Inhoud
2774/004
DOC 55
2774/004
DOC 55
07463
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
7 juli 2022
7 juillet 2022
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
Voir:
Doc 55 2774/ (2021/2022):
001:
Proposition de loi.
002 et 003: Amendements.
Voir aussi:
005/
Articles adoptés par la commission en première lecture.
Zie:
Doc 55 2774/ (2021/2022):
001:
Wetsontwerp.
002 en 003: Amendementen.
Zie ook:
005:
Artikelen aangenomen in eerste lezing door de commissie.
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR JUSTITIE
UITGEBRACHT DOOR
DE HEER Christoph D’HAESE
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DE LA JUSTICE
PAR
M. Christoph D’HAESE
VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING
RAPPORT DE LA PREMIÈRE LECTURE
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Exposé introductif du vice-premier ministre et
ministre de la Justice et de la Mer du Nord....................3
II. Discussion générale........................................................5
A. Questions et observations des membres...................5
B. Réponses..................................................................10
C. Répliques..................................................................13
D. Réponses complémentaires.....................................14
III. Discussion des articles et votes..................................16
I. Inleidende uiteenzetting van de vice-eersteminister
en minister van Justitie en Noordzee..............................3
II. Algemene bespreking.....................................................5
A. Vragen en opmerkingen van de leden.......................5
B. Antwoorden...............................................................10
C. Replieken..................................................................13
D. Bijkomende antwoorden...........................................14
III. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................16
om justitie menselijker, sneller en
straffer te maken II
visant à rendre la justice plus humaine,
plus rapide et plus ferme II
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
2774/004
DOC 55
2
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
Les Engagés
:
Les Engagés
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant - Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag
Président/Voorzitter: Kristien Van Vaerenbergh
A. — Titulaires / Vaste leden:
B. — Suppléants / Plaatsvervangers:
N-VA
Christoph D'Haese, Sophie De Wit, Kristien Van
Vaerenbergh
Yngvild Ingels, Sander Loones, Wim Van der Donckt, Valerie Van Peel
Ecolo-Groen
Claire Hugon, Olivier Vajda, Stefaan Van Hecke
N ., Julie Chanson, Marie-Colline Leroy
PS
Khalil Aouasti, Laurence Zanchetta, Özlem Özen
N ., Mélissa Hanus, Ahmed Laaouej, Patrick Prévot
VB
Katleen Bury, Marijke Dillen
Tom Van Grieken, Dries Van Langenhove, Reccino Van Lommel
MR
Philippe Goffin, Philippe Pivin
Nathalie Gilson, Marie-Christine Marghem, Caroline Taquin
CD&V
Koen Geens
Els Van Hoof, Servais Verherstraeten
PVDA-PTB
Nabil Boukili
Greet Daems, Marco Van Hees
Open Vld
Katja Gabriëls
Patrick Dewael, Goedele Liekens
Vooruit
Ben Segers
Karin Jiroflée, Kris Verduyckt
C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde leden:
Les Engagés
Vanessa Matz
DéFI
Sophie Rohonyi
3
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Dames en Heren,
Uw commissie heeft dit wetsontwerp besproken tijdens
haar vergadering van 29 juni 2022.
I. — INLEIDENDE UITEENZETTING
VAN DE VICE-EERSTEMINISTER EN
MINISTER VAN JUSTITIE EN NOORDZEE
De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister
en minister van Justitie en Noordzee, geeft aan dat dit
wetsontwerp een aantal diverse maatregelen beoogt,
maar dat er, op vraag van de commissie, een reeks arti-
kelen uit het wetsontwerp zullen worden gehaald, zodat
men zich kan beperken tot een selectie van ongeveer
40 artikelen die absoluut voor het zomerreces moeten
gestemd geraken.
De bepalingen die voorliggen zijn de volgende:
— Wijzigingen aan het Wetboek van strafvordering
(artikelen 18 en 19 van het wetsontwerp), namelijk de
mogelijkheid om het verloop van de terechtzitting van
een assisenzaak op te nemen alsook het aanleggen
van historische justitiearchieven. Dit is belangrijk voor
het proces “aanslagen” dat in september 2022 zal ge-
organiseerd worden.
— Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek – boek 4
“Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” (ar-
tikelen 39 à 46 et hoofdstukken 9, 14 et 17 van het
wetsontwerp). Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek zal in
werking treden op 1 november 2022. Er zijn eveneens
bepalingen die al op 1 juli 2022 in werking treden en die
zo snel mogelijk moeten worden aangepast.
— Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op de kans-
spelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen
en de bescherming van de spelers (artikelen 53 en 55
van het wetsontwerp) teneinde vanaf 1 oktober 2022 de
EPIS-lijst in te voeren bij de gokkantoren.
— Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betref-
fende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot
een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende
rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Het betreft:
• wijzigingen ter verbetering van de sociale re-integratie
van de veroordeelde, met het oog op een vlotte doorstro-
ming van de veroordeelde gedetineerden door middel
van uitbreiding van het penitentiair verlof;
Mesdames, Messieurs,
Votre commission a examiné ce projet de loi au cours
de sa réunion du 29 juin 2022.
I. — EXPOSÉ INTRODUCTIF
DU VICE-PREMIER MINISTRE ET MINISTRE
DE LA JUSTICE ET DE LA MER DU NORD
M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre
et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, indique
que le projet de loi à l’examen vise diverses mesures,
mais qu’à la demande de la commission, une série
d’articles en seront retirés, de manière à se limiter à
une quarantaine d’articles qui doivent absolument être
votés avant les vacances d’été.
Les dispositions à l’examen sont les suivantes:
— Modifications du Code d’instruction criminelle
(articles 18 et 19 du projet de loi), à savoir la possibilité
d’effectuer des captations d’audiences devant la cour
d’assises, et de constituer des archives historiques de
la justice. C’est important pour le procès “attentats” qui
sera organisé en septembre 2022.
— Modifications du Code civil – livre 4 “Les suc-
cessions, donations et testaments” (articles 39 à 46 et
chapitres 9, 14 et 17 du projet de loi). Le livre 4 du Code
civil entrera en vigueur au 1er novembre 2022. Certaines
dispositions entrent en vigueur dès le 1er juillet 2022 et
doivent être modifiées sans délai.
— Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de
hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs (articles 53 et 55 du projet
de loi), afin d’introduire la liste EPIS dans les agences
de paris à partir du 1er octobre 2022.
— Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au
statut juridique externe des personnes condamnées à
une peine privative de liberté et aux droits reconnus à
la victime dans le cadre des modalités d’exécution de
la peine. Il s’agit:
• de modifications visant à améliorer la réinsertion
sociale des personnes condamnées en vue de faciliter
le flux des détenus condamnés par une extension du
congé pénitentiaire;
2774/004
DOC 55
4
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
• wijzigingen teneinde de slachtoffers beter te infor-
meren: er wordt bepaald dat de slachtoffers die hebben
gevraagd te worden geïnformeerd over de toekenning
van nadere strafuitvoeringsvoorwaarden, dat ook zul-
len worden in geval van de toekenning van een eerste
uitgaansvergunning met het oog op de voorbereiding
van de sociale re-integratie;
• verduidelijking omtrent de uitvoerbaarheid van een
beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheid-
stelling met het oog op verwijdering van het grondgebied
voor veroordeelden met een straftotaal dat niet meer
dan drie jaar bedraagt; en,
• Enkele technische verbeteringen:
— Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005
betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie
van de gedetineerden, meer bepaald van artikel 18
betreffende de plaatsing en de overplaatsing van gede-
tineerden, teneinde er uitdrukkelijk een bepaling in op
te nemen op basis waarvan de bevoegde ambtenaren
in de beslissing tot plaatsing zullen kunnen bepalen dat
de veroordeelde zich zelfstandig zal kunnen begeven
naar de gevangenis die werd opgegeven in de beslissing
tot plaatsing, zonder dat in enige vorm van bewaking of
begeleiding dient te worden voorzien. Deze bepaling zal
vooral worden toegepast bij beslissingen tot plaatsing in
een detentiehuis. De minister dringt aan op een tijdige
stemming, zodat deze maatregel vanaf september 2022
kan worden toegepast.
— Invoering van een tijdelijke maatregel tot ver-
mindering van de overbevolking in de gevangenissen,
namelijk de vervroegde invrijheidstelling zes maanden
voor het einde van de straf. De inhoud van de maatregel
is bijna identiek aan de maatregel van de vervroegde
invrijheidstelling “COVID-19”. Hij zal worden toegepast
tot in augustus 2023, met de mogelijkheid om hem te
verlengen tot eind 2024.
De minister voegt eraan toe dat er drie reeksen amen-
dementen werden ingediend:
— De eerste reeks (de amendementen nrs. 38 tot
87) strekt ertoe een aantal artikelen uit het wetsontwerp
te lichten. Het is de bedoeling deze artikelen te kun-
nen bespreken bij de hervatting van de parlementaire
werkzaamheden in september 2022. Daaraan worden
de amendementen nrs. 36 en 37 toegevoegd, die ertoe
strekken de datum van inwerkingtreding van de wet van
2019 inzake de databank voor vonnissen en arresten
uit te stellen tot 30 september 2023.
— Een tweede reeks (de amendementen nrs. 1 tot
22) voegt een aantal artikelen aan het wetsontwerp
• de modifications visant à améliorer l’information des
victimes: il est prévu que les victimes qui ont demandé
à être informées de l’octroi des modalités d’exécution
de la peine soient aussi informées en cas d’octroi d’une
première permission de sortie en vue de la préparation
de la réinsertion sociale;
• d’une clarification concernant l’exécutabilité d’une
décision d’octroi d’une libération provisoire en vue de
l’éloignement du territoire pour les condamnés dont le
total de la peine ne dépasse pas trois ans; et
• De quelques améliorations techniques:
— Modifications de la loi de principes du 12 janvier
2005 concernant l’administration des établissements
pénitentiaires ainsi que le statut juridique des détenus,
en particulier de l’article 18 concernant le placement et le
transfèrement des détenus, afin d’y prévoir explicitement
une disposition sur base de laquelle les fonctionnaires
compétents pourront déterminer, dans la décision de
placement, que le condamné pourra se rendre de manière
indépendante dans la prison désignée dans la décision
de placement, sans avoir à prévoir aucune forme de
surveillance ou d’accompagnement. Cette disposition
sera principalement appliquée en cas de décision de
placement dans une maison de détention. Afin que cette
mesure puisse être appliquée dès septembre 2022, le
ministre insiste pour que le vote ait lieu à temps.
— Introduction d’une mesure temporaire pour réduire
la surpopulation dans les prisons, c’est-à-dire la libération
anticipée six mois avant la fin de la peine. Le contenu
de la mesure est presque identique à la mesure de
libération anticipée “COVID-19”. Elle sera appliquée
jusqu’en août 2023, avec la possibilité de la prolonger
jusqu’à la fin de 2024.
Le ministre ajoute que trois séries d’amendements
ont été déposées:
— La première série (amendements nos 38 à 87) vise
à retirer un certain nombre d’articles du projet de loi.
L’objectif est de pouvoir discuter de ces articles, lors de la
reprise de l’activité parlementaire au mois de septembre
2022. S’y ajoutent les amendements nos 36 et 37 qui
visent à postposer la date d’entrée en vigueur de la loi
de 2019 sur la banque de données des jugements et
des arrêts au 30 septembre 2023.
— Une seconde série (amendements nos 1 à 22)
ajoute un certain nombre d’articles au projet de loi. Il
5
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toe. Het betreft nieuwe elementen die onder de aan-
dacht zijn gekomen tussen de goedkeuring van het
voorontwerp van wet door de Ministerraad op 1 april
2022 en het advies van de Raad van State dat twee
maanden later is ontvangen. De amendementen nrs. 1
en 2, alsook 19 tot 22, betreffen verbeteringen aan het
seksueel strafrecht die werden aangekaart in het kader
van mondelinge vragen. De amendementen nrs. 3 en 4
betreffen de mogelijkheid om zitting te hebben buiten
een rechtscollege. Een dergelijke mogelijkheid bestaat
reeds voor de assisenprocessen. Het is de bedoeling
om een gelijkaardige mogelijkheid te scheppen voor
correctionele zaken. Er zal immers binnenkort een be-
langrijk proces plaatsvinden te Luik, met een twintigtal
beklaagden. Concreet kan een dergelijk proces niet
worden georganiseerd op het grondgebied van dat
rechtscollege. De amendementen nrs. 5 tot 15 strekken
ertoe het Burgerlijk Wetboek te wijzigen, op verzoek van
de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat en
van de FOD Financiën. De amendementen nrs. 16 tot
18 behelzen de nationaliteitsvereiste ten aanzien van de
advocaten. Het gaat om een uitdrukkelijk verzoek van
AVOCATS.be aangezien iemand die de Belgische natio-
naliteit niet heeft maar die zijn rechtendiploma in België
heeft behaald, thans geen lid kan worden van de balie.
Het is de bedoeling dat deze maatregel in werking kan
treden vóór het begin van het nieuwe gerechtelijk jaar.
— De derde en laatste reeks (de amendementen nrs.
23 tot 35) betreft vooral technische correcties, met name
wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek (Boeken 1, 2 en 4).
II. — ALGEMENE BESPREKING
A. Vragen en opmerkingen van de leden
De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden dat de
minister akkoord gaat om de bespreking van het wetsont-
werp te beperken tot de bepalingen die hij als dringend
beschouwt. Hij vond het ongepast hoe de minister nog
een aantal wetsontwerpen door het Parlement wou jagen
vóór het zomerreces. Het is zijn verantwoordelijkheid dat
die teksten zo laattijdig werden afgewerkt. Hij verwijst
vervolgens naar de lijst van dringende artikelen en de
reeks amendementen die nog gisterenavond werden
ontvangen. Het merendeel daarvan is, volgens de heer
D’Haese, nog steeds niet als echt dringend te kwalificeren.
De spreker vindt het betreurenswaardig dat de minister
opnieuw geen rekening heeft gehouden met de bevoegd-
heden van de gemeenschappen. Het wetsontwerp werd
naar de Raad van State gestuurd zonder te wachten op
de adviezen van de gemeenschappen. Zij hebben dit
dan ook alle drie aangekaart in een brief, die ook aan
s’agit d’éléments nouveaux qui sont intervenus entre
l’approbation de l’avant-projet de loi en Conseil des
ministres le 1er avril 2022 et l’avis du Conseil d’État reçu
2 mois plus tard. Les amendements nos 1 et 2 ainsi que
19 à 22 concernent des corrections au droit pénal sexuel
qui ont été abordées dans le cadre de questions orales.
Les amendements nos 3 et 4 concernent la possibilité
de siéger en dehors d’une juridiction. Une telle possi-
bilité existe déjà pour les procès d’assises. L’idée est
de prévoir une semblable possibilité pour les affaires
correctionnelles. En effet, un important procès devrait
avoir prochainement lieu à Liège, avec une vingtaine
d’inculpés. Concrètement un tel procès ne peut pas
être organisé sur le territoire de cette juridiction. Les
amendements nos 5 à 15 visent, quant à eux, à modifier
le Code civil, à la demande de la Fédération royale du
notariat et du SPF Finances. Quant aux amendements
nos 16 à 18, ils concernent la condition de nationalité des
avocats. Il s’agit d’une demande explicite d’avocats.be,
car, actuellement, une personne n’ayant pas la natio-
nalité belge, mais ayant obtenu son diplôme de droit
en Belgique, ne peut pas entrer au barreau. L’objectif
est que cette mesure puisse entrer en vigueur avant le
début de la nouvelle année judiciaire.
— La troisième et dernière série (amendements nos 23 à
35) concerne essentiellement des corrections techniques.
Il s’agit de modifications au Code civil (Livres 1, 2 en 4).
II. — DISCUSSION GÉNÉRALE
A. Questions et observations des membres
M. Christoph D’Haese (N-VA) se réjouit que le ministre
accepte de limiter la discussion du projet de loi aux
dispositions qu’il juge urgentes. La manière dont le
ministre entendait faire passer en urgence un certain
nombre de projets de loi au Parlement avant les vacances
d’été était à ses yeux inappropriée. C’est sa faute si ces
textes ont été finalisés si tard. Il renvoie ensuite à la liste
des articles urgents et à la série d’amendements reçus
pas plus tard qu’hier soir. Selon M. D’Haese, la plupart
de ceux-ci ne peuvent toujours pas être qualifiés de
réellement urgents.
L’intervenant regrette qu’une fois de plus, le mi-
nistre n’ait pas tenu compte des compétences des
Communautés. Le projet de loi a été envoyé au Conseil
d’État sans attendre leurs avis. Toutes trois ont dénoncé
cette méthode dans une lettre, qui a également été
envoyée à la commission. Ce n’est pas la première
2774/004
DOC 55
6
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de commissie bezorgd werd. Het is niet de eerste keer
dat die kritiek klinkt. Wanneer zal de minister eindelijk
rekening houden met de gevolgen van zijn beslissingen
op de diensten van de gemeenschappen?
De heer D’Haese stelt ook vast dat de minister we-
derom zijn eigen PR-slogan gebruikt als titel voor een
wetsontwerp. Het wetsontwerp is gewoon een wet
diverse bepalingen, met vaak ook eerder technische
wijzigingen en/of taalkundige verbeteringen. Welke ar-
tikelen zorgen concreet voor een menselijkere, snellere
en straffere justitie?
Wat die straffere justitie betreft, doet de minister weer
het omgekeerde van wat hij aankondigde: de strafuit-
voering versoepelen en gevangenen vroeger vrijlaten.
De minister beloofde een kordate strafuitvoering en zelfs
de uitvoering van alle korte straffen. De inwerkingtreding
van de korte straffen werd onder zijn bewind evenwel
al voor de derde keer uitgesteld: voor de straffen van
minder dan 2 jaar zelfs tot september 2023, terwijl de
straffen van minder dan 6 maanden nooit meer zullen
worden uitgevoerd. En nu doet de minister er nog een
automatische strafkorting bovenop. De heer D’Haese
verwijst ook naar de kritiek van het College van procu-
reurs-generaal hieromtrent.
Het is juist dat de overbevolking in de gevangenis-
sen een enorm en een historisch probleem vormt, maar
de minister onderneemt onvoldoende om dit op korte
termijn te bestrijden. Hij heeft al zijn kaarten ingezet op
de detentiehuizen en beloofde 720 plaatsen tegen 2024.
De N-VA-fractie heeft meteen gewaarschuwd dat die
plannen niet realistisch waren. De spreker stelt dan ook
vast dat er nog altijd geen enkel detentiehuis geopend
is. Waarom zijn er nog geen bouwplannen voor nieuwe
detentiehuizen gemaakt? De heer D’Haese meent dat
er eigenlijk geen plan is.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) is tevreden dat de minister
niet vlug het ganse oorspronkelijke wetsontwerp er nog
wil doorduwen vóór het reces, maar zich beperkt tot die
onderdelen die volgens hem dringend zouden zijn. Wat
een aantal artikelen betreft kan zij de minister steunen.
Maar voor een groot deel blijft zij dit betwisten.
Voor de spreekster draagt dit wetsontwerp een veelbe-
lovende titel, maar is, in feite, een tweede Potpourriwet:
een samenraapsel van wijzigingen van diverse wetboeken
waar geen samenhang tussen bestaat. Het gaat vaak
om beperkte technische bepalingen, zelfs rechtzettingen
van recente wetgeving; in ieder geval weinig inhoudelijks
om Justitie daadwerkelijk sneller, straffer en menselijker
te maken.
fois que cette critique est formulée. Quand le ministre
tiendra-t-il enfin compte de l’impact de ses décisions
sur les services des Communautés?
M. D’Haese constate par ailleurs qu’une fois de plus, le
ministre utilise son propre slogan politique comme intitulé.
Le projet de loi n’est rien d’autre qu’une loi portant des
dispositions diverses, qui vise souvent à apporter des
modifications plutôt techniques et/ou des améliorations
d’ordre linguistique. Quels articles rendront concrètement
la justice plus humaine, plus rapide et plus ferme?
En ce qui concerne une justice plus ferme, le ministre
fait à nouveau le contraire de ce qu’il avait annoncé:
assouplir l’application des peines et libérer les prison-
niers plus tôt. Le ministre avait promis une application
ferme des peines et même l’exécution de toutes les
peines de courte durée. Cependant, l’entrée en vigueur
des courtes peines a été reportée pour la troisième fois
depuis le début de son mandat: pour les peines de moins
de deux ans, elle a même été reportée à septembre
2023, et les peines de moins de six mois ne seront
plus jamais exécutées. Et voici qu’à présent, le ministre
ajoute encore une réduction automatique de la peine.
M. D’Haese renvoie également à la critique du Conseil
des procureurs généraux à ce sujet.
Il est exact que la surpopulation carcérale est un
problème énorme et historique, mais le ministre n’en
fait pas assez pour lutter contre ce problème à court
terme. Il a misé toutes ses cartes sur les maisons de
détention et a promis 720 places d’ici 2024. Le groupe
N-VA a immédiatement averti que ces projets étaient
irréalistes. L’intervenant constate d’ailleurs qu’aucune
maison de détention n’a encore été ouverte. Pourquoi
aucun plan de construction de nouvelles maisons de
détention n’a-t-il encore été établi? M. D’Haese pense
qu’il n’y a en fait aucun plan.
Mme Marijke Dillen (VB) se réjouit que le ministre
ne veuille pas faire passer en urgence l’ensemble du
projet de loi initial avant les vacances, mais se limite aux
parties qu’il juge urgentes. Elle peut soutenir le ministre
sur certains articles. Mais pour une grande partie, elle
continue à s’opposer au projet de loi.
Pour l’intervenante, le projet de loi à l’examen porte
un titre prometteur, mais il s’agit en fait d’une deuxième
loi “pot-pourri”: un fourre-tout de modifications à divers
codes sans aucune cohérence entre elles. Il s’agit
souvent de dispositions techniques limitées, voire de
corrections de lois récentes; en tout cas, peu de contenu
pour rendre réellement la justice plus rapide, plus ferme
et plus humaine.
7
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voor mevrouw Dillen is de strafkorting hiervan het
duidelijke bewijs. Wat als een coronamaatregel werd
aangekondigd en ingevoerd als maatregel die de over-
bevolking in de gevangenissen diende te maskeren,
wordt strafkorting nu de keiharde realiteit. Zelfs twee
coalitiepartners waren kritisch over deze maatregel. De
CD&V-fractie stelde dat dit tegen het regeerakkoord ingaat
en kondigde aan dit tegen te houden in de Ministerraad.
De MR-fractie verwees naar de beleidsverklaring van de
minister. De spreekster betreurt dat het in België al niet
gemakkelijk is om in de gevangenis terecht te komen
en dat er nu nog blijkbaar alles aan wordt gedaan om
veroordeelde criminelen die in de gevangenis terecht-
komen zo snel mogelijk vrij te laten. Ook de plannen in
verband met de strafuitvoering roepen bij haar vragen
op. De bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank
wordt niet gerespecteerd. De gevangenisdirecteur krijgt
aanzienlijk meer macht. Dit alles kadert zogezegd in
een aanpak van de overbevolking in de gevangenissen.
Dat is niet de juiste wijze om deze overbevolking aan te
pakken. Hierover heeft men reeds herhaaldelijk in deze
commissie van gedachten gewisseld.
Een kordate justitie vereist een hervorming van het
strafrecht, van het strafprocesrecht en van het strafuit-
voeringsrecht. Dit vereist uiteraard een zeer uitvoerige
en grondige behandeling. Er staan reeds teksten ter
beschikking. Wanneer gaat de minister hier werk van
maken?
In zijn beleidsverklaring was de minister eerlijk: hij
zei duidelijk dat hij niet de hemel kon beloven maar
concrete doelen ging uitwerken om justitie stap voor
stap te verbeteren. De spreekster begrijpt dat hij niet in
één wetsontwerp alle aangekondigde hervormingen kan
realiseren. Hoewel zij een groot deel van de inhoud van
dit wetsontwerp kan onderschrijven, beantwoordt het
geheel echter niet aan de ronkende aankondiging die
de titel laat vermoeden. Mevrouw Dillen blijft hopen dat
de minister snel ambitieuzer zal zijn en met een wets-
ontwerp zal komen om justitie echt sneller, menselijker
en straffer te maken.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) verwijst naar het
aan de commissie gerichte schrijven van de vereniging
van Franstalige gevangenisdirecteurs. Naar aanleiding
van contacten met mensen in het veld acht het lid het
belangrijk te melden dat ze bang zijn, niet wegens wat in
het wetsontwerp staat maar wegens wat er níet in staat.
Zoals in het wetsontwerp wordt aangegeven, kampen de
gevangenissen met overbevolking. Die situatie blijft aan-
slepen. Daarom zal de PVDA-PTB-fractie de verlenging
Pour Mme Dillen, les remises de peine en sont une
preuve évidente. Ce qui avait été annoncé et introduit
comme une mesure de lutte contre le coronavirus en
vue de masquer la surpopulation carcérale est en train
de devenir la dure réalité. Même deux partenaires de la
coalition ont critiqué cette mesure. Le groupe CD&V a
estimé que cette mesure allait à l’encontre de l’accord de
gouvernement et a annoncé qu’il la bloquerait au Conseil
des ministres. Le groupe MR a renvoyé à la déclaration
de politique générale du ministre. L’intervenante déplore
qu’en Belgique, on ne recoure déjà pas facilement à
l’emprisonnement et qu’aujourd’hui, manifestement, tout
soit fait pour libérer au plus vite les condamnés qui se
retrouvent en prison. Elle s’interroge également sur ce
qui est envisagé en matière d’exécution des peines. La
compétence du tribunal de l’application des peines n’est
pas respectée. Le directeur de prison reçoit beaucoup
plus de pouvoir. Tout cela s’inscrirait dans le cadre d’une
lutte contre la surpopulation carcérale. Ce n’est pas la
bonne façon de s’attaquer à cette surpopulation. Ce
point a déjà été discuté à de nombreuses reprises au
sein de cette commission.
Une justice ferme exige une réforme du droit pénal,
du droit de la procédure pénale et du droit de l’appli-
cation des peines. Cela nécessite, bien entendu, un
traitement très complet et approfondi. Des textes sont
déjà disponibles. Quand le ministre va-t-il s’y mettre?
Dans sa déclaration de politique générale, le ministre
a été honnête: il a dit clairement qu’il ne pouvait pas
promettre le paradis mais qu’il allait élaborer des objec-
tifs concrets pour améliorer la justice étape par étape.
L’intervenante comprend qu’il ne peut pas réaliser toutes
les réformes annoncées au moyen d’un seul projet de
loi. Si elle peut approuver une grande partie du contenu
du projet de loi à l’examen, l’ensemble n’est cependant
pas à la hauteur de la promesse ronflante de l’intitulé.
Mme Dillen continue d’espérer que le ministre sera bien-
tôt plus ambitieux et présentera un projet de loi visant
à rendre la justice vraiment plus rapide, plus humaine
et plus ferme.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) se réfère au courrier
adressé à la commission par l’association francophone
des directeurs de prison. Suite à des contacts de terrain,
il tient à relayer la peur qui y est ressentie, non par rap-
port à ce qui se trouve dans ce projet de loi, mais par
rapport à ce qui ne s’y trouve pas. Comme l’indique le
projet de loi, les prisons sont surpeuplées. Cette situation
s’éternise. C’est pourquoi, le groupe PVDA-PTB sou-
tiendra le maintien de la mesure de libération anticipée
2774/004
DOC 55
8
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de vervroegde invrijheidstelling wegens COVID-19
steunen; door die maatregel kunnen gedetineerden onder
bepaalde voorwaarden 6 maanden vóór het einde van
hun straf de gevangenis verlaten.
Velen in de sector menen dat die maatregel ontoe-
reikend zal zijn. De eerste fase van de nieuwe regeling
inzake de uitvoering van de korte straffen komt immers
snel dichterbij, aangezien vanaf september de straffen
tussen 2 en 3 jaar zouden moeten worden uitgevoerd.
Volgens ramingen van de minister zal zulks leiden tot een
toename van de gevangenisbevolking met ongeveer 700
gedetineerden. Uit de schattingen van de regering zelf
blijkt evenwel dat de 720 plaatsen in de detentiehuizen
pas eind 2024 beschikbaar zullen zijn.
De uitvoering van de korte straffen vormt dus een
vlucht vooruit en dreigt de veiligheid in de gevangenis-
sen, de arbeidsomstandigheden van het personeel,
alsook de leefomstandigheden van de gedetineerden
in het gedrang te brengen, terwijl de toestand nu al ui-
termate ernstig is. Die ernst staat in schril contrast met
de menselijke benadering waarvan in het opschrift van
het wetsontwerp gewag wordt gemaakt. De geplande
maatregelen volstaan duidelijk niet om een en ander te
compenseren. Volgens de directeurs met wie de heer
Boukili contact heeft opgenomen, konden door de reeds
tijdens de COVID-19-crisis toegepaste vervroegde invrij-
heidstelling amper een tweehonderdtal gedetineerden
de gevangenissen verlaten, terwijl er een overbevolking
is van naar schatting 1 300 gedetineerden.
Daarom vraagt de heer Boukili dat een hoorzitting
met de vereniging van Franstalige gevangenisdirecteurs
zou worden gehouden; indien daarvoor niet genoeg tijd
zou zijn, zouden schriftelijke adviezen moeten worden
gevraagd.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) brengt in herinnering
dat zij tijdens de bespreking van de wet inzake de korte
straffen al had gesteld dat de minister het paard achter
de wagen spant. De minister zal immers een toestroom
van nieuwe gedetineerden op gang brengen, maar heeft
onvoldoende plaatsen en detentiehuizen gecreëerd om
ze op te vangen.
Met betrekking tot het voorliggende wetsontwerp doet
de spreekster dezelfde vaststelling. Dankzij de nieuwe
strafinrichtingen zullen alles samen netto slechts 384
bijkomende plaatsen beschikbaar zijn. De inwerkingtre-
ding van de korte straffen zal niet samenvallen met de
opening van de detentiehuizen. Nochtans zouden de
korte straffen bij voorrang daar worden uitgezeten. De
minister beweert dat 720 plaatsen beschikbaar zouden
“COVID-19”, permettant sous certaines conditions la
sortie de détenus 6 mois avant la fin de leur peine.
Un avis largement partagé par le secteur est que cette
mesure ne sera pas suffisante. En effet, la première
phase de l’exécution des courtes peines (exécution des
peines de 2 à 3 ans en septembre) approche à grands
pas. Cela entraînera une augmentation de la population
carcérale que le ministre évalue à environ 700 places.
Or, selon les propres estimations du gouvernement, les
720 places des maisons de détention ne seront, quant
à elles, disponibles que fin 2024.
L’exécution des courtes peines constitue donc une
fuite en avant qui risque de mettre à mal la sécurité
dans les prisons, les conditions de travail des agents,
ainsi que les conditions de vie des détenus, alors que
la situation est déjà extrêmement grave. Cette gravité
contraste avec l’approche humaine qui est pourtant
prônée dans l’intitulé du projet de loi. Cette situation
n’est clairement pas suffisamment compensée par
les mesures projetées. Selon les directeurs contactés
par M. Boukili, la mesure de libération anticipée, déjà
appliquée pendant la crise de la COVID-19, a permis
de sortir à peine environ 200 détenus des prisons, sur
une surpopulation estimée à 1 300.
C’est pourquoi, M. Boukili demande d’organiser une
audition de l’association francophone des directeurs
de prison, ou, à défaut de disposer de suffisamment de
temps, de solliciter des avis écrits.
Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle, quant à elle, ce
qu’elle avait déjà dit au moment de la discussion de la
loi sur les courtes peines, à savoir, que cela revenait à
mettre la charrue avant les bœufs. En effet, le ministre
va créer un afflux de nouveaux détenus, sans avoir créé
suffisamment de places et de maisons de détention
pour les recevoir.
L’oratrice fait le même constat avec le présent projet
de loi. Avec les nouveaux établissements, seulement 384
places “nettes” supplémentaires seront disponibles au
total. L’entrée en vigueur des courtes peines ne coïnci-
dera pas avec l’ouverture des maisons de détention. Or,
c’était l’endroit où la prestation des courtes peines était
envisagée en priorité. Le ministre affirme que d’ici à la
fin de 2024, 720 places devraient être disponibles. Mais,
9
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
moeten zijn tegen eind 2024. Niet langer dan een week
geleden heeft de pers echter onthuld dat de creatie van
de detentiehuizen stokt.
Mevrouw Matz stelt vast dat de in het wetsontwerp
opgenomen maatregel inzake vervroegde invrijheidstel-
ling al tijdens de COVID-19-pandemie werd toegepast.
Toen moest echter het hoofd worden geboden aan een
uitzonderlijke situatie. Door die maatregel aan te wenden
om de overbevolking te bestrijden, gebruikt de minister
die regeling daarentegen om een structureel probleem
op te lossen. Dat probleem wordt bovendien verergerd
door de jongste wetgeving inzake de korte straffen.
Mevrouw Matz merkt voorts op dat in het wetsontwerp
volstrekt geen cijfergegevens over de weerslag van de
geplande maatregel worden verschaft.
Hoewel deze regeling niet van toepassing is op som-
mige categorieën van gedetineerden (seksuele de-
linquenten, terroristen, vreemdelingen zonder recht
op verblijf, ter beschikking van de rechtbank gestelde
gedetineerden), noch op gedetineerden die tot 10 jaar
of langer veroordeeld zijn, heeft de spreekster vragen bij
de mate waarin de criteria van gevaarlijkheid en recidive
doorwegen in deze regeling. Zijn de aangehaalde cate-
gorieën per definitie altijd gevaarlijker? Is bijvoorbeeld,
in een van de door het wetsontwerp uitgesloten cate-
gorieën, iemand die tot 9 jaar gevangenis veroordeeld
is wegens geweldpleging op personen en die een groot
recidiverisico vertoont, niet gevaarlijker dan iemand die
tot 3 of 4 jaar veroordeeld is en bij wie het recidiverisico
kleiner is? Bovendien tracht het wetsontwerp te voorzien in
zoveel mogelijk grendels om in brede zin een herroeping
mogelijk te maken zo zich bij de vervroegde vrijlating
een probleem voordoet. Mevrouw Matz had het logischer
en billijker gevonden om voor alle veroordeelden op
6 maanden vóór het einde van de straf een vrijlating te
overwegen, behoudens tegenindicaties. Dat is trouwens
ook het standpunt van de Centrale Toezichtsraad voor
het Gevangeniswezen. Ten slotte zij eraan herinnerd
dat de toegekende verloven in het kader van de eerste
gezondheidscrisis niet tot noemenswaardige problemen
hebben geleid. In het raam van een wetsontwerp dat
een meer menselijke justitie wil bewerkstelligen, zou het
van meer coherentie getuigen mocht rekening worden
gehouden met de individuele en persoonlijke situatie
van de gedetineerden. Welke impact zou die maatregel
op het aantal plaatsen hebben, mochten ook die gede-
tineerden worden beoogd?
Mevrouw Matz roept er op haar beurt toe op de ge-
vangenisdirecteurs te horen, aangezien zij een van de
belangrijkste schakels zullen zijn bij de tenuitvoerleg-
ging van de nieuwe wet. Zij betreurt dat het tijdpad zo
krap is en legt de verantwoordelijkheid daarvoor bij de
minister, die de wet op de korte straffen koste wat het
comme la presse le relevait encore la semaine passée,
la mise en place des maisons de détention patine.
Mme Matz constate que la mesure de libération anti-
cipée prévue dans le projet de loi avait déjà été utilisée
dans le cadre de la pandémie de COVID-19. Mais, il
s’agissait alors de faire face à une situation exception-
nelle. Or, en maintenant cette mesure pour lutter contre
la surpopulation, le ministre l’utilise pour contrer un
problème structurel. Ce problème est en outre aggravé
par la dernière disposition législative relative aux courtes
peines. Mme Matz fait également remarquer que le projet
de loi ne donne aucune données chiffrées sur l’impact
de la mesure préconisée.
Par ailleurs, si certaines catégories de détenus sont
exclues de ce dispositif (délit sexuel, terrorisme, étran-
ger sans droit de séjour, détenu mis à disposition du
tribunal) ainsi que les détenus condamnés à plus de
10 ans, l’intervenante s’interroge sur l’importance, dans
ce dispositif, des critères de dangerosité et de récidive.
Est-ce que les catégories relevées sont toujours forcé-
ment plus dangereuses? N’y a-t-il pas, par exemple,
plus de risques face à quelqu’un condamné à une
peine de 9 ans de prison pour des atteintes violentes à
des personnes et qui présenterait un risque de récidive
important, par rapport à quelqu’un qui a été condamné
à 3 ou 4 ans avec un risque de récidive moins élevé
dans l’une des catégories exclues par le projet de loi?
Le projet de loi essaie en outre de mettre en place un
maximum de barrières afin de permettre de manière
large une révocation en cas de problème lors de la
libération anticipée. Mme Matz considère qu’il aurait
été plus logique et équitable d’envisager une libération
de l’ensemble des condamnés à 6 mois de la fin de la
peine, sauf en cas de contre-indications. C’est d’ailleurs
la position défendue par le Conseil central de surveil-
lance pénitentiaire. Il est enfin important de rappeler
que les congés octroyés dans le cadre de la première
crise sanitaire n’ont pas entraîné de problèmes notables.
Dans le cadre d’un projet de loi invoquant une justice
plus humaine, il paraîtrait plus cohérent de tenir compte
de la situation individuelle et personnelle des détenus.
Quel serait l’impact de cette mesure sur le nombre de
places, si ces détenus étaient également visés?
Mme Matz appelle à son tour à organiser une audition
des directeurs de prison, dans la mesure où ils seront un
des rouages principaux de la mise en œuvre du projet de
loi. Elle déplore que le calendrier soit si serré et renvoie
à la responsabilité du ministre qui a voulu, coûte que
coûte, que la loi sur les courtes peines entre en vigueur
2774/004
DOC 55
10
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
kost in werking wil doen treden op 1 september 2022.
De actoren van de sector zullen andermaal met een
verandering van formaat te maken krijgen. Zoals het
College van procureurs-generaal aanstipt, zou dit wets-
ontwerp er nog moeten komen vóór het parlementair
reces maar dus tijdens het gerechtelijk verlof. Zulks
zal de tenuitvoerlegging van die maatregelen nog wat
heikeler maken en al te veel druk leggen bij de actoren
van het gerecht en van het gevangeniswezen.
De spreekster herinnert eraan dat nog geen week
geleden een veel ruimer opgevat wetsontwerp om jus-
titie menselijker, sneller en straffer te maken, aan de
commissie werd voorgelegd voordat een selectie werd
gemaakt. Zoals met de wet op de korte straffen, meet
de minister zich een onmogelijk tijdpad aan. Op die
manier maakt hij de situatie voor de magistraten en in
de gevangenissen ronduit onwerkbaar. De procureurs-
generaal spreken zelfs van een chaotische toestand
– en daar zit het gevangeniswezen niet op te wachten.
Mocht dit mechanisme lang blijven bestaan, dan is
een van de gevaren dat de magistraten een inflatie aan
straffen zullen creëren omdat zij er zeker van zullen wil-
len zijn dat de veroordeelden toch minstens een deel
van hun straf uitzitten.
Ondanks die kritiek begrijpt de spreekster het doel
van het wetsontwerp. Om het goede verloop van de
detenties niet te dwarsbomen en om te voorkomen dat
het binnen de penitentiaire inrichtingen uit de hand loopt
wegens het grote aantal instromende gedetineerden, is
zij er niet noodzakelijk op uit zich ertegen te verzetten.
Aangaande de andere punten waarvoor de urgentie
gehandhaafd is, heeft mevrouw Matz geen specifieke
opmerkingen, tenzij het feit dat zij ingenomen is met de
mogelijkheid om de penitentiaire verloven uit te breiden
en om de slachtoffers beter te informeren.
In verband met de door de amendementen beoogde
wijzigingen aangaande het diploma en de nationaliteit
voor de advocaten, ten slotte, vraagt zij of een advies
van AVOCATS.be en van de Orde van Vlaamse Balies
beschikbaar is.
B. Antwoorden
De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister
en minister van Justitie en Noordzee, antwoordt op de
gestelde vragen op de volgende wijze:
Bevoegdheden van de gemeenschappen
De minister antwoordt de heer D’Haese dat de in-
houd van het wetsontwerp al voorgelegd werd aan de
le 1er septembre 2022. Les acteurs du secteur seront
confrontés à un nouveau changement d’envergure.
Comme le pointe le Collège des procureurs généraux,
l’adoption de ce projet de loi devrait intervenir avant
les vacances parlementaires, mais donc pendant les
congés judiciaires. Cela fragilisera encore un peu plus
la mise en œuvre de ces mesures et mettra les acteurs
du monde judiciaire et du monde carcéral sous une
pression trop importante.
L’intervenante rappelle qu’il y a moins d’une semaine,
un projet de loi visant à rendre la justice plus humaine,
plus rapide et plus ferme II, beaucoup plus large, était
soumis à la commission, avant qu’une sélection ne soit
effectuée. Comme pour la loi sur les courtes peines, le
ministre s’enferme dans un calendrier impossible. Ce
faisant, le ministre rend la situation pour les magistrats et
dans les prisons absolument ingérable. Les procureurs
généraux évoquent même une situation chaotique, ce
dont le système pénitentiaire n’a pas besoin.
Si ce mécanisme devait perdurer dans le temps,
un des risques serait de voir survenir une inflation des
peines de la part des magistrats, en vue de s’assurer
que les condamnés effectuent au moins une partie de
leur peine.
Malgré ces critiques, l’intervenante comprend l’objectif
du projet du loi. En outre, par souci pour le bon dérou-
lement des détentions et pour éviter une explosion au
sein des établissements pénitentiaires en raison du
nombre de personnes qui y entrent, elle ne cherchera
pas nécessairement à s’y opposer.
En ce qui concerne les autres points maintenus dans
l’urgence, Mme Matz ne formule pas de commentaire, si
ce n’est qu’elle se réjouit de la possibilité d’élargissement
des congés pénitentiaires, et surtout d’une meilleure
information des victimes.
Enfin, à propos des modifications proposées par
amendements concernant le diplôme et la nationalité
pour les avocats, elle demande si un avis d’AVOCATS. be
et du Orde van Vlaamse Balies est disponible.
B. Réponses
M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre
et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, répond
comme suit aux questions posées:
Compétences des communautés
Le ministre répond à M. D’Haese que le contenu du
projet de loi a déjà été soumis aux communautés le 25
11
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gemeenschappen op 25 februari. Zij werden om advies
gevraagd op 7 maart. Hun adviezen werd pas op 4
mei ontvangen. De officiële interministeriële conferen-
tie justitiehuizen heeft op 19 april plaatsgevonden. Er
werd wel degelijk met heel wat opmerkingen van de
gemeenschappen rekening gehouden. Er zijn namelijk
een aantal bepalingen uit het voorontwerp geschrapt
ten gevolge van dit advies alsook van het advies van
het College van procureurs-generaal.
Menselijker, snellere en straffere justitie
De ambitie om justitie menselijker, sneller en straffer te
maken is iets wat men elke dag waarmaakt, met diverse
wetten, koninklijke besluiten, beslissingen enzovoort. Dit
wetsontwerp is maar een puzzelstukje hierin. De maatre-
gelen om slachtoffers sneller en beter te informeren zowel
via de bepalingen die dienen om het proces “aanslagen”
te kunnen uitzenden, als de bepalingen die dienen om
slachtoffers beter te informeren over de uitgaansver-
gunning van een dader, zijn hier voorbeelden van. Een
uitbreiding voor attesten en akten van erfopvolging zodat
erfgenamen en echtgenoten gemakkelijker en sneller
bankrekeningen kunnen deblokkeren, of de aanpak van
gokverslaving via een correcte uitvoering van EPIS zijn
bijvoorbeeld ook stappen in de goede richting.
Strafuitvoering
Op de opmerking van de heer D’Haese antwoordt
de minister dat de wet op de uitvoering van de korte
straffen die op 1 september 2022 in werking treedt,
net meer armslag aan de strafuitvoeringsrechter zal
geven. Voordien werkte men met rondzendbrieven die
de bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechter te buiten
gingen. Bijgevolg kan men gewagen van een versterking
van de rechterlijke macht.
Vervroegde invrijheidstelling en uitvoering van de
korte straffen
De minister had liever geen maatregel hoeven te nemen
waarbij veroordeelden 6 maanden vóór het einde van
hun vrijheidsstraf vervroegd kunnen worden vrijgelaten,
maar hij kan niet om de realiteit van de overbevolking
in de gevangenissen heen. Er zijn momenteel immers
11 000 gedetineerden voor slechts 9 500 plaatsen. Er
diende bijgevolg op korte termijn iets te gebeuren zodat
de situatie, vooral voor het personeel van de strafinrich-
tingen, doenbaar blijft. De minister wil bovendien een
extra marge aan plaatsen creëren, teneinde de effectieve
uitvoering van de korte straffen vanaf september 2022
te kunnen doen ingaan.
février. Elles ont été invitées à donner leur avis le 7 mars.
Les avis n’ont été reçus que le 4 mai. La conférence
interministérielle officielle Maisons de justice a eu lieu le
19 avril. Il a bel et bien été tenu compte de nombreuses
observations des communautés. En effet, certaines
dispositions ont été supprimées de l’avant-projet à la
suite de ces avis et de l’avis du Collège des procureurs
généraux.
Justice plus humaine, plus rapide et plus ferme
L’ambition de rendre la justice plus humaine, plus
rapide et plus ferme se réalise chaque jour, au moyen de
diverses lois, arrêtés royaux, décisions, etc. Le projet de
loi à l’examen n’est qu’une petite pièce du puzzle. Les
mesures visant à informer plus rapidement et mieux les
victimes, tant par le biais des dispositions permettant de
diffuser le procès “attentats” que de celles visant à mieux
informer les victimes de la permission de sortie d’un
auteur, en sont des exemples. L’extension concernant
les certificats et actes de succession afin que les héri-
tiers et les conjoints puissent débloquer plus facilement
et plus rapidement les comptes bancaires, ou la lutte
contre la dépendance au jeu par une mise en œuvre
correcte du système EPIS, constituent également des
pas dans la bonne direction.
Exécution des peines
Le ministre répond à M. D’Haese que la loi sur les
courtes peines qui entrera en vigueur le 1er septembre
2022, donne précisément plus de pouvoir au juge de
l’exécution de peines. Auparavant, on travaillait avec
des circulaires qui dépassaient les pouvoirs du juge de
l’exécution des peines. Il y a donc un renforcement du
pouvoir judiciaire.
Libération anticipée et exécution des courtes peines
Quant à la mesure de libération anticipée 6 mois avant
la fin de la peine privative de liberté, le ministre aurait
préféré ne pas devoir prendre une telle mesure. Mais,
la réalité de la surpopulation carcérale s’est imposée à
lui: il y a plus de 11 000 détenus pour 9 500 places. Il
fallait donc faire quelque chose à court terme pour que
la situation reste gérable, notamment pour le personnel
des établissements pénitentiaires. Le ministre souhaite
en outre prévoir une marge supplémentaire pour pou-
voir démarrer l’exécution effective des courtes peines
dès septembre 2022.
2774/004
DOC 55
12
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hij benadrukt dat die vervroegde invrijheidstelling niet
blindelings zal worden toegepast. De gedetineerden die
ervoor in aanmerking komen, zullen aan strikte voorwaar-
den moeten beantwoorden. De gevangenisdirecteurs
zullen geenszins worden verplicht dergelijke beslissingen
te nemen. Ze zullen tot vervroegde invrijheidstelling
kunnen beslissen ten gunste van gedetineerden die zich
correct gedragen. Enkel straffen van minder dan 10 jaar
komen in aanmerking, waardoor veroordeelden wegens
ernstige feiten, zedenfeiten en feiten van terrorisme er-
van zijn uitgesloten. Ook wie niet over een verblijfstitel
beschikt, kan geen beroep doen op de maatregel. De
minister kan zich dan ook niet vinden in de analyse van
sommige leden, die vinden dat de maatregel de straf-
feloosheid in de hand zou werken. Hij herinnert eraan
dat die maatregel van toepassing is op mensen die al in
de gevangenis zitten en van wie de straf bijgevolg wordt
uitgevoerd. Het gaat om gedetineerden die om de één
of andere reden geen beroep hebben kunnen doen op
een voorwaardelijke invrijheidstelling en die bijgevolg
worden verondersteld hun straf volledig uit te zitten,
met alle moeilijkheden voor hun re-integratie van dien.
Het gaat trouwens niet om een nieuwe maatregel. In
2020 en 2021 werd reeds een gelijkaardige maatregel
genomen ten aanzien van 636 gedetineerden. Voor de
minister is het de enige manier waarop de overbevol-
king in de gevangenis op korte termijn onder controle
kan worden gehouden en waarbij ook de korte straffen
kunnen worden uitgevoerd. Het betreft dus een nood-
maatregel, waarmee tevens wordt tegemoetgekomen
aan de wensen van het gevangenispersoneel.
Verhoging van de gevangeniscapaciteit
De minister voegt eraan toe dat hij blijft werken aan een
verhoging van de gevangeniscapaciteit. De gevangenis-
sen van Haren en Dendermonde zullen bij hun opening
een bijkomende nettocapaciteit van 350 plaatsen bieden.
Indien men de bestaande gevangenissen van Sint-Gillis
en Dendermonde langer openhoudt, krijgt men er nog
eens 350 plaatsen bij. In totaal zal men dus over onge-
veer 700 extra plaatsen kunnen beschikken. Wanneer
men er de plaatsen in de detentiehuizen bijtelt, komt
men op korte termijn aan 800 extra plaatsen.
Detentiehuizen
De minister antwoordt mevrouw Dillen dat de rege-
ring in oktober 2021 gevolg heeft gegeven aan een
resolutie die het Parlement omstreeks 2012-2013 heeft
aangenomen. Destijds had een meerderheid van de
parlementsleden opgeroepen tot de oprichting van
detentiehuizen. De heer Koen Geens heeft als minister
van Justitie een eerste stap gezet met de oprichting van
transitiehuizen. Thans is een nieuwe fase aangebroken
Il souligne que cette mesure de libération anticipée ne
sera pas appliquée de manière aveugle. Il faudra que les
détenus répondent à des conditions strictes. La décision
ne sera aucunement obligatoire pour les directeurs de
prisons. Il s’agira d’une décision qu’ils pourront prendre
pour les détenus qui se comportent correctement. Cela
ne concerne que les peines inférieures à 10 ans et ne
concernent donc pas les personnes condamnées pour
des faits graves, des faits de mœurs et des faits de
terrorisme. La mesure ne concerne pas non plus les
personnes qui ne disposent pas d’un titre de séjour.
Le ministre ne partage donc pas l’analyse de certains
membres, selon laquelle cette mesure contribuerait à
l’impunité. Il rappelle que cette mesure s’applique à des
personnes qui sont déjà en prison et dont la peine est
donc appliquée. Cela concerne des détenus qui, pour
l’une ou l’autre raison, n’ont pas pu bénéficier d’une
libération conditionnelle et qui vont donc à fond de peine,
ce qui rend d’ailleurs difficile leur réinsertion.
Il ne s’agit en outre pas d’une nouvelle mesure. Une
pareille mesure a déjà été décidée en 2020 en en 2021
et a concerné 636 personnes. Pour le ministre, c’est la
seule manière de garder la surpopulation carcérale sous
contrôle à court terme et de pouvoir aussi exécuter les
courtes peines. Il s’agit donc d’une mesure d’urgence,
qui vise aussi à satisfaire le personnel des prisons.
Augmentation des capacités
Le ministre ajoute qu’il continue à travailler à une
augmentation des capacités. Lorsque les prisons de
Haren et de Termonde ouvriront, cela donnera une
capacité nette supplémentaire de 350 places. Si on
prolonge l’existence des prisons existantes de Saint-
Gilles et de Termonde, cela donnera aussi une capacité
supplémentaire de 350 places. Au total, ça fera donc
environ 700 places supplémentaires. Si on y ajoute les
places dans les maisons de détention, on arrivera à
court terme à 800 places supplémentaires.
Maisons de détention
Le ministre répond à Mme Dillen que le gouvernement
a, en octobre 2021, donner suite à une résolution votée
par le parlement vers 2012-2013. A l’époque, une majorité
des membres du parlement avaient appelé à créer des
maisons de détention. M. Koen Geens, lorsqu’il était
ministre de la Justice, a franchi une première étape en
créant des maisons de transition. A présent, une nouvelle
étape est franchie en créant des maisons de détention.
13
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
met de oprichting van de detentiehuizen. De regering
heeft daartoe in oktober 2021 een budget van 91 miljoen
euro vrijgemaakt. Op 1 april 2022 heeft de regering acht
locaties voor die huizen bepaald. Er werd beslist die
locaties pas mee te delen wanneer de betrokken lokale
overheden er klaar voor zijn. In het verleden heeft elke
aankondiging (Kortrijk, Vorst, Ninove) immers tot heel
wat ophef in de betrokken gemeenten geleid. Het is met
andere woorden niet vanzelfsprekend een voldoende
groot draagvlak te creëren. De heer D’Haese heeft dat
overigens zelf kunnen vaststellen toen hij met veel goede
moed een centrum voor forensische psychiatrie in zijn
thuisstad wou openen.
Volgens de minister kan men om korte straffen toe
te passen beter eerst de wet inzake de korte straffen
aannemen en beginnen uit te voeren, veeleer dan te
wachten tot de detentiehuizen voltooid zijn. Dat doet
men immers al vijftien jaar en het is duidelijk dat die
afwachtende strategie niet werkt, aangezien de straf-
fen van minder dan 6 maanden sinds 1970 niet meer
worden uitgevoerd. De minister geeft aan dat hij alles
in het werk stelt om te komen tot 720 plaatsen in deten-
tiehuizen. Hij stelt overigens vast dat bepaalde lokale
overheden ter zake gelukkig meer openheid aan de dag
leggen dan andere (Gent, Mechelen) en hoopt dat er
ook mogelijkheden zullen zijn in Antwerpen, de tweede
grootste stad van het land, waar het bestaande huis van
arrest sterk overbevolkt is.
Digitalisering van de dossiers
De minister antwoordt mevrouw Dillen dat er werk
wordt gemaakt van het digitaal raadplegen van de dos-
siers, waar zij al lang om vraagt. Het proces werd vorige
week opgestart. De minister zou ook willen dat het al-
lemaal sneller gaat, maar geeft aan dat hij er inmiddels
voor heeft gezorgd dat er schot in de zaak komt. Voor
deze zomer werden jobstudenten in dienst genomen
en werden scanners geïnstalleerd om ongeveer 10 000
dossiers te digitaliseren.
Advies van het College van procureurs-generaal
De minister antwoordt de heer D’Haese dat het College
van procureurs-generaal zich kritisch had uitgelaten over
de beperkte detentie, maar dat die bepaling inmiddels
uit het wetsontwerp is gelicht. Voor zover de minister
weet, heeft het College van procureurs-generaal zich
niet uitgesproken over de maatregel van de vervroegde
invrijheidstelling 6 maanden voor het einde van de
vrijheidsstraf.
A cette fin, le gouvernement a, en octobre 2021, déblo-
qué un budget de 91 millions d’euros. Le 1er avril 2022,
le gouvernement a déterminé 8 localisations. Il a été
décidé de ne communiquer ces localisations que lorsque
les autorités locales concernées seront prêtes, sachant
que, chaque fois qu’il y a eu des annonces (Courtrai,
Forest, Ninove), cela a suscité de forts remous dans les
communes concernées. Il n’est donc pas évident de
créer une base suffisante. M. D’Haese a d’ailleurs pu
en faire lui-même l’expérience lorsqu’il a, avec beau-
coup de courage, voulu ouvrir un Centre de psychiatrie
légale dans sa ville.
Le ministre estime qu’il était préférable de d’abord
adopter la loi sur les courtes peines et de commencer
à l’exécuter, plutôt que d’attendre que les maisons de
détention soient construites avant de commencer à
appliquer les courtes peines. En effet, c’est ce qui a été
fait depuis 15 ans et on voit bien que ça ne fonctionne
pas, puisque les peines de moins de 6 mois ne sont plus
exécutées depuis 1970. Le ministre indique qu’il fait tout
ce qu’il peut pour arriver à 720 places en maisons de
détention. Il constate d’ailleurs que certaines autorités
locales sont heureusement plus ouvertes que d’autres
sur le sujet (Gand, Malines). Il espère qu’il y aura aussi
des possibilités à Anvers qui est la deuxième plus grande
ville du pays et où il y a une forte surpopulation dans la
maison d’arrêt existante.
Numérisation des dossiers
Le ministre répond à Mme Dillen que la consultation
numérique des dossiers qu’elle réclame depuis longtemps
est en cours de réalisation. Le processus a commencé
la semaine passée. Le ministre voudrait aussi que ça
aille plus vite. Mais, entre-temps, il a fait en sorte que
ça avance. Cet été, des étudiants ont été engagés et
des scanners ont été installés pour numériser environ
10 000 dossiers.
Avis du Collège des procureurs généraux
Le ministre répond à M. D’Haese que le Collège des
procureurs généraux était critique au sujet de la détention
limitée, mais que cette disposition a, entre-temps, été
retirée du projet de loi. A sa connaissance, le Collège
des procureurs généraux ne s’est pas prononcé sur la
mesure de libération anticipée 6 mois avant la fin de la
peine privative de liberté.
2774/004
DOC 55
14
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
C. Replieken
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) verduidelijkt dat
hij er ondanks zijn kritiek van overtuigd is dat bepaalde
maatregelen van dit wetsontwerp kunnen leiden tot een
verlichting van de overbevolking in de gevangenissen.
Op basis van de respons uit het veld is hij echter van
oordeel dat die maatregelen absoluut onvoldoende zullen
zijn. Hij benadrukt het verschil tussen de theorie en de
praktijk. Daarom roept hij opnieuw op tot een hoorzit-
ting met de gevangenisdirecteurs. Bovendien bevat het
wetsontwerp onsamenhangendheden: het voorziet in
maatregelen om de overbevolking in de gevangenissen
tegen te gaan, maar ook in maatregelen die ze zullen
verergeren.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) gaat eerst in op
het vaak aan bod gekomen plaatsgebrek in de gevan-
genissen. De minister verlaat zich op projecten uit de
vorige zittingsperiodes om nieuwe plaatsen tot stand
te brengen. Hoe staat het echter met de bouw van de
gevangenissen van Leopoldsburg en van Oostende?
Bovendien verwijst de minister inzake de detentiehuizen
vaak naar de lokale besturen. Is er geen nood aan een
andere aanpak? De Staat zou zelf terreinen kunnen
verwerven en zelf detentiehuizen kunnen bouwen.
De heer D’Haese betwist de stelling als zou het College
van procureurs-generaal het niet hebben over de ver-
vroegde invrijheidstelling op 6 maanden voor het stra-
feinde. Zo wordt inzake artikel 69 van het wetsontwerp
gewezen op de vicieuze cirkel waarbij de veroordeelde
nieuwe feiten pleegt, opnieuw wordt aangehouden en
in voorlopige hechtenis wordt genomen (vanwege het
risico op recidive), wat op zijn beurt een weerslag heeft
op de overbevolking. Van straffeloosheid zou volgens
de minister geen sprake zijn, daar zulks tot het gebied
van de strafuitvoering zou behoren. De heer D’Haese is
echter van oordeel dat iemand een dag in de gevangenis
stoppen en dan weer vrijlaten wel degelijk neerkomt op
straffeloosheid. Hij vindt dat dit getuigt van een gebrek
aan visie. Straffen moeten zinvol zijn en naar behoren
worden georganiseerd.
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) wijst erop dat
de gevangenisdirecteurs uiteraard door de commissie
kunnen worden gehoord. Ze verzoekt echter om die
hoorzitting los van dit wetsontwerp te houden, voor zover
het bepalingen bevat die tegen 1 september 2022 in
werking moeten treden. Daarom roept ze de meerderheid
op het verzoek van de heer Boukili om een hoorzitting
te houden, niet te steunen.
C. Répliques
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) précise que, malgré
ses critiques, il est persuadé que certaines mesures du
présent projet de loi peuvent apporter une amélioration
à la surpopulation carcérale. Il estime cependant que,
sur la base des échos du terrain, ces mesures seront
totalement insuffisantes. Il souligne la différence qui
existe entre la théorie et la pratique. C’est la raison
pour laquelle il renouvelle son appel à organiser une
audition des directeurs de prisons. En outre, le projet
de loi contient des incohérences puisqu’il prévoit, à la
fois des mesures visant à lutter contre la surpopulation
carcérale et des mesures qui vont l’aggraver.
M. Christoph D’Haese (N-VA) revient tout d’abord
sur le problème du manque de places de prison, lequel
est maintes fois rapporté. Le ministre se repose sur des
projets de création de nouvelles places qui datent des
précédentes législatures. Concrètement, où en est-on
dans le construction des prisons de Bourg-Léopold
et d’Ostende? En outre, concernant les maisons de
détention, le ministre se réfère beaucoup aux autorités
locales. Ne faudrait-il pas adopter une autre approche?
L’État pourrait acquérir lui-même des terrains et construire
lui-même des maisons de détention.
D’après M. D’Haese, il n’est pas exact d’affirmer
que le Collège des procureurs généraux n’évoque pas
la libération anticipée 6 mois avant la fin de la peine
de prison. En effet, à propos de l’article 69 du projet
de loi, ce dernier évoque le cercle vicieux qui conduit
des condamnés à commettre de nouveaux faits, à être
arrêtés et à atterrir en détention provisoire (en raison
du risque de récidive), ce qui a, à son tour, un impact
sur la surpopulation. Selon le ministre, il n’y aurait pas
d’impunité, dès lors qu’on serait dans le domaine de
l’application des peines. Mais, pour M. D’Haese, si on
met quelqu’un en prison pendant une journée et qu’on
le laisse ressortir, on se trouve bien dans une situation
d’impunité. Il estime donc qu’il manque une vision.
Les peines doivent avoir du sens et être organisées
convenablement.
Mme Katja Gabriëls (Open Vld) souligne que les
directeurs de prisons peuvent bien entendu être audi-
tionnés par la commission. Elle demande cependant
que cette audition ait lieu indépendamment du projet de
loi à l’examen, dans la mesure où ce dernier contient
des dispositions qui doivent entrer en vigueur pour le
1er septembre prochain. Elle invite donc la majorité à
ne pas soutenir la demande d’auditions formulée par
M. Boukili.
15
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
D. Bijkomende antwoorden
De minister verduidelijkt dat het artikel 69 waarnaar
de heer D’Haese verwijst geen verband houdt met de
vervroegde invrijheidstelling op 6 maanden voor het
einde van de vrijheidsstraf. Inzake de straffeloosheid zij
erop gewezen dat het systeem van de voorwaardelijke
invrijheidstelling al meer dan 120 jaar bestaat. Het draagt
dus niet bij tot de straffeloosheid.
*
*
*
De commissie beslist met 10 tegen 2 stemmen om
niet in te gaan op het verzoek van de heer Nabil Boukili
(PVDA-PTB) om hoorzittingen te organiseren en met 10
tegen 4 stemmen om niet in te gaan op zijn verzoek om
schriftelijke adviezen in te winnen (art. 28 Rgt.).
D. Réponses complémentaires
Le ministre précise que l’article 69 auquel M. D’Haese
se réfère est sans rapport avec la libération anticipée
6 mois avant la fin de la peine privative de liberté. Quant
à l’impunité, le système de la libération conditionnelle
existe depuis plus de 120 ans et ne contribue donc pas
à l’impunité.
*
*
*
La commission décide, par 10 voix contre 2, de ne
pas accéder à la demande de M. Nabil Boukili (PVDA-
PTB) d’organiser des auditions et, par 10 voix contre 4,
de ne pas accéder à sa demande de recueillir des avis
écrits (art. 28 du Règlement).
2774/004
DOC 55
16
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
III. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN
STEMMINGEN
HOOFDSTUK 1
Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit artikel bevat de grondwettelijke bevoegdheids-
grondslag.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 2
Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 2
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 165/1, twee-
de lid, van het oud Burgerlijk Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 38
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg
te laten.
Amendement nr. 38 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 3 tot 17
Deze artikelen hebben betrekking op wijzigingen van
het Wetboek van strafvordering.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 39 tot 53 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten.
De amendementen nrs. 39 tot 53 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
Art. 18
Artikel 18 strekt tot invoeging van een artikel 258/1 in
het Wetboek van strafvordering, teneinde te voorzien in
de mogelijkheid om van de debatten ter terechtzitting
een geluids- of audiovisuele opname te maken, zodat
III. — DISCUSSION DES ARTICLES ET
VOTES
CHAPITRE 1ER
Dispositions générales
Article 1er
Cet article fixe le fondement constitutionnel de la
compétence.
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 2
Modification de l’ancien Code civil
Art. 2
Cet article vise une modification de l’article 165/1,
alinéa 2, de l’ancien Code civil.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 38 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger
cet article.
L’amendement n° 38 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 3
Modifications du Code d’instruction criminelle
Art. 3 à 17
Ces articles concernent des modifications du Code
d’instruction criminelle.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 39 à 53 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 39 à 53 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
Art. 18
L’article 18 vise à insérer un article 258/1 au Code
d’instruction criminelle, en vue de prévoir la possibilité
d’effectuer une captation sonore ou audiovisuelle des
débats à l’audience permettant la diffusion en différé
17
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ze uitgesteld toegankelijk kunnen worden gesteld voor
de bekende slachtoffers en hun advocaten die daarom
hebben verzocht.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) stipt aan dat de
GBA een aantal opmerkingen heeft gemaakt over de
verwerking van de persoonsgegevens. In de memorie
van toelichting worden die opmerkingen weerlegd. De
spreker wil zich in dezen pragmatisch opstellen en
moedigt dit heel belangrijke initiatief ten behoeve van
de slachtoffers aan, maar vraagt zich toch af of alle
technische aspecten in orde zijn en of de slachtoffers bij
problemen op technische bijstand zullen kunnen rekenen.
Ook mevrouw Marijke Dillen (VB) steunt dit initiatief, dat
getuigt van een streven naar een menselijkere gerecht.
Zulks zou heel veel burgerlijke partijen de mogelijkheid
bieden het proces te volgen. Werd in voldoende perso-
nele en financiële middelen voorzien om dit initiatief te
doen slagen?
De minister antwoordt dat het proces van de aanslagen
in Parijs inspiratie heeft geboden voor een dergelijke
technische oplossing. Uiteindelijk zal de voorzitter van het
hof van assisen beslissen of en onder welke voorwaarden
er al dan niet gebruik van zal worden gemaakt. Er zou
een budget van 800 000 euro voor worden uitgetrokken.
Voor dit project zou ook worden voorzien in de nodige
personele en technische middelen. Bovendien is het de
bedoeling dat er een helpdesk komt om de slachtoffers
te helpen bij technische problemen. De minister voegt
eraan toe dat het Justitiagebouw heel groot is en aan
veel slachtoffers plaats zal bieden.
Artikel 18 wordt eenparig aangenomen.
Art. 19
Dit artikel strekt ertoe in hetzelfde Wetboek een arti-
kel 258/2 in te voegen.
Over artikel 19 worden geen opmerkingen gemaakt.
Het wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 20 tot 23
Deze artikelen hebben betrekking op wijzigingen in
het Strafwetboek.
aux victimes connues et à leurs avocats qui en auront
fait la demande.
M. Christoph D’Haese (N-VA) indique que l’APD a fait
une série de remarques concernant le traitement des
données personnelles. Ces remarques sont réfutées dans
l’exposé des motifs. Si l’orateur souhaite faire preuve de
pragmatisme en l’espèce et encourage cette initiative
très importante qui est proposée pour les victimes, il se
demande si tous les aspects techniques sont au point
et si les victimes recevront une assistance technique
en cas de problèmes.
Mme Marijke Dillen (VB) soutient elle aussi cette ini-
tiative qui témoigne en effet d’une justice “plus humaine”.
Les très nombreuses parties civiles pourront de la sorte
suivre le procès. A-t-on bien prévu suffisamment de
moyens humains et financiers pour mener à bien cette
initiative?
Le ministre répond que le procès des attentats de
Paris a permis de nous inspirer concernant ce type de
solution technique notamment. C’est le président de
la cour d’assises qui décidera finalement si cela doit
être utilisé ou pas, et à quelles conditions. Un budget
de 800 000 euros a été prévu. Les moyens humains et
techniques ont aussi été prévus pour ce projet. En outre,
un helpdesk sera mis en place pour aider les victimes en
cas de problème d’ordre technique. Le ministre ajoute
que le bâtiment Justitia est très grand et pourra déjà
contenir un nombre important de victimes.
L’article 18 est adopté à l’unanimité.
Art. 19
Cet article vise un insérer un article 258/2 dans le
même Code.
L’article 19 ne fait l’objet d’aucun commentaire.
Il est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 4
Modifications du Code pénal
Art. 20 à 23
Ces articles concernent des modifications du Code
pénal.
2774/004
DOC 55
18
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 54 tot 57 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten.
De amendementen nrs. 54 tot 57 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
Art. 23/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende-
ment nr. 20 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt
een nieuw artikel 23/1 in te voegen tot aanvulling van
artikel 417/42 van het Strafwetboek. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 20 wordt eenparig aangenomen.
Art. 23/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 21
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti-
kel 23/2 in te voegen, tot wijziging van de Nederlandse
tekst van artikel 417/46, tweede lid, van het Strafwetboek.
Het betreft een technische correctie.
Amendement nr. 21 wordt eenparig aangenomen.
Art. 24
Dit artikel beoogt wijzigingen aan te brengen in een
aantal bepalingen van het Strafwetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 58
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg
te laten.
Amendement nr. 58 wordt eenparig aangenomen.
Art. 24/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 1
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti-
kel 24/1 in te voegen, tot wijziging van artikel 433quater/4,
derde lid, van het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 54 à 57 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 54 à 57 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
Art. 23/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende-
ment n° 20 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un ar-
ticle 23/1 nouveau en vue de compléter l’article 417/42 du
Code pénal. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 20 est adopté à l’unanimité.
Art. 23/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 21 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 23/2 nouveau en vue de modifier le texte néer-
landais de l’article 417/46, alinéa 2, du Code pénal. Il
s’agit d’une correction d’ordre technique.
L’amendement n° 21 est adopté à l’unanimité.
Art. 24
Cet article vise à apporter des modifications dans
une série de dispositions du Code pénal.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 58 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger
cet article.
L’amendement n° 58 est adopté à l’unanimité.
Art. 24/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende-
ment n° 1 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un ar-
ticle 24/1 nouveau en vue de modifier l’article 433quater/4,
alinéa 3, du Code pénal. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 1 est adopté à l’unanimité.
19
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 24/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 2
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw
artikel 24/2, teneinde een nieuw artikel 433quater/8 in
te voegen in het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen.
Art. 24/3 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 22
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw arti-
kel 24/3 in te voegen, tot wijziging van artikel 433novies,
§ 2, van het Strafwetboek. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 22 wordt eenparig aangenomen.
Art. 25
Dit artikel beoogt wijzigingen aan te brengen aan
artikel 442/1 van het Strafwetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 59
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg
te laten.
Amendement nr. 59 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 5
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 25/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 3
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw arti-
kel 25/1, tot invoeging van een nieuwe § 7 in artikel 76 van
het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 3 wordt eenparig aangenomen.
Art. 25/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 4
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw
artikel 25/2, teneinde een nieuwe § 5 in te voegen in
artikel 101 van hetzelfde Wetboek. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Art. 24/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 2 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer
un article 24/2 nouveau en vue d’insérer un nouvel
article 433quater/8 dans le Code pénal. Il est renvoyé
à la justification.
L’amendement n° 2 est adopté à l’unanimité.
Art. 24/3 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 22 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 24/3 nouveau en vue de modifier l’article 433novies,
§ 2, du Code pénal. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 22 est adopté à l’unanimité.
Art. 25
Cet article vise à apporter des modifications à l’ar-
ticle 442/1 du Code pénal.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 59 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger
cet article.
L’amendement n° 59 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 5
Modifications du Code judiciaire
Art. 25/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 3 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 25/1 nouveau en vue d’insérer un nouveau para-
graphe 7 à l’article 76 du Code judiciaire. Il est renvoyé
à la justification.
L’amendement n° 3 est adopté à l’unanimité.
Art. 25/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 4 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer
un article 25/2 nouveau en vue d’insérer un nouveau
paragraphe 5 dans l’article 101 du même Code. Il est
renvoyé à la justification.
2774/004
DOC 55
20
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen.
Art. 25/3 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 16
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw ar-
tikel 25/3 in te voegen, teneinde wijzigingen aan te
brengen aan artikel 428 van hetzelfde Wetboek. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 16 wordt eenparig aangenomen.
Art. 26 tot 33
Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Gerechtelijk
Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 60 tot 67 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten.
De amendementen nrs. 60 tot 67 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 5/1 (NIEUW)
Opheffing van het koninklijk besluit van
24 augustus 1970 tot invoering van een afwijking
van de voorwaarde van nationaliteit gesteld
bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek
betreffende het voeren van de titel en de
uitoefening van het beroep van advocaat
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 17
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw hoofd-
stuk 5/1 in te voegen, met als opschrift “Opheffing van
het koninklijk besluit van 24 augustus 1970 tot invoering
van een afwijking van de voorwaarde van nationaliteit
gesteld bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek
betreffende het voeren van de titel en de uitoefening
van het beroep van advocaat.”. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Amendement nr. 17 wordt eenparig aangenomen.
Art. 33/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 18
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een nieuw ar-
tikel 33/1 in te voegen, tot opheffing van het koninklijk
besluit van 24 augustus 1970 tot invoering van een
L’amendement n° 4 est adopté à l’unanimité.
Art. 25/3 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 16 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 25/3 nouveau en vue d’apporter des modifica-
tions à l’article 428 du même Code. Il est renvoyé à la
justification.
L’amendement n° 16 est adopté à l’unanimité.
Art. 26 à 33
Ces articles concernent des modifications du Code
judiciaire.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 60 à 67 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 60 à 67 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
CHAPITRE 5/1 (NOUVEAU)
Abrogation de l’arrêté royal du 24 août 1970
apportant une dérogation à la condition de
nationalité prévue à l’article 428 du Code
judiciaire relatif au titre et à l’exercice de la
profession d’avocat (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 17 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
chapitre 5/1 nouveau intitulé “Abrogation de l’arrêté royal
du 24 août 1970 apportant une dérogation à la condition
de nationalité prévue à l’article 428 du Code judiciaire
relatif au titre et à l’exercice de la profession d’avocat.”.
Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 17 est adopté à l’unanimité.
Art. 33/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 18 (DOC 55 2774/002), qui vise à insé-
rer un article 33/1 nouveau abrogeant l’arrêté royal
du 24 août 1970 apportant une dérogation à la condition
21
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
afwijking van de voorwaarde van nationaliteit gesteld
bij artikel 428 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende
het voeren van de titel en de uitoefening van het beroep
van advocaat.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 18 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 6
Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot
regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen
Art. 34
Dit artikel strekt ertoe wijzigingen aan te brengen aan
artikel 8, § 6, van de wet van 8 augustus 1983 tot rege-
ling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 68
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg
te laten.
Amendement nr. 68 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 7
Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit
Art. 35 tot 38
Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 69 tot 72 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten.
De amendementen nrs. 69 tot 72 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 8
Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 38/1
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 26
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/1 in
te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 1.7 van
de nationalité prévue à l’article 428 du Code judiciaire
relatif au titre et à l’exercice de la profession d’avocat.
Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 18 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 6
Modification de la loi du 8 août 1983 organisant
un registre national des personnes physiques
Art. 34
Cet article vise à apporter des modifications à l’article 8,
§ 6, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre
national des personnes physiques.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 68 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger
cet article.
L’amendement n° 68 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 7
Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 35 à 38
Ces articles concernent des modifications du Code
de la nationalité belge.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 69 à 72 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 69 à 72 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
CHAPITRE 8
Modifications du Code civil
Art. 38/1
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 26 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un
article 38/1 en vue d’apporter des modifications dans le
2774/004
DOC 55
22
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 26 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/2
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 27
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/2 in
te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 2.3.58,
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 27 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/3
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 28
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/3 in
te voegen, teneinde artikel 2.3.42, derde lid, van het
Burgerlijk Wetboek te vervangen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 28 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/4
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 29
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/4 in
te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 4.4,
tweede lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 29 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/5
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 34
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/5 in
te voegen, teneinde de Franse tekst van artikel 4 143,
eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 34 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/6
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 35
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt een artikel 38/6 in
texte français de l’article 1.7 du Code civil. Il est renvoyé
à la justification.
L’amendement n° 26 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/2
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 27 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
un article 38/2 en vue de modifier le texte français de
l’article 2.3.58, alinéa 2, du Code civil. Il est renvoyé à
la justification.
L’amendement n° 27 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/3
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 28 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un
article 38/3 en vue de remplacer l’article 2.3.42, alinéa 3,
du Code civil. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 28 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/4
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 29 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
un article 38/4 en vue de modifier le texte français de
l’article 4.4, alinéa 2, 2°, du Code civil. Il est renvoyé à
la justification.
L’amendement n° 29 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/5
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 34 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
un article 38/5 en vue de modifier le texte français de
l’article 4 143, alinéa 1er, du Code civil. Il est renvoyé à
la justification.
L’amendement n° 34 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/6
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 35 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
23
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
te voegen, teneinde de Franse tekst van het opschrift
van artikel 4.167 van het Burgerlijk Wetboek te wijzigen.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 35 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/1
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 5
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 38/1 in te
voegen, teneinde artikel 2.3.84 van het Burgerlijk Wetboek
te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 5 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38/2
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 6
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 38/2 in
te voegen, teneinde een artikel 2.3.89 in te voegen in
het Burgerlijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 6 wordt eenparig aangenomen.
Art. 39
Dit artikel beoogt het opschrift van hoofdstuk 6 van
boek 4, titel 1, subtitel 6, van het Burgerlijk Wetboek te
vervangen.
Er worden geen opmerkingen over gemaakt.
Artikel 39 wordt eenparig aangenomen.
Art. 40
Dit artikel beoogt artikel 4.59 van het Burgerlijk Wetboek
te vervangen, teneinde te voorzien in een algemene
regeling over het bewijs van de devolutie of vererving
van de nalatenschap, dus over het bewijs van iedere
erfrechtelijke hoedanigheid.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 23
(DOC 55 2774/003) in, teneinde wijzigingen aan het
ontworpen artikel aan te brengen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 23 en het aldus geamendeerde arti-
kel 40 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
un article 38/6 en vue de modifier le texte français de
l’intitulé de l’article 4.167 du Code civil. Il est renvoyé à
la justification.
L’amendement n° 35 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/1
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 5 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 38/1 en vue d’apporter des modifications dans
l’article 2.3.84 du Code civil. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 5 est adopté à l’unanimité.
Art. 38/2
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 6 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 38/2 en vue d’insérer un article 2.3.89 dans le
Code civil. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 6 est adopté à l’unanimité.
Art. 39
Cet article vise à remplacer l’intitulé du chapitre 6 au
livre 4, titre 1er, sous-titre 6, du Code civil.
Il ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 39 est adopté à l’unanimité.
Art. 40
Cet article vise à remplacer l’article 4.59 du Code civil,
en vue de déterminer un régime général de la preuve de
la dévolution ou de l’attribution de la succession, donc
de la preuve de toute qualité successorale.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 23 (DOC 55 2774/003), qui vise à apporter
des modifications à l’article en projet. Il est renvoyé à
la justification.
L’amendement n° 23 et l’article 40, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
2774/004
DOC 55
24
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 41 tot 45
Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Burgerlijk
Wetboek.
Er worden geen opmerkingen over gemaakt.
De artikelen 41 tot 45 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
Art. 45/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 7
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 45/1 in
te voegen, teneinde een artikel 4.131/1 in te voegen
in het Burgerlijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 7 wordt eenparig aangenomen.
Art. 46
Dit artikel strekt ertoe artikel 4.258 van het Burgerlijk
Wetboek te wijzigen.
Er worden geen opmerkingen over gemaakt.
Artikel 46 wordt eenparig aangenomen.
Art. 46/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 8
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een artikel 46/1 in
te voegen, teneinde wijzigingen aan te brengen in ar-
tikel 4.262, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 8 wordt eenparig aangenomen.
Art. 46/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 9
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een artikel 46/2,
teneinde in het Burgerlijk Wetboek een artikel 4.267 in
te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 9 wordt eenparig aangenomen.
Art. 41 à 45
Ces articles concernent des modifications au Code civil.
Ils ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 41 à 45 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
Art. 45/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 7 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 45/1 visant l’insertion de l’article 4.131/1 dans le
Code civil. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 7 est adopté à l’unanimité.
Art. 46
Cet article vise à modifier l’article 4.258 du Code civil.
Il ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 46 est adopté à l’unanimité.
Art. 46/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 8 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer
un article 46/1 visant à apporter des modifications à
l’article 4.262, § 1er, du Code civil. Il est renvoyé à la
justification.
L’amendement n° 8 est adopté à l’unanimité.
Art. 46/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 9 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 46/2 en vue d’insérer un article 4.267 dans le
Code civil. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 9 est adopté à l’unanimité.
25
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 46/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 30
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 46/1,
teneinde de Franse tekst van artikel 5.211 van het-
zelfde Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 30 wordt eenparig aangenomen.
Art. 46/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 31
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 46/2,
teneinde de Franse tekst van artikel 5.245 van het-
zelfde Wetboek te wijzigen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 31 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van het Wetboek van de minnelijke en
gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale
schuldvorderingen
Art. 47 en 48
Deze artikelen betreffen wijzigingen van het Wetboek
van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen. Over deze artikelen
worden geen opmerkingen gemaakt.
De artikelen 47 en 48 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
Art. 48/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 10
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een artikel 48/1,
met het oog op de wijziging van artikel 45 van het Wetboek
van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 24
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een artikel 48/1,
met het oog op de wijziging van artikel 45 van het Wetboek
van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale
en niet-fiscale schuldvorderingen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 24 wordt vervolgens ingetrokken.
Art. 46/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 30 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
un article 46/1 en vue de modifier le texte français
de l’article 5.211 du même Code. Il est renvoyé à la
justification.
L’amendement n° 30 est adopté à l’unanimité.
Art. 46/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 31 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer
un article 46/2 en vue de modifier le texte français
de l’article 5.245 du même Code. Il est renvoyé à la
justification.
L’amendement n° 31 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 9
Modifications du Code du recouvrement amiable
et forcé des créances fiscales et non fiscales
Art. 47 et 48
Ces articles concernent des modifications du Code
de recouvrement amiable et forcé des créances fiscales
et non fiscales. Ils ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 47 et 48 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
Art. 48/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 10 (DOC 55 2774/002), qui vise à insérer un
article 48/1 en vue de modifier l’article 45 du Code de
recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et
non fiscales. Il est renvoyé à la justification.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 24 (DOC 55 2774/003), qui vise à insérer un
article 48/1 en vue de modifier l’article 45 du Code de
recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et
non fiscales. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 24 est ensuite retiré.
2774/004
DOC 55
26
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Amendement nr. 10 wordt eenparig aangenomen.
Art. 49
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 46, § 1, eerste
en tweede lid, van hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 11
(DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt dit artikel te
vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 11 wordt eenparig aangenomen.
Art. 50
Dit artikel strekt ertoe artikel 48 van hetzelfde Wetboek
te wijzigen.
Er worden geen opmerkingen over gemaakt.
Artikel 50 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 10
Wijzigingen van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de
kansspelinrichtingen en de bescherming van de
spelers
Art. 51 en 52
Deze artikelen behelzen wijzigingen van de wet
van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschap-
pen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van
de spelers.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 73 en 74 (DOC 55 2774/003) in, waarmee wordt
beoogd deze artikelen weg te laten.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) beklemtoont
dat de kansspelautomaten in de gokkantoren en in
de dagbladhandels op dezelfde wijze moeten worden
behandeld. Hij herinnert er bovendien aan dat sprake
is van discriminatie, aangezien de kansspelen van de
Nationale Loterij niet zijn onderworpen aan het toezicht
via EPIS. Dat onderscheid tussen de diverse producten
op de markt is een pijnpunt. De spreker zal daarop te-
rugkomen bij de bespreking van het nieuwe wetsontwerp
met bepalingen ter zake.
De amendementen nr. 73 en 74 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
L’amendement n° 10 est adopté à l’unanimité.
Art. 49
Cet article vise à modifier l’article 46, § 1er, alinéas 1er
et 2, du même Code.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende-
ment n° 11 (DOC 55 2774/002), qui vise à remplacer cet
article. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 11 est adopté à l’unanimité.
Art. 50
Cet article vise à modifier l’article 48 du même Code.
Il ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 50 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 10
Modifications de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux
de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs
Art. 51 et 52
Ces articles concernent des modifications de la loi
du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les
établissements de jeux de hasard et la protection des
joueurs.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 73 et 74 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
M. Christoph D’Haese (N-VA) souligne le fait que les
machines de jeux doivent être traitées de manière iden-
tique dans les bureaux de paris et chez les vendeurs de
journaux. En outre, il rappelle que les jeux de la Loterie
nationale ne sont pas soumis au contrôle EPIS, ce qui
est discriminatoire. Cette différenciation entre les diffé-
rents produits sur le marché pose problème. L’orateur
y reviendra lors de la discussion du nouveau projet de
loi contenant ces dispositions.
Les amendements nos 73 et 74 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
27
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 53
Met dit artikel wordt beoogd wijzigingen aan te brengen
in artikel 55 van dezelfde wet. Het is de bedoeling te
verduidelijken dat de Kansspelcommissie de verwerkings-
verantwoordelijke van het EPIS-informatiesysteem is.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 53 wordt eenparig aangenomen.
Art. 54
Dit artikel beoogt een wijziging aan te brengen in arti-
kel 58, tweede lid, van dezelfde wet. Het is de bedoeling
het maximumbedrag voor de in de casino’s uitgevoerde
betalingen in cash te verlagen tot 3 000 euro.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 75
(DOC 55 2774/003) in, dat ertoe strekt dit artikel weg
te laten.
Amendement nr. 75 wordt eenparig aangenomen.
Art. 55
Dit artikel strekt ertoe wijzigingen aan te brengen in
artikel 62 van dezelfde wet. Er wordt beoogd de foto van
de spelers toe te voegen aan de lijst met persoonsge-
gevens die verplicht moeten worden opgenomen in het
toegangsregister van de kansspelinrichtingen.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) merkt op dat zowel de
Raad van State als de Gegevensbeschermingsautoriteit
zich bijzonder kritisch hebben uitgelaten over de ontwor-
pen bepaling, die vooropstelt dat er een foto zou worden
genomen en bewaard van iedere speler die een speelzaal
van een kansspelinrichting van de klassen I of II of een
vaste kansspelinrichting van klasse IV binnengaat. In
het bijzonder besluiten ze hun analyse, en de spreek-
ster citeert uit het advies van de Raad van State, met
het volgende (DOC 55 2774/001, blz. 153-154): “Daaruit
vloeit voort dat de maatregel die erin bestaat van een
speler een foto te nemen en die foto bij te houden, zoals
die in het vooruitzicht gesteld wordt in artikel 57, 1°, van
het voorontwerp en verduidelijkt wordt in de memorie
van toelichting en in de uitleg van de gemachtigde van
de minister, enerzijds niet uitsluitend het legitiem doel
inzake bescherming van de spelers lijkt na te streven,
maar ook een niet nader gedefinieerd doel nastreeft
inzake bestraffing van overtredingen.” De gemachtigde
van de minister bevestigde immers dat de genomen
foto’s gebruikt zouden mogen worden in het kader van
Art. 53
Cet article vise à apporter des modifications à
l’article 55 de la même loi. Il vise à préciser que la
Commission des jeux de hasard est le responsable du
traitement du système d’information EPIS.
Cet article ne fait l’objet d’aucun commentaire.
L’article 53 est adopté à l’unanimité.
Art. 54
Cet article vise à apporter une modification à l’ar-
ticle 58, alinéa 2 de la même loi. Il concerne la baisse
à 3 000 euros du montant maximum du paiement en
espèce dans les casinos.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 75 (DOC 55 2774/003), qui vise à abroger
cet article.
L’amendement n° 75 est adopté à l’unanimité.
Art. 55
Cet article vise à apporter des modifications à l’ar-
ticle 62 de la même loi. Il vise à ajouter la photographie
des joueurs à la liste des données à caractère personnel
à reprendre obligatoirement dans le registre d’accès aux
établissements de jeux de hasard.
Mme Marijke Dillen (VB) souligne que le Conseil
d’État et l’Autorité de protection des données se sont
tous deux exprimés de manière très critique à propos
du projet de disposition prévoyant la prise et la conser-
vation d’une photographie de chaque joueur accédant
aux salles de jeux des établissements de jeux de hasard
des classes I et II et aux établissements de jeux de
hasard fixes de classe IV. Ils ont conclu leur analyse en
formulant l’observation suivante, citée par l’intervenante
à partir de l’avis du Conseil d’État (DOC 55 2774/001,
pp. 153-154): “Il en résulte que la mesure qui consiste
à prendre et conserver la photographie d’un joueur, qui
est celle envisagée à l’article 57, 1°, de l’avant-projet,
telle qu’éclairée par l’exposé des motifs et les explica-
tions données par le délégué du ministre, d’une part,
n’apparait pas poursuivre exclusivement l’objectif légi-
time de protection des joueurs mais poursuit également
un objectif de répression des infractions qui n’est pas
précisément défini.” Le délégué du ministre a en effet
confirmé que les photographies prises pourraient être
utilisées dans le cadre d’une enquête qui n’aurait pas
2774/004
DOC 55
28
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een onderzoek dat geen verband houdt met de naleving
van de bepalingen inzake kansspelen.
“Anderzijds lijkt die maatregel, om de redenen
die de Gegevensbeschermingsautoriteit in haar ad-
vies 178/2021 opgegeven heeft, niet in verhouding tot
dat doel te staan.”.
Als oplossing stelt de Raad van State het volgende
voor: “In dit verband zou een technologische oplos-
sing gebaseerd op het gebruik van de elektronische
authenticatiemodule van de identiteitskaart een meer
evenredige optie zijn die minder inmenging genereert
in het recht op bescherming van persoonsgegevens van
de spelers, maar het door de auteur van het ontwerp
vooropgestelde doel bereikt.”
Het lid wenst te vernemen of de suggestie zoals
geformuleerd door de Raad van State in overweging
wordt genomen. Wat zijn de potentiële risico’s/gevolgen
indien bij het gebruik van de bewaarde fotogegevens
die genomen zijn overeenkomstig de vooropgestelde
bepaling in een strafonderzoek tot een schending van
de bepalingen van de gegevensbescherming (verwijzend
naar artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het
EVRM) wordt beslist?
Heeft de minister andere en betere systemen voor
het uitvoeren van een controle onderzocht?
De spreekster verwijst in dat verband naar een arrest
van het Grondwettelijk Hof van december 2021.
De minister geeft aan dat er al jaren een foto
van de speler wordt genomen. Hierdoor kan de
Kansspelcommissie achteraf nagaan of de operator
zijn verplichting al dan niet is nagekomen. Dat is duidelijk
geen ideale oplossing, en de minister kan zich dan ook
grotendeels vinden in de opmerkingen ter zake van de
Raad van State en de GBA. Een dergelijke controle zou
via betere en minder intrusieve technologieën moeten
kunnen worden uitgevoerd. De minister heeft al beloofd
zo snel mogelijk andere, evenredigere technieken,
zoals de elektronische handtekening of Itsme, te willen
onderzoeken. In afwachting van een betere oplossing
zal de huidige gang van zaken niet worden verboden.
De minister legt voorts uit dat de politie de gegevens
kan opvragen op basis van een kantschrift van het parket
of van de onderzoeksrechter.
Artikel 55 wordt eenparig aangenomen.
de lien avec le respect des dispositions applicables en
matière de jeux de hasard.
“[D]’autre part, pour les raisons indiquées par l’Autorité
de protection des données dans son avis 178/2021, [la
mesure] n’apparait pas proportionnée à cet objectif.”.
Le Conseil d’État propose dès lors la solution sui-
vante: “À cet égard, une solution technologique basée
sur l’utilisation du module d’authentification électronique
de la carte d’identité constituerait une option plus pro-
portionnée générant une ingérence plus faible dans le
droit à la protection des données des joueurs tout en
atteignant le but souhaité par l’auteur du projet”.
L’intervenante demande si la suggestion formulée par
le Conseil d’État sera prise en considération. Quels sont
les risques et les conséquences envisageables si, en
cas d’utilisation de photographies prises et conservées
conformément à la disposition proposée, une enquête
pénale conclut que l’application de cette disposition a
entraîné une violation des dispositions relatives à la
protection des données (en renvoyant à l’article 22 de
la Constitution et à l’article 8 de la CEDH)?
Le ministre a-t-il envisagé d’autres systèmes, meilleurs,
pour assurer le contrôle?
L’oratrice fait référence à cet égard à un arrêt de la
Cour constitutionnelle datant de décembre 2021.
Le ministre indique que cette pratique de la prise de
photo du joueur existe depuis de nombreuses années.
Cela permet à la Commission des jeux de hasard de
vérifier a posteriori si l’opérateur a respecté son obligation.
Ce n’est en effet pas une solution idéale et le ministre
est en grande partie d’accord avec les remarques faites
par le Conseil d’État et l’APD à cet égard. De meilleures
technologies, moins intrusives, doivent permettre ce
contrôle. Le ministre s’est déjà engagé à analyser, le
plus rapidement possible, d’autres techniques plus
proportionnelles, telles que la signature électronique
ou Itsme. Dans l’attente de cette meilleure solution, la
pratique actuelle ne sera pas interdite.
Par ailleurs, le ministre précise que la police peut
demander les données, sur la base d’une apostille du
parquet ou du juge d’instruction.
L’article 55 est adopté à l’unanimité.
29
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 56 en 57
Die artikelen betreffen wijzigingen van de wet
van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschap-
pen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van
de spelers.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 76 en 77 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken die artikelen op te heffen.
Amendementen nr. 76 en 77 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004
betreffende de samenwerking met het
Internationaal Strafhof en de internationale
straftribunalen
Art. 58 tot 60
Die artikelen betreffen wijzigingen van de wet
van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het
Internationaal Strafhof en de internationale straftribunalen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 78 tot 80 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken die artikelen op te heffen.
Amendementen nrs. 78 tot 80 worden achtereenvol-
gens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 12
Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006
betreffende de externe rechtspositie van de
veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het
slachtoffer toegekende rechten in het raam van
de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 61
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 6, § 1, van de
wet van 17 mei 2006.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat aldus
de mogelijkheid van penitentiair verlof wordt uitgebreid
van driemaal 36 uur per trimester naar viermaal 36 uur per
trimester, om, met het oog op een vlottere doorstroming
van gedetineerden, de voorbereiding van hun sociale
re-integratie te bespoedigen.
Art. 56 et 57
Ces articles concernent des modifications de la loi
du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les
établissements de jeux de hasard et la protection des
joueurs.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 76 et 77 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 76 et 77 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 29 mars 2004
concernant la coopération avec la Cour
pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux
Art. 58 à 60
Ces articles concernent des modifications de la loi
du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la
Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux
internationaux.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements n° s 78 à 80 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements n° s 78 à 80 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
CHAPITRE 12
Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative
au statut juridique externe des personnes
condamnées à une peine privative de liberté et
aux droits reconnus à la victime dans le cadre des
modalités d’exécution de la peine
Art. 61
Cet article modifie l’article 6, § 1er, de la loi
du 17 mai 2006.
M. Christoph D’Haese (N-VA) constate que la pos-
sibilité de congé pénitentiaire va donc passer de trois
fois 36 heures par trimestre à quatre fois 36 heures par
trimestre afin d’accélérer la préparation de la réinsertion
sociale des détenus en vue d’accélérer leur circulation.
2774/004
DOC 55
30
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het lid wil vernemen of dan ook wordt voorzien in
bijkomende omkadering om de re-integratie effectief
te versnellen; zo niet is dit louter een maatregel om de
overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan die
neerkomt op een extra van 36 uur vakantie voor de ge-
detineerden. De N-VA-fractie is er zeker voorstander van
om meer in te zetten op re-integratie, maar betwijfelt of
deze maatregel dit doel zal bereiken zonder bijkomende
omkadering.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) sluit zich aan bij de
vorige spreker en vraagt of de minister de impact van
de voorgestelde maatregel op de overbevolking heeft
onderzocht. Zij vreest dat deze maatregel ook bijko-
mend werk voor de administratie en de griffie van de
gevangenis zal teweegbrengen en wenst te vernemen
of in het nodige personeel wordt voorzien om dit op te
vangen en te controleren. Tot slot merkt zij dat zonder
de nodige omkadering en begeleiding deze maatregel
bezwaarlijk als een re-integratiebevorderende maatregel
kan worden beschouwd.
De minister antwoordt dat de maatregel er is gekomen
op vraag van onder meer experten inzake re-integratie, de
gevangenisdirectie en de administratie. Het is geenszins
een maatregel om op korte termijn de overbevolking in
de gevangenissen aan te pakken. De gedetineerden
keren immers na hun penitentiair verlof terug naar de
gevangenis.
Dit penitentiair verlof wordt, na advies van de gevan-
genisdirecteur, toegekend door de dienst detentiebeheer
van het directoraat-generaal EPI. De invulling van dit
penitentiair verlof wordt voorbereid door de psychoso-
ciale dienst die ook de voorwaarden en het doel van dit
verlof duidt, zijnde het herstel van de sociale contacten
en het voorbereiden van de re-integratie. Vandaag
wordt evenwel te weinig op dit laatste aspect ingezet.
De termijn van 36 uur maakt het bijvoorbeeld mogelijk
zich op een sollicitatiegesprek voor te bereiden. De
minister verduidelijkt dat reeds in een versterking van
de psychsociale dienst werd voorzien. De gedetineerde
krijgt met deze maatregel ook meer verantwoordelijkheid
om zijn reclassering voor te bereiden.
De minister is van mening dat deze maatregel op lange
termijn wel degelijk een maatregel is om de overbevolking
tegen te gaan. Hij moet immers leiden tot een betere
re-integratie en dus tot minder recidive.
Artikel 61 wordt aangenomen met 10 tegen 5 stemmen.
L’intervenant aimerait savoir si un encadrement supplé-
mentaire a dès lors été prévu pour accélérer effectivement
la réinsertion des détenus, sans quoi il s’agira seulement
d’une mesure visant à lutter contre la surpopulation
carcérale qui reviendra à accorder 36 heures de congé
pénitentiaire supplémentaires aux détenus. Le groupe
N-VA est très favorable à un investissement accru dans
la réinsertion mais doute que, sans encadrement sup-
plémentaire, cette mesure atteigne son objectif.
Mme Marijke Dillen (VB) se joint à l’intervenant pré-
cédent et demande si le ministre a examiné l’impact de
la mesure proposée sur la surpopulation. Elle craint que
cette mesure génère également un surcroît de travail
pour l’administration et le greffe de la prison et demande
si le personnel nécessaire est prévu pour compenser et
contrôler ce surcroît. Enfin, Mme Dillen fait observer que
cette mesure peut difficilement être considérée comme
une aide à la réinsertion en l’absence de l’encadrement
et de l’accompagnement nécessaires.
Le ministre répond que la mesure à l’examen a été
élaborée à la demande, notamment, d’experts en ma-
tière de réinsertion et de membres de la direction et de
l’administration des prisons. Il ne s’agit nullement d’une
mesure visant à lutter à terme contre la surpopulation
carcérale. Les détenus retournent en effet en prison
après leur congé pénitentiaire.
Le congé pénitentiaire est accordé, après avis du
directeur de l’établissement pénitentiaire, par le service
gestion de la détention de la direction générale des
Établissements pénitentiaires (EPI). Le programme de
ce congé pénitentiaire est préparé par le service psy-
chosocial, qui fixe également les conditions et l’objectif
de ce congé, à savoir le rétablissement des contacts
sociaux et la préparation de la réinsertion. On ne vise
toutefois pas suffisamment ce dernier point à l’heure
actuelle. La durée de 36 heures permettra par exemple
de se préparer à un entretien d’embauche. Le ministre
précise qu’il a déjà été prévu de renforcer le service
psychosocial. Cette mesure permettra également de
responsabiliser davantage le détenu en vue de préparer
sa réinsertion.
Le ministre estime que cette mesure permettra bien
de lutter contre la surpopulation à long terme. Elle vise
en effet à améliorer la réinsertion et, par conséquent, à
réduire le risque de récidive.
L’article 61 est adopté par 10 voix contre 5.
31
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 62
Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 62 wordt eenparig aangenomen.
Art. 63
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 14, derde lid,
van dezelfde wet.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden dat
ook de slachtoffers zullen worden ingelicht over de
toekenning van een eerste uitgaansvergunning met het
oog op de sociale re-integratie.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) is eveneens van oordeel
dat dit een goede zaak is. Zij wenst evenwel te vernemen
of het slachtoffer er ook voor kan kiezen hierover niet te
worden ingelicht. Niet alle slachtoffers wensen immers
nog iets te horen van de dader.
De minister antwoordt dat het slachtoffer moet heb-
ben aangegeven op de hoogte te willen worden ge-
bracht en verwijst in dezen naar artikel 2, 6°, van de wet
van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan
het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de
strafuitvoeringsmodaliteiten en naar het koninklijk besluit
ter uitvoering ervan.
Artikel 63 wordt eenparig aangenomen.
Art. 64 tot 66
Er worden over deze artikelen geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 64 tot 66 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
Art. 67
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 40 van de-
zelfde wet.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) is tevreden met
deze wijziging, die een omzetting van een aanbeveling
van de onderzoekscommissie terroristische aanslagen
betreft.
Artikel 67 wordt eenparig aangenomen.
Art. 62
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 62 est adopté à l’unanimité.
Art. 63
Cet article modifie l’article 14, alinéa 3, de la même loi.
M. Christoph D’Haese (N-VA) se félicite que les
victimes seront également informées de l’octroi d’une
première permission de sortie en vue de la réinsertion
sociale.
Mme Marijke Dillen (VB) estime également qu’il s’agit
d’une bonne chose. Elle souhaite toutefois savoir si
la victime pourra également choisir de ne pas en être
informée. Toutes les victimes ne souhaitent en effet pas
entendre à nouveau parler de l’auteur.
Le ministre répond que la victime doit avoir mani-
festé la volonté d’être informée et renvoie à cet égard à
l’article 2, 6°, de la loi du 17 mai 2006 relative au statut
juridique externe des personnes condamnées à une
peine privative de liberté et aux droits reconnus à la
victime dans le cadre des modalités d’exécution de la
peine, ainsi qu’à son arrêté d’exécution.
L’article 63 est adopté à l’unanimité.
Art. 64 à 66
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 64 à 66 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
Art. 67
Cet article modifie l’article 40 de la même loi.
M. Christoph D’Haese (N-VA) se félicite de cette
modification transposant une recommandation de la com-
mission d’enquête parlementaire “Attentats terroristes”.
L’article 67 est adopté à l’unanimité.
2774/004
DOC 55
32
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 68
Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 68 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 69
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 60 van de-
zelfde wet.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient op dit artikel amen-
dement nr. 25 (DOC 55 2774/002) in. De minister legt uit
dat het amendement verduidelijkt dat het enkel mogelijk
is een vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheid-
stelling met het oog op de verwijdering voor de toelaat-
baarheidsdatum, uit te voeren in het geval dat de Dienst
Vreemdelingenzaken de veroordeelde kan verwijderen
of overbrengen, en dat in het andere geval (wanneer de
Dienst Vreemdelingenzaken dus niet kan verwijderen
of overbrengen), de Dienst Vreemdelingenzaken nog
tot 20 dagen na het bereiken van de toelaatbaarheids-
datum krijgt om de vreemdeling te verwijderen, over te
brengen of een kennisgeving te doen dat de verwijdering
of overbrenging niet zal plaatsvinden. Indien de Dienst
Vreemdelingenzaken niet tot een verwijdering of een
overbrenging naar een gesloten centrum overgaat,
moet de Dienst Vreemdelingenzaken evenwel zo snel
mogelijk overgaan tot de afgifte en betekening van het
bevel om het grondgebied te verlaten zodat de voorlo-
pige invrijheidsstelling kan worden uitgevoerd zodra de
veroordeelde zijn toelaatbaarheidsdatum heeft bereikt.
Op basis van die kennisgeving kan de veroordeelde
immers in vrijheid worden gesteld vanaf het bereiken
van de toelaatbaarheidsdatum.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat de
betrokkene, als er na die 20 dagen niets is ondernomen
door de Dienst Vreemdelingenzaken, gewoon weer
vrijkomt. Dit is voor zijn fractie onaanvaardbaar.
Het blijft aldus dweilen met de kraan open inzake het
verwijderen van illegale criminelen op het grondgebied.
Het moge duidelijk zijn dat zij niet zelfstandig en mak het
bevel om het grondgebied te verlaten, zullen opvolgen.
De spreker heeft als burgemeester al vaak te maken
gehad met dergelijke bevelen en is van oordeel dat il-
legale criminelen onmiddellijk vanuit de gevangenis het
land moeten worden uitgezet. Enkel op die manier is
men er zeker van dat ze niet meer op het grondgebied
verblijven. Het lid stelt vast dat de minister aldus opnieuw
het omgekeerde doet van wat hij heeft aangekondigd.
De zoveelste loze belofte.
Art. 68
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 68 est adopté par 11 voix contre 4.
Art. 69
Cet article modifie l’article 60 de la même loi.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amende-
ment n° 25 (DOC 55 2774/002) tendant à remplacer le 2°
de cet article. Le ministre explique que l’amendement
tend à clarifier qu’un jugement octroyant une libération
provisoire en vue d’éloignement ne peut être exécuté
avant la date d’admissibilité que dans le cas où l’Office
des Étrangers peut éloigner ou transférer le condamné,
et que, dans l’autre cas (où l’Office des Étrangers ne peut
donc pas éloigner ou transférer), l’Office des Étrangers
a encore jusqu’à 20 jours après la date d’admissibilité
pour éloigner l’étranger, le transférer ou notifier que
l’éloignement ou notifier que le transfert n’aura pas lieu.
Si l’Office des Étrangers ne procède pas à un éloigne-
ment ou un transfert, l’Office des Étrangers doit toutefois
procéder au plus vite à l’émission et la signification
d’un ordre de quitter le territoire pour que la libération
provisoire puisse être exécutée dès que le condamné
a atteint la date d’admissibilité. En effet, sur la base de
cette notification, le condamné peut être mis en liberté
dès qu’il a atteint la date d’admissibilité.
M. Christoph D’Haese (N-VA) constate qu’en l’absence
d’action entreprise par l’Office des Étrangers dans ce
délai de 20 jours, l’intéressé est simplement remis en
liberté. Pour son groupe, cette situation est inacceptable.
Les mesures prises dans le cadre de la problématique
de l’éloignement des criminels illégaux du territoire
demeurent des emplâtres sur une jambe de bois. Il est
clair qu’ils ne respecteront pas l’ordre de quitter le ter-
ritoire de leur plein gré. En sa qualité de bourgmestre,
l’intervenant a déjà été souvent confronté à des ordres
de ce type et estime que les criminels illégaux doivent
être expulsés du pays avant de sortir de prison. Cette
méthode est la seule permettant de s’assurer que ces
criminels ne séjourneront plus sur le territoire. L’intervenant
constate que le ministre fait à nouveau l’inverse de ce
qu’il a annoncé. C’est la énième promesse en l’air.
33
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreker vestigt er voorts de aandacht van de leden
op dat het College van procureurs-generaal zich over
dit artikel in negatieve zin heeft uitgesproken in het door
de minister bezorgde advies. Het lid citeert hieruit het
volgende: “Hoewel men dus weet dat door de kortere
termijn DVZ vele veroordeelden gewoon een bevel tot
het verlaten van het grondgebied zal geven, concreet
gewoon op straat zet (geen officieel adres, zonder
begeleiding-opvolging, inkomstenbron, …), meent men
dit een verantwoordelijkheid is van DVZ en wil men in
ieder geval ervoor zorgen dat de gevangenissen leeg
zijn. Dit is dus weer een voorbeeld van wetgeving die
niet gericht is op een adequate strafuitvoering in functie
van de veroordeelden maar op het beheersen van de
overbevolking”, en vervolgens: “Dit brengt ook de ge-
kende vicieuze cirkel op gang: de veroordeelde verlaat
het land niet, pleegt nieuwe feiten, wordt aangehouden
en belandt in voorlopige hechtenis (wegens recidivege-
vaar) hetgeen weer invloed heeft op de overbevolking.”.
De heer D’Haese besluit dan ook dat amende-
ment nr. 25 niet aan de voormelde problematiek tege-
moetkomt. Derhalve zal zijn fractie het amendement niet
steunen.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) begrijpt dat het hier
gaat over het wegwerken van een hiaat in de wetge-
ving. Het lid is evenwel van oordeel dat een illegale
crimineel in de gevangenis dient te blijven tot de Dienst
Vreemdelingenzaken ervoor kan zorgen dat hij effectief het
land verlaat. Zoals gesteld door de vorige spreker betekent
de bepaling dat als de Dienst Vreemdelingenzaken er
niet in slaagt de betrokkene te verwijderen, hij na 20 da-
gen in vrijheid wordt gesteld. Met het risico te belanden
in een vicieuze cirkel van opnieuw strafbare feiten te
plegen, opnieuw te worden vervolgd en opnieuw in de
gevangenis te belanden. Het lid vraagt de minister dan
ook met aandrang deze maatregel te heroverwegen.
De spreekster wenst voorts te vernemen of al werd
berekend hoeveel gevangenen voor deze maatregel in
aanmerking komen. Welke impact heeft dit op de gevan-
geniscapaciteit? Heeft er overleg plaatsgevonden met
de Dienst Vreemdelingenzaken? Deze laatste kampt
immers met een gigantische achterstand en de vraag
rijst dan ook of de Dienst Vreemdelingenzaken deze
bijkomende taak kan uitvoeren.
De minister merkt op dat overeenkomstig het ontwor-
pen artikel 66 voor veroordeelden zonder verblijfsrecht
die een voorlopige invrijheidstelling aanvragen de voor-
waarden worden toegevoegd dat zij het grondgebied
daadwerkelijk moeten verlaten en niet naar België mogen
L’intervenant attire ensuite l’attention des membres sur
le fait que, dans l’avis transmis par le ministre, le Collège
des procureurs généraux a rendu un avis négatif sur cet
article. L’intervenant cite le passage suivant provenant
de cet avis: “Bien que l’on sache donc qu’en raison du
délai plus court, l’Office des Étrangers donnera tout
simplement à de nombreux condamnés un ordre de
quitter le territoire, ce qui revient à les mettre à la rue
(aucune adresse officielle, aucun accompagnement/
suivi, aucune source de revenus, etc.), on estime que
c’est une responsabilité de l’Office des Étrangers, et on
veut en tout cas veiller à ce que les prisons soient vides.
Autrement dit, voilà un nouvel exemple de législation qui
n’est pas axée sur une exécution des peines adéquate
en fonction des condamnés, mais sur la maîtrise de la
surpopulation.“ et encore ”Cela génère aussi un cercle
vicieux bien connu: le condamné ne quitte pas le pays,
commet de nouveaux faits, est arrêté et se retrouve en
détention préventive (pour risque de récidive), ce qui a
une nouvelle fois une incidence sur la surpopulation.”
M. D’Haese conclut dès lors que l’amende-
ment n° 25 ne répond pas à la problématique esquissée
ci-avant. Par conséquent, son groupe ne soutiendra pas
l’amendement.
Mme Marijke Dillen (VB) comprend qu’il s’agit en l’oc-
currence de combler une lacune législative. L’intervenante
estime toutefois que tout criminel illégal doit rester en
prison jusqu’à ce que l’Office des Étrangers soit en
mesure de l’expulser effectivement du pays. Comme
l’a indiqué l’intervenant précédent, la disposition signifie
que si l’Office des Étrangers ne parvient pas à éloigner
l’intéressé, ce dernier est remis en liberté après 20 jours.
Cette situation présente le risque d’induire un cercle
vicieux où le criminel commettra à nouveau des infrac-
tions, sera à nouveau poursuivi et sera à nouveau empri-
sonné. L’intervenante demande dès lors instamment au
ministre de reconsidérer cette mesure.
La membre souhaite ensuite savoir si le nombre de
prisonniers pouvant bénéficier de cette mesure a déjà
été calculé. Quelle sera l’incidence de cette mesure sur
la capacité carcérale? Une concertation avec l’Office
des Étrangers a-t-elle été menée? Ce dernier est en
effet confronté à un arriéré gigantesque et la question
se pose de savoir s’il sera en mesure d’effectuer cette
mission supplémentaire.
Le ministre fait observer que l’article 66 en projet
ajoute des conditions pour les condamnés sans titre de
séjour qui demandent une mise en liberté provisoire, à
savoir l’obligation de quitter effectivement le territoire et
l’interdiction de revenir en Belgique. Dans les faits, ces
2774/004
DOC 55
34
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
terugkeren. Dit betekent in de feiten dat als de politie
deze personen opnieuw aantreft, ze onmiddellijk naar
de gevangenis gaan.
De voorgestelde maatregel geeft de Dienst
Vreemdelingenzaken meer tijd om, wanneer de strafuit-
voeringsrechter een straf van minder dan 3 jaar uitspreekt,
de terugkeer van de gedetineerden zonder recht op ver-
blijf voor te bereiden en uit te voeren. Dit probleem doet
zich niet voor wanneer het gaat over straffen van meer
dan 3 jaar, aangezien de Dienst Vreemdelingenzaken
dan wel over de nodige tijd beschikt. Indien dit artikel niet
zou worden aangenomen, heeft dit tot gevolg dat als de
Dienst Vreemdelingenzaken niet op hetzelfde ogenblik
als de strafuitvoeringsrechter een beslissing neemt, de
Dienst Vreemdelingenzaken geen beslissing tot terug-
sturen kan nemen. Vandaar dat wordt voorgesteld de
Dienst Vreemdelingenzaken de mogelijkheid te geven
een beslissing te nemen na deze van de strafuitvoe-
ringsrechter. De betrokkene wordt dan teruggebracht
naar een gesloten centrum voor illegalen of krijgt het
bevel het grondgebied te verlaten. De minister vestigt er
evenwel de aandacht op dat deze bepaling ten opzichte
van de situatie van vandaag geenszins een stap terug
is, integendeel. De voorgestelde maatregel geeft de
Dienst Vreemdelingenzaken aldus meer tijd om zich te
organiseren om de beslissing tot verwijdering van het
grondgebied te kunnen nemen en uit te voeren. Hij stipt
aan dat de Dienst Vreemdelingenzaken vanzelfsprekend
over deze voorgestelde maatregel werd geconsulteerd.
Voorts komt amendement nr. 25 tegemoet aan de
opmerking van het College van procureurs-generaal.
Amendement nr. 25 en het aldus geamendeerde
artikel 69 worden achtereenvolgens aangenomen
met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 70
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 65 van de-
zelfde wet.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) stelt vast dat deze bepa-
ling de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrecht-
bank de mogelijkheid geeft om in geval van herroeping
van een strafuitvoeringsmaatregel aan de veroordeelde
en voor zover deze laatste hiermee instemt, een andere
strafuitvoeringsmaatregel toe te kennen. Betekent dit
dan dat in geval van herroeping de veroordeelde die niet
akkoord gaat met de andere strafuitvoeringsmaatregel,
terug in de gevangenis zijn straf moet uitzitten?
De minister beaamt dit en verduidelijkt dat de straf-
uitvoeringsrechtbank een alomvattend vonnis wijst en
conditions signifient que si la police rencontre à nouveau
ces personnes, elles iront directement en prison.
La mesure prévue laisse plus de temps à l’Office des
Étrangers pour préparer et mettre en œuvre le retour
des détenus sans droit au séjour, lorsque le juge de
l’application des peines prononce une peine inférieure
à trois ans. Ce problème ne se pose pas si la peine
est supérieure à trois ans, car l’Office des Étrangers
dispose alors du temps nécessaire. Si cet article n’était
pas adopté, cela aurait pour conséquence que, si l’Office
des Étrangers ne prend pas une décision au même
moment que le juge de l’application des peines, il ne
pourra plus décider de procéder au retour. C’est pour-
quoi il est proposé de permettre à l’Office des Étrangers
de prendre une décision après la décision du juge de
l’application des peines. L’intéressé retourne ensuite dans
un centre fermé pour illégaux ou reçoit l’ordre de quitter
le territoire. Le ministre attire toutefois l’attention sur le
fait que cette disposition n’est aucunement un retour en
arrière par rapport à la situation actuelle, au contraire.
La mesure prévue laisse donc plus de temps à l’Office
des Étrangers pour s’organiser afin de pouvoir prendre
et exécuter la décision d’éloignement du territoire. Il
souligne que l’Office des Étrangers a évidemment été
consulté à propos de la mesure prévue.
L’amendement n° 25 répond également à l’observation
du Collège des procureurs généraux.
L’amendement n° 25 et l’article 69, ainsi modifié, sont
successivement adoptés par 11 voix contre 4.
Art. 70
Cet article modifie l’article 65 de la même loi.
Mme Marijke Dillen (VB) constate que cette disposition
permet au juge de l’application des peines ou au tribunal
de l’application des peines, en cas de révocation d’une
modalité d’exécution de la peine, et pour autant que le
condamné soit d’accord, d’octroyer à ce dernier une
autre modalité d’exécution de la peine. Cela signifie-t-il
qu’en cas de révocation, le condamné qui ne sera pas
d’accord avec cette autre modalité d’exécution de la
peine devra retourner purger sa peine en prison?
Le ministre le confirme et précise que le tribunal de
l’application des peines rend un jugement global, et
35
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dus zowel beslist over de intrekking als over de nieuwe
maatregel, die het elektronisch toezicht of de beperkte
detentie kan zijn. Bij een alomvattend vonnis moet even-
wel worden berekend hoeveel tijd van de proeftijd goed
is verlopen en hoeveel tijd niet. Er moet dus een nieuwe
strafberekening worden gedaan. Omdat evenwel alles in
één vonnis is vervat, worden op het terrein vaak fouten in
de berekening gemaakt. Vandaar dat wordt bepaald dat
er twee vonnissen moeten worden gewezen: een vonnis
dat de intrekking en de nieuwe strafberekening betreft,
en een ander dat de strafuitvoeringsmaatregel betreft.
Artikel 70 wordt eenparig aangenomen.
Art. 71 tot 73
Er worden over deze artikelen geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 71 tot 73 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 13
Wijzigingen van de wet van 8 juni 2006 houdende
regeling van economische en individuele
activiteiten met wapens
Art. 74
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 81
(DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 74.
Amendement nr. 81 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 14
Wijzigingen van de programmawet (I) van
29 maart 2012
Art. 75 en 76
Er worden over deze artikelen geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 75 en 76 worden achtereenvolgens
eenparig aangenomen.
décide donc à la fois du retrait et de la nouvelle mesure,
qui peut être une surveillance électronique ou une
détention limitée. Toutefois, dans le cadre d’un jugement
global, il faut calculer la période du délai d’épreuve qui
s’est bien déroulée et la période qui ne s’est pas bien
déroulée. Il faut donc procéder à un nouveau calcul de
la peine. Cependant, dès lors que tous les éléments
figurent dans un seul jugement, des erreurs de calcul
sont souvent commises en pratique. C’est pourquoi il
est prévu que deux jugements devront être rendus: l’un
concernant le retrait et le nouveau calcul de la peine et
l’autre concernant la modalité d’exécution de la peine.
L’article 70 est adopté à l’unanimité.
Art. 71 à 73
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 71 à 73 sont successivement adoptés à
l’unanimité.
CHAPITRE 13
Modifications de la loi du 8 juin 2006 réglant des
activités économiques et individuelles avec des
armes
Art. 74
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 81 tendant à supprimer l’article 74
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 81 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 14
Modifications de la loi-programme (I) du
29 mars 2012
Art. 75 et 76
Ces articles ne donnent lieu à aucune observation.
Les articles 75 et 76 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
2774/004
DOC 55
36
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 76/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 12
(DOC 55 2774/002) in, tot invoeging van een nieuw ar-
tikel 76/1. De hoofdindienster overloopt de schriftelijke
verantwoording van haar amendement en verduidelijkt
dat dit amendement, net zoals de amendementen nrs.
12 tot 15, tegemoetkomen aan opmerkingen van Fednot.
Amendement nr. 12, tot invoeging van artikel 76/1,
wordt eenparig aangenomen.
Art. 77
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 160 van de
programmawet (I) van 29 maart 2012.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 13
(DOC 55 2774/002) in, tot vervanging van artikel 77.
Amendement nr. 13 wordt eenparig aangenomen.
Art. 78
Er worden over dit artikel geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 78 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 15
Wijzigingen van de wet van 18 oktober 2017
betreffende het onrechtmatig binnendringen in,
bezetten van of verblijven in andermans goed
Art. 79
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 82
(DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 79.
Amendement nr. 82 wordt eenparig aangenomen.
Art. 76/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 12 tendant à insérer un article 76/1
(DOC 55 2774/002). L’auteure principale parcourt la
justification écrite de son amendement et précise que,
comme les amendements nos 12 à 15, l’amendement à
l’examen répond à des observations de Fednot.
L’amendement n° 12 tendant à insérer l’article 76/1 est
adopté à l’unanimité.
Art. 77
Cet article modifie l’article 160 de la loi-programme
(I) du 29 mars 2012.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 13 tendant à remplacer l’article 77
(DOC 55 2774/002).
L’amendement n° 13 est adopté à l’unanimité.
Art. 78
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 78 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 15
Modifications de la loi du 18 octobre 2017 relative
à la pénétration, à l’occupation ou au séjour
illégitimes dans le bien d’autrui
Art. 79
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 82 tendant à supprimer l’article 79
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 82 est adopté à l’unanimité.
37
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 16
Wijzigingen van de wet van 23 maart 2019
betreffende de organisatie van de penitentiaire
diensten en van het statuut van het penitentiair
personeel
Art. 80
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 83
(DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 80.
Amendement nr. 83 wordt eenparig aangenomen.
Art. 81
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 84
(DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 81.
Amendement nr. 84 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 16/1 (NIEUW)
Wijziging van de wet van 5 mei 2019 tot wijziging
van het Wetboek van strafvordering en het
Gerechtelijk Wetboek wat de bekendmaking van
de vonnissen en arresten betreft
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 36
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een nieuw
hoofdstuk 16/1 en verwijst naar de schriftelijke verant-
woording van haar amendement.
Amendement nr. 36 wordt eenparig aangenomen.
Art. 81/1
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 37
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een nieuw
artikel 81/1.
Amendement nr. 37 wordt eenparig aangenomen.
CHAPITRE 16
Modifications de la loi du 23 mars 2019
concernant l’organisation des services
pénitentiaires et le statut du personnel
pénitentiaire
Art. 80
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 83 tendant à supprimer l’article 80
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 83 est adopté à l’unanimité.
Art. 81
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 84 tendant à supprimer l’article 81
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 84 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 16/1 (NOUVEAU)
Modification de la loi du 5 mai 2019 modifiant le
Code d’instruction criminelle et le Code judiciaire
en ce qui concerne la publication des jugements
et des arrêts
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amende-
ment n° 36 tendant à insérer un chapitre 16/1. L’auteure
principale renvoie à la justification de son amendement
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 36 est adopté à l’unanimité.
Art. 81/1
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 37 tendant à insérer un article 81/1
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 37 est adopté à l’unanimité.
2774/004
DOC 55
38
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 17
Wijzigingen ingevolge het nieuwe artikel 4.59 van
het Burgerlijk Wetboek
Art. 82
Dit artikel betreft artikel 41sexies van de besluitwet
van 27 juni 1969.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 14
(DOC 55 2774/002) in. De hoofdindienster geeft lezing van
de schriftelijke verantwoording van haar amendement.
Amendement nr. 14 en het aldus geamendeerde arti-
kel 82 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
Art. 83
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 23quater van
het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 15
(DOC 55 2774/002) in. De hoofdindienster overloopt
de schriftelijke verantwoording van haar amendement.
Amendement nr. 15 en het aldus geamendeerde arti-
kel 83 worden achtereenvolgens eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 18
Bekrachtiging van een koninklijk besluit inzake
kansspelen
Art. 84
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85
(DOC 55 2774/003) in, tot weglating van artikel 84.
Amendement nr. 85 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 19
Tijdelijke maatregel tot vermindering van de
overbevolking in de gevangenissen
Art. 85
Dit artikel strekt ertoe de vervroegde invrijheidstel-
ling, een maatregel die werd gebruikt om COVID-19 en
de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan,
tijdelijk te behouden.
CHAPITRE 17
Modifications en conséquence du nouvel
article 4.59 du Code civil
Art. 82
Cet article concerne l’article 41sexies de la loi
du 27 juin 1969.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen-
dement n° 14 (DOC 55 2774/002). L’auteure principale
donne lecture de la justification de son amendement.
L’amendement n° 14 et l’article 82, ainsi modifié, sont
successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 83
Cet article modifie l’article 23quater de l’arrêté
royal n° 38 du 27 juillet 1967.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen-
dement n° 15 (DOC 55 2774/002). L’auteure principale
passe en revue la justification de son amendement.
L’amendement n° 15 et l’article 83, ainsi modifié, sont
successivement adoptés à l’unanimité.
CHAPITRE 18
Confirmation d’un arrêté royal en matière de jeux
de hasard
Art. 84
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent
l’amendement n° 85 tendant à supprimer l’article 84
(DOC 55 2774/003).
L’amendement n° 85 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 19
Mesure temporaire afin de réduire la
surpopulation dans les prisons
Art. 85
Cet article vise à conserver temporairement la mesure
de libération anticipée qui avait été utilisée dans le but
de lutter contre la crise du COVID-19 en vue de lutter
contre la surpopulation carcérale.
39
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Christoph D’Haese (N-VA) stelt vast dat
deze maatregel van vervroegde invrijheidstelling, die
werd ingezet ter bestrijding van de coronacrisis, tijdelijk
wordt behouden als instrument in de strijd tegen de
overbevolking en dit tot 31 augustus 2023, en kan wor-
den verlengd tot 31 december 2024, door de Koning bij
een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
De strafkorting zal dus ook van toepassing zijn op
veroordeelden aan wie het elektronisch toezicht als
strafuitvoeringsmaatregel werd toegekend, wat een
uitbreiding is ten aanzien van de tijdens coronacrisis
genomen maatregel. Er wordt gesteld te willen voorko-
men dat veroordeelden een afweging maken tussen het
aanvragen van het elektronisch toezicht (met de daaraan
verbonden nadelen of risico’s) en het gewoon wachten
tot 6 maanden voor het strafeinde om dan quasi auto-
matisch te worden vrijgesteld, en zouden kiezen voor
die laatste optie, die uiteraard contraproductief zou zijn
voor de problematiek inzake overbevolking.
Het gaat hier dus om een automatisme: “directeur
kent toe” in plaats van “directeur kan”. De directeur moet
weliswaar de haalbaarheid van de maatregel beoordelen
en twee criteria toetsen, maar het blijkt duidelijk dat een
weigering de uitzondering zal moeten zijn.
Doordat de beoordeling volledig bij de gevangenisdi-
recteur wordt gelegd, wordt de rechterlijke macht eigen-
lijk buiten spel gezet. Er wordt immers geen uitvoering
gegeven aan het oordeel van de strafrechter die een
bepaalde straf heeft uitgesproken: de gevangenisstraf
of het elektronisch toezicht wordt automatisch ingekort.
Daarbij wordt ook de rechterlijke controle door de straf-
uitvoeringsrechtbank op de proeftijd vervangen door een
“controle” door de gevangenisdirecteur. De gevangenis-
directeur kan de vervroegde invrijheidstelling herroepen,
terwijl herroeping van een strafuitvoeringsmaatregel altijd
gebeurt door de strafuitvoeringsrechtbank, volgens een
bepaalde procedure met eerbiediging van het vermoe-
den van onschuld en de rechten van verdediging. De
gevangenisdirecteur hoeft de betrokkene zelfs niet te
horen, want dit zou anders te veel gedoe zijn voor een
automatische strafkorting.
Bovendien kunnen bij de vrijlating geen bijzondere
geïndividualiseerde voorwaarden worden opgelegd en
is er geen enkel toezicht of controle. Veroordeelden
worden aldus nog meer aangemoedigd om tot strafeinde
te gaan, waardoor hun re-integratie in het gedrang
M. Christoph D’Haese (N-VA) constate que cette
mesure de libération anticipée qui avait été mise en
œuvre pour lutter contre la crise du coronavirus sera
maintenue temporairement pour servir d’outil dans la
lutte contre la surpopulation, et ce jusqu’au 31 août 2023.
Le Roi pourra prolonger la durée d’application de cette
mesure jusqu’au 31 décembre 2024 par arrêté délibéré
en Conseil des ministres.
Cette remise de peine sera donc aussi applicable
aux condamnés bénéficiant de la surveillance électro-
nique comme modalité d’exécution de la peine, ce qui
constitue une extension du champ d’application de la
mesure prise durant la crise du coronavirus. L’exposé
des motifs indique que l’objectif est d’éviter que les
condamnés mettent en balance la demande de bénéfice
de la surveillance électronique (avec les désavantages
et risques y afférents) et l’option d’attendre simplement
jusqu’aux six mois précédant la fin de leur peine pour
alors être libérés presqu’automatiquement, et qu’ils
choisissent cette dernière option, qui serait évidemment
contreproductive dans le cadre de la résolution du pro-
blème de surpopulation.
Il s’agira donc en l’occurrence d’une mesure auto-
matique: le dispositif indique que “le directeur octroie”
et pas que “le directeur peut octroyer”. S’il est vrai que
le directeur devra évaluer la faisabilité de l’application
de la mesure et s’assurer du respect de deux critères,
il apparaît clairement que les refus devront constituer
l’exception.
Dès lors que cette évaluation incombera totalement
au directeur de prison, le pouvoir judiciaire sera pour
ainsi dire mis hors-jeu. En effet, il ne sera donné aucune
exécution au jugement du juge pénal qui a prononcé
une peine donnée: la durée de la peine de prison ou
de la surveillance électronique sera automatiquement
raccourcie. Dans ce cadre, le contrôle judiciaire exercé
par le tribunal de l’application des peines durant le délai
d’épreuve sera aussi remplacé par un “contrôle” exercé
par le directeur de prison. Celui-ci pourra révoquer la
libération anticipée, alors que toute révocation d’une
modalité d’exécution de la peine est toujours décidée
par le tribunal de l’application des peines selon une
procédure donnée qui respecte la présomption d’inno-
cence et les droits de la défense. Le directeur de prison
ne devra même pas entendre la personne concernée
car, autrement, cela rendrait trop complexe le système
de remise de peine automatique.
Par ailleurs, aucune condition individualisée particulière
ne pourra être imposée dans le cadre de la libération,
et aucun contrôle ou surveillance ne sera prévu. Cela
encouragera donc encore davantage les condamnés à
purger totalement leur peine, ce qui compromettra leur
2774/004
DOC 55
40
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
komt. De vicieuze cirkel van strafinflatie zal dan ook niet
worden doorbroken maar integendeel nog extra worden
versterkt, klaagt het College van procureurs-generaal
aan. Op lange termijn zal deze kortetermijnmaatregel
dus het omgekeerde teweegbrengen.
Het lid wenst te vernemen of deze maatregel ook
zal gelden voor veroordeelden tot een straf van minder
dan 1 jaar. Want als daar 6 maanden van wordt afgetrok-
ken, blijft er nog 6 maanden over en de intentie is om
straffen tot 6 maanden nooit uit te voeren.
Hoeveel plaatsen hoopt men op deze manier vrij te
maken? Wat levert het op?
Er wordt bepaald dat het slachtoffer wordt ingelicht over
de vervroegde invrijheidstelling. De gemeenschappen
geven evenwel aan dat het onduidelijk is wie verant-
woordelijk is voor de verwittiging van de slachtoffers.
Hoe is dat tot op heden gebeurd en hoe zal het verder
verlopen?
Mevrouw Marijke Dillen (VB) betreurt dat bij het uit-
voeren van deze maatregel de strafuitvoeringsrechtbank
– die nochtans bevoegd is – wordt uitgesloten en dat
de gevangenisdirecteur een verregaande bevoegdheid
en een aanzienlijke macht krijgt. Het wordt een automa-
tisme, wat een miskenning van de bevoegdheden van
de strafuitvoeringsrechtbank inhoudt.
De algemene voorwaarden waarbij niet-naleving kan
leiden tot herroeping, zijn de “klassieke” voorwaarden,
met name het niet-plegen van strafbare feiten en het niet-
verontrusten van slachtoffers. In geval van herroeping
telt de proeftermijn mee als straf. Ernstige aanwijzingen
volstaan als schending van de voorwaarden. De spreek-
ster wenst over dit aspect meer duidelijkheid.
De recentste omzendbrief inzake strafuitvoering leert
het volgende:
— gevangenisstraffen tot en met 6 maanden: deze
straffen worden niet uitgevoerd;
— gevangenisstraffen van 6 maanden tot 7 maanden:
invrijheidstelling na 1 maand;
— gevangenisstraffen van 7 maanden tot 1 jaar:
invrijheidstelling na 2 maanden;
— gevangenisstraffen van 1 jaar tot 2 jaar: vrij
na 4 maanden;
réintégration. Le Collège des procureurs généraux fus-
tige le fait que le projet de loi à l’examen ne brisera dès
lors pas le cercle vicieux de l’inflation pénale mais, au
contraire, le renforcera encore davantage. À long terme,
cette mesure court-termiste produira l’effet inverse de
celui escompté.
Le membre demande si cette mesure s’appliquera
également aux personnes condamnées à une peine
inférieure à un an. Parce que si on en retranche 6 mois,
il n’en reste que 6 et l’objectif est de ne jamais exécuter
les peines allant jusqu’à 6 mois.
Combien de places le ministre espère-t-il libérer de
cette manière? Quel sera l’impact de la mesure?
Il est prévu que la victime soit informée de la libération
anticipée. Les Communautés indiquent toutefois qu’elles
ne distinguent pas clairement qui se chargera de prévenir
les victimes. Quelle était la procédure jusqu’à présent
et quelle sera-t-elle à l’avenir?
Mme Marijke Dillen (VB) regrette que le tribunal de
l’application des peines – qui est pourtant compétent
– soit exclu de la mise en œuvre de cette mesure, et
que le directeur de la prison se voie attribuer des com-
pétences très étendues et un pouvoir considérable.
Le caractère désormais automatique de la libération
équivaut à une méconnaissance des compétences du
tribunal de l’application des peines.
Les conditions générales en vertu desquelles le non-
respect peut entraîner une révocation sont les conditions
“classiques”, à savoir ne pas commettre d’infractions et
ne pas importuner les victimes. En cas de révocation, le
délai d’épreuve est pris en compte comme peine subie.
Des indications sérieuses suffisent pour constituer une
violation des conditions. L’intervenante souhaite obtenir
plus de clarté sur cet aspect.
La circulaire la plus récente en matière d’application
des peines prévoit ce qui suit:
— peines d’emprisonnement jusqu’à 6 mois: ces
peines ne sont pas exécutées;
— peines d’emprisonnement de 6 à 7 mois: libération
après 1 mois;
— peines d’emprisonnement de 7 mois à 1 an: libé-
ration après 2 mois;
— peines d’emprisonnement de 1 an à 2 ans: libé-
ration après 4 mois;
41
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
— gevangenisstraffen van 2 jaar tot 3 jaar: vrij
na 8 maanden.
Betekent dit ipso facto dat diegenen die tot 18 maan-
den effectieve celstraf zijn veroordeeld, in de meeste
gevallen geen enkele straf zullen moeten uitzitten?
Kan de minister bevestigen dat 8 maanden gevange-
nisstraf 4 maanden worden en dat die 4 maanden niet
meer worden uitgezeten?
Het lid stelt vast dat ook dit artikel kadert in de aan-
pak van de overbevolking en wenst te vernemen wat de
verwachte impact ervan zal zijn.
De minister geeft aan dat de voorwaarden niet werden
gewijzigd ten opzichte van die welke tijdens de corona-
crisis gangbaar waren. Bepaalde oppositiepartijen die
vandaag zeer kritisch zijn, hebben de maatregel destijds
gesteund, hoewel die toen al beoogde de overbevolking
aan te pakken. Toen had niemand bezwaar, hoewel het
zeker geen evidente maatregel is.
De directeur dient na te gaan of de betrokkene wel
degelijk voldoet aan de termijnvoorwaarden om voor de
maatregel in aanmerking te komen. Wie tot een gevan-
genisstraf van minder dan een jaar is veroordeeld, kan
er geen aanspraak op maken.
De minister rekent er voorts op dat er dankzij die tijde-
lijke maatregel 150 tot 200 plaatsen zouden vrijkomen.
Die maatregel geldt tot 31 augustus 2023 en kan via een
koninklijk besluit worden verlengd tot 31 december 2024.
De gevangenissen dienen de slachtoffers via de dienst
slachtofferonthaal over die vervroegde invrijheidstelling
te informeren.
Ingeval nieuwe feiten worden gepleegd, kan de procu-
reur beslissen de veroordeelde terug naar de gevange-
nis te sturen; in dat geval kan de directeur beslissen de
maatregel in te trekken. Er vindt dus wel degelijk een
gerechtelijke controle plaats.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) geeft aan dat hij
de maatregel, toen die in april 2020 voor de eerste keer
werd voorgesteld, inderdaad heeft ondersteund. Dat
was wel ten tijde van de opkomst van de coronacrisis,
toen een hele reeks uitzonderlijke maatregelen werd
genomen. In december 2020 heeft hij zich echter tegen
de maatregel gekant, aangezien hij er inmiddels van
overtuigd was dat er andere oplossingen waren. Het is
een enigszins gratuit de zaken uit hun context te lichten.
De heer Khalil Aouasti (PS) wijst erop dat achteraf
werd vastgesteld dat in minder dan 0,5 % van de gevallen
— peines d’emprisonnement de 2 à 3 ans: libération
après 8 mois.
Cela signifie-t-il ipso facto que les personnes condam-
nées à une peine d’emprisonnement effective de 18 mois
ne devront, dans la plupart des cas, purger aucune peine?
Le ministre peut-il confirmer que 8 mois d’emprisonne-
ment deviennent 4 mois et que ces 4 mois ne seront
pas effectués?
La membre constate que l’article à l’examen s’ins-
crit également dans la lutte contre la surpopulation et
s’enquiert de son incidence escomptée.
Le ministre indique que les conditions ne sont pas
modifiées par rapport à celles mises en place durant
la crise du COVID-19. Certains partis d’opposition qui
se montrent très critiques aujourd’hui avaient soutenu
la mesure à l’époque. Il s’agissait pourtant déjà de
s’attaquer à la problématique de la surpopulation. À
l’époque, personne ne s’en est plaint. Ce n’est certes
pas une mesure évidente.
Le directeur doit vérifier si la personne se trouve
bien dans les conditions de temps pour bénéficier de
la mesure. Une personne condamnée à une peine
d’emprisonnement de moins d’un an ne peut bénéficier
de la mesure.
Par ailleurs, le ministre table sur envi-
ron 150 à 200 places qui se libéreraient grâce à la mesure
temporaire. Celle-ci est prévue jusqu’au 31 août 2023 et
peut être prolongée par arrêté royal jusqu’au 31 dé-
cembre 2024. C’est le rôle de la prison de prévenir les
victimes de cette libération anticipée , à travers le service
d’accueil aux victimes.
Au cas où de nouveaux faits sont commis, le procu-
reur peut décider de renvoyer le condamné en prison,
et, dans ces cas-là, le directeur pourra décider du retrait
de la mesure. Il y a donc bien un contrôle judiciaire.
M. Christoph D’Haese (N-VA) souligne qu’il avait certes
soutenu la mesure la toute première fois en avril 2020,
mais il s’agissait alors du début de la crise du COVID-19
où toute une série de mesures exceptionnelles avaient
été prises. En décembre 2020, il s’était opposé à la
mesure car il était entre-temps convaincu qu’il existait
d’autres possibilités. C’est un peu facile de sortir les
choses de leur contexte.
M. Khalil Aouasti (PS) rappelle qu’avec le recul, on a
constaté que les problèmes de sécurité ou d’ordre public
2774/004
DOC 55
42
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van vervroegde invrijheidstelling grote problemen zijn
gerezen inzake de veiligheid of de openbare orde die
verband houden met die vervroegde invrijheidstelling.
Artikel 85 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 86
Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver-
vroegde invrijheidstelling.
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85.
Artikel 86 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 87
Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver-
vroegde invrijheidstelling.
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85.
Artikel 87 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 88
Dit artikel betreft de nadere regels inzake de ver-
vroegde invrijheidstelling.
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 85.
Artikel 88 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
HOOFDSTUK 20
Wijziging aan de basiswet van 12 januari 2005
betreffende het gevangeniswezen en de
rechtspositie van de gedetineerden
Art. 89
Dit artikel strekt ertoe te bepalen dat de ambtenaren
van het gevangeniswezen mogen beslissen dat een
veroordeelde zich op eigen initiatief naar de aangewezen
gevangenis moet begeven om de beslissing tot plaatsing
of overplaatsing uit te voeren.
Mevrouw Marijke Dillen (VB) stelt vast dat een door
de directeur-generaal aangewezen ambtenaar aldus kan
beslissen dat de veroordeelde zich zelfstandig verplaatst
naar de plaats waar hij zijn straf zal ondergaan, zonder
majeurs liés à cette libération anticipée sont inférieurs
à 0,5 % des personnes libérées.
L’article 85 est adopté par 11 voix contre 4.
Art. 86
Cet article concerne les modalités de la mesure de
libération anticipée.
Il est renvoyé à la discussion de l’article 85.
L’article 86 est adopté par 11 voix contre 4.
Art. 87
Cet article concerne les modalités de la mesure de
libération anticipée.
Il est renvoyé à la discussion de l’article 85.
L’article 87 est adopté par 11 voix contre 4.
Art. 88
Cet article concerne les modalités de la mesure de
libération anticipée.
Il est renvoyé à la discussion de l’article 85.
L’article 88 est adopté par 11 voix contre 4.
CHAPITRE 20
Modification de la loi de principes du
12 janvier 2005 concernant l’administration
pénitentiaire ainsi que le statut juridique des
détenus
Art. 89
Cet article vise à prévoir que les fonctionnaires de
l’administration pénitentiaire peuvent décider que le
condamné se rendra de sa propre initiative à la prison
désignée pour exécuter la décision de placement ou
de transfèrement.
Mme Marijke Dillen (VB) constate qu’un fonctionnaire
désigné par le directeur général peut donc décider que
la personne condamnée se rendra, de manière indé-
pendante, au lieu où elle purgera sa peine et ce, sans
43
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dat in enige vorm van bewaking of begeleiding dient te
worden voorzien. Deze bepaling zal “vooral” worden
toegepast ingeval van beslissing tot plaatsing in een
detentiehuis.
De spreekster had graag meer duiding bekomen over
het woord “vooral”. Zal dit (theoretisch) kunnen worden
toegepast als een ambtenaar van oordeel is dat een
veroordeelde crimineel omwille van bijvoorbeeld proble-
matisch gedrag van gevangenis dient te veranderen?
Zo niet, kan de minister een aantal voorbeelden geven
waarin dit wel mogelijk is? Het woord “vooral” impliceert
immers dat dit kan worden toegepast op allerhande
situaties. Wie draagt in voorkomend geval het veilig-
heidsrisico? En wie zal de verantwoordelijkheid dragen
als er iets fout loopt?
Gevangenisstraffen onder 3 jaar zullen ooit eens
worden uitgevoerd. Vandaag is het blijkbaar de bedoe-
ling om diegenen die nu genieten (in het kader van
de uitvoering van de gevangenisstraffen onder 3 jaar)
van het elektronisch toezicht zo snel mogelijk onder
te brengen in een detentiehuis. Vindt de minister het
voorts aangewezen dat deze inmiddels veroordeelden
zich zelfstandig kunnen verplaatsen naar die detentie-
huizen, zonder een beroep te doen op de politie voor
de beveiliging van deze overbrenging? En wat als ze
zich niet aanmelden?
De minister antwoordt dat het de bedoeling is de maat-
regel voor de detentiehuizen toe te passen. Uitzonderlijk
zou hij ook in andere situaties kunnen worden toegepast,
meer bepaald in instellingen die de filosofie van de
detentiehuizen volgen, zoals de penitentiaire instelling
van Ruiselede.
De detentiehuizen zijn immers anders beveiligd dan
de gevangenissen. In een detentiehuis verblijven is geen
recht; wanneer de betrokkene beslist er niet terug te
keren, wordt hij bijgevolg naar de gevangenis gestuurd.
Artikel 89 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
HOOFDSTUK 20/1 (NIEUW)
Wijziging aan de wet van 4 oktober 1867 op de
verzachtende omstandigheden
Art. 89/1 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende-
ment nr. 19 (DOC 55 2774/002) in, dat ertoe strekt een
avoir besoin d’une quelconque forme de surveillance
ou d’accompagnement. Cette disposition sera “princi-
palement” appliquée en cas de décision de placement
dans une maison de détention.
L’intervenante souhaite obtenir plus de précisions
concernant le mot “principalement”. Sera-t-il (théori-
quement) possible d’appliquer cette procédure si un
fonctionnaire estime qu’un criminel condamné devrait
changer de prison en raison de son comportement pro-
blématique, par exemple? Dans la négative, le ministre
peut-il donner quelques exemples de cas dans lesquels
la disposition est potentiellement applicable? De par
l’utilisation du terme “principalement”, diverses situations
sont en effet envisageables. Qui assumera le risque de
sécurité, le cas échéant? Et qui portera la responsabilité
si les choses tournent mal?
Les peines d’emprisonnement de moins de trois
ans seront un jour exécutées. Aujourd’hui, l’intention
est apparemment que les personnes qui bénéficient
actuellement (dans le cadre de l’application des peines
d’emprisonnement de moins de 3 ans) d’une surveillance
électronique soient transférées dès que possible dans
une maison de détention. Le ministre considère-t-il
de surcroît approprié que ces personnes entre-temps
condamnées puissent se déplacer de manière autonome
vers ces maisons de détention, sans faire appel à la
police pour sécuriser ce transfert? Quid si elles ne se
présentent pas?
Le ministre répond que le but est d’appliquer la mesure
pour les maisons de détention. Exceptionnellement,
elle pourrait être appliquée dans d’autres situations,
notamment des établissements qui fonctionnent avec
la philosophie des maisons de détention, par exemple
l’établissement pénitentiaire de Ruiselede.
Les maisons de détention sont en effet sécurisées
différemment des prisons. Il n’existe pas de droit à être
en maison de détention, donc si la personne décide de
ne pas y retourner, elle sera envoyée en prison.
L’article 89 est adopté par 11 voix contre 4.
CHAPITRE 20/1 (NOUVEAU)
Modification de la loi du 4 octobre 1867 sur les
circonstances atténuantes
Art. 89/1 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 19 (DOC 55 2774/002) qui vise à insérer
2774/004
DOC 55
44
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
nieuw artikel 89/1 in te voegen, tot wijziging van arti-
kel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende
omstandigheden.
Amendement nr. 19 wordt aangenomen met 14 stem-
men en 1 onthouding.
HOOFDSTUK 20/1 (NIEUW)
Wijziging van de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming, het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit
hebben gepleegd en het herstel van de door dit
feit veroorzaakte schade
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende-
ment nr. 32 (DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van
een hoofdstuk 20/1 betreffende een wijziging van de wet
van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het
ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf
omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de
door dit feit veroorzaakte schade. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 32 wordt eenparig aangenomen.
Art. 89/2 (nieuw)
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 33
(DOC 55 2774/003) in, tot invoeging van een arti-
kel 89/2, teneinde artikel 33, derde lid, 5°, van de wet
van 8 april 1965 te wijzigen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 33 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 21
Overgangsbepalingen
Art. 90 en 91
Deze artikelen hebben betrekking op de
overgangsbepalingen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient de amendemen-
ten nrs. 86 en 87 (DOC 55 2774/003) in, die er respec-
tievelijk toe strekken deze artikelen weg te laten.
De amendementen nrs. 86 en 87 worden achtereen-
volgens eenparig aangenomen.
article 89/1 en vue de modifier l’article 2 de la loi du 4 oc-
tobre 1867 sur les circonstances atténuantes.
L’amendement n° 19 est adopté par 14 voix et une
abstention.
CHAPITRE 20/1 (NOUVEAU)
Modification de la loi du 8 avril 1965 relative à la
protection de la jeunesse, à la prise en charge des
mineurs ayant commis un fait qualifié d’infraction
et à la réparation du dommage causé par ce fait
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 32 (DOC 55 2774/003) qui vise à insérer
un chapitre 20/1 concernant une modification de la loi
du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse,
à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait
qualifié d’infraction et à la réparation du dommage causé
par ce fait. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 32 est adopté à l’unanimité.
Art. 89/2 (nouveau)
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen-
dement n° 33 (DOC 55 2774/003) qui vise à insérer un
article 89/2 en vue de modifier l’article 33, alinéa 3, 5°,
de la loi du 8 avril 1965. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 33 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 21
Dispositions transitoires
Art. 90 et 91
Ces articles concernent des dispositions transitoires.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent les amen-
dements nos 86 et 87 (DOC 55 2774/003) qui visent
respectivement à abroger ces articles.
Les amendements nos 86 et 87 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
45
2774/004
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 22
Inwerkingtreding
Art. 92
Dit artikel betreft de inwerkingtreding.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 92 wordt eenparig aangenomen.
Art. 93
Dit artikel betreft de inwerkingtreding.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 93 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen.
Op verzoek van de heren Christoph D’Haese (N-VA)
en Nabil Boukili (PVDA-PTB) zal de commissie met
toepassing van artikel 83.1 van het Reglement tot een
tweede lezing overgaan. De commissie wenst daartoe
over een nota van de Juridische Dienst te beschikken.
De rapporteur,
De voorzitster,
Christoph D’HAESE
Kristien VAN VAERENBERGH
CHAPITRE 22
Entrée en vigueur
Art. 92
Cet article concerne une disposition d’entrée en
vigueur.
Il ne fait l’objet d’aucune observation.
L’article 92 est adopté à l’unanimité.
Art. 93
Cet article concerne une disposition d’entrée en
vigueur.
Il ne fait l’objet d’aucune observation.
L’article 93 est adopté par 11 voix contre 4.
À la demande de MM. Christoph D’Haese (N-VA) et
Nabil Boukili (PVDA-PTB), la commission procédera,
en application de l’article 83.1 du Règlement, à une
deuxième lecture. À cette fin, la commission souhaite
disposer d’une note du Service juridique.
Le rapporteur,
La présidente,
Christoph D’HAESE
Kristien VAN VAERENBERGH
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij