Document 55K2774/004

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2774 Verslag 🌐 NL

Inhoud

2774/004 DOC 55 2774/004 DOC 55 07463 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 7 juli 2022 7 juillet 2022 Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Voir: Doc 55 2774/ (2021/2022): 001: Proposition de loi. 002 et 003: Amendements. Voir aussi: 005/ Articles adoptés par la commission en première lecture. Zie: Doc 55 2774/ (2021/2022): 001: Wetsontwerp. 002 en 003: Amendementen. Zie ook: 005: Artikelen aangenomen in eerste lezing door de commissie. NAMENS DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEER Christoph D’HAESE FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DE LA JUSTICE PAR M. Christoph D’HAESE VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING RAPPORT DE LA PREMIÈRE LECTURE INHOUD SOMMAIRE Blz. Pages I. Exposé introductif du vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord....................3 II. Discussion générale........................................................5 A. Questions et observations des membres...................5 B. Réponses..................................................................10 C. Répliques..................................................................13 D. Réponses complémentaires.....................................14 III.  Discussion des articles et votes..................................16 I. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee..............................3 II. Algemene bespreking.....................................................5 A. Vragen en opmerkingen van de leden.......................5 B. Antwoorden...............................................................10 C. Replieken..................................................................13 D. Bijkomende antwoorden...........................................14 III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................16 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken II visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II PROJET DE LOI WETSONTWERP 2774/004 DOC 55 2 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit Les Engagés : Les Engagés DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant - Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/ Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag Président/Voorzitter: Kristien Van Vaerenbergh A. — Titulaires / Vaste leden: B. — Suppléants / Plaatsvervangers: N-VA Christoph D'Haese, Sophie De Wit, Kristien Van Vaerenbergh Yngvild Ingels, Sander Loones, Wim Van der Donckt, Valerie Van Peel Ecolo-Groen Claire Hugon, Olivier Vajda, Stefaan Van Hecke N ., Julie Chanson, Marie-Colline Leroy PS Khalil Aouasti, Laurence Zanchetta, Özlem Özen N ., Mélissa Hanus, Ahmed Laaouej, Patrick Prévot VB Katleen Bury, Marijke Dillen Tom Van Grieken, Dries Van Langenhove, Reccino Van Lommel MR Philippe Goffin, Philippe Pivin Nathalie Gilson, Marie-Christine Marghem, Caroline Taquin CD&V Koen Geens Els Van Hoof, Servais Verherstraeten PVDA-PTB Nabil Boukili Greet Daems, Marco Van Hees Open Vld Katja Gabriëls Patrick Dewael, Goedele Liekens Vooruit Ben Segers Karin Jiroflée, Kris Verduyckt C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde leden: Les Engagés Vanessa Matz DéFI Sophie Rohonyi 3 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Dames en Heren, Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van 29 juni 2022. I. — INLEIDENDE UITEENZETTING VAN DE VICE-EERSTEMINISTER EN MINISTER VAN JUSTITIE EN NOORDZEE De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee, geeft aan dat dit wetsontwerp een aantal diverse maatregelen beoogt, maar dat er, op vraag van de commissie, een reeks arti- kelen uit het wetsontwerp zullen worden gehaald, zodat men zich kan beperken tot een selectie van ongeveer 40 artikelen die absoluut voor het zomerreces moeten gestemd geraken. De bepalingen die voorliggen zijn de volgende: — Wijzigingen aan het Wetboek van strafvordering (artikelen 18 en 19 van het wetsontwerp), namelijk de mogelijkheid om het verloop van de terechtzitting van een assisenzaak op te nemen alsook het aanleggen van historische justitiearchieven. Dit is belangrijk voor het proces “aanslagen” dat in september 2022 zal ge- organiseerd worden. — Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek – boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” (ar- tikelen 39 à 46 et hoofdstukken 9, 14 et 17 van het wetsontwerp). Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek zal in werking treden op 1 november 2022. Er zijn eveneens bepalingen die al op 1 juli 2022 in werking treden en die zo snel mogelijk moeten worden aangepast. — Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kans- spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (artikelen 53 en 55 van het wetsontwerp) teneinde vanaf 1 oktober 2022 de EPIS-lijst in te voeren bij de gokkantoren. — Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betref- fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. Het betreft: • wijzigingen ter verbetering van de sociale re-integratie van de veroordeelde, met het oog op een vlotte doorstro- ming van de veroordeelde gedetineerden door middel van uitbreiding van het penitentiair verlof; Mesdames, Messieurs, Votre commission a examiné ce projet de loi au cours de sa réunion du 29 juin 2022. I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF DU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE DE LA JUSTICE ET DE LA MER DU NORD M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, indique que le projet de loi à l’examen vise diverses mesures, mais qu’à la demande de la commission, une série d’articles en seront retirés, de manière à se limiter à une quarantaine d’articles qui doivent absolument être votés avant les vacances d’été. Les dispositions à l’examen sont les suivantes: — Modifications du Code d’instruction criminelle (articles 18 et 19 du projet de loi), à savoir la possibilité d’effectuer des captations d’audiences devant la cour d’assises, et de constituer des archives historiques de la justice. C’est important pour le procès “attentats” qui sera organisé en septembre 2022. — Modifications du Code civil – livre 4 “Les suc- cessions, donations et testaments” (articles 39 à 46 et chapitres 9, 14 et 17 du projet de loi). Le livre 4 du Code civil entrera en vigueur au 1er novembre 2022. Certaines dispositions entrent en vigueur dès le 1er juillet 2022 et doivent être modifiées sans délai. — Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs (articles 53 et 55 du projet de loi), afin d’introduire la liste EPIS dans les agences de paris à partir du 1er octobre 2022. — Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine. Il s’agit: • de modifications visant à améliorer la réinsertion sociale des personnes condamnées en vue de faciliter le flux des détenus condamnés par une extension du congé pénitentiaire; 2774/004 DOC 55 4 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E • wijzigingen teneinde de slachtoffers beter te infor- meren: er wordt bepaald dat de slachtoffers die hebben gevraagd te worden geïnformeerd over de toekenning van nadere strafuitvoeringsvoorwaarden, dat ook zul- len worden in geval van de toekenning van een eerste uitgaansvergunning met het oog op de voorbereiding van de sociale re-integratie; • verduidelijking omtrent de uitvoerbaarheid van een beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheid- stelling met het oog op verwijdering van het grondgebied voor veroordeelden met een straftotaal dat niet meer dan drie jaar bedraagt; en, • Enkele technische verbeteringen: — Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, meer bepaald van artikel 18 betreffende de plaatsing en de overplaatsing van gede- tineerden, teneinde er uitdrukkelijk een bepaling in op te nemen op basis waarvan de bevoegde ambtenaren in de beslissing tot plaatsing zullen kunnen bepalen dat de veroordeelde zich zelfstandig zal kunnen begeven naar de gevangenis die werd opgegeven in de beslissing tot plaatsing, zonder dat in enige vorm van bewaking of begeleiding dient te worden voorzien. Deze bepaling zal vooral worden toegepast bij beslissingen tot plaatsing in een detentiehuis. De minister dringt aan op een tijdige stemming, zodat deze maatregel vanaf september 2022 kan worden toegepast. — Invoering van een tijdelijke maatregel tot ver- mindering van de overbevolking in de gevangenissen, namelijk de vervroegde invrijheidstelling zes maanden voor het einde van de straf. De inhoud van de maatregel is bijna identiek aan de maatregel van de vervroegde invrijheidstelling “COVID-19”. Hij zal worden toegepast tot in augustus 2023, met de mogelijkheid om hem te verlengen tot eind 2024. De minister voegt eraan toe dat er drie reeksen amen- dementen werden ingediend: — De eerste reeks (de amendementen nrs. 38 tot 87) strekt ertoe een aantal artikelen uit het wetsontwerp te lichten. Het is de bedoeling deze artikelen te kun- nen bespreken bij de hervatting van de parlementaire werkzaamheden in september 2022. Daaraan worden de amendementen nrs. 36 en 37 toegevoegd, die ertoe strekken de datum van inwerkingtreding van de wet van 2019 inzake de databank voor vonnissen en arresten uit te stellen tot 30 september 2023. — Een tweede reeks (de amendementen nrs. 1 tot 22) voegt een aantal artikelen aan het wetsontwerp • de modifications visant à améliorer l’information des victimes: il est prévu que les victimes qui ont demandé à être informées de l’octroi des modalités d’exécution de la peine soient aussi informées en cas d’octroi d’une première permission de sortie en vue de la préparation de la réinsertion sociale; • d’une clarification concernant l’exécutabilité d’une décision d’octroi d’une libération provisoire en vue de l’éloignement du territoire pour les condamnés dont le total de la peine ne dépasse pas trois ans; et • De quelques améliorations techniques: — Modifications de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration des établissements pénitentiaires ainsi que le statut juridique des détenus, en particulier de l’article 18 concernant le placement et le transfèrement des détenus, afin d’y prévoir explicitement une disposition sur base de laquelle les fonctionnaires compétents pourront déterminer, dans la décision de placement, que le condamné pourra se rendre de manière indépendante dans la prison désignée dans la décision de placement, sans avoir à prévoir aucune forme de surveillance ou d’accompagnement. Cette disposition sera principalement appliquée en cas de décision de placement dans une maison de détention. Afin que cette mesure puisse être appliquée dès septembre 2022, le ministre insiste pour que le vote ait lieu à temps. — Introduction d’une mesure temporaire pour réduire la surpopulation dans les prisons, c’est-à-dire la libération anticipée six mois avant la fin de la peine. Le contenu de la mesure est presque identique à la mesure de libération anticipée “COVID-19”. Elle sera appliquée jusqu’en août 2023, avec la possibilité de la prolonger jusqu’à la fin de 2024. Le ministre ajoute que trois séries d’amendements ont été déposées: — La première série (amendements nos 38 à 87) vise à retirer un certain nombre d’articles du projet de loi. L’objectif est de pouvoir discuter de ces articles, lors de la reprise de l’activité parlementaire au mois de septembre 2022. S’y ajoutent les amendements nos 36 et 37 qui visent à postposer la date d’entrée en vigueur de la loi de 2019 sur la banque de données des jugements et des arrêts au 30 septembre 2023. — Une seconde série (amendements nos 1 à 22) ajoute un certain nombre d’articles au projet de loi. Il 5 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toe. Het betreft nieuwe elementen die onder de aan- dacht zijn gekomen tussen de goedkeuring van het voorontwerp van wet door de Ministerraad op 1 april 2022 en het advies van de Raad van State dat twee maanden later is ontvangen. De amendementen nrs. 1 en 2, alsook 19 tot 22, betreffen verbeteringen aan het seksueel strafrecht die werden aangekaart in het kader van mondelinge vragen. De amendementen nrs. 3 en 4 betreffen de mogelijkheid om zitting te hebben buiten een rechtscollege. Een dergelijke mogelijkheid bestaat reeds voor de assisenprocessen. Het is de bedoeling om een gelijkaardige mogelijkheid te scheppen voor correctionele zaken. Er zal immers binnenkort een be- langrijk proces plaatsvinden te Luik, met een twintigtal beklaagden. Concreet kan een dergelijk proces niet worden georganiseerd op het grondgebied van dat rechtscollege. De amendementen nrs. 5 tot 15 strekken ertoe het Burgerlijk Wetboek te wijzigen, op verzoek van de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en van de FOD Financiën. De amendementen nrs. 16 tot 18 behelzen de nationaliteitsvereiste ten aanzien van de advocaten. Het gaat om een uitdrukkelijk verzoek van AVOCATS.be aangezien iemand die de Belgische natio- naliteit niet heeft maar die zijn rechtendiploma in België heeft behaald, thans geen lid kan worden van de balie. Het is de bedoeling dat deze maatregel in werking kan treden vóór het begin van het nieuwe gerechtelijk jaar. — De derde en laatste reeks (de amendementen nrs. 23 tot 35) betreft vooral technische correcties, met name wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek (Boeken 1, 2 en 4). II. — ALGEMENE BESPREKING A. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden dat de minister akkoord gaat om de bespreking van het wetsont- werp te beperken tot de bepalingen die hij als dringend beschouwt. Hij vond het ongepast hoe de minister nog een aantal wetsontwerpen door het Parlement wou jagen vóór het zomerreces. Het is zijn verantwoordelijkheid dat die teksten zo laattijdig werden afgewerkt. Hij verwijst vervolgens naar de lijst van dringende artikelen en de reeks amendementen die nog gisterenavond werden ontvangen. Het merendeel daarvan is, volgens de heer D’Haese, nog steeds niet als echt dringend te kwalificeren. De spreker vindt het betreurenswaardig dat de minister opnieuw geen rekening heeft gehouden met de bevoegd- heden van de gemeenschappen. Het wetsontwerp werd naar de Raad van State gestuurd zonder te wachten op de adviezen van de gemeenschappen. Zij hebben dit dan ook alle drie aangekaart in een brief, die ook aan s’agit d’éléments nouveaux qui sont intervenus entre l’approbation de l’avant-projet de loi en Conseil des ministres le 1er avril 2022 et l’avis du Conseil d’État reçu 2 mois plus tard. Les amendements nos 1 et 2 ainsi que 19 à 22 concernent des corrections au droit pénal sexuel qui ont été abordées dans le cadre de questions orales. Les amendements nos 3 et 4 concernent la possibilité de siéger en dehors d’une juridiction. Une telle possi- bilité existe déjà pour les procès d’assises. L’idée est de prévoir une semblable possibilité pour les affaires correctionnelles. En effet, un important procès devrait avoir prochainement lieu à Liège, avec une vingtaine d’inculpés. Concrètement un tel procès ne peut pas être organisé sur le territoire de cette juridiction. Les amendements nos 5 à 15 visent, quant à eux, à modifier le Code civil, à la demande de la Fédération royale du notariat et du SPF Finances. Quant aux amendements nos 16 à 18, ils concernent la condition de nationalité des avocats. Il s’agit d’une demande explicite d’avocats.be, car, actuellement, une personne n’ayant pas la natio- nalité belge, mais ayant obtenu son diplôme de droit en Belgique, ne peut pas entrer au barreau. L’objectif est que cette mesure puisse entrer en vigueur avant le début de la nouvelle année judiciaire. — La troisième et dernière série (amendements nos 23 à 35) concerne essentiellement des corrections techniques. Il s’agit de modifications au Code civil (Livres 1, 2 en 4). II. — DISCUSSION GÉNÉRALE A. Questions et observations des membres M. Christoph D’Haese (N-VA) se réjouit que le ministre accepte de limiter la discussion du projet de loi aux dispositions qu’il juge urgentes. La manière dont le ministre entendait faire passer en urgence un certain nombre de projets de loi au Parlement avant les vacances d’été était à ses yeux inappropriée. C’est sa faute si ces textes ont été finalisés si tard. Il renvoie ensuite à la liste des articles urgents et à la série d’amendements reçus pas plus tard qu’hier soir. Selon M. D’Haese, la plupart de ceux-ci ne peuvent toujours pas être qualifiés de réellement urgents. L’intervenant regrette qu’une fois de plus, le mi- nistre n’ait pas tenu compte des compétences des Communautés. Le projet de loi a été envoyé au Conseil d’État sans attendre leurs avis. Toutes trois ont dénoncé cette méthode dans une lettre, qui a également été envoyée à la commission. Ce n’est pas la première 2774/004 DOC 55 6 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de commissie bezorgd werd. Het is niet de eerste keer dat die kritiek klinkt. Wanneer zal de minister eindelijk rekening houden met de gevolgen van zijn beslissingen op de diensten van de gemeenschappen? De heer D’Haese stelt ook vast dat de minister we- derom zijn eigen PR-slogan gebruikt als titel voor een wetsontwerp. Het wetsontwerp is gewoon een wet diverse bepalingen, met vaak ook eerder technische wijzigingen en/of taalkundige verbeteringen. Welke ar- tikelen zorgen concreet voor een menselijkere, snellere en straffere justitie? Wat die straffere justitie betreft, doet de minister weer het omgekeerde van wat hij aankondigde: de strafuit- voering versoepelen en gevangenen vroeger vrijlaten. De minister beloofde een kordate strafuitvoering en zelfs de uitvoering van alle korte straffen. De inwerkingtreding van de korte straffen werd onder zijn bewind evenwel al voor de derde keer uitgesteld: voor de straffen van minder dan 2 jaar zelfs tot september 2023, terwijl de straffen van minder dan 6 maanden nooit meer zullen worden uitgevoerd. En nu doet de minister er nog een automatische strafkorting bovenop. De heer D’Haese verwijst ook naar de kritiek van het College van procu- reurs-generaal hieromtrent. Het is juist dat de overbevolking in de gevangenis- sen een enorm en een historisch probleem vormt, maar de minister onderneemt onvoldoende om dit op korte termijn te bestrijden. Hij heeft al zijn kaarten ingezet op de detentiehuizen en beloofde 720 plaatsen tegen 2024. De N-VA-fractie heeft meteen gewaarschuwd dat die plannen niet realistisch waren. De spreker stelt dan ook vast dat er nog altijd geen enkel detentiehuis geopend is. Waarom zijn er nog geen bouwplannen voor nieuwe detentiehuizen gemaakt? De heer D’Haese meent dat er eigenlijk geen plan is. Mevrouw Marijke Dillen (VB) is tevreden dat de minister niet vlug het ganse oorspronkelijke wetsontwerp er nog wil doorduwen vóór het reces, maar zich beperkt tot die onderdelen die volgens hem dringend zouden zijn. Wat een aantal artikelen betreft kan zij de minister steunen. Maar voor een groot deel blijft zij dit betwisten. Voor de spreekster draagt dit wetsontwerp een veelbe- lovende titel, maar is, in feite, een tweede Potpourriwet: een samenraapsel van wijzigingen van diverse wetboeken waar geen samenhang tussen bestaat. Het gaat vaak om beperkte technische bepalingen, zelfs rechtzettingen van recente wetgeving; in ieder geval weinig inhoudelijks om Justitie daadwerkelijk sneller, straffer en menselijker te maken. fois que cette critique est formulée. Quand le ministre tiendra-t-il enfin compte de l’impact de ses décisions sur les services des Communautés? M. D’Haese constate par ailleurs qu’une fois de plus, le ministre utilise son propre slogan politique comme intitulé. Le projet de loi n’est rien d’autre qu’une loi portant des dispositions diverses, qui vise souvent à apporter des modifications plutôt techniques et/ou des améliorations d’ordre linguistique. Quels articles rendront concrètement la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme? En ce qui concerne une justice plus ferme, le ministre fait à nouveau le contraire de ce qu’il avait annoncé: assouplir l’application des peines et libérer les prison- niers plus tôt. Le ministre avait promis une application ferme des peines et même l’exécution de toutes les peines de courte durée. Cependant, l’entrée en vigueur des courtes peines a été reportée pour la troisième fois depuis le début de son mandat: pour les peines de moins de deux ans, elle a même été reportée à septembre 2023, et les peines de moins de six mois ne seront plus jamais exécutées. Et voici qu’à présent, le ministre ajoute encore une réduction automatique de la peine. M. D’Haese renvoie également à la critique du Conseil des procureurs généraux à ce sujet. Il est exact que la surpopulation carcérale est un problème énorme et historique, mais le ministre n’en fait pas assez pour lutter contre ce problème à court terme. Il a misé toutes ses cartes sur les maisons de détention et a promis 720 places d’ici 2024. Le groupe N-VA a immédiatement averti que ces projets étaient irréalistes. L’intervenant constate d’ailleurs qu’aucune maison de détention n’a encore été ouverte. Pourquoi aucun plan de construction de nouvelles maisons de détention n’a-t-il encore été établi? M. D’Haese pense qu’il n’y a en fait aucun plan. Mme Marijke Dillen (VB) se réjouit que le ministre ne veuille pas faire passer en urgence l’ensemble du projet de loi initial avant les vacances, mais se limite aux parties qu’il juge urgentes. Elle peut soutenir le ministre sur certains articles. Mais pour une grande partie, elle continue à s’opposer au projet de loi. Pour l’intervenante, le projet de loi à l’examen porte un titre prometteur, mais il s’agit en fait d’une deuxième loi “pot-pourri”: un fourre-tout de modifications à divers codes sans aucune cohérence entre elles. Il s’agit souvent de dispositions techniques limitées, voire de corrections de lois récentes; en tout cas, peu de contenu pour rendre réellement la justice plus rapide, plus ferme et plus humaine. 7 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voor mevrouw Dillen is de strafkorting hiervan het duidelijke bewijs. Wat als een coronamaatregel werd aangekondigd en ingevoerd als maatregel die de over- bevolking in de gevangenissen diende te maskeren, wordt strafkorting nu de keiharde realiteit. Zelfs twee coalitiepartners waren kritisch over deze maatregel. De CD&V-fractie stelde dat dit tegen het regeerakkoord ingaat en kondigde aan dit tegen te houden in de Ministerraad. De MR-fractie verwees naar de beleidsverklaring van de minister. De spreekster betreurt dat het in België al niet gemakkelijk is om in de gevangenis terecht te komen en dat er nu nog blijkbaar alles aan wordt gedaan om veroordeelde criminelen die in de gevangenis terecht- komen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook de plannen in verband met de strafuitvoering roepen bij haar vragen op. De bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank wordt niet gerespecteerd. De gevangenisdirecteur krijgt aanzienlijk meer macht. Dit alles kadert zogezegd in een aanpak van de overbevolking in de gevangenissen. Dat is niet de juiste wijze om deze overbevolking aan te pakken. Hierover heeft men reeds herhaaldelijk in deze commissie van gedachten gewisseld. Een kordate justitie vereist een hervorming van het strafrecht, van het strafprocesrecht en van het strafuit- voeringsrecht. Dit vereist uiteraard een zeer uitvoerige en grondige behandeling. Er staan reeds teksten ter beschikking. Wanneer gaat de minister hier werk van maken? In zijn beleidsverklaring was de minister eerlijk: hij zei duidelijk dat hij niet de hemel kon beloven maar concrete doelen ging uitwerken om justitie stap voor stap te verbeteren. De spreekster begrijpt dat hij niet in één wetsontwerp alle aangekondigde hervormingen kan realiseren. Hoewel zij een groot deel van de inhoud van dit wetsontwerp kan onderschrijven, beantwoordt het geheel echter niet aan de ronkende aankondiging die de titel laat vermoeden. Mevrouw Dillen blijft hopen dat de minister snel ambitieuzer zal zijn en met een wets- ontwerp zal komen om justitie echt sneller, menselijker en straffer te maken. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) verwijst naar het aan de commissie gerichte schrijven van de vereniging van Franstalige gevangenisdirecteurs. Naar aanleiding van contacten met mensen in het veld acht het lid het belangrijk te melden dat ze bang zijn, niet wegens wat in het wetsontwerp staat maar wegens wat er níet in staat. Zoals in het wetsontwerp wordt aangegeven, kampen de gevangenissen met overbevolking. Die situatie blijft aan- slepen. Daarom zal de PVDA-PTB-fractie de verlenging Pour Mme Dillen, les remises de peine en sont une preuve évidente. Ce qui avait été annoncé et introduit comme une mesure de lutte contre le coronavirus en vue de masquer la surpopulation carcérale est en train de devenir la dure réalité. Même deux partenaires de la coalition ont critiqué cette mesure. Le groupe CD&V a estimé que cette mesure allait à l’encontre de l’accord de gouvernement et a annoncé qu’il la bloquerait au Conseil des ministres. Le groupe MR a renvoyé à la déclaration de politique générale du ministre. L’intervenante déplore qu’en Belgique, on ne recoure déjà pas facilement à l’emprisonnement et qu’aujourd’hui, manifestement, tout soit fait pour libérer au plus vite les condamnés qui se retrouvent en prison. Elle s’interroge également sur ce qui est envisagé en matière d’exécution des peines. La compétence du tribunal de l’application des peines n’est pas respectée. Le directeur de prison reçoit beaucoup plus de pouvoir. Tout cela s’inscrirait dans le cadre d’une lutte contre la surpopulation carcérale. Ce n’est pas la bonne façon de s’attaquer à cette surpopulation. Ce point a déjà été discuté à de nombreuses reprises au sein de cette commission. Une justice ferme exige une réforme du droit pénal, du droit de la procédure pénale et du droit de l’appli- cation des peines. Cela nécessite, bien entendu, un traitement très complet et approfondi. Des textes sont déjà disponibles. Quand le ministre va-t-il s’y mettre? Dans sa déclaration de politique générale, le ministre a été honnête: il a dit clairement qu’il ne pouvait pas promettre le paradis mais qu’il allait élaborer des objec- tifs concrets pour améliorer la justice étape par étape. L’intervenante comprend qu’il ne peut pas réaliser toutes les réformes annoncées au moyen d’un seul projet de loi. Si elle peut approuver une grande partie du contenu du projet de loi à l’examen, l’ensemble n’est cependant pas à la hauteur de la promesse ronflante de l’intitulé. Mme Dillen continue d’espérer que le ministre sera bien- tôt plus ambitieux et présentera un projet de loi visant à rendre la justice vraiment plus rapide, plus humaine et plus ferme. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) se réfère au courrier adressé à la commission par l’association francophone des directeurs de prison. Suite à des contacts de terrain, il tient à relayer la peur qui y est ressentie, non par rap- port à ce qui se trouve dans ce projet de loi, mais par rapport à ce qui ne s’y trouve pas. Comme l’indique le projet de loi, les prisons sont surpeuplées. Cette situation s’éternise. C’est pourquoi, le groupe PVDA-PTB sou- tiendra le maintien de la mesure de libération anticipée 2774/004 DOC 55 8 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de vervroegde invrijheidstelling wegens COVID-19 steunen; door die maatregel kunnen gedetineerden onder bepaalde voorwaarden 6 maanden vóór het einde van hun straf de gevangenis verlaten. Velen in de sector menen dat die maatregel ontoe- reikend zal zijn. De eerste fase van de nieuwe regeling inzake de uitvoering van de korte straffen komt immers snel dichterbij, aangezien vanaf september de straffen tussen 2 en 3 jaar zouden moeten worden uitgevoerd. Volgens ramingen van de minister zal zulks leiden tot een toename van de gevangenisbevolking met ongeveer 700 gedetineerden. Uit de schattingen van de regering zelf blijkt evenwel dat de 720 plaatsen in de detentiehuizen pas eind 2024 beschikbaar zullen zijn. De uitvoering van de korte straffen vormt dus een vlucht vooruit en dreigt de veiligheid in de gevangenis- sen, de arbeidsomstandigheden van het personeel, alsook de leefomstandigheden van de gedetineerden in het gedrang te brengen, terwijl de toestand nu al ui- termate ernstig is. Die ernst staat in schril contrast met de menselijke benadering waarvan in het opschrift van het wetsontwerp gewag wordt gemaakt. De geplande maatregelen volstaan duidelijk niet om een en ander te compenseren. Volgens de directeurs met wie de heer Boukili contact heeft opgenomen, konden door de reeds tijdens de COVID-19-crisis toegepaste vervroegde invrij- heidstelling amper een tweehonderdtal gedetineerden de gevangenissen verlaten, terwijl er een overbevolking is van naar schatting 1 300 gedetineerden. Daarom vraagt de heer Boukili dat een hoorzitting met de vereniging van Franstalige gevangenisdirecteurs zou worden gehouden; indien daarvoor niet genoeg tijd zou zijn, zouden schriftelijke adviezen moeten worden gevraagd. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) brengt in herinnering dat zij tijdens de bespreking van de wet inzake de korte straffen al had gesteld dat de minister het paard achter de wagen spant. De minister zal immers een toestroom van nieuwe gedetineerden op gang brengen, maar heeft onvoldoende plaatsen en detentiehuizen gecreëerd om ze op te vangen. Met betrekking tot het voorliggende wetsontwerp doet de spreekster dezelfde vaststelling. Dankzij de nieuwe strafinrichtingen zullen alles samen netto slechts 384 bijkomende plaatsen beschikbaar zijn. De inwerkingtre- ding van de korte straffen zal niet samenvallen met de opening van de detentiehuizen. Nochtans zouden de korte straffen bij voorrang daar worden uitgezeten. De minister beweert dat 720 plaatsen beschikbaar zouden “COVID-19”, permettant sous certaines conditions la sortie de détenus 6 mois avant la fin de leur peine. Un avis largement partagé par le secteur est que cette mesure ne sera pas suffisante. En effet, la première phase de l’exécution des courtes peines (exécution des peines de 2 à 3 ans en septembre) approche à grands pas. Cela entraînera une augmentation de la population carcérale que le ministre évalue à environ 700 places. Or, selon les propres estimations du gouvernement, les 720 places des maisons de détention ne seront, quant à elles, disponibles que fin 2024. L’exécution des courtes peines constitue donc une fuite en avant qui risque de mettre à mal la sécurité dans les prisons, les conditions de travail des agents, ainsi que les conditions de vie des détenus, alors que la situation est déjà extrêmement grave. Cette gravité contraste avec l’approche humaine qui est pourtant prônée dans l’intitulé du projet de loi. Cette situation n’est clairement pas suffisamment compensée par les mesures projetées. Selon les directeurs contactés par M. Boukili, la mesure de libération anticipée, déjà appliquée pendant la crise de la COVID-19, a permis de sortir à peine environ 200 détenus des prisons, sur une surpopulation estimée à 1 300. C’est pourquoi, M. Boukili demande d’organiser une audition de l’association francophone des directeurs de prison, ou, à défaut de disposer de suffisamment de temps, de solliciter des avis écrits. Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle, quant à elle, ce qu’elle avait déjà dit au moment de la discussion de la loi sur les courtes peines, à savoir, que cela revenait à mettre la charrue avant les bœufs. En effet, le ministre va créer un afflux de nouveaux détenus, sans avoir créé suffisamment de places et de maisons de détention pour les recevoir. L’oratrice fait le même constat avec le présent projet de loi. Avec les nouveaux établissements, seulement 384 places “nettes” supplémentaires seront disponibles au total. L’entrée en vigueur des courtes peines ne coïnci- dera pas avec l’ouverture des maisons de détention. Or, c’était l’endroit où la prestation des courtes peines était envisagée en priorité. Le ministre affirme que d’ici à la fin de 2024, 720 places devraient être disponibles. Mais, 9 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E moeten zijn tegen eind 2024. Niet langer dan een week geleden heeft de pers echter onthuld dat de creatie van de detentiehuizen stokt. Mevrouw Matz stelt vast dat de in het wetsontwerp opgenomen maatregel inzake vervroegde invrijheidstel- ling al tijdens de COVID-19-pandemie werd toegepast. Toen moest echter het hoofd worden geboden aan een uitzonderlijke situatie. Door die maatregel aan te wenden om de overbevolking te bestrijden, gebruikt de minister die regeling daarentegen om een structureel probleem op te lossen. Dat probleem wordt bovendien verergerd door de jongste wetgeving inzake de korte straffen. Mevrouw Matz merkt voorts op dat in het wetsontwerp volstrekt geen cijfergegevens over de weerslag van de geplande maatregel worden verschaft. Hoewel deze regeling niet van toepassing is op som- mige categorieën van gedetineerden (seksuele de- linquenten, terroristen, vreemdelingen zonder recht op verblijf, ter beschikking van de rechtbank gestelde gedetineerden), noch op gedetineerden die tot 10 jaar of langer veroordeeld zijn, heeft de spreekster vragen bij de mate waarin de criteria van gevaarlijkheid en recidive doorwegen in deze regeling. Zijn de aangehaalde cate- gorieën per definitie altijd gevaarlijker? Is bijvoorbeeld, in een van de door het wetsontwerp uitgesloten cate- gorieën, iemand die tot 9 jaar gevangenis veroordeeld is wegens geweldpleging op personen en die een groot recidiverisico vertoont, niet gevaarlijker dan iemand die tot 3 of 4 jaar veroordeeld is en bij wie het recidiverisico kleiner is? Bovendien tracht het wetsontwerp te voorzien in zoveel mogelijk grendels om in brede zin een herroeping mogelijk te maken zo zich bij de vervroegde vrijlating een probleem voordoet. Mevrouw Matz had het logischer en billijker gevonden om voor alle veroordeelden op 6 maanden vóór het einde van de straf een vrijlating te overwegen, behoudens tegenindicaties. Dat is trouwens ook het standpunt van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Ten slotte zij eraan herinnerd dat de toegekende verloven in het kader van de eerste gezondheidscrisis niet tot noemenswaardige problemen hebben geleid. In het raam van een wetsontwerp dat een meer menselijke justitie wil bewerkstelligen, zou het van meer coherentie getuigen mocht rekening worden gehouden met de individuele en persoonlijke situatie van de gedetineerden. Welke impact zou die maatregel op het aantal plaatsen hebben, mochten ook die gede- tineerden worden beoogd? Mevrouw Matz roept er op haar beurt toe op de ge- vangenisdirecteurs te horen, aangezien zij een van de belangrijkste schakels zullen zijn bij de tenuitvoerleg- ging van de nieuwe wet. Zij betreurt dat het tijdpad zo krap is en legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de minister, die de wet op de korte straffen koste wat het comme la presse le relevait encore la semaine passée, la mise en place des maisons de détention patine. Mme Matz constate que la mesure de libération anti- cipée prévue dans le projet de loi avait déjà été utilisée dans le cadre de la pandémie de COVID-19. Mais, il s’agissait alors de faire face à une situation exception- nelle. Or, en maintenant cette mesure pour lutter contre la surpopulation, le ministre l’utilise pour contrer un problème structurel. Ce problème est en outre aggravé par la dernière disposition législative relative aux courtes peines. Mme Matz fait également remarquer que le projet de loi ne donne aucune données chiffrées sur l’impact de la mesure préconisée. Par ailleurs, si certaines catégories de détenus sont exclues de ce dispositif (délit sexuel, terrorisme, étran- ger sans droit de séjour, détenu mis à disposition du tribunal) ainsi que les détenus condamnés à plus de 10 ans, l’intervenante s’interroge sur l’importance, dans ce dispositif, des critères de dangerosité et de récidive. Est-ce que les catégories relevées sont toujours forcé- ment plus dangereuses? N’y a-t-il pas, par exemple, plus de risques face à quelqu’un condamné à une peine de 9 ans de prison pour des atteintes violentes à des personnes et qui présenterait un risque de récidive important, par rapport à quelqu’un qui a été condamné à 3 ou 4 ans avec un risque de récidive moins élevé dans l’une des catégories exclues par le projet de loi? Le projet de loi essaie en outre de mettre en place un maximum de barrières afin de permettre de manière large une révocation en cas de problème lors de la libération anticipée. Mme Matz considère qu’il aurait été plus logique et équitable d’envisager une libération de l’ensemble des condamnés à 6 mois de la fin de la peine, sauf en cas de contre-indications. C’est d’ailleurs la position défendue par le Conseil central de surveil- lance pénitentiaire. Il est enfin important de rappeler que les congés octroyés dans le cadre de la première crise sanitaire n’ont pas entraîné de problèmes notables. Dans le cadre d’un projet de loi invoquant une justice plus humaine, il paraîtrait plus cohérent de tenir compte de la situation individuelle et personnelle des détenus. Quel serait l’impact de cette mesure sur le nombre de places, si ces détenus étaient également visés? Mme Matz appelle à son tour à organiser une audition des directeurs de prison, dans la mesure où ils seront un des rouages principaux de la mise en œuvre du projet de loi. Elle déplore que le calendrier soit si serré et renvoie à la responsabilité du ministre qui a voulu, coûte que coûte, que la loi sur les courtes peines entre en vigueur 2774/004 DOC 55 10 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E kost in werking wil doen treden op 1 september 2022. De actoren van de sector zullen andermaal met een verandering van formaat te maken krijgen. Zoals het College van procureurs-generaal aanstipt, zou dit wets- ontwerp er nog moeten komen vóór het parlementair reces maar dus tijdens het gerechtelijk verlof. Zulks zal de tenuitvoerlegging van die maatregelen nog wat heikeler maken en al te veel druk leggen bij de actoren van het gerecht en van het gevangeniswezen. De spreekster herinnert eraan dat nog geen week geleden een veel ruimer opgevat wetsontwerp om jus- titie menselijker, sneller en straffer te maken, aan de commissie werd voorgelegd voordat een selectie werd gemaakt. Zoals met de wet op de korte straffen, meet de minister zich een onmogelijk tijdpad aan. Op die manier maakt hij de situatie voor de magistraten en in de gevangenissen ronduit onwerkbaar. De procureurs- generaal spreken zelfs van een chaotische toestand – en daar zit het gevangeniswezen niet op te wachten. Mocht dit mechanisme lang blijven bestaan, dan is een van de gevaren dat de magistraten een inflatie aan straffen zullen creëren omdat zij er zeker van zullen wil- len zijn dat de veroordeelden toch minstens een deel van hun straf uitzitten. Ondanks die kritiek begrijpt de spreekster het doel van het wetsontwerp. Om het goede verloop van de detenties niet te dwarsbomen en om te voorkomen dat het binnen de penitentiaire inrichtingen uit de hand loopt wegens het grote aantal instromende gedetineerden, is zij er niet noodzakelijk op uit zich ertegen te verzetten. Aangaande de andere punten waarvoor de urgentie gehandhaafd is, heeft mevrouw Matz geen specifieke opmerkingen, tenzij het feit dat zij ingenomen is met de mogelijkheid om de penitentiaire verloven uit te breiden en om de slachtoffers beter te informeren. In verband met de door de amendementen beoogde wijzigingen aangaande het diploma en de nationaliteit voor de advocaten, ten slotte, vraagt zij of een advies van AVOCATS.be en van de Orde van Vlaamse Balies beschikbaar is. B. Antwoorden De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee, antwoordt op de gestelde vragen op de volgende wijze: Bevoegdheden van de gemeenschappen De minister antwoordt de heer D’Haese dat de in- houd van het wetsontwerp al voorgelegd werd aan de le 1er septembre 2022. Les acteurs du secteur seront confrontés à un nouveau changement d’envergure. Comme le pointe le Collège des procureurs généraux, l’adoption de ce projet de loi devrait intervenir avant les vacances parlementaires, mais donc pendant les congés judiciaires. Cela fragilisera encore un peu plus la mise en œuvre de ces mesures et mettra les acteurs du monde judiciaire et du monde carcéral sous une pression trop importante. L’intervenante rappelle qu’il y a moins d’une semaine, un projet de loi visant à rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme II, beaucoup plus large, était soumis à la commission, avant qu’une sélection ne soit effectuée. Comme pour la loi sur les courtes peines, le ministre s’enferme dans un calendrier impossible. Ce faisant, le ministre rend la situation pour les magistrats et dans les prisons absolument ingérable. Les procureurs généraux évoquent même une situation chaotique, ce dont le système pénitentiaire n’a pas besoin. Si ce mécanisme devait perdurer dans le temps, un des risques serait de voir survenir une inflation des peines de la part des magistrats, en vue de s’assurer que les condamnés effectuent au moins une partie de leur peine. Malgré ces critiques, l’intervenante comprend l’objectif du projet du loi. En outre, par souci pour le bon dérou- lement des détentions et pour éviter une explosion au sein des établissements pénitentiaires en raison du nombre de personnes qui y entrent, elle ne cherchera pas nécessairement à s’y opposer. En ce qui concerne les autres points maintenus dans l’urgence, Mme Matz ne formule pas de commentaire, si ce n’est qu’elle se réjouit de la possibilité d’élargissement des congés pénitentiaires, et surtout d’une meilleure information des victimes. Enfin, à propos des modifications proposées par amendements concernant le diplôme et la nationalité pour les avocats, elle demande si un avis d’AVOCATS. be et du Orde van Vlaamse Balies est disponible. B. Réponses M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, répond comme suit aux questions posées: Compétences des communautés Le ministre répond à M. D’Haese que le contenu du projet de loi a déjà été soumis aux communautés le 25 11 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gemeenschappen op 25 februari. Zij werden om advies gevraagd op 7 maart. Hun adviezen werd pas op 4 mei ontvangen. De officiële interministeriële conferen- tie justitiehuizen heeft op 19 april plaatsgevonden. Er werd wel degelijk met heel wat opmerkingen van de gemeenschappen rekening gehouden. Er zijn namelijk een aantal bepalingen uit het voorontwerp geschrapt ten gevolge van dit advies alsook van het advies van het College van procureurs-generaal. Menselijker, snellere en straffere justitie De ambitie om justitie menselijker, sneller en straffer te maken is iets wat men elke dag waarmaakt, met diverse wetten, koninklijke besluiten, beslissingen enzovoort. Dit wetsontwerp is maar een puzzelstukje hierin. De maatre- gelen om slachtoffers sneller en beter te informeren zowel via de bepalingen die dienen om het proces “aanslagen” te kunnen uitzenden, als de bepalingen die dienen om slachtoffers beter te informeren over de uitgaansver- gunning van een dader, zijn hier voorbeelden van. Een uitbreiding voor attesten en akten van erfopvolging zodat erfgenamen en echtgenoten gemakkelijker en sneller bankrekeningen kunnen deblokkeren, of de aanpak van gokverslaving via een correcte uitvoering van EPIS zijn bijvoorbeeld ook stappen in de goede richting. Strafuitvoering Op de opmerking van de heer D’Haese antwoordt de minister dat de wet op de uitvoering van de korte straffen die op 1 september 2022 in werking treedt, net meer armslag aan de strafuitvoeringsrechter zal geven. Voordien werkte men met rondzendbrieven die de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter te buiten gingen. Bijgevolg kan men gewagen van een versterking van de rechterlijke macht. Vervroegde invrijheidstelling en uitvoering van de korte straffen De minister had liever geen maatregel hoeven te nemen waarbij veroordeelden 6 maanden vóór het einde van hun vrijheidsstraf vervroegd kunnen worden vrijgelaten, maar hij kan niet om de realiteit van de overbevolking in de gevangenissen heen. Er zijn momenteel immers 11 000 gedetineerden voor slechts 9 500 plaatsen. Er diende bijgevolg op korte termijn iets te gebeuren zodat de situatie, vooral voor het personeel van de strafinrich- tingen, doenbaar blijft. De minister wil bovendien een extra marge aan plaatsen creëren, teneinde de effectieve uitvoering van de korte straffen vanaf september 2022 te kunnen doen ingaan. février. Elles ont été invitées à donner leur avis le 7 mars. Les avis n’ont été reçus que le 4 mai. La conférence interministérielle officielle Maisons de justice a eu lieu le 19 avril. Il a bel et bien été tenu compte de nombreuses observations des communautés. En effet, certaines dispositions ont été supprimées de l’avant-projet à la suite de ces avis et de l’avis du Collège des procureurs généraux. Justice plus humaine, plus rapide et plus ferme L’ambition de rendre la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme se réalise chaque jour, au moyen de diverses lois, arrêtés royaux, décisions, etc. Le projet de loi à l’examen n’est qu’une petite pièce du puzzle. Les mesures visant à informer plus rapidement et mieux les victimes, tant par le biais des dispositions permettant de diffuser le procès “attentats” que de celles visant à mieux informer les victimes de la permission de sortie d’un auteur, en sont des exemples. L’extension concernant les certificats et actes de succession afin que les héri- tiers et les conjoints puissent débloquer plus facilement et plus rapidement les comptes bancaires, ou la lutte contre la dépendance au jeu par une mise en œuvre correcte du système EPIS, constituent également des pas dans la bonne direction. Exécution des peines Le ministre répond à M. D’Haese que la loi sur les courtes peines qui entrera en vigueur le 1er septembre 2022, donne précisément plus de pouvoir au juge de l’exécution de peines. Auparavant, on travaillait avec des circulaires qui dépassaient les pouvoirs du juge de l’exécution des peines. Il y a donc un renforcement du pouvoir judiciaire. Libération anticipée et exécution des courtes peines Quant à la mesure de libération anticipée 6 mois avant la fin de la peine privative de liberté, le ministre aurait préféré ne pas devoir prendre une telle mesure. Mais, la réalité de la surpopulation carcérale s’est imposée à lui: il y a plus de 11 000 détenus pour 9 500 places. Il fallait donc faire quelque chose à court terme pour que la situation reste gérable, notamment pour le personnel des établissements pénitentiaires. Le ministre souhaite en outre prévoir une marge supplémentaire pour pou- voir démarrer l’exécution effective des courtes peines dès septembre 2022. 2774/004 DOC 55 12 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hij benadrukt dat die vervroegde invrijheidstelling niet blindelings zal worden toegepast. De gedetineerden die ervoor in aanmerking komen, zullen aan strikte voorwaar- den moeten beantwoorden. De gevangenisdirecteurs zullen geenszins worden verplicht dergelijke beslissingen te nemen. Ze zullen tot vervroegde invrijheidstelling kunnen beslissen ten gunste van gedetineerden die zich correct gedragen. Enkel straffen van minder dan 10 jaar komen in aanmerking, waardoor veroordeelden wegens ernstige feiten, zedenfeiten en feiten van terrorisme er- van zijn uitgesloten. Ook wie niet over een verblijfstitel beschikt, kan geen beroep doen op de maatregel. De minister kan zich dan ook niet vinden in de analyse van sommige leden, die vinden dat de maatregel de straf- feloosheid in de hand zou werken. Hij herinnert eraan dat die maatregel van toepassing is op mensen die al in de gevangenis zitten en van wie de straf bijgevolg wordt uitgevoerd. Het gaat om gedetineerden die om de één of andere reden geen beroep hebben kunnen doen op een voorwaardelijke invrijheidstelling en die bijgevolg worden verondersteld hun straf volledig uit te zitten, met alle moeilijkheden voor hun re-integratie van dien. Het gaat trouwens niet om een nieuwe maatregel. In 2020 en 2021 werd reeds een gelijkaardige maatregel genomen ten aanzien van 636 gedetineerden. Voor de minister is het de enige manier waarop de overbevol- king in de gevangenis op korte termijn onder controle kan worden gehouden en waarbij ook de korte straffen kunnen worden uitgevoerd. Het betreft dus een nood- maatregel, waarmee tevens wordt tegemoetgekomen aan de wensen van het gevangenispersoneel. Verhoging van de gevangeniscapaciteit De minister voegt eraan toe dat hij blijft werken aan een verhoging van de gevangeniscapaciteit. De gevangenis- sen van Haren en Dendermonde zullen bij hun opening een bijkomende nettocapaciteit van 350 plaatsen bieden. Indien men de bestaande gevangenissen van Sint-Gillis en Dendermonde langer openhoudt, krijgt men er nog eens 350 plaatsen bij. In totaal zal men dus over onge- veer 700 extra plaatsen kunnen beschikken. Wanneer men er de plaatsen in de detentiehuizen bijtelt, komt men op korte termijn aan 800 extra plaatsen. Detentiehuizen De minister antwoordt mevrouw Dillen dat de rege- ring in oktober 2021 gevolg heeft gegeven aan een resolutie die het Parlement omstreeks 2012-2013 heeft aangenomen. Destijds had een meerderheid van de parlementsleden opgeroepen tot de oprichting van detentiehuizen. De heer Koen Geens heeft als minister van Justitie een eerste stap gezet met de oprichting van transitiehuizen. Thans is een nieuwe fase aangebroken Il souligne que cette mesure de libération anticipée ne sera pas appliquée de manière aveugle. Il faudra que les détenus répondent à des conditions strictes. La décision ne sera aucunement obligatoire pour les directeurs de prisons. Il s’agira d’une décision qu’ils pourront prendre pour les détenus qui se comportent correctement. Cela ne concerne que les peines inférieures à 10 ans et ne concernent donc pas les personnes condamnées pour des faits graves, des faits de mœurs et des faits de terrorisme. La mesure ne concerne pas non plus les personnes qui ne disposent pas d’un titre de séjour. Le ministre ne partage donc pas l’analyse de certains membres, selon laquelle cette mesure contribuerait à l’impunité. Il rappelle que cette mesure s’applique à des personnes qui sont déjà en prison et dont la peine est donc appliquée. Cela concerne des détenus qui, pour l’une ou l’autre raison, n’ont pas pu bénéficier d’une libération conditionnelle et qui vont donc à fond de peine, ce qui rend d’ailleurs difficile leur réinsertion. Il ne s’agit en outre pas d’une nouvelle mesure. Une pareille mesure a déjà été décidée en 2020 en en 2021 et a concerné 636 personnes. Pour le ministre, c’est la seule manière de garder la surpopulation carcérale sous contrôle à court terme et de pouvoir aussi exécuter les courtes peines. Il s’agit donc d’une mesure d’urgence, qui vise aussi à satisfaire le personnel des prisons. Augmentation des capacités Le ministre ajoute qu’il continue à travailler à une augmentation des capacités. Lorsque les prisons de Haren et de Termonde ouvriront, cela donnera une capacité nette supplémentaire de 350 places. Si on prolonge l’existence des prisons existantes de Saint- Gilles et de Termonde, cela donnera aussi une capacité supplémentaire de 350 places. Au total, ça fera donc environ 700 places supplémentaires. Si on y ajoute les places dans les maisons de détention, on arrivera à court terme à 800 places supplémentaires. Maisons de détention Le ministre répond à Mme Dillen que le gouvernement a, en octobre 2021, donner suite à une résolution votée par le parlement vers 2012-2013. A l’époque, une majorité des membres du parlement avaient appelé à créer des maisons de détention. M. Koen Geens, lorsqu’il était ministre de la Justice, a franchi une première étape en créant des maisons de transition. A présent, une nouvelle étape est franchie en créant des maisons de détention. 13 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E met de oprichting van de detentiehuizen. De regering heeft daartoe in oktober 2021 een budget van 91 miljoen euro vrijgemaakt. Op 1 april 2022 heeft de regering acht locaties voor die huizen bepaald. Er werd beslist die locaties pas mee te delen wanneer de betrokken lokale overheden er klaar voor zijn. In het verleden heeft elke aankondiging (Kortrijk, Vorst, Ninove) immers tot heel wat ophef in de betrokken gemeenten geleid. Het is met andere woorden niet vanzelfsprekend een voldoende groot draagvlak te creëren. De heer D’Haese heeft dat overigens zelf kunnen vaststellen toen hij met veel goede moed een centrum voor forensische psychiatrie in zijn thuisstad wou openen. Volgens de minister kan men om korte straffen toe te passen beter eerst de wet inzake de korte straffen aannemen en beginnen uit te voeren, veeleer dan te wachten tot de detentiehuizen voltooid zijn. Dat doet men immers al vijftien jaar en het is duidelijk dat die afwachtende strategie niet werkt, aangezien de straf- fen van minder dan 6 maanden sinds 1970 niet meer worden uitgevoerd. De minister geeft aan dat hij alles in het werk stelt om te komen tot 720 plaatsen in deten- tiehuizen. Hij stelt overigens vast dat bepaalde lokale overheden ter zake gelukkig meer openheid aan de dag leggen dan andere (Gent, Mechelen) en hoopt dat er ook mogelijkheden zullen zijn in Antwerpen, de tweede grootste stad van het land, waar het bestaande huis van arrest sterk overbevolkt is. Digitalisering van de dossiers De minister antwoordt mevrouw Dillen dat er werk wordt gemaakt van het digitaal raadplegen van de dos- siers, waar zij al lang om vraagt. Het proces werd vorige week opgestart. De minister zou ook willen dat het al- lemaal sneller gaat, maar geeft aan dat hij er inmiddels voor heeft gezorgd dat er schot in de zaak komt. Voor deze zomer werden jobstudenten in dienst genomen en werden scanners geïnstalleerd om ongeveer 10 000 dossiers te digitaliseren. Advies van het College van procureurs-generaal De minister antwoordt de heer D’Haese dat het College van procureurs-generaal zich kritisch had uitgelaten over de beperkte detentie, maar dat die bepaling inmiddels uit het wetsontwerp is gelicht. Voor zover de minister weet, heeft het College van procureurs-generaal zich niet uitgesproken over de maatregel van de vervroegde invrijheidstelling 6 maanden voor het einde van de vrijheidsstraf. A cette fin, le gouvernement a, en octobre 2021, déblo- qué un budget de 91 millions d’euros. Le 1er avril 2022, le gouvernement a déterminé 8 localisations. Il a été décidé de ne communiquer ces localisations que lorsque les autorités locales concernées seront prêtes, sachant que, chaque fois qu’il y a eu des annonces (Courtrai, Forest, Ninove), cela a suscité de forts remous dans les communes concernées. Il n’est donc pas évident de créer une base suffisante. M. D’Haese a d’ailleurs pu en faire lui-même l’expérience lorsqu’il a, avec beau- coup de courage, voulu ouvrir un Centre de psychiatrie légale dans sa ville. Le ministre estime qu’il était préférable de d’abord adopter la loi sur les courtes peines et de commencer à l’exécuter, plutôt que d’attendre que les maisons de détention soient construites avant de commencer à appliquer les courtes peines. En effet, c’est ce qui a été fait depuis 15 ans et on voit bien que ça ne fonctionne pas, puisque les peines de moins de 6 mois ne sont plus exécutées depuis 1970. Le ministre indique qu’il fait tout ce qu’il peut pour arriver à 720 places en maisons de détention. Il constate d’ailleurs que certaines autorités locales sont heureusement plus ouvertes que d’autres sur le sujet (Gand, Malines). Il espère qu’il y aura aussi des possibilités à Anvers qui est la deuxième plus grande ville du pays et où il y a une forte surpopulation dans la maison d’arrêt existante. Numérisation des dossiers Le ministre répond à Mme Dillen que la consultation numérique des dossiers qu’elle réclame depuis longtemps est en cours de réalisation. Le processus a commencé la semaine passée. Le ministre voudrait aussi que ça aille plus vite. Mais, entre-temps, il a fait en sorte que ça avance. Cet été, des étudiants ont été engagés et des scanners ont été installés pour numériser environ 10 000 dossiers. Avis du Collège des procureurs généraux Le ministre répond à M. D’Haese que le Collège des procureurs généraux était critique au sujet de la détention limitée, mais que cette disposition a, entre-temps, été retirée du projet de loi. A sa connaissance, le Collège des procureurs généraux ne s’est pas prononcé sur la mesure de libération anticipée 6 mois avant la fin de la peine privative de liberté. 2774/004 DOC 55 14 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E C. Replieken De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) verduidelijkt dat hij er ondanks zijn kritiek van overtuigd is dat bepaalde maatregelen van dit wetsontwerp kunnen leiden tot een verlichting van de overbevolking in de gevangenissen. Op basis van de respons uit het veld is hij echter van oordeel dat die maatregelen absoluut onvoldoende zullen zijn. Hij benadrukt het verschil tussen de theorie en de praktijk. Daarom roept hij opnieuw op tot een hoorzit- ting met de gevangenisdirecteurs. Bovendien bevat het wetsontwerp onsamenhangendheden: het voorziet in maatregelen om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, maar ook in maatregelen die ze zullen verergeren. De heer Christoph D’Haese (N-VA) gaat eerst in op het vaak aan bod gekomen plaatsgebrek in de gevan- genissen. De minister verlaat zich op projecten uit de vorige zittingsperiodes om nieuwe plaatsen tot stand te brengen. Hoe staat het echter met de bouw van de gevangenissen van Leopoldsburg en van Oostende? Bovendien verwijst de minister inzake de detentiehuizen vaak naar de lokale besturen. Is er geen nood aan een andere aanpak? De Staat zou zelf terreinen kunnen verwerven en zelf detentiehuizen kunnen bouwen. De heer D’Haese betwist de stelling als zou het College van procureurs-generaal het niet hebben over de ver- vroegde invrijheidstelling op 6 maanden voor het stra- feinde. Zo wordt inzake artikel 69 van het wetsontwerp gewezen op de vicieuze cirkel waarbij de veroordeelde nieuwe feiten pleegt, opnieuw wordt aangehouden en in voorlopige hechtenis wordt genomen (vanwege het risico op recidive), wat op zijn beurt een weerslag heeft op de overbevolking. Van straffeloosheid zou volgens de minister geen sprake zijn, daar zulks tot het gebied van de strafuitvoering zou behoren. De heer D’Haese is echter van oordeel dat iemand een dag in de gevangenis stoppen en dan weer vrijlaten wel degelijk neerkomt op straffeloosheid. Hij vindt dat dit getuigt van een gebrek aan visie. Straffen moeten zinvol zijn en naar behoren worden georganiseerd. Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) wijst erop dat de gevangenisdirecteurs uiteraard door de commissie kunnen worden gehoord. Ze verzoekt echter om die hoorzitting los van dit wetsontwerp te houden, voor zover het bepalingen bevat die tegen 1 september 2022 in werking moeten treden. Daarom roept ze de meerderheid op het verzoek van de heer Boukili om een hoorzitting te houden, niet te steunen. C. Répliques M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) précise que, malgré ses critiques, il est persuadé que certaines mesures du présent projet de loi peuvent apporter une amélioration à la surpopulation carcérale. Il estime cependant que, sur la base des échos du terrain, ces mesures seront totalement insuffisantes. Il souligne la différence qui existe entre la théorie et la pratique. C’est la raison pour laquelle il renouvelle son appel à organiser une audition des directeurs de prisons. En outre, le projet de loi contient des incohérences puisqu’il prévoit, à la fois des mesures visant à lutter contre la surpopulation carcérale et des mesures qui vont l’aggraver. M. Christoph D’Haese (N-VA) revient tout d’abord sur le problème du manque de places de prison, lequel est maintes fois rapporté. Le ministre se repose sur des projets de création de nouvelles places qui datent des précédentes législatures. Concrètement, où en est-on dans le construction des prisons de Bourg-Léopold et d’Ostende? En outre, concernant les maisons de détention, le ministre se réfère beaucoup aux autorités locales. Ne faudrait-il pas adopter une autre approche? L’État pourrait acquérir lui-même des terrains et construire lui-même des maisons de détention. D’après M. D’Haese, il n’est pas exact d’affirmer que le Collège des procureurs généraux n’évoque pas la libération anticipée 6 mois avant la fin de la peine de prison. En effet, à propos de l’article 69 du projet de loi, ce dernier évoque le cercle vicieux qui conduit des condamnés à commettre de nouveaux faits, à être arrêtés et à atterrir en détention provisoire (en raison du risque de récidive), ce qui a, à son tour, un impact sur la surpopulation. Selon le ministre, il n’y aurait pas d’impunité, dès lors qu’on serait dans le domaine de l’application des peines. Mais, pour M. D’Haese, si on met quelqu’un en prison pendant une journée et qu’on le laisse ressortir, on se trouve bien dans une situation d’impunité. Il estime donc qu’il manque une vision. Les peines doivent avoir du sens et être organisées convenablement. Mme Katja Gabriëls (Open Vld) souligne que les directeurs de prisons peuvent bien entendu être audi- tionnés par la commission. Elle demande cependant que cette audition ait lieu indépendamment du projet de loi à l’examen, dans la mesure où ce dernier contient des dispositions qui doivent entrer en vigueur pour le 1er septembre prochain. Elle invite donc la majorité à ne pas soutenir la demande d’auditions formulée par M. Boukili. 15 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E D. Bijkomende antwoorden De minister verduidelijkt dat het artikel 69 waarnaar de heer D’Haese verwijst geen verband houdt met de vervroegde invrijheidstelling op 6 maanden voor het einde van de vrijheidsstraf. Inzake de straffeloosheid zij erop gewezen dat het systeem van de voorwaardelijke invrijheidstelling al meer dan 120 jaar bestaat. Het draagt dus niet bij tot de straffeloosheid. * *  * De commissie beslist met 10 tegen 2 stemmen om niet in te gaan op het verzoek van de heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) om hoorzittingen te organiseren en met 10 tegen 4 stemmen om niet in te gaan op zijn verzoek om schriftelijke adviezen in te winnen (art. 28 Rgt.). D. Réponses complémentaires Le ministre précise que l’article 69 auquel M. D’Haese se réfère est sans rapport avec la libération anticipée 6 mois avant la fin de la peine privative de liberté. Quant à l’impunité, le système de la libération conditionnelle existe depuis plus de 120 ans et ne contribue donc pas à l’impunité. * *  * La commission décide, par 10 voix contre 2, de ne pas accéder à la demande de M. Nabil Boukili (PVDA- PTB) d’organiser des auditions et, par 10 voix contre 4, de ne pas accéder à sa demande de recueillir des avis écrits (art. 28 du Règlement). 2774/004 DOC 55 16 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E III. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke bevoegdheids- grondslag. Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 2 Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 2 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 165/1, twee- de lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 38 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Amendement nr. 38 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering Art. 3 tot 17 Deze artikelen hebben betrekking op wijzigingen van het Wetboek van strafvordering. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 39 tot 53 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten. De amendementen nrs. 39 tot 53 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. Art. 18 Artikel 18 strekt tot invoeging van een artikel 258/1 in het Wetboek van strafvordering, teneinde te voorzien in de mogelijkheid om van de debatten ter terechtzitting een geluids- of audiovisuele opname te maken, zodat III. — DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES CHAPITRE 1ER Dispositions générales Article 1er Cet article fixe le fondement constitutionnel de la compétence. L’article 1er est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 2 Modification de l’ancien Code civil Art. 2 Cet article vise une modification de l’article 165/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 38 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger cet article. L’amendement n° 38 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 3 Modifications du Code d’instruction criminelle Art. 3 à 17 Ces articles concernent des modifications du Code d’instruction criminelle. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 39 à 53 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 39 à 53 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 18 L’article 18 vise à insérer un article 258/1 au Code d’instruction criminelle, en vue de prévoir la possibilité d’effectuer une captation sonore ou audiovisuelle des débats à l’audience permettant la diffusion en différé 17 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ze uitgesteld toegankelijk kunnen worden gesteld voor de bekende slachtoffers en hun advocaten die daarom hebben verzocht. De heer Christoph D’Haese (N-VA) stipt aan dat de GBA een aantal opmerkingen heeft gemaakt over de verwerking van de persoonsgegevens. In de memorie van toelichting worden die opmerkingen weerlegd. De spreker wil zich in dezen pragmatisch opstellen en moedigt dit heel belangrijke initiatief ten behoeve van de slachtoffers aan, maar vraagt zich toch af of alle technische aspecten in orde zijn en of de slachtoffers bij problemen op technische bijstand zullen kunnen rekenen. Ook mevrouw Marijke Dillen (VB) steunt dit initiatief, dat getuigt van een streven naar een menselijkere gerecht. Zulks zou heel veel burgerlijke partijen de mogelijkheid bieden het proces te volgen. Werd in voldoende perso- nele en financiële middelen voorzien om dit initiatief te doen slagen? De minister antwoordt dat het proces van de aanslagen in Parijs inspiratie heeft geboden voor een dergelijke technische oplossing. Uiteindelijk zal de voorzitter van het hof van assisen beslissen of en onder welke voorwaarden er al dan niet gebruik van zal worden gemaakt. Er zou een budget van 800 000 euro voor worden uitgetrokken. Voor dit project zou ook worden voorzien in de nodige personele en technische middelen. Bovendien is het de bedoeling dat er een helpdesk komt om de slachtoffers te helpen bij technische problemen. De minister voegt eraan toe dat het Justitiagebouw heel groot is en aan veel slachtoffers plaats zal bieden. Artikel 18 wordt eenparig aangenomen. Art. 19 Dit artikel strekt ertoe in hetzelfde Wetboek een arti- kel 258/2 in te voegen. Over artikel 19 worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Strafwetboek Art. 20 tot 23 Deze artikelen hebben betrekking op wijzigingen in het Strafwetboek. aux victimes connues et à leurs avocats qui en auront fait la demande. M. Christoph D’Haese (N-VA) indique que l’APD a fait une série de remarques concernant le traitement des données personnelles. Ces remarques sont réfutées dans l’exposé des motifs. Si l’orateur souhaite faire preuve de pragmatisme en l’espèce et encourage cette initiative très importante qui est proposée pour les victimes, il se demande si tous les aspects techniques sont au point et si les victimes recevront une assistance technique en cas de problèmes. Mme Marijke Dillen (VB) soutient elle aussi cette ini- tiative qui témoigne en effet d’une justice “plus humaine”. Les très nombreuses parties civiles pourront de la sorte suivre le procès. A-t-on bien prévu suffisamment de moyens humains et financiers pour mener à bien cette initiative? Le ministre répond que le procès des attentats de Paris a permis de nous inspirer concernant ce type de solution technique notamment. C’est le président de la cour d’assises qui décidera finalement si cela doit être utilisé ou pas, et à quelles conditions. Un budget de 800 000 euros a été prévu. Les moyens humains et techniques ont aussi été prévus pour ce projet. En outre, un helpdesk sera mis en place pour aider les victimes en cas de problème d’ordre technique. Le ministre ajoute que le bâtiment Justitia est très grand et pourra déjà contenir un nombre important de victimes. L’article 18 est adopté à l’unanimité. Art. 19 Cet article vise un insérer un article 258/2 dans le même Code. L’article 19 ne fait l’objet d’aucun commentaire. Il est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 4 Modifications du Code pénal Art. 20 à 23 Ces articles concernent des modifications du Code pénal. 2774/004 DOC 55 18 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 54 tot 57 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten. De amendementen nrs. 54 tot 57 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. Art. 23/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende- ment nr. 20 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw artikel 23/1 in te voegen tot aanvulling van artikel 417/42 van het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 20 wordt eenparig aangenomen. Art. 23/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 21 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti- kel 23/2 in te voegen, tot wijziging van de Nederlandse tekst van artikel 417/46, tweede lid, van het Strafwetboek. Het betreft een technische correctie. Amendement nr. 21 wordt eenparig aangenomen. Art. 24 Dit artikel beoogt wijzigingen aan te brengen in een aantal bepalingen van het Strafwetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 58 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Amendement nr. 58 wordt eenparig aangenomen. Art. 24/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 1 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti- kel 24/1 in te voegen, tot wijziging van artikel 433quater/4, derde lid, van het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 54 à 57 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 54 à 57 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 23/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende- ment n° 20 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un ar- ticle 23/1 nouveau en vue de compléter l’article 417/42 du Code pénal. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 20 est adopté à l’unanimité. Art. 23/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 21 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 23/2 nouveau en vue de modifier le texte néer- landais de l’article 417/46, alinéa 2, du Code pénal. Il s’agit d’une correction d’ordre technique. L’amendement n° 21 est adopté à l’unanimité. Art. 24 Cet article vise à apporter des modifications dans une série de dispositions du Code pénal. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 58 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger cet article. L’amendement n° 58 est adopté à l’unanimité. Art. 24/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende- ment n° 1 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un ar- ticle 24/1 nouveau en vue de modifier l’article 433quater/4, alinéa 3, du Code pénal. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 1 est adopté à l’unanimité. 19 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 24/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 2 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw artikel 24/2, teneinde een nieuw artikel 433quater/8 in te voegen in het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen. Art. 24/3 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 22 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti- kel 24/3 in te voegen, tot wijziging van artikel 433novies, § 2, van het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 22 wordt eenparig aangenomen. Art. 25 Dit artikel beoogt wijzigingen aan te brengen aan artikel 442/1 van het Strafwetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 59 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Amendement nr. 59 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 5 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 25/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 3 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw arti- kel 25/1, tot invoeging van een nieuwe § 7 in artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 3 wordt eenparig aangenomen. Art. 25/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 4 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw artikel 25/2, teneinde een nieuwe § 5 in te voegen in artikel 101 van hetzelfde Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Art. 24/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 2 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 24/2 nouveau en vue d’insérer un nouvel article 433quater/8 dans le Code pénal. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 2 est adopté à l’unanimité. Art. 24/3 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 22 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 24/3 nouveau en vue de modifier l’article 433novies, § 2, du Code pénal. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 22 est adopté à l’unanimité. Art. 25 Cet article vise à apporter des modifications à l’ar- ticle 442/1 du Code pénal. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 59 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger cet article. L’amendement n° 59 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 5 Modifications du Code judiciaire Art. 25/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 3 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 25/1 nouveau en vue d’insérer un nouveau para- graphe 7 à l’article 76 du Code judiciaire. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 3 est adopté à l’unanimité. Art. 25/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 4 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 25/2 nouveau en vue d’insérer un nouveau paragraphe 5 dans l’article 101 du même Code. Il est renvoyé à la justification. 2774/004 DOC 55 20 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen. Art. 25/3 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 16 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw ar- tikel 25/3 in te voegen, teneinde wijzigingen aan te brengen aan artikel 428 van hetzelfde Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 16 wordt eenparig aangenomen. Art. 26 tot 33 Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 60 tot 67 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten. De amendementen nrs. 60 tot 67 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 5/1 (NIEUW) Opheffing van het koninklijk besluit van 24 augustus 1970 tot invoering van een afwijking van de voorwaarde van nationaliteit gesteld bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep van advocaat Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 17 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw hoofd- stuk 5/1 in te voegen, met als opschrift “Opheffing van het koninklijk besluit van 24 augustus 1970 tot invoering van een afwijking van de voorwaarde van nationaliteit gesteld bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep van advocaat.”. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 17 wordt eenparig aangenomen. Art. 33/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 18 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw ar- tikel 33/1 in te voegen, tot opheffing van het koninklijk besluit van 24 augustus 1970 tot invoering van een L’amendement n° 4 est adopté à l’unanimité. Art. 25/3 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 16 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 25/3 nouveau en vue d’apporter des modifica- tions à l’article 428 du même Code. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 16 est adopté à l’unanimité. Art. 26 à 33 Ces articles concernent des modifications du Code judiciaire. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 60 à 67 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 60 à 67 sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 5/1 (NOUVEAU) Abrogation de l’arrêté royal du 24 août 1970 apportant une dérogation à la condition de nationalité prévue à l’article 428 du Code judiciaire relatif au titre et à l’exercice de la profession d’avocat (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 17 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un chapitre 5/1 nouveau intitulé “Abrogation de l’arrêté royal du 24 août 1970 apportant une dérogation à la condition de nationalité prévue à l’article 428 du Code judiciaire relatif au titre et à l’exercice de la profession d’avocat.”. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 17 est adopté à l’unanimité. Art. 33/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 18 (DOC 55 2774/002), qui vise à insé- rer un article 33/1 nouveau abrogeant l’arrêté royal du 24 août 1970 apportant une dérogation à la condition 21 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E afwijking van de voorwaarde van nationaliteit gesteld bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep van advocaat. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 18 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 6 Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen Art. 34 Dit artikel strekt ertoe wijzigingen aan te brengen aan artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot rege- ling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 68 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Amendement nr. 68 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 7 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 35 tot 38 Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 69 tot 72 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten. De amendementen nrs. 69 tot 72 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 8 Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek Art. 38/1 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 26 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/1 in te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 1.7 van de nationalité prévue à l’article 428 du Code judiciaire relatif au titre et à l’exercice de la profession d’avocat. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 18 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 6 Modification de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques Art. 34 Cet article vise à apporter des modifications à l’article 8, § 6, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 68 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger cet article. L’amendement n° 68 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 7 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 35 à 38 Ces articles concernent des modifications du Code de la nationalité belge. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 69 à 72 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 69 à 72 sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 8 Modifications du Code civil Art. 38/1 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 26 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 38/1 en vue d’apporter des modifications dans le 2774/004 DOC 55 22 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 26 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/2 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 27 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/2 in te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 2.3.58, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 27 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/3 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 28 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/3 in te voegen, teneinde artikel 2.3.42, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 28 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/4 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 29 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/4 in te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 4.4, tweede lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 29 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/5 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 34 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/5 in te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 4 143, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 34 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/6 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 35 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/6 in texte français de l’article 1.7 du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 26 est adopté à l’unanimité. Art. 38/2 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 27 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 38/2 en vue de modifier le texte français de l’article 2.3.58, alinéa 2, du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 27 est adopté à l’unanimité. Art. 38/3 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 28 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 38/3 en vue de remplacer l’article 2.3.42, alinéa 3, du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 28 est adopté à l’unanimité. Art. 38/4 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 29 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 38/4 en vue de modifier le texte français de l’article 4.4, alinéa 2, 2°, du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 29 est adopté à l’unanimité. Art. 38/5 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 34 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 38/5 en vue de modifier le texte français de l’article 4 143, alinéa 1er, du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 34 est adopté à l’unanimité. Art. 38/6 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 35 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer 23 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E te voegen, teneinde de Franse tekst van het opschrift van artikel 4.167 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 35 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/1 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 5 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 38/1 in te voegen, teneinde artikel 2.3.84 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen. Art. 38/2 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 6 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 38/2 in te voegen, teneinde een artikel 2.3.89 in te voegen in het Burgerlijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 6 wordt eenparig aangenomen. Art. 39 Dit artikel beoogt het opschrift van hoofdstuk 6 van boek 4, titel 1, subtitel 6, van het Burgerlijk Wetboek te vervangen. Er worden geen opmerkingen over gemaakt. Artikel 39 wordt eenparig aangenomen. Art. 40 Dit artikel beoogt artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek te vervangen, teneinde te voorzien in een algemene regeling over het bewijs van de devolutie of vererving van de nalatenschap, dus over het bewijs van iedere erfrechtelijke hoedanigheid. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 23 (DOC 55 2774/003) in, teneinde wijzigingen aan het ontworpen artikel aan te brengen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 23 en het aldus geamendeerde arti- kel 40 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. un article 38/6 en vue de modifier le texte français de l’intitulé de l’article 4.167 du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 35 est adopté à l’unanimité. Art. 38/1 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 5 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 38/1 en vue d’apporter des modifications dans l’article 2.3.84 du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 5 est adopté à l’unanimité. Art. 38/2 Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 6 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 38/2 en vue d’insérer un article 2.3.89 dans le Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 6 est adopté à l’unanimité. Art. 39 Cet article vise à remplacer l’intitulé du chapitre 6 au livre 4, titre 1er, sous-titre 6, du Code civil. Il ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 39 est adopté à l’unanimité. Art. 40 Cet article vise à remplacer l’article 4.59 du Code civil, en vue de déterminer un régime général de la preuve de la dévolution ou de l’attribution de la succession, donc de la preuve de toute qualité successorale. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 23 (DOC 55 2774/003), qui vise à apporter des modifications à l’article en projet. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 23 et l’article 40, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. 2774/004 DOC 55 24 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 41 tot 45 Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek. Er worden geen opmerkingen over gemaakt. De artikelen 41 tot 45 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 45/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 7 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 45/1 in te voegen, teneinde een artikel 4.131/1 in te voegen in het Burgerlijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 7 wordt eenparig aangenomen. Art. 46 Dit artikel strekt ertoe artikel 4.258 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er worden geen opmerkingen over gemaakt. Artikel 46 wordt eenparig aangenomen. Art. 46/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 8 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 46/1 in te voegen, teneinde wijzigingen aan te brengen in ar- tikel 4.262, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 8 wordt eenparig aangenomen. Art. 46/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 9 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een artikel 46/2, teneinde in het Burgerlijk Wetboek een artikel 4.267 in te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 9 wordt eenparig aangenomen. Art. 41 à 45 Ces articles concernent des modifications au Code civil. Ils ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 41 à 45 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 45/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 7 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 45/1 visant l’insertion de l’article 4.131/1 dans le Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 7 est adopté à l’unanimité. Art. 46 Cet article vise à modifier l’article 4.258 du Code civil. Il ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 46 est adopté à l’unanimité. Art. 46/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 8 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 46/1 visant à apporter des modifications à l’article 4.262, § 1er, du Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 8 est adopté à l’unanimité. Art. 46/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 9 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 46/2 en vue d’insérer un article 4.267 dans le Code civil. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 9 est adopté à l’unanimité. 25 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 46/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 30 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 46/1, teneinde de Franse tekst van artikel 5.211 van het- zelfde Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 30 wordt eenparig aangenomen. Art. 46/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 31 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 46/2, teneinde de Franse tekst van artikel 5.245 van het- zelfde Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 31 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen Art. 47 en 48 Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 47 en 48 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 48/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 10 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een artikel 48/1, met het oog op de wijziging van artikel 45 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 24 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 48/1, met het oog op de wijziging van artikel 45 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 24 wordt vervolgens ingetrokken. Art. 46/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 30 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 46/1 en vue de modifier le texte français de l’article 5.211 du même Code. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 30 est adopté à l’unanimité. Art. 46/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 31 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 46/2 en vue de modifier le texte français de l’article 5.245 du même Code. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 31 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 9 Modifications du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales Art. 47 et 48 Ces articles concernent des modifications du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales. Ils ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 47 et 48 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 48/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 10 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un article 48/1 en vue de modifier l’article 45 du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales. Il est renvoyé à la justification. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 24 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un article 48/1 en vue de modifier l’article 45 du Code de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 24 est ensuite retiré. 2774/004 DOC 55 26 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Amendement nr. 10 wordt eenparig aangenomen. Art. 49 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 46, § 1, eerste en tweede lid, van hetzelfde Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 11 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt dit artikel te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 11 wordt eenparig aangenomen. Art. 50 Dit artikel strekt ertoe artikel 48 van hetzelfde Wetboek te wijzigen. Er worden geen opmerkingen over gemaakt. Artikel 50 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 10 Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers Art. 51 en 52 Deze artikelen behelzen wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschap- pen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 73 en 74 (DOC 55 2774/003) in, waarmee wordt beoogd deze artikelen weg te laten. De heer Christoph D’Haese (N-VA) beklemtoont dat de kansspelautomaten in de gokkantoren en in de dagbladhandels op dezelfde wijze moeten worden behandeld. Hij herinnert er bovendien aan dat sprake is van discriminatie, aangezien de kansspelen van de Nationale Loterij niet zijn onderworpen aan het toezicht via EPIS. Dat onderscheid tussen de diverse producten op de markt is een pijnpunt. De spreker zal daarop te- rugkomen bij de bespreking van het nieuwe wetsontwerp met bepalingen ter zake. De amendementen nr. 73 en 74 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. L’amendement n° 10 est adopté à l’unanimité. Art. 49 Cet article vise à modifier l’article 46, § 1er, alinéas 1er et 2, du même Code. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende- ment n° 11 (DOC 55 2774/002), qui vise à remplacer cet article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 11 est adopté à l’unanimité. Art. 50 Cet article vise à modifier l’article 48 du même Code. Il ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 50 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 10 Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs Art. 51 et 52 Ces articles concernent des modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 73 et 74 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. M. Christoph D’Haese (N-VA) souligne le fait que les machines de jeux doivent être traitées de manière iden- tique dans les bureaux de paris et chez les vendeurs de journaux. En outre, il rappelle que les jeux de la Loterie nationale ne sont pas soumis au contrôle EPIS, ce qui est discriminatoire. Cette différenciation entre les diffé- rents produits sur le marché pose problème. L’orateur y reviendra lors de la discussion du nouveau projet de loi contenant ces dispositions. Les amendements nos 73 et 74 sont successivement adoptés à l’unanimité. 27 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 53 Met dit artikel wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in artikel 55 van dezelfde wet. Het is de bedoeling te verduidelijken dat de Kansspelcommissie de verwerkings- verantwoordelijke van het EPIS-informatiesysteem is. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 53 wordt eenparig aangenomen. Art. 54 Dit artikel beoogt een wijziging aan te brengen in arti- kel 58, tweede lid, van dezelfde wet. Het is de bedoeling het maximumbedrag voor de in de casino’s uitgevoerde betalingen in cash te verlagen tot 3 000 euro. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 75 (DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg te laten. Amendement nr. 75 wordt eenparig aangenomen. Art. 55 Dit artikel strekt ertoe wijzigingen aan te brengen in artikel 62 van dezelfde wet. Er wordt beoogd de foto van de spelers toe te voegen aan de lijst met persoonsge- gevens die verplicht moeten worden opgenomen in het toegangsregister van de kansspelinrichtingen. Mevrouw Marijke Dillen (VB) merkt op dat zowel de Raad van State als de Gegevensbeschermingsautoriteit zich bijzonder kritisch hebben uitgelaten over de ontwor- pen bepaling, die vooropstelt dat er een foto zou worden genomen en bewaard van iedere speler die een speelzaal van een kansspelinrichting van de klassen I of II of een vaste kansspelinrichting van klasse IV binnengaat. In het bijzonder besluiten ze hun analyse, en de spreek- ster citeert uit het advies van de Raad van State, met het volgende (DOC 55 2774/001, blz. 153-154): “Daaruit vloeit voort dat de maatregel die erin bestaat van een speler een foto te nemen en die foto bij te houden, zoals die in het vooruitzicht gesteld wordt in artikel 57, 1°, van het voorontwerp en verduidelijkt wordt in de memorie van toelichting en in de uitleg van de gemachtigde van de minister, enerzijds niet uitsluitend het legitiem doel inzake bescherming van de spelers lijkt na te streven, maar ook een niet nader gedefinieerd doel nastreeft inzake bestraffing van overtredingen.” De gemachtigde van de minister bevestigde immers dat de genomen foto’s gebruikt zouden mogen worden in het kader van Art. 53 Cet article vise à apporter des modifications à l’article 55 de la même loi. Il vise à préciser que la Commission des jeux de hasard est le responsable du traitement du système d’information EPIS. Cet article ne fait l’objet d’aucun commentaire. L’article 53 est adopté à l’unanimité. Art. 54 Cet article vise à apporter une modification à l’ar- ticle 58, alinéa 2 de la même loi. Il concerne la baisse à 3 000 euros du montant maximum du paiement en espèce dans les casinos. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 75 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger cet article. L’amendement n° 75 est adopté à l’unanimité. Art. 55 Cet article vise à apporter des modifications à l’ar- ticle 62 de la même loi. Il vise à ajouter la photographie des joueurs à la liste des données à caractère personnel à reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux établissements de jeux de hasard. Mme Marijke Dillen (VB) souligne que le Conseil d’État et l’Autorité de protection des données se sont tous deux exprimés de manière très critique à propos du projet de disposition prévoyant la prise et la conser- vation d’une photographie de chaque joueur accédant aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard des classes I et II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. Ils ont conclu leur analyse en formulant l’observation suivante, citée par l’intervenante à partir de l’avis du Conseil d’État (DOC 55 2774/001, pp. 153-154): “Il en résulte que la mesure qui consiste à prendre et conserver la photographie d’un joueur, qui est celle envisagée à l’article 57, 1°, de l’avant-projet, telle qu’éclairée par l’exposé des motifs et les explica- tions données par le délégué du ministre, d’une part, n’apparait pas poursuivre exclusivement l’objectif légi- time de protection des joueurs mais poursuit également un objectif de répression des infractions qui n’est pas précisément défini.” Le délégué du ministre a en effet confirmé que les photographies prises pourraient être utilisées dans le cadre d’une enquête qui n’aurait pas 2774/004 DOC 55 28 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een onderzoek dat geen verband houdt met de naleving van de bepalingen inzake kansspelen. “Anderzijds lijkt die maatregel, om de redenen die de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar ad- vies 178/2021 opgegeven heeft, niet in verhouding tot dat doel te staan.”. Als oplossing stelt de Raad van State het volgende voor: “In dit verband zou een technologische oplos- sing gebaseerd op het gebruik van de elektronische authenticatiemodule van de identiteitskaart een meer evenredige optie zijn die minder inmenging genereert in het recht op bescherming van persoonsgegevens van de spelers, maar het door de auteur van het ontwerp vooropgestelde doel bereikt.” Het lid wenst te vernemen of de suggestie zoals geformuleerd door de Raad van State in overweging wordt genomen. Wat zijn de potentiële risico’s/gevolgen indien bij het gebruik van de bewaarde fotogegevens die genomen zijn overeenkomstig de vooropgestelde bepaling in een strafonderzoek tot een schending van de bepalingen van de gegevensbescherming (verwijzend naar artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM) wordt beslist? Heeft de minister andere en betere systemen voor het uitvoeren van een controle onderzocht? De spreekster verwijst in dat verband naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van december 2021. De minister geeft aan dat er al jaren een foto van de speler wordt genomen. Hierdoor kan de Kansspelcommissie achteraf nagaan of de operator zijn verplichting al dan niet is nagekomen. Dat is duidelijk geen ideale oplossing, en de minister kan zich dan ook grotendeels vinden in de opmerkingen ter zake van de Raad van State en de GBA. Een dergelijke controle zou via betere en minder intrusieve technologieën moeten kunnen worden uitgevoerd. De minister heeft al beloofd zo snel mogelijk andere, evenredigere technieken, zoals de elektronische handtekening of Itsme, te willen onderzoeken. In afwachting van een betere oplossing zal de huidige gang van zaken niet worden verboden. De minister legt voorts uit dat de politie de gegevens kan opvragen op basis van een kantschrift van het parket of van de onderzoeksrechter. Artikel 55 wordt eenparig aangenomen. de lien avec le respect des dispositions applicables en matière de jeux de hasard. “[D]’autre part, pour les raisons indiquées par l’Autorité de protection des données dans son avis 178/2021, [la mesure] n’apparait pas proportionnée à cet objectif.”. Le Conseil d’État propose dès lors la solution sui- vante: “À cet égard, une solution technologique basée sur l’utilisation du module d’authentification électronique de la carte d’identité constituerait une option plus pro- portionnée générant une ingérence plus faible dans le droit à la protection des données des joueurs tout en atteignant le but souhaité par l’auteur du projet”. L’intervenante demande si la suggestion formulée par le Conseil d’État sera prise en considération. Quels sont les risques et les conséquences envisageables si, en cas d’utilisation de photographies prises et conservées conformément à la disposition proposée, une enquête pénale conclut que l’application de cette disposition a entraîné une violation des dispositions relatives à la protection des données (en renvoyant à l’article 22 de la Constitution et à l’article 8 de la CEDH)? Le ministre a-t-il envisagé d’autres systèmes, meilleurs, pour assurer le contrôle? L’oratrice fait référence à cet égard à un arrêt de la Cour constitutionnelle datant de décembre 2021. Le ministre indique que cette pratique de la prise de photo du joueur existe depuis de nombreuses années. Cela permet à la Commission des jeux de hasard de vérifier a posteriori si l’opérateur a respecté son obligation. Ce n’est en effet pas une solution idéale et le ministre est en grande partie d’accord avec les remarques faites par le Conseil d’État et l’APD à cet égard. De meilleures technologies, moins intrusives, doivent permettre ce contrôle. Le ministre s’est déjà engagé à analyser, le plus rapidement possible, d’autres techniques plus proportionnelles, telles que la signature électronique ou Itsme. Dans l’attente de cette meilleure solution, la pratique actuelle ne sera pas interdite. Par ailleurs, le ministre précise que la police peut demander les données, sur la base d’une apostille du parquet ou du juge d’instruction. L’article 55 est adopté à l’unanimité. 29 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 56 en 57 Die artikelen betreffen wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschap- pen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 76 en 77 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken die artikelen op te heffen. Amendementen nr. 76 en 77 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen Art. 58 tot 60 Die artikelen betreffen wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 78 tot 80 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken die artikelen op te heffen. Amendementen nrs. 78 tot 80 worden achtereenvol- gens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 12 Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten Art. 61 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 6, § 1, van de wet van 17 mei 2006. De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat aldus de mogelijkheid van penitentiair verlof wordt uitgebreid van driemaal 36 uur per trimester naar viermaal 36 uur per trimester, om, met het oog op een vlottere doorstroming van gedetineerden, de voorbereiding van hun sociale re-integratie te bespoedigen. Art. 56 et 57 Ces articles concernent des modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 76 et 77 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 76 et 77 sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux Art. 58 à 60 Ces articles concernent des modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements n° s 78 à 80 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements n° s 78 à 80 sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 12 Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine Art. 61 Cet article modifie l’article 6, § 1er, de la loi du 17 mai 2006. M. Christoph D’Haese (N-VA) constate que la pos- sibilité de congé pénitentiaire va donc passer de trois fois 36 heures par trimestre à quatre fois 36 heures par trimestre afin d’accélérer la préparation de la réinsertion sociale des détenus en vue d’accélérer leur circulation. 2774/004 DOC 55 30 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het lid wil vernemen of dan ook wordt voorzien in bijkomende omkadering om de re-integratie effectief te versnellen; zo niet is dit louter een maatregel om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan die neerkomt op een extra van 36 uur vakantie voor de ge- detineerden. De N-VA-fractie is er zeker voorstander van om meer in te zetten op re-integratie, maar betwijfelt of deze maatregel dit doel zal bereiken zonder bijkomende omkadering. Mevrouw Marijke Dillen (VB) sluit zich aan bij de vorige spreker en vraagt of de minister de impact van de voorgestelde maatregel op de overbevolking heeft onderzocht. Zij vreest dat deze maatregel ook bijko- mend werk voor de administratie en de griffie van de gevangenis zal teweegbrengen en wenst te vernemen of in het nodige personeel wordt voorzien om dit op te vangen en te controleren. Tot slot merkt zij dat zonder de nodige omkadering en begeleiding deze maatregel bezwaarlijk als een re-integratiebevorderende maatregel kan worden beschouwd. De minister antwoordt dat de maatregel er is gekomen op vraag van onder meer experten inzake re-integratie, de gevangenisdirectie en de administratie. Het is geenszins een maatregel om op korte termijn de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken. De gedetineerden keren immers na hun penitentiair verlof terug naar de gevangenis. Dit penitentiair verlof wordt, na advies van de gevan- genisdirecteur, toegekend door de dienst detentiebeheer van het directoraat-generaal EPI. De invulling van dit penitentiair verlof wordt voorbereid door de psychoso- ciale dienst die ook de voorwaarden en het doel van dit verlof duidt, zijnde het herstel van de sociale contacten en het voorbereiden van de re-integratie. Vandaag wordt evenwel te weinig op dit laatste aspect ingezet. De termijn van 36 uur maakt het bijvoorbeeld mogelijk zich op een sollicitatiegesprek voor te bereiden. De minister verduidelijkt dat reeds in een versterking van de psychsociale dienst werd voorzien. De gedetineerde krijgt met deze maatregel ook meer verantwoordelijkheid om zijn reclassering voor te bereiden. De minister is van mening dat deze maatregel op lange termijn wel degelijk een maatregel is om de overbevolking tegen te gaan. Hij moet immers leiden tot een betere re-integratie en dus tot minder recidive. Artikel 61 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen. L’intervenant aimerait savoir si un encadrement supplé- mentaire a dès lors été prévu pour accélérer effectivement la réinsertion des détenus, sans quoi il s’agira seulement d’une mesure visant à lutter contre la surpopulation carcérale qui reviendra à accorder 36 heures de congé pénitentiaire supplémentaires aux détenus. Le groupe N-VA est très favorable à un investissement accru dans la réinsertion mais doute que, sans encadrement sup- plémentaire, cette mesure atteigne son objectif. Mme Marijke Dillen (VB) se joint à l’intervenant pré- cédent et demande si le ministre a examiné l’impact de la mesure proposée sur la surpopulation. Elle craint que cette mesure génère également un surcroît de travail pour l’administration et le greffe de la prison et demande si le personnel nécessaire est prévu pour compenser et contrôler ce surcroît. Enfin, Mme Dillen fait observer que cette mesure peut difficilement être considérée comme une aide à la réinsertion en l’absence de l’encadrement et de l’accompagnement nécessaires. Le ministre répond que la mesure à l’examen a été élaborée à la demande, notamment, d’experts en ma- tière de réinsertion et de membres de la direction et de l’administration des prisons. Il ne s’agit nullement d’une mesure visant à lutter à terme contre la surpopulation carcérale. Les détenus retournent en effet en prison après leur congé pénitentiaire. Le congé pénitentiaire est accordé, après avis du directeur de l’établissement pénitentiaire, par le service gestion de la détention de la direction générale des Établissements pénitentiaires (EPI). Le programme de ce congé pénitentiaire est préparé par le service psy- chosocial, qui fixe également les conditions et l’objectif de ce congé, à savoir le rétablissement des contacts sociaux et la préparation de la réinsertion. On ne vise toutefois pas suffisamment ce dernier point à l’heure actuelle. La durée de 36 heures permettra par exemple de se préparer à un entretien d’embauche. Le ministre précise qu’il a déjà été prévu de renforcer le service psychosocial. Cette mesure permettra également de responsabiliser davantage le détenu en vue de préparer sa réinsertion. Le ministre estime que cette mesure permettra bien de lutter contre la surpopulation à long terme. Elle vise en effet à améliorer la réinsertion et, par conséquent, à réduire le risque de récidive. L’article 61 est adopté par 10 voix contre 5. 31 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 62 Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt. Artikel 62 wordt eenparig aangenomen. Art. 63 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 14, derde lid, van dezelfde wet. De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden dat ook de slachtoffers zullen worden ingelicht over de toekenning van een eerste uitgaansvergunning met het oog op de sociale re-integratie. Mevrouw Marijke Dillen (VB) is eveneens van oordeel dat dit een goede zaak is. Zij wenst evenwel te vernemen of het slachtoffer er ook voor kan kiezen hierover niet te worden ingelicht. Niet alle slachtoffers wensen immers nog iets te horen van de dader. De minister antwoordt dat het slachtoffer moet heb- ben aangegeven op de hoogte te willen worden ge- bracht en verwijst in dezen naar artikel 2, 6°, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten en naar het koninklijk besluit ter uitvoering ervan. Artikel 63 wordt eenparig aangenomen. Art. 64 tot 66 Er worden over deze artikelen geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 64 tot 66 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 67 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 40 van de- zelfde wet. De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden met deze wijziging, die een omzetting van een aanbeveling van de onderzoekscommissie terroristische aanslagen betreft. Artikel 67 wordt eenparig aangenomen. Art. 62 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 62 est adopté à l’unanimité. Art. 63 Cet article modifie l’article 14, alinéa 3, de la même loi. M. Christoph D’Haese (N-VA) se félicite que les victimes seront également informées de l’octroi d’une première permission de sortie en vue de la réinsertion sociale. Mme Marijke Dillen (VB) estime également qu’il s’agit d’une bonne chose. Elle souhaite toutefois savoir si la victime pourra également choisir de ne pas en être informée. Toutes les victimes ne souhaitent en effet pas entendre à nouveau parler de l’auteur. Le ministre répond que la victime doit avoir mani- festé la volonté d’être informée et renvoie à cet égard à l’article 2, 6°, de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine, ainsi qu’à son arrêté d’exécution. L’article 63 est adopté à l’unanimité. Art. 64 à 66 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 64 à 66 sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 67 Cet article modifie l’article 40 de la même loi. M. Christoph D’Haese (N-VA) se félicite de cette modification transposant une recommandation de la com- mission d’enquête parlementaire “Attentats terroristes”. L’article 67 est adopté à l’unanimité. 2774/004 DOC 55 32 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 68 Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt. Artikel 68 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 69 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 60 van de- zelfde wet. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient op dit artikel amen- dement nr. 25 (DOC 55 2774/002) in. De minister legt uit dat het amendement verduidelijkt dat het enkel mogelijk is een vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheid- stelling met het oog op de verwijdering voor de toelaat- baarheidsdatum, uit te voeren in het geval dat de Dienst Vreemdelingenzaken de veroordeelde kan verwijderen of overbrengen, en dat in het andere geval (wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken dus niet kan verwijderen of overbrengen), de Dienst Vreemdelingenzaken nog tot 20 dagen na het bereiken van de toelaatbaarheids- datum krijgt om de vreemdeling te verwijderen, over te brengen of een kennisgeving te doen dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaatsvinden. Indien de Dienst Vreemdelingenzaken niet tot een verwijdering of een overbrenging naar een gesloten centrum overgaat, moet de Dienst Vreemdelingenzaken evenwel zo snel mogelijk overgaan tot de afgifte en betekening van het bevel om het grondgebied te verlaten zodat de voorlo- pige invrijheidsstelling kan worden uitgevoerd zodra de veroordeelde zijn toelaatbaarheidsdatum heeft bereikt. Op basis van die kennisgeving kan de veroordeelde immers in vrijheid worden gesteld vanaf het bereiken van de toelaatbaarheidsdatum. De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat de betrokkene, als er na die 20 dagen niets is ondernomen door de Dienst Vreemdelingenzaken, gewoon weer vrijkomt. Dit is voor zijn fractie onaanvaardbaar. Het blijft aldus dweilen met de kraan open inzake het verwijderen van illegale criminelen op het grondgebied. Het moge duidelijk zijn dat zij niet zelfstandig en mak het bevel om het grondgebied te verlaten, zullen opvolgen. De spreker heeft als burgemeester al vaak te maken gehad met dergelijke bevelen en is van oordeel dat il- legale criminelen onmiddellijk vanuit de gevangenis het land moeten worden uitgezet. Enkel op die manier is men er zeker van dat ze niet meer op het grondgebied verblijven. Het lid stelt vast dat de minister aldus opnieuw het omgekeerde doet van wat hij heeft aangekondigd. De zoveelste loze belofte. Art. 68 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 68 est adopté par 11 voix contre 4. Art. 69 Cet article modifie l’article 60 de la même loi. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amende- ment n° 25 (DOC 55 2774/002) tendant à remplacer le 2° de cet article. Le ministre explique que l’amendement tend à clarifier qu’un jugement octroyant une libération provisoire en vue d’éloignement ne peut être exécuté avant la date d’admissibilité que dans le cas où l’Office des Étrangers peut éloigner ou transférer le condamné, et que, dans l’autre cas (où l’Office des Étrangers ne peut donc pas éloigner ou transférer), l’Office des Étrangers a encore jusqu’à 20 jours après la date d’admissibilité pour éloigner l’étranger, le transférer ou notifier que l’éloignement ou notifier que le transfert n’aura pas lieu. Si l’Office des Étrangers ne procède pas à un éloigne- ment ou un transfert, l’Office des Étrangers doit toutefois procéder au plus vite à l’émission et la signification d’un ordre de quitter le territoire pour que la libération provisoire puisse être exécutée dès que le condamné a atteint la date d’admissibilité. En effet, sur la base de cette notification, le condamné peut être mis en liberté dès qu’il a atteint la date d’admissibilité. M. Christoph D’Haese (N-VA) constate qu’en l’absence d’action entreprise par l’Office des Étrangers dans ce délai de 20 jours, l’intéressé est simplement remis en liberté. Pour son groupe, cette situation est inacceptable. Les mesures prises dans le cadre de la problématique de l’éloignement des criminels illégaux du territoire demeurent des emplâtres sur une jambe de bois. Il est clair qu’ils ne respecteront pas l’ordre de quitter le ter- ritoire de leur plein gré. En sa qualité de bourgmestre, l’intervenant a déjà été souvent confronté à des ordres de ce type et estime que les criminels illégaux doivent être expulsés du pays avant de sortir de prison. Cette méthode est la seule permettant de s’assurer que ces criminels ne séjourneront plus sur le territoire. L’intervenant constate que le ministre fait à nouveau l’inverse de ce qu’il a annoncé. C’est la énième promesse en l’air. 33 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreker vestigt er voorts de aandacht van de leden op dat het College van procureurs-generaal zich over dit artikel in negatieve zin heeft uitgesproken in het door de minister bezorgde advies. Het lid citeert hieruit het volgende: “Hoewel men dus weet dat door de kortere termijn DVZ vele veroordeelden gewoon een bevel tot het verlaten van het grondgebied zal geven, concreet gewoon op straat zet (geen officieel adres, zonder begeleiding-opvolging, inkomstenbron, …), meent men dit een verantwoordelijkheid is van DVZ en wil men in ieder geval ervoor zorgen dat de gevangenissen leeg zijn. Dit is dus weer een voorbeeld van wetgeving die niet gericht is op een adequate strafuitvoering in functie van de veroordeelden maar op het beheersen van de overbevolking”, en vervolgens: “Dit brengt ook de ge- kende vicieuze cirkel op gang: de veroordeelde verlaat het land niet, pleegt nieuwe feiten, wordt aangehouden en belandt in voorlopige hechtenis (wegens recidivege- vaar) hetgeen weer invloed heeft op de overbevolking.”. De heer D’Haese besluit dan ook dat amende- ment nr. 25 niet aan de voormelde problematiek tege- moetkomt. Derhalve zal zijn fractie het amendement niet steunen. Mevrouw Marijke Dillen (VB) begrijpt dat het hier gaat over het wegwerken van een hiaat in de wetge- ving. Het lid is evenwel van oordeel dat een illegale crimineel in de gevangenis dient te blijven tot de Dienst Vreemdelingenzaken ervoor kan zorgen dat hij effectief het land verlaat. Zoals gesteld door de vorige spreker betekent de bepaling dat als de Dienst Vreemdelingenzaken er niet in slaagt de betrokkene te verwijderen, hij na 20 da- gen in vrijheid wordt gesteld. Met het risico te belanden in een vicieuze cirkel van opnieuw strafbare feiten te plegen, opnieuw te worden vervolgd en opnieuw in de gevangenis te belanden. Het lid vraagt de minister dan ook met aandrang deze maatregel te heroverwegen. De spreekster wenst voorts te vernemen of al werd berekend hoeveel gevangenen voor deze maatregel in aanmerking komen. Welke impact heeft dit op de gevan- geniscapaciteit? Heeft er overleg plaatsgevonden met de Dienst Vreemdelingenzaken? Deze laatste kampt immers met een gigantische achterstand en de vraag rijst dan ook of de Dienst Vreemdelingenzaken deze bijkomende taak kan uitvoeren. De minister merkt op dat overeenkomstig het ontwor- pen artikel 66 voor veroordeelden zonder verblijfsrecht die een voorlopige invrijheidstelling aanvragen de voor- waarden worden toegevoegd dat zij het grondgebied daadwerkelijk moeten verlaten en niet naar België mogen L’intervenant attire ensuite l’attention des membres sur le fait que, dans l’avis transmis par le ministre, le Collège des procureurs généraux a rendu un avis négatif sur cet article. L’intervenant cite le passage suivant provenant de cet avis: “Bien que l’on sache donc qu’en raison du délai plus court, l’Office des Étrangers donnera tout simplement à de nombreux condamnés un ordre de quitter le territoire, ce qui revient à les mettre à la rue (aucune adresse officielle, aucun accompagnement/ suivi, aucune source de revenus, etc.), on estime que c’est une responsabilité de l’Office des Étrangers, et on veut en tout cas veiller à ce que les prisons soient vides. Autrement dit, voilà un nouvel exemple de législation qui n’est pas axée sur une exécution des peines adéquate en fonction des condamnés, mais sur la maîtrise de la surpopulation.“ et encore ”Cela génère aussi un cercle vicieux bien connu: le condamné ne quitte pas le pays, commet de nouveaux faits, est arrêté et se retrouve en détention préventive (pour risque de récidive), ce qui a une nouvelle fois une incidence sur la surpopulation.” M. D’Haese conclut dès lors que l’amende- ment n° 25 ne répond pas à la problématique esquissée ci-avant. Par conséquent, son groupe ne soutiendra pas l’amendement. Mme Marijke Dillen (VB) comprend qu’il s’agit en l’oc- currence de combler une lacune législative. L’intervenante estime toutefois que tout criminel illégal doit rester en prison jusqu’à ce que l’Office des Étrangers soit en mesure de l’expulser effectivement du pays. Comme l’a indiqué l’intervenant précédent, la disposition signifie que si l’Office des Étrangers ne parvient pas à éloigner l’intéressé, ce dernier est remis en liberté après 20 jours. Cette situation présente le risque d’induire un cercle vicieux où le criminel commettra à nouveau des infrac- tions, sera à nouveau poursuivi et sera à nouveau empri- sonné. L’intervenante demande dès lors instamment au ministre de reconsidérer cette mesure. La membre souhaite ensuite savoir si le nombre de prisonniers pouvant bénéficier de cette mesure a déjà été calculé. Quelle sera l’incidence de cette mesure sur la capacité carcérale? Une concertation avec l’Office des Étrangers a-t-elle été menée? Ce dernier est en effet confronté à un arriéré gigantesque et la question se pose de savoir s’il sera en mesure d’effectuer cette mission supplémentaire. Le ministre fait observer que l’article 66 en projet ajoute des conditions pour les condamnés sans titre de séjour qui demandent une mise en liberté provisoire, à savoir l’obligation de quitter effectivement le territoire et l’interdiction de revenir en Belgique. Dans les faits, ces 2774/004 DOC 55 34 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E terugkeren. Dit betekent in de feiten dat als de politie deze personen opnieuw aantreft, ze onmiddellijk naar de gevangenis gaan. De voorgestelde maatregel geeft de Dienst Vreemdelingenzaken meer tijd om, wanneer de strafuit- voeringsrechter een straf van minder dan 3 jaar uitspreekt, de terugkeer van de gedetineerden zonder recht op ver- blijf voor te bereiden en uit te voeren. Dit probleem doet zich niet voor wanneer het gaat over straffen van meer dan 3 jaar, aangezien de Dienst Vreemdelingenzaken dan wel over de nodige tijd beschikt. Indien dit artikel niet zou worden aangenomen, heeft dit tot gevolg dat als de Dienst Vreemdelingenzaken niet op hetzelfde ogenblik als de strafuitvoeringsrechter een beslissing neemt, de Dienst Vreemdelingenzaken geen beslissing tot terug- sturen kan nemen. Vandaar dat wordt voorgesteld de Dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid te geven een beslissing te nemen na deze van de strafuitvoe- ringsrechter. De betrokkene wordt dan teruggebracht naar een gesloten centrum voor illegalen of krijgt het bevel het grondgebied te verlaten. De minister vestigt er evenwel de aandacht op dat deze bepaling ten opzichte van de situatie van vandaag geenszins een stap terug is, integendeel. De voorgestelde maatregel geeft de Dienst Vreemdelingenzaken aldus meer tijd om zich te organiseren om de beslissing tot verwijdering van het grondgebied te kunnen nemen en uit te voeren. Hij stipt aan dat de Dienst Vreemdelingenzaken vanzelfsprekend over deze voorgestelde maatregel werd geconsulteerd. Voorts komt amendement nr. 25 tegemoet aan de opmerking van het College van procureurs-generaal. Amendement nr. 25 en het aldus geamendeerde artikel 69 worden achtereenvolgens aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 70 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 65 van de- zelfde wet. Mevrouw Marijke Dillen (VB) stelt vast dat deze bepa- ling de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrecht- bank de mogelijkheid geeft om in geval van herroeping van een strafuitvoeringsmaatregel aan de veroordeelde en voor zover deze laatste hiermee instemt, een andere strafuitvoeringsmaatregel toe te kennen. Betekent dit dan dat in geval van herroeping de veroordeelde die niet akkoord gaat met de andere strafuitvoeringsmaatregel, terug in de gevangenis zijn straf moet uitzitten? De minister beaamt dit en verduidelijkt dat de straf- uitvoeringsrechtbank een alomvattend vonnis wijst en conditions signifient que si la police rencontre à nouveau ces personnes, elles iront directement en prison. La mesure prévue laisse plus de temps à l’Office des Étrangers pour préparer et mettre en œuvre le retour des détenus sans droit au séjour, lorsque le juge de l’application des peines prononce une peine inférieure à trois ans. Ce problème ne se pose pas si la peine est supérieure à trois ans, car l’Office des Étrangers dispose alors du temps nécessaire. Si cet article n’était pas adopté, cela aurait pour conséquence que, si l’Office des Étrangers ne prend pas une décision au même moment que le juge de l’application des peines, il ne pourra plus décider de procéder au retour. C’est pour- quoi il est proposé de permettre à l’Office des Étrangers de prendre une décision après la décision du juge de l’application des peines. L’intéressé retourne ensuite dans un centre fermé pour illégaux ou reçoit l’ordre de quitter le territoire. Le ministre attire toutefois l’attention sur le fait que cette disposition n’est aucunement un retour en arrière par rapport à la situation actuelle, au contraire. La mesure prévue laisse donc plus de temps à l’Office des Étrangers pour s’organiser afin de pouvoir prendre et exécuter la décision d’éloignement du territoire. Il souligne que l’Office des Étrangers a évidemment été consulté à propos de la mesure prévue. L’amendement n° 25 répond également à l’observation du Collège des procureurs généraux. L’amendement n° 25 et l’article 69, ainsi modifié, sont successivement adoptés par 11 voix contre 4. Art. 70 Cet article modifie l’article 65 de la même loi. Mme Marijke Dillen (VB) constate que cette disposition permet au juge de l’application des peines ou au tribunal de l’application des peines, en cas de révocation d’une modalité d’exécution de la peine, et pour autant que le condamné soit d’accord, d’octroyer à ce dernier une autre modalité d’exécution de la peine. Cela signifie-t-il qu’en cas de révocation, le condamné qui ne sera pas d’accord avec cette autre modalité d’exécution de la peine devra retourner purger sa peine en prison? Le ministre le confirme et précise que le tribunal de l’application des peines rend un jugement global, et 35 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dus zowel beslist over de intrekking als over de nieuwe maatregel, die het elektronisch toezicht of de beperkte detentie kan zijn. Bij een alomvattend vonnis moet even- wel worden berekend hoeveel tijd van de proeftijd goed is verlopen en hoeveel tijd niet. Er moet dus een nieuwe strafberekening worden gedaan. Omdat evenwel alles in één vonnis is vervat, worden op het terrein vaak fouten in de berekening gemaakt. Vandaar dat wordt bepaald dat er twee vonnissen moeten worden gewezen: een vonnis dat de intrekking en de nieuwe strafberekening betreft, en een ander dat de strafuitvoeringsmaatregel betreft. Artikel 70 wordt eenparig aangenomen. Art. 71 tot 73 Er worden over deze artikelen geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 71 tot 73 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 13 Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens Art. 74 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 81 (DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 74. Amendement nr. 81 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 14 Wijzigingen van de programmawet (I) van 29 maart 2012 Art. 75 en 76 Er worden over deze artikelen geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 75 en 76 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. décide donc à la fois du retrait et de la nouvelle mesure, qui peut être une surveillance électronique ou une détention limitée. Toutefois, dans le cadre d’un jugement global, il faut calculer la période du délai d’épreuve qui s’est bien déroulée et la période qui ne s’est pas bien déroulée. Il faut donc procéder à un nouveau calcul de la peine. Cependant, dès lors que tous les éléments figurent dans un seul jugement, des erreurs de calcul sont souvent commises en pratique. C’est pourquoi il est prévu que deux jugements devront être rendus: l’un concernant le retrait et le nouveau calcul de la peine et l’autre concernant la modalité d’exécution de la peine. L’article 70 est adopté à l’unanimité. Art. 71 à 73 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 71 à 73 sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 13 Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des activités économiques et individuelles avec des armes Art. 74 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 81 tendant à supprimer l’article 74 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 81 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 14 Modifications de la loi-programme (I) du 29 mars 2012 Art. 75 et 76 Ces articles ne donnent lieu à aucune observation. Les articles 75 et 76 sont successivement adoptés à l’unanimité. 2774/004 DOC 55 36 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 76/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 12 (DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw ar- tikel 76/1. De hoofdindienster overloopt de schriftelijke verantwoording van haar amendement en verduidelijkt dat dit amendement, net zoals de amendementen nrs. 12 tot 15, tegemoetkomen aan opmerkingen van Fednot. Amendement nr. 12, tot invoeging van artikel 76/1, wordt eenparig aangenomen. Art. 77 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 160 van de programmawet (I) van 29 maart 2012. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 13 (DOC 55 2774/002) in, tot vervanging van artikel 77. Amendement nr. 13 wordt eenparig aangenomen. Art. 78 Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt. Artikel 78 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 15 Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017 betreffende het onrechtmatig binnendringen in, bezetten van of verblijven in andermans goed Art. 79 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 82 (DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 79. Amendement nr. 82 wordt eenparig aangenomen. Art. 76/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 12 tendant à insérer un article 76/1 (DOC 55 2774/002). L’auteure principale parcourt la justification écrite de son amendement et précise que, comme les amendements nos 12 à 15, l’amendement à l’examen répond à des observations de Fednot. L’amendement n° 12 tendant à insérer l’article 76/1 est adopté à l’unanimité. Art. 77 Cet article modifie l’article 160 de la loi-programme (I) du 29 mars 2012. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 13 tendant à remplacer l’article 77 (DOC 55 2774/002). L’amendement n° 13 est adopté à l’unanimité. Art. 78 Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 78 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 15 Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative à la pénétration, à l’occupation ou au séjour illégitimes dans le bien d’autrui Art. 79 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 82 tendant à supprimer l’article 79 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 82 est adopté à l’unanimité. 37 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 16 Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019 betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel Art. 80 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 83 (DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 80. Amendement nr. 83 wordt eenparig aangenomen. Art. 81 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 84 (DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 81. Amendement nr. 84 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 16/1 (NIEUW) Wijziging van de wet van 5 mei 2019 tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en het Gerechtelijk Wetboek wat de bekendmaking van de vonnissen en arresten betreft Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 36 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een nieuw hoofdstuk 16/1 en verwijst naar de schriftelijke verant- woording van haar amendement. Amendement nr. 36 wordt eenparig aangenomen. Art. 81/1 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 37 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een nieuw artikel 81/1. Amendement nr. 37 wordt eenparig aangenomen. CHAPITRE 16 Modifications de la loi du 23 mars 2019 concernant l’organisation des services pénitentiaires et le statut du personnel pénitentiaire Art. 80 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 83 tendant à supprimer l’article 80 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 83 est adopté à l’unanimité. Art. 81 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 84 tendant à supprimer l’article 81 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 84 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 16/1 (NOUVEAU) Modification de la loi du 5 mai 2019 modifiant le Code d’instruction criminelle et le Code judiciaire en ce qui concerne la publication des jugements et des arrêts Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amende- ment n° 36 tendant à insérer un chapitre 16/1. L’auteure principale renvoie à la justification de son amendement (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 36 est adopté à l’unanimité. Art. 81/1 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 37 tendant à insérer un article 81/1 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 37 est adopté à l’unanimité. 2774/004 DOC 55 38 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 17 Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek Art. 82 Dit artikel betreft artikel 41sexies van de besluitwet van 27 juni 1969. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 14 (DOC 55 2774/002) in. De hoofdindienster geeft lezing van de schriftelijke verantwoording van haar amendement. Amendement nr. 14 en het aldus geamendeerde arti- kel 82 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. Art. 83 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 23quater van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 15 (DOC 55 2774/002) in. De hoofdindienster overloopt de schriftelijke verantwoording van haar amendement. Amendement nr. 15 en het aldus geamendeerde arti- kel 83 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 18 Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake kansspelen Art. 84 Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85 (DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 84. Amendement nr. 85 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 19 Tijdelijke maatregel tot vermindering van de overbevolking in de gevangenissen Art. 85 Dit artikel strekt ertoe de vervroegde invrijheidstel- ling, een maatregel die werd gebruikt om COVID-19 en de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan, tijdelijk te behouden. CHAPITRE 17 Modifications en conséquence du nouvel article 4.59 du Code civil Art. 82 Cet article concerne l’article 41sexies de la loi du 27 juin 1969. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen- dement n° 14 (DOC 55 2774/002). L’auteure principale donne lecture de la justification de son amendement. L’amendement n° 14 et l’article 82, ainsi modifié, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 83 Cet article modifie l’article 23quater de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen- dement n° 15 (DOC 55 2774/002). L’auteure principale passe en revue la justification de son amendement. L’amendement n° 15 et l’article 83, ainsi modifié, sont successivement adoptés à l’unanimité. CHAPITRE 18 Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux de hasard Art. 84 Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amendement n° 85 tendant à supprimer l’article 84 (DOC 55 2774/003). L’amendement n° 85 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 19 Mesure temporaire afin de réduire la surpopulation dans les prisons Art. 85 Cet article vise à conserver temporairement la mesure de libération anticipée qui avait été utilisée dans le but de lutter contre la crise du COVID-19 en vue de lutter contre la surpopulation carcérale. 39 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat deze maatregel van vervroegde invrijheidstelling, die werd ingezet ter bestrijding van de coronacrisis, tijdelijk wordt behouden als instrument in de strijd tegen de overbevolking en dit tot 31 augustus 2023, en kan wor- den verlengd tot 31 december 2024, door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De strafkorting zal dus ook van toepassing zijn op veroordeelden aan wie het elektronisch toezicht als strafuitvoeringsmaatregel werd toegekend, wat een uitbreiding is ten aanzien van de tijdens coronacrisis genomen maatregel. Er wordt gesteld te willen voorko- men dat veroordeelden een afweging maken tussen het aanvragen van het elektronisch toezicht (met de daaraan verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten tot 6 maanden voor het strafeinde om dan quasi auto- matisch te worden vrijgesteld, en zouden kiezen voor die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn voor de problematiek inzake overbevolking. Het gaat hier dus om een automatisme: “directeur kent toe” in plaats van “directeur kan”. De directeur moet weliswaar de haalbaarheid van de maatregel beoordelen en twee criteria toetsen, maar het blijkt duidelijk dat een weigering de uitzondering zal moeten zijn. Doordat de beoordeling volledig bij de gevangenisdi- recteur wordt gelegd, wordt de rechterlijke macht eigen- lijk buiten spel gezet. Er wordt immers geen uitvoering gegeven aan het oordeel van de strafrechter die een bepaalde straf heeft uitgesproken: de gevangenisstraf of het elektronisch toezicht wordt automatisch ingekort. Daarbij wordt ook de rechterlijke controle door de straf- uitvoeringsrechtbank op de proeftijd vervangen door een “controle” door de gevangenisdirecteur. De gevangenis- directeur kan de vervroegde invrijheidstelling herroepen, terwijl herroeping van een strafuitvoeringsmaatregel altijd gebeurt door de strafuitvoeringsrechtbank, volgens een bepaalde procedure met eerbiediging van het vermoe- den van onschuld en de rechten van verdediging. De gevangenisdirecteur hoeft de betrokkene zelfs niet te horen, want dit zou anders te veel gedoe zijn voor een automatische strafkorting. Bovendien kunnen bij de vrijlating geen bijzondere geïndividualiseerde voorwaarden worden opgelegd en is er geen enkel toezicht of controle. Veroordeelden worden aldus nog meer aangemoedigd om tot strafeinde te gaan, waardoor hun re-integratie in het gedrang M. Christoph D’Haese (N-VA) constate que cette mesure de libération anticipée qui avait été mise en œuvre pour lutter contre la crise du coronavirus sera maintenue temporairement pour servir d’outil dans la lutte contre la surpopulation, et ce jusqu’au 31 août 2023. Le Roi pourra prolonger la durée d’application de cette mesure jusqu’au 31 décembre 2024 par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Cette remise de peine sera donc aussi applicable aux condamnés bénéficiant de la surveillance électro- nique comme modalité d’exécution de la peine, ce qui constitue une extension du champ d’application de la mesure prise durant la crise du coronavirus. L’exposé des motifs indique que l’objectif est d’éviter que les condamnés mettent en balance la demande de bénéfice de la surveillance électronique (avec les désavantages et risques y afférents) et l’option d’attendre simplement jusqu’aux six mois précédant la fin de leur peine pour alors être libérés presqu’automatiquement, et qu’ils choisissent cette dernière option, qui serait évidemment contreproductive dans le cadre de la résolution du pro- blème de surpopulation. Il s’agira donc en l’occurrence d’une mesure auto- matique: le dispositif indique que “le directeur octroie” et pas que “le directeur peut octroyer”. S’il est vrai que le directeur devra évaluer la faisabilité de l’application de la mesure et s’assurer du respect de deux critères, il apparaît clairement que les refus devront constituer l’exception. Dès lors que cette évaluation incombera totalement au directeur de prison, le pouvoir judiciaire sera pour ainsi dire mis hors-jeu. En effet, il ne sera donné aucune exécution au jugement du juge pénal qui a prononcé une peine donnée: la durée de la peine de prison ou de la surveillance électronique sera automatiquement raccourcie. Dans ce cadre, le contrôle judiciaire exercé par le tribunal de l’application des peines durant le délai d’épreuve sera aussi remplacé par un “contrôle” exercé par le directeur de prison. Celui-ci pourra révoquer la libération anticipée, alors que toute révocation d’une modalité d’exécution de la peine est toujours décidée par le tribunal de l’application des peines selon une procédure donnée qui respecte la présomption d’inno- cence et les droits de la défense. Le directeur de prison ne devra même pas entendre la personne concernée car, autrement, cela rendrait trop complexe le système de remise de peine automatique. Par ailleurs, aucune condition individualisée particulière ne pourra être imposée dans le cadre de la libération, et aucun contrôle ou surveillance ne sera prévu. Cela encouragera donc encore davantage les condamnés à purger totalement leur peine, ce qui compromettra leur 2774/004 DOC 55 40 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E komt. De vicieuze cirkel van strafinflatie zal dan ook niet worden doorbroken maar integendeel nog extra worden versterkt, klaagt het College van procureurs-generaal aan. Op lange termijn zal deze kortetermijnmaatregel dus het omgekeerde teweegbrengen. Het lid wenst te vernemen of deze maatregel ook zal gelden voor veroordeelden tot een straf van minder dan 1 jaar. Want als daar 6 maanden van wordt afgetrok- ken, blijft er nog 6 maanden over en de intentie is om straffen tot 6 maanden nooit uit te voeren. Hoeveel plaatsen hoopt men op deze manier vrij te maken? Wat levert het op? Er wordt bepaald dat het slachtoffer wordt ingelicht over de vervroegde invrijheidstelling. De gemeenschappen geven evenwel aan dat het onduidelijk is wie verant- woordelijk is voor de verwittiging van de slachtoffers. Hoe is dat tot op heden gebeurd en hoe zal het verder verlopen? Mevrouw Marijke Dillen (VB) betreurt dat bij het uit- voeren van deze maatregel de strafuitvoeringsrechtbank – die nochtans bevoegd is – wordt uitgesloten en dat de gevangenisdirecteur een verregaande bevoegdheid en een aanzienlijke macht krijgt. Het wordt een automa- tisme, wat een miskenning van de bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbank inhoudt. De algemene voorwaarden waarbij niet-naleving kan leiden tot herroeping, zijn de “klassieke” voorwaarden, met name het niet-plegen van strafbare feiten en het niet- verontrusten van slachtoffers. In geval van herroeping telt de proeftermijn mee als straf. Ernstige aanwijzingen volstaan als schending van de voorwaarden. De spreek- ster wenst over dit aspect meer duidelijkheid. De recentste omzendbrief inzake strafuitvoering leert het volgende: — gevangenisstraffen tot en met 6 maanden: deze straffen worden niet uitgevoerd; — gevangenisstraffen van 6 maanden tot 7 maanden: invrijheidstelling na 1 maand; — gevangenisstraffen van 7 maanden tot 1 jaar: invrijheidstelling na 2 maanden; — gevangenisstraffen van 1 jaar tot 2 jaar: vrij na 4 maanden; réintégration. Le Collège des procureurs généraux fus- tige le fait que le projet de loi à l’examen ne brisera dès lors pas le cercle vicieux de l’inflation pénale mais, au contraire, le renforcera encore davantage. À long terme, cette mesure court-termiste produira l’effet inverse de celui escompté. Le membre demande si cette mesure s’appliquera également aux personnes condamnées à une peine inférieure à un an. Parce que si on en retranche 6 mois, il n’en reste que 6 et l’objectif est de ne jamais exécuter les peines allant jusqu’à 6 mois. Combien de places le ministre espère-t-il libérer de cette manière? Quel sera l’impact de la mesure? Il est prévu que la victime soit informée de la libération anticipée. Les Communautés indiquent toutefois qu’elles ne distinguent pas clairement qui se chargera de prévenir les victimes. Quelle était la procédure jusqu’à présent et quelle sera-t-elle à l’avenir? Mme Marijke Dillen (VB) regrette que le tribunal de l’application des peines – qui est pourtant compétent – soit exclu de la mise en œuvre de cette mesure, et que le directeur de la prison se voie attribuer des com- pétences très étendues et un pouvoir considérable. Le caractère désormais automatique de la libération équivaut à une méconnaissance des compétences du tribunal de l’application des peines. Les conditions générales en vertu desquelles le non- respect peut entraîner une révocation sont les conditions “classiques”, à savoir ne pas commettre d’infractions et ne pas importuner les victimes. En cas de révocation, le délai d’épreuve est pris en compte comme peine subie. Des indications sérieuses suffisent pour constituer une violation des conditions. L’intervenante souhaite obtenir plus de clarté sur cet aspect. La circulaire la plus récente en matière d’application des peines prévoit ce qui suit: — peines d’emprisonnement jusqu’à 6 mois: ces peines ne sont pas exécutées; — peines d’emprisonnement de 6 à 7 mois: libération après 1 mois; — peines d’emprisonnement de 7 mois à 1 an: libé- ration après 2 mois; — peines d’emprisonnement de 1 an à 2 ans: libé- ration après 4 mois; 41 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E — gevangenisstraffen van 2 jaar tot 3 jaar: vrij na 8 maanden. Betekent dit ipso facto dat diegenen die tot 18 maan- den effectieve celstraf zijn veroordeeld, in de meeste gevallen geen enkele straf zullen moeten uitzitten? Kan de minister bevestigen dat 8 maanden gevange- nisstraf 4 maanden worden en dat die 4 maanden niet meer worden uitgezeten? Het lid stelt vast dat ook dit artikel kadert in de aan- pak van de overbevolking en wenst te vernemen wat de verwachte impact ervan zal zijn. De minister geeft aan dat de voorwaarden niet werden gewijzigd ten opzichte van die welke tijdens de corona- crisis gangbaar waren. Bepaalde oppositiepartijen die vandaag zeer kritisch zijn, hebben de maatregel destijds gesteund, hoewel die toen al beoogde de overbevolking aan te pakken. Toen had niemand bezwaar, hoewel het zeker geen evidente maatregel is. De directeur dient na te gaan of de betrokkene wel degelijk voldoet aan de termijnvoorwaarden om voor de maatregel in aanmerking te komen. Wie tot een gevan- genisstraf van minder dan een jaar is veroordeeld, kan er geen aanspraak op maken. De minister rekent er voorts op dat er dankzij die tijde- lijke maatregel 150 tot 200 plaatsen zouden vrijkomen. Die maatregel geldt tot 31 augustus 2023 en kan via een koninklijk besluit worden verlengd tot 31 december 2024. De gevangenissen dienen de slachtoffers via de dienst slachtofferonthaal over die vervroegde invrijheidstelling te informeren. Ingeval nieuwe feiten worden gepleegd, kan de procu- reur beslissen de veroordeelde terug naar de gevange- nis te sturen; in dat geval kan de directeur beslissen de maatregel in te trekken. Er vindt dus wel degelijk een gerechtelijke controle plaats. De heer Christoph D’Haese (N-VA) geeft aan dat hij de maatregel, toen die in april 2020 voor de eerste keer werd voorgesteld, inderdaad heeft ondersteund. Dat was wel ten tijde van de opkomst van de coronacrisis, toen een hele reeks uitzonderlijke maatregelen werd genomen. In december 2020 heeft hij zich echter tegen de maatregel gekant, aangezien hij er inmiddels van overtuigd was dat er andere oplossingen waren. Het is een enigszins gratuit de zaken uit hun context te lichten. De heer Khalil Aouasti (PS) wijst erop dat achteraf werd vastgesteld dat in minder dan 0,5 % van de gevallen — peines d’emprisonnement de 2 à 3 ans: libération après 8 mois. Cela signifie-t-il ipso facto que les personnes condam- nées à une peine d’emprisonnement effective de 18 mois ne devront, dans la plupart des cas, purger aucune peine? Le ministre peut-il confirmer que 8 mois d’emprisonne- ment deviennent 4 mois et que ces 4 mois ne seront pas effectués? La membre constate que l’article à l’examen s’ins- crit également dans la lutte contre la surpopulation et s’enquiert de son incidence escomptée. Le ministre indique que les conditions ne sont pas modifiées par rapport à celles mises en place durant la crise du COVID-19. Certains partis d’opposition qui se montrent très critiques aujourd’hui avaient soutenu la mesure à l’époque. Il s’agissait pourtant déjà de s’attaquer à la problématique de la surpopulation. À l’époque, personne ne s’en est plaint. Ce n’est certes pas une mesure évidente. Le directeur doit vérifier si la personne se trouve bien dans les conditions de temps pour bénéficier de la mesure. Une personne condamnée à une peine d’emprisonnement de moins d’un an ne peut bénéficier de la mesure. Par ailleurs, le ministre table sur envi- ron 150 à 200 places qui se libéreraient grâce à la mesure temporaire. Celle-ci est prévue jusqu’au 31 août 2023 et peut être prolongée par arrêté royal jusqu’au 31 dé- cembre 2024. C’est le rôle de la prison de prévenir les victimes de cette libération anticipée , à travers le service d’accueil aux victimes. Au cas où de nouveaux faits sont commis, le procu- reur peut décider de renvoyer le condamné en prison, et, dans ces cas-là, le directeur pourra décider du retrait de la mesure. Il y a donc bien un contrôle judiciaire. M. Christoph D’Haese (N-VA) souligne qu’il avait certes soutenu la mesure la toute première fois en avril 2020, mais il s’agissait alors du début de la crise du COVID-19 où toute une série de mesures exceptionnelles avaient été prises. En décembre 2020, il s’était opposé à la mesure car il était entre-temps convaincu qu’il existait d’autres possibilités. C’est un peu facile de sortir les choses de leur contexte. M. Khalil Aouasti (PS) rappelle qu’avec le recul, on a constaté que les problèmes de sécurité ou d’ordre public 2774/004 DOC 55 42 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van vervroegde invrijheidstelling grote problemen zijn gerezen inzake de veiligheid of de openbare orde die verband houden met die vervroegde invrijheidstelling. Artikel 85 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 86 Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver- vroegde invrijheidstelling. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85. Artikel 86 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 87 Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver- vroegde invrijheidstelling. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85. Artikel 87 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 88 Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver- vroegde invrijheidstelling. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85. Artikel 88 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. HOOFDSTUK 20 Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Art. 89 Dit artikel strekt ertoe te bepalen dat de ambtenaren van het gevangeniswezen mogen beslissen dat een veroordeelde zich op eigen initiatief naar de aangewezen gevangenis moet begeven om de beslissing tot plaatsing of overplaatsing uit te voeren. Mevrouw Marijke Dillen (VB) stelt vast dat een door de directeur-generaal aangewezen ambtenaar aldus kan beslissen dat de veroordeelde zich zelfstandig verplaatst naar de plaats waar hij zijn straf zal ondergaan, zonder majeurs liés à cette libération anticipée sont inférieurs à 0,5 % des personnes libérées. L’article 85 est adopté par 11 voix contre 4. Art. 86 Cet article concerne les modalités de la mesure de libération anticipée. Il est renvoyé à la discussion de l’article 85. L’article 86 est adopté par 11 voix contre 4. Art. 87 Cet article concerne les modalités de la mesure de libération anticipée. Il est renvoyé à la discussion de l’article 85. L’article 87 est adopté par 11 voix contre 4. Art. 88 Cet article concerne les modalités de la mesure de libération anticipée. Il est renvoyé à la discussion de l’article 85. L’article 88 est adopté par 11 voix contre 4. CHAPITRE 20 Modification de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus Art. 89 Cet article vise à prévoir que les fonctionnaires de l’administration pénitentiaire peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à la prison désignée pour exécuter la décision de placement ou de transfèrement. Mme Marijke Dillen (VB) constate qu’un fonctionnaire désigné par le directeur général peut donc décider que la personne condamnée se rendra, de manière indé- pendante, au lieu où elle purgera sa peine et ce, sans 43 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dat in enige vorm van bewaking of begeleiding dient te worden voorzien. Deze bepaling zal “vooral” worden toegepast ingeval van beslissing tot plaatsing in een detentiehuis. De spreekster had graag meer duiding bekomen over het woord “vooral”. Zal dit (theoretisch) kunnen worden toegepast als een ambtenaar van oordeel is dat een veroordeelde crimineel omwille van bijvoorbeeld proble- matisch gedrag van gevangenis dient te veranderen? Zo niet, kan de minister een aantal voorbeelden geven waarin dit wel mogelijk is? Het woord “vooral” impliceert immers dat dit kan worden toegepast op allerhande situaties. Wie draagt in voorkomend geval het veilig- heidsrisico? En wie zal de verantwoordelijkheid dragen als er iets fout loopt? Gevangenisstraffen onder 3 jaar zullen ooit eens worden uitgevoerd. Vandaag is het blijkbaar de bedoe- ling om diegenen die nu genieten (in het kader van de uitvoering van de gevangenisstraffen onder 3 jaar) van het elektronisch toezicht zo snel mogelijk onder te brengen in een detentiehuis. Vindt de minister het voorts aangewezen dat deze inmiddels veroordeelden zich zelfstandig kunnen verplaatsen naar die detentie- huizen, zonder een beroep te doen op de politie voor de beveiliging van deze overbrenging? En wat als ze zich niet aanmelden? De minister antwoordt dat het de bedoeling is de maat- regel voor de detentiehuizen toe te passen. Uitzonderlijk zou hij ook in andere situaties kunnen worden toegepast, meer bepaald in instellingen die de filosofie van de detentiehuizen volgen, zoals de penitentiaire instelling van Ruiselede. De detentiehuizen zijn immers anders beveiligd dan de gevangenissen. In een detentiehuis verblijven is geen recht; wanneer de betrokkene beslist er niet terug te keren, wordt hij bijgevolg naar de gevangenis gestuurd. Artikel 89 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. HOOFDSTUK 20/1 (NIEUW) Wijziging aan de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden Art. 89/1 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende- ment nr. 19 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een avoir besoin d’une quelconque forme de surveillance ou d’accompagnement. Cette disposition sera “princi- palement” appliquée en cas de décision de placement dans une maison de détention. L’intervenante souhaite obtenir plus de précisions concernant le mot “principalement”. Sera-t-il (théori- quement) possible d’appliquer cette procédure si un fonctionnaire estime qu’un criminel condamné devrait changer de prison en raison de son comportement pro- blématique, par exemple? Dans la négative, le ministre peut-il donner quelques exemples de cas dans lesquels la disposition est potentiellement applicable? De par l’utilisation du terme “principalement”, diverses situations sont en effet envisageables. Qui assumera le risque de sécurité, le cas échéant? Et qui portera la responsabilité si les choses tournent mal? Les peines d’emprisonnement de moins de trois ans seront un jour exécutées. Aujourd’hui, l’intention est apparemment que les personnes qui bénéficient actuellement (dans le cadre de l’application des peines d’emprisonnement de moins de 3 ans) d’une surveillance électronique soient transférées dès que possible dans une maison de détention. Le ministre considère-t-il de surcroît approprié que ces personnes entre-temps condamnées puissent se déplacer de manière autonome vers ces maisons de détention, sans faire appel à la police pour sécuriser ce transfert? Quid si elles ne se présentent pas? Le ministre répond que le but est d’appliquer la mesure pour les maisons de détention. Exceptionnellement, elle pourrait être appliquée dans d’autres situations, notamment des établissements qui fonctionnent avec la philosophie des maisons de détention, par exemple l’établissement pénitentiaire de Ruiselede. Les maisons de détention sont en effet sécurisées différemment des prisons. Il n’existe pas de droit à être en maison de détention, donc si la personne décide de ne pas y retourner, elle sera envoyée en prison. L’article 89 est adopté par 11 voix contre 4. CHAPITRE 20/1 (NOUVEAU) Modification de la loi du 4 octobre 1867 sur les circonstances atténuantes Art. 89/1 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 19 (DOC 55 2774/002) qui vise à insérer 2774/004 DOC 55 44 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E nieuw artikel 89/1 in te voegen, tot wijziging van arti- kel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden. Amendement nr. 19 wordt aangenomen met 14 stem- men en 1 onthouding. HOOFDSTUK 20/1 (NIEUW) Wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende- ment nr. 32 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een hoofdstuk 20/1 betreffende een wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 32 wordt eenparig aangenomen. Art. 89/2 (nieuw) Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 33 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een arti- kel 89/2, teneinde artikel 33, derde lid, 5°, van de wet van 8 april 1965 te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 33 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 21 Overgangsbepalingen Art. 90 en 91 Deze artikelen hebben betrekking op de overgangsbepalingen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen- ten nrs. 86 en 87 (DOC 55 2774/003) in, die er respec- tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten. De amendementen nrs. 86 en 87 worden achtereen- volgens eenparig aangenomen. article 89/1 en vue de modifier l’article 2 de la loi du 4 oc- tobre 1867 sur les circonstances atténuantes. L’amendement n° 19 est adopté par 14 voix et une abstention. CHAPITRE 20/1 (NOUVEAU) Modification de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d’infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 32 (DOC 55 2774/003) qui vise à insérer un chapitre 20/1 concernant une modification de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d’infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 32 est adopté à l’unanimité. Art. 89/2 (nouveau) Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen- dement n° 33 (DOC 55 2774/003) qui vise à insérer un article 89/2 en vue de modifier l’article 33, alinéa 3, 5°, de la loi du 8 avril 1965. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 33 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 21 Dispositions transitoires Art. 90 et 91 Ces articles concernent des dispositions transitoires. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen- dements nos 86 et 87 (DOC 55 2774/003) qui visent respectivement à abroger ces articles. Les amendements nos 86 et 87 sont successivement adoptés à l’unanimité. 45 2774/004 DOC 55 C H A M B R E 4 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 22 Inwerkingtreding Art. 92 Dit artikel betreft de inwerkingtreding. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 92 wordt eenparig aangenomen. Art. 93 Dit artikel betreft de inwerkingtreding. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 93 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Op verzoek van de heren Christoph D’Haese (N-VA) en Nabil Boukili (PVDA-PTB) zal de commissie met toepassing van artikel 83.1 van het Reglement tot een tweede lezing overgaan. De commissie wenst daartoe over een nota van de Juridische Dienst te beschikken. De rapporteur, De voorzitster, Christoph D’HAESE Kristien VAN VAERENBERGH CHAPITRE 22 Entrée en vigueur Art. 92 Cet article concerne une disposition d’entrée en vigueur. Il ne fait l’objet d’aucune observation. L’article 92 est adopté à l’unanimité. Art. 93 Cet article concerne une disposition d’entrée en vigueur. Il ne fait l’objet d’aucune observation. L’article 93 est adopté par 11 voix contre 4. À la demande de MM. Christoph D’Haese (N-VA) et Nabil Boukili (PVDA-PTB), la commission procédera, en application de l’article 83.1 du Règlement, à une deuxième lecture. À cette fin, la commission souhaite disposer d’une note du Service juridique. Le rapporteur, La présidente, Christoph D’HAESE Kristien VAN VAERENBERGH Imprimerie centrale – Centrale drukkerij Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot