
zijn
huishoudelijk reglement op.
De
penitentiaire
beleidsraad
stelt
zijn
huishoudelijk reglement op.
§2. De penitentiaire beleidsraad is als volgt
samengesteld:
§2. De penitentiaire beleidsraad is als volgt
samengesteld:
1° de regionaal directeurs van de penitentiaire
administratie of hun afgevaardigde;
1° de regionaal directeurs van de penitentiaire
administratie of hun afgevaardigde;
2° een personeelslid van de FOD Justitie,
aangeduid
door
de
Voorzitter
van
het
Directiecomité;
2° een personeelslid van de FOD Justitie,
aangeduid
door
de
Voorzitter
van
het
Directiecomité;
3° een magistraat van het parket, per taalrol,
waarvan
minstens
één
behoort
tot
de
strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de
minister op basis van een lijst van telkens drie
magistraten voorgesteld door het College van
het openbaar ministerie;
3° een magistraat van het parket, per taalrol,
waarvan
minstens
één
behoort
tot
de
strafuitvoeringsrechtbank, op voordracht van
het College van het openbaar ministerie, een
parketmagistraat
per
taalrol,
waarvan
minstens
één
behoort
tot
de
strafuitvoeringsrechtbank;
4° een zetelende rechter per taalrol, waarvan
minstens
één
behoort
tot
de
strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de
minister op basis van een lijst van telkens drie
rechters voorgesteld door het College van de
hoven en rechtbanken;
4° een zetelende rechter per taalrol, waarvan
minstens
één
behoort
tot
de
strafuitvoeringsrechtbank, op voordracht van
het College van de hoven en de rechtbanken,
een magistraat van de zetel per taalrol,
waarvan minstens één behoort tot de
strafuitvoeringsrechtbank;
5° een advocaat per taalrol, aangeduid door de
minister op basis van telkens een lijst van drie
5° op respectievelijke voordracht van de Orde
van Vlaamse Balies en de “Ordre des barreaux
2774/001
DOC 55
366
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
advocaten voorgesteld door de Orde van
Vlaamse Balies en een lijst van drie advocaten
voorgesteld door de Ordre des Barreaux
francophones et germanophones;
francophones
et
germanophone”,
een
advocaat per taalrol;
6° een vertegenwoordiger per taalrol van de
academische wereld, aangeduid door de
minister op basis van telkens een lijst van drie
kandidaten voorgesteld door de Raad van
rectoren van de Franstalige universiteiten en
een lijst van drie kandidaten voorgesteld door
de Vlaamse Interuniversitaire Raad;
6° op respectievelijke voordracht van de Raad
van rectoren van de Franstalige universiteiten
en de Vlaamse Interuniversitaire Raad, een
vertegenwoordiger
per
taalrol
van
de
academische wereld;
7° de Directeur-generaal van het Nationaal
Instituut voor Criminalistiek en Criminologie of
zijn afgevaardigde en
7° de Directeur-generaal van het Nationaal
Instituut voor Criminalistiek en Criminologie of
zijn afgevaardigde en
8° een vertegenwoordiger per gefedereerde
entiteit
bevoegd
inzake
de
hulp-
en
dienstverlening aan de gedetineerden; de
betrokken
vertegenwoordigers
worden
aangewezen middels een koninklijk besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad,
genomen na akkoord van de bevoegde
regeringen.
8° op respectievelijke voordracht van de
ministers van de gefedereerde entiteiten,
bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan
de gedetineerden, een vertegenwoordiger per
gefedereerde entiteit.
Een vertegenwoordiger van de minister woont
als waarnemer de vergaderingen van de
penitentiaire beleidsraad bij.
Een vertegenwoordiger van de minister woont
als waarnemer de vergaderingen van de
penitentiaire beleidsraad bij.
De Koning bepaalt de wijze waarop de oproep
aan de kandidaten plaats vindt.
De leden worden benoemd middels een
koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de
Ministerraad, genomen na akkoord van de
bevoegde regeringen, voor een duur van vier
jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
Art. 8
Art. 8
De Koning bepaalt de regels met betrekking tot
de vergoedingen en de onkosten die van
toepassing zijn op de leden van de penitentiaire
beleidsraad.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de
indiening van de kandidaturen en voor de
voordracht van de leden van de penitentiaire
beleidsraad.
De Koning bepaalt de regels inzake de werking
van de penitentiaire beleidsraad alsmede de
regels met betrekking tot de vergoedingen en
de onkosten die van toepassing zijn op de leden
van de penitentiaire beleidsraad.
Wijziging van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december
1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
Art. 41sexies
Art. 41sexies
§ 1. De notarissen verzocht om een in artikel
4.59 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte
of attest van erfopvolging op te maken, zijn
persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van de
§ 1. De notarissen verzocht om een in artikel
4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek
bedoelde akte of attest van erfopvolging op te
maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor de
367
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
schulden waarvan kennis kan worden gegeven
conform paragraaf 5, dewelke verschuldigd zijn
door de overledene, zijn erfgenamen en
legatarissen waarvan de identiteit vermeld is in
de akte of het attest, of door de begunstigden
van een door de overledene gemaakte
contractuele
erfstelling,
indien
zij
de
inningsinstellingen
van
sociale
zekerheidsbijdragen er niet van op de hoogte
brengen per bericht :
betaling van de schulden waarvan kennis kan
worden gegeven conform paragraaf 5, dewelke
verschuldigd zijn door de overledene, zijn
erfgenamen
en
legatarissen
waarvan
de
identiteit vermeld is in de akte of het attest, of
door de begunstigden van een door de
overledene gemaakte contractuele erfstelling,
indien zij de inningsinstellingen van sociale
zekerheidsbijdragen er niet van op de hoogte
brengen per bericht :
1° door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
1° door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° door elk ander middel waardoor het bericht
kan worden ondertekend en waardoor de
verzending ervan een vaste dagtekening
bekomt,
wanneer
het
bericht
niet
overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
2° door elk ander middel waardoor het bericht
kan worden ondertekend en waardoor de
verzending ervan een vaste dagtekening
bekomt,
wanneer
het
bericht
niet
overeenkomstig 1° kan worden verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in
het eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in
het eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden in hoofde van de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgenden
waarvan
de
identiteit
vermeld is in de akte of het attest en betreffende
dewelke de notaris aansprakelijk kan worden
gesteld.
Wanneer het gaat om schulden in hoofde van de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgenden
waarvan
de
identiteit
vermeld is in de akte of het attest en betreffende
dewelke de notaris aansprakelijk kan worden
gesteld.
§ 2. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt
opgesteld binnen de drie maanden vanaf de
verzending
van
het
bericht,
wordt
hij
beschouwd als van generlei waarde.
§ 2. Indien de bedoelde akte of attest niet wordt
opgesteld binnen de drie maanden vanaf de
verzending
van
het
bericht,
wordt
hij
beschouwd als van generlei waarde.
§ 3. Wanneer de mededeling van het bericht
gebeurt overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt
onder de datum van verzending van bedoeld
bericht
verstaan
de
datum
van
de
ontvangstmelding
medegedeeld
door
de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na
ontvangst door haar van de ontvangstmelding
afkomstig
van
de
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen.
§ 3. Wanneer de mededeling van het bericht
gebeurt overeenkomstig paragraaf 1, 1°, wordt
onder de datum van verzending van bedoeld
bericht
verstaan
de
datum
van
de
ontvangstmelding
medegedeeld
door
de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, na
ontvangst door haar van de ontvangstmelding
afkomstig
van
de
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen.
§ 4. In het bericht wordt de identiteit vermeld
van de overledene, van zijn erfgenamen of
legatarissen en van de eventuele begunstigde
van een contractuele erfstelling.
§ 4. In het bericht wordt de identiteit vermeld
van de overledene, van zijn erfgenamen of
legatarissen en van de eventuele begunstigde
van een contractuele erfstelling.
De betrokken personen worden geïdentificeerd
aan de hand van het identificatienummer
bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari
2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van
De betrokken personen worden geïdentificeerd
aan de hand van het identificatienummer
bedoeld in artikel 5 van de wet van 16 januari
2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van
2774/001
DOC 55
368
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ondernemingen, tot modernisering van het
handelsregister, tot oprichting van erkende
ondernemingsloketten en houdende diverse
bepalingen, alsook aan de hand van het
identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de
wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en
organisatie van een Kruispuntbank van de
Sociale Zekerheid.
ondernemingen, tot modernisering van het
handelsregister, tot oprichting van erkende
ondernemingsloketten en houdende diverse
bepalingen, alsook aan de hand van het
identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de
wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en
organisatie van een Kruispuntbank van de
Sociale Zekerheid.
§
5.
De
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen
kan,
voor
het
verstrijken van de 12e werkdag die volgt op de
datum van de verzending van de kennisgeving
bedoeld in paragraaf 1, aan de notaris die deze
kennisgeving verzonden heeft, door middel van
een procedure waarbij informaticatechnieken
via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid
gebruikt worden, kennis geven van het bestaan
in hoofde van de overledene of in hoofde van
één of meerdere andere personen vermeld in
het bericht, van schulden opzichtens de
inningsinstelling
van
de
socialezekerheidsbijdragen,
alsook
de
hoegrootheid van deze schulden in hoofde van
elke schuldenaar.
§
5.
De
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen
kan,
voor
het
verstrijken van de 12e werkdag die volgt op de
datum van de verzending van de kennisgeving
bedoeld in paragraaf 1, aan de notaris die deze
kennisgeving verzonden heeft, door middel van
een procedure waarbij informaticatechnieken
via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid
gebruikt worden, kennis geven van het bestaan
in hoofde van de overledene of in hoofde van
één of meerdere andere personen vermeld in
het bericht, van schulden opzichtens de
inningsinstelling
van
de
socialezekerheidsbijdragen,
alsook
de
hoegrootheid van deze schulden in hoofde van
elke schuldenaar.
De schulden waarvan in toepassing van het
eerste lid kennis kan worden gegeven zijn :
De schulden waarvan in toepassing van het
eerste lid kennis kan worden gegeven zijn :
- alle schuldvorderingen in hoofdsom en
accessoria van de inningsinstelling van
socialezekerheidsbijdragen waarvoor er
een titel bestaat;
- alle schuldvorderingen in hoofdsom en
accessoria van de inningsinstelling van
socialezekerheidsbijdragen waarvoor er
een titel bestaat;
- alle schuldvorderingen in hoofdsom en
accessoria die voortvloeien uit de
aangiften
gedaan
aan
de
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen
in
toepassing van artikel 21.
- alle schuldvorderingen in hoofdsom en
accessoria die voortvloeien uit de
aangiften
gedaan
aan
de
inningsinstelling
van
socialezekerheidsbijdragen
in
toepassing van artikel 21.
Wanneer de kennisgeving niet kan worden
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
gaan
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen
over
tot
de
kennisgeving door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
de kennisgeving kan worden ondertekend.
Wanneer de kennisgeving niet kan worden
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
gaan
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen
over
tot
de
kennisgeving door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
de kennisgeving kan worden ondertekend.
In
de
gevallen
waarin
de
kennisgeving
verzonden wordt door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, is de datum van de
kennisgeving de datum van de verzending.
In
de
gevallen
waarin
de
kennisgeving
verzonden wordt door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, is de datum van de
kennisgeving de datum van de verzending.
§ 6. In het attest van erfopvolging of aan de voet
van de uitgifte van de akte van erfopvolging
§ 6. In het attest van erfopvolging of aan de voet
van de uitgifte van de akte van erfopvolging
369
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dewelke werd afgeleverd, wordt vermeld hetzij
dat er geen kennisgeving van schulden bij
toepassing van paragraaf 5 werd gedaan en dit
zowel in hoofde van de overledene als in hoofde
van één of meerdere personen die vermeld zijn
in het bericht en die bestemmeling zijn van het
attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden
waarvan bij toepassing van paragraaf 5 kennis
werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval
door middel van de tegoeden vastgehouden
door de schuldenaar.
dewelke werd afgeleverd, wordt vermeld hetzij
dat er geen kennisgeving van schulden bij
toepassing van paragraaf 5 werd gedaan en dit
zowel in hoofde van de overledene als in hoofde
van één of meerdere personen die vermeld zijn
in het bericht en die bestemmeling zijn van het
attest of de uitgifte, hetzij dat de schulden
waarvan bij toepassing van paragraaf 5 kennis
werd gegeven zijn betaald, in voorkomend geval
door middel van de tegoeden vastgehouden
door de schuldenaar.
n voorkomend geval wordt aan de voet van het
attest door de door de Koning aangewezen
ambtenaar de vermelding van de gedane of van
de nog te verrichten betaling toegevoegd of
vervolledigd.
n voorkomend geval wordt aan de voet van het
attest door de door de Koning aangewezen
ambtenaar de vermelding van de gedane of van
de nog te verrichten betaling toegevoegd of
vervolledigd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een
uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert
waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende
het
ontbreken
van
de
kennisgeving
of
betreffende de betaling van schulden waarvan
van
het
bestaan
kennis
werd
gegeven
overeenkomstig paragraaf 5, loopt dezelfde
aansprakelijkheid op als de notaris die de
verplichting bepaald in paragraaf 1 niet naleeft.
Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het
bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet
kon worden ingevorderd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een
uitgifte van een akte van erfopvolging aflevert
waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende
het
ontbreken
van
de
kennisgeving
of
betreffende de betaling van schulden waarvan
van
het
bestaan
kennis
werd
gegeven
overeenkomstig paragraaf 5, loopt dezelfde
aansprakelijkheid op als de notaris die de
verplichting bepaald in paragraaf 1 niet naleeft.
Die aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het
bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet
kon worden ingevorderd.
§ 7. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de schuldvorderingen
waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van
paragraaf 5, kan iemand die tegoeden van een
overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel
1240bis van het Burgerlijk Wetboek, dat maar
op een bevrijdende wijze doen indien duidelijk
uit het attest of de akte van erfopvolging blijkt
dat geen enkele kennisgeving als bedoeld in
paragraaf 5 werd gedaan.
§ 7. Op straffe van persoonlijk aansprakelijk te
zijn voor de betaling van de schuldvorderingen
waarvan kennis werd gegeven bij toepassing van
paragraaf 5, kan iemand die tegoeden van een
overledene vrijgeeft overeenkomstig artikel
4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek,
dat maar op een bevrijdende wijze doen indien
duidelijk uit het attest of de akte van
erfopvolging blijkt dat geen enkele kennisgeving
als bedoeld in paragraaf 5 werd gedaan.
In afwijking van het eerste lid, kan het vrijgeven
van
de
tegoeden
van
de
overledene
overeenkomstig
artikel
1240bis
van
het
Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende
wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een
legataris
of
een
begunstigde
van
een
contractuele erfstelling, indien deze een attest
van erfopvolging of een expeditie van de akte
van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld
:
In afwijking van het eerste lid, kan het vrijgeven
van
de
tegoeden
van
de
overledene
overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van
het Burgerlijk Wetboek toch op een bevrijdende
wijze gedaan worden aan een erfgenaam, een
legataris
of
een
begunstigde
van
een
contractuele erfstelling, indien deze een attest
van erfopvolging of een expeditie van de akte
van erfopvolging voorlegt waarin wordt vermeld
:
1° dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van deze erfgenaam, legataris of
begunstigde van een contractuele erfstelling
1° dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van deze erfgenaam, legataris of
begunstigde van een contractuele erfstelling
2774/001
DOC 55
370
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
paragraaf 5 in voorkomend geval kennis werd
gegeven, werden betaald;
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
paragraaf 5 in voorkomend geval kennis werd
gegeven, werden betaald;
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling na
de betaling, door middel van de door de
schuldenaar vastgehouden fondsen, van zijn
schulden waarvan werd kennisgegeven.
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling na
de betaling, door middel van de door de
schuldenaar vastgehouden fondsen, van zijn
schulden waarvan werd kennisgegeven.
De in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid
is beperkt tot de waarde van de tegoeden die
zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de kennisgeving waarvan sprake is in
paragraaf 5.
De in het eerste lid bedoelde aansprakelijkheid
is beperkt tot de waarde van de tegoeden die
zijn vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de kennisgeving waarvan sprake is in
paragraaf 5.
§ 8. De informatie in het bericht en de
kennisgeving is dezelfde, ongeacht of ze worden
medegedeeld door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt
of door elk ander middel voor verzending met
vaste dagtekening en waardoor ze kunnen
worden ondertekend.
§ 8. De informatie in het bericht en de
kennisgeving is dezelfde, ongeacht of ze worden
medegedeeld door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt
of door elk ander middel voor verzending met
vaste dagtekening en waardoor ze kunnen
worden ondertekend.
§ 9. Wanneer het wordt verzonden met elk
ander middel dat een vaste dagtekening
verleent aan de verzending ervan en dat toelaat
het te ondertekenen, moet het bericht worden
opgemaakt
overeenkomstig
het
model
vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken
of zijn afgevaardigde.
§ 9. Wanneer het wordt verzonden met elk
ander middel dat een vaste dagtekening
verleent aan de verzending ervan en dat toelaat
het te ondertekenen, moet het bericht worden
opgemaakt
overeenkomstig
het
model
vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken
of zijn afgevaardigde.
§ 10. Wanneer het in paragraaf 1 bedoeld
bericht niet wordt medegedeeld door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, mag de
kennisgeving naar aanleiding van dit bericht en
bedoeld in paragraaf 5 niet door middel van
deze procedure worden verzonden, maar
uitsluitend door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
§ 10. Wanneer het in paragraaf 1 bedoeld
bericht niet wordt medegedeeld door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, mag de
kennisgeving naar aanleiding van dit bericht en
bedoeld in paragraaf 5 niet door middel van
deze procedure worden verzonden, maar
uitsluitend door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
§ 11. Wanneer een ander middel wordt gebruikt,
is het bericht of de kennisgeving verzonden met
dit ander middel doorslaggevend ten opzichte
van de eventuele verzending van hetzelfde
bericht of dezelfde kennisgeving door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden
gebruikt,
wanneer
de
datum
van
de
informaticaverzending verschilt ten opzichte
van de datum van de verzending door elk ander
middel.
§ 11. Wanneer een ander middel wordt gebruikt,
is het bericht of de kennisgeving verzonden met
dit ander middel doorslaggevend ten opzichte
van de eventuele verzending van hetzelfde
bericht of dezelfde kennisgeving door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden
gebruikt,
wanneer
de
datum
van
de
informaticaverzending verschilt ten opzichte
van de datum van de verzending door elk ander
middel.
§ 12. De oorsprong en de integriteit van de
inhoud van de in paragrafen 1 en 5 bedoelde
§ 12. De oorsprong en de integriteit van de
inhoud van de in paragrafen 1 en 5 bedoelde
371
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
berichten en kennisgevingen dienen, in geval
van verzending door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
verzekerd
te
worden
door
aangepaste
beveiligingstechnieken.
berichten en kennisgevingen dienen, in geval
van verzending door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
verzekerd
te
worden
door
aangepaste
beveiligingstechnieken.
§ 13. Opdat de in paragraaf 5 bedoelde
kennisgeving geldig zou zijn wanneer ze wordt
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
moet ze een electronische handtekening
dragen, die met één der technieken wordt
aangebracht dewelke vermeld worden in het
artikel 41quater, § 12, van deze wet.
§ 13. Opdat de in paragraaf 5 bedoelde
kennisgeving geldig zou zijn wanneer ze wordt
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
moet ze een electronische handtekening
dragen, die met één der technieken wordt
aangebracht dewelke vermeld worden in het
artikel 41quater, § 12, van deze wet.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er
gegarandeerd
dat
enkel
de
gerechtigde
personen toegang hebben tot de middelen
waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt er
gegarandeerd
dat
enkel
de
gerechtigde
personen toegang hebben tot de middelen
waarmee de handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien
toelaten dat de natuurlijke persoon die
verantwoordelijk is voor de verzending correct
kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip
van de verzending correct kan worden
vastgesteld.
De gevolgde procedures moeten bovendien
toelaten dat de natuurlijke persoon die
verantwoordelijk is voor de verzending correct
kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip
van de verzending correct kan worden
vastgesteld.
Deze gegevens moeten gedurende een periode
van 10 jaar door de afzender worden bewaard
en in geval van betwisting binnen een redelijke
termijn worden voorgelegd.
Deze gegevens moeten gedurende een periode
van 10 jaar door de afzender worden bewaard
en in geval van betwisting binnen een redelijke
termijn worden voorgelegd.
§ 14. De paragrafen 1 tot en met 13 zijn van
toepassing op elke persoon of dienst die
bevoegd is om een in artikel 1240bis van het
Burgerlijk
Wetboek
bedoeld
attest
van
erfopvolging op te maken.
§ 14. De paragrafen 1 tot en met 13 zijn van
toepassing op elke persoon of dienst die
bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4, derde lid,
van het Burgerlijk Wetboek bedoelde akte of
attest van erfopvolging op te maken.
Wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het
sociaal statuut der zelfstandigen
Art. 23quater
Art. 23quater
§ 1. De notarissen die gevorderd zijn om de akte
of het attest van erfopvolging, bedoeld in artikel
4.59 van het Burgerlijk Wetboek op te maken,
zijn persoonlijk aansprakelijk voor de betaling
van de schulden, waarvan kennis kan worden
gegeven
overeenkomstig
§
2,
van
de
overledene, zijn erfgenamen en legatarissen
waarvan de identiteit vermeld staat in de akte of
het attest, of van de begunstigden van een
contractuele erfstelling waarmee de overledene
heeft
ingestemd,
indien
zij
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de
hoogte stellen :
§ 1. De notarissen die gevorderd zijn om de akte
of het attest van erfopvolging, bedoeld in artikel
4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek
op te maken, zijn persoonlijk aansprakelijk voor
de betaling van de schulden, waarvan kennis kan
worden gegeven overeenkomstig § 2, van de
overledene, zijn erfgenamen en legatarissen
waarvan de identiteit vermeld staat in de akte of
het attest, of van de begunstigden van een
contractuele erfstelling waarmee de overledene
heeft
ingestemd,
indien
zij
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen daarvan niet op de
hoogte stellen :
2774/001
DOC 55
372
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
1° door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid;
2° door elk ander middel waardoor het bericht
kan worden ondertekend en waardoor de
verzending ervan een vaste dagtekening
bekomt,
wanneer
het
bericht
niet
overeenkomstig het 1° kan worden verzonden.
2° door elk ander middel waardoor het bericht
kan worden ondertekend en waardoor de
verzending ervan een vaste dagtekening
bekomt,
wanneer
het
bericht
niet
overeenkomstig het 1° kan worden verzonden.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in
het eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
overledene is de aansprakelijkheid bedoeld in
het eerste lid beperkt tot de waarde van de
nalatenschap.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende
dewelke de notaris aansprakelijk kan worden
gesteld.
Wanneer het gaat om schulden lastens de
rechtverkrijgenden is de aansprakelijkheid
bedoeld in het eerste lid beperkt tot de waarde
van de tegoeden die toekomen aan de
rechtverkrijgende waarvan de identiteit vermeld
is in de akte of het attest en betreffende
dewelke de notaris aansprakelijk kan worden
gesteld.
Indien de bedoelde akte of attest niet wordt
opgesteld binnen de drie maanden vanaf de
verzending van het bericht, wordt dit laatste
beschouwd als van generlei waarde.
Indien de bedoelde akte of attest niet wordt
opgesteld binnen de drie maanden vanaf de
verzending van het bericht, wordt dit laatste
beschouwd als van generlei waarde.
Het bericht vermeldt de identiteit van de
overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen
en van de eventuele begunstigde van een
contractuele erfstelling.
Het bericht vermeldt de identiteit van de
overledene, van zijn erfgenamen of legatarissen
en van de eventuele begunstigde van een
contractuele erfstelling.
§ 2. Indien het belang van de inningsinstelling
van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist,
stelt ze de notaris die gevorderd is om de akte of
het attest op te stellen op de hoogte, vóór het
verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op
de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en
door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, van het
bedrag van de schulden lastens de overledene of
een ander persoon vermeld in het bericht.
§ 2. Indien het belang van de inningsinstelling
van de socialezekerheidsbijdragen zulks vereist,
stelt ze de notaris die gevorderd is om de akte of
het attest op te stellen op de hoogte, vóór het
verstrijken van de twaalfde werkdag volgend op
de verzending van het in § 1 bedoelde bericht en
door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, via de
Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, van het
bedrag van de schulden lastens de overledene of
een ander persoon vermeld in het bericht.
Wanneer de kennisgeving niet kan worden
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
gaan
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen
over
tot
de
kennisgeving door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
Wanneer de kennisgeving niet kan worden
verzonden door middel van een procedure
waarbij informaticatechnieken worden gebruikt,
gaan
de
inningsinstellingen
van
de
socialezekerheidsbijdragen
over
tot
de
kennisgeving door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
De schulden waarvan in toepassing van het
eerste lid kennis kan worden gegeven zijn alle
schulden in hoofdsom en bijbehoren ten
opzichte
van
de
inningsinstelling
van
De schulden waarvan in toepassing van het
eerste lid kennis kan worden gegeven zijn alle
schulden in hoofdsom en bijbehoren ten
opzichte
van
de
inningsinstelling
van
373
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een
titel bestaat.
socialezekerheidsbijdragen waarvoor er een
titel bestaat.
§ 3. In het attest van erfopvolging of onderaan
het afschrift van de akte van erfopvolging wordt
vermeld, hetzij dat er geen kennisgeving van
schulden bij toepassing van § 2 werd gedaan en
dit zowel in hoofde van de overledene als in
hoofde van de personen die vermeld zijn in het
bericht en die bestemmeling zijn van het attest
of het afschrift, hetzij dat de schulden waarvan
bij toepassing van § 2 kennis werd gegeven zijn
betaald, in voorkomend geval met de tegoeden
gehouden door de schuldenaar.
§ 3. In het attest van erfopvolging of onderaan
het afschrift van de akte van erfopvolging wordt
vermeld, hetzij dat er geen kennisgeving van
schulden bij toepassing van § 2 werd gedaan en
dit zowel in hoofde van de overledene als in
hoofde van de personen die vermeld zijn in het
bericht en die bestemmeling zijn van het attest
of het afschrift, hetzij dat de schulden waarvan
bij toepassing van § 2 kennis werd gegeven zijn
betaald, in voorkomend geval met de tegoeden
gehouden door de schuldenaar.
In voorkomend geval wordt in het attest van
erfopvolging of onderaan het afschrift van de
akte van erfopvolging de vermelding van de
gedane of van de nog te verrichten betaling
toegevoegd of vervolledigd door de notaris.
In voorkomend geval wordt in het attest van
erfopvolging of onderaan het afschrift van de
akte van erfopvolging de vermelding van de
gedane of van de nog te verrichten betaling
toegevoegd of vervolledigd door de notaris.
De notaris die een attest van erfopvolging of een
afschrift van een akte van erfopvolging aflevert
waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende
het
ontbreken
van
de
kennisgeving
of
betreffende de betaling van schulden waarvan
van
het
bestaan
kennis
werd
gegeven
overeenkomstig
§
2,
loopt
dezelfde
aansprakelijkheid op als de notaris die de
verplichting bepaald in § 1 niet naleeft. Die
aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het
bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet
kon worden ingevorderd.
De notaris die een attest van erfopvolging of een
afschrift van een akte van erfopvolging aflevert
waarin onjuiste vermeldingen staan betreffende
het
ontbreken
van
de
kennisgeving
of
betreffende de betaling van schulden waarvan
van
het
bestaan
kennis
werd
gegeven
overeenkomstig
§
2,
loopt
dezelfde
aansprakelijkheid op als de notaris die de
verplichting bepaald in § 1 niet naleeft. Die
aansprakelijkheid is evenwel beperkt tot het
bedrag dat als gevolg van die onjuistheden niet
kon worden ingevorderd.
§
4.
Op
straffe
van
persoonlijke
aansprakelijkheid voor de betaling van de
schulden aan de inningsinstellingen van de
socialezekerheidsbijdragen waarvan kennis is
gegeven overeenkomstig § 2, kan diegene die
overeenkomstig
artikel
1240bis
van
het
Burgerlijk Wetboek tegoeden vrijgeeft van een
overledene, dat slechts bevrijdend doen op
voorwaarde dat uit de akte of het attest duidelijk
blijkt dat geen enkele kennisgeving in de zin van
§ 2 is gedaan.
§
4.
Op
straffe
van
persoonlijke
aansprakelijkheid voor de betaling van de
schulden aan de inningsinstellingen van de
socialezekerheidsbijdragen waarvan kennis is
gegeven overeenkomstig § 2, kan diegene die
overeenkomstig artikel 4.59, § 4, derde lid, van
het Burgerlijk Wetboek tegoeden vrijgeeft van
een overledene, dat slechts bevrijdend doen op
voorwaarde dat uit de akte of het attest duidelijk
blijkt dat geen enkele kennisgeving in de zin van
§ 2 is gedaan.
In afwijking op de vorige alinea, kunnen de
tegoeden van de overledene overeenkomstig
artikel 1240bis van het Burgerlijk Wetboek
bevrijdend
worden
vrijgegeven
aan
de
erfgenaam, de legataris of de begunstigde van
een contractuele erfstelling die de akte of het
attest of een afschrift van de akte voorlegt
waarin is vermeld :
In afwijking op de vorige alinea, kunnen de
tegoeden van de overledene overeenkomstig
artikel 4.59, § 4, derde lid, van het Burgerlijk
Wetboek bevrijdend worden vrijgegeven aan de
erfgenaam, de legataris of de begunstigde van
een contractuele erfstelling die de akte of het
attest of een afschrift van de akte voorlegt
waarin is vermeld :
1° dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van de erfgenaam, de legataris of de
1° dat alle op naam van de overledene en alle op
naam van de erfgenaam, de legataris of de
2774/001
DOC 55
374
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
begunstigde van een contractuele erfstelling
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
§ 2 in voorkomend geval kennis werd gegeven,
werden betaald of;
begunstigde van een contractuele erfstelling
bestaande schulden waarvan bij toepassing van
§ 2 in voorkomend geval kennis werd gegeven,
werden betaald of;
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling na
betaling, door middel van de door de
schuldenaar gehouden fondsen, van zijn
schulden waarvan werd kennisgegeven.
2° dat de tegoeden kunnen worden vrijgegeven
aan de erfgenaam, de legataris of de
begunstigde van een contractuele erfstelling na
betaling, door middel van de door de
schuldenaar gehouden fondsen, van zijn
schulden waarvan werd kennisgegeven.
§ 5. De in § 4 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de in § 2 bedoelde kennisgeving.
§ 5. De in § 4 bedoelde aansprakelijkheid is
beperkt tot de waarde van de tegoeden die zijn
vrijgegeven aan de schuldenaars die zijn
vermeld in de in § 2 bedoelde kennisgeving.
§ 6. In de gevallen waarin het in § 1 bedoeld
bericht wordt verzonden door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, wordt onder de datum van
verzending van bedoeld bericht verstaan de
datum van de ontvangstmelding meegedeeld
door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid,
na
ontvangst
door
haar
van
de
ontvangstmelding
afkomstig
van
de
inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen
of van de dienst die voor het ontvangen en
doorzenden van deze berichten bevoegd is.
§ 6. In de gevallen waarin het in § 1 bedoeld
bericht wordt verzonden door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, wordt onder de datum van
verzending van bedoeld bericht verstaan de
datum van de ontvangstmelding meegedeeld
door de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid,
na
ontvangst
door
haar
van
de
ontvangstmelding
afkomstig
van
de
inningsinstelling van socialezekerheidsbijdragen
of van de dienst die voor het ontvangen en
doorzenden van deze berichten bevoegd is.
In de gevallen waarin de in § 2 bedoelde
kennisgevingen worden verzonden door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, is de
datum van deze kennisgevingen de datum van
verzending ervan.
In de gevallen waarin de in § 2 bedoelde
kennisgevingen worden verzonden door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, is de
datum van deze kennisgevingen de datum van
verzending ervan.
§ 7. De informatie in de berichten en
kennisgevingen is dezelfde, ongeacht of ze
worden medegedeeld door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt of door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
§ 7. De informatie in de berichten en
kennisgevingen is dezelfde, ongeacht of ze
worden medegedeeld door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt of door elk ander middel voor
verzending met vaste dagtekening en waardoor
ze kan worden ondertekend.
Wanneer ze worden verzonden met elk ander
middel dat een vaste dagtekening verleent aan
de verzending ervan en dat toelaat ze te
ondertekenen, moeten deze berichten en
kennisgevingen
worden
opgemaakt
overeenkomstig de modellen vastgesteld door
de minister die het sociaal statuut der
zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft of
zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de
diensten aanwijst die voor het ontvangen en
doorzenden
van
deze
berichten
en
kennisgevingen bevoegd zijn.
Wanneer ze worden verzonden met elk ander
middel dat een vaste dagtekening verleent aan
de verzending ervan en dat toelaat ze te
ondertekenen, moeten deze berichten en
kennisgevingen
worden
opgemaakt
overeenkomstig de modellen vastgesteld door
de minister die het sociaal statuut der
zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft of
zijn afgevaardigde, die in voorkomend geval de
diensten aanwijst die voor het ontvangen en
doorzenden
van
deze
berichten
en
kennisgevingen bevoegd zijn.
375
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Bij de verzending van voormelde berichten en
kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de
inningsinstelling,
worden
de
betrokken
personen geïdentificeerd aan de hand van het
identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de
wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en
organisatie van een Kruispuntbank van de
Sociale
Zekerheid,
en
van
het
identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de
wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een
Kruispuntbank
van
Ondernemingen,
tot
modernisering van het handelsregister, tot
oprichting van erkende ondernemingsloketten
en houdende diverse bepalingen.
Bij de verzending van voormelde berichten en
kennisgevingen, gericht tot of afkomstig van de
inningsinstelling,
worden
de
betrokken
personen geïdentificeerd aan de hand van het
identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de
wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en
organisatie van een Kruispuntbank van de
Sociale
Zekerheid,
en
van
het
identificatienummer bedoeld in artikel 5 van de
wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een
Kruispuntbank
van
Ondernemingen,
tot
modernisering van het handelsregister, tot
oprichting van erkende ondernemingsloketten
en houdende diverse bepalingen.
§ 8. Wanneer het in § 1 bedoeld bericht niet
wordt medegedeeld door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, mogen de kennisgevingen
naar aanleiding van dit bericht niet door middel
van deze procedure worden verzonden maar
enkel door elk ander middel voor verzending
met vaste dagtekening en waardoor ze kan
worden ondertekend.
§ 8. Wanneer het in § 1 bedoeld bericht niet
wordt medegedeeld door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, mogen de kennisgevingen
naar aanleiding van dit bericht niet door middel
van deze procedure worden verzonden maar
enkel door elk ander middel voor verzending
met vaste dagtekening en waardoor ze kan
worden ondertekend.
Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is
het bericht of de kennisgeving verzonden met
dit ander middel doorslaggevend ten opzichte
van de eventuele verzending van hetzelfde
bericht of dezelfde kennisgeving door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden
gebruikt
wanneer
de
datum
van
de
informaticaverzending verschilt ten opzichte
van de datum van de verzending door elk ander
middel zoals bedoeld in het vorige lid.
Wanneer een ander middel wordt gebruikt, is
het bericht of de kennisgeving verzonden met
dit ander middel doorslaggevend ten opzichte
van de eventuele verzending van hetzelfde
bericht of dezelfde kennisgeving door middel
van
een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden
gebruikt
wanneer
de
datum
van
de
informaticaverzending verschilt ten opzichte
van de datum van de verzending door elk ander
middel zoals bedoeld in het vorige lid.
§ 9. De oorsprong en de integriteit van de inhoud
van de in §§ 1 en 2, bedoelde berichten en
kennisgevingen dienen, in geval van verzending
door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, te
worden verzekerd door middel van aangepaste
beveiligingstechnieken.
§ 9. De oorsprong en de integriteit van de inhoud
van de in §§ 1 en 2, bedoelde berichten en
kennisgevingen dienen, in geval van verzending
door middel van een procedure waarbij
informaticatechnieken worden gebruikt, te
worden verzekerd door middel van aangepaste
beveiligingstechnieken.
§ 10. Opdat de in paragraaf 2 bedoelde
kennisgevingen geldig zouden zijn wanneer ze
worden verzonden door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde
elektronische handtekening dragen in de zin van
artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014
van het Europees Parlement en de Raad van 23
juli 2014 betreffende elektronische identificatie
en vertrouwensdiensten voor elektronische
§ 10. Opdat de in paragraaf 2 bedoelde
kennisgevingen geldig zouden zijn wanneer ze
worden verzonden door middel van een
procedure
waarbij
informaticatechnieken
worden gebruikt, moeten ze een geavanceerde
elektronische handtekening dragen in de zin van
artikel 3.11. van Verordening (EU) nr. 910/2014
van het Europees Parlement en de Raad van 23
juli 2014 betreffende elektronische identificatie
en vertrouwensdiensten voor elektronische
2774/001
DOC 55
376
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
transacties in de interne markt en tot intrekking
van richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde
elektronische handtekening in de zin van artikel
3.12. van dezelfde verordening.
transacties in de interne markt en tot intrekking
van richtlijn 1999/93/EG of een gekwalificeerde
elektronische handtekening in de zin van artikel
3.12. van dezelfde verordening.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt
gewaarborgd dat enkel de bevoegde personen
toegang hebben tot de middelen waarmee de
handtekening wordt gecreëerd.
Ongeacht de toegepaste techniek, wordt
gewaarborgd dat enkel de bevoegde personen
toegang hebben tot de middelen waarmee de
handtekening wordt gecreëerd.
De gevolgde procedures moeten bovendien
toelaten dat de natuurlijke persoon die
verantwoordelijk is voor de verzending correct
kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip
van de verzending correct kan worden
vastgesteld.
De gevolgde procedures moeten bovendien
toelaten dat de natuurlijke persoon die
verantwoordelijk is voor de verzending correct
kan worden geïdentificeerd en dat het tijdstip
van de verzending correct kan worden
vastgesteld.
Deze gegevens moeten gedurende een periode
van tien jaar door de afzender worden bewaard
en in geval van betwisting binnen een redelijke
termijn worden voorgelegd.
Deze gegevens moeten gedurende een periode
van tien jaar door de afzender worden bewaard
en in geval van betwisting binnen een redelijke
termijn worden voorgelegd.
§ 11. De paragrafen 1 tot 10 zijn van
overeenkomstige toepassing op elke persoon of
dienst die bevoegd is om een in artikel 1240bis
van het Burgerlijk Wetboek bedoeld attest van
erfopvolging op te maken.
§ 11. De paragrafen 1 tot 10 zijn van
overeenkomstige toepassing op elke persoon of
dienst die bevoegd is om een in artikel 4.59, § 4,
derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde
akte of attest van erfopvolging op te maken.
HOOFDSTUK 19 - Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de
gevangenissen
Art. 85
De in dit hoofdstuk bedoelde begrippen
"directeur",
"veroordeelde",
"slachtoffer"
dienen te worden begrepen in de zin van artikel
2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de
externe rechtpositie van de veroordeelden tot
een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de
strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 86
§1. De
directeur
kent
een
vervroegde
invrijheidstelling toe aan de veroordeelde die
zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de
toekenning
van
de
voorwaardelijke
invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het
einde van het uitvoerbaar gedeelte van de
vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen
waartoe hij is veroordeeld.
In afwijking van het eerste lid, is de
veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit
tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel
377
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door
de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen
gedurende
zes
maanden
na
de
tenuitvoerlegging
van
het
vonnis
tot
herroeping uitgesloten van de vervroegde
invrijheidstelling.
Indien de vervroegde invrijheidstelling niet
wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van
het strafeinde.
Indien de vervroegde invrijheidstelling wordt
herroepen, kan zij niet opnieuw worden
toegekend.
§2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten
van de vervroegde invrijheidstelling bedoeld in
paragraaf 1:
- de veroordeelden die één of meerdere
vrijheidsbenemende
straffen
ondergaan
waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt;
- de veroordeelden die één of meerdere
gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten
vermeld in boek II, titel Iter, van het
Strafwetboek;
- de veroordeelden die één of meerdere
gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten
vermeld in de artikelen 417/7 tot 417/24,
417/50, 417/55 417/56, 417/59 en 417/63 van
- de veroordeelden die het voorwerp uitmaken
van
een
veroordeling
met
een
terbeschikkingstelling
van
de
strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de
artikelen
34ter
of
34quater
van
het
Strafwetboek;
- de veroordeelden die geen recht hebben op
verblijf;
- de veroordeelden die worden opgevolgd door
het
Coördinatieorgaan
voor
de
dreigingsanalyse
in
het
kader
van
de
gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld
in
de
artikelen
44/11/3bis
tot
44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus
1992 op het politieambt.
Art. 87
§1. De directeur neemt de beslissing tot
toekenning
van
de
vervroegde
invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben
van de haalbaarheid van de maatregel en de
volgende criteria getoetst te hebben:
- het hebben van onderdak;
- het beschikken over voldoende middelen van
bestaan.
het Strafwetboek;
2774/001
DOC 55
378
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De
procureur
des
Konings
van
het
arrondissement waar de veroordeelde zijn
woon- of verblijfplaats heeft en, indien de
strafuitvoeringsrechter
of
de
strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, het
openbaar
ministerie
bij
de
strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig
mogelijk in kennis gesteld van de toekenning
van de vervroegde invrijheidstelling en van de
daaraan verbonden voorwaarden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk
geval binnen de vierentwintig uur, via het
snelst
mogelijke
schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de
toekenning
van
de
vervroegde
invrijheidstelling en van de daaraan verbonden
voorwaarden.
§2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn
onderworpen aan de volgende algemene
voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich
onmiddellijk verwijderen van de plaats waar hij
een slachtoffer ontmoet.
De proeftermijn is gelijk aan de duur van het
nog
resterende
gedeelte
van
de
vrijheidsstraffen op het ogenblik van de
vervroegde invrijheidstelling.
In geval van herroeping van de vervroegde
invrijheidstelling op grond van paragraaf 3,
wordt de periode tijdens dewelke hij in
vervroegde invrijheidstelling was en die loopt
tot aan de beslissing tot herroeping van de
vervroegde invrijheidsstelling, afgetrokken van
het op het ogenblik van de toekenning nog
resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
§3. De directeur kan de beslissing herroepen in
volgende gevallen:
-
wanneer
er
ernstige
aanwijzingen
voorhanden zijn dat de veroordeelde het
verbod op het plegen van strafbare feiten niet
heeft nageleefd;
- wanneer de veroordeelde de algemene
voorwaarde vermeld in paragraaf 2, eerste lid,
2° niet naleeft.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk
geval binnen de vierentwintig uur, via het
snelst
mogelijke
schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de
beslissing tot herroeping.
379
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§4. Indien de veroordeelde de fysieke of
psychische integriteit van derden ernstig in
gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan
de procureur des Konings bij de rechtbank
binnen
het
rechtsgebied
waarvan
de
veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige
aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn
beslissing mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de al
dan niet herroeping van de vervroegde
invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend
op de aanhouding van de veroordeelde. Deze
met redenen omklede beslissing wordt binnen
vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan
de veroordeelde en de procureur des Konings.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk
geval binnen de vierentwintig uur, via het
snelst
mogelijke
schriftelijke
communicatiemiddel, in kennis gesteld van de
beslissing tot herroeping.
Art. 88
Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 augustus
2023.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad, de datum bedoeld
in het eerste lid verlengen tot 31 december
2024.
Wijzigingen aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de
rechtspositie van de gedetineerden
Art. 18
Art. 18
§1. Onverminderd andersluidende wettelijke
bepalingen
wordt
over
de
plaatsing
of
overplaatsing van gedetineerden beslist door
ambtenaren van de penitentiaire administratie
die daartoe door de directeur-generaal worden
aangewezen.
§1. Onverminderd andersluidende wettelijke
bepalingen
wordt
over
de
plaatsing
of
overplaatsing van gedetineerden beslist door
ambtenaren van de penitentiaire administratie
die daartoe door de directeur-generaal worden
aangewezen.
§1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren
kunnen bepalen dat de veroordeelde zich ter
uitvoering van de beslissing tot plaatsing of
overplaatsing zelfstandig begeeft naar de
aangewezen gevangenis.
§2. Tegen een beslissing tot plaatsing of
overplaatsing die door de in § 1 bedoelde
ambtenaren genomen is, kan een bezwaar
worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII,
hoofdstuk III.
§2. Tegen een beslissing tot plaatsing of
overplaatsing die door de in § 1 bedoelde
ambtenaren genomen is, kan een bezwaar
worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII,
hoofdstuk III.
§3. (…)
§3. (…)
2774/001
DOC 55
380
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1/24
Avis n° 113/2022 du 3 juin 2022
Objet : Avis concernant un avant-projet de loi visant à rendre la justice plus rapide, plus
humaine et plus ferme II (articles 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 et 57) (CO-A-2022-086)
Le Centre de Connaissances de l'Autorité de protection des données (ci-après "l'Autorité"), en présence
de Messieurs Yves-Alexandre de Montjoye et Bart Preneel ;
Vu la loi du 3 décembre 2017 portant création de l'Autorité de protection des données, en particulier
les articles 23 et 26 (ci-après "la LCA") ;
Vu le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la
protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la
libre circulation de ces données, et abrogeant la Directive 95/46/CE (Règlement général sur la
protection des données, ci-après le "RGPD") ;
Vu la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements
de données à caractère personnel (ci-après "la LTD") ;
Vu la demande d'avis de Monsieur Vincent Van Quickenborne, Vice-premier Ministre et Ministre de la
Justice et de la Mer du Nord (ci-après "le demandeur "), reçue le 01/04/2022 ;
Émet, le 3 juin 2022, l'avis suivant :
381
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 2/24
I.
OBJET DE LA DEMANDE D'AVIS
1.
Le demandeur sollicite l’avis de l’Autorité concernant les articles 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55
et 57 d’un avant-projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II
(ci-après "l’avant-projet" ou "l’avant-projet de loi").
2.
Les dispositions susmentionnées apportent plusieurs modifications dans diverses lois qui
relèvent de la compétence du ministère de la Justice, notamment le Code d’instruction criminelle, la
Loi relative au Registre national1, le Code civil et la Loi sur les jeux de hasard2.
II.
EXAMEN DE LA DEMANDE
a. Modifications du Code d’instruction criminelle (art. 18 et 19 de l’avant-projet)
3.
Les articles 18 et 19 de l’avant-projet prévoient l’insertion de deux dispositions - articles 258/1
et 258/2 - dans le Code d’instruction criminelle (ci-après : "CIC"), sous le Titre II ("De la cour
d’assises") et plus précisément au Chapitre V, Section Ire ("Des fonctions du président"), qui prévoient
la possibilité d’effectuer des captations sonores ou audiovisuelles d’audiences devant la cour d'assises,
et ce d’une part au profit des victimes connues et de leurs avocats et, d’autre part, pour la constitution
d’archives historiques.
4.
Les dispositions en question sont libellées comme suit :
“Art. 258/1. § 1er. Le président peut décider, dans l'intérêt de la bonne administration de la
justice, en raison soit de la disproportion entre, la capacité d'accueil physique de la cour
d’assises et le nombre de parties au procès, soit du grand nombre de victimes de nationalité
étrangère, que le déroulement de l'audience fera l'objet d'une captation sonore ou
audiovisuelle permettant sa diffusion [en] différé, par un moyen de télécommunication
garantissant la confidentialité de la transmission aux victimes et à leurs avocats qui ont fait la
demande d’accès à la diffusion.
§ 2. Le président peut toutefois interdire la diffusion de tout ou partie des débats afin de
garantir la sérénité des débats ou de prévenir un trouble à l'ordre public et peut à cette fin
interrompre l'émission à tout moment (...)”.
1 Loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques, M.B. du 21/04/1984.
2 Loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, M.B.
du 30/12/1999.
2774/001
DOC 55
382
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 3/24
Art. 258/2. "Sans préjudice du prescrit de l’article 258/1 le président peut décider que le
déroulement de l’audience fera l’objet d’une captation sonore ou audiovisuelle lorsque cette
captation présente un intérêt pour la constitution d'archives historiques de la justice.
En cas de captation sonore ou audiovisuelle, conformément à l'alinéa précédent et à l'article
258/1, le support numérique contenant la captation intégrale des débats est versé au dossier
pénal après la clôture des débats.”
5.
De plus, l’article 18 de l’avant-projet prévoit des sanctions pénales (un emprisonnement de
six mois à deux ans et une amende de deux cents euros à dix mille euros) en cas d’enregistrement
des captations en question ou de leur diffusion à des tiers.
6.
Dans l’Exposé des motifs de l’avant-projet, le demandeur explique que l’article 18 de l’avant-
projet vise à prévoir la possibilité d’effectuer une captation sonore ou audiovisuelle des débats à
l'audience permettant la diffusion en différé aux victimes connues et à leurs avocats. De plus, le
demandeur affirme que cette disposition vise principalement les audiences impliquant un nombre
important de parties au procès et/ou des victimes de nationalité étrangère qui ne peuvent pas être
présentes. Le demandeur précise que la disposition en projet s’inspire de la réglementation prévue à
l’article 802-3 du Code de procédure pénale français. Concernant l’article 19 de l’avant-projet, au sujet
des captations en vue de constituer des archives historiques de la justice, le demandeur fait aussi
référence à une disposition similaire en droit français.
7.
Conformément à l’article 6.3 du RGPD, lu à la lumière du considérant 41 du RGPD3, le
traitement de données à caractère personnel qui est nécessaire au respect d’une obligation légale4
et/ou à l'exécution d'une mission d'intérêt public ou relevant de l'exercice de l'autorité publique dont
est investi le responsable du traitement5 doit être régi par une réglementation claire et précise dont
l’application doit être prévisible pour les personnes concernées. En outre, aux termes de l’article 22 de
la Constitution, il est nécessaire que les éléments essentiels du traitement de données soient définis
au moyen d’une norme légale formelle (loi, décret ou ordonnance).
8.
Les traitements de données à caractère personnel auxquels l’avant-projet donne lieu reposent
sur l’article 6.1.e) du RGPD et engendrent une ingérence importante dans les droits et libertés des
3 “Lorsque le présent règlement fait référence à une base juridique ou à une mesure législative, cela ne signifie pas
nécessairement
que
l'adoption
d'un
acte
législatif
par
un
parlement
est
exigée,
sans
préjudice
des obligations prévues en vertu de l'ordre constitutionnel de l'État membre concerné. Cependant, cette base juridique- ou
cette mesure législative devrait être claire et précise et son application devrait être prévisible pour les justiciables, conformément
à la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne (ci-après dénommée "Cour de justice") et de la Cour européenne
des droits de l'homme ".
4 Article 6.1.c) du RGPD
5 Article 6.1.e) du RGPD.
383
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 4/24
personnes concernées. L’Autorité constate en effet que les traitements envisagés impliquent
notamment la réalisation de captations sonores ou audiovisuelles d’audiences de la cour d’assises et
concernent dès lors des données sensibles telles que visées à l’article 10 du RGPD (données à caractère
personnel relatives aux infractions). Vu le caractère sensible des traitements envisagés et leur impact
sur le fonctionnement de l’ordre judiciaire, l’Autorité propose - dans la mesure où cela n’a pas encore
eu lieu - d’également demander l’avis du Conseil supérieur de la Justice à ce sujet.
9.
En vertu de l’article 6.3 du RGPD, lu conjointement avec l’article 22 de la Constitution et
l’article 8 de la CEDH, une telle norme de rang législatif doit déterminer les circonstances dans
lesquelles un traitement de données est autorisé. Conformément aux principes de légalité et de
prévisibilité, cette norme législative doit ainsi, en tout cas, définir les éléments essentiels du (des)
traitement(s)6. Lorsque le(s) traitement(s) de données représente(nt) une ingérence importante dans
les droits et libertés des personnes concernées7, comme dans le cas présent, les éléments essentiels
suivants doivent être définis par le législateur :
-
la (les) finalité(s) précise(s) et concrète(s) ;
-
l’identité du (des) responsable(s) du traitement (à moins que cela ne soit clair) ;
-
les (catégories de) données qui sont nécessaires à la réalisation de cette (ces)
finalité(s) ;
-
les catégories de personnes concernées dont les données seront traitées ;
-
le délai de conservation maximal des données ;
-
les destinataires ou catégories de destinataires auxquels les données seront
communiquées et les circonstances dans lesquelles elles le seront, ainsi que les motifs
y afférents ;
-
le cas échéant et dans la mesure où cela est nécessaire, la limitation des obligations
et/ou droits mentionné(e)s aux articles 5, 12 à 22 et 34 du RGPD.
10.
En ce qui concerne le premier élément essentiel du (des) traitement(s) envisagé(s), l’Autorité
constate que les dispositions en projet en question de l’avant-projet de loi prévoient deux
traitements distincts avec différentes finalités, à savoir des captations sonores ou audiovisuelles
d’audiences de la cour d’assises au profit des victimes connues et de leurs avocats (A) d’une part et
des captations en vue de constituer des archives de la justice (B) d’autre part.
6 Voir DEGRAVE, E., "L’e-gouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparence et contrôle", Collection du
CRIDS, Larcier, Bruxelles, 2014, p. 161 e.s. (voir e.a. : CEDH, Arrêt Rotaru c. Roumanie, 4 mai 2000) ; Voir également quelques
arrêts de la Cour constitutionnelle : l'Arrêt n° 44/2015 du 23 avril 2015 (p. 63), l'Arrêt n° 108/2017 du 5 octobre 2017 (p. 17)
et l'Arrêt n° 29/2018 du 15 mars 2018 (p. 26).
7 Il sera généralement question d'ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées lorsqu'un traitement
de données présente une ou plusieurs des caractéristiques suivantes : le traitement porte sur des catégories particulières de
données à caractère personnel (sensibles) au sens des articles 9 ou 10 du RGPD, le traitement concerne des personnes
vulnérables, le traitement est réalisé à des fins de surveillance ou de contrôle (avec d'éventuelles conséquences négatives pour
les personnes concernées), le traitement implique un croisement ou une combinaison de données à caractère personnel
provenant de différentes sources, il s'agit d'un traitement à grande échelle en raison de la grande quantité de données et/ou
de personnes concernées, les données traitées sont communiquées à des tiers ou accessibles à ces derniers, …
2774/001
DOC 55
384
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 5/24
A. Captations au profit des victimes et de leurs avocats (art. 18 de l’avant-projet)
11.
Conformément à l'article 5.1.b) du RGPD, un traitement de données à caractère personnel ne
peut être réalisé que pour des finalités déterminées, explicites et légitimes.
12.
On peut déduire de la formulation de l’article 18 de l’avant-projet et de l’Exposé des motifs
que la finalité du traitement prévu dans cette disposition, à savoir la réalisation de captations sonores
ou audiovisuelles, consiste à faciliter l’accès des victimes et de leurs avocats aux débats en cas
d’audiences impliquant un nombre important de parties au procès ou un nombre élevé de victimes de
nationalité étrangère, ayant pour conséquence que la capacité de la cour et/ou la situation des victimes
ne permet pas qu’elles assistent aux audiences. À titre d’exemple, l’Exposé des motifs fait référence
au procès des attentats terroristes à la station de métro Malbeek et à l’aéroport Brussels Airport
Zaventem, planifié à l’automne 2022. L’Autorité en prend acte.
13.
Bien que cette finalité en tant que telle puisse être qualifiée de déterminée, explicite et
légitime, le traitement envisagé doit également être proportionnel et, le cas échéant, les autres
éléments essentiels du traitement doivent aussi être repris explicitement dans l’avant-projet.
14.
En ce qui concerne les traitements envisagés prévus à l’article 18 de l’avant-projet, l’Autorité
s’interroge tout d’abord sur leur proportionnalité et constate que certains des éléments essentiels
susmentionnés sont incomplets ou font défaut dans l’avant-projet de loi et que cet avant-projet reste
vague quant aux garanties et aux mesures de sécurité qui seront mises en oeuvre dans le cadre des
traitements de données envisagés.
i.
Proportionnalité du traitement envisagé
15.
Le traitement envisagé et les ingérences dans les droits et libertés des personnes concernées
qui l’accompagnent doivent tout d’abord constituer une mesure licite, nécessaire et proportionnelle.
16.
À cet égard, il convient en premier lieu de faire remarquer que le traitement visé à l’article 18
- à savoir la réalisation de captations d’audiences devant la cour d’assises au profit des victimes
connues et de leurs avocats et la mise à disposition de ces captations en vue de leur diffusion en
différé - peut être appliqué de manière très large sur la base du présent texte. Dans l’Exposé des
motifs, concernant ce que prescrit l’article précité de l’avant-projet de loi, le demandeur précise que
cette disposition est destinée aux procès impliquant un nombre important de parties au procès et/ou
des victimes de nationalité étrangère, en faisant référence au prochain procès des attentats terroristes.
385
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 6/24
Toutefois, l’avant-projet ne prévoit aucune limitation dans le temps de la disposition en question, ni
d’autres conditions visant à en limiter l’application et à en garantir la proportionnalité.
17.
L’Autorité se demande également si la finalité poursuivie par ce traitement à l’article 18 ne
peut pas être réalisée au moyen d’un traitement impliquant une ingérence moins importante dans les
droits et libertés des personnes concernées. La question se pose ainsi de savoir si pour les cas visés
par la disposition précitée de l’avant-projet, il ne serait pas possible d'envisager d’utiliser un système
de vidéoconférence en temps réel à laquelle les victimes concernées et leurs avocats peuvent
participer, n’impliquant aucune captation et donc aucun enregistrement et transfert ou diffusion en
différé des captations. En outre, la question se pose également de savoir si et dans quels cas, à la
lumière de la (des) finalité(s) poursuivie(s), des captations audiovisuelles doivent être considérées
comme nécessaires plutôt que seulement des captations sonores.
18.
L’Autorité estime que, vu l’ingérence importante dans les droits et libertés des personnes
concernées qu'implique l’article 258/1 du CIC (qui doit être inséré par l’article 18 de l’avant-projet), la
décision du président d’appliquer cet article doit en tout état de cause constituer une mesure
d’exception. Elle souligne qu’en vue de garantir l’application proportionnelle et la prévisibilité du
traitement en question, le demandeur doit reprendre dans l’avant-projet de loi des critères clairs et
objectifs qui doivent être remplis afin que la disposition puisse s’appliquer et qu’ensuite, il faut
demander au président de motiver au cas par cas l’application de cette réglementation, à la lumière
des critères définis dans la loi. Sans préjudice de ce qui précède, les éléments essentiels du traitement
devront également être repris dans l’avant-projet de loi (voir ci-dessous).
19.
En supposant que le législateur confirme son intention d’instaurer le traitement envisagé, les
dispositions en question de l’avant-projet doivent être complétées afin de répondre à tous les critères
mentionnés au point 9 qui s’appliquent aux normes visant à encadrer des traitements de données à
caractère personnel.
ii.
Le(s) responsable(s) du traitement
20.
L'article 4.7) du RGPD dispose que pour les traitements dont les finalités et les moyens sont
déterminés par la réglementation, le responsable du traitement est celui qui est désigné en tant que
tel dans cette réglementation.
21.
L’Autorité constate que l’avant-projet ne désigne pas explicitement et nominativement le(s)
responsable(s) du traitement prévu à l’article 18. En ce qui concerne le traitement de données à
caractère personnel qui fait l’objet des captations en tant que tel, on pourrait déduire du texte que le
2774/001
DOC 55
386
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 7/24
responsable du traitement est la cour d’assises ou son président, qui prend la décision d’effectuer la
captation sonore ou audiovisuelle.
22.
Le § 4 de l'article 18 de l'avant-projet dispose que les victimes et leurs avocats qui souhaitent
utiliser la possibilité de recevoir la captation des débats, doivent en faire la demande au greffe ou au
parquet. Le texte ne précise pas quelles données à caractère personnel seront collectées et traitées à
cet égard (voir ci-dessous), ni qui doit être considéré comme responsable(s) du traitement pour cette
activité de traitement. Afin d’éviter toute ambiguïté quant à l’identité de la (des) personne(s) ou de l’
(des) entité(s) qui doi(ven)t être considérée(s) comme responsable(s) du traitement et de faciliter
ainsi l’exercice des droits des personnes concernées - tels que prévus aux articles 12 à 22 du RGPD -
, l’Autorité invite le demandeur à identifier explicitement, dans l’avant-projet de loi, pour chacune des
activités de traitement, la (les) personne(s) ou l’ (les) entité(s) qui doi(ven)t être considérée(s) comme
le(s) responsable(s) du traitement.
iii.
Les catégories de données à caractère personnel
23.
Conformément à l’article 5.1.c) du RGPD, les données à caractère personnel doivent être
adéquates, pertinentes et limitées à ce qui est strictement nécessaire au regard des finalités visées
(principe de "minimisation des données").
24.
Comme précisé ci-dessus, les catégories de données à caractère personnel font également
partie des éléments essentiels du traitement qui doivent être définis dans la norme légale formelle qui
encadre ce traitement.
25.
L’Autorité constate que l’avant-projet de loi ne définit pas explicitement quelles catégories de
données à caractère personnel seront précisément traitées dans le cadre de l’article 18 du présent
avant-projet. À cet égard, il faut faire une distinction entre d’une part les (catégories de) données à
caractère personnel qui seront traitées au moyen des captations sonores et/ou des captations
audiovisuelles proprement dites et d’autre part, les données à caractère personnel des victimes (et de
leurs avocats) qui seront collectées et traitées afin de leur donner accès aux captations. Ce dernier
point peut éventuellement être réglé par arrêté royal, moyennant une habilitation suffisamment
précise au Roi prévue dans l’avant-projet.
387
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 8/24
iv.
Les catégories de personnes concernées
26.
L’avant-projet doit également préciser les (catégories de) personnes concernées, c’est-à-dire
les personnes physiques identifiées ou identifiables8 qui feront l’objet des traitements poursuivis.
27.
À ce sujet, l’avant-projet mentionne les victimes connues et leurs avocats, dont des données
à caractère personnel seront collectées et traitées si ceux-ci introduisent une demande en vue de
recevoir la diffusion des captations. Toutefois, les autres catégories de personnes concernées, qui
feront l’objet des captations sonores et audiovisuelles proprement dites, ne sont pas explicitement
mentionnées (par ex. l’accusé, les parties civiles, les juges saisis, les jurés, les témoins, les experts,
etc.). Cela doit également être prévu dans l’avant-projet.
v.
Les catégories de destinataires
28.
Les destinataires au sens de l’article 4.9) du RGPD (toute "personne physique ou morale,
l'autorité publique, le service ou tout autre organisme qui reçoit communication de données à caractère
personnel, qu'il s'agisse ou non d'un tiers") font également partie des éléments essentiels du
traitement qui doivent être précisés dans l’avant-projet.
29.
L’Autorité constate qu’en ce qui concerne les captations sonores et audiovisuelles visées à
l’article 18 (article 258/1 qui doit être inséré dans le CIC), l’avant-projet mentionne les victimes
connues et leurs avocats en tant que destinataires. Si et dans la mesure où d’autres personnes ou
instances recevront aussi les données à caractère personnel concernées - on pense notamment ici à
des sous-traitants externes -, cela doit alors être précisé dans l’avant-projet.
vi.
Les délais de conservation
30.
Conformément au principe de limitation de la conservation repris à l'article 5.1.e) du RGPD,
"les données à caractère personnel doivent être conservées sous une forme permettant l'identification
des personnes concernées pendant une période n'excédant pas celle nécessaire au regard des finalités
pour lesquelles elles sont traitées".
31.
L’Autorité constate que rien n’est précisé dans l’avant-projet concernant les délais pendant
lesquels les captations en question seront conservées, ni les critères visant à déterminer ces délais.
En ce qui concerne la réglementation reprise à l’article 18 de l’avant-projet (article 258/1 à insérer
8 Conformément à l'article 4.1) du RGPD, est réputée être une "personne physique identifiable" : "une personne physique qui
peut être identifiée, directement ou indirectement, notamment par référence à un identifiant, tel qu'un nom, un numéro
d'identification, des données de localisation, un identifiant en ligne, ou à un ou plusieurs éléments spécifiques propres à son
identité physique, physiologique, génétique, psychique, économique, culturelle ou sociale."
2774/001
DOC 55
388
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 9/24
dans le CIC), il faut prévoir un délai de conservation maximal ou au moins des critères clairs visant à
déterminer un tel délai et/ou un délai maximal pendant lequel les victimes connues et leurs avocats
peuvent demander à accéder aux captations.
32.
L’Autorité souligne à cet égard que le délai de conservation prévu doit être limité à ce qui est
strictement nécessaire pour réaliser la finalité poursuivie - à savoir le visionnage des captations par
les victimes connues et leurs avocats - et que les données à caractère personnel doivent être
supprimées au terme de ce délai. L’Autorité estime que ce délai doit en l’occurrence être limité à la
durée du procès en question et que ces captations ne peuvent en aucun cas être conservées au-delà
d’un an.
33.
Dans ce cadre, l’Autorité souligne qu’en ce qui concerne le traitement de données à caractère
personnel qui a lieu au moyen des captations sonores et/ou audiovisuelles, il est techniquement
possible que les données soient réutilisées en vue de l’identification d’une personne (par exemple
l’identification de l’auteur d’un délit à l’aide du son de sa voix). En ce sens, la simple conservation des
données concernées comporte un risque de traitement de données biométriques au sens de l’article
4.14) du RGPD9. L’Autorité attire l’attention sur le fait qu’il faut veiller à ce que ces données ne puissent
pas être utilisées en tant que telles et pour des finalités incompatibles avec la finalité initiale par les
destinataires des captations ou par d’autres entités. Par conséquent, il faut préciser dans l’avant-projet
quelles garanties seront intégrées afin de limiter ce risque. L’Autorité souligne qu’il est recommandé à
cet égard d’interdire et de sanctionner au moyen d’une loi l’utilisation ultérieure à des fins
incompatibles (par exemple en vue de l’identification des personnes filmées).
vii.
Analyse d'impact relative à la protection des données et garanties appropriées
34.
Comme cela a déjà été précisé, les traitements prévus dans l’avant-projet - si le demandeur
décide de les instaurer comme le prévoit l’avant-projet - engendreront dans la plupart des cas une
violation grave des droits et libertés des personnes concernées. Une telle ingérence n’est admissible
que si elle est proportionnée à l’objectif légitime qu’elle poursuit. L’Autorité n’étant pas convaincue de
la proportionnalité de la mesure, elle invite le demandeur à procéder à une analyse stricte de
proportionnalité. L’Autorité considère que l’analyse d'impact relative à la protection des données telle
que visée à l’article 35 du RGPD constitue une méthode adéquate pour examiner la proportionnalité
du traitement envisagé. L’Autorité rappelle en outre que dans la mesure où le traitement mis en place
par l’avant-projet est susceptible d'engendrer un risque élevé pour les droits et libertés des personnes
9 À savoir "les données à caractère personnel résultant d'un traitement technique spécifique, relatives aux caractéristiques
physiques, physiologiques ou comportementales d'une personne physique, qui permettent ou confirment son identification
unique, telles que des images faciales ou des données dactyloscopiques”.
389
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 10/24
physiques au sens de l’article 35 du RGPD, le responsable du traitement devra également réaliser une
analyse d’impact spécifique avant la mise en œuvre concrète du traitement.
35.
En l’occurrence, l’Autorité estime préférable que cette analyse d’impact relative à la protection
des données soit effectuée à ce stade du processus législatif. On ne peut en effet pas exclure que
suite à cette analyse, des prescriptions spécifiques doivent être insérées dans la réglementation.
36.
L'Autorité souligne le fait que le traitement de données à caractère personnel sensibles au
sens de l’article 10 du RGPD nécessite des mesures de sécurité plus strictes. Dans ce cadre, il est fait
référence à l’article 9 et - dans ce cas en particulier - à l’article 10, § 2 de la LTD qui indiquent quelles
mesures de sécurité supplémentaires devront au moins être prévues si de telles données sont traitées :
•
désigner les catégories de personnes, ayant accès aux données à caractère personnel, avec
une description précise de leur fonction par rapport au traitement des données visées ;
•
tenir la liste des catégories des personnes ainsi désignées à la disposition de l'Autorité ;
•
veiller à ce que ces personnes désignées soient tenues par une obligation légale ou statutaire,
ou par une disposition contractuelle équivalente, au respect du caractère confidentiel des
données visées.
37.
L’Autorité fait en outre remarquer que le demandeur déclare, comme cela a déjà été
mentionné ci-dessus, s’être inspiré, pour les dispositions en question, d’une législation française
récente qui prévoit également la possibilité d’enregistrer les audiences. Il faut toutefois préciser que
dans la législation citée par le demandeur, plusieurs garanties pour les droits et libertés des personnes
concernées ont été élaborées, garanties qui ne se retrouvent pas dans le présent avant-projet. On peut
notamment faire référence ici à la loi n° 2021-1729 du 21 décembre 2021 ("loi pour la confiance dans
l’institution judiciaire") et au décret n° 2022-462 pris pour l’application de l’article 1er de la loi
n° 2021-1729.10 Les normes précitées prévoient notamment les garanties suivantes :
•
l’image et les autres éléments permettant une identification des personnes enregistrées ne
peuvent être diffusés que moyennant leur consentement écrit, qui doit être donné avant
l’audience concernée. Les personnes enregistrées peuvent rétracter ce consentement dans les
quinze jours après la fin de l’audience (art. 8-9 du décret n° 2022-462) ;
•
"le bénéficiaire de l’autorisation d’enregistrement est tenu à une obligation d’occultation des
mineurs, des majeurs bénéficiant d’une protection juridique et des autres personnes
enregistrées qui n’ont pas consenti à la diffusion des images et des éléments d’identification
les concernant" (art. 14 du décret n° 2022-462) ; et
•
"à l'expiration d'un délai de cinq ans après la première diffusion de l'enregistrement ou de dix
ans après l'autorisation d'enregistrement, l'obligation d'occultation est étendue à toute
10 https://www.legifrance.gouv.fr/loda/article_lc/JORFARTI000044546000/;
https://www.legifrance.gouv.fr/jorf/id/JORFTEXT000045457824.
2774/001
DOC 55
390
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 11/24
personne enregistrée". Il est ainsi précisé que cela "implique que l'image et tout élément
permettant l'identification directe ou indirecte des personnes enregistrées soient dissimulés,
(...) les visages et les silhouettes floutés et les voix déformées" (art. 14 du décret
n° 2022-462).
38.
Vu l’ingérence importante du traitement visé, l’Autorité recommande au demandeur de prévoir
dans le présent avant-projet des garanties spécifiques pour les droits et libertés des personnes
concernées.
B. Captations en vue de la constitution d'archives historiques de la justice (art. 19 de l'avant-projet)
39.
L'article 19 de l'avant-projet (article 258/2 à insérer dans le CIC) prévoit, sans préjudice du
prescrit de l'article 18 de l'avant-projet, la possibilité pour le président de la cour d'assises de décider
de la captation d'audiences "pour la constitution d'archives historiques de la justice". Le deuxième
alinéa de la disposition susmentionnée prévoit également - tant lors de l'application de l'articles 258/1
que de l'article 258/2 à insérer - que "le support numérique contenant la captation intégrale des débats
est versé au dossier pénal après la clôture des débats”.
40.
L'Autorité répète tout d'abord que le traitement en vue d'un archivage doit être distingué du
traitement de données à caractère personnel au moyen de captations visé dans l'article 18 de
l’avant-projet commenté ci-avant et que celui-ci a une finalité totalement différente.
41.
En ce qui concerne ce traitement, l'Autorité estime que le demandeur ne démontre
aucunement la nécessité et la proportionnalité du traitement visé11. À ce propos, il convient tout
d'abord de souligner que les finalités poursuivies par ce traitement peuvent être - et sont déjà -
atteintes au moyen de mesures moins intrusives. À cet égard, l'Autorité se réfère plus précisément
11 Un traitement de données à caractère personnel est considéré comme nécessaire s'il constitue la mesure la moins intrusive
en
vue
d'atteindre
la
finalité
visée
(intérêt
public).
Il
est
donc
nécessaire
:
- Premièrement, que le traitement de données permette effectivement d’atteindre l'objectif poursuivi. Il faut donc démontrer,
sur la base d’éléments factuels et objectifs, l’efficacité du traitement de données à caractère personnel envisagé pour atteindre
l’objectif recherché ;
- Deuxièmement, que ce traitement de données à caractère personnel constitue la mesure la moins intrusive au regard du droit
à la protection de la vie privée. Cela signifie que s’il est possible d’atteindre l’objectif recherché au moyen d’une mesure moins
intrusive pour le droit au respect de la vie privée ou le droit à la protection des données à caractère personnel, le traitement de
données initialement envisagé ne pourra pas être mis en place. Il faut, à cette fin, détailler et être en mesure de démontrer, à
l’aide d’éléments de preuve factuels et objectifs, les raisons pour lesquelles les autres mesures moins intrusives ne sont pas
suffisantes pour atteindre l’objectif recherché.
Si la nécessité du traitement de données à caractère personnel est démontrée, il faut encore démontrer que celui-ci est
proportionné (au sens strict) à l’objectif qu’il poursuit, c’est-à-dire qu’il faut démontrer qu’il existe un juste équilibre entre les
différents intérêts en présence, droits et libertés des personnes concernées. En d’autres termes, il faut qu’il y ait un équilibre
entre l’ingérence dans le droit au respect de la vie privée et à la protection des données à caractère personnel et l’objectif que
poursuit
–
et
permet
effectivement
d’atteindre
–
ce
traitement.
Les
avantages
qui découlent du traitement de données en question doivent donc être plus importants que les inconvénients qu’il génère pour
les personnes concernées. À nouveau, il faut être en mesure de démontrer que cette analyse a bien été réalisée avant la mise
en œuvre du traitement.
391
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 12/24
aux Archives de l’État déjà existantes, régies par la loi du 24 juin 1955 ("la loi relative aux archives")12,
qui reprennent tous les documents conservés par les tribunaux du pouvoir judiciaire (y compris la cour
d'assises), conformément aux délais et modalités définis aux articles 1 et 3 de la loi susmentionnée.
42.
Ni l'avant-projet proprement dit, ni l'Exposé des motifs ne démontre et/ou ne motive la
nécessité de ce traitement, complémentairement aux archives déjà existantes. Il n'est pas non plus
expliqué pour quelle raison - compte tenu du principe de minimisation des données repris à l'article
5.1.c) du RGPD - un traitement supplémentaire de nouvelles catégories de données à caractère
personnel via des captations sonores ou audiovisuelles d'audiences serait nécessaire en vue de réaliser
la (les) finalité(s) visée(s), à savoir la constitution d'archives de la justice. Les documents archivés
permettent déjà l'analyse et la recherche historiques des travaux de la cour d'assises.
43.
L'Autorité attire enfin l'attention sur le fait que, même si la nécessité du traitement visé avait
été démontrée - quod non -, il ne relève ni de la compétence du Service public fédéral Justice, ni de
celle du pouvoir judiciaire de définir des règles concernant des traitements à des fins d'archivage ou
à des fins historiques ou scientifiques.
44.
Également en ce qui concerne le prescrit du deuxième alinéa de l'article 19 de l'avant-projet
- à savoir le versement des captations sonores ou audiovisuelles au dossier pénal -, l'Autorité estime
que la nécessité en vue de la réalisation de la finalité visée n'est pas du tout démontrée.
b. Modifications à la loi Registre national (article 37 du projet)
45.
L'article 37 de l'avant-projet vise à apporter des modifications à la loi du 8 août 1983
organisant un registre national des personnes physiques (ci-après : "la loi Registre national") et plus
précisément à l'article 8, § 6 de cette loi, qui concerne l'accès aux données reprises dans le Registre
national par les services judiciaires. L'article 37 de l'avant-projet prévoit la suppression des mots
"du ministre ayant l’Intérieur dans ses attributions et peuvent accéder aux informations visées à
l’article 3 alinéas 1er à 3" au troisième alinéa de l'article 8, § 6 de la loi Registre national et le
remplacement des mots "des informations obtenues du" par les mots "le numéro de" au quatrième
alinéa de la même disposition.
46.
Le demandeur précise dans l'Exposé des motifs que la modification susmentionnée vise à
rectifier une erreur matérielle. Il affirme que l'intention du législateur via la loi du 5 mai 2019 modifiant
la loi Registre national était de donner une autorisation aux services de justice en ce qui concerne
l’utilisation, d’une part, des informations du registre national et prévoir une sanction en cas d’abus de
12 M.B. du 12 août 1955.
2774/001
DOC 55
392
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 13/24
ce pouvoir, et l’utilisation d’autre part, du numéro de registre national et prévoir une sanction en cas
d’abus également. Il ajoute que suite à une erreur dans l'actuel article 8, § 6 de la loi Registre national,
les dispositions de l'article 5, § 4 de la même loi ont toutefois été textuellement reprises, lesquelles
prévoient la possibilité pour les services de justice d'utiliser les informations du Registre national
(et non le numéro de Registre national).
47.
L'Autorité constate en effet que l'article 134 de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions
diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires
et relativement à la banque des actes notariés13 visait à introduire la modification suivante dans
l'article 8, § 6 de la loi Registre national :
“Art. 134. L'article 8, § 6, de la même loi, remplacé par la loi du 25 novembre 2018, est complété par
les alinéas 3 et 4, rédigés comme suit : "Dans l'exercice de leurs missions respectives, les juges des
cours
et
tribunaux
de
l'ordre
judiciaire,
les
magistrats
du
ministère
public,
les
juges d'instruction, les agents de niveau 1 des autorités administratives chargées de l'exécution des
décisions rendues en matière pénale et des mesures de défense sociale nommément désignés par
écrit, les greffiers en chef, greffiers-chefs de greffe et greffiers-chefs de service des cours et tribunaux
de l'ordre judiciaire, sont dispensés d'une autorisation préalable du ministre ayant l'Intérieur dans ses
attributions et peuvent accéder aux informations visées à l'article 3, alinéas 1er à 3.”
48.
À l'époque, l'Autorité a émis un avis sur la loi susmentionnée.14 La disposition en question ne
semble toutefois pas avoir été soumise pour avis.
49.
L'Autorité attire l'attention sur le fait que dans son avant-projet, le demandeur n'indique pas
quelles sont les finalités précises du traitement prévu du numéro de Registre national. Dans le
formulaire de demande, il indique seulement à cet égard que "les service judiciaires doivent avoir
accès au registre afin de pouvoir remplir leurs obligations légales" [Ndt : traduction libre effectuée par
le Secrétariat Général de l'Autorité en l'absence de traduction officielle] Le demandeur ne précise
cependant pas quelles obligations légales il vise. Par ailleurs, l'Exposé des motifs indique uniquement
que la modification envisagée vise à rectifier une erreur matérielle, sans mentionner les finalités
initiales du traitement prévu. L'Autorité recommande de spécifier la (les) finalité(s) précise(s).
13 M.B. du 19 juin 2019.
14 Voir l’avis n° 120/2018 du 7 novembre 2018 (https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-120-2018.pdf.
393
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 14/24
c. Modifications du Code civil (art. 43, 44, 45 et 47 de l’avant-projet)
Généralités
50.
Les articles 43, 44, 45 et 47 de l'avant-projet visent à apporter des modifications aux
dispositions du (nouveau) Code civil (ci-après : "CC") et plus précisément au "Chapitre 6. Preuve de
la qualité successorale"(auparavant : "Preuve de la qualité d'héritier”).
51.
Les dispositions soumises pour avis concernent (les traitements de données à caractère
personnel dans le cadre de) la preuve de la qualité successorale au moyen d'un acte ou d'un certificat
d'hérédité ainsi que l'inscription de ces documents et des données qui y sont reprises dans le registre
central successoral (ci-après également le "RCS"). Le RCS a été instauré par la loi du 6 juillet 2017
portant simplification, harmonisation, informatisation et modernisation de dispositions de droit civil et
de procédure civile ainsi que du notariat, et portant diverses mesures en matière de justice15 . Il s'agit
d'une banque de données informatisée qui doit donner un aperçu complet des parties impliquées dans
le règlement d'une succession et où sont par conséquent reprises les métadonnées de tous les actes
et certificats importants relatifs au règlement d'une succession. Le demandeur précise dans sa
demande que celle-ci a notamment pour but de permettre la consultation et la communication à des
tiers d'informations relatives aux actes établissant l'identité des personnes appelées à une succession
ouverte.
52.
L’Autorité souligne tout d'abord que conformément à l’article 6.3 du RGPD, lu à la lumière du
considérant 41 du RGPD16, le traitement de données à caractère personnel nécessaire à l’exécution
d’une obligation légale et/ou d’une mission d’intérêt public ou relevant de l'exercice de l'autorité
publique dont est investi le responsable du traitement doit être régi par une réglementation claire et
précise dont l’application doit être prévisible pour les personnes concernées. En outre, aux termes de
l’article 22 de la Constitution, il est nécessaire que les éléments essentiels du traitement de données
soient définis au moyen d’une norme légale formelle (loi, décret ou ordonnance).
53.
Les traitements de données à caractère personnel auxquels les dispositions concernées de
l'avant-projet donnent lieu reposent sur les articles 6.1.c) et e) du RGPD et engendrent une ingérence
15 M.B. du 24 juillet 2017. L'Autorité a émis à propos de la loi susmentionnée l'avis n° 49/2016 du 21 septembre 2016, consultable
via le lien suivant : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-49-2016.pdf et a émis sur le même sujet
l'avis n° 73/2020 du 24 août 2020, consultable via le lien suivant : https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-
n-73-2020.pdf.
16 “Lorsque le présent règlement fait référence à une base juridique ou à une mesure législative, cela ne signifie pas
nécessairement
que
l'adoption
d'un
acte
législatif
par
un
parlement
est
exigée,
sans
préjudice
des obligations prévues en vertu de l'ordre constitutionnel de l'État membre concerné. Cependant, cette base juridique ou cette
mesure
législative
devrait
être
claire
et
précise
et
son
application
devrait
être
prévisible
pour
les
justiciables,
conformément
à
la
jurisprudence
de
la
Cour
de
justice
de
l'Union européenne (ci-après dénommée "Cour de justice") et de la Cour européenne des droits de l'homme ".
2774/001
DOC 55
394
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 15/24
importante dans les droits et libertés des personnes concernées. Comme le demandeur l'indique dans
sa demande, les traitements de données à caractère personnel reprises dans le RCS concernent un
traitement à grande échelle, à savoir l'enregistrement de documents comportant des données à
caractère personnel dans une banque de données centrale largement accessible.
54.
En vertu de l’article 6.3 du RGPD, lu conjointement avec l’article 22 de la Constitution et
l’article 8 de la CEDH, une telle norme de rang législatif doit déterminer les circonstances dans
lesquelles un traitement de données est autorisé. Conformément aux principes de légalité et de
prévisibilité, cette norme législative doit ainsi, en tout cas, définir les éléments essentiels du (des)
traitement(s)17. Lorsque le(s) traitement(s) de données représente(nt) une ingérence importante dans
les droits et libertés des personnes concernées18, comme dans le cas présent, les éléments essentiels
suivants doivent être définis par le législateur :
-
la (les) finalité(s) précise(s) et concrète(s) ;
-
l’identité du (des) responsable(s) du traitement (à moins que cela ne soit clair) ;
-
les (catégories de) données qui sont nécessaires à la réalisation de cette (ces)
finalité(s) ;
-
les catégories de personnes concernées dont les données seront traitées ;
-
le délai de conservation maximal des données ;
-
les destinataires ou catégories de destinataires auxquels les données seront
communiquées et les circonstances dans lesquelles elles le seront, ainsi que les motifs
y afférents ;
-
le cas échéant et dans la mesure où cela est nécessaire, la limitation des obligations
et/ou droits mentionné(e)s aux articles 5, 12 à 22 et 34 du RGPD.
55.
L'Autorité constate que les finalités des traitements en question n'apparaissent pas toujours
clairement dans l'avant-projet de loi et que celles-ci ne sont pas non plus reprises dans le texte à
modifier (cf. infra).
17 Voir DEGRAVE, E., "L’e-gouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparence et contrôle", Collection du
CRIDS, Larcier, Bruxelles, 2014, p. 161 e.s. (voir e.a. : CEDH, Arrêt Rotaru c. Roumanie, 4 mai 2000) ; Voir également quelques
arrêts de la Cour constitutionnelle : l'Arrêt n° 44/2015 du 23 avril 2015 (p. 63), l'Arrêt n° 108/2017 du 5 octobre 2017 (p. 17)
et l'Arrêt n° 29/2018 du 15 mars 2018 (p. 26).
18 Il sera généralement question d'ingérence importante dans les droits et libertés des personnes concernées lorsqu'un
traitement de données présente une ou plusieurs des caractéristiques suivantes : le traitement porte sur des catégories
particulières de données à caractère personnel (sensibles) au sens des articles 9 ou 10 du RGPD, le traitement concerne des
personnes vulnérables, le traitement est réalisé à des fins de surveillance ou de contrôle (avec d'éventuelles conséquences
négatives pour les personnes concernées), le traitement implique un croisement ou une combinaison de données à caractère
personnel provenant de différentes sources, il s'agit d'un traitement à grande échelle en raison de la grande quantité de données
et/ou de personnes concernées, les données traitées sont communiquées à des tiers ou accessibles à ces derniers, …
395
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 16/24
Article 43 de l’avant-projet
56.
L'article 43 de l'avant-projet prévoit une modification de l'article 4.59 du nouveau CC.
Cette disposition remplace l'article 1240bis de l'ancien CC et devait entrer en vigueur le 1er juillet 2022.
57.
Dans sa demande, le demandeur précise que la disposition susmentionnée de l'avant-projet
prévoit tout d'abord que les actes et les certificats peuvent également être établis et inscrits dans le
registre central successoral par le bureau compétent de l'AGDP (Administration générale de la
documentation patrimoniale) (article 43, § 2).
58.
Les articles 43, § 3 e.s. déterminent ensuite les données (à caractère personnel) qui doivent
être reprises dans les actes et les certificats d'hérédité établis par les notaires ou l'AGDP. Dans l'Exposé
des motifs, le demandeur indique que le régime actuel qui est repris à l'article 4.59 du (nouveau) CC
concernant la preuve de la qualité successorale se limite essentiellement à une seule finalité, à savoir
la libération des avoirs du défunt. Il précise qu'une disposition plus large est cependant nécessaire,
déterminant un régime général de la preuve de la dévolution ou de l’attribution de la succession, donc
de la preuve de toute qualité successorale. Ceci étant donné que la preuve de la qualité successorale
peut être requise dans des situations diverses et pour plusieurs finalités et que les mentions à apporter
dans l’acte ou le certificat d’hérédité sont différentes en fonction de ces situations et de ces finalités.
Le demandeur renvoie à titre d'exemple à plusieurs situations où une telle preuve peut être requise,
notamment à l’égard d’un débiteur (par ex. un locataire) ou d’un créancier ou d’un co-contractant
(par ex. un bailleur ou un acquéreur), ou pour reprendre une instance dans laquelle était impliqué le
défunt.
59.
Le demandeur explique, à la lumière de ce qui précède, que le § 3 de l'article 43 de
l'avant-projet dispose quelles mentions doivent en tout cas être reprises dans tout acte ou dans tout
certificat d'hérédité, quelle que soit la finalité pour laquelle l'acte ou le certificat a été établi. Le § 4
détermine les mentions qui doivent être reprises dans l'acte ou le certificat d'hérédité, en fonction de
la finalité pour laquelle l'acte ou le certificat est établi.
60.
L'Autorité constate que le § 3 de l'article 43 de l'avant-projet mentionne les données
suivantes : "1° du défunt : ses nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et date de décès ;
le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le numéro d'identification à la
Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la Banque-Carrefour des
entreprises ; 2° la loi applicable à la succession." L'Autorité fait remarquer que cette disposition
concerne uniquement des données du défunt, c'est-à-dire d'une personne décédée, et attire l'attention
2774/001
DOC 55
396
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 17/24
sur le fait que, par conséquent, conformément au considérant 27 du RGPD, ces données ne relèvent
pas du champ d'application du RGPD.19
61.
L’article 43, § 4 de l'avant-projet dispose que : "Dans la mesure requise pour les finalités en
vue desquelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré, l’acte ou le certificat mentionne les données
suivantes, pour autant qu’elles aient pu raisonnablement être déterminées : 1° pour toutes les
personnes mentionnées au paragraphe 1er20, leurs nom, prénoms, lieu et date de naissance, adresse
et éventuellement date de décès et, le cas échéant, le numéro d'identification du Registre national, le
numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d'identification à la
Banque-Carrefour des entreprises ; (...)"21 Les alinéas 2 à 5 inclus énumèrent les données (à caractère
personnel) qui doivent être mentionnées par catégorie de successible dans l'acte ou le certificat
d'hérédité. L’Autorité en prend acte.
62.
L'Autorité confirme qu'il est en effet indiqué de prévoir, par finalité distincte, quelles données
peuvent - conformément à l'article 5.1.c) du RGPD - être considérées comme étant adéquates,
pertinentes et limitées à ce qui est nécessaire au regard de la finalité visée et doivent par conséquent
être reprises dans l'acte ou le certificat. Il convient toutefois de souligner que la partie de phrase
"Dans la mesure requise pour les finalités en vue desquelles l’acte ou le certificat d’hérédité est délivré
(...)" ne précise pas davantage quelles sont ces finalités, ce qui ne permet pas d'évaluer si les données
collectées répondent ou non aux exigences énumérées ci-dessus. Cette formulation laisse une large
marge d'appréciation au rédacteur de l'acte ou du certificat d'hérédité (le notaire ou l'AGDP)
concernant les données qu'il convient ou non de reprendre. Cela ne favorise pas la prévisibilité de la
réglementation qui encadre le traitement, requise en vertu de l'article 6.3 et du considérant 41 du
RGPD. Comme indiqué ci-avant, l'Exposé des motifs énumère plusieurs exemples spécifiques de
finalités possibles. Celles-ci ne se retrouvent cependant pas dans le texte normatif.
63.
L'Autorité souligne à cet égard que conformément à l'article 5.1.b) du RGPD, les données à
caractère personnel doivent être collectées et traitées pour des finalités déterminées, explicites et
légitimes. À la lumière de la disposition susmentionnée, ces finalités doivent être décrites de manière
plus précise à l'article 43 de l'avant-projet.
19 Voir le considérant 27 du RGPD : "Le présent règlement ne s'applique pas aux données à caractère personnel des personnes
décédées. Les États membres peuvent prévoir des règles relatives au traitement des données à caractère personnel des
personnes décédées".
20 Art. 4.59, § 1er : "Toute personne appelée à la succession en tant que successible, ou y ayant la qualité d’héritier, ou encore
en tant que légataire particulier, peut prouver cette qualité en présentant un acte ou un certificat d’hérédité”.
21 Soulignement par l’Autorité.
397
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 18/24
Article 44 de l’avant-projet
64.
L'article 44 de l’avant-projet vise à modifier l’article 4.126 du nouveau CC. Plus précisément,
la disposition précitée insère la phrase suivante à l'article 4.126, § 2 du nouveau CC : "Le bureau
compétent de l’Administration générale de la documentation patrimoniale inscrit les actes et les
certificats d’hérédité visés au paragraphe 1er qu’il a établis." Cette disposition n'appelle aucune
remarque particulière.
Article 45 de l'avant-projet
65.
L'article 45 de l'avant-projet vise à apporter des modifications à l'article 4.127 du (nouveau)
CC, lequel énumère les données qui doivent être reprises dans le RCS.
66.
L'Autorité constate qu'une première modification concerne une simple adaptation
terminologique au § 1er de l'article 4.127 du CC, à savoir le remplacement des mots "numéro de
registre national" par les mots "numéro d'identification du Registre national". Cette modification
n'appelle aucune remarque particulière.
67.
En outre, un alinéa 1°/1 est inséré à la disposition susmentionnée, lequel contient une
énumération des données des successibles devant être reprises dans le RCS. Il est libellé comme
suit :"§ 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au moment de l'inscription: (...)
1°/1 des héritiers : a) les nom et prénom(s) ; b) le numéro d'identification du Registre national ou le
numéro d'identification à la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale". Le demandeur indique dans
l'Exposé des motifs que la finalité de la reprise des données susmentionnées des héritiers dans le RCS
est de permettre d'établir la qualité de ces derniers de manière automatisée afin que - comme prévu
par l'article 14, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 18 mars 2020 portant l'introduction de la Banque
des actes notariés -, ils puissent exercer leur droit de consultation des actes notariés concernant leur
prédécesseur en droit.
68.
La finalité susmentionnée semble légitime mais elle ne peut pas être déduite du texte de
l'avant-projet. L'Autorité souligne que la finalité de chaque traitement de données à caractère
personnel constitue un des éléments essentiels du traitement et doit être reprise dans une norme
légale formelle.
69.
Afin de répondre à l'exigence de l'article 5.1.b) du RGPD ("finalité déterminée et explicite"), il
est par conséquent recommandé de reprendre la finalité précise de ce nouveau traitement de données
à caractère personnel dans l’avant-projet.
2774/001
DOC 55
398
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 19/24
70.
La même remarque vaut pour l'ajout qui est apporté au moyen de l'article 45 de l'avant-projet
à l'article 4.127, § 1er, 2° du (nouveau) CC, comprenant les données à caractère personnel du déclarant
qui doivent être reprises dans le RCS.
Article 47 de l’avant-projet
71.
L'article 47 de l'avant-projet vise à insérer un alinéa à l'article 4.131, § 1er du nouveau CC,
libellé comme suit : "Les données visées à l’article 4.127, §1er, 1°/1, sont uniquement accessibles au
gestionnaire de la Banque des actes notariés visée à l’article 18 de la loi du 25 Ventôse An XI contenant
organisation du notariat, en vue de permettre l’accès des héritiers aux actes de leur prédécesseur en
droit".
72.
Dans l'Exposé des motifs, le demandeur précise que la disposition susmentionnée vise à
protéger les métadonnées des héritiers dans le RCS. Cette modification n'appelle aucune remarque
particulière.
d. Modification de la loi sur les jeux de hasard (art. 55 et 57 de l'avant-projet)
73.
Les articles 55 et 57 de l'avant-projet visent tout d'abord à apporter plusieurs modifications à
la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la
protection des joueurs (ci-après : "la loi sur les jeux de hasard") suite aux remarques formulées par
l'Autorité dans son avis n° 178/2021 du 4 octobre 2021.22
74.
Celles-ci concernent le traitement de données à caractère personnel via le système appelé
Excluded Persons Information System (“système EPIS") - tel que décrit à l'article 54 de la loi sur les
jeux de hasard - reprenant les données des personnes interdites d'accès aux établissements de jeux
de hasard d'une part ainsi que les données à caractère personnel des visiteurs des établissements de
jeux de hasard reprises dans le registre tenu par les exploitants, tel que visé à l'article 62 de la loi sur
les jeux de hasard d'autre part.
75.
Plus précisément, en ce qui concerne le système EPIS susmentionné, il est premièrement
proposé d'insérer, au moyen de l'article 55 de l'avant-projet, entre les alinéas 1er de 2 de l'article 55
de la loi sur les jeux de hasard, un alinéa libellé comme suit : "La commission est responsable du
traitement du système de traitement des informations visé à l’alinéa 1er." Deuxièmement, dans le
(nouvel) alinéa 6, il est prévu de remplacer les mots "la Commission de la protection de la vie privée"
22 https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-178-2021.pdf.
399
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 20/24
par les mots "l'Autorité de protection des données". L'Autorité n'a aucune remarque en ce qui concerne
les modifications susmentionnées.
76.
Deuxièmement, il est proposé d'insérer, au moyen de l'article 57 de l’avant-projet, deux
alinéas à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard dans lesquels la finalité du registre visé dans la
disposition susmentionnée ainsi que la période de conservation des données à caractère personnel qui
y sont reprises sont précisées en ces termes : "La finalité de ce registre est de permettre à la
commission [des jeux de hasard] de vérifier a posteriori si les consultations du système de traitement
des informations visé à l’article 55 ont bien été réalisées sur les joueurs qui fréquentent les
établissements de jeux de hasard de classe I, II, ou d’un établissement de jeux de hasard fixe de
classe IV. Les données à caractère personnel inscrites dans le registre sont conservées pendant dix
ans à dater de la dernière activité de jeu de la personne concernée”.
77.
Cette dernière modification - concernant le délai de conservation - est apportée notamment
suite à l'arrêt de la Cour constitutionnelle du 9 décembre 2021, annulant l'article 31 de la loi sur les
jeux de hasard "en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation des données à caractère
personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 "sur les jeux de hasard,
les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs" et en ce qu’il ne prévoit
pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à l’identification du
joueur”.23
78.
En ce qui concerne le délai de conservation de (maximum) dix ans, le demandeur déclare que
de cette manière, la durée de conservation est harmonisée avec les délais de conservation légaux
prévus par l’article 60 de la loi 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux
et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, dans le cadre duquel la
Commission des jeux de hasard dispose d'une compétence de surveillance (cf. Chapitre 6 du Titre 4).
L’Autorité en prend acte.
79.
L'article 57 de l’avant-projet prévoit enfin un traitement systématique de la photographie des
visiteurs des établissements de jeux de hasard concernés au moyen du registre visé à l'article 62 de
la loi sur les jeux de hasard. Il vise en effet à insérer la phrase suivante à l'article 62, alinéa 1er de la
loi sur les jeux de hasard : "À chaque visite de la personne concernée, une photographie de cette
personne est prise et conservée dans le registre”.24
23 C. const., arrêt n° 177/2021, 21 décembre 2021, consultable via le lien suivant : http://www.const-
court.be/public/f/2021/2021-177f.pdf..
24 Soulignement par l’Autorité.
2774/001
DOC 55
400
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 21/24
80.
Dans l'Exposé des motifs de l'avant-projet, le demandeur précise à propos de la finalité de la
prise et de la conservation d'une photographie de chaque visiteur que "la photo du joueur est requise
pour éviter toute fraude d'identité. Les photos sont aussi très utiles pour la police (comme preuve
dans les enquêtes ou comme information car il s'agit de photos récentes de personnes)”.
81.
Par le biais de la disposition susmentionnée, l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard prévoit
le traitement d'une nouvelle catégorie de données à caractère personnel, à savoir l'image des
personnes concernées. Il convient de souligner que conformément à l'article 4.14) du RGPD, des
images faciales - dans les cas définis dans l'article précité - peuvent constituer des données
biométriques. Ces données sont considérées comme une catégorie particulière de données à caractère
personnel qui bénéficie d'une protection particulière et dont le traitement est en principe interdit,
conformément à l’article 9.1 du RGPD. L'Autorité attire l'attention sur le fait que si et dans la mesure
où le demandeur décide de maintenir ce traitement envisagé, les garanties nécessaires doivent être
prévues afin que les images faciales ne puissent en aucun cas être traitées pour d'autres finalités que
celles poursuivies par le registre visé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard.
82.
À cet égard, il convient de souligner que l'utilisation des photographies concernées des
visiteurs d'établissements de jeux de hasard par les services de police en vue de leur utilisation dans
le cadre d' "enquêtes ou d'informations" (voir supra) est une finalité qui est totalement différente de
et incompatible avec la finalité pour laquelle les données à caractère personnel en question sont
collectées et reprises dans le registre, comme précisé à l'article 62 de la loi sur les jeux de hasard.
Les dispositions reprises au Chapitre VI de la loi sur les jeux de hasard - dont aussi l'article 62 en
question - concernent des "mesures de protection des joueurs et des parieurs". L'utilisation et le
traitement ultérieur de données à caractère personnel collectées dans ce contexte pour des finalités
policières ne sont par conséquent - en l'absence d'une disposition légale claire en la matière - pas
compatibles avec la finalité initiale du traitement de ces données au sens de l'article 6.4 du RGPD.
Le traitement de données à caractère personnel doit en effet être prévisible et les personnes
concernées doivent avoir une idée suffisamment claire des conditions dans lesquelles et des finalités
pour lesquelles les données à caractère personnel collectées peuvent être traitées.25
25 CEDH, grande chambre,, 4 mai 2000, Rotaru c. Roumanie, § 57 ; grande chambre, 4 décembre 2008, S. et Marper c.
Royaume-Uni, § 99.
401
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 22/24
83.
Comme l'Autorité l'a déjà affirmé dans son avis n° 178/2021, conserver la photographie des
personnes concernées n'est en outre pas une garantie d'identification correcte des personnes
concernées, vu le risque de ressemblance entre les personnes. Par ailleurs, un traitement de la
photographie des personnes concernées au moyen d'une technique permettant de les identifier et de
les authentifier implique - comme déjà indiqué ci-dessus - la présence d'un des motifs d'exception de
l'article 9.2 du RGPD pour pouvoir déroger à l'interdiction de traitement de l'article 9.1 du RGPD.
En l'espèce, la logique voudrait que l'article 9.2.g) du RGPD s'applique, lequel prévoit que le traitement
doit être justifié par des motifs d'intérêt public important et doit être encadré par une norme
garantissant la proportionnalité avec l'objectif poursuivi, respectant l'essence du droit à la protection
des données et prévoyant des mesures appropriées et spécifiques pour la sauvegarde des droits
fondamentaux et des intérêts de la personne concernée. Dans ce cas, l’Autorité s’interroge toutefois
sur la proportionnalité du traitement visé.
84.
L'Autorité rappelle à cet égard, comme indiqué auparavant dans son avis n° 178/2021, qu'une
solution technologique basée sur l’utilisation du module d’authentification électronique de la carte
d’identité constituerait une option plus proportionnée générant une ingérence plus faible dans le droit
à la protection des données des visiteurs d'établissements de jeux de hasard tout en atteignant le but
souhaité par le demandeur.26
85.
En résumé, l'Autorité recommande dans l'avis précité de prévoir une obligation pour toute
personne majeure qui se présente pour accéder à une des salles de jeux concernées, de s’authentifier
par voie électronique à l’aide de sa carte d’identité et qu’un couplage automatisé soit opéré avec le
système EPIS afin qu’en cas de mention de la personne dans ce système, l’exploitant reçoive un
message d’alerte l’avertissant qu’il doit refuser l’accès de cette personne à la salle de jeux. Une telle
façon de procéder permettrait de s’assurer du respect de la réalisation des obligations de vérification
préalable sans exiger la tenue d’un registre d’accès et sans exiger la prise de copie de la carte d’identité
étant donné que l’utilisation avec succès du module d’authentification de la carte ne nécessiterait plus
de devoir vérifier ultérieurement que l’identification/l’authentification de la personne ont été
correctement réalisées vu que le titulaire de la carte est le seul à connaître le code pin de sa carte.
De plus, pour éviter la consultation d’une base de données centrale (EPIS) qui implique que la
Commission des jeux de hasard se voit divulguer le numéro de RN ou les données d’identification des
personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et les moments auxquels elles les fréquentent,
il conviendrait de mettre quotidiennement à disposition des établissements de jeux de hasard la liste
actualisée des personnes exclues de jeu sous la forme d’une liste composée des hash de leur numéro
de RN, numéro de carte d’identité et nom. Cette liste serait transmise avec un filtre de Bloom de telle
26
Avis
n°
178/2021
du
4
octobre
2021,
consultable
via
le
lien
suivant
:
https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/avis-n-178-2021.pdf, points 25 e.s. (en particulier à partir du point 37).
2774/001
DOC 55
402
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 23/24
sorte
que
la
confidentialité
des
personnes
figurant
sur
cette
liste
serait
assurée.
Les exploitants de salles de jeux de hasard vérifieraient localement si les personnes qui souhaitent
accéder aux salles de jeux sont exclues de jeu. Une journalisation des vérifications réalisées serait
imposée afin de permettre aux inspecteurs de vérifier que les vérifications suffisantes ont bien été
effectuées et des contrôles réguliers in situ seraient réalisés pour vérifier que chaque personne
présente dans la salle de jeux n’est pas exclue de jeu. Une telle façon de procéder constitue aux yeux
de l’Autorité un traitement de données plus adéquat et proportionné que ce qui est actuellement prévu
par la loi sur les jeux de hasard et ses arrêtés d’exécution car cela évite d’une part, à la fois de réaliser
une quantité importante de copies de cartes d’identité, ce qui n’est pas l’idéal au regard du risque de
fraude à l’identité et de communiquer à la commission des jeux de hasard l’identité de toutes les
personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et d’autre part, de tenir localement au niveau
des établissements de jeux de hasard des registres contenant les données d’identification de toutes
les personnes qui fréquentent les salles de jeux de hasard et les moments auxquels elles les
fréquentent ; ce qui peut apparaître comme disproportionné au regard de la mission de service public
poursuivie qui est d’assurer l’effectivité de l’interdiction de fréquentation de ces salles de jeux à laquelle
seules certaines personnes sont soumises.
PAR CES MOTIFS,
l’Autorité,
estime que les adaptations suivantes s'imposent dans l’avant-projet de loi :
-
préciser les éléments essentiels des traitements prévus à l'article 18 de l'avant-projet
(considérants 10 à 33 inclus) et prévoir des garanties appropriées supplémentaires
pour protéger les droits et libertés des personnes concernées (considérants 34-39) ;
-
supprimer le traitement de données à caractère personnel prévu à l'article 19 de
l'avant-projet (captations d'audiences de la cour d'assises en vue de constituer des
archives historiques de la justice) vu son incompatibilité avec les principes de
nécessité et de proportionnalité (considérants 39-44) ;
-
préciser la (les) finalité(s) du traitement prévu à l'article 43 de l'avant-projet
(considérants 56 à 63 inclus) ;
-
préciser la (les) finalité(s) du traitement prévu à l'article 45 de l'avant-projet
(considérants 65 à 70 inclus) ;
403
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Avis 113/2022 - 24/24
-
supprimer l'obligation de prendre et de conserver la photographie des visiteurs
d'établissements de jeux de hasard vu que la mesure n'est pas nécessaire, ni
proportionnée (considérants 73 e.s).
Pour le Centre de Connaissances,
Jean-Michel Serna - Responsable a.i. du Centre de Connaissances
2774/001
DOC 55
404
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1/24
Advies nr. 113/2022 van 3 juni 2022
Betreft: Voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II
(artikelen 18, 19, 37, 43, 44, 45, 47, 55 en 57) (CO-A-2022-086)
Het Kenniscentrum van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna de “Autoriteit”), aanwezig: de
heren Yves-Alexandre de Montjoye en Bart Preneel;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
inzonderheid op artikelen 23 en 26 (hierna “WOG”);
Gelet op de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (hierna “AVG”);
Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking
tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna “WVG”);
Gelet op het verzoek om advies van de heer Vincent Van Quickenborne, Vice-eerste Minister en
Minister van Justitie en Noordzee (hierna "de aanvrager") ontvangen op 01/04/2022;
Brengt op 3 juni 2022 het volgend advies uit:
405
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 2/24
I.
VOORWERP VAN DE ADVIESAANVRAAG
1.
De aanvrager verzoekt om het advies van de Autoriteit aangaande de artikelen 18, 19, 37, 43,
44, 45, 47, 55 en 57 een voorontwerp van wet om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II
(hierna "het voorontwerp” of “het voorontwerp van wet").
2.
De voormelde bepalingen brengen een aantal wijzigingen aan in diverse wetten die onder de
bevoegdheid vallen van het Departement Justitie, met name het Wetboek van Strafvordering, de
Rijksregisterwet1, het Burgerlijk Wetboek en de Kansspelwet2.
II.
ONDERZOEK VAN DE AANVRAAG
a. Wijzigingen aan het Wetboek van Strafvordering (art. 18 en 19 van het ontwerp)
3.
Artikelen 18 en 19 van het voorontwerp voorzien de invoeging van twee bepalingen - artikelen
258/1 en 258/2 - in het Wetboek van Strafvordering, onder Titel II (hof van assisen) en meer bepaald
in Hoofdstuk V, Afdeling I (“Ambtsverrichtingen van de voorzitter”), die de mogelijkheid voorzien om
geluidsopnames of audiovisuele opnames te maken van terechtzittingen voor het hof van assisen en
dit, enerzijds, ten behoeve van gekende slachtoffers alsook hun advocaten en, anderzijds, voor het
aanleggen van historische archieven.
4.
De betrokken bepalingen luiden als volgt:
“Art. 258/1. §1. De voorzitter kan beslissen, in het belang van een goede rechtsbedeling, hetzij
door de onevenredigheid tussen de fysieke onthaalcapaciteit van het hof van assisen en het
aantal procespartijen, hetzij door het groot aantal slachtoffers met de buitenlandse
nationaliteit, dat het verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een
geluidsopname of van een audiovisuele opname die de uitgestelde uitzending ervan mogelijk
maakt, door middel van een telecommunicatiemiddel dat de vertrouwelijkheid van de
verzending garandeert, voor de slachtoffers en hun advocaten die om de toegang tot de
uitzending hebben verzocht.
§2. De voorzitter kan evenwel verbieden om alle of een deel van de debatten uit te zenden
om de sereniteit van de debatten te garanderen of om de verstoring van de openbare orde te
voorkomen en kan om die reden de uitzending ten allen tijde onderbreken (…)”.
1 Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van natuurlijke personen, BS 21/04/1984.
2 Wet van wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de
spelers, BS 30/12/1999.
2774/001
DOC 55
406
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 3/24
Art. 258/2. “Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 258/1 kan de voorzitter beslissen dat
her verloop van de terechtzitting het voorwerp zal uitmaken van een geluidsopname of van
een audiovisuele opname wanneer deze opname van belang is voor het aanleggen van
historische justitiearchieven.
In geval van geluidsopname of audiovisuele opname, zoals voorzien in het vorige lid en in
artikel 258/1, wordt de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na het
sluiten van de debatten, bij het strafdossier gevoegd.”
5.
Verder voorziet artikel 18 van het voorontwerp in strafrechtelijke sancties (een
gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en een geldboete van tweehonderd tot tienduizend
euro) in geval van het opnemen van de betroffen opnames of het uitzenden ervan aan derden.
6.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp licht de aanvrager toe dat artikel 18 van het
voorontwerp tot doel heeft de mogelijkheid te voorzien om van de debatten ter terechtzitting een
geluids-of audiovisuele opname te maken die de uitgestelde uitzending mogelijk maakt ten voordele
van de gekende slachtoffers en hun advocaten. Verder stelt de aanvrager dat deze bepaling
voornamelijk bedoeld is voor terechtzittingen waarbij een groot aantal procespartijen betrokken zijn
en/of buitenlandse slachtoffers die de zitting niet kunnen bijwonen. De aanvrager preciseert dat de
ontworpen bepaling geïnspireerd is op de regeling vervat in artikel 802-3 van de Franse Code de
procédure pénale. Ook wat betreft artikel 19 van het voorontwerp, betreffende de opnamen met oog
op het aanleggen van historische justitiearchieven, verwijst de aanvrager naar een gelijkaardige
bepaling in het Frans recht.
7.
De verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van een wettelijke
verplichting3 of voor de uitoefening van een opdracht van algemeen belang of in het kader van de
uitoefening van het openbaar gezag die aan een verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd4, moet
overeenkomstig artikel 6.3 AVG, gelezen in het licht van overweging 41 AVG5, worden geregeld door
duidelijke en nauwkeurige regelgeving, waarvan de toepassing voor de betrokkenen voorzienbaar
moet zijn. Bovendien is het volgens artikel 22 Grondwet noodzakelijk dat de wezenlijke elementen van
de gegevensverwerking door middel van een formele wettelijke norm (wet, decreet of ordonnantie)
wordt vastgesteld.
3 Artikel 6.1.c) AVG.
4 Artikel 6.1.e) AVG.
5 “Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet
noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de
vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevings-
maatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor
degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”.
407
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 4/24
8.
De verwerking(en) van persoonsgegevens waartoe het ontwerp aanleiding geeft zijn gestoeld
op artikel 6.1 e) AVG en hebben een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van de
betrokkenen tot gevolg. De Autoriteit stelt namelijk vast dat de beoogde verwerking onder meer het
maken van geluids-of audiovisuele opnames van zittingen van het hof van assisen inhoudt en bijgevolg
gevoelige gegevens zoals bedoeld in artikel 10 AVG (persoonsgegevens met betrekking tot strafbare
feiten) betreft. Gelet op het gevoelige karakter van de beoogde verwerkingen en hun impact op de
werking van de rechterlijke orde, stelt de Autoriteit voor om - voor zover dit nog niet gebeurde -
eveneens het advies van de Hoge Raad voor Justitie hieromtrent te verzoeken.
9.
Krachtens artikel 6.3 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en
artikel 8 van het EVRM, moet dergelijke norm van wettelijke rangorde bepalen onder welke
omstandigheden een gegevensverwerking is toegestaan. Overeenkomstig het legaliteits- en het
voorzienbaarheidsprincipe moet deze wetgevingsnorm dus in ieder geval de essentiële elementen van
de verwerking(en) vastleggen6. Wanneer de gegevensverwerking(en) een belangrijke inmenging in
de rechten en vrijheden van de betrokkenen vertegenwoordig(t)(en)7, zoals in casu het geval is,
moeten volgende essentiële elementen door de wetgever worden vastgesteld:
-
het (de) precieze en concrete doeleinde(n);
-
de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke(n) (tenzij dit duidelijk is);
-
de (categorieën van) gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van (dit)
(deze) doeleinde(n);
-
de categorieën van betrokkenen wiens gegevens zullen worden verwerkt;
-
de maximale bewaartermijn van de gegevens;
-
de (categorieën van) ontvangers aan wie de gegevens worden meegedeeld, evenals
de omstandigheden waarin en de redenen waarom de gegevens worden verstrekt;
-
in voorkomend geval en voor zover noodzakelijk, de beperking van de verplichtingen
en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 tot 22 en 34 AVG.
10.
Wat betreft het eerste wezenlijke element van de voorgenomen verwerking(en), stelt de
Autoriteit vast dat door middel van de betroffen ontwerpbepalingen van het voorontwerp van wet
twee onderscheiden verwerkingen worden voorzien met verschillende doeleinden, i.e.
geluidsopnames of audiovisuele opnames van zittingen van het hof van assisen ten behoeve van
6 Zie DEGRAVE, E., "L'egouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparance et contrôle", Collection du CRIDS,
Larcier, Brussel, 2014, p. 161 e.v. (zie o.m.: EHRM, arrest Rotaru c. Roumania, 4 mei 2000); Zie ook enkele arresten van het
Grondwettelijk Hof: Arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 (p. 63), Arrest nr. 108/2017 van 5 oktober 2017 (p. 17) en Arrest nr.
29/2018 van 15 maart 2018 (p. 26).
7 Er zal veelal sprake zijn van een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van betrokkenen wanneer een
gegevensverwerking (een of) meer van volgende kenmerken vertoont: de verwerking heeft betrekking op speciale categorieën
van (gevoelige) persoonsgegevens in de zin van art. 9 of 10 AVG, de verwerking betreft kwetsbare personen, de verwerking
vindt plaats voor toezichts- of controledoeleinden (met gebeurlijke negatieve gevolgen voor de betrokkenen), de verwerking
impliceert de kruising of koppeling van persoonsgegevens afkomstig uit verschillende bronnen, het gaat om een grootschalige
verwerking vanwege de grote hoeveelheid gegevens en/of betrokkenen, de verwerkte gegevens worden meegedeeld of zijn
toegankelijk voor derden, ….
2774/001
DOC 55
408
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 5/24
bekende slachtoffers en hun advocaten (A), enerzijds, en opnames met oog op het aanleggen
justitiearchieven (B), anderzijds.
A. Opnames ten behoeve van de slachtoffers en hun advocaten (art. 18 voorontwerp)
11.
Overeenkomstig artikel 5.1.b) AVG mag een verwerking van persoonsgegevens enkel worden
verricht voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden.
12.
Uit de bewoordingen van artikel 18 van het ontwerp alsook de memorie van toelichting kan
worden afgeleid dat de doeleinde van de in deze bepaling voorziene verwerking, i.e. het maken van
geluidsopnamen of audiovisuele opnamen, erin bestaat de toegang voor slachtoffers en hun advocaten
tot de debatten te vergemakkelijken in het geval van terechtzittingen waarbij een groot aantal
procespartijen zijn betrokken dan wel een groot aantal buitenlandse slachtoffers, waardoor de
capaciteit van het hof en/of de situatie van de slachtoffers niet toelaat dat zij de zittingen bijwonen.
Bij wijze van voorbeeld wordt in de memorie van toelichting verwezen naar het proces inzake de
terroristische aanslagen in de metrohalte Maalbeek en de luchthaven Brussels Airport Zaventem, dat
in het najaar van 2022 zal plaatsvinden. De Autoriteit neemt hier akte van.
13.
Hoewel deze doeleinde als dusdanig als welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en
gerechtvaardigd kan worden beschouwd, dient de voorgenomen verwerking tevens proportioneel te
zijn en dienen desgevallend eveneens de overige wezenlijke elementen van de verwerking uitdrukkelijk
in het voorontwerp te worden opgenomen.
14.
Wat betreft de voorgenomen verwerking voorzien in artikel 18 van het voorontwerp, stelt de
Autoriteit stelt zich vooreerst vragen bij diens proportionaliteit en stelt deze verder vast dat bepaalde
van bovenvermelde wezenlijke elementen onvolledig zijn of ontbreken in het voorontwerp van wet
alsook dat dit ontwerp vaag blijft met betrekking tot de waarborgen en beveiligingsmaatregelen zullen
worden ingesteld wat betreft de beoogde gegevensverwerkingen.
i.
Proportionaliteit van de beoogde verwerking
15.
De geplande verwerking en de hiermee gepaard gaande inmengingen in de rechten en
vrijheden van de betrokkenen dient vooreerst een rechtmatige, noodzakelijke en proportionele
maatregel te vormen.
16.
In dit verband dient er ten eerste op te worden gewezen dat de in artikel 18 beoogde
verwerking - i.e. het maken van opnames van terechtzittingen voor het hof van assisen ten behoeve
van erkende slachtoffers en hun advocaten en het ter beschikking stellen van deze opnames met oog
409
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 6/24
op de uitgestelde uitzending ervan - op basis van de voorliggende tekst mogelijk zeer ruim kan worden
toegepast. In de memorie van toelichting stelt de aanvrager met betrekking tot het bepaalde in
voormeld artikel van het voorontwerp van wet dat deze bepaling bedoeld is voor processen met een
groot aantal procespartijen en/of buitenlandse slachtoffers, waarbij wordt verwezen naar het
aankomende proces betreffende de terroristische aanslagen. Het ontwerp voorziet evenwel geen
enkele beperking in de tijd van de betrokken bepaling noch andere voorwaarden teneinde de
toepassing ervan te beperken en om de proportionaliteit ervan te waarborgen.
17.
De Autoriteit stelt zich tevens de vraag of de met deze in artikel 18 beoogde doeleinde niet
kan worden bereikt door middel van een verwerking die een minder ernstige inmenging in de rechten
en vrijheden van betrokkenen inhoudt. Zo rijst de vraag of voor de gevallen geviseerd door voormelde
bepaling van het voorontwerp niet zou kunnen worden overwogen gebruik te maken van een systeem
van live videoconferentie waaraan de betrokken slachtoffers en hun advocaten kunnen deelnemen,
die geen opname en bijgevolg geen opslag en overdracht of uitgestelde uitzending van de opnames
inhoudt. Verder rijst ook de vraag of en in welke gevallen, in het licht van de beoogde doeleinde(n),
audiovisuele opnames in plaats van enkel geluidsopnames als noodzakelijk dienen te worden
beschouwd.
18.
De Autoriteit is van oordeel dat de beslissing van de voorzitter tot toepassing van artikel 258/1
Sv. (in te voegen bij artikel 18 van het voorontwerp), gelet op de ernstige inmenging in de rechten en
vrijheden van de betrokkenen die deze teweegbrengt, in elk geval een uitzonderingsregeling dient te
zijn. Ze wijst erop dat de aanvrager met oog op het waarborgen van de evenredige toepassing en de
voorzienbaarheid van de betrokken verwerking in het wetsontwerp duidelijke en objectieve criteria
dient op te nemen waaraan dient te zijn voldaan opdat de bepaling toepassing kan vinden en dat
vervolgens van de voorzitter dient te worden gevraagd de toepassing van deze regeling geval per
geval te motiveren, in het licht van de in de wet vastgestelde criteria. Onverminderd voorgaande,
zullen tevens de wezenlijke elementen van de verwerking in de wet dienen te worden opgenomen (cf.
infra).
19.
In de veronderstelling dat de wetgever zijn voornemen bevestigt om de geplande verwerking
in te voeren, dienen de desbetreffende bepalingen van het voorontwerp te worden aangevuld teneinde
te beantwoorden aan alle onder randnummer 9 vermelde criteria die van toepassing zijn op normen
ter omkadering van verwerkingen van persoonsgegevens.
ii.
De verwerkingsverantwoordelijke(n)
2774/001
DOC 55
410
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 7/24
20.
Artikel 4.7 AVG bepaalt dat voor de verwerkingen waarvan de regelgeving het doel en de
middelen vastlegt, de verwerkingsverantwoordelijke diegene is die daarin als dusdanig wordt
aangewezen.
21.
De Autoriteit stelt vast dat het ontwerp de verwerkingsverantwoordelijke(n) van de verwerking
voorzien in artikel 18 niet uitdrukkelijk en nominatief aanduidt. Wat betreft de verwerking van
persoonsgegevens die het voorwerp uitmaakt van de opnamen als dusdanig, zou uit de tekst zou
kunnen worden afgeleid dat het hof van assisen de verwerkingsverantwoordelijke is dan wel diens
voorzitter, die de beslissing neemt tot het maken van het geluidsopname of audiovisuele opname.
22.
In artikel 18, §4 van het ontwerp wordt bepaald dat de slachtoffers en hun advocaten die
gebruik wensen te maken van de mogelijkheid tot het ontvangen van de opname van de debatten,
hiertoe een verzoek dienen te richten aan de griffie of aan het parket. De tekst preciseert niet welke
persoonsgegevens in dit verband zullen worden verzameld en verwerkt (cf. infra), noch wie voor deze
verwerkingsactiviteit als verwerkingsverantwoordelijke(n) dient/dienen te worden beschouwd. Om
elke
onduidelijkheid
over
de
identiteit
van
de
perso(o)n(en)
of
entiteit(en)
die
als
verwerkingsverantwoordelijke(n) dient/dienen te worden beschouwd te vermijden en zo de
uitoefening van de rechten van de betrokkenen - zoals vastgesteld in de artikelen 12 tot en met 22
AVG - te vergemakkelijken, verzoekt de Autoriteit de aanvrager om in het voorontwerp van wet
uitdrukkelijk de persoon of entiteit aan te wijzen die als verantwoordelijke voor elk van de
verwerkingsactiviteiten dient te worden beschouwd.
iii.
De categorieën van persoonsgegevens
23.
Overeenkomstig artikel 5.1.c) AVG dienen persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en
beperkt te zijn tot wat strikt noodzakelijk is voor de beoogde doeleinden (beginsel van “minimale
gegevensverwerking”).
24.
Zoals hierboven aangehaald, behoren de categorieën van persoonsgegevens eveneens tot de
wezenlijke elementen van de verwerking die dienen te worden vastgelegd in de formele wettelijke
norm die deze verwerking omkadert.
25.
De Autoriteit stelt vast dat het voorontwerp van wet niet uitdrukkelijk bepaalt welke
categorieën van persoonsgegevens precies zullen worden verwerkt in het kader van artikel 18 van dit
ontwerp. In dit verband dient een onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, de (categorieën
van) persoonsgegevens die zullen worden verwerkt door middel van de geluidsopnamen en/of
audiovisuele opnamen zelf en, anderzijds, de persoonsgegevens van de slachtoffers (en hun
advocaten) die verzameld en verwerkt zullen worden teneinde hen toegang te verlenen tot de
411
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 8/24
opnames. Dit laatste kan eventueel, mits een voldoende nauwkeurige machtiging aan de Koning in
het voorontwerp, bij koninklijk besluit worden geregeld.
iv.
De categorieën van betrokkenen
26.
Het voorontwerp dient tevens de (categorieën van) betrokkenen, i.e. de geïdentificeerde of
identificeerbare8 natuurlijke personen die het voorwerp zullen uitmaken van de beoogde verwerkingen,
te preciseren.
27.
Het voorontwerp maakt in dit verband melding van de bekende slachtoffers en hun advocaten,
wiens persoonsgegevens zullen worden verzameld en verwerkt in het geval waarin deze een aanvraag
indienen tot het ontvangen van de uitzending van de opnames. Evenwel worden de overige
categorieën van betrokkenen, die het voorwerp zullen uitmaken van de geluidsopnames en
audiovisuele opnames zelf, niet uitdrukkelijk vermeld (bijv. de beschuldigde, de burgerlijke partijen,
de zetelende rechters, de gezworenen, de getuigen, deskundigen, etc.). Dit dient eveneens te worden
voorzien in het ontwerp.
v.
De categorieën van ontvangers
28.
Ook de ontvangers in de zin van artikel 4.9 AVG (elke “natuurlijke persoon of rechtspersoon,
een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan, al dan niet een derde, aan wie/waaraan de
persoonsgegevens worden verstrekt”) maken deel uit van de wezenlijke elementen van de verwerking,
die in het voorontwerp dienen te worden gepreciseerd.
29.
De Autoriteit stelt vast dat dat het voorontwerp wat betreft de geluidsopnamen en
audiovisuele opnamen geviseerd in artikel 18 (in te voegen artikel 258/1 Sv.) de gekende slachtoffers
en hun advocaten vermeldt als ontvangers. Indien en voor zover eveneens andere personen of
instanties de betrokken persoonsgegevens zullen ontvangen - hierbij wordt o.m. gedacht aan externe
verwerkers - dan dient dit te worden gepreciseerd in het ontwerp.
vi.
De opslagtermijnen
8 Overeenkomstig artikel 4.1 AVG kan als identificeerbaar worden beschouwd: “een natuurlijke persoon die direct of indirect
kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer,
locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische,
genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”.
2774/001
DOC 55
412
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 9/24
30.
Overeenkomstig het in artikel 5.1.e) AVG vervatte beginsel van opslagbeperking moeten
persoonsgegevens worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer
te identificeren dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden
verwerkt.
31.
De Autoriteit stelt vast dat in het ontwerp niets wordt bepaald betreffende de termijnen
gedurende dewelke de betrokken opnames zullen worden bewaard, noch de criteria ter bepalingen
van deze termijnen. Wat betreft de regeling opgenomen in artikel 18 van het ontwerp (in te voegen
artikel 258/1 Sv.), dient te worden voorzien in een maximale opslagtermijn of minstens in duidelijke
criteria ter bepaling van dergelijke termijn en/of een uiterlijke termijn waarbinnen de gekende
slachtoffers en hun advocaten toegang tot de opnames kunnen verzoeken.
32.
De Autoriteit benadrukt in dit verband dat de voorziene opslagtermijn dient te worden beperkt
tot wat strikt noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de beoogde doeleinde - i.e. het bekijken van
de opnames door de erkende slachtoffers en hun advocaten – en dat de persoonsgegevens na verloop
van deze termijn dienen te worden verwijderd. De Autoriteit is van oordeel dat deze termijn in casu
dient te worden beperkt tot de duur van het betrokken proces en dat deze opnames in geen geval
langer dan één jaar kunnen worden bewaard.
33.
De Autoriteit wijst er in dit verband, wat betreft de verwerking van persoonsgegevens die
plaatsvindt door middel van de geluidsopnames en/of audiovisuele opnames, op dat het vanuit
technisch oogpunt mogelijk is dat de betrokken gegevens zouden worden hergebruikt met oog op de
identificatie van een persoon (bijvoorbeeld de identificatie van de dader van een misdrijf aan de hand
van zijn stemgeluid). In deze zin houdt de loutere opslag van de betrokken gegevens een risico in op
de verwerking van biometrische gegevens in de zin van artikel 4.14 AVG.9. De Autoriteit wijst erop dat
er dient over te worden gewaakt dat deze gegevens niet als dusdanig en voor met het initiële doel
onverenigbare doeleinden kunnen worden gebruikt door de ontvangers van de opnames dan wel door
andere entiteiten. Er dient daarom in het voorontwerp gepreciseerd te worden welke waarborgen
zullen worden ingebouwd teneinde dit risico te beperken. De Autoriteit wijst erop dat het in dit verband
aangewezen is het verdere gebruik voor onverenigbare doeleinden (bijvoorbeeld met oog op
identificatie van de gefilmde personen) bij wet te verbieden en te sanctioneren.
vii.
Gegevensbeschermingseffectbeoordeling en passende waarborgen
9
Met
name
“persoonsgegevens
die
het
resultaat
zijn
van
een
specifieke
technische
verwerking
met
betrekking tot de fysieke, fysiologische of gedragsgerelateerde kenmerken van een natuurlijke persoon op grond
waarvan eenduidige identificatie van die natuurlijke persoon mogelijk is of wordt bevestigd, zoals gezichtsafbeel
dingen of vingerafdrukgegevens”.
413
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 10/24
34.
Zoals eerder aangehaald, zullen de in het voorontwerp voorziene verwerkingen - indien de
aanvrager beslist deze in te voeren zoals voorzien in het voorontwerp - in de meeste gevallen leiden
tot een ernstige inbreuk op de rechten en vrijheden van betrokkenen. Een dergelijke inmenging is
enkel toegestaan indien deze in verhouding staat tot het rechtmatige doel dat ermee wordt
nagestreefd. Aangezien de Autoriteit niet overtuigd is van de evenredigheid van de maatregel,
verzoekt zij de aanvrager een strikt onderzoek naar deze proportionaliteit uit te voeren. De Autoriteit
is van mening dat de gegevensbeschermingseffectbeoordeling als bedoeld in artikel 35 AVG een
geschikte methode is om de proportionaliteit van de geplande verwerking te onderzoeken. Voorts
herinnert de Autoriteit eraan dat, indien de verwerking dat het ontwerp opzet, een hoog risico kan
inhouden voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen als bedoeld in artikel 35 van de AVG,
de verwerkingsverantwoordelijke ook een specifieke effectbeoordeling zal moeten uitvoeren voordat
de verwerking concreet wordt uitgevoerd.
35.
In casu is de Autoriteit van oordeel dat deze gegevensbeschermingseffectbeoordeling best in
dit stadium van het regelgevend proces wordt verricht. Het valt immers niet uit te sluiten dat ingevolge
deze beoordeling specifieke voorschriften in de regelgeving dienen opgenomen te worden.
36.
De Autoriteit wijst erop dat de verwerking van gevoelige persoonsgegevens in de zin van
artikel 10 AVG het hanteren van strengere beveiligingsmaatregelen behoeven. In dit verband wordt
verwezen naar artikel 9 en - in casu in het bijzonder - naar 10, §2 WVG, die aangeven welke
bijkomende veiligheidsmaatregelen minstens zullen moeten worden voorzien indien dergelijke
gegevens worden verwerkt:
•
de categorieën van personen aanwijzen die de persoonsgegevens kunnen raadplegen, waarbij
hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de betrokken gegevens nauwkeurig
wordt omschreven;
•
de lijst van de aldus aangewezen categorieën van personen ter beschikking houden van de
Autoriteit;
•
ervoor zorgen dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of
door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter
van de betrokken gegevens in acht te nemen.
37.
De Autoriteit merkt verder op dat de aanvrager stelt, zoals hierboven reeds vermeld, zich voor
de betrokken bepalingen te hebben geïnspireerd op recente Franse wetgeving die eveneens de
mogelijkheid tot het opnemen van terechtzittingen voorziet. Er dient evenwel op te worden gewezen
dat in de door de aanvrager geciteerde wetgeving een aantal waarborgen voor de rechten en vrijheden
van betrokkenen zijn ingebouwd die niet worden teruggevonden in het voorliggend ontwerp. In dit
verband kan onder meer worden verwezen naar de wet nr. 2021-1729 van 21 december 2021 (“loi
pour la confiance dans l’institution judiciaire”) alsook het décret n° 2022-462 pris pour l’application de
2774/001
DOC 55
414
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 11/24
l’article 1er de la loi n° 2021-1729.10 In voormelde normen worden onder meer de volgende
waarborgen voorzien:
•
de afbeelding en andere identificerende kenmerken van de opgenomen personen mogen enkel
worden verspreid mits hun schriftelijke toestemming, die vóór de betrokken zitting dient te
worden gegeven. De opgenomen personen kunnen deze toestemming binnen vijftien dagen
na het einde van de hoorzitting intrekken (art. 8-9 décret n° 2022-462);
•
de begunstigde van de machtiging tot opname is verplicht minderjarigen, meerderjarigen die
een wettelijke bescherming genieten en andere opgenomen personen die niet hebben
ingestemd met de verspreiding van de beelden en identificatie-elementen die op hen
betrekking hebben, te verbergen (art. 14 décret n° 2022-462); en
•
na een periode van vijf jaar na de eerste vrijgave van de opname of tien jaar na de
toestemming voor de opname, wordt de geheimhoudingsplicht uitgebreid tot alle opgenomen
personen. Hierbij wordt gepreciseerd dat zulks inhoudt dat het beeld en elk element dat de
directe of indirecte identificatie van de opgenomen personen mogelijk maakt, dient te worden
verhuld, dat gezichten en silhouetten moeten worden vervaagd en stemmen worden vervormd
(art. 14 décret n° 2022-462).
38.
De Autoriteit beveelt de aanvrager aan in het voorliggende ontwerp, gelet op de ernstige
inmenging van de beoogde verwerking, te voorzien in specifieke waarborgen voor de rechten en
vrijheden van de betrokkenen.
B. Opnames met oog op het aanleggen van historische justitiearchieven (art. 19 voorontwerp)
39.
Artikel 19 van het voorontwerp (in te voegen artikel 258/2 Sv.) voorziet, onverminderd het
bepaalde in artikel 18 van het ontwerp, de mogelijkheid voor de voorzitter van het hof van assisen om
tot de opname van terechtzittingen te besluiten “voor het aanleggen van historische justitiearchieven”.
Het tweede lid van voormelde bepaling voorziet tevens - zowel bij de toepassing van in te voegen
artikel 258/1 als artikel 258/2 - dat “de digitale drager met de volledige opname van de debatten, na
het sluiten van de debatten, bij het strafdossier [wordt] gevoegd”.
40.
De Autoriteit herhaalt vooreerst dat de verwerking met oog op archivering dient te worden
onderscheiden van de verwerking persoonsgegevens voor middel van opnames geviseerd in het
hierboven besproken artikel 18 van het voorontwerp en dat deze een geheel onderscheiden doeleinde
heeft.
10 https://www.legifrance.gouv.fr/loda/article_lc/JORFARTI000044546000/;
https://www.legifrance.gouv.fr/jorf/id/JORFTEXT000045457824.
415
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 12/24
41.
Wat betreft deze verwerking, is de Autoriteit van oordeel dat de aanvrager de noodzakelijkheid
en de proportionaliteit van de beoogde verwerking geenszins aantoont.11 In dit verband dient er
vooreerst op te worden gewezen dat de met deze verwerking beoogde doeleinden kunnen worden -
en reeds worden - bereikt door middel van minder ingrijpende maatregelen. De Autoriteit verwijst in
dit verband meer bepaald naar het reeds bestaande Rijksarchief, geregeld door de wet van 24 juni
1955 (“Archiefwet”)12, waarin alle door de rechtbanken van de rechterlijke macht (waaronder
eveneens het hof van assisen) bewaarde documenten, overeenkomstig de termijnen en modaliteiten
vastgesteld in de artikelen 1 en 3 van voormelde wet, in dit archief worden opgenomen.
42.
Noch in het voorontwerp zelf, noch in de memorie van toelichting wordt aangetoond dat en/of
gemotiveerd om welke reden deze verwerking noodzakelijk zou zijn, in aanvulling van de reeds
bestaande archieven. Evenmin wordt toegelicht om welke reden - gelet op het beginsel van minimale
gegevensverwerking vervat in artikel 5.1.c) AVG - een bijkomende verwerking van nieuwe categorieën
van persoonsgegevens via geluids-of audiovisuele opnames van terechtzittingen noodzakelijk zou zijn
met oog op het verwezenlijken van de beoogde doeleinde(n), i.e. het aanleggen van justitiearchieven.
De gearchiveerde stukken laten reeds historische analyse en onderzoek van de werkzaamheden van
het hof van assisen toe.
43.
De Autoriteit wijst er tot slot op dat, zelfs indien de noodzakelijkheid van de beoogde
verwerking zou zijn aangetoond - quod non - het noch tot de bevoegdheid van de Federale
Overheidsdienst Justitie noch tot deze van de rechterlijke macht behoort regels vast te stellen met
betrekking tot verwerkingen voor archiveringsdoeleinden dan wel historische of wetenschappelijke
doeleinden.
44.
Ook wat betreft het bepaalde in het tweede lid van artikel 19 van het voorontwerp - met name
de voeging van de geluids-of audiovisuele opnames bij het strafdossier - is de Autoriteit van oordeel
11 Een verwerking van persoonsgegevens wordt als noodzakelijk beschouwd indien zij de minst ingrijpende maatregel vormt
om
het
ermee
nagestreefde
doel
(algemeen
belang)
te
bereiken.
Daarom
is
het
dus
noodzakelijk:
- Ten eerste, dat met de gegevensverwerking daadwerkelijk het beoogde doel kan worden bereikt. Derhalve moet op basis
van feitelijke en objectieve elementen worden aangetoond dat de verwerking van persoonsgegevens doeltreffend is om
het
beoogde
doel
te
bereiken;
- Ten tweede, dat deze verwerking van persoonsgegevens de minst ingrijpende maatregel is met betrekking tot het recht
op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dit betekent dat indien het mogelijk is het beoogde doel te bereiken met
een maatregel die minder ingrijpt in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer of van persoonsgegevens,
de oorspronkelijk beoogde gegevensverwerking niet ingevoerd mag worden. Hiertoe moet met een gedetailleerde
beschrijving en aan de hand van feitelijk en objectief bewijsmateriaal kunnen worden aangetoond om welke redenen de
andere
minder
ingrijpende
maatregelen
niet
volstaan
om
het
beoogde
doel
te
bereiken.
Indien de noodzaak van de verwerking van persoonsgegevens is aangetoond, moet nog worden aangetoond dat de verwerking
evenredig is (in de strikte zin) met het beoogde doel, d.w.z. dat er een juist evenwicht moet worden gevonden tussen de
verschillende belangen die op het spel staan en de rechten en vrijheden van de betrokkenen. Met andere woorden, er moet
een evenwicht zijn tussen de inmenging in het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van
persoonsgegevens, en het doel dat wordt beoogt - en dat daadwerkelijk kan worden bereikt - met die verwerking. De voordelen
van de gegevensverwerking in kwestie moeten dus opwegen tegen de nadelen voor de betrokkenen. Ook hier moet kunnen
worden aangetoond dat deze analyse is uitgevoerd voordat de verwerking wordt verricht.
12 BS 12/08/1955.
2774/001
DOC 55
416
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 13/24
dat de noodzakelijkheid hiervan met oog op de verwezenlijking van de beoogde doeleinde geenszins
wordt aangetoond.
b. Wijzigingen aan de Rijksregisterwet (artikel 37 van het ontwerp)
45.
Artikel 37 van het ontwerp beoogt wijzigingen aan te brengen aan de wet van 8 augustus
1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: “de Rijksregisterwet”) en
meer bepaald aan artikel 8, §6 van voormelde wet, dat betrekking heeft op de toegang tot de gegevens
vervat in het Rijksregister door de justitiële diensten. Artikel 37 van het ontwerp voorziet de schrapping
van de woorden “van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang hebben tot
de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid” in het derde lid van artikel 8, §6 van
de Rijksregisterwet en de vervangen van de woorden “de via het Rijksregister verkregen
informatiegegevens” door “het Rijksregisternummer” in het vierde lid van dezelfde bepaling.
46.
In de memorie van toelichting preciseert de aanvrager dat voormelde wijziging de rechtzetting
van een materiële fout betreft. Deze stelt dat het de bedoeling was van de wetgever met de wet van
5 mei 2019 tot wijziging van de Rijksregisterwet de leden van de justitiediensten een bevoegdheid te
geven met betrekking tot, enerzijds, het gebruik van informatiegegevens in het Rijksregister en te
voorzien in een sanctie in geval van misbruik van deze bevoegdheid en, anderzijds, het gebruik van
het rijksregisternummer en eveneens te voorzien in een sanctie in geval van misbruik. Deze stelt dat
bij vergissing in huidig artikel 8, §6 van de Rijksregisterwet evenwel een woordelijke kopie van het
bepaalde in artikel 5, §4 van dezelfde wet werd opgenomen, dat de mogelijkheid voorziet voor de
justitiediensten om de via het Rijksregister verkregen informatiegegevens te gebruiken (en niet het
rijksregisternummer).
47.
De Autoriteit stelt inderdaad vast dat artikel 134 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse
bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in
ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank13 deze wijziging beoogde aan te brengen in artikel
8, §6 van de Rijksregisterwet:
“Art. 134. Artikel 8, § 6 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 november 2018, wordt
aangevuld met een derde en vierde lid, luidende : "De rechters van de hoven en rechtbanken, de
magistraten van het openbaar ministerie, de onderzoeksrechters, de schriftelijk bij naam aangewezen
ambtenaren van niveau 1 van de administratieve overheden belast met de tenuitvoerlegging van
beslissingen in strafzaken en van maatregelen ter bescherming van de maatschappij, de hoofdgriffiers,
de griffiers-hoofden van de griffie en de griffiers-hoofden van dienst van de hoven en rechtbanken
13 BS 19 juni 2019.
417
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 14/24
van de rechterlijke orde zijn bij de uitoefening van hun respectievelijke opdrachten vrijgesteld van een
voorafgaande machtiging van de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en mogen toegang
hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste tot derde lid.”
48.
De Autoriteit verleende destijds een advies betreffende voormelde wet.14 De betrokken
bepaling lijkt evenwel niet ter advies zijn voorgelegd.
49.
De Autoriteit wijst erop dat de aanvrager in zijn voorontwerp niet aangeeft welke de precieze
doeleinden zijn van de voorziene verwerking van het rijksregisternummer. In het aanvraagformulier
stelt deze in dit verband enkel dat “de justitiële diensten toegang [moeten] hebben tot het register
om hun wettelijke verplichtingen te kunnen nakomen”. Er wordt evenwel niet nader gepreciseerd op
welke wettelijke verplichtingen de aanvrager doelt. Verder wordt in de memorie van toelichting
uitsluitend gesteld dat met de voorgenomen wijziging een materiële vergissing beoogt recht te zetten,
doch de initiële motieven van de voorziene verwerking worden niet vermeld. De Autoriteit beveelt aan
de precieze doeleinde(n) te preciseren.
c. Wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek (artikelen 43, 44, 45 en 47 van het
ontwerp)
Algemeen
50.
De artikelen 43, 44, 45 en 47 van het ontwerp beogen wijzigingen aan te brengen aan de
bepalingen aan het (nieuw) Burgerlijk Wetboek (hierna: “BW”) en meer bepaald aan “Hoofdstuk 6.
Bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid” (voorheen: “Bewijs van erfgenaamschap”).
51.
De ter advies voorgelegde bepalingen hebben betrekking op (de verwerkingen van
persoonsgegevens in het kader van) het bewijs van de erfrechtelijke hoedanigheid door middel van
een akte of attest van erfopvolging en de opname van deze documenten en de erin vervatte gegevens
in het Centraal erfregister (hierna ook “CER”). Het CER werd ingevoerd middels de wet van 6 juli 2017
houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van
burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse
bepalingen inzake justitie.15 Het is een geïnformatiseerde gegevensbank die een volledig beeld moet
geven over de betrokken partijen bij de afwikkeling van een nalatenschap en waarin dienvolgens de
metagegevens van alle belangrijke akten en attesten die betrekking hebben op de afwikkeling van een
nalatenschap worden opgenomen. De aanvrager preciseert in zijn aanvraag dat deze onder meer tot
14 Advies 120/2018, 7 november 2018, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-120-2018.pdf.
15 BS 24 juli 2017. De Autoriteit verleende omtrent voormelde wet advies 49/2016 van 21 september 2016,
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-49-2016.pdf en verleende in hetzelfde verband advies
73/2020 van 24 augustus 2020, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-73-2020.pdf.
2774/001
DOC 55
418
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 15/24
doel heeft om de raadpleging en mededeling aan derden mogelijk te maken van informatie met
betrekking tot de akten waarin de identiteit wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen
nalatenschap zijn geroepen.
52.
De Autoriteit wijst er vooreerst op dat een verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk
is voor de vervulling van een wettelijke verplichting en/of voor de uitoefening van een opdracht van
algemeen belang of in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag die aan een
verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd, overeenkomstig artikel 6.3 AVG, gelezen in het licht
van overweging 41 AVG16, moet worden geregeld door duidelijke en nauwkeurige regelgeving,
waarvan de toepassing voor de betrokkenen voorzienbaar dient te zijn. Bovendien is het volgens artikel
22 Grondwet noodzakelijk dat de wezenlijke elementen van de gegevensverwerking door middel van
een formele wettelijke norm (wet, decreet of ordonnantie) worden vastgesteld.
53.
De verwerkingen van persoonsgegevens waartoe de betroffen bepalingen van het
voorontwerp aanleiding geven, zijn gestoeld op de artikelen 6.1.c) en e) AVG en hebben een ernstige
inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen tot gevolg. Zoals de aanvrager aangeeft in
zijn aanvraag, betreft de verwerking van persoonsgegevens opgenomen in het CER een grootschalige
verwerking, met name de registratie van documenten die persoonsgegevens bevatten in centrale
gegevensbank die ruim toegankelijk is.
54.
Krachtens artikel 6.3 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de Grondwet en
artikel 8 van het EVRM, moet dergelijke norm van wettelijke rangorde bepalen onder welke
omstandigheden een gegevensverwerking is toegestaan. Overeenkomstig het legaliteits- en het
voorzienbaarheidsprincipe moet deze wetgevingsnorm dus in ieder geval de essentiële elementen van
de verwerking(en) vastleggen17. Wanneer de gegevensverwerking(en) een belangrijke inmenging in
de rechten en vrijheden van de betrokkenen vertegenwoordig(t)(en)18, zoals in casu het geval is,
moeten volgende essentiële elementen door de wetgever worden vastgesteld:
16 “Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet
noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de
vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet
evenwel
duidelijk
en
nauwkeurig
zijn,
en
de
toepassing
daarvan
moet
voorspelbaar
zijn
voor
degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de
Europese Unie („Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”.
17 Zie DEGRAVE, E., "L'egouvernement et la protection de la vie privée – Légalité, transparance et contrôle", Collection du
CRIDS, Larcier, Brussel, 2014, p. 161 e.v. (zie o.m.: EHRM, arrest Rotaru c. Roumania, 4 mei 2000); Zie ook enkele arresten
van het Grondwettelijk Hof: Arrest nr. 44/2015 van 23 april 2015 (p. 63), Arrest nr. 108/2017 van 5 oktober 2017 (p. 17) en
Arrest nr. 29/2018 van 15 maart 2018 (p. 26).
18 Er zal veelal sprake zijn van een belangrijke inmenging in de rechten en vrijheden van betrokkenen wanneer een
gegevensverwerking (een of) meer van volgende kenmerken vertoont: de verwerking heeft betrekking op speciale categorieën
van (gevoelige) persoonsgegevens in de zin van art. 9 of 10 AVG, de verwerking betreft kwetsbare personen, de verwerking
vindt plaats voor toezichts- of controledoeleinden (met gebeurlijke negatieve gevolgen voor de betrokkenen), de verwerking
impliceert de kruising of koppeling van persoonsgegevens afkomstig uit verschillende bronnen, het gaat om een grootschalige
verwerking vanwege de grote hoeveelheid gegevens en/of betrokkenen, de verwerkte gegevens worden meegedeeld of zijn
toegankelijk voor derden, ….
419
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 16/24
-
het (de) precieze en concrete doeleinde(n);
-
de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke(n) (tenzij dit duidelijk is);
-
de (categorieën van) gegevens die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van (dit)
(deze) doeleinde(n);
-
de categorieën van betrokkenen wiens gegevens zullen worden verwerkt;
-
de maximale bewaartermijn van de gegevens;
-
de (categorieën van) ontvangers aan wie de gegevens worden meegedeeld, evenals
de omstandigheden waarin en de redenen waarom de gegevens worden verstrekt;
-
in voorkomend geval en voor zover noodzakelijk, de beperking van de verplichtingen
en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 tot 22 en 34 AVG.
55.
De Autoriteit stelt vast dat de doeleinden van de desbetreffende verwerkingen niet steeds
duidelijk naar voor komen in het voorontwerp van wet en dat deze evenmin reeds vervat zijn in de te
wijzigen tekst (cf. infra).
Artikel 43 van het voorontwerp
56.
Artikel 43 van het ontwerp voorziet een wijziging van artikel 4.59 nieuw BW. Laatstgenoemde
bepaling vervangt artikel 1240bis van het oud BW en was voorzien in werking te treden op 1 juli 2022.
57.
In zijn aanvraag preciseert de aanvrager dat voormelde bepaling van het voorontwerp
vooreerst voorziet dat de akten en attesten eveneens door het bevoegde kantoor van de AAPD
(Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie) kunnen worden opgemaakt en worden
ingeschreven in het Centraal erfregister (artikel 43, §2).
58.
Verder bepalen de artikelen 43, §3 e.v. de (persoons)gegevens die dienen te worden
opgenomen in de akten en attesten van erfopvolging opgemaakt door notarissen dan wel de AAPD.
In de memorie van toelichting geeft de aanvrager aan dat de huidige in artikel 4.59 (nieuw) BW
vervatte regeling betreffende het bewijs van de erfrechtelijke hoedanigheid hoofdzakelijk is beperkt
tot één doel, met name de vrijgave van de tegoeden van de erflater. Deze preciseert dat er evenwel
nood is aan een bredere bepaling, die een algemene regeling bevat over het bewijs van de devolutie
of vererving van de nalatenschap en het bewijs van iedere erfrechtelijke hoedanigheid. Dit aangezien
het bewijs van erfrechtelijke hoedanigheid in uiteenlopende situaties en omwille van verschillende
doeleinden vereist kan zijn en de vermeldingen die de akte of het attest van erfopvolging dienen te
bevatten in functie van deze situaties en de doeleinden verschillend zijn. De aanvrager verwijst bij
wijze van voorbeeld naar een aantal situaties waarin een dergelijk bewijs vereist kan zijn, met name
tegenover een schuldenaar (bijv. een huurder) of een schuldeiser dan wel medecontractant (bijv.
verhuurder of koper) of om een geding te kunnen hervatten waarbij de erflater betrokken was.
2774/001
DOC 55
420
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 17/24
59.
De aanvrager licht toe, in het licht van bovenstaande, dat §3 van artikel 43 van het
voorontwerp bepaalt welke vermeldingen in ieder geval in elke akte of in elk attest van erfopvolging
moeten worden opgenomen, ongeacht de doelstelling waarvoor de akte of het attest is opgemaakt.
In §4 wordt bepaald welke vermeldingen in de akte of attest van erfopvolging dienen te worden
opgenomen, afhankelijk van de doelstelling waarvoor de akte of het attest wordt opgesteld.
60.
De Autoriteit stelt vast dat §3 van artikel 43 van het voorontwerp de volgende gegevens
vermeldt: “1° van de erflater: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres en datum
van overlijden; in voorkomend geval, het identificatienummer van het Rijksregister, het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienummer bij de
Kruispuntbank van Ondernemingen. 2° het op de nalatenschap toepasselijke recht”. De Autoriteit
merkt op dat deze bepaling uitsluitend gegevens van de erflater, i.e. een overleden persoon, betreft
en wijst erop dat deze bijgevolg, overeenkomstig het bepaalde in overweging 27 AVG, niet onder het
toepassingsgebied van de AVG vallen.19
61.
Artikel 43, § 4 van het ontwerp bepaalt: “Voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de
akte of het attest van erfopvolging wordt afgegeven, vermeldt de akte of het attest van erfopvolging
ook de volgende gegevens, voor zover ze redelijkerwijze konden worden achterhaald: 1° van alle
personen vermeld in paragraaf 120: de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte, adres,
eventueel de datum van overlijden, en in voorkomend geval het identificatienummer van het
Rijksregister, het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het
identificatienummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. (…)”21 De leden 2 tot en met 5 sommen
verder de (persoons)gegevens op die per categorie van erfgerechtigde in de akte of het attest van
erfopvolging dienen te worden vermeld. De Autoriteit neemt hier akte van.
62.
De Autoriteit bevestigt dat het inderdaad aangewezen is per afzonderlijke doeleinde te
voorzien welke gegevens - overeenkomstig artikel 5.1.c) AVG – als toereikend, ter zake dienend en
beperkt tot wat noodzakelijk is voor het bereiken van de betrokken doeleinde kunnen worden
beschouwd en bijgevolg dienen te worden opgenomen in de akte of het attest. Er dient evenwel op
te worden gewezen dat de zinsnede “voor zover nodig voor de doeleinden waarvoor de akte of het
attest van erfopvolging wordt afgegeven (…)” zonder verdere precisering betreffende welke deze
doeleinden zijn, niet toelaat te beoordelen of de verzamelde gegevens al dan niet beantwoorden aan
de hierboven openomen vereisten. Aldus geformuleerd, wordt een ruime appreciatiemarge
19 Cf. overweging 27 AVG: “De onderhavige verordening is niet van toepassing op de persoonsgegevens van overleden
personen. De lidstaten kunnen regels vaststellen betreffende de verwerking van de persoonsgegevens van overleden personen”.
20 Art. 4.59, §1: “Al wie als erfgerechtigde tot een nalatenschap geroepen is of daarin de hoedanigheid van erfgenaam heeft,
dan wel als bijzondere legataris daarin gerechtigd is, kan deze hoedanigheid bewijzen door een akte of attest van erfopvolging”.
21 De Autoriteit onderlijnt.
421
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 18/24
overgelaten aan de opsteller van de akte of het attest van erfopvolging (de notaris of de AAPD)
betreffende welke gegevens al dan niet dienen te worden opgenomen. Zulks komt niet ten goede van
de op grond van artikel 6.3 en overweging 41 AVG vereiste voorzienbaarheid van de regelgeving die
de verwerking omkadert. In de memorie van toelichting worden, zoals hierboven aangehaald, een
aantal specifieke voorbeelden opgesomd van mogelijke doeleinden. Deze worden echter niet
teruggevonden in de normatieve tekst.
63.
De Autoriteit wijst er in dit verband op dat overeenkomstig artikel 5.1.b) AVG
persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden
dienen te worden verzameld en verwerkt. In het licht van voormelde bepaling dienen deze doeleinden
duidelijker te worden omschreven in artikel 43 van het voorontwerp.
Artikel 44 van het voorontwerp
64.
Artikel 44 van het voorontwerp beoogt de wijziging van artikel 4.126 nieuw BW. Meer bepaald
wordt door middel van voormelde bepaling de volgende zin toegevoegd aan artikel 4.126, §2 nieuw
BW: “Het bevoegde kantoor van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie schrijft
de akten en de attesten van erfopvolging bedoeld in paragraaf 1 die hij heeft opgemaakt, in”. Deze
bepaling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Artikel 45 van het voorontwerp
65.
Artikel 45 van het voorontwerp beoogt wijzigingen aan te brengen aan artikel 4.127 (nieuw)
BW, dat de gegevens opsomt die dienen te worden opgenomen in het Centraal erfregister.
66.
De Autoriteit stelt vast dat een eerste wijziging een louter terminologische aanpassing betreft
in § 1 van artikel 4.127 BW, met name de vervanging van “rijksregisternummer” door
“identificatienummer van het Rijksregister”. Deze wijziging geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
67.
Verder wordt aan voormelde bepaling een lid 1°/1 toegevoegd dat een opsomming bevat van
de gegevens van de erfgenamen die in het CER dienen te worden opgenomen. Deze luidt als volgt:
“§1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: (…) 1°/1
van de erfgenamen: a) de naam en de voorna(a)m(en); b) het identificatienummer van het
Rijksregister of het identificatienummer bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid”. In de memorie
van toelichting geeft de aanvrager aan dat de doeleinde voor de opname van voormelde gegevens
van de erfgenamen in het CER erin bestaat op geautomatiseerde wijze de vaststelling van de
hoedanigheid van deze laatsten toe te laten, zodat zij – zoals voorzien door artikel 14, §1, tweede lid
2774/001
DOC 55
422
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 19/24
van het koninklijk besluit van 18 maart 2020 houdende invoering van de Notariële Aktebank – hun
recht op toegang tot de notariële akten betreffende hun rechtsvoorganger kunnen uitoefenen.
68.
Voormelde doeleinde lijkt gerechtvaardigd te zijn doch kan niet worden afgeleid uit de tekst
van het voorontwerp. De Autoriteit wijst erop dat de doeleinde van elke verwerking van
persoonsgegevens een van de wezenlijke elementen betreft van de verwerking en dient te worden
opgenomen in een formele wettelijke norm.
69.
Teneinde te voldoen aan de vereiste van artikel 5.1.b) AVG (“welbepaalde en uitdrukkelijk
omschreven doeleinde”), is het bijgevolg aangewezen de precieze doeleinde van deze nieuwe
verwerking van persoonsgegevens op te nemen in het ontwerp.
70.
Dezelfde opmerking geldt voor de toevoeging die door middel van artikel 45 van het
voorontwerp wordt aangebracht aan artikel 4.127, §1, 2°, bevattende de persoonsgegevens van de
aangever die dienen te worden opgenomen in het CER.
Artikel 47 van het voorontwerp
71.
Artikel 47 van het voorontwerp beoogt een lid toe te voegen aan artikel 4.131, §1 nieuw BW,
dat luidt als volgt: “De gegevens bedoeld in artikel 4.127, § 1, 1°/1, zijn enkel toegankelijk voor de
beheerder van de Notariële Aktebank bedoeld in artikel 18 van de wet van 25 Ventôse Jaar XI op het
notarisambt, teneinde de toegang van de erfgenamen tot de akten van hun rechtsvoorganger mogelijk
te maken”.
72.
In de memorie van toelichting preciseert de aanvrager dat voormelde bepaling de
bescherming van de metagegevens van de erfgenamen in het centraal erfrechtregister tot doel heeft.
Deze wijziging geeft geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.
d. Wijzigingen aan de Kansspelwet (artikelen 55 en 57 van het ontwerp)
73.
De artikelen 55 en 57 van het ontwerp beogen vooreerst enkele wijzigingen aan te brengen
aan de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de
bescherming van de spelers (hierna: “de Kansspelwet”) naar aanleiding van de opmerkingen die de
Autoriteit formuleerde in haar advies 178/2021 van 4 oktober 2021.22
22 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-178-2021.pdf.
423
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 20/24
74.
Deze hebben, enerzijds, betrekking op de verwerking van persoonsgegevens via het
zogenaamde Excluded Persons Information System (“EPIS-systeem”) - zoals omschreven in artikel 54
van de Kansspelwet - waarin de gegevens zijn opgenomen van de personen aan wie de toegang tot
de kansspelinrichtingen is ontzegd alsook, anderzijds, op de persoonsgegevens van bezoekers van
kansspelinrichtingen opgenomen in het register bijgehouden door de exploitanten, zoals bedoeld in
artikel 62 van de Kansspelwet.
75.
Meer bepaald wordt met betrekking tot het bovenvermelde EPIS-systeem ten eerste
voorgesteld om, door middel van artikel 55 van het ontwerp, in artikel 55 van de Kansspelwet een lid
in te voegen tussen het eerste en tweede lid, luidende als volgt: “De commissie is de
verwerkingsverantwoordelijke van het systeem van informatieverwerking bedoeld in het eerste lid”.
Ten tweede wordt voorzien om in het (nieuwe) zesde lid de woorden “de Commissie voor de
bescherming
van
de
persoonlijke
levenssfeer”
te
vervangen
door
de
woorden
“de
Gegevensbeschermingsautoriteit”. De Autoriteit heeft geen opmerkingen wat betreft voormelde
wijzigingen.
76.
Ten tweede wordt voorgesteld om, door middel van artikel 57 van het ontwerp, twee leden
toe te voegen in artikel 62 van de Kansspelwet waarin het doel van het register bedoeld in voormelde
bepaling alsook de opslagperiode van de hierin vervatte persoonsgegevens als volgt worden
verduidelijkt: “De doelstelling van dit register is de [Kansspel]commissie in staat te stellen a posteriori
na te gaan of de raadplegingen van het systeem van informatieverwerking, bedoel in artikel 55, wel
degelijk gedaan zijn met betrekking tot de spelers die kansspelinrichtingen klasse I, II of een vaste
kansspelinrichting klasse IV bezoeken. De persoonsgegevens die opgenomen zijn in het register
worden bewaard gedurende een termijn van tien jaar, te rekenen vanaf de laatste spelactiviteit van
de betrokkene”.
77.
Deze laatste wijziging - betreffende de opslagperiode - wordt onder meer doorgevoerd naar
aanleiding van het arrest van 9 december 2021 van het Grondwettelijk Hof waarbij artikel 31 van de
Kansspelwet werd vernietigd “in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren
van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de
weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » bedoelde register zijn
ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift
van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt”.23
78.
Wat betreft de opslagperiode van (maximum) tien jaar stelt de aanvrager dat deze hiermee
wordt afgestemd op de wettelijke bewaartermijnen voorzien in artikel 60 van de wet van 18 september
23 GwH, arrest 177/2021, 21 december 2021, https://www.const-court.be/public/n/2021/2021-177n.pdf.
2774/001
DOC 55
424
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 21/24
2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking
van het gebruik van contanten, in het kader waarvan de Kansspelcommissie eveneens over een
toezichtsbevoegdheid beschikt (cf. Hoofdstuk VI). De Autoriteit neemt hier akte van.
79.
Artikel 57 van het ontwerp voorziet tot slot in een systematische verwerking van de foto van
bezoekers aan de betrokken kansspelinrichtingen door middel van het in artikel 62 van de Kansspelwet
bedoelde register. Het beoogt met name de volgende zin toe te voegen aan artikel 62, eerste lid van
de Kansspelwet: “Bij elk bezoek van de betrokken persoon dient een foto van die persoon te worden
genomen en bewaard in het register”.24
80.
In de memorie van toelichting bij het ontwerp preciseert de aanvrager met betrekking tot de
doelstelling van het nemen en bewaren van een foto van elke bezoeker dat “de foto van de speler
immers vereist [is] om enige identiteitsfraude te voorkomen. De foto’s zijn ook zeer nuttig voor de
politie (als bewijs in onderzoeken of ter informatie, aangezien het recente foto’s van personen
betreft)”.
81.
Door middel van voormelde bepaling wordt in artikel 62 van de Kansspelwet de verwerking
voorzien van een nieuwe categorie van persoonsgegevens, met name de afbeelding van de
betrokkenen. Er dient op te worden gewezen dat overeenkomstig artikel 4.14 AVG
gezichtsafbeeldingen - in de in voormeld artikel bepaalde gevallen - een biometrisch gegeven kunnen
uitmaken. Zulke gegevens worden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens gekwalificeerd,
die een bijzondere bescherming genieten en waarvan de verwerking in beginsel, overeenkomstig
artikel 9.1 AVG, verboden is. De Autoriteit wijst erop dat, indien en voor zover de aanvrager zou
beslissen deze voorziene verwerking te behouden, de nodige waarborgen dienen te worden voorzien
opdat de gezichtsafbeeldingen in geen geval kunnen worden verwerkt voor andere doeleinden dan
deze beoogd door het register bedoeld in artikel 62 van de Kansspelwet.
82.
In dit verband dient erop te worden gewezen dat het gebruik van de betrokken foto’s van de
bezoekers van kansspelinrichtingen door de politiediensten met oog op het gebruik ervan in het kader
van “onderzoeken of informatie” (cf. supra) een doeleinde betreft die geheel verschillend en
onverenigbaar met de doeleinde waarvoor de betrokken persoonsgegevens worden verzameld en
opgenomen in het register, zoals gepreciseerd in artikel 62 van de Kansspelwet. De bepalingen vervat
onder Hoofdstuk VI van de Kansspelwet - waaronder ook het betroffen artikel 62 - betreffen
“maatregelen ter bescherming van spelers en gokkers”. Het gebruik en de verdere verwerking van
persoonsgegevens verzameld in dit verband voor politionele doeleinden is - bij gebreke van een
duidelijke wettelijke bepaling hieromtrent - bijgevolg niet verenigbaar met de oorspronkelijke
24 De Autoriteit onderlijnt.
425
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 22/24
doeleinde van de verwerking van deze gegevens in de zin van artikel 6.4 AVG. De verwerking van
persoonsgegevens dient immers voorzienbaar te zijn en het moet voor de betrokkenen voldoende
duidelijk zijn in welke omstandigheden en voor welke doeleinden de verzamelde persoonsgegevens
mogen worden verwerkt.25
83.
Zoals de Autoriteit reeds stelde in haar advies 178/2021, is het bewaren van de foto van de
betrokkenen bovendien geen garantie op correcte identificatie van de betrokkenen, aangezien
personen op elkaar kunnen lijken. Verder houdt een verwerking van de foto van de betrokkenen
volgens een techniek die hun identificatie en authenticatie mogelijk maakt in - zoals hierboven reeds
aangehaald - dat één van de uitzonderingsgronden van artikel 9.2 AVG dient voorhanden te zijn
teneinde te kunnen afwijken van het verwerkingsverbod van artikel 9.1 AVG. In casu zou logischerwijs
artikel 9.2.g) AVG van toepassing zijn, dat bepaalt dat de verwerking dient te worden gerechtvaardigd
door redenen van zwaarwegend algemeen belang en moet worden omkaderd door een norm waarbij
de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht
op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen
worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en fundamentele belangen van de betrokkene.
De Autoriteit stelt zich in casu echter vragen bij de evenredigheid van de beoogde verwerking.
84.
De Autoriteit herhaalt in dit verband, zoals eerder gesteld in haar advies 178/2021, dat een
technologische oplossing gebaseerd op het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de
identiteitskaart een meer evenredige optie zou zijn die een minder ingrijpende inmenging inhoudt in
het recht op bescherming van persoonsgegevens van de bezoekers van de kansspelinrichtingen en
die toelaat de door de aanvrager beoogde doeleinde te verwezenlijken.26
85.
Samengevat beveelt de Autoriteit in voormeld advies aan dat zou worden voorzien in een
verplichting voor elke meerderjarige persoon die één van de betrokken kansspelinrichtingen wenst te
betreden, om zich langs elektronische weg te authenticeren aan de hand van zijn identiteitskaart en
de nodige gegevens te koppelen met het EPIS-systeem zodat - wanneer de betrokkene in dit systeem
is vermeld - de exploitant een waarschuwingsbericht ontvangt dat meldt dat de betrokkene de toegang
tot de speelzaal dient te worden ontzegd. Dergelijke regeling zou ook kunnen bijdragen tot de controle
van de naleving van de verplichting tot voorafgaande verificatie, zonder dat een toegangsregister
moet worden bijgehouden en zonder dat een kopie van de identiteitskaart dient te worden genomen.
Zodra de authenticatiemodule van de identiteitskaart met succes is gebruikt, dient immers niet
meer te worden gecontroleerd of de identificatie/authenticatie van de betrokkene correct werd
uitgevoerd, aangezien enkel de houder van de identiteitskaart de pincode van deze kaart kent.
25 EHRM, grote kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd
Koninkrijk, § 99.
26 Advies 178/2021, 4 oktober 2021, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-178-2021.pdf,
randnr. 25 e.v. (in het bijzonder vanaf randnr. 37).
2774/001
DOC 55
426
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Advies 113/2022 - 23/24
Bovendien, om de raadpleging te vermijden vanuit een centrale gegevensbank (EPIS) wat met
zich meebrengt dat de Kansspelcommissie de RR-nummers of de identificatiegegevens van
personen moet bekendmaken die speelzaken bezoeken en de tijdstippen waarop zij deze
bezoeken, is het raadzaam om dagelijks aan de kansspelinrichtingen de bijgewerkte lijst te
bezorgen van personen die uitgesloten worden van kansspelen, in de vorm van een lijst die is
samengesteld met hashes van hun RR-nummer, nummer van de identiteitskaart en naam. Deze
lijst zou worden verstrekt met een Bloomfilter zodat de geheimhouding van de personen op die
lijst verzekerd is. De uitbaters van speelzalen zouden ter plaatse verifiëren of de personen die een
speelzaal willen binnengaan, al dan niet uitgesloten zijn. Een logbestand van de verrichte
verificaties zou worden verplicht opdat de inspecteurs zouden kunnen nagaan of de verificaties
goed werden uitgevoerd en er zouden regelmatige controles plaatsvinden ter plaatse om na te
gaan of elke aanwezig persoon in de speelzaal niet van kansspelen is uitgesloten. Een dergelijke
regeling is volgens de Autoriteit een meer passende en evenredige gegevensverwerking dan de
regeling die vandaag is voorzien in de wet op de kansspelen en de uitvoeringsbesluiten ervan. Er
wordt immers zowel vermeden dat talloze kopieën van identiteitskaarten moeten worden genomen,
wat niet ideaal is gezien het risico van identiteitsfraude en dat de identiteit van de personen die
kansspelinrichtingen bezoeken wordt meegedeeld aan de commissie, en anderzijds moeten geen
registers worden bijgehouden die de identificatiegegevens bevatten van alle personen die de
kansspelinrichtingen bezoeken en van de tijdstippen waarop zij deze bezoeken; dit lijkt immers
onevenredig in het licht van de openbare opdracht die moet worden uitgevoerd, namelijk de
werkzaamheid waarborgen omtrent het verbod op het bezoeken van deze speelzalen waaraan slechts
bepaalde personen zijn onderworpen.
OM DEZE REDENEN
de Autoriteit,
is van oordeel dat volgende aanpassingen zich opdringen in het voorontwerp van wet:
-
precisering van de wezenlijke elementen van de verwerkingen voorzien in de artikel
18 van het voorontwerp (overwegingen 10 t.e.m. 33) en het voorzien van bijkomende
passende waarborgen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de
betrokkenen (overwegingen 34-39);
-
schrapping van de verwerking van persoonsgegevens voorzien in artikel 19 van het
voorontwerp (opnames van terechtzittingen van het hof van assisen met oog op het
427
2774/001
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij
Advies 113/2022 - 24/24
aanleggen van historische justitiearchieven) wegens de onverenigbaarheid ervan met
het noodzakelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel (overwegingen 39-44);
-
precisering van de doeleinde(n) van de verwerking voorzien in artikel 43 van het
voorontwerp (overwegingen 56 t.e.m. 63);
-
precisering van de doeleinde(n) van de verwerking voorzien in artikel 45 van het
voorontwerp (overwegingen 65 t.e.m. 70); en
-
schrapping van de verplichting tot het nemen en bewaren van de foto van de
bezoekers van kansspelinrichtingen gelet op het feit dat de maatregel niet
noodzakelijk en evenredig is (overweging 73 e.v.).
Voor het Kenniscentrum,
Jean-Michel Serna - Verantwoordelijke a.i. van het Kenniscentrum