Inhoud
2141/006
DOC 55
2141/006
DOC 55
06065
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
23 december 2021
23 décembre 2021
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
NAMENS DE COMMISSIE
VOOR JUSTITIE
UITGEBRACHT DOOR
MEVROUW Claire HUGON EN
DE HEER Christoph D’HAESE
FAIT AU NOM DE LA COMMISSION
DE LA JUSTICE
PAR
MME Claire HUGON ET
M. Christoph D’HAESE
VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING
RAPPORT DE LA PREMIÈRE LECTURE
houdende wijzigingen aan het Strafwetboek
met betrekking tot het seksueel strafrecht
modifiant le Code pénal
en ce qui concerne le droit pénal sexuel
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek
wat de seksuele meerderjarigheid betreft
Proposition de loi modifiant le Code pénal
en ce qui concerne la majorité sexuelle
Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek
wat de aanranding van de eerbaarheid en
de verkrachting betreft
Proposition de loi modifiant le Code pénal
en ce qui concerne l’attentat à la pudeur et
le viol
Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek
wat de seksuele meerderjarigheid betreft
Proposition de loi complétant le Code pénal
en ce qui concerne la majorité sexuelle
Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek,
betreffende de definitievan het begrip
“toestemming” bij seksuele misdrijven
Proposition de loi modifiant le Code pénal,
relative à la définitionde la notion de
“consentement” pour les infractions sexuelles
Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek,
houdende strafbaarstelling van bepaalde vormen
van seksuele agressie op afstand
Proposition de loi modifiant le Code pénal,
visant à incriminer pénalement certaines
agressions sexuelles commises à distance
Wetsvoorstel teneinde incest als dusdanig als
strafbaar feit in het Strafwetboek op te nemen
Proposition de loi visant à incriminer l’inceste en
tant que tel dans le Code pénal
Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek
wat betreft de omschrijving van voyeurisme
Proposition de loi modifiant le Code pénal
en ce qui concerne la définition du voyeurisme
2141/006
DOC 55
2
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
CD&V
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
cdH
:
centre démocrate Humaniste
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant – Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de numering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal
verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de
toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénaire
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/
Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag
Président/Voorzitter: Kristien Van Vaerenbergh
A. — Titulaires / Vaste leden:
B. — Suppléants / Plaatsvervangers:
N-VA
Christoph D'Haese, Sophie De Wit, Kristien Van
Vaerenbergh
Yngvild Ingels, Sander Loones, Wim Van der Donckt, Valerie Van Peel
Ecolo-Groen
Claire Hugon, Olivier Vajda, Stefaan Van Hecke
N ., Julie Chanson, Marie-Colline Leroy
PS
Khalil Aouasti, Laurence Zanchetta, Özlem Özen
N ., Mélissa Hanus, Ahmed Laaouej, Patrick Prévot
VB
Katleen Bury, Marijke Dillen
Tom Van Grieken, Dries Van Langenhove, Reccino Van Lommel
MR
Philippe Goffin, Philippe Pivin
Nathalie Gilson, Marie-Christine Marghem, Caroline Taquin
CD&V
Koen Geens
Els Van Hoof, Servais Verherstraeten
PVDA-PTB
Nabil Boukili
Greet Daems, Marco Van Hees
Open Vld
Katja Gabriëls
Patrick Dewael, Goedele Liekens
Vooruit
Ben Segers
Karin Jiroflée, Kris Verduyckt
C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde leden:
cdH
Vanessa Matz
DéFI
Sophie Rohonyi
3
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voir:
Doc 55 2141/ (2020/2021):
001:
Projet de loi.
002 à 005: Amendements.
Doc 55 0461/ (S.E. 2019):
001:
Proposition de loi de Mmes Liekens et Gabriëls et
M. Lachaert.
Doc 55 0578/ (2019/2020):
001:
Proposition de loi de Mmes Liekens et Gabriëls et
M. Lachaert.
Doc 55 0634/ (2019/2020):
001:
Proposition de loi de Mme Jiroflée.
Doc 55 1530/ (2019/2020):
001:
Proposition de loi de Mme Matz et consorts.
Doc 55 1670/ (2020/2021):
001:
Proposition de loi de Mme Vanessa Matz.
Doc 55 1778/ (2020/2021):
001:
Proposition de loi de Mme Matz, M. Maxime Prévot et
Mme Rohonyi.
Doc 55 1854/ (2020/2021):
001:
Proposition de loi de M. Van Hecke et Mme Hugon et consorts.
Zie:
Doc 55 2141/ (2020/2021):
001:
Wetsontwerp.
002 tot 005: Amendementen.
Doc 55 0461/ (B.Z. 2019):
001:
Wetsvoorstel van de dames Liekens en Gabriëls en
de heer Lachaert.
Doc 55 0578/ (2019/2020):
001:
Wetsvoorstel van de dames Liekens en Gabriëls en
de heer Lachaert.
Doc 55 0634/ (2019/2020):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Jiroflée.
Doc 55 1530/ (2019/2020):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Matz c.s.
Doc 55 1670/ (2020/2021):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Matz.
Doc 55 1778/ (2020/2021):
001:
Wetsvoorstel van mevrouw Matz, de heer Maxime Prévot en
mevrouw Rohonyi.
Doc 55 1854/ (2020/2021):
001:
Wetsvoorstel van de heer Van Hecke en mevrouw Hugon c.s.
INHOUD
SOMMAIRE
Blz.
Pages
I. Procédure........................................................................4
II. Exposés introductifs........................................................4
III. Discussion générale......................................................15
IV. Discussion des articles et votes...................................52
V. Corrections à l’exposé des motifs...............................125
Annexe: Auditions.............................................................129
I. Procedure........................................................................4
II. Inleidende uiteenzettingen..............................................4
III. Algemene bespreking...................................................15
IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................52
V. Correcties in de memorie van toelichting...................125
Bijlage: Hoorzittingen........................................................129
2141/006
DOC 55
4
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Dames en Heren,
Uw commissie heeft dit wetsontwerp en de eraan
toegevoegde wetsvoorstellen besproken tijdens haar
vergaderingen van 21 en 28 september, 19, 26 en 27 ok
tober, 11 en 23 november en 14 en 15 december 2021.
I. — PROCEDURE
Tijdens haar vergadering van 21 september 2021
heeft de commissie met toepassing van artikel 28.1.
van het Kamerreglement beslist om hoorzittingen te
organiseren en schriftelijke adviezen in te winnen over
dit wetsontwerp. Het verslag van deze hoorzittingen
gaat als bijlage bij dit verslag en de schriftelijke adviezen
werden ter beschikking gesteld van de leden.
II. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN
A. Wetsontwerp houdende wijzigingen aan het
Strafwetboek met betrekking tot het seksueel
strafrecht, DOC 55 2141/001
De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister
en minister van Justitie en Noordzee, geeft aan dat
het wetsontwerp een hoeksteen in de strijd tegen het
seksueel geweld vormt. Slechts 10 % van alle klachten
leidt immers tot een veroordeling. Dat is heel weinig.
Een van de redenen is dat de betrokkenen in het veld te
maken krijgen met verouderde wetgeving die duidelijk
heid ontbeert en de bewijslast onnodig complex maakt.
Bovendien zijn de sancties onaangepast en stroken ze
niet met de realiteit van vandaag.
Het seksueel strafrecht wordt daarom op een gron
dige wijze hervormd; geen fragmentarische hervorming
of oplapwerk, zoals in het verleden reeds herhaaldelijk
het geval is geweest. Het Strafwetboek dateert immers
al van het jaar 1867. De strafbepalingen werden toen
opgesteld in een volledig andere tijdsgeest. Het gezin
of de eer stond destijds centraal. De minister verwijst
bijvoorbeeld naar het oubollig begrip “aanranding van
de eerbaarheid”.
In een poging om mee te evolueren met de maatschap
pelijke ontwikkelingen heeft het Strafwetboek vervolgens
talloze wijzigingen ondergaan. Het probleem is evenwel
dat deze wijzigingen inconsistent zijn doorgevoerd, niet
alleen wat het seksueel strafrecht betreft. Her en der
werden doorheen de tijd strafbepalingen gewijzigd of
Mesdames, Messieurs,
Votre commission a examiné ce projet de loi, ainsi
que les propositions de loi qui y sont jointes, au cours
de ses réunions des 21 et 28 septembre, 19, 26 et
27 octobre, 11 et 23 novembre et 14 et 15 décembre 2021.
I. — PROCÉDURE
En application de l’article 28.1 du Règlement de la
Chambre, la commission a, au cours de sa réunion du
21 septembre 2021, décidé d’organiser des auditions et
de recueillir des avis écrits sur le projet de loi à l’exa
men. Le rapport de ces auditions est annexé au présent
rapport et les avis écrits ont été mis à la disposition des
membres.
II. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS
A. Projet de loi modifiant le Code pénal en ce qui
concerne le droit pénal sexuel, DOC 55 2141/001
M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre
et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, explique
que le projet de loi constitue un élément clé dans la
lutte contre la violence sexuelle. En effet, seuls 10 % du
nombre total de plaintes aboutissent à une condamnation.
Il s’agit d’un chiffre très faible. L’une des causes vient
du fait que les personnes sur le terrain sont confrontées
à une législation dépassée. Une législation qui manque
de clarté et qui complique inutilement la charge de la
preuve. Sans parler de la confrontation avec des sanc
tions inappropriées qui sont en décalage avec la réalité
d’aujourd’hui.
C’est pourquoi le droit pénal sexuel fait l’objet d’une
réforme en profondeur, et non d’une réforme fragmentaire
ni d’un replâtrage, comme cela a souvent été le cas par
le passé. Rappelons-nous que le Code pénal date de
1867. Les dispositions pénales ont été rédigées dans un
tout autre esprit, lié à l’époque. La famille ou l’honneur
occupait alors une place centrale. Dans ce contexte, le
ministre évoque par exemple la notion désuète d’“attentat
à la pudeur”.
Dans un souci de rester en phase avec l’évolution de
la société, le Code pénal a ensuite subi de nombreuses
modifications. Mais le problème est que ces modifications
ont été apportées de façon incohérente, et pas seule
ment en ce qui concerne le droit pénal sexuel. Çà et là,
des dispositions pénales ont été modifiées ou ajoutées
5
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toegevoegd met als gevolg dat het Strafwetboek moeilijk
leesbaar is geworden. Het is aan integrale vernieuwing
toe, maar dat vergt tijd. Het werk van de voormalige
minister van Justitie, Koen Geens en diens experten
commissie wordt dan ook voortgezet. De strijd tegen
seksuele misdrijven vormt echter een absolute prioriteit
en daarom wordt aan het Parlement reeds een volledig
nieuw hoofdstuk seksuele misdrijven voorgesteld.
Dit wetsontwerp is gebaseerd op het door het des
kundigencomité opgestelde voorstel voor een nieuw
Strafwetboek. Drie beginselen vormen de leidraad ervan:
eenvoud, samenhang en nauwkeurigheid. Wat omvat
dat nieuwe seksuele strafrecht?
Opdat de wettekst helder zou zijn, worden eenvou
dige en moderne bewoordingen gebruikt. Een aantal
seksuele misdrijven krijgt een nieuwe naam. Verouderde
begrippen zoals aanranding van de eerbaarheid wor
den afgeschaft en vervangen door nieuwe misdrijven
met heldere omschrijvingen, zoals aantasting van de
seksuele integriteit en incest.
Bestaande definities worden uitgebreid, zoals bijvoor
beeld bij verkrachting en voyeurisme. Rechtszekerheid
wordt beoogd. Tegelijkertijd wordt ervoor gezorgd dat
de harmonie met bestaande begrippen in het huidig
Strafwetboek gewaarborgd blijft. Alle definities zijn ten
slotte genderneutraal gemaakt.
Verder wordt een bestraffing beoogd die coherent is
met andere misdrijven uit het Strafwetboek. Slachtoffers
van seksueel geweld worden geconfronteerd met zwaar
wichtige feiten die een blijvende impact op hun leven
hebben. De strafmaat voor verkrachting verdubbelt
van 5 jaar naar 10 jaar en alle seksuele misdrijven met
verzwarende omstandigheden zullen strenger worden
bestraft. De rechter zal over een breder straffenarsenaal
beschikken, waarbij er meer ruimte wordt gecreëerd voor
alternatieve vormen van bestraffing, zoals bijvoorbeeld
de mogelijkheid tot het opleggen van een autonome
probatiestraf. Ook zal de rechter een verblijfs-, plaats-
of contactverbod kunnen opleggen als autonome straf.
Het wetsontwerp wordt ook gekenmerkt door nauw
keurige bewoordingen. Toestemming zal een centraal
begrip vormen. Om van een misdrijf te kunnen spreken,
zal het volstaan dat er geen toestemming is. Het begrip
“toestemming” wordt duidelijker gedefinieerd.
Strafbepalingen die in de realiteit niet worden gehand
haafd, worden weggelaten. Het gedoogbeleid dat daaruit
voortvloeit, leidt immers steevast tot rechtsonzekerheid.
Zo wordt meerderjarig sekswerk gedecriminaliseerd.
Tegelijkertijd worden bijkomende waarborgen ingebouwd
au fil du temps, de sorte que le Code pénal est devenu
difficile à lire. Il a besoin d’une refonte complète, mais
cela prend du temps. Le travail de l’ancien ministre de
la Justice, Koen Geens, et de son comité d’experts, sera
dès lors poursuivi. En attendant, et vu que la lutte contre
les infractions sexuelles constitue une priorité absolue,
un tout nouveau chapitre sur les infractions sexuelles
est d’ores et déjà soumis au Parlement.
Ce projet de loi est basé sur la proposition de nouveau
code pénal rédigé par la commission d’experts. Trois
principes clés constituent le fil rouge du texte: simplicité,
cohérence et précision. Que contient ce nouveau droit
pénal sexuel?
Un langage simple et moderne est employé, afin que
le texte de loi soit clair. Un certain nombre d’infractions
sexuelles sont renommées. Des concepts dépassés
tels que l’attentat à la pudeur sont supprimés au profit
de nouvelles infractions aux définitions claires, comme
l’atteinte à l’intégrité sexuelle et l’inceste.
Les définitions existantes sont élargies, comme par
exemple pour le viol et le voyeurisme. Le but recherché
est d’assurer la sécurité juridique. Parallèlement, il est
veillé à maintenir l’harmonie avec les notions existantes
dans le Code pénal actuel. Enfin, toutes les définitions
ont été rendues neutres en termes de genre.
En outre, le texte vise à établir une répression cohé
rente avec celle qui est prévue pour d’autres infractions
du Code pénal. Les victimes de violences sexuelles sont
confrontées à des faits graves ayant un impact durable
sur leur vie. Le taux de la peine pour le viol est doublé
et passe de cinq ans à dix ans, et toutes les infraction
sexuelles avec circonstances aggravantes seront punies
plus sévèrement. Le juge disposera d’un arsenal pénal
plus large, qui accorde une place plus importante aux
peines alternatives, en prévoyant notamment la possibilité
d’imposer une peine de probation autonome. Le juge
pourra également imposer une interdiction de résidence,
de lieu ou de contact en tant que peine autonome.
Le texte est également rédigé avec précision. La
notion clé centrale sera le consentement. L’absence de
consentement suffira pour pouvoir parler d’infraction. Le
consentement reçoit une définition plus claire.
Les dispositions pénales qui ne sont pas appliquées
dans la réalité sont supprimées. La politique de tolérance
qui en découle entraîne en effet toujours une insécurité
juridique. Le travail du sexe dans le chef de majeurs
est ainsi décriminalisé. Parallèlement, des garanties
2141/006
DOC 55
6
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
om misbruik van prostitutie tegen te gaan en ook uitbuiting
van sekswerkers blijft uiteraard te allen tijde strafbaar.
De minister geeft een overzicht van de voornaamste
wijzigingen en kijkt met belangstelling uit naar de leven
dige debatten die in het Parlement zullen worden gevoerd.
Een belangrijke wijziging is de plaats waar het seksueel
strafrecht in het Strafwetboek wordt ingeschreven. De
seksuele misdrijven worden niet langer ondergebracht
in titel VII (7) “misdaden en wanbedrijven tegen de orde
der familie en tegen de openbare zedelijkheid”, maar in
titel VIII (8) “misdaden en wanbedrijven tegen personen”.
Het hoofdstuk rond seksuele misdrijven wordt onmid
dellijk na het hoofdstuk rond opzettelijk doden ingevoegd.
Deze plaats in het Wetboek benadrukt dat seksuele
misdrijven een zeer ernstige vorm van criminaliteit zijn.
In een eerste nieuw hoofdstuk komt de seksuele inte
griteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede
zeden aan bod. Het strafbaar stellen van inbreuken op
de gezinsvrede vormt immers niet langer het uitgangs
punt: iedereen heeft de vrije wil om in te stemmen met
seksuele handelingen, maar de toestemming moet er
altijd en daadwerkelijk zijn.
Daarom staat het begrip toestemming centraal en
wordt het, in tegenstelling tot het huidig Strafwetboek,
uitdrukkelijk gedefinieerd. Het is een uniforme definitie
die voor alle seksuele misdrijven geldt. Toestemming
mag nooit worden afgeleid uit een gebrek aan verweer
bij het slachtoffer.
Er wordt niet-limitatief opgelijst wanneer er geen
sprake van toestemming kan zijn. De toestemming kan
ook op elk moment worden ingetrokken. Van zodra een
gebrek aan toestemming is er sprake van een misdrijf.
Een andere wijziging betreft de seksuele meerder
jarigheid. De seksuele meerderjarigheidsgrens wordt
geharmoniseerd en gelegd op 16 jaar.
Het uitgangspunt is dat een minderjarige jonger dan
16 jaar niet uit vrije wil kan toestemmen met eender
welke seksuele handeling. Er zijn twee afwijkingen op
deze regel:
• Er wordt voorzien in een uitzondering voor jongeren
tussen de leeftijd van 14 jaar en 16 jaar. Zij kunnen wel
toestemmen met seksuele handelingen indien de andere
persoon maximum 2 jaar ouder is.
supplémentaires sont prévues pour lutter contre l’abus
de la prostitution, et l’exploitation des travailleurs du
sexe reste évidemment également toujours punissable.
Le ministre passe en revue les principaux changements
et attend avec intérêt les débats animés qui auront lieu
au Parlement.
Une modification importante concerne la place à
laquelle le droit pénal sexuel est inséré dans le Code
pénal. Les infractions à caractère sexuel ne sont plus
reprises sous le titre VII (7) “Des crimes et des délits
contre l’ordre des familles et contre la moralité publique”
mais sous le titre VIII (8) “Des crimes et des délits contre
les personnes”.
Le chapitre relatif aux infractions à caractère sexuel
est inséré directement après le chapitre relatif à l’homi
cide volontaire. L’attribution de cette place dans le Code
souligne que les infractions sexuelles constituent une
forme grave de criminalité.
Un premier nouveau chapitre aborde les infractions
portant atteinte à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodé
termination sexuelle et aux bonnes mœurs. L’incrimination
des infractions portant atteinte à la paix familiale ne
constitue en effet plus le point de départ; chacun peut
consentir librement à des actes à caractère sexuel, mais
il doit toujours y avoir réellement consentement.
C’est la raison pour laquelle la notion de consentement
occupe une place centrale et est définie explicitement,
contrairement à ce qui est le cas dans le Code pénal
actuel. Il s’agit d’une définition uniforme qui s’applique à
toutes les infractions à caractère sexuel. Le consentement
ne peut jamais être déduit de l’absence de résistance
de la victime.
Les cas dans lesquels il ne peut y avoir consentement
sont énumérés de manière non exhaustive. Le consen
tement peut être retiré à tout moment. Il y a infraction
dès qu’il y a absence de consentement.
Une autre modification concerne la majorité sexuelle.
L’âge de la majorité sexuelle est harmonisé et est fixé
à seize ans.
Le principe de base est qu’un mineur âgé de moins
de seize ans ne peut pas consentir librement à un acte
à caractère sexuel, quel qu’il soit. Il existe deux déro
gations à cette règle:
• Une exception est prévue pour les jeunes de plus
de quatorze ans et de moins de seize ans. Ils peuvent
consentir à des actes à caractère sexuel si l’autre per
sonne a au maximum deux ans de plus.
7
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
• Er zijn situaties waarbij er nooit toestemming door
een minderjarige kan worden gegeven: wanneer de
dader familie is of samenwoont met de minderjarige
of wanneer de dader gebruik maakt van een positie
van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de
minderjarige.
Na deze principes komen de verschillende basis
misdrijven aan bod. Het eerste basismisdrijf betreft de
aantasting van de seksuele integriteit.
• Dit vervangt het bestaand misdrijf aanranding van
de eerbaarheid waar de inbreuk op het maatschappelijk
eerbaarheidsgevoel centraal staat, hetgeen een vage
invulling heeft.
• Aantasting van de seksuele integriteit is een mo
derner begrip. Dit nieuwe misdrijf krijgt een heldere en
ruime invulling. Er is geen geweld of bedreiging meer
vereist en ook de leeftijd van een persoon is irrelevant
geworden. Het kan gaan om gelijk welke handeling die
een redelijk persoon als seksueel ongepast beschouwt.
Een tweede basismisdrijf betreft het voyeurisme.
Gelet op de recente invoeging ervan in het Strafwetboek
wijzigt deze definitie niet veel. Er wordt wel toegevoegd
wat er onder een ontblote persoon moet worden begre
pen, zodat er in de rechtspraak geen twijfel meer over
kan bestaan dat het stiekem maken van beeldopnames
of observeren van een persoon onder iemand zijn kledij
ook voyeurisme kan uitmaken.
Er wordt toegevoegd dat de beoordeling in alle rede
lijkheid moet gebeuren. Als iemand in een zwembad- of
strandcontext gewoon naar je kijkt, zal er geen sprake
zijn van voyeurisme. Iemand zal zich wel schuldig ma
ken aan voyeurisme als hij zich bijvoorbeeld onder
een kleedhokje in het zwembad buigt en de begluurde
persoon in kwestie half aangekleed in het hokje staat.
Hierna volgt een duidelijke en ruimere definitie van
het misdrijf verkrachting:
De definitie wordt verruimd zodat er meer feiten met
zekerheid als verkrachting zullen worden gekwalificeerd.
De woorden “of mede bestaat” en “of met behulp van
een persoon” worden toegevoegd aan de huidige de
finitie. Aangezien ze aan het begin van het hoofdstuk
algemeen voor alle misdrijven wordt gedefinieerd, wordt
de definitie van toestemming geschrapt.
• Il existe des situations dans lesquelles un mineur ne
peut jamais donner son consentement: lorsque l’auteur
est un parent ou cohabite avec le mineur ou lorsque
l’auteur utilise une position de confiance, d’autorité ou
d’influence sur le mineur.
Les différentes infractions de base sont abordées
après ces principes. La première infraction de base
concerne l’atteinte à l’intégrité sexuelle.
• Cette infraction remplace l’infraction existante d’at
tentat à la pudeur, où l’accent est mis sur l’outrage au
sentiment socialement accepté de pudeur, ce qui est
une notion vague.
• L’atteinte à l’intégrité sexuelle est une notion plus
moderne. Cette nouvelle infraction est définie de manière
large et plus claire. Elle ne nécessite plus qu’il y ait vio
lence ou menace et l’âge de la personne est également
devenu non pertinent. Il peut s’agir de n’importe quel
acte qu’une personne raisonnable considère comme
sexuellement inapproprié.
Une deuxième infraction de base concerne le
voyeurisme.
Compte tenu du fait que cette infraction a été insé
rée récemment dans le Code pénal, cette définition
ne change pas beaucoup. La définition de ce qu’il faut
entendre par personne dénudée est toutefois ajoutée,
afin qu’il ne puisse plus subsister aucun doute dans la
jurisprudence sur le fait que le fait de prendre des images
ou d’observer sous les vêtements d’une personne à son
insu peut aussi constituer du voyeurisme.
Il ajoute que l’évaluation doit avoir lieu de manière
raisonnable. Si, dans le contexte d’une piscine ou à la
plage, une personne se contente de vous regarder, il
ne peut être question de voyeurisme. En revanche, une
personne sera coupable de voyeurisme si, par exemple,
elle se penche pour regarder sous une cabine d’essayage
dans une piscine et que la personne observée dans la
cabine est à moitié habillée.
La définition de l’infraction de viol est précisée et
élargie.
La définition est élargie afin que davantage de faits
puissent être qualifiés de viol avec certitude. Les mots
“ou se compose d’” et “ou avec l’aide d’une personne”
sont ajoutés à la définition actuelle. Vu que le consen
tement est défini de manière générale pour toutes les
infractions au début du chapitre, la définition de ce terme
est supprimée.
2141/006
DOC 55
8
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Uit de woorden “mede bestaat” volgt dat zowel de
gedragingen die aan het seksueel binnendringen voor
afgaan, dan wel daarop volgen of daarmee gepaard
gaan onder de delictsomschrijving van verkrachting
vallen m.a.w. dat verkrachting dus omvangrijker is dan
een loutere penetratie.
De toevoeging van “of met behulp van een persoon
die daar niet in toestemt” viseert de situatie waarbij het
slachtoffer als instrument wordt gebruikt. Bijvoorbeeld
wanneer hij wordt opgedragen zichzelf of iemand anders
te penetreren.
De strafmaat voor het basismisdrijf verkrachting verdub
belt en wordt 10 jaar tot 15 jaar (na correctionalisering:
minimum 6 maand – maximum 10 jaar).
Ten slotte wordt incest als afzonderlijk misdrijf strafbaar
gesteld met een heldere definitie.
Een volgende onderafdeling gaat over de verzwaarde
misdrijven en de verzwarende factoren:
• De verzwarende omstandigheden zoals bijvoorbeeld
foltering, zwaar geweld, wapens, weerloos makende stof
fen, kwetsbare toestand, niet-consensuele intrafamiliale
handelingen, discriminatie, minder dan 16 jaar, enz.
worden allemaal zeer helder onder elkaar uiteengezet.
• Een verzwaard misdrijf is het basismisdrijf + de
verzwarende omstandigheid die aan het misdrijf wordt
toegevoegd.
• Bij alle verzwaarde misdrijven gaat de strafmaat één
trap omhoog. Voor de meeste verzwaarde misdrijven
betekent dit een gevangenisstraf van 10 jaar tot 15 jaar
en bij verkrachting zelfs 15 jaar tot 20 jaar.
• Alle bestaande verzwarende factoren worden even
eens opgelijst: bloedverwant, openbare functie, in de
uitoefening van een functie of een minderjarige jonger dan
10 jaar, in aanwezigheid van een minderjarige of uit eer.
• Verzwarende factoren is een nieuw begrip dat zich
onderscheidt van de verzwarende omstandigheden/
verzwaarde misdrijven zoals hierboven uiteengezet,
doordat de rechter verplicht is om de omstandigheden
in overweging te nemen bij het bepalen van de zwaarte
van zijn straf binnen eenzelfde strafvork. Hij mag evenwel
– in tegenstelling tot bij verzwarende omstandigheden
– geen hogere strafmaat opleggen en moet binnen de
zelfde vork oordelen of het noodzakelijk is dat hij een
zware straf oplegt.
Il résulte des termes “se compose d’” que tant les
comportements qui précèdent la pénétration sexuelle
que ceux qui la suivent ou qui y sont liés relèvent de
la qualification de viol, c’est-à-dire que le viol est plus
étendu que la simple pénétration.
L’ajout de “ou avec l’aide d’une personne qui n’y
consent pas” fait référence à la situation où la victime est
utilisée comme un instrument, par exemple, lorsqu’on lui
ordonne de se pénétrer ou de pénétrer quelqu’un d’autre.
La peine pour l’infraction de base de viol est doublée
et sera de 10 à 15 ans (après correctionnalisation: mini
mum 6 mois – maximum 10 ans).
Enfin, l’inceste est incriminé en tant qu’infraction
distincte, avec une définition claire.
La sous-section suivante traite des infractions aggra
vées et des facteurs aggravants:
• Les circonstances aggravantes telles que, par
exemple, la torture, l’usage de violence grave, la menace
d’une arme, l’administration de substances inhibitives,
les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consen
suels, la discrimination, le fait que la victime a moins
de 16 ans, etc., sont toutes énoncées très clairement.
• Une infraction aggravée est l’infraction de base + la
circonstance aggravante ajoutée à l’infraction.
• Pour toutes les infractions aggravées, la peine est
augmentée d’un palier. Pour la plupart des infractions
aggravées, cela signifie une peine d’emprisonnement
de 10 à 15 ans et même, dans le cas d’un viol, de 15
à 20 ans.
• Tous les facteurs aggravants existants sont égale
ment énumérés: infraction commise par un parent, par
une personne investie d’une fonction publique, dans
l’exercice d’une fonction ou sur un mineur de moins de
10 ans, en présence d’un mineur ou au nom de l’honneur.
• Les facteurs aggravants sont un nouveau concept
qui diffère des circonstances aggravantes/ infractions
aggravées telles que décrites ci-dessus en ce sens que,
lorsqu’il détermine la sévérité de la peine, le juge est
obligé de prendre en compte les circonstances à l’inté
rieur d’une même fourchette de peines. Contrairement
à ce qui est le cas pour les circonstances aggravantes,
il ne peut pas imposer un taux de peine plus élevé et
doit évaluer, dans la même fourchette de peines, s’il est
nécessaire qu’il impose une peine sévère.
9
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Vervolgens wordt een afdeling over de seksuele
uitbuiting van minderjarigen ingevoegd. Dit vormt een
nieuwe afdeling die alle seksuele misdrijven waarbij
er een minderjarig slachtoffer is, groepeert en zeer
duidelijk oplijst.
De strafbepalingen worden beter leesbaar gemaakt en
de terminologie “kinderpornografie” wordt veranderd in
de meer passende term “beelden van seksueel misbruik
van minderjarigen”. De terminologie wordt bij verschil
lende bepalingen ook gemoderniseerd.
Hierna volgt een afdeling over openbare zedenschennis
waarin de interpretatie van het begrip wordt gemoderni
seerd. Het wordt beperkt tot de misdrijven “verspreiden
van boodschappen van extreem pornografisch of extreem
gewelddadige aard” en “exhibitionisme”.
Inzake het verspreiden van boodschappen van extreem
pornografisch of extreem gewelddadige aard stelt de
minister nu reeds duidelijk dat dit limitatief moet worden
geïnterpreteerd. Het is niet de bedoeling dat het in privé
context filmen van BDSM met toestemming strafbaar
zou worden gesteld. Het artikel wordt opgenomen in
de afdeling openbare zedenschennis.
Exhibitionisme vormt een nieuwe, afzonderlijke straf
baarstelling in vergelijking met het huidig Strafwetboek.
Ten slotte volgen er een aantal gemeenschappelijke
bepalingen die zorgen voor het invoeren van een ver
blijfs-, plaats- of contactverbod als bijkomende straf. De
rechter moet motiveren waarom hij deze straf oplegt en
dient rekening te houden met de zwaarwichtigheid van
de feiten. De rechter krijgt altijd de facultatieve mogelijk
heid om een advies te vragen van een dienst, gespeci
aliseerd in de behandeling van seksuele delinquenten
en dit voor alle seksuele misdrijven. Tot op heden is dit
namelijk enkel een noodzakelijke voorwaarde voor een
heel beperkt aantal misdrijven.
Een tweede hoofdstuk betreft het misbruik van
prostitutie.
Teneinde te waarborgen dat elke vorm van misbruik
van prostitutie wordt bestraft en rekening houdend met
het advies van de Raad van State en met dat van het
College van procureurs-generaal, wordt voorgesteld om
te voorzien in vier nieuwe strafbaarstellingen:
— pooierschap;
— reclame voor prostitutie;
— het aanzetten tot prostitutie;
Ensuite, une section sur l’exploitation sexuelle des
mineurs est insérée. Il s’agit d’une nouvelle section qui
regroupe et énumère très clairement toutes les infractions
sexuelles dont la victime est mineure.
Les dispositions pénales sont rendues plus lisibles et
le terme “pédopornographie” est remplacée par l’expres
sion plus appropriée “images d’abus sexuel de mineurs”.
La terminologie utilisée dans diverses dispositions est
également modernisée.
La section suivante concerne l’outrage public aux
bonnes mœurs. L’interprétation de ce concept est moder
nisée. Elle est limitée aux infractions de “diffusion de
messages à caractère extrêmement pornographique ou
violent” et à l’“exhibitionnisme”.
En ce qui concerne la diffusion de messages à carac
tère extrêmement pornographique ou violent, le ministre
précise déjà que cela doit être interprété de manière
limitative. L’intention n’est pas d’incriminer le fait de
filmer des pratiques BDSM dans un contexte privé avec
consentement. L’article est inclus dans la section relative
à l’outrage public aux bonnes mœurs.
L’exhibitionnisme constitue une nouvelle incrimination
distincte par rapport au Code pénal actuel.
Enfin, un certain nombre de dispositions communes
prévoient l’instauration d’une interdiction de résidence,
de lieu ou de contact à titre de peine accessoire. Le juge
doit motiver le prononcé de cette peine et tenir compte
de la gravité des faits. Le juge a toujours la possibilité
facultative de demander l’avis d’un service spécialisé
dans le traitement des délinquants sexuels, et ce pour
toutes les infractions sexuelles. Jusqu’à présent, cette
condition n’était nécessaire que pour un nombre très
limité d’infractions.
Un deuxième chapitre concerne l’abus de la prostitution.
Afin de garantir l’incrimination de toute forme d’abus
de la prostitution et en tenant compte de l’avis du Conseil
d’État et l’avis du Collège des procureurs généraux, il
est proposé de prévoir quatre nouvelles incriminations.
Il s’agit:
— du proxénétisme;
— de la publicité pour la prostitution;
— de l’incitation à la prostitution;
2141/006
DOC 55
10
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
— het nastreven van een abnormaal voordeel via de
prostitutie van iemand anders.
De minister wil het pooierschap strafbaar stellen
om tegemoet te komen aan de bekommeringen van
het College van procureurs-generaal. Die bepaling is
van toepassing zonder afbreuk te doen aan de strafbe
palingen inzake mensenhandel. Het pooierschap kan
worden uitgeoefend door een natuurlijke of door een
rechtspersoon.
De strafbare handelingen zijn die welke buiten de
(huidige en toekomstige) wetsregels vallen. Er is bijvoor
beeld geen sprake van het aanzetten of dwingen zoals
bedoeld in 1°, wanneer een uitbater of uitzendbureau
een legale overeenkomst sluit met een sekswerker die
vrij en toestemmend handelt. De bepalingen zijn geïn
spireerd op de Nieuw-Zeelandse wet ter hervorming van
de prostitutie; in dat land werd de prostitutie met succes
uit het strafrecht gehaald.
De bepalingen van artikel 380, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°,
van het Strafwetboek kunnen worden weggelaten,
aangezien de erin behandelde materie veelal onder
mensenhandel in de strikte betekenis van het woord
valt. De term “uitbuiting” zal alleen nog voorkomen bij
het misdrijf mensenhandel.
Om de mensen terdege te beschermen en het mis
bruik van prostitutie te voorkomen, werden bepaalde
misdrijven behouden en anders omschreven.
Het misdrijf reclame maken voor prostitutie werd
behouden, zij het in bijgestuurde vorm. In de strafbare
handelingen betekent reclame elk woord, elke afbeelding
of elke andere voorstelling die wordt gebruikt om de be
schikbaarheid van commerciële seksuele diensten aan
te kondigen of de verkoop ervan te bevorderen, hetzij
in het algemeen, hetzij in het bijzonder. Dit is verboden,
behalve indien het gaat om reclame voor eigen diensten
van seksuele aard of in de gevallen die de wet bepaalt.
Het aanbieden van eigen diensten van seksuele aard
via reclame is aldus toegelaten.
Onder toegelaten reclame voor eigen diensten dient
niet alleen de klassieke papieren reclame te worden
begrepen zoals (niet-limitatief) een aankondiging in de
krant of een folder, maar ook het aanbieden van eigen
diensten op een digitaal platform.
Het aanzetten tot prostitutie is ook verboden. Aldus
kunnen met name de activiteiten van de zogenaamde
sugardaddy’s voor de ULB verder worden blijven bestraft.
— de la recherche d’un avantage anormal par la
prostitution d’une autre personne.
Le ministre souhaite incriminer le proxénétisme pour
répondre aux préoccupations du Collège des procureurs
généraux. Cette disposition s’applique sans préjudice
des dispositions pénales relatives à la traite des êtres
humains. Le proxénétisme peut être exercé par une
personne physique comme par une personne morale.
Les actes punissables sont ceux qui tombent hors du
cadre légal (actuel et futur). Par exemple, il ne peut être
question d’incitation ou de coercition telles que visées
au 1° si un opérateur/une agence conclut un accord légal
avec un travailleur du sexe qui agit de manière libre et
consentante. Les dispositions s’inspirent de la loi de la
Nouvelle-Zélande sur la réforme de la prostitution; pays
où la prostitution a été décriminalisée avec succès.
Les dispositions de l’article 380, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°,
du Code pénal peuvent être abandonnées, étant donné
que cela relève en grande partie de la traite des êtres
humains au sens strict du terme. Le terme “exploitation”
ne figurera plus que dans l’infraction de traite.
Pour bien protéger les gens et éviter l’abus de la
prostitution, on a gardé et rédigé certains infractions.
L’infraction de publicité pour la prostitution en version
modifiée a été maintenue. Dans les actes punissables, on
entend par publicité tout mot, image ou autre représenta
tion utilisé pour annoncer la disponibilité ou promouvoir
la vente de services sexuels commerciaux, que ce soit
en général ou en particulier. Ceci est interdit, sauf en
cas de publicité pour ses propres services à caractère
sexuel ou dans les cas prévus par la loi. L’offre de ses
propres services à caractère sexuel par le biais de la
publicité est donc autorisée.
Par publicité autorisée pour ses propres services, il
convient d’entendre non seulement la publicité tradition
nelle sur papier telle que par exemple une annonce dans
un journal ou une brochure (exemples non exhaustifs),
mais aussi l’offre de ses propres services sur une pla
teforme numérique.
L’incitation à la prostitution est également interdite.
Il permet notamment de continuer à sanctionner les
campagnes pour les “Sugar daddies” devant l’ULB.
11
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Een ander wetsartikel betreft het nastreven van een
abnormaal voordeel door de prostitutie van een ander
persoon. Ingevolge het advies van de Raad van State
werd “abnormaal voordeel” verduidelijkt. Er wordt ge
sproken van een voordeel om zo niet enkel een abnor
maal geldelijk gewin te omvatten, maar elk mogelijk
abnormaal voordeel (zoals het leveren van bepaalde
seksuele diensten).
Tevens moet het voordeel abnormaal zijn, teneinde
het leven van de in de prostitutie actieve personen niet
onnodig te bemoeilijken. Het omvat zowel directe als
indirecte eigendomsvoordelen.
In vergelijking met het huidige Strafwetboek zal via
de ontworpen tekst het loutere houden van een huis van
ontucht of prostitutie waar enkel meerderjarigen werken
en er geen sprake is van enige (seksuele of financiële)
uitbuiting, niet langer strafbaar zijn. Dit stemt overeen
met het reeds aangehaalde jarenlange gedoogbeleid.
Kortom, met het nieuwe hoofdstuk over het misbruik
van prostitutie wordt het thans mogelijk de uitbuiting te
voorkomen. Zo kan iemand worden vervolgd die met
het oog op prostitutie kamers te huur aanbiedt tegen
volstrekt overgewaardeerde prijzen.
Tot slot deelt de minister mee dat de wet op de eerste
dag van de derde maand na die waarin ze bekendgemaakt
wordt in het Belgisch Staatsblad in werking zal treden.
Deze periode laat toe aan de parketten en rechters om
vertrouwd te geraken met de nieuwe principes van het
seksueel strafrecht, zodat deze onmiddellijk bij inwer
kingtreding kunnen worden toegepast.
B. Wetsvoorstel (Goedele Liekens, Katja Gabriëls,
Egbert Lachaert) tot wijziging van het Strafwetboek
wat de seksuele meerderjarigheid betreft, DOC 55
0461/001
In België start de seksuele meerderjarigheid momen
teel op 16 jaar. Seksuele handelingen met of tussen
minderjarigen jonger dan zestien, zelfs met wederzijdse
toestemming, zijn dus in principe strafbaar.
De indieners vragen zich echter af of 16 jaar nog beant
woordt aan de maatschappelijke realiteit. Zij wijzen erop
dat jongeren alsmaar vroeger beginnen te experimenteren
met seksualiteit, niet alleen met leeftijdsgenoten maar
vaak ook met oudere partners.
De indieners stellen voor seksuele contacten tussen
jongeren tussen 14 en 16 jaar niet langer per definitie
als strafbaar te beschouwen. Om deze jongeren te be
schermen staan zij echter niet toe dat er tussen beide
Un autre article de loi porte sur la recherche d’un avan
tage anormal par la prostitution d’une autre personne.
Suite à l’avis du Conseil d’État, la notion d’”avantage
anormal” a été précisée. On parle d’un avantage afin de
ne pas couvrir uniquement un profit financier anormal,
mais également tout avantage anormal possible (par
exemple, certains services sexuels).
Il est prévu en outre que l’avantage doit être anormal
afin de ne pas compliquer inutilement la vie des per
sonnes actives dans la prostitution. La notion inclut les
avantages patrimoniaux directs ou indirects.
En comparaison avec le Code pénal actuel, avec le
projet, le simple fait de tenir une maison de débauche ou
de prostitution où seules des personnes majeures tra
vaillent et où il n’y a pas la moindre exploitation (sexuelle
ou financière) cesse d’être punissable. Cela correspond
à la politique de tolérance pratiquée depuis des années
et déjà évoquée. En conclusion, il devient maintenant
possible de prévenir l’exploitation avec le nouveau chapitre
sur l’abus de la prostitution. Cela permet, par exemple,
de poursuivre une personne qui met en location à des
prix exorbitants des chambres aux fins de prostitution.
Enfin, le ministre indique que la loi entrera en vigueur
le premier jour du troisième mois qui suit celui de sa
publication au Moniteur belge. Cette période permet
aux parquets et aux juges de se familiariser avec ces
nouveaux principes du droit pénal sexuel, afin qu’ils
puissent être appliqués dès leur entrée en vigueur.
B. Proposition de loi (Goedele Liekens, Katja
Gabriëls, Egbert Lachaert) modifiant le Code pénal
en ce qui concerne la majorité sexuelle, DOC 55
0461/001
En Belgique, la majorité sexuelle prend actuellement
cours à 16 ans. Les actes sexuels impliquant des mineurs
de moins de seize ans sont donc en principe punissables,
même lorsqu’il y a consentement mutuel.
Les auteurs se demandent toutefois si l’âge de 16 ans
correspond encore à la réalité de notre société. Ils sou
lignent que les jeunes commencent de plus en plus tôt
à expérimenter avec leur sexualité, non seulement avec
des partenaires du même âge, mais souvent aussi avec
des partenaires plus âgés.
Les auteurs proposent de ne plus considérer auto
matiquement les contacts sexuels entre jeunes âgés de
14 à 16 ans comme des actes punissables. Ils entendent
néanmoins protéger les jeunes en prévoyant qu’il ne
2141/006
DOC 55
12
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
seksuele partners een leeftijdsverschil bestaat van meer
dan vijf jaar.
C. Wetsvoorstel (Goedele Liekens, Katja Gabriëls,
Egbert Lachaert) tot wijziging van het Strafwetboek
wat de aanranding van de eerbaarheid en de
verkrachting betreft, DOC 55 0578/001
Ons strafrecht maakt een onderscheid tussen ver
krachting en aanranding, en voorziet in verschillende
straffen naargelang de leeftijd van het slachtoffer en het
al dan niet gepaard gaan van het misdrijf met geweld
of bedreiging.
Aanranding van een persoon boven de leeftijd van
16 jaar, zonder gebruik van geweld of bedreiging wordt
echter niet bestraft. Is het slachtoffer een man en de
dader een vrouw, dan is het bovendien vaak moeilijk om
juridisch te spreken van verkrachting omdat de strafwet
in principe verwacht dat de dader het slachtoffer pene
treert en niet omgekeerd.
De indieners willen deze problemen verhelpen door
het geval van aanranding van personen boven de leeftijd
van 16 jaar zonder gebruik van geweld of bedreiging op
te nemen in de strafwet, en te bepalen dat aanranding en
verkrachting kunnen gepleegd worden “met behulp van”
de persoon die als slachtoffer gezien wordt. Ook wordt
het toedienen van alcohol of drugs aan het slachtoffer
om hem of haar in staat van verminderd bewustzijn
te brengen, toegevoegd aan de lijst met verzwarende
omstandigheden.
D. Wetsvoorstel (Karin Jiroflée, Ben Segers) tot
aanvulling van het Strafwetboek wat de seksuele
meerderjarigheid betreft, DOC 55 0634/001
In België ligt de grens van seksuele meerderjarigheid
momenteel op 16 jaar. Seksuele handelingen tussen
minderjarigen jonger dan zestien, zelfs met weder
zijdse toestemming, zijn dus in principe strafbaar. Dit
wetsvoorstel bepaalt dat er niet langer sprake is van
aanranding van de eerbaarheid wanneer de handelingen
plaatsvinden tussen een minderjarige vanaf de leeftijd
van veertien jaar en een andere minderjarige van 14 tot
16 jaar of een persoon die maximaal drie jaar ouder is.
E. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Catherine Fonck,
Maxime Prévot, Georges Dallemagne, Sophie Rohonyi)
tot wijziging van het Strafwetboek, betreffende de
definitie van het begrip “toestemming” bij seksuele
misdrijven, DOC 55 1530/001
Dit wetsvoorstel beoogt te verduidelijken dat bij een
seksuele handeling de toestemming expliciet en duidelijk
peut y avoir une différence de plus de cinq ans entre
les deux partenaires sexuels.
C. Proposition de loi (Goedele Liekens, Katja
Gabriëls, Egbert Lachaert) modifiant le Code pénal
en ce qui concerne l’attentat à la pudeur et le viol,
DOC 55 0578/001
Le droit pénal belge distingue le viol de l’attentat à la
pudeur et prévoit des peines différentes en fonction de
l’âge de la victime et selon que l’infraction est accom
pagnée de violences ou de menaces.
Toutefois, l’attentat à la pudeur commis sans violences
ni menaces sur une personne de plus de seize ans n’est
pas puni. Si la victime est de sexe masculin et l’auteur
de sexe féminin, il est en outre souvent difficile de parler
de viol, au sens juridique du terme, dès lors que la loi
pénale part du principe que l’auteur pénètre la victime,
et non l’inverse.
Les auteurs entendent remédier à ces problèmes
en inscrivant, dans la loi pénale, l’attentat à la pudeur
commis sans violences ni menaces sur une personne
de plus de seize ans, et en disposant que l’attentat à
la pudeur et le viol peuvent être commis “à l’aide de”
la personne considérée comme la victime. En outre,
l’administration d’alcool ou de drogues à la victime afin
de l’amener dans un état de conscience diminuée est
ajoutée à la liste des circonstances aggravantes.
D. Proposition de loi (Karin Jiroflée, Ben Segers)
complétant le Code pénal en ce qui concerne la
majorité sexuelle, DOC 55 0634/001
En Belgique, la majorité sexuelle est actuellement fixée
à 16 ans. En principe, les actes sexuels entre mineurs
de moins de seize ans sont donc punissables, même en
cas de consentement mutuel. Cette proposition de loi
prévoit qu’il ne sera plus question d’attentat à la pudeur
en cas d’actes sexuels entre un mineur âgé de quatorze
ans ou plus et un autre mineur âgé entre quatorze et
seize ans ou une personne âgée de trois ans de plus
au maximum.
E. Proposition de loi (Vanessa Matz, Catherine
Fonck, Maxime Prévot, Georges Dallemagne, Sophie
Rohonyi) modifiant le Code pénal, relative à la
définition de la notion de “consentement” pour les
infractions sexuelles, DOC 55 1530/001
La proposition de loi à l’examen vise à préciser que
le consentement doit être exprimé de manière explicite
13
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
moet worden uitgedrukt. Ze kan niet uit een houding
worden afgeleid.
Het wetsvoorstel beoogt tevens beter aan te geven in
welke gevallen er in het raam van een seksueel misdrijf
geen toestemming is. De bedoeling is zowel de hypothe
ses te omvatten waarbij er geen toestemming is zoals
bepaald in het huidige artikel 375, tweede lid, van het
Strafwetboek als de hypotheses waarbij de slachtoffers
hun weigering om de seksuele handeling aan te vatten
of zelfs voort te zetten niet expliciet kunnen uiten.
F. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Maxime Prévot)
tot wijziging van het Strafwetboek, houdende
strafbaarstelling van bepaalde vormen van seksuele
agressie op afstand, DOC 55 1670/001
Op grond van het Strafwetboek is seksuele agressie
thans alleen strafbaar indien de dader zich fysiek bij het
slachtoffer bevindt.
Gelet op het wijdverbreide gebruik van de sociale
media en de laakbare daden die in die context worden
begaan, strekt die wetsvoorstel ertoe het Strafwetboek bij
te sturen, teneinde ook te voorzien in de strafbaarstelling
van bepaalde vormen van seksuele agressie op afstand.
G. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Maxime Prévot,
Sophie Rohonyi) teneinde incest als dusdanig als
strafbaar feit in het Strafwetboek op te nemen,
DOC 55 1778/001
Mevrouw Vanessa Matz, hoofdindienster van het wets
voorstel, wijst erop dat het huidige wetsvoorstel beoogt
incest als een afzonderlijk misdrijf in het Strafwetboek op
te nemen, gezien de specifieke eigenheid ervan. Daartoe
bevat het wetsvoorstel een omschrijving van het begrip
“toestemming voor een seksuele handeling”. Tevens wil
len de indieners een onweerlegbaar vermoeden instellen
dat seksuele handelingen in familieverband met een
minderjarige zonder diens toestemming worden gesteld.
Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting
bij het wetsvoorstel.
H. Wetsvoorstel (Stefaan Van Hecke c.s.) tot
wijziging van het Strafwetboek wat betreft de
omschrijving van voyeurisme, DOC 55 1854/001
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen), mede-indienster
van het wetsvoorstel, verduidelijkt dat dit wetsvoorstel als
doel heeft een oplossing te bieden voor een lacune in
de wet, meer bepaald de situatie waarin iemand zonder
toestemming de intieme delen (i.e. de geslachtsdelen,
et claire lors d’un acte sexuel. Il ne peut être déduit
d’une attitude.
Elle vise également à mieux préciser les cas dans
lesquels il n’y a pas de consentement dans le cadre d’une
infraction sexuelle afin de viser à la fois les hypothèses
de non-consentement définies à l’actuel article 375, ali
néa 2, du Code pénal, et les hypothèses des victimes qui
ne parviennent pas à exprimer de manière explicite leur
refus d’entamer ou même de poursuivre l’acte sexuel.
F. Proposition de loi (Vanessa Matz, Maxime
Prévot) modifiant le Code pénal, visant à incriminer
pénalement certaines agressions sexuelles commises
à distance, DOC 55 1670/001
Actuellement, les actes d’agression sexuelle ne sont
réprimés par le Code pénal que lorsque l’auteur des faits
est présent physiquement auprès de la victime.
Étant donné l’usage répandu des médias sociaux
et les méfaits qui y sont commis, la proposition de loi
à l’examen adapte ce même Code de façon à ce que
certaines agressions sexuelles commises à distance
soient également punissables pénalement.
G. Proposition de loi (Vanessa Matz, Maxime
Prévot, Sophie Rohonyi) visant à incriminer l’inceste
en tant que tel dans le Code pénal, DOC 55 1778/001
Mme Vanessa Matz, auteure principale de la propo
sition de loi, indique que la proposition de loi à l’examen
vise à inscrire l’inceste dans le Code pénal comme un
crime à part entière, au vu de sa spécificité. Pour ce
faire, elle vise à définir la notion de consentement à un
acte sexuel et à instaurer une présomption irréfragable
d’absence de consentement de la part d’un mineur à
tout acte sexuel dans un cadre familial.
Il est renvoyé aux développements de la proposition
de loi pour le surplus.
H. Proposition de loi (Stefaan Van Hecke et
consorts) modifiant le Code pénal en ce qui concerne
la définition du voyeurisme, DOC 55 1854/001
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen), coauteure de la
proposition de loi, précise que la proposition de loi à
l’examen vise à remédier à une lacune présente dans la
loi en prévoyant également la situation dans laquelle une
personne observe ou filme sans autorisation les parties
2141/006
DOC 55
14
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het achterwerk of de borsten) van een andere persoon,
zelfs wanneer deze niet ontbloot zijn maar bedekt zijn
door ondergoed, observeert of filmt onder zijn of haar
kleding.
Voortaan zal ook het stiekem foto’s of filmpjes maken
onder de rokken van vrouwen, of het observeren van
de intieme delen of het ondergoed onder de kleding
van een andere persoon, in omstandigheden waarin
de geslachtsdelen, het achterwerk, de borsten of het
ondergoed normaal niet zichtbaar zijn, strafbaar zijn.
intimes (c’est-à-dire les parties génitales, les fesses ou
les seins) d’une autre personne sous ses vêtements,
même lorsque celles-ci ne sont pas dénudées mais
sont couvertes par des sous-vêtements.
Dorénavant, la réalisation furtive de photographies
ou de films sous la jupe d’une femme ou l’observation
des parties intimes ou des sous-vêtements sous les
vêtements d’une autre personne, dans des circonstances
dans lesquelles les parties génitales, les fesses, les
seins ou les sous-vêtements ne sont normalement pas
visibles, seront également punissables.
15
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
III. — ALGEMENE BESPREKING
A. Vragen en bemerkingen van de leden
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stipt aan dat dit
wetsontwerp voortbouwt op het ontwerp van nieuw
Strafwetboek, dat in de vorige zittingsperiode werd
opgesteld onder leiding van de Commissie voor de
hervorming van het strafrecht. Dat ontwerp raakte niet
meer goedgekeurd door de val van de regering-Michel.
Intussen ligt het ontwerp van nieuw Strafwetboek
opnieuw op de regeringstafel. Maar minister Van
Quickenborne wil daar niet meer op wachten om alvast
het seksueel strafrecht te hervormen.
Het wetsontwerp werd bij de Kamer ingediend op
19 juli 2021.Op 21 september vond de toelichting plaats,
gevolgd door interessante hoorzittingen op 28 septem
ber en 19, 26 en 27 oktober 2021. Het heeft geloond te
luisteren naar de inzichten van de experts.
Vervolgens staat spreekster stil bij de belangrijkste
onderdelen van het ontwerp:
— Het opnemen van de seksuele misdrijven in een
titel waarin alle misdrijven tegen de persoon worden
samengebracht. De focus ligt nu op de seksuele auto
nomie, eerder dan op de familiale orde en de eer;
— Er komt een nieuwe definitie van toestemming;
— Er wordt een oplossing gezocht omtrent de uniforme
leeftijd van seksuele meerderjarigheid;
— Er is een harmonisering van de bepalingen inzake
aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, voyeu
risme en de niet-consensuele verspreiding van seksuele
beelden en opnamen;
— Er is een hoofdstuk over het misbruik van prostitutie
van meerderjarigen;
— Er is een poging tot harmonisering van strafmaten
en verzwarende omstandigheden en factoren.
Mevrouw De Wit acht de modernisering absoluut nood
zakelijk. Er is nood aan aanpassingen aan de huidige
tijdsgeest. Er is nood aan meer coherente en strengere
straffen. Daarnaast is belangrijk om een maatschappelijk
signaal te geven, want de cijfers zijn hallucinant. Meten
is weten bij het sturen van het beleid.
Dit jaar werd het onderzoek van onder andere pro
fessor Ines Keygnaert uitgebracht, nl. een eerste studie
over seksueel grensoverschrijdend gedrag in België
III. — DISCUSSION GÉNÉRALE
A. Questions et observations des membres
Mme Sophie De Wit (N-VA) indique que le projet de loi
à l’examen s’appuie sur le projet de nouveau Code pénal
qui a été rédigé au cours de la législature précédente
sous la direction de la Commission de réforme du droit
pénal. Ce projet n’a pas pu être adopté en raison de la
chute du gouvernement Michel.
Ce projet de nouveau Code pénal se trouve mainte
nant de nouveau sur la table du gouvernement, mais
le ministre Van Quickenborne ne veut pas attendre son
adoption pour réformer le droit pénal sexuel.
Le projet de loi a été déposé à la Chambre le 19 juillet
2021. L’exposé a eu lieu le 21 septembre, suivi par des
auditons intéressantes le 28 septembre et les 19, 26
et 27 octobre 2021. Cela a valu la peine d’écouter les
avis des experts.
L’intervenante aborde ensuite les différentes parties
du projet:
— l’intégration des infractions à caractère sexuel dans
un titre qui rassemble toutes les infractions contre les
personnes. L’accent est maintenant placé sur l’autono
mie sexuelle et non plus sur l’ordre familial et l’honneur;
— une nouvelle définition du consentement est prévue;
— une solution est recherchée concernant un âge
uniforme de la majorité sexuelle;
— il y a une harmonisation des dispositions en matière
d’attentat à la pudeur, de viol, de voyeurisme et de dif
fusion non consensuelle d’images et d’enregistrements
à caractère sexuel;
— un chapitre relatif à l’abus de la prostitution des
majeurs est prévu;
— il y a une tentative d’uniformisation du taux des
peines et des circonstances et facteurs aggravants.
Mme De Wit estime que cette modernisation est indis
pensable. Des adaptations aux mœurs actuelles sont
nécessaires, tout comme des sanctions plus cohérentes
et plus sévères. Il convient par ailleurs de donner un
signal social car les chiffres sont hallucinants. Mesurer,
c’est savoir, quand il s’agit d’ajuster une politique.
Cette année, l’étude réalisée notamment par la pro
fesseure Ines Keygnaert a été publiée. Il s’agit d’une
première étude sur les comportements transgressifs
2141/006
DOC 55
16
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die representatief is voor alle genders en leeftijden. Enkel
en alleen wat het “hands-on” seksueel grensoverschrij
dend gedrag (= gedrag met aanrakingen) betreft, maakte
42 % van de vrouwen en 19 % van de mannen dit mee.
Bij 16 % van de vrouwen en 5 % van de mannen ging
het zelfs om verkrachting. Dit gaat ver. De afgelopen
12 maanden kreeg 10 % van de vrouwen en 6 % van
de mannen te maken met een vorm van “hands-on”
seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Uit de criminaliteitsstatistieken van de federale politie
blijkt dat de afgelopen 10 jaar gemiddeld elke dag bijna
10 verkrachtingen en 10 aanrandingen worden aange
geven. Dat is nog maar topje van de ijsberg, want 90 %
van de slachtoffers zou gewoon nooit aangifte doen (het
zogenaamde “dark number”).
Uit cijfers van het openbaar ministerie blijkt dat tus
sen 2010 en 2017, 53 % van de strafonderzoeken naar
een verkrachting werden geseponeerd. Uiteindelijk leidt
slechts 14 % van de (gerapporteerde) verkrachtingen
tot een veroordeling. Dat laatste cijfer toont aan dat de
ambitie evenwel verder moet gaan dan louter nieuwe
wetgeving. Ook in de praktijk moet er iets veranderen
en zijn er nog verdere stappen nodig. De Zorgcentra
na Seksueel Geweld, opgestart door toenmalig staats
secretaris Zuhal Demir, spelen daarin een belangrijke
rol. Maar ook Justitie moet volgen. Dat blijkt ook uit het
Wetenschappelijk Evaluatierapport van de ZSG, dat wijst
erop dat de juridische procedures te lang aanslepen. Dat
wordt onder meer bevestigd door de cijfers omtrent de
analyse van de forensische stalen. Voor slechts 14 % van
de slachtoffers die tijdens het pilootjaar een forensisch
onderzoek ondergingen en klacht indienden, waren de
forensische stalen op het einde van dat jaar effectief
geanalyseerd. Het wetsvoorstel van Valerie Van Peel
beoogt het meer en sneller inzetten op de DNA-analyse
van bewijsmateriaal en kan hopelijk ook op de steun van
deze commissie rekenen.
Enerzijds is het goed om wetgevende initiatieven op
te zetten, anderzijds lijkt de wens om seksueel strafrecht
uit de bredere hervorming van het gehele strafwetboek
te halen een risico voor coherentie en overgang, aldus
mevrouw De Wit. Het geeft de indruk dat het nieuwe
Strafwetboek op de langere baan geschoven wordt,
wat heel jammer zou zijn, aangezien dat werk zo goed
als afgewerkt werd tijdens de vorige zittingsperiode. De
oefening van wat men in dit ontwerp al regelt en wat
wordt overgelaten aan de globale hervorming wordt niet
consequent gemaakt.
Spreekster geeft hierbij enkele voorbeelden:
à caractère sexuel en Belgique, qui est représentative
pour tous les genres et tous les âges. Rien que pour
les comportements transgressifs impliquant un contact
(“hands-on”), 42 % des femmes et 19 % des hommes
en ont été victimes. Pour 16 % des femmes et 5 % des
hommes, il est même question de viol. Cela va loin.
Les douze derniers mois, 10 % des femmes et 6 % des
hommes ont subi une forme de comportement trans
gressif impliquant un contact.
Il ressort des statistiques de la criminalité de la police
fédérale que ces dix dernières années, quasiment 10
viols et 10 attentats à la pudeur ont été commis chaque
jour. Ces chiffres ne représentent que le sommet de
l’iceberg, car 90 % des victimes ne porteraient jamais
plainte (le “chiffre noir”).
Les chiffres du ministère public montrent qu’entre
2010 et 2017, 53 % des enquêtes pénales pour viol
ont été classées sans suite. Au final, seuls 14 % des
viols (rapportés) donnent lieu à une condamnation. Ce
dernier chiffre illustre que l’ambition ne doit pas être
uniquement d’adopter une nouvelle législation. Dans
la pratique également, quelque chose doit changer et
des étapes doivent encore être franchies. Les centres
de prise en charge des violences sexuelles, créés sous
l’impulsion de l’ancienne secrétaire d’État Zuhal Demir,
jouent un rôle important en la matière. Mais la justice
doit suivre également, comme il ressort du rapport
d’évaluation scientifique des CPVS, qui souligne que les
procédures juridiques sont trop longues. Cette consta
tation est notamment étayée par les chiffres relatifs à
l’analyse des échantillons médicolégaux. Pour 14 %
seulement des victimes ayant fait l’objet d’un examen
médicolégal et ayant déposé une plainte au cours de
l’année pilote, les échantillons médicolégaux avaient été
analysés à la fin de la même année. La proposition de
loi de Valerie Van Peel vise à prévoir un recours plus
fréquent et plus rapide à l’analyse ADN des preuves. Il
est à espérer qu’elle pourra compter sur le soutien de
cette commission.
S’il est positif de prendre des initiatives législatives,
la volonté de retirer le droit pénal sexuel de la réforme
plus large du Code pénal dans son intégralité présente
néanmoins un risque pour la cohérence et la transition,
selon Mme De Wit. Cela crée l’impression que le nouveau
Code pénal est renvoyé aux calendes grecques, ce qui
serait très dommage étant donné que le travail a quasi
ment été achevé au cours de la précédente législature.
La réflexion sur ce qu’il y a lieu de déjà réglementer dans
le projet à l’examen et ce qui est laissé pour la réforme
globale n’est pas cohérente.
L’intervenante illustre ses propos au moyen de quelques
exemples:
17
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
— Sommige aspecten laat men expliciet voor bij het
gehele nieuwe Strafwetboek en dat ondanks kritiek
van de Raad van State: bv. De terbeschikkingstelling
van de regering, aspecten rond het beroepsgeheim, de
verjaring (MvT p. 89).
— Omgekeerd worden andere aspecten nu wel al
overgenomen als principes uit het ontworpen nieuw
Strafwetboek, bijvoorbeeld “verzwarende factoren”,
waarvan de Raad van State meent dat het een nieuwe
rechtsfiguur is dat best wordt ingevoerd in het volledig
nieuwe Strafwetboek.
— Specifiek m.b.t. de strafmaat: er werd met veel
publiciteit aangekondigd dat de straffen naar omhoog
zouden gaan. Dat klopt slechts gedeeltelijk. Bovendien
wordt het systeem van automatische correctionalisering
geïnstitutionaliseerd in het Strafwetboek, terwijl er in het
nieuwe Strafwetboek net van dit systeem zou moeten
afgestapt worden. Want wat gebeurt er nu: we verhogen
de strafmaat voor bv. verkrachting van 5-10 jaar (wat in
praktijk maar maximum 5 jaar is) naar 10-15 jaar om
dan na de standaard correctionalisering uiteindelijk op
maximum 10 jaar te eindigen. Terwijl dat maximum van
10 jaar eigenlijk al is ingesteld door de wetgever, maar
gewoon niet wordt gerespecteerd om een assisenproce
dure te kunnen voorkomen. Dit is een pervers systeem dat
terecht door het nieuwe Strafwetboek wordt afgeschaft,
maar met dit ontwerp dus verder gebetonneerd wordt.
Mevrouw De Wit vraagt zich af hoe nadien de omschake
ling naar het nieuwe Strafwetboek zal gebeuren. Blijft de
maximumstraf 15 jaar, zoals nu in theorie in het wetboek
bepaald wordt, of zal het de maximale straf zijn die in
praktijk zal toegepast worden, nl. 10 jaar? Mevrouw De
Wit wijst op het feit dat de N-VA-fractie ervoor pleit om
artikel 150 van de Grondwet aan te passen zodat de as
sisenprocedure wordt afgeschaft voor seksuele misdaden.
Op die manier zullen er hogere straffen opgelegd kunnen
worden, zonder dat nog gebruik moet gemaakt worden
van onterechte verzachtende omstandigheden om te
kunnen correctionaliseren (zie voorstel nr. 55 2100). Zij
zou dit wetsvoorstel aan de discussie willen toevoegen.
Verzwarende factoren is een nieuwe rechtsfiguur en die
laat men het best invoeren via het nieuwe Strafwetboek,
eerder dan die in te voegen via het seksuele strafrecht
waardoor het enkel van toepassing wordt op de seksuele
misdrijven. De Raad van State bevestigt die zienswijze.
Er is immers een overlap met verzwarende omstandig
heden. De rechter moet de verzwarende factoren in
overweging nemen zonder dat een hogere uitgangsstraf
kan gekozen worden. Dit heeft allemaal te maken met
— Certains aspects sont explicitement mis de côté
pour le tout nouveau Code pénal et ce, malgré les cri
tiques formulées par le Conseil d’État: par exemple
la mise à disposition du gouvernement, les aspects
relatifs au secret professionnel, la prescription (exposé
des motifs, p. 89).
— À l’inverse, d’autres aspects sont dès à présent
empruntés comme principes au nouveau Code pénal en
projet, par exemple les “facteurs aggravants”, principe
que le Conseil d’État considère pourtant comme une
nouvelle figure juridique qu’il serait préférable d’introduire
dans le tout nouveau Code pénal.
— En ce qui concerne spécifiquement le taux des
peines: il a été annoncé avec beaucoup de publicité
que les peines seraient revues à la hausse. Ce n’est
que partiellement vrai. En outre, le système de correc
tionnalisation automatique est institutionnalisé dans le
Code pénal, alors qu’il devrait être abandonné dans le
nouveau Code pénal. Car que voyons-nous maintenant:
nous relevons par exemple le taux de la peine pour le
viol de cinq-dix ans (ce qui revient à maximum cinq ans
en pratique) à dix-quinze ans pour ensuite arriver finale
ment à maximum dix ans après la correctionnalisation
automatique. En réalité, cette peine maximale de dix
ans est déjà prévue par le législateur mais elle n’est tout
simplement pas respectée afin de pouvoir éviter une
procédure d’assises. Il s’agit d’un système pervers qui
est supprimé à juste titre par le nouveau Code pénal,
mais qui est donc bétonné à nouveau avec le projet à
l’examen. Mme De Wit se demande comment la transi
tion vers le nouveau Code pénal aura lieu par la suite.
La peine maximale restera-t-elle fixée à quinze ans,
comme prévu actuellement en théorie dans le code, ou
est-ce la peine maximale qui sera appliquée en pratique,
à savoir dix ans? Mme De Wit souligne que le groupe
N-VA plaide pour une modification de l’article 150 de
la Constitution de manière à supprimer la procédure
d’assises pour les crimes à caractère sexuel. Cela
permettra de prononcer des peines plus lourdes sans
devoir utiliser des circonstances atténuantes injustes
pour pouvoir correctionnaliser (voir proposition n° 55
2100). Elle aimerait ajouter cette proposition de loi à la
discussion.
Les facteurs aggravants sont une nouvelle figure
juridique qu’il serait préférable d’introduire par le biais
du nouveau Code pénal et non du droit pénal sexuel. En
effet, dans cette dernière hypothèse, elle s’appliquera
uniquement aux infractions sexuelles. Le Conseil d’État
partage cet avis. Il observe en effet un chevauchement
avec les circonstances aggravantes. Le juge devra prendre
en considération les facteurs aggravants sans pouvoir
opter pour une peine applicable plus élevée. Tout cela
2141/006
DOC 55
18
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de trappenschaal van het nieuwe Strafwetboek. Dit leidt
tot verwarring en spreekster heeft hier vragen bij.
Ook voor het elektronisch toezicht, de werkstraf en
probatie(uitstel) worden er voorafnames gemaakt die in
een ruimere discussie m.b.t. alle misdrijven zou moeten
gebeuren. Deze elementen worden toegevoegd in het
ontwerp (art 85 – 105), maar zijn ruimer dan de toepas
sing van het seksueel strafrecht. Dit gebeurt zonder al
te veel toelichting.
Mevrouw De Wit stelt dat de minister aan cherry
picking doet. Dit alles zou implicaties kunnen hebben
bij de toepassing op het terrein.
Tijdens de hoorzittingen zijn een aantal spanningen
naar voren gekomen. Er zijn suggesties tot amendering
gedaan. Het is nodig een en ander uit te klaren vooraleer
de artikelsgewijze bespreking wordt aangevat.
Onder de grote ijkpunten die mevrouw De Wit wenst
aan te stippen, is er vooreerst het aspect van de toe
stemming. De huidige definitie heeft het voordeel van de
duidelijkheid, maar veronderstelt nog steeds een zware
bewijslast. Op sommige punten lijkt het zelfs moeilijker
te worden. Bijvoorbeeld, bij het intrekken van eerder
gegeven toestemming of, bijvoorbeeld, bij alcohol is er
geen toestemming wanneer de vrije wil is aangetast.
Mevrouw De Wit vraagt hoe een rechter dit moet be
oordelen. Wordt de bewijslast hiermee omgekeerd? We
moeten uitklaren wat we hieronder verstaan en hoe dit
moet worden geïnterpreteerd. Men moet waarborgen
geven aan de rechten van verdediging. Het mag ook
niet moeilijker worden voor de slachtoffers om bepaalde
zaken te kunnen aangeven. Er zal meer nodig zijn dan
alleen wetgeving (bewijsvergaring, verhoor, opleiding).
Veel factoren zullen meespelen om dit op een goede
manier te kunnen doen. De toestemming en de beoor
deling ervan is cruciaal in dit verhaal.
De minister heeft verklaard dat hij de straffen zal
verhogen. Voor bepaalde misdrijven wordt de strafmaat
verhoogd, voor anderen dan weer niet. Spreekster ziet niet
altijd de ratio hiervan. Het wordt niet steeds verduidelijkt.
De N-VA-fractie is al jaren vragende partij om seksuele
misdrijven zwaarder te bestraffen, maar dat moet uiter
aard proportioneel gebeuren. Die proportionaliteit is er
evenwel niet altijd.
Mevrouw De Wit haalt hier enkele voorbeelden aan,
die naar voor zijn gebracht door de OVB tijdens de
hoorzittingen:
découle de l’approche graduelle retenue dans le nouveau
Code pénal. C’est source de confusion. L’intervenante
se pose des questions à cet égard.
Mme De Wit constate que l’on se fonde également, en
ce qui concerne la surveillance électronique, la peine de
travail et le sursis (probatoire), sur des hypothèses qui
devraient s’inscrire dans le contexte d’une discussion
plus large sur l’ensemble des infractions. Ces éléments
sont insérés dans le projet de loi (art. 85 - 105), mais ils
vont au-delà de l’application du droit pénal sexuel. Le
projet ne donne que peu d’explications en la matière.
Mme De Wit estime que le ministre ne retient que ce
qui lui plaît, ce qui pourrait avoir des conséquences au
niveau de l’application sur le terrain.
Des tensions ont été mises en évidence au cours
des auditions. Des suggestions d’amendements ont
été faites. Il conviendra de se pencher sur ces éléments
avant d’entamer la discussion des articles.
L’un des principaux problèmes épinglés par Mme De
Wit concerne le consentement. La définition actuelle a
l’avantage de la clarté, mais elle suppose toujours une
lourde charge de la preuve que le projet de loi semble
même alourdir dans certains cas. L’intervenante évoque
notamment le retrait du consentement préalablement
donné ou aux personnes qui sous l’influence de l’alcool
et dont le libre arbitre est affecté. Mme De Wit demande
comment le juge devra évaluer de telle situations. Y
a-t-il en l’espèce un renversement de la charge de la
preuve? Il conviendra de préciser ce point et la manière
de l’interpréter. Les droits de la défense doivent être
sauvegardés. Il faut par ailleurs éviter de compliquer
la tâche des victimes qui souhaitent dénoncer certains
agissements. Il ne suffira pas pour cela d’adopter une
législation (collecte de preuves, interrogatoire, formation).
De nombreux facteurs devront être pris en considéra
tion pour atteindre ces objectifs. Le consentement et
l’appréciation du consentement sont d’une importance
cruciale en l’espèce.
Le ministre a annoncé son intention d’alourdir les
peines. Les peines sont alourdies pour certaines infrac
tions, mais pas pour d’autres. L’intervenante ne comprend
pas toujours la logique du système et le projet de loi
n’apporte pas de réponses claires à cet égard. Depuis
plusieurs années, le groupe N-VA demande que les
infractions sexuelles soient punies plus sévèrement. Il
convient bien entendu de privilégier la proportionnalité
en la matière, ce qui n’est pas toujours le cas.
Mme De Wit cite quelques exemples mis en évidence
par l’OVB au cours des auditions:
19
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
— Voyeurisme bij ieder verzwarend misdrijf: 10-15 jaar
of zelfs 15-20 jaar;
— Exhibitionisme in aanwezigheid van een minder
jarige: 6 maanden – 3 jaar;
— Bezitten en verwerven van beelden van seksueel
misbruik van minderjarigen: 1-3 jaar;
— Vervaardigen en verspreiden van dergelijke beel
den: 5-10 jaar.
Deze voorbeelden nodigen ons uit om de strafmaten
beter op elkaar af te stemmen en dit op een proportio
nele manier.
Het vraagstuk van de seksuele meerderjarigheid is
evenzeer een complexe problematiek. De huidige wet
tekst houdt onvoldoende rekening met bestaande realiteit
voor veel jongeren. We moeten uitgaan van de realiteit bij
jongeren en dat varieert. Wanneer een 17-jarig lid van de
scouts seksuele handelingen zou stellen (zelfs gewoon
zou “foefelen”) met een leider van 19 jaar (dus met een
gezagsfunctie), dan zou dit een strafbaar feit worden.
Uit hoorzittingen bleek eenduidig dat wat momenteel in
het ontwerp voorzien is, te strikt is en zich niet verhoudt
tot hoe jongeren zich vandaag in de realiteit seksueel
ontwikkelen. Er zullen wellicht situaties strafbaar worden,
terwijl dat in die gevallen niet wenselijk is.
Tussen 14- en 16-jarigen kan het contact volgens het
wetsontwerp, maar tussen een 15- en een 18-jarige kan
het niet. Dit lijkt volgens spreekster evenmin de bedoeling,
maar dit is de consequentie van de tekst die hier voorligt.
Er moet meer soepelheid zijn. We moeten jongeren
beschermen, maar we mogen niet criminaliseren daar
waar niets aan de hand is.
Het leeftijdsverschil van 2 jaar is te beperkend, net als
de voorwaarde dat er beneden de 18 jaar geen sprake
mag zijn van een gezags- of vertrouwensrelatie.
De fractie van mevrouw De Wit pleit voor een grotere
soepelheid zodat jongeren in hun normale seksuele
ontwikkeling niet gecriminaliseerd worden. De uitwerking
van de commissie van experts die onder de Zweedse
coalitieregering werd vastgelegd, lijkt een goed even
wicht tussen het beschermen van de zwakkeren en het
mogelijk maken van die seksuele ontwikkeling.
De commissie van experts onder de vorige regering
had een goed evenwicht bereikt. Waarom is daarvan
afgeweken? Waarom is een ander compromis bereikt?
— Infraction de voyeurisme dans le cadre de toute
infraction aggravée: 10 à 15 ans, voire 15 à 20 ans;
— exhibitionnisme en présence d’un mineur: 6 mois
à 3 ans;
— détention et acquisition d’images d’abus sexuels
d’un mineur: 1 à 3 ans;
— production et diffusion de ces images: 5 à 10 ans.
Ces exemples nous invitent à harmoniser les peines
en assurant la proportionnalité.
La question de la majorité sexuelle est également
complexe. Le projet de loi à l’examen ne tient pas suf
fisamment compte de la réalité de nombreux jeunes.
Nous devons nous fonder sur la réalité des jeunes, qui
varie selon le cas. Lorsqu’un scout âgé de 17 ans se
livre à des actes sexuels (même s’il ne s’agit que d’attou
chements) avec un chef de 19 ans (qui a une fonction
d’autorité), il s’agit, selon le texte, d’un comportement
punissable. Les auditions ont clairement montré que
le dispositif actuellement prévu par le projet de loi à
l’examen est trop strict et ne correspond pas à la façon
dont les jeunes se développent sur le plan sexuel dans
la réalité actuelle. Certains comportements vont être
incriminés alors que ce n’est pas souhaitable.
Le projet de loi à l’examen autorise les contacts entre
les jeunes de 14 et 16 ans, mais pas entre les jeunes de
15 et 18 ans. Tel n’est sans doute pas l’objectif poursuivi,
mais il s’agit bien d’une conséquence du texte à l’examen.
Il convient de faire preuve de plus de flexibilité. Il faut
protéger les jeunes tout en évitant de criminaliser les
comportements qui ne méritent pas de l’être.
La différence d’âge de deux ans est trop restrictive,
tout comme la condition selon laquelle il ne peut être
question d’une relation d’autorité ou de confiance en-
dessous de l’âge de 18 ans.
Le groupe de Mme De Wit préconise une plus grande
flexibilité afin que les jeunes ne soient pas criminalisés
dans leur développement sexuel normal. Les travaux
de la commission d’experts créée sous la coalition
suédoise semblaient préserver un bon équilibre entre
la protection des faibles et la volonté de permettre leur
développement sexuel.
La commission d’experts constituée sous le gou
vernement précédent avait trouvé un bon équilibre.
Pourquoi ne pas s’y tenir? Pourquoi a-t-on privilégié un
2141/006
DOC 55
20
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Kan dit evenwicht heroverwogen worden? Spreekster
wenst zich af te stemmen op wat toen als voorstel voor
lag, met de volgende graduele bescherming: Boven de
16 jaar geldt de volledige keuzevrijheid; onder de 14 jaar
is er het onweerlegbare vermoeden dat de jongere niet
uit vrije wil kan toestemmen. Tussen 14 en 16 jaar wordt
de jongere geacht te kunnen toestemmen, tenzij er een
leeftijdsverschil zou zijn van meer dan 5 jaar of tenzij
de partner zich in een gezags- of vertrouwenspositie
zou bevinden. Onderzoek heeft aangetoond dat het
risico op misbruik exponentieel toeneemt vanaf een
leeftijdsverschil van 3 tot 5 jaar. Inspiratie werd gehaald
uit de Canadese strafwetgeving waar ook een verschil
van 5 jaar geldt.
De NVA-fractie wenst zich te aligneren op het voorstel
dat destijds voorlag, maar richting 3 jaar kan eventueel
ook. 2 jaar is echter te krap en te strikt, waarbij onge
wenste gevolgen niet uit te sluiten zijn.
Een volgend gevoelig aandachtspunt is prostitutie,
dat volgens de regeringsmeerderheid volledig zou
“gelegaliseerd” worden. Dat is helemaal niet het geval.
Integendeel, alles wordt alleen maar ingewikkelder
gemaakt. Uit de hoorzittingen gingen de adviezen alle
richtingen uit, maar wat vaststaat is dat er alléén maar
kritiek kwam. De compromistekst, waar de regering
zolang over moest onderhandelen, is door niemand po
sitief onthaald. Dit onderdeel moet absoluut herbekeken
worden, aldus mevrouw De Wit.
Vooreerst vergt échte legalisering veel meer dan enkel
wat aanpassingen in de strafwet. Er is veel meer nood aan
een sociaal- en arbeidsrechtelijk statuut voor sekswer
kers. Er zijn aanpassingen nodig aan de Gemeentewet.
Er zou een ontwerp van minister Dermagne in de maak
zijn. Misschien kan een en ander beter worden samenge
voegd tot één groot prostitutieplan. De problematiek moet
immers ruimer en multidisciplinair worden aangepakt.
Uit de hoorzittingen is gebleken dat, ook al krijgen
de sekswerkers een statuut, dit geen misbruiken zal
wegnemen. Dit is, jammer genoeg, eigen aan de sec
tor. 70 % van de sekswerkers die in Nederland volgens
statuut werken, is nog steeds slachtoffer van uitbuiting
en misbruik. Bovendien komt het merendeel van de
prostituees uit het buitenland en reizen ze continu rond,
dus wat hebben ze dan aan een Belgisch statuut?
Indien prostitutie wordt gelegaliseerd, zullen Oost-
Europese vrouwen massaal via legale detachering naar
hier gestuurd worden. In Nederland is gebleken dat dit
compromis différent? Ne pourrait-on pas envisager de
revenir à cet équilibre? L’intervenante souhaite s’aligner
sur ce qui a été proposé à l’époque, et donc sur une
protection graduelle organisée comme suit: au-dessus
de 16 ans, la liberté de choix serait totale; en-dessous
de 14 ans, il existerait une présomption irréfragable
que le jeune ne peut pas consentir de son plein gré.
Entre 14 et 16 ans, le jeune serait réputé capable de
consentir, sauf si la différence d’âge est supérieure à
5 ans ou si le partenaire se trouve en position d’autorité
ou de confiance. Des études ont montré que le risque
d’abus augmente de façon exponentielle à partir d’une
différence d’âge de 3 à 5 ans. La proposition précitée
s’inspirait du droit pénal canadien, qui retient également
une différence d’âge de 5 ans.
Le groupe N-VA souhaite s’aligner sur cette proposition
tout en ajoutant que l’on pourrait éventuellement s’orienter
vers une différence d’âge de 3 ans. La différence d’âge
de 2 ans est en tout cas trop petite et risque d’entraîner
des conséquences indésirables.
Autre sujet sensible: la prostitution, qui, selon la majo
rité gouvernementale, serait entièrement “légalisée”. Or,
ce n’est pas du tout le cas, bien au contraire. Le projet
de loi à l’examen ne fait que compliquer les choses.
Les experts entendus en commission, qui ont exprimé
des positions très variées, ont critiqué unanimement
cette partie du projet. Le texte de compromis que le
gouvernement a dû négocier pendant si longtemps n’a
été accueilli positivement par personne. Mme De Wit
estime qu’il est impératif de réexaminer cette section.
Tout d’abord, une véritable légalisation nécessitera
bien plus que quelques modifications du droit pénal. On
aurait bien plus besoin d’un statut pour les travailleurs
du sexe en droit social et en droit du travail. Des modi
fications doivent être apportées à la loi communale. Un
projet du ministre Dermagne serait en cours d’élabora
tion. Peut-être serait-il préférable de regrouper tout cela
dans un seul grand plan sur la prostitution. En effet,
ce problème doit être abordé de manière plus large et
multidisciplinaire.
Il ressort des auditions que même si les travailleurs
du sexe obtiennent un statut, cela n’éliminera pas les
abus. Cette situation est, malheureusement, inhérente
à ce secteur. En effet, 70 % des travailleurs du sexe
qui ont un statut aux Pays-Bas y sont encore victimes
d’exploitation et d’abus. De plus, la majorité des prosti
tuées viennent de l’étranger et voyagent en permanence.
Quelle serait alors l’utilité pour elles d’un statut belge?
Si la prostitution est légalisée, des femmes d’Europe
de l’Est seront envoyées ici en masse par le biais du
détachement légal. Aux Pays-Bas, il apparaît qu’il s’agit
21
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een vrijgeleide betekende voor criminele bendes. Dit
kan niet de bedoeling zijn.
Sekswerkers in een moeilijke situatie worden mis
schien nog verder ondergronds geduwd.
Het wetsontwerp heeft vele goede bedoelingen, maar
betekent enkel een oplossing voor zij die zich vandaag
al bewust en zelfstandig prostitueren. Met dit voorstel
wordt de doelstelling van de commissie tot hervorming
van het strafrecht echter helemaal niet bereikt, aldus
mevrouw De Wit. De overlap met mensenhandel is
groot en wordt alleen maar groter. Dit kan zeer nefaste
gevolgen hebben voor de slachtoffers en moet dan ook
vermeden worden. Wanneer de procureurs-generaal
bijna gesmeekt hebben om deze wetswijziging niet
door te voeren omdat ze anders mensenhandel niet
meer kunnen vervolgen, dan mag die vrees toch niet
genegeerd worden.
Mevrouw De Wit pleit er dan ook voor om voorlopig
de huidige wetgeving nog even te behouden, zoals het
College van procureurs-generaal vraagt. Vraag is dan wat
we moeten aanpassen aan het misdrijf van mensenhan
del? Misdrijven als prostitutie en mensenhandel moeten
samen aangepakt worden in de globale herziening van
het strafrecht, zodat het misdrijf mensenhandel dan her
bekeken kan worden om de opsporing en vervolging van
seksuele uitbuiting te vergemakkelijken. De 2 misdrijven
kunnen duidelijk niet losgezien worden van elkaar. Als
we dit doen, treden we buiten het seksueel strafrecht.
Tezelfdertijd moet worden erkend dat vrijwillige seks
werkers in zeer moeilijke (juridische) omstandigheden
werken en dat ze nood hebben aan een volwaardig
sociaal- en arbeidsrechtelijk statuut. Maar anderzijds
moet bescherming mogelijk blijven voor de wellicht veel
grotere groep van vrouwen die seksueel uitgebuit worden.
Het is een bijzonder moeilijk evenwicht. Misschien is het
nodig om de belangen van beide groepen te verenigen.
Zoals de tekst nu voorligt en rekening houdende met
de bedenkingen van het terrein en de belangengroepen,
moeten we de opmerkingen weten te verenigen. Er moet
bescherming mogelijk blijven. De huidige tekst biedt
nog geen oplossing. Een vacuüm laten bestaan rond
mensenhandel kan niet de bedoeling zijn.
Mevrouw De Wit meent dat de memorie van toelichting
van heel slechte kwaliteit is. Voor heel wat artikelen is
d’un sauf-conduit pour les bandes criminelles. Tel ne
peut pas être l’objectif.
Les travailleurs du sexe en situation difficile peuvent
être poussés encore plus loin dans la clandestinité.
Le projet de loi exprime de nombreuses bonnes
intentions, mais n’apportera une solution que pour les
personnes qui se prostituent déjà aujourd’hui volontai
rement et de manière indépendante. Selon Mme De
Wit, cette proposition n’atteindra cependant pas du tout
l’objectif de la Commission de réforme du droit pénal.
Le chevauchement avec la traite des êtres humains est
important et ne fera qu’augmenter. Cela pourrait avoir
des conséquences très néfastes pour les victimes et
cela doit donc être évité. Étant donné que les procureurs
généraux ont pratiquement supplié de ne pas mettre en
œuvre cette modification législative, sans quoi ils ne
pourront plus poursuivre la traite des êtres humains,
leur crainte ne peut être ignorée.
Mme De Wit plaide donc en faveur du maintien pro
visoire de la législation actuelle, comme le Collège des
procureurs généraux. La question se pose dès lors de
savoir ce que nous devons modifier en ce qui concerne
l’infraction de la traite des êtres humains. Les infractions
telles que la prostitution et la traite des êtres humains
doivent être examinées ensemble, dans le cadre de
la révision globale du droit pénal, afin que l’infraction
de traite des êtres humains puisse ensuite être revue
pour faciliter les enquêtes et les poursuites en matière
d’exploitation sexuelle. Ces deux infractions sont claire
ment indissociables. Si nous faisons cela, nous sortirons
du champ d’application du droit pénal sexuel.
Parallèlement, il faut reconnaître que les travailleurs
du sexe volontaires travaillent dans des circonstances
(juridiques) très difficiles et qu’ils ont besoin d’un sta
tut à part entière en droit social et en droit du travail.
D’autre part, la protection doit rester possible pour le
groupe peut-être beaucoup plus important de femmes
exploitées sexuellement.
C’est un équilibre très difficile à trouver. Il convient
peut-être de concilier les intérêts des deux groupes.
Dans l’état actuel du texte, et compte tenu des pré
occupations exprimées sur le terrain et par les groupes
d’intérêt, nous devons trouver une solution pour concilier
les différentes observations. La protection doit rester
possible. Le texte actuel n’offre pas encore de solution.
Il ne serait pas admissible de conserver un vide autour
de la question de la traite des êtres humains.
Mme De Wit estime que l’exposé des motifs est de
très mauvaise qualité. Pour de nombreux articles, il ne
2141/006
DOC 55
22
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zelfs geen artikelsgewijze toelichting opgenomen, terwijl
dit heel belangrijk is voor de praktijk om juiste interpretatie
en toepassing te kunnen maken. Deze kritiek werd ook
meermaals tijdens de hoorzitting gemaakt, o.a. door
het College van procureurs-generaal. Ook al is het niet
de bedoeling om alle rechtspraak en rechtsleer op de
schop te doen. “Perfide”, “vrij wil”… er zijn altijd nieuwe
zaken die toelichting behoeven. Voor “benadering van
een minderjarige voor seksuele doeleinden” is er geen
toelichting. Voor verregaande aanpassingen zoals “ver
ruiming van het elektronisch toezicht, probatie” is er
evenmin toelichting. Misschien biedt het parlementair
debat van de komende dagen een antwoord.
Er is in het wetsontwerp niet altijd een oplossing voor
specifieke fenomenen. Voor een aantal zaken is nog
amendering nodig, ofwel in dit ontwerp, ofwel in het
nieuw Strafwetboek. Mevrouw De Wit illustreert dit met
volgende voorbeelden: “Dick-pics”, het versturen van
beelden, aan iemand die dit niet wil zien, dit kan ook
elektronische belaging zijn, maar dat is dan een bepaling
voor het nieuw Strafwetboek. Dat moet nog volgen…
De “deep nudes” (realistische fakes) zouden eigenlijk
ook strafbaar moeten zijn. Dit is niet opgenomen in de
tekst. Moet “sextortion” ook opgenomen worden, of valt
dit onder “afpersing”? Maar dan zal de incriminatie van
afpersing in het nieuwe Strafwetboek moeten worden
aangepast. Het “bezit van beelden” en het behoud ervan
na een relatie, dienen we dit op te nemen of niet? Gaat
dit te ver of niet?
Deze voorbeelden tonen aan hoe ingewikkeld de
oefening is. Er Iigt een verdienstelijke tekst voor ter
bespreking, maar er zijn nog wat losse eindjes. Er is
nog veel werk om dit grondig te (her)bekijken. De tekst
is goed, maar het werk is nog niet af. Spreekster hoopt
eveneens dat de minister een oor heeft voor de voorstel
len die van de oppositie komen.
Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich voor een aantal
punten aan bij het betoog van mevrouw De Wit. Het
ontwerp is een stap in de goede richting. Het zal een
moeilijke klus zijn om tot een consensus te komen. Er
is nog veel werk aan de winkel. De hoorzittingen waren
interessant, maar er kwamen tezelfdertijd veel contra
dicties en manifeste onwaarheden aan het licht. Het
wetsontwerp is prematuur in verschillende opzichten.
Verschillende inconsequenties werden nog niet weg
gewerkt. Er zullen nog veel amendementen nodig zijn.
De bevindingen van de commissie tot hervorming van
het strafrecht toonden het enorme maatschappelijke
belang aan dat er eerst een focus is op het seksueel
strafrecht. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de globale
fournit même pas de commentaire, alors que les com
mentaires sont très importants en pratique pour pouvoir
interpréter et appliquer correctement les articles. Cette
critique a également été formulée à plusieurs reprises
au cours des auditions, notamment par le Collège des
procureurs généraux. Quoique l’intention ne soit pas
d’abandonner toute la jurisprudence et la doctrine, de
nouveaux termes nécessitent des explications: “perfide”,
“librement”, etc. L’expression “approche d’un mineur à
des fins sexuelles” n’est pas expliquée. Les modifica
tions de grande envergure telles que l’élargissement
de “la surveillance électronique” et de “la probation” ne
sont pas expliquées non plus. Le débat parlementaire
des prochains jours apportera peut-être des réponses.
Le projet de loi ne règle pas toujours les phénomènes
spécifiques. Un certain nombre de points devront encore
être modifiés, soit dans le projet à l’examen, soit dans le
nouveau Code pénal. Mme De Wit illustre son propos en
citant les exemples suivants: concernant les “dickpics”,
l’envoi d’images à quelqu’un qui ne souhaite pas les
voir, il pourra s’agir d’un harcèlement électronique, mais
il s’agira alors d’une disposition destinée au nouveau
Code pénal à venir… Les “deep nudes” (trucages vidéo
ultra-réalistes) devraient en fait être également punis
sables. Ce n’est pas prévu par le texte. La “sextorsion”
devrait-elle également être incluse, ou relève-t-elle de
l’”extorsion”? Dans ce cas, il faudra modifier l’incrimination
de l’extorsion dans le nouveau Code pénal. Concernant
la “possession d’images” et leur conservation après
une relation: faut-il les inclure ou non? Cela va-t-il trop
loin ou non?
Ces exemples illustrent la complexité de cet exercice.
Le texte à l’examen est louable, mais il comporte encore
quelques points faibles. Beaucoup de choses restent à
faire pour le (ré)examiner en profondeur. Le texte est bon,
mais le travail n’est pas terminé. L’intervenante espère
également que le ministre écoutera les propositions de
l’opposition.
Mme Katleen Bury (VB) souhaite se rallier à l’inter
vention de Mme De Wit sur un certain nombre de points.
Le projet va dans la bonne direction. Il sera difficile de
parvenir à un consensus. Beaucoup de choses restent
à faire. Les auditions étaient intéressantes, mais de
nombreuses contradictions y ont été exprimées, ainsi
que des contrevérités manifestes. Le projet de loi est
prématuré à plusieurs égards. Plusieurs incohérences
n’ont pas encore été éliminées. De nombreux amende
ments seront encore nécessaires.
Les conclusions de la Commission de réforme du
droit pénal ont souligné que, sur le plan social, il est
très important de se concentrer d’abord sur le droit
pénal sexuel. Cela n’enlève rien, bien sûr, au fait que la
23
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hervorming zeker niet op zich moet laten wachten. Het
argument dat het seksueel strafrecht vanuit een andere
systematiek is geschreven en begrippen invoert die nog
niet gekend zijn, mogen daarom nog niet in rekening
worden gebracht.
Spreekster acht het een goede zaak dat seksueel
strafrecht reeds apart wordt aangepakt. We moeten
niet wachten totdat het algemeen strafrecht helemaal
in gereedheid wordt gebracht. We mogen niet talmen
omwille van de introductie van nieuwe begrippen.
Mevrouw Bury koestert de vrees dat in de praktijk veel
meer nodig zal zijn. Procedures blijven te lang aanslepen.
Zij wijst op de verdubbeling van het aantal zedenzaken
in Brussel en de lange wachttijden. Dit alles vergt een
extra inzet van personeel en middelen. We nemen in de
pers kennis van de schokkende cijfers. Deze hervorming
komt aan deze cijfers niet tegemoet.
Elke dag komen er 10 slachtoffers een verkrachting
aangeven. Dit vormt slechts 10 % van werkelijke totaal.
Er vinden dus 100 verkrachtingen per dag plaats. Circa
de helft van de slachtoffers onderneemt een poging tot
zelfmoord. 2 van de 3 slachtoffers zijn niet meer in staat
om een relatie aan te gaan. 8,5 % van de slachtoffers
raakt zwanger na een verkrachting. 40 % hiervan kiest
voor een zwangerschapsonderbreking. 6 tot 12 % van
de mannelijke bevolking is een verkrachter. In 70 %
van de gevallen is de verkrachter een bekende van
het slachtoffer. Meer dan 70 % is recidivist. In België is
straffeloosheid het echte probleem.
Het is een goede zaak dat er hogere straffen zullen
zijn bij recidive, maar er moet meer ingezet worden op
dader profiling. De dader moet vanaf het eerste geval
binnenste buiten gekeerd worden om na te gaan of er
geen antecedenten zijn. Alleen op die wijze kunnen
we de dader detecteren en uit de maatschappij halen.
Hier hangt een enorm prijskaartje aan vast. Gaan we
dit allemaal weggewerkt krijgen met de hervorming die
op tafel ligt? We hebben in de breedte meer middelen
nodig opdat we terug in de maatschappij zonder zorgen
kunnen rondlopen, zeker na de gebeurtenissen in het
Gentse en Brusselse nachtleven.
Wat de seksuele handelingen van jongeren tussen de
14 en de 16 jaar betreft, stellen we vast dat er maximaal
een leeftijdsverschil van 2 jaar kan zijn. Als we dat sa
menlezen met 16 jaar en verzwarende omstandigheden,
zou dat ertoe kunnen leiden dat een meerderjarige, die
meer dan 2 jaar ouder is dan een 14 tot 16-jarige, voor
het contact kan worden gestraft met een opsluiting van
20 tot 30 jaar. Een jongere van 18 jaar die, met toestem
ming, seksueel contact heeft gehad met een 15-jarige,
réforme globale ne doit certainement pas être retardée.
L’argument selon lequel le droit pénal sexuel a été rédigé
sur la base d’une systématique différente et a introduit
des concepts qui ne sont pas encore connus ne doit
donc pas encore être pris en compte.
L’intervenante estime qu’il est positif que le droit pénal
sexuel soit déjà traité séparément. Nous ne devons pas
attendre que le droit pénal général soit finalisé. Nous
ne pouvons pas traîner en raison de l’introduction de
nouveaux concepts.
Mme Bury craint qu’en pratique, il faille en faire beau
coup plus. Les procédures sont trop longues. Elle souligne
le doublement du nombre d’affaires de mœurs à Bruxelles
et les longs délais d’attente. Tout cela nécessite l’enga
gement de personnel et de moyens supplémentaires.
La presse cite des chiffres choquants. Cette réforme ne
répond pas à ces chiffres.
Chaque jour, dix victimes signalent un viol. Cela ne
constitue que 10 % du total réel. Cent viols ont donc
lieu chaque jour. Près de la moitié des victimes font une
tentative de suicide. Deux victimes sur trois ne sont plus
en mesure de s’engager dans une relation, et 8,5 % des
victimes tombent enceintes après avoir été violées, 40 %
d’entre elles choisissant d’interrompre leur grossesse. De
6 à 12 % de la population masculine sont des violeurs.
Dans 70 % des cas, le violeur est une connaissance de
la victime. Plus de 70 % sont des récidivistes. L’impunité
est le véritable problème en Belgique.
Il est positif que les peines infligées seront plus éle
vées en cas de récidive, mais il faut miser davantage
sur le profilage de l’auteur. L’auteur doit, dès le premier
cas, faire l’objet d’un examen exhaustif qui permette de
contrôler s’il n’existe pas d’antécédents. C’est la seule
manière d’identifier un auteur et l’écarter de la société.
Cela aura un coût très élevé. Tout sera-t-il réglé par la
réforme envisagée? Davantage de moyens seront néces
saires, au sens large du terme, pour pouvoir à nouveau
circuler sans crainte dans la société, a fortiori après les
événements qui se sont produits dans le monde de la
nuit à Gand et à Bruxelles.
S’agissant des actes à caractère sexuel des jeunes
de 14 à 16 ans, nous observons que la différence d’âge
ne peut excéder deux ans. Si nous considérons cette
différence d’âge conjointement avec l’âge de 16 ans et
des circonstances aggravantes, il pourrait en résulter
qu’un majeur âgé de plus de 2 ans par rapport à un ado
lescent de 14 à 16 ans pourra être puni de la réclusion
de vingt à trente ans pour un contact sexuel. Un jeune
de 18 ans ayant eu un contact sexuel consenti avec un
2141/006
DOC 55
24
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zou dan 20 tot 30 jaar opsluiting kunnen vrezen. Is dit
geen stap in de verkeerde richting?
Het uitwisselen van seksuele beelden, ook met toe
stemming, bevat contradicties. Dat 14 tot 16-jarigen geen
toestemming kunnen verlenen, is een contradictie met
het feit dat ze al seksuele betrekkingen kunnen hebben.
Voor bepaalde seksuele misdrijven werd er in 2001
een lijst opgesteld waarbij bepaalde straffen gewoon
uit gefilterd werden. Dit was het geval met het bijzonder
elektronisch toezicht, de werkstraf en de autonome pro
batiestraf. Deze zaken werden uitgesloten. Nu merken
we in dit wetsontwerp terug een verruiming. Dit is voor
de fractie van mevrouw Bury onaanvaardbaar.
De Memorie van Toelichting stelt dat de terbeschik
kingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zal wor
den herzien. Kan de minister hier toelichting over ge
ven? Mevrouw Bury vindt dat deze niet kunnen worden
teruggeschroefd.
Uit het wetsontwerp blijkt dat de minister een ver
soepeling wenst in te voeren voor de opschorting en de
probatie. Mevrouw Bury wenst hier niet in mee te gaan.
Voorts verwijst mevrouw Bury naar de opmerkingen
van één van de deskundigen (mevrouw Rosy) om de
notie “perfide” op een andere manier te omschrijven.
Prostitutie was eveneens een zeer moeilijke discussie
waar de mensen op het terrein elkaar volledig tegen
spraken. Ook daar moeten we verder op ingaan
Het is nodig om de discussie aan te gaan over de
nieuwe kwalificaties en het al dan niet bijmaken van
nieuwe misdrijven. De vraag stelt zich of de “dickpicks”
valt onder “belaging” waar het repetitief karakter niet
voor nodig is. Het komt spreekster voor dat er geen
behoefte is om artikelen bij te creëren als dit ook kan
op een andere manier.
De terminologie van “verkrachting” moet nog verder
worden uitgediept.
Wat “voyeurisme” betreft, kan het niet de bedoeling zijn
dat, wanneer iemand in een kapperszaak zich ontdoet
van een hoofddoek en er een foto wordt genomen, dit
onder “voyeurisme” valt. Het moet over andere zaken
van het lichaam gaan en niet over het haar. De advoca
ten hebben erop gewezen dat dit voor problemen zou
kunnen zorgen.
jeune de 15 ans pourrait dès lors craindre une réclusion
de vingt à trente ans. N’est-ce pas une régression?
L’échange, consensuel également, d’images sexuelles
présente des contradictions. Le fait que les jeunes de 14
à 16 ans ne puissent pas donner leur consentement est
en contradiction avec le fait que ces derniers peuvent
déjà avoir des relations sexuelles.
Pour certaines infractions sexuelles, une liste dressée
en 2001 exclut tout simplement certaines peines, par
exemple la surveillance électronique particulière, la peine
de travail et la peine de probation autonome. Ces peines
ont été exclues. Nous observons à présent de nouveau
un élargissement dans le projet de loi à l’examen, ce
que le groupe de Mme Bury juge inacceptable.
L’exposé des motifs indique que la mise à disposition
du tribunal de l’application des peines sera révisée. Le
ministre pourrait-il donner des précisions à cet égard?
Mme Bury estime qu’elle ne peut pas être revue à la
baisse.
Il ressort du projet de loi que le ministre souhaite
introduire un assouplissement en ce qui concerne la
suspension et la probation. Mme Bury ne souhaite pas
le soutenir.
Mme Bury renvoie en outre aux observations de l’un
des experts (Mme Rosy) pour définir différemment la
notion de “perfidie”.
La prostitution a également fait l’objet d’une discussion
très difficile au cours de laquelle les acteurs de terrain
ont soutenu des opinions totalement opposées. Ce point
devra également être examiné plus en détail.
Il conviendra de discuter des nouvelles qualifications et
de la question de savoir si de nouvelles infractions doivent
être ajoutées ou non. La question se pose de savoir si
les “dickpicks” relèvent du “harcèlement” pour lequel le
caractère répétitif n’est pas nécessaire. L’intervenante
estime qu’il n’est pas nécessaire de créer de nouveaux
articles s’il est possible de procéder autrement.
Le sens du mot “viol” devra encore être précisé.
S’agissant du “voyeurisme”, il ne serait pas admissible
que le fait de photographier une personne ôtant un voile
dans un salon de coiffure relève du “voyeurisme”. Il doit
s’agir d’autres parties du corps et non des cheveux. Les
avocats ont souligné que ce point pourrait être source
de problèmes.
25
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Er is, aldus mevrouw Bury, nog veel werk aan de winkel.
Zij beklemtoont aan de teksten te willen meewerken en
hoopt dat er ook naar de oppositie wordt geluisterd als
er constructieve voorstellen worden ingediend.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) betreurt de werk
methode die de minister voor dit wetsontwerp heeft
gehanteerd. Uit de hoorzittingen blijkt dat over deze tekst
te weinig overleg met de actoren in het veld is gepleegd
voordat hij in het Parlement werd ingediend; het wets
ontwerp is dan ook onvoldoende voldragen. Dit valt des
te meer te betreuren daar deze materie juist een goede
terreinkennis en dus een brede raadpleging vereist.
De heer Boukili is van oordeel dat het wetsontwerp
manco’s vertoont.
Het recht op juridische bijstand vanaf het eerste verhoor
is niet gewaarborgd voor het slachtoffer maar wel voor
de dader. Uit de hoorzittingen blijkt evenwel dat wanneer
een advocaat vanaf het eerste verhoor aanwezig is, zulks
voorkomt dat het slachtoffer inconsistente verklaringen
aflegt; door inconsistenties komt het immers vaak niet
tot een veroordeling.
Evenzo zou de tekst volgens de heer Boukili erin moe
ten voorzien dat de verdachte kan worden verplicht tot
het ondergaan van een psychologisch onderzoek door
een gespecialiseerde dienst. Aan de hand van dergelijke
onderzoeken kan men nagaan of de verdachte de waar
heid spreekt én tegelijkertijd een idee krijgen van diens
verbeeldingsvermogen, verleden en handelswijze; stuk
voor stuk elementen die het gevaar dat de betrokkene
voor de samenleving vormt, beter helpen in te schatten.
Tijdens dat onderzoek kan de verdachte tevens worden
gevraagd waarom hij ervan uitging dat er toestemming
was, zonder dat het de bedoeling is de bewijslast om
te keren. Hoewel het een goede zaak is dat het wets
ontwerp op het slachtoffer toegespitst blijft, komt het er
voor de heer Boukili op aan een andere benadering te
kiezen, het onderzoek anders aan te sturen en bij dat
onderzoek op de verdachte te focussen.
Voor het overige stelt de heer Boukili vast dat de
tekst doelbewust (gender-)neutraal is opgesteld en de
werkelijkheid dus niet weerspiegelt. Als het om de feiten
gaat, zijn de slachtoffers veelal vrouwen en de daders
veelal mannen.
Wat het begrip “toestemming” betreft, gaat de tekst
volgens de spreker in de goede richting. Toch vindt hij
dat erin zou moeten gepreciseerd dat de toestemming
niet alleen vrij maar ook uitdrukkelijk moet zijn, dat wil
zeggen dat de toestemming duidelijk tot uiting moet zijn
gebracht. Hij roept ertoe op een voorbeeld te nemen aan
Mme Bury estime que beaucoup de choses restent
à faire. Elle insiste sur sa volonté de collaborer à la
rédaction des textes et espère que l’opposition sera
également écoutée si des propositions constructives
sont déposées.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) regrette la méthode de
travail utilisée par le ministre pour ce projet. Il ressort
des auditions que ce texte n’a pas fait l’objet d’une
concertation suffisante avec les acteurs du terrain avant
d’être déposé au parlement et n’est donc pas suffisam
ment abouti. Ceci est d’autant plus regrettable que cette
matière requiert précisément une bonne connaissance
du terrain et donc une large consultation.
M. Boukili estime que le projet comporte certaines
lacunes.
Le droit à une assistance juridique dès la première
audition n’est pas garanti pour la victime alors qu’il l’est
pour l’auteur. Or il ressort des auditions que la présence
d’un avocat dès la première audition permettrait d’éviter
des inconsistances dans les déclarations de la victime
qui souvent mènent à une absence de condamnation.
De même, pour M. Boukili le texte devrait prévoir la
possibilité d’imposer au suspect de se soumettre à un
examen psychologique par un service spécialisé. Ces
examens permettent d’évaluer si le suspect dit la vérité
mais aussi de se faire une idée de leur imagerie mentale,
de leur passé, de leur mode opératoire, autant d’éléments
qui permettent de mieux évaluer le risque pour la société
que représente l’individu. Cet examen permettra aussi
de demander au suspect pourquoi il pensait qu’il y avait
consentement, sans pour autant renverser la charge de
la preuve. Même s’il est positif que le texte reste axé sur
la victime, il faut pour M. Boukili d’approche, changer
l’orientation de l’enquête et accorder plus d’importance
au suspect dans l’enquête.
Par ailleurs, M. Boukili constate que le texte a été
volontairement formulé dans des termes neutres (non
genrés) et ne reflète donc pas la réalité. Dans les faits
la majorité des victimes sont des femmes, et la majorité
des auteurs des hommes.
Quant à la notion de consentement, l’orateur salue
l’évolution que le texte représente. Il estime cependant
que le texte devrait préciser que le consentement, outre
le fait qu’il doit être volontaire, doit aussi être explicite,
c’est-à-dire clairement exprimé. Il invite en cela à suivre
l’exemple du droit espagnol qui a coulé en force de loi
2141/006
DOC 55
26
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het Spaanse recht, dat wetskracht heeft verleend aan
het beginsel “alleen een ja is ja”. Aan de andere kant
stelt de heer Boukili dat de tekst niet aan het vermoeden
van onschuld raakt en de onderzoeksrechter een zekere
bewegingsvrijheid laat, wat een goede zaak is.
De heer Boukili zal amendementen indienen om voor
al die punten van kritiek oplossingen aan te reiken. In
dit verband wordt verwezen naar de artikelsgewijze
bespreking.
Over het algemeen is de spreker ingenomen met
deze belangrijke hervorming, die de goede richting
uitgaat. Hij benadrukt evenwel hoezeer dit debat een
middelenkwestie is. Het louter wijzigen van het wettelijk
raamwerk zal niets uithalen als tegelijkertijd niet wordt
voorzien in de nodige personele, financiële en materiële
middelen voor de toepassing ervan. De spreker brengt
in herinnering dat momenteel in Brussel slechts drie
magistraten zaken van seksueel geweld behandelen.
De heer Boukili pleit voor een systeem met referentie
rechters. Welke middelen zal de minister vrijmaken om
dit beleid ter bestrijding van seksueel geweld ten uitvoer
te kunnen leggen?
De heer Khalil Aouasti (PS) vestigt de aandacht op het
belang van het wetsontwerp, waarvan het thema thans
brandend actueel is. Hij herinnert eraan dat verkrachting
en seksuele agressie, waarvan voor het overgrote deel
vrouwen het slachtoffer zijn, misdrijven zijn die nog al
te vaak niet worden vervolgd en lange tijd taboe zijn
geweest in de Belgische samenleving. Pas sinds kort
durven vrouwen meer vrijuit te spreken, wat de spreker
toejuicht.
Voorts stelt de heer Aouasti vast dat het wetsontwerp
het pad van de moraal verlaat en meer in de richting van
het recht opschuift, wat uitermate positief is. Verkrachting
wordt niet langer beschouwd als een misdaad tegen
de familiale orde maar als een misdaad “zonder meer”.
De spreker geeft evenwel grif toe dat het wetsontwerp
niet perfect is en bovendien politieke keuzes maakt, in
het bijzonder aangaande het begrip “toestemming” en
alles wat prostitutie en pooierschap aangaat.
De heer Aouasti vindt het een brug te ver te stellen dat
de tekst werd ingediend zonder overleg met de sector.
De regering is bij de voorbereiding ervan wel degelijk
te rade gegaan bij de verenigingen die actief zijn in het
veld. Dat verklaart tevens de overwegend positieve ba
lans die de gastsprekers tijdens de hoorzittingen ervan
hebben opgemaakt.
Vervolgens gaat de spreker nader in op het begrip
“toestemming”. Het betreft een heikel punt, dat zich op
le principe selon lequel “seul un oui est oui”. M. Boukili
estime d’autre part que le texte laisse intacte la présomp
tion d’innocence et laisse une marge de manœuvre au
juge d’instruction, ce qui est positif.
M. Boukili annonce le dépôt d’amendements visant
à apporter des solutions à ces différentes critiques. Il
est renvoyé à cet égard à la discussion des articles.
De façon plus générale, l’orateur salue cette importante
réforme, qui va dans le bon sens. Il souligne cependant
à quel point la question des moyens est centrale dans
ce débat. La simple modification du cadre légal ne sera
pas suivie d’effet si les moyens humains, financiers,
matériels nécessaires à son application ne sont pas
mis sur la table. L’orateur rappelle qu’à l’heure actuelle
à Bruxelles, seuls trois magistrats sont affectés à la
question des violences sexuelles. M. Boukili plaide
pour la mise en place d’un système de juge référent.
Quels sont les moyens que le ministre entend dégager
pour accompagner cette politique de lutte les violences
sexuelles?
M. Khalil Aouasti (PS) souligne l’importance du projet
de loi, fortement ancré dans l’actualité Il rappelle que
les viols et agressions sexuelles, dont les femmes sont
majoritairement les victimes, restent des infractions lar
gement non poursuivies et ont longtemps été un tabou
dans la société belge. Ce n’est que très récemment
que l’on a pu assister à une libération de la parole des
femmes, ce dont l’orateur se réjouit.
M. Aouasti constate également que le texte s’éloigne
de la notion de morale pour glisser vers le domaine
du droit, ce qui est très positif. Le viol n’est plus conçu
comme un crime contre l’ordre des familles mais comme
un crime “tout court”.
L’orateur concède cependant volontiers que le projet
n’est pas parfait et réalise en outre des choix politiques,
en particulier sur les notions de consentement, et sur les
questions de la prostitution et du proxénétisme.
M. Aouasti estime que l’on ne peut affirmer que le
texte aurait été déposé sans concertation avec le secteur.
Le gouvernement a bel et bien préparé le travail avec
les associations actives sur le terrain, ce qui explique
également le bilan globalement positif dressé par les
invités au cours des auditions.
L’orateur revient ensuite sur la notion de consentement.
Il s’agit d’un sujet difficile car se situant à la frontière entre
27
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het raakvlak bevindt tussen het recht van het slachtoffer
om als dusdanig te worden erkend, en het vermoeden
van onschuld ten aanzien van de dader. Het wetsontwerp
wil het slachtoffer beter beschermen door te voorzien in
een onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toe
stemming in welbepaalde omstandigheden, die limitatief
worden opgesomd. Vele verenigingen waren opgetogen
over deze benadering. Dat neemt niet weg dat het ter
zake ontworpen artikel misschien nog nader moet worden
uitgewerkt. Hij herinnert eraan dat het strafrecht strikt
moet worden geïnterpreteerd en dat een exhaustieve lijst
wellicht geen ideale oplossing is. Slachtoffers van een
verkrachting die evenwel in andere dan de beschreven
omstandigheden heeft plaatsgevonden, zouden daardoor
geen aanspraak op die bescherming kunnen maken.
De spreker vraagt zich af of het niet beter is het begrip
“toestemming” algemeen te definiëren in de tekst. Het
lijdt geen twijfel dat de wetgever duidelijk moet zijn, maar
tegelijkertijd moet hij vertrouwen stellen in het gerecht en
de beoordelingsbevoegdheid van de rechter vrijwaren.
Wat de seksuele meerderjarigheid betreft, benadrukt
de heer Aouasti dat die onmogelijk volstrekt objectief kan
worden bepaald. Dat begrip zal altijd deels willekeurig
zijn en dus uit een politieke keuze voortvloeien. De
sociale realiteit mag niet over het hoofd worden gezien:
uit de cijfers blijkt dat sommige adolescenten vandaag
seksuele betrekkingen hebben vanaf hun veertiende;
met die werkelijkheid moet rekening worden gehouden.
Het is daarom nog niet de bedoeling alle seksuele
betrekkingen op die leeftijd te bevorderen of er een
vrijgeleide voor te geven. De spreker benadrukt dat we
te maken hebben met een ketting waarvan het recht de
laatste schakel is. Seksuele opvoeding en preventie zijn
de eerste schakels en in dat opzicht primordiaal. Deze
tekst speelt pas op het einde van de keten, wanneer de
handeling al heeft plaatsgehad.
Momenteel stelt de tekst dat toestemming niet mogelijk
is onder de leeftijd van 16 jaar, behoudens tussen 14
en 16 jaar, mits het leeftijdsverschil tussen de partners
kleiner is dan twee jaar. Zoals de tekst thans is gesteld,
heeft hij evenwel tot gevolg dat elke seksuele betrekking
met toestemming tussen twee minderjarigen die ouder
zijn dan 14, automatisch als verkrachting wordt gekwa
lificeerd als het leeftijdsverschil tussen beiden groter is
dan twee jaar. Zulks is niet het opzet en dus moet het
wetsontwerp op dat punt worden bijgestuurd. Bovendien
bevat het wetsontwerp een incoherentie, vermits tussen
twee partners waarvan het leeftijdsverschil niet groter
is dan twee jaar (nog steeds in de leeftijdsgroep 14-
16 jaar), wel seksuele betrekkingen mogelijk zijn maar
geen seksuele getinte correspondentie.
Vervolgens gaat de heer Aouasti in op het prosti
tutievraagstuk. Hoewel de spreker de achterliggende
d’une part le droit de la victime à être reconnue comme
telle et d’autre par la présomption d’innocence dont
bénéficie l’auteur. Le projet a pour objectif de renforcer la
protection de la victime en introduisant une présomption
irréfragable d’absence de consentement dans certaines
circonstances, énumérées de façon limitative. Cette
approche a été saluée par de nombreuses associations.
Mais il faut peut-être encore affiner cet article en projet.
Il rappelle que le droit pénal est de stricte interprétation
et qu’une liste exhaustive n’est donc sans doute pas la
solution idéale. Des victimes ayant subi un viol mais
dans des circonstances autres que celles décrites ne
pourraient se prévaloir de cette protection. L’orateur se
demande s’il ne serait pas préférable d’introduire dans
le texte une définition générale du consentement. Le
législateur, s’il doit être clair, doit aussi faire confiance à
la Justice et préserver le pouvoir d’appréciation du juge.
Concernant la majorité sexuelle, M. Aouasti souligne
qu’il est impossible de la fixer de manière totalement
objective. Cette notion contiendra toujours une part
arbitraire et résulte donc d’un choix politique. Il faut être
conscient des réalités sociales: les chiffres montrent que
certains adolescents ont aujourd’hui dès 14 ans des rela
tions sexuelles et cette réalité doit être prise en compte.
Il ne s’agit pas pour autant de promouvoir ou même de
donner un blanc-seing à toutes relations sexuelles à cet
âge. L’orateur insiste sur le fait que nous sommes en
présence d’une chaîne dont le droit ne constitue que le
dernier maillon. L’éducation sexuelle, la prévention sont
en début de chaîne et sont primordiales. Le présent texte
n’arrive qu’en fin de course quand l’acte a déjà eu lieu.
A l’heure actuelle, le texte établit qu’il n’y a pas de
consentement possible en dessous de l’âge de 16 ans,
sauf entre 14 et 16 si l’écart d’âge entre les partenaires
est de moins de deux ans. Toutefois le texte dans sa
rédaction actuelle a pour conséquence la qualification
automatique en viol de toute relation consentie entre
deux mineurs d’âge de plus de 14 ans si cette limite de
deux ans de différence d’âge est dépassée. Tel n’est pas
l’objectif et le projet doit donc être corrigé sur ce point.
En outre le projet contient une incohérence puisque
les relations sexuelles sont possibles entre deux par
tenaires n’ayant pas plus de deux ans de différences
(toujours dans cette tranche de 14-16 ans) mais pas la
correspondance à caractère sexuel.
M Aouasti revient ensuite sur la question de la pros
titution. Saluant le projet sur les principes qu’il pose,
2141/006
DOC 55
28
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
beginselen van het wetsontwerp steunt, vindt hij dat
het moet worden bijgestuurd om de rechtszekerheid te
waarborgen.
De tekst stelt prostitutiereclame voor eigen doeleinden
niet langer strafbaar, waarmee een einde wordt gemaakt
aan een hypocriete situatie. Voorts wordt het vraagstuk
van het tippelen geregeld, in overeenstemming met de
praktijk.
De heer Aouasti wijst erop dat zowel Espace P als
Utsopi steun hebben betuigd voor het wetsontwerp, in het
bijzonder voor het feit dat wordt beoogd het verbod op de
uitbating van een prostitutie-etablissement op te heffen,
alsook omdat het ervoor zou zorgen dat de sekswerkers
die hun activiteit vrij uitoefenen, zich zouden kunnen
verenigen om veiligheids- en zichtbaarheidsredenen,
maar ook om bijvoorbeeld een beroep te kunnen doen
op boekhoudkundige diensten.
Daarentegen is het wel de bedoeling pooierschap
te blijven beteugelen, teneinde zij die zich gedwongen
prostitueren, te beschermen en te helpen.
De hoorzittingen hebben bepaalde leemten in de
voorliggende hervorming aan het licht gebracht. De
toegang tot sociale rechten voor sekswerkers, alsook
de kwestie van de ondergeschiktheid in de arbeidscon
tracten, worden bijvoorbeeld niet geregeld; ze maken
evenwel geen deel uit van het strafrecht.
Bovendien moet men opletten dat de door de slachtof
fers van mensenhandel genoten bescherming wegens
dit wetsontwerp niet verzwakt en moeten zo nodig
wijzigingen worden doorgevoerd. De spreker verwijst
naar de tijdens de hoorzittingen opgeworpen vragen.
Voorts moeten nog besprekingen worden gevoerd
over de strafmaat, in het bijzonder voor voyeurisme en
exhibitionisme.
Tot slot verzoekt het lid de minister om de samen
werking met de deelstaten op het vlak van opleiding en
preventie voort te zetten, alsook om de slachtofferopvang
te verbeteren.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) beklemtoont
dat de huidige bespreking plaatsgrijpt in bijzondere
maatschappelijke omstandigheden, aangezien talrijke
aanklachten van seksueel geweld in de actualiteit komen;
het lid verwijst in dat verband naar het vrouwencollectief
balance ton bar. Het wetsontwerp beoogt dus die pijnlijke
werkelijkheid aan te pakken. Mevrouw Hugon uit dan ook
haar tevredenheid over deze belangrijke hervorming; de
dringendheid ervan lijdt geen twijfel.
l’orateur estime qu’il doit être revu afin de garantir la
sécurité juridique.
Le texte dépénalise la publicité de la prostitution pour
soi-même, mettant ainsi fin à une hypocrisie. Il règle la
question du racolage, en conformité avec la pratique.
M Aouasti rappelle que tant Espace P que Utsopi
ont salué le projet de loi notamment en ce qu’il lève
l’interdiction de tenir une maison de prostitution, et per
mettrait à des travailleurs du sexe, exerçant librement,
de s’associer pour des raisons de sécurité, visibilité
mais aussi par exemple pour pouvoir faire appel à des
services comptables.
Le texte maintient par contre la répression du proxé
nétisme afin de protéger et aider les personnes qui
exercent sous la contrainte.
Les auditons ont mis en lumière certaines lacunes
de la présente réforme. L’accès aux droits sociaux des
travailleurs du sexe, ainsi que la question du lien de
subordination dans les contrats de travail ne sont par
exemple pas réglés, mais ne ressortent pas du droit pénal.
D’autre part, il convient de rester attentif à ne pas
diminuer par le biais de ce texte la protection dont béné
ficient les victimes de la traite des êtres humains, et de
modifier le texte si nécessaire. L’orateur renvoie aux
questions soulevées lors des auditions.
En outre, des discussions devront encore être menées
sur le taux des peines, notamment pour les infractions
de voyeurisme, et exhibitionnisme.
Enfin, l’orateur invite le ministre à poursuivre le travail
de collaboration avec les entités fédérées pour les volets
éducation et prévention, et pour améliorer l’accueil des
victimes.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne que cette
discussion s’inscrit dans un contexte social particulier,
où l’actualité est marquée par de nombreuses dénon
ciations de faits de violence sexuelle (Mme Hugon
évoque le mouvement “balance ton bar”). Il s’agit d’une
réalité douloureuse que le texte prend à bras le corps.
Mme Hugon salue dès lors cette réforme importante
et dont le caractère urgent ne peut être mis en doute.
29
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster benadrukt dat het kunstmatig overkomt
de desbetreffende misdrijven te bespreken zonder de
onderliggende genderdiscriminatie te vermelden. Die
misdrijven maken deel uit van een spectrum van geweld
jegens vrouwen. Zulks wordt duidelijk vermeld in het
verdrag van Istanbul.
Het lid voegt daaraan toe dat het wetsontwerp trouwens
slechts een deel van het antwoord op dat verschijnsel
is. De strafrechtelijke reactie komt op het einde van
de gebeurtenissenreeks en is eigenlijk de vaststelling
van een mislukking. Uit studies blijkt bovendien dat
strafrechtelijke maatregelen de slachtoffers zelden
voldoening schenken. Hogere straffen hebben geen
positieve weerslag op de recidive en dus evenmin op de
bescherming van de samenleving. Die aspecten moeten
voor ogen worden gehouden, want het doel moet zijn
om de slachtoffers te helpen en het aantal misdrijven
terug te dringen. De strafrechtelijke reactie moet deel
uitmaken van een breder beleid ter bestrijding van het
seksueel geweld.
De spreekster is verheugd dat in de parlementaire
documenten wordt vermeld dat de desbetreffende mis
drijven als misdrijven jegens personen zouden worden
beschouwd, in plaats van als misdrijven tegen de morele
orde of tegen de gezinsvrede. Achter die terminologie
wijziging schuilt de inbreng van een nieuwe kijk op het
verschijnsel. Mevrouw Hugon voegt daaraan toe dat
uit de hoorzittingen is gebleken dat sommige andere
termen eveneens zouden mogen worden aangepast,
bijvoorbeeld de bewoordingen “perfide” of “seksueel
misbruik”.
Overigens hebben de hoorzittingen aan het licht
gebracht dat het wetsvoorstel algemeen goed wordt
onthaald, maar dat niettemin aanpassingen nodig zijn.
Mevrouw Hugon benadrukt dat de wet duidelijk moet
zijn; het is niet de bedoeling dat het Strafwetboek een
handboek voor seksuele voorlichting wordt, maar het
moet bevattelijk zijn en door iedereen kunnen worden
begrepen. De burgers hebben niet altijd gemakkelijk
toegang tot de rechtspraak en tot de interpretatie van de
vigerende wetgeving. Het stemt de spreekster derhalve
tevreden dat bepaalde begrippen worden ingevoerd en
verduidelijkt, bijvoorbeeld toestemming en incest. De
vermelding van incest in het Strafwetboek maakt de
erkenning mogelijk van een realiteit waarmee velen te
maken krijgen.
Het lid stelt verheugd vast dat het wetsontwerp ertoe
strekt alternatieven voor gevangenisstraffen in te stellen.
Die straffen zijn beter geschikt dan gevangenisstraffen
om de daders terug op het rechte pad te brengen en dus
de samenleving in haar geheel te beschermen.
L’oratrice insiste sur le fait qu’il est artificiel de parler
de ces infractions sans évoquer les discriminations
de genre sous-jacentes. Ces infractions s’inscrivent
dans un continuum de violences faites aux femmes. La
Convention d’Istanbul l’acte clairement.
Elle ajoute que le projet ne constitue par ailleurs qu’une
partie de la réponse à ce phénomène. La réponse pénale
intervient en bout de chaîne et constitue en réalité un
constat d’échec. Les études montrent en outre que la
réponse pénale donne rarement satisfaction aux victimes.
Des peines augmentées n’ont pas d’impact positif sur la
récidive et donc sur la protection de la société. Il convient
de garder ces éléments en tête, car l’objectif poursuivi
doit être d’aider les victimes et de diminuer le nombre
des infractions. La réponse pénale doit s’inscrire dans
une politique plus large de lutte contre les violences
sexuelles.
L’oratrice se réjouit que le texte acte que ces infrac
tions constituent bel et bien des infractions contre les
personnes et non contre l’ordre moral ou l’ordre des
familles. Derrière ce changement de terminologie c’est
une nouvelle vision du phénomène qui est ici introduite.
Mme Hugon ajoute que certains autres termes pourraient
être adaptés (comme les termes “perfide” ou “abus
sexuel”), comme les auditions l’ont démontré.
Par ailleurs, les auditions ont démontré que si le texte
est globalement bien accueilli, des adaptations étaient
encore nécessaires.
Mme Hugon insiste sur la nécessaire clarté des textes:
sans devenir un manuel d’éducation sexuelle, le Code
pénal doit être lisible et compréhensible par tous. Les
citoyens n’ont pas toujours facilement accès à la juris
prudence et aux interprétations des textes en vigueur.
L’oratrice salue dès lors l’introduction et la clarification
de certaines notions comme celles du consentement
et de l’inceste. L’introduction de l’inceste dans le code
pénal permet de reconnaître une réalité qui touche
beaucoup de monde.
L’intervenante constate que le texte introduit des
peines alternatives à la prison, ce dont elle se réjouit.
Ces peines permettent davantage que la prison de
réhabiliter les auteurs et donc de protéger la société
dans son ensemble.
2141/006
DOC 55
30
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid
betreft, wijst mevrouw Hugon erop dat het Strafwetboek
niet dient om waardeoordelen uit te vaardigen, maar
om de slachtoffers te beschermen. De adolescenten
moeten hun beleving in verband kunnen brengen met
de bepalingen in het Strafwetboek. De seksualiteit van
de jongeren moet niet vanuit een bestraffende of nega
tieve zienswijze worden benaderd, alsof seksualiteit op
zich gevaar zou inhouden. Volgens cijfers van Sensoa
heeft 25 % van de jongeren op de leeftijd van 15 jaar al
seksuele betrekkingen gehad. De keuze van de leeftijd
van de seksuele meerderjarigheid in het wetsontwerp
strookt dus met de werkelijkheid, hoewel dit een arbitraire
politieke keuze blijft.
Mevrouw Hugon vermeldt het gynaecologisch en
obstetrisch geweld. Zij herinnert eraan dat de Senaat
daaromtrent een informatieverslag voorbereidt. Het
betreft een geheel nieuwe gewelddimensie, die slecht
bekend is maar thans aan het licht wordt gebracht. Dat
aspect komt in het voorliggende wetsontwerp nog niet
aan bod, maar er moeten wel al mogelijkheden worden
geschapen om er later rekening mee te houden.
Met betrekking tot prostitutie heeft mevrouw Hugon
heel uiteenlopende reacties vanwege de gehoorde spre
kers genoteerd. Opnieuw wordt in het op stapel staande
Strafwetboek geen waardeoordeel uitgevaardigd. Het
is de bedoeling alle sekswerkers te beschermen, zowel
zij die hun activiteit vrij uitoefenen, als zij die daartoe
worden gedwongen.
De hoorzittingen hebben aan het licht gebracht dat het
wetsontwerp in zekere mate tekortschiet wanneer sprake
is van misbruik van prostitutie, alsook met betrekking tot
de link tussen dat misdrijf en de misdrijven in verband
met mensenhandel. Daarnaast werd in twijfel getrokken
of die bepalingen stroken met onze internationale ver
plichtingen. De procureurs-generaal hebben dan weer
een risico voor de lopende onderzoeken aangekaart. Tot
slot zijn vragen gerezen aangaande de toepassing van
de Europese detacherings- en dienstenrichtlijnen op de
sekswerkers en op de gevolgen die daaruit voortvloeien.
Al die vraagstukken moeten worden opgehelderd en er
moeten oplossingen voor worden gevonden.
Mevrouw Sophie Rohonyi (Défi) betreurt dat de minis
ter ervoor heeft gekozen deze hervorming af te splitsen
van de algehele hervorming van het Strafwetboek en
van het Wetboek van strafvordering.
Zij haalt mevrouw Tulkens aan en wijst erop dat alle
misdrijven prioritair moeten worden aangepakt, maar
dat het echte knelpunt schuilt in de vervolging ervan
en dus in de tenuitvoerlegging van het strafrecht. Opdat
de burgers opnieuw vertrouwen in het gerecht zouden
Concernant l’âge de la majorité sexuelle, Mme Hugon
rappelle que le rôle du code pénal n’est pas de poser
des jugements de valeur mais de protéger les victimes.
Les adolescents doivent pouvoir relier leur vécu avec
les dispositions du code pénal. Le sexualité des jeunes
ne doit pas être abordée avec un biais punitif ou négatif,
comme si elle était en elle-même porteuse d’un dan
ger. Selon les chiffres de Sensoa, à 15 ans, 25 % des
jeunes ont déjà eu des relations sexuelles. Le choix
de l’âge de la majorité sexuelle posé par le texte est
donc en phase avec la réalité, même s’il reste un choix
politique arbitraire.
Mme Hugon évoque la question des violences gyné
cologiques et obstétricales. Elle rappelle qu’un rapport
d’information est en cours de préparation au Sénat.
C’est tout un nouveau champ de violence, largement
méconnu, qui est aujourd’hui en train de se révéler. Si
le présent texte ne l’aborde pas encore, il doit laisser
la porte ouverte afin de permettre son appréhension
par la suite.
En ce qui concerne la prostitution, Mme Hugon note
que les personnes auditionnées ont réagi dans des sens
très divers. A nouveau le code ne pose pas de jugement
de valeur. L’objectif est d’accroître la protection de tous
les travailleurs du sexe, tant ceux qui exercent librement
que ceux qui exercent sous la contrainte.
Les auditions ont mis en avant certaines faiblesses du
texte quand il aborde la notion d’abus de prostitution, et
dans le lien entre cette infraction et celles relatives à la
traite des êtres humaines. De même, la conformité de
ces dispositions avec nos engagements internationaux a
été mise en doute. Les Procureurs Généraux ont quant
à eux évoqué un risque pour les enquêtes en cours.
Enfin, des questions se posent concernant l’application
des directives européennes détachement et service
aux travailleurs du sexe, et les conséquences qui en
découlent. Il convient de clarifier toutes ces questions
et de d’y apporter des solutions.
Mme Sophie Rohonyi (Défi) regrette le choix posé
par le ministre consistant à scinder cette réforme de la
réforme globale du code pénal et du code d’instruction
criminelle.
Citant Mme Tulkens, elle rappelle que toutes les
infractions doivent être des priorités, le réel problème
étant leur poursuite et donc la mise en œuvre du droit
pénal. Pour que les citoyens reprennent confiance en
la Justice, il faut s’assurer que les plaintes sont suivies
31
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
krijgen, moet ervoor worden gezorgd dat gevolg wordt
gegeven de klachten en moet de voorspelbaarheid van
de procedure worden verbeterd. Thans dienen veel
slachtoffers geen klacht in, omdat zij denken dat zulks
nergens toe dient. Bij slechts één op tien verkrachtingen
wordt een klacht ingediend; dit komt omdat de betrok
kene zich schaamt, een schuldgevoel heeft, bang is,
loyauteit jegens de dader toont, zichzelf niet als een
slachtoffer ziet, weinig vertrouwen heeft in de politie en
in het gerecht, of omdat de afloop van een gerechtelijke
procedure onvoorspelbaar is. En dienen slachtoffers dan
toch een klacht in, dan wordt het dossier in de helft van
de gevallen (53 %) geseponeerd, doorgaans wegens
gebrek aan bewijs (63 %). Er moet dus daadwerkelijk
aandacht worden besteed aan de hervorming van het
Wetboek van strafvordering. In dat kader moeten knopen
worden doorgehakt betreffende onder meer de verplichte
bijstand aan de slachtoffers door een advocaat van bij
indiening van de klacht, het in aanmerking nemen van
traumatische stress – een via MRI objectiveerbaar ver
schijnsel – als bewijs of de verplichte psychologische
onderzoeken van de daders.
Het voelt bovendien kunstmatig aan om seksuele
misdrijven los te zien van de algemene principes van
het strafrecht. Er bestaat hierdoor een reëel risico dat
dit ten koste gaat van de samenhang van het geheel.
De spreekster haalt het probleem van de straffen aan:
hoe kan men er zeker van zijn dat de herziene straffen
waarin de voorliggende tekst voorziet, nog zullen spo
ren met de straffen die in de rest van het Strafwetboek
zijn opgenomen? Het is eveneens vreemd om hier van
seksuele misdaden te gewagen, op een moment dat het
onderscheid tussen misdaad, wanbedrijf en overtreding
in vraag wordt gesteld.
De spreekster maant tot voorzichtigheid aan en vraagt
dat men in dit dossier de nodige tijd zou nemen voor
analyse en reflectie. De behoeften van de slachtoffers
maar ook van alle spelers in het veld moeten primeren.
Het zou jammer zijn, mocht men overhaast te werk gaan
om een trofee te kunnen binnenhalen waarmee men op
8 maart (Vrouwendag) kan uitpakken. Mevrouw Rohonyi
wijst op de punten van kritiek, suggesties en opmerkin
gen die tijdens de hoorzittingen en in de schriftelijke
adviezen zijn geformuleerd en waaruit blijkt dat de tekst
absoluut nog niet voldragen is. Ze hoopt dat de tekst
nog zal kunnen evolueren.
De spreekster is blij met de duidelijke politieke wil om
het Strafwetboek te vernieuwen en het aan te passen
aan de werkelijkheid van vandaag. Het is positief dat
men het heeft over de aantasting van personen, veel
eer dan over de aantasting van de goede zeden. Dit
wetsontwerp is des te belangrijker gezien de omvang
van het verschijnsel.
d’effets et renforcer la prévisibilité de la procédure.
Aujourd’hui de nombreuses victimes ne portent pas
plainte parce qu’elles pensent que cela ne sert à rien.
Seuls 10 % des viols font l’objet de plaintes, en raison
d’un sentiment de honte, de culpabilité, de peur, de
loyauté envers l’auteur, de non-reconnaissance de soi
en tant que victime, de confiance limitée dans la police
et les autorités judiciaires, ou de l’imprévisibilité de
l’issue d’une procédure judiciaire. Et lorsque les victimes
portent plainte, une fois sur deux (53 %) le dossier est
classé sans suite, le plus souvent pour manque de
preuve (63 %). Il convient donc d’accorder une réelle
attention à la réforme du code d’instruction criminelle.
C’est dans ce cadre que devraient être tranchées les
questions telles que celles de l’assistance obligatoire
des victimes par un avocat dès la plainte, la prise en
compte du stress traumatique, phénomène objectivable
par IRM, comme moyen de preuve ou des examens
psychologiques obligatoires pour les auteurs.
Par ailleurs, il est artificiel de séparer les infractions
à caractère sexuel des principes généraux du droit
pénal. Le risque de porter atteinte à la cohérence de
l’ensemble est réel. L’oratrice évoque la question des
peines: comment s’assurer que les peines revues pré
vues par le présent texte seront encore en phase avec
celles qui seront incluses dans le reste du code pénal?
Il est également étrange de parler ici de crimes sexuels
alors que la distinction entre crime, délit et contravention
est remise en cause.
L’oratrice appelle à la prudence: il faut dans ce dossier
prendre le temps de l’analyse et de la réflexion. Les
besoins des victimes mais aussi de l’ensemble des
acteurs de terrain doivent prévaloir. Il serait regrettable
d’agir dans la précipitation afin de pouvoir remporter un
trophée à mettre en avant lors de la journée du 8 mars.
Mme Rohonyi rappelle les critiques, suggestions et
remarques formulées lors des auditions et dans les avis
écrits, dont il ressort que le texte est loin d’être abouti.
Elle espère qu’il pourra encore évoluer.
L’oratrice salue la volonté politique affichée de dé
poussiérer le code pénal et de l’adapter aux réalités
actuelles. Il est positif de parler d’atteinte aux personnes
plutôt qu’aux bonnes mœurs. Ce projet est d’autant plus
important au regard de l’ampleur du phénomène.
2141/006
DOC 55
32
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster beklemtoont dat uit de hoorzittingen
is gebleken dat het wetsontwerp nog moet worden
bijgestuurd om te voorkomen dat de tekst, in plaats
van de slachtoffers te beschermen, het omgekeerde
effect heeft, zoals in het geval van de slachtoffers van
mensenhandel of de minderjarigen.
Mevrouw Rohonyi betreurt dat vooraf geen overleg
met de feministische verenigingen is gepleegd; de
cijfers tonen immers aan dat de meerderheid van de
slachtoffers vrouw is en dat mannen de meerderheid
van de daders uitmaken. Ook de sekswerkers werden
niet geconsulteerd, hoewel het deel met betrekking tot
prostitutie hen in de eerste plaats aanbelangt.
Wat de instemming betreft, wijst mevrouw Rohonyi
erop dat ze mede-indienster is van een wetsvoorstel
aangaande dit onderwerp. Beoogd wordt een duidelijke
definitie van toestemming te geven, niet alleen voor de
magistraten, maar ook voor de samenleving, opdat men
zou kunnen loskomen van de vooroordelen: wanneer een
vrouw niet duidelijk neen zegt of zich op een bepaalde
manier kleedt, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat
zij met seksuele handelingen instemt.
Ze herinnert eraan dat het wetsontwerp een aantal
omstandigheden beschrijft waarin men een afwezigheid
van instemming veronderstelt. De gastsprekers hebben
gewezen op de moeilijkheden die ontstaan doordat
de in de tekst opgenomen lijst van omstandigheden
uitputtend is. Mevrouw Rohonyi vindt het belangrijk
dat de afwezigheid van instemming uit een geheel van
elementen kan worden afgeleid en niet enkel uit de staat
van beïnvloeding van de betrokkene, overeenkomstig
de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten
van de Mens. Men moet de rechter hierbij nog steeds
een beoordelingsbevoegdheid laten.
Het vermoeden van onschuld moet eveneens worden
behouden: het mag bijgevolg enkel de bedoeling zijn om
het leveren van bewijzen te vergemakkelijken en niet om
de bewijslast om te keren.
Het wetsontwerp roept nog meer vragen op; zo gaat
het uit van de afwezigheid van instemming wanneer de
persoon zich bevindt in een kwetsbare toestand naar
aanleiding van, inzonderheid, een fysiek of mentaal
gebrek. Mevrouw Rohonyi vraagt zich af welke impact
deze bepaling zal hebben op de seksverzorgers en op
de personen die vrijelijk een beroep op hen doen. De
spreekster herinnert eraan dat de minister in het verleden
op mondelinge vragen hierover naar de bevoegdheid
van de deelstaten heeft verwezen. Uit de hoorzittingen
blijkt dat het federale niveau wel degelijk bevoegd is
Elle souligne que les auditions ont mis en évidence la
nécessité de revoir le projet pour éviter que ce dernier,
en voulant protéger, n’ait en réalité l’effet inverse sur
certaines personnes, comme par exemple les victimes de
la traite des êtres humains ou encore les mineurs d’âge.
Mme Rohonyi regrette le manque de concertation en
amont avec les associations féministes, alors que les
chiffres démontrent que la majorité des victimes sont
des femmes, et la majorité des auteurs des hommes. De
même, les travailleurs du sexe n’ont pas été consultés
alors que le volet prostitution les concerne au premier
plan.
Revenant sur le consentement, Mme Rohonyi rappelle
avoir co-signé une proposition de loi à ce sujet. L’objectif
étant de donner une définition claire du consentement,
non seulement pour les magistrats, mais aussi pour la
société, pour qu’elle sorte des préjugés selon lesquels,
par exemple, lorsqu’une femme ne dit pas clairement
non, ou parce qu’elle s’habille de telle manière, cela ne
veut pas pour autant dire qu’elle consent à des actes
sexuels.
Elle rappelle que le projet de loi décrit une série de
circonstances dans lesquelles l’absence de consente
ment est présumée. Les personnes auditionnées ont
mis en évidence les difficultés posées par la liste des
circonstances telle que reprise actuellement dans le
texte, en raison de son caractère exhaustif. Il importe
pour Mme Rohonyi que l’absence de consentement
puisse se déduire d’un ensemble d’éléments et non du
seul état d’influence de la personne concernée, et ce
conformément à la jurisprudence de la Cour européenne
des Droits de l’Homme. Le pouvoir d’appréciation du
juge doit être préservé.
La présomption d’innocence doit également être pré
servée: il ne peut donc s’agir que de faciliter la preuve
et non de renverser la charge de la preuve.
Le projet pose en outre question car il présume l’ab
sence de consentement quand la personne est dans
un état de vulnérabilité dû notamment à une déficience
physique ou mentale. Mme Rohonyi s’interroge sur
l’impact de cette disposition pour les assistants sexuels
et les personnes qui font librement appel à eux. L’oratrice
rappelle que le ministre a par le passé répondu à des
questions orales à ce sujet en renvoyant à la compé
tence des entités fédérées. Il ressort des auditions que
le Fédéral est bien compétent pour fixer un cadre de
travail pour les assistants sexuels, et qui protège contre
33
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voor het vaststellen van een werkkader voor de seks
verzorgers, dat bescherming biedt tegen personen
met slechte bedoelingen die zich achter die activiteiten
zouden verschuilen.
De spreekster komt terug op de heikele kwestie van de
seksuele meerderjarigheid. Ze hamert op de noodzaak
om rekening te houden met de leefwereld van jongeren
en met de evolutie van de zeden, zonder evenwel de
meest kwetsbaren in de kou te laten staan. Volgens me
vrouw Rohonyi dreigt de tekst in de huidige formulering
de jongeren die echt met seksuele daden instemmen,
te bestraffen. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat
de entourage van de jongeren tegen hun liefdesrelatie
gekant is en de tekst misbruikt. De tekst, waarin het begrip
“aanranding van de eerbaarheid” wordt geschrapt, stelt
bovendien een zwart-wit-situatie in: er is sprake van ofwel
instemming, ofwel verkrachting. Volgens de spreekster
moet de tekst op dit punt worden geamendeerd.
Mevrouw Rohonyi verwelkomt de evolutie waarvan
de tekst getuigt met betrekking tot voyeurisme en de
verspreiding van beelden.
Wat verkrachting betreft, wijst ze erop dat de gehoorde
personen voor meer gediversifieerde straffen hebben
gepleit, zoals probatiestraffen en een contactverbod.
De spreekster betreurt dat de tekst niets vermeldt
over gynaecologisch en obstetrisch geweld.
De opname van verzwaarde misdrijven, met zwaardere
straffen, juicht ze dan weer wel toe.
Het is zeer goed dat incest als misdrijf in het strafrecht
wordt opgenomen. Mevrouw Rohonyi verwijst naar het
wetsvoorstel dat ze ter zake heeft ingediend. Ze heeft
wel vragen bij het onderscheid dat men hierbij maakt
naargelang het slachtoffer minderjarig of meerderjarig is.
Incest wordt niet langer als incest gekwalificeerd maar als
“niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen”:
wat is hiervoor de reden?
Wat de straffen betreft, hebben de gehoorde perso
nen gewezen op een gebrek aan samenhang tussen de
straffen onderling (tussen de straffen voor kinderporno,
voyeurisme of exhibitionisme jegens een minderjarige
bijvoorbeeld). Van zijn kant heeft het CAB (Centre d’Appui
Bruxellois ASBL) erop aangedrongen dat het gemoti
veerd advies van een gespecialiseerde dienst bij de
begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten
verplicht moet kunnen zijn; in de huidige tekst is dit
advies louter facultatief.
les personnes malintentionnées qui se cacheraient
derrière cette activité.
L’oratrice revient sur la question délicate de la majorité
sexuelle. Elle insiste sur la nécessité de tenir compte
du vécu des jeunes et de l’évolution de mœurs, tout en
protégeant les plus vulnérables. Pour Mme Rohonyi le
texte tel qu’il est actuellement formulé risque de pénaliser
des jeunes réellement consentants. Une instrumentalisa
tion par l’entourage défavorable à la relation amoureuse
n’est en outre pas à exclure. De plus, comme le texte
supprime la notion d’attentat à la pudeur, il établit une
situation totalement binaire: soit il y a consentement, soit
il y a viol. L’oratrice estime que le texte doit être amendé.
Mme Rohonyi accueille favorablement les évolutions
introduites sur la question du voyeurisme et de la dif
fusion d’images.
Concernant le viol, elle rappelle que les personnes
auditionnées ont plaidé pour des peines plus diversifiées,
comme par exemple des mesures de probation ou une
interdiction de contact.
L’oratrice regrette que le texte n’aborde pas la question
des violences gynécologiques et obstétricales.
Elle salue la présence d’infractions aggravées, avec
des peines plus lourdes.
La criminalisation de l’inceste est une très bonne chose.
Mme Rohonyi rappelle la proposition de loi qu’elle avait
déposée à cet égard. Elle s’interroge cependant sur la
distinction introduite selon que la victime soit ou non
mineure. L’inceste n’est plus qualifié d’inceste mais de
d’acte à caractère sexuel intrafamilial non consensuel:
pour quelle raison?
En ce qui concerne les peines, les personnes audi
tionnées ont mis en évidence un manque de cohérence
des peines entre elles (entre la pédopornographie, le
voyeurisme ou l’exhibitionnisme face à un mineur par
exemple). Le CAB a quant à lui insisté sur le fait que
l’avis motivé d’un service spécialisé dans la guidance ou
le traitement des délinquants sexuels doit pouvoir être
obligatoire et non facultatif comme le prévoit le texte.
2141/006
DOC 55
34
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Nog met betrekking tot prostitutie juicht de spreekster
het toe dat men een einde wil maken aan de heersende
hypocrisie en de sekswerkers uit de clandestiniteit wil
halen en beschermen tegen alle risico’s die met die
clandestiniteit gepaard gaan. Het sociaal statuut van
de sekswerker blijft echter de grote afwezige in het ont
werp. De vrees dat de bescherming van de slachtoffers
van mensenhandel door de hervorming in het gedrang
komt, is reëel aangezien het begrip “misbruik van pros
titutie” niet duidelijk is. Mevrouw Rohonyi verwijst naar
de opmerkingen van de procureurs-generaal. Heeft de
minister overlegd met de staatssecretaris voor Asiel en
Migratie? De spreekster herinnert eraan dat de gehoorde
personen de wetgever hebben uitgenodigd om terug te
grijpen naar een coherente terminologie die ook elders
gebruikt wordt, in het bijzonder in de instrumenten van
het internationale recht. Men heeft eveneens gewezen
op de moeilijkheden die de bepalingen ter beteugeling
van kinderhandel doen ontstaan, wegens de wijziging
van de regeling inzake kinderprostitutie. Tot slot hebben
de hoorzittingen aangetoond dat het voorgestelde model
het Nederlandse model benadert; men beweert nochtans
dat dat model een aanzuigeffect heeft gecreëerd waarbij
georganiseerde criminele bendes, die zich met seksuele
uitbuiting inlaten, hun voordeel doen. Nederland stelt dit
model opnieuw in vraag en denkt in het bijzonder aan
een verhoging van de leeftijd vanaf wanneer men aan
prostitutie kan doen (momenteel vanaf 18 jaar).
Wat ten slotte de reclame voor prostitutie betreft, valt
heel moeilijk na te gaan of iemand voor eigen rekening
reclame maakt. Hoe zullen de politiediensten kunnen
controleren of de prostitutie vrij is van elke inmenging
of beïnvloeding?
Mevrouw Nathalie Gilson (MR) is ingenomen met dit
wetsontwerp dat de wetgeving ter zake opnieuw up-to-
date zou maken. Ze staat ten volle achter de werkwijze
waarbij los van de meer algemene hervorming van het
Strafwetboek voortgang wordt gemaakt met de hervor
ming van het seksueel strafrecht. De hervorming van
het Strafwetboek is een kolossale onderneming die tijd
vergt, terwijl het probleem van seksueel geweld dringend
moet worden aangepakt.
De definitie van de toestemming is een belangrijke
stap in de goede richting. De recent opgekomen bewe
ging “balance ton bar” toont aan dat er nood is aan een
dergelijke definitie. De uitspraak “wie zwijgt, stemt toe”
heeft geen bestaansrecht meer. De toestemming moet
expliciet zijn. Aangaande die toestemming moet voortaan
ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat
het slachtoffer bepaalde stoffen die het oordeelsvermo
gen aantasten heeft toegediend gekregen of te lijden
had van een shockeffect. Mevrouw Gilson blijft echter
Revenant sur la question de la prostitution, l’oratrice
salue l’objectif de mettre fin à l’hypocrisie actuelle et
de sortir les travailleurs du sexe de la clandestinité qui
les expose à toute une série de risques. Le statut social
des travailleurs du sexe reste cependant cruellement
absent. La crainte que la réforme porte atteinte à la
protection des victimes de traite des êtres humains est
réelle, la notion d’abus de prostitution n’étant pas claire.
Mme Rohonyi renvoie aux remarques des Procureurs
Généraux. Le ministre s’est-il concerté avec le secré
taire d’État à l’Asile et la Migration? L’oratrice rappelle
que les personnes auditionnées ont invité le législateur
à revenir à une terminologie connue et cohérente par
rapport à celle utilisée par ailleurs, notamment dans les
instruments de droit international. Des problèmes ont
également été mis en évidence dans les dispositions qui
concernent la répression du trafic d’enfants, en raison
de la modification du régime de prostitution des mineurs.
Enfin, les auditions ont mis en lumière que le modèle
proposé est proche de celui des Pays-Bas pourtant
suspecté d’avoir créé un appel d’air au profit de bandes
criminelles organisées, se livrant à de l’exploitation du
sexe. Ce modèle est remis en cause aux Pays-Bas où
l’on réfléchit notamment au rehaussement de l’âge à
partir duquel l’on peut se livrer à la prostitution (18 ans
actuellement).
Enfin concernant la publicité de la prostitution, il est
très difficile de vérifier qu’une personne fait de la publi
cité pour son propre compte. Comment les services de
police pourront-ils vérifier que la prostitution est libre de
toute ingérence et de toute influence?
Mme Nathalie Gilson (MR) salue un projet qui actua
lise la matière. Elle soutient pleinement la démarche qui
consiste à avancer sur la réforme du droit pénal sexuel
indépendamment de la réforme plus globale du code
pénal. Cette dernière constitue une entreprise gigan
tesque qui demande du temps alors qu’il est urgent
de s’attaquer au phénomène des violences sexuelles.
La définition du consentement constitue une avancée
majeure. Le récent mouvement “balance ton bar” a
démontré la nécessité d’une telle définition. La maxime
“qui ne dit mot consent” n’a plus lieu d’être. Le consente
ment doit être explicite. Les cas dans lesquels la victime
a absorbé des substances qui altèrent son jugement,
ou l’effet de sidération peuvent désormais être pris en
compte. Mme Gilson se dit cependant vigilante: la pré
somption d’innocence doit absolument être préservée et
la charge de la preuve ne peut être renversée. L’inverse
35
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
waakzaam: het vermoeden van onschuld moet absoluut
worden behouden en de bewijslast mag niet worden
omgekeerd, anders zouden de intieme relaties tussen
individuen alleen maar worden bemoeilijkt. De spreek
ster ziet het wetsontwerp als een heel positieve zaak.
Mevrouw Gilson brengt de leeftijd van de seksuele
meerderjarigheid ter sprake. Die wordt vastgelegd op
zestien jaar, wat in de feiten overeenstemt met de gemid
delde leeftijd van de eerste seksuele betrekkingen. De
spreekster is ook te vinden voor een uitzonderingsbepa
ling voor seksuele betrekkingen tussen de leeftijd van
veertien en zestien jaar; dergelijke betrekkingen maken
immers deel uit van de ontdekking van de seksualiteit.
Toch vraagt ze zich af of die bepaling niet te strikt is ge
formuleerd. Tijdens de hoorzittingen hebben de sprekers
erop gewezen dat het maximale leeftijdsverschil van twee
jaar wellicht ontoereikend is, gelet op het onweerlegbare
karakter van het vermoeden: de rechters zouden aldus
verplicht zijn iemand te vervolgen en te veroordelen
voor verkrachting zodra het leeftijdsverschil meer dan
twee jaar bedraagt, ook al stemmen beide partners in
werkelijkheid toe.
De spreekster is tevreden dat het wetsontwerp een
bepaling met betrekking tot incest bevat. Ze wijst er
echter op dat een kind zijn hele leven lang het kind van
zijn ouders blijft en vraagt zich derhalve af of het onder
scheid dat op basis van de leeftijd van het slachtoffer
zou worden gemaakt wel relevant is. Dat aandachtspunt
rechtvaardigt echter niet dat die bepalingen uit het wets
ontwerp zouden worden weggelaten.
De spreekster wijst erop dat het Belgische strafrech
telijke arsenaal thans niet de prostitutie, maar het pooi
erschap bestraft. De spreekster is voorstander van het
toekennen van een status en van sociale bescherming
voor de sekswerkers die hun activiteit geheel uit vrije
wil uitoefenen. Indien de sekswerker niet toestemt, is
er ofwel sprake van misbruik of van mensenhandel. De
strekking van de ontworpen bepaling, die verwijst naar
het feit dat men een abnormaal voordeel uit de prostitutie
haalt, roept echter vragen op. Klopt de tijdens de hoorzit
tingen geuite bewering dat indien men de sekswerker
een sociale status wil toekennen, men tegelijk een status
toekent aan de pooier die geen misbruik zou maken van
de prostitutie? Zo ja, is dat dan de te volgen aanpak?
Stroken die bepalingen met de internationale verplich
tingen die voortvloeien uit bijvoorbeeld de Conventie
van New York?
Mevrouw Gilson vraagt zich ook af of de legalisering
van de activiteit van de pooier die daar geen abnormaal
voordeel uit haalt, niet tot gevolg zou hebben dat het
ingewikkelder wordt om bewijzen van feiten van men
senhandel te verzamelen. In hoeverre kan het bestaan
ne ferait que compliquer les relations intimes entre les
individus. Le projet est jugé très positif.
Mme Gilson revient sur l’âge de la majorité sexuelle.
Celle-ci est fixée à 16 ans, ce qui correspond dans les
faits à l’âge moyen des premières relations sexuelles.
L’oratrice se dit également favorable à la disposition qui
prévoit une exception pour les relations sexuelles entre
l’âge de 14 et 16 ans, dans un processus de découverte de
la sexualité. Elle s’interroge cependant sur la formulation
peut-être trop stricte de cette disposition. Les personnes
auditionnées ont ainsi estimé que la limite fixée à deux
ans de différence d’âge était sans doute trop faible, au
vu du caractère irréfragable de la présomption: les juges
seraient ainsi tenus de poursuivre et condamner pour
viol si l’écart est supérieur à deux ans, même lorsque
les partenaires sont en réalité consentant.
L’oratrice se réjouit de l’introduction d’une disposition
relative à l’inceste. Elle rappelle cependant qu’un enfant
reste l’enfant de ses parents toute sa vie et s’interroge
dès lors sur la pertinence de la distinction introduite
selon l’âge de la victime. Cet élément n’est cependant
pas de nature à justifier que l’on supprime ces dispo
sitions du projet.
L’oratrice rappelle que notre arsenal pénal ne réprime
aujourd’hui pas la prostitution mais le proxénétisme. Elle
se dit favorable à l’octroi d’un statut et d’une protection
sociale aux travailleurs du sexe qui exercent de leur
plein gré. Quand le travailleur n’est pas consentant, il y
a soit abus, soit traite des êtres humains. La ratio legis
de la disposition en projet qui fait référence au fait de
retirer un profit anomal de la prostitution pose cependant
question. Est-il exact comme cela a été soutenu lors des
auditions que en voulant octroyer un statut social au
travailleur du sexe, l’on octroie un statut au proxénète
qui n’abuserait pas de la prostitution? Dans l’affirmative,
est-ce là la voie à choisir? Ces dispositions sont-elles
conformes nos obligations internationales comme la
Convention de New York?
Mme Gilson se demande également si la légalisation
de l’activité de proxénète dans le cas où celui-ci ne retire
pas un avantage anormal de l’activité, ne rendra pas
plus complexe la collecte de preuves de faits de traite
des êtres humains? Dans quelle mesure la présence
2141/006
DOC 55
36
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van een arbeidsovereenkomst die aan de wettelijke voor
waarden beantwoordt (waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de
pooier minder dan 50 % van het tarief van de prostituee
krijgt), waarborgen dat er geen sprake is van dwang?
De spreekster haalt het voorbeeld aan van vrouwen die
werken met een overeenkomst als masseuse of hostess,
maar bij wie een groot verloop wordt vastgesteld en die
maar heel kort in België blijven, wat dus verdacht lijkt.
Mevrouw Gilson vraagt zich af of men niet beter een
ander model kan bedenken, waarbij de sekswerkers die
hun activiteit geheel uit vrije wil uitoefenen een sociale
status zouden krijgen zonder dat het pooierschap daarom
uit het strafrecht zou worden gehaald. In zijn huidige
vorm zou het wetsontwerp het werk van de politie en
de parketten om mensenhandel tegen te gaan, alleen
maar ingewikkelder maken.
De heer Koen Geens (CD&V) wenst momenteel niet
in te gaan op de technische kwesties. Hij zal hierop
terugkomen bij de artikelsgewijze bespreking. Hij wenst
in de algemene bespreking te wwaarschuwen voor 2
aspecten:
1) Dit wetsontwerp is naar Belgische maatstaven
buitengewoon streng qua strafmaat. De samenleving
verwacht dit van ons, maar we zien op dit ogenblik niet
de verhouding tussen deze strafmaten en de strafmaten
die zullen voorbehouden zijn met andere misdrijven in
het nieuwe Strafwetboek;
2) Die strafmaten veronderstellen in vele gevallen een
assisenprocedure. Het opleggen van zware strafmaten
zonder ze te vervolgen omdat we nog steeds met de
assisenprocedure zitten, zou getuigen van een grote
hypocrisie. Dit is voor een stuk “verstoppertje spelen”.
Spreker blijft hopen dat de Kamer hierover nog eens
wil nadenken.
De strafbaarstelling zal ons sterk bezighouden. Dit
heeft te maken met het legaliteitsbeginsel. Elke misdrijf
moet correct omschreven worden alvorens het kan be
straft worden. Bij de nieuwe strafbaarstellingen rijst de
vraag welke nieuwe strafbaarstellingen “morgen” nodig
zullen zijn met de nieuwe technologieën omdat men
tot een gesofisticeerdere vorm van virtuele seksualiteit
komt. Dit is natuurlijk onvermijdelijk, alleen leidt het tot
een overdreven reglementering.
De straffen moeten door de wet bepaald zijn. Het is
een goede zaak dat het ontwerp in een aantal aanvul
lende straffen voorziet, onder meer op het gebied van
het contactverbod.
De heer Geens mist de “gedwongen behandeling” in
het ontwerp. Hij toont zich hier voorstander van. Als men
d’un contrat de travail, répondant aux conditions légales
(dont il ressort par exemple que le proxénète touche
moins de 50 % du prix de la passe) donne-t-il toutes les
assurances d’une absence de contrainte? L’oratrice cite
l’exemple des personnes qui travaillent aujourd’hui avec
des contrats de masseuses ou hôtesses, mais chez qui
on constate un grand roulement de personnel, restant
très peu de temps en Belgique et qui apparaît donc
comme suspect. Mme Gilson se demande s’il ne serait
pas préférable de conceptualiser un autre modèle dans
lequel l’on pourrait donner un statut social au travailleur
du sexe exerçant de leur plein gré sans dépénaliser
le proxénétisme. Le projet ne peut avoir pour effet de
compliquer le travail de la police et des parquet dans la
lutte contre la traite des êtres humains.
M. Koen Geens (CD&V) ne souhaite pas aborder les
questions techniques à ce stade. Il y reviendra au cours
de la discussion des articles. L’intervenant souhaite
mettre en garde au sujet de deux points dans le cadre
de la discussion générale:
1) Le projet de loi à l’examen est, au regard des
normes belges, extraordinairement sévère en ce qui
concerne les peines. C’est ce que la société attend,
mais on n’aperçoit pas aujourd’hui le rapport entre ces
peines et les peines prévues pour d’autres infractions
dans le nouveau Code pénal;
2) Ces peines supposent une procédure en assises
dans nombre de cas. Infliger de lourdes peines sans les
poursuivre au motif qu’une procédure en assises est
toujours prévue témoignerait d’une grande hypocrisie.
Cela reviendrait partiellement à “se cacher”. L’intervenant
continue à espérer que la Chambre reconsidérera cette
question.
L’incrimination prendra beaucoup de temps en raison
du principe de légalité. Toute infraction doit être correcte
ment définie avant de pouvoir être punie. S’agissant des
nouvelles incriminations, la question se pose de savoir
quelles nouvelles incriminations seront nécessaires
“demain”, compte tenu des nouvelles technologies ,car
une forme sophistiquée de sexualité virtuelle émerge.
Ce sera naturellement inévitable mais cela entraînera
un excès de réglementation.
Les peines doivent être prévues par la loi. Il est posi
tif que le projet prévoie des peines complémentaires,
notamment en ce qui concerne l’interdiction de contact.
M. Geens regrette l’absence du “traitement obligatoire”
dans le projet de loi, auquel il est favorable. S’il n’est
37
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mensen niet kan onderwerpen aan bepaalde therapieën,
is het ook heel moeilijk om hen op termijn vrij te laten.
Het probleem met het dubbele legaliteitsbeginsel
is dat er weinig wordt gezegd over de proportionaliteit
tussen strafbaarstelling en de straf. Er is de hoop dat
de billijkheid, de gematigdheid of de gestrengheid van
de rechter de knoop zal doorhakken. Men legt vandaag
straffen op zonder dat men precies weet waarom men
ze oplegt. Men rekent voor de motivering op de rechter.
Wat is de functie van de straf? De straf beoogt voor
een stuk een vergelding naar het slachtoffer en de
samenleving toe.
Preventie is belangrijk. Wie zal er morgen in de scholen
uitleggen waarom het leeftijdsverschil van 2 jaar belangrijk
is en wat er strafbaar is? We moeten een preventieve
waarde aan de straffen geven. Het voorkomen van de
recidive is een ander element van de preventie.
Wat het “vermoeden van onschuld van de dader” en
de “noodzaak tot vergelding van het slachtoffer” betreft,
is de link tussen deze twee zaken niet enkel de straf en
de schadeloosstelling, maar ook welke vormen van be
wijs toegelaten zijn. Dit soort misdrijven is slechts op te
sporen en vast te stellen als men op het gebied van het
bewijs het strafrechtssysteem met een aantal belangrijke
instrumenten bedeelt en men het hier maatschappelijk
over eens is. Soms zou bewijs wat coulanter moeten
zijn (spreker verwijst naar toestemming). Bewijsvoering
is een belangrijk sluitstuk voor een hervorming zoals
deze. Denk maar aan camera’s en DNA. We moeten
ervoor zorgen dat we niet al te zeer het voordeel geven
aan het vermoeden van onschuld.
B. Antwoorden van de vice-eersteminister en
minister van Justitie en Noordzee
De vice-eersteminister en minister van Justitie en
Noordzee wenst eerst enkele inleidende beschouwingen
mee te geven.
De deskundigen, die door de vorige minister van
Justitie zijn aangesteld, hebben sinds midden 2015 hard
gewerkt aan de hervorming. Het is niet juist als men
stelt dat deze hervorming snel en op een drafje wordt
doorgevoerd. Het is een werkstuk dat de zittingsperiode
overschrijdt. Dit nuanceert de discussie tussen meerder
heid en oppositie. De discussie is tijdens hoorzittingen
gevoerd met de actoren van het maatschappelijke mid
denveld en met instanties zoals Child Focus, de Hoge
Raad Justitie, de Kinderrechtencommissaris, het College
pas possible de soumettre les intéressés à certaines
thérapies, il sera également très difficile de les libérer
à terme.
Le problème du double principe de légalité est que
peu de choses sont prévues au sujet de la proportion
nalité entre l’incrimination et la peine. Il faut espérer que
l’équité, la modération ou la sévérité du juge permettra
de trancher cette question. Des peines sont actuellement
infligées sans savoir exactement pourquoi. On compte
sur le juge pour motiver la décision.
Quelle est la fonction d’une peine? La peine vise en
partie une réparation au bénéfice de la victime et de
la société.
La prévention est un élément capital. Qui expliquera
demain dans les écoles pourquoi la différence d’âge de
deux ans est importante et quels sont les comportements
punissables? Il faut veiller à ce que les peines aient un
caractère préventif. La prévention de la récidive fait
également partie de la prévention.
Quant à la “présomption d’innocence de l’auteur” et
au “besoin de réparation de la victime”, le lien entre ces
deux éléments se situe non seulement au niveau de la
peine et de l’indemnisation, mais aussi au niveau des
formes de preuve autorisées. Les infractions de ce type
ne peuvent être détectées et établies que si le système de
justice pénale est doté d’un certain nombre d’instruments
importants pour la recherche de la preuve et s’il existe
une assise sociétale en la matière. Il conviendrait, dans
certains cas, d’être plus flexible en matière de preuves
(l’intervenant fait référence au consentement). La preuve
est un élément essentiel d’une réforme comme celle-ci.
Il suffit de penser aux caméras et à l’ADN. Nous devons
veiller à ne pas donner trop de poids à la présomption
d’innocence.
B. Réponses du vice-premier ministre et ministre
de la Justice et de la Mer du Nord
Le vice-premier ministre et ministre de la Justice et
de la Mer du Nord tient d’abord à formuler quelques
réflexions introductives.
Les experts nommés par le précédent ministre de la
Justice ont travaillé d’arrache-pied sur la réforme depuis
mi-2015. L’affirmation selon laquelle cette réforme a été
menée à la hussarde est incorrecte. Il s’agit de travaux
qui se sont étalés sur plus d’une législature. Cela nuance
la discussion entre la majorité et l’opposition. Le débat
a été mené au cours d’auditions avec des acteurs de la
société civile et des organismes tels que Child Focus,
le Conseil supérieur de la Justice, le Commissaire aux
droits de l’enfant, le Collège des procureurs généraux,
2141/006
DOC 55
38
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van Procureurs-Generaal, enz… Het is bijgevolg nor
maal dat er soms tegengestelde meningen naar voren
treden. Het komt aan de politiek toe om hierover finaal
beslissingen te nemen.
Deze discussie behoeft geen uitstel. Het seksuele
strafrecht is een thema dat de samenleving voortdurend
beroert. De regering heeft niet gewacht op de schanda
len in Gent en Brussel om deze aangelegenheid aan te
pakken. Deze regering heeft vanaf de eerste dag deze
aangelegenheid als een prioriteit beschouwd. Er is hard
gewerkt aan deze hervorming. De wet van 1867 was im
mers voorbijgestreefd. Er moesten belangrijke correcties
worden aangebracht. De golf van seksueel geweld is
niet nieuw. Er wordt vandaag wel meer aandacht aan
besteed en er worden meer aangiftes gedaan.
We moeten meer doen dan enkel een wet goedkeuren.
We moeten meer doen aan opvang van slachtoffers.
In Antwerpen, Roeselare en Charleroi zijn onlangs
centra opgericht. Er moet meer worden vervolgd. Het
is inderdaad zo dat slechts 14 % van de aangiften tot
een veroordeling leidt. We moeten er vanuit justitieel
oogpunt alles aan doen om te vervolgen en de pakkans
te verhogen.
De minister verwijst naar het project “Code 37” dat
in Antwerpen is opgestart.
Het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en
Criminologie (NICC), het parket Antwerpen en de recht
bank van eerste aanleg Antwerpen slagen er met een
nieuwe wetenschappelijk onderbouwde onderzoeks
strategie in om twee keer zoveel verkrachtingsdossiers
op te lossen. Die aanpak hebben ze de voorbije 3 jaar
samen ontwikkeld. De innovatieve aanpak van zeden
feiten, ook wel bekend onder de naam code 37, werpt
zijn vruchten af.
Er zijn drie categorieën: Er zijn de aangiften die een
onbekende dader betreffen. Daarnaast zijn er de gevallen
waar het gaat om een zedenfeit met een verdachte die
het seksueel contact betwist. Tot slot zijn er de dossiers
waarbij niet het seksueel contact maar wel de toestem
ming worden betwist.
Dankzij het project code 37 is het aantal veroordelingen
spectaculair gestegen. In de eerste categorie van 11 %
naar 36 %. In de tweede categorie van 20 % naar 36 %
en in de derde categorie van 11 % naar 24 %.
De minister van Justitie zal de onderzoeksstrategie
uitbreiden naar andere parketten om de hoge sepone
ringsgraad voor seksueel geweld terug te dringen.
etc. Il est donc normal que des opinions opposées aient
parfois été exprimées. C’est aux responsables politiques
qu’il appartient de prendre les décisions finales.
Il n’est pas nécessaire de reporter cette discussion.
Le thème du droit pénal sexuel agite continuellement
la société. Le gouvernement n’a pas attendu les scan
dales de Gand et de Bruxelles pour s’attaquer à cette
question. Le gouvernement actuel a jugé ce thème
prioritaire dès le premier jour. Il a préparé cette réforme
avec opiniâtreté. La loi de 1867 était en effet dépassée.
Des corrections importantes ont dû être apportées. La
vague des violences sexuelles n’est pas neuve. On y
accorde toutefois davantage d’attention aujourd’hui et
les plaintes sont plus nombreuses.
Il ne faut pas se contenter d’adopter une loi. Nous
devons en faire plus pour l’accueil des victimes. Des
centres ont récemment été ouverts à Anvers, Roulers
et Charleroi. Il faut poursuivre davantage les auteurs.
En effet, seules 14 % des plaintes aboutissent à une
condamnation. Nous devons faire tout ce qui est possible
d’un point de vue judiciaire pour poursuivre et augmenter
les chances d’appréhender les auteurs.
Le ministre évoque le projet “code 37” lancé à Anvers.
L’Institut national de criminalistique et de criminologie
(INCC), le parquet d’Anvers et le tribunal de première
instance d’Anvers parviennent aujourd’hui à résoudre
deux fois plus de dossiers de viol grâce à une nouvelle
stratégie d’enquête fondée sur des données scienti
fiques. Ils ont développé cette stratégie ensemble ces
trois dernières années. Cette approche innovante des
faits de mœurs, également connue sous le nom de
“code 37”, porte ses fruits.
On peut distinguer trois catégories: les dossiers dans
lesquels l’auteur est inconnu, les affaires de mœurs dans
lesquelles le suspect conteste le contact sexuel, et enfin
les dossiers dans lesquels la contestation porte non pas
sur le contact sexuel, mais bien sur le consentement.
Le nombre de condamnations a augmenté de façon
spectaculaire grâce au projet code 37. Il est passé de
11 % à 36 % pour la première catégorie, de 20 % à 36 %
pour la deuxième et de 11 % à 24 % pour la troisième.
Le ministre de la Justice a l’intention d’étendre cette
stratégie d’enquête à d’autres parquets afin de réduire le
taux élevé de classements sans suite dans les dossiers
de violences sexuelles.
39
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister wenst het ook te hebben over het audio
visuele verhoor voor minderjarigen dat ook zal worden
uitgebreid naar andere kwetsbare meerderjarigen. In
speciale ruimtes zal men dit verhoor voltrekken ingeval
van seksuele misdrijven. Men zal hier systematisch toe
overgaan omdat het slachtoffer in dit geval eenmaal
zijn verhaal moet doen waardoor men het rechtstreeks
contact tussen slachtoffer en dader voorkomt. Als een
verdachte met dergelijke beelden wordt geconfronteerd,
zal hij sneller overgaan tot bekentenis van zijn daden,
zo is gebleken.
De minister verwijst naar de zedenhond die sperma
sporen kan lokaliseren en zo de politie kan helpen bij
onderzoeken naar verkrachting. Hiervoor werd inspiratie
gehaald uit de praktijk in Nederland en Noorwegen.
Er wordt eveneens geïnvesteerd in meer personeel.
Voor Code 37 zouden 5 extra personen worden aan
genomen en er worden in de parketten 15 criminologen
personen aangenomen die zich uitsluitend bezighouden
met onderzoek naar seksueel geweld en een rol zullen
spelen bij dader profilering.
Op het Brusselse parket werd onlangs bevestigd dat
er op drie jaar tijd een verdubbeling is van het aantal
aangiftes. Het aantal “dark numbers” lijkt te zakken.
De mensen realiseren zich wel dat het iets uithaalt om
feiten te melden. Ook de bekendheid van de zorgcentra
is verbeterd. In Brussel zijn er 3 referendarissen voltijds
belast met het onderzoek naar feiten van seksueel geweld.
Onder voormalig minister van Justitie Geens is voorzien
in opleidingen voor magistraten. Meer dan 1700 magis
traten hebben ondertussen deze opleiding gevolgd. Er
worden daarnaast bijzondere opleidingen gepland. De
minister van Binnenlandse Zaken stelt ook opleiding in
uitzicht ten behoeve van de zedeninspecteurs.
De wet bepaalt de waarden die we belangrijk vin
den. Door het inpassen van het seksueel strafrecht
in Titel II van het Strafwetboek geven we aan dat we
deze aangelegenheid als zeer belangrijk beschouwen
en het misdrijven betreft die effectief moeten vervolgd
en bestraft worden.
De minister beklemtoont dat we keuzes zullen moeten
maken op het gebied van toestemming, seksuele meer
derjarigheid, prostitutie enz… Het is aan dit Parlement
om deze keuzes te maken. We kunnen bepaalde vraag
stukken niet voor ons uit schuiven.
Le ministre évoque ensuite l’interrogatoire audiovisuel
des mineurs, qui sera également étendu à certains
groupes de majeurs vulnérables. En cas d’infraction
sexuelle, cet interrogatoire sera systématiquement orga
nisé dans des salles spécialement aménagées afin que
la victime ne soit obligée de faire son récit qu’une seule
fois. On évitera ainsi le contact direct entre la victime
et l’auteur. Il a été démontré que lorsqu’un suspect est
confronté à de telles images, il avoue plus rapidement
ses actes.
Le ministre évoque ensuite les chiens spécialisés dans
les affaires de mœurs, qui sont capables de localiser
des traces de sperme et peuvent ainsi aider la police
dans les enquêtes de viol. Cette démarche s’inspire de
pratiques en cours aux Pays-Bas et en Norvège.
Des investissements en personnel sont également
prévus. Il a été décidé d’engager cinq personnes sup
plémentaires pour les dossiers code 37 et de recruter,
au sein des parquets, quinze criminologues qui seront
chargés de se consacrer exclusivement aux enquêtes
sur les violences sexuelles et qui joueront un rôle dans
le profilage des auteurs.
Le parquet de Bruxelles a récemment confirmé que
le nombre de plaintes a doublé en trois ans. Le nombre
de cas non connus semble diminuer. La population a
pris conscience du fait qu’il est utile de signaler les
infractions. Les centres de soins sont aujourd’hui éga
lement mieux connus. À Bruxelles, trois référendaires
sont chargés d’enquêter à temps plein sur les faits de
violence sexuelle.
Des formations destinées aux magistrats ont été
mises en place sous le mandat de l’ancien ministre de la
Justice Koen Geens. Depuis lors, plus de 1 700 magis
trats ont suivi ces formations. Des formations spéciales
sont également prévues. La ministre de l’Intérieur a par
ailleurs organisé des formations pour les inspecteurs
spécialisés dans les affaires de mœurs.
La loi définit les valeurs que nous jugeons importantes.
En intégrant le droit pénal sexuel dans le titre II du Code
pénal, nous soulignons que cette matière revêt pour nous
un intérêt capital et qu’il s’agit d’infractions qui doivent
être poursuivies et punies effectivement.
Le ministre indique qu’il faudra opérer des choix en
ce qui concerne le consentement, la majorité sexuelle,
la prostitution, etc. C’est au Parlement qu’il appartient
de faire ces choix. Certaines questions ne peuvent pas
être remises à plus tard.
2141/006
DOC 55
40
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De ontwerptekst is inderdaad voor verbetering vatbaar,
zo erkent de minister. De minister verwelkomt gefun
deerde amendementen van meerderheid of oppositie.
Vervolgens gaat de minister over tot het beantwoorden
van de verschillende vragen.
M.b.t. het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek
van Strafvordering betreffende het DNA-onderzoek bij
seksueel geweld van Valérie Van Peel. De minister is dit
voorstel genegen. Het Openbaar Ministerie heeft een
aantal bedenkingen geformuleerd. Deze bezwaren zul
len verder worden onderzocht. De doelstelling van het
wetsvoorstel, namelijk een consequente aanwending
van het DNA-onderzoek in dossiers inzake seksuele
misdrijven, verdient alle steun.
De opmerkingen van mevrouw De Wit aangaande de
timing van het nieuwe Strafwetboek en “cherry picking”:
De kritiek werd geuit als zou de regering een risico
nemen door het seksueel strafrecht te lichten uit het
nieuwe Strafwetboek. De minister beklemtoont dat er
geen risico bestaat dat het nieuwe Strafwetboek wordt
uitgesteld. De interkabinettenwerkgroepen (IKW’s) zijn
volop lopende. Momenteel is men bezig met boek 2.
De regering wenst beide boeken samen te behandelen
in de Ministerraad. De timing behelst een verzending
naar het Parlement in 2022, waar het debat ten gronde
kan verlopen.
Strafmaat is specifiek voor de feiten seksueel straf
recht en dit doen we binnen het huidig systeem, dus met
behoud van het bestaand systeem van de correctionali
sering. Met het nieuw Strafwetboek zullen we uiteraard
de correctionalisering afschaffen en de strafmaten in die
optiek aanpassen.
Net zoals we niet raken aan verjaring, raken we nl.
ook niet aan systeem correctionalisering, omdat dit de
problematiek van het seksueel strafrecht overstijgt.
Er zullen dus inderdaad nog wijzigingen zijn als we
het nieuwe Strafwetboek zullen bespreken.
Er werden enkel zaken gedaan specifiek voor het
seksueel strafecht, geen zaken die direct ook van toepas
sing zijn op andere hoofdstukken uit het Strafwetboek.
Vb. Opgelegde behandeling kon niet worden ingevoerd
in het nieuw seksueel strafrecht enkel voor seksuele
delinquenten, want er is ook nood aan opgelegde be
handeling voor bv. drugsfeiten. Deze oefening nemen we
mee in de besprekingen van het nieuwe Strafwetboek.
Le ministre reconnaît que le projet de texte pourrait
être amélioré. Tout amendement bien étayé présenté
par la majorité ou l’opposition sera le bienvenu.
Le ministre répond ensuite aux différentes questions.
Le ministre indique qu’il est favorable à la proposition
de loi de Mme Valérie Van Peel modifiant le Code d’ins
truction criminelle en ce qui concerne l’analyse ADN en
cas de violences sexuelles. Le ministère public a for
mulé à ce propos des objections qui feront l’objet d’un
examen plus approfondi. L’objectif de la proposition de
loi, qui est d’utiliser de façon cohérente l’analyse ADN
dans les dossiers d’infractions sexuelles, mérite d’être
entièrement soutenu.
Les observations de Mme De Wit sur le calendrier du
nouveau Code pénal et le “cherry picking”:
Des critiques ont été exprimées concernant le risque
que prendrait le gouvernement en retirant le droit pénal
sexuel du nouveau Code pénal. Le ministre souligne
qu’il n’y a aucun risque que le nouveau Code pénal
soit reporté. Les groupes de travail intercabinets (GTI)
fonctionnent à plein régime. Le livre 2 est en cours d’éla
boration. Le gouvernement entend traiter les deux livres
conjointement au Conseil des ministres. Le calendrier
prévoit un dépôt au Parlement en 2022. Le débat sur le
fond pourra alors y être entamé.
Le taux de la peine est spécifique aux faits relevant
du droit pénal sexuel et il est fixé dans le cadre du sys
tème actuel, c’est-à-dire en conservant le système de
la correctionnalisation existant. Avec le nouveau Code
pénal, la correctionnalisation sera bien sûr supprimée
et les peines seront adaptées en conséquence.
De même que le gouvernement ne modifie pas la
prescription, il ne touche pas non plus au système de
la correctionnalisation, car cela va au-delà de la problé
matique du droit pénal sexuel.
Il y aura donc effectivement encore d’autres modifi
cations lors de l’examen du nouveau Code pénal.
Seuls les aspects spécifiques au droit pénal sexuel
ont été traités, et non ceux qui s’appliquent également
et directement à d’autres chapitres du Code pénal.
Par exemple, le traitement imposé ne pouvait pas être
introduit dans le nouveau droit pénal sexuel uniquement
pour les délinquants sexuels, car il est également néces
saire de prévoir un traitement imposé pour les faits liés
à la drogue, par exemple. Cet exercice fera partie des
discussions relatives au nouveau Code pénal.
41
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De hervorming van het seksueel strafrecht is inder
daad de opstap naar een globale hervorming van het
Strafwetboek.
Er werd m.a.w. niet aan cherry picking gedaan.
Het betreft weloverwogen keuzes van de experts
volgens het principe dat alles wat specifiek seksueel
strafrecht is nu al kan aangepakt worden, maar binnen
de algemene principes van het oude strafwetboek.
Er zijn bv. enkel de verzwarende factoren als nieuw
element toegevoegd, omdat men dit kan beperken tot
enkel het seksueel strafrecht.
Het gaat dus om welbewuste keuzes die met de steun
van de experts zijn gemaakt.
De regering heeft gepoogd een zo helder mogelijke
definitie van toestemming te geven. Uiteraard moet de
rechter in elke individuele situatie oordelen of er toestem
ming was of niet. Als er suggesties zijn om de definitie
van toestemming nog te verbeteren, staat de minister
hier zeker voor open.
De bewijslast wordt niet omgekeerd. De rechter moet
“de vrije wil” in het licht van de omstandigheden steeds
beoordelen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het “in
dubio pro reo”-principe; in geval van twijfel moet vrijspraak
volgen. Dit is eigen aan het strafrecht. Men mag niet
raken aan het vermoeden van onschuld.
Sommigen pleiten voor een “onachtzaamheidsmis
drijf”, of zelfs voor een omkering van de bewijslast. Dit
gaat te ver, aldus de minister. Experts zijn daar heel
duidelijk over. We kunnen de algemene principes ook
niet wijzigen voor het seksueel strafrecht alleen.
In de toestemmingspremisse, die in de definitie be
sloten is, wordt de zorgvuldigheidsnorm impliciet reeds
in acht genomen. Dit blijkt ook uit de nota van de des
kundigen. De betrokkene hoorde in de beschreven
gevallen (bewusteloosheid, dronkenschap) te weten dat
het slachtoffer niet toestemde of kon toestemmen in de
seksuele handeling en er komt meer verantwoordelijk
heid te liggen bij degene die het contact is begonnen.
De druk wordt verhoogd bij de verdachte. Een delicaat
evenwicht is dus gevonden.
De regering heeft ervoor gekozen om inzake de
strafmaat een vertaalslag te maken van het huidige
Strafwetboek.
Vermogensdelicten mag men niet meer op een zwaar
dere wijze kwalificeren als delicten die zich richten
La réforme du droit pénal sexuel est en effet une
première étape vers une réforme globale du Code pénal.
En d’autres termes, il n’y a pas eu de “cherry picking”.
Il s’agit de choix mûrement réfléchis par les experts,
selon le principe que tout ce qui est spécifique au droit
pénal sexuel peut déjà être abordé, mais dans le cadre
des principes généraux de l’ancien Code pénal.
Par exemple, seuls les facteurs aggravants ont été
ajoutés en tant que nouvel élément, car cette matière
peut se limiter au seul droit pénal sexuel.
Il s’agit donc de choix délibérés qui ont été faits avec
le soutien des experts.
Le gouvernement a essayé de donner la définition
la plus claire possible du consentement. Bien entendu,
il appartient au juge de décider dans chaque situation
individuelle s’il y avait consentement ou non. Si des
membres ont des suggestions pour améliorer la défi
nition du consentement, le ministre est certainement
ouvert à celles-ci.
La charge de la preuve n’est pas renversée. Le juge
doit toujours évaluer le “libre arbitre” à la lumière des
circonstances. Il n’est pas dérogé au principe “in dubio
pro reo”; le doute doit entraîner l’acquittement. Cette règle
est inhérente au droit pénal. La présomption d’innocence
doit être préservée.
D’aucuns plaident pour un “délit de négligence”, ou
même pour un renversement de la charge de la preuve.
Pour le ministre, cela va trop loin. Les experts sont très
clairs à ce sujet. Nous ne pouvons pas non plus modifier
les principes généraux pour le seul droit pénal sexuel.
Le prérequis du consentement, qui est repris dans
la définition, comprend déjà implicitement la norme de
prudence. Cette interprétation ressort également de la
note des experts. Dans les cas décrits (inconscience,
ivresse), la personne concernée devait savoir que la
victime ne consentait pas ou ne pouvait pas consentir à
l’acte sexuel, et un plus grande responsabilité pèse sur
la personne qui a initié le contact. La pression est accrue
sur le suspect. Un équilibre délicat a ainsi été trouvé.
En ce qui concerne le taux de la peine, le gouverne
ment a choisi de transposer le Code pénal actuel.
Les délits patrimoniaux ne peuvent plus être qualifiés
de manière plus sévère comme des délits perpétrés contre
2141/006
DOC 55
42
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
tegen de persoon. Dit past niet meer in de overtuiging
van deze tijd.
Waar nodig werden de strafmaten wel degelijk ver
strengd d.w.z. met telkens een trap verhoogd in ver
gelijking met het huidige strafwetboek. De strafmaten
zijn niet met 2 of meer trappen verhoogd. Dit zou im
mers incoherentie met het huidig strafwetboek kunnen
veroorzaken doordat we het nieuw seksueel strafrecht
daarin integreren.
Maar er is bereidheid van de minister om de straf
maten te bekijken en het debat te voeren. Vb. bezit
kinderporno in het huidige strafwetboek is max. 1 jaar
naar max. 3 jaar in het nieuw seksueel strafrecht. Er is
bereidheid om dit op te trekken naar 5 jaar, zodat het
op gelijke hoogte komt te staan met het basismisdrijf
voyeurisme, waar de basis strafmaat gelijk gebleven is.
Inzake de seksuele minderjarigheid. Het voorbeeld
van het contact tussen de scoutsleider en het lid van de
scouts levert een interessant debat op. In het ontwerp
staat momenteel dat er een gezagsrelatie moet zijn. Er
is de suggestie van de experts om het woord “misbruik”
i.p.v. het “gebruik” van de gezagsrelatie te hanteren om
een en ander te beperken. Dit is dus nog een stap verder.
Zo kan men vermijden dat iemand die een relatie heeft
met een scoutsleider en zich nadien zou aansluiten
bij de scoutsclub verplicht zou worden deze relatie te
verbreken omdat er an sich een gezagsrelatie bestaat.
De minister is bereid om de notie “misbruik” in plaats
van “gebruik” te hanteren en de discussie te voeren in
het Parlement.
Daarnaast is er het leeftijdsverschil. De keuze van
de regering voor 2 jaar leeftijdsverschil is een politieke
keuze om te vermijden dat iemand van 14 – 15 jaar nooit
een relatie zou hebben met een meerderjarige. Dit doet
men door het te beperken tot twee jaar leeftijdsverschil.
Het is een compromis dat bereikt is binnen de regering.
Het is aan de partijen in dit Parlement om bij de artikels
gewijze bespreking aan te geven wat hun marges zijn.
De minister heeft in dit verband goed geluisterd naar
collega Gilson.
Over de opmerkingen inzake “prostitutie”. De minister
vindt dat het gedoogbeleid leidt tot willekeur en van
hypocrisie getuigt. Nu gedogen we, er zijn enkel lokale
onderzoeken door bepaalde parketten. Er is willekeur
in het vervolgbeleid. Het gedoogbeleid leidt ertoe dat in
vele gevallen pooiers niet worden vervolgd.
la personne. Cela ne correspond plus aux convictions
de notre époque.
Lorsque cela s’est avéré nécessaire, les taux de la
peine ont effectivement été renforcés, c’est-à-dire aug
mentés d’un cran à chaque fois par rapport au Code
pénal actuel. Ces taux n’ont pas été augmentés de deux
échelons ou plus. Cela pourrait en effet entraîner une
incohérence avec le Code pénal actuel, car c’est dans
celui-ci que nous intégrons le nouveau droit pénal sexuel.
Le ministre est toutefois disposé à examiner les taux
de la peine et à ouvrir le débat. La peine sanctionnant
la possession de matériel pédopornographique, par
exemple, est d’un an maximum dans le Code pénal
actuel et de trois ans maximum dans le nouveau droit
pénal sexuel. Le ministre consentirait à porter cette
peine à cinq ans, afin qu’elle soit sur un pied d’égalité
avec l’infraction de base qu’est le voyeurisme, dont le
taux de la peine de base est resté inchangé.
En ce qui concerne la minorité sexuelle, l’exemple
du contact entre le chef scout et le scout donne lieu
à un débat intéressant. Le projet prévoit actuellement
qu’il doit exister une relation d’autorité. Les experts
suggèrent d’utiliser le mot “abus” au lieu d’ “utilisation”
de la relation d’autorité pour limiter les risques. Il s’agit
donc d’une étape supplémentaire. L’on peut ainsi évi
ter qu’une personne qui entretient une relation avec
un chef scout et qui rejoindrait ensuite l’unité scoute
soit obligée de rompre cette relation parce qu’il existe
une relation d’autorité. Le ministre est prêt à utiliser la
notion d’ “abus” au lieu d’ “utilisation” et à mener cette
discussion au Parlement.
Un autre élément est la différence d’âge. Le choix du
gouvernement en faveur d’une différence d’âge de deux
ans est un choix politique pour éviter qu’une personne
de 14-15 ans n’ait jamais de relation avec un majeur.
C’est dans cette optique que la différence d’âge est
limitée à deux ans. Il s’agit d’un compromis atteint au
sein du gouvernement. Il appartient aux partis de ce
Parlement de faire part de leurs marges au cours de la
discussion des articles. À cet égard, le ministre a écouté
attentivement Mme Gilson.
Concernant les observations relatives à la “prostitution”,
le ministre estime que la politique de tolérance conduit
à l’arbitraire et témoigne d’une certaine hypocrisie. Pour
l’heure, nous tolérons, et seuls certains parquets mènent
des enquêtes locales. La politique des poursuites revêt
un caractère arbitraire. La politique de tolérance est
telle que, dans de nombreux cas, les proxénètes ne
sont pas poursuivis.
43
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De regering heeft een keuze gemaakt voor duidelijk
heid. Het goede wordt van het kwade onderscheiden.
Wat we willen doen, is wat we aanvaardbaar vinden
(vrijwillig sekswerk) decriminaliseren en wat we niet
aanvaardbaar vinden (misbruik en mensenhandel) gaan
we wel vervolgen.
Utsopi, de vereniging van de sekswerkers, heeft zeer
uitdrukkelijk de regering gefeliciteerd met deze aanpak.
De sekswerkers hebben tijdens de coronacrisis geen
statuut kunnen inroepen bij gebrek aan een deftig statuut.
Er zijn andere verenigingen die twijfels hebben over de
aanpak en een meer abolutionistisch beleid voorstaan,
zoals in Zweden. Anderen hebben hun twijfels geuit
omdat ze denken dat de mensenhandel hierdoor minder
zou kunnen worden vervolgd.
Op de keuze van de decriminalisering van het vrijwillig
sekswerk wordt niet meer teruggekomen. De regering
zal deze keuze bestendigen.
Door deze maatregel zal de regering een strenger
beleid voorstaan dan onder de huidige situatie.
De tekst voegt een nieuw hoofdstuk “misbruik van
prostitutie” in. Hierbij kan verwezen worden naar arti
kel 433quater/1 pooierschap. Het gedoogbeleid dat nu
bestaat, zal in de toekomst moeten worden vervolgd. Het
is dan aan het parket om dit te doen. Een sekswerker, die
niet langer de job vrijwillig kan uitoefenen en misbruikt
wordt, kan hiervan in de toekomst in alle vertrouwen aan
gifte doen bij de politie. Vandaag is de situatie zo dat een
sekswerker in geval van aangifte bij de politie het risico
loopt om te worden vervolgd. Daardoor werden er quasi
geen aangiftes gedaan. Onder de nieuwe regeling zal
de aangifte kunnen doorgaan. We gaan net makkelijker
aan bewijsgaring kunnen doen want het slachtoffer zal
zich vlotter durven kenbaar maken als slachtoffer omdat
hij/zij zich nu geen zorgen meer moet maken dat hij/zij
een illegaal beroep aan het uitoefenen was.
Het strafrecht heeft zich niet te moeien met morele
overwegingen. Het is niet aan de wetgever om inzake
het strafrecht te oordelen of iets al dan niet moreel ver
werpelijk is. De wetgever moet oordelen of het schadelijk
is of niet. Daarom moeten we volop de kaart trekken van
de decriminalisering.
Naast de decriminalisering moeten er ook nog an
dere keuzes worden gemaakt. Er is verwezen naar het
initiatief van minister Dermagne om de nietigheid op te
heffen van arbeidsovereenkomsten. Daarnaast voert
de regering besprekingen over het uitwerken van een
sociaalrechtelijk statuut, en dit in overleg met Utsopi, de
vereniging van sekswerkers. Hierbij wordt gekeken of er
Le gouvernement a fait le choix de la clarté. Le bon
est distingué du mauvais. Ce que nous voulons faire,
c’est décriminaliser ce que nous trouvons acceptable (le
travail du sexe volontaire) et, en revanche, poursuivre
ce que nous ne trouvons pas acceptable (les abus et
la traite d’êtres humains).
L’association des travailleurs du sexe Utsopi a félicité
très explicitement le gouvernement pour cette solution.
Faute de statut convenable, les travailleurs du sexe
n’ont pas pu faire valoir leur statut au cours de la crise
du coronavirus. D’autres associations ont des doutes
au sujet de cette solution et prônent une politique plus
“abolitionniste” comme en Suède. D’autres encore ont
exprimé leurs doutes, estimant que la traite des êtres
humains pourrait dès lors être moins poursuivie.
Le choix de la décriminalisation du travail du sexe
volontaire n’a plus été remis en question. Le gouver
nement maintiendra ce choix.
En prenant cette mesure, le gouvernement préconisera
une politique plus stricte que dans la situation actuelle.
Le texte ajoute un nouveau chapitre intitulé “De l’abus
de la prostitution”. Il peut être renvoyé à cet égard à
l’article 433quater/1 intitulé “Le proxénétisme”. La poli
tique de tolérance actuellement en vigueur devra être
poursuivie à l’avenir. Il appartiendra au parquet de le
faire. Tout travailleur du sexe qui ne pourra plus exercer
son métier sur une base volontaire et qui sera victime
d’abus pourra dénoncer cette situation en toute confiance
à la police à l’avenir. Actuellement, un travailleur du
sexe qui fait une dénonciation à la police court le risque
d’être poursuivi, si bien que pratiquement aucun fait
n’est dénoncé. La nouvelle réglementation permettra
de procéder à la dénonciation. Les preuves pourront
justement être collectées plus facilement car la victime
osera se manifester plus rapidement en tant que telle
car elle ne devra plus s’inquiéter du fait qu’elle exerce
une profession illégale.
Le droit pénal ne doit pas s’encombrer de considéra
tions morales. Il n’appartient pas au législateur de dire
en droit pénal si un acte est moralement condamnable
ou pas. Le législateur doit déterminer s’il est nuisible
ou pas. Il faut dès lors pleinement jouer la carte de la
décriminalisation.
Outre la décriminalisation, d’autres choix doivent être
opérés. Il est renvoyé à l’initiative du ministre Dermagne
de lever la nullité des contrats de travail. Qui plus est, le
gouvernement mène des discussions au sujet de l’éla
boration d’un statut en droit social, et ce en concertation
avec l’association des travailleurs du sexe Utsopi. Il est
examiné à cet égard si un statut distinct en droit social
2141/006
DOC 55
44
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wel nood is aan een apart sociaalrechtelijk statuut. Het
opstellen van een statuut zal inderdaad niet alle misbruik
wegnemen, maar is wel belangrijk voor die sekswerkers
die zich vrijwillig prostitueren.
De regering zal de slachtoffers van mensenhandel
beter opvangen want de scope van de centra voor
mensenhandel wordt uitgebreid naar de opvang van
slachtoffers van misbruik van prostitutie. Ook zij zul
len dus in de toekomst begeleiding kunnen krijgen
van deze drie centra waardoor we mensen die uit de
prostitutie willen stappen of die misbruikt worden beter
zullen kunnen opvangen en bijstaan. De middelen van
de centra worden verhoogd. Men gaat er dus op alle
vlakken op vooruit!
Het College van procureurs-Generaal heeft gepleit voor
het opnieuw invoeren van artikel 380 van het Strafwetboek
en niet voor het schrappen ervan.
De minister is van mening dat er net voor een verbete
ring wordt gezorgd door artikel 380 van het Strafwetboek
te schrappen, zodat sekswerk gedecriminaliseerd wordt
en er rechten kunnen worden opgebouwd voor sekswer
kers. Het bestaand artikel 380 van het Strafwetboek wordt
vandaag bovendien ofwel niet, ofwel gefragmenteerd
toegepast. De regering zegt “stop tegen het gedoog
beleid” en schrapt het artikel.
De regering is bereid om het artikel 433quater/1 van
het Strafwetboek nog te verbeteren, zodat er geen overlap
met mensenhandel mogelijk is. Alles wat “dwang” en
“controle” betreft, moet vallen onder de bepalingen van
“mensenhandel”. Er ligt een amendement klaar om het
artikel misbruik van prostitutie sterk in te korten zodat
alles wat “dwang” en “controle” is, onder de bepalingen
van mensenhandel kan vallen.
De keuze die worden gemaakt zullen zowel de slacht
offers van mensenhandel, als de slachtoffers beter
beschermen.
Wat de opmerkingen inzake de memorie van toelich
ting betreft, merkt de minister op dat de besprekingen
in de commissie integraal deel uitmaken van de parle
mentaire documenten. Zij vullen het initieel ingediende
wetsontwerp met memorie van toelichting daardoor aan.
Er zal voor de punten, aangestipt door mevrouw De Wit,
worden gezorgd voor een helder verslag dat de memorie
van toelichting nog verbetert. Dat zal gebeuren bij de
artikelsgewijze bespreking.
est bien nécessaire. L’élaboration d’un statut n’éliminera
en effet pas tous les abus, mais il importe en revanche
pour les travailleurs du sexe qui se prostituent sur une
base volontaire.
Le gouvernement améliorera la prise en charge des
victimes de la traite des êtres humains. En effet, l’action
des centres pour les victimes de la traite des êtres
humains est étendue à la prise en charge des victimes
de l’abus de prostitution. Ces victimes pourront ainsi
également bénéficier à l’avenir d’un accompagnement
dans ces trois centres, ce qui permettra d’améliorer
la prise en charge et l’assistance des personnes qui
souhaitent quitter la prostitution ou qui sont victimes
d’abus. Les moyens des centres seront augmentés. Des
avancées seront ainsi réalisées dans tous les domaines!
Le Collège des procureurs généraux a demandé que
l’article 380 du Code pénal soit rétabli et non supprimé.
Le ministre estime quant à lui qu’une amélioration est
apportée en supprimant l’article 380 du Code pénal afin
que le travail du sexe soit décriminalisé et que des droits
puissent être constitués par les travailleurs du sexe. De
plus, l’article 380 du Code pénal est actuellement soit
non appliqué, soit appliqué de façon fragmentaire. Le
gouvernement dit “stop à la politique de tolérance” et
abroge cet article.
Le gouvernement est disposé à encore améliorer
l’article 433quater/1 du Code pénal afin qu’aucun chevau
chement ne soit possible avec la traite des êtres humains.
Tout ce qui concerne la “contrainte” et le “contrôle” doit
relever des dispositions relatives à la “traite des êtres
humains”. Un amendement tendant à abréger considé
rablement l’article relatif à l’abus de prostitution est prêt.
Il permettra que tout ce qui concerne la “contrainte” et
le “contrôle” puisse relever des dispositions relatives à
la traite des êtres humains.
Les choix opérés permettront de mieux protéger
tant les victimes de la traite des êtres humains que les
autres victimes.
En ce qui concerne les observations relatives à l’exposé
des motifs, le ministre fait observer que les discussions
menées en commission font intégralement partie des
documents parlementaires. Elles complètent dès lors
le projet de loi initialement déposé avec l’exposé des
motifs. S’agissant des points évoqués par Mme De
Wit, un rapport clair permettra d’améliorer l’exposé des
motifs. Ces clarifications pourront être apportées lors
de la discussion des articles.
45
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister verwijst voorts ook naar het laatste woord
van de experts waar zij heel duidelijk hebben vermeld
waarom er geen afzonderlijke strafbaarstellingen no
dig zijn voor bv. “dickpicks”, “sextortion”, het bezit van
intieme beelden…De minister sluit zich bij deze goed
onderbouwde argumentatie van de experts aan.
De aanpassing van de wetgeving rond het seksueel
strafrecht is één zaak en de vervolging van seksuele
misdrijven in de praktijk is een andere zaak. De rege
ring voert deze strijd op verschillende andere fronten.
De zorgcentra bewijzen dat men de aangiftes omhoog
kan krijgen (aanpak “dark number”). Er is een betere
opvang van de slachtoffers. De verhoging van het aantal
zedenzaken heeft te maken met een hogere aangiftebe
reidheid door de oprichting van de zorgcentra. Dit toont
aan dat het beleid zijn resultaten oplevert.
De regering werkt ook aan daderprofilering door
middel van de ontwikkeling van de VICLAS-databank,
een actualisering van de samenwerkingsakkoorden
inzake de begeleiding en behandeling van daders van
seksueel misbruik. Er wordt voorzien in de mogelijkheid
tot het verkrijgen van een gemotiveerd advies van de
diensten gespecialiseerd in de behandeling van daders
van seksueel misbruik.
Inzake de uitwisseling van seksuele beelden. Het
klopt dat er een rechtvaardigingsgrond is ingevoerd voor
minderjarigen boven de 16 jaar (maar jonger dan 18 jaar/
minderjarig) met andere woorden “sexting” is toegelaten
boven de leeftijd van 16 jaar. Zij kunnen onderling met
toestemming beelden uitwisselen. Ook hier is er een
eventueel amendement (voorlopig nr. 11) klaar om in te
gaan op de vraag van Child focus om ervoor te zorgen
dat er geen misdrijf boven de leeftijd van 14 jaar is, indien
het leeftijdsverschil maximum 2 jaar is. Zo kunnen peers
tussen de leeftijd van 14 jaar en 16 jaar ook seksuele
beelden met elkaar uitwisselen zolang dit past binnen
hun seksuele ontwikkeling. Ze mogen immers ook seks
hebben met elkaar.
De terbeschikkingstelling blijft inderdaad bestaan,
aangezien dit ruimer wordt toegepast dan enkel voor
het seksueel strafrecht. De algemene discussie rond
de terbeschikkingstelling zal gevoerd worden in het
kader van het nieuwe Strafwetboek. Dit zal eventueel
vervangen worden door “de verlengde opvolging”.
De minister heeft geluisterd naar de opmerking van
het OVB en is bereid om het nieuw woord “perfide” te
vervangen naar het bestaand begrip “kwaadwillig opzet
of uit winstbejag”.
Le ministre renvoie en outre aux derniers propos des
experts, qui ont très clairement indiqué pourquoi aucune
incrimination distincte n’était nécessaire, par exemple,
pour les “dickpicks”, la “sextortion” et la détention d’images
intimes… Le ministre se rallie à cette argumentation bien
étayée des experts.
La modification de la législation relative au droit pénal
sexuel est une chose distincte des poursuites des infrac
tions sexuelles en pratique. Le gouvernement mène
ce combat sur plusieurs autres fronts. Les centres de
soins prouvent qu’il est possible d’accroître le nombre
de signalements (réduction du nombre de cas non
connus). La prise en charge des victimes est améliorée.
L’augmentation du nombre d’affaires de mœurs est liée
à une propension accrue à les dénoncer grâce à la mise
en place de centres de soins, ce qui démontre que la
politique produit ses effets.
Le gouvernement œuvre également au profilage des
auteurs en développant la banque de données VICLAS,
grâce à une actualisation des accords de coopération
en matière de guidance et de traitement des auteurs
d’infractions à caractère sexuel. La possibilité est prévue
d’obtenir un avis motivé des services spécialisés dans le
traitement des auteurs d’infractions à caractère sexuel.
S’agissant de l’échange d’images à caractère sexuel, il
est exact qu’une cause de justification légale est introduite
pour les mineurs de plus de 16 ans (mais de moins de
18 ans), c’est-à-dire que le “sexting” sera autorisé au-
delà de l’âge de 16 ans. Ces jeunes pourront échanger
entre eux des images de manière consensuelle. Un
amendement éventuel (portant provisoirement le n° 11)
est également prêt à cet effet afin de donner suite à la
demande de Child focus de veiller à ce qu’il n’y ait pas
d’infraction au-delà de 14 ans, si la différence d’âge est
de deux ans au maximum. Les jeunes de 14 à 16 ans
pourront ainsi également échanger des images à carac
tère sexuel pour autant que cette pratique s’inscrive
dans leur développement sexuel. Ils peuvent en effet
également avoir des relations sexuelles.
La mise à disposition reste en effet maintenue dès
lors que celle-ci est appliquée plus largement que dans
le seul cadre du droit pénal sexuel. La discussion géné
rale relative à la mise à disposition sera menée dans le
cadre du nouveau Code pénal. Elle sera éventuellement
remplacée par le “suivi prolongé”.
Le ministre a écouté l’observation de l’OVB et il est
disposé à remplacer le nouveau mot “perfidie” par la notion
existante de “l’intention méchante ou du but lucratif”.
2141/006
DOC 55
46
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De experts hebben reeds aangeduid dat de lezing
van de nieuwe bepalingen in alle redelijkheid moet ge
beuren. Een selfie bij de kapper/ontbloten hoofddoek zal
niet onder de definitie ontbloot persoon bij het misdrijf
voyeurisme moeten worden begrepen.
In verband met de opmerkingen van de heer Boukili
wijst de minister op het grondige werk van de deskun
digen en op de talrijke adviezen die men ter zake heeft
ontvangen. Bovendien werden sinds het begin van de
parlementaire voorbereiding van de tekst meer dan dertig
organisaties en instellingen gehoord. De minister geeft
aan open te staan voor debat en voor amendementen,
of die nu door de meerderheid of de oppositie worden
ingediend. De minister is niettemin van oordeel dat de
tijd is gekomen om voortgang te maken en knopen door
te hakken.
Wat de formulering van de strafbaarstellingen betreft,
wordt naar genderneutraliteit gestreefd. Het nieuwe
seksueel strafrecht beoogt de gelijkheid tussen man
nen en vrouwen. De minister is van oordeel dat het
Strafwetboek neutraal moet zijn. Om dat aspect van het
vraagstuk echter nader te onderzoeken, is de minister
van plan in het raam van de alomvattende hervorming
van het Strafwetboek het advies van de deskundigen
van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en
Mannen in te winnen.
Als antwoord op de vragen over het recht op een
advocaat vanaf het eerste verhoor benadrukt de minister
dat dit aspect niet onder het materieel strafrecht valt.
Procedureaspecten mogen niet worden behandeld in
een wetsontwerp inzake materieel seksueel strafrecht.
De minister is van oordeel dat uit de huidige formu
lering van het wetsontwerp hoe dan ook al blijkt dat de
toestemming uitdrukkelijk moet zijn. Het wetsontwerp
strekt er immers toe te bepalen dat de “toestemming
veronderstelt dat deze uit vrije wil is gegeven”; het begrip
“uitdrukkelijke toestemming” zit daarin vervat.
Tevens met betrekking tot de toestemming brengt de
minister vervolgens de opmerking van de heer Aouasti
ter sprake, waarbij hij aangeeft die opmerking volledig
te begrijpen. De seksuele betrekkingen tussen minder
jarigen in de leeftijdsgroep van veertien tot zestien jaar
vormen een delicaat vraagstuk. Aangezien het om een
strafrechtelijke kwestie gaat, moet een evenwichtige
oplossing worden uitgewerkt.
Wat prostitutie betreft, is de minister bereid te
spreken over een herformulering van het ontworpen
artikel 433quater/1.
Les experts ont déjà indiqué que les nouvelles dispo
sitions devront être lues raisonnablement. Faire un selfie
chez le coiffeur/ôter le voile de la tête ne devra pas être
inclus dans la définition de la personne dénudée dans
le cadre de l’infraction de voyeurisme.
En ce qui concerne les remarques de M. Boukili, le
ministre rappelle le travail approfondi effectué par les
experts, ainsi que les nombreux avis reçus sur le texte.
Plus de 30 organisations et institutions ont en outre été
auditionnées depuis le début du travail parlementaire.
Le ministre se dit ouvert à la discussion ainsi qu’à des
amendements, qu’ils soient déposés par la majorité, ou
par l’opposition. Le ministre estime cependant qu’il est
maintenant temps d’avancer et de trancher.
Quant à la formulation des incriminations, l’on vise
en effet la neutralité de genre. Le nouveau droit pénal
sexuel vise l’égalité entre les hommes et les femmes.
Pour le ministre le code pénal se doit d’être neutre. Le
ministre prévoit cependant de consulter des experts
de l’Institut pour l’Egalité des Femmes et des Hommes
dans le cadre de la réforme globale du code pénal, afin
de creuser cet aspect de la question.
Répondant aux questions sur le droit à un avocat dès
la première audition, le ministre souligne que ce point
ne relève pas du droit pénal matériel. Les questions
relatives aux procédures ne peuvent être traitées dans
un projet de loi de droit pénal sexuel matériel.
Pour le ministre, il ressort déjà du texte tel qu’actuel
lement formulé que le consentement doit être explicite.
Le texte stipule en effet que “le consentement suppose
que celui-ci a été donné librement.”, ce qui comprend la
notion de consentement explicite.
Toujours concernant le consentement, le ministre
aborde ensuite la remarque de M. Aouasti, qu’il af
firme comprendre totalement. La question des relations
sexuelles entre mineurs dans la tranche d’âge 14-16 ans
est délicate. Il convient de trouver une solution équilibrée
car il s’agit de droit pénal.
Sur la prostitution, le ministre se dit prêt à débattre
d’une reformulation de l’article 433quater/1, en projet.
47
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Met betrekking tot de vragen van mevrouw Hugon, die
de terminologische problemen onder de aandacht heeft
gebracht, antwoordt de minister dat alles zal worden
gecontroleerd door de deskundigen die eventueel de
subtiliteiten in de vertaling onder de loep zullen nemen.
Zo is er de vaststelling dat in het Verdrag van Istanbul
de term “niet-toegestemd” wordt gebruikt in plaats van
“niet-consensueel”, zoals in het wetsontwerp. Samen
met de deskundigen zal worden onderzocht waarom
de terminologie van het wetsontwerp niet is afgestemd
op die van het Verdrag.
De minister antwoordt vervolgens op de opmerkin
gen over de conformiteit van het wetsontwerp met het
internationaal recht.
België heeft op 22 juni 1965 het Verdrag van New
York geratificeerd. Het betreft een oud Verdrag, uit
1950. Tijdens de voorbereiding van het wetsontwerp
werd het Verdrag van New York onderzocht, met name
de artikelen 1, 2 en 6 ervan.
Het wetsontwerp is niet strijdig met artikel 1, voor zover
het wetsontwerp niet beoogt pooierschap te legaliseren.
Overeenkomstig het nieuwe artikel 433quater/1 blijft
pooierschap te allen tijde strafbaar. Pooierschap kan
ook worden beschouwd als een vorm van uitbuiting en
kan als dusdanig worden bestraft onder de delictsom
schrijving “mensenhandel”.
Artikel 2 van het Verdrag betreft het verbod op het
houden van een huis van ontucht. Dat artikel moet
worden gelezen in samenhang met de onderliggende
doelstelling van het Verdrag, die duidelijk tot uiting komt
in de oorspronkelijke titel: Verdrag ter bestrijding van de
handel in personen en van de exploitatie van de pros
titutie van anderen. Het Verdrag beoogt de prostitutie
van anderen tegen te gaan en, derhalve, de uitbuiting
en het misbruik te bestrijden.
Artikel 6 betreft het verbod op regelingen die bepa
len dat wie zich prostitueert zich moet inschrijven in
daartoe bestemde registers of in het bezit moet zijn
van bijzondere documenten. Zulks maakt geen deel uit
van het wetsontwerp. Dat strekt er niet toe prostitutie
onderhevig te maken aan strikte voorwaarden, zoals
registers of bijzondere papieren. Een sekswerker moet
worden beschouwd als een gewone werknemer. Dit
wetsontwerp is niet strijdig met artikel 6.
De minister acht het wetsontwerp dus in overeenstem
ming met de geest van het Verdrag. De strijd tegen alle
vormen van uitbuiting en van misbruik wordt voortgezet.
Vervolgens gaat de minister in op de vragen van
mevrouw Rohonyi betreffende de algemene hervorming
Revenant sur les questions de Mme Hugon, qui met
tait en avant des problèmes de terminologie, le ministre
répond qu’une vérification sera effectuée avec les experts
pour éventuellement examiner des subtilités de traduc
tion. L’on note par exemple que la Convention d’Istanbul
utilise les termes “non consenti” et pas “non consensuel”,
comme le projet de loi. Les raisons pour lesquelles les
termes du projet et ceux de la Convention ne sont pas
alignés seront examinées avec les experts.
Le ministre répond ensuite aux remarques sur la
conformité du texte au droit international.
La Belgique a ratifié le 22 juin 1965 la Convention de
New York. Il s’agit d’une vieille convention datant 1950.
Pendant le travail sur le projet de loi, la Convention de
New York a été analysée, et plus spécifiquement ses
articles 1er , 2 et 6.
Le projet de loi n’est pas contraire à l’article 1er dans
la mesure où le projet ne légalise pas le proxénétisme.
Le proxénétisme reste en tout temps punissable confor
mément au nouvel article 433quater/1. Le proxéné
tisme peut également être considéré comme une forme
d’exploitation et donc être puni sous la qualification de
traite des êtres humains.
L’article 2 de la Convention traite de l’interdiction de
tenir une maison de débauche. L’article doit être lu en
fonction de l’objectif sous-jacent de la Convention, qui
ressort clairement du titre original: Convention pour la
répression de la traite des êtres humains et de l’exploi
tation de la prostitution d’autrui. La convention vise à
lutter contre la prostitution d’autrui et donc à combattre
l’exploitation et les abus.
L’article 6 concerne l’interdiction des dispositions qui
prévoient que les personnes se livrant à la prostitution
sont tenues de s’inscrire dans des registres spéciaux
ou d’être en possession de documents spéciaux. Cela
ne fait pas partie du projet de loi. Il ne s’agit pas de sou
mettre la prostitution à des conditions strictes telles que
des registres ou des papiers spéciaux. Un travailleur du
sexe doit être considéré comme un travailleur normal.
Le présent projet de loi n’est pas contraire à l’article 6.
Pour le ministre, le projet de loi est donc conforme à
la philosophie de la Convention. L’on continue à lutter
contre toutes les formes d’exploitation et d’abus.
Le ministre revient ensuite sur les questions de
Mme Rohonyi, relatives à la réforme générale du code
2141/006
DOC 55
48
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van het Strafwetboek. Hij verduidelijkt dat helemaal niet
wordt beoogd de categorie “misdaad” te schrappen, maar
dat voortaan zal worden gesproken van misdrijven van
niveau 7 en van niveau 8.
De minister vindt niet dat de verenigingen te weinig
werden geraadpleegd en wijst erop dat tijdens de hoor
zittingen tal van gastsprekers werden gehoord.
Inzake de seksuele assistentie bij personen met een
handicap verduidelijkt de minister dat de strafbaarstel
ling van die activiteit het voornaamste probleem is dat
tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort.
Dit wetsontwerp beoogt dat probleem weg te werken,
hetgeen al een grote stap vooruit is. Het is thans aan de
gemeenschappen om ook binnen hun bevoegdheden
de nodige maatregelen te treffen.
Betreffende het alcoholgehalte in het bloed waarboven
van toestemming geen sprake wordt geacht te zijn, verwijst
de minister naar de memorie van toelichting, die duidelijk
is. Het zal erop aankomen de feiten te beoordelen. De
vrije wil van het slachtoffer moet zijn aangetast. Het
louter onder invloed zijn van een bepaalde substantie
volstaat niet om van een niet-consensuele handeling
te kunnen spreken.
Voorts klopt het dat de lijst van de omstandigheden
waarin geen sprake van toestemming wordt geacht
te zijn, thans uitputtend is. Dat probleem zou kunnen
worden weggewerkt door bij amendement de woorden
“met name” toe te voegen.
De minister acht het verschil tussen incest en niet-
consensuele intrafamiliale seksuele handelingen duidelijk.
Incest betreft alleen de minderjarigen. Als er minderjari
gen in het spel zijn, is de handeling dus altijd strafbaar,
met of zonder de “toestemming” van het slachtoffer. Bij
meerderjarigen betreft het niet-consensuele intrafamiliale
seksuele handelingen. Dergelijke feiten zijn dan alleen
strafbaar indien er geen toestemming is. De minister
is van oordeel dat eenieder een mening mag hebben
over de wenselijkheid of de zedelijkheid van dergelijke
handelingen, maar seksuele handelingen tussen meer
derjarigen strafbaar stellen zou geen goed idee zijn. Hij
benadrukt echter dat indien die seksuele handelingen
begonnen toen het slachtoffer nog minderjarig was en
na de meerderjarigheid werden voortgezet, er inderdaad
sprake is van incest en van sowieso strafbare feiten.
De minister wijst erop dat mevrouw Rohonyi Nederland
als voorbeeld geeft, waar 60 % van de prostituees in
werkelijkheid het slachtoffer van mensenhandel zou
zijn. De minister vraagt waar die cijfers vandaan komen.
pénal. Il précise qu’il n’est pas question de supprimer
la catégorie “crime” mais que l’on parlera désormais
d’infraction de niveau 7 et de niveau 8.
En ce qui concerne le manque de consultation des
associations, le ministre ne partage pas cette vision et
rappelle que de nombreux intervenants ont été entendus
lors des auditions.
Répondant aux questions relatives aux assistants
sexuels pour les personnes handicapés, le ministre
précise que le principal problème relevant des compé
tences de l’autorité fédérale est l’incrimination de cette
activité. Ce problème est résolu ave le présent texte, ce
qui constitue déjà un grand pas en avant. Il appartient
maintenant aux Communautés d’intervenir dans leur
sphère de compétence.
Concernant le seuil d’alcoolémie à partir duquel
l’absence de consentement est présumée, le ministre
renvoie à l’exposé des motifs, qui est clair. C’est une
question d’appréciation des faits. Il doit être question
d’une atteinte à la libre volonté de la victime. Le simple
fait d’être sous l’influence d’une substance ne suffit pas
pour pouvoir parler d’un acte non consenti.
Il est par ailleurs exact que la liste des circonstances
dans lesquelles l’absence de consentement est pré
sumée est à l’heure actuelle limitative. Ce problème
pourrait être résolu en ajoutant les mots “notamment”
par amendement.
Quant à la différence entre l’inceste et les actes à
caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels, elle est
claire pour le ministre. L’inceste concerne uniquement
les mineurs. En ce qui concerne, les mineurs l’inceste
est toujours punissable, qu’il ait été commis avec ou
sans le “consentement” de la victime. Dans le cas de
personnes majeures, l’on parlera de relations intrafa
miliales non consensuelles. Les faits ne sont dans ce
cas-là punissables qu’en l’absence de consentement.
Pour le ministre, si chacun peut avoir sa propre opinion
sur l’opportunité ou le caractère moral de telles relations,
criminaliser des actes sexuels entre majeurs ne serait
pas une bonne idée. Il souligne toutefois que si ces
relations ont commencé au moment où la victime était
encore mineure et continuent après sa majorité, l’on
est bien en présence de faits d’inceste, punissables.
Le ministre note que Mme Rohonyi avance l’exemple
des Pays-Bas, où 60 % des femmes prostituées seraient
en réalité victimes de la traite des êtres humains. Le
ministre s’interroge sur l’origine de ces chiffres.
49
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister licht toe dat de legalisatie in Nederland
heeft geleid tot een te streng juridisch kader, waarop
de sekswerkers niet konden inspelen. Dientengevolge
vervallen ze opnieuw in de illegaliteit, met een groter
risico om het slachtoffer te worden van mensenhandel
of van uitbuiting. De minister vindt de opbouw van een
vertrouwensrelatie met de sekswerkers een goede manier
om mensenhandel op te sporen. De strafbaarstelling
van de hele sector zal niet tot resultaten leiden. Met
dit wetsontwerp wordt niet beoogd te criminaliseren of
te legaliseren, maar wel uit de strafrechtelijke sfeer te
halen. Zodoende wordt de sector toegankelijker voor de
welzijnswerkers. Een legaal werkende sekswerker zal
bij misbruik of uitbuiting minder bang zijn om naar de
politie te stappen. Die activiteiten uit de strafrechtelijke
sfeer halen zorgt voor een duidelijk juridisch kader met
minimale voorwaarden waarop kan worden toegezien.
Misbruik zal sneller aan het licht komen; hetzelfde geldt
voor de gevallen van uitbuiting en van mensenhandel. De
minister verduidelijkt dat dit het Nieuw-Zeelandse model
is en dat daar inderdaad een goede verstandhouding
en samenwerking tussen de politie en de sekswerkers
tot stand werd gebracht.
In antwoord op de opmerkingen van mevrouw Gilson
benadrukt de minister dat het wetsontwerp pooier
schap absoluut niet uit de strafrechtelijke sfeer beoogt
te halen. Beoogd wordt inderdaad artikel 380 van het
Strafwetboek af te schaffen, maar pooierschap blijft
strafbaar op grond van het nieuwe artikel 433quater/1.
Voor de gevallen van misbruik van prostitutie wordt
voorzien in nieuwe sancties.
De bewering dat elke arbeidsovereenkomst tussen een
werkgever en een werknemer-sekswerker per definitie
pooierschap is, klopt niet. Indien een sekswerker in de
toekomst een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst sluit,
zonder dat er sprake is van misbruik of van uitbuiting, en
alles volgens de regels van het arbeidsrecht verloopt,
zullen die feiten niet als pooierschap kunnen worden
aangemerkt: het betreft de vrije keuze van de sekswerker
om seksuele diensten aan te bieden.
Wat dan wel onder pooierschap valt, wordt duidelijk
omschreven in het nieuwe hoofdstuk over het misbruik
van prostitutie. In wezen gaat het erom dat misbruik wordt
gemaakt van de sekswerkers; zij moeten een groot deel
van hun inkomen afgeven of hun werk leidt tot abnormale
voordelen voor een ander. Daar is bijvoorbeeld sprake
van als zij zelf voor grote kosten moeten opdraaien,
met name voor het beddengoed. De minister is bereid
het artikel nog duidelijker op te stellen en een duidelijk
onderscheid te maken met de bepalingen inzake de
mensenhandel. Hij staat volledig open voor de sug
gesties van de leden.
Le ministre explique qu’aux Pays-Bas, la légalisation a
entraîné la mise en place d’un cadre juridique trop strict,
cadre auquel les travailleurs du sexe n’étaient pas en
mesure de répondre. De ce fait, ceux-ci se retrouvent à
nouveau dans l’illégalité et sont plus susceptibles d’être
victimes de la traite des êtres humains, ou d’exploitation.
Pour le ministre, un bon moyen de détecter la traite
des êtres humains consiste à établir une relation de
confiance avec les travailleurs du sexe. Ce n’est pas en
criminalisant le secteur que l’on y parviendra. Le présent
projet ne va ni criminaliser ni légaliser mais dépénaliser.
En dépénalisant, le secteur sera plus accessible aux
travailleurs sociaux. Un travailleur du sexe qui travaille
légalement aura moins peur de se rendre à la police en
cas d’abus ou d’exploitation. La dépénalisation assure
un cadre juridique clair avec des conditions minimales
qui pourront être contrôlées. Les abus seront détectés
plus rapidement, de même que les cas d’exploitation
et de traite des êtres humains. Le ministre précise que
tel est le modèle mis en place en Nouvelle Zélande et
que l’on constate effectivement une bonne relation et
collaboration entre la police et les travailleurs du sexe.
Répondant aux remarques de Mme Gilson, le ministre
insiste sur le fait que le projet ne dépénalise absolument
pas le proxénétisme. Si l’article 380 du code pénal est
aboli, le proxénétisme reste punissable sur la base du
nouvel article 433quater/1. De nouvelles sanctions sont
prévues pour les cas d’abus de prostitution.
Il est inexact d’affirmer que tout contrat conclu entre un
employeur et un employé-travailleur du sexe constitue par
définition du proxénétisme. A l’avenir, si un travailleur du
sexe conclut un contrat de travail juridiquement valable,
sans qu’il soit question d’abus ni d’exploitation, et que
tout se déroule selon les règles du droit du travail, ces
faits ne pourront être qualifiés de proxénétisme: il s’agit
là du libre choix du travailleur du sexe de proposer des
services sexuels.
Le proxénétisme est quant à lui clairement défini dans
le nouveau chapitre relatif à l’abus de la prostitution. En
substance, il s’agit de profiter des travailleurs du sexe
en percevant une partie substantielle de leurs revenus
ou en obtenant des avantages anormaux grâce à leur
travail. Par exemple faire payer des frais importants,
notamment pour la literie. Le ministre se dit prêt à défi
nir cet article encore plus clairement et à y insérer une
distinction claire par rapport aux dispositions relatives à
la traite des êtres humains. Il dit être pleinement ouvert
aux suggestions des membres à cet égard.
2141/006
DOC 55
50
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat het betoog van de heer Geens betreft, merkt de
minister op dat de bedoeling van de herziening van de
strafmaten tweeledig is:
Men wenst de straffen in lijn te brengen met de rest
van het Strafwetboek, maar dan aangepast aan het
belang dat we eraan hechten. Zo kan het voor niemand
dat diefstal van een gsm zwaarder kan bestraft worden
dan seksuele delicten.
Maar omdat we ook vinden dat zware straffen niet de
ultieme doelstelling mogen zijn, maar dat we de rechter
breed mogelijkheden moeten geven om te oordelen op
maat van het dossier dat voorligt, voorzien we ook ex
pliciet in alternatieve maatregelen bij seksuele delicten.
Op die manier komen we tot een combinatie van beide
doelstellingen zijnde, een duidelijk signaal geven dat
we als maatschappij seksuele misdrijven verschrikkelijk
vinden en één van de zware misdrijven vinden waar dus
ook strenge straffen tegenover staan en onze overtuiging
dat strenge straffen niet zaligmakend zijn en we moeten
toelaten dat de rechter straffen op maat kan uitspreken.
Beide elementen zitten erin vervat. Strafrecht is recht
dat op maat moet worden toegepast. De rechter moet
de mogelijkheid worden gegeven om het brede pakket
aan maatregelen te kunnen nemen.
C. Réplieken
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst naar de ver
klaring van de minister aangaande de opmerkingen
rond prostitutie waarbij Utsopi hem gefeliciteerd heeft.
Niettemin is er kritiek van Utsopi geweest. Luidens
hun een verklaring stellen zij: “De hamvraag is of deze
hervorming voldoende verandering zal brengen; de
eerste versie was beter waarbij geen uitsluiting was van
reclame (…). De voorliggende tekst creëert verwarring
(…)”. Utsopi geeft dus ook kritiek. Het verschil werd in
vorige tekst duidelijker afgelijnd. Het artikel over “pooier
schap” is voor Utsopi problematisch (verwarring tussen
misbruik en mensenhandel). De vraag stel zich of men
in dat geval nog kan spreken van decriminalisering. Dit
is kritiek waarbij men tijdens deze bespreking aan de
slag kan gaan.
Mevrouw De Wit verheugt er zich over dat de minister
het voorstel van mevrouw Van Peel verder wenst te be
kijken. Het is ook belangrijk dat er, naast wetgeving, ook
ruimte is voor een aanpak van een aantal andere zaken.
En ce qui concerne l’intervention de M. Geens, le
ministre souligne que l’objectif de la révision des taux
des peines est double.
Le premier objectif est d’aligner les peines sur le
reste des peines du Code pénal, mais en les adaptant
à l’importance que nous leur accordons. Par exemple,
personne n’accepterait que le vol d’un GSM puisse être
puni plus sévèrement qu’une infraction sexuelle.
Toutefois, dès lors que nous estimons aussi que des
peines sévères ne doivent pas être une fin en soi mais
que nous devons offrir au juge une grande latitude pour
se prononcer au cas par cas, nous prévoyons aussi
explicitement des mesures alternatives pour les auteurs
d’infractions sexuelles.
De cette manière, nous parviendrons à concilier les
deux objectifs: envoyer un signal clair montrant que notre
société juge les infractions sexuelles épouvantables et
les considère comme l’une des infractions graves qui
doivent donc être punies sévèrement, et souligner notre
conviction que les peines sévères ne sont pas la panacée
et que nous devons permettre au juge de prononcer des
peines au cas par cas.
Ces deux éléments figurent dans le projet de loi à
l’examen. Le droit pénal est un droit qui doit être appli
qué au cas par cas. Le juge doit avoir la possibilité de
prendre un large éventail de mesures.
C. Répliques
Mme Sophie De Wit (N-VA) renvoie aux déclarations
du ministre au sujet des observations relatives à la
prostitution, pour lesquelles Utsopi l’a félicité. Toutefois,
Utsopi a formulé des critiques en indiquant ce qui suit
dans sa déclaration: “La question essentielle est de
savoir si cette réforme apportera suffisamment de chan
gement; la première version était meilleure et n’interdisait
pas la publicité […]. Le texte à l’examen est source de
confusion […]” (traduction). Utsopi formule donc aussi
des critiques. La différence apparaissait plus clairement
dans le texte précédent. Utsopi juge l’article sur le
proxénétisme problématique (confusion entre abus et
traite des êtres humains). La question se pose de savoir
si l’on peut encore parler de décriminalisation dans ce
cas. Il s’agit d’une critique pouvant servir de base de
travail dans le cadre de cette discussion.
Mme De Wit se réjouit que le ministre souhaite exa
miner plus en détail la proposition de Mme Van Peel.
Il importe également qu’en parallèle à la législation, il
existe aussi une latitude suffisante pour s’attaquer à
certains autres problèmes.
51
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Aangaande cherry picking vraagt spreekster zich
af waarom de minister de drempels inzake werkstraf,
probatie, wetgevend toezicht wijzigt. Zij stelt zich hier
vragen bij.
Voor het overige noteert mevrouw De Wit dat er
mogelijkheden tot amendering zijn en zij wacht de ver
dere besprekingen af. De opmerkingen van de experts
moeten grondig in aanmerking worden genomen. Dit
kan uitgediept worden bij de artikelsgewijze bespreking.
Ook bij de meerderheidspartijen zijn er nog veel vragen,
aldus spreekster. Zal de minister eerst binnen de meer
derheid amendementen uitwerken? Hoe zal de minister
tewerk gaan? Een gestructureerde werkwijze dringt zich
op, zeker in deze coronaperiode. Amendementen zouden
in elk geval tijdig moeten worden bezorgd.
De minister van Justitie antwoordt dat hij een uitge
breide nota ontvangen heeft van Utsopi, de drie centra
mensenhandel en de hulpverenigingen. Op basis daarvan
werden zes amendementen rond de bepalingen van
misbruik van prostitutie opgesteld.
In de eerste versie van de experten is het correct dat
er geen sprake was van bepalingen inzake misbruik van
prostitutie. De bepalingen art. 380 SWB e.v. werden ge
schrapt, aangezien dit voor de experten allemaal onder
mensenhandel diende te ressorteren. Het college van
procureurs-generaal was hier absoluut niet mee akkoord
en om die reden werd beslist om een hoofdstuk rond
misbruik van prostitutie in te voeren.
Het wetsontwerp zoals het nu voorligt, is een compro
mis tussen hetgeen de vereniging van sekswerkers wou
en hetgeen het college van procureurs-generaal wou.
De regering heeft gehoor gegeven aan het voorstel
en de uitgebreide nota. Deze documenten werden aan
de regering bezorgd en op basis daarvan werden reeds
amendementen opgesteld.
En ce qui concerne le picorage sélectif (cherry pic
king), l’intervenante se demande pourquoi le ministre
modifie les seuils existant en matière de peine de travail,
de probation et de surveillance législative. Elle se pose
des questions à cet égard.
Pour le reste, Mme De Wit souligne qu’il existe des
possibilités d’amendement et qu’elle attend la poursuite
des discussions. Les observations des experts doivent
être prises en compte sérieusement. Elles pourraient
être examinées plus en détail lors de la discussion des
articles.
L’intervenante estime que les partis de la majorité
auront eux aussi encore beaucoup de questions. Le
ministre élaborera-t-il d’abord des amendements au sein
de la majorité? Comment le ministre procédera-t-il? Il
convient d’adopter une méthode de travail structurée,
surtout en cette période de crise du coronavirus. Il
conviendra en tout cas de transmettre les amendements
à temps.
Le ministre de la Justice répond qu’il a reçu une note
détaillée d’Utsopi, des trois centres d’accueil pour les
victimes de traite d’êtres humains et des associations
d’aide aux victimes. Six amendements concernant les
dispositions relatives à l’abus de la prostitution ont été
rédigés sur la base de cette note.
Il est exact que la première version du texte des experts
ne mentionnait aucune disposition relative à l’abus de
la prostitution. Les dispositions visées aux articles 380
et suivants du Code pénal ont été supprimées dès lors
que les experts ont estimé qu’elles devaient relever de
la traite des êtres humains. Or, dès lors que le collège
des procureurs généraux était totalement opposé à cet
avis, il a été décidé d’insérer un chapitre relatif à l’abus
de la prostitution.
Le projet de loi à l’examen est un compromis entre
les souhaits de l’association des travailleurs du sexe et
ceux du collège des procureurs généraux.
Le gouvernement a fait droit à la proposition et à la
note détaillée. Ces documents ont été transmis au gou
vernement et des amendements ont déjà été élaborés
sur cette base.
2141/006
DOC 55
52
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
IV. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN
STEMMINGEN
TITEL 1
Voorafgaande bepaling
Art. 1
Dit artikel bevat de grondwettelijke bevoegdheids-
grondslag.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 1 wordt eenparig aangenomen.
TITEL 2
Wijzigingen van de bepalingen van het Strafwetboek
betreffende de seksuele misdrijven
HOOFDSTUK 1
Misdrijven tegen de seksuele integriteit,
het seksuele zelfbeschikkingsrecht en
de goede zeden
Art. 2
Dit artikel betreft de invoeging in van een hoofd
stuk I/1 in boek 2, titel VIII, van het Strafwetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 2 wordt eenparig aangenomen.
Art. 3
Dit artikel betreft de invoeging in van een afdeling 1 in
boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, van hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 51(partim) en het aldus geamen
deerde artikel 3 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
IV. — DISCUSSION DES ARTICLES ET
VOTES
TITRE 1ER
Disposition préliminaire
Article 1er
Cet article fixe le fondement constitutionnel de la
compétence.
Il ne donne lieu à aucune observation.
L’article 1er est adopté à l’unanimité.
TITRE 2
Modifications des dispositions du Code pénal
relatives aux infractions sexuelles
CHAPITRE 1ER
Les infractions portant atteinte
à l’intégrité sexuelle,
au droit à l’autodétermination sexuelle et
aux bonnes mœurs
Art. 2
Cet article concerne l’insertion d’un chapitre I/1 dans
le livre 2, titre VIII, du Code pénal.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 2 est adopté à l’unanimité.
Art. 3
Cet article concerne l’insertion d’une section 1re dans
le livre 2, titre VIII, du chapitre I/1 du même Code.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 51 (partim) et l’article 3, tel qu’amen
dé, sont successivement adoptés à l’unanimité.
53
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 4
Dit artikel betreft de invoeging in van een onderafde
ling 1 in boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, afdeling 1, van
het hetzelfde Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 4 wordt eenparig aangenomen.
Art. 5
Dit artikel voegt in hetzelfde Wetboek een arti
kel 417/5 in en betreft de definitie van toestemming
met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 1
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het tweede en
het derde lid te wijzigen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende
ment nr. 22 (DOC 55 2141/002) in, dat strekt tot de ver
vanging van de eerste twee zinnen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende
ment nr. 21 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het
tweede lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 24 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 32 (DOC 55 2141/003) in, tot vervanging van
het tweede en het derde lid. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 63
(DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde woor
den in het tweede en het derde lid. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 25 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in
het derde lid bepaalde woorden te vervangen. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 26 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Art. 4
Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 1re
dans le livre 2, titre VIII, du chapitre I/1, section 1re, du
même Code.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 4 est adopté à l’unanimité.
Art. 5
Cet article insère dans le même Code un article 417/5 et
porte sur la définition du consentement à propos du droit
à l’autodétermination sexuelle.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 1
(DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications
aux alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende
ment n° 22 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer les
deux premières phrases. Il est renvoyé à la justification.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende
ment n° 21 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer
l’alinéa 2. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 24 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 32 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
les alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 63 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des
mots aux alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 25 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
des mots à l’alinéa 3. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 26 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
2141/006
DOC 55
54
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) is ermee ingenomen
dat de meerderheid zich aansluit bij de oppositie inzake
de definitie van “toestemming” en in het bijzonder wat
de vermeldingen “onder meer” en “dwang” betreft.
Hoe zit het overigens met de toestemming als het om
personen met een handicap gaat? Hoe kan dat begrip
“toestemming” concreet worden gemaakt wanneer het
gaat om betrekkingen tussen twee personen met een
geestelijke beperking? Quid met het vraagstuk van
sekszorg? En wat bovendien met mogelijk misbruik en
met seksuele en affectieve betrekkingen voor personen
met een handicap?
De minister van Justitie stelt vast dat diverse amende
menten van de meerderheid en van de oppositie dezelfde
richting uitgaan, zoals de toevoeging van het element
“dwang” in het tweede lid. Het gaat hier zowel over
fysieke als over psychologische dwang, zoals duidelijk
blijkt uit de verantwoording van amendement nr. 63. Er
is ook de invoeging van het woord “met name” in het
tweede lid. De minister stelt de commissie dan ook voor
om amendement nr. 63 aan te nemen dat deze voorstel
len in zich verenigt.
De amendementen nrs. 22 en 24 gaan volgens de
minister evenwel de verkeerde richting uit, in de zin dat
ze de omkering van de bewijslast betreffen terwijl steeds
dient te worden uitgegaan van het vermoeden van on
schuld. De dader moet niet bewijzen dat er sprake is van
toestemming. Het is ook moeilijk te bepalen uit welke
handelingen de expliciete toestemming moet worden
afgeleid. Daarom is het beter om uit te gaan van de
concrete omstandigheden van de zaak zoals ook wordt
verwoord in het artikel dat stelt dat de toestemming wordt
beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de
zaak. Ook houdt amendement nr. 24 in dat partners die
gehuwd zijn of een relatie hebben steeds voorafgaandelijk
aan seksuele handelingen hun wederzijdse toestem
ming moeten geven. Dit gaat volgens hem te ver. De
amendementen nrs. 1 en 21 gaan dezelfde richting uit.
De minister verduidelijkt voorts dat het tweede lid van
artikel 5 limitatief moet worden geïnterpreteerd.
Wat amendement nr. 26 betreft, verduidelijkt de minister
dat de voorwaarde van de aantasting van de vrije wil
noodzakelijk is teneinde vreemde situaties te vermijden.
Hij pleit er dan ook voor om dit amendement niet aan
te nemen.
Wat het voorstel van mevrouw De Wit betreft (amen
dement nr. 32) om de woorden “ten nadele van” te
vervangen, stipt hij evenwel aan dat deze woorden ook
het seksueel misbruik omvatten dat vanop afstand wordt
Mme Vanessa Matz (cdH) se dit heureuse que la
majorité rejoigne l’opposition sur la définition du consen
tement, en particulier les mentions de “notamment” et
de “contrainte”.
Par ailleurs, qu’en est-il du consentement pour les
personnes handicapées? Comment matérialiser cette
notion de consentement lorsqu’il s’agit de relations
entre deux personnes handicapées mentales? Quid
de la question de l’assistance sexuelle? En outre, quid
de la question de l’abus éventuel et de la question des
relations sexuelles et affectives pour les personnes
handicapées?
Le ministre de la Justice constate que plusieurs
amendements déposés par la majorité et l’opposition
vont dans le même sens, comme l’ajout de l’élément “de
contrainte” à l’alinéa 2. Il s’agit de la contrainte physique
et psychologique, comme le montre clairement la justifi
cation de l’amendement n° 63. Il y a également l’insertion
du mot “notamment” dans l’alinéa 2. Le ministre propose
donc à la commission d’adopter l’amendement n° 63 qui
reprend ces propositions.
Les amendements nos 22 et 24 vont toutefois, selon
le ministre, dans la mauvaise direction en ce qu’ils
concernent le renversement de la charge de la preuve
alors qu’il faut toujours partir de la présomption d’inno
cence. L’auteur n’a pas à prouver qu’il y avait consente
ment. Il est également difficile de déterminer à partir de
quels actes il convient de déduire un consentement expli
cite. Il est donc plus approprié de se fonder sur les circons
tances concrètes de l’affaire, comme le formule l’article,
qui précise que le consentement est évalué à la lumière
des circonstances de l’affaire. L’amendement n° 24 im
plique également que les partenaires mariés ou qui ont
une relation doivent toujours donner leur consentement
mutuel avant tout acte sexuel. Selon lui, cela va trop loin.
Les amendements nos 1 et 21 vont dans le même sens.
Le ministre précise par ailleurs que l’alinéa 2 de
l’article 5 doit être interprété de manière limitative.
Pour ce qui est de l’amendement n° 26, le ministre
précise que la condition de l’altération du libre arbitre est
nécessaire si l’on veut éviter des situations bizarres. Il
plaide également en faveur du rejet de cet amendement.
S’agissant de la proposition de Mme De Wit (amen
dement n° 32) de remplacer les mots “au préjudice de”,
il souligne toutefois que ces mots englobent également
l’abus sexuel commis à distance. Sa proposition de
55
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gepleegd. Haar voorstel om het woord “aanranding”
weg te laten, lijkt hem een interessante piste die hij zal
voorleggen aan de experten.
In het bijzonder over de opmerking van mevrouw Matz
over de personen met een verstandelijke beperking
verduidelijkt de minister dat de lichamelijke of geeste
lijke beperking van dien aard moet zijn dat de vrije wil
is aangetast. Opdat ook zij een gewone relatie kunnen
aangaan, is het belangrijk om de voorwaarde “waar
door de vrije wil is aangetast” te behouden. Er zijn
veel personen met een verstandelijke beperking die
weldegelijk in staat zijn om hun toestemming te geven.
Het is maar als de situatie dermate erg is dat de vrije
wil is aangetast dat er geen toestemming kan zijn. De
vrije wil wordt beoordeeld in het kader van de concrete
omstandigheden van de zaak. Ook voor de sekswerker
die met gehandicapten werkt, is dit heel belangrijk in
combinatie met de decriminalisering van sekswerk.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) is opgetogen dat
de meerderheid achter de eisen van bepaalde door de
commissie gehoorde sprekers staat om te preciseren dat
de lijst van omstandigheden waarbij er geen toestem
ming is, niet exhaustief is.
Niettemin is zij verbaasd over het antwoord van de
minister met betrekking tot amendement nr. 24, dat
volgens de minister een omkering van de bewijslast zou
inhouden, zodat de dader zou moeten bewijzen dat het
slachtoffer uitdrukkelijk heeft toegestemd. Welnu, het
betrof hier een eis van AVOCATS.be, een vereniging
die nochtans heel erg begaan is het met vraagstuk van
de rechten van verdediging.
Voorts herinnert zij aan het bestaan van het probleem
van verkrachting binnen een echtpaar. Het kader van
een huwelijksrelatie houdt immers niet automatisch toe
stemming in. In weerwil van die feitelijke en rechtelijke
toestand moet er sprake kunnen zijn van een uitdruk
kelijke toestemming.
Aangaande amendement nr. 26 betreft de enige
voorgestelde wijziging het feit in een toestand van kwets
baarheid te voorzien die uit de geestelijke of lichamelijke
beperking voortvloeit. Het doel is dat de betrokken
personen, wanneer de toestand van hun beperking niet
van dien aard is dat zij kwetsbaar zijn, toestemming
kunnen geven en recht kunnen hebben op een vrije en
bevredigende seksualiteit.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is tevreden dat de
minister overweegt om het woord “aanranding” weg te
laten. Inzake de wens van de minister om de woorden
“ten nadele van” te behouden, wijst zij erop dat in de
supprimer le mot “agression” lui semble une piste inté
ressante qu’il soumettra aux experts.
En particulier, en ce qui concerne la remarque de
Mme Matz sur les personnes atteintes d’une déficience
mentale, le ministre précise que la déficience physique
ou mentale doit être telle qu’elle altère le libre arbitre.
Pour qu’elles puissent elles aussi s’engager dans une
relation normale, il est important de conserver la condi
tion “altérant le libre arbitre”. De nombreuses personnes
atteintes d’une déficience intellectuelle sont capables
de donner leur consentement. Ce n’est que lorsque la
situation est mauvaise au point d’altérer le libre arbitre
qu’il ne peut y avoir de consentement. Le libre arbitre
s’apprécie dans le contexte des circonstances concrètes
de l’affaire. Cela est également très important pour les
travailleurs du sexe qui travaillent avec des personnes
handicapées, en liaison avec la dépénalisation du travail
du sexe.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) se réjouit que la majo
rité soutienne les revendications émises par certains
orateurs entendus par la commission, afin de préciser
que la liste pour laquelle il n’y a pas de consentement
n’est pas exhaustive.
Cependant, elle s’étonne de la réponse du ministre
concernant l’amendement n° 24, qui impliquerait un ren
versement de la charge de la preuve selon le ministre,
de sorte que l’auteur devrait prouver que la victime a
donné son accord exprès. Or, c’était une demande
d’AVOCATS.be, qui est pourtant très à cheval sur la
question des droits de la défense.
Par ailleurs, elle rappelle l’existence de la problé
matique du viol entre époux. Ce n’est pas parce qu’on
se trouve dans le cadre d’une relation maritale qu’il y
a pour autant nécessairement consentement. Malgré
cette situation de fait et de droit, il faut pouvoir avoir un
consentement exprès.
Concernant l’amendement n° 26, la seule modifica
tion proposée concerne le fait de prévoir une situation
de vulnérabilité découlant de la déficience mentale ou
physique. Le but est de permettre à ces personnes,
lorsque leur état de déficience ne les rend pas vulné
rables, de donner leur consentement et d’avoir droit à
une sexualité libre et épanouie.
Mme Sophie De Wit (N-VA) se réjouit que le ministre
envisage de supprimer le mot “agression”. En ce qui
concerne le souhait du ministre de conserver les mots
“au préjudice “, elle a fait remarquer que ces mots ne
2141/006
DOC 55
56
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
basismisdrijven nergens deze woorden worden gebruikt
doch wel de woorden “op” of de woorden “met behulp
van”. De woorden “ten nadele van” zijn immers ander
begrip. Zij stelt dan ook de vraag of het behoud van
deze woorden geen verdere gevolgen kan hebben. Elk
woord is hier belangrijk.
Wat het derde lid (voorbeelden van de aantasting
van de vrije wil) betreft, pleit zij, net als de OVB, ervoor
om deze opsomming, ook al is het niet-limitatief, weg
te laten. Voorbeelden horen immers niet thuis in een
wettekst maar in de memorie van toelichting. In zijn
antwoorden heeft de minister evenwel net gesteld dat
tweede lid limitatief is. Als dit het geval is dan zetten
de woorden “andere strafbare gedraging” de deuren
wagenwijd open. Om misverstanden te vermijden, is
het belangrijk om dit dan ook uit te klaren.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) herinnert eraan dat
sommige deskundigen de mening toegedaan zijn dat
de woorden “onder meer” in de beide delen van de
bepaling moeten worden opgenomen.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) benadrukt dat zijn
amendementen ertoe strekken dat de rechter over de
nodige bewegingsvrijheid beschikt om over alle noodza
kelijke elementen te kunnen beschikken. Het betreft dus
geen omkering van de bewijslast. Deze amendementen
beogen de zaken juist duidelijker te stellen.
De minister antwoordt aan mevrouw Rohonyi dat haar
amendement de bewijslast verzwaart, wat niet wenselijk
is. Het principe van het vermoeden van onschuld moet
worden bewaakt. Haar voorstel staat ook een normaal
seksueel leven in de weg. Haar amendement geeft zelfs
de indruk dat er een spoor van toestemming moet zijn,
wat echt te ver gaat.
Wat de bemerking van mevrouw De Wit betreft, ver
duidelijkt hij dat het tweede lid uitdrukkelijk stelt dat er
in elk geval geen toestemming is bij de opgesomde ge
dragingen, die dan ook limitatief is. De andere strafbare
gedragingen worden gedefinieerd in het Strafwetboek.
Het derde lid is een exhaustieve opsomming en dus
niet-limitatief. Voor het overige verwijst hij naar zijn
eerdere antwoorden.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 81
in dat een nieuwe definitie van toestemming voorstelt
(DOC 55 2141/005). De hoofdindienster overloopt de
verantwoording van haar amendement.
Amendement nr. 1 wordt verworpen met 10 tegen 2
stemmen en 3 onthoudingen.
sont utilisés nulle part dans les infractions de base,
mais plutôt les mots “sur” ou “avec l’aide de”. Les mots
“au préjudice “sont en en effet un concept différent. Elle
demande dès lors si le maintien de ces mots ne peut
pas avoir d’autres conséquences. Chaque mot ici est
important.
En ce qui concerne l’alinéa 3 (exemples d’altération
du libre arbitre), elle plaide, comme l’OVB, pour la sup
pression de cette énumération, même si elle n’est pas
exhaustive. Des exemples n’ont en effet pas leur place
dans un texte législatif mais dans l’exposé des motifs.
Or, dans ses réponses, le ministre vient de déclarer que
le l’alinéa 2 est limitatif. Si c’est le cas, alors les mots
“un autre comportement punissable” ouvrent toutes
grandes les portes. Pour éviter tout malentendu, il est
important de clarifier ce point.
Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que, selon certains
experts, le mot “notamment” doit figurer dans les deux
parties de la disposition.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) souligne que ses
amendements visent à ce que le juge ait une marge de
manœuvre pour disposer de tous les éléments néces
saires. On ne se trouve donc pas dans une inversion
de la charge de la preuve. Ces amendements visent
justement à rendre les choses plus précises.
Le ministre répond à Mme Rohonyi que son amen
dement alourdit la charge de la preuve, ce qui n’est pas
souhaitable. Le principe de la présomption d’innocence
doit être préservé. Sa proposition fait également obs
tacle à une vie sexuelle normale. Son amendement
donne même l’impression qu’il doit y avoir une trace de
consentement, ce qui va vraiment trop loin.
S’agissant de la remarque de Mme De Wit, il précise
que l’alinéa 2 indique expressément qu’en tout état de
cause, il n’y a pas de consentement dans le cas des
comportements énumérés, d’où le caractère limitatif. Les
autres comportements punissables sont définis dans le
Code pénal. L’alinéa 3 est une énumération exhaustive
et n’est donc pas limitatif. Pour le reste, il renvoie à ses
réponses précédentes.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n° 81, qui propose une nouvelle définition du
consentement (DOC 55 2141/005). L’auteure principale
en parcourt la justification.
L’amendement n° 1 est rejeté par 10 voix contre 2 et
3 abstentions.
57
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Amendement nr. 22 wordt verworpen met 14 stem
men tegen 1.
Amendement nr. 21 wordt verworpen met 10 tegen
5 stemmen.
Amendement nr. 24 wordt verworpen met 13 stemmen
en 1 onthouding.
Amendement nr. 32 wordt verworpen met 10 tegen
4 stemmen en 1 onthouding.
Amendement nr. 81 wordt eenparig aangenomen.
Amendement nr. 63 wordt ingetrokken.
De amendementen nrs. 25 en 26 worden achtereen
volgens verworpen met 10 stemmen en 4 onthoudingen.
Het aldus geamendeerde artikel 5 wordt eenparig
aangenomen.
Art. 6
Dit artikel strekt tot invoeging van een arti
kel 473/6 in hetzelfde Wetboek. Het betreft de seksuele
meerderjarigheid.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 2
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt in § 2 bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 29 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in
§ 2 een zin in te voegen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 27 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 28 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in
§ 3 een zin in te voegen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 33 (DOC 55 2141/003) in, tot vervanging van
de §§ 2 en 3. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
De keuze over de seksuele meerderjarigheid is een
politieke keuze. De hoorzittingen hebben evenwel aan
getoond dat wat voorligt te strikt is en niet overeenstemt
L’amendement n° 22 est rejeté par 14 voix contre une.
L’amendement n° 21 est rejeté par 10 voix contre 5.
L’amendement n° 24 est rejeté par 13 voix et une
abstention.
L’amendement n° 32 est rejeté par 10 voix contre 4
et une abstention.
L’amendement n° 81 est adopté à l’unanimité.
L’amendement n° 63 est retiré.
Les amendements nos 25 et 26 sont successivement
rejetés par 10 voix et 4 abstentions.
L’article 5, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité.
Art. 6
Cet article vise à insérer un article 473/6 dans le même
Code. Il concerne la majorité sexuelle.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 2
(DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots au
paragraphe 2. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 29 (DOC 55 2141/003) qui vise à insérer une
phrase au paragraphe 2. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 27 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 28 (DOC 55 2141/003) qui vise à insérer une
phrase au paragraphe 3. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 33 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
les paragraphes 2 et 3. Il est renvoyé à la justification.
Le choix de la majorité sexuelle est un choix politique.
Cependant, les auditions ont montré que ce le texte à
l’examen est trop strict et ne correspond pas à la réalité.
2141/006
DOC 55
58
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
met de realiteit. Zij geeft het voorbeeld van een 15-ja
rige die een relatie heeft met een 18-jarige scoutslei
der, wat volgens de bepalingen van het ter bespreking
voorliggende wetsontwerp strafbaar is. De maximale
toegestane leeftijdsverschil van 2 jaar voor de categorie
van 14- tot 16-jarigen is eigenlijk te beperkend. Net zoals
de voorwaarde dat er onder 18 jaar geen sprake kan
zijn van een gezagsrelatie. Derhalve pleit zij bij wege
van haar amendement nr. 33, dat het voorstel van de
experten herneemt, voor een grotere soepelheid.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) is van oordeel
dat amendement nr. 33 problematisch kan zijn in ver
band met het bewijs; men zou het misbruik van de
gezagspositie immers moeten kunnen bewijzen, wat
heel moeilijk is. Met deze werkelijkheid moet rekening
worden gehouden, temeer omdat de voorbeelden die
mevrouw De Wit aanhaalt, doorgaans niet tot een ge
rechtelijke procedure leiden.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) vraagt met betrek
king tot dit artikel of het om een door het slachtoffer dan
wel door de samenleving in haar geheel erkende positie
gaat. Dit dient te worden uitgeklaard.
Het wetsontwerp zegt niets over gynaecologisch en
verloskundig geweld, maar kunnen ook die vormen door
deze bepaling worden beoogd?
De minister merkt op dat de meerderheidspartijen
nog geen definitief standpunt hebben ingenomen over
de maximale toegestane leeftijdsverschil van 2 jaar.
Hij verduidelijkt dat de notie “erkende positie” de ter
minologie is die wordt gebruikt in de Richtlijn 2011/93/
EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 de
cember 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en
seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,
en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de
Raad (artikel 3, punt 5).
Deze bepaling viseert ook het gynaecologisch ge
weld. Er werd derhalve niet gekozen voor een aparte
strafbaarstelling.
De minister begrijpt de redenering achter amende
ment nr. 28 maar meent dat de zaken aldus bijzonder
ingewikkeld worden gemaakt. De boodschap moet
eenvoudig en duidelijk zijn: vanaf 16 jaar is er sowieso
seksuele meerderjarigheid, onder 16 jaar kan er geen toe
stemming worden gegeven, behalve tussen 14- en 16-ja
rigen onderling. Het toevoegen van de zinsnede “tenzij
de dader het tegendeel kan bewijzen” legt de bewijslast
bij de beklaagde wat moeilijk te verzoenen is met het
vermoeden van onschuld. Ook amendement nr. 29 legt
de bewijslast bij de dader.
Elle donne l’exemple d’un jeune de 15 ans ayant une
relation avec un chef scout de 18 ans, ce qui est punis
sable selon les dispositions du projet de loi à l’examen.
La différence d’âge maximale autorisée de 2 ans pour
la catégorie des 14 à 16 ans est en fait trop restrictive.
Tout comme la condition selon laquelle il ne peut y
avoir de relation d’autorité en dessous de 18 ans. C’est
pourquoi, par le biais de son amendement n° 33, qui
reprend la proposition des experts, elle plaide pour une
plus grande souplesse.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) considère que cet amen
dement n° 33 pourrait poser un problème de preuve, car
il faudrait prouver l’abus de la position d’autorité, ce qui
est très difficile. Il faut prendre cette réalité en consi
dération, d’autant plus que les exemples mentionnés
par Mme De Wit n’aboutissent pas en général à des
procédures judiciaires.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) demande, concernant
cet article, s’il s’agit de la position reconnue par la vic
time, ou par la société dans son ensemble. Cela mérite
une clarification.
En outre, les violences gynécologiques ou obstétri
cales – absentes du projet de loi – peuvent-elles être
visées par cette disposition?
Le ministre note que les partis de la majorité n’ont
pas encore pris définitivement position sur la différence
d’âge maximale autorisée de 2 ans.
Il précise que la notion de “position reconnue “est
la terminologie utilisée dans la directive 2011/93/
UE du Parlement européen et du Conseil du 13 dé
cembre 2011 relative à la lutte contre les abus sexuels
et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi que la pédo
pornographie et remplaçant la décision-cadre 2004/68/
JAI du Conseil (article 3, point 5).
Cette disposition vise également les violences gyné
cologiques. Une incrimination distincte n’a dès lors pas
été retenue.
Le ministre comprend le raisonnement qui sous-tend
l’amendement n° 28, mais estime qu’il rend les choses
très compliquées. Le message doit être simple et clair:
à partir de 16 ans il y a en tout état de cause la majorité
sexuelle, en dessous de 16 ans aucun consentement ne
peut être donné sauf entre les jeunes âgés de 14 à 16 ans
entre eux. L’ajout de la phrase “sauf preuve contraire
apportée par l’auteur “fait peser la charge de la preuve
sur le prévenu, ce qui est difficile à concilier avec la
présomption d’innocence. L’amendement n° 29 fait
également peser la charge de la preuve sur le l’auteur.
59
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreker geeft vervolgens het voorbeeld van
een 50-jarige leerkracht die een relatie aangaat met
een 17-jarige student, wat volgens het ter bespreking
voorliggende wetsontwerp mogelijk is zolang er geen
gebruik wordt gemaakt van de gezags- en vertrouwens
relatie om seksuele daden te stellen. Het woord “gebruik”
is volgens de minister een mooi compromis tussen het
louter hebben van gezag en het misbruik van gezag (zie
ontworpen artikel 6, § 3).
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat wat
dit laatste betreft, het aspect van de leeftijd essentiëler
is. Wat de bemerking van de heer Boukili betreft, is zij
van oordeel dat er geen strafbare gedragingen in de wet
mogen worden ingeschreven als ervan uit wordt gegaan
dat ze toch niet zullen worden vervolgd.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 84
in waarmee wordt voorgesteld om in artikel 417/6 van
het wetsontwerp een rechtvaardigingsgrond in te voe
gen die specifiek betrekking heeft op minderjarigen die
consensuele seksuele betrekkingen hebben en die een
leeftijdsverschil van meer dan drie jaar hebben (DOC
55 2141/005).
Het is mevrouw Sophie De Wit (N-VA) niet duidelijk
wat de meerwaarde van deze aanvulling is, tenzij hier
mee de relatie tussen een 14-jarige en een 17,5-jarige
wordt opgevangen? Is het in voorkomend geval evenwel
niet eenvoudiger om alles op te nemen in een enkele
duidelijke bepaling? De aanvulling overlapt immers met
paragraaf 2, eerste lid.
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) beaamt dat de
toevoeging, die rekening houdt met amendement nr.
2, inderdaad een relatie met wederzijdse toestemming
tussen een 14-jarige en een 17-jarige (zijnde nog net
geen 18 jaar) betreft.
De minister legt uit dat het hier gaat om een recht
vaardigingsgrond die enkel speelt voor minderjarigen,
in deze is de geboortedatum van belang en niet alleen
het geboortejaar.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) leidt hieruit af dat ie
mand van 15 jaar en 11 maanden een relatie kan hebben
met iemand van 18 jaar en 11 maanden. Deze bepaling
zal evenwel volgens haar met een gebruiksaanwijzing en
opgesomde mogelijkheden moeten gepaard gaan. Het
is in ieder geval een gemiste kans om de problematiek
minder complex te maken.
Er is ook nog het probleem van de 17-jarige die een
relatie heeft met een 18-jarige scoutsleider en waarbij
dus sprake is van een gezagsrelatie.
Le ministre donne ensuite l’exemple d’un enseignant
de 50 ans qui engage une relation avec un étudiant
de 17 ans, ce qui, selon le projet de loi à l’examen, est
possible tant que la relation d’autorité et de confiance
n’est pas utilisée dans le but de pousser l’autre à se livrer
à des actes sexuels. Selon le ministre, le mot “utiliser”
est un bon compromis entre le simple fait de disposer
d’une autorité et le fait d’abuser de cette autorité (voir
l’article 6, § 3, en projet).
Mme Sophie De Wit (N-VA) estime qu’en cette matière,
l’aspect de l’âge est plus essentiel. En ce qui concerne
l’observation de M. Boukili, elle estime qu’il ne faut pas
inscrire dans la loi des comportements passibles de
poursuites pénales si l’on part du principe que leurs
auteurs ne seront de toute façon pas poursuivis.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n° 84, qui propose d’insérer, dans l’article 417/6
du projet de loi, une cause de justification qui concerne
spécifiquement les mineurs d’âge qui ont des relations
sexuelles consenties et qui ont une différence d’âge de
plus de trois ans (DOC 55 2141/005).
Mme Sophie De Wit (N-VA) ne voit pas bien quelle
est la plus-value de cet ajout, à moins qu’il ne vise la
relation entre un mineur de 14 ans et un de 17,5 ans ?
Si tel est le cas, n’est-il toutefois pas plus simple de
tout reprendre dans une disposition unique claire ? Cet
ajout fait en effet double emploi avec le paragraphe 2,
alinéa 1er.
Mme Katja Gabriëls (Open Vld) confirme que l’ajout,
qui tient compte de l’amendement n° 2, concerne en
effet une relation consentante entre un jeune de 14
ans et un adolescent de 17 ans (n’ayant tout juste pas
encore 18 ans).
Le ministre explique qu’il s’agit d’une cause de justifi
cation qui concerne spécifiquement les mineurs d’âge ;
dans ce cas, la date de naissance est importante et pas
seulement l’année de naissance.
Mme Sophie De Wit (N-VA) en déduit qu’une personne
âgée de 15 ans et 11 mois peut avoir une relation avec
une personne âgée de 18 ans et 11 mois. Selon elle,
cette disposition devra toutefois s’ accompagner d’un
mode d’emploi et d’une énumération des possibilités.
Dans tous les cas, c’est une occasion manquée de
rendre la problématique moins complexe.
Il y a aussi le problème du jeune de 17 ans qui a une
relation avec un chef scout de 18 ans et où il y a donc
une relation d’autorité.
2141/006
DOC 55
60
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister is van oordeel dat het kader duidelijk is.
Wat het laatste betreft, legt hij uit dat het louter hebben
van een gezagsrelatie een dergelijke relatie niet strafbaar
maakt maar wel het gebruik van die gezagsrelatie. Het
is aan de rechtspraak om dit laatste te duiden.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt vast dat de meer
derheid zich alvast schaart achter haar amendement nr. 2.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vindt dat paragraaf 1
enerzijds en paragraaf 2 anderzijds een vreemd signaal
geven. Wat met de rechtvaardigingsgrond als het gaat
over de primaire “sexting” (doorsturen van naaktfoto’s)?
De minister verduidelijkt dat primaire “sexting” onder
leeftijdsgenoten, boven 16 jaar, is toegelaten. Onder 16
jaar niet, jonge mensen zijn er zich immers niet altijd
van bewust dat die beelden blijven.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) besluit dat overeen
komstig de rechtvaardigingsgrond een 14-jarige wel kan
instemmen met een relatie met een andere minderjarige
doch dat primaire “sexting” tussen hen niet mogelijk is. Dit
is een keuze die haar toch wat bevreemdend overkomt
en waarschijnlijk het resultaat is van een compromis.
Zij blijft er bij dat de zaken aldus nodeloos complex
worden gemaakt.
De amendementen nrs. 2 en 84 worden achtereen
volgens aangenomen met 11 stemmen tegen 1 en 3
onthoudingen.
De amendementen nrs. 29 en 28 worden achtereen
volgens verworpen met 15 stemmen.
Amendement nr. 27 wordt verworpen met 14 stem
men tegen 1.
Amendement nr. 33 wordt verworpen met 12 tegen
3 stemmen.
Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt aangenomen
met 11 tegen 4 stemmen.
Art. 7
Dit artikel betreft de invoeging in van een onderafde
ling 2 in boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, afdeling 1, van
het hetzelfde Wetboek.
Artikel 7 wordt eenparig aangenomen.
Le ministre estime que le cadre est clair. Concernant
le dernier point, il explique que ce n’est pas le simple
fait d’avoir une relation d’autorité qui rend cette relation
punissable mais l’utilisation de cette autorité. Il appartient
à la jurisprudence d’interpréter cette question.
Mme Vanessa Matz (cdH) note que la majorité soutient
en tout cas son amendement n° 2.
Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que le paragraphe
1er, d’une part, et le paragraphe 2, d’autre part, donnent
un signal étrange. Qu’en est-il de la cause de justification
lorsqu’il s’agit du “sexting” primaire (envoi de photogra
phies dénudées) ?
Le ministre précise que le «sexting» primaire entre
personnes du même âge, âgées de plus de 16 ans, est
autorisé. Pas en-dessous de l’âge de 16 ans, car les
jeunes ne sont pas toujours conscients que ces images
demeurent.
Mme Sophie De Wit (N-VA) conclut qu’en vertu de la
cause de justification, un jeune de 14 ans peut consentir à
une relation avec un autre mineur, mais que le «sexting»
primaire entre eux n’est pas possible. Ce choix, qui lui
semble plutôt étrange, est probablement le résultat d’un
compromis. Elle soutient que cela complique inutilement
les choses.
Les amendements nos 2 et 84 sont successivement
adoptés par 11 voix contre une et 3 abstentions.
Les amendements nos 29 et 28 sont successivement
rejetés par 15 voix.
L’amendement n° 27 est rejeté par 14 voix contre une.
L’amendement n° 33 est rejeté par 12 voix contre 3.
L’article 6, tel qu’amendé, est adopté par 11 voix
contre 4.
Art. 7
Cet article concerne l’insertion d’une sous-sec
tion 2 dans le livre 2, titre VIII, chapitre I/1, section 1re,
du même Code.
L’article 7 est adopté à l’unanimité.
61
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 8
Dit artikel voegt in hetzelfde Wetboek een arti
kel 417/7 in en betreft de aantasting van de seksuele
integriteit.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 31 in (DOC 55 2141/003), teneinde de woorden
“van zes maanden” te vervangen door de woorden “van
één jaar”. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 34 (DOC 55 2141/003) in, ter vervanging van
het eerste lid. Het amendement neemt een tekstaanpas
sing van de OVB over teneinde duidelijk te maken bij
wie de toestemming dient te liggen.
Professor Stevens heeft in deze context ook gepleit
voor een eventuele bijkomende strafbaarstelling van
de “dickpics”. De keuze werd gemaakt om dit niet te
doen. Volgens professor Rozie valt deze gedraging
onder belaging. Dit betekent evenwel dat in de globale
hervorming van het Strafwetboek, de belaging moet
worden uitgebreid naar elektronische belaging teneinde
ook dit te kunnen aanpakken, zo niet zullen er lacunes
blijven. Zij vraagt de minister dan ook voor een duidelijke
stellingname in deze.
De minister verduidelijkt dat van zodra binnen de
wettelijke strafvork de oplegging van 1 jaar gevangenis
straf mogelijk is (in casu 5 jaar) voorlopige hechtenis
mogelijk is. Het amendement van mevrouw Rohonyi
is derhalve niet nodig om een voorlopige hechtenis
mogelijk te maken.
Amendement nr. 34 zal worden voorgelegd aan de
experten.
Wat de “dickpics” betreft, is er evenwel geen sprake
van een lacune bij de aanneming van de ter bespreking
voorliggende tekst. Volgens sommigen is dit geen vorm
van belaging omdat een repetitief karakter is vereist.
Evenwel is er voor elektronische belaging (artikel 145,
§ 3bis, van de wet van 13 juni 2005 op de elektroni
sche communicatie) nooit een repetitief karakter nodig
geweest. Er is volgens de experten dan ook absoluut
geen nood aan de creatie van een nieuwe strafbaar
stelling. Dit zou tot meer discussies kunnen leiden
(bijvoorbeeld: is het de lex specialis-regeling dan wel
een geval van samenloop?). In het kader van de globale
hervorming van het Strafwetboek wordt voorgesteld om
een nieuwe definitie te geven aan belaging (en dus de
elektronische belaging te integreren in de definitie van
gemeenrechtelijke belaging): Belaging is het wetens en
willens ernstig verstoren van de rust van een persoon,
zelfs al is het eenmalig of bestaat het uit een enkele
Art. 8
Cet article insère dans le même Code un ar
ticle 417/7 qui concerne l’atteinte à l’intégrité sexuelle.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) présente l’amende
ment n° 31 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer les
mots “de six mois” par les mots “d’un an”. Il est renvoyé
à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende
ment n° 34 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer le
premier alinéa. L’amendement reprend une modification
du texte telle qu’elle est proposée par l’OVB afin d’indiquer
clairement qui doit donner son consentement.
Le professeur Stevens avait également plaidé, dans ce
contexte, en faveur d’une éventuelle incrimination supplé
mentaire des “dickpics” (photos de pénis non sollicitées
et non consenties). Il a finalement été décidé de ne pas le
faire. Selon le professeur Rozie, ce comportement relève
du harcèlement. Cela signifie toutefois que, dans le cadre
de la réforme globale du Code pénal, le harcèlement
devrait être étendu au harcèlement électronique, sans
quoi il y aura des lacunes. L’intervenante demande donc
au ministre de prendre clairement position à ce sujet.
Le ministre précise que dès que la fourchette légale
permet une peine d’emprisonnement d’un an (dans le cas
présent, il s’agit de cinq ans), la détention provisoire est
possible. L’amendement de Mme Rohonyi n’est donc pas
nécessaire pour rendre possible la détention provisoire.
L’amendement n° 34 sera soumis aux experts.
En ce qui concerne les “dickpics”, le ministre estime
que l’adoption du texte à l’examen n’entraînera aucune
lacune. Selon certains, il ne s’agit pas d’une forme de
harcèlement au motif que le harcèlement devrait avoir
un caractère répétitif. Or, pour le harcèlement électro
nique (article 145, § 3bis, de la loi du 13 juin 2005 sur
les communications électroniques), le caractère répétitif
n’a jamais été requis. Selon les experts, il n’est donc
absolument pas nécessaire de créer une nouvelle incri
mination. Une telle incrimination pourrait d’ailleurs donner
lieu à d’autres discussions encore (par exemple, s’agit-il
de la règle du lex specialis ou d’un cas de concours?)
Dans le cadre de la réforme globale du Code pénal, il
est proposé de donner une nouvelle définition du harcè
lement (et donc d’intégrer le harcèlement électronique
dans la définition du harcèlement de droit commun): le
harcèlement consiste à, sciemment et volontairement,
perturber la tranquillité d’une personne, même s’il s’agit
2141/006
DOC 55
62
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
handeling, terwijl men wist of had moeten weten dat
men door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon
ernstig zou verstoren. Wanneer de belaging erop gericht
is een niet-consensuele seksuele handeling te stellen op
de persoon van het slachtoffer, is er in het kader van de
globale hervorming van het Strafwetboek in een nieuwe
verzwarende omstandigheid voorzien.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat
om lacunes te vermijden vandaag in het ter bespreking
voorliggende wetsontwerp een expliciete keuze moet
worden gemaakt.
De minister verwijst naar de memorie van toelich
ting waar zijn standpunt in afwachting van het nieuw
Strafwetboek wordt verduidelijkt. Daarnaast zijn er ook
de artikelen 442bis van het Strafwetboek en 145, § 3bis,
van de wet van 13 juni 2005 op de elektronische com
municatie die in een strafbaarstelling voorzien.
Amendement nr. 31 wordt verworpen met 10 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Amendement nr. 34 en het aldus geamendeerde artikel
8 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 8/1 (nieuw)
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 3
(DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een nieuw ar
tikel 8/1. Het amendement beoogt dat het wetsontwerp
ook betrekking zou hebben op alle handelingen die de
seksuele integriteit vanop afstand zouden schenden.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
De minister antwoordt dat amendement nr. 3 niet nodig
is. Immers, voor het misdrijf van aantasting van de sek
suele integriteit is, net zoals dit vandaag het geval is voor
de aanranding van de eerbaarheid, een rechtstreekse
aanraking door de dader niet nodig. Het slachtoffer
vanop afstand verplichten om seksuele handelingen te
stellen, valt vandaag al onder de strafbaarstelling aan
tasting van de seksuele integriteit. Hij verwijst in deze
voorts naar het arrest van het Hof van Cassatie van 6
oktober 2004 alsook naar dat van het hof van beroep te
Luik van 30 maart 2004. Het voorgestelde amendement
zou het perverse effect kunnen hebben dat het misdrijf
van aantasting van de seksuele integriteit op afstand
niet strafbaar is wanneer het slachtoffer meerderjarig is
of niet lijdt aan een lichamelijke of geestelijke handicap
of stoornis.
Amendement nr. 3 wordt verworpen met 10 tegen
2 stemmen en 3 onthoudingen.
d’une seule fois ou que cela résulte d’un seul acte, alors
qu’on savait ou aurait dû savoir qu’on affecterait grave
ment, par ce comportement, la tranquillité de la personne
visée. Lorsque le harcèlement vise à commettre un acte
sexuel non consenti sur la personne de la victime, une
nouvelle circonstance aggravante est prévue dans le
cadre de la réforme globale du Code pénal.
Mme Sophie De Wit (N-VA) estime qu’afin d’éviter des
lacunes, un choix explicite devrait être fait aujourd’hui à
cet égard dans le projet de loi à l’examen.
Le ministre renvoie à l’exposé des motifs, dans lequel
il précise quelle est sa position dans l’attente du nouveau
Code pénal. Par ailleurs, les articles 442bis du Code
pénal et 145, § 3bis, de la loi du 13 juin 2005 relative
aux communications électroniques prévoient également
une incrimination.
L’amendement n° 31 est rejeté par 10 voix contre une
et 4 abstentions.
L’amendement n° 34 et l’article 8, tel qu’amendé, sont
successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 8/1 (nouveau)
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 3
(DOC 55 2141/002), qui vise à insérer un nouvel article 8/1.
L’amendement vise à intégrer tout ce qui atteint à l’inté
grité sexuelle à distance dans le projet.
Il est renvoyé à la justification.
Le ministre répond que l’amendement n° 3 n’est
pas nécessaire. En effet, pour l’infraction d’atteinte à
l’intégrité sexuelle, comme c’est aujourd’hui le cas pour
l’attentat à la pudeur, un contact direct de l’agresseur
n’est pas requis. Le fait d’obliger la victime à accomplir
des actes sexuels à distance relève d’ores et déjà de
l’incrimination d’atteinte à l’intégrité sexuelle. À cet
égard, le ministre renvoie en outre à l’arrêt de la Cour
de cassation du 6 octobre 2004 ainsi qu’à celui de la
cour d’appel de Liège du 30 mars 2004. L’amendement
proposé pourrait avoir des effets pervers en ce sens que
l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle à distance ne
serait plus punissable lorsque la victime est majeure ou
qu’elle ne souffre pas d’une déficience ou d’un handicap
mental ou physique.
L’amendement n° 3 est rejeté par 10 voix contre 2 et
3 abstentions.
63
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 9
Dit artikel beoogt de invoeging van een artikel 417/8 in
hetzelfde Wetboek en betreft het voyeurisme.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 30 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt woor
den te vervangen, met als doel de reikwijdte van de
strafbaarstelling van voyeurisme te beperken, opdat een
en ander niet van toepassing zou zijn op onbedoelde
situaties, bijvoorbeeld het maken van een foto van het
ontblote hoofd van een gesluierde persoon. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 58
(DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde
woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) sluit zich aan bij de
bezorgdheid die mevrouw Rohonyi verwoordt in haar
amendement nr. 30 over de ruime definitie van ontblote
persoon.
Wat met een vrouw die gesluierd door het leven
gaat, bij een kappersbezoek de sluier afneemt en door
een selfie van een medeklant ongesluierd op de selfie
wordt getoond? Zij pleit er dan ook voor om hier meer
duidelijkheid te brengen. Het gebrek aan toestemming
moet weldegelijk betrekking hebben op de verboden
handeling.
Tijdens de hoorzitting hebben ook meerdere geno
digden het voorstel gedaan om de strafbaarstelling uit te
breiden naar de realistische “fake nudes” (deepnudes).
Mevrouw Katleen Bury (VB) steunt het voorstel van
mevrouw Rohonyi maar meent het eerder aangewezen
om dit te verduidelijken in de bespreking dan op te nemen
in de wettekst. Het is volgens haar ook niet duidelijk of
de volledig gemanipuleerde beelden (deep nudes) al
dan niet vallen onder voyeurisme.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) komt terug op
amendement nr. 30. De bedoeling van de voorliggende
bepaling is de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene
in acht te nemen en ervoor te zorgen dat zonder diens
toestemming geen beelden worden verspreid die hij of
zij als een schending van zijn of haar eerbaarheid zou
beschouwen. De spreker meent dat men moet opletten
dat het debat niet verschuift, want het aangehaalde aspect
hoort hier volgens hem niet thuis. De heer Boukili stelt
voor om het debat te blijven focussen op het seksueel
geweld.
De heer Ben Segers (Vooruit) is tevreden met de
inschrijving van ontblote persoon in de strafbaarstelling.
Art. 9
Cet article concerne l’insertion de l’article 417/8 dans
le même Code et traite du voyeurisme.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) présente l’amende
ment n° 30 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer
des mots en vue de réduire la portée de l’incrimination
de voyeurisme afin qu’elle ne couvre pas des situations
non désirées comme par exemple la prise en photo de
la tête dénudée d’une personne voilée. Il est renvoyé
à la justification.
M. Khalil Aouasti et consorts présentent l’amende
ment n° 58 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) se rallie à la préoccupation
de Mme Rohonyi formulée dans son amendement n° 30
au sujet de la définition vaste de la personne dénudée.
Qu’en est-il d’une femme qui vit voilée, qui ôte le
voile dans un salon de coiffure et apparaît dévoilée sur
un selfie pris par une autre cliente? Elle prône dès lors
d’apporter plus de précisions à cet égard. L’absence de
consentement doit bel et bien porter sur l’acte interdit.
Lors de l’audition, plusieurs orateurs invités ont égale
ment proposé d’étendre l’incrimination aux “fake nudes”
(deepnudes) réalistes.
Mme Katleen Bury (VB) soutient la proposition de
Mme Rohonyi mais estime qu’il s’indique de préciser ce
point dans la discussion plutôt que de l’insérer dans le
texte de loi. Elle considère qu’il n’apparaît pas non plus
clairement si les images totalement truquées relèvent
ou non (deep nudes) du voyeurisme.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) revient sur l’amende
ment n° 30. L’objectif de cette disposition est que la vie
privée d’une personne soit respectée et qu’on ne dévoile
pas des images qu’elle juge comme une atteinte à sa
pudeur, sans son consentement. Il faut faire attention
à ce que le débat ne glisse pas, car ce sujet n’a pas sa
place ici à son sens. Il propose d’en rester au débat des
violences sexuelles.
M. Ben Segers (Vooruit) se félicite que la “personne
dénudée” soit inscrite dans l’incrimination. Les experts
2141/006
DOC 55
64
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De experten hebben aangegeven dat de strafbepaling
in alle redelijkheid moet worden geïnterpreteerd. De
omschrijving kan evenwel aanleiding geven tot sub
jectieve interpretaties, zeker bij bedekking omwille van
religieuze en cultuurgevoelige redenen (bijv. wat met
foto’s die worden gedeeld in een publieke sauna, wat
met foto’s op een naaktstrand, wat met foto’s in lingerie,
van personen die normaal volledig bedekt door het leven
gaan?). De spreker vestigt de aandacht op de verdeelde
rechtspraak hierover.
Volledig gemanipuleerde beelden (deepnudes) vallen
volgens sommigen niet onder de strafbaarstelling van
voyeurisme omdat dit samenvalt met de toestemming
van de persoon. Uit artikel 383bis van het Strafwetboek
(kindermisbruikmateriaal) blijkt evenwel duidelijk dat
het hieronder wel valt. De vraag stelt zich evenwel of
“deepnudes” ook strafbaar zijn op basis van het misdrijf
voyeurisme wanneer het over meerderjarigen gaat?
De minister steunt amendement nr. 58. Wat amen
dement nr. 30 betreft, verduidelijkt hij dat volgens de
Commissie tot hervorming van het strafrecht de definitie
van ontbloot persoon niet problematisch is. Aanvullend op
de memorie van toelichting wijst hij erop dat strafbepalin
gen in alle redelijkheid moeten worden geïnterpreteerd.
Een strafbepaling moet ook worden geïnterpreteerd in het
licht van de doelstellingen van de wetgever. Voyeurisme
staat in het hoofdstuk van het seksueel strafrecht. De
casussen van het afdoen van de hoofddoek bij de kap
per, waarna een selfie wordt genomen van deze persoon
zonder hoofddoek, kan dan ook moeilijk als voyeurisme
worden bestempeld.
Het kijken/nemen van beeldfoto’s onder de rokken
(creep foto’s) valt onder de bepaling van het misdrijf
voyeurisme, wat ook zeer duidelijk wordt gesteld in de
memorie van toelichting.
Het is de bedoeling om de definitie van voyeurisme
zo ruim mogelijk te houden. Aangezien voyeurisme het
aspect toestemming veronderstelt, vallen volledig gema
nipuleerde beelden niet onder het toepassingsgebied van
voyeurisme. De toestemming kan immers niet worden
gegeven. Voor gedeeltelijk gemanipuleerde beelden is
er volgens de experten geen bezwaar om dit strafbaar
te stellen. Dit zal afhangen van het concrete geval. Het
is dan aan de rechtspraak om een uitspraak te vellen.
Wat de door de heer Ben Segers aangehaalde voor
beelden betreft, is het correct dat de rechtspraak verdeeld
is. Daarom werd de meest afwijkende rechtspraak op
gelijst in de memorie van toelichting om te duiden waar
het absoluut niet kan dat het niet om voyeurisme zou
gaan (bijvoorbeeld uitspraak inzake het filmen onder de
ont indiqué que la disposition pénale doit être interpré
tée en toute logique. La définition peut toutefois donner
lieu à des interprétations subjectives, a fortiori en ce qui
concerne les couvre-chefs portés pour des motifs reli
gieux et culturels (par exemple, qu’en est-il des photos
qui sont partagées dans un sauna public, des photos
sur une plage de naturistes, des photos en lingerie de
personnes qui normalement vivent entièrement vêtues?).
L’intervenant attire l’attention sur la jurisprudence par
tagée à cet égard.
D’aucuns estiment que les images totalement tru
quées (deep nudes) ne relèvent pas de l’incrimination de
voyeurisme car cela correspond au consentement de la
personne. Il ressort toutefois clairement de l’article 383bis
du Code pénal (matériel pédopornographique) qu’elles
en relèvent bel et bien. La question se pose toutefois est
de savoir si les “deepnudes” sont également punissables
sur la base de l’infraction de voyeurisme s’il s’agit de
majeurs?
Le ministre soutient l’amendement n° 58. Concernant
l’amendement n° 30, il précise que la Commission de
réforme du droit pénal estime que la définition de la
personne dénudée n’est pas problématique. Pour com
pléter l’exposé des motifs, il signale que les dispositions
pénales doivent être interprétées en toute logique. Une
disposition pénale doit également être interprétée à la
lumière des objectifs du législateur. Le voyeurisme figure
dans le chapitre relatif au droit pénal sexuel. Il est dès
lors difficile de qualifier de voyeurisme les cas dans
lesquels une personne ôte son voile chez le coiffeur
et ensuite est photographiée sans voile sur un selfie.
Regarder ou prendre des photographies sous les
jupes (creepshots) relève de la disposition relative à
l’infraction de voyeurisme, ce qui est également très
clairement indiqué dans l’exposé des motifs.
Le but est de maintenir une définition la plus large
possible du voyeurisme. Dès lors que le voyeurisme
implique l’aspect du consentement, les images complè
tement truquées ne relèvent pas du champ d’application
du voyeurisme. Le consentement ne peut en effet pas être
donné. S’agissant des images partiellement truquées,
les experts considèrent que leur incrimination n’appelle
aucune objection. Cela dépendra du cas concret. Il
appartient à la jurisprudence de prononcer un jugement.
S’agissant des exemples évoqués par M. Ben Segers,
il est correct d’indiquer que la jurisprudence est parta
gée. La liste de la jurisprudence la plus divergente a été
dressée dans l’exposé des motifs afin de préciser où
il n’est absolument pas possible qu’il ne s’agisse pas
de voyeurisme (le jugement concernant la réalisation
65
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
rokken, rechtbank te Veurne). Het is bijzonder moeilijk
om een sluitende definitie te geven over voyeurisme.
Er wordt daarom bij de legistieke werkzaamheden rond
de definitie en strafbaarstelling van voyeurisme toe
passing gemaakt van de techniek van de plausibiliteit:
deze moet voor zoveel mogelijk mensen en op zoveel
mogelijk omstandigheden van toepassing zijn, maar het
is onmogelijk om alle gevallen sluitend in de definitie te
dekken. Vandaar ook de uitgebreide verduidelijking in
de memorie van toelichting.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) komt terug op de
“deepnudes” en wijst erop dat de rechtbank alleen maar
kan interpreteren. Het is aan de wetgever om strafbaar
te stellen. Zij roept de minister op om dit nader te kijken.
De minister herhaalt dat de experten duidelijk hebben
gesteld dat gedeeltelijk gemanipuleerde beelden vallen
onder het toepassingsgebied van de strafbepaling van
voyeurisme. De vraag wat dan dient te worden verstaan
onder gedeeltelijk behoort toe aan de rechtspraak.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr.
82 in dat de definitie van ontbloot persoon minder ruim
maakt (DOC 55 2141/005).
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat over
eenkomstig de verantwoording van het amendement
dit artikel ook van toepassing zal zijn op gedeeltelijke
“deepnudes” doch niet op de volledige. De incriminatie
op zich wordt ook niet aangepast. Het lid had graag de
reden van deze keuze vernomen alsook onder welke
strafbepaling de volledige “deepnudes”, zonder toestem
ming, dan vallen.
De minister geeft, wat dit punt betreft, lezing van de
door de leden van de Commissie tot hervorming van het
strafrecht overgezonden nota: “De vraag is gerezen of
afbeeldingen via computerprogramma’s waarbij de ge
adresseerde niet ziet dat het gemanipuleerde beelden
zijn (cf. “deepfake”) onder het toepassingsgebied van
voyeurisme vallen. Antwoord: wanneer het om volledig
gemanipuleerde beelden gaat, lijkt dit niet onder het
toepassingsgebied van voyeurisme te vallen, omdat
de strafbaarstelling van voyeurisme – anders dan de
strafbaarstelling van vervaardigen of verspreiden van
beelden van seksueel misbruik van minderjarigen –
gekoppeld wordt aan de toestemming van een bepaald
persoon. Bij gedeeltelijk gemanipuleerde beelden, lijkt
er geen bezwaar te zijn.”.
Wat de volledige “deepfake” of “deepnude” betreft,
zijnde de volledig gemanipuleerde beelden, herinnert de
minister eraan dat de echte persoon niet wordt herkend.
de films sous les jupes du tribunal de Furnes). Il est
particulièrement difficile de donner une définition ex
haustive du voyeurisme. La technique de la plausibilité
est dès lors appliquée dans les travaux de légistique
concernant la définition et l’incrimination de voyeurisme.
Celle-ci doit s’appliquer à un maximum de personnes
et de circonstances, mais il est impossible de couvrir
tous les cas de manière exhaustive dans la définition.
Une précision détaillée figure dès lors également dans
l’exposé des motifs.
Mme Sophie De Wit (N-VA) revient sur la question
des “deepnudes”. L’intervenante rappelle que le tribunal
a seulement le pouvoir d’interpréter. C’est au législateur
qu’il appartient d’incriminer des comportements. Elle
demande au ministre de se pencher plus avant sur la
question.
Le ministre répète que les experts ont indiqué claire
ment que les images partiellement manipulées relèvent
du champ d’application de l’incrimination de voyeurisme.
C’est aux cours et tribunaux qu’il incombe d’apprécier
ce qu’il y a lieu d’entendre par “partiellement”.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n° 82 qui restreint la définition de la personne
dénudée (DOC 55 2141/005).
Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer qu’au regard
de la justification de l’amendement, cet article sera éga
lement applicable aux “deepnudes” partiels, mais pas
aux “deepnudes” intégraux. L’incrimination en tant que
telle n’est pas non plus adaptée. La membre s’enquiert
des raisons de ce choix et demande de quelle disposition
pénale relèvent dans ce cas les “deepnudes” intégraux,
sans consentement.
Concernant ce point précis, le ministre donne
lecture de la note transmise par les membres
de la Commission de réforme du droit pénal:
“La question s’est posée de savoir si les images mani
pulées au moyen de programmes informatiques pour
lesquelles le destinataire ne s’aperçoit pas de la mani
pulation (cf. “deepfakes”) relèvent du champ d’applica
tion du voyeurisme. Réponse: lorsqu’il s’agit d’images
entièrement manipulées, les faits ne semblent pas
relever du voyeurisme dans la mesure où l’incrimination
du voyeurisme – contrairement à l’incrimination de la
production ou de la diffusion d’images d’abus sexuel
d’un mineur – est liée au consentement d’une personne
particulière. Dans le cas d’images partiellement manipu
lées, il ne semble pas y avoir d’objection.”. (traduction)
Quant aux “deepfakes” ou aux “deepnudes” inté
graux, c’est-à-dire des images entièrement manipulées,
le ministre souligne que la personne réelle n’est pas
2141/006
DOC 55
66
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Er kan hier dus ook geen toestemming worden gegeven
of geweigerd.
Amendement nr. 30 wordt verworpen met 11 tegen
4 stemmen.
Amendement nr. 58 wordt aangenomen met 14 stem
men en 1 onthouding.
Amendement nr. 82 wordt aangenomen met 12 stem
men tegen 1 en 3 onthoudingen.
Het aldus geamendeerde artikel 9 wordt eenparig
aangenomen.
Art. 10
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/9 in
hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd
bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 59
(DOC 55 2141/004) in, dat beoogt een technische ver
betering aan te brengen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) betreurt ook hier het
gebrek aan duiding in de memorie van toelichting. Het
gaat hier wellicht over “sextortion” dat volgens professor
Rozie onder de strafbaarstelling afpersing kan vallen
ofwel onder dit artikel. Die keuze moet worden gemaakt.
Het ontworpen artikel 417.49 bevat de rechtvaardi
gingsgrond. Een minderjarige kan geen toestemming
geven tenzij in bepaalde gevallen van “sexting”, in het
kader van experimenteel gedrag. Dit artikel kan evenwel
daarop een impact hebben.
De minister antwoordt dat er geen nood is aan de
invoering van een nieuwe strafbaarstelling “sextortion”
dat een uiting van afpersing is. De lege ferenda wordt
deze hypothese voorzien in de strafbaarstelling afpersing
waarbij de situatie wordt opgenomen van het verkrijgen
van een ongeoorloofd voordeel, met andere woorden
“sextortion” en seksuele afpersing zijn wel degelijk
strafbaar.
De amendementen nrs. 51(partim), 59 en het aldus
geamendeerde artikel 10 worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
reconnue. Par conséquent, aucun consentement ne
peut être donné ni refusé ici non plus.
L’amendement n° 30 est rejeté par 11 voix contre 4.
L’amendement n° 58 est adopté par 14 voix et une
abstention.
L’amendement n° 82 est adopté par 12 voix contre
une et 3 abstentions.
L’article 9, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité.
Art. 10
Cet article vise à insérer un article 417/9 dans le
même Code.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende
ment n° 59 (DOC 55 2141/004) qui vise une correction
technique. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) déplore ici aussi le manque
de clarté de l’exposé des motifs. Il s’agit probablement
de la “sextorsion” qui, selon le professeur Rozie, peut
relever soit de l’incrimination de l’extorsion soit de cet
article. Il faut opérer un choix à cet égard.
L’article 417.49 proposé comporte une cause de justifi
cation. Un mineur ne peut pas donner son consentement
sauf dans certains cas de “sexting”, dans le cadre d’une
expérimentation sexuelle. Cet article pourrait toutefois
avoir un impact en la matière.
Le ministre répond qu’il n’est pas nécessaire d’instaurer
une nouvelle incrimination de “sextorsion”, car il s’agit
d’une forme d’extorsion. Cette hypothèse est prévue de
lege ferenda dans l’incrimination d’extorsion, qui vise
la situation dans laquelle l’auteur obtient un avantage
illicite. En d’autres termes, la “sextorsion” et l’extorsion
sexuelle sont bien punissables.
Les amendements nos 51 (partim) et 59 et l’article 10,
ainsi modifié, sont successivement adoptés à l’unanimité.
67
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 11
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/10 in
hetzelfde Wetboek en betreft de perfide niet-consensuele
verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 35 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt niet
langer gebruik te maken van het woord “perfide”. Zij merkt
op dat haar amendementen nrs. 36 tot 46 hetzelfde doel
nastreven. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat gelijkaardig is aan
dat van mevrouw De Wit. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd
bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) geeft aan dat
in de Franse tekst van het amendement een technische
verbetering moet worden aangebracht; vóór de woor
den “une intention méchante ou dans un but lucratif”
moet namelijk het woord “avec” worden ingevoegd. De
minister en de commissie stemmen in met deze louter
taalkundige verbetering.
Amendmement nr. 35 wordt verworpen met 11 tegen
4 stemmen.
De amendementen nrs. 51(partim), 52(partim) en het
aldus geamendeerde artikel 11 worden achtereenvolgens
en eenparig aangenomen.
Art. 12
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/11 in
hetzelfde Wetboek en betreft de verkrachting.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat de
“oude” wet in deze voorziet in een aantal uitzonderingen
zoals tongzoenen en instrumenten van de tandarts in
de mond. Zij gaat ervan uit dat deze interpretatie niet
wordt gewijzigd.
Tijdens de hoorzittingen heeft professor Catherine
Van de Heyning de vraag gesteld of de opdracht tot ver
krachting ook niet zou moeten worden toegevoegd aan
de strafbaarstelling. Professor Rozie heeft hierop gesteld
dat de opdrachtgever ook een dader is. Het lid kan zich
Art. 11
Cet article vise à insérer un article 417/10 dans le
même Code. Il concerne la diffusion non consensuelle
perfide d’images et d’enregistrements à caractère sexuel.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 35 (DOC 55 2141/003) qui vise à ne plus faire
usage du mot “perfide”. Elle signale que ses amende
ments nos 36 à 43 ont le même objet. Il est renvoyé à
la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amende
ment n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui est similaire
à celui de Mme De Wit. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne qu’une
correction technique doit être apportée à l’amendement:
le mot “avec” doit être ajouté devant les mots “une inten
tion méchante ou dans un but lucratif”. Le ministre et la
commission marquent leur accord avec cette correction
purement légistique.
L’amendement n° 35 est rejeté par 11 voix contre 4.
Les amendements nos 51 (partim) et 52 (partim) et
l’article 11, tel qu’amendé, sont successivement adoptés
à l’unanimité.
Art. 12
Cet article vise à insérer dans le même Code un
article 417/11 relatif au viol.
Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que l’“ancienne”
loi prévoit en la matière plusieurs exceptions telles que
le baiser avec la langue et l’introduction d’instruments
dans la bouche par le dentiste. Elle suppose que cette
interprétation ne sera pas modifiée.
Lors des auditions, le professeur Catherine
Van de Heyning a posé la question de savoir si le fait de
commanditer un viol ne devrait pas également être ajouté
à cette incrimination. Le professeur Rozie a répondu que
le commanditaire doit également être considéré comme
2141/006
DOC 55
68
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hierbij aansluiten doch meent dat dit dan duidelijk moet
worden vermeld in de parlementaire voorbereidingen.
Het lid merkt op dat de minister de strafmaat verhoogt,
wat een goede zaak is. In het nieuwe Strafwetboek zal
de correctionalisering verdwijnen maar dat is nog niet
voor vandaag. De minister institutionaliseert nu eigenlijk
de automatische correctionalisering. Zij verwijst in deze
naar de oplossing voorgesteld in haar voorstel tot her
ziening van artikel 150 van de Grondwet, teneinde de
juryrechtspraak voor seksuele misdaden af te schaffen
(DOC 55 2100/001).
Doordat de minister nu evenwel een voorafname doet
op de algemene hervorming van het Strafwetboek en
er nog altijd correctionalisering is, wordt zijn poging om
de strafmaat te verhogen door de automatische cor
rectionalisering (moet anders worden behandeld voor
assisen), tenietgedaan. Zij neemt aan dat dit niet de
bedoeling van de minister is.
De minister verwijst naar de memorie van toelichting
waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat tongzoenen en
de andere uitzonderingen in de oude wet niet als ver
krachting kunnen worden gekwalificeerd.
Hij bevestigt voorts dat het geven van de opdracht tot
verkrachting valt onder mededaderschap.
Wat de strafmaat betreft, merkt hij op dat de maxi
mumstraf in de feiten weldegelijk wordt verdubbeld.
Hij stelt voor om de discussie over artikel 150 van de
Grondwet te voeren in de daartoe bevoegde commis
sie. Bij de bespreking van het nieuwe Strafwetboek zal
sowieso de techniek van de correctionalisering grondig
worden herbekeken.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) beaamt dat het gaat
over een ander debat. Wanneer evenwel deze ernstige
feiten automatisch worden gecorrectionaliseerd om ze
niet voor assisen te brengen dan lijkt het logischer om
daar gewoon kort spel mee te maken en, als de geesten
nog niet rijp zijn om assisen af te schaffen, het uit de
lijst waarvoor assisen bevoegd is te halen. Dit werd ook
gedaan voor drukpersmidrijven in het kader van racisme
en xenofobie. Ook verkrachting is volgens haar belangrijk
genoeg om hetzelfde te doen.
Mevrouw Katleen Bury (VB) herinnert de minister
aan de vraag van professor Catherine Van de Heyning
of livestream seksueel misbruik al dan niet onder de
kwalificatie verkrachting valt.
un auteur. La membre peut souscrire à ce point de vue,
mais elle estime que cela devrait être clairement indiqué
dans les travaux préparatoires.
L’intervenante constate que le ministre augmente le
taux de la peine, ce qui est une bonne chose. Le nou
veau Code pénal supprimera la correctionnalisation,
mais ce n’est pas pour tout de suite. Le ministre est en
réalité en train d’institutionnaliser la correctionnalisa
tion automatique. L’intervenante renvoie à cet égard à
la solution figurant dans sa proposition de révision de
l’article 150 de la Constitution en vue de supprimer le
jury pour les crimes sexuels (DOC 55 2100/001).
Mais comme le ministre anticipe sur la réforme géné
rale du Code pénal alors que la correctionnalisation
existe encore, sa tentative d’augmenter le taux de la
peine par la correctionnalisation automatique (sans
quoi le dossier devrait être traité par la cour d’assises)
est anéantie. L’intervenante suppose que telle n’est pas
l’intention du ministre.
Le ministre renvoie à l’exposé des motifs, qui indique
explicitement que le baiser avec la langue et les autres
exceptions figurant dans l’ancienne loi ne peuvent pas
être qualifiés de viol.
Il confirme par ailleurs que le fait de commanditer un
viol relève de la notion de participation comme coauteur.
En ce qui concerne la peine, le ministre souligne que
la peine maximum est doublée dans les faits. Il propose
que la discussion sur l’article 150 de la Constitution
soit menée au sein de la commission compétente. La
technique de la correctionnalisation sera en tout état
de cause reconsidérée de façon approfondie lors de la
discussion consacrée au nouveau Code pénal.
Mme Sophie De Wit (N-VA) reconnaît qu’il s’agit
d’un autre débat. Pour autant, lorsque ces faits graves
sont automatiquement correctionnalisés pour éviter de
les porter devant les assises, il semble plus logique de
couper court et, si les mentalités ne sont pas encore
mûres pour supprimer la Cour d’assises, de les retirer
de la liste des infractions dont la cour peut être saisie.
Cela a également été fait pour les délits de presse dans
le cadre du racisme et de la xénophobie. L’intervenante
estime que le viol est également suffisamment important
pour faire de même.
Mme Katleen Bury (VB) rappelle au ministre la question
adressée par la professeure Catherine Van de Heyning
de savoir si les abus sexuels en live-streaming tombent
ou non sous la qualification du viol.
69
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Ben Segers (Vooruit) wenst te vernemen of
opgedrongen zelfpenetratie valt onder de notie verkrach
ting. Verwijzend naar de memorie van toelichting inzake
“stealthing” merkt hij op dat professor Stevens tijdens de
hoorzitting heeft opgeworpen dat ook vrouwen kunnen
veinzen gebruik te maken van een vrouwencondoom.
Kan de minister dit verduidelijken?
De minister antwoordt dat opgedrongen penetratie
wel degelijk strafbaar is dankzij de toevoeging aan de
huidige definitie van de woorden “met behulp van een
persoon”. Hij beaamt voorts dat “stealthing” betrekking
heeft op zowel mannen als vrouwen.
Artikel 12 wordt eenparig aangenomen.
Art. 13
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling
“Verzwaarde misdrijven” in afdeling 1 van artikel 3 van
hetzelfde Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 13 wordt eenparig aangenomen.
Art. 14
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/12 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen met de dood tot gevolg.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd
bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Amendement nr. 49 (partim) en het aldus geamen
deerde artikel 14 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 15
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/13 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen voorafgegaan door of gepaard gaand
met foltering, opsluiting of zwaar geweld.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
M. Ben Segers (Vooruit) demande si l’autopénétration
forcée relève de la notion de viol. Renvoyant à l’exposé
des motifs à propos du “stealthing”, il fait observer que
durant les auditions, le professeur Stevens a objecté
que les femmes peuvent, elles aussi, feindre d’utiliser
un préservatif féminin. Le ministre pourrait-il clarifier
ce point?
Le ministre répond que la pénétration forcée est bel
et bien punissable grâce à l’ajout, dans la définition
actuelle, des mots “ou avec l’aide d’une personne”. Il
admet en outre que le “stealthing” touche les hommes
comme les femmes.
L’article 12 est adopté à l’unanimité.
Art. 13
Cet article vise à insérer une sous-section 3 intitu
lée “Des infractions aggravées” dans la section 1re de
l’article 3 du même Code.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 13 est adopté à l’unanimité.
Art. 14
Cet article vise à insérer un article 417/12 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels ayant entraîné la mort.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 49 (partim) et l’article 14 tel qu’amen
dé sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 15
Cet article vise à insérer un article 417/13 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels précédés ou accompagnés de torture,
de séquestration ou de violence grave.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
2141/006
DOC 55
70
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Amendement nr. 49 (partim) en het aldus geamen
deerde artikel 16 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 16
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/14 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen gepleegd onder bedreiging van
een wapen of op een wapen gelijkend voorwerp of na
toediening van weerloos makende stoffen.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, met het oog op de ver
vanging van bepaalde woorden. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 53
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt de woorden “weer
loos makende stoffen” te vervangen door de woorden
“weerloos makende of remmingsverlagende stoffen”. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wenst te verne
men op welke manier dit dan in het Nederlands wordt
geformuleerd.
Deze bepaling gaat over een dader die onder dwang
weerloosmakende middelen geeft aan het slachtoffer
met het oog op het misbruiken van dit slachtoffer. Hij
moet dit proactief doen, wat moet worden nagegaan
door de strafrechter. Overeenkomstig de memorie van
toelichting kan het gaan over alcohol. De bepaling
voorziet enkel in de hypothese dat de dader toedient of
laat toedienen. Dus wanneer het slachtoffer zelf bewust
stoffen inneemt, is de bepaling niet van toepassing.
Maar alcohol kan ook kwetsbaar maken, evenwel is
dan niet deze incriminatie van toepassing maar wel de
verzwaarde incriminatie kwetsbare toestand (ontworpen
artikel 417/15). Is dit correct?
Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt of het niet raad
zaam zou zijn om op de toegediende alcohol een pro
mille voorop te stellen? Wat als het slachtoffer zelf de
weerloosmakende stof inneemt?
De minister stipt aan dat het amendement 53 enkel
betrekking heeft op de Franse tekst.
De redenering van mevrouw De Wit is correct. Hij
verwijst voorts naar de memorie van toelichting waarin
wordt gesteld dat alcohol ook als een weerloosmakende
stof kan worden beschouwd. Dit zal steeds in concreto
moeten worden nagegaan door de strafrechter. De
L’amendement n° 49 (partim) et l’article 16 ainsi modifié
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 16
Cet article vise à insérer un article 417/14 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis sous la menace d’une arme
ou d’un objet qui y ressemble ou après administration
de substances inhibitives.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amende
ment n° 53 (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer les
mots “substances inhibitives” par les mots “substances
inhibitives ou désinhibitives” dans le texte français. Il est
renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) demande quelle sera
alors la formulation dans le texte néerlandais.
Cette disposition concerne l’auteur des faits qui force la
victime à prendre des substances inhibitives pour abuser
d’elle. Il doit le faire de manière proactive, un élément
sur lequel le juge pénal devra se prononcer. L’exposé
des motifs indique que l’alcool sera aussi considéré
comme une substance inhibitive. Cette disposition ne
prévoit que l’hypothèse où l’auteur des faits administre
ou fait administrer la substance. Cela signifie dès lors
qu’elle ne s’appliquera pas si la victime a ingéré volon
tairement la substance. Mais si l’alcool peut aussi rendre
vulnérable, ce n’est toutefois pas cette incrimination qui
s’appliquera dans ce cas, mais l’incrimination plus grave
relative à une situation de vulnérabilité (article 417/5 en
projet). Est-ce correct?
Mme Katleen Bury (VB) demande s’il ne serait pas
judicieux de fixer un seuil d’alcoolémie pour l’alcool
servi? Quid si la victime ingère elle-même la substance
inhibitive?
Le ministre indique que l’amendement n° 53 ne
concerne que le texte français.
Le raisonnement de Mme De Wit est correct. Il renvoie
ensuite à l’exposé des motifs, qui indiquent que l’alcool
peut également être considéré comme une substance
inhibitive. Le juge pénal devra toujours se prononcer
au cas par cas. La disposition concerne uniquement
71
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bepaling viseert alleen de hypothese dat de dader de
weerloosmakende stof toedient/laat toedienen en niet de
hypothese dat het slachtoffer zelf met kennis van zaken
de weerloosmakende stof heeft opgenomen. Dit neemt
niet weg dat het slachtoffer in die hypothese mogelijks
als kwetsbaar slachtoffer kan worden aangemerkt.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de pro
blematiek van alcohol en kwetsbaarheid in de praktijk
tot tal van discussies aanleiding zal geven.
De amendementen nrs. 49 (partim), 53 en het aldus
geamendeerde artikel 16 worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
Art. 17
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/15 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen gepleegd op een persoon die in een
kwetsbare toestand verkeert.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 36 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat deze
bepaling de niet-consensuele handelingen op een kwets
baar persoon betreft. Zij stelt vast dat bij voorgaande
verzwaarde misdrijven geen onderscheid in de strafmaat
wordt gemaakt tussen aantasting van de seksuele
integriteit en verkrachting. Vanaf dit artikel gebeurt dat
wel. Vanwaar dat onderscheid? Voorts merkt zij op dat
wat over dit artikel in de memorie van toelichting staat
eigenlijk thuishoort bij artikel 18. En dit is geen alleen
staand geval. Vanaf hier is de memorie van toelichting
dan ook een rommeltje.
l’hypothèse où l’auteur des faits administre/fait administrer
la substance inhibitive, et pas l’hypothèse où la victime
a elle-même ingéré la substance en connaissance de
cause. Cela n’empêchera pas que, dans cette dernière
hypothèse, la victime soit considérée comme une victime
vulnérable.
Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne que la pro
blématique de l’alcool et de la vulnérabilité entraînera
d’innombrables discussions dans la pratique.
Les amendements nos 49 (partim) et 53 et l’article 16 tel
qu’amendé sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 17
Cet article vise à insérer un article 417/15 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis sur une personne dans une
situation de vulnérabilité.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 36 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des
mots au quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) note que cette disposition
concerne les actes non consensuels sur une personne
vulnérable. Elle constate que pour les infractions aggra
vées précédentes, aucune distinction n’était faite dans le
degré de la peine entre l’atteinte à l’intégrité sexuelle et
le viol. À partir de cet article, c’est le cas. Pourquoi cette
distinction? Elle note également que le commentaire de
cet article dans l’exposé des motifs correspond en fait
à l’article 18. Et ce n’est pas un cas isolé. À partir d’ici,
l’exposé des motifs est un fouillis.
2141/006
DOC 55
72
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister antwoordt dat wat de laatste bemerking
betreft een menselijke fout mogelijk is. Hij verduidelijkt
dat de strafmaat telkens met één trap wordt verhoogd
bij het misdrijf verkrachting. Bij een kwetsbaar persoon
leidt dit er inderdaad toe dat de strafmaat 20 tot 30 jaar
wordt en na toediening van weerloosmakende stof
fen 15 tot 20 jaar. Het artikel “onder bedreiging van
een wapen” bestaat reeds in het huidig Strafwetboek
en daaraan worden nu de weerloosmakende stoffen
toegevoegd; het is dus een vertaalslag van de huidige
strafmaat met één trap omhoog.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vindt het niet altijd
logisch maar het zijn keuzes die worden gemaakt. Uit
de straf die wordt opgelegd, wordt vaak afgeleid wat de
samenleving het ergst vindt. Is kwetsbare toestand dan
erger dan onder bedreiging van een wapen?
De minister antwoordt dat dan de huidige strafmaat
van bedreiging van een wapen plots met twee strafmaten
omhoog zou gaan, wat niet de bedoeling is. Het zou
ook inconsistentie kunnen veroorzaken met het huidig
Strafwetboek. Bij het begin van de werkzaamheden werd
de bewuste keuze gemaakt dat niet met 2 strafmaten
zou worden verhoogd.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85
(partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan
gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005).
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 36 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim),
52 (partim) en 85 (partim) en het aldus geamendeer
de artikel 17 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 18
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/16 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen gepleegd op een minderjarige die
geen volle zestien jaar oud is.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 37 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Le ministre répond qu’en ce qui concerne la dernière
remarque, une erreur humaine est possible. Il précise
que le degré de la peine est toujours augmenté d’un
cran pour le crime de viol. Dans le cas d’une personne
vulnérable, cela a effectivement pour effet de porter
la peine de 20 à 30 ans et, après l’administration de
substances inhibitives, de 15 à 20 ans. L’article “sous
la menace d’une arme” existe déjà dans le Code pénal
actuel, auquel s’ajoutent désormais les substances
inhibitives; il s’agit donc d’une traduction des sanctions
actuelles en les augmentant d’un cran.
Mme Sophie De Wit (N-VA) pense que ce n’est pas
toujours logique, mais ce sont des choix qui sont faits.
La peine qui est infligée reflète souvent ce que la société
trouve le plus grave. Une situation de vulnérabilité est-
elle pire que d’être sous la menace d’une arme?
Le ministre répond que cela signifierait que la peine
actuelle pour avoir menacé avec une arme augmenterait
soudainement de deux degrés de peine, ce qui n’est
pas l’intention. Elle pourrait également entraîner une
incohérence avec le Code pénal actuel. Au début des
travaux, on a délibérément choisi de ne pas augmenter
la sanction de deux degrés de peine.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur”
par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 36 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim), 52 (par
tim) et 85 (partim) et l’article 17 tel qu’amendé sont
successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 18
Cet article vise à insérer un article 417/16 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis sur un mineur âgé de moins
de seize ans accomplis.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 37
(DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots au
quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
73
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat
in de memorie van toelichting de uitleg over dit artikel
in artikel 17 staat.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85
(partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan
gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005).
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 37 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 52 (partim) en 85
(partim) en het aldus geamendeerde artikel 18 worden
achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 19
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/17 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen gepleegd op een minderjarige boven
de volle leeftijd van zestien jaar.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 38 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat dit artikel
gaat over de niet-consensuele seksuele handelingen
gepleegd op een minderjarige boven de volle leeftijd
van 16 jaar en herinnert de minister aan de eerdere
discussie over de woorden “met behulp van” en vraagt
om ook dit voor te leggen aan de experten.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que, dans l’exposé
des motifs, le commentaire de cet article figure sous
l’article 17.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur”
par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 37 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 52 (partim) et
85 (partim) et l’article 18 tel qu’amendé sont successi
vement adoptés à l’unanimité.
Art. 19
Cet article tend à insérer un article 417/17 dans le
même Code. Il porte sur les actes à caractère sexuel
non consensuels commis sur un mineur de plus de
seize ans accomplis.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 38 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des
mots au quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que cet article
vise les actes à caractère sexuel non consensuels
commis sur un mineur de plus de seize ans accomplis
et rappelle au ministre la discussion précédente à pro
pos des mots “à l’aide d’un mineur”, puis demande de
soumettre également ce point aux experts.
2141/006
DOC 55
74
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Deze bepaling betreft de verhoging van de strafmaat
van 5 tot 10 jaar naar 10 tot 15 jaar voor zowel voyeurisme
als aanranding van de eerbaarheid, en van 10 tot 15 jaar
naar 15 tot 20 jaar voor verkrachting. De vraag stelt zich
evenwel of dit voor voyeurisme en verspreiding van
seksueel getinte beelden niet een heel strenge straf
is voor een praktijk die onder jongeren wel vaker blijkt
voor te komen?
De minister beaamt de eerste kwestie te zullen voor
leggen aan de experten. Hij verduidelijkt voorts dat voor
de laatste kwestie een amendement voorhanden is om
de strafbaarstelling gelijk te trekken.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85
(partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan
gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005).
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 38 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), 52
(partim) en 85 (partim) worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 19 wordt aangenomen
met 12 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 20
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/18 in
hetzelfde Wetboek en betreft incest.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 39 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt wij
zingen aan te brengen in het tweede lid alsook het
derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Dit amendement strekt naast de vervanging van het
woord “perfide” ook tot de uitbreiding van de bepaling
tot de pleegouder, het pleegkind en de bloedverwanten
van de ouders.
Het lid stelt vast dat overeenkomstig dit artikel incest
als verzwarende omstandigheid een autonome incrimi
natie wordt. Zij zal bij de bespreking van artikel 21 dieper
ingaan op het volgens haar onduidelijk onderscheid tus
sen incest en niet-consensuele intrafamiliale seksuele
handelingen.
Zij merkt terzijde op dat ook hier enkel sprake is van
het woord “op” (een minderjarige) en niet “met behulp
Cette disposition vise le passage de la peine
de 5 à 10 ans à 10 à 15 ans pour le voyeurisme comme
pour l’attentat à la pudeur, et de 10 à 15 ans à 15 à 20 ans
pour le viol. La question se pose toutefois de savoir s’il
ne s’agit pas d’une peine très sévère pour le voyeurisme
et la diffusion d’images à caractère sexuel, et donc pour
une pratique qui apparaît assez courante chez les jeunes?
Le ministre accepte de soumettre la première question
aux experts. Il indique ensuite, en réponse à la dernière
question, qu’un amendement a été prévu pour égaliser
les peines.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur”
par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 38 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim), 52
(partim) et 85 (partim) sont successivement adoptés
à l’unanimité.
L’article 19 ainsi amendé est adopté par 12 voix et 4
abstentions.
Art. 20
Cet article vise à insérer un article 417/18 dans le
même Code.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 39 (DOC 55 2141/003) qui vise à apporter des
modifications dans l’alinéa 2 et à remplacer l’alinéa 3.
Il est renvoyé à la justification.
L’amendement à l’examen tend non seulement à
remplacer le mot “perfide”, mais aussi à étendre la
disposition visée au parent d’accueil, à l’enfant placé
et aux parents des parents d’accueils.
La membre indique qu’en vertu de l’article à l’examen,
l’inceste, en tant que circonstance aggravante, entraîne
une incrimination autonome. Elle indique qu’elle appro
fondira, au cours de de la discussion de l’article 21,
la distinction insuffisamment claire, selon elle, entre
l’inceste et les actes à caractère sexuel intrafamiliaux
non consensuels.
Elle fait observer au passage que, dans cet article
également, il n’est question que d’actes commis “sur”
75
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van” en herinnert aan de kritiek van de OVB over de
bewoordingen van deze strafbaarstelling. Zij roept de
minister dan ook op om dit nog eens te bekijken.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) betreurt dat de
volwassen slachtoffers van incest worden beschouwd als
slachtoffers van niet-consensuele intrafamiliale seksuele
handelingen. De HRJ heeft dat tijdens de hoorzittingen
eveneens bekritiseerd. Ook de volwassen slachtoffers
van incest moeten gerechtigheid krijgen.
Twee zaken die thans in de artikelen 20 en 21 met
elkaar worden verhaspeld, moeten van elkaar worden
gescheiden. Ten eerste moet er een artikel beschik
baar zijn dat geweld door de partner behandelt, en ten
tweede moet incest strafbaar worden gesteld, ongeacht
de leeftijd van het slachtoffer.
De minister verduidelijkt dat inzake adoptie, de me
morie van toelichting duidelijk stelt dat onder bloed
verwanten ook de adoptanten, de geadopteerde en de
bloedverwanten van de adoptant worden begrepen. Hij
zal evenwel nagaan of het niet raadzaam is om dit ook
in de wet op te nemen. Hierbij moet rekening worden
gehouden met de coherentie.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85
(partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan
gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005).
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 39 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 52 (partim) en 85 (partim)
worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 20 wordt aangenomen
met 12 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 21
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/19 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele intra
familiale seksuele handelingen.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 4
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt in het artikel wij
zigingen aan te brengen, teneinde ook dit soort, jegens
(un mineur) et non “à l’aide” d’un mineur et rappelle
les critiques de l’OVB à propos de la formulation de
cette incrimination. Elle appelle dès lors le ministre à
la reconsidérer.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) regrette que les adultes
victimes d’inceste soient considérés comme des victimes
d’actes sexuels intrafamiliaux non-consensuels. Le
CSJ l’a aussi critiqué lors des auditions. Il faut que les
victimes adultes d’inceste trouvent également justice.
Il faut séparer deux choses qui sont actuellement
mélangées dans les articles 20 et 21. D’une part, il faut
disposer d’un article qui évoque la violence du parte
naire. D’autre part, il faut criminaliser l’inceste, quelque
soit l’âge de la victime.
Le ministre précise qu’en matière d’adoption, l’exposé
des motifs indique clairement que, par parent, il convient
aussi d’entendre l’adoptant, l’adopté et les parents de
l’adoptant. Toutefois, il examinera s’il ne serait pas
judicieux de le préciser aussi dans la loi. Il convient en
effet de faire preuve de cohérence à cet égard.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur”
par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 39 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 52 (partim) et 85 (partim) sont
successivement adoptés à l’unanimité.
L’article 20 tel qu’amendé est adopté par 12 voix et
4 abstentions.
Art. 21
Cet article vise à insérer un article 417/19 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
intrafamiliaux non consensuels.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 4
(DOC 55 2141/002) tendant à apporter des modifications
à l’article en vue de qualifier d’inceste aussi ce type de
2141/006
DOC 55
76
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
meerderjarigen gepleegde feiten als incest te kwalificeren.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 40 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be
paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 50
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden
te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft een poging
gedaan om het verschil te zoeken tussen artikel 20 en
artikel 21 dat de niet-consensuele intrafamiliale seksuele
handelingen betreft.
Bij incest moet het altijd gaan over een minderjarige,
er werd ook gekozen voor de opgaande lijn, bloedaan
verwanten in de zijlijn, tot de derde graad en er is de
notie “soortgelijke positie”. Bij intrafamiliaal seksueel
geweld wordt de neerdalende lijn toegevoegd en is er
niet de voorwaarde dat het slachtoffer minderjarig moet
zijn. Het onderscheid tussen beide is belangrijk omdat
de strafmaat bij incest hoger is.
Een vader die zijn meerderjarige dochter verkracht,
maakt geen incest uit maar intrafamiliaal seksueel ge
weld. Een oom die een minderjarig neefje (derde graad)
verkracht, is incest. Maar een neef, die meerderjarig
is, en zijn minderjarig nichtje verkracht (vierde graad),
maakt dan geen incest uit. Tenzij deze situatie onder
de notie “soortgelijke positie” wordt geïnterpreteerd. Het
kan evenwel ook geen intrafamiliaal seksueel geweld zijn
want daar wordt de derde graad in aanmerking genomen.
faits commis à l’égard de personnes majeures. Il est
renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende
ment n° 40 (DOC 55 2141/003) tendant à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 50 (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) a tenté de trouver la dif
férence entre l’article 20 et l’article 21 qui concerne les
actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels.
Dans le cadre de l’inceste, la victime doit toujours
être mineure d’âge, le choix s’est aussi porté sur la ligne
ascendante et les parents en ligne collatérale, jusqu’au
troisième degré, et la notion de “position similaire” a été
instaurée. Dans le cadre des actes à caractère sexuel
intrafamiliaux, la ligne descendante a été ajoutée et la
victime ne doit pas obligatoirement être mineure d’âge.
La distinction entre ces deux notions importe dès lors
que la peine est plus lourde en cas d’inceste.
Cela signifie qu’un père qui viole sa fille majeure ne
commet pas d’inceste mais un acte de violence intra
familiale à caractère sexuel et qu’un oncle qui viole
son neveu mineur d’âge (troisième degré) commet un
inceste. Mais cela signifie alors qu’un neveu majeur qui
viole sa nièce mineure (quatrième degré) ne commet
pas d’inceste, à moins que cette situation soit interpré
tée comme relevant de la notion de “position similaire”.
Dans le cas présent, il ne peut toutefois pas non plus
être question d’acte de violence intrafamiliale à caractère
sexuel dès lors que c’est le troisième degré qui a été
retenu à cet égard.
77
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het lid geeft nog de volgende voorbeelden inzake de
neergaande en de opgaande lijn: een vader verkracht
zijn minderjarige zoon wat incest uitmaakt waarop een
straf van 20 tot 30 jaar staat. Een zoon verkracht zijn
moeder dat intrafamiliaal seksueel geweld uitmaakt en
wordt gestraft met 15 tot 20 jaar.
Het onderscheid tussen incest en niet-consensuele
intrafamiliale seksuele handelingen is volgens haar
niet altijd duidelijk, zal in de praktijk tot eigenaardige
situaties aanleiding geven en heeft naar de strafmaat
toe ernstige consequenties.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) stelt een technische
vraag over amendement nr. 4. Daarin wordt voorgesteld
om het opschrift van artikel 21 te wijzigen in “Incest je
gens een meerderjarige”. Betekent dat niet dat seksueel
geweld binnen een intieme relatie eveneens als incest zal
worden beschouwd? Dat artikel stelt namelijk in uitzicht
dat ook de door een partner gepleegde niet-consensuele
intrafamiliale seksuele handelingen als dusdanig wor
den beschouwd. Zouden niet alle aangelegenheden in
verband met incest moeten worden samengebracht in
artikel 20? Artikel 21 zou dan betrekking kunnen hebben
op seksueel geweld binnen een intieme relatie.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst erop dat haar
initiële wetsvoorstel een onweerlegbaar vermoeden
van niet-toestemming onder de leeftijd van achttien jaar
beoogde. Voor personen ouder dan achttien jaar zou
dat onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming
niet langer gelden. Veel sprekers hebben benadrukt
dat het belangrijk is bepaalde gewelddaden ook boven
de leeftijd van achttien jaar te blijven kwalificeren als
incest, ook al beginnen die daden vaak vóór de leeftijd
van achttien jaar. Onder meer SOS inceste had het over
situaties waarbij incestueuze handelingen een aanvang
nemen na de leeftijd van achttien jaar.
De spreekster benadrukt het initiatief van de minister,
die een taboe heeft doorbroken en zegt waar het op
staat. Dat is een gigantische stap voorwaarts. Men moet
de inspanning nu voltooien en dus ook wat boven de
leeftijd van achttien jaar gebeurt als incest bestempelen.
Dat was een vraag van veel verenigingen, waaronder
SOS Inceste.
Wat de vragen van de heer Boukili betreft, vraagt
de spreekster zich af of huwelijksbetrekkingen zonder
toestemming onder de gelding van een ander artikel
zouden kunnen vallen, zoals dat in verband met de
aantasting van de lichamelijke integriteit. Kan er een
afzonderlijk artikel over incest komen en daarnaast
een specifiek artikel over geweld binnen het huwelijk
worden behouden?
La membre cite encore les exemples suivants en ce
qui concerne la ligne ascendante et descendante: un
père qui viole son fils mineur, ce qui constitue un inceste,
risque 20 à 30 ans d’emprisonnement, mais un fils qui
viole sa mère, ce qui constitue un acte de violence
intrafamiliale à caractère sexuel, risque 15 à 20 ans
d’emprisonnement.
L’intervenante estime que la distinction entre l’inceste
et l’acte de violence intrafamiliale à caractère sexuel
n’est pas toujours claire, qu’elle débouchera sur des
situations étranges en pratique et qu’elle a de lourdes
conséquences du point de vue de la peine.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) pose une question
technique sur l’amendement n° 4. Celui-ci propose de
modifier l’intitulé de l’article 21 en “inceste à l’égard
d’une personne majeure”. Cela ne signifie-t-il pas que
la violence sexuelle au sein d’une relation intime sera
également considérée comme un inceste? En effet, cet
article prévoit que les actes à caractère sexuel intrafa
miliaux non consensuels comprennent ceux commis
par un partenaire. Ne faudrait-il pas regrouper toutes
les questions relatives à l’inceste dans l’article 20?
L’article 21 pourrait lui alors viser les violences sexuelles
au sein d’une relation intime.
Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que sa proposition
de loi initiale prévoyait une présomption irréfragable
de non consentement en dessous de 18 ans. Au-delà
de 18 ans, il n’y avait plus cette présomption irréfragable
de non-consentement. Beaucoup d’intervenants ont
souligné qu’il était important de continuer à qualifier
d’inceste au-delà de 18 ans, même si les actes de vio
lence commencent souvent avant 18 ans. SOS inceste
notamment a mentionné des situations dans lesquelles
les actes incestueux commençaient après 18 ans.
L’oratrice souligne l’initiative du ministre qui a brisé
un tabou et qui dit les choses telles qu’elles sont. C’est
un pas immense. Il faut pouvoir aller jusqu’au bout de
l’exercice et donc qualifier d’inceste ce qui se passe
au-delà de 18 ans. C’était une demande de beaucoup
d’associations, notamment SOS Inceste.
Concernant les questions de M. Boukili, l’oratrice se
demande si les relations conjugales non consenties
pourraient tomber sous le spectre d’un autre article
comme l’atteinte à l’intégrité physique. Peut-on faire un
seul article sur l’inceste et conserver un article spécifique
pour les violences conjugales?
2141/006
DOC 55
78
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Er kunnen zich ook bepaalde situaties voordoen
waarbij wel sprake is van toestemming. Mevrouw Matz
neemt het voorbeeld van een stiefvader en een achttien
jarige stiefdochter. Er kan ook in verschillende straffen
worden voorzien.
In elk geval moet incest als dusdanig kunnen worden
gekwalificeerd, teneinde de slachtoffers te erkennen en
opdat de daders beseffen dat ze voor hun schandelijke
handelingen kunnen worden gestraft.
De heer Khalil Aouasti (PS) wijst erop dat, wat de
kwalificatie van incest voor volwassenen betreft, de
beleidskeuze werd gemaakt om te voorzien in een
onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming voor
minderjarigen. Bij een relatie tussen meerderjarigen lijkt
het moeilijk te voorzien in een dergelijke onweerlegbaar
vermoeden. Hoe zit het bijvoorbeeld met de relatie tus
sen stiefzussen en stiefbroers (een relatie in de derde
graad)? Het zou betekenen dat twee volwassenen die
elkaar binnen een nieuw samengesteld gezin hebben
leren kennen, zouden worden gestraft.
De belangrijke vraag is gerezen hoe het dan zit met
iemand die zich in een situatie van incest bevond toen
hij minderjarig was, maar van wie die situatie pas bij de
volwassen leeftijd aan het licht is gekomen. Ook een
dergelijke situatie moet aan regels worden onderworpen.
De heer Aouasti benadrukt het hier nagestreefde
evenwicht, namelijk het zoeken naar een andere kwa
lificatie. Het is een stap voorwaarts die rekening houdt
met verschillende parameters en die het mogelijk maakt
een antwoord te bieden op een hele reeks bestaande
situaties. Wat het wettelijke aspect betreft, is het moei
lijk om twee identieke termen te gebruiken voor twee
realiteiten die dicht bij elkaar kunnen liggen, maar van
elkaar kunnen verschillen.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) verduidelijkt dat ze in
haar wetsvoorstel wel degelijk een onderscheid maakt
tussen het onweerlegbaar vermoeden onder de leeftijd
van achttien jaar en het klassieke vermoeden boven die
leeftijd. Wat de toestemming in het algemeen betreft,
bevat het Strafwetboek ook onweerlegbare vermoedens
en vermoedens die niet onweerlegbaar zijn. Er moet
met alle situaties rekening worden gehouden. Waarom
wordt die logica niet doorgezet? In welk opzicht zou dit
consensuele betrekkingen strafbaar kunnen stellen? Dit
wetsontwerp maakt in zijn huidige vorm al op tal van
vlakken een onderscheid. Men mag het doel niet voor
bijschieten. Het is louter een kwestie van samenhang.
Het is noch een politieke, noch een filosofische kwestie.
Il peut exister aussi certaines situations consenties.
Mme Matz prend l’exemple entre un beau-père et une
belle-fille de 18 ans. On peut aussi prévoir des peines
différentes.
En tout cas, il faut pouvoir qualifier l’inceste pour ce
qu’il est, ceci en vue d’une reconnaissance des victimes
et aussi pour que les auteurs sachent qu’ils peuvent être
incriminés pour les actes odieux qu’ils posent.
M. Khalil Aouasti (PS) indique, concernant le fait de
qualifier l’inceste pour les adultes, que le choix politique
a été fait de prévoir une présomption irréfragable de non
consentement pour les mineurs. Lorsqu’on est dans une
relation entre majeurs, il parait compliqué de prévoir une
telle présomption irréfragable. Quid par exemple de la
relation entre belles-sœurs et beaux-frères (relation
du 3e degré)? On pénaliserait deux personnes adultes
qui se sont rencontrées, adultes, dans le cadre d’une
telle recomposition familiale.
La question importante a été soulevée de la situation,
révélée au moment où la personne devient adulte, où
elle se trouvait dans une situation d’inceste lorsqu’elle
était mineure. Il faut aussi ici régler ce type de situation.
M. Aouasti souligne l’équilibre qui a été choisi ici qui
est de trouver une autre qualification. C’est une avancée
qui prend en compte différents paramètres et qui permet
de répondre à toute une série de situations existantes.
Sur le plan légal, il est difficile de mettre des termes
identiques sur deux réalités qui peuvent se rejoindre
certes mais qui peuvent être différentes.
Mme Vanessa Matz (cdH) précise que son texte fait
bien une différence entre la présomption irréfragable
en-dessous de 18 ans et la présomption classique
au-delà. Sur la question du consentement en général,
dans le Code pénal, il y a aussi des présomptions irré
fragables et d’autres qui ne le sont pas. On doit tenir
compte de toutes les situations. Pourquoi ne pousse-t-
on pas l’exercice jusqu’au bout? En quoi cela risque-t-il
d’incriminer des relations consensuelles? Ce projet de
loi fait déjà toute une série de distinctions actuellement.
Il ne faut pas louper l’objectif. C’est uniquement une
question de cohérence. La question n’est ni politique,
ni philosophique.
79
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister herinnert eraan dat de HRJ geen voor
stander is van een aparte strafbaarstelling voor incest.
Dit advies werd evenwel niet gevolgd.
Het is inderdaad zo dat er bij de strafbaarstelling
incest wordt gekozen voor een onderscheid tussen
minderjarigheid en meerderjarigheid.
Een relatie tussen een meerderjarige broer en zus
kan misschien moreel verwerpelijk zijn, maar is daarom
niet strafbaar. In deze is toestemming van belang.
Het voorbeeld van de vader die zijn meerderjarige
dochter verkracht, is geen incest maar verkrachting, be
halve als de verkrachting al plaatsvond als minderjarige
en dus incest was, dan blijft het incest.
De door mevrouw De Wit gegeven voorbeelden van
neef en nicht, de derde versus de vierde graad zijn
eveneens correct. De derde graad is de vooropgestelde
grens. Verder dan de derde graad zou heel ver gaan.
Maar als er geen toestemming is (of de betrokkene is te
jong) dan betreft het uiteraard wel verkrachting. Incest
strekt zich dus uit tot de derde graad, wat overeenkomt
met het Burgerlijk Wetboek (inzake de bepalingen wan
neer een huwelijk niet mogelijk is), en dus tot de oom,
de tante, de nicht en de neef, maar inderdaad niet tot
de nicht van de kozijn (de dochter van iemands oom of
tante). Deze stelling stemt overeen met de maatschap
pelijke opinie: als je niet met elkaar kunt trouwen, kun
je ook geen seksuele betrekkingen hebben.
Als een 50-jarige vader een relatie begint met
een 19-jarige en er naderhand mee huwt. En deze
laatste een relatie begint met de meerderjarige zoon
van haar echtgenoot dan zou er sprake zijn van incest
zijn. Dit gaat volgens de minister te ver. Vandaar dat bij
meerderjarigen de notie “toestemming” van belang is
en als voorwaarde wordt ingeschreven.
Bij verkrachting verzwaard met intrafamiliaal geweld
is toestemming mogelijk en is er bij toestemming geen
misdrijf.
De minister herinnert eraan dat dit nieuw seksueel
strafrecht is gebaseerd op de notie “toestemming”.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst erop dat de vraag
om wetgevend op te treden inzake incest van de Hoge
Raad voor de Justitie komt. Daar werd dus gevolg aan
gegeven, wat een goede zaak is. De deskundigen die
aan de oorsprong van de ontwerphervorming liggen,
achtten dit daarentegen niet noodzakelijk.
Le ministre rappelle que le CSJ n’est pas favorable à
l’instauration d’une incrimination distincte pour l’inceste.
Toutefois, cet avis n’a pas été suivi.
Il est exact qu’il a été choisi d’opérer une distinction
entre la minorité et la majorité dans le cadre de l’incri
mination de l’inceste.
C’est pourquoi une relation entre un frère et une sœur
majeurs n’est pas punissable, même si elle est peut-être
moralement répréhensible. Le consentement importe
toutefois à cet égard.
L’exemple du père qui viole sa fille majeure ne constitue
pas un inceste mais un viol, sauf s’il avait déjà violé sa
fille lorsqu’elle était mineure, auquel cas il s’agissait et
il s’agit toujours d’actes d’inceste.
Les exemples cités par Mme De Wit concernant
le neveu et la nièce, le troisième contre le quatrième
degré, sont également corrects. Le troisième degré est
la limite proposée, aller au-delà serait excessif. Mais
en l’absence de consentement (ou lorsque la personne
impliquée est trop jeune), il sera effectivement question
de viol. La portée de la notion d’inceste s’étendra donc
jusqu’au troisième degré, ce qui correspond à ce que
prévoit le Code civil (les dispositions précisant les cas où
un mariage n’est pas possible), et donc jusqu’à l’oncle,
la tante, le neveu et la nièce, mais pas au cousin (la fille/
le fils de l’oncle ou de la tante). Ce choix correspond
d’ailleurs à l’opinion de la société selon laquelle les
personnes qui ne peuvent pas se marier entre elles ne
peuvent pas non plus avoir des rapports sexuels.
Si un père de cinquante ans entame une relation
avec une femme de dix-neuf ans, qu’ils se marient, puis
que la femme entame une relation avec le fils majeur
de son époux, il serait question d’inceste. Le ministre
estime que cela irait trop loin. C’est pourquoi la notion
de consentement est importante pour les majeurs et a
été instaurée comme condition.
Il peut y avoir consentement en cas de viol aggravé
par des actes de violence intrafamiliale et il n’y a pas
d’infraction en cas de consentement.
Le ministre rappelle que le nouveau droit pénal sexuel
repose sur la notion de consentement.
Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que c’est le Conseil
supérieur de la Justice qui avait demandé de légiférer sur
l’inceste. Cela a été fait, ce qui est très bien. Les experts
à l’origine du projet de réforme par contre l’estimaient
non nécessaire.
2141/006
DOC 55
80
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voorts is het zo dat alles om de toestemming draait.
Indien die toestemming vrij wordt gegeven, waarom zou
er dan sprake zijn van incest? Het gaat hier echter om
situaties waarbij de betrokkenen ouder zijn dan acht
tien jaar en waarin er geen sprake is van toestemming.
Indien die toestemming vrij wordt gegeven, waarom
zou er dan sprake zijn van incest? Waarom een hande
ling bestraffen als zijnde een geval van incest, indien de
toestemming werd gegeven? Indien geen toestemming
werd gegeven en de betrokkenen ouder zijn dan acht
tien jaar, dan heet zoiets incest.
Dezelfde redenering gaat op voor verkrachting. Zodra
twee volwassenen zich vermaken, is er geen sprake
van verkrachting. Dat is wel het geval indien er geen
toestemming werd gegeven.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat de expli
ciete keuze werd gemaakt om van incest een afzonderlijk
misdrijf te maken. Evenwel door niet met verzwarende
omstandigheden te werken, heeft zij de indruk dat het
eerder meer problemen zal creëren.
Zij begrijpt dat wordt afgestemd op de bepalingen van
het Burgerlijk Wetboek maar merkt op dat de minister
dan ook in het ontworpen artikel 26, waar de vierde
graad opeens een verzwarende omstandigheid uitmaakt,
consequent moet zijn.
De tweespalt tussen de artikelen 20 en 21 baar haar
zorgen. De praktijk zal uitwijzen of haar bezorgdheid
terecht is.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) wijst op een andere
vooruitgang van artikel 21, waarbij de gewezen partners
kunnen behoren tot de partners die intrafamiliaal ge
weld kunnen plegen. Het is zeer belangrijk om inzake
dat geweld ook rekening te houden met de relaties die
voorbij zijn.
De heer Boukili heeft gevraagd of geweld tussen
partners of gewezen partners niet zou moeten worden
opgenomen in een ander artikel dan dat over de andere
vormen van intrafamiliaal geweld. De spreekster stelt dat
die vraag inderdaad kan worden gesteld.
Amendement nr. 4 wordt verworpen met 14 stemmen
en 2 onthoudingen.
Amendement nr. 40 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 50, 51(partim),
en 52 (partim) worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Par ailleurs, toute la question est celle du consente
ment. S’il est donné librement, pourquoi la question de
l’inceste se poserait-elle? Ce qui doit être visé ici, ce
sont les situations non consenties, au-delà de 18 ans.
Si le consentement est donné librement, pourquoi la
question de l’inceste se poserait-elle? Pourquoi incrimi
ner d’inceste des choses qui ont été consenties? Dans
les cas où ce n’est pas consenti, et au-delà de 18 ans,
cela s’appelle de l’inceste.
Le raisonnement est identique pour le viol. Dès que
deux adultes se plaisent, il n’y a pas viol. Il y a viol s’il
n’y a pas de consentement.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate qu’il a été choisi
explicitement de faire de l’inceste une infraction distincte.
Toutefois, en l’absence de circonstance aggravante,
l’intervenante a l’impression que cette infraction sera
plutôt source de davantage de problèmes.
Si elle comprend la volonté de s’aligner sur les dis
positions du Code civil, elle souligne néanmoins que
le ministre doit aussi faire preuve de cohérence dans
l’article 26 en projet, où le quatrième degré constitue
soudainement une circonstance aggravante.
Cette contradiction entre les articles 20 et 21 l’inquiète.
La pratique montrera si ses inquiétudes étaient fondées.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne une autre
avancée de l’article 21, qui intègre dans la sphère des
partenaires susceptibles de commettre des violences
intrafamiliales les ex- partenaires. C’est très important
de prendre en compte aussi les relations qui ont pris fin
dans la compréhension de ses violences.
M. Boukili demandait si les violences intrafamiliales
entre partenaires ou ex-partenaires ne devraient pas
être prévues dans un article séparé des autres violences
intrafamiliales. L’oratrice souligne que cette question
peut se poser en effet.
L’amendement n° 4 est rejeté par 14 voix et 2
abstentions.
L’amendement n° 40 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 50, 51 (partim) et
52 (partim) sont successivement adoptés à l’unanimité.
81
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het aldus geamendeerde artikel 21 wordt aangenomen
met 12 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 22
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/20 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek
suele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende
drijfveer.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 41 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 41 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52
(partim) en het aldus geamendeerde artikel 22 worden
achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 23
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/21 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele seksu
ele handelingen gepleegd door een persoon die zich in
een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten aanzien
van het slachtoffer.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 42 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
L’article 21 tel qu’amendé est adopté par 12 voix et
4 abstentions.
Art. 22
Cet article vise à insérer un article 417/21 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis avec un mobile discriminatoire.
Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende
ment n° 41 (DOC 55 2141/003) tendant à modifier des
mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 41 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et
52 (partim) et l’article 22 tel qu’amendé sont successi
vement adoptés à l’unanimité.
Art. 23
Cet article vise à insérer un article 417/22 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis par une personne qui se trouve
en position d’autorité ou de confiance par rapport à la
victime.
Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende
ment n° 42 (DOC 55 2141/003) tendant à modifier des
mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
2141/006
DOC 55
82
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat er ook
hier een overlapping zal zijn met de vorige incriminaties.
Amendement nr. 42 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52
(partim) en het aldus geamendeerde artikel 23 worden
achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 24
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/22 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele seksu
ele handelingen gepleegd met de hulp of in aanwezigheid
van een of meer personen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 43 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) acht de verzwarende
omstandigheid bij groepsverkrachting terecht. Het is
haar evenwel niet duidelijk waarom dit ook het geval is
bij de verspreiding van beelden. Immers, verspreiding
van beelden gebeurt altijd in groep of door meerdere
personen.
De minister legt uit dat dit kadert in een streven naar
coherentie. De aantasting van de seksuele integriteit,
voyeurisme, niet-consensuele verspreiding van seksueel
getinte beelden en opnamen, perfide niet-consensuele
verspreiding van seksueel getinte beelden en opnamen
en verkrachting zijn de basismisdrijven, waaraan een
strafverzwaring wordt toegevoegd bij hulp of aanwezigheid
van een of meer personen die effectief aanwezig zijn.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne que dans ce
cas précis aussi, il y aura un chevauchement avec les
incriminations précédentes.
L’amendement n° 42 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et
52 (partim) et l’article 23 tel qu’amendé sont successi
vement adoptés à l’unanimité.
Art. 24
Cet article vise à insérer un article 417/23 dans le
même Code et concerne les actes à caractère sexuel
non consensuels commis avec l’aide ou en présence
d’une ou de plusieurs personnes.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 43 (DOC 55 2141/003) qui vise à modifier des
mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que la circons
tance aggravante en cas de viol collectif est justifiée.
Elle ne comprend toutefois pas clairement pourquoi il en
va de même en ce qui concerne la diffusion d’images.
La diffusion d’images est en effet toujours réalisée en
groupe ou par plusieurs personnes.
Le ministre explique que cela s’inscrit dans une re
cherche de cohérence. L’atteinte à l’intégrité sexuelle,
le voyeurisme, la diffusion non consensuelle d’images
et d’enregistrements à caractère sexuel, la diffusion non
consensuelle perfide d’images et d’enregistrements à
caractère sexuel et le viol sont les infractions de base
pour lesquelles un alourdissement de la peine est ajouté
si une ou plusieurs personnes y ont prêté leur concours
ou sont présentes et ce effectivement.
83
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Verspreiding van beelden door allerlei andere personen
vallen niet onder het toepassingsgebied van dit artikel.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de
verzwarende factoren niet op elk basismisdrijf van toe
passing kunnen zijn. Zo kan een soa nooit het gevolg
zijn van voyeurisme.
Amendement nr. 43 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52
(partim) en het aldus geamendeerde artikel 24 worden
achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 25
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 4
“Algemene bepaling”.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 25 wordt eenparig aangenomen.
Art. 26
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/23 in
hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49
(partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal
de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat
de verzwarende factoren geen evident concept zijn.
Dit komt waarschijnlijk omdat het wordt gehaald uit het
nieuw toekomstig Strafwetboek en hier zomaar wordt
ingepast. Ook de Raad van State heeft dit aangekaart.
Voor een goed begrip: de verzwarende omstandigheid
bepaalt de uitgangsstraf en verhoogt die. De verzwarende
factoren zijn factoren die de rechter kan meenemen
zonder dat hij een hogere uitgangsstraf kan nemen. Dit
heeft te maken met de trappenschaal die in het nieuwe
toekomstige Strafwetboek zal worden ingevoerd.
In theorie valt het onderscheid tussen verzwarende
factoren en verzwarende omstandigheden wel te be
grijpen, maar de toepassing ervan in de praktijk kan
toch ingewikkeld worden, temeer omdat sommige ver
zwarende factoren (gedeeltelijk) zullen overlappen
La diffusion d’images par toutes sortes de personnes
autres que celles précitées ne relève pas du champ
d’application de cet article.
Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que les fac
teurs aggravants ne peuvent pas s’appliquer à chaque
infraction de base. Une MST ne peut ainsi jamais résulter
du voyeurisme.
L’amendement n° 43 est rejeté par 11 voix contre 5.
Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et
52 (partim) et l’article 24 ainsi amendé sont successi
vement adoptés à l’unanimité.
Art. 25
Cet article vise à insérer une sous-section 4 intitulée
“Disposition générale”.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 25 est adopté à l’unanimité.
Art. 26
Cet article vise à insérer l’article 417/23 dans le même
Code et concerne les facteurs aggravants.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) considère que les fac
teurs aggravants ne constituent pas un concept clair.
Le manque de clarté résulte probablement du fait que
le futur nouveau Code pénal est cité et tout simplement
inséré en l’espèce. Le Conseil d’État a également abordé
ce point.
Par souci de clarté, il est précisé que la circonstance
aggravante détermine la peine applicable et l’alourdit.
Les facteurs aggravants sont les facteurs que le juge
peut prendre en compte sans pouvoir prendre une peine
applicable plus élevée. Cela découle de l’approche
graduelle qui sera introduite dans le futur nouveau
Code pénal.
Bien que la distinction entre les facteurs aggravants
et les circonstances aggravantes soit effectivement
compréhensible en théorie, son application dans la
pratique pourra tout de même être complexe, à plus forte
raison que certains facteurs aggravants chevaucheront
2141/006
DOC 55
84
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
met verzwarende omstandigheden. Bovendien wordt
gesproken over aanverwantschap tot de vierde graad,
terwijl dit in het bestaande straf- en burgerlijk recht en
elders in het wetsontwerp, slechts tot de derde graad
gaat. De OVB heeft daarom ook om de weglating van dit
artikel gevraagd. Deze afwijking moet dan ook worden
geduid. Idem voor de leeftijdsgrens op 10 jaar, die ook
nergens anders in wetsontwerp wordt gebruikt.
Dit is wederom een voorbeeld van hoe het uitlichten
van het seksueel strafrecht uit het globale Strafwetboek
de zaken bemoeilijkt.
Mevrouw Katleen Bury (VB) meent, net als de Raad van
State en de OVB, dat verduidelijking nodig is. Aangezien
deze bepaling enkel zorgt voor onduidelijkheid pleit zij
voor de weglating ervan.
De minister beaamt dat het hier over een nieuw con
cept gaat.
Het wetsontwerp voorziet voor de verzwarende fac
toren geen verhoging van de straf, maar geeft enkel
een indicatie aan de rechter dat hij rekening dient te
houden met de omstandigheden binnen eenzelfde
strafvork. Wanneer hij een straf bepaalt, bijvoorbeeld
bij een misdrijf ingegeven door culturele en religieuze
drijfveren, kiest hij de hoogte ervan binnen de wettelijke
vork van het maximum en het minimum van de straf.
Hoewel hij binnen de vooropgestelde strafvork blijft, zal
de keuze van de straf en de strafmaat moeten worden
gemotiveerd in het licht van de verzwarende factoren,
zijnde de culturele en religieuze drijfveren. De rechter
dient zijn strafkeuze altijd uitdrukkelijk te motiveren en
niet enkel wanneer die strafkeuze wordt opgeworpen
door de raadslieden in hun conclusies.
Dit nieuwe concept wordt ingevoerd als een opstap
naar het nieuwe Strafwetboek.
Hetzelfde wordt niet gedaan met de terbeschik
kingstelling, omdat deze rechtsfiguur al bestaat in het
Strafwetboek, bijvoorbeeld voor terrorisme. Het nu
invoeren voor seksuele misdrijven zou impliceren dat
deze rechtsfiguur moet worden gewijzigd in het huidige
Strafwetboek, wat de zaken complex zou maken.
De verzwarende omstandigheid betekent een trap
omhoog in de trappenschaal van straffen en binnen de
trap omhoog kunnen er ook verzwarende factoren zijn.
Beide kunnen dus worden gecombineerd.
De leeftijdsgrens van 10 jaar komt uit het huidig
Strafwetboek en dient derhalve te worden behouden.
(partiellement) des circonstances aggravantes. Il est en
outre question d’alliance jusqu’au quatrième degré, tandis
qu’il ne s’agit d’alliance que jusqu’au troisième degré
dans le droit pénal et civil existant ainsi qu’ailleurs dans
le projet de loi. L’OVB a dès lors également demandé
de supprimer cet article. Il convient dès lors de préciser
cette divergence. Il en va de même pour la limite d’âge
de 10 ans, qui n’est également utilisée nulle part ailleurs
dans le projet de loi.
Ce qui précède illustre de nouveau à quel point tirer
le droit pénal sexuel du Code pénal global complique
les choses.
Mme Katleen Bury (VB) estime, à l’instar du Conseil
d’État et de l’OVB, qu’une clarification est nécessaire.
Elle prône la suppression de cette disposition dès lors
qu’elle n’induit que des imprécisions.
Le ministre reconnaît qu’il s’agit d’un nouveau concept
en l’espèce.
Le projet de loi ne prévoit pas d’augmentation de
la peine en ce qui concerne les facteurs aggravants,
mais indique uniquement au juge qu’il doit tenir compte
des circonstances dans une même fourchette pénale.
Lorsqu’il détermine une peine, par exemple en cas
d’infraction dictée par des motifs culturels et religieux, il
choisit sa hauteur dans une fourchette légale de la peine
maximale et de la peine minimale. Bien qu’il reste dans
la fourchette pénale préconisée, le choix de la peine et
du taux de la peine devra être motivé à la lumière des
facteurs aggravants, à savoir les motifs culturels et reli
gieux. Le juge doit toujours motiver expressément son
choix de peine et ce non seulement si ce choix de peine
est invoqué par les conseillers dans leurs conclusions.
Ce nouveau concept est introduit comme une premier
pas vers le nouveau Code pénal.
Il n’en va pas de même avec la mise à disposition car
cette figure juridique existe déjà dans le Code pénal,
pour le terrorisme par exemple. L’introduire pour les
infractions sexuelles impliquerait que cette figure juri
dique doit être modifiée dans le Code pénal actuel, ce
qui induirait une complication.
La circonstance aggravante représente un échelon
supérieur dans l’approche graduelle des peines et cet
échelon supérieur peut également comprendre des
facteurs aggravants. Il est ainsi possible de combiner
les deux notions.
Il convient dès lors de maintenir la limite d’âge
de 10 ans qui provient du Code pénal actuel.
85
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De aanverwantschap tot de vierde graad is een po
litieke keuze.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat inzake
de terbeschikkingstelling de minister hiertoe wel overgaat
inzake het beroepsgeheim en de verjaring. Hij doet als
het ware aan “cherry picking”.
De minister geeft het voorbeeld van een misdrijf
gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes,
tradities, religie of de zogenaamde eer. Zij wijst in dit
verband op de overlapping met artikel 22 (discrimine
rende drijfveer). Het lid begrijpt dat de rechter hiervoor
kiest om te kunnen diversifiëren naargelang de feiten.
Hij zal evenwel binnen de strafvork ook nu al hiermee
rekening houden.
Volgens haar dient in elk geval de aanhef (de keuze
van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan) van
artikel 26 te worden gewijzigd. Immers, de factor kan
enkel impact hebben op de zwaarte van de straf en niet
zozeer op de keuze ervan. De keuze van de straf wordt
immers al bepaald door de verzwarende omstandigheid.
Als de keuze van de straf zou gaan over een al dan niet
alternatieve bestraffing lijkt het haar voorts vreemd om
rekening te houden met verzwarende factoren. Die fac
toren zijn vaak net redenen om geen gunstmaatregel
toe te kennen. De aanhef van het artikel stemt volgens
haar dan ook niet overeen met hetgeen de minister wil
bereiken.
De minister verduidelijkt dat niet-consensuele seksu
ele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende
drijfveer een verzwaard misdrijf uitmaken en niet gelijk
staan met verzwarende factoren, zijnde uit culturele
drijfveren, gewoonte, religie of eer.
Wat de aanhef betreft, wijst hij erop dat er in bepaalde
gevallen ook maatregelen, die niet noodzakelijk de
klassieke straffen zijn, kunnen worden uitgesproken.
De rechter in kwestie heeft dan de keuze.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat het dan
moet worden geïnterpreteerd als zijnde het niet-toekennen
van een alternatieve straf. Immers, met verzwarende
factoren worden geen gunstmaatregelen gemotiveerd.
De minister beaamt dat een verzwarende factor een
reden kan zijn om een gunstmaatregel niet toe te kennen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 83
in (DOC 55 2141/005). De hoofdindienster overloopt de
verantwoording van het amendement.
L’alliance jusqu’au quatrième degré est un choix
politique.
Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer, en ce qui
concerne la mise à disposition, que le ministre procède
bel et bien de la sorte en matière de secret professionnel
et de prescription. Il fait pour ainsi dire une sélection.
Le ministre évoque l’exemple d’une infraction commise
au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de
la religion ou du prétendu “honneur”. L’intervenante
renvoie à cet égard au chevauchement avec l’article 22
(mobile discriminatoire). La membre comprend que
le juge choisit de pouvoir diversifier selon les faits. Il
devra toutefois déjà en tenir compte à présent dans la
fourchette de peines.
Elle estime que le préambule de l’article 26 (le choix
de la peine ou de la mesure et son intensité) doit en
tout état de cause être modifié. Le facteur ne peut en
effet avoir un impact que sur l’intensité de la peine et
pas tellement sur son choix, le choix de la peine étant
déjà déterminé par la circonstance aggravante. Si le
choix de la peine concerne une peine alternative ou
non, il lui semble en outre curieux de tenir compte de
facteurs aggravants. Ces facteurs constituent souvent
précisément la raison de ne pas accorder une mesure
de faveur. Elle estime que le préambule de l’article ne
correspond pas avec l’objectif que le ministre poursuit.
Le ministre précise que les actes à caractère sexuel
non consensuels avec un mobile discriminatoire consti
tuent une infraction aggravée et ne s’apparentent pas
avec des facteurs aggravants, à savoir des mobiles
culturels, la coutume, la religion ou de l’honneur.
S’agissant du préambule, il souligne que, dans certains
cas, des mesures, qui ne sont pas nécessairement les
peines classiques, peuvent également être prononcées.
Le juge en question a le choix.
Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que cela doit
alors être interprété comme le fait de ne pas accorder une
peine alternative. On ne justifie en effet pas des mesures
de faveur sur la base de circonstances aggravantes.
Le ministre convient en effet qu’un facteur aggra
vant peut constituer un motif pour ne pas accorder une
mesure de faveur.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n° 83 (DOC 55 2141/005). L’auteure principale
en parcourt la justification.
2141/006
DOC 55
86
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister verduidelijkt dat het amendement aldus
tegemoetkomt aan een bekommernis van mevrouw
De Wit.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is tevreden met de
aanpassing van de graad maar wijst erop dat er nog een
aantal discrepanties blijven bestaan (zie de gegeven
voorbeelden bij de bespreking van artikel 21). En het
verschil tussen intrafamiliaal geweld enerzijds en incest
anderzijds is naar strafmaat toe toch relevant. Zij herhaalt
voorts dat de leeftijdsgrens van 10 jaar die wordt gebruikt
bij de verzwarende factoren en die nergens anders in
het wetsontwerp voorkomt hier terugkomt. Zij begrijpt
dat keuzes moeten worden gemaakt, maar toch.
De minister antwoordt dat de wetgever op een bepaald
ogenblik grenzen moet trekken.
De amendementen nrs. 83 en 49 (partim) worden
achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 26 wordt aangenomen
met 12 stemmen en 4 onthoudingen.
Art. 27
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 2
“Seksuele uitbuiting” bij artikel 2, hoofdstuk I/1.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 27 wordt eenparig aangenomen.
Art. 28
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 1
“Seksuele uitbuiting van minderjarigen” bij artikel 27 in
hetzelfde Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 28 wordt eenparig aangenomen.
Art. 28/1 (nieuw)
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 5
(DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een nieuw
artikel 28/1. Dit artikel beoogt een artikel 417/23/1 in
te voegen, dat zou bepalen dat een minderjarige nooit
wordt geacht uit vrije wil ermee te hebben ingestemd
seksueel te worden uitgebuit. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Le ministre précise que l’amendement répond ainsi
à une préoccupation de Mme De Wit.
Mme Sophie De Wit (N-VA) est satisfaite de l’adaptation
du degré, mais souligne que certaines de discordances
subsistent (voir les exemples donnés lors de la discus
sion de l’article 21). Et la différence entre la violence
intrafamiliale, d’une part, et l’inceste, d’autre part, est
tout de même pertinente pour ce qui est du taux de la
peine. Elle rappelle également que la limite d’âge de
10 ans, qui est utilisée pour les facteurs aggravants et
qui n’apparaît nulle part ailleurs dans le projet de loi,
réapparaît ici. Elle comprend que des choix doivent être
faits, mais quand même.
Le ministre répond qu’à un moment donné, le légis
lateur doit mettre des limites.
Les amendements nos 83 et 49 (partim) sont succes
sivement adoptés à l’unanimité.
L’article 26, tel qu’amendé, est adopté par 12 voix et
4 abstentions.
Art. 27
Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 2 in
titulée “Exploitation sexuelle” dans l’article 2, chapitre I/1.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 27 est adopté à l’unanimité.
Art. 28
Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 1re
intitulée “De l’exploitation sexuelle de mineurs” dans
l’article 27 du même Code.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 28 est adopté à l’unanimité.
Art. 28/1 (nouveau)
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 5
(DOC 55 2141/002), qui vise à insérer un nouvel ar
ticle 28/1. Cet article insère un article 417/23/1 prévoyant
qu’un mineur d’âge n’est jamais réputé avoir donné son
consentement librement aux fins de son exploitation
sexuelle. Il est renvoyé à la justification.
87
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister begrijpt de intentie van het amendement
maar antwoordt dat niemand akkoord kan gaan met
uitbuiting. Het zou dan ook onlogisch zijn om dat hier
toe te voegen.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) is van oordeel dat de
toevoeging niet overbodig is. Er wordt al een onderscheid
gemaakt in straf naargelang de betrokkene bij het misdrijf
tussen de 16 en de 18 jaar of jonger dan 16 jaar oud is.
Dat is niet te begrijpen. Die bepaling aan het begin van
het hoofdstuk is nodig, teneinde erop te wijzen dat nooit
van toestemming sprake kan zijn.
Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen
2 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 29
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/24 in
hetzelfde Wetboek en betreft het benaderen van een
minderjarige voor seksuele doeleinden.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 64
(DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde
woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) betreurt de beperkte
toelichting over “grooming” in de memorie van toe
lichting. De uitleg is bovendien ook verwarrend. Er is
sprake van “grooming” zowel als autonoom misdrijf als
van verzwarende factor (DOC 55 2141/001, blz. 55). Als
autonoom misdrijf moet er een voorstel tot ontmoeting
komen en de betrokkene moet handelingen stellen om
die ontmoeting te kunnen (zie amendement nr. 64) be
reiken. Maar voor “grooming” als verzwarende factor is
benadering voldoende en is een voorstel tot ontmoeting
niet meer vereist. Het komt haar dan ook voor dat de
verzwarende factor eerder een poging tot “grooming”
is. Kan de minister dit duiden?
De minister legt uit dat “grooming” verboden is bij
alle minderjarigen jonger dan 18 jaar. Het zou te ver
gaan om dit ook strafbaar te stellen ten aanzien van
meerderjarigen. Waar ligt immers dan de grens met het
flirten. Als er sprake is van overlast, kan altijd worden
teruggevallen op de strafbaarstelling van belaging.
Het misdrijf verduidelijkt dat het benaderen van een
minderjarige voor seksuele doeleinden een verzwaard
misdrijf en derhalve een autonoom misdrijf is. Het au
tonoom misdrijf van “grooming” is voltooid wanneer het
voorstel tot ontmoeting wordt geformuleerd en wordt
gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke
Le ministre comprend l’intention de l’amendement
mais répond que personne ne peut consentir à sa propre
exploitation. Il serait donc illogique de l’ajouter ici.
Mme Vanessa Matz (cdH) est d’avis que cela n’est
pas superflu. Il y a déjà des différences de peine suivant
que les infractions aient lieu entre 16 et 18 ans ou en
dessous de 16 ans. Cela n’est pas compréhensible. Il
faut cette disposition chapeau au-dessus du chapitre, qui
rappelle qu’il ne peut jamais y avoir de consentement.
L’amendement n° 5 est rejeté par 11 voix contre 2 et
3 abstentions.
Art. 29
Cet article concerne l’insertion de l’article 417/24 dans
le même Code et concerne l’approche d’un mineur à
des fins sexuelles.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n° 64 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) regrette le peu d’ex
plications sur la notion de “grooming” dans l’exposé
des motifs. L’explication prête en outre à confusion.
II est fait référence au grooming à la fois comme une
infraction autonome et comme un facteur aggravant
(DOC 55 2141/001, p. 55). Pour une infraction auto
nome, il doit y avoir une proposition de rencontre et
l’intéressé doit poser des actes afin de provoquer cette
rencontre (voir l’amendement n° 64). Tandis que pour
le grooming comme facteur aggravant, l’approximation
est suffisante et une proposition de rencontre n’est
plus requise. L’intervenante a donc le sentiment que le
facteur aggravant est plutôt une tentative de grooming.
Le ministre peut-il clarifier ce point?
Le ministre explique que le “grooming” est interdit
à l’égard de tous les mineurs de moins de 18 ans. Ce
serait aller trop loin d’incriminer également le grooming
pour les adultes. Où se situe, en effet, la limite du flirt?
S’il est question de nuisance, on pourra toujours se
rabattre sur l’incrimination du harcèlement.
L’infraction précise que le fait d’approcher un mineur
à des fins sexuelles est une infraction aggravée et, par
conséquent, une infraction autonome. L’infraction auto
nome de “grooming” est réalisée lorsque la proposition
de rencontre est formulée et est suivie d’actes matériels
pouvant conduire à une telle rencontre, conformément
2141/006
DOC 55
88
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ontmoeting, overeenkomstig amendement nr. 64, kunnen
leiden. Dus “grooming” is verboden bij alle minderjarigen
jonger dan 18 jaar.
“Grooming” als verzwarende factor betreft artikel 26
(vijfde gedachtestreepje “het misdrijf werd gepleegd
op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zes
tien jaar en is voorafgegaan door een benadering van een
minderjarige vanwege de dader”). In dit verband wordt
geen gewag gemaakt van “een voorstel tot ontmoeting”,
doch wel van een “benadering” van het slachtoffer door
de dader en dit om het onderscheid tussen verzwaard
misdrijf en verzwarende factor te duiden.
Er is ook wel degelijk een verschil tussen een voorstel
tot ontmoeting doen (dat is een optie, je kan ontmoeten
maar het is niet zeker dat je ook effectief een ontmoeting
zal hebben) daar waar benadering een effectieve hande
ling is. Onder “benadering” moet worden begrepen het
effectief benaderen en voorbereiden van de minderjarige
om zijn vertrouwen te winnen teneinde vervolgens te kun
nen overgaan tot het plegen van een seksueel misdrijf.
Wanneer het slachtoffer jonger dan 16 jaar is dan is er
ook nog eens een verzwarende factor bij het verzwaard
misdrijf “grooming”. Dit is de samenloop.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat het feit
dat de toelichtingen in de memorie van toelichting niet
altijd bij het juiste artikel staan de zaken er niet duide
lijker op maken.
Amendement nr. 64 en het aldus geamendeerde artikel
29 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 30
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 2
“Ontucht tegenover minderjarigen en kinderprostitutie”
in afdeling 2 bij artikel 27 in hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 54
(DOC 55 2141/004) in, tot wijziging van artikel 30. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 54 en het aldus geamendeerde artikel
30 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 31
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/25 in
hetzelfde Wetboek en betreft het bewegen van een
minderjarige tot het plegen van ontucht of prostitutie.
à l’amendement n° 64. Le grooming est donc interdit à
l’égard de tous les mineurs de moins de 18 ans.
Le grooming comme facteur aggravant est traité à
l’article 26, 5°: “l’infraction a été commise sur un mineur
de moins de seize ans accomplis et a été précédée
par une approche de ce mineur par l’auteur”. Dans ce
contexte, il n’est pas question d’une “proposition de
rencontre”, mais plutôt d’une “approche” de la victime
par l’auteur, et ce afin de clarifier la distinction entre
infraction aggravée et facteur aggravant.
Il y a bel et bien une différence entre faire une pro
position de rencontre (c’est une option: la possibilité
d’une rencontre est engagée mais il n’est pas certain
qu’elle aura effectivement lieu) et une “approche”, qui est
un acte effectif. Le terme “approche” doit être compris
comme le fait d’approcher effectivement le mineur afin
de gagner sa confiance dans le but pouvoir commettre
par la suite une infraction sexuelle.
Si la victime est âgée de moins de 16 ans, il existe
également un facteur aggravant associé à l’infraction
aggravée de grooming. Il s’agit alors d’un concours.
Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que le fait
que les explications contenues dans l’exposé des motifs
ne renvoient pas toujours vers le bon article ne rend pas
les choses plus claires.
L’amendement n° 64 et l’article 29, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 30
Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 2 in
titulée “De la débauche de mineurs et de la prostitution
enfantine” dans la section 2 du même Code, insérée
par l’article 27.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 54 (DOC 55 2141/004), qui vise à modifier
l’article 30. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 54 et l’article 30, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 31
Cet article vise à insérer l’article 417/25 dans le même
Code et concerne l’incitation d’un mineur à la débauche
ou à la prostitution.
89
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 55
(DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde
woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 55 en het aldus geamendeerde artikel
31 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 32
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/26 in
hetzelfde Wetboek en betreft het bewegen van een
minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar
tot het plegen van ontucht of prostitutie.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 6
(DOC 55 2141/002) in, tot vervanging van het tweede lid,
met het oog op de verruiming van de straffen teneinde
wie tussen 16 tot 18 jaar oud is zo goed mogelijk te
beschermen. Een en ander strekt ertoe ter zake geen
onderscheid meer te maken tussen de minderjarigen
jonger dan 16 jaar en wie tussen 16 en 18 jaar oud is.
Seksuele uitbuiting van minderjarigen is verboden. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
In bijkomende orde bij amendement nr. 6 dient
mevrouw Vanessa Matz (cdH) amendement nr. 7
(DOC 55 2141/002) in, tot weglating van het artikel. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
De minister merkt op dat reeds vandaag in het
Strafwetboek minderjarigen worden opgedeeld in
leeftijdscategorieën.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) antwoordt dat het
bestaande onderscheid in het huidige Strafwetboek de
wetgever er niet van mag weerhouden te streven naar
verbetering, daar zich thans de gelegenheid voordoet
om nog meer te moderniseren. Kordate bepalingen die
voor alle minderjarigen de zaken op dezelfde manier
regelen, zijn nodig.
Amendement nr. 6 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Amendement nr. 7 wordt verworpen met 11 tegen 2
stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 32 wordt eenparig aangenomen.
Art. 33
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/27 in
hetzelfde Wetboek en betreft het werven van een min
derjarige voor ontucht of prostitutie.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 55 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 55 et l’article 31, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 32
Cet article vise à insérer l’article 417/26 dans le même
Code et concerne l’incitation d’un mineur de moins de
seize ans accomplis à la débauche ou à la prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 6
(DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer l’alinéa 2 en
vue d’élargir les peines afin de permettre la meilleure
protection possible des adolescents entre 16 et 18 ans.
Il ne faut plus faire de différence entre les mineurs de
moins de 16 ans et ceux entre 16 et 18 ans à cet égard.
Toute exploitation sexuelle de mineurs est interdite. Il
est renvoyé à la justification.
En ordre subsidiaire, Mme Vanessa Matz (cdH)
présente l’amendement n° 7 (DOC 55 2141/002), qui
vise à supprimer l’article, en ordre subsidiaire à l’amen
dement n° 6. Il est renvoyé à la justification.
Le ministre fait observer qu’aujourd’hui déjà, dans le
Code pénal, les mineurs sont divisés en catégories d’âge.
Mme Vanessa Matz (cdH) réplique que ce n’est pas
parce que la différence existe dans le code pénal actuel
qu’on ne peut pas chercher à améliorer les choses,
étant donné qu’on a la chance ici de pouvoir moder
niser davantage. Il faut des dispositions fortes réglant
les choses de la même manière pour tous les mineurs.
L’amendement n° 6 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’amendement n° 7 est rejeté par 11 voix contre 2 et
3 abstentions.
L’article 32, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité.
Art. 33
Cet article vise à insérer l’article 417/27 dans le même
Code et concerne le recrutement d’un mineur à des fins
de débauche ou de prostitution.
2141/006
DOC 55
90
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 8
(DOC 55 2141/002) in, tot vervanging van het tweede lid.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 56
(DOC 55 2141/004) in, tot weglating van de woorden
“zelfs met zijn toestemming”. Het komt er immers op aan
elke mogelijkheid op grond waarvan een minderjarige op
enigerlei wijze zou kunnen toestemmen met zijn eigen
seksuele uitbuiting uit de tekst weg te laten. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Hugon voegt eraan toe dat, naar haar oor
deel, uit de hoge strafmaten waarin wordt voorzien blijkt
dat dergelijk gedrag geenszins wordt geduld.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wil elke verwarring
met de seksuele meerderjarigheid wegnemen. Daarom
beoogt ze de straffen te verruimen, om de rechter in de
mogelijkheid te stellen de straf zo goed mogelijk af te
stemmen, naargelang van de omstandigheden van de
zaak. Het is jammer dat inzake de seksuele uitbuiting van
minderjarigen in de memorie van toelichting wordt verwe
zen naar het Verdrag van Lanzarote en naar de seksuele
meerderjarigheid. Dat onderscheid tussen 16 en 18 jaar
dient in dit verband niet te worden gemaakt.
Amendement nr. 8 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Amendement nr. 56 wordt eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 33 wordt aangenomen
met 13 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 34
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/28 in
hetzelfde Wetboek en betreft het werven van een min
derjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar voor
ontucht of prostitutie.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 9
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg
te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 9 wordt verworpen met 12 stemmen
tegen 1 en 3 onthoudingen.
Artikel 34 wordt eenparig aangenomen.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 8
(DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer l’alinéa 2. Il est
renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen
dement n° 56 (DOC 55 2141/004), qui vise à supprimer
les mots “même de son consentement”. En effet, il faut
supprimer du texte toute possibilité pour un mineur de
pouvoir consentir d’une quelconque manière à sa propre
exploitation sexuelle. Il est renvoyé à la justification.
Mme Hugon ajoute qu’à son sens, les taux importants
de peine prévus ne témoignent d’aucune tolérance par
rapport à ces comportements.
Mme Vanessa Matz (cdH) souhaite enlever toute
confusion avec l’âge de la majorité sexuelle. C’est la
raison pour laquelle elle veut proposer des peines relati
vement larges à disposition du juge. Il est regrettable que
l’exposé des motifs prenne pour référence la Convention
de Lanzarote et la majorité sexuelle pour ce qui concerne
l’exploitation sexuelle des mineurs. Cette distinction
entre 16 et 18 ans n’a pas lieu d’être dans ce contexte.
L’amendement n° 8 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’amendement n° 56 est adopté à l’unanimité.
L’article 33, tel qu’amendé, est adopté par 13 voix et
3 abstentions.
Art. 34
Cet article vise à insérer l’article 417/28 dans le même
Code et concerne le recrutement d’un mineur de moins
de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de
prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 9
(DOC 55 2141/002), qui vise à supprimer l’article. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 9 est rejeté par 12 voix contre une
et 3 abstentions.
L’article 34 est adopté à l’unanimité.
91
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 35
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/29 in
hetzelfde Wetboek en betreft het houden van een huis
van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht
of prostitutie pleegt.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 10
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden
te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 10 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Artikel 35 wordt eenparig aangenomen.
Art. 36
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/30 in
hetzelfde Wetboek en betreft het houden van een huis van
ontucht of prostitutie waar een minderjarige beneden de
volle leeftijd van zestien jaar ontucht of prostitutie pleegt.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 11
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg
te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 11 wordt verworpen met 11 tegen 2
stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 36 wordt eenparig aangenomen.
Art. 37
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/31 in
hetzelfde Wetboek en betreft het ter beschikking stellen
van een ruimte aan een minderjarige met het oog op
ontucht of prostitutie.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 12
(DOC 55 2141/002) in, dat beoogt bepaalde woorden te
vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat in de
memorie van toelichting (DOC 55 2141/001, blz. 76)
uitdrukkelijk de opzetvereiste wordt vooropgesteld. Zij
leidt uit de bewoordingen ook af dat het oogmerk om
abnormaal profijt te halen wordt verlaten. Is dit correct?
Het lid merkt terzijde op dat ook in deze problematiek
van prostitutie de duiding in de memorie van toelichting
niet altijd overeenstemt met de plaats van de artikelen
in de wettekst.
Art. 35
Cet article vise à insérer l’article 417/29 dans le même
Code et concerne la tenue d’une maison de débauche
ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche
ou à la prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amende
ment n° 10 (DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer
des mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 10 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’article 35 est adopté à l’unanimité.
Art. 36
Cet article vise à insérer l’article 417/30 dans le même
Code et concerne la tenue d’une maison de débauche
ou de prostitution où un mineur de moins de seize ans
accomplis se livre à la débauche ou à la prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 11
(DOC 55 2141/002), qui vise à supprimer l’article. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 11 est rejeté par 11 voix contre 2
et 3 abstentions.
L’article 36 est adopté à l’unanimité.
Art. 37
Cet article vise à insérer un article 417/31 dans le même
Code et concerne la mise à la disposition d’un mineur
d’un local à des fins de débauche ou de prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 12
(DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots. Il est
renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’exposé
des motifs (DOC 55 2141/001, p. 76) énonce expressé
ment le critère d’intentionnalité. Elle déduit également
du libellé que l’intention d’obtenir un profit anormal est
abandonnée. Est-ce correct? En passant, la membre note
que, dans cette problématique de la prostitution aussi,
le commentaire de l’exposé des motifs ne correspond
pas toujours à la place des articles dans le texte légal.
2141/006
DOC 55
92
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister beaamt dat de memorie van toelichting
soms complex is maar dat bij een goede lezing ervan
alles duidelijk is. Hij verduidelijkt dat het verboden is
om gelijk wel voordeel te halen uit de prostitutie van
een minderjarige.
Amendement nr. 12 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Artikel 37 wordt eenparig aangenomen.
Art. 38
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/32 in
hetzelfde Wetboek en betreft het ter beschikking stel
len van een ruimte aan een minderjarige beneden de
volle leeftijd van zestien jaar met het oog op ontucht of
prostitutie.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 13
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg
te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 13 wordt verworpen met 11 tegen 2
stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 38 wordt eenparig aangenomen.
Art. 39
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/33 in
hetzelfde Wetboek en betreft de exploitatie van de on
tucht of prostitutie van een minderjarige.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat niet wordt
uitgelegd wat verstaan dient te worden onder exploitatie
of uitbuiting. Er wordt verder ook geen duiding gegeven
in de memorie van toelichting.
Artikel 39 wordt eenparig aangenomen.
Art. 40
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/34 in
hetzelfde Wetboek en betreft de exploitatie van de
ontucht of prostitutie van een minderjarige beneden de
volle leeftijd van zestien jaar.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 40 wordt eenparig aangenomen.
Le ministre convient que l’exposé des motifs est par
fois complexe, mais qu’avec une bonne lecture, tout est
clair. Il précise qu’il est interdit de tirer un quelconque
profit de la prostitution d’un mineur.
L’amendement n° 12 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’article 37 est adopté à l’unanimité.
Art. 38
Cet article vise à insérer un article 417/32 dans le
même Code et concerne la mise à disposition d’un local
à un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins
de débauche ou de prostitution.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 13
(DOC 55 2141/002) qui vise à supprimer l’article. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 13 est rejeté par 11 voix contre 2 et
3 abstentions.
L’article 38 est adopté à l’unanimité.
Art. 39
Cet article vise à insérer un article 417/33 dans le
même Code et concerne l’exploitation de la débauche
ou de la prostitution d’un mineur.
Mme Sophie De Wit (N-VA) note qu’il n’est pas expliqué
ce qu’il faut entendre par exploitation. Aucune explication
n’est donnée dans non plus dans l’exposé des motifs.
L’article 39 est adopté à l’unanimité.
Art. 40
Cet article vise à insérer un article 417/32 dans le
même Code et concerne l’exploitation de la débauche
ou de la prostitution d’un mineur de moins de seize ans
accomplis.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 40 est adopté à l’unanimité.
93
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 41
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/35 in
hetzelfde Wetboek en betreft het verkrijgen van de on
tucht of de prostitutie van een minderjarige.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 14
(DOC 55 2141/002) in, dat beoogt bepaalde woorden te
vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 14 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Artikel 41 wordt eenparig aangenomen.
Art. 42
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/36 in
hetzelfde Wetboek en betreft het verkrijgen van de on
tucht of de prostitutie van een minderjarige beneden de
volle leeftijd van zestien jaar.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 19
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg
te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 19 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Artikel 42 wordt eenparig aangenomen.
Art. 43
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/37 in
hetzelfde Wetboek en betreft de organisatie van ontucht
of prostitutie van een minderjarige in vereniging.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 15
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan
te brengen in het tweede lid. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Amendement nr. 15 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Artikel 43 wordt eenparig aangenomen.
Art. 44
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/38 in
hetzelfde Wetboek en betreft het bijwonen van ontucht
of prostitutie van een minderjarige.
Art. 41
Cet article vise à insérer un article 417/35 dans le
même Code et concerne l’obtention de la débauche ou
de la prostitution d’un mineur.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 14
(DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 14 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’article 41 est adopté à l’unanimité.
Art. 42
Cet article vise à insérer un article 417/36 dans le
même Code et concerne l’obtention de la débauche ou
de la prostitution d’un mineur de moins de seize ans.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 19
(DOC 55 2141/002) qui vise à supprimer l’article. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 19 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’article 42 est adopté à l’unanimité.
Art. 43
Cet article vise à insérer un article 417/37 dans le
même Code et concerne l’organisation de la débauche
ou de la prostitution d’un mineur en association.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 15
(DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications
dans l’alinéa 2. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 15 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’article 43 est adopté à l’unanimité.
Art. 44
Cet article vise à insérer un article 417/38 dans le
même Code et concerne le fait d’assister à la débauche
ou à la prostitution d’un mineur.
2141/006
DOC 55
94
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) begrijpt uit de me
morie van toelichting (DOC 55 2141/001, blz. 76) dat
hieronder ook het welbewust bijwonen van pornografi
sche voorstellingen waaraan het kind deelneemt in de
zin van artikel 4.5 van de Europese richtlijn 2011/93/
EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel
misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinder
pornografie, ressorteert.
Artikel 44 wordt eenparig aangenomen.
Art. 45
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/39 in
hetzelfde Wetboek en betreft het reclame maken voor
ontucht en prostitutie van een minderjarige.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 45 wordt eenparig aangenomen.
Art. 46
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/40 in
hetzelfde Wetboek en betreft het verzwaard reclame
maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 46 wordt eenparig aangenomen.
Art. 47
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/41 in
hetzelfde Wetboek en betreft het aanzetten tot het plegen
van ontucht of exploitatie van de prostitutie van een min
derjarige in het openbaar of door enige reclamemiddel.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) vraagt om
verduidelijking met betrekking tot de misdrijven die
in de artikelen 30 tot 47 worden bedoeld. In de me
morie van toelichting (blz. 57-58) staat het volgende:
“Naar aanleiding van de opmerking van het College
van procureurs-generaal omtrent de vraag of de min
derjarigheid als constitutief element van het misdrijf
dient te worden beschouwd (eind bladzijde 20 en begin
van bladzijde 21 van het advies van het College van
procureurs-generaal) dient duidelijk te worden gesteld
dat de bewijslast niet wordt omgekeerd en dat het feit dat
het slachtoffer minderjarig is, volstaat om het strafbare
feit vast te stellen; er is geen sprake van omkering van
de bewijslast.”. Kan de minister dat bevestigen?
Mme Sophie De Wit (N-VA) déduit de l’exposé des
motifs (DOC 55 2141/001, p. 76), que cela concerne éga
lement le fait d’assister en connaissance de cause à des
spectacles pornographiques impliquant la participation
d’un enfant, comme le prévoit l’article 4.5 de la direc
tive européenne 2011/93/UE du 13 décembre 2011 relative
à la lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle
des enfants, ainsi que la pédopornographie.
L’article 44 est adopté à l’unanimité.
Art. 45
Cet article vise à insérer un article 417/39 dans le
même Code et concerne la publicité pour la débauche
et la prostitution d’un mineur.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 45 est adopté à l’unanimité.
Art. 46
Cet article vise à insérer un article 417/40 dans le
même Code et concerne la publicité aggravée pour la
débauche ou la prostitution d’un mineur.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 46 est adopté à l’unanimité.
Art. 47
Cet article vise à insérer un article 417/41 dans le
même Code et concerne l’incitation à la débauche ou
à l’exploitation de la prostitution d’un mineur en public
ou par un moyen quelconque de publicité.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) demande une
clarification en ce qui concerne les infractions visées de
l’article 30 à l’article 47. Dans l’exposé des motifs (p. 57-
58), il est indiqué que “suite à la remarque du collège
des procureurs généraux au sujet de la minorité en tant
qu’élément constitutif de l’infraction (fin page 20 et début
page 21 de l’avis du collège des PG). Il faut préciser
qu’on ne renverse pas la charge de la preuve et que le
fait que la victime soit mineure suffit à établir l’infraction,
il n’y a pas de renversement de la charge de la preuve.”.
Le ministre peut-il reconfirmer cela?
95
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister bevestigt dit.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de
toelichting over dit artikel in de memorie van toelichting
onder een afdeling staat.
Zij stelt vast dat ook hier de definitie een herhaling
van het opschrift van het artikel betreft.
De minister legt uit dat het om een bewuste keuze
van de experten gaat en aldus een vertaalslag wordt
gemaakt van het huidig Strafwetboek.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) kan hier begrip voor
opbrengen.
Artikel 47 wordt eenparig aangenomen.
Art. 48
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/42 in
hetzelfde Wetboek en betreft de verbeurdverklaring van
het instrument van het misdrijf.
Mevrouw Katleen Bury (VB) verwijst in deze naar de
door de Raad van State voorgestelde tekstcorrectie.
Verwijzend naar een opmerking van de OVB besluit
zij dat een eigenaar die niet op de hoogte was zijn
woning verbeurd kan zien worden verklaard (verruimde
verbeurdverklaring).
De minister antwoordt dat de tekst tegemoetkomt aan
de opmerking van de Raad van State.
Het betreft hier inderdaad de toepassing van de ver
ruimde verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 42qua
ter van het Strafwetboek. De persoon die daadwerkelijk
eigenaar is van het huis kan zich steeds tegen deze
verbeurdverklaring verzetten. Dit uiteraard alles onder
voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw.
Artikel 48 wordt eenparig aangenomen.
Art. 49
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 3
“Beelden van seksueel misbruik van minderjarigen” bij
artikel 25 van hetzelfde Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 49 wordt eenparig aangenomen.
Le ministre confirme.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que le commen
taire de cet article dans l’exposé des motifs est placé
sous une section.
Elle note qu’ici aussi, la définition est une répétition
de l’intitulé de l’article.
Le ministre explique qu’il s’agit d’un choix délibéré
de la part des experts et donc d’une transposition du
Code pénal actuel.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dit pouvoir le comprendre.
L’article 47 est adopté à l’unanimité.
Art. 48
Cet article vise à insérer un article 417/42 dans le
même Code et concerne la confiscation de l’instrument
de l’infraction.
Mme Katleen Bury (VB) renvoie ici à la correction pro
posée par le Conseil d’État. Se référant à une remarque
de l’OVB, elle conclut qu’un propriétaire qui n’était pas
au courant peut voir son logement confisqué (confis
cation élargie).
Le ministre répond que le texte rencontre l’observation
du Conseil d’État.
Il s’agit bien de l’application de la confiscation élar
gie conformément à l’article 42quater du Code pénal.
La personne qui est effectivement propriétaire de la
maison peut toujours s’opposer à cette confiscation.
Tout ceci, bien entendu, sans préjudice des droits des
tiers de bonne foi.
L’article 48 est adopté à l’unanimité.
Art. 49
Cet article vise à insérer une sous-section 3 “Des
images d’abus sexuels de mineurs” dans l’article 25 du
même Code.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 49 est adopté à l’unanimité.
2141/006
DOC 55
96
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 50
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/43 in
hetzelfde Wetboek en betreft de definitie van beelden
van seksueel misbruik van minderjarigen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat deze
definitie alle minderjarigen betreft. Zij begrijpt uit de me
morie van toelichting dat het hier een lex specialis betreft
en dat bij overlapping deze bepaling de voorrang heeft.
De minister legt uit dat hier de definitie van de wet
van 31 mei 2016 tot verdere uitvoering van de Europese
verplichtingen op het vlak van seksuele uitbuiting van
kinderen, kinderpornografie, mensenhandel en hulp
verlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en
illegaal verblijf, wordt gebruikt. De definitie is er gekomen
op uitdrukkelijke vraag van Child Focus, want nu zijn
jongeren soms strafbaar op grond van bezit van kinder
porno terwijl ze in een wederzijdse seksuele relatie zitten.
Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt meer duiding over
de notie primaire seksuele doeleinden.
De minister legt uit dat primaire “sexting” gaat over het
doorsturen van beelden naar elkaar, wat toegelaten is
onder leeftijdsgenoten (tussen 16 en 18 jaar). Secundaire
“sexting” betreft het doorsturen van beelden naar derden,
wat verboden is.
Primaire seksuele doeleinden duidt op het feit dat dit
niet uit winstbejag gebeurt, maar louter voor eigen lusten.
De minister verwijst in dit verband ook naar voormelde
wet van 31 mei 2016.
Artikel 50 wordt eenparig aangenomen.
Art. 51
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/44 in
hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of versprei
den van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 51 wordt eenparig aangenomen.
Art. 52
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/45 in
hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of ver
spreiden van beelden van seksueel misbruik van min
derjarigen in vereniging.
Art. 50
Cet article vise l’insertion de l’article 417/43 dans le
même Code et concerne la définition d’images d’abus
sexuels de mineurs.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que cette défini
tion concerne tous les mineurs. Elle déduit de l’exposé
des motifs qu’il s’agit d’une lex specialis et qu’en cas
de chevauchement, la disposition à l’examen prime.
Le ministre explique que c’est la définition de la loi
du 31 mai 2016 complétant la mise en œuvre des obli
gations européennes en matière d’exploitation sexuelle
des enfants, de pédopornographie, de traite des êtres
humains et d’aide à l’entrée, au transit et au séjour irré
guliers qui est utilisée en l’espèce. Cette définition a été
élaborée à la demande expresse de Child Focus, car
à l’heure actuelle, des jeunes sont parfois punissables
pour détention de matériel pédopornographique alors
qu’ils sont dans une relation sexuelle réciproque.
Mme Katleen Bury (VB) demande plus de précisions
sur la notion de finalité sexuelle primaire.
Le ministre explique que le “sexting” primaire consiste
à s’envoyer des images, ce qui est autorisé entre per
sonnes du même âge (entre 16 et 18 ans). Le “sexting”
secondaire concerne la transmission d’images à des
tiers, ce qui est interdit.
La finalité sexuelle primaire précise que le les faits
ne visent pas un but lucratif, mais le simple plaisir per
sonnel. À cet égard, le ministre renvoie également à la
loi précitée du 31 mai 2016.
L’article 50 est adopté à l’unanimité.
Art. 51
Cet article vise l’insertion de l’article 417/44 dans le
même Code et concerne la production ou la diffusion
d’images d’abus sexuel d’un mineur.
Il ne donne lieu à aucune observation.
L’article 51 est adopté à l’unanimité.
Art. 52
Cet article vise l’insertion de l’article 417/45 dans le
même Code et concerne la production ou la diffusion
d’images d’abus sexuel de mineurs en association.
97
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
M. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 60
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt woorden te ver
vangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 60 en het aldus geamendeerde
artikel 52 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 53
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/46 in
hetzelfde Wetboek en betreft het bezitten en verwerven
van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 65
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt woorden te ver
vangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 65 en het aldus geamendeerde
artikel 53 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 54
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/47 in
hetzelfde Wetboek en betreft het zich toegang verschaffen
tot beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wenst te vernemen
of men bij het klikken op een link die toegang geeft tot
beelden maar als men er verder niet naar kijkt ook onder
het toepassingsgebied van dit artikel valt? Wat moet
juist worden verstaan onder de woorden “zich toegang
verschaffen”?
De minister verduidelijkt dat er opzetvereiste moet
zijn; iemand moet ook een klacht hebben ingediend. De
rechter zal uiteraard in alle redelijkheid hierover oordelen.
Artikel 54 wordt eenparig aangenomen.
Art. 55
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/48 in
hetzelfde Wetboek en betreft de rechtvaardigingsgrond
inzake het rechtens ontvangen, analyseren en overzenden
van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 66
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt het vierde ge
dachtestreepje van het derde lid te vervangen. Er wordt
verwezen naar de verantwoording.
M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende
ment n° 60 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des
mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 60 et l’article 52, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 53
Cet article vise l’insertion de l’article 417/46 dans le
même Code et concerne la détention et l’acquisition
d’images d’abus sexuels de mineurs.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 65 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des
mots. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 65 et l’article 53, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 54
Cet article vise l’insertion de l’article 417/47 dans le
même Code et concerne l’accès à des images d’abus
sexuels de mineurs.
Mme Sophie De Wit (N-VA) demande si le fait de
cliquer sur un lien qui donne accès à des images mais
sans les examiner plus avant relève également du champ
d’application de cet article. Que faut-il comprendre
exactement par le mot “accéder”?
Le ministre précise que l’intentionnalité doit être
présente; une personne doit également avoir porté
plainte. Il appartiendra bien entendu au juge d’apprécier
raisonnablement la situation.
L’article 54 est adopté à l’unanimité.
Art. 55
Cet article vise l’insertion de l’article 417/48 dans le
même Code et concerne la cause de justification concer
nant la réception de droit, l’analyse et la transmission
d’images d’abus sexuels de mineurs.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 66 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer
le quatrième tiret du troisième alinéa. Il est renvoyé à
la justification.
2141/006
DOC 55
98
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat
Child Focus tijdens de hoorzittingen heeft aangekaart
dat het in de praktijk te lang duurt eer beelden offline of
ontoegankelijk worden gemaakt. Child Focus zou daarom
graag zelf providers kunnen contacteren. Worden hiertoe
initiatieven genomen?
Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich bij deze vraag
aan.
De minister kondigt aan dat in december 2021 hier
over een overleg met Child Focus staat gepland. Het
Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen
kan hier gelet op de goede contacten met onder andere
Facebook en Google een belangrijke schakel spelen.
Amendement nr. 66 en het aldus geamendeerde artikel
55 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 56
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/49 in
hetzelfde Wetboek en betreft de rechtvaardigingsgrond
inzake het consensueel maken, bezitten en onderling
delen van seksuele beelden en opnames.
De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 61
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden
in het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 57
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan te
brengen in het derde lid. Dit amendement wordt vervol
gens ingetrokken en vervangen door amendement nr. 67
(DOC 55 2141/004), dat tot doel heeft bepaalde woorden
in het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar
de verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat primaire
“sexting” enkel is toegelaten boven 16 jaar. Wat evenwel
met categorie tussen 14- tot 16-jarigen? Het lid is van
oordeel dat de leeftijd in deze rechtvaardigingsgrond moet
worden aangepast aan de seksuele meerderjarigheid.
De minister legt uit dat in de huidige stand van het
wetsontwerp dit inderdaad nog verboden is voor de
leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar, maar toegelaten
is voor de leeftijdscategorie van 16 tot 18 jaar. De 14-
tot 16-jarigen zijn zich vaak ook niet bewust van het risico
van het blijven bestaan van deze beelden.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) rappelle que, lors
des auditions, Child Focus a soulevé le fait que, dans la
pratique, il se passe trop de temps avant que les images
soient mises hors ligne ou rendues inaccessibles. Child
Focus souhaiterait donc pouvoir contacter lui-même les
fournisseurs d’accès. Des initiatives sont-elles prises à
cette fin?
Mme Katleen Bury (VB) se rallie à cette question.
Le ministre annonce qu’une concertation est prévue
avec Child Focus à ce sujet en décembre 2021. L’Institut
pour l’égalité des femmes et des hommes peut jouer un
rôle d’interface utile à cet égard, compte tenu de ses
bonnes relations avec Facebook et Google, entre autres.
L’amendement n° 66 et l’article 55, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 56
Cet article vise l’insertion de l’article 417/49 dans
le même Code et concerne la cause de justification
concernant la réalisation consensuelle, la possession et
la transmission mutuelle d’images et d’enregistrements
à caractère sexuel.
M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende
ment n° 61 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des
mots à l’alinéa 3. En effet, Il est renvoyé à la justification.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 57 (DOC 55 2141/004) qui vise à apporter
des modifications à l’alinéa 3. Cet amendement est
ensuite retiré et remplacé par l’amendement n° 67
(DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots à
l’alinéa 3. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) note que le “sexting”
primaire n’est autorisé qu’à partir de 16 ans. Mais qu’en
est-il de la catégorie des 14-16 ans? La membre consi
dère que l’âge doit être adapté à la majorité sexuelle
dans cette cause de justification.
Le ministre explique que, dans l’état actuel du projet de
loi, cette pratique reste en effet interdite pour la tranche
d’âge des 14-16 ans, mais autorisée pour les 16-18 ans.
Les 14-16 ans n’ont souvent pas conscience des risques
que représente la pérennité de ces images.
99
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) antwoordt dat ook
na 16 jaar er nog impact kan zijn.
Amendement nr. 57 wordt ingetrokken.
De amendementen nrs. 61 en 67 worden achtereen
volgens en eenparig aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 56 wordt aangenomen
met 13 stemmen en 3 onthoudingen.
Art. 57
Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafde
ling 4 “Algemene bepaling” in afdeling 2, ingevoegd bij
artikel 27 van hetzelfde Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 57 wordt eenparig aangenomen.
Art. 58
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/50 in
hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 16
(DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan
te brengen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 16 wordt verworpen met 11 tegen
2 stemmen en 3 onthoudingen.
Artikel 58 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3
onthoudingen.
Art. 59
Dit artikel strekt tot invoeging van een afdeling 3
“Openbare zedenschennis” in hoofdstuk I/1, ingevoegd
bij artikel 2.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 59 wordt eenparig aangenomen.
Art. 60
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/51 in
hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of ver
spreiden van boodschappen van extreem pornografische
of gewelddadige aard.
Mme Sophie De Wit (N-VA) répond qu’après 16 ans
également, les conséquences restent importantes.
L’amendement n° 57 est retiré.
Les amendements nos 61 et 67 sont successivement
adoptés à l’unanimité.
L’article 56, ainsi modifié, est adopté par 13 voix et
3 abstentions.
Art. 57
Cet article vise l’insertion d’une sous-section 4
“Disposition générale” dans la section 2 du même Code,
insérée par l’article 27.
Il ne donne lieu à aucune observation.
L’article 57 est adopté à l’unanimité.
Art. 58
Cet article vise l’insertion de l’article 417/50 dans le
même Code et concerne les facteurs aggravants.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 16
(DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications.
Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 16 est rejeté par 11 voix contre 2
et 3 abstentions.
L’article 58 est adopté par 13 voix et 3 abstentions.
Art. 59
Cet article vise l’insertion d’une section 3 “De l’outrage
public aux bonnes mœurs” dans le chapitre Ier/1, inséré
par l’article 2.
Il ne donne lieu à aucune observation.
L’article 59 est adopté à l’unanimité.
Art. 60
Cet article vise à insérer un article 417/51 dans le
même Code et concerne la production ou la diffusion
de messages à caractère extrêmement pornographique
ou violent.
2141/006
DOC 55
100
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst erop dat naar
aanleiding van een artikel in de Juristenkrant over wat
ten aanzien van BDSM-porno nu al dan niet kan, enige
commotie is ontstaan. Belangrijk is te weten wat bij een
normaal en redelijk persoon onder de notie “extreem”
kan vallen. Hoe moet dit evenwel worden beoordeeld?
Professor Rozie heeft gesteld dat het hier niet over
een verstrenging gaat maar eerder over een inperking;
terugkeren naar de huidige situatie zou impliceren dat
meer feiten worden gedoogd. Het lid meent dat deze
uitleg niet helemaal aan de commotie tegemoetkomt.
De strafbaarstelling blijft ook vaag. Kan de minister dit
verduidelijken?
De minister legt uit dat deze bepaling geen implicaties
heeft voor de handelingen als dusdanig van meerder
jarigen in een privécontext. Als hieraan überhaupt iets
zou worden gewijzigd dan dient dit te gebeuren via de
strafbaarstellingen slagen en verwondingen. Voorliggend
artikel betreft het vervaardigen of verspreiden van bood
schappen (= beelden) van extreem pornografische of
gewelddadige aard in het openbaar. Extreem is wanneer
een normaal redelijke persoon daarvan traumatische
gevolgen kan ondervinden. Extreem pornografisch
materiaal is bijvoorbeeld “rape porn”.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat
de seksuele autonomie de insteek van dit wetsontwerp
is. Dit artikel houdt alvast hierop een beperking in.
Artikel 60 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3
onthoudingen.
Art. 61
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/52 in
hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of versprei
den van boodschappen van extreem pornografische of
gewelddadige aard gepleegd tegenover een minderjarige
of een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 61 wordt eenparig aangenomen.
Art. 62
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/53 in
hetzelfde Wetboek en betreft exhibitionisme.
De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 62
(DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden
te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne qu’un article
paru dans le Juristenkrant sur ce qui est autorisé ou non
en matière de pornographie BDSM a fait polémique. Il
est important de savoir ce qu’une personne normale
et raisonnable considérerait comme “extrême”. Mais
comment en juger?
Le professeur Rozie a fait valoir qu’il ne s’agissait pas
d’un durcissement mais plutôt d’une limitation; revenir à
la situation actuelle impliquerait de tolérer davantage de
faits. La membre estime que cette explication ne répond
pas entièrement à la polémique. L’incrimination reste
également vague. Le ministre peut-il clarifier ce point?
Le ministre explique que cette disposition n’a aucune
incidence sur les actes en tant que tels des personnes
majeures dans un contexte privé. Si l’on devait changer
quoi que ce soit à cet égard, il faudrait le faire par le
biais de l’incrimination des coups et blessures. L’article
à l’examen concerne la production ou la diffusion de
messages (= images) à caractère extrêmement por
nographique ou violent en public. On parle d’extrême
lorsqu’une personne normale et raisonnable pourrait
subir des conséquences traumatisantes. Un exemple
de matériel pornographique extrême est le “rape porn”.
Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que l’autonomie
sexuelle est l’angle d’approche du projet de loi à l’exa
men. Cet article contient déjà une restriction à ce sujet.
L’article 60 est adopté par 13 voix et 3 abstentions.
Art. 61
Cet article vise à insérer un article 417/52 dans le
même Code et concerne la production ou la diffusion de
messages à caractère extrêmement pornographique ou
violent dirigés contre un mineur ou une personne dans
une situation de vulnérabilité.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 61 est adopté à l’unanimité.
Art. 62
Cet article vise à insérer un article 417/53 dans le
même Code et concerne l’exhibitionnisme.
M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende
ment n° 62 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des
mots. Il est renvoyé à la justification.
101
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Amendement nr. 62 en het aldus geamendeerde artikel
62 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen.
Art. 63
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/54 in
hetzelfde Wetboek en betreft exhibitionisme in aanwe
zigheid van een minderjarige of een persoon die in een
kwetsbare toestand verkeert.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat hier de
kwetsbare toestand wordt gedefinieerd. De OVB acht
het niet gerechtvaardigd dat zwangerschap leidt tot
strafverzwaring. Een zwangerschap is een gezegende
toestand maar is zeker niet in alle gevallen een kwets
bare toestand.
De minister antwoordt dat het hier over een overname
gaat van het huidig Strafwetboek. De rechter zal in het
licht van de concrete omstandigheden in het dossier
oordelen of de zwangerschap al dan niet een kwetsbare
toestand is.
Artikel 63 wordt eenparig aangenomen.
Art. 63/1 (nieuw)
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement
nr. 68 in tot invoeging van een nieuw artikel 417/54/1 in
hetzelfde Wetboek. Het beoogt, teneinde problemen die
zich in de praktijk voordoen te vermijden, te verduidelij
ken dat borstvoeding geven in een openbare of publiek
toegankelijke ruimte geenszins een openbare schennis
van de goede zeden is en dat bovendien eenieder die
vrouwen belet, probeert te beletten, verbiedt of probeert
te verbieden om in die omstandigheden borstvoeding
te geven, zich aan strafrechtelijke sancties blootstelt.
De minister verduidelijkt dat borstvoeding niet onder de
incriminatie van exhibitionisme valt. Het voldoet immers
niet aan een constitutief bestanddeel ervan, zijnde om te
voldoen aan bepaalde seksuele driften, en hoort dan ook
niet thuis in het seksueel strafrecht. Het verhinderen van
het geven van borstvoeding hoort à fortiori ook niet thuis
in het seksueel strafrecht. Hij acht het daarom raadzaam
om tijdens de bespreking van het nieuw Strafwetboek
dieper op deze problematiek in te gaan.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) heeft begrip voor het
standpunt van de minister maar het is net omdat deze
problematiek voor problemen aanleiding geeft dat het
L’amendement n° 62 et l’article 62, tel qu’amendé,
sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 63
Cet article vise à insérer un article 417/54 dans le
même Code et concerne l’exhibitionnisme en présence
d’un mineur ou d’une personne dans une situation de
vulnérabilité.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que la situa
tion de vulnérabilité est définie. L’OVB estime qu’il est
injustifié que la grossesse entraîne une aggravation de
la peine. Une grossesse est un état béni, mais ce n’est
certainement pas un état vulnérable dans tous les cas.
Le ministre répond qu’il s’agit d’une reprise du Code
pénal actuel. Le juge appréciera, à la lumière des circons
tances concrètes de l’affaire, si la grossesse constitue
ou non un état vulnérable.
L’article 63 est adopté à l’unanimité.
Art. 63/1 (nouveau)
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement
n° 68 tendant à insérer un article 417/54/1 dans le même
Code. L’amendement à l’examen tend à préciser, en vue
d’éviter les problèmes qui se posent dans la pratique, que
le fait d’allaiter dans un espace public ou accessible au
public ne constitue en aucun cas un outrage public aux
bonnes mœurs et tend à prévoir, en outre, des sanctions
pénales à l’encontre de toute personne qui empêcherait,
tenterait d’empêcher, interdirait ou tenterait d’interdire à
une femme d’allaiter dans ces conditions.
Le ministre précise que l’allaitement ne relève pas
de l’incrimination d’exhibitionnisme dès lors que cet
acte ne présente pas l’un des éléments constitutifs de
cette infraction, à savoir l’assouvissement de certaines
pulsions sexuelles. En conséquence, cet acte n’a pas
sa place dans le droit pénal sexuel. Le fait d’empêcher
une mère d’allaiter n’a donc a fortiori pas non plus
sa place dans le droit pénal sexuel. C’est pourquoi le
ministre estime qu’il serait plus judicieux d’examiner
cette question plus en détail au cours des discussions
sur le nouveau Code pénal.
Mme Vanessa Matz (cdH) comprend le point de vue
du ministre, mais elle estime que c’est précisément
parce que cette problématique est source de problèmes
2141/006
DOC 55
102
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een goede zaak zou zijn om dit in het seksueel strafrecht
duidelijk te maken.
De minister merkt op dat in de memorie van toelichting
duidelijk wordt gemaakt dat door de toevoeging “met het
oogmerk de eigen seksuele driften” de hypothese van
wildplassen wordt uitgesloten (DOC 55 2141/001, blz.
66). Hetzelfde geldt ook voor het geven van borstvoeding
op een openbare plaats. In het Strafwetboek worden
voorts alleen gedragingen die strafbaar zijn, opgenomen.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) verduidelijkt dat
de Genderwet bepaalt dat de criteria bevalling, zwanger
schap en moederschap worden gelijkgesteld aan het
criterium geslacht. Een minder gunstige behandeling
van een vrouw die verband houdt met haar bevalling,
zwangerschap en moederschap is bijgevolg een directe
discriminatie op grond van geslacht. Sinds de wet van 4
februari 2020 tot wijziging van de wet van 10 mei 2007
ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en
mannen wat het discriminatieverbod op vaderschap of
meemoederschap betreft, valt ook borstvoeding onder
de Genderwet.
Amendement nr. 68 wordt verworpen met 14 stemmen
tegen 1 en 1 onthouding.
Art. 64
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/55 in
hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 64 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4
onthoudingen.
Art. 65
Dit artikel strekt tot invoeging van een afdeling 4 lui
dende “Gemeenschappelijke bepalingen” in hetzelfde
Wetboek.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 65 wordt eenparig aangenomen.
Art. 66
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/56 in
hetzelfde Wetboek en betreft de weigering tot verlening
qu’il serait judicieux d’apporter cette précision dans le
droit pénal sexuel.
Le ministre souligne que l’exposé des motifs indique
clairement que l’ajout du membre de phrase “en vue
d’assouvir ses propres pulsions sexuelles” exclut l’hypo
thèse de considérer le fait d’uriner sur la voie publique
comme un acte d’exhibitionnisme (DOC 55 2141/001,
p. 66). Il en ira de même pour le fait d’allaiter dans un lieu
public. Par ailleurs, seuls les comportements passibles
de sanctions sont inscrits dans le Code pénal.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) précise que la loi
“genre” dispose qu’une distinction fondée sur l’accou
chement, la grossesse et la maternité est assimilée à
une distinction fondée sur le sexe. En conséquence,
le fait de réserver un traitement moins favorable à une
femme en raison de son accouchement, de sa grossesse
ou de sa maternité constitue une discrimination directe
fondée sur le sexe. De plus, l’allaitement relève désormais
aussi du champ d’application de la loi “genre” depuis
la loi du 4 février 2020 modifiant, en ce qui concerne
l’interdiction de discrimination relative à la paternité ou
à la co-maternité, la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter
contre la discrimination entre les femmes et les hommes.
L’amendement n° 68 est rejeté par 14 voix contre une
et une abstention.
Art. 64
Cet article vise à insérer un article 417/55 dans le
même Code et concerne les facteurs aggravants.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 64 est adopté par 12 voix et 4 abstentions.
Art. 65
Cet article vise à insérer, dans le même Code, une
section 4 intitulée “Dispositions communes”.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 65 est adopté à l’unanimité.
Art. 66
Cet article vise à insérer un article 417/56 dans le
même Code et concerne le refus de prêter son concours
103
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van technische medewerking aan de verwijdering van
bepaalde seksueel getinte en extreem gewelddadige
beelden.
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51
(partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde
woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat in de
memorie van toelichting de uitleg over de artikelen 66 en
volgende te vinden is bij artikel 74.
Amendement nr. 51(partim) en het aldus geamen
deerde artikel 66 worden achtereenvolgens en eenparig
aangenomen.
Art. 67
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/57 in
hetzelfde Wetboek en betreft de sluiting van de inrichting.
Mevrouw Katleen Bury (VB) wenst naar aanleiding
van het advies van de Raad van State meer duiding te
verkrijgen over de link met het gepleegde misdrijf.
De minister legt uit dat een dergelijke maatregel ook
ten aanzien van het sekswerk moet kunnen worden
genomen.
Artikel 67 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1
onthouding.
Art. 68
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/58 in
hetzelfde Wetboek en betreft het verblijfs-, plaats- of
contactverbod.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 68 wordt aangenomen met 15 stemmen en
1 onthouding.
Art. 69
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/59 in
hetzelfde Wetboek en betreft de specifieke verboden
en ontzettingen.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende
ment nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden
technique à la suppression de certaines images à carac
tère sexuel ou à caractère extrêmement violent.
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen
dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à
remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) note que, dans l’exposé
des motifs, l’explication des articles 66 et suivants se
trouve à l’article 74.
L’amendement n° 51 (partim) et l’article 66, tel qu’amen
dé, sont successivement adoptés à l’unanimité.
Art. 67
Cet article vise à insérer un article 417/57 dans le
même Code et concerne la fermeture de l’établissement.
Mme Katleen Bury (VB) souhaite, suite à l’avis du
Conseil d’État, obtenir plus de précisions sur le lien
avec l’infraction commise.
Le ministre explique qu’une telle mesure doit pouvoir
être prise également à l’égard du travail du sexe.
L’article 67 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 68
Cet article vise à insérer un article 417/58 dans le
même Code et concerne l’interdiction de résidence, de
lieu ou de contact.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 68 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 69
Cet article vise à insérer un article 417/59 dans le
même Code et concerne les interdictions spécifiques
et déchéances.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur”
2141/006
DOC 55
104
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“op” te vervangen door de woorden “ten nadele van”
(DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 85(partim) wordt eenparig
aangenomen.
Het aldus geamendeerde artikel 69 wordt aangenomen
met 15 stemmen en 1 onthouding.
Art. 70
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/60 in
hetzelfde Wetboek en betreft de niet-naleving van een
straf bestaande uit een verbod.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 70 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1
onthouding.
Art. 71
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/61 in
hetzelfde Wetboek en betreft de samenloop.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat hier
opnieuw een voorafname wordt gemaakt op de toe
komstige algemene hervorming van het Strafwetboek.
Artikel 71 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1
onthouding.
Art. 72
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/62 in
hetzelfde Wetboek en betreft de overzending van de
rechterlijke beslissing.
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 72 wordt aangenomen met 15 stemmen en
1 onthouding.
Art. 73
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/63 in
hetzelfde Wetboek en betreft de bescherming van de
identiteit van het slachtoffer.
De heer Ben Segers (Vooruit) merkt op dat teneinde
secundaire victimisatie tegen te gaan deze bepaling
par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 85 (partim) est adopté à l’unanimité.
L’article 69, tel qu’amendé, est adopté par 15 voix et
une abstention.
Art. 70
Cet article vise à insérer un article 417/60 dans le
même Code et concerne le non-respect d’une peine
consistant en une interdiction.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 70 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 71
Cet article vise à insérer un article 417/61 dans le
même Code et concerne le concours.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’on anticipe
une fois de plus la future réforme générale du Code pénal.
L’article 71 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 72
Cet article vise à insérer un article 417/62 dans le
même Code et concerne la transmission d’une décision
judiciaire.
Cet article ne donne lieu à aucune observation.
L’article 72 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 73
Cet article vise à insérer dans le même Code un
article 417/63 concernant la protection de l’identité de
la victime.
M. Ben Segers (Vooruit) souligne que le professeur
Catherine Van de Heyning estime que cette disposition
105
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
volgens professor Catherine Van de Heyning rekening
moet houden met de evoluties van digitale wereld. De
spreker vraagt of deze opmerking zal worden meegeno
men bij de algemene hervorming van het Strafwetboek.
De minister bevestigt dit.
Artikel 73 wordt aangenomen met 15 stemmen en
1 onthouding.
Art. 74
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/64 in
hetzelfde Wetboek en betreft het advies van een dienst
gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van
seksuele delinquenten.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 44 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt arti
kel 417/64 te vervangen teneinde het gemotiveerd advies
van de dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding
of behandeling van seksuele delinquenten verplicht
te maken, behoudens andersluidende gemotiveerde
beslissing.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende
ment nr. 20 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het
tweede lid te vervangen teneinde het gemotiveerd advies
van de dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding
of behandeling van seksuele delinquenten verplicht te
maken. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
De minister beaamt dat vandaag dit advies faculta
tief is. Soms is een advies immers niet opportuun en
betekent het vragen ervan een verspilling van mensen,
middelen en tijd. Het wijzigen van dit artikel zou ook
een impact hebben op de gemeenschappen. Er dient
immers voorafgaandelijk overleg te worden gepleegd,
wat niet is gebeurd. De minister heeft er evenwel alle
vertrouwen in dat de rechter het nodige zal doen. Er zijn
ook geen indicaties dat er te weinig adviezen worden
gevraagd. De minister vraagt de commissie om de tekst
op dit punt niet te wijzigen.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) dient amende
ment nr. 86 in dat beoogt om opnieuw, zoals aanbevolen
door het Centre d’Appui bruxellois en de Hoge Raad voor
de Justitie, te bepalen dat een met redenen omkleed
advies van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding
of de behandeling van seksuele delinquenten moet
worden ingewonnen door het openbaar ministerie of de
rechter bij wie de zedenzaak aanhangig werd gemaakt
(DOC 55 2141/005).
doit tenir compte des évolutions du monde numérique
afin d’éviter une victimisation secondaire. L’intervenant
demande si cette observation sera prise en considération
dans le cadre de la réforme générale du Code pénal.
Le ministre répond par l’affirmative.
L’article 73 est adopté par 15 voix et une abstention.
Art. 74
Cet article vise à insérer dans le même Code un
article 417/64 qui prévoit l’avis d’un service spécialisé
dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 44 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer
l’article 417/64 en vue de rendre l’avis du service spé
cialisé dans la guidance ou le traitement de délinquants
sexuels obligatoire, sauf dérogation par décision motivée.
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende
ment n° 20 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer
l’alinéa 2 en vue de rendre l’avis du service spécialisé
dans la guidance ou le traitement de délinquants sexuels
obligatoire. Il est renvoyé à la justification.
Le ministre confirme que cet avis est aujourd’hui facul
tatif. En effet, il n’est pas toujours opportun de recueillir
un avis. Cela peut parfois entraîner une perte de temps
et un gaspillage de moyens humains et financiers. La
modification de cet article aurait également un impact sur
les communautés. En effet, une concertation préalable
doit être menée, ce qui n’a pas été le cas. Le ministre
est toutefois convaincu que le juge fera le nécessaire.
Rien n’indique par ailleurs que trop peu d’avis sont
recueillis. Le ministre demande à la commission de ne
pas modifier le texte sur ce point.
Mme Sophie Rohonyi (DéFi) présente l’amende
ment n° 86 tendant à réinstaurer l’obligation de requérir
un avis motivé d’un service spécialisé dans la guidance
ou le traitement des délinquants sexuels, pour le minis
tère public ou le juge saisi d’une infraction en matière
de mœurs, comme le préconisent le Centre d’Appui
bruxellois et le Conseil Supérieur de la Justice (DOC
55 2141/005).
2141/006
DOC 55
106
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister is van oordeel dat aangezien de proble
matiek van adviesvraag ook betrekking heeft op andere
incriminaties (bijv. daders van terroristische misdrijven),
het aangewezen is om dit aan te kaarten bij de bespreking
van het nieuw Strafwetboek. In afwachting pleit hij in
deze voor een facultatief advies. Het is aan de rechter
om over de opportuniteit ervan te oordelen.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) merkt op dat ze
denzaken toch wel een bijzonder karakter hebben.
De vraag is nu net of de rechter in zijn dossier over
voldoende elementen beschikt om te kunnen oordelen
of het advies van een gespecialiseerde dienst in een
welbepaalde zaak al dan niet opportuun is. Het ware
dan ook aangewezen mocht de rechter vanaf het begin
over zo’n advies beschikken. Op die manier kan hij aan
strafdiversificatie doen en al naargelang het geval de
meest geschikte straf, therapeutische begeleiding dan
wel een gevangenisstraf, opleggen. Een dergelijke
handelswijze zal ook de re-integratie ten goede komen.
De minister vraagt om vertrouwen te hebben in de
magistratuur.
Amendement nr. 44 wordt verworpen met 11 tegen
4 stemmen en 1 onthouding.
De amendementen nrs. 86 en 20 worden achtereen
volgens verworpen 11 tegen 5 stemmen.
Artikel 74 wordt aangenomen met 15 stemmen en
1 onthouding.
Le ministre estime que puisque la problématique de la
demande d’avis vise également d’autres incriminations
(concernant par exemple les auteurs d’infractions terro
ristes), il conviendrait de l’indiquer lors de la discussion
du nouveau Code pénal. En attendant, il préconise en
l’occurrence que l’avis soit facultatif. Il incombera au
juge d’en évaluer l’opportunité.
Mme Sophie Rohonyi (DéFi) fait observer que les
affaires de mœurs sont néanmoins d’une nature parti
culière. La question est justement de savoir si le juge
disposera de suffisamment d’éléments dans son dossier
pour pouvoir évaluer l’opportunité de l’avis d’un service
spécialisé dans le cadre d’une affaire en particulier. Il
serait dès lors préférable que le juge puisse disposer
d’emblée de cet avis, ce qui lui permettra de diversifier
les peines et d’infliger la peine la plus appropriée en
fonction du cas, à savoir un accompagnement thérapeu
tique ou une peine d’emprisonnement. Cette pratique
favoriserait également la réinsertion.
Le ministre demande de faire confiance à la
magistrature.
L’amendement n° 44 est rejeté par 11 voix contre 4
et une abstention.
Les amendements nos 86 et 20 sont successivement
rejetés par 11 voix contre 5.
L’article 74 est adopté par 15 voix et une abstention.
107
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 2
Prostitutie van een meerderjarige
Art. 75
Dit artikel strekt tot de invoeging van een hoofstuk
IIIbis/1, luidende “Misbruik van prostitutie” in hetzelfde
Wetboek.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt dat het wetsont
werp ernaar streeft overlapping van bepalingen inzake
prostitutiemisdrijven enerzijds en mensenhandel ander
zijds te vermijden; daarnaast beoogt het eveneens een
aantal misdrijven te decriminaliseren. Dit doet echter
afbreuk aan de overzichtelijkheid en het is onduidelijk
wat al dan niet strafbaar is. Bovendien blijven er, ondanks
de ingrepen, toch nog overlappingen bestaan. Dit was
trouwens ook een bezorgdheid van het College van
procureurs-generaal. Kan de minister aanduiden wat
precies gelegaliseerd wordt? Hoe zit het bijvoorbeeld
met personen die een rendez-vous huis met vitrine uit
baten: is dat nog verder strafbaar is of niet? Dergelijke
kwalificatie heeft zeer belangrijke gevolgen.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst op het belang
van dit onderdeel, dat trouwens al tot drie keer toe werd
aangepast. Weliswaar is er de vraag van een belangrijk
deel van de sekswerkers dat zij een sociaalrechterlijk
statuut zouden kunnen genieten maar anderzijds vergt
dit een ingreep in het strafrecht waardoor de positie van
slachtoffers van uitbuiting verder wordt verzwakt. De
minister moet klare wijn schenken: indien hij inderdaad
het pooierschap verder wil strafbaar stellen, dan volstaat
de voorgestelde definitie ervan niet – zoals trouwens ook
de procureurs-generaal hebben aangegeven. Hierdoor
beschikt het parket niet over voldoende mogelijkheden
om pooierschap en uitbuiting afdoende aan te pakken.
Bovendien strookt deze definitie niet met onze interna
tionale verplichtingen, onder meer overeenkomstig het
Verdrag van de Verenigde Naties van 1949 inzake de
afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie
van prostitutie van anderen. Het komt er dus op aan de
definitie van pooierschap scherp te stellen, zodat de
slachtoffers afdoende beschermd worden en tevens
wordt tegemoet gekomen aan de vraag naar een sociaal
statuut voor sekswerkers.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) verzet zich tegen de
bewoordingen in de definitie van pooierschap in artikel 76
‘buiten de gevallen die de wet bepaalt’: de memorie van
toelichting verwijst hiervoor naar een toekomstige speci
fieke wet, wat uiteindelijk de mogelijkheid zou scheppen
om pooierschap op zich te legaliseren – iets wat volledig
CHAPITRE 2
La prostitution d’un majeur
Art. 75
Cet article prévoit l’insertion, dans le même Code,
d’un chapitre IIIbis/1 intitulé “De l’abus de la prostitution”.
Selon Mme Sophie De Wit (N-VA), le projet de loi vise à
éviter le chevauchement entre, d’une part, les dispositions
qui concernent les infractions liées à la prostitution, et,
d’autre part, les dispositions relatives à la traite d’êtres
humains; le projet vise en outre à dépénaliser un certain
nombre d’infractions. Cette approche nuit toutefois à la
clarté du propos, si bien que ce qui est punissable ou ne
l’est pas n’apparaît pas clairement. En outre, en dépit
des modifications apportées, des chevauchements sub
sistent. C’était d’ailleurs également une préoccupation
du Collège des procureurs généraux. Le ministre peut-il
indiquer précisément ce qui est légalisé? Qu’en est-il
par exemple des personnes qui exploitent une maison
de rendez-vous avec vitrine? Est-ce toujours punissable
ou non? Cette qualification a des conséquences très
importantes.
Mme Vanessa Matz (CDH) souligne l’importance de
cette section du projet, qui a d’ailleurs déjà été modifiée
à trois reprises. Il est vrai qu’une partie importante des
travailleurs du sexe réclame un statut social, mais d’un
autre côté, cela nécessite, sur le plan du droit pénal, une
intervention qui affaiblit encore davantage la position des
victimes d’exploitation. Le ministre doit être clair: s’il veut
effectivement continuer à incriminer le proxénétisme, la
définition proposée n’est pas suffisante - comme l’ont
d’ailleurs indiqué les procureurs généraux. Cette défi
nition ne donne assez de possibilités au parquet pour
lutter efficacement contre le proxénétisme et l’exploi
tation. En outre, cette définition n’est pas conforme à
nos obligations internationales, notamment au regard
de la Convention des Nations unies de 1949 pour la
répression de la traite des êtres humains et de l’exploi
tation de la prostitution d’autrui. Il conviendrait dès lors
de renforcer la définition du proxénétisme, de manière
à offrir une protection adéquate aux victimes, tout en
répondant à la demande de statut social émanant des
travailleurs du sexe.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) s’oppose à la formulation
de la définition du proxénétisme proposée à l’article 76
“hors les cas prévus par la loi”: l’exposé des motifs ren
voie à une future loi spécifique à ce sujet, ce qui créerait
finalement la possibilité de légaliser le proxénétisme en
soi - ce qui serait totalement contraire à nos obligations
2141/006
DOC 55
108
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
indruist tegen onze verplichtingen overeenkomstig
internationale verdragen, zoals ook aangehaald door
het College van procureurs-generaal en de Stichting
Samilia. Ook de notie ‘het nastreven van een abnormaal
economisch voordeel of elk ander abnormaal voordeel
‘ (art. 79) is onwerkbaar, iets wat trouwens nu al blijkt
uit de moeizame vervolging van onroerend pooierschap
(verhuur van lokalen voor prostitutiedoeleinden).
Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich hierbij aan: de
definitie zwakt de notie van pooierschap af, het ware
veel beter geweest om alle gevallen van pooierschap
exhaustief in de definitie op te nemen en geen ruimte
te laten voor vaagheid.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vreest dat de in
amendement nr. 79 voorgestelde wijziging sekswerkers
in de schijnzelfstandigheid zal doen belanden, aangezien
de definitie geen ruimte laat voor een gezagsrelatie wat
een statuut van werknemer uitsluit.
De minister stelt dat het huidige artikel 380 van het
Strafwetboek, dat elke derde partij criminaliseert, seks
werkers afhankelijk maakt van willekeur. Dit maakt
bijvoorbeeld een boekhouder, een bank of een advo
caat van een sekswerker strafbaar en dit leidt tot veel
rechtsonzekerheid. Vandaar de schrapping van dit ar
tikel. Voorts heeft het College van procureurs-generaal
inderdaad de noodzaak benadrukt om elke overlapping
tussen incriminatie van mensenhandel en seksueel
strafrecht te vermijden. Bovendien sluit een vervolging
op basis van art. 380 de kwalificatie ‘mensenhandel’
uit. Dat is ook het nadeel van de bewoordingen van
amendement nr. 69. Anderzijds bestaat er natuurlijk
wel misbruik van prostitutie. Het wetsontwerp poogt
deze nuance te vatten. Het risico op misbruik is voor
sekswerkers tevens groter in een gezagsrelatie dan als
zelfstandige, waar een grotere mate van vrijheid bestaat
(cf. de vier fundamentele vrijheden van sekswerkers
vermeld in de toelichting bij amendement nr. 79). Daarom
sluit het wetsontwerp een gezagsrelatie uit, ‘behalve in
de gevallen die de wet bepaalt’. Dit laatste zal verfijnd
worden in een latere wet; in afwachting blijft de huidige
wet vanzelfsprekend gelden.
Wat betreft rendez-vous huizen, dit is een zeer ruim
begrip en de vraag rijst wat strafbaar is. Indien het om
louter verhuur gaat aan sekswerkers, is dit niet langer
strafbaar. Bij uitbating geldt een onderscheid: indien het
om louter zelfstandige sekswerkers gaat, dan kan dit;
indien het daarentegen om een georganiseerde prostitutie
gaat met uitbating door een werkgever of door iemand
die geen sekswerker is, dan blijft dit strafbaar. Overigens
en vertu des traités internationaux, comme l’ont égale
ment évoqué le Collège des procureurs généraux et la
Fondation Samilia. De même, la notion de recherche
d’un “avantage anormal économique ou [de] tout autre
avantage anormal” (article 79) est inapplicable, ce qui
ressort déjà de la difficulté de poursuivre le proxénétisme
immobilier (location de locaux à des fins de prostitution).
Mme Katleen Bury (VB) souscrit au point de vue de
l’intervenante précédente: la définition proposée affaiblit
la notion de proxénétisme. Il aurait été préférable d’inclure
dans la définition tous les cas de proxénétisme et de ne
laisser aucune place à l’imprécision.
Mme Sophie De Wit (N-VA) craint que la modification
proposée dans l’amendement n° 79 n’ait pour effet de
pousser les travailleurs du sexe vers le statut de “faux
indépendant”, étant donné que la définition ne laisse
aucune place à une relation d’autorité, ce qui exclut le
statut de travailleur salarié.
Le ministre explique que l’actuel article 380 du Code
pénal, qui criminalise toute tierce partie, rend les travail
leurs du sexe dépendants de l’arbitraire. C’est ainsi par
exemple qu’un comptable, une banque ou un avocat
d’un travailleur du sexe est punissable, ce qui génère
une grande insécurité juridique. D’où la suppression
de cet article. Par ailleurs, le Collège des procureurs
généraux a effectivement souligné la nécessité d’éviter
tout chevauchement entre l’incrimination de la traite
d’êtres humains et le droit pénal sexuel. En outre, toute
poursuite fondée sur l’article 380 exclut la qualification
de “traite d’êtres humains”. C’est également l’inconvé
nient de la formulation de l’amendement n° 69. D’autre
part, il est évident que l’abus de la prostitution existe.
Le projet de loi s’efforce de rendre compte de cette
nuance. Pour les travailleurs du sexe, le risque d’abus
est plus grand dans le cadre d’une relation d’autorité
qu’en tant qu’indépendant, cadre dans lequel il existe
un plus grand degré de liberté (voir les quatre libertés
fondamentales des travailleurs du sexe mentionnées
dans la justification de l’amendement n° 79). C’est la
raison pour laquelle le projet de loi exclut une relation
d’autorité, “sauf dans les cas prévus par la loi”, ce qui
sera précisé dans une loi ultérieure. Entre-temps, la loi
actuelle reste bien entendu en vigueur.
Quant aux maisons de rendez-vous, il s’agit d’un
concept très large et la question se pose de savoir ce
qui est punissable. S’il s’agit simplement de les louer à
des travailleurs du sexe, ce n’est plus punissable. Une
distinction s’applique à l’exploitation: si elle ne concerne
que des travailleurs du sexe indépendants, elle est auto
risée; si, en revanche, il s’agit de prostitution organisée
avec exploitation par un employeur ou par une personne
109
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
viseert ‘het bekomen van een voordeel’ uiteraard niet
de derden met wie een sekswerker op normale wijze
samenwerkt en wat niet de organisatie van prostitutie
betreft (bv. boekhouder of verhuurder).
Amendement nr. 69 van mevrouw Matz behoudt de
ongewenste overlapping met mensenhandel en verhindert
ook de samenwerking van zelfstandige sekswerkers op
één plaats doordat het verhuur met het oog op prostitutie
door een derde strafbaar stelt. Het amendement nr. 69
is niet coherent.
Het wetsontwerp is helemaal niet in strijd met het
Verdrag van New York van 1950, aangezien pooierschap
strafbaar blijft en het ook voldet aan de geest van dit
Verdrag, dat streeft naar het bannen van mensenhandel
en uitbuiting. Vaak wordt het betreffende artikel 2 van
dat Verdrag trouwens te eng geïnterpreteerd.
De minister merkt verder op dat een federale magis
traat bevoegd voor mensenhandel, zijn tevredenheid
over voorliggend wetsontwerp heeft uitgedrukt omdat
het een duidelijk onderscheid maakt tussen mensen
handel en sekswerkers, ten gunste van slachtoffers van
mensenhandel.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst op de tegenspraak
in het eerste streepje, dat de organisatie van prostitutie
strafbaar stelt, ‘behalve in de gevallen die de wet bepaalt’;
aangezien die wet er echter nog niet is, zijn die gevallen
uiteraard onbekend. Dit leidt tot grote onduidelijkheid
en is een schending van het legaliteitsprincipe – wat er
ook in de toelichting mag staan. Ook de bewoordingen
in het eerste streepje zijn onduidelijk: wat is ‘organise
ren’, hoe ver reikt ‘een voordeel’? Wie bijvoorbeeld een
huis inricht met een vitrine en achterliggende kamers,
organiseert toch duidelijk prostitutie van een ander en
valt dus onder deze strafbepaling?
De heer Koen Geens (CD&V) stelt dat de decrimi
nalisering bevrijdend is voor sekswerkers. Het huidige
gedoogbeleid biedt anderzijds echter wel een zekere
veiligheid en vandaar de toevoeging ‘in de gevallen
die de wet bepaalt’, zodat sekswerkers er kunnen op
vertrouwen dat ze in de toekomst, na decriminalisering,
binnen een ander, duidelijk, kader zullen kunnen werken
dan het huidige.
De heer Khalil Aouasti (PS) ziet in de uiteenzetting van
mevrouw De Wit geen tegenspraak met het voorstel van
de meerderheid. Op heden bestaat er een gedoogbeleid
tegenover sekswerkers maar dit betekent geen erkenning
qui n’est pas un travailleur du sexe, elle reste punis
sable. Du reste, le fait de “retirer un avantage” n’inclut
évidemment pas les tiers avec lesquels un travailleur
du sexe coopère de manière normale et qui ne sont
pas impliqués dans l’organisation de la prostitution (par
exemple, un comptable ou un propriétaire).
L’amendement n° 69 de Mme Matz conserve le che
vauchement indésirable avec la traite des êtres humains
et empêche également que les personnes qui se pros
tituent sous statut d’indépendant coopèrent en un seul
endroit en incriminant la location par un tiers à des fins
de prostitution. L’amendement n° 69 n’est pas cohérent.
Le projet de loi n’est absolument pas contraire à la
Convention de New York de 1950, étant donné que le
proxénétisme reste punissable, et il est en outre conforme
à l’esprit de cette Convention, qui vise à bannir la traite
et l’exploitation des êtres humains. L’article 2 de cette
Convention est en effet souvent interprété de manière
trop restrictive.
Le ministre note en outre que le magistrat fédéral
en charge de la traite des êtres humains a exprimé sa
satisfaction à l’égard du projet de loi à l’examen, dans
la mesure où il établit une distinction claire entre la traite
des êtres humains et les travailleurs du sexe, en faveur
des victimes de la traite des êtres humains.
Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne une contradic
tion dans le premier tiret, qui rend l’organisation de la
prostitution punissable, “sauf dans les cas prévus par
la loi;”; or, comme il n’existe pas encore de loi de ce
type, ces cas sont bien sûr inconnus. Cela génère une
grande ambiguïté et viole le principe de légalité - quoi que
puisse mentionner l’exposé des motifs. La formulation
du premier tiret n’est pas claire non plus: que signifie
“organiser”, jusqu’où va “un avantage”? Par exemple,
quelqu’un qui aménage une maison avec une vitrine et
des chambres à l’arrière organise clairement la prosti
tution d’autrui: tombe-t-elle donc sous le coup de cette
disposition pénale?
M. Koen Geens (CD&V) soutient que la décriminalisa
tion est libératrice pour les travailleurs du sexe. L’actuelle
politique de tolérance offre toutefois une certaine sécurité,
d’où l’ajout de la mention “dans les cas prévus par la
loi”, afin que les travailleurs du sexe puissent être sûrs
qu’à l’avenir, après la décriminalisation, ils pourront
travailler dans un cadre clair et différent de celui qui
existe actuellement.
M. Khalil Aouasti (PS) ne voit pas, dans l’exposé de
Mme De Wit, de contradiction avec la proposition de la
majorité. Actuellement, il existe une politique de tolérance
à l’égard des travailleurs du sexe, mais cela ne signifie
2141/006
DOC 55
110
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van hun sociaal statuut. De nieuwe regeling moet toe
laten dat personen die dat wensen, zich als zelfstandig
sekswerker vestigen; tegelijk moet men echter verzekeren
dat sekswerkers in een gezagsrelatie toch de nodige
sociaalrechterlijke bescherming kunnen genieten, zelfs
als hun tewerkstelling uit hoofde van de activiteit van de
werkgever, onwettig zou zijn. Wat betreft het organiseren
van de prostitutie van een ander, dit is quasi gelijklopend
met het huidige artikel 380 § 1 4° van het Strafwetboek,
dat echter niet voorziet in ‘behalve in de gevallen die de
wet bepaalt’; dit moet net toelaten een sluitend wettelijk
kader te creëren waarbinnen sekswerkers in de toekomst
hun werk kunnen organiseren al dan niet zelfstandig of
in dienstverband. De bewoordingen van het oorspron
kelijke ontwerp werden in de amendementen gewijzigd
teneinde te vermijden dat er overlapping zou zij met
de wetgeving inzake mensenhandel en de slachtoffers
ervan daardoor minder bescherming zouden genieten.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) merkt op dat de VN-
overeenkomst van 1949 ter bestrijding van de handel in
mensen en van de exploitatie van eens anders prostitutie
duidelijk is en alle vormen van souteneurschap strafbaar
stelt, zelfs indien die persoon toestemt; het wetsontwerp
maakt dit echter afhankelijk van een nog nader te be
palen wettelijk kader, wat tot rechtsonzekerheid leidt.
Voorts blijft ook de notie ‘abnormaal economisch of gelijk
welk ander abnormaal voordeel uit het aanbieden van
seksuele diensten’ onduidelijk.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt dat er, ondanks
de amendementen, nog zoveel onzekerheid bestaat
omtrent de aangekondigde specifieke wet die de uit
zonderingsgevallen zal bepalen, wat het onmogelijk
maakt om nu te kunnen beslissen over wat voorligt.
Er moet eerst zekerheid zijn dat deze bepalingen de
vervolging van prostitutie-uitbatingen nog afdoende
mogelijk maken. Zou het dan niet beter zijn om de be
handeling van dit hoofdstuk te bevriezen in afwachting
van de aangekondigde specifieke wet? Momenteel kan
hierover niet met de noodzakelijke kennis van zaken
geoordeeld worden. Bijkomend vraagt mevrouw Matz
om over de amendementen nrs. 71 tot 75, 79 en 80 het
College van procureurs-generaal te raadplegen evenals
de verenigingen die begaan zijn met mensenhandel,
inz. Samilia. Dit is redelijk, aangezien de inhoud van de
amendementen tijdens de hoorzittingen vanzelfsprekend
nog niet gekend was.
De heer Ben Segers (Vooruit) stelt dat de amende
menten nrs. 71 tot 75, 79 en 80 een grote verbetering
uitmaken van het oorspronkelijke wetsontwerp en een
noodzakelijke beperking uitmaken van de overlapping
met mensenhandel. De nieuwe teksten nemen het belang
van de sekswerker als uitgangspunt en aanvaarden dit
pas que leur statut social est reconnu. La nouvelle
réglementation doit permettre à ceux qui le souhaitent
de s’établir comme travailleurs du sexe indépendants;
dans le même temps, il convient toutefois de veiller à
ce que les travailleurs du sexe qui se trouvent dans une
relation d’autorité puissent continuer à bénéficier de la
protection sociale nécessaire, même si leur emploi est
illégal en raison de l’activité de l’employeur. Quant à
l’organisation de la prostitution d’une autre personne,
elle est presque identique à l’actuel article 380, § 1er,
4°, du Code pénal, qui ne prévoit toutefois pas la men
tion “sauf dans les cas prévus par la loi”; celle-ci vise
précisément à créer un cadre juridique exhaustif dans
lequel les travailleurs du sexe pourront organiser leur
travail à l’avenir, qu’ils soient indépendants ou salariés.
La formulation du projet initial a été modifié dans les
amendements afin d’éviter tout chevauchement avec
la législation relative à la traite des êtres humains, et
donc de ne pas réduire la protection de ses victimes.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) note que la Convention
des Nations unies de 1949 pour la répression de la traite
des êtres humains et de l’exploitation de la prostitution
d’autrui incrimine clairement toute forme de proxénétisme,
même si la personne est consentante; cependant, le
projet de loi soumet cette activité à un cadre juridique
qui reste à définir, ce qui crée une insécurité juridique.
En outre, la notion d’ “avantage anormal économique
ou tout autre avantage anormal” reste également floue.
Mme Vanessa Matz (cdH) indique que, malgré les
amendements, la même incertitude entoure la loi spé
cifique annoncée qui déterminera les exceptions, ce qui
empêche de statuer sur les dispositions actuellement
à l’examen. Il faut d’abord avoir la certitude que ces
dispositions permettent toujours de poursuivre effica
cement l’exploitation de la prostitution. Ne serait-il pas
préférable de geler la discussion de ce chapitre dans
l’attente de la loi spécifique annoncée? Pour l’instant,
il n’est pas possible de se prononcer en connaissance
de cause. Mme Matz demande par ailleurs de consulter
le Collège des procureurs sur les amendements 71 à
75, 79 et 80, ainsi que les associations actives dans le
domaine de la traite des êtres humains, en particulier
Samilia. C’est une requête raisonnable, car le contenu
des amendements n’était évidemment pas encore connu
lors des auditions.
M. Ben Segers (Vooruit) indique que les amendements
nos 71 à 75, 79 et 80 améliorent grandement le projet de
loi initial et limitent à juste titre le chevauchement avec
la traite d’êtres humains. Les nouveaux textes prennent
pour point de départ les intérêts des travailleurs du
sexe et acceptent également cette activité comme une
111
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ook als een normale activiteit waarvoor weliswaar gelet
op de risico’s wel specifieke regels moeten gelden. De
aangekondigde specifieke wet moet de organisatie van
sekswerk verder in detail regelen en moet snel realiteit
worden. De nieuwe regeling betekent een grote stap
vooruit voor zelfstandige sekswerkers die zullen kun
nen genieten van volwaardige juridische bescherming.
Kan de minister toelichten hoe hij de eerste-lijndiensten
(inspectie, politie…) zal betrekken bij de inwerkingtreding
van de nieuwe wet, opdat er continuïteit in hun optreden
zou zijn?
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) stelt dat amen
dement nr. 79 een aanzienlijke verbetering betekent
tegenover de oorsprongelijke tekst van art. 76 van het
wetsontwerp; het maakt een duidelijk onderscheid tussen
misdrijven van prostitutie en van mensenhandel en leidt
tot een betere juridische bescherming van sekswerkers.
Het amendement laat een ruime toepassing toe en
de aangekondigde specifieke wet zal toelaten aan de
sekswerkers een specifiek sociaalrechterlijk statuut op
maat toe te kennen wat een einde zal maken aan hun
huidige precaire situatie.
Mevrouw Nathalie Gilson (MR) wijst erop dat wat
haar fractie betreft de activiteit van sekswerker idealiter
een zelfstandig statuut vereist. Dit biedt echter minder
sociaalrechterlijke bescherming dan dat van een loontrek
kende. Vandaar dat de MR-fractie al jaren ijvert voor een
opwaardering van het zelfstandigenstatuut. In België is
niet prostitutie maar pooierschap strafbaar. In de mate
dat pooiers optreden als werkgever is er tegenover hen
een zekere mate van tolerantie. De uitzonderingen in de
aangekondigde specieke wet moeten minimaal zijn en
strikt gecontroleerd worden; de minister moet hiertoe
de nodige middelen voorzien voor politie en parketten
opdat een loontrekkende van dezelfde mate van zelf
beschikking zou kunnen genieten als een zelfstandige.
Bijkomend moet men in overleg met de gewesten de
nodige bijkomende middelen voorzien opdat personen
die uit de prostitutie wensen te stappen dit ook daad
werkelijk zouden kunnen doen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) verwijst naar de
tussenkomst van de heer Segers: de overlapping met
mensenhandel zal stellig niet volledig verdwijnen met
de nieuwe wet. Dan blijft ook de vraag of ‘huur’, moet
aangemerkt worden als een gewoon voordeel of als
een abnormaal voordeel? Ondanks de toelichting van
amendement nr. 79 blijft dit een vaag gegeven. Moet er
niet in beide streepjes van art. 76 sprake zijn van een
abnormaal voordeel?
activité normale, qui doit certes être soumise à des règles
spécifiques compte tenu des risques. La loi spécifique
annoncée doit réglementer plus en détail l’organisation
du travail du sexe et doit rapidement devenir une réalité.
La nouvelle réglementation constituera un grand pas
en avant pour les travailleurs du sexe indépendants,
qui pourront bénéficier d’une protection juridique à part
entière.
Le ministre peut-il expliquer comment il va associer
les services de première ligne (inspection, police…) à
la mise en œuvre de la nouvelle loi, afin qu’il y ait une
continuité dans leurs actions?
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) indique que l’amen
dement n° 79 constitue une amélioration notable par
rapport au texte initial de l’article 76 du projet de loi;
il opère une distinction claire entre les infractions de
prostitution et de traite d’êtres humains et conduit à une
meilleure protection juridique des travailleurs du sexe.
L’amendement permet une application large et la loi spé
cifique annoncée permettra d’accorder aux travailleurs
du sexe un statut social spécifique sur mesure, ce qui
mettra fin à leur situation précaire actuelle.
Mme Nathalie Gilson (MR) souligne que, pour son
groupe, l’activité de travailleur du sexe nécessite idéale
ment un statut d’indépendant. Celui-ci offre cependant
une moins grande protection en matière de droits sociaux
que celui de salarié. C’est pourquoi le groupe MR œuvre
depuis des années en faveur d’une revalorisation du statut
d’indépendant. En Belgique, ce n’est pas la prostitution
mais le proxénétisme qui est punissable. Dans la mesure
où les proxénètes agissent comme des employeurs, il
existe un certain degré de tolérance à leur égard. Les
exceptions dans la loi spéciale annoncée doivent être
minimales et strictement contrôlées; le ministre doit
prévoir à cette fin les moyens nécessaires pour la police
et les parquets afin qu’un salarié puisse jouir du même
degré d’autodétermination qu’un indépendant. En outre,
en concertation avec les régions, il convient de prévoir
les moyens supplémentaires nécessaires pour que les
personnes qui souhaitent sortir de la prostitution puissent
effectivement le faire.
Mme Sophie De Wit (N-VA) se réfère à l’intervention
de M. Segers: le chevauchement avec la traite d’êtres
humains ne disparaîtra certainement pas complètement
avec la nouvelle loi. La question se pose également
de savoir si le “loyer” doit être considéré comme un
avantage normal ou anormal? Malgré la justification de
l’amendement n° 79, cet élément reste vague. Ne doit-il
pas être question d’un avantage anormal dans les deux
tirets de l’article 76?
2141/006
DOC 55
112
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De minister wijst erop dat dit toelaat dat er een werk
gever-werknemerrelatie kan ontstaan in het kader van
sekswerk (eerste streepje, ‘normaal’); het abnormale
voordeel in het tweede streepje verwijst naar misbruik
waarbij bijvoorbeeld een huis wordt verhuurd voor een
excessieve prijs, of waarbij een boekhouder zich in
natura laat betalen door de sekswerker.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) repliceert dat de
vaagheid blijft bestaan en dat er veel te veel toelichting
vereist is. Daarom vraagt mevrouw De Wit hierover
alsnog een schriftelijk advies te vragen aan het College
van procureurs-generaal. De aankondiging van een
specifieke wet die uitzonderingen moet omschrijven,
is geen goede wetgeving. Het zou veel beter zijn alles
in één pakket aan te pakken ofwel de inwerkingtreding
van dit hoofdstuk op te schorten tot de inwerkingtreding
van die specifieke wet.
De minister is het daar niet mee eens, het gaat hier
om de bescherming van de rechten van sekswerkers
die steeds tussen de mazen van het net vallen. De nood
hieraan bleek trouwens ook uit de persoonlijke getuige
nissen van sekswerkers. Het voorliggende wetsontwerp
is een stap vooruit voor zelfstandige sekswerkers; wat
betreft loontrekkenden blijft voorlopig alles bij het oude,
in afwachting van de aangekondigde specifieke wet die
de voorwaarden zal bepalen. Dit wordt een belangrijk
parlementair debat waarbij de vrijheden en rechten van
sekswerkers centraal zullen staan. Dit wetsontwerp maakt
komaf met het hypocriete gedoogbeleid en laat toe dat
het parket kordaat kan optreden tegen zowel prostitutie
als mensenhandel, dankzij het duidelijke onderscheid
tussen beide gemaakt.
Overigens is de formulering ‘behalve in de gevallen
die de wet bepaalt’ niet zo uitzonderlijk als hier door
sommigen beweerd wordt, zo zijn er legio bepalingen
in het Strafwetboek.
De minister hoopt de specifieke wet klaar te hebben
tegen de zomer 2022; deze wet zal meer omvatten dan
louter strafbepalingen en vergt dus een multidisciplinaire
aanpak.
Wat betreft de vraag van mevrouw De Wit over de
inrichting van een huis voor prostitutie, merkt de minister
op dat het oogmerk is om de activiteiten van derden die
niet tot doel hebben prostitutie te organiseren, niet te
criminaliseren.
De voorliggende materie is inderdaad zeer complex
omdat sekswerk een complexe activiteit is die een
bijzondere wettelijke aanpak vergt. De voorliggende
amendementen getuigen er trouwens van dat er terdege
Le ministre souligne que cela permet de créer une
relation employeur-employé dans le cadre du travail du
sexe (premier tiret, “normal”); l’avantage anormal du
deuxième tiret concerne l’abus lorsque, par exemple, un
logement est loué à un prix excessif ou lorsqu’un comp
table se fait payer en nature par le travailleur du sexe.
Mme Sophie De Wit (N-VA) répond que le flou demeure
et que cela requiert beaucoup trop de commentaires.
C’est pourquoi Mme De Wit demande que l’on demande
l’avis écrit du Collège des procureurs généraux sur ce
point. L’annonce d’une loi spécifique qui doit définir les
exceptions n’est pas une bonne façon de légiférer. Il
serait beaucoup plus judicieux de tout traiter en une seule
fois ou de suspendre l’entrée en vigueur de ce chapitre
jusqu’à l’entrée en vigueur de cette loi spécifique.
Le ministre ne partage pas cet avis, la question ici
est de protéger les droits des travailleurs du sexe qui
continuent de passer entre les mailles du filet. Cette
nécessité est d’ailleurs également apparue lors des
témoignages personnels des travailleurs du sexe. Le
projet de loi à l’examen constitue une avancée pour les
travailleurs du sexe indépendants; pour les salariés, tout
reste inchangé pour le moment, en attendant la loi spé
cifique annoncée qui fixera les conditions. Il s’agira d’un
débat parlementaire important dans lequel les libertés
et les droits des travailleurs du sexe occuperont une
place centrale. Ce projet de loi met fin à une politique de
tolérance empreinte d’hypocrisie et permettra au parquet
d’intervenir fermement tant contre la prostitution que
contre la traite d’êtres humains, grâce à la distinction
clairement établie entre les deux.
D’ailleurs, la formule “sauf dans les cas prévus par
la loi” n’est pas aussi exceptionnelle que certains le
prétendent; on la trouve à moult reprises dans le Code
pénal.
Le ministre espère pouvoir finaliser cette loi spécifique
d’ici à l’été 2022; cette loi ne comprendra pas seule
ment des dispositions pénales et nécessitera donc une
approche pluridisciplinaire.
En ce qui concerne la question de Mme De Wit rela
tive à l’aménagement d’une maison de prostitution, le
ministre souligne que l’objectif n’est pas de criminaliser
les activités de tiers qui n’ont pas pour objet d’organiser
la prostitution.
La matière à l’examen est effectivement d’une grande
complexité, car le travail du sexe est une activité complexe
qui requiert une approche légale particulière. Il ressort du
reste des amendements à l’examen que les avis rendus
113
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
rekening werd gehouden met de adviezen gegeven
tijdens de hoorzittingen. Nogmaals een advies vragen
is dan ook overbodig. Er kan ook geen sprake van zijn
hoofdstuk 2 uit het wetsontwerp te tillen , aangezien
dat zelfstandige sekswerkers in de kou zou laten staan.
De eerste lijnsdiensten werden nauw bij de voorbe
reiding van het wetsontwerp betrokken. De minister
heeft zich er ook toe verbonden om de centra voor
mensenhandel financieel bij te staan om sekswerkers
te begeleiden die uit het beroep willen stappen. De
periodes van lockdown hebben overigens overduidelijk
aangetoond dat het bestaande gedoogbeleid uiterst
nefast is voor de sekswerkers.
Mevrouw Katleen Bury (VB) stelt vast dat de teksten
nog steeds onduidelijk zijn en niet rijp zijn om gestemd
te worden.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) benadrukt dat haar
fractie de werkzaamheden geenszins wil vertragen en
evenmin tornen aan het statuut van zelfstandige werk
nemers. Overigens blijft onduidelijk in welke mate de
voorliggende tekst sekswerkers onder zelfstandig statuut
beter zou beschermen dan nu al het geval is. Vandaar
de noodzaak om de tekst te bevriezen in afwachting van
de aangekondigde specifieke wet teneinde tegemoet te
komen aan de noodzaak van een statuut verschillend
van dat van zelfstandige en tevens ter bescherming
van de slachtoffers van misbruik. Het is onduidelijk hoe
dat met voorliggende tekst het geval zou zijn. Dat het
College van procureurs-generaal politieke uitspraken
zou doen, klopt niet; het komt erop aan te weten of het
parket misbruiken nog kan vervolgen of niet met de
bepalingen van het voorliggende wetsontwerp, zodat
de slachtoffers beschermd zijn. Vandaar de noodzaak
van een schriftelijk advies.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dringt eveneens aan
op een advies van het College van procureurs-generaal,
wat perfect mogelijk is in afwachting van de tweede
lezing. Het huidige wetsontwerp mag dan al een voor
uitgang betekenen voor sekswerkers onder zelfstandig
statuut maar dit gaat tegelijk ten koste van alle andere
slachtoffers van misbruik. Het komt erop aan een globale
oplossing te bereiken.
De minister wijst erop dat het wetsontwerp ook voor
zelfstandigen wel degelijk zaken verandert doordat
derden die met hen samenwerken niet langer op basis
van artikel 380 SW gecriminaliseerd worden.
Het College van procureurs-generaal heeft destijds
inderdaad gepleit voor het behoud van art. 380 SW en
ze werden daarin niet gevolgd. Op dat punt is er intussen
lors des auditions ont été dûment pris en compte. Il est
donc inutile de demander de nouveaux avis. Il n’est pas
non plus question de supprimer le chapitre 2 du projet
de loi, car cela reviendrait à abandonner les travailleurs
du sexe indépendants à leur sort.
Les services de première ligne ont été étroitement
associés à la préparation du projet de loi à l’examen. Le
ministre s’est par ailleurs engagé à fournir aux centres
d’assistance aux victimes de traite des êtres humains
une aide financière destinée à accompagner les travail
leurs du sexe qui souhaitent quitter la profession. Les
périodes de confinement ont montré très clairement
que la politique de tolérance existante est extrêmement
néfaste pour les travailleurs du sexe.
Mme Katleen Bury (VB) constate que les textes
manquent toujours de clarté et qu’ils ne sont pas suffi
samment mûrs pour être votés.
Mme Vanessa Matz (cdH) souligne que son groupe n’a
nullement l’intention de ralentir les travaux ni de toucher
au statut des travailleurs indépendants. D’ailleurs, on ne
voit toujours pas clairement dans quelle mesure le texte
actuel protégerait mieux les travailleurs du sexe sous
le statut d’indépendant qu’ils ne le sont déjà. D’où la
nécessité de geler le texte en attendant la loi spécifique
annoncée, afin de répondre à la nécessité d’un statut
différent de celui des indépendants et aussi de protéger
les victimes d’abus. La membre ne perçoit pas claire
ment comment cela pourrait être le cas avec le texte à
l’examen. Il est inexact d’affirmer que les déclarations
du Collège des procureurs généraux seraient d’ordre
politique; il convient de savoir si le parquet peut encore
poursuivre ou non les abus au regard des dispositions
du projet de loi à l’examen, afin que les victimes soient
protégées. D’où la nécessité d’un avis écrit.
Mme Sophie De Wit (N-VA) insiste également pour
obtenir un avis du Collège des procureurs généraux, ce
qui est parfaitement possible en attendant la deuxième
lecture. Le projet de loi actuel représente peut-être
un progrès pour les travailleurs du sexe sous statut
indépendant, mais il le fait au détriment de toutes les
autres victimes d’abus. Il est important de parvenir à
une solution globale.
Le ministre souligne que le projet de loi change éga
lement la donne pour les indépendants, puisque les tiers
qui coopèrent avec eux ne sont plus incriminés sur la
base de l’article 380 de la loi.
À l’époque, le Conseil des procureurs généraux a
effectivement plaidé en faveur du maintien de l’article 380
du Code pénal, et il n’a pas été suivi. Rien n’ayant changé
2141/006
DOC 55
114
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
niets veranderd en hen nogmaals bevragen heeft der
halve geen zin aangezien zij hun standpunt niet zullen
wijzigen. Overigens werden ook de parketten betrokken
en deze zijn positief.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herhaalt dat men
senhandel en prostitutie in één geheel moeten worden
aangepakt wenst men lacunes te vermijden.
Het verzoek van mevrouw Sophie De Wit (N-VA) om
over de amendementen nrs. 71 tot 75, 79 en 80 het advies
van het College van procureurs-generaal in te winnen,
wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen.
Artikel 75 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stem
men en 1 onthouding.
Art. 76
Dit artikel strekt tot de invoeging van artikel 433quater
in hetzelfde Wetboek en gaat over het pooierschap.
Voor de bespreking van dit artikel wordt verwezen
naar de bespreking van artikel 75.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement
nr. 69 in (DOC 55 2141/004) dat ertoe strekt het ontwor
pen artikel 433quater/1 te vervangen. Het lid overloopt
de verantwoording van haar amendement.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 79
in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt in het voorgestelde
artikel 433quater/1, het eerste lid te vervangen. Mevrouw
Katja Gabriëls (Open Vld) overloopt de verantwoording
van haar amendement.
Amendement nr. 69 wordt verworpen met 11 stemmen
tegen 1 en 4 onthoudingen.
Amendement nr. 79 wordt aangenomen met 11 tegen
4 stemmen en 1 onthouding.
Het aldus geamendeerde artikel 76 wordt aangenomen
met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding.
Art. 77
Dit artikel strekt tot de invoeging van artikel 433qua
ter/2 in hetzelfde Wetboek en betreft het reclame maken
voor prostitutie.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 74
in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt In het voorge
stelde artikel 433quater/2, § 2, eerste lid te vervangen.
entre-temps sur ce point, il est inutile de l’interroger à
nouveau puisqu’ils ne changeront pas leur position. Par
ailleurs, les parquets ont également été associés, et ils
accueillent positivement la modification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que la traite des
êtres humains et la prostitution doivent être traitées
simultanément si l’on veut éviter d’éventuelles lacunes.
La demande de Mme Sophie De Wit (N-VA) visant
à recueillir l’avis du Collège des procureurs généraux
sur les amendements nos 71 à 75, 79 et 80, est rejetée
par 11 voix contre 5.
L’article 75 est adopté par 11 voix contre 4 et une
abstention.
Art. 76
Cet article vise l’insertion de l’article 43quater dans
le même Code et concerne le proxénétisme.
Pour la discussion de cet article, il est renvoyé à la
discussion de l’article 75.
Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n°69
(DOC 55 2141/004) tendant à remplacer l’article 433qua
ter/1, proposé. La membre en parcourt la justification.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n°79 (DOC 55 2141/005) tendant à remplacer
l’article 433quater/1, alinéa 1er, proposé. Mme Katja
Gabriëls (Open Vld) en parcourt la justification.
L’amendement n°69 est rejeté par 11 voix contre une
et 4 abstentions.
L’amendement n°79 est adopté par 11 voix contre 4
et une abstention.
L’article 76, ainsi modifié, est adopté par 11 voix contre
4 et une abstention.
Art. 77
Cet article, qui concerne la publicité pour la prostitution,
vise à insérer un article 433quater/2 dans le même Code.
Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen
dement n°74 (DOC 55 2141/005) tendant à remplacer
l’article 433quater/2, § 2, alinéa 1er, proposé. Mme Katja
115
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) geeft lezing van de
verantwoording van haar amendement.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat deze
amendering een inhoudelijke verbetering is; de uitzonde
ringen op het reclameverbod worden gepreciseerd wat
tegemoet komt aan een aantal opmerkingen gemaakt
tijdens de hoorzittingen. Mevrouw De Wit vraagt zich
af of de beperking tot reclame via een internet platform,
betekent dat straatprostitutie dan ook verboden wordt
aangezien dit als een niet toegelaten vorm van publiciteit
zou kunnen worden beschouwd?
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) vraagt wat precies
bedoeld wordt met de bewoordingen “behoudens in de
gevallen die de wet bepaalt”?
De minister verduidelijkt dat straatprostitutie nog
steeds onder de Gemeentewet valt; gemeenten kunnen
straatprostitutie nog steeds verbieden wegens strijdig
met de openbare orde. De bewoordingen ‘behoudens in
de gevallen die de wet bepaalt’ verwijzen naar artikel 76,
eerste streepje waar dezelfde uitzondering wordt voorzien
in gevallen van sekswerk in dienstverband.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) blijft van oordeel dat
de toepassing van de drie cumulatieve voorwaarden om
reclame te voeren een probleem zou kunnen vormen
voor straatprostitutie, aangezien dit uit de aard van de
activiteit zelf als publiciteit moet worden beschouwd.
Mevrouw Katleen Bury (VB) stelt dat het amendement
niet tegemoet komt aan de bezwaren geuit door de po
litie tijdens de hoorzittingen, omdat reclame via internet
niet toelaat te controleren wie achter de de advertenties
schuilgaat, inz. wanneer prostitutie plaatsvindt op een
niet voor het publiek toegankelijke plaats en er geen
concrete aanwijzing is van misbruik of uitbuiting.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) meent dat de derde
cumulatieve voorwaarde weinig geloofwaardig is, aan
gezien de aanbieders van dergelijke internet platformen
hierdoor een ruime eigen interpretatiemarge krijgen en
het bovendien de netwerken zelf zijn die deze reclame
voeren. Bovendien laat men dit reclameverbod alweer
afhangen van voorwaarden die nog niet gekend zijn.
De minister repliceert dat dit amendement tegemoet
komt aan de vraag van de vereniging van sekswerkers en
de centra voor slachtoffers van mensenhandel omdat er
een waarborg is tegen misbruiken aangezien aanbieders
van internet platformen deze actief moeten opsporen en
Gabriëls (Open Vld) donne lecture de la justification de
son amendement.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’amende
ment à l’examen apporte une amélioration de fond dès
lors qu’il tend à préciser les exceptions à l’interdiction
de publicité, ce qui donne suite à plusieurs observations
formulées au cours des auditions. Toutefois, Mme De Wit
se demande si la limitation de la publicité autorisée à la
publicité effectuée au moyen d’une plateforme internet
signifie par conséquent que la prostitution de rue sera
interdite, dès lors qu’elle pourrait être considérée comme
une forme illicite de publicité.
Mme Vanessa Matz (cdH) demande ce que l’on
entend exactement par l’expression “sauf lorsque la
loi le prévoit”.
Le ministre précise que la prostitution de rue relève
toujours du champ d’application de la loi communale,
les communes étant toujours habilitées à interdire la
prostitution de rue au motif qu’elle est contraire à l’ordre
public. L’expression “sauf lorsque la loi le prévoit” ren
voie à l’article 76, premier tiret, où la même exception
est prévue pour les travailleurs du sexe engagés sur la
base d’un contrat de travail.
Mme Sophie De Wit (N-VA) demeure persuadée que
l’application de trois conditions cumulatives permettant
de faire de la publicité pourrait s’avérer problématique
pour la prostitution de rue, dès lors que cette forme de
prostitution doit être considérée, par essence, comme
de la publicité.
Mme Katleen Bury (VB) indique que l’amendement à
l’examen ne répond pas aux inquiétudes exprimées par
la police lors des auditions, dès lors que la publicité sur
Internet ne permettra pas de vérifier qui se cache derrière
les annonces, en particulier lorsque la prostitution a lieu
dans un lieu non accessible au public et qu’il n’existe
pas d’indication concrète d’abus ou d’exploitation.
Mme Vanessa Matz (cdH) estime que la troisième
condition cumulative est peu crédible, dès lors qu’elle
laisse aux fournisseurs de ces plateformes en ligne
une grande marge d’interprétation personnelle et que,
de plus, ce sont les réseaux eux-mêmes qui font cette
publicité. En outre, cette interdiction de publicité est une
nouvelle fois subordonnée à des conditions qui ne sont
pas encore connues.
Le ministre répond que l’amendement à l’examen
répond à la demande de l’association des travailleurs
du sexe et des centres pour les victimes de la traite des
êtres humains, puisqu’il constitue une garantie contre les
abus dès lors que les fournisseurs de plateformes internet
2141/006
DOC 55
116
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
aangeven – een werkwijze die trouwens in de praktijk
reeds gangbaar is.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) meent dat artikel 77
onduidelijk geformuleerd is en interne tegenspraak bevat;
er valt niet uit te maken of het uitsluitend reclame via
internet platformen betreft of ook andere publiciteits
vormen. De toelichting van het amendement verwijst
trouwens naar reclamemateriaal op de openbare weg,
wat veel ruimer is.
De minister repliceert dat het advies van de raad
van State hierover ongetwijfeld klaarheid zal scheppen.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) dient amendement
nr. 87 in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt het ontwor
pen artikel 433quater/2, § 2, aan te vullen. Zij overloopt
vervolgens de verantwoording van haar amendement.
Amendement nr. 74 wordt aangenomen met met 14
stemmen en 2 onthoudingen.
Amendement nr. 87 wordt verworpen met 11 tegen 2
stemmen en 3 onthoudingen.
Het aldus geamendeerde artikel 77 wordt aangenomen
met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding.
Art. 78
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua
ter/3 in hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 75
(DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 78.
Het ligt in de bedoeling de woorden “exploitatie van de
prostitutie van een meerderjarige” te vervangen door
de woorden “het zich prostitueren als meerderjarige”.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 75 wordt aangenomen met 15 stem
men en 1 onthouding.
Art. 79
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua
ter/4 in hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 70
(DOC 55 2141/004) in, tot weglating van artikel 79. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
devront les rechercher et les dénoncer activement, une
méthode de travail qui est déjà courante en pratique.
Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que l’article 77
n’est pas formulé clairement et qu’il contient une contra
diction interne. En effet, on ne sait pas si cela concerne
exclusivement la publicité effectuée au travers de pla
teformes en ligne ou également d’autres formes de
publicité. Par ailleurs, la justification de l’amendement
renvoie au matériel publicitaire sur la voie publique, ce
qui est beaucoup plus large.
Le ministre réplique que l’avis du Conseil d’État fera
sans aucun doute la clarté à ce sujet.
Mme Sophie Rohonyi (DéFi) présente l’amende
ment n° 87 (DOC 55 2141/005) tendant à compléter
l’article 433quater/2, § 2, en projet. Elle parcourt ensuite
la justification de son amendement.
L’amendement n° 74 est adopté par 14 voix et 2
abstentions.
L’amendement n° 87 est rejeté par 11 voix contre 2
et 3 abstentions.
L’article 77, ainsi modifié, est adopté par 11 voix contre
4 et une abstention.
Art. 78
Cet article tend à insérer un article 433quater/3 dans
le même Code.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 75 (DOC 55 2141/005) qui tend à remplacer
l’article en vue de supprimer les mots “exploitation de la
prostitution d’un adulte” et de les remplacer par “inciter
un majeur à se prostituer”. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 75 est adopté par 15 voix et une
abstention.
Art. 79
Cet article tend à insérer un article 433quater/4 dans
le même Code.
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 70
(DOC 55 2141/004) qui vise à supprimer l’article. Il est
renvoyé à la justification.
117
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 72
(DOC 55 2141/005) in, tot weglating van artikel 79. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 70 wordt verworpen met 11 te
gen 4 stemmen en 1 onthouding.
Amendement nr. 72 wordt aangenomen met 15 stem
men en 1 onthouding.
Art. 80
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua
ter/5 in hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 71
(DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 80,
teneinde een duidelijk onderscheid te maken met de
bepalingen inzake mensenhandel. Er wordt verwezen
naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 88 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van
artikel 80, teneinde er uitdrukkelijk het begrip “men
senhandel” in op te nemen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat
de bewoordingen van amendement nr. 71 en de ver
antwoording ervan nog steeds een overlapping met de
mensenhandel bevatten.
De minister stipt aan dat het niet de bedoeling is alle
overlappingen uit te sluiten, maar wel ze zoveel mogelijk
te beperken. Het is belangrijk de kwetsbaarheid van het
slachtoffer voor verzwaard misbruik van prostitutie als
verzwarende omstandigheid te behouden, want er kun
nen gevallen zijn waar zulks niet onder mensenhandel
valt. Die moeten kunnen worden bestraft.
Amendement nr. 71 wordt aangenomen met 12 te
gen 3 stemmen en 1 onthouding.
Bijgevolg komt amendement nr. 88 te vervallen.
Art. 81
Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua
ter/6 in hetzelfde Wetboek.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 73
(DOC 55 2141/005) in, tot weglating van artikel 81, teneinde
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 72 (DOC 55 2141/005) qui tend à supprimer
l’article. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 70 est rejeté par 11 voix contre 4 et
une abstention.
L’amendement n° 72 est adopté par 15 voix et une
abstention.
Art. 80
Cet article tend à insérer un article 433quater/5 dans
le même Code.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 71 (DOC 55 2141/005) qui tend à rempla
cer l’article en vue de le démarquer des dispositions
concernant la traite des êtres humains. Il est renvoyé
à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 88 (DOC 55 2141/005) qui vise à remplacer
l’article pour y insérer explicitement la notion de traite
des êtres humains. Il est renvoyé à la justification.
Mme Sophie De Wit (N-VA) considère que les termes
repris dans l’amendement n° 71 et la justification
contiennent toujours un chevauchement avec la traite
des êtres humains.
Le ministre rappelle que l’intention est de limiter les
cas de chevauchements, pas de tous les exclure. Il est
important de maintenir comme circonstance aggravante
la vulnérabilité de la victime pour l’abus aggravé de la
prostitution, car il peut y avoir des cas sans que cela
ne constitue de la traite des êtres humains. Cela doit
pouvoir être puni.
L’amendement n° 71 est adopté par 12 voix contre 3 et
une abstention.
Par conséquent, l’amendement n° 88 est sans objet.
Art. 81
Cet article tend à insérer un article 433quater/6 dans
le même Code.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 73 (DOC 55 2141/005) qui tend à supprimer
2141/006
DOC 55
118
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de overlapping met mensenhandel zoveel mogelijk te
beperken. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende
ment nr. 89 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van
het artikel, teneinde er uitdrukkelijk het begrip “men
senhandel” in op te nemen. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
Amendement nr. 73 wordt aangenomen met 15 stem
men en 1 onthouding.
Bijgevolg vervalt amendement nr. 89.
Art. 82 tot 84
Over deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 82 tot 84 worden achtereenvolgens
aangenomen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding.
Art. 84/1 (nieuw)
Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 80
(DOC 55 2141/005) in, tot invoeging van een artikel 84/1,
teneinde te voorzien in een periodieke evaluatie van de
toepassing van de nieuwe bepalingen inzake prostitutie
twee jaar na de inwerkingtreding ervan, en vervolgens
om de vier jaar.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) hoopt dat de beloofde
wet er zal zijn tegen de eerste evaluatie in 2023, zo niet
is die bepaling zinloos.
De minister wijst erop dat hij ter zake snel voortgang
zal maken.
Amendement nr. 80 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van andere bepalingen
van het Strafwetboek
Art. 85 en 86
Over deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 85 en 86 worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
l’article en vue de limiter autant que possible le chevau
chement avec la traite des êtres humains. Il est renvoyé
à la justification.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende
ment n° 89 (DOC 55 2141/005) qui vise à remplacer
l’article pour y insérer explicitement la notion de traite
des êtres humains. Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 73 est adopté par 15 voix et une
abstention.
Par conséquent, l’amendement n° 89 est sans objet.
Art. 82 à 84
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 82 à 84 sont successivement adoptés
par 11 voix contre 4 et une abstention.
Art. 84/1 (nouveau)
Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amende
ment n° 80 (DOC 55 2141/005) qui tend à insérer un
article 84/1 en vue d’introduire une évaluation périodique
de l’application des nouvelles dispositions relatives à
la prostitution, après 2 ans à dater de leur entrée en
vigueur, puis tous les quatre ans.
Mme Sophie De Wit (N-VA) espère que la loi promise
sera disponible d’ici la première évaluation en 2023, ou
sinon cela ne servira à rien.
Le ministre indique qu’il avancera rapidement sur
le sujet.
L’amendement n° 80 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 3
Modifications d’autres dispositions
du Code pénal
Art. 85 et 86
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 85 et 86 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
119
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 87
Dit artikel strekt ertoe de bepalingen onder 1° en 2°
van het artikel 37ter, § 1, derde lid, op te heffen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 45 (DOC 2141/003) in, dat ertoe strekt arti
kel 87 weg te laten. De artikelen 87, 88 en 89 hebben
immers tot gevolg dat de alternatieve straffen in de
vorm van het elektronisch toezicht, de werkstraf en de
autonome probatiestraf niet meer uitgesloten worden
voor bepaalde seksuele misdrijven. Deze artikelen
lopen bijgevolg vooruit op de toekomstige omvattende
hervorming van het strafrecht en horen om die reden
niet thuis in het voorliggende wetsontwerp.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 76
(DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 87.
Er wordt verwezen naar de verantwoording van
amendement nr. 78.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat de
verantwoording van amendement nr. 78 (zie hieronder)
onder meer het volgende vermeldt: “De afschaffing
van de uitsluiting is een belangrijke wijziging die verder
gaat dan het kader van het seksuele strafrecht. Daarom
wordt voorgesteld te wachten op de hervorming van het
Strafwetboek om de lijst van uitsluitingen van alternatieve
straffen aan te passen. Het amendement voorziet dus
in de herinvoering van de uitsluitingen, behalve voor
het misdrijf verkrachting.” De spreekster vindt dat niet
logisch. Waarom worden de uitsluitingen opnieuw inge
steld, behalve voor verkrachting? Werd daarover met de
deelstaten overlegd teneinde over voldoende capaciteit
te beschikken? De spreekster gaat ten slotte uit van
het principe dat een verkrachter die onder elektronisch
toezicht werd geplaatst, zich tijdens de strafuitvoering
niet mag bevinden binnen een bepaalde geografische
perimeter rond de plaats van de verkrachting heeft
plaatsgevonden.
Mevrouw Katleen Bury (VB) begrijpt evenmin de
redenering die inzake verkrachting wordt gevolgd.
De minister geeft aan dat die uitsluitingen in de initiële
tekst voor alle soorten van seksuele misdrijven wer
den geschrapt. Voor al die misdrijven kon met andere
woorden in een alternatieve straf worden voorzien.
Die schrapping ging echter te ver, aangezien voor een
aantal andere zware misdrijven geen alternatieve straf
fen kunnen worden opgelegd. Waarom behoudt men
die schrapping dan wel voor verkrachting? De reden
hiervoor moet worden gezocht in de strekking van dit
wetsontwerp; het strekt er immers niet louter toe te
voorzien in zwaardere straffen, maar tevens in straf
fen op maat. Aldus werd ervoor gekozen te bepalen
Art. 87
Cet article vise à abroger les 1° et 2° de l’article 37ter,
§ 1er, alinéa 3.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 45
(DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article. En effet,
les articles 87, 88 et 89 ont pour conséquence que les
peines alternatives de la surveillance électronique, la
peine de travail et la peine de probation autonome ne
seront plus exclues pour certaines infractions à caractère
sexuel. Ces articles anticipent donc la future réforme
globale du droit pénal et n’ont donc pas leur place dans
le présent projet de loi.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 76 (DOC 55 2141/005) qui tend à rem
placer cet article. Il est renvoyé à la justification de
l’amendement n° 78.
Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’amende
ment n° 78 (voir ci-dessous) indique que “la suppres
sion de l’exclusion est une modification importante qui
dépasse le cadre du droit pénal sexuel. C’est la raison
pour laquelle il est proposé d’attendre la réforme du
Code pénal pour adapter la liste des exclusions des
peines alternatives. L’amendement prévoit donc de
réintroduire les exclusions sauf pour l’infraction relative
a viol.”. L’oratrice ne comprend pas la logique. Quelle est
la motivation de réintroduire les exclusions sauf pour le
viol? Cela a-t-il été concerté avec les entités fédérées
pour veiller à avoir suffisamment de capacité? Enfin,
l’intervenante part du principe qu’un violeur qui se voit
infliger une peine de surveillance électronique ne pourra
prester sa peine dans le périmètre géographique où le
viol a été commis.
Mme Katleen Bury (VB) ne comprend pas non plus
le raisonnement suivi concernant le viol.
Le ministre indique que le texte d’origine supprimait
ces exclusions pour tous les types d’infractions sexuelles.
En d’autres termes, une peine alternative était possible
pour toutes ces infractions. Cependant, cette suppression
allait trop loin, étant donné qu’une série d’autres infrac
tions graves sont soumises à cette exclusion de peines
alternatives. Pourquoi maintient-on cette suppression
pour le viol? La raison vient de la philosophie de ce
projet de loi, qui ne vise pas seulement à prévoir des
peines plus lourdes, mais aussi à permettre des peines
sur mesure. Le choix a donc été fait de permettre les
peines alternatives pour l’infraction de viol. Le ministre
2141/006
DOC 55
120
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dat alternatieve straffen kunnen worden opgelegd ter
bestraffing van het misdrijf verkrachting. De minister
geeft het voorbeeld van een jongeman van 21 jaar die
een meisje van 18 jaar penetreert, in de veronderstelling
dat zij daarmee instemt. Gesteld dat hij zijn wangedrag
onmiddellijk erkent en bovendien een blanco strafregister
heeft, moet hij dan naar de gevangenis worden gestuurd,
of moet hij veeleer tot een autonome probatiestraf worden
veroordeeld om hem bewust te maken van de ernst van
zijn daden? Voor het overige wordt de huidige wet op
de probatie behouden. Voor zware seksuele misdrijven
zoals verkrachting met verzwarende omstandigheden of
misbruik van minderjarigen blijven alternatieve straffen
bijgevolg uitgesloten.
Er zijn in dat verband informele contacten met de
deelstaten geweest. De minister verwijst naar de aan de
gang zijnde actualisering van het samenwerkingsakkoord
inzake de begeleiding en behandeling van daders van
seksueel misbruik. De minister wijst er overigens op dat
de Raad van State geen opmerking over die uitsluiting
had gemaakt. Ook die wijziging via amendement zal
aan de Raad van State worden voorgelegd.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) beklemtoont dat om
zichtigheid inzake het misdrijf verkrachting geboden is
en dat samenwerking met de deelstaten in dezen zeer
belangrijk is.
De minister wijst erop dat wordt uitgegaan van de ba
sismisdrijven; voor al die misdrijven kon een alternatieve
straf worden opgelegd, behalve dan voor verkrachting. Er
is bijgevolg gestreefd naar een betere samenhang door
de schrapping van de uitsluiting voor het basismisdrijf
verkrachting te behouden.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van mening dat
verkrachting een zwaar misdrijf blijft; er is dus een reden
om verkrachting van de alternatieve straffen uit te sluiten.
Dat is een beleidskeuze.
De minister herinnert eraan dat de strafvork voor
verkrachtingsmisdrijven tegelijk wordt uitgebreid. De
maximumstraf gaat van 5 jaar naar 10 jaar, rekening hou
dend met de verwijzing naar de correctionele rechtbank.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vreest dat dit zulks
in de praktijk anders zal verlopen.
Amendement nr. 45 wordt verworpen met 11 tegen
4 stemmen en 1 onthouding.
Amendement nr. 76 wordt aangenomen met 12 stem
men tegen 1 en 3 onthoudingen.
prend l’exemple d’un jeune de 21 ans qui pénètre une
fille de 18 ans, pensant disposer de son consentement.
S’il reconnait immédiatement ses tords et dispose en
outre d’un casier judiciaire vierge, faut-il l’envoyer en
prison, ou plutôt prononcer par exemple une peine de
probation autonome pour qu’il prenne conscience de la
gravité de ses actes? Pour le reste, la loi actuelle sur la
probation est maintenue. Pour les crimes sexuels lourds
comme le viol aggravé ou l’abus de mineur, les peines
alternatives restent donc exclues.
Des contacts informels ont eu lieu avec les entités
fédérées à cet égard. Il réfère à l’actualisation en cours
de l’accord de coopération concernant le traitement et
l’accompagnement d’auteurs d’abus sexuels. En outre,
le ministre rappelle que le Conseil d’État n’avait pas
fait de remarque par rapport à cette exclusion. Cette
modification par amendement sera à nouveau soumise
au Conseil d’État.
Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne qu’il faut faire
preuve de prudence en ce qui concerne l’infraction de
viol et que la coopération avec les entités fédérées est
essentielle à cet égard.
Le ministre rappelle qu’on raisonne par rapport aux
infractions de base. Celles-ci permettaient toutes la
prononciation d’une peine alternative, sauf le viol. On a
donc cherché une meilleure cohérence en maintenant
la suppression de l’exclusion pour l’infraction de base
de viol.
Mme Sophie De Wit (N-VA) considère qu’un viol
reste une infraction grave. Il y a donc une raison pour
l’exclure de la peine alternative. C’est une question de
choix politique.
Le ministre rappelle que la fourchette de peines est
élargie dans le même temps en ce qui concerne le viol. La
peine maximale passe de 5 à 10 ans, en tenant compte
du système de la correctionnalisation.
Mme Sophie De Wit (N-VA) craint que cela ne se
déroule pas de cette manière dans les faits.
L’amendement n° 45 est rejeté par 11 voix contre 4
et une abstention.
L’amendement n° 76 est adopté par 12 voix contre
une et 3 abstentions.
121
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 88
Dit artikel strekt ertoe de bepalingen onder 2° en 3°
van het artikel 37quinquies, § 1, tweede lid, op te heffen.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 46 (DOC 2141/003) in, tot weglating van het
artikel. Er wordt verwezen naar de verantwoording van
amendement nr. 45.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 77
(DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 88.
Er wordt verwezen naar de verantwoording van
amendement nr. 78.
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 87.
Amendement nr. 46 wordt verworpen met 11 te
gen 4 stemmen en 1 onthouding.
Amendement nr. 77 wordt aangenomen met 12 stem
men tegen 1 en 3 onthoudingen.
Art. 89
Dit artikel strekt tot opheffing van het bepaalde on
der 2 en 3 van artikel 37quinquies, § 1, tweede lid.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 47 (DOC 2141/003) in, dat ertoe strekt arti
kel 89 weg te laten. Er wordt verwezen naar de verant
woording van amendement nr. 45.
Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 78
(DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van dit artikel. Er
wordt verwezen naar de verantwoording.
Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 87.
Amendement nr. 47 wordt verworpen met 11 te
gen 4 stemmen en 1 onthouding.
Amendement nr. 78 wordt aangenomen met 12 stem
men tegen 1 en 3 onthoudingen.
Art. 90 tot 95
Over deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 90 tot 95 worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
Art. 88
Cet article tend à abroger les 2° et 3° de l’article 37quin
quies, § 1er, alinéa 2.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende
ment n° 46 (DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article.
Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 45.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen
dement n° 77 (DOC 55 2141/005) qui tend à rem
placer cet article. Il est renvoyé à la justification de
l’amendement n° 78.
Il est renvoyé à la discussion de l’article 87.
L’amendement n° 46 est rejeté par 11 voix contre 4 et
une abstention.
L’amendement n° 77 est adopté par 12 voix contre
une et 3 abstentions.
Art. 89
Cet article tend à abroger les 2° et 3° de l’article 37quin
quies, § 1er, alinéa 2.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 47
(DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article. Il est ren
voyé à la justification de l’amendement n° 45.
Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende
ment n° 78 (DOC 55 2141/005) qui tend à remplacer cet
article. Il est renvoyé à la justification.
Il est renvoyé à la discussion de l’article 87.
L’amendement n° 47 est rejeté par 11 voix contre 4 et
une abstention.
L’amendement n° 78 est adopté par 12 voix contre
une et 3 abstentions.
Art. 90 à 95
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 90 à 95 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
2141/006
DOC 55
122
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 3
Wijzigingen van de voorafgaande titel
van het Wetboek van Strafvordering
Art. 96 tot 98
Over deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 96 tot 98 worden achtereenvolgens en
eenparig aangenomen.
TITEL 4
Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering
Art. 99
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 99 wordt eenparig aangenomen.
Art. 99/1 (nieuw)
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende
ment nr. 23 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een
artikel 99/1, teneinde § 1 van artikel 47bis te vervangen.
Het is de bedoeling te waarborgen dat de slachtoffers
van bij het eerste verhoor recht hebben op juridische
bijstand. Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 23 wordt verworpen met 11 tegen
5 stemmen.
Art. 100 tot 105
Over deze artikelen worden geen opmerkingen
gemaakt.
De artikelen 100 tot 105 worden achtereenvolgens
en eenparig aangenomen.
TITRE 3
Modifications du Titre Préliminaire
du Code de procédure pénale
Art. 96 à 98
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 96 à 98 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
TITRE 4
Modifications du Code d’Instruction criminelle
Art. 99
Cet article ne fait l’objet d’aucun commentaire.
L’article 99 est adopté à l’unanimité.
Art. 99/1 (nouveau)
M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende
ment n° 23 (DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un
article 99/1 en vue de remplacer le paragraphe 1er de
l’article 47bis. Il vise à garantir aux victimes le droit à
l’assistance juridique dès la première audition. Il est
renvoyé à la justification.
L’amendement n° 23 est rejeté par 11 voix contre 5.
Art. 100 à 105
Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire.
Les articles 100 à 105 sont successivement adoptés
à l’unanimité.
123
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 5
Wijziging van de wet van 29 juni 1964
betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
Art. 106
Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 8, § 1, eer
ste lid, van de wet van 29 juni 1964, teneinde de volgende
woorden op te heffen: “Indien de veroordeelde nog niet
veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een
hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar of tot een
gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt
overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek,
kunnen de vonnisgerechten”.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende
ment nr. 48 (DOC 55 2141/003) in, tot weglating van
dit artikel. Het ligt in de bedoeling te bepalen dat een
veroordeling uit het verleden niet langer belet dat een
straf met probatie-uitstel kan worden opgelegd, zoals
dat thans wél het geval is. Er wordt verwezen naar de
verantwoording.
De spreekster is niet tegen alternatieve straffen, maar
deze bepaling gaat de reikwijdte van het voorliggende
wetsontwerp ver te buiten. Dit aspect moet worden
besproken in het ruimere kader van de herziening van
het strafrecht.
De minister geeft toe dat die bepaling inderdaad niet
alleen de seksuele misdrijven betreft, maar dat niettemin
voor die optie werd gekozen omdat de deskundigen
inzake de hervorming van het Strafwetboek er sterk
voorstander van zijn. Volgens hen is dit nodig om straf
fen op maat mogelijk te maken.
Zelfs in geval van recidive kan een alternatieve straf in
bepaalde gevallen immers doeltreffender blijken dan een
gevangenisstraf. De minister heeft er dus voor gekozen
zich ter zake niet te beperken tot het seksueel strafrecht.
Amendement nr. 48 wordt verworpen met 11 te
gen 4 stemmen en 1 onthouding.
Artikel 106 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stem
men en 1 onthouding.
TITEL 5/1 (NIEUW)
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 17
(DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een titel 5/1,
TITRE 5
Modification de la loi du 29 juin 1964
concernant la suspension, le sursis et la probation
Art. 106
Cet article vise à modifier l’article 8, § 1er, alinéa 1er
de la loi du 29 juin 1964 en vue de supprimer les mots
“Lorsque le condamné n’a pas encouru antérieure
ment de condamnation à une peine criminelle ou à un
emprisonnement principal de plus de trois ans ou à
une peine équivalente prise en compte conformément
à l’article 99bis du Code pénal”.
Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 48
(DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article, en vue de
réintroduire la condition selon laquelle une personne ne
peut pas être condamnée à une peine avec sursis s’il
est question d’antécédents judiciaires. Il est renvoyé à
la justification.
L’oratrice n’est pas contre le principe des peines
alternatives, mais cette disposition va beaucoup plus
loin que la discussion du présent projet de loi. Cela
doit se discuter dans le cadre plus large de la réforme
du droit pénal.
Le ministre indique que cette option a été choisie car,
s’il est vrai qu’elle est plus large que les seules infractions
sexuelles, elle a été fortement soutenue par les experts
de la réforme du code pénal. C’était nécessaire selon
eux afin de permettre des peines sur mesure.
En effet, même en cas de récidive, une peine alter
native peut s’avérer dans certaines situations aussi plus
effective qu’une peine d’emprisonnement. Le choix du
ministre est de ne pas se limiter au droit pénal sexuel
sur cette question.
L’amendement n° 48 est rejeté par 11 voix contre 4 et
une abstention.
L’article 106 est adopté par 11 voix contre 4 et une
abstention.
TITRE 5/1 (NOUVEAU)
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 17
(DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un titre 5/1 nouveau
2141/006
DOC 55
124
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Wijzigingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten”.
Er wordt verwezen naar de verantwoording.
Amendement nr. 17 wordt verworpen met 11 stemmen
en 5 onthoudingen.
Art. 106/1 (nieuw)
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 18
(DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een artikel 106/1.
Beoogd wordt artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 aan
te vullen. Er wordt verwezen naar de verantwoording
van amendement nr. 17.
De spreekster wijst erop dat dit voorstel tijdens de
hoorzittingen werd geformuleerd. Beoogd wordt de nie
tigheid van de overeenkomst wegens strijdigheid met de
openbare orde en met de goede zeden te voorkomen.
Zodoende kunnen de sekswerkers hun rechten doen
gelden en kan de nietigheid niet worden tegengeworpen.
De minister benadrukt dat een wetsontwerp tot aan
passing van het arbeidsrecht in de maak is, teneinde
met name dit punt te regelen. De nodige aanpassingen
zullen dus via dat wetsontwerp tot stand komen.
Amendement nr. 18 wordt verworpen met 11 stemmen
en 5 onthoudingen.
TITEL 6
Slotbepaling
Art. 107
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 107 wordt eenparig aangenomen.
‘Modification de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats
de travail”.
Il est renvoyé à la justification.
L’amendement n° 17 est rejeté par 11 voix et
5 abstentions.
Art. 106/1 (nouveau)
Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 18
(DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un article 106/1 nou
veau complétant l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978.
Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 17.
L’oratrice rappelle que cette proposition a été faite
lors des auditions. L’intention est d’éviter de permettre
la nullité du contrat pour contrariété à l’ordre public et
aux bonnes mœurs. Cela permet aux travailleurs du
sexe de faire valoir leurs droits et de ne pas se voir
opposer la nullité.
Le ministre souligne qu’un projet de loi est en cours
pour adapter le droit du travail afin de régler notamment
ce point. Cela sera donc fait via ce biais.
L’amendement n° 18 est rejeté par 11 voix et
5 abstentions.
TITRE 6
Disposition finale
Art. 107
Cet article ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 107 est adopté à l’unanimité.
125
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
TITEL 7
Opheffingsbepalingen en bepaling
betreffende de inwerkingtreding
HOOFDSTUK 1
Opheffingsbepalingen
Art. 108
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 108 wordt eenparig aangenomen.
HOOFDSTUK 2
Bepaling betreffende de inwerkingtreding
Art. 109
Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt.
Artikel 109 wordt eenparig aangenomen.
V. — CORRECTIES
IN DE MEMORIE VAN TOELICHTING
Naar aanleiding van de opmerkingen van me
vrouw Sophie De Wit (N-VA) betreffende fouten in de
memorie van toelichting verduidelijkt de minister dat die
moet worden gecorrigeerd als volgt:
— het vijfde lid op bladzijde 7 (“In haar algemene
opmerkingen”) moet worden ingevoegd na het eerste lid
op bladzijde 89 (onder de artikelen 84 tot 105);
— op bladzijde 7 moet de tekst die begint met het
zesde lid (“In punt 4.2. oordeelt de Raad van State”)
en die op bladzijde 8 eindigt met het vierde lid (“In haar
advies (nr. 5)”), worden ingevoegd op bladzijde 10, na
het tweede lid;
— het gehele punt III (“De leeftijd waarop de minderja
rige kan worden geacht in staat te zijn om uit vrije wil toe
te stemmen met seksuele handelingen”) moet worden
ingevoegd na punt IV (“Herdefiniëren en uniformiseren
van de toestemmingspremisse met betrekking tot het
seksueel zelfbeschikkingsrecht”);
— het gehele punt VI (“Wijzigingen aan de bepalin
gen inzake “aanranding van de eerbaarheid” (voortaan
TITRE 7
Dispositions abrogatoires, disposition
relative à l’entrée en vigueur
CHAPITRE 1ER
Dispositions abrogatoires
Art. 108
Cet article ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 108 est adopté à l’unanimité.
CHAPITRE 2
Disposition relative à l’entrée en vigueur
Art. 109
Cet article ne donne lieu à aucun commentaire.
L’article 109 est adopté à l’unanimité.
V. — CORRECTIONS
À L’EXPOSÉ DES MOTIFS
Suite aux remarques de Mme Sophie De Wit (N-VA)
concernant des erreurs dans l’exposé des motifs, le
ministre précise qu’il doit être corrigé de la manière
suivante:
— le 5ème alinéa de la page 7 (“Dans ses observa
tions générales”) doit être déplacé après le 1er alinéa
de la page 89 (sous les articles 84 à 105);
— à la page 7, le texte qui commence par le 6ème
alinéa (“Au point 4.2., le Conseil d’État”) et qui se termine
à la page 8 avec le 4ème alinéa (“Dans son avis (n° 5)”)
doit se situer à la page 10 après le second alinéa;
— tout le point III (L’âge auquel le mineur peut être
considéré comme étant en état de consentir librement à
des actes à caractère sexuel) doit venir après le point IV
(Redéfinition et uniformisation du prérequis du consente
ment concernant le droit à l’autodétermination sexuelle);
— tout le point VI (Modifications de la disposition
relative à l’“attentat à la pudeur” (désormais “atteinte à
2141/006
DOC 55
126
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“aantasting van de seksuele integriteit”)”) moet naar boven
worden verplaatst; na het laatste lid op bladzijde 22;
— punt VII (“Wijzigingen aan de bepaling inzake
verkrachting”) moet in zijn geheel naar boven worden
verplaatst en worden ingevoegd na het vierde lid op
bladzijde 24;
— het voorlaatste lid op bladzijde 38 moet worden
ingevoegd onder punt e) op bladzijde 39;
— het lid net boven punt f) op bladzijde 39 moet hoger
worden geplaatst en worden ingevoegd onder punt e);
— op bladzijde 54, artikelen 28 en 29, eerste lid,
worden de woorden “seksueel meerderjarig” vervangen
door het woord “meerderjarig”;
— het derde lid op bladzijde 61 moet naar beneden
worden verplaatst en worden ingevoegd op bladzijde 64,
boven titel XI;
— punt XII (“Afstemmen prostitutiemisdrijven op de
strafbepalingen van mensenhandel en decriminalise
ring van bepaalde strafbare misdrijven gerelateerd aan
het aanzetten tot ontucht”) op bladzijde 68 moet lager
worden geplaatst en worden ingevoegd boven punt XIV
(“Geen onnodige strafbaarstellingen introduceren”) op
bladzijde 87;
— het derde en vierde lid op bladzijde 76 moeten wor
den ingevoegd na de artikelen 30 tot en met 47 (blz. 55);
— de tekst die begint bij het tweede lid op bladzij
de 82 en die gaat tot en met het zesde lid op bladzijde 83,
moet worden ingevoegd na het tweede lid op bladzijde 89;
— op bladzijde 78 moet de tekst die begint bij het
tweede lid en die op bladzijde 82 eindigt met het eer
ste lid, moet op bladzijde 89 worden ingevoegd na het
eerste lid, onder de artikelen 84 tot 105.
Op verzoek van mevrouw Sophie De Wit (N-VA) zal
de commissie met toepassing van artikel 83.1 van het
Reglement tot een tweede lezing overgaan. De com
missie wenst daartoe over een nota van de Juridische
Dienst te beschikken.
l’intégrité sexuelle”) doit être remonté plus haut; après
le dernier alinéa de la page 22;
— tout le point VII (Modifications à la disposition rela
tive au viol) doit être remonté plus haut; après le 4ème
alinéa de la page 24;
— l’avant dernier alinéa de la page 38 doit être inséré
plus bas; sous le point e) de la page 39;
— l’alinéa juste au-dessus du point f) de la page 39 doit
aller plus haut sous le point e);
— à la page 54, art. 28 et 29, alinéa 1er, les mots
“majorité sexuelle” doivent être remplacés par les mots
“majorité”;
— le 3ème alinéa de la page 61 doit être déplacé vers
la bas; à la page 64 au-dessus du titre XI;
— le point XII (Harmonisation des infractions liées à
la prostitution sur les dispositions pénales relatives à la
traite des êtres humains et dépénalisation de certaines
infractions liées à l’incitation à la débauche) qui se trouve
à la page 68 doit être placé plus bas; au-dessus du point
XIV (Ne pas introduire des incriminations inutiles) qui
se trouve à la page 87;
— les alinéas 3 et 4 de la page 76 doivent se trouver
sous les articles 30 à 47 (p. 55);
— le texte qui commence par l’alinéa 2 de la page 82 et
qui va jusqu’à l’alinéa 6 de la page 83 doit se situer à la
page 89 après le second alinéa;
— à la page 78, le texte qui commence avec le 2ème
alinéa et qui se termine à la page 82 avec le premier
alinéa doit se trouver à la page 89 après le premier
alinéa (sous les articles 84 à 105).
À la demande de Mme Sophie De Wit (N-VA), la com
mission procédera à une deuxième lecture en application
de l’article 83.1 du Règlement. La commission souhaite
disposer, à cette fin, d’une note du Service juridique.
127
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De commissie beslist eveneens om met toepassing
van artikel 98.2 van het Reglement de Kamervoorzitster
te verzoeken om over de artikelen aangenomen in eerste
lezing het advies van de Raad van State in te winnen
(termijn: 30 dagen).
De rapporteurs,
De voorzitster,
Claire HUGON
Christoph D’HAESE
Kristien
VAN VAERENBERGH
La commission décide en outre de demander à
la Présidente de la Chambre, en application de l’ar
ticle 98.2 du Règlement, de demander un avis du Conseil
d’État sur les articles adoptés en première lecture (délai
de 30 jours).
Les rapporteurs,
La présidente,
Claire HUGON
Christoph D’HAESE
Kristien
VAN VAERENBERGH
2141/006
DOC 55
128
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
129
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
BIJLAGEN
A. Hoorzitting van 28 september 2021 met de dames
Lily Bruyère en Astrid Bedoret vertegenwoordigsters
van SOS Inceste, mevrouw Saskia Kerkhofs en de
heer Tom Bauwens, vertegenwoordigers van de Orde
van Vlaamse Balies, mevrouw Miriam Ben Jattou,
voorzitster van Femmes de droit – Droits des femmes.
1. Procedure
Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van
de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28,
2bis, van het Kamerreglement:
“Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij
het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitster nodigt de sprekers uit om deze vragen
te beantwoorden.
De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens
ontkennend op de vragen.
2. Uiteenzetttingen
a. Uiteenzetting van de dames Lily Bruyère en Astrid
Bedoret, vertegenwoordigsters van SOS Inceste
De twee genodigde spreeksters antwoorden ontken
nend op de twee voorafgaande vragen van de voorzitster.
Mevrouw Lily Bruyère stelt kort de vereniging SOS
Inceste voor, die bestaat uit een multidisciplinair team.
De vereniging biedt ondersteuning aan jongeren en
volwassenen, vrouwen en mannen, die met intrafamiliaal
seksueel geweld te maken hebben of hebben gekre
gen. De dienstverlening aan de slachtoffers van incest
omvat: opvang verschaffen, een luisterend oor bieden,
informatie verstrekken, alsook voorzien in begeleiding
en in ondersteuning ten aanzien van de vele problemen
waarmee de slachtoffers te maken krijgen.
Volgens een in 2014 uitgebracht rapport van de
Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft wereld
wijd 20 % van de vrouwen en 5 à 10 % van de mannen
als kind met seksueel geweld te maken gehad. Die
aanrandingen van minderjarigen betreffen zeer vaak
ANNEXES
A. Audition du 28 septembre 2021 de Mmes Lily
Bruyère et Astrid Bedoret, représentantes de SOS
Inceste, Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom Bauwens,
représentants de l’Orde van Vlaamse Balies, et
Mme Miriam Ben Jattou, présidente de “Femmes
de droit – Droits des femmes”.
1. Procédure
Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la
commission de la Justice, donne lecture de l’article 28,
2bis, du Règlement de la Chambre:
“En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs
de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion, et le cas échéant, par quelle instance.”.
Le président invite les orateurs à entamer leurs expo
sés respectifs en répondant à ces questions.
Les orateurs invités répondent successivement par
la négative aux questions précitées.
2. Exposés
a. Exposé de Mmes Lily Bruyère et Astrid Bedoret,
représentantes de SOS Inceste
Les deux oratrices répondent négativement aux deux
questions préalables de la présidente.
Mme Lily Bruyère présente brièvement l’association
SOS Inceste composée d’une équipe pluridisciplinaire.
L’association propose un accompagnement des per
sonnes, adolescents et adultes, femmes et hommes,
confrontées ou ayant été confrontées à des violences
sexuelles intrafamiliales. Les services offerts aux victimes
d’inceste sont l’accueil, l’écoute, l’information, l’accom
pagnement et le soutien face aux multiples difficultés
que les victimes rencontrent.
Selon un rapport de l’Organisation mondiale de la
santé (OMS) rendu public en 2014, 20 % des femmes
et 5 à 10 % des hommes dans le monde ont subi des
violences sexuelles pendant leur enfance. Ces agressions
sur mineur sont très souvent liées à l’inceste. Dans 70 %
2141/006
DOC 55
130
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
incest. In 70 % van de gevallen waarin het slachtoffer
jonger is dan 6 jaar, gaat het om incest. Volgens hetzelfde
rapport is de dader in 96 % van de gevallen een man.
In 94 % van de gevallen wordt het seksueel geweld door
een naast familielid gepleegd. Zo wordt een op twee
kindslachtoffers door een gezinslid aangerand. In België
zijn geen statistische gegevens over incest beschikbaar.
Onder “incest” wordt verstaan: de handelingen van
seksuele aard jegens een minderjarige, gepleegd door
een bloed- of aanverwant in rechte opgaande lijn, door
een bloed- of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde
graad, of door ieder ander persoon die een soortgelijke
positie bekleedt in het gezin van de voormelde personen.
Onder bloedverwant worden ook de adoptant, de
geadopteerde en de bloedverwanten van de adoptant
verstaan.
Als voorbeeld van wat incest omvat, doet me
vrouw Bruyère het verhaal van Cathy, een vrouw die model
staat voor het typische incestslachtoffer. Op 23-jarige
leeftijd klopt ze aan bij SOS Inceste Belgique. Ze heeft
een afspraak gemaakt op advies van haar gynaecologe
en van een psychologe die beiden in een team voor
gezinsplanning werken.
Cathy heeft zich in eerste instantie tot die dienst
gewend om medische zorg te krijgen. Ze heeft ernstige
gynaecologische problemen die haar beletten te functi
oneren en te leven. Haar partner heeft haar “toegestaan
een arts te raadplegen” laat ze zich ontvallen tegen de
gynaecologe, zolang de behandeling maar niet te lang
duurt en niet veel kost.
Haar houding doet bij de zorgverstrekkers vragen rijzen.
Ze praat weinig, lijkt afwezig, haar gelaatsuitdrukking is
droevig en verstard; een beetje zoals een wassen pop,
uitdrukkingsloos, innerlijk uitgedoofd. Ze is de hele tijd
bang, alsof iemand haar voortdurend volgt; ze is in een
staat van constante verhoogde waakzaamheid. Aangezien
ze allesbehalve loslippig is jegens de gynaecologe en
de psychologe, wordt na meerdere gesprekken beslist
haar door te verwijzen naar een vereniging die gespe
cialiseerd is in intrafamiliaal seksueel geweld.
Zo komt ze terecht bij SOS Inceste, een benaming
die haar niet bevalt, maar Cathy wil die zorgzame zorg
verstrekkers niet tegenspreken. Ze lijken zich oprecht
zorgen te maken om haar, niet alleen over haar fysieke
gezondheid, maar vooral over haar psychische gesteld
heid. Ze heeft een gesprek met de voorzitster van de
vereniging, mevrouw Zoé Milher, stichtend lid van de
vereniging en zelf het slachtoffer van mishandeling en
van incest. Zij stelt Cathy voor andere vrouwen te ont
moeten die ook slachtoffers en/of overlevenden zijn van
des cas, lorsque la victime a moins de 6 ans, l’agression
est incestueuse. Selon le même rapport, dans 96 % des
cas, l’agresseur est un homme. Dans 94 % des situations,
c’est un proche qui commet l’agression sexuelle. Ainsi,
un enfant victime sur deux est agressé par un membre
de sa famille. Il n’y a pas de données statistiques en
Belgique concernant l’inceste.
On entend par “inceste” les actes à caractère sexuel
commis sur un mineur, par un parent ou allié ascendant
en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collaté
rale jusqu’au troisième degré ou toute autre personne
occupant une position similaire au sein de la famille des
personnes précitées.
Par parent, on entend également l’adoptant, l’adopté
et les parents de l’adoptant.
Pour illustrer ce qu’est l’inceste, Mme Bruyère conte
l’histoire de Cathy, une victime-type de l’inceste. Âgée
de 23 ans, celle-ci se présente dans le service SOS
Inceste Belgique. Elle a pris rendez-vous suivant les
conseils de sa gynécologue et d’une psychologue qui
travaillent toutes les deux au sein dans une équipe d’un
planning familial.
Cathy s’est rendue dans un premier temps dans ce
service afin de recevoir des soins médicaux. Elle souffre
d’importants problèmes gynécologiques qui l’empêchent
de fonctionner, de vivre. C’est son compagnon qui lui
a “permis de venir consulter un médecin” lâchera-t-elle
à la gynécologue, du moment que les soins ne durent
pas trop longtemps et ne coûtent pas cher.
Son attitude interpelle les soignants, elle parle peu,
semble absente, son visage est triste, figé: un peu
comme celui d’une poupée de cire, sans expression,
éteinte de l’intérieur. Elle a tout le temps peur, comme
si quelqu’un la suivait en permanence, elle est en état
d’hyper vigilance constante. Au terme de plusieurs
entretiens, et au vu du peu qui est confié au médecin
gynécologue et à la psychologue…, la décision est
prise de l’envoyer dans une association qui s’occupe
de violences sexuelles intrafamiliales.
Elle arrive à SOS Inceste, mot qui ne lui parle pas
mais Cathy ne veut pas contredire ces intervenants si
bienveillants qui semblent s’inquiéter pour elle, non
seulement de sa santé physique et surtout de son état
psychique. Elle rencontre la présidente de l’associa
tion, Zoé Milher, membre fondatrice de l’association
et survivante de maltraitances et d’inceste. Celle-ci lui
propose de rencontrer d’autres femmes victimes et/
ou survivantes de violences sexuelles au sein de leur
famille. Cathy accepte, elle a toujours peur, mais elle
131
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
seksueel geweld binnen hun gezin. Hoewel Cathy nog
steeds bang is, gaat ze in op de uitnodiging. Ze wil zich
graag beter in haar vel en in haar hoofd voelen. Haar
partner begint haar te ruw te behandelen, te bedreigen,
te slaan; hij speelt vreemde spelletjes met anderen,
dwingt haar betrekkingen te hebben met vrouwen, met
mannen, dingen te doen die ze niet wil doen, en het gaat
van kwaad naar erger. In die context vraagt Cathy zich
af wat ze te verliezen heeft, zolang ze maar terug thuis
is wanneer haar partner wil dat ze thuis is, anders zal
ze er weer van langs krijgen.
Mevrouw Bruyère gaat door met het vertellen van
Cathy’s verhaal; ze neemt deel aan een praatgroep. Cathy
luistert er naar de getuigenissen: de ene werd verkracht
door haar vader, de andere door haar grootvader, bij
een derde was het haar oom enzovoort. Cathy geeft te
kennen dat er bij haar geen sprake is van incest. Haar
aanrander was wel samen met haar moeder. Hij heeft
haar broer en zus van jongs af opgevoed, hij heeft voor
alles gezorgd, zorgde ervoor dat Cathy naar een “bijzon
dere” school voor probleemkinderen kon, omdat ze niet
kon volgen op school. Uiteindelijk kwam Cathy terecht in
een maatwerkbedrijf, waar een opvoeder haar vertelde
dat ze daar niet op haar plaats was. Volgens Cathy heeft
haar aanrander voor haar gezorgd. Het klopt wel dat hij
gewelddadig was en nog steeds is, dat hij altijd al geen
“neen” wilde horen, dat hij haar soms opsluit als ze niet
doet wat hij wil… De andere deelneemsters luisteren in
shock, zijn ontzet. Ze merken op dat het wel degelijk
om incest gaat, dat bovendien nog steeds aan de gang
is. Ze dringen erop aan dat Cathy aangifte doet bij de
politie. Cathy antwoordt bevestigend, maar geeft tevens
aan dat ze niet weet wat te doen. Ze is bang. Hij is de
persoon die voor haar zorgt, terwijl haar moeder haar
heeft laten stikken en haar haat. Haar stiefvader vertelt
haar dat ze niets betekent en dat ze zonder hem niets
waard is. En bovendien: wie zal haar geloven? Ze heeft
ermee ingestemd om met hem mee te gaan.
De teams van SOS Inceste zullen later vernemen dat
Cathy’s moeder, naar wie wordt verwezen als “Nicole”, en
de stiefvader die “Xavier” wordt genoemd, zich jarenlang
schuldig hebben gemaakt aan talloze verkrachtingen en
aanrandingen van de eerbaarheid van de drie kinderen
van Nicole en van andere personen.
Als zorgverleners die met die situatie moesten omgaan,
hebben de medewerkers van SOS Inceste strategieën
moeten uitwerken om twee grote problemen het hoofd te
bieden: de verjaringstermijn (die destijds vijf jaar bedroeg)
en de toestemming van het slachtoffer. Daardoor moest
snel worden gehandeld en moesten bewijzen worden
gevonden waarmee kon worden aangetoond dat Cathy
overduidelijk in de greep was van een ander persoon
en dat zij daarmee niet instemde.
accepte. Elle aimerait aller mieux dans son corps et dans
sa tête et son compagnon commence à trop la malme
ner, la menacer, la battre, joue à des jeux bizarres avec
d’autres personnes, l’oblige à avoir des relations avec
des femmes, des hommes, à faire des choses qu’elle
n’a pas envie de faire et c’est de pire en pire. Dans ces
conditions, Cathy se demande ce qu’elle a à perdre, du
moment qu’elle est rentrée à l’heure exigée par celui
avec qui elle vit sinon, elle va encore “ramasser”.
Mme Bruyère poursuit le récit de Cathy en relatant
le groupe de parole qui commence. Cathy écoute les
témoignages: l’une a été violée par son père, l’autre
son grand-père, une troisième c’est son oncle… Cathy
affirme que dans son cas, ce n’est pas de l’inceste.
Certes son agresseur était en couple avec sa mère. Il
a élevé le frère et la sœur depuis que leur plus jeune
âge, il s’est occupé de tout, de faire entrer Cathy dans
une école dite spéciale, pour les enfants en difficultés,
parce qu’elle n’arrivait pas à suivre à l’école pour atterrir
dans un atelier protégé où un éducateur lui a affirmé
qu’elle n’était pas sa place… Selon les dires de Cathy,
son agresseur s’est occupé d’elle et c’est vrai qu’il était
et est encore violent et qu’il a toujours détesté qu’on
lui dise “non”, parfois il l’a séquestre quand elle ne fait
pas ce qu’il veut… Les autres participantes sont sous
le choc, dans l’effroi et lui renvoient… “Mais enfin, c’est
de l’inceste que tu vis. Et en plus cela continue…, il faut
que tu portes plainte à la police!”. Oui, répond Cathy,
mais elle ne sait pas quoi faire, elle a peur…c’est lui
qui s’occupe d’elle, sa mère la rejette, la déteste… Son
beau-père lui dit qu’elle est nulle et que sans lui elle
n’est rien et puis, qui va la croire? Elle était d’accord de
partir avec lui…
Les équipes de SOS Inceste apprendront par la
suite que la mère de Cathy, qu’ils nommeront Nicole,
et le beau-père qu’ils appelleront Xavier se sont rendus
coupables de nombreux viols et attentats à la pudeur
sur les trois enfants de Nicole et sur d’autres personnes
pendant plusieurs années.
En tant qu’intervenants ayant en charge cette situation,
les intervenants de SOS Inceste ont dû élaborer des
stratégies pour faire face à deux problèmes majeurs:
le délai de prescription fixé à cinq ans à l’époque et le
consentement de la victime. Cela impliquait des actions
rapides et la recherche de preuves qui pouvaient montrer
que Cathy vivait une situation d’emprise caractérisée et
n’était pas consentante.
2141/006
DOC 55
132
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In een tijd dat de politie nog niet hervormd was, heb
ben de rijkswachters, de twee advocaten die op de
zaak werden gezet en de veldwerkers van SOS Inceste
samengewerkt met Cathy, die haar uiterste best moest
doen om zich te herinneren waar bijvoorbeeld dit of
geen bewijsstuk zich bevond, in opperste discretie.
Die inspanningen hebben het slachtoffer nog tot een
andere vorm van geweld gedwongen: ze moest haar
eigen advocaat zijn. In die context kon ze onmogelijk
de tijd nemen die nodig was om te herstellen. Er moest
snel worden opgetreden, anders dreigden bewijsstuk
ken te verdwijnen.
Mevrouw Bruyère geeft aan dat, mocht de wet inzake
de toestemming toen al zijn hervormd, het niet nodig
was geweest Cathy in de slachtofferrol te duwen op
grond van de juridische en gerechtelijke vereisten van
destijds. Xavier wordt uiteindelijk veroordeeld tot een
gevangenisstraf van tien jaar; de eenheid van opzet
werd ingeroepen. Telkens wanneer Xavier een aanvraag
indiende om vrijgelaten te worden, werd Cathy door
angst overvallen omdat ze vreesde dat hij naast haar
zou komen wonen. Meermaals kwam ze in financiële
problemen door te verhuizen. Xavier is in de gevange
nis overleden. Cathy werd daarvan niet op de hoogte
gebracht, omdat ze geen deel uitmaakte van zijn gezin.
Cathy heeft lange tijd therapie gevolgd en passende
medische zorg gekregen, waardoor ze er langzaamaan
weer bovenop kon komen.
Mevrouw Bruyère preciseert dat Cathy’s verhaal een
aaneenschakeling vormt van feiten gespreid over een
tijdspanne van twintig jaar begeleiding.
Incest is een “complex” trauma. De psychologische
gevolgen van incestueuze verkrachting zijn niet de
zelfde als die van een eenmalige aanranding, die tot
uiting komen in een posttraumatische stressstoornis.
Incestueuze verkrachtingen leiden doorgaans tot li
chamelijke, gedragsmatige en complexe stoornissen.
Het betreft langdurige en herhaaldelijk terugkerende
trauma’s die worden opgelopen in de context van een
relatie waarbij de een de ander in zijn greep heeft. De
door die verkrachtingen teweeggebrachte gewelddadige
inbraken in de psyche veroorzaken een shocktoestand.
Deze blokkeert elke mentale voorstelling en verhindert
elke mogelijkheid om de emotionele responsreacties in
de hand te houden. Daardoor zijn de slachtoffers niet
bij machte het uit te schreeuwen of “neen” te zeggen
op het moment dat ze worden aangerand, en dat wordt
hen naderhand verweten. Hoe jonger het slachtoffer,
hoe heftiger de shock.
Het emotionele circuit valt uit en creëert een toestand
van emotionele en lichamelijke verdoving. Dat ver
schijnsel leidt vervolgens tot traumatische dissociatie,
À cette époque qui précède la réforme des polices,
les gendarmes, les deux avocats qui s’occupaient de
cette affaire et les acteurs de terrain de SOS Inceste
ont travaillé en collaboration avec Cathy qui devait faire
l’énorme effort de se rappeler où se trouvait telle pièce à
conviction, par exemple, dans la discrétion la plus totale.
Des efforts qui ont obligé la victime à subir une autre
forme de violence qui est celle d’être son propre avocat.
Dans ce cadre il était impossible de respecter le délai
nécessaire à son rétablissement. Il fallait agir vite sans
quoi les éléments de preuve risquaient de disparaître.
Si la réforme de la loi sur le consentement existait à
ce moment-là, Mme Bruyère pense qu’ils auraient pu
éviter une sur-victimisation à Cathy liée aux exigences
juridiques et judicaires de l’époque. Monsieur Xavier
sera condamné à 10 ans de prison. L’unité d’intention
ayant été invoquée. Chaque fois que Monsieur Xavier
demandait de sortir de prison, la panique s’emparait de
Cathy par peur qu’il ne vienne s’installer à côté de chez
elle. Elle s’est mise plusieurs fois dans des difficultés
financières en déménageant. Monsieur Xavier mourra
en prison. Cathy ne sera pas prévenue car elle ne faisait
pas partie de sa famille. Cathy a suivi une longue thé
rapie et des soins médicaux appropriés lui permettant
petit à petit de se reconstruire.
Mme Bruyère précise que l’histoire de Cathy s’égrène
sur vingt années d’accompagnement.
L’inceste est un traumatisme dit complexe. Les consé
quences psychologiques des viols par inceste ne sont
pas ceux d’une agression unique qui se manifeste par le
trouble de stress post traumatique. Les viols incestueux
induisent, de manière générale des troubles physiques,
des troubles du comportement et des troubles complexes.
Ce sont des traumatismes qui s’inscrivent dans une
relation d’emprise et qui se prolongent et se répètent
dans le temps. Les effractions psychiques créées par ces
viols provoquent un état de sidération. Celui-ci bloque
toute représentation mentale, empêche toute possibilité
de contrôler les réponses émotionnelles. C’est ce qui
fera que l’on reproche aux victimes de ne pas avoir pu
crier ou dire “non” au moment de l’agression. Plus la
victime sera jeune, plus la sidération sera importante.
Le circuit émotionnel disjoncte et crée un état d’anes
thésie émotionnelle et physique. Ce phénomène va entraî
ner une dissociation traumatique qui est un trouble de la
133
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een bewustzijnsstoornis. Dat proces wekt een gevoel
op van onwerkelijkheid, vreemdheid, afwezigheid ten
opzichte van zichzelf… enigszins alsof het slachtoffer
een toeschouwer is van de gebeurtenissen. Het gedis
socieerde slachtoffer blijft dus vrijwel onverschillig voor
zijn of haar lijden of zelfs voor de fysieke pijn die hij of zij
mogelijkerwijs voelt. Dergelijke trauma’s kunnen leiden
tot volledig of gedeeltelijk geheugenverlies, en kunnen
de reconstructie van de feiten sterk bemoeilijken, ter
wijl zulks nodig is om een klacht in te dienen. Heel dat
psychische proces legt de wil van het slachtoffer lam.
Incestslachtoffers hebben soms de neiging te herhalen
en te reproduceren wat zij te verduren hebben gekregen
wanneer tot de incestueuze daad werd overgegaan.
Zulks is vooral het geval als zij hun leed nog niet onder
woorden hebben kunnen brengen. Aldus raken som
mige slachtoffers in de greep van intimiderende, alsook
verbaal of fysiek gewelddadige mensen. Bij prostitutie
en seksuele uitbuiting in het algemeen, bijvoorbeeld
in de pornografie, is die herhaling mogelijk. Het kleine
meisje of jongetje dat door de incestueuze agressor met
snoepjes of geld is “beloond”, is echt gekneed om in de
prostitutie terecht te komen.
Het is geen toeval dat de mensen die zich prostitueren,
in veel gevallen als kind seksueel werden misbruikt. De
slachtoffers bevinden zich in dezelfde verhouding van
dominantie van zijn of haar pooier of eenieder die hem
of haar uitbuit, zoals zijn of haar aanvaller(s) vroeger.
In Frankrijk heeft 80 % à 95 % van de prostitu(é)es een
voorgeschiedenis van seksueel geweld. De herhaling
kan ook tot uiting komen in directe agressie. In dat geval
identificeert de betrokkene zich met de agressor.
Om het posttraumatische proces bij volwassenen te
begrijpen, moet eerst worden uitgelegd wat er gebeurt
met een kind dat het slachtoffer is van incest. Seksueel
en/of incestueus geweld begint vaak al op zeer jonge
leeftijd. Het kind wordt ondergedompeld in een sfeer
waarin handelingen worden gesteld waarvan het de
betekenis niet begrijpt. De dader dringt binnen in zijn of
haar psyche en lichaam. Het kind is verbijsterd en kan
niet onder woorden brengen wat hem of haar is over
komen. Het komt terecht in een shocktoestand en kan
niet anders dan voldoen aan de seksuele begeerte van
de volwassene. De ijkpunten en het ouderlijk concept
vallen weg.
Om het trauma te overleven, ontwikkelt het kind aller
hande strategieën, met name het aanpassingssyndroom,
het ontwikkelen van een gespleten persoonlijkheid,
verdringing van de werkelijkheid, dissociatie of nog
minimalisering van de feiten.
conscience. Ce processus va entraîner une sensation
d’irréalité, d’étrangeté, d’absence à soi-même…un peu
comme si la victime était spectatrice des évènements.
La victime dissociée reste donc quasi indifférente à
sa souffrance ou même à la douleur physique qu’elle
peut ressentir. Pareils traumatismes peuvent entraîner
une amnésie totale ou partielle et rendre très difficile
la restitution des faits nécessaire au dépôt de plainte.
Tout ce processus psychique va annihiler la volonté de
la victime.
Les personnes qui ont été victimes de l’inceste ont
parfois tendance à répéter et à reproduire ce qui a été
subi dans certains passages à l’acte surtout si elles,
ou ils, n’ont pas encore pu verbaliser leur souffrance.
C’est ainsi que certaines victimes se retrouvent sous
emprise de personnes harceleuses, violentes, verbale
ment ou physiquement. Le terrain de la prostitution et de
l’exploitation sexuelle en général, dans la pornographie,
par exemple, permet cette répétition. La petite fille ou le
petit garçon que l’agresseur incestueux a “récompensé”
en donnant des bonbons ou de l’argent est un véritable
apprentissage à la mise en situation de la prostitution.
Ce n’est pas par hasard que l’on retrouve chez les
personnes en situation de prostitution un grand nombre
d’anciennes victimes de violences sexuelles dans l’en
fance. La victime se trouve dans le même rapport de
domination avec son proxénète ou toute personne qui
l’exploite, comme le faisaient son ou ses agresseurs
dans le passé. En France, on recensait entre 80 %
et 95 % d’antécédents de violences sexuelles chez les
personnes prostituées originaires du pays. La répétition
peut également se retrouver dans l’agression directe…
On parlera alors d’identification à l’agresseur.
Afin de comprendre le processus post-traumatique
chez l’adulte, il faut d’abord expliquer ce qui se déroule
chez l’enfant victime d’inceste. Les violences sexuelles
et/ou l’inceste débute souvent à un très jeune âge.
L’enfant est submergé par une ambiance et des actes
dont il ne comprend pas la signification. Il y a effraction
de son psychisme et de son corps. C’est l’effroi: il ne
peut mettre des mots sur ce qui lui arrive. Il est plongé
dans un état de sidération, réduit à répondre au désir
sexuel de l’adulte. Les repères et les représentations
parentales s’effondrent.
Pour survivre au traumatisme, l’enfant va élaborer
toutes sortes de stratégies: notamment le syndrome
d’adaptation, la mise en place de clivages, la scotomi
sation de la réalité, la dissociation ou encore la minimi
sation des faits.
2141/006
DOC 55
134
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Vervolgens haalt mevrouw Bruyère uitspraken aan van
volwassenen die het slachtoffer zijn geworden van incest.
De betrokkenen stelden dat wat zij hebben meegemaakt,
niet beperkt blijft tot een of meer seksuele handeling(en)
binnen de familie met als verzwarende omstandigheid dat
ze werd(en) gepleegd door een bloed- of aanverwant in
de opgaande lijn. In dat verband wijst de spreekster erop
dat de dader niet alleen binnendringt in het lichaam, maar
ook in de geest en in de psyche, en zulks gedurende
een lange periode van het leven van het slachtoffer.
Mevrouw Bruyère voegt eraan toe dat incest gevolgen
heeft op opvoedkundig vlak, aangezien het kind wordt
opgevoed om zich te onderwerpen, om zichzelf te be
schouwen als een object (en dus niet als een persoon)
dat moet voldoen aan het verlangen van de ander. In dit
verband gaat het tevens om een depersonalisatie, een
samensmelting/vermenging, een loyaliteitsconflict, een
opvoeding tot het verzwijgen van wat er echt gebeurt,
een aantasting van het vertrouwen in de anderen en
in de samenleving, een ontmenselijkingsproces, een
dodelijke herhaling en eindeloos geweld, evenals een
confrontatie met verachtelijkheid. In bepaalde families
rust daarenboven geen verbod op incest, maar gebeurt
het gebruik doorgegeven van generatie op generatie.
Als de incest aan het licht komt, wordt het slachtoffer
doorgaans verstoten en buitengesloten. De betrokkene
heeft geen familie meer. Om al die redenen is er nood
aan een symbolische derde – met name de wet –, die
incest uitdrukkelijk en krachtig verbiedt.
Mevrouw Astrid Bedoret wijst erop dat de dames Lily
Bruyère en Janine Deckers, namens de vzw SOS Inceste
in 2008 voor het eerst in een hoorzitting erop hebben
aangedrongen te bewerkstelligen dat de bestanddelen
van incest niet kunnen verjaren en dat incest in het
Strafwetboek wordt opgenomen.
Inmiddels hebben de spreeksters en hun teams re
flectienota’s opgesteld, hun standpunten meegedeeld en
deelgenomen aan andere hoorzittingen in de commissie
voor Justitie van de Kamer en in het Parlement van het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Er hebben individuele
ontmoetingen met de volksvertegenwoordigers plaats
gevonden. Er zijn colloquia georganiseerd om incest
in het Strafwetboek op te nemen en om zulks als een
specifiek strafrechtelijk misdrijf te omschrijven.
Volgens de spreeksters is dit een plechtig en ge
denkwaardig moment, aangezien zij eindelijk het ge
voel hebben te worden gehoord: artikel 418/18 van het
wetsontwerp stelt in uitzicht dat incest tot de verzwaarde
misdrijven zal worden gerekend. Namens degenen wier
stem zij vertolken, danken zij de parlementsleden omdat
het taboe wordt doorbroken. Het wetsontwerp beoogt
Mme Bruyère cite ensuite des paroles d’adultes ayant
été victimes d’inceste: “Ce que nous avons subi, en effet,
ne se limite pas à un acte ou à des acte(s) sexuel(s)
intrafamilial(aux) avec la circonstance aggravante qu’il
est commis par un ascendant”. L’oratrice relève à ce
propos qu’il n’y a pas seulement effraction du corps,
mais effraction de l’esprit, de la psyché et ce pour une
longue période de leur vie. Mme Bruyère ajoute que
l’inceste a des conséquences du point de vue éducatif,
c’est une éducation à la soumission. Une éducation à
se vivre comme un objet et non comme un sujet et à
répondre au désir de l’autre. C’est aussi une déperson
nalisation, une fusion/confusion, un conflit de loyauté,
une éducation au double discours, une altération de la
confiance dans les autres et dans la société, un pro
cessus de déshumanisation, une répétition mortifère
et un continuum des violences, une rencontre avec
l’indignité et l’inceste est aussi une absence de l’interdit
de l’inceste dans certaines familles et ce de manière
transgénérationnelle.
Quand l’inceste est révélé, la victime est généralement
ostracisée, exclue. Elle n’a plus de famille. C’est pour
toutes ces raisons que nous avons besoin d’un tiers
symbolique, la loi, qui signifie de manière explicite et
forte l’interdit de l’inceste.
Mme Astrid Bedoret rappelle qu’en 2008, pour la
première fois, Mme Lily Bruyère et Mme Janine Deckers,
pour l’ASBL SOS Inceste, tentaient de se faire entendre
dans le cadre d’une audition quant à la nécessité de
prévoir l’imprescriptibilité des faits constitutifs de l’inceste
et quant à la nécessité d’inscrire l’inceste dans le Code
pénal.
Entretemps, les oratrices et leurs équipes ont établi
des notes de réflexion, communiqué leurs points de vue
et participé à d’autres auditions, en commission de la
justice de la Chambre et au Parlement de la Région de
Bruxelles-Capitale. Des rencontres individuelles avec les
députés ont eu lieu. Des colloques ont été organisés afin
d’intégrer l’inceste dans le Code pénal et de la définir
comme une infraction pénale spécifique.
Selon elles, l’instant est solennel et mémorable puisque
les oratrices estiment enfin avoir été entendues: le
projet de loi, sous l’article 418/18, définit l’inceste sous
le titre des infractions aggravées. Au nom de ceux et
celles dont elles portent la voix, elles remercient les
parlementaires car le tabou est brisé. L’inceste est défini
dans le projet de loi comme un acte à caractère sexuel
135
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
incest te omschrijven als een seksuele daad die door
een naaste verwant op een minderjarige wordt gepleegd.
Terecht wordt ervan uitgegaan dat het slachtoffer niet
heeft ingestemd met de incest; die ontstentenis van
toestemming is onweerlegbaar. Het verbod op incest
moest duidelijk worden gesteld om er een onbetwistbaar
verbod van te maken. Er moest worden gesteld dat een
kind nooit de toestemming kan geven voor een seksuele
handeling met vader, moeder, grootvader, grootmoeder,
oom, tante, broer of zus als partner. Voor elke andere
seksuele handeling jegens een meerderjarige of gepleegd
door andere familieleden, alsmede voor eenieder die de
leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, zal het gebruik van de
definitie van het begrip “toestemming” de slachtoffers
helpen om het bestaan van een strafrechtelijk misdrijf
te doen gelden, in casu een van de misdrijven die als
een basismisdrijf worden aangemerkt.
Artikel 417/5 van het wetsontwerp beoogt te bepalen dat
de toestemming moet worden geuit. Doet het slachtoffer
dat niet, dan stemt het niet toe. Voor de spreekster is dat
een heuse kentering. Verkrachting en aantasting van de
seksuele integriteit gelden als bewezen feiten wanneer
het slachtoffer zwijgt omdat het bang is, zich niet durft
te verdedigen, slaapt of bewusteloos is.
Verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit
zijn bewezen wanneer het slachtoffer niet bij machte is
zijn of haar toestemming te uiten omdat het onder invloed
is van alcohol, verdovende middelen of psychotrope
stoffen, dan wel omdat het lichamelijke of mentaal zwak
is, waardoor het zich van de gestelde handeling geen
rekenschap kan geven of niet kan beslissen om aan die
handeling deel te nemen. Mevrouw Bedoret bevestigt dat
die definitie nauwkeurig genoeg is en dat de spreeksters
van SOS Inceste zich daarin kunnen vinden.
In het wetsontwerp wordt aangegeven dat die definitie
van toestemming neerkomt op een definitie van “toe
stemming inzake het seksueel zelfbeschikkingsrecht”.
Met dat concept “seksueel zelfbeschikkingsrecht” wordt
verwezen naar het recht van eenieder om controle te
hebben over het eigen seksuele leven. Het betreft het
vermogen en de mogelijkheid om keuzes te maken,
wars van de invloed van externe factoren. In het licht
van bepaalde misdrijven die zijn opgenomen in deze
ontworpen nieuwe strafrechtelijke bepalingen, vraagt
de spreekster zich af of het begrip “toestemming” niet
beter zou worden verruimd tot het respect van de per
soonlijke levenssfeer, en inzonderheid tot het respect
voor de seksuele intimiteit. In dat verband verwijst zij
naar voyeurisme en het verspreiden van beelden, zijnde
misdrijven die geen betrekking hebben op het stellen
commis sur un mineur par un parent proche. L’absence
de consentement à l’inceste est présumée et à juste
titre, cette absence de consentement est irréfragable.
Il fallait énoncer clairement l’interdit de l’inceste pour
en faire un interdit contestable. Il fallait énoncer qu’un
enfant ne peut jamais consentir à un acte sexuel avec
pour partenaire son père, sa mère, son grand-père, sa
grand-mère, son oncle, sa tante, son frère ou sa sœur.
Pour tout autre acte à caractère sexuel commis sur un
majeur ou commis par d’autres membres de la famille
ainsi que pour tous ceux qui étaient âgés de 18 ans,
l’utilisation de la définition du consentement aidera les
victimes à faire valoir l’existence d’une infraction pénale,
une de celles définies sous le titre des infractions de base.
Tel que défini dans le projet de loi sous l’article 417/5,
le consentement doit être exprimé. Si la victime ne
s’exprime pas, elle ne consent pas. Pour l’oratrice, il
s’agit d’une véritable révolution. Le viol et l’atteinte à
l’intégrité sexuelle sont établis lorsque la victime se tait
parce qu’elle a peur, parce qu’elle n’ose pas se défendre,
parce qu’elle dort ou parce qu’elle est inconsciente.
Le viol et l’atteinte à l’intégrité sexuelle sont établis
lorsque la victime n’est pas en mesure d’exprimer son
consentement parce qu’elle est sous l’influence de
l’alcool, de stupéfiants, de psychotropes ou parce qu’elle
est atteinte d’une fragilité physique ou mentale qui ne lui
permet pas de se rendre compte de l’acte réalisé ou de
décider de participer à cet acte. Mme Bedoret confirme
que cette définition est suffisamment précise et convient
aux intervenants de SOS Inceste.
Il est dit dans le projet de loi que cette définition du
consentement est une définition du “consentement à
l’autodétermination sexuelle”. Ce concept de l’autodé
termination sexuelle se réfère au droit de toute personne
à exercer un contrôle sur sa vie sexuelle. C’est la capa
cité et la possibilité de pouvoir exercer des choix sans
l’influence d’agents externes. Cependant, l’oratrice estime
que lorsqu’on pense à certaines infractions reprises
dans ce nouveau projet de droit pénal, elle se demande
s’il ne faudrait pas élargir la notion de consentement
au respect de la vie privée et plus particulièrement au
respect de l’intimité sexuelle. Elle cite les infractions de
voyeurisme et de diffusion d’images ne portant pas sur
la réalisation d’un acte sexuel. Évoquer pour ces infrac
tions un consentement à l’autodétermination sexuelle
ne lui semble dès lors pas approprié. Évoquer pour ces
2141/006
DOC 55
136
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van een seksuele handeling. Voor die misdrijven is het
volgens haar dan ook beter niet te verwijzen naar de
toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschik
kingsrecht, maar wel naar de toestemming met betrekking
tot het respect voor de persoonlijke levenssfeer en de
seksuele intimiteit.
Volgens mevrouw Bedoret moet het wetsontwerp de
verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames
als een misdrijf aanmerken in de gevallen waarin voor
de seksuele activiteit ter zake geen toestemming werd
gegeven. Ook in dezen meent SOS Inceste dat de
verspreiding ervan moet worden verboden en strafbaar
moet zijn.
Met betrekking tot de in onderafdeling 3 van het
wetsontwerp opgelijste misdrijven stelt mevrouw Bedoret
voor de term “seksueel misbruik” niet meer te gebruiken,
aangezien die de lading (helemaal) niet meer dekt. Die
term wordt inderdaad gebruikt in andere teksten, onder
meer in het Verdrag van de Raad van Europa inzake de
bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en
seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote), die dateert
van 25 oktober 2007. De vertegenwoordigster van SOS
Inceste werpt echter op dat het woord “misbruiken” de
betekenis heeft van “slecht, overmatig gebruiken”. Met
betrekking tot een persoon betekent “misbruiken” “een
persoon overmatig gebruiken”. Bij seksueel misbruik
kan onder geen beding ervan uit worden gegaan dat
het misdrijf bestaat het overmatig stellen van geoorloofd
gedrag, aangezien niet de buitensporigheid strafbaar is,
maar wel het gebruik zelf. Derhalve moet de voorkeur
worden gegeven aan het begrip “seksueel geweld of
seksuele agressie”, veeleer dan aan het begrip “seksueel
misbruik”, en aan “agressor” in plaats van “misbruiker”.
Tot slot zijn mevrouw Bedoret en haar teams tevreden
dat artikel 417/58 in het wetsontwerp wordt ingevoegd.
Op basis van dit artikel kan de rechter immers een
verblijfsverbod opleggen. Dit is een vooruitgang die de
incestslachtoffers bijzonder ten goede zal komen.
Mevrouw Lily Bruyère beschrijft enkele gevolgen
van incest: slaapstoornissen, eetstoornissen (anorexia,
boulimie), enuresis en encoprese, depressie, gedrags
stoornissen (alopecia, compulsieve zelfbevrediging
enzovoort), een gewijzigde perceptie van de werkelijk
heid, permanente vermoeidheid, chronische pijn, een
groeistilstand, slechte schoolresultaten, problemen met
de seksuele identiteit, doodsverachting enzovoort. Het
betreft een niet-limitatieve oplijsting.
Al deze symptomen worden beïnvloed door de iden
titeitscontext voorafgaand aan het trauma. De geschie
denis – over generaties heen – van personen die deel
infractions un consentement au respect de la vie privée
et à l’intimité sexuelle lui paraît adéquat.
Mme Bedoret estime aussi qu’il faut ajouter, dans
le projet de loi, une infraction au sujet de la diffusion
d’images et d’enregistrements à caractère sexuel lorsque
l’activité sexuelle présente dans ces images et enregis
trements n’est pas consentie. Dans ce cas aussi, SOS
Inceste estime que cette diffusion doit être interdite et
constituer une infraction pénale.
Quant aux infractions visées sous la sous-section 3 du
projet de loi, Mme Bedoret voudrait qu’on évite d’utiliser
le terme “abus sexuel” parce qu’il n’est pas, ou plus du
tout, approprié. Certes, ce terme est utilisé dans d’autres
textes et notamment dans la Convention du Conseil de
l’Europe sur la protection des enfants contre l’exploita
tion et les abus sexuels (Convention de Lanzarote) qui
date du 25 octobre 2007 mais la responsable de SOS
Inceste argue que le terme “abuser” signifie: user mal,
avec excès. S’agissant d’une personne, il consiste à
profiter avec exagération d’une personne. Dans le cas
de l’abus sexuel, il ne peut être question de considé
rer que l’infraction consiste dans l’exagération d’un
comportement autorisé car ce n’est pas l’excès qui est
punissable, mais l’usage lui-même. Il convient dès lors
de privilégier le terme “violence ou agression sexuelle”
à “abus sexuel” et le terme “agresseur” à “abuseur”.
Enfin, Mme Bedoret et ses équipes approuvent l’inser
tion de l’article 417/58 dans le projet de loi qui concerne
la possibilité pour le juge de prononcer une interdiction
de résidence. C’est une avancée très favorable aux
victimes d’inceste.
Mme Lily Bruyère décrit quelques conséquences
de l’inceste: des troubles du sommeil, des troubles
alimentaires (anorexie, boulimie), de l’énurésie et de
l’encoprésie, de la dépression, des troubles du compor
tement (l’alopécie, l’activité auto-érotique compulsive…),
une altération de la perception de la réalité, un état de
fatigue persistant, des douleurs chroniques, un arrêt
de croissance, des échecs scolaires…, des difficultés
identitaires au niveau sexuel, des comportements orda
liques… Cette liste est non exhaustive.
Tous ces symptômes sont fonction d’un contexte
identitaire qui existe avant le traumatisme. L’histoire
transgénérationnelle des individus qui font partie de la
137
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uitmaken van de familie, alsook hun onderlinge banden,
zijn elementen die een invloed hebben op hoe ze rea
geren als individu. Om die reden moet men voorzichtig
zijn en mogen die symptomen niet automatisch worden
gelinkt aan seksueel geweld.
Tijdens de adolescentie kunnen de symptomen erger
worden en worden aangevuurd door een laag zelfbeeld,
een hevige woede, alsook door schuld- en schaamte
gevoelens. Tijdens die periode wordt vastgesteld dat
de betrokkenen van huis weglopen, aan zelfverminking,
allerlei vormen van verslaving ontwikkelen en zelfmoord
pogingen ondernemen. Sommigen worden delinquent
en/of stappen in de prostitutie.
Het slachtoffer start zijn/haar volwassen leven in
overlevingsmodus. Bijna altijd spelen er schaamte- en
schuldgevoelens. Het posttraumatische geheugenverlies
en de verdringing van het seksueel geweld zijn processen
die het slachtoffer weliswaar in staat stellen te overleven,
maar die evenzeer kunnen beletten dat de feiten aan
het licht komen. Bij de verwerking van het trauma kan
het slachtoffer de feiten ook minimaliseren, ontkennen
en een gespleten persoonlijkheid ontwikkelen; dit zijn
verdedigingsmechanismen. Er kan depressie of psychi
sche decompensatie optreden. Affectieve en seksuele
problemen komen vaak voor. Het slachtoffer kan zijn/haar
hele leven lang last hebben van psychische gevolgen en
zware gezondheidsproblemen, zoals stressgerelateerde
hypertensie, spijsverteringsproblemen en -ziekten,
seksueel overdraagbare zieketen, genitale letsels en
letsels aan de urinewegen, die soms onomkeerbaar
zijn. Incest is een echt volksgezondheidsprobleem dat
dringend en op alle vlakken (maatschappelijk, medisch,
juridisch, educatief enzovoort) moet worden aangepakt.
Het seksueel geweld moet ter discussie worden ge
steld; inzicht in die problematiek is vereist. Alle actoren
in het veld moeten ervan bewust worden gemaakt. Er
moet worden ingezet op preventie en seksueel mis
bruikte kinderen moeten vroegtijdig worden geholpen,
om aldus de helse spiraal van seksuele mishandeling
en geweld proberen te doorbreken. Het is van cruciaal
belang dat het verbod op incest wordt opgenomen in
het Strafwetboek.
Incestslachtoffers moeten passende zorg krijgen en
in veiligheid worden gebracht. De slachtoffers moeten
worden geholpen en begeleid bij hun herstel door hen
juridisch te erkennen. Aldus kunnen zij hun verleden
helen en hun waardigheid terugvinden.
famille, les rapports que ceux-ci entretiennent les uns
avec les autres constituent des éléments qui viennent
influencer les réactions des individus. C’est la raison pour
laquelle il faut être prudent et ne pas établir d’automatisme
entre la survenue de ces symptômes et l’existence de
violences sexuelles.
Durant l’adolescence, les symptômes peuvent s’accen
tuer et être renforcés par une faible estime de soi, une
forte colère, des sentiments de culpabilité et de honte.
C’est durant cette période que l’on peut assister à des
passages à l’acte tels que des fugues, de l’automutilation,
des addictions diverses et des tentatives de suicide.
Certaines personnes pourront prendre le chemin de la
délinquance et /ou de la prostitution.
Ce sera en état de survie que la personne victime
aborde sa vie d’adulte. Les sentiments de honte et de
culpabilité sont presque toujours présents. L’amnésie
post-traumatique et le refoulement concernant les vio
lences sexuelles sont des processus qui permettent
à la victime de survivre, mais pourront empêcher la
révélation des faits passés. La minimisation des faits,
le clivage et le déni sont également des processus
défensifs utilisés par la victime face au traumatisme. La
dépression, des décompensations psychiques peuvent
se déclencher. Des difficultés affectives et sexuelles
sont fréquentes. Des séquelles physiques, de graves
problèmes de santé peuvent se manifester tout au long
de la vie: de l’hypertension liée à des problèmes de
stress, des troubles et des maladies du système digestif,
des maladies sexuellement transmissibles, des lésions
génitales et du système urinaire, parfois irréversibles.
L’inceste est un véritable problème de santé publique
qu’il est urgent de prendre en compte dans toutes ses
dimensions (sociale, médicale, juridique, éducative…).
S’interroger, comprendre, sensibiliser tous les acteurs
de terrain sur les questions de violences sexuelles.
Prévenir, intervenir de manière précoce auprès des
enfants victimes de sévices sexuels, afin de tenter
d’enrayer la spirale infernale des maltraitances et des
violences sexuelles et nommer l’interdit de l’inceste
dans le code pénal, est fondamental.
Apporter des soins appropriés aux victimes de l’inceste
et les mettre en sécurité. Aider et accompagner les
victimes dans leur reconstruction en les reconnaissant
sur le plan de la justice, c’est faire en sorte qu’elles et
ils restaurent leur histoire et recouvrent leur dignité.
2141/006
DOC 55
138
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Tussen al die onderling met elkaar verbonden pro
blematieken moeten bruggen worden gebouwd met het
oog op reflectie en interventie; alle vormen van geweld
houden immers onderling verband en overlappen elkaar.
Met het oog op een menselijke, humanistische en
rechtvaardiger samenleving waarin men ernaar streeft
eenieder met waardigheid en respect te behandelen,
moeten incest, pornografie, prostitutie, alle vormen van
seksuele uitbuiting en de commerciële uitbuiting van het
lichaam worden tegengegaan en verboden.
b. Uiteenzetting van mevrouw Saskia Kerkhofs en de
heer Tom Bauwens, vertegenwoordigers van de Orde
van Vlaamse Balies
Mevrouw Saskia Kerkhofs en de heer Tom Bauwens
overlopen de krachtlijnen van de schriftelijke nota van
de OVB die de commissieleden ter beschikking werd
gesteld.
Mevrouw Saskia Kerkhofs stipt aan dat het wetsontwerp
is opgebouwd rond vijf basismisdrijven: aantasting van
de seksuele integriteit, voyeurisme, al dan niet perfide
niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte
beelden en opnames, en verkrachting. Daarop volgen
de verzwaarde misdrijven. Het gaat daarbij steeds om
zogenaamde niet-consensuele seksuele handelingen die
een verzwaarde straf verdienen door de eigenschappen
van het slachtoffer of de positie waarin het zich bevindt.
De artikelen overlopen vervolgens telkens ieder (relevant)
basismisdrijf met de aangepaste, verzwaarde strafmaat.
De OVB erkent dat deze werkwijze een heldere op
bouw creëert, maar stelt vast dat die niet overal even
logisch en accuraat is uitgewerkt.
Het begrip seksuele handelingen
Bij de verzwaarde misdrijven in de ontworpen artike
len 14 tot 24 wordt steeds gewag gemaakt van seksu
ele handelingen. Dat impliceert dat voyeurisme en de
(perfide) verspreiding van seksueel getinte beelden en
opnames als seksuele handelingen op zichzelf worden
beschouwd. De memorie van toelichting bevestigt dat
alle basismisdrijven niet-consensuele seksuele hande
lingen viseren. De vraag is of dit conceptueel wel correct
is, zeker wat betreft de verspreiding van beelden. Die
beelden moeten uiteraard seksueel getint zijn, maar het
misdrijf op zich, de verspreiding, is vaak op zich geen
seksuele handeling. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken
aan de naaktfoto’s van enkele bekende Vlamingen die
eerder dit jaar de ronde deden.
Établir des ponts de réflexion et d’intervention entre
toutes ces problématiques qui sont liées entre elles car
toutes les violences se tiennent et se recoupent.
Dans une société qu’on souhaite humaine et humaniste
et plus juste, dans laquelle on aspire à ce que chacun et
chacune soient traité avec dignité et respect, l’inceste,
la pornographie, la prostitution et toutes les formes
d’exploitation sexuelles, la marchandisation des corps
devraient être combattus et proscrits.
b. Exposé de de Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom
Bauwens, représentants de l’Orde van Vlaamse Balies
Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom Bauwens passent
en revue les lignes directrices de la note écrite de l’OVB
mise à la disposition des membres de la commission.
Mme Saskia Kerkhofs souligne que le projet de loi
s’articule autour de cinq infractions de base, à savoir
l’atteinte à l’intégrité sexuelle, le voyeurisme, la diffusion
non consensuelle d’images et d’enregistrements à carac
tère sexuel et le viol, et les infractions aggravées. Il s’agit
toujours d’actes à caractère sexuel non consensuels qui
justifient une peine aggravée en raison des caractéris
tiques de leur victime ou de la position dans laquelle elle
se trouve. Les articles du projet de loi traitent ensuite
de chaque infraction de base (pertinente) séparément
et indiquent la peine aggravée correspondante.
L’OVB reconnaît que la structure ainsi mise en place est
claire mais observe qu’elle n’a pas été systématiquement
élaborée avec la même logique et la même précision.
La notion d’actes à caractère sexuel
Parmi les infractions aggravées visées dans les ar
ticles 14 à 24 en projet, il est toujours fait mention d’actes
à caractère sexuel. Cela implique que le voyeurisme et
la diffusion (perfide) d’images à caractère sexuel sont
considérés comme des actes à caractère sexuel en tant
que tels. L’exposé des motifs confirme que toutes les
infractions de base visent des actes à caractère sexuel
non consensuels. La question se pose de savoir si
c’est bien correct au niveau conceptuel, principalement
en ce qui concerne la diffusion d’images. Ces images
doivent évidemment avoir un caractère sexuel, mais
l’infraction en tant que telle, à savoir la diffusion, ne
constitue souvent pas un acte à caractère sexuel en
soi. On peut penser par exemple aux photos de nus de
quelques personnalités flamandes, qui ont fait le tour
de la toile plus tôt dans l’année.
139
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In het verlengde daarvan zou men zelfs kunnen stellen
dat de huidige formulering verwarrend is. De spreekster
neemt artikel 18 als voorbeeld. De tekst zou kunnen
impliceren dat de verspreiding van beelden betrekking
moet hebben op de seksuele daden die worden gepleegd
op de minderjarige, en niet enkel op het feit dat die min
derjarige persoon bijvoorbeeld naakt is. Hetzelfde kan
worden gezegd bij artikel 20. Men zou kunnen stellen
dat voyeurisme hier enkel gaat om het observeren van
incestueuze seksuele handelingen (bijvoorbeeld tussen
vader en dochter) in plaats van het observeren van een
in het artikel vermelde bloed- of aanverwant die ontbloot
is of een consensuele seksuele daad stelt.
Om deze voornamelijk wetgevingstechnische re
denen vraagt de OVB dat de wetgever de nodige
aanpassingen doorvoert. Zij stelt voor de “niet-con
sensuele seksuele handelingen” in de ontworpen artike
len 17 tot 19 en 22 tot 24 te vervangen door “de basismis
drijven zoals bepaald in de artikelen 417/7 tot 417/11 van
het Strafwetboek (…)”. Ter willekeurige illustratie zou dit
voor artikel 18 het volgende betekenen: “De basismis
drijven zoals bepaald in de artikelen 417/7 tot 417/11 van
het Strafwetboek gepleegd op een minderjarige die geen
volle zestien jaar oud is, worden als volgt bestraft: (…).”.
De ontworpen artikelen 20 en 21 inzake incest en
niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen
zijn licht anders geformuleerd omdat zij de begrippen
eerst nog definiëren. Zij hebben daarom een andere
aanpassing nodig.
Artikel 21, eerste lid, kan als volgt worden gewij
zigd: “De basismisdrijven zoals bepaald in de artike
len 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd door
een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande
of neerdalende lijn, door een bloedverwant of aanverwant
in de zijlijn tot en met de derde graad, door een partner
of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft
in het gezin van voornoemde personen, worden als volgt
bestraft: (…).”.
In aansluiting bij de uiteenzetting van de vorige
spreekster, meent de spreekster dat de introductie en
definitie van de term incest in artikel 20 echter extra
aandacht verdienen. Ook hier brengt het wetsontwerp
alle basismisdrijven onder deze term en viseert het bij
de bestraffing dus ook voyeurisme en verspreiding van
beelden. Incest wordt traditioneel nochtans gedefinieerd
als geslachtsgemeenschap en lijkt in elke interpretatie
minstens betrekking te hebben op concrete seksuele
handelingen op het slachtoffer.
De OVB voorziet in drie mogelijke oplossingen voor
het ontworpen artikel 20:
Dans le même ordre d’idées, on pourrait même consi
dérer que la formulation actuelle prête à confusion.
L’oratrice illustre ses propos avec l’article 18. Le texte
pourrait impliquer que la diffusion d’images doit porter
sur les actes à caractère sexuel qui sont commis sur le
mineur, et non seulement sur le fait que cette personne
mineure est, par exemple, nue. On peut étendre ce rai
sonnement à l’article 20. On pourrait considérer que le
voyeurisme consiste en l’espèce seulement à observer
des actes à caractère sexuel incestueux (par exemple
entre père et fille), plutôt qu’à observer un parent ou allié
mentionné dans l’article qui est dénudé ou qui pose un
acte à caractère sexuel consensuel.
Pour ces motifs essentiellement d’ordre légis
tique, l’OVB demande que le législateur apporte les
adaptations nécessaires. Il propose de remplacer les
“actes à caractère sexuel non consensuels” dans les
articles 17 à 19 et 22 à 24, en projet, par les “infractions de
base telles que visées dans les articles 417/7 à 417/11 du
Code pénal (…)”. À titre d’illustration, l’article 18 serait
alors rédigé comme suit: “Les infractions de base telles
que visées dans les articles 417/7 à 417/11 du Code
pénal commises sur un mineur âgé de moins de seize
ans accomplis sont punis comme suit: (…).”.
Les articles 20 et 21, en projet, concernant l’inceste et
les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consen
suels sont formulés légèrement différemment parce
qu’ils commencent par une définition des notions. Ils
nécessitent par conséquent une autre adaptation.
L’article 21, alinéa 1er, peut être modifié comme suit:
“Les infractions de base telles que visées dans les
articles 417/7 à 417/11 du Code pénal commises par
un parent ou allié ascendants ou descendants en ligne
directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu’au
troisième degré, par un partenaire ou toute autre personne
occupant une position similaire au sein de la famille
des personnes précitées sont punis comme suit: (…).”.
Dans le prolongement de l’exposé de l’oratrice précé
dente, l’oratrice estime que l’introduction et la définition
du terme “inceste” à l’article 20 méritent cependant qu’on
leur accorde plus d’attention. Là encore, le projet de loi
regroupe sous ce terme toutes les infractions de base
et, sur le plan des sanctions, vise donc également le
voyeurisme et la diffusion d’images. Cependant, l’inceste
est traditionnellement défini comme un rapport sexuel
et, quelle que soit l’interprétation, il semble se référer
au moins à des actes sexuels concrets commis sur la
victime.
L’OVB prévoit trois solutions possibles pour l’ar
ticle 20 en projet:
2141/006
DOC 55
140
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De term incest behouden en erg ruim definiëren,
zodat ook voyeurisme en de verspreiding van seksueel
getinte beelden hieronder vallen: “Onder incest wordt
begrepen de basismisdrijven zoals bepaald in de artike
len 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd op
een minderjarige (…)”. De juridische interpretatie wijkt
daarmee echter sterk af van de klassieke definitie van
incest en is daardoor niet bevorderlijk.
De term incest behouden, maar de basismisdrijven
voyeurisme en (perfide) verspreiding van seksueel getinte
beelden en opnames uit het artikel halen, naar analogie
met de artikelen 14 tot 16.
De term incest niet expliciet introduceren, en zich te
beperken tot: “De basismisdrijven zoals bepaald in de
artikelen 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd
op een minderjarige door een bloedverwant of aanver
want in de rechte opgaande lijn, door een bloedverwant
of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of
ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in
het gezin van voornoemde personen, worden als volgt
bestraft: (…).”.
De OVB merkt op dat de artikelen 20 en 21 de term
gezin gebruiken zonder definitie. Zij vindt deze term
beperkend, zeker aangezien incest vaak niet in een
klassieke “gezinsconstellatie” plaatsvindt. Een duidelijke
definiëring, ministens in de memorie van toelichting, is
dan ook vereist.
Proportionele strafmaat en relevantie van het
verzwarende karakter
Het bepalen van de strafmaat voor basis- en verzwaar
de misdrijven behoort tot de exclusieve bevoegdheid van
de wetgever. De OVB acht het echter wel noodzakelijk
dat de gekozen strafmaat bij de verschillende verzwaarde
misdrijven proportioneel is en op evenredige wijze is
afgestemd op die bij de basismisdrijven.
De OVB betwijfelt of dit steeds het geval is. Zo stelt
zij bijvoorbeeld vast dat voyeurisme bij ieder verzwa
rend misdrijf een strafmaat van 10 tot 15 jaar of zelfs
van 15 tot 20 jaar krijgt. De OVB acht dit sowieso een
disproportioneel zware straf voor de ruime definitie die
door het wetsontwerp aan voyeurisme wordt gegeven, en
vraagt zich ook af of dergelijke feiten (steeds) een even
hoge strafmaat verdienen als gevallen van aantasting
van de seksuele integriteit.
In verhouding tot andere straffen wordt het gebrek aan
evenredigheid alleen maar zichtbaarder. Voyeurisme met
verzwarende omstandigheden krijgt een even zware of
Conserver le terme “inceste” et le définir de manière
très large pour inclure le voyeurisme et la diffusion
d’images à caractère sexuel: “On entend par “inceste” les
infractions de base visées aux articles 417/7 à 417/11 du
Code pénal, commises sur un mineur (…)”. Cependant,
l’interprétation juridique sera alors très différente de
la définition classique de l’inceste, ce qui n’est pas
souhaitable.
Conserver le terme “inceste” mais retirer de l’article
les infractions de base que sont le voyeurisme et la
diffusion (perfide) d’images et d’enregistrements à
caractère sexuel, par analogie avec les articles 14 à 16.
Ne pas introduire explicitement le terme “inceste” et
se limiter à ce qui suit: “Les infractions de base visées
aux articles 417/7 à 417/11 du Code pénal, commises
sur un mineur par un parent ou allié ascendants en ligne
directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu’au
troisième degré, ou toute autre personne occupant une
position similaire au sein de la famille des personnes
précitées, sont punies comme suit:”.
L’OVB fait remarquer que les articles 20 et 21 utilisent
le terme “famille” sans le définir. Il trouve ce terme res
trictif, d’autant plus que l’inceste ne se déroule souvent
pas dans une “constellation familiale” classique. Une
définition claire, au moins dans l’exposé des motifs, est
donc nécessaire.
Proportionnalité du niveau des peines et pertinence
du caractère aggravant
Le législateur a une compétence exclusive pour déter
miner le niveau des peines pour les infractions de base
et les infractions aggravées. Toutefois, l’OVB estime
nécessaire que le niveau des peines choisies pour les
différentes infractions aggravées soit proportionnel et
aligné proportionnellement sur le niveau des peines
choisies pour les infractions de base.
L’OVB doute que ce soit toujours le cas. Ainsi, l’Ordre
constate par exemple que le voyeurisme donne lieu,
à chaque infraction aggravante, à une peine allant
de 10 à 15 ans d’emprisonnement, voire de 15 à 20 ans.
L’OVB estime en tout état de cause qu’il s’agit d’une
peine disproportionnellement lourde au regard de la
définition large que le projet de loi donne du voyeurisme
et se demande également si de tels faits méritent (tou
jours) un taux de peine aussi élevé qu’en cas d’atteinte
à l’intégrité sexuelle.
Par rapport à d’autres sanctions, le manque de pro
portionnalité n’en est que plus visible. Le voyeurisme
avec circonstances aggravantes est passible d’une
141
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zelfs zwaardere strafmaat dan een verkrachting zonder
verzwarende omstandigheden. Zonder de perversiteit
van voyeurisme te minimaliseren, zou iemand die een
ontbloot persoon zonder diens toestemming observeert
omdat die een vermeende band zou hebben met een
persoon ten aanzien van wie de dader vijandigheid koes
tert wegens politieke overtuiging, een gevangenisstraf
van 10 tot 15 jaar krijgen. Om dit in perspectief te plaatsen:
exhibitionisme in aanwezigheid van een minderjarige zal
worden bestraft met 6 maanden tot 3 jaar, het bezitten
en verwerven van beelden van seksueel misbruik van
minderjarigen met 1 tot 3 jaar, en zelfs het vervaardigen
of verspreiden van dergelijke beelden is beperkt tot een
gevangenisstraf van 5 tot 10 jaar. De OVB vraagt de
wetgever daarom met aandrang om de verschillende
strafmaten aan elkaar af te toetsen.
Daar komt nog eens bij dat sommige verzwaarde
misdrijven bezwaarlijk een verzwarend karakter hebben.
Op basis van artikel 17 zijn de misdrijven gepleegd op
personen van wie de kwetsbare toestand ten gevolge
van leeftijd of zwangerschap duidelijk was, verzwarende
misdrijven. Zwangerschap is ongetwijfeld een kwetsbare
toestand en een verzwarende omstandigheid bij aan
tasting van de seksuele integriteit of bij verkrachting,
maar is dat ook het geval bij voyeurisme? Nochtans
zou dat (aanzienlijk) zwaarder worden gestraft dan een
verkrachting zonder verzwarende omstandigheden.
Hetzelfde geldt voor de leeftijd. De ontworpen arti
kelen 18 en 19 regelen de niet-consensuele seksuele
handelingen op minderjarigen die respectievelijk niet en
wel de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Vermits min
derjarigen reeds door deze specifieke bepalingen extra
worden beschermd, vraagt de OVB zich af of leeftijd nog
een relevante kwetsbaarheidsfactor is die moet worden
vermeld in artikel 17, opnieuw in het bijzonder voor voyeu
risme en de verspreiding van seksueel getinte beelden.
Zij ziet immers geen reden om hier een onderscheid te
maken tussen een 20-jarig en een 60-jarig slachtoffer.
Een laatste voorbeeld om het verzwarende karakter
van sommige misdrijven in perspectief te plaatsen,
heeft betrekking op artikel 24. De hulp of aanwezigheid
van andere personen neemt uiteraard verzwarende
proporties aan bij verkrachting, maar de OVB ziet niet
hoe de verspreiding van seksueel getinte beelden een
(dermate) verzwarend misdrijf kan zijn louter omwille
van de betrokkenheid van één of meer personen bij
dat feit op zich.
peine tout aussi lourde, voire plus lourde, qu’un viol sans
circonstances aggravantes. Sans vouloir minimiser la
perversité du voyeurisme, quelqu’un qui observe une
personne dénudée sans son consentement parce que
celle-ci aurait un prétendu lien avec une personne à
l’égard de laquelle l’auteur éprouverait de l’hostilité pour
des raisons de conviction politique serait passible d’une
peine d’emprisonnement de 10 à 15 ans. Pour mettre
ce point en perspective: l’exhibitionnisme en présence
d’un mineur sera puni d’un emprisonnement de six mois
à trois ans, la détention et l’acquisition d’images d’abus
sexuels de mineurs seront punies d’un emprisonnement
de un à trois ans et même la production ou la diffusion
de telles images sont passibles d’une peine d’emprison
nement n’allant pas au-delà de cinq à dix ans. L’OVB
demande donc instamment au législateur de mettre en
regard les différents taux de peine.
À cela s’ajoute encore le fait que certaines infractions
aggravantes ont difficilement un caractère aggravant.
En vertu de l’article 17, les infractions commises sur des
personnes dont la situation de vulnérabilité en raison
de leur âge ou d’un état de grossesse était manifeste
constituent des infractions aggravantes. Une grossesse
constitue incontestablement une situation de vulnéra
bilité et une circonstance aggravante en cas d’atteinte
à l’intégrité sexuelle ou en cas de viol, mais cela est-il
également vrai dans le cas du voyeurisme? Or, celui-ci
serait puni (beaucoup) plus lourdement qu’un viol sans
circonstances aggravantes.
La même observation vaut pour l’âge. Les ar
ticles 18 et 19 en projet régissent les actes sexuels non
consensuels commis sur des mineurs, respectivement
de moins de 16 ans ou qui ont atteint l’âge de 16 ans
accomplis. Les mineurs bénéficiant déjà d’une protection
supplémentaire en raison de ces dispositions spécifiques,
l’OVB se demande si l’âge est encore un facteur de vul
nérabilité pertinent qui doit être mentionné à l’article 17,
de nouveau notamment dans le cas du voyeurisme et
de la diffusion d’images à caractère sexuel. L’Ordre ne
voit en effet aucune raison d’opérer, en l’espèce, une
distinction entre une victime âgée de 20 ans et une
victime qui en a 60.
Un dernier exemple pour mettre en perspective le
caractère aggravant de certaines infractions concerne
l’article 24. L’assistance ou la présence d’autres per
sonnes prend évidemment des proportions aggravantes
en cas de viol, mais l’OVB ne voit pas comment la
diffusion d’images à caractère sexuel peut constituer
une infraction aggravante du seul fait de la participation
d’une ou plusieurs personnes à l’acte lui-même.
2141/006
DOC 55
142
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Tom Bauwens benadrukt dat iemand die een
ontbloot persoon zonder diens toestemming observeert
omwille van diens politieke overtuiging een gevange
nisstraf kan oplopen van 10 tot 15 jaar. Een persoon
die pedofiele beelden vervaardigt, kan daarentegen
een gevangenisstraf oplopen van 5 tot 10 jaar. Dit kan
volgens de OVB niet de bedoeling zijn. De situatie is
vandaag al zo en leidt tot schrijnende toestanden die
maatschappelijk gezien niet correct zijn. De straffen
moeten op elkaar worden afgestemd. Terzelfdertijd moet
de vraag worden gesteld of voyeurisme op zich met een
verzwarende omstandigheid, waarvan de definitie ruim
is opgevat, wel een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar
vereist. De zaken moeten volgens de spreker tot hun
juiste proporties worden herleid.
Er worden in het wetsontwerp veel inspanningen ge
leverd om op een coherente wijze veel feiten te viseren
en te definiëren. Bij het formuleren van de strafmaten
is de logica evenwel soms zoek.
De spreker kan zich niet vinden in de oproep van
mevrouw Bedoret om binnen het straffenarsenaal dat
de rechter ter beschikking staat, ook in een plaatsver
bod te voorzien. Iemand die het slachtoffer is van een
bepaalde graad van seksuele handelingen, die effectief
een plaatsverbod zou willen en die vandaag in Luik
woont, zal aldus een vonnis verkrijgen dat voorziet in
een plaatsverbod wat Luik betreft. Als de dader evenwel
na 5 jaar vrijkomt, is het best mogelijk dat het slachtoffer
niet meer in Luik woonachtig is. Het is eerder aangewe
zen op het ogenblik dat het risico van integratie opnieuw
bestaat te oordelen overeenkomstig de wens van het
slachtoffer en de actuele situatie. Hij pleit er dan ook
voor om in het Strafwetboek geen straffen op te nemen
die in de strafuitvoering thuishoren.
Met betrekking tot het ontworpen artikel 5 van het
wetsontwerp merkt de spreker op dat de OVB voor
stander is van de striktere herdefiniëring van het begrip
toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschik
kingsrecht. Desalniettemin zijn er enkele opmerkingen
bij de voorgestelde definitie te maken. De spreker geeft
het voorbeeld van de notie “waardoor de vrije wil is aan
getast”. De aangehaalde oorzaken laten erg veel ruimte
tot casuïstiek. Noties zoals angst of invloed van alcohol
zijn uiterst subjectieve toestanden of gevoelens die de
deur openzetten voor discussie. De OVB begrijpt dat de
indieners zo veel mogelijk situaties willen dekken die de
vrije wil kunnen aantasten, maar vraagt zich af of dit niet
net tot een beperking van de toepassingsvoorwaarden
kan leiden. Er kan derhalve worden overwogen om op
niet-limitatieve wijze een aantal situaties aan te merken
in de memorie van toelichting (zoals deze thans vervat
zijn in het artikel), maar om de bepaling zelf kernachtig
te beperken tot: “Toestemming is er evenmin wanneer
M. Tom Bauwens souligne qu’une personne qui
observe une personne dénudée sans son consentement
en raison de ses convictions politiques peut encourir
une peine de prison de 10 à 15 ans. Une personne qui
produit des images pédophiles, en revanche, encourt
une peine de prison de 5 à 10 ans. Selon l’OVB, tel ne
saurait être l’objectif. Tel est pourtant le cas aujourd’hui
et cela conduit à des situations pénibles qui ne sont pas
socialement correctes. Les peines doivent être harmoni
sées. En même temps, il faut se demander si le voyeu
risme en lui-même, avec une circonstance aggravante
interprétée de manière large, mérite une peine de prison
de 15 à 20 ans. Selon l’orateur, les choses doivent être
ramenées à leurs justes proportions.
Dans le projet de loi, beaucoup d’efforts ont été faits
pour viser et définir de nombreux faits de manière cohé
rente. Cependant, la logique fait parfois défaut lorsqu’il
s’agit de formuler les peines.
L’orateur ne souscrit pas à la demande de Mme Bedoret
d’inclure une interdiction de lieu dans l’éventail des sanc
tions mis à la disposition du magistrat. En effet, la victime
de certains faits sexuels, qui souhaite effectivement une
interdiction de lieu et qui habite Liège aujourd’hui, rece
vra un jugement prévoyant une interdiction de lieu pour
ce qui concerne Liège. Toutefois, si l’auteur est libéré
après cinq ans, il est possible que la victime n’habite
plus à Liège. Il convient plutôt de statuer en fonction
des souhaits de la victime et de la situation actuelle au
moment où existe de nouveau le risque d’intégration.
L’orateur plaide dès lors pour ne pas faire figurer dans
le Code pénal des peines qui relèvent de l’exécution
de la peine.
S’agissant de l’article 5 du projet de loi à l’examen,
l’orateur souligne que l’OVB est favorable à la redéfinition
plus stricte de la notion de consentement dans l’exercice
du droit à l’autodétermination sexuelle. Néanmoins, il
convient de formuler certaines observations à propos
de la définition proposée. L’orateur prend l’exemple de
la notion “d’altération du libre arbitre”. Les motifs avan
cés laissent énormément de marge à la casuistique,
des notions comme la peur ou l’influence de l’alcool
constituant des états ou des sentiments extrêmement
subjectifs qui ouvrent la porte aux discussions. Si l’OVB
comprend que les auteurs du projet de loi à l’examen
entendent couvrir le plus grand nombre possible de
situations pouvant altérer le libre arbitre, il se demande
néanmoins si cette volonté ne débouchera pas justement
sur une limitation des conditions d’application de ladite
notion. On pourrait dès lors envisager de mentionner
de manière non exhaustive plusieurs situations dans
l’exposé des motifs (comme celles-ci figurent en l’état
143
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de seksuele handeling is gepleegd op iemand die in
een kwetsbare toestand verkeert waardoor de vrije wil
is aangetast”. De OVB pleit ervoor de strafbepalingen
zelf tot hun essentie te herleiden.
Onder het ontworpen artikel 8 wordt de aantasting
van de seksuele integriteit gedefinieerd als het stellen
van een seksuele handeling op een persoon. De OVB
meent dat de draagwijdte van het begrip handeling in de
memorie van toelichting moet worden afgelijnd. Viseert
men daarbij ook (vunzige) gebaren, woorden, nafluiten
enzovoort?
Voorts pleit de OVB voor een andere formulering
van de aantasting van de seksuele integriteit in het
eerste lid. Het zinsdeel “die daar niet in toestemt” kan
in de huidige opbouw voor verwarring zorgen. Uit de
memorie van toelichting volgt dat het niet alleen kan gaan
om niet-consensuele handelingen die op de persoon
van het slachtoffer worden gepleegd, maar ook om de
niet-consensuele seksuele handelingen die door het
slachtoffer verplicht op de persoon van de dader of van
een derde worden gepleegd (bijvoorbeeld opgedragen
worden zich te masturberen). Ten slotte kan het ook
dat de dader een derde verplicht seksuele handelingen
op het slachtoffer te verrichten. De memorie besluit op
dit punt dat de derde moet worden beschouwd als een
persoon die een seksuele handeling stelt die daar niet
in toestemt.
Op basis daarvan stelt de OVB voor het ontworpen
artikel 8, eerste lid, duidelijker te formuleren als volgt:
“Aantasting van de seksuele integriteit is:
— het stellen van een seksuele handeling op een
persoon die daar niet in toestemt, al dan niet met behulp
van een derde persoon die daar niet in toestemt, dan wel
— het laten stellen van een seksuele handeling door
een persoon die daar niet in toestemt.”
Onder het ontworpen artikel 9 wordt voyeurisme ge
definieerd. Het artikel, zoals thans opgesteld in ruime
zin, impliceert dat ook foto’s genomen van personen die
gesluierd door het leven wensen te gaan, doch het haar
hebben ontbloot, onder de strafbaarstelling kunnen vallen.
Indien dit een bewuste keuze van de wetgever is, acht
de OVB het aangewezen dit ook zo aan te geven in de
memorie van toelichting. Indien de wetgever dergelijke
situaties, die in essentie niet onder de maatschappelijke
benadering van voyeurisme vallen, wenst uit te sluiten,
moet het artikel beperkter worden geformuleerd.
dans l’article), mais de faire preuve de concision en
limitant la disposition en elle-même à la formulation sui
vante: “Il n’y a pas davantage de consentement lorsque
l’acte à caractère sexuel a été commis sur une personne
en situation de vulnérabilité qui altère son libre arbitre”.
L’OVB plaide pour que la formulation des dispositions
pénales proprement dites soient ramenées à l’essentiel.
L’article 8 du projet de loi à l’examen définit l’atteinte à
l’intégrité sexuelle comme l’accomplissement d’un acte
sexuel sur une personne. L’OVB estime que la portée de
la notion d’acte devrait être précisée dans l’exposé des
motifs. En effet, vise-t-on également les gestes, propos,
sifflements, etc. (obscènes) dans ce cadre?
Ensuite, l’OVB plaide pour une reformulation de
la notion d’atteinte à l’intégrité sexuelle figurant dans
l’alinéa 1er, le membre de phrase “qui n’y consent pas”
pouvant être source de confusion dans la construction
actuelle de l’article. Il ressort de l’exposé des motifs
qu’une atteinte à l’intégrité physique vise non seulement
les actes à caractère sexuel non consensuels qui sont
commis sur la personne de la victime, mais également
les actes à caractère sexuel non consensuels imposés
à la victime sur la personne de l’auteur ou d’un tiers (par
exemple, l’ordre de se masturber). Enfin, l’auteur peut
aussi obliger un tiers à accomplir des actes sexuels
sur la victime. L’exposé des motifs conclut que, dans
ce cas précis, le tiers doit être considéré comme une
personne qui commet un acte à caractère sexuel qu’il
n’a pas consenti.
Sur la base de ces éléments, l’OVB propose de clarifier
l’article 8 en projet en le formulant comme suit:
“L’atteinte à l’intégrité sexuelle consiste:
— à accomplir un acte à caractère sexuel sur une
personne qui n’y consent pas, avec ou sans l’aide d’un
tiers qui n’y consent pas, ou
— à faire exécuter un acte à caractère sexuel par une
personne qui n’y consent pas.”
La notion de voyeurisme est définie à l’article 9 en
projet. Dans sa formulation large actuelle, l’article im
plique que le fait de prendre en photo des personnes
qui souhaitent vivre voilées, mais qui ont dénudé leurs
cheveux, peut également tomber sous l’incrimination.
S’il s’agit d’un choix délibéré du législateur, l’OVB estime
qu’il convient de l’indiquer dans l’exposé des motifs.
Si le législateur souhaite exclure ces situations qui,
par essence, ne relèvent pas de l’approche sociale du
voyeurisme, l’article doit être formulé de manière plus
restrictive.
2141/006
DOC 55
144
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het verschil in benadering tussen de ontworpen arti
kelen 9 en 10 is bovendien weinig coherent.
Mevrouw Saskia Kerkhofs geeft het voorbeeld van
het nemen van een selfie voor Instagram bij de kapper
waarbij in de achtergrond ook het beeld van een nor
maliter gesluierde vrouw, doch nu ongesluierd, wordt
vastgelegd. Ook deze handeling valt onder het toepas
singsgebied van het ontworpen artikel 9.
De heer Tom Bauwens stelt met enige verbazing vast
dat de term “perfide” voor het eerst in het Belgisch straf
recht, in het ontworpen artikel 11, wordt geïntroduceerd,
naar de gelijknamige Franse term. Volgens Van Dale
betekent perfide “trouweloos” of “verraderlijk”, termen
die de notie niet dekken. In essentie lijkt het gebruik van
de term overbodig nu het artikel zelf de lading dekt, na
melijk handelen met kwaadwillig opzet of uit winstbejag.
De term komt diverse malen terug (steeds bij de
verzwaarde misdrijven). De OVB acht het aangewezen
deze overal te schrappen en te vertrekken van noties
die in het strafrecht wél een juridische draagwijdte en
betekenis hebben, met name “kwaadwillig opzet of uit
winstbejag”.
Het ontworpen artikel 22 neemt de verzwarende dis
criminatiegronden van het huidige artikel 377bis van het
Strafwetboek over en innoveert deze op enkele punten.
De vernieuwde lijst is een kopie van artikel 78 uit het
ontwerp van nieuw Strafwetboek, dat een overkoepelende
bepaling wil zijn voor alle in het wetboek omschreven
misdrijven. Vermits het seksueel strafrecht vroegtijdig
en afzonderlijk wordt vernieuwd, moeten de geüpdatete
discriminerende drijfveren worden opgesomd in het
onderhavige artikel.
Als gevolg hiervan ontstaat een ongefundeerde dis
crepantie tussen de discriminatiegronden voor seksuele
misdrijven en die voor andere misdrijven in het huidige
Strafwetboek. Dit is zeker het geval voor het laatste lid,
waarbij het toepassingsgebied van het verzwarende
bestanddeel wordt uitgebreid tot feiten waarin één van de
drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een
(vermeende) band heeft met een persoon ten aanzien van
wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens
één of meer van de opgesomde discriminatiegronden.
Bovendien betekent de volledige overname van alle
discriminerende drijfveren uit het overkoepelende artikel
voor het nieuwe Strafwetboek dat sommige van de opge
somde discriminatiegronden weinig tot geen relevantie
hebben in het seksueel strafrecht. Een verkrachting uit
La différence d’approche entre les articles 9 et 10 en
projet est de surcroît peu cohérente.
Mme Saskia Kerkhofs donne l’exemple de la prise
d’un selfie pour Instagram chez le coiffeur, où l’image
d’une femme normalement voilée, mais non voilée à
ce moment, est également capturée en arrière-plan.
Cet acte relève également du champ d’application de
l’article 9 en projet.
M. Tom Bauwens constate avec une certaine sur
prise que le terme néerlandais “perfide” est introduit
pour la première fois dans le droit pénal belge, dans
l’article 11 en projet, en regard du terme français simi
laire. Selon Van Dale, perfide signifie “trouweloos”
(“traître, félon”) ou “verraderlijk” (“traître”), des termes
qui ne correspondent pas exactement à la notion. En
fait, l’utilisation de ce terme semble superflue dès lors
que l’article lui-même explicite la notion, à savoir agir
avec une intention méchante ou dans un but lucratif.
Le terme revient à plusieurs reprises (toujours pour
les infractions aggravées). Pour l’OVB, il s’indique de
supprimer ce terme partout et de partir de notions qui
ont une portée juridique et une signification en droit
pénal, à savoir “avec une intention méchante ou dans
un but lucratif”.
L’article 22 en projet reprend les motifs de discrimi
nation aggravants de l’actuel article 377bis du Code
pénal et innove sur plusieurs points à leur égard. La
liste révisée reproduit l’article 78 du projet de nouveau
Code pénal, qui entend être une disposition générale
incluant toutes les infractions décrites dans le Code. Dès
lors que le droit pénal sexuel est révisé anticipativement
et séparément, les mobiles discriminatoires actualisés
doivent être énumérés dans l’article à l’examen.
Cela crée dès lors une différence non fondée entre les
motifs de discrimination pour les infractions sexuelles et
les motifs de discrimination concernant d’autres infractions
prévues dans le Code pénal actuel. C’est certainement
le cas pour le dernier alinéa, où le champ d’application
de la circonstance aggravante est élargi aux faits dans
lesquels l’un des mobiles de l’auteur réside dans le fait
que la victime a un lien (ou un lien présumé) avec une
personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du
mépris ou de l’hostilité en raison d’un ou de plusieurs
des motifs de discrimination énumérés.
En outre, la reprise intégrale de tous les mobiles dis
criminatoires de l’article général précité signifie pour le
nouveau Code pénal que certains des motifs de discri
mination énumérés ne sont guère voire pas pertinents
à l’égard du droit pénal sexuel. À ce jour, il y a, parmi
145
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
misprijzen van een persoon wegens diens syndicale
overtuiging maakt vooralsnog een minderheid van de
seksuele geweldsdelicten uit...
Deze opmerkingen zijn ook relevant voor de ontworpen
artikelen 58 en 64, zij het dat de drijfveren daar enkel
een verzwarende factor zouden zijn waarmee de rechter
rekening zou moeten houden (zie ook artikel 26).
Mevrouw Saskia Kerkhofs merkt op dat de OVB sterk
gekant is tegen het ontworpen artikel 26. Ten eerste
kan en zal de rechter altijd met individuele situaties
rekening houden. De wetgever kan ervoor opteren
om aan bepaalde omstandigheden direct een hogere
strafmaat te koppelen, maar wanneer hij dit niet doet,
behoort de beoordeling tot de appreciatiemarge van de
rechterlijke macht.
Ten tweede wordt opgemerkt dat er plots sprake is
van bloed- en aanverwantschap tot in de vierde graad.
De memorie van toelichting argumenteert nochtans
dat men bij de diverse intrafamiliale misdrijven bewust
kiest voor de derde graad. Deze keuze wijkt af van alle
benaderingen in het strafrecht en het burgerlijk recht en
zou derhalve moeten worden geduid.
Hetzelfde geldt ten slotte voor de leeftijd beneden
tien jaar, waarmee de rechter ook plots rekening moet
houden. Deze leeftijdsgrens wordt nergens elders in de
wet gehanteerd.
Om deze redenen meent de OVB dat dit artikel in zijn
huidige vorm uit het wetsontwerp zou moeten worden
verwijderd.
Deze opmerkingen zijn ook (gedeeltelijk) van toepas
sing op de artikelen 58 en 64, die eveneens zouden
moeten worden geschrapt.
Inzake femicide heeft de OVB het er principieel moeilijk
mee dat een moord op een vrouw zwaarder zou worden
bestraft dan een moord op een man. Dit druist niet alleen
in tegen alle termen van gelijkheid en maatschappij,
daarenboven zijn heden ten dage de termen “man” en
“vrouw” achterhaald. Wat met personen in transitie? Een
dergelijke wettelijke bepaling zou haar doel voorbijschie
ten omdat veel situaties uit de boot vallen.
De heer Tom Bauwens begrijpt dat men vanuit een
politieke positie bepaalde signalen wil geven. Maar een
strafwet is er om repressief op te treden en niet om een
signaal te geven.
Wat de ontworpen artikelen 30 tot 47 betreft, stipt
de spreker aan dat (behoudens vergissing) het begrip
les délits de violence à caractère sexuel, peu de viols
commis par mépris à l’égard d’une personne en raison
de ses convictions syndicales...
Ces observations sont également pertinentes à l’égard
des articles 58 et 64 en projet, si ce n’est que les mobiles
ne seraient dans ce cas qu’un facteur aggravant dans
ces articles dont le juge devrait tenir compte (voir éga
lement l’article 26).
Mme Saskia Kerkhofs fait observer que l’OVB est
fermement opposé à l’article 26 en projet. Premièrement,
le juge peut toujours et il tiendra toujours compte des
situations individuelles. Le législateur peut choisir d’asso
cier directement des peines plus lourdes à certaines
circonstances mais s’il ne le fait pas, l’évaluation relèvera
de la marge d’appréciation du pouvoir judiciaire.
Deuxièmement, il est signalé qu’il est soudainement
question d’un lien de parenté ou d’alliance jusqu’au
quatrième degré. Or, l’exposé des motifs indique que le
troisième degré est sciemment choisi en ce qui concerne
les diverses infractions intrafamiliales. Ce choix déroge
à toutes les approches dans le droit pénal et le droit civil
et devrait dès lors être précisé.
Enfin, il en va de même pour la limite d’âge de moins
de dix ans dont le juge devra aussi subitement tenir
compte. Cette limite d’âge n’est appliquée nulle part
ailleurs dans la loi.
C’est pourquoi l’OVB estime que, sous sa forme
actuelle, cet article devrait être supprimé du projet de loi.
Ces observations s’appliquent également (en par
tie) aux articles 58 et 64, qui devraient également être
supprimés.
En ce qui concerne le féminicide, l’OVB peut difficile
ment accepter, par principe, que le meurtre d’une femme
soit plus lourdement puni que le meurtre d’un homme.
Outre que c’est contraire à tous les principes d’égalité et
de société, les mots “homme” et “femme” sont aujourd’hui
dépassés. Qu’adviendra-t-il des transsexuels? Cette
disposition légale manquerait son objectif car nombre
de situations ne seraient pas prises en compte.
M. Tom Bauwens comprend que l’on veuille envoyer
certains signaux pour des raisons politiques, mais observe
que la loi pénale a pour but d’intervenir de manière
répressive et non d’envoyer des signaux.
En ce qui concerne les articles 30 à 47 en projet, l’ora
teur souligne que, sauf erreur, la notion de “débauche”
2141/006
DOC 55
146
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“ontucht” nergens wordt gedefinieerd. A. De Nauw schrijft
hierover dat ontucht een ruimere betekenis heeft dan
prostitutie en dat de rechtspraak niet steeds eensluidend
is bij de interpretatie van dit begrip. Zo wordt de duur
zame relatie of het samenwonen van een minderjarige
ouder dan zestien jaar met een leeftijdsgenoot of met
een meerderjarige niet altijd als ontuchtig gekwalifi
ceerd. Recent werd een moeder die toeliet dat haar
veertienjarige dochter seksuele betrekkingen had met
haar meerderjarige vriend, dan weer schuldig geacht
aan het opwekken, begunstigen of vergemakkelijken
van ontucht in de zin van artikel 379, tweede lid, van
het Strafwetboek1.
Om te voorkomen dat rechters op dit vlak een te grote
beoordelingsvrijheid krijgen, hetgeen op gespannen
voet staat met het legaliteitsbeginsel, vindt de OVB dat
het begrip ontucht in de wet moet worden verduidelijkt.
Wat het ontworpen artikel 50 betreft, vraagt de OVB
het begrip “primair” te verduidelijken in de context van
“primaire seksuele doeleinden”. In de memorie van
toelichting wordt enkel toegelicht wat wordt bedoeld
met primaire sexting.
In het bijzonder wat het ontworpen artikel 95 betreft:
in artikel 458bis van het Strafwetboek zullen de oude
artikelen met betrekking tot zedenfeiten worden vervangen
door de nieuwe. Die bepaling stelt dat eenieder die over
een beroepsgeheim beschikt en kennis heeft van welbe
paalde misdrijven, dit in bepaalde omstandigheden toch
ter kennis kan brengen van de procureur des Konings.
Bij arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013 heeft
het Grondwettelijk Hof artikel 6 van de wet van 30 no
vember 2011, dat artikel 458bis van het Strafwetboek had
ingevoegd, vernietigd in zoverre het van toepassing is op
de advocaat die houder is van vertrouwelijke informatie
van zijn cliënt wanneer die informatie mogelijkerwijs
incriminerend is voor die cliënt.
De OVB beveelt aan deze belangrijke nuance op te
nemen in de memorie van toelichting.
Tot slot merkt de spreker op dat op 19 juli 2021 het
langverwachte wetsontwerp houdende wijzigingen aan het
Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht
(DOC 55 2141/001) werd ingediend. Het wetsontwerp
beoogt het seksueel strafrecht te moderniseren. De wij
zigingen die in de loop der jaren in het Strafwetboek zijn
doorgevoerd, zijn namelijk fragmentarisch en inconsistent.
1
A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen,
Wolters Kluwer, 2020, nr. 250.
n’est définie nulle part. A. De Nauw écrit à ce propos
que le mot “débauche” a un sens qui va au-delà de la
prostitution et que la jurisprudence n’est pas toujours
unanime au sujet de l’interprétation de cette notion. La
relation durable ou la cohabitation d’un mineur de plus de
seize ans avec une personne du même âge ou avec un
majeur n’est pas toujours considérée comme une forme
de débauche. Récemment, une mère ayant autorisé sa
fille de quatorze ans à avoir des rapports sexuels avec
son ami majeur a cependant été jugée coupable d’avoir
excité, de favorisé ou facilité la débauche au sens de
l’article 379, alinéa 2, du Code pénal.1
Pour éviter de donner aux juges un trop grand pou
voir d’appréciation en ce domaine, ce qui est contraire
au principe de légalité, l’OVB estime que la notion de
“débauche” doit être précisée dans la loi.
En ce qui concerne l’article 50 proposé, l’OVB demande
une clarification du terme “principalement” dans l’expres
sion “à des fins principalement sexuelles”. L’exposé
des motifs explicite seulement ce que l’on entend par
“sexting primaire”.
Tout particulièrement en ce qui concerne l’ar
ticle 95 proposé. À l’article 458bis du Code pénal,
les anciens articles relatifs aux faits de mœurs seront
remplacés par les nouveaux. Cette disposition prévoit
que toute personne qui est dépositaire d’un secret
professionnel et a de ce fait connaissance de certaines
infractions, peut, dans certaines circonstances, le porter
à la connaissance du procureur du Roi.
Par son arrêt n° 127/2013 du 26 septembre 2013,
la Cour constitutionnelle a annulé l’article 6 de la loi
du 30 novembre 2011, qui avait inséré l’article 458bis
du Code pénal, en ce qu’il s’applique à l’avocat déposi
taire de confidences de son client, auteur de l’infraction
qui a été commise au sens de cet article, lorsque ces
informations sont susceptibles d’incriminer ce client.
L’OVB recommande d’intégrer cette importante nuance
dans l’exposé des motifs.
Enfin, l’orateur note que le projet de loi tant attendu
modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal
sexuel a été déposé le 19 juillet 2021 (DOC 55 2141/001).
Ce projet de loi vise à moderniser le droit pénal sexuel.
Les modifications qui ont été apportées au Code pénal
au fil des ans sont fragmentaires et incohérentes.
1
A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Malines, Wolters
Kluwer, 2020, nr. 250.
147
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De OVB juicht dit initiatief toe, maar heeft niettemin
een aantal grote en minder grote bezwaren en opmer
kingen. Zij hoopt dat het wetsontwerp met de hulp van
de geformuleerde artikelsgewijze commentaar voort
kan worden verfijnd.
Het ter bespreking voorliggende wetsontwerp bouwt
voort op de werkzaamheden van de commissie voor de
hervorming van het strafrecht, die tijdens de vorige zit
tingsperiode werd opgericht om een nieuw Strafwetboek
op te stellen. Het is een aangepaste versie van het
daarin voorgestelde Boek 2, Titel 2, Hoofdstuk 3, ge
titeld “Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het
seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden”
(DOC 55 0417/001). De OVB voorzag die tekst eerder
al van advies.
In afwachting van de afwerking, de goedkeuring
en de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek
werd beslist het seksueel strafrecht alvast in het huidig
Strafwetboek op te nemen. Hoewel de OVB deze keuze
begrijpt, hoopt zij dat de beslissing niet impliceert dat de
grotere hervorming voor onbepaalde duur wordt uitge
steld. De broodnodige modernisering van niet enkel het
volledige strafrecht, maar ook van het strafprocesrecht,
laat immers al veel te lang op zich wachten.
c. Uiteenzetting van mevrouw Miriam Ben Jattou,
voorzitster van Femmes de droit – Droits des femmes
Mevrouw Miriam Ben Jattou onderstreept de rol van
woorden en van woordgebruik. Zo komt in de Franse
tekst van het wetsontwerp zeer vaak het woord abus
(misbruik) voor. De courante betekenis van dat woord is
duidelijk, maar in dit wetsontwerp primeert de juridische
betekenis ervan. Ter herinnering: het woord abus (mis
bruik) verwijst naar een buitensporig gebruik van een
recht dat ertoe heeft geleid dat andermans rechten zijn
geschonden. Het woord abus (misbruik) komt van het
Latijnse abusus: overdadig gebruik van een recht of van
een gewoonte. Wanneer in dezen dus wordt gesproken
van seksueel misbruik, houdt dit uit juridisch oogpunt
in dat misbruik wordt gemaakt van een recht dat men
heeft. Mevrouw Ben Jattou voegt hier nog aan toe dat
de Belgische wetgever de term “seksueel misbruik” uit
het Strafwetboek heeft gehouden; zij hoopt dat dit in de
toekomst niet verandert. Als reden daarvoor voert zij aan
dat niemand recht heeft op andermans lichaam. Nooit
kan men op iemand een seksueel recht doen gelden,
zelfs niet binnen een echtpaar en zelfs niet als volwas
sene. Van een seksueel recht op kinderen kan uiteraard
nog minder sprake zijn. Boven de term abus sexuel
(seksueel misbruik) verkiest de spreekster begrippen
als violence sexuelle (seksueel geweld) en infraction
sexuelle (seksueel misdrijf).
L’OVB se réjouit de cette initiative tout en formulant
quelques objections et remarques, certaines majeures et
d’autres moins. Il espère qu’avec l’aide du commentaire
des articles, le projet de loi pourra être affiné.
Le projet de loi à l’examen s’appuie sur les travaux
de la Commission de réforme du droit pénal constituée
sous la précédente législature en vue de l’élaboration
d’un nouveau Code pénal. Il s’agit d’une version adap
tée du Livre 2, Titre 2, Chapitre 3, proposé, intitulé
“Les infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle ou
au droit à l’autodétermination sexuelle et aux bonnes
mœurs” (DOC 55 0417/001). L’OVB a déjà donné son
avis sur ce texte.
En attendant la finalisation, l’adoption et l’entrée en
vigueur du nouveau Code pénal, il a été décidé d’insérer
le droit pénal sexuel dans le Code pénal actuel. Bien que
l’OVB comprenne ce choix, il espère que cette décision
n’implique pas le report sine die de la grande réforme.
En effet, la modernisation tant attendue non seulement
du droit pénal dans son ensemble, mais aussi du droit
de la procédure pénale, n’a que trop tardé.
c. Exposé de Mme Miriam Ben Jattou, présidente de
Femmes de droit – Droits des femmes
Mme Miriam Ben Jattou insiste sur le rôle rempli par
les mots et leur usage. C’est ainsi qu’elle relève qu’à
plusieurs reprises dans le projet de loi, intervient le mot
“abus”. Compris dans son sens populaire, c’est cependant
son acceptation juridique qui prime s’il intervient dans
ce projet de loi. Pour rappel, le mot “abus” se réfère à
l’usage excessif d’un droit ayant eu pour conséquence
l’atteinte aux droits d’autrui. Le mot abus vient du mot
latin abusus, user à l’extrême d’un droit ou d’un usage.
En l’occurrence, quand on parle d’abus sexuels, ça
induit juridiquement, qu’on abuse d’un droit qu’on a.
Mme Ben Jattou ajoute que le législateur belge a évité
que le terme “abus sexuel” se retrouve dans le Code
pénal et elle espère que ce sera encore le cas dans le
futur. Elle argumente en affirmant que personne n’a de
droit sur le corps d’autrui. On n’a jamais de droit sexuel
sur quelqu’un, même quand on est marié, même quand
on est adulte. On a évidemment encore moins de droit
sexuel sur des enfants. À ces termes d’abus sexuels,
l’oratrice préfère les termes “violences sexuelles” ou
“infractions sexuelles”.
2141/006
DOC 55
148
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat dan weer het begrip majorité sexuelle (seksu
ele meerderjarigheid) betreft, is mevrouw Ben Jattou
van mening dat dit begrip thans niet bestaat in België.
Nergens in het Strafwetboek wordt gesproken van “sek
suele meerderjarigheid”, maar wel van een vermoeden
van afwezigheid aan instemming. Mevrouw Ben Jattou
vindt het veeleer een goede zaak dat geen gewag
wordt gemaakt van seksuele meerderjarigheid; een
adolescent is immers helemaal geen volwassene. De
adolescentie is een periode in het leven waarin men
bijzonder kwetsbaar is. In verband met het begrip “sek
suele meerderjarigheid” vestigt de spreekster echter de
aandacht van de wetgever op het feit dat in de memorie
van toelichting, wat de artikelen 28 en 29 aangaat, naar
die seksuele meerderjarigheid wordt verwezen, terwijl de
woorden “seksuele meerderjarigheid” niet als dusdanig
worden gehanteerd in de tekst van het wetsontwerp zelf;
daar wordt gesproken van afwezigheid van toestem
ming (artikelen 5 en 6), of nog van een vermoeden van
niet-toestemming.
Het wetsontwerp voorziet niet in een specifieke be
handelingsstraf voor seksdelinquenten of ‑misdadigers
omdat andere plegers van andere geweldvormen anders
zouden worden behandeld mocht een en ander beperkt
blijven tot louter plegers van seksdelicten. Mevrouw Ben
Jattou staat hier enigszins van te kijken omdat men het
over een heel specifieke vorm van geweld heeft. Hoewel
zij niet gelooft dat de gevangenis de enige uitweg is, blijft
opsluiting nog altijd bovenaan staan in de verschillende
soorten straffen. Het is dus heel belangrijk symbolisch
belangrijke straffen uit te spreken om duidelijk te blijven
maken dat seksueel geweld verboden is.
Artikel 69 voorziet in een hele reeks van ontzettingen
als sanctie, behalve in de ontzetting uit het ouderlijk ge
zag. Een ouder die seksueel geweld op zijn kind pleegt,
kan vandaag echter worden veroordeeld, maar toch zijn
ouderlijk gezag behouden. Mevrouw Ben Jattou noemt
het geval van een tienjarig meisje van wie de vader, die
tot een gevangenisstraf van twee jaar was veroordeeld,
na het uitzitten van zijn straf heeft gerecidiveerd. Dat viel
te voorspellen. De spreekster vindt het al even onaan
vaardbaar dat een vader die wegens seksueel geweld
op een kind is veroordeeld, het recht blijft hebben om
te beslissen of het kind al dan niet naar een psycholoog
mag gaan. Aangezien hij niet uit zijn ouderlijk gezag is
ontzet, kan hij immers macht over zijn kind blijven uit
oefenen en met name het kind de toegang tot bepaalde
medische zorg ontzeggen.
Gelet op die gevallen die zij in haar beroepspraktijk
heeft waargenomen, is mevrouw Ben Jattou van oor
deel dat definitief kan worden beslist de ouders uit het
ouderlijk gezag te ontzetten wanneer zij niet in staat zijn
de seksuele integriteit van hun kinderen te eerbiedigen.
Revenant sur la notion de majorité sexuelle, Mme Ben
Jattou estime qu’aujourd’hui, cette notion n’existe pas
en Belgique. Le Code pénal ne parle absolument jamais
de majorité sexuelle, on parle plutôt de présomptions
d’absence de consentement. Mme Ben Jattou estime
qu’éviter de parler de majorité sexuelle est plutôt posi
tif car être adolescent est bien différent d’être adulte.
L’adolescence est une période de la vie particulièrement
fragile. Par contre, par rapport à cette notion de majorité
sexuelle, l’oratrice attire l’attention du législateur sur le
fait qu’aux articles 28 et 29 de la proposition de loi, on
fait référence à cette majorité sexuelle, alors même que
les mots “majorité sexuelle” ne sont pas repris en tant
que tels dans le texte où on parle d’absence de consen
tement aux l’articles 5 et 6 ou encore d’une présomption
de non-consentement.
Le projet de loi ne propose pas de peine de traitement
spécifique aux délinquants ou criminels sexuels, en
raison du fait que, si c’était réservé aux seuls auteurs
sexuels, ce serait une discrimination par rapport aux
autres auteurs d’autres formes de violence. À ce propos,
Mme Ben Jattou est assez perplexe parce qu’on est en
train de parler d’une forme de violence bien particulière.
Si elle ne pense pas que la prison soit la seule issue,
celle-ci reste le sommet dans les différents types de
sanctions et qu’il est dès lors essentiel de condamner à
des peines symboliquement importantes pour rappeler
l’interdit des violences sexuelles.
L’article 69 prévoit toute une série de peines de dé
chéances sauf la déchéance de l’autorité parentale. Or,
quand un parent est violent sexuellement avec son enfant,
aujourd’hui, ce parent peut être condamné et garder son
autorité parentale. Mme Ben Jattou cite le cas d’une
enfant de 10 ans dont le père, condamné à deux ans de
prison, a récidivé à sa sortie de prison. C’est un fait qui
était prévisible. L’oratrice trouve tout aussi inadmissible
qu’un père, condamné pour violence sexuelle sur un
enfant continue à avoir le droit de décider si l’enfant a
le droit, ou pas, d’aller voir un psychologue car il n’a pas
été déchu de son autorité parentale et peut continuer
à avoir un pouvoir sur son enfant, et notamment à lui
interdire l’accès à certains soins médicaux.
Face à ces cas observés dans sa propre pratique
professionnelle, Mme Ben Jattou pense qu’on pour
rait décider définitivement de déchoir de leur autorité
parentale les parents incapables de respecter l’intégrité
sexuelle de leurs enfants.
149
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Ben Jattou gaat vervolgens in op het deel
inzake de hervorming van het Strafwetboek dat betrek
king heeft op de aantasting van de seksuele integriteit,
op voyeurisme, op de niet-consensuele en ook perfide
verspreiding van beelden en op verkrachting. Het cho
queert haar dat in de omschrijving van verkrachting en
van aanranding van de eerbaarheid – voortaan “aan
tasting van de seksuele integriteit” – woorden worden
gehanteerd als “wetens en willens”, alsook variaties
daarvan die doelen op “opzettelijkheid” en “kennis van
zaken”. Variaties van die toevoegingen zijn opgenomen
in de definitie van verkrachting en van aantasting van
de seksuele integriteit. In dat verband wil de spreekster
nadrukkelijk in herinnering brengen dat verkrachting in
het Strafwetboek wordt gedefinieerd als “elke daad van
seksuele penetratie van welke aard en met welk middel
ook, op een persoon die daar niet in toestemt”. Als daar
nu elke met kennis van zaken en bewust gepleegde
penetratie aan wordt toegevoegd, betekent dit ook dat
bijkomende bewijselementen moeten worden aange
voerd. De spreekster herinnert eraan dat “algemeen
opzet” volgens het strafrecht inhoudt dat bij de pleger
van het misdrijf sprake moet zijn van de wil een daad
te stellen die tegen de wet indruist. Zulks behoort tot de
definitie van een strafbaar feit. Wanneer het algemeen
opzet echter specifiek aan het misdrijf wordt toegevoegd,
wordt het een “bijzonder opzet”. In voorkomend geval
zou het slachtoffer niet alleen de afwezigheid van toe
stemming moeten bewijzen – wat al moeilijk is –, maar
ook het feit dat de betrokken persoon de daad wetens
en willens heeft gepleegd. Mevrouw Ben Jattou is dan
ook opgelucht dat die toevoegingen werden verwijderd.
Zij benadrukt dat voortaan niet langer zal worden
gesproken van “aanranding van de eerbaarheid”, maar
van “aantasting van de seksuele integriteit”. Niettemin
verbaast het haar dat het begrip “redelijk persoon” wordt
ingevoerd om uit te maken of het al dan niet om een
seksuele handeling gaat. Als niet het slachtoffer redelijk
is, zou dus iemand van buitenaf de situatie moeten kun
nen beoordelen wat het slachtoffer ervaart. Dat houdt
volgens de spreekster geen steek.
De laatste paragraaf in de memorie van toelichting
over de aantasting van de seksuele integriteit bevat de
volgende stelling:“Het te veel willen accentueren van
de gelijkheid tussen man en vrouw kan mogelijks in
de toekomst leiden tot een nieuwe ongelijkheid.”. De
spreekster wil begrijpen waar die stelling vandaan komt
en wat ze inhoudt.
Mevrouw Ben Jattou vindt het een goede zaak dat
het incestverbod eindelijk in het Strafwetboek wordt
opgenomen; incest is immers niet louter een verkrach
ting, maar maakt deel uit van een voor het slachtoffer
bijzonder gewelddadige en schadelijke context. Toch
Dans la partie de la réforme du Code pénal qui porte
sur l’atteinte à l’intégrité sexuelle, le voyeurisme, la
diffusion non consensuelle, voire perfide, d’images et
viol, Mme Ben Jattou se dit choquée de voir apparaître,
dans la définition du viol et de l’attentat à la pudeur
appelé désormais atteinte à l’intégrité sexuelle, les
mots “volontairement et sciemment”, “volontairement
et consciemment”, “volontairement et en toute connais
sance de cause” “délibérément et en toute connaissance
de cause”. Plusieurs versions de ces ajouts ont été
introduites dans la définition du viol et de l’atteinte à
l’intégrité sexuelle. À ce sujet, l’oratrice tient à rappeler
que le viol est défini comme étant toute pénétration de
quelque nature que ce soit, par quelque moyen que ce
soit, sur une personne qui n’y consent pas. Or, ajouter
toute pénétration faite en connaissance de cause et
délibérément, vient ajouter l’obligation d’apporter des
éléments de preuves supplémentaires. L’oratrice rappelle
qu’en matière de droit pénal, le dol général implique qu’il
faut une volonté de pratiquer un acte qui est contraire
à la loi dans le chef de l’auteur de l’infraction. Ça fait
partie de la définition-même d’une infraction pénale.
Mais quand on vient le rajouter spécifiquement dans
l’infraction, ça devient un dol spécial. En l’occurrence,
la victime devrait prouver non seulement l’absence de
consentement, ce qui est déjà difficile, mais aussi le fait
que la personne l’ait fait volontairement et consciemment.
Mme Ben Jattou se félicite dès lors que ces ajouts aient
été supprimés.
Elle souligne qu’on parlera dorénavant d’atteinte à
l’intégrité sexuelle et non plus d’attentat à la pudeur.
Cependant, elle marque son étonnement à l’introduction
de la notion de “personne raisonnable” pour déterminer
s’il s’agit d’un acte sexuel ou non. Si ce n’est pas la
victime qui est raisonnable, comment peut-on expliquer
que quelqu’un d’extérieur à la situation puisse juger ce
qui est ressenti par la victime?
Le dernier paragraphe de l’exposé des motifs reprend
des affirmations telles que “trop vouloir mettre l’accent
sur l’égalité entre les hommes et les femmes pourrait à
l’avenir générer involontairement une nouvelle inégalité”.
L’oratrice aimerait comprendre d’où sort cette affirmation
et ce qu’elle implique.
Si Mme Ben Jattou se réjouit de voir enfin apparaître
l’interdit de l’inceste dans le Code pénal car l’inceste
n’est pas un simple viol mais fait partie d’un contexte
particulièrement violent et délétère pour la victime, elle
regrette cependant que la définition de l’inceste soit liée
2141/006
DOC 55
150
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
betreurt zij dat de definitie van “incest” aan de minder
jarigheid van het slachtoffer wordt gelinkt. Hoe oud een
slachtoffer ook is, hij of zij is immers altijd het kind van
zijn of haar ouder. Ook op zijn of haar achttiende en
later blijft die persoon in de ouder-kindrelatie de positie
van “kind” bekleden.
Bovendien houdt incest verband met de diverse
seksuele misdrijven waarin het Strafwetboek voorziet,
en dus niet alleen met verkrachting of met aanranding
van de eerbaarheid. Voyeurisme en de verspreiding
van beelden maken immers deel uit van het zogeheten
“continuüm” van de vormen van seksueel geweld, in
voorkomend geval van het “continuüm” van incest.
Voor de spreekster is het dus belangrijk dat hier niet
aan wordt geraakt.
Artikel 5 bevat de omschrijving van het begrip “toe
stemming”. De uitdrukking “wie zwijgt, stemt toe” zou in
beginsel overboord worden gegooid. Een slachtoffer dat
zich niet verzet omdat hij/zij verlamd is door de agressie
die hij/zij ondergaat, zal niet worden beschouwd als ie
mand die zijn toestemming heeft gegeven. Mevrouw Ben
Jattou hoopt ook dat de rechtspraak die mogelijkheid
in acht zal nemen. Te vaak wordt de fout immers bij het
slachtoffer gelegd (“Hoe was u gekleed? Had u gedron
ken? Was u alleen? Hebt u duidelijk nee gezegd?”).
Bovendien wordt opgemerkt dat wie onder invloed
was van alcohol of drugs of aan het slapen was, niet
langer zal worden beschouwd als iemand die zijn toe
stemming heeft gegeven. Voorts zou worden bepaald
dat het aanvaarden van een seksuele daad niet betekent
dat men ook instemt met alle daaropvolgende daden.
De toestemming kan dus op elk moment worden in
getrokken. Mevrouw Ben Jattou is ingenomen met de
verduidelijkingen; die zouden de reeds bestaande en
noodzakelijke, maar ontoereikende regels versterken.
Mevrouw Ben Jattou staat ook achter het onweer
legbare vermoeden van afwezigheid van toestemming
voor alle minderjarigen bij incest of wanneer de dader
zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt dan
wel een bijzondere invloed op het slachtoffer heeft. Ze
voegt er echter aan toe dat dit onweerlegbare vermoe
den van afwezigheid van toestemming niet alleen tot de
minderjarigen had kunnen worden uitgebreid, maar tot
alle slachtoffers. Voortaan zou voor min 14-jarigen een
onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestem
ming voor elke seksuele handeling gelden. Wie tussen
veertien en zestien jaar oud is, zou toestemming kunnen
geven, maar dan alleen indien het leeftijdsverschil niet
meer dan twee jaar bedraagt. Mevrouw Ben Jattou had
echter liever gezien dat dit vermoeden ook zou gelden
voor de zestien- tot achttienjarigen; die leeftijdsgroep
blijft immers vrij fragiel.
à la minorité de la victime. En effet, quel que soit l’âge
de la victime, elle est toujours un/une enfant par rapport
à son parent. Même quand elle atteint et dépasse l’âge
de 18 ans, elle reste dans une position d’enfant au sein
de la relation parent-enfant.
Par ailleurs, l’inceste touche aux différentes infractions
sexuelles prévues dans le Code pénal et pas uniquement
le viol ou l’attentat à la pudeur. En effet, le voyeurisme
ou la diffusion d’images font partie de ce qu’on appelle
le continuum des violences sexuelles et en l’occurrence
du continuum de l’inceste. Il lui semble donc essentiel
de maintenir les choses en l’état.
L’article 5 définit la notion de consentement.
L’expression “qui ne dit mot consent” sera, en principe,
éliminée de la pratique. En effet, une victime qui ne se
débat pas car elle est paralysée à cause de l’agression
qu’elle vit ne sera pas considérée comme consentante.
Mme Ben Jattou espère aussi que la jurisprudence tien
dra compte de cette possibilité car trop souvent, la faute
est remise sur la victime (“Comment étais-tu habillée?
Avais-tu bu? Étais-tu seule? As-tu clairement dit non?”).
De plus, il est noté que si la personne est sous influence
de l’alcool, de la drogue, qu’elle dort, elle ne sera pas
non plus considérée comme consentante. Il est égale
ment stipulé qu’accepter un acte sexuel ne veut pas dire
accepter tous les actes qui suivent. Le consentement
peut donc être retiré à tout instant. Mme ben Jattou salue
ces précisions qui viennent renforcer ce qui existe déjà
et qui était nécessaire mais insuffisant.
Mme Ben Jattou approuve également la présomption
irréfragable d’absence de consentement pour tous les
mineurs lorsqu’il s’agit d’inceste, lorsque l’auteur a posi
tion d’autorité, position de confiance ou une influence
particulière sur la victime. Elle ajoute cependant que
cette présomption irréfragable d’absence de consen
tement aurait pu être étendue, pas seulement aux mi
neurs, mais à l’ensemble des victimes. En l’occurrence,
avant 14 ans, il y a une présomption irréfragable d’absence
de consentement pour tout acte sexuel. Quand on a
entre 14 et 16 ans, on peut consentir. Mais uniquement
si la différence d’âge est de maximum 2 ans. Cependant,
Mme Ben Jattou aurait préféré que cette présomption
s’applique aussi aux 16 à 18 ans qui est une tranche
d’âge qui reste assez fragile.
151
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Volgens de spreekster mogen die bepalingen uiteraard
niet beletten dat de minderjarigen een vrij en consensu
eel seksueel leven kunnen leiden waarin ruimte is voor
ontdekking, verlangen en verkenning.
In de memorie van toelichting wordt nader ingegaan
op het feit dat slachtoffers van seksueel geweld soms niet
reageren omdat ze als het ware verlamd zijn. Naar die
vorm van shock (“sidération”) werd belangrijk onderzoek
verricht, meer bepaald door Muriel Salmona in Frankrijk.
Helaas wordt daar in de memorie van toelichting, die
door juristen zal worden gelezen en geanalyseerd, niet
naar verwezen.
Dat had een kans kunnen bieden tot omkering van de
bewijslast. Wanneer het slachtoffer en het parket vol
doende elementen van een misdrijf kunnen voorleggen,
zou de dader moeten bewijzen dat er sprake was van
toestemming. De spreekster wijst erop dat die omkering
van de bewijslast onder meer in de Verenigde Staten
wordt toegepast en ook reeds geldt bij seksuele intimidatie
op het werk. Men mag niet vergeten dat indien wordt
aangenomen dat de beschuldigde onschuldig is tot het
tegendeel is bewezen, zulks aangeeft dat het slachtoffer
liegt tot het tegendeel is bewezen. Uit onderzoek blijkt
echter dat 98 % van de aangiftes van verkrachtingen
gegrond zijn.
In de huidige regeling is echter sprake van secundaire
victimisering: de betrokkene is niet alleen het slachtof
fer van seksuele agressie, maar wordt daarenboven
beschouwd als een leugenaar of een manipulator zolang
hij/zij onvoldoende bewijzen aanlevert. Zulks legt een
nog groter gewicht op de schouders van het slachtoffer.
Mevrouw Ben Jattou is het eens met mevrouw Bedoret
inzake het vermoeden van afwezigheid van toestemming
bij de verspreiding van beelden van seksueel geweld.
Wat het begrip “sektarische indoctrinatie” betreft, wijst
de spreekster erop dat de lijst waarin de hervorming
zou voorzien, niet exhaustief is en uitgaat van de aan
name dat de toestemming in alle vrijheid moet worden
gegeven; door sektarische beïnvloeding kan die vrije
toestemming echter niet worden gewaarborgd.
De spreekster wijst ook op het feit dat in de memorie
van toelichting belang wordt gehecht aan de opleiding
van de politie, de magistratuur en de advocatuur op het
vlak van seksueel geweld. Een door de minister van
Justitie voorgezeten colloquium waarop de leden van
de magistratuur waren uitgenodigd, ging over het ouder
verstotingssyndroom. Dat syndroom, dat op geen enkele
wetenschappelijke basis berust, wordt aangewend om
de verklaringen van de slachtoffers van seksueel geweld
en inzonderheid van incest in diskrediet te brengen.
Selon l’oratrice, ces dispositions ne doivent pas empê
cher évidemment que les mineurs peuvent avoir une
vie sexuelle libre, consentie, de découverte, d’envie,
d’exploration.
L’exposé des motifs mentionne le fait de ne pas réagir,
d’être figé face à une violence sexuelle. Ce qu’on nomme
la “sidération” n’apparaît pas alors que les juristes vont lire
et analyser cet exposé des motifs. Des travaux éminents
qui ont été menés, notamment par Muriel Salmona en
France parlent de la sidération.
Ça aurait pu être l’occasion d’opérer à un renver
sement de la charge de la preuve. Lorsque la victime
et le parquet amènent suffisamment d’éléments d’une
infraction, c’est l’auteur qui doit prouver qu’il y avait
consentement. L’oratrice avance que ce renversement
de la charge de la preuve est notamment appliqué
aux États-Unis comme cela se fait déjà en matière de
harcèlement sexuel au travail. Pour rappel, si on part
du principe que l’accusé est innocent jusqu’à preuve
du contraire, cela signifie que la victime ment jusqu’à
preuve du contraire. Cependant, des études démontrent
que 98 % des déclarations de viol sont fondées.
Or, avec le système qui existe actuellement, on re
marque un phénomène de victimisation secondaire: en
plus d’être victime de l’agression sexuelle, la victime
est considérée comme menteuse ou manipulatrice tant
qu’elle n’apporte pas assez de preuves, ce qui fait peser
un poids encore plus important sur ses épaules.
Mme Ben Jattou rejoint les propos de Mme Bedoret
concernant la présomption d’absence de consentement
à propos de la diffusion d’images de violences sexuelles.
Sur la notion d’endoctrinement sectaire, l’oratrice relève
que la liste prévue dans la réforme n’est pas exhaustive
et part du postulat que le consentement doit être donné
librement et l’influence sectaire ne garantit pas un libre
consentement.
Dans l’exposé des motifs, l’oratrice pointe aussi
l’importance accordée à la formation de la police, de la
magistrature et du barreau sur les violences sexuelles.
Un colloque auquel ont été conviés les membres de la
magistrature a été présidé par le ministre de la Justice
et qui concernait le syndrome d’aliénation parentale. Ce
syndrome d’aliénation parentale, qui n’a aucun fondement
scientifique, vise à discréditer la parole des victimes de
violences sexuelles et en particulier d’inceste.
2141/006
DOC 55
152
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Daarom hoopt mevrouw Ben Jattou dat de oplei
dingen ten behoeve van de politie, de magistratuur en
de advocatuur wel degelijk over seksueel geweld zul
len gaan en de medewerkers van die diensten inzicht
zullen bijbrengen over dergelijk geweld en de psycho-
medisch-sociale gevolgen ervan. Ook hoopt ze dat
men zal ophouden met het verdedigen en aanwenden
van bepaalde theorieën die tegen de belangen van de
slachtoffers ingaan en waarvoor niet de minste weten
schappelijke basis bestaat. Voorts hoopt de spreekster
dat men ten aanzien van al die beroepsbeoefenaars zal
erkennen dat België het verkeerde pad heeft gevolgd
door hen opleidingen aan te bieden over onderworpen
die ontzettend problematisch zijn. Ze hoopt dat de fouten
uit het verleden zullen worden rechtgezet.
Mevrouw Ben Jattou betreurt dat verbaal seksueel
geweld uit het hoofdstuk over seksueel geweld werd
gelicht, terwijl dergelijk geweld nochtans deel uitmaakt
van het continuüm van geweld.
Daarbij aansluitend vindt ze het vrij jammer dat me
disch geweld niet als seksueel geweld wordt gezien.
Wanneer een vrouw vaginaal zonder toestemming wordt
getoucheerd – ook al is dat om medische redenen – zal
zij zulks als een verkrachting ervaren en moet die han
deling bijgevolg ook als dusdanig worden veroordeeld.
Dit geldt des te meer omdat de wet betreffende de
rechten van de patiënt van 2002 in geen enkele sanctie
voorziet; er moet in dat geval dus een beroep worden
gedaan op het gemeenrecht, wat betekent dat men moet
bewijzen dat er sprake was van een fout (bijvoorbeeld
het feit dat geen toestemming werd gevraagd), schade
en een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade.
Bijgevolg zal het slachtoffer veel meer bewijselementen
moeten aandragen dan louter het feit dat haar toestem
ming niet werd gevraagd.
Volgens de spreekster is de overgrote meerderheid
van de artsen integer en doen ze hun werk gewetensvol
en voor de goede redenen. Helaas is dat niet altijd het
geval. Het medisch stelsel is bovendien heel geweld
dadig, zowel voor de patiënten als het zorgpersoneel.
Het zou dus meer dan welgekomen zijn mocht dit ver
bod op de aantasting van de seksuele integriteit – ook
door artsen ten aanzien van hun patiënten – in de wet
worden herhaald.
Wat intrafamiliaal geweld betreft, vindt mevrouw Ben
Jattou bepaalde aspecten van de hervorming zorgwek
kend. Zo verwijst ze naar het in de memorie van toelich
ting meermaals aangehaalde voorbeeld van de leden
van een gezin die zich samen ontbloot in de badkamer
bevinden. Volgens de spreekster is dat een slecht ge
kozen voorbeeld. Ofwel moet men in de memorie van
En fonction de quoi, Mme Ben Jattou espère que les
formations à destination de la police, de la magistrature
et du barreau seront effectivement menées par rapport
aux violences sexuelles et permettront aux personnes
qui travaillent dans ces services de comprendre ce que
sont les violences sexuelles. Et les conséquences psy
cho-médico-sociales des violences sexuelles, mais aussi
qu’on arrêtera de défendre et de valoriser des théories
anti-victimaires qui n’ont aucun fondement scientifique
et qu’on puisse informer tous ces professionnels sur le
fait que la Belgique s’est trompée, qu’on leur a proposé
des formations sur des sujets qui sont profondément
problématiques et qu’on revient sur les erreurs qu’on a
commises pour les corriger.
Mme Ben Jattou regrette que les violences sexuelles
verbales aient été retirées de la partie violence sexuelle
alors qu’elles font partie du continuum des violences.
De la même manière, elle trouve assez dommage
d’avoir exclu les violences médicales du champ des
violences sexuelles. Quand une femme subit un toucher
vaginal non consenti, même si ce toucher vaginal est
d’ordre médical, elle le vivra comme un viol et ça devrait
être condamné comme un viol.
D’autant plus que la loi relative aux droits des patients
de 2002 n’est assortie d’aucune sanction et donc il va
falloir revenir au droit commun, c’est-à-dire prouver qu’il
y a une faute (le non-respect du consentement, par
exemple), un dommage et un lien de causalité entre la
faute et le dommage. Cela va demander à la victime
beaucoup plus d’éléments de preuve que simplement
le fait qu’on n’ait pas respecté son consentement.
Si l’oratrice pense que l’immense majorité des méde
cins sont des gens bien qui font leur travail conscien
cieusement et qui le font pour des bonnes raisons.
Malheureusement, ce n’est pas toujours le cas et le
système médical est hautement violent aussi bien pour
les patients que pour les soignants et que rappeler cet
interdit de l’atteinte à l’intégrité sexuelle, y compris de
la part des médecins sur leurs patients, aurait été plus
que bienvenu.
À propos des violences intrafamiliales, Mme Ben
Jattou relève plusieurs points d’inquiétude dans la
réforme. Ainsi, elle relève l’exemple qui revient à plu
sieurs reprises dans l’exposé des motifs de ce qui se
passe dans une salle de bain, quand des membres d’une
même famille sont dénudés ensemble. Elle estime cet
exemple malheureux parce que soit on estime que dans
153
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toelichting alle gevallen vermelden en moet men een
hele reeks voorbeelden geven (een baby verschonen,
een wonde verzorgen enzovoort), ofwel wordt geen
enkel geval vermeld. Wanneer zulks tot het normale
gezinsleven behoort, is er immers geen vuiltje aan de
lucht. In disfunctionele gezinnen kan naakt samenzijn
in de badkamer echter heel problematisch zijn. Alles
hangt af van de omstandigheden.
Wat de aandoeningen betreft, stelt mevrouw Ben
Jattou tevreden vast dat bij de bepaling van de schade
voortaan rekening wordt gehouden met psychologische
en psychiatrische aandoeningen.
Met betrekking tot de seksuele uitbuiting van minder
jarigen wijst mevrouw Ben Jattou erop dat Engelstalige
termen worden gebruikt die niet worden vertaald en
evenmin worden toegelicht. Opnieuw wordt de term
“seksueel misbruik” aangewend; andermaal wordt in
dat verband de courante betekenis gehanteerd, die
veronderstelt dat afkeuring moet worden geuit. Is op de
beelden nog sprake van seksueel misbruik wanneer het
kind daarmee lijkt in te stemmen? In dat geval gaat het
om kinderporno, maar betreft het dan nog beelden van
seksueel misbruik? Is iedereen het eens over de definitie
van seksueel misbruik, een definitie die overigens niet
in het Strafwetboek is opgenomen? Er is geen sprake
van beelden, verkrachting of aantasting van de seksuele
integriteit, maar van beelden van seksueel misbruik. De
spreekster herhaalt dat de term “seksueel misbruik” niet
strafrechtelijk is gedefinieerd. Wil men dan precies die
term gebruiken, met alle onsamenhangendheden en
interpretatieproblemen die daaruit kunnen voortvloeien?
In dat geval geeft de spreekster de voorkeur aan de be
woordingen “kinderporno”, “pornografie met kinderen” of
nog “beelden van seksuele situaties met minderjarigen”.
Wat de straffen betreft, betoogt mevrouw Ben Jattou
dat het desbetreffende gedeelte van het wetsontwerp
meerdere tegenstrijdigheden bevat. Zij gaat dieper in op
enkele voorbeelden van de toepassing van de straffen
en stelt vast dat een volwassene die een video bekijkt
van een 10-jarig kind dat wordt verkracht zonder voor
die opname een vergoeding te krijgen, een gevangenis
straf van 20 jaar kan worden opgelegd, terwijl voor dat
feit een gevangenisstraf van 5 jaar van toepassing is
wanneer hetzelfde kind een vergoeding heeft ontvan
gen. Is dat wel degelijk een vergissing? Voorts kan een
volwassene 5 jaar gevangenisstraf krijgen wanneer hij
een kind benadert om het als sekswerker in te huren,
maar wordt de strafmaat bepaald op 30 jaar wanneer
hij een kind benadert om het te verkrachten, zonder
het te betalen. Mevrouw Ben Jattou stelt dus vast dat
de strafmaat zesmaal lager is voor een volwassene die
weliswaar een misdrijf pleegt, maar met het voornemen
l’exposé des motifs, il faut citer tous les cas et alors on
doit recourir à beaucoup d’exemples, notamment, quand
on change les couches de son bébé, quand on soigne
une blessure, etc. Ou alors on estime qu’il ne faut pas
tout citer parce qu’effectivement, quand ça relève de la
vie familiale normale, tout va bien alors que dans des
familles dysfonctionnelles, se retrouver nus dans la
même salle de bain, ça peut être très problématique.
Tout est une question de circonstances.
Concernant les maladies, Mme Ben Jattou exprime
sa satisfaction de constater que les maladies d’ordre
psychologique et psychiatrique, sont désormais prises
en compte dans l’évaluation du dommage.
Concernant l’exploitation sexuelle de mineurs,
Mme Ben Jattou relève que l’utilisation des termes
anglophones n’est ni traduite, ni explicitée. Le terme
d’abus sexuel est à nouveau utilisé et c’est à nouveau
au sens populaire du terme, sous–entendant qu’il faut
qu’il y ait des signes de désapprobation. Si l’enfant a
l’air consentant, est-ce que ce sont encore des images
d’abus sexuels? C’est de la pédopornographie, mais
est-ce que ce sont encore des images d’abus sexuel?
Est-ce que tout le monde est d’accord sur la définition
d’abus sexuels, définition qui n’apparait pas dans le Code
pénal, par ailleurs? Il ne s’agit pas de parler d’image, de
viol ou d’atteinte à l’intégrité sexuelle. Il s’agit de parler
d’images d’abus sexuels. L’oratrice répète que le terme
d’abus sexuel n’est pas défini au sens pénal du terme.
Est-ce donc le terme qu’on veut introduire là avec toutes
les incohérences et les problèmes d’interprétation que
cela peut entraîner? L’oratrice préfère alors l’utilisation
des termes de pédopornographie ou pornographie
concernant les enfants ou encore d’images de situations
sexuelles de mineurs.
À propos des peines, Mme Ben Jattou démontre
plusieurs contradictions dans cette partie du texte.
Détaillant quelques exemples d’applications des peines,
elle constate que si un adulte regarde une vidéo d’un
enfant de 10 ans qui est violé en n’ayant pas été rému
néré pour cette scène, cet adulte risque 20 ans de
prison, tandis que si le même enfant a été rémunéré,
l’adulte spectateur risque 5 années de prison. S’agit-il
bien d’une erreur? En outre, un adulte qui approche un
enfant dans le but de louer ses services de prostitué,
risque 5 ans de prison tandis que s’il approche un enfant
dans le but de le violer sans le rémunérer, la peine est
fixée à 30 ans. En d’autres termes, Mme Ben Jattou
remarque que si l’adulte commet un méfait mais avec
l’intention de payer pour services rendus, la peine ris
quée est divisée par 6. Alors que toutes les infractions
commises lors de ces faits entrent dans les infractions
reprises dans les autres parties de la réforme (viol,
2141/006
DOC 55
154
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
te betalen voor de “bewezen diensten”, hoewel alle mis
drijven die bij die feiten worden gepleegd deel uitmaken
van de in de andere onderdelen van in de hervorming
opgenomen misdrijven (verkrachting, voyeurisme en
zovoort). Mevrouw Ben Jattou is verbaasd dat dezelfde
ernstige feiten kennelijk iets minder ernstig worden
wanneer de dader ervoor heeft betaald. Dat is immers
het omgekeerde van de aanvankelijke boodschap die
men wou uitdragen.
Tot slot is mevrouw Ben Jattou verbaasd over de
analyse van de weerslag van de op stapel staande wet
op de gendergelijkheid. In die analyse staat onder meer
immers te lezen dat het voorontwerp van wet betrek
king heeft op een onbekend percentage mannen en
vrouwen. De spreekster stelt dat over dat welbepaalde
aspect veel studies bestaan en dat daaruit blijkt dat de
overweldigende meerderheid van de slachtoffers vrou
wen zijn, terwijl de meeste daders mannen zijn. Zelfs
wanneer mannen alsnog het slachtoffer zijn, wordt het
geweld meestal gepleegd door andere mannen. Volgens
ramingen van de WHO en Unicef zou 20 tot 24 % van
de meisjes en 5 tot 11 % van de jongens vóór de leeftijd
van 18 jaar worden geconfronteerd met seksueel geweld,
in de meeste gevallen incest. Die bronnen zijn voldoende
ernstig om rekening mee te houden.
Voorts stelt mevrouw Ben Jattou vast dat wordt ver
meld dat deze wet geen weerslag op de gezondheid
zal hebben. Zij spoort de leden aan de studie te le
zen die in 2017 werd uitgevoerd door de vereniging
Mémoire Traumatique et Victimologie, in het bijzonder
door mevrouw Muriel Salmona, en die dieper ingaat op
de weerslag van seksueel geweld op de gezondheid van
de slachtoffers. Die studie brengt aan het licht hoezeer
het seksueel geweld impact heeft op de gezondheid
van de slachtoffers; hun levensverwachting kan met
wel 20 jaar dalen omdat zij vaker kampen met obesitas,
kanker en hormoonstoornissen. Mevrouw Ben Jattou
wijst erop dat ook de sociale zekerheid een hoge prijs
betaalt voor seksueel geweld. Indien het voorliggende
wetsontwerp wordt aangenomen, zal binnen de sociale
zekerheid veel kunnen worden bespaard.
Tot slot komt mevrouw Ben Jattou terug op de alomvat
tende hervorming van het Strafwetboek, waarbij het de
bedoeling zou zijn dat alle daden van seksueel geweld
niet langer zouden worden beschouwd als misdaden,
maar als wanbedrijven. In de memorie van toelichting
wordt effectief de term “delinquenten” gebezigd, in
plaats van “criminelen”. Behalve in geval van moord en
foltering zouden door die hervorming alle seksuele mis
drijven wanbedrijven worden; seksuele misdaden jegens
kinderen zouden dus seksuele wanbedrijven jegens
kinderen worden. Die term doet haar denken aan een
voyeurisme…). Mme Ben Jattou s’étonne de constater
que de mêmes faits graves le deviennent moins quand
l’auteur a payé pour. C’est donc l’inverse du message
initialement prévu.
Enfin, Mme Ben Jattou s’étonne à la lecture de l’analyse
de l’impact de cette loi sur l’égalité hommes-femmes.
En effet, on peut notamment lire que le pourcentage
d’hommes et de femmes visées par l’avant-projet n’est
pas connu. L’oratrice avance que beaucoup d’études
sur ce champ précis existent et montrent que l’immense
majorité des victimes sont des femmes. Et l’écrasante
majorité des auteurs sont des hommes. Et même quand
ce sont des hommes qui sont victimes, ils sont dans
l’écrasante majorité des cas victimes de ces violences
par d’autres hommes. L’OMS et l’UNICEF estiment
que 20 à 24 % des filles et 5 à 11 % des garçons subiront
des violences sexuelles avant l’âge de 18 ans, dont la
plupart seront des violences incestueuses. Ce sont là
des sources assez sérieuses pour être prises en compte.
Par ailleurs, Mme Ben Jattou note qu’on affirme qu’il n’y
aura pas d’impact de cette loi sur la santé. Elle invite les
membres à lire l’étude menée en 2017 par l’association
Mémoire Traumatique et Victimologie et principalement
menée par Muriel Salmona, sur l’impact des violences
sexuelles sur la santé des victimes. On y apprend à
quel point les violences sexuelles ont un impact sur la
santé des victimes qui peuvent perdre jusqu’à 20 ans
d’espérance de vie: obésité, cancer, troubles hormonaux
sont plus présents chez ces victimes. Argumentant sur
le coût, Mme Ben Jattou affirme que ces violences
sexuelles coûtent énormément à la sécurité sociale.
Si la loi en discussion ce jour est votée, les économies
dans le secteur de la sécurité sociale seront importantes.
En conclusion, Mme Ben Jattou revient sur la réforme
globale du Code pénal dans laquelle l’ensemble des vio
lences sexuelles ne seraient plus désormais considérées
comme des crimes, mais comme des délits. On retrouve
effectivement les termes de délinquants à la place de
criminels dans l’exposé des motifs. Dans cette réforme,
l’ensemble des infractions sexuelles deviendrait des
délits sans en cas de meurtre et de torture, cela ferait
glisser la pédocriminalité vers de la pédodélinquance.
Ce terme lui fait penser à un adolescent qui commet
un larcin dans une supérette. C’est pourquoi Mme Ben
155
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
jongere die een kleinigheid jat in een kruidenierszaak.
Daarom dringt mevrouw Ben Jattou nogmaals aan op
het gebruik van de juiste woorden ter zake.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) benadrukt
het belang van het horen van de betrokken organisaties
in het kader van deze bespreking, maar betreurt dat zij
pas nu hun stem in deze belangrijke problematiek kun
nen laten horen.
De ongelijkheid tussen vrouwen en mannen bestaat
nog steeds. Vrouwen zijn ook het vaakst slachtoffer van
seksuele misdrijven. Haar fractie neemt deze problema
tiek dan ook zeer ter harte.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) merkt op dat de
diverse spreeksters hebben aangedrongen op het ge
bruik van de juiste bewoordingen in het wetsontwerp.
Mevrouw Rohonyi steunt dat verzoek en geeft aan dat
correct woordgebruik van belang is voor het signaal dat
het Strafwetboek de samenleving geeft, maar ook gewoon
omdat zulks rechtszekerheid creëert voor het slachtoffer
en voor de dader van de feiten. Mevrouw Rohonyi richt
zich tot mevrouw Ben Jattou en gaat in op de seksuele
meerderjarigheid. De leeftijdsgrens is geëvolueerd en
blijft vrij arbitrair. Adolescenten die momenteel een
relatie met wederzijdse toestemming hebben, zouden
ten gevolge van die wijziging in de illegaliteit kunnen
verzeilen. Wat denkt mevrouw Ben Jattou daarvan? Met
de hervorming van het Strafwetboek wordt beoogd dat
het onmogelijk wordt toestemming te geven wanneer de
daad mogelijk werd gemaakt door “een erkende positie
van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de
minderjarige”. Vinden de spreeksters dat duidelijk ge
noeg? Lijken die begrippen niet te ruim opgevat? Het lid
stelt SOS Inceste vragen over de door die organisatie
voorgestelde omschrijving van incest. Het wetsontwerp
is erop gericht alleen met minderjarigen gepleegde
seksuele handelingen te omschrijven als incest, met
uitsluiting van de met meerderjarigen gepleegde seksu
ele handelingen, die als “niet-consensuele intrafamiliale
seksuele handelingen” worden omschreven. Zo zou
een jonge vrouw van 18 jaar die wordt lastiggevallen
door haar stiefvader, bijvoorbeeld niet worden erkend
als incestslachtoffer. Hebben de spreeksters op deze
hoorzitting een probleem met deze kwalificatie van de
feiten? Zijn de spreeksters het eens met de diverse
termen om de handelingen te benoemen, of menen zij
dat het begrip “incest” voor al die gevallen moet worden
gebruikt?
Jattou réitère sa remarque sur l’utilisation de mots justes
dans ces matières.
3. Échange de vues
a. Questions et observations des membres
Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) souligne l’impor
tance d’entendre les organisations concernées dans le
cadre de cette discussion, mais regrette que ce ne soit
que maintenant qu’elles puissent faire entendre leur voix
sur cette question importante.
L’inégalité entre les femmes et les hommes est toujours
d’actualité. Les femmes sont également les victimes les
plus fréquentes des infractions sexuelles. Son groupe
prend donc cette problématique très au sérieux.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) relève l’insistance des
différentes intervenantes sur la juste utilisation des
mots dans le projet de loi. En appuyant cette sollicita
tion, Mme Rohonyi note qu’utiliser les bons mots a de
l’importance pour le signal qu’envoie le Code pénal à
la société mais aussi tout simplement pour une ques
tion de sécurité juridique pour la victime et l’auteur des
faits. S’adressant à Mme Ben Jattou, Mme Rohonyi
revient sur la question de la majorité sexuelle. La limite
d’âge a évolué et reste assez arbitraire. Aujourd’hui,
des adolescents sont dans une relation consentante
et ils pourraient se retrouver dans l’illégalité suite à ce
changement. Qu’en pense Mme Ben Jattou? La réforme
du Code pénal prévoit qu’il est impossible de donner
son consentement quand l’acte a été rendu possible en
raison “d’une position reconnue de confiance, d’auto
rité ou d’influence sur le mineur”. Est-ce que cela est
suffisamment clair pour les intervenantes? Est-ce que
ces notions n’apparaissent pas trop larges? La députée
interroge SOS Inceste sur sa définition de l’inceste. Le
projet de loi ne qualifie d’inceste que les actes sexuels
commis sur des mineurs d’âge, à l’exclusion des actes
sexuels commis sur des majeurs, ces derniers étant
qualifiés d’“actes à caractère sexuel intrafamiliaux non
consensuels”. Par exemple, une jeune fille de 18 ans
violentée par son beau-père ne serait pas reconnue
comme étant victime d’inceste. Est-ce que cette version
de qualifications des faits pose un problème éventuel
aux intervenants de l’audition? Est-ce que les oratrices
reconnaissent les différentes terminologies pour déter
miner les actes ou bien est-ce que la notion d’inceste
doit impérativement regrouper tous ces cas?
2141/006
DOC 55
156
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Incest moet in het Strafwetboek worden opgenomen
omdat zulks ervoor zou zorgen dat het verschijnsel be
ter in cijfers kan worden gevat. Het lid merkt op dat de
spreeksters hebben gewezen op dat algemene gebrek
aan statistieken om cijfers te kleven op het geweld jegens
vrouwen. Zal dankzij de voormelde incestkwalificatie het
verschijnsel in cijfers kunnen worden gevat, waardoor dus
gerichtere maatregelen kunnen worden genomen om de
slachtoffers te kunnen waarschuwen en beschermen?
Het lid richt zich vervolgens tot de vertegenwoordigers
van de Orde van Vlaamse balies. Met betrekking tot de
getuigenis over Cathy, waarin sprake is van angst om
iemand aan te geven, bijvoorbeeld een stiefvader, om
dat die ook voor het slachtoffer zorgt en de vaderfiguur
vervangt, wil zij weten of zij niet van oordeel zijn dat de
omkering van de bewijslast de rechten van verdediging
zou schenden.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) gaat in op verschil
lende punten, waaronder het continuüm van geweld.
Met betrekking tot de minderjarigheid plaatst ook zij
vraagtekens bij het verschil in behandeling naargelang
van de leeftijdscategorie van het slachtoffer. Volgens
haar hangt dit samen met de bepaling van de leeftijd
waarop de seksuele meerderjarigheid ingaat. De rege
ring beoogde te stellen dat de seksuele meerderjarig
heid moet worden vastgelegd op 16 jaar, maar dan wel
in alle gevallen, ongeacht of al dan niet sprake is van
aanranding. Mevrouw Matz roept de hulp in van de
spreeksters om een en ander onderling af te stemmen.
Volgens haar mag de op 16 jaar vastgelegde seksuele
meerderjarigheid niet kunnen worden ingeroepen ter
afzwakking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van
een dader in geval van prostitutie of in andere gevallen
waarin een 16- tot 18-jarig slachtoffer geen toestem
ming heeft gegeven. Het mag niet zover komen dat de
aanranding van een seksueel meerderjarige als minder
erg wordt beschouwd.
Het lid vraagt of de kwalificatie “incest” ook na de
leeftijd van 18 jaar wordt gehanteerd. Kent SOS Inceste
gevallen van incest die na de leeftijd van 18 jaar zijn
begonnen, en niet de logische voortzetting waren van
incest die plaatsvond voordat het slachtoffer de leeftijd
van 18 jaar had bereikt? Aanvankelijk werd voorzien in
de mogelijkheid om ook na de leeftijd van 18 jaar de
kwalificatie “incest” te hanteren. De mogelijkheid dat bij
een slachtoffer ouder dan 18 jaar sprake kan zijn van
afwezigheid van toestemming, werd echter afgevoerd.
Met de wijzigingen aan het Strafwetboek wordt onder
meer beoogd het overzicht van de straffen coherenter
te maken. Mevrouw Ben Jattou heeft dienaangaande
op onsamenhangendheden gewezen. Hebben andere
spreeksters nog onsamenhangendheden opgemerkt? Het
Quant à la nécessité d’inscrire l’inceste dans le Code
pénal, cette inscription permettrait de quantifier davantage
un phénomène. La députée relève que les intervenantes
ont parlé de ce manque de statistiques de manière
générale pour quantifier la violence faites aux femmes.
Est-ce que cette incrimination de l’inceste permettra de
quantifier et donc d’adopter mesures plus ciblées pour
prévenir et protéger les victimes?
Ensuite, s’adressant aux représentants de l’Ordre
des Barreaux flamands, la députée voudrait savoir par
rapport au témoignage de Cathy qui évoque la peur de
dénoncer une personne, un beau-père par exemple,
parce qu’il s’en occupe, parce qu’il remplace la figure
paternelle si ces représentants ne considèrent pas que
le renversement de la charge de la preuve atteindrait
les droits de la défense?
Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur différents points
dont cet aspect de continuum de violence. Par rapport
à la minorité d’âge, la députée s’interroge aussi sur ces
différences de traitement en fonction de la tranche d’âge
de la victime. Selon elle, cela touche à la détermination
de l’âge de la majorité sexuelle. Le gouvernement a
voulu dire que la majorité sexuelle était à fixer à 16 ans
mais dans tous les cas de figures, en cas d’agression
ou non. Mme Matz appelle les intervenantes à l’aide
pour réconcilier ces notions. Selon elle, il ne faut pas
qu’on invoque la majorité sexuelle fixée à 16 ans pour
atténuer la responsabilité pénale d’un auteur en cas de
prostitution ou dans d’autres cas quand la victime qui a
entre 16 et 18 ans n’est pas consentante. Il ne faudrait
pas qu’on en vienne à considérer qu’il est moins grave
d’agresser quelqu’un qui a atteint l’âge de la majorité
sexuelle.
À propos de l’inceste, la députée s’interroge sur
le fait de parler d’inceste au-delà de 18 ans. Est-ce
que SOS Inceste a connu des cas d’inceste qui ont
débuté après 18 ans? Et qui ne sont pas la suite logique
d’inceste pratiqué avant que la victime n’atteigne cet
âge de 18 ans? L’option de parler d’inceste au-delà
de ces 18 ans était bien prévue au départ. Par contre,
l’absence de consentement au-delà de 18 ans est une
option qui a été écartée.
Un des buts du Code pénal est d’amener plus de
cohérence dans le relevé des peines. Mme Ben Jattou a
relevé des incohérences à ce sujet. Est-ce que d’autres
oratrices ont relevé d’autres incohérences tout cela dans
le but de rendre lisible les peines qui se retrouveront dans
157
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ligt in de bedoeling de straffen in het nieuwe Strafwetboek
bevattelijk te maken. Niet alleen de woordkeuze is be
langrijk; ook de straffen moeten samenhangend zijn.
Ook mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) is van
oordeel dat de zaken correct benoemen essentieel
is. Incest raakt zoveel mensen; dan mag inderdaad
een woord worden gehanteerd dat duidelijker of beter
gekozen is. Dat geen gewag wordt gemaakt van de
verlammende shocktoestand, het probleem inzake de
term “misbruik”, of nog het ontbreken van bepaalde
vertalingen zijn opmerkingen die wel degelijk werden
genoteerd. De heer Bauwens vindt de in het wetsont
werp opgenomen lijst uitputtend, maar mevrouw Hugon
deelt die mening niet. Het lid dringt erop aan dat ook in
de wettekst concrete en treffende voorbeelden worden
opgenomen, al blijft het allerbelangrijkste uiteraard te
achterhalen of er al dan niet sprake is van toestemming
die in vrijheid werd gegeven.
Met betrekking tot het misdrijf “voyeurisme” wijst het lid
erop dat zij samen met een ander lid een tekst heeft inge
diend waarin wordt verduidelijkt wat dat misdrijf precies
omvat en welke lichaamsdelen daarbij betrokken zijn.
Inzake de omschrijving van de persoon die “voldoende
redelijk” is om te beoordelen of een handeling al dan
niet seksueel van aard is, geeft de rechtspraak van het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan dat
rekening kan worden gehouden met de subjectiviteit
van het slachtoffer, met name ter beoordeling van de
schending van artikel 3 inzake de onterende of onmen
selijke behandeling. Vindt mevrouw Ben Jattou dat het
verstandig zou zijn zich op die rechtspraak te baseren?
De impactanalyse inzake de gendergelijkheid heeft
ook het lid van de Ecolo-Groen-fractie verbaasd. Volgens
haar strookt die helemaal niet met de visie van de staats
secretaris voor Gendergelijkheid. Het lid voegt eraan
toe dat de cijfers van die studies wel degelijk gekend
zijn en dat inzake dergelijk geweld geen sprake is van
gelijkheid. Ze voegt eraan toe dat de volksvertegen
woordigers hopen dat die wet daadwerkelijk positieve
gevolgen zal hebben voor de gezondheid, het werk en
de gendergelijkheid.
Het lid sluit zich aan bij de analyse van mevrouw Ben
Jattou over medisch geweld. Ze zal zich verdiepen in
het probleem.
Tot slot vraagt het lid of er niet voor zou moeten worden
gezorgd dat indieners van een klacht ernstig worden ge
nomen en als geloofwaardig worden beschouwd. Het lid
meent dat het geenszins tegenstrijdig is eensdeels uit te
gaan van het vermoeden van onschuld van de persoon
le Code pénal. Si les mots sont importants, la cohérence
des peines doit être aussi considérée.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) estime aussi que
bien nommer les choses est primordial. Nommer l’inceste
qui touche autant de personne peut effectivement passer
par un mot qui soit plus clair ou mieux choisi. L’absence
de l’état de sidération, la problématique liée au terme
“abus” ou encore l’absence de certains traductions sont
des remarques qui ont bien été enregistrées. M. Bauwens
estime que la liste reprise dans le projet de loi comme
étant exhaustive alors que Mme Hugon ne la voit pas
de cette manière. La députée insiste pour que des
exemples concrets et frappants soient aussi présents
dans ce texte de loi même si le plus important reste de
savoir si consentement librement donné il y a eu ou pas.
La députée s’enquiert de l’infraction de voyeurisme
et signale qu’un texte déposé avec son collègue qui
précise l’infraction de voyeurisme détaillant les parties
du corps considérées.
À propos de la définition de la personne suffisamment
raisonnable pour évaluer quand un acte est sexuel ou
ne l’est pas, la jurisprudence de la Cour européenne
des droits de l’homme permet de prendre en compte
la subjectivité de la victime, notamment pour évaluer
la violation de l’article 3 sur les traitements dégradants
ou inhumains. Est-ce que Mme Ben Jattou pense qu’il
serait judicieux de se baser sur cette jurisprudence?
L’analyse d’impact sur l’égalité homme-femme a
également provoqué l’étonnement de la députée Ecolo-
Groen et elle pense que cela ne reflète certainement pas
la vision de la secrétaire d’État à l’égalité des genres.
La députée ajoute que les chiffres issus des études
sont bien connus et on ne parle pas d’égalité face à ce
type de violences. Elle ajoute que les députés espèrent
que cette loi aura effectivement un impact positif sur la
santé, le travail et l’égalité des genres.
La députée souscrit à l’analyse faite par Mme Ben
Jattou à propos des violences médicales. Elle se pen
chera sur ce problème.
Pour conclure, la députée demande s’il ne faudrait
pas faire en sorte que les personnes qui portent plaintes
soient prises au sérieux et reçues comme quelqu’un de
crédible. La députée estime qu’il n’y a pas de contradic
tions dans le fait d’accorder la présomption d’innocence
2141/006
DOC 55
158
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die wordt beschuldigd, en anderdeels geloof te hechten
aan het verhaal van het slachtoffer.
De heer Ben Segers (Vooruit) wenst dieper in te gaan
op de problematiek van de toegang tot de advocaat
voor sekswerkers, al dan niet in het kader van uitbuiting.
Inzake de decriminalisering van sekswerkers is het de
bedoeling te komen tot een duidelijker onderscheid tus
sen het reguliere circuit enerzijds en het irreguliere circuit
anderzijds, met deze nuance dat ook in het reguliere
circuit situaties van uitbuiting kunnen voorkomen. Het
duidelijker onderscheid moet het evenwel mogelijk maken
des te harder op te treden tegen het irreguliere circuit. De
toegang tot een advocaat is in dezen dan ook uitermate
belangrijk. Het lid wenst van de vertegenwoordigers
van de OVB te vernemen welke drempels er zijn voor
de tegemoetkomingen in de gerechtskosten. Verwacht
de OVB een impact door deze decriminalisering van
het sekswerk? Hoe zal de OVB hierop inspelen? Wat
verwacht de OVB in dezen van het beleid? Heeft de
OVB nog verdere bedenkingen ter zake?
De heer Khalil Aouasti (PS) deelt de frustratie dat
dit wetsontwerp in zekere zin te laat komt, aangezien
incest veel slachtoffers raakt, maar anderzijds ook te
vroeg komt, gezien de toekomstige structuur van een
nieuw Strafwetboek waaraan thans wordt gewerkt en
dat een aantal misdrijven veel strakker afbakent, met
regelingen die wel eens niet meer zouden kunnen ver
anderen. De opmerkingen betreffende de verschuiving
van “misdaden” naar “wanbedrijven” houden verband
met die toekomstige structuur.
Het lid heeft met aandacht kennisgenomen van de
opmerkingen betreffende de memorie van toelichting,
die niet meer kan worden gewijzigd. Op de tekst van het
wetsontwerp kunnen echter wél nog amendementen
worden ingediend. Zo worden begrippen zoals “seksu
ele meerderjarigheid” wel opgenomen in de memorie
van toelichting, maar niet in het wetsontwerp. Het lid wil
toekomstige frustraties over het uitblijven van wijzigingen
voorkomen, met name in de memorie van toelichting. Het
is immers op grond daarvan en van alle parlementaire
besprekingen dienaangaande dat de aan te nemen
tekst zal worden geïnterpreteerd. De heer Aouasti zou
niet willen dat de verschillende sprekers zomaar hun
bezigheden hervatten en erin berusten dat ze werden
gehoord, maar dat er niet naar hen werd geluisterd. In
dat verband moeten ze weten dat de parlementaire wer
king vereist dat bepaalde teksten onveranderd blijven.
Met betrekking tot de toestemming en de in het wets
ontwerp opgelijste en toegelichte situaties waarin het
vermoeden van afwezigheid van toestemming auto
matisch geldt, verzoekt het lid de heer Tom Bauwens
zijn redenering te verduidelijken. Als beginsel geldt dat
à la personne accusée et d’accorder également du crédit
au récit de la victime.
M. Ben Segers (Vooruit) souhaite examiner plus avant
la question de l’accès à un avocat pour les travailleurs
du sexe, que ce soit dans un contexte d’exploitation
ou non. En ce qui concerne la décriminalisation des
travailleurs du sexe, l’intention est d’établir une distinc
tion plus claire entre le circuit régulier, d’une part, et le
circuit irrégulier, d’autre part. Avec cette nuance que des
situations d’exploitation peuvent également se produire
dans le circuit régulier. Cette distinction plus claire devrait
toutefois permettre de prendre des mesures plus fermes
à l’encontre du circuit irrégulier. L’accès à un avocat est
donc extrêmement important dans ce cas. Le membre
demande aux représentants de l’OVB quels sont les
seuils pour les interventions dans les frais de justice.
L’OVB attend-il un impact de cette décriminalisation
du travail sexuel? Comment l’OVB va-t-il réagir à cette
évolution? Qu’attend l’OVB de la politique à cet égard?
L’OVB a-t-il d’autres remarques sur cette question?
M. Khalil Aouasti (PS) partage cette frustration de voir
arriver ce projet de loi d’une certaine manière trop tard
puisque l’inceste touche beaucoup de victimes, mais
trop tôt par rapport à l’arborescence future d’un nouveau
Code pénal qui est en gestation et qui place des séries
d’infractions dans des cadres beaucoup plus rigides
avec des mécaniques qui pourraient ne plus évoluer.
Les remarques portant sur le glissement des crimes
vers les délits sont liées à cette future arborescence.
Le député a bien entendu les remarques portant sur
l’exposé des motifs qui n’est plus modifiable alors que
des amendements sur le texte du projet de loi sont, eux,
tout à fait envisageables. C’est ainsi que des notions
telles que majorité sexuelle reprises dans l’exposé des
motifs ne sont pas citées dans le projet. Le député veut
éviter que des frustrations surviennent à l’avenir sur
l’absence de changements, notamment dans l’exposé
des motifs alors que ce dernier et l’ensemble des débats
parlementaires à ce sujet serviront à interpréter le texte
qui sera voté. M. Aouasti voudrait que les différents
intervenants ne retournent pas à leurs affaires en affir
mant qu’on les a entendus mais pas écoutés alors que
c’est la mécanique parlementaire qui exige que certains
textes restent figés.
Sur la question du consentement et les énumérations
de situations de présomption automatique d’absence de
consentement, situations détaillées dans la proposition,
le membre demande à M. Tom Bauwens de préciser son
raisonnement. On part du principe que le droit pénal est
159
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het strafrecht restrictief is: indien bepaalde stellingen
niet in de tekst zijn opgenomen, kan daaruit geen auto
matisch vermoeden van afwezigheid van toestemming
voortvloeien. De heer Bauwens stelt voor die lijst van
die situaties te wijzigen en gewag te maken van een
“kwetsbare toestand”, die mettertijd kan evolueren. Indien
dat wel degelijk de redenering is van de heer Bauwens,
meent de heer Aouasti dat het betere de vijand is van
het goede en dat men het best behoedzaam omspringt
met die lijst van situaties waarin het vermoeden van
afwezigheid van toestemming automatisch geldt.
Inzake het misdrijf betreffende de verspreiding van
beelden en het bijkomende misdrijf dat de seksuele
handelingen zonder toestemming hebben plaatsgevon
den, vraagt de spreker of dat bijkomende misdrijf wel
nodig is. Wordt niet beter gesproken van samenlopende
misdrijven, zoals een verkrachting en de verspreiding
van beelden zonder toestemming?
De spreker komt terug op het begrip “incest”. Hij denkt
dat die tweevoudige definitie is ontstaan omdat er bij
incest hoe dan ook afwezigheid van toestemming is. Bij
het andere misdrijf houdt men rekening met het feit dat
al dan niet toestemming kan worden verleend; om die
reden wordt die daad niet langer als incest gekwalificeerd,
maar als een niet-consensuele intrafamiliale seksuele
handeling. Incest wordt dus gekenmerkt door het feit dat
het niet mogelijk is om al dan niet toe te stemmen. Het
klopt dat bewoordingen symbolisch belang hebben, maar
beide soorten handelingen vinden plaats in verschillende
situaties, en daarom verschilt ook de terminologie.
Wat de straffen betreft, werd de strafmaat voor kinder
porno gewoon overgenomen, terwijl het wetsontwerp in
het geval van voyeurisme beoogt – wegens de onderlig
gende redenering in verband met intrafamiliale banden
– twee minimumstraffen in te stellen voor misdrijven
die soms even ernstig zijn. Er moet een beleidskeuze
worden gemaakt met betrekking tot de verhoging of het
behoud van de minimumstraffen.
Wat naaktheid binnen het gezin betreft, meent
de heer Aouasti te begrijpen dat de spreeksters het
toegevoegde lid willen weglaten en willen teruggrijpen
naar de in artikel 371/1 van het Strafwetboek vermelde
definitie, dan wel een andere omschrijving van voyeu
risme willen uitwerken met betrekking tot de intieme
sfeer binnen de gezinnen.
Wat de behandeling als straf betreft, streeft de PS-
fractie ernaar in een dergelijke straf te kunnen voorzien
in de gevallen waarin opsluiting niet de oplossing is.
Zulks maakt deel uit van het regeerakkoord.
restrictif, si des hypothèses ne sont pas présentes dans le
texte, elles ne pourraient pas entrainer une présomption
automatique d’absence de consentement. M. Bauwens
propose de modifier la liste de ces situations et de par
ler de vulnérabilité qui peut évoluer dans le temps. Si
c’est bien le raisonnement poursuivi par M. Bauwens,
M. Aouasti pense que le mieux et l’ennemi du bien et
il s’agit de faire attention à la liste de ces situations de
présomption automatique d’absence de consentement.
Concernant l’infraction relative aux images et l’infrac
tion supplémentaire quand la relation sexuelle n’est pas
consentie, il se demande si cette infraction complémen
taire est nécessaire. Ne vaut-il pas mieux dire que l’on
se retrouve dans un concours d’infractions qui pourraient
être un viol et la diffusion non consentie d’images?
Revenant sur la notion d’inceste, l’orateur pense que
cette double définition est survenue parce que dans le
cas de l’inceste, il y a automatiquement absence de
consentement. L’autre infraction prend en compte la
possibilité de consentir ou de ne pas consentir et c’est
pourquoi cet acte n’est plus qualifié d’inceste mais d’acte
à caractère sexuel intrafamilial non consensuel. L’inceste
est alors défini aussi par cette absence de faculté de
consentir ou non. Certes, la symbolique des mots est
importante mais, dans ces deux types d’actes, il y a
deux réalités différentes et c’est pourquoi la terminologie
est différente.
À propos des peines, dans le cadre de la pédopor
nographie, les seuils de peines ont tout simplement été
repris tandis que dans le cadre du voyeurisme, le texte
qui a une orientation sur la logique intrafamiliale crée
deux seuils de peines pour des infractions qui sont parfois
aussi graves l’une que l’autre. Il y a un choix politique
à opérer dans l’augmentation ou la conservation des
seuils de peines.
Concernant la nudité au sein de la famille, si l’orateur
comprend les intervenantes, il est question de supprimer
l’alinéa qui a été ajouté et d’en revenir à la définition
reprise à l’article 371/1 du Code pénal ou d’aller vers
une autre définition du voyeurisme par rapport à l’intimité
au sein des familles.
En ce qui concerne la peine de traitement, l’ambition
du groupe PS est d’intégrer la peine de traitement dans
des cas où l’enfermement n’est pas la solution. Cela fait
partie de l’accord de gouvernement.
2141/006
DOC 55
160
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Verwijzend naar de opmerking van de heer Bauwens
inzake het plaatsverbod wenst mevrouw Katleen Bury
(VB) te vernemen of het toch niet veiliger zou zijn, mocht
dit plaatsverbod ook al bij de strafbepalingen worden
opgenomen. Een dergelijke handelswijze zal volgens
haar de slachtoffers alleen maar ten goede komen.
Mevrouw Nathalie Gilson (MR) vraagt aan me
vrouw Ben Jattou of zij wenst dat incestueuze betrek
kingen tussen meerderjarigen moeten worden gecrimi
naliseerd. Kent SOS Inceste gevallen van incestueuze
relaties die na de leeftijd van 18 jaar van start zijn gegaan?
Het lid benadrukt dat de betrokkenen tevreden zijn dat
incest in het Strafwetboek zal worden opgenomen.
Volgens mevrouw Gilson is prostitutie nauwelijks
aan bod is gekomen. Mevrouw Bruyère heeft studies
aangehaald waaruit blijkt dat in de praktijk een correlatie
bestaat tussen het feit dat men als kind seksueel werd
misbruikt en het feit dat men later in de prostitutie belandt.
Mevrouw Gilson wil weten waar die info vandaan komt,
want wanneer men weet dat 80 % van de prostituées
als kind of puber seksueel geweld moest ondergaan,
kan men zich afvragen in welke mate een sekswerk(st)
er bewust voor prostitutie kiest.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op de
omkering van de bewijslast. Het lage aantal valse ver
klaringen betreffende de toestemming zou niet aanzetten
tot verzoeken om omkering van de bewijslast, louter
voor die 5 %. Hoe kan een evenwicht worden bereikt
waarbij toestemming duidelijk wordt omschreven, terwijl
het vermoeden van onschuld behouden blijft, aangezien
de toestemming een instrument zou kunnen zijn om met
slechte bedoelingen de verrichter van een seksuele
handeling te bedreigen? Naar dat evenwicht wordt al
meerdere maanden gezocht.
b. Antwoorden van de genodigden en replieken
Mevrouw Astrid Bedoret antwoordt dat de toestem
mingskwestie echt wel een grote bekommering is. De
huidige omschrijving van toestemming voorziet in een
gedeelde bewijslast: het slachtoffer probeert aan te
tonen dat het geen toestemming heeft geuit, terwijl de
verdachte tracht te bewijzen dat het slachtoffer dat wel
heeft gedaan. Om een evenwicht te vinden, zullen de
magistraten bewust moeten worden gemaakt van de
geloofwaardigheid van de slachtoffers. Mevrouw Bedoret
wijst erop dat het verzamelen van materieel bewijs niet
eenvoudig is, in het bijzonder in geval van incest. Vaak
krijgt de beschuldigde het voordeel van de twijfel.
Meer dan twintig jaar lang is SOS Inceste de pleitbe
zorger geweest van de opvatting dat incest ook jegens
meerderjarigen kan worden gepleegd. Die stelling wordt
Concernant l’observation de M. Bauwens relative à
l’interdiction de lieu, Mme Katleen Bury (VB) souhaite
savoir s’il ne serait pas plus sûr d’intégrer également
cette interdiction de lieu dans les dispositions pénales.
Elle estime que cette intégration ne pourrait que servir
les intérêts des victimes.
Mme Nathalie Gilson (MR) demande à Mme Ben
Jattou si elle souhaite la criminalisation des relations
incestueuses entre personnes majeures. Est-ce que SOS
Inceste a rencontré des cas de relations incestueuses
qui ont démarré après l’âge de 18 ans? La députée
souligne la satisfaction des parties à voir l’inceste entrer
dans le Code pénal.
Elle estime que l’on a parlé très peu de la prostitution.
Dans la pratique, Mme Bruyère citait des études montrant
la corrélation entre des situations d’abus en tant qu’enfant
et la pratique de la prostitution. Mme Gilson voudrait
connaitre ces sources car si une personne prostituée a
fait le choix de son activité, on peut se demander si son
choix est délibéré si 80 % des prostituées ont subi des
violences sexuelles dans leur enfance ou adolescence.
Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur le renversement
de la charge de la preuve. Le faible pourcentage des
fausses déclarations à propos du consentement ne nous
inciterait pas à demander le renversement de la charge
de la preuve pour ces 5 %. Comment peut-on arriver à un
équilibre en ayant une définition claire du consentement
et la préservation de présomption d’innocence alors que
le consentement pourrait servir d’outil pour menacer,
pour une raison délictueuse, l’auteur d’un acte sexuel?
Ce point d’équilibre est recherché depuis plusieurs mois.
b. Réponses des invités et répliques
Mme Astrid Bedoret répond que la question du consen
tement est une préoccupation majeure. Tel qu’il est
défini aujourd’hui, le consentement fait en sorte que
la charge de la preuve doit être partagée: la victime va
tenter d’établir qu’elle n’a pas exprimé un consentement
alors que le prévenu va tenter de prouver que la victime
a exprimé ce consentement. Trouver le point d’équilibre
va nécessiter de sensibiliser les magistrats sur la cré
dibilité des victimes. Mme Bedoret évoque la difficulté
de trouver des preuves matérielles, spécialement dans
les cas d’inceste. Souvent, le doute profite à l’accusé.
Pendant plus de vingt ans, SOS Inceste a défendu
l’idée que l’inceste concerne aussi des personnes
majeures. Beaucoup d’obstacles se sont dressés face à
161
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
niet zomaar aangenomen en stoot onder meer op de kri
tiek dat een meerderjarige bekwaam is zijn toestemming
te uiten. Mevrouw Bedoret wil dat thema stapsgewijs
aanpakken. Zij wil de opname van de term “incest” in het
Strafwetboek niet in het gedrang brengen, aangezien er
al plannen zijn om dat begrip te verruimen tot meerder
jarigen. SOS Inceste ziet dat veel ouders hun kinderen
vanaf de leeftijd van 16 jaar beginnen aan te randen,
thans de leeftijd vanaf dewelke de afwezigheid van
toestemming moet worden bewezen. Mevrouw Bedoret
wijst erop dat wij tot aan de dood het kind van onze
ouders blijven, dus veel langer dan het moment waarop
wij burgerlijk meerderjarig worden.
Met betrekking tot de lijst van situaties waarin men
ervan uit kan gaan dat er geen toestemming is, stelt
mevrouw Bedoret dat zij die opsomming persoonlijk nooit
heeft beschouwd als een uitputtende lijst van dergelijke
situaties. Zij ziet dus het probleem niet. Ze stelt voor die
lijst in die zin aan te passen dat het duidelijk is dat ze
weliswaar enkele situaties, maar niet alle situaties omvat.
Mevrouw Lily Bruyère bevestigt dat bij incest de greep
van de ouders op de kinderen niet stopt op de achttiende
verjaardag. Het is inderdaad niet de bedoeling de opname
van incest in het Strafwetboek op de helling te zetten,
want het is een grote stap vooruit. De macht van de
dader, de shock en alle reeds opgesomde gevolgen van
incest stoppen niet als bij wonder wanneer het slacht
offer 18 jaar wordt. De slachtoffers moeten jarenlang
worden behandeld en verzorgd, alsook hun agressor
in de ogen kijken. In dat verband is het ook van belang
te worden erkend als slachtoffer, in het bijzonder om te
voorkomen dat andere mogelijke slachtoffers binnen
eenzelfde gezin hetzelfde lot dreigen te ondergaan.
Wat de prostitutie betreft, heeft mevrouw Bruyère
erop gewezen dat het geweld jegens kinderen en ado
lescenten nooit stopt. Wanneer de slachtoffers ouder
zijn, krijgen zij in de prostitutie met geweld te maken
of laten ze zich uitbuiten in pornofilms. Die slachtoffers
worden sekswerker, geen beroep als een ander. Zij
onderschatten zichzelf en zolang zij geen medische
ondersteuning krijgen, blijven zij steken in die vicieuze
cirkel van geweld. De samenleving stemt daar in zekere
zin mee in.
Mevrouw Bruyère verwijst voorts naar de seksue
le-hulpverlening. Als opvoedster bij mensen met een
beperking zou zij weigeren een beroep te doen op
seksuele-hulpverleners uit het prostitutiemilieu. Volgens
mevrouw Bruyère heeft een seksuele-hulpverlener
statistisch gezien waarschijnlijk seksueel geweld en
mishandeling ondergaan. Als sociaal werker doet men
dus een beroep op iemand die getraumatiseerd is door
cette demande dont notamment le fait qu’une personne
majeure est capable d’exprimer son consentement.
Mme Bedoret veut travailler par étape sur cette ques
tion. Elle ne veut pas compromettre l’insertion du mot
inceste dans le Code pénal parce qu’on voudrait déjà
l’étendre aux personnes majeures. SOS Inceste rencontre
beaucoup de parents qui commencent à violenter leurs
enfants à partir de l’âge de 16 ans qui est l’âge actuel où
il faut prouver l’absence de consentement. Mme Bedoret
rappelle que nous restons enfant de nos parents jusqu’à
la mort et donc bien au-delà de la majorité civile.
À propos de la liste des situations où l’on peut consi
dérer qu’il n’y a pas de consentement, Mme Bedoret
affirme qu’elle ne l’a jamais personnellement comprise
comme étant une liste exhaustive de ces situations. Elle
ne perçoit donc pas la difficulté et propose d’aménager
cette liste de manière à ce qu’on comprenne bien que
les situations qui y sont décrites ne sont pas toutes les
situations mais bien quelques-unes d’entre-elles.
Mme Lily Bruyère confirme que l’emprise des parents
sur les enfants dans des cas d’incestes ne cesse pas
à 18 ans. L’idée est effectivement de ne pas compro
mettre cette avancée majeure de faire entrer l’inceste
dans le Code pénal. L’emprise, la sidération et toutes
les conséquences de l’inceste énumérées précédem
ment ne cessent pas miraculeusement quand la victime
atteint l’âge de 18 ans. Les victimes doivent être prises
en charge et être soignées durant de longues années et
être confrontées à leur agresseur. À ce niveau, l’important
est aussi d’être reconnu en tant que victime, notamment
pour éviter que d’autres victimes potentielles au sein
d’une même famille ne soient menacées.
Concernant la prostitution, Mme Bruyère a évoqué la
répétition des violences faites aux victimes enfants et
adolescentes. Une fois plus âgées, elles répètent ces
violences en étant dans des situations de prostitution
ou bien exploitées dans des films à caractère pornogra
phique. Ces victimes entrent en prostitution, qui n’est
pas un métier comme un autre. Elles se sous-estiment
et tant qu’elles ne sont pas médicalement prises en
charge poursuivent dans ce continuum de violences. La
société cautionne cela d’une certaine manière.
Mme Bruyère évoque aussi l’assistance sexuelle. En
tant qu’éducatrice dans un milieu de handicapés, elle
refuserait de faire appel à des assistances sexuelles
issues des milieux de prostitution. Selon Mme Bruyère,
une assistante sexuelle a, au regard des chiffres, pro
bablement subi des violences sexuelles et des maltrai
tances. En tant que travailleur social, on recourt à une
personne traumatisée par les violences qu’on met en
2141/006
DOC 55
162
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geweld en brengt men die betrokkene in contact met
een gehandicapte persoon die daar niet noodzakelijk
om vraagt. Mevrouw Bruyère had graag gezien dat men
het verband legt tussen die diverse situaties.
Mevrouw Saskia Kerkhofs legt uit dat de OVB het ter
bespreking voorliggende wetsontwerp op een neutrale
wijze heeft geanalyseerd. Er werd gekeken naar de
logica, het evenwicht van de tekst, de coherentie en de
duidelijkheid. Advocaten staan immers zowel daders
als slachtoffers bij.
Het is uit dat oogpunt dat de OVB de bedenking heeft
gemaakt over de toepassingsvoorwaarden die worden
ingevoegd in de kwalificatie van incest, met name de
verspreiding van beelden en voyeurisme. De OVB velt
geen oordeel, maar maakt alleen attent op de gevolgen
van de gemaakte keuzes. Het hoofddoel van de kwali
ficatie is de bescherming van de minderjarige persoon
in intrafamiliale context. Het risico van een aangepraat
trauma bij een kind dat volgens de wetenschap op lange
termijn dezelfde effecten teweegbrengt als een effectief
beleefd trauma, dient te worden voorkomen.
Met betrekking tot de decriminalisering van het seks
werk onderstreept zij het belang van de definitie van
ontucht. De problematiek van de toegang tot een ad
vocaat staat volgens haar los van de decriminalisering.
Voor slachtoffers van welk misdrijf ook is er enerzijds
de toegang tot de tweedelijnsbijstand en anderzijds de
rechtstreekse toegang tot een advocaat. De meeste
mensen kunnen ook een beroep doen op een rechts
bijstandsverzekering, met dien verstande dat soms bij
voorbeeld morele schade wordt uitgesloten. Een aantal
slachtoffers blijft evenwel in de kou staan en hieraan
dient te worden gewerkt.
De heer Tom Bauwens komt terug op artikel 5 van
het wetsontwerp en geeft aan dat het duidelijk is dat
toestemming er niet is als er geweld wordt gepleegd, en
evenmin wanneer de seksuele handeling is gepleegd op
iemand die in een kwetsbare toestand verkeert, waardoor
diens vrije wil is aangetast. Volgens de spreker heeft
de opsomming in de wetsbepaling van de oorzaken die
de vrije wil aantasten, echter geen enkele meerwaarde;
die opsomming trekt integendeel de discussie open en
laat erg veel ruimte tot casuïstiek. Een advocaat zal in
een proces dan ook wetenschappelijke studies onder
de aandacht brengen waaruit bijvoorbeeld blijkt dat
extasy en cocaïne ter zake geen impact hebben. Hij
roept de wetgever op zich bij de zaak te houden. Het is
de bedoeling dat een rechter vrij kan oordelen.
Het vermoeden van onschuld kan niet worden uitge
schakeld. De bewijslast kan niet worden omgekeerd. De
wetgever van zijn kant kan wel door op een bepaalde
contact avec une personne handicapée qui n’est pas
nécessairement demandeuse. Mme Bruyère demande
d’établir des ponts entre ces différentes situations.
Mme Saskia Kerkhofs indique que l’Orde van Vlaamse
Balies (OVB) a analysé le projet de loi à l’examen en toute
neutralité. Son analyse a porté sur la logique, l’équilibre
du texte, la cohérence et la lisibilité. En effet, les avocats
assistent aussi bien les auteurs que les victimes.
C’est à partir de cette analyse que l’OVB a formulé
ses observations à propos des conditions d’application
insérées dans la qualification de l’inceste, notamment la
diffusion des images et le voyeurisme. L’OVB ne porte
pas de jugement, mais attire simplement l’attention sur
les conséquences des choix opérés. La qualification vise
principalement à protéger le mineur dans un contexte
intrafamilial. Il convient d’éviter le risque lié à la narration
du traumatisme chez l’enfant, qui, d’après les connais
sances scientifiques disponibles, produit les mêmes
effets à long terme qu’un traumatisme effectivement vécu.
En ce qui concerne la décriminalisation du travail du
sexe, l’oratrice souligne l’importance de la définition de
la débauche. Elle estime que le problème de l’accès à
un avocat n’est pas lié à la décriminalisation. En ce qui
concerne les victimes de toute infraction, il convient de
distinguer l’accès à l’aide de deuxième ligne, d’une part,
de l’accès direct à un avocat, d’autre part. La plupart
des personnes peuvent également faire appel à une
assurance protection juridique, étant entendu que cette
dernière exclut parfois le préjudice moral, par exemple.
Cependant, plusieurs victimes sont laissées pour compte
et il convient d’y remédier.
M. Tom Bauwens revient sur l’article 5 du projet de loi
et précise que l’absence de consentement est clairement
établie en cas de violences et qu’elle l’est tout autant
lorsque l’acte à caractère sexuel a été commis au préju
dice d’une personne qui se trouve dans une situation de
vulnérabilité qui altère son libre arbitre. L’orateur estime
que l’énumération des causes altérant le libre arbitre
dans la disposition légale n’apporte toutefois aucune
plus-value et élargit au contraire le débat, laissant bien
trop de marge à la casuistique. En cas de procès, tout
avocat invoquera dès lors des études scientifiques
démontrant, par exemple, que l’ecstasy ou la cocaïne
n’a aucune incidence en la matière. L’orateur appelle
le législateur à se cantonner à l’essentiel, estimant que
le juge doit pouvoir statuer librement.
Il ne peut être porté atteinte à la présomption d’inno
cence. La charge de la preuve ne peut pas être renversée.
Toutefois, le législateur peut néanmoins veiller à éviter
163
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
manier artikelen te omschrijven, ervoor zorgen dat dis
cussies worden voorkomen. Alleen op die manier kunnen
veroordelingen door het EHRM worden voorkomen. Er
zijn in de ons omringende Europese landen op het vlak
van het seksueel strafrecht wetswijzigingen geweest
die naderhand moesten worden aangepast omdat werd
afgestevend op een omkering van de bewijslast. De
spreker merkt op dat in de realiteit het aan de dader is
bepaalde zaken te bewijzen. In een strafzaak moet niet
het slachtoffer, maar het openbaar ministerie de feiten
bewijzen. Het openbaar ministerie moet al tijdens het
onderzoek zijn werk doen; de spreker stelt evenwel
vast dat dit door een gebrek aan middelen niet altijd
het geval is.
Om de een of andere stelling te ondersteunen, wordt
er voorts ook langs alle kanten met cijfers en percenta
ges over seksuele delinquentie gegoocheld. De spreker
merkt op dat alleen de cijfers verstrekt door het NICC
niet ter discussie staan. Die cijfers mogen volgens
de heer Bauwens evenwel niet dienen als argument om
het vermoeden van onschuld om te draaien.
Inzake de problematiek van de seksuele minderjarig
heid, de leeftijdsgrenzen en de vereiste van een leef
tijdsverschil tussen minderjarigen, bedenkt de spreker
dat hij in zijn jeugd zelf in een “misdadige” situatie heeft
verkeerd. Het is dan ook geen gemakkelijke problema
tiek. Hij stelt vast dat sommigen bij deze problematiek
ook die van de prostitutie betrekken, wat evenwel van
een totaal andere orde is. Hij pleit er dan ook voor deze
twee problematieken niet met elkaar in debat te brengen;
het zijn immers twee totaal verschillende concepten.
Er is volgens de heer Bauwens geen samenloop van
misdrijven, toch niet op de manier zoals een vorige spre
ker het heeft uitgelegd. Er is immers een groot verschil
in de strafmaat.
De spreker acht het geenszins logisch dat de strafmaat
voor voyeurisme tot 20 jaar kan gaan, terwijl seksuele
handelingen met kinderen worden bestraft met een
straf van 5 tot 10 jaar. De spreker pleit dan ook voor een
zekere coherentie. Persoonlijk verwacht hij dat politici
de moed hebben om te erkennen dat ze destijds, naar
aanleiding van een arrest van het Hof Van Cassatie en
de nieuwsberichten ter zake, steekvlamwetgeving heb
ben ingevoerd. Een aanpassing was destijds inderdaad
vereist. Zoveel jaren later worden de straffen echter op
een rij gezet en komen discrepanties aan het licht die
redelijkerwijze niet kunnen worden verklaard. Hij roept
de politici dan ook op om collectief hun politieke ver
antwoordelijkheid op te nemen en in het licht van het
nieuwe Strafwetboek de excessen die er in de ene of
andere zin zijn, weg te werken.
certaines discussions en formulant les articles d’une
certaine manière. C’est la seule façon de pouvoir éviter
des condamnations par la CEDH. Dans les pays euro
péens qui nous entourent, des modifications législatives
en matière de droit pénal sexuel ont dû être modifiées
après leur adoption car elles allaient dans le sens du
renversement de la charge de la preuve. L’orateur fait
observer que dans la pratique, il incombe à l’auteur de
prouver certaines choses. Dans les affaires pénales,
ce n’est pas la victime mais bien le ministère public qui
doit prouver les faits. Le ministère public est déjà tenu
d’effectuer son travail au cours de l’enquête. L’orateur
constate que, faute de moyens, ce n’est toutefois pas
toujours le cas.
Pour soutenir l’une ou l’autre thèse, des chiffres et des
pourcentages relatifs à la délinquance sexuelle peuvent
également être invoqués de toutes parts. L’orateur fait
observer que seuls les chiffres fournis par l’INCC sont
indiscutables. M. Bauwens estime que ces chiffres ne
peuvent cependant pas servir d’argument pour justifier
le renversement de la présomption d’innocence.
En ce qui concerne la problématique de la minorité
sexuelle, les limites d’âge et l’exigence relative à la
différence d’âge entre mineurs, l’orateur indique qu’il
s’est lui-même trouvé, dans sa jeunesse, dans une
situation “délictueuse”. Cette problématique n’est donc
pas simple. Il constate que d’aucuns associent égale
ment cette problématique à celle de la prostitution, qui
relève toutefois d’une autre catégorie. Il préconise donc
de ne pas enchevêtrer ces deux problématiques dans
le même débat, car il s’agit de deux notions totalement
différentes.
Selon M. Bauwens, il n’est pas question de concours
d’infractions, du moins pas dans les termes évoqués
par un orateur précédent. Il existe en effet de grandes
différences en ce qui concerne les peines.
L’intervenant estime illogique que la peine pour voyeu
risme puisse aller jusqu’à 20 ans, alors que les actes
sexuels commis sur des enfants sont punis d’une peine
de 5 à 10 ans. L’intervenant plaide donc pour une certaine
cohérence. À titre personnel, il attend des politiques qu’ils
aient le courage de reconnaître qu’à l’époque, à la suite
d’un arrêt de la Cour de cassation et des reportages
diffusés à ce sujet, ils ont instauré une législation au
lance-flammes. Un changement s’imposait en effet à
l’époque. Mais, tant d’années plus tard, lorsque l’on met
les peines côte à côte, on constate des divergences qui
ne peuvent être raisonnablement expliquées. Il appelle
donc les politiques à assumer collectivement leur res
ponsabilité politique et, dans le cadre du nouveau Code
pénal, à éliminer les excès qui s’y trouvent dans un sens
ou dans l’autre.
2141/006
DOC 55
164
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat de opmerking van seksuele misdrijven in de
medische sector betreft, roept hij de politici op om niet
opnieuw tot situationele wetgeving te komen, terwijl het
net de bedoeling van de expertencommissie van het
nieuwe Strafwetboek is om te komen tot een kernwet
boek. Hij roept de aanwezigen ertoe op vertrouwen te
hebben in de rechtspraak.
Inzake “het belang van de woorden” vraagt de spreker
niet te vervallen in symbolisme. Waarom bijvoorbeeld
bij voyeurisme als verzwarende omstandigheid zwan
gerschap opnemen? Volgens het lid is zulks daar niet
op zijn plaats.
Mevrouw Astrid Bedoret komt terug op de verwij
dering. Ze kan zich vinden in de bepaling ter zake in
zoverre de verwijdering als een straf wordt opgevat.
De heer Bauwens wil echter dat verwijdering nadere
strafuitvoeringsregel blijft. Die bepaling zou nochtans
een wezenlijke verandering teweeg kunnen brengen.
De heer Tom Bauwens verduidelijkt dat een straf
onmiddellijk na de uitspraak wordt uitgevoerd; dat zou
eveneens het geval zijn wanneer de verwijdering als
een straf wordt opgevat. De dader zit in de gevangenis;
de verwijderingsmaatregel wordt effectief uitgevoerd
zolang hij gedetineerd is. Wanneer hij wordt vrijgelaten,
werd de verwijderingsstraf bijgevolg wel degelijk uitge
voerd. Wat is in dat geval dan de meerwaarde van de
verwijderingsbepaling?
Mevrouw Astrid Bedoret wijst erop dat niet alle ver
oordeelden in de gevangenis belanden. In de huidige
stand van zaken kan een rechter een agressor geen
contactverbod jegens zijn slachtoffer opleggen. Indien
een dader aan een gevangenisstraf ontkomt, kan het
slachtoffer niet worden gewaarborgd dat het in veilig
heid is.
De heer Tom Bauwens bevestigt dat aan een probatie-
uitstel voorwaarden kunnen worden gekoppeld.
Mevrouw Saskia Kerkhofs steunt het betoog van
de heer Bauwens en voegt eraan toe dat een rechter
de dader het verbod kan opleggen om in de buurt van
zijn slachtoffer te komen of naast een school te gaan
wonen. Bij probatie-uitstel worden die voorwaarden vaak
bijkomend opgelegd.
Mevrouw Miriam Ben Jattou komt terug op het leef
tijdsverschil van twee jaar voor relaties tussen minder
jarigen. Die limiet is inderdaad willekeurig; het is moeilijk
ter zake een standpunt in te nemen. Volgens haar is een
leeftijdsverschil van twee jaar aanvaardbaar; het mag
echter niet meer dan vijf jaar bedragen.
En ce qui concerne l’observation relative aux infrac
tions sexuelles dans le secteur médical, il demande aux
politiques de ne pas instaurer à nouveau une législation
situationnelle alors que la commission d’experts du
nouveau Code pénal a précisément l’intention d’élaborer
un code de base. Il demande aux personnes présentes
d’avoir confiance dans la justice.
Sur la question de “l’importance des mots”, l’interve
nant demande de ne pas tomber dans le symbolisme.
Pourquoi, par exemple, inclure la grossesse comme
circonstance aggravante pour le voyeurisme? Selon le
membre, cela n’a pas sa place ici.
Mme Astrid Bedoret revient sur l’éloignement. Elle
est favorable à cette disposition d’éloignement si elle
est considérée comme une peine. Or, M. Bauwens
voudrait que cela reste une modalité de l’exécution de
la peine. Cependant, cette disposition pourrait amener
un changement fondamental.
M. Tom Bauwens précise que quand l’éloignement
est considéré comme étant une peine, dès que l’arrêt est
prononcé, la peine est exécutée. L’auteur des faits est
en prison et donc la mesure d’éloignement est effective
lorsqu’il est en prison. Dès qu’il sort de cette dernière, la
peine d’éloignement a donc bien été exécutée. Quel est
l’avantage de la disposition d’éloignement dans ce cas?
Mme Astrid Bedoret rappelle que tous les condamnés
ne passent pas par la case “prison”. Aujourd’hui, une
interdiction de contact entre l’agresseur et la victime
ne peut pas être prononcée par un juge. Si quelqu’un
échappe à la prison, on ne permet pas à la victime de
garantir qu’elle va vivre en sécurité.
M. Tom Bauwens affirme que des conditions peuvent
être assorties à un sursis probatoire.
Mme Saskia Kerkhofs appuie la démonstration de
M. Bauwens en ajoutant qu’un juge interdit d’approcher
la victime ou de se domicilier à côté d’une école. Ces
conditions sont souvent complémentaires à ces sursis.
Mme Miriam Ben Jattou répond à propos de la limite
d’âge fixée à deux ans dans le cadre de relations. Cette
limite est effectivement arbitraire et il est difficile de se
positionner. Elle pense que deux ans est correct mais
qu’il ne faut pas aller au-delà de cinq ans.
165
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Aangaande de definitie van incest schaart mevrouw Ben
Jattou zich achter het betoog van de heer Aouasti dat
incest altijd een afwezigheid van toestemming veron
derstelt; het betreft een niet-consensuele handeling.
Volgens mevrouw Ben Jattou is het een fabeltje dat er
zoiets als consensuele incest zou bestaan, zelfs in het
geval van + 18-jarigen. Er is altijd geweld mee gemoeid.
Waarom spreekt men bij gevallen van incest die na de
leeftijd van 18 jaar beginnen, over “intrafamiliaal geweld”
in plaats van over “incest”? Voor het therapeutische
herstel van de slachtoffers is die erkenning van belang.
Wat de definitie van toestemming betreft, voegt me
vrouw Ben Jattou eraan toe dat niet zozeer de hoe
veelheden alcohol of drugs belangrijk zijn, maar wel de
toestand van kwetsbaarheid waarin men zich, afhankelijk
van persoon tot persoon, al bij een “lage” dosis alcohol
kan bevinden. Het komt de rechter toe de toestand van
kwetsbaarheid te bewijzen.
De spreekster stelt voor aan de lijst met situaties
waarin men ervan uit kan gaan dat er geen toestemming
is, gewoon te doen voorafgaan door de woorden “onder
meer”, om duidelijk te maken dat het een niet-uitputtende
opsomming betreft.
Zodra de geloofwaardigheid van het slachtoffer is
aangetoond en alle bewijselementen aanwezig zijn, mag
er volgens mevrouw Ben Jattou geen twijfel zijn, want
zulks speelt in de kaart van de beschuldigde. Indien
men echter ruimte wil laten voor twijfel, moet men de
magistraten zo opleiden dat ze geen enkele twijfel heb
ben. De spreekster geeft aan dat men het beeld dat alle
seksuele delinquenten monsters zijn, moet bijstellen.
Het gros van de seksuele delinquenten zijn schitterende
echtgenoten, leraren, collega’s en zeer goede schrijvers…
Dat doet echter niets af aan het feit dat het seksuele
delinquenten zijn. Mevrouw Ben Jattou denkt dat men af
moet van het beeld dat men van seksuele delinquenten
heeft; op die manier zou men ook het probleem van de
twijfel kunnen oplossen.
Wat de coherentie van de strafmaat betreft, pleit me
vrouw Ben Jattou ervoor de strafmaat voor misdrijven
inzake kinderporno opwaarts bij te stellen. De thans
uitgesproken straffen lijken haar onvoldoende.
Met betrekking tot de samenloop van de misdrijven
van verkrachting en verspreiding van niet-consensuele
beelden geeft mevrouw Ben Jattou het voorbeeld van
iemand die beelden doorstuurt die met toestemming lijken
te zijn gemaakt, terwijl het slachtoffer geen toestemming
heeft gegeven en het in feite om een verkrachting gaat.
De verspreider wordt in dat geval even zwaar gestraft
Pour ce qui est de la définition de l’inceste, Mme Ben
Jattou appuie la démonstration de M. Aouasti affir
mant que l’inceste suppose toujours une absence de
consentement. On parlera d’acte non-consensuel. En
pratique, Mme Ben Jattou affirme que l’inceste consenti
est un leurre, même dans le cas de personnes de plus
de 18 ans. Il y a toujours violence.
Si des incestes démarrent après 18 ans, pourquoi
ne les nomme-t-on pas “inceste” au lieu de “violences
intrafamiliales”? Pour la réparation thérapeutique des
victimes, ce type de reconnaissance est important.
Sur la définition du consentement, Mme Ben Jattou
ajoute que ce n’est pas tellement les quantités d’alcool
ou de drogues qui sont importantes mais bien l’état
de vulnérabilité qui peut commencer, selon les per
sonnes, avec des doses d’alcool considérées comme
faibles. Il appartient au juge de démontrer la situation
de vulnérabilité.
À propos de la liste des situations où l’on peut consi
dérer qu’il n’y a pas de consentement et de son exhaus
tivité, l’oratrice suggère d’ajouter simplement le mot
“notamment” avant l’énumération de ces situations
rendant ainsi le caractère non-exhaustif évident.
Mme Ben Jattou estime qu’à partir du moment où
la crédibilité de la victime est apportée et où tous les
éléments de preuve sont présents, le doute ne devrait
pas prévaloir car le doute va profiter à l’accusé. Si on
veut cependant que le doute reste une option, il faut
former les magistrats de telle manière à ce qu’ils n’aient
aucun doute. L’oratrice estime qu’il faut sortir de l’image
que les criminels sexuels sont tous des monstres. La
majorité des criminels sexuels sont d’excellents maris,
d’excellents professeurs, d’excellents collègues de
travail et de très bons auteurs de bouquins… Cela
n’empêche cependant pas que ce sont des criminels
sexuels. Mme Ben Jattou pense qu’il faut déconstruire
l’image que l’on a d’un criminel sexuel car cela pourrait
résoudre la question du doute.
Pour répondre à la question relative à la cohérence
des peines, Mme Ben Jattou milite pour qu’on revoie
à la hausse les peines liées à la pédopornographie.
Les peines actuellement prononcées lui paraissent
insuffisantes.
À propos du concours entre le viol et la diffusion
d’images non consensuelles, Mme Ben Jattou évoque la
transmission par quelqu’un d’images qui ont l’air d’être
consensuelles alors qu’il n’y avait pas de consentement
de la victime et qu’il s’agissait d’un viol, on condamnera
ce transmetteur avec des peines aussi lourdes que celles
appliquées au violeur. Si on ne sait pas qu’il s’agit d’un
2141/006
DOC 55
166
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
als de verkrachter. Indien men niet weet dat het om een
verkrachting gaat en indien de beelden niet bij afwezig
heid van toestemming lijken te zijn gemaakt, geldt een
specifieke strafbaarstelling.
De heer Bauwens mag dan wel terecht aangeven dat
het parket de bewijzen moet aanleveren, maar volgens
mevrouw Ben Jattou zijn het in de praktijk de slachtof
fers die de bewijzen aandragen die vervolgens door het
parket worden gebruikt. Mevrouw Ben Jattou zou het
appreciëren dat de politie en de magistraten veel meer
middelen krijgen om bewijslast te verzamelen, maar uit
de praktijk blijkt dat de slachtoffers die bewijzen moeten
leveren.
Mevrouw Ben Jattou is het niet eens met me
vrouw Kerkhofs’ betoog met betrekking tot het oudervers
totingssyndroom. Ze acht die theorieën, die internationaal
niet worden erkend, hoegenaamd niet wetenschappelijk
bewezen.
Inzake medisch geweld begrijpt mevrouw Ben Jattou
tot slot dat men deze gevallen niet als dusdanig in het
Strafwetboek mag opnemen. Niettemin vraagt ze zich
af waarom men ze specifiek uit het voorliggende wets
ontwerp zou moeten weren. Het is vooral belangrijk dat
men dergelijke kwesties niet uit de weg gaat.
viol et que les images n’ont pas l’air d’être non consen
suelles, intervient alors une incrimination spécifique.
Si M. Bauwens a raison d’affirmer que c’est le parquet
qui doit apporter les preuves, Mme Ben Jattou rappelle
que, pratiquement, ce sont les victimes qui apportent les
preuves qu’utilisera le parquet. Mme Ben Jattou précise
qu’elle apprécierait que les moyens de la police et des
magistrats soient fortement étendus pour aller chercher
ces preuves, mais, dans la pratique, ce sont les victimes
qui doivent apporter ces preuves.
Mme Ben Jattou n’est pas d’accord avec la démonstra
tion d’aliénation parentale présentée par Mme Kerkhofs.
Elle estime ces théories totalement infondées sur le
plan scientifique et elles ne sont pas reconnues
internationalement.
Enfin, à propos des violences médicales, si Mme Ben
Jattou comprend qu’il ne faut pas les inclure telles quelles
dans le Code pénal, elle se demande pourquoi il faudrait
les exclure spécifiquement du projet ici présent. Il s’agit
surtout de ne pas éluder ces questions.
167
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
B. Hoorzitting van 19 oktober 2021 met mevrouw
Sandrine Cnapelinckx en de heer Charles-Eric Clesse,
respectievelijk managing director en bestuurslid van
de stichting Samilia, met mevrouw Sarah De Hovre
en de heer Christian Meulders, vertegenwoordigers
van PPag-Asa/Payoke/Sürya, met mevrouw Sylvie
Lausberg, voorzitster van de Conseil des Femmes
Francophones de Belgique (CFFB), met mevrouw
Liesbet Stevens, hoogleraar aan de KU Leuven en
adjunct-directrice van het Instituut voor de gelijkheid
van vrouwen en mannen (IGVM), alsook met mevrouw
Herlindis Moestermans, vertegenwoordigster van
de Vrouwenraad (ochtendzitting)
1. Procedure
Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van
de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28,
2bis, van het Kamerreglement:
“Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij
het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitster verzoekt de gastsprekers om deze
vragen te beantwoorden.
Alle gastsprekers antwoorden achtereenvolgens
ontkennend op elke vraag.
2. Inleidende uiteenzettingen
a. Uiteenzetting van mevrouw Sandrine Cnapelinckx
en de heer Charles-Eric Clesse, respectievelijk managing
director en bestuurslid van de stichting Samilia
De heer Charles-Eric Clesse, bestuurslid van de
stichting Samilia, stelt vast dat het voorliggende wetsont
werp niet strookt met bepaalde internationale verdragen.
Hij merkt op dat in de memorie van toelichting wordt
aangegeven dat het de bedoeling is ervoor te zorgen
dat de Belgische situatie in overeenstemming wordt
gebracht met de rechtspraak en met de internationale
verdragen. In tegenspraak daarmee wordt echter geen
melding gemaakt van de Overeenkomst ter bestrijding
van de handel in mensen en van de exploitatie van eens
anders prostitutie (VN, New York 1950). Die overeen
komst werd geratificeerd door België en verbiedt elke
B. Audition du 19 octobre 2021 de Mme Sandrine
Cnapelinckx, managing director, et M. Charles-
Eric Clesse, membre du conseil d’administration,
Fondation Samilia; Mme Sarah De Hovre et
M. Christian Meulders, représentants de Pag-Asa/
Payoke/Sürya; Mme Sylvie Lausberg, présidente du
Conseil des Femmes Francophones de Belgique
(CFFB); Mme Liesbet Stevens, professeure à la
KU Leuven et directrice adjointe de l’Institut pour
l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) et de
Mme Herlindis Moestermans, représentante du
“Vrouwenraad” (réunion du matin)
1. Procédure
Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la
Commission de la Justice, donne lecture de l’article 28,
2bis, du règlement de la Chambre:
“En cas d’auditions […] il est demandé aux orateurs
de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion, et le cas échéant, par quelle instance.”.
La présidente invite les orateurs à répondre à ces
questions.
Les orateurs invités répondent successivement aux
questions par la négative.
2. Exposés introductifs
a. Exposé de de Mme Sandrine Cnapelinckx,
managing director, et M. Charles-Eric Clesse, membre
du conseil d’administration, Fondation Samilia
M. Charles-Eric Clesse constate que le projet de loi
discuté ne respecte pas certaines conventions interna
tionales. Il souligne la contradiction entre un texte qui,
dès l’exposé des motivations, poursuit l’objectif de placer
la Belgique en situation de conformité avec la jurispru
dence et les conventions internationales, tout en omet
tant d’emblée de citer la Convention pour la répression
de la traite des êtres humains et de l’exploitation de la
prostitution d’autrui (New York, ONU, 1950), ratifiée par la
Belgique, qui prohibe toute forme de prostitution, qu’elle
qu’en soit la forme. L’intervenant constate l’importante
différence avec des pays comme l’Allemagne, la Suisse
2141/006
DOC 55
168
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vorm van prostitutie. De spreker stelt een groot verschil
vast met landen die vaak als voorbeeld worden aange
haald, zoals Duitsland, Zwitserland of Nederland, die de
overeenkomst van New York niet hebben geratificeerd.
Volgens de spreker is het voorliggende wetsont
werp ook strijdig met andere internationale verdragen,
zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vor
men van discriminatie van vrouwen. Dat verdrag werd
in 1979 aangenomen door de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties, werd in 1985 door België
geratificeerd en verplicht de ondertekenende landen
ertoe alle nodige maatregelen te treffen om prostitutie
uit te bannen.
De heer Clesse wijst er voorts op dat het voorliggende
wetsontwerp niet strookt met het in 2013 door België
geratificeerde Verdrag van de Raad van Europa inzake
de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting
en seksueel misbruik (het Verdrag van Lanzarote), dat
een beschermingsplicht jegens de kinderen omvat.
De spreker geeft aan dat het begrip toestemming
complex is wanneer een land de leeftijd van de seksuele
meerderjarigheid dusdanig bepaalt dat kinderprostitutie
de facto wordt uitgesloten, wetende dat een minderjarige
nooit toestemming kan verlenen.
Volgens het in het jaar 2000 te Palermo geratificeerde
Aanvullend Protocol inzake de preventie, bestrijding en
bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrou
wenhandel en kinderhandel, bij het Verdrag van de
Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde
misdaad, moet ook een situatie waarin jegens het kind
op geen enkele wijze gebruik wordt gemaakt van licha
melijke of geestelijke dwang, worden beschouwd als
mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, zo
stelt de heer Clesse. De spreker meent dat het voorlig
gende wetsontwerp ook strijdig is met die bepaling uit
het internationale recht.
Mevrouw Sandrine Cnapelinckx, managing director
van de stichting Samilia, betreurt dat in het wetsontwerp
een onderscheid wordt gemaakt tussen minderjarigen
jonger en ouder dan zestien jaar. Volgens de spreekster
leidt dat onderscheid tot een radicale wijziging van de
elementen die het misdrijf jegens minderjarigen ouder dan
zestien jaar vormen. Het morele aspect van het misdrijf
en het feit dat men een fout begaat door een minderjarige
ouder dan zestien jaar aan te zetten tot prostitutie, wordt
dus uitgebreid met de vereiste dat sprake moet zijn van
algemeen opzet, en zelfs van bijzonder opzet, wanneer
met het oog op die doelstelling een ruimte ter beschikking
wordt gesteld. De spreekster merkt bovendien op dat in
de memorie van toelichting wordt aangegeven dat ten
ou les Pays-Bas, souvent cités en exemple, qui eux n’ont
pas ratifié cette convention de New York.
Pour l’orateur, le texte étudié est également en contra
diction avec d’autres conventions internationales. C’est
le cas de la Convention sur l’élimination de toute forme
de discrimination à l’égard des femmes, adoptée par
l’Assemblée générale des Nations Unies en 1979 et
ratifiée par la Belgique en 1985, qui impose aux États
signataires de prendre toutes les mesures nécessaires
afin d’éliminer la pratique de la prostitution.
M. Clesse évoque encore la contradiction entre le
projet étudié et la Convention du Conseil de l’Europe
sur la protection des enfants contre l’exploitation et les
abus sexuels (Convention de Lanzarote), ratifiée par
la Belgique en 2013, qui impose de protéger l’enfant.
L’intervenant fait part de la complexité de la notion
de consentement lorsqu’un État détermine l’âge de la
majorité sexuelle qui exclut de facto la prostitution enfan
tine à laquelle un mineur ne saurait jamais consentir.
Selon M. Clesse, le Protocole additionnel à la
Convention des Nations Unies contre la criminalité
transnationale organisée visant à prévenir, réprimer et
punir la traite des personnes, en particulier des femmes et
des enfants, ratifié à Palerme en 2000, qualifie de traite à
des fins d’exploitation sexuelle une situation dans laquelle
il n’est fait appel à aucun moyen de coercition physique
ou mental à l’encontre de l’enfant. Selon l’orateur, cette
disposition du droit international peut également être
opposée au texte actuellement en discussion.
Mme Sandrine Cnapelinckx regrette la distinction
opérée dans le projet de loi entre les mineurs de plus
ou moins de seize ans. Selon l’intervenante, cette diffé
renciation modifie radicalement les éléments constitutifs
de l’infraction à l’encontre des mineurs de seize ans ou
plus. L’élément moral ou fautif de l’infraction, à savoir
le recrutement d’un mineur de plus de seize ans à des
fins de prostitution, est donc alourdi par l’exigence
d’un dol général, voire d’un dol spécial en cas de mise
à disposition d’un local à cette fin. En outre, l’oratrice
relève que l’exposé des motifs stipule que des adapta
tions substantielles sont introduites par rapport au texte
initial alors que cette modification n’est en rien motivée.
Mme Cnapelinckx fait référence aux travaux préparatoires
169
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
opzichte van de aanvankelijke formulering wezenlijke
aanpassingen werden aangebracht, maar dat die wijziging
geenszins wordt gemotiveerd. Mevrouw Cnapelinckx
verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het
vervallen wetsvoorstel van 13 maart 2019 tot hervorming
van onder meer boek 1 van het Strafwetboek.
Daarin wordt namelijk een onderscheid gemaakt tus
sen de diverse graden van laakbaar gedrag in verband
met het misdrijf en wordt verduidelijkt dat het algemeen
opzet jegens minderjarigen van zestien jaar of ouder erin
bestaat dat de dader van de feiten willens en wetens de
strafbare daden pleegt. Concreet moeten het slachtoffer
of het openbaar ministerie kunnen aantonen dat de dader
er wel degelijk van op de hoogte was dat het slachtoffer
minderjarig was. Volgens de spreekster leidt die situ
atie in de feiten tot een volstrekte straffeloosheid voor
de mensenhandelaars, zodra het slachtoffer de leeftijd
van zestien jaar heeft bereikt, terwijl de tekst een vlot
ter aan te tonen schuldbestanddeel in aanmerking had
kunnen nemen, zoals het “ernstig gebrek aan voorzorg
of voorzichtigheid”.
Mevrouw Cnapelinckx herinnert er ook aan dat de
in het wetsontwerp opgenomen mogelijkheid dat een
minderjarige van zestien jaar of ouder toestemming
kan geven, strijdig is met de internationale verdragen,
want die stellen voortaan dat een minderjarige in geen
enkel geval kan instemmen met eender welke vorm
van seksuele uitbuiting. Zij stelt daarenboven vast dat
de voorliggende tekst een ondergraving vormt van het
huidige stelsel, dat alle minderjarigen beschermt tegen
elke vorm van seksuele uitbuiting.
De spreekster verduidelijkt dat de artikelen 417/28,
29, 33 en 34, betreffende het werven van minderjarigen
en de exploitatie van de ontucht of van de prostitutie
van minderjarigen ouder of jonger dan zestien jaar,
qua strafbaarstelling in feite een onderscheid creëren
tussen de prostitutie en de seksuele uitbuiting van die
minderjarigen. Mevrouw Cnapelinckx is van oordeel
dat ook dat aspect volledig in tegenspraak is met de
internationale verdragen inzake de rechten van het kind.
Tot slot vindt de spreekster het jammer dat de invoeging
van het oogmerk “de bevrediging van andermans drif
ten” niet nodig werd geacht, daar dat bijzonder opzet
gemakkelijker kan worden bewezen dan het algemeen
opzet dat door de nieuwe ter bespreking voorliggende
tekst wordt ingevoerd.
De heer Charles-Eric Clesse gaat in op het “abnor
maal profijt”. Hoewel dat begrip grondwettelijk wordt
bekrachtigd via artikel 433 van het Strafwetboek en via
de arresten van het Grondwettelijk Hof, blijft de juridische
toepassing ervan erg moeilijk. De spreker benadrukt dat
de rechter soeverein zal moeten beslissen of er sprake
de la proposition de loi non votée du 13 mars 2019
portant réforme, notamment, du Livre Ier du Code pénal.
Ceux-ci distinguent différents degrés d’éléments
fautifs liés à l’infraction et précisent que le dol général,
pour les mineurs de seize ans ou plus, consiste en la
volonté délibérée en toute connaissance de cause de
l’auteur des faits d’adopter le comportement incriminé.
Concrètement, la victime ou le ministère public doivent
pouvoir prouver que l’auteur était bien au courant du
fait que la victime était mineure. Selon l’oratrice, cette
situation implique de facto une impunité totale pour
les trafiquants une fois que la victime a atteint l’âge de
seize ans, alors que le texte aurait pu retenir un élément
fautif plus léger à démontrer comme le “défaut grave de
prévoyance et de précaution”.
Mme Cnapelinckx rappelle également que la notion
de consentement d’un mineur de seize ans ou plus est
introduite dans le texte, en opposition aux textes des
conventions internationales qui considèrent désormais
qu’un mineur ne peut en aucun cas consentir à toute
forme d’exploitation sexuelle. Elle constate encore que
le texte étudié démantèle le régime actuel qui protège
tous les mineurs de toute forme d’exploitation à des
fins sexuels.
L’intervenante précise que les articles 417-28, 29,
33 et 34, relatifs au recrutement de mineurs et à l’exploi
tation de la débauche ou de la prostitution de mineurs de
plus ou moins de seize ans, érigent en fait la prostitution
de ceux-ci en infraction distincte de l’exploitation sexuelle.
Mme Cnapelinckx considère que cette situation est
également en totale contradiction avec les conventions
internationales relatives aux droits de l’enfant. L’oratrice
termine en regrettant la qualification de non-utilité de la
notion de satisfaction des passions d’autrui, alors que
ce dol spécial s’avère davantage aisé à prouver que le
dol général introduit par le nouveau texte en discussion.
M. Charles-Eric Clesse revient sur la notion de profit
anormal. Selon lui, si l’expression est validée constitu
tionnellement par l’article 433 du code pénal et par des
arrêts de la Cour constitutionnelle, elle n’en reste pas
moins très compliquée à mettre en œuvre juridiquement.
L’orateur souligne que c’est le juge qui sera amené
2141/006
DOC 55
170
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
is van “abnormaal profijt”, daar in de wet niet wordt ver
duidelijkt wat daaronder moet worden verstaan en daar
de omschrijving ervan per definitie onmogelijk is. Voorts
vreest de spreker dat als gevolg van die interpretatie
moeilijkheden de openbare aanklager van vervolging
zal afzien, daar de vaststelling van de elementen die de
strafbaarstelling vormen, niet de nodige hefboom biedt
om vervolging in te stellen tegen de pooiers die met
hun activiteiten “abnormaal geachte winsten” boeken.
Voorts verbaast het de heer Clesse dat de nieuwe
bepalingen bedoeld in artikel 433quater/5 zeker gevallen
van mensenhandel betreffen, terwijl dat nieuwe artikel
erg op de vorige versie van artikel 433quinquies lijkt.
De spreker is van oordeel dat een vervolging door de
openbare aanklager op grond van de nieuwe versie in
plaats van op grond van artikel 433quinquies ertoe zal
leiden dat de gespecialiseerde vzw’s geen hulp mogen
bieden aan een slachtoffer dat geen aanspraak maakt
op de door de Europese richtlijnen verleende rechten.
De spreker vindt het ook jammer dat het sociaal sta
tuut van de sekswerker niet aan bod komt, terwijl die
activiteit door de rechtspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Unie en in arresten van het Hof van
Cassatie in België als een beroepsbezigheid wordt er
kend. Indien dienaangaande inderdaad een wetsontwerp
wordt voorbereid door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid
en Sociaal Overleg, roept de spreker ertoe op de beide
wetsontwerpen met elkaar te verbinden.
De heer Clesse gaat vervolgens in op twee belangrijke
wetswijzigingen die moeten worden doorgevoerd om de
prostituees te beschermen:
— een wijziging van artikel 14 van de wet van
3 juli 1978. Daarin wordt bepaald dat de nietigheid van
de overeenkomst niet kan worden ingeroepen ten aan
zien van de rechten van de prostituees;
— voor de zelfstandige prostituees, een uitbreiding van
de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening
van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende
de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, door
gebruik te maken van artikel 3 van het koninklijk besluit
van 28 november 1969, teneinde toegang te verlenen
tot een volledige sociale dekking.
Tot slot uit de spreker zijn bezorgdheid over de moge
lijke maatschappelijke aanvaarding van een zogenaamde
lightversie van uitbuiting, wanneer men van oordeel is
dat er geen sprake is van “abnormaal profijt”. Volgens
de heer Clesse bestaat het risico dat de Europese
richtlijnen betreffende de terbeschikkingstelling van
werknemers met het oog op het verrichten van diensten
zouden kunnen worden toegepast. In de praktijk kan
à décider souverainement si la qualification de profit
anormal est de mise car la notion n’est pas précisée
dans la loi et est d’ailleurs par définition indescriptible.
L’intervenant craint d’ailleurs que la difficulté de l’interpré
tation entraîne une absence de poursuite par le ministère
public, tant la détermination des éléments constitutifs
de l’incrimination risque d’empêcher la poursuite des
proxénètes qui dégagent des profits jugés anormaux
de leurs activités.
En outre, M. Clesse s’étonne que les nouvelles dis
positions visées par l’article 433quater/5 concernent
certainement des cas de traite des êtres humains alors
que ce nouvel article est fort proche de la version précé
dente de l’article 433quinquies. L’orateur estime qu’une
poursuite du ministère public sur la base de la nouvelle
version, plutôt que sur celle de l’article 433quinquies,
empêchera une victime, dépourvue des droits conférés
par les directives européennes, d’être aidée par les
ASBL spécialisées.
L’intervenant regrette encore que le statut social du
travailleur du sexe ne soit pas abordé, alors que cette
activité est reconnue comme un emploi par la jurispru
dence de la Cour de justice de l’Union européenne et
par des arrêts de la Cour de cassation en Belgique. Si
un projet de loi à ce sujet est bien à l’étude auprès du
SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, l’orateur
lance un appel à la mixité des deux projets.
M. Clesse poursuit par l’évocation de deux modifi
cations législatives importantes à mener à bien pour
protéger les prostituées:
— une modification de l’article 14 de la loi du 3 juil
let 1978 qui précise que la nullité de contrat ne peut être
opposée aux prostituées;
— pour les prostituées indépendantes, une extension
de l’application de la loi du 27 juin 1969 sur la sécurité
sociale, par le truchement de l’article 3 de l’arrêté royal
du 28 novembre 1969, afin de permettre l’accès à une
couverture sociale complète.
Pour terminer, l’intervenant exprime ses craintes
en cas d’acceptation sociétale d’une exploitation light
dès lors que l’on estime qu’il n’y a pas de profit anor
mal enregistré. M. Clesse souligne le risque de voir
les directives européennes relatives aux services et
détachements appliquées. Dans les faits, l’impossibilité
de vérification de leur statut d’indépendante, ou d’une
exploitation préalable dans leur pays d’origine, peut
171
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de onmogelijkheid om het statuut van zelfstandige of
een voorafgaande uitbuiting in het land van herkomst
te verifiëren, de totstandkoming van een systeem van
uitbuiting met legale terbeschikkingstelling van buiten
landse prostituees in België in de hand werken.
Mevrouw Sandrine Cnapelinckx benadrukt tot slot
dat de tekst in zijn huidige vorm tot situaties kan lei
den waarbij honderden meisjes uit het oosten die het
slachtoffer van mensenhandelnetwerken zijn en die in
“puticlubs”, dat wil zeggen megabordelen, verblijven die
als kosthuis worden gebruikt, uiteraard zonder enige
sociale dekking, worden uitgebuit, zoals het geval is in
de streek rond La Jonquera in Spanje.
b. Uiteenzetting van mevrouw Sarah De Hovre,
vertegenwoordigster van Pag-Asa/Payoke/Sürya
Mevrouw Sarah De Hovre herneemt uit de schriftelijke
nota die aan de commissie werd overgezonden de
volgende krachtlijnen en verwijst voor het overige naar
de betreffende nota.
De kernvraag bij lezing van het ter bespreking voorlig
gende wetsontwerp luidt als volgt: welke gevolgen zullen
de voorgestelde aanpassingen hebben op de strijd tegen
mensenhandel, de slachtoffers en hun toegang tot de
bijzondere beschermingsprocedure en hulpverlening?
De definitie van mensenhandel wordt duidelijk opgeno
men in de huidige artikelen 433quinquies en 433septies
van het Strafwetboek (verzwarende omstandigheden).
Mensenhandel omvat een handeling (het werven, ver
voeren, overbrengen, huisvesten van een persoon) en
een doel (die persoon financieel en materieel uitbuiten).
Het maakt daarbij niet uit of het slachtoffer heeft toege
stemd noch of de uitbuiter gebruik heeft gemaakt van
dwang, bedreiging of geweld. Deze factoren worden wel
als verzwarende omstandigheden beschouwd.
In het licht van deze definitie wordt duidelijk dat de
nieuwe artikelen in wetsontwerp DOC 2141/001 verwar
ring zullen veroorzaken.
De begeleidingscentra voor slachtoffers van mensen
handel helpen elk jaar meer dan vijfhonderd mensen op
weg naar een nieuw en beter leven. De slachtoffers heb
ben enkel toegang tot deze beschermingsprocedure op
basis van een erkenning door politie en parket. Als politie
en parket bepaalde feiten niet langer als mensenhandel
kwalificeren maar als misbruik van prostitutie, zullen de
slachtoffers niet worden ingelicht en geen toegang krijgen
tot de bijzondere beschermingsprocedure.
favoriser la mise en place d’un système d’exploitation
de prostituées étrangères légalement détachées en
Belgique.
Mme Sandrine Cnapelinckx conclut en insistant sur le
fait que le texte, dans sa forme actuelle, peut permettre
des situations où des centaines de filles de l’est victimes
de réseaux de traite et, séjournant dans des “puti-clubs”,
à savoir des méga-bordels occupés comme des pen
sions, soient exploitées et ce, bien évidemment, sans
aucune couverture sociale comme c’est le cas dans la
région de La Jonquera située en Espagne.
b. Exposé de Mme Sarah De Hovre, représentante
de Pag-Asa/Payoke/Sürya
Mme Sarah De Hovre reprend les lignes directrices
suivantes de la note écrite transmise à la commission,
et renvoie, pour le surplus, à ladite note.
La question principale qui se pose, à la lecture du projet
de loi à l’examen, est la suivante: Quelles conséquences
les modifications proposées auront-elles à l’égard de la
lutte contre la traite des êtres humains, des victimes et
de leur accès à la procédure de protection particulière
et à l’assistance?
La traite des êtres humains est clairement définie dans
les articles 433quinquies et 433septies en vigueur du
Code pénal (circonstances aggravantes). La traite des
êtres humains découle d’un acte (recruter, transporter,
transférer, héberger une personne) et poursuit un objectif
(exploitation financière et matérielle de cette personne).
Il importe peu, à cet égard, que la victime ait donné son
consentement ou que l’exploiteur ait utilisé la contrainte,
la menace ou la force. Toutefois, ces facteurs sont consi
dérés comme des circonstances aggravantes.
Compte tenu de cette définition, il est clair que les
nouveaux articles du projet de loi DOC 2141/001 seront
source de confusion.
Chaque année, les centres d’accompagnement des
victimes de la traite des êtres humains aident plus de
cinq cents personnes à trouver une nouvelle voie et à
accéder à une vie meilleure. Les victimes n’ont accès
à cette procédure de protection que sur la base d’une
reconnaissance par la police et le parquet. Si la police et
le parquet ne qualifient plus certains faits d’actes de traite
des êtres humains mais bien d’abus de la prostitution,
leurs victimes n’en seront pas informées et n’auront pas
accès à la procédure de protection particulière.
2141/006
DOC 55
172
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster dringt daarom aan op heldere wette
lijke regeling die vrijwillige meerderjarige sekswerkers
ertoe in staat stelt hun werk legaal en veilig te kunnen
uitvoeren. De nieuwe wetgeving moet echter een zeer
duidelijke grens trekken tussen vrijwillig sekswerk en
mensenhandel, zodat terreinwerkers en betrokkenen
niet in verwarring komen en slachtoffers snel naar hulp
organisaties worden doorverwezen.
Nieuwe misdrijven definiëren waarbij veel ruimte is
voor uiteenlopende interpretatie kan erg nefaste gevolgen
hebben voor de slachtoffers, aangezien zij in de gecre
ëerde grijze zone bescherming dreigen mis te lopen.
In het huidige artikel 433quater 1,4, 5 en 6 is het voor
de spreekster niet duidelijk wat het verschil is tussen
mensenhandel en misbruik van prostitutie. De memorie
van toelichting legt de nadruk op het feit dat misbruik
van prostitutie tot doel heeft om zich te verrijken terwijl
mensenhandel tot doel zou hebben om controle te
verwerven. Waarom wordt het doel van mensenhandel
daartoe beperkt en worden de overige hogerop ver
noemde doelen achterwege gelaten?
In de bestaande tweedeling volstaat voor misbruik van
prostitutie een algemeen opzet, terwijl mensenhandel
vereist dat er een specifiek doel wordt nagestreefd. Hoe
wordt dat onderscheid in de praktijk gemaakt?
De tweedeling zal weinig gevolgen hebben voor het
vervolgingsbeleid aangezien vervolging altijd mogelijk
zal zijn. De uitbuiter zal kunnen worden vervolgd hetzij
op basis van het nieuwe artikel 433quater hetzij op
basis van het bestaande artikel 433quinquies. Voor de
slachtoffers betekent de keuze van het artikel op basis
waarvan de dader wordt vervolgd echter zeer veel. In
het ene geval hebben zij namelijk geen recht op de
beschermingsprocedure, in het andere wel.
Hoewel Belgische slachtoffers soms terechtkunnen bij
andere hulpverleningsorganisaties, zal de impact voor
buitenlandse slachtoffers des te groter zijn, aangezien zij
ook het risico lopen geen toegang te hebben tot verblijfs
documenten in het kader van de beschermingsprocedure.
Misbruik van prostitutie zoals omschreven het voor
liggende ontwerp vertoont te veel gelijkenissen met
mensenhandel zoals het zich in de realiteit voordoet
en zou moeten worden geherformuleerd om verkeerde
interpretatie te vermijden. Concreet zorgen de zinsne
den “dwingen commerciële diensten te verlenen” en
“actie ondernemen om het verlaten van de prostitutie
te verhinderen” voor verwarring. Het stellen van die
L’oratrice plaide dès lors avec insistance en faveur
d’une réglementation légale claire qui permette aux
travailleurs du sexe majeurs et consentants d’exercer
leur activité en toute légalité et sécurité. Cette nouvelle
législation devra toutefois tracer une frontière très claire
entre le travail sexuel consenti et la traite des êtres
humains afin que les choses soient claires pour les
personnes présentes sur le terrain et pour les intéressés,
et que les victimes soient rapidement orientées vers les
organisations d’aide.
La définition de nouvelles infractions peut avoir des
conséquences très néfastes pour les victimes lorsqu’elle
accorde une grande marge d’interprétation, car les
victimes risquent alors de perdre leur protection dans
la zone d’incertitude ainsi créée.
Dans l’actuel article 433quater 1, 4, 5 et 6, l’oratrice
ne perçoit pas clairement la différence entre la traite des
êtres humains et l’abus de la prostitution. L’exposé des
motifs met l’accent sur le fait que l’abus de la prostitution
vise l’enrichissement alors que la traite des êtres humains
viserait la prise de contrôle. Pourquoi l’objectif de la traite
des êtres humains se limite-t-il à cette seule finalité,
et pourquoi les autres objectifs précités sont-ils omis?
Dans la dichotomie existante, l’intention générale
suffit pour établir l’abus de la prostitution, alors que la
traite des êtres humains requiert un objectif spécifique.
Comment cette distinction sera-t-elle opérée en pratique?
La dichotomie n’aura que peu d’effet sur la politique
en matière de poursuites car les poursuites seront tou
jours possibles. L’exploitant pourra être poursuivi soit
sur la base du nouvel article 433quater, soit sur la base
de l’article 433quinquies existant. Pour les victimes, en
revanche, le choix de l’article en vertu duquel l’auteur
sera poursuivi sera lourd de conséquences. En effet,
dans un cas, elles n’auront pas droit à la procédure de
protection, alors que, dans l’autre cas, elles y auront droit.
Si les victimes belges peuvent parfois se tourner vers
d’autres organisations d’aide, l’impact sera encore plus
grand pour les victimes étrangères, car elles courront
également le risque de ne pas avoir accès aux documents
de séjour dans le cadre de la procédure de protection.
L’abus de la prostitution décrit dans le projet à l’exa
men présente trop de similitudes avec la traite des
êtres humains telle qu’elle se présente sur le terrain.
Sa description devrait dès lors être reformulée pour
éviter toute interprétation erronée. Concrètement, les
mots “contraindre à fournir des services commerciaux”
et “prendre des mesures pour empêcher ou rendre plus
difficile l’abandon de la prostitution” prêtent à confusion.
173
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
acties impliceert dat de dader controle heeft over het
slachtoffer, waardoor de acties als mensenhandel te
kwalificeren zijn.
Hetzelfde geldt voor het ontworpen artikel 433quin
quies/5 (verzwaard misbruik van prostitutie), dat bijna
synoniem is van mensenhandel en dient te worden
geschrapt.
Quid met slachtoffers van misbruik van prostitutie
indien de huidige tweedeling wordt aangehouden? Is het
de bedoeling dat zij ook toegang krijgen tot de bescher
mingsprocedure voor slachtoffers van mensenhandel?
Ook wat prostitutie van minderjarigen betreft, rijst
met betrekking tot de ontworpen artikelen 417/27, 28,
33 en 34 de vraag wat het verschil met mensenhandel
is. Nogmaals zou een tweedeling leiden tot nefaste ge
volgen voor de slachtoffers. Welke impact zou dit hebben
op de detectie en de aanmelding van slachtoffers van
mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, in het
bijzonder van slachtoffers van tienerpooiers of loverboys?
Het is vandaag al moeilijk genoeg om jeugdinstellingen
ervan te overtuigen dat minderjarige meisjes die zich
prostitueren slachtoffer zijn van mensenhandel. Als pros
titutie van minderjarigen niet langer als mensenhandel
wordt geduid, verergert dat probleem.
De spreekster besluit dat Belgische multidisciplinaire
aanpak in de strijd tegen mensenhandel de zorg voor
het slachtoffer al meer dan 25 jaar centraal stelt. Dat
moet zo blijven. Wetgeving die er enkel op gericht is
om daders te vervolgen terwijl slachtoffers hun rechten
niet kunnen doen gelden, staat haaks op de Belgische
basisfilosofie. Alle slachtoffers van mensenhandel met
oog op seksuele uitbuiting moeten toegang krijgen tot de
bijzondere beschermingsprocedure en gespecialiseerde
hulpverlening.
c. Uiteenzetting van mevrouw Sylvie Lausberg,
voorzitster van de Conseil des Femmes Francophones
de Belgique
Mevrouw Sylvie Lausberg wijst erop dat het van belang
is dat de wetgeving neutraal wordt verwoord, teneinde alle
discriminatie te voorkomen. Al even belangrijk is het dat
de vooropgestelde doelstellingen worden waargemaakt,
meer bepaald de bestrijding van het seksueel geweld,
want dat is een probleem dat almaar groter wordt. De
spreekster benadrukt om te beginnen dat in elk geval
rekening moet worden gehouden met het feit dat der
gelijk geweld voornamelijk jegens vrouwen, meisjes en
kinderen wordt gepleegd en dat het vraagstuk derhalve
Dès lors que ces actes impliquent que leur auteur exerce
un contrôle sur la victime, ils peuvent être qualifiés de
traite des êtres humains.
Ce raisonnement s’applique également à l’ar
ticle 433quinquies/5 en projet (abus aggravé de la
prostitution), qui est quasiment synonyme de traite des
êtres humains et qui doit être supprimé.
Quid des victimes d’abus de la prostitution si la dicho
tomie actuelle est maintenue? L’objectif est-il que ces
victimes bénéficient également de la procédure de pro
tection pour les victimes de la traite des êtres humains?
La question de la différence avec la traite des êtres
humains se pose également à l’égard de la prostitution
des mineurs visée aux articles 417/27, 28, 33 et 34 en
projet. Dans ce cas également, la dichotomie aurait des
conséquences néfastes pour les victimes. Quel impact
aurait-elle sur la détection et le signalement des victimes
de la traite des êtres humains en vue d’une exploitation
sexuelle, en particulier des victimes des proxénètes
d’adolescents ou des loverboys? Il est actuellement déjà
suffisamment difficile de convaincre les institutions de
protection de la jeunesse que les filles mineures qui se
prostituent sont victimes de traite des êtres humains. Si
la prostitution de mineurs n’est plus qualifiée de traite
des êtres humains, ce problème sera aggravé.
L’intervenante conclut en affirmant que depuis déjà
plus de vingt-cinq ans, l’approche multidisciplinaire belge
de la lutte contre la traite des êtres humains place la vic
time au centre de ses préoccupations. Il serait contraire
à la philosophie fondamentale de la Belgique d’adopter
une législation qui viserait seulement à poursuivre les
auteurs et ne permettrait pas aux victimes de faire valoir
leurs droits. Toutes les victimes de la traite des êtres
humains en vue d’une exploitation sexuelle doivent
avoir accès à la procédure de protection particulière et
à l’aide spécialisée.
c. Exposé de Mme Sylvie Lausberg, présidente du
Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB)
Mme Sylvie Lausberg rappelle l’importance de la
neutralité de la formulation de la loi afin d’éviter toute
discrimination mais également l’obligation d’atteindre les
objectifs avancés, ici notamment la lutte contre le fléau
en expansion que constituent les violences sexuelles.
L’oratrice souligne d’emblée toute l’importance de la
prise en compte du fait que ces violences sont essen
tiellement commises à l’encontre des femmes, des
filles et des enfants et insiste sur la nécessité d’une
approche genrée de la question car le droit participe à
2141/006
DOC 55
174
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gendergebaseerd moet worden benaderd. Het recht
draagt er immers toe bij dat dwang en overheersend
gedrag blijven bestaan, terwijl het de bedoeling is dat
het wordt gesanctioneerd.
Mevrouw Lausberg vindt dat het wetsontwerp moet
bijdragen tot de waarborging van het grondwettelijk
beginsel inzake gelijkheid van mannen en vrouwen
en tegelijk ervoor moet zorgen dat de lichamelijke en
geestelijke integriteit van elke burger verzekerd is. Op
basis van studies van Amnesty International en van SOS
Viol stelt de deskundige dat een vijfde van de vrouwen
aangeeft te zijn verkracht. Het is derhalve cruciaal om
een centrale plaats toe te kennen aan de beleving van
die vrouwen en meisjes van alle leeftijden en uit uiteen
lopende sociale klassen, alsook om rekening te houden
met de rechtstreekse gevolgen van dat geweld voor de
betrokkenen, maar ook voor hun gezinnen en voor de
samenleving in het algemeen.
Mevrouw Lausberg geeft aan dat de Conseil des
Femmes Francophones de Belgique een bijdrage wil
leveren met betrekking tot drie aspecten in de debatten
omtrent dit heikele maatschappelijk vraagstuk.
1) De seksuele misdrijven
De spreekster is verheugd dat het wetsontwerp op het
vlak van de omschrijving van het begrip “toestemming”
meerdere stappen vooruit omvat. Er wordt een nieuwe
positieve benadering ingeluid, met meer ruimte voor het
verhaal van de slachtoffers, voor de omstandigheden
en voor de tijdslijn van het gebeurde. Zij is voorts tevre
den dat het begrip “incest” in het Strafwetboek wordt
opgenomen, want daarmee wordt tegemoetgekomen
aan een oude eis van de CFFB. Weliswaar lost de
wetgever dat verwoestende probleem niet op, maar hij
kan wel stimuleren dat geesten rijpen met betrekking
tot een probleem dat in ons land tot dusver niet altijd
bijtijds wordt opgespoord, ondanks de aanbevelingen
van de WHO.
Mevrouw Lausberg vestigt vervolgens de aandacht
op enkele meer omstreden aspecten van het aan het
seksueel geweld gewijde onderdeel van het wetsontwerp.
Zo werd het begrip “dwang” in het kader van de de
finitie van toestemming niet in de thans voorliggende
versie van het wetsontwerp opgenomen, hoewel het
wordt vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek. De
spreekster merkt op dat die weglating van het begrip
“dwang” allesbehalve onschuldig is en eigenlijk niet wordt
verantwoord in de memorie van toelichting. Ze wijst op
het belang en het nut van dat begrip; de wetgever wilde
dat heel breed invullen en beschouwt geweld als een
lichamelijke dwang, en bedreiging als een geestelijke
la perpétuation de comportements de contrainte et de
domination qu’il s’agit de sanctionner.
Pour l’intervenante, le projet du législateur doit contri
buer à garantir le principe constitutionnel de l’égalité
entre les hommes et les femmes mais également assurer
l’intégrité physique et psychique de chaque citoyen. Se
référant à des études d’Amnesty International et de SOS
Viol, l’experte constate qu’une femme sur cinq déclare
avoir subi un viol. Il est donc essentiel de placer au cœur
du débat le vécu de ces femmes et filles, de tous âges
et de milieux sociaux variés, tout en tenant compte des
conséquences directes de ces pratiques violentes sur
les personnes mais aussi sur les familles et la société
en général.
Mme Lausberg précise que le Conseil des Femmes
Francophones de Belgique souhaite contribuer à trois
points dans les débats concernant une question socié
tale majeure.
1) Les infractions sexuelles
L’intervenante se réjouit de plusieurs avancées conte
nue dans le projet de loi en ce qui concerne la définition
de consentement qui offre une nouvelle approche positive
en laissant davantage de place à la parole des victimes,
aux circonstances et à la temporalité des faits. L’oratrice
se montre également satisfaite de l’intégration de la
notion d’inceste dans le code pénal, revendication de
longue date du CFFB. S’il ne résoud pas ce problème
dévastateur, le législateur peut néanmoins favoriser
l’évolution des mentalités au sujet d’une problématique
dont la détection précoce reste lacunaire en Belgique,
malgré des recommandations de l’OMS.
Mme Lausberg poursuit en attirant l’attention sur
quelques aspects plus discutables du texte dans la
partie consacrée aux agressions sexuelles.
Ainsi, la notion de contrainte dans le cadre de la
définition du consentement, bien que présente dans
l’article 375 du Code pénal, n’est pas intégrée au texte
discuté tel qu’en l’état. Pour l’oratrice, cette suppression
de la notion de contrainte qui n’est pas directement justi
fiée dans l’exposé des motifs est tout sauf anodine. Elle
relève le caractère intéressant et utile de ce concept par
nature très large, comme souhaité par le législateur qui
considère la violence comme contrainte physique et la
menace comme contrainte psychologique. L’intervenante
175
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dwang. De spreekster vraagt om het begrip “dwang” zijn
centrale plaats in de wetgeving terug te geven, teneinde
rekening te kunnen houden met in de Belgische en
internationale rechtspraak aan bod komende uiteenlo
pende omstandigheden. Mevrouw Lausberg meent dat
de positieve benadering van het begrip “toestemming”
moet worden aangevuld met nadere toepassingsregels
die rekening houden met de genderdimensie van het
seksueel geweld. Volgens haar zou de opname van het
begrip “dwang” het mogelijk maken de uitdrukkelijke
doelstelling van het wetsontwerp waar te maken, namelijk
een betere opvang van de slachtoffers en de bestraffing
van de geweldplegers.
De spreekster gaat vervolgens in op de erkenning
van seksuele handelingen in de specifieke context van
gynaecologisch en obstetrisch geweld. Hoewel dergelijke
praktijken door talrijke getuigenissen aan het licht zijn
gebracht en op grond van een wet uit 2002 elk onder
zoek de vrije toestemming van de patiënte vereist, bevat
die wet uit 2002 geen enkele strafrechtelijke sanctie in
geval van afwezigheid van toestemming. Bovendien is
een gynaecologische en obstetrische handeling per
definitie een gewelddaad indien er geen toestemming
voor wordt gegeven, maar heeft het slachtoffer ervan
slechts heel beperkte mogelijkheden om de schending
van de seksuele integriteit te doen erkennen door het
gerecht. Het klopt dat elke seksuele handeling zonder
toestemming op grond van het Strafwetboek verboden
is en dat de vaststelling ervan wordt bepaald door twee
factoren, namelijk de seksuele aard of de seksuele be
doeling van die daad. De spreekster beklemtoont dat
het gynaecologisch en obstetrisch onderzoek in wezen
de vrouwelijke geslachtsorganen betreft en dat wel de
gelijk in acht moet worden genomen dat een dergelijk
onderzoek niet louter een medische handeling is, maar
als geweld kan worden beschouwd wanneer geen voor
afgaande toestemming werd verleend en de patiënte zich
geïntimideerd en kwetsbaar voelt door het gezag van de
arts. Mevrouw Lausberg wijst erop dat het wetsontwerp
beoogt de seksuele integriteit te beschermen en dat er
derhalve geen enkele objectieve reden bestaat om die
vorm van geweld buiten de toepassingssfeer van het
begrip “verkrachting” te laten. De spreekster wijst op
onsamenhangendheid in het wetsontwerp, aangezien
handelingen binnen een medische context worden uit
gesloten, zoals wordt vermeld op bladzijde 29 van de
memorie van toelichting; zulks leidt tot de onwerkzaam
heid van de verzwarende factor dat het geweld uitgaat
van een arts of een gezondheidsprofessional.
2) Prostitutie
Mevrouw Lausberg betreurt dat de zaken geblokkeerd
lijken op het vlak van de ongelijkheid tussen mannen
en vrouwen ten aanzien van prostitutie, alsook wat
demande le rétablissement de cette notion phare de
contrainte dans la loi afin de permettre de tenir compte de
circonstances variées, comme les jurisprudences belge
et internationales ont pu l’établir. Pour Mme Lausberg,
l’approche positive du consentement doit être complétée
par des modalités d’application tenant compte de la
dimension genrée des violences sexuelles. Selon elle,
l’intégration de la notion de contrainte devrait permettre
d’atteindre l’objectif explicite du texte, à savoir une
meilleure prise en charge des victimes et la sanction
des agresseurs.
L’intervenante poursuit par le problème de la recon
naissance d’actes à caractère sexuel en situation spé
cifique de violences gynécologiques et obstétrical. Bien
que mis en lumière par de nombreux témoignages et
si une loi de 2002 requiert que tout examen se déroule
avec le consentement libre de la patiente, cette loi de
2002 n’est assortie d’aucune sanction pénale en cas
de non-consentement. De plus, la victime d’un acte
gynécologique et obstétrical, par définition violent si non
consenti, ne dispose que d’un recours très limité pour
faire reconnaître par la Justice l’atteinte à son intégrité
sexuelle. Bien sûr, le code pénal interdit tout acte à
caractère sexuel non consenti et ce type d’acte peut être
déterminé de deux manières: par la nature sexuelle ou
par l’intention sexuelle de l’acte. L’oratrice insiste sur le
fait que l’examen gynécologique et obstétrical vise par
essence les organes sexuels féminins et qu’il y a bien
lieu de considérer qu’un tel examen peut, au-delà de
l’acte médical, être considéré comme une agression dès
lors qu’il n’y a pas de consentement préalable et que la
patiente se sent agressée dans une situation de vulné
rabilité face à l’autorité d’un médecin. Mme Lausberg
rappelle que l’objectif du projet de réforme est bien de
protéger l’intégrité sexuelle et qu’il n’y a donc aucune
raison objective d’exclure ces violences du champ
d’application de viol. L’oratrice relève une incohérence
du texte qui exclut des actes commis dans le cadre
médical, comme suggéré dans l’exposé des motifs de la
page 29, rendant inopérant le facteur aggravant issu de
la fonction de médecin ou de professionnel de la santé.
2) La problématique de la prostitution
Mme Lausberg regrette l’impasse constatée au sujet
des inégalités entre les hommes et les femmes face
à la prostitution comme dans tous les cas relevant de
2141/006
DOC 55
176
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
alle gevallen betreft waarbij de seksuele geaardheid
en identiteit op verwerping of wantrouwen vanwege
de samenleving stoten. De spreekster herinnert eraan
hoezeer het van belang is dat dit vraagstuk genderge
baseerd wordt benaderd en benadrukt dat de weer
slag bij vrouwen duidelijk ernstiger is, want zij worden
meer getroffen door seksuele uitbuiting, omdat zij zich
statistisch vaker in kwetsbare situaties bevinden. De
spreekster gelooft niet in de zogezegde verdiensten
van zelfbeschikking inzake prostitutie. Volgens haar zou
die zienswijze in dat geval moeten worden onderbouwd
door de vaststelling dat evenveel mannen als vrouwen
dergelijke activiteiten beoefenen, hetgeen absoluut
niet het geval is. Mevrouw Lausberg betreurt dergelijke
uitlatingen, want zij zorgen er mede voor dat collectief
wordt aanvaardt dat het vrouwenlichaam kan worden
beschouwd als een verhandelbaar voorwerp dat de
mannen seksueel kan bevredigen. De spreekster stoelt
haar stelling op cijfers uit een studie van de Fédération
Wallonie-Bruxelles, volgens welke 23 000 mensen in de
prostitutie zouden zitten, van wie 80 % vrouwen, 15 %
transseksuelen en 5 % mannen. Uit die studie blijkt
voorts dat in de leeftijdscategorie van 20 tot 50 jaar één
actieve vrouw op honderd zich prostitueert en dat 70 %
van de sekswerkers met posttraumatische stress kampt.
In het verslag wordt tevens beklemtoond dat vrouwelijke
prostituees vaker slecht worden behandeld en vaker het
slachtoffer zijn van allerhande geweld. De spreekster stelt
met nadruk dat dit beroep duidelijk gendergebonden is
en geenszins mag worden beschouwd als een activiteit
als een andere die evenzeer mannen als vrouwen zou
aantrekken.
Mevrouw Lausberg is van oordeel dat de keuze voor
die activiteit meestal als het laatste redmiddel wordt
gezien om geld te verdienen. De spreekster benadrukt
dat die beslissing in het streven naar een inkomen vaak
de laatste stap is na een leven vol discriminatie, temeer
daar in België twee op de drie mensen in armoede
vrouwen zijn. De spreekster verduidelijkt dat de be
langrijkste beweegreden voor mensenhandel in Europa
inderdaad de seksuele uitbuiting is (in 62 % van de ge
vallen, zo blijkt uit de cijfers van Eurostat), terwijl 96 %
van de slachtoffers van grensoverschrijdende seksuele
uitbuiting vrouwen zijn. Ondanks de internationale en
Europese inspanningen worden dus vooral vrouwen,
maar ook kinderen, getroffen door die toename van
seksuele slavernij.
Mevrouw Lausberg vestigt er de aandacht op dat
het Europees Parlement nadrukkelijk wijst op de sterke
samenhang tussen de mensenhandel met het oog op
seksuele uitbuiting en de zogenaamde seksindustrie.
Die woordkeuze is voorts betreurenswaardig, daar ze
de inherent gewelddadige aard minimaliseert.
l’orientation et l’identité sexuelles sujettes à une répro
bation ou une méfiance de la société. L’interlocutrice
rappelle toute l’importance d’une approche genrée de
cette problématique et souligne l’impact nettement plus
important chez les femmes, davantage touchées par des
situations d’exploitation sexuelle car statistiquement plus
précarisées. L’oratrice réfute les prétendus mérites de
l’auto-détermination en ce qui concerne la prostitution.
Selon elle, cette vision des choses devrait alors être cor
roborée par la constatation d’un nombre égal d’hommes
et de femmes pratiquant ces activités, ce qui est loin
d’être le cas. Mme Lausberg regrette ce discours qui
participe à l’acceptation collective du fait que le corps
des femmes puissent être considéré comme un objet
commercialisable permettant de satisfaire sexuellement
les hommes. L’intervenante appuie ses propos par les
chiffres d’une étude de la Fédération Wallonie-Bruxelles
selon lesquels sur 23 000 personnes qui se prostituent,
80 % sont des femmes, 15 % des transsexuels et 5 %
des hommes. Il en ressort également qu’au sein de la
tranche d’âge des 20-50 ans, une femme active sur
cent se prostitue et que 70 % des personnes prostituées
souffrent d’un stress post-traumatique. Le rapport souligne
en outre que les femmes prostituées sont également
souvent victimes de mauvais traitements et violences
de différentes natures. L’oratrice insiste sur le fait que
ce métier est clairement genré et ne constitue en rien
une activité comme une autre qui attirerait autant les
hommes que les femmes.
Pour Mme Lausberg, le choix de cette activité est
généralement dicté par un souci de profiter d’un dernier
recours permettant de gagner de l’argent. L’intervenante
souligne que cette recherche de revenus est alors souvent
le résultat de discriminations accumulées tout au long
du parcours de vie, d’autant qu’en Belgique les femmes
représentent deux personnes sur trois en situation de
pauvreté. L’oratrice précise que, selon Eurostat, c’est bien
l’exploitation sexuelle qui, à raison de 62 %, constitue le
motif principal de la traite des êtres humains en Europe
alors que 96 % des victimes de l’exploitation sexuelle
transfrontalière sont des femmes. Celles-ci, ainsi que
des enfants, sont donc majoritairement concernées par
la recrudescence de cet esclavage sexuel, malgré les
efforts fournis aux niveaux international et européen.
Mme Lausberg fait remarquer que les travaux du
Parlement européen soulignent les liens étroits entre la
traite des êtres humains à des fins d’exploitation sexuelle
et ce qu’il dénomme l’industrie du sexe, regrettable
sémantique visant à en minimiser le caractère intrinsè
quement violent.
177
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster is ermee ingenomen dat de regering
beoogt de sekswerkers een statuut te geven en beoogt
hun activiteiten in België te decriminaliseren. De CFFB
en andere belanghebbenden plaatsen echter vraagte
kens bij de gevolgen van die wetgeving voor de concrete
situatie van wie in de prostitutie zit. Mevrouw Lausberg
hekelt het voornemen om prostitutie te liberaliseren en
er een commerciële – zij het te reguleren – activiteit van
te maken die onder de persoonlijke vrijheid valt. Zij is
van oordeel dat de voorgestelde krijtlijnen om uitbuiting
tegen te gaan niet zullen opwegen tegen de vinding
rijkheid en de macht van de mensenhandelaars en de
pooiers, wier praktijken hebben aangetoond dat zij erg
bedreven zijn in het omzeilen van de wet, die dusver
nochtans veel beperkender was. Vervolgens licht de
spreekster twee voorbeelden toe waaruit de beperkingen
van de beoogde hervorming blijken. Ze gaat ook in op
de risico’s van die hervorming voor de slachtoffers van
seksuele uitbuiting, hetgeen in tegenspraak is met de
nagestreefde doelstellingen.
— De moeilijke toepasbaarheid en het ontbreken van
duidelijke krijtlijnen of van middelen om de reclame te
controleren, teneinde zich ervan te vergewissen dat
iemand zich niet voor eigen rekening prostitueert. De
spreekster acht dat instrument ruim onvoldoende om te
waarborgen dat de prostitutie inderdaad niet het gevolg
is van een invloed, inmenging, dwang of macht.
— Mevrouw Lausberg vindt het onderscheid tussen
een “normaal” en “abnormaal” voordeel verkregen door
de exploitatie van prostitutie ook een probleem. Zij is van
oordeel dat niemand anders dan wie zich prostitueert
enigerlei profijt of voordeel zou mogen halen uit het
verlenen van seksuele diensten. Die juridische vaagheid
laat de interpretatie en de beoordeling volledig aan de
rechter over, terwijl in de opleiding van de rechters de
algemene probleemstelling van prostitutie en de fysieke,
seksuele, psychische en economische vrouwenmishan
deling onvoldoende aan bod komen. Nog in dat verband
vindt de spreekster dat de zittende rechters een gepaste
opleiding zouden moeten krijgen over geweld tegen vrou
wen, prostitutie, seksuele uitbuiting en mensenhandel en
dat die thema’s ook in de opleidingen tot rechter zouden
moeten worden opgenomen. De spreekster roept op tot
meer inzicht in en kennis van, bijvoorbeeld, de maffiame
chanismen waar enorme bedragen mee gemoeid zijn,
waardoor het mogelijk wordt om met kennis van zaken
te oordelen in een voortdurend veranderende nationale
en internationale context.
Tot slot is mevrouw Lausberg van oordeel dat deze
hervorming pooierschap legaliseert, maar dat onder
het mom van een statuut en sociale bescherming het
L’intervenante salue la volonté du gouvernement de
vouloir doter les travailleurs du sexe d’un statut et de
vouloir décriminaliser leurs activités dans notre pays.
Cependant, le CFFB et d’autres intervenants se ques
tionnent au sujet de l’impact de cette législation sur la
situation concrète de personnes en situation de prosti
tution. Mme Lausberg dénonce la volonté de libéraliser
l’activité de prostitution et d’en faire un acte commercial,
à encadrer, relevant de la liberté individuelle. Pour elle,
la faiblesse des balises proposées dans le but de faire
échec à l’exploitation ne tiendront pas le coup face à
l’ingéniosité et le pouvoir des trafiquants et proxénètes
dont les pratiques ont démontré toutes les facultés à
contourner le cadre de la loi, jusqu’ici pourtant davantage
restrictive. L’oratrice développe ensuite deux exemples
démontrant les limites du projet de réforme ainsi que les
risques que celui-ci fait courir aux victimes de l’exploitation
sexuelle, en contradiction avec les objectifs annoncés.
— La complexité d’application et l’absence de balises
claires ou de moyens de contrôle de la publicité afin
de s’assurer que la personne ne se prostitue pas pour
son propre compte. L’oratrice estime cet outil largement
insuffisant pour garantir et vérifier que l’acte de prosti
tution soit bien dégagé de toute influence, ingérence,
contrainte ou domination.
— La prise en considération de la distinction entre
les notions d’avantage normal ou anormal procuré par
l’exploitation de la prostitution constitue également un
problème selon Mme Lausberg, pour qui nul autre indi
vidu ne devrait tirer un quelconque profit ou avantage
de services sexuels prestés par une personne. Ce flou
juridique risque bien de laisser au juge toute la capacité
d’interprétation et d’appréciation, alors que le monde
judiciaire reste peu formé à la problématique générale
de la prostitution et des violences faites aux femmes,
qu’elles soient physiques, sexuelles, psychiques ou
encore économiques. À ce sujet, l’intervenante juge que
des formations consacrées aux violences à l’encontre
des femmes, à la prostitution, à l’exploitation sexuelle
et à la traite des êtres humains devraient judicieuse
ment garantir une formation adressées au personnel en
place et également intégrées aux cursus de formation.
L’oratrice appelle à une meilleure maîtrise et connais
sance, par exemple, des mécanismes mafieux brassant
des sommes astronomiques, permettant ainsi de juger en
toute connaissance de cause en fonction d’un contexte
national et international en constante mutation.
Pour conclure sur ce sujet, Mme Lausberg estime
que cette réforme légalise le proxénétisme en aban
donnant l’immense majorité des personnes prostituées
2141/006
DOC 55
178
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
lot van de overgrote meerderheid van de prostituees in
de handen van de mensenhandelaars en de pooiers
wordt gelegd.
Qua sociale bescherming zijn de spreekster en de
CFFB verbaasd dat geen rekening werd gehouden met
het advies van de Raad van de Gelijke Kansen voor
Mannen en Vrouwen (nr. 156, van 10 december 2020)
betreffende de sociale rechten van personen die zich
prostitueren. Daarin worden de verschillende procedures
toegelicht om sociale bescherming te verkrijgen.
Op grond van de ter bespreking voorliggende tekst
zou, onder bepaalde voorwaarden waarvan de ineffici
ëntie werd aangetoond, de pooier buiten schot blijven
ingeval het misdrijf “uitbuiting” wordt vastgesteld. Als
deskundige met terreinkennis bestempelt de spreekster
deze regeling als wishful thinking en stelt ze dat voor
misdadigers en andere uitbuiters een mooie toekomst
is weggelegd.
Mevrouw Lausberg deelt mee dat de deskundigen in
het veld algemeen een sterke toename van het aantal
geprostitueerde minderjarigen vaststellen. In het ver
slag van een werkgroep van de Franse regering wordt
melding gemaakt van een stijging met 70 % in vijf jaar
tijd. Ze waarschuwt dan ook dat het aanbieden van het
lichaam als koopwaar ook de jongsten treft, migranten
of niet. De spreekster acht de legalisatie van prostitutie
geen aanvaardbare oplossing. Ze stelt dat die net zal
leiden tot meer misstanden omdat het aanbod meer
vraag in de hand zal werken. Mevrouw Lausberg vindt
het vraagstuk complex. Ze is van oordeel dat de voor
gestelde hervorming een grondigere analyse vereist.
Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden
met de Europese aanbevelingen, betreffende de seksu
ele uitbuiting en prostitutie bijvoorbeeld, alsook met de
gevolgen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen.
3) Een genderaanpak
Mevrouw Lausberg stelt de gelijkheid tussen mannen
en vrouwen aan de orde. Ze benadrukt de tegenstrijdig
heid tussen deze hervorming en het federaal plan Gender
mainstreaming, dat slechts vier maanden geleden werd
aangenomen en dat bepaalt dat het overheidsbeleid een
genderdimensie moet omvatten.
Het verbaast de spreekster vooral dat niet is ingegaan
op de respectieve situaties van mannen en vrouwen op
het gebied van het seksueel strafrecht. Ondanks alle
goede bedoelingen blijkt voorts uit de impactanalyse van
de tekst dat men niet weet op hoeveel percent mannen
en vrouwen het voorontwerp betrekking heeft.
aux trafiquants et proxénètes, sous couvert d’offrir un
statut et une protection sociale.
Au sujet du volet protection sociale, l’intervenante
et le CFFB s’étonnent de la non prise en considération
de l’avis du Conseil de l’Égalité des chances entre les
Hommes et les Femmes (n° 156, 10 décembre 2020)
relatif aux droits sociaux des personnes prostituées et
qui détaille les différentes procédures activables pour
bénéficier d’une couverture sociale.
Pour la spécialiste de terrain, absoudre le proxénète,
comme le prévoit le texte en discussion, de toute infraction
d’exploitation sous réserve de conditions, dont l’ineffica
cité a été démontrée, relève de vœux pieux et garantit
de beaux jours aux délinquants et autres exploiteurs.
Mme Lausberg fait part de l’unanimité des profes
sionnels de terrain pour constater une augmentation de
la prostitution des mineurs, chiffrée à 70 % en cinq ans
dans le rapport d’un groupe de travail gouvernemental
français. Elle alerte donc sur le fait que la marchandisation
des corps n’épargne pas les plus jeunes, qu’ils soient
migrants ou pas. Pour l’intervenante, la légalisation de
la prostitution ne constitue pas une solution acceptable
mais ouvre au contraire à tous les abus car l’offre stimule
la demande. Mme Lausberg juge la question complexe et
estime que la réforme proposée mérite une analyse plus
approfondie, tenant compte, entre autres, des recom
mandations européennes, comme celles qui étudient
l’exploitation sexuelle et la prostitution ainsi que leurs
conséquences sur l’égalité des hommes et des femmes.
3) Une approche genrée
Mme Lausberg soulève la question de l’égalité entre
les hommes et les femmes. Elle souligne la contradiction
entre cette réforme et le plan fédéral Gender mainstrea
ming, adopté voici à peine quatre mois, et selon lequel
les politiques gouvernementales se doivent d’intégrer
la dimension de genre.
L’oratrice manifeste un étonnement particulier à pro
pos de l’absence d’identification de différences entre
les situations respectives des hommes et de femmes
en matière de droit pénal sexuel. De plus, malgré de
belles résolutions, l’analyse d’impact du texte indique
que le pourcentage d’hommes et de femmes visés par
l’avant-projet n’est pas connu.
179
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Derhalve vindt de spreekster het ter bespreking voorlig
gende wetsontwerp een gemiste kans om de samenleving
stappen vooruit te doen zetten en het strafarsenaal bij
de tijd te brengen. In schril contrast met de statistische
instrumenten en de betogen van de deskundigen wordt
in het wetsontwerp geen rekening gehouden met de
onevenredige gevolgen voor de voornaamste slachtof
fers van genderongelijkheid en seksueel geweld: de
vrouwen en de meisjes.
Mevrouw Lausberg is van oordeel dat als de hervorming
van meet af aan voorbijgaat aan het feit dat dergelijk
geweld een specifieke impact heeft op vrouwen en min
derjarigen, het doel onvermijdelijk zal worden gemist en
de pooiers de boodschap krijgen dat ze ongestoord hun
gang kunnen gaan. Erger nog, de hervorming zal dan
essentieel tekortschieten: de slachtoffers binnen een
rechtsstaat wordt geen afdoende bescherming gebo
den. De specialiste vindt dat als het genderaspect niet
expliciet in het Strafwetboek kan worden opgenomen,
moet worden gewerkt met andere specifieke instrumen
ten (strafprocesrecht, recherche, rondzendbrieven van
het College van Procureurs-generaal, proefprojecten),
teneinde met die specifieke situaties rekening te kunnen
houden. Tegelijkertijd moet de overheid ertoe worden
opgeroepen de mogelijke beperkingen en leemtes van
deze hervorming weg te werken.
Tot besluit vraagt mevrouw Lausberg welk samenle
vingsmodel men aan de toekomstige generaties beoogt
door te geven. Ze benadrukt dat de liberalisering van
de prostitutie gevaren inhoudt, daar de jongeren een
model wordt geboden om een seksuele dienst te ko
pen. De spreekster vindt het jammer dat het ambigue
gedeelte van de hervorming, betreffende de seksuele
meerderjarigheid, tegelijkertijd een tegengestelde en
beperkende boodschap uitdraagt naar de jongeren:
seksuele betrekkingen worden in de eerste plaats als
misdrijven omschreven. De spreekster vindt die straf
baarstelling van de seksualiteit van de jongeren onzin.
d. Uiteenzetting van mevrouw Liesbet Stevens,
professor aan de KU Leuven en adjunct-directeur van
het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen
(IGVM)
Mevrouw Liesbet Stevens geeft aan dat de minis
ter van Justitie al advies over het wetsontwerp heeft
ingewonnen. Met de voorgestelde hervorming wordt
het seksueel strafrecht eindelijk aangepast aan de 21e
eeuw. Het IGVM bereidt een uitgebreidere nota voor.
Pour l’intervenante, le projet discuté constitue une
occasion manquée de faire évoluer la société et de
moderniser l’arsenal pénal. En contradiction avec les
outils statistiques et les propos d’experts, celui-ci ne tient
pas compte de l’impact disproportionné qu’il engendre
sur les principales victimes des inégalités de genre et
de violences sexuelles: les femmes et les filles.
Mme Lausberg estime que si la réforme refuse d’em
blée de reconnaître l’impact spécifique de ces violences
sur les femmes et les mineurs, elle manquera imman
quablement son objectif et enverra un message de
laisser-faire aux proxénètes. Pire, elle manquera alors
à son élémentaire devoir de protection des victimes au
sein d’un État de droit. La spécialiste est d’avis que si
le code pénal ne peut intégrer de manière explicite la
notion de genre, il conviendra de le compléter par d’autres
instruments spécifiques (droit de procédure pénale,
police criminelle, circulaires des procureurs généraux,
mise en place de projets pilotes) qui doivent permettre
de tenir compte de ces situations particulières, tout en
réclamant toute l’attention des pouvoirs publics pour
pallier les potentielles limites et lacunes de cette réforme.
Mme Lausberg conclut en posant la question du modèle
de société à transmettre aux générations futures. Elle
dégage le danger de la libéralisation de la prostitution qui
offre aux jeunes un modèle d’achat d’un service sexuel.
L’intervenante déplore le fait, qu’en même temps, le volet
ambigu consacré à la majorité sexuelle de la réforme
transmette un message opposé et restrictif aux jeunes
pour qui les relations sexuelles sont d’abord présentées
comme des infractions. Pour l’oratrice, cette criminalisa
tion de la sexualité des jeunes constitue un non-sens.
d. Exposé de Mme Liesbet Stevens, professeure à
la KU Leuven et directrice adjointe de l’Institut pour
l’égalité des femmes et des hommes (IEFH)
Mme Liesbet Stevens signale que le ministre de la
Justice a déjà demandé un avis sur le projet de loi à
l’examen. La réforme proposée permettra enfin d’adap
ter le droit pénal sexuel au XXIe siècle. L’IEFH prépare
actuellement une note plus détaillée à ce sujet.
2141/006
DOC 55
180
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1. Toestemming
De spreekster juicht toe dat het begrip “toestemming”
in het wetsontwerp terdege wordt verduidelijkt. Zij heeft
evenwel een paar kritische opmerkingen.
Met betrekking tot intoxicatie luidt de memorie van
toelichting “dat de betwiste omstandigheid (bijvoorbeeld
invloed van alcohol) van die aard moet zijn geweest dat
de vrije wil is aangetast. Het louter onder invloed zijn
van een bepaalde substantie volstaat dus niet om van
een niet-consensuele seksuele handeling te kunnen
spreken”. In voorbeelden uit de rechtspraktijk gaat het
tot nu toe vooral om gevallen waarin er sprake is van
een zeer ernstige intoxicatie (bijvoorbeeld black-outs
of niet meer zelfstandig kunnen stappen). Niettemin
kan ook een veel lagere intoxicatiegraad uitmonden in
kwetsbaarheid van het slachtoffer waardoor dat geen
volwaardige toestemming kan geven voor het stellen
van een seksuele handeling.
Bijzonder positief is de verduidelijking met betrekking
tot het fenomeen stealthing, waarbij een man zonder
toestemming van de partner zijn condoom afdoet en de
geslachtsgemeenschap verderzet, aldus de memorie
van toelichting. Onder geslachtsgemeenschap wordt
meestal vaginale penetratie verstaan. Stealthing omvat
echter elke vorm van seksuele penetratie en eveneens
het aanvangen van seksuele penetratie zonder condoom
wanneer met de sekspartner werd afgesproken dat een
condoom zou worden gebruikt. Tot slot dient te worden
opgemerkt dat ook vrouwen kunnen veinzen gebruik te
maken van een (vrouwen)condoom.
Tot slot wijst het IGVM erop dat er nog steeds veel
aandacht gaat naar het gedrag van het slachtoffer, niet
zozeer naar het gedrag van de verdachte. Het Instituut
pleit ervoor om stelselmatig over te gaan tot psychologisch
onderzoek van de verdachte, diens voorgeschiedenis
en diens modus operandi.
In de algemene toelichting van het wetsontwerp
(DOC 55 2141/001, blz. 20) staat de volgende passage:
“Een volledige omkering van de bewijslast in die zin dat
niet-toestemming steeds wordt vermoed bij seksuele
handelingen en de voorafgaande toestemming moet
kunnen worden bewezen door de verdachte, lijkt een brug
te ver te zijn. Men kan bijvoorbeeld moeilijk verwachten
dat de toestemming schriftelijk wordt genotuleerd of dat
getuigen de verbaal verkregen toestemming attesteren
vooraleer er seksuele contacten worden aangevat.”. Deze
formulering is een nauwelijks verholen poging om met
een absurde overdrijving een discussie onmogelijk te
maken die wel degelijk mag worden gevoerd, met name
de invoering van een seksuele zorgvuldigheidsnorm
1. Consentement
L’oratrice se félicite que la notion de “consentement”
soit clarifiée comme il se doit dans le projet de loi à
l’examen. Elle formule toutefois quelques observations
critiques.
En ce qui concerne l’intoxication, l’exposé des motifs
indique “que la circonstance litigieuse (par exemple,
l’influence de l’alcool) doit avoir été de nature à altérer
le libre arbitre. Il ne suffit donc pas d’avoir simplement
été sous l’influence d’une certaine substance pour pou
voir parler d’acte à caractère sexuel non consensuel”.
Dans les exemples issus de la jurisprudence, il s’agit
jusqu’à présent surtout de cas d’intoxication très grave
(exemples: perte de connaissance ou incapacité de
marcher sans assistance). Or, un degré d’intoxication
beaucoup plus faible peut également rendre la victime
vulnérable, celle-ci n’étant dès lors pas en mesure de
véritablement consentir à un acte à caractère sexuel.
L’oratrice se félicite tout particulièrement de la clarifi
cation du phénomène du stealthing, décrit dans l’exposé
des motifs comme étant une situation dans laquelle un
homme retire son préservatif sans le consentement de
son partenaire et poursuit le rapport sexuel. Par rapport
sexuel, on entend généralement une pénétration vagi
nale, mais le stealthing inclut toute forme de pénétration
sexuelle, et également l’engagement d’une pénétration
sexuelle sans préservatif alors qu’il avait été convenu
avec le partenaire sexuel qu’un préservatif serait utilisé.
Enfin, l’oratrice fait observer que les femmes peuvent
également feindre d’utiliser un préservatif (féminin).
Pour conclure, l’IEFH souligne qu’une grande attention
est toujours accordée au comportement de la victime
tandis que l’attention accordée à l’inculpé est nettement
moindre. L’Institut préconise de procéder systématique
ment à un examen psychologique de l’inculpé, ainsi qu’à
l’analyse de ses antécédents et de son mode opératoire.
L’exposé général du projet de loi à l’examen
(DOC 55 2141/001, p. 20) contient le passage suivant:
“Un renversement complet de la charge de la preuve, dans
le sens où le non-consentement est toujours présumé
en cas d’actes à caractère sexuel et où le consentement
préalable doit pouvoir être prouvé par le suspect, semble
aller trop loin. À titre d’exemple, on peut difficilement
s’attendre à ce que le consentement soit consigné par
écrit ou que des témoins confirment que le consente
ment a été obtenu verbalement avant que des contacts
sexuels commencent.”. Cette formulation constitue une
tentative à peine déguisée, en exagérant de manière
absurde, de rendre impossible une discussion qui doit
néanmoins pouvoir être menée, à savoir l’introduction
181
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
naar analogie met het concept onvrijwillige slagen en
verwondingen.
Leeftijd
Het IGVM heeft het in deze context graag over de term
“seksuele handelingsbekwaamheid” omdat “meerder
jarigheid” onterecht de indruk wekt dat er een leeftijd is
waarop in seksuele context alles mag. Het wetsontwerp
bevestigt 16 jaar als minimumleeftijd voor seksuele
handelingsbekwaamheid. Het is goed dat er een uit
zondering wordt ingevoerd voor 14- en 15-jarigen die bij
een maximaal leeftijdsverschil van twee jaar seksuele
handelingen mogen hebben met leeftijdsgenoten. Het
gaat hierbij ontegensprekelijk niet over niet-consensuele
handelingen. De spreekster pleit voorzichtig voor de
optrekking van het maximale leeftijdsverschil van twee
naar drie jaar. Die leeftijdsvork biedt meer ruimte voor
de normale seksuele ontwikkeling van tieners.
De memorie van toelichting is op pagina 13 nog niet
aangepast, aangezien het daar nog steeds een onweer
legbaar vermoeden wordt gedacht dat minderjarigen
onder de 16 jaar niet uit vrije wil kunnen toestemmen. Die
formulering strookt niet met de rest van de ontwerptekst.
2. Misdrijven
Aantasting van de seksuele integriteit
Het misdrijf “aanranding van de eerbaarheid” wordt
hernoemd tot aantasting van de seksuele integriteit en zou
worden bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden
tot 5 jaar. De minimumstraf dient tot 1 jaar te worden ver
hoogd. Ten eerste omvat het misdrijf een ruim spectrum
aan gedragingen die de integriteit van het slachtoffer
kunnen schaden, gaande van lichte misdrijven naar
gedwongen masturbatie. Ten tweede maakt een mini
mumstraf van 1 jaar voorlopige hechtenis, contactverbod
en probatiemaatregelen mogelijk.
Dickpics
In Nederland is het mogelijk om strafrechtelijk op te
treden tegen het versturen van seksuele beelden naar
iemand die daar geen boodschap aan heeft. België zou
dat voorbeeld moeten volgen. Momenteel lijkt de bescher
ming van de seksuele integriteit van het slachtoffer in
België namelijk ondergeschikt te zijn aan de bescherming
van de “openbare zedelijkheid” van de samenleving. Dit
lijkt in strijd te zijn met het fundamentele uitgangspunt
van de hervorming van dit onderdeel van het seksueel
strafrecht, namelijk het seksueel zelfbeschikkingsrecht.
d’une obligation de précaution sexuelle par analogie
avec le concept de coups et blessures involontaires.
Âge
Dans ce contexte, l’IEFH préfère utiliser le terme de
“capacité sexuelle”, car la “majorité” donne le sentiment,
à tort, que, dans le contexte sexuel, tout est permis
à partir d’un certain âge. Le projet de loi à l’examen
confirme que l’âge minimum pour la capacité sexuelle
est fixé à 16 ans. Il est positif qu’une exception soit
insérée afin que les adolescents âgés de 14 ou 15 ans
puissent poser un acte à caractère sexuel avec d’autres
adolescents, si la différence d’âge n’est pas supérieure
à deux ans. Cette exception ne vise incontestablement
pas les actes non consensuels. L’oratrice préconise avec
prudence de faire passer la différence d’âge maximale
de deux à trois ans. Cette différence d’âge offrira une
plus grande marge pour le développement sexuel normal
des adolescents.
La page 13 de l’exposé des motifs n’a pas encore
été modifiée, puisque le fait que les mineurs d’âge de
moins de seize ans ne peuvent pas consentir librement
est toujours considéré comme une présomption irréfra
gable. Cette formulation ne se concilie pas avec le reste
du projet de texte.
2. Infractions
L’atteinte à l’intégrité sexuelle
L’infraction “l’attentat à la pudeur” est requalifiée
d’atteinte à l’intégrité sexuelle et serait punie d’une peine
d’emprisonnement de 6 mois à 5 ans. Il convient de
relever la peine minimale à un an. Premièrement, cette
infraction couvre un large éventail de comportements
qui peuvent porter atteinte à l’intégrité de la victime,
allant d’infractions mineures à la masturbation forcée.
Deuxièmement, une peine minimum d’un an permettra
la détention préventive, l’interdiction de contact et les
mesures de probation.
L’envoi non demandé d’images d’organes génitaux
(Dickpics)
Aux Pays-Bas, il est possible d’agir au niveau pénal
contre l’envoi d’images sexuelles à toute personne
qui n’est pas intéressée. La Belgique devrait suivre
cet exemple. En Belgique, la protection de l’intégrité
sexuelle de la victime semble actuellement subordon
née notamment à la protection de la “moralité publique”
de la société. Ce principe semble contraire au postulat
de départ de la réforme de cette partie du droit pénal
sexuel, à savoir le droit à l’autodétermination sexuelle.
2141/006
DOC 55
182
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De voorkeur van het IGVM gaat uit naar de invoering
van een geheel nieuwe strafbaarstelling die uitgaat
van de bescherming van de seksuele integriteit van de
ontvanger van het beeld.
Voyeurisme
Deepfake pornography of deepnudes is een steeds
vaker voorkomende praktijk waarbij een persoon ge
loofwaardig naakt wordt afgebeeld op met computer
programma’s gemanipuleerde afbeeldingen, ook al zijn
er in werkelijkheid geen naaktafbeeldingen van deze
persoon. Deepnudes schenden de seksuele integriteit
van de afgebeelde persoon, die dezelfde gevolgen zal
ondervinden van een slachtoffer van zogenaamd “ge
woon” voyeurisme en niet-consensuele verspreiding
van intieme beelden.
Er dient te worden verduidelijkt dat deepnudes een
vorm van strafbaar voyeurisme vormen. Voor de formu
lering van de strafbaarstelling van zulke beelden kan
inspiratie worden gezocht bij de definitie van seksuele
misbruikbeelden van minderjarigen, waarin wel een
verwijzing werd opgenomen naar het maken van realisti
sche afbeeldingen van een niet-bestaande minderjarige.
Sextorsion
Het IGVM ontvangt steeds meer meldingen van geval
len van sextorsion. Daders dreigen met het verspreiden
van intieme beelden om geld, bijkomende foto’s, sek
suele handelingen of stilzwijgen van het slachtoffer te
verkrijgen. Het IGVM staat momenteel een slachtoffer bij
dat door de dader werd afgeperst om nieuwe seksuele
handelingen te stellen.
Doordat sextorsion op dit ogenblik geen zelfstandig
misdrijf is, kan het enkel via omwegen en in zeer spe
cifieke gevallen worden beteugeld, bijvoorbeeld als
een vorm van afpersing of als een begin van uitvoering
van aanranding van de eerbaarheid. Het is dan ook
aanbevolen om een aparte strafbaarstelling in het sek
sueel strafrecht op te nemen, zodat de politie gericht
kan optreden.
Niet-consensueel bezit van intieme beelden
Bij niet-consensueel bezit van intieme beelden wist de
dader of had de dader moeten weten dat de afgebeelde
persoon niet wil dat de beelden (nog) in zijn bezit zijn.
In tegenstelling tot in Nederland is het niet-consensueel
bezit van intieme foto’s voor meerderjarigen vooralsnog
niet strafbaar in België. Opnieuw zou het een duidelijk
signaal zijn om dit fenomeen toch strafbaar te stellen.
L’IEFH accorde la préférence à l’introduction d’une
toute nouvelle incrimination fondée sur la protection de
l’intégrité sexuelle du destinataire de l’image.
Voyeurisme
La création de fausses images pornographiques
(deepfake pornography ou deepnudes) est une pratique
de plus en plus fréquente qui consiste à créer une repré
sentation crédible d’une personne nue à partir d’images
manipulées à l’aide d’un logiciel, même s’il n’existe en
réalité aucune image de cette personne nue. La création
de telles images viole l’intégrité sexuelle de la personne
représentée, qui subira les mêmes conséquences que
la victime de voyeurisme “classique” et de diffusion non
consensuelle d’images intimes.
Il convient de préciser que la création de fausses
images pornographiques (deepnudes) constitue une
forme punissable de voyeurisme. La formulation de
l’incrimination de ce type d’images peut s’inspirer de la
définition des images d’abus sexuels de mineurs, qui
contient quant à elle une référence à la création d’images
réalistes représentant un mineur qui n’existe pas.
L’extorsion sexuelle
L’IEFH reçoit de plus en plus de signalements de cas
d’extorsion sexuelle (sextorsion). Les auteurs menacent
de diffuser des images intimes pour obtenir de l’argent,
des photos supplémentaires, l’accomplissement d’actes
à caractère sexuel ou le silence de la victime. L’IEFH
assiste actuellement une victime qui a été incitée, sous
la menace d’extorsion, à accomplir de nouveaux actes
sexuels.
Etant donné que l’extorsion sexuelle ne constitue
pas une infraction autonome, elle ne peut être réprimée
qu’au travers de moyens détournés et dans des cas très
spécifiques, par exemple, en tant que forme d’extorsion
ou en tant que commencement d’exécution d’un attentat
à la pudeur. Il se recommanderait dès lors de prévoir
une incrimination distincte dans le droit pénal sexuel,
afin de permettre une intervention ciblée de la police.
La détention non consensuelle d’images intimes
En cas de détention non consensuelle d’images
intimes, l’auteur savait ou aurait dû savoir que la per
sonne représentée ne consentait pas à ce qu’il conserve
les images en sa possession. Contrairement à ce qui
est le cas aux Pays-Bas, la détention non consensuelle
d’images intimes n’est pas encore punissable en Belgique.
L’incrimination de ce phénomène constituerait à nouveau
183
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het is meteen een bijkomend middel om sextorsion te
bestrijden.
3. Verzwarende omstandigheden
Voyeurisme en (perfide) niet-consensuele verspreiding
Momenteel worden voyeurisme en (perfide) niet-
consensuele verspreiding van intieme beelden uitgeslo
ten van de toepassing van verschillende verzwarende
omstandigheden, omdat er niet altijd een interactie is
tussen dader en slachtoffer. Deze redenering gaat niet
goed op aangezien de verzwarende omstandigheden
veelal zijn gebaseerd op de gevolgen voor het slachtof
fer, waar niet altijd een dergelijke interactie voor nodig
is. Om die reden mogen voyeursisme en de (perfide)
niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte
beelden en opnames niet worden uitgesloten van de
verzwarende omstandigheden “met de dood tot gevolg”,
“door of gepaard gaande met foltering, opsluiting of
zwaar geweld” en “onder bedreiging van een wapen of
op een wapen gelijkend voorwerp of na toediening van
weerloos makende stoffen”.
Filmen van de feiten
Het komt steeds vaker voor dat daders of mededaders
de seksuele misdrijven filmen terwijl ze worden gepleegd
en de beelden nadien delen. Hoewel het delen al straf
baar is, pleit de spreekster voor het invoeren van een
verzwarende omstandigheid voor het filmen zelf. Een
Gents meisje van 14 heeft zich naar aanleiding van een
dergelijke situatie van het leven beroofd.
Foltering, opsluiting of zwaar geweld
De tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van
persoonlijke arbeid staat niet gelijk aan de ernst van
of agressie waarmee niet-consensuele seksuele han
delingen werden gepleegd. De tijdsgebonden invulling
gebruikt de veerkracht van het slachtoffer om te bepalen
hoe ernstig het misdrijf was.
Is de grens van vier maanden niet te hoog? Als een
slachtoffer na twee maanden opnieuw aan de slag kan,
is de verzwarende omstandigheid niet van toepassing.
Uit onderzoek blijkt dat één slachtoffer op twintig raakt
zwanger als gevolg van een verkrachting. Het feit dat
een persoon raakt zwanger wordt of een soa oploopt
door een seksueel misdrijf wordt momenteel vermeld bij
de kwetsbare toestand van het slachtoffer maar hoort
eerder bij de strafverzwaring door foltering, opsluiting
of zwaar geweld aangezien het hier gaat om gevolgen,
un signal clair. Il s’agirait d’un moyen supplémentaire
de lutter contre l’extorsion sexuelle.
3. Circonstances aggravantes
Le voyeurisme et la diffusion non consensuelle (perfide)
Actuellement, le voyeurisme et la diffusion non consen
suelle (perfide) d’images intimes sont exclus de l’appli
cation de différentes circonstances aggravantes, parce
qu’il n’existe pas toujours une interaction entre l’auteur et
la victime. Ce raisonnement n’est pas pertinent, dès lors
que les circonstances aggravantes sont généralement
basées sur les conséquences pour la victime, ce qui
ne nécessite pas toujours pareille interaction. Pour ces
raisons, le voyeurisme et la diffusion non consensuelle
(perfide) d’images et d’enregistrements à caractère sexuel
ne doivent pas être exclus des circonstances aggravantes
“ayant entraîné la mort”, “précédés ou accompagnés de
torture, de séquestration ou de violence grave” et “sous
la menace d’une arme ou d’un objet qui y ressemble ou
après administration de substances inhibitives”.
Le filmage des faits
Il est de plus en plus fréquent que les auteurs ou les
coauteurs filment les infractions à caractère sexuel en
train de se commettre et qu’ils partagent les images par la
suite. Bien que le partage soit déjà punissable, l’oratrice
plaide en faveur de l’introduction d’une circonstance
aggravante pour le filmage proprement dit. Une jeune
fille gantoise de 14 ans a mis fin à ses jours après avoir
été victime d’une telle situation.
La torture, la séquestration ou la violence grave
L’incapacité temporaire de travail personnel n’est
pas représentative de la gravité des actes à caractère
sexuel non consensuels ou de la violence avec laquelle
ils ont été commis. La définition limitée dans le temps
se fonde sur la résilience de la victime pour déterminer
la gravité de l’infraction.
La limite de quatre mois n’est-elle pas trop élevée? Si
une victime peut reprendre le travail après deux mois, la
circonstance aggravante ne sera pas applicable.
Des études ont révélé qu’une victime sur vingt est
tombée enceinte à la suite d’un viol. Le fait que la vic
time soit enceinte ou contracte une MST à la suite d’une
infraction sexuelle est actuellement mentionné comme
circonstance aggravante en raison de la vulnérabilité
de la victime mais relève plutôt de l’alourdissement de
la peine pour torture, séquestration ou violence grave
2141/006
DOC 55
184
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
eerder dan om de toestand van het slachtoffer op het
moment van de feiten.
Culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of
de zogenaamde “eer”
Het Instituut pleit ervoor dat de huidige verzwarende
factoren culturele drijfveren, gewoontes, tradities, reli
gie en de zogenaamde “eer” worden opgenomen als
verzwarende omstandigheden. Het betreft hier een
technische formuleringskwestie.
Op grond van geslacht
In de rechtspraktijk heerst veel verwarring over de
concrete invulling van de verzwarende omstandigheid
op grond van geslacht. Er wordt verkeerdelijk uitgegaan
van de stelling dat mannelijke heteroseksuele daders
die vrouwelijke slachtoffers maken, dit louter doen op
basis van hun seksuele geaardheid en dat er bijgevolg
zogezegd geen sprake kan zijn van strafverzwaring op
grond van geslacht. Het behoud van deze interpretatie
van de verzwarende omstandigheid zou impliceren dat
de strafverzwaring enkel van toepassing kan zijn op een
homoseksuele man die een seksueel misdrijf pleegt op
een vrouw. Een dergelijke interpretatie holt de verzwa
rende omstandigheid de facto volledig uit.
4. Seksuele uitbuiting van minderjarigen
In de definitie van grooming moet het woord “kunnen”
worden ingevoerd: “… handelingen die tot een dergelijke
ontmoeting kunnen leiden”. Voor de strafbaarheid van
grooming is het immers niet noodzakelijk dat er wer
kelijk een ontmoeting plaatsvindt. Het fenomeen moet
bovendien ook strafbaar worden gesteld bij meerderjarige
slachtoffers.
In het voorliggende ontwerp is grooming zowel online
als offline strafbaar, terwijl in het huidige strafrecht enkel
de online vorm bij minderjarige slachtoffers strafbaar
is. Er moet ook een discussie zijn over het strafbaar
stellen van voorbereidingshandelingen in geval van
meerderjarigen. De spreekster pleit voor het opnieuw
invoeren van het misbruik van ICT-hulpmiddelen als
strafverzwarende factor.
5. Openbare zedenschennis
Al dan niet extreme porno
Beelden die als strijdig met de goede zeden worden
beschouwd, worden niet langer geviseerd door het
voorliggende wetsontwerp. De spreekster heeft be
grip voor die logica. In dit deel wordt echter niet langer
dès lors qu’il s’agit de conséquences, plutôt que d’un
élément de la situation de la victime au moment des faits.
La culture, la coutume, la tradition, la religion ou le
prétendu “honneur”
L’Institut préconise d’inscrire les actuels facteurs
aggravants que sont la culture, la coutume, la tradition,
la religion et le prétendu “honneur” dans les circons
tances aggravantes. Il s’agit en l’espèce d’une question
de formulation technique.
Sur la base du sexe
Il existe beaucoup de confusion, dans la pratique
juridique, sur l’interprétation concrète de la circonstance
aggravante “sur la base du sexe”. On part à tort du pos
tulat que les auteurs hétérosexuels masculins qui s’en
prennent à des victimes féminines, le font purement et
simplement sur la base de leur orientation sexuelle et
qu’il ne peut dès lors soi-disant pas être question d’alour
dissement de la peine sur la base du sexe. Le maintien
de cette interprétation de la circonstance aggravante
impliquerait que l’alourdissement de la peine ne peut
s’appliquer qu’à un homme homosexuel qui commet une
infraction sexuelle sur une femme. Pareille interprétation
vide de facto la circonstance aggravante entièrement
de sa substance.
4. Exploitation sexuelle de mineurs
Dans la définition du “grooming”, il convient d’insérer
le mot “pouvant”: “… d’actes matériels pouvant conduire
à ladite rencontre”. Pour l’incrimination du “grooming”, il
n’est en effet pas nécessaire que la rencontre ait effec
tivement lieu. Le phénomène doit en outre aussi être
érigé en infraction lorsque les victimes sont majeures.
Le projet de loi à l’examen incrimine le “grooming” en
ligne comme hors ligne, alors que le droit pénal actuel
n’incrimine que sa version en ligne auprès de victimes
mineures. Il convient en outre d’examiner l’opportunité
de pénaliser les actes préparatoires dans le cas de
majeurs. L’oratrice préconise de réintroduire l’abus de
ressources TIC en tant que facteur aggravant.
5. Outrage public aux bonnes mœurs
Pornographie extrême ou non
Les images considérées comme contraires aux bonnes
mœurs ne sont plus visées par le projet de loi à l’exa
men. L’oratrice peut comprendre cette logique. Cette
partie ne renvoie toutefois plus au consentement de la
185
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gerefereerd aan de toestemming van de persoon die
de beelden ontvangt of aan diens minderjarigheid.
Zodoende is het tonen van gewone seksuele beelden
aan minderjarige niet strafbaar, in tegenstelling tot het
vervaardigen of verspreiden van boodschappen van
extreem pornografische of gewelddadige aard. Op het
tonen van zulke materialen aan een minderjarige berust
een stafverzwaring, terwijl het tonen van bijvoorbeeld
een seksfilm aan een minderjarige niet langer strafbaar
zou zijn. De parlementsleden moeten deze tegenstelling
bestuderen.
Exhibitionisme
Er moet discussie worden gevoerd over exhibitionisme,
zijnde “zich met het oogmerk de eigen seksuele driften
te voldoen opdringen aan andermans zicht van de ei
gen ontblote geslachtsdelen of van een seksuele daad
in een openbare plaats”, aangezien toestemming het
gedeelde uitgangspunt is. In bovengenoemde definitie
lijken de stellers van het ontwerp toch terug te keren
naar de notie van maatschappelijke eerbaarheid. Een
streaker die over een voetbalveld rent, lijkt de spreker
echter minder problematisch dan een persoon die zich
exhibitioneert in een besloten ruimte ten aanzien van
een andere persoon die daar niet van gediend is.
6. Gemeenschappelijke bepalingen
Momenteel kunnen het openbaar ministerie of de
rechter bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, met
het oog op het opleggen van de meest geschikte straf,
het gemotiveerd advies van een gespecialiseerde dienst
inwinnen. Het IGVM pleit ervoor om het inwinnen van
dat advies te verplichten omdat het psychologisch on
derzoek van de dader in elke stap van de gerechtelijke
afhandeling belangrijk is.
Het verplicht inwinnen van een advies houdt niet
noodzakelijk in dat elke seksuele delinquent verplicht
moet worden behandeld of begeleid noch dat er geen
differentiatie mogelijk is. Het advies maakt het mogelijk
voor de rechter om de straf te doen aansluiten op de
dader en diens risiconiveau. Risicotaxatie en risicoma
nagement zouden bovendien bij alle seksuele misdrijven
moeten worden toegepast.
Het IGVM deelt de bezorgdheid over de praktische
weerslag van de prostitutiehervorming. Er is weinig
discussie over het streefdoel maar de vraag blijft of het
wetsontwerp dat streefdoel efficiënt nastreeft. Het wets
ontwerp verwijst naar de situatie in Nieuw-Zeeland, waar
elke partij het belang van goede banden tussen politie
en sekswerkers onderschrijft. Sekswerkers stappen in
Nieuw-Zeeland ook daadwerkelijk naar de politie als ze
personne recevant les images ni à sa minorité. Dès lors,
montrer des images sexuelles ordinaires à un mineur
ne sera pas punissable, contrairement à la production
ou à la diffusion de messages à caractère extrêmement
pornographique ou violent. Montrer ce matériel à un
mineur entraînera un alourdissement de la peine, alors
que lui montrer un film à caractère sexuel, par exemple,
ne serait plus punissable. Les membres du Parlement
devraient se pencher sur cette contradiction.
Exhibitionnisme
L’exhibitionnisme, qui consiste à “imposer à la vue
d’autrui ses propres organes génitaux dénudés ou un
acte à caractère sexuel dans un lieu public, dans le but
d’assouvir ses propres pulsions sexuelles”, doit faire
l’objet d’une discussion, car le consentement consti
tue le postulat partagé. Dans la définition reproduite
ci-dessus, les auteurs semblent revenir à la notion de
pudeur sociale. Or, selon l’oratrice, un exhibitionniste
qui traverse un terrain de football semble moins problé
matique qu’une personne qui s’exhibe dans un espace
fermé devant une autre personne qui n’a rien demandé.
6. Dispositions communes
Actuellement, le ministère public ou le juge saisi peut
demander l’avis motivé d’un service spécialisé en vue
de prononcer la sanction la plus appropriée. L’IEFH
préconise d’imposer l’obtention de cet avis, estimant
que l’examen psychologique de l’auteur est important
à chaque étape de la procédure judiciaire.
Imposer la demande d’un avis ne signifie pas néces
sairement que chaque délinquant sexuel devra être
traité ou accompagné, ni qu’aucune différenciation n’est
possible. L’avis permettra au juge d’adapter la sanction
à l’auteur et à son niveau de risque. En outre, l’évalua
tion et la gestion des risques doivent être appliquées à
toutes les infractions sexuelles.
L’IEFH partage les préoccupations relatives aux
conséquences pratiques de la réforme de l’approche de
la prostitution. Si l’objectif visé n’est guère discutable, on
peut se demander si le projet de loi poursuit efficacement
cet objectif. Le projet de loi renvoie à la situation de la
Nouvelle-Zélande, où tous s’accordent sur l’importance
de bonnes relations entre la police et les travailleurs
du sexe. En Nouvelle-Zélande, les travailleurs du sexe
2141/006
DOC 55
186
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
slachtoffer worden van seksueel geweld. In België staan
de zaken er anders voor.
Tot slot dringt de spreekster erop aan dat het Parlement
de hervorming na doorvoering op alle vlakken goed
evalueert. De omkadering zal mee uitmaken of het
strafrecht met deze hervorming werkelijk de 21e eeuw
binnentreedt.
e. Uiteenzetting van mevrouw Herlindis Moestermans,
vertegenwoordigster van de Vrouwenraad
Mevrouw Herlindis Moestermans verschaft toelich
ting over de bekommernissen en suggesties van de
Vrouwenraad.
Tijdsgeest en internationale regelgeving
De stellers van het wetsontwerp verwijzen naar inter
nationale verdragen en rechtspraak van de Raad van
State en de Hoge Raad voor de Justitie. De spreekster
voegt daar het VN-vrouwenrechtenverdrag en relevante
aanbevelingen van het CEDAW-comité aan toe.
Wat prostitutie tegen meerderjarigen betreft, wordt er
niet verwezen naar relevante internationale verdragen,
enkel naar pro-decriminaliseringliteratuur en de Nieuw-
Zeelandse wetgeving. De memorie van toelichting moet
ook aandacht hebben voor verdragen.
Genderneutrale en gendergerelateerde benadering
Genderneutraliteit hanteren wegens de premisse
van accuraatheid omdat er te veel focus op de gelijk
heid tussen man en vrouw zou komen te liggen, kan tot
nieuwe ongelijkheid leiden volgens het wetsontwerp. De
indieners verwijzen daarvoor naar een uitspraak van
het EHRM, dat het geslacht van transgenders erkent
maar die uitspraak werd wel later rechtgezet door het
EHRM aangezien transgender geen geslacht is maar
een genderidentiteit. De Vrouwenraad stelt ook voor om
“transgender personen” in plaats van “transgenders” als
begrip in het wetsontwerp te gebruiken.
Het ontbreekt in het wetsontwerp aan een gender
gerelateerde benadering van geweld, voornamelijk op
vrouwen, nochtans een rode draad van het Verdrag van
Istanbul. Ook transgender, queer en intersekse personen
maken meer geweld mee dan cisgendermannen.
In de bij het wetsontwerp bijgevoegde geïntegreerde
impactanalyse staat dat het wetsontwerp een positieve
impact zou hebben op de gelijkheid tussen vrouwen en
s’adressent donc effectivement à la police lorsqu’ils
sont victimes de violences sexuelles. Les choses sont
différentes en Belgique.
Enfin, l’oratrice exhorte le Parlement à évaluer correc
tement tous les aspects de la réforme au lendemain de
sa mise en œuvre. Ce suivi contribuera à déterminer si
le droit pénal est véritablement entré dans le XXIe siècle,
grâce à cette réforme.
e. Exposé de Mme Herlindis Moestermans,
représentante du Vrouwenraad
Mme Herlindis Moestermans donne des précisions
au sujet des préoccupations et des suggestions du
Vrouwenraad.
Esprit du temps et réglementation internationale
Les auteurs du projet de loi renvoient aux conventions
internationales et à la jurisprudence du Conseil d’État et
du Conseil supérieur de la Justice. L’oratrice y ajoute la
Convention des Nations Unies sur les droits des femmes
et les recommandations pertinentes du Comité CEDAW.
En ce qui concerne la prostitution des majeurs, il
n’est pas renvoyé à des conventions internationales
pertinentes, mais uniquement à la littérature en faveur
de la décriminalisation et à la législation néozélandaise.
L’exposé des motifs doit également prêter attention aux
conventions.
Approche genrée ou non
Utiliser la neutralité de genre sous prétexte de préci
sion car l’accent serait excessivement mis sur l’égalité
homme-femme peut conduire, selon le projet de loi à
l’examen, à une nouvelle inégalité. À cet égard, les
auteurs renvoient à un arrêt de la CEDH, qui a reconnu
le sexe de transgenres mais la CEDH a cependant
rectifié cet arrêt par la suite dès lors que le transgen
dérisme n’est pas un sexe mais une identité de genre.
Le Vrouwenraad propose également d’utiliser les mots
“personnes transgenres” plutôt que le mot “transgenres”
dans le projet de loi.
Une approche genrée de la violence, principalement
celle à l’égard femmes, laquelle constitue pourtant un
fil rouge de la Convention d’Istanbul, fait défaut dans
le projet de loi. Les personnes transgenres, queers et
intersexes sont également davantage confrontées à la
violence que les hommes cisgenres.
Il est indiqué dans l’analyse d’impact intégrée jointe
au projet de loi que celui-ci aurait un impact positif sur
l’égalité entre les femmes et les hommes, bien que
187
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mannen, al wordt die bewering niet gestaafd met bewij
zen. De genderimpactanalyse is dus niet naar behoren
gemaakt en moet worden overgedaan.
Dataverzameling moet geoptimaliseerd en gepubli
ceerd worden: zicht krijgen op het aantal vrouwelijke
en mannelijke slachtoffers en hun genderidentiteit en
-expressie, per seksueel delict; idem voor de daders
en dit in de politionele criminaliteitsstatistieken en de
gerechtelijke statistieken. De spreekster verwijst tot
slot naar wetenschappelijk onderzoek zoals de recente
studie van de UGent naar seksueel geweld in België
(UN-MENAMAIS, Understanding the Mechanisms,
Nature, Magnitude & Impact of Sexual Violence in
Belgium (2017-2021). Onderzoeksproject gefinancierd
door BELSPO en gecoördineerd door UGent).
Toestemming en bewijslast
De definitie van toestemming is correct aangepast,
maar de bewijslast blijft nog steeds bij het slachtoffer.
Dat heeft te maken met het vermoeden van onschuld,
het adagium in ons strafrecht. De bewijslast bij de dader
is geen optie volgens het wetsontwerp: niet-toestemming
wordt steeds vermoed bij seksuele handelingen en de
voorafgaande toestemming moet kunnen worden be
wezen; omkering van de bewijslast zou strijdig zijn met
de rechten van verdediging.
Maar wat met het moreel element van het strafbaar
feit? Voor een aantal misdrijven voert het wetsontwerp
een wettelijke verankering in van het algemeen opzet/
wetens en willens voor reeks misdrijven (art. 417/8, 9,
10, 12, 26, 27, 30, 34, 36, 39, 40, 42, 45, 47, 48, 51, 56,
64; art. 433quater/1). In de rechtsleer zijn er momenteel
grosso modo twee visies (want nu is er geen wettelijke
verankering van het algemeen opzet):
— Volgens de eerste strekking, gehanteerd in het
voorliggende wetsontwerp, is het noodzakelijk dat de
dader met algemeen opzet/de kennis en de wil (wetens
willens) heeft om de verboden handeling te plegen. Het
is aan de burgerlijke partij en aan de openbaar aankla
ger om met alle middelen het bestaan van het vereiste
moreel bestanddeel aan te tonen. Slachtoffers onder
vinden echter vaak moeilijkheden om bewijsmateriaal te
verzamelen, zeker als ze pas jaren later aangifte doen
van de feiten. Ze moeten bewijzen dat ze niet hebben
toegestemd en aantonen dat de daders wetens en wil
lens hebben gehandeld.
— Volgens de tweede strekking: wanneer de wet
gever het moreel element van een strafbaar feit niet
uitdrukkelijk of impliciet heeft gedefinieerd, volstaat het
dat het strafbare feit vrijwillig en welbewust is gepleegd
om schuld te doen ontstaan. In dit geval is het aan de
cette affirmation ne soit pas étayée par des preuves.
L’analyse d’impact quant au genre n’a dès lors pas été
correctement réalisée et doit être recommencée.
Il convient d’optimaliser et de publier la collecte de
données pour connaître le nombre de victimes féminines
et masculines ainsi que leur identité et expression de
genre, par infraction sexuelle; idem pour les auteurs dans
le cadre des statistiques policières relatives à la crimina
lité et dans les statistiques judiciaires. L’oratrice renvoie
enfin à la recherche scientifique, telle que l’étude récente
de l’UGent relative aux violences sexuelles en Belgique
(UN-MENAMAIS, Understanding the Mechanisms,
Nature, Magnitude & Impact of Sexual Violence in
Belgium (2017-2021). Projet de recherche financé par
BELSPO et coordonné par l’UGent).
Consentement et charge de la preuve
La définition du consentement a été adaptée correc
tement, mais la charge de la preuve incombe encore
à la victime, en raison de la présomption d’innocence,
adage de notre droit pénal. Le projet de loi indique que
la charge de la preuve ne peut incomber à l’auteur: le
non-consentement est toujours présumé en cas d’actes
sexuels et le consentement préalable doit pouvoir être
démontré; le renversement de la charge de la preuve
serait contraire aux droits de la défense.
Cependant, quid de l’élément moral du fait punissable?
Pour certaines infractions, le projet de loi inscrit dans la
loi un dol général/en connaissance de cause (art. 417/8,
9, 10, 12, 26, 27, 30, 34, 36, 39, 40, 42, 45, 47, 48, 51, 56,
64; art. 433quater/1). La doctrine distingue actuellement
grosso modo deux visions (faute d’ancrage légal du dol
général à ce jour):
— Selon le premier courant, sur lequel est basé le
projet de loi à l’examen, il est nécessaire que l’auteur ait
la connaissance nécessaire et la volonté (délibérée) de
commettre l’acte interdit. Il appartient à la partie civile et
au procureur de prouver par tous les moyens l’existence
de l’élément moral requis. Les victimes éprouvent toutefois
souvent des difficultés à réunir des preuves, a fortiori si
elles ne déclarent les faits qu’après des années. Elles
doivent prouver qu’elles n’ont pas consenti et montrer
que les auteurs ont agi sciemment et volontairement.
— Selon le deuxième courant, lorsque le législateur
n’a pas expressément ou implicitement défini l’élément
moral d’un fait punissable, il suffit que le fait punissable
ait été commis volontairement et sciemment pour faire
naître la culpabilité. Dans ce cas, il appartient à l’auteur
2141/006
DOC 55
188
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dader om zich te verantwoorden om het vermoeden
van schuld te weerleggen. Deze visie zou ook in het
wetsontwerp kunnen worden geïntegreerd. GREVIO, de
expertencommissie die gelinkt is aan het Verdrag van
Istanbul, is in een evaluatierapport over Zweden positief
over de invoering van de misdrijven van verkrachting
en seksueel misbruik door nalatigheid. De dader wordt
strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld voor het stellen
van seksuele handelingen zonder vooraf over te gaan
tot een redelijke verificatie van toestemming van het
slachtoffer.
De Vrouwenraad doet de aanbeveling om tijdens het
onderzoek naar de feiten automatisch aan de dader te
vragen uit welke handeling of woorden hij/zij de toe
stemming heeft afgeleid. Wanneer de dader die vraag
niet kan beantwoorden, moet dat een element zijn in
de beoordeling. Politie en magistraten moeten hierover
worden opgeleid.
In het wetsontwerp staat dat er moet worden nagegaan
dat de dader geen omstandigheden van dwang heeft
gecreëerd of heeft geprofiteerd van de aanwezigheid
van dergelijke omstandigheden. Het is evenwel niet
duidelijk wie die controle moet uitvoeren.
Het wetsontwerp stelt voorwaarden die de bewijslast
voor slachtoffers verzwaren, waardoor het moeilijker
wordt om hen te beschermen en daders te veroorde
len. Als voorbeeld geldt de bepaling over de persoon
in een gezags- of vertrouwenspositie, waarin staat dat
zulke personen daadwerkelijk gebruik moeten hebben
gemaakt van hun positie vooraleer ze een strafbaar feit
hebben gesteld. Kan de positie van gezag, vertrouwen
of invloed van de dader op zich niet volstaan om het
bestaan van het strafbaar feit vast te stellen?
Ook bij misbruik van personen die kwetsbaar zijn,
kan de dader worden vervolgd als de situatie van kwets
baarheid duidelijk is en wanneer de dader ervan op de
hoogte was. Hoe kan het slachtoffer bewijzen dat zulks
het geval was? Er kan worden bepaald dat dergelijke
omstandigheden noodzakelijkerwijs elke toestemming
van het slachtoffer uitsluiten.
Minderjarigen en sexting
De Vrouwenraad is tevreden met de bepalingen rond
minderjarigen en sexting in het wetsontwerp. Sexting
maakt deel uit van de seksuele ontwikkeling van jongeren.
De vraag blijft wel hoe slachtoffers kunnen bewijzen dat
ze niet met sexting hebben ingestemd. De Vrouwenraad
beveelt daarom aan om in een structurele omkadering
de se justifier pour réfuter la présomption de culpabilité.
Ce point de vue pourrait également être intégré dans le
projet de loi. Dans un rapport d’évaluation, le GREVIO,
le groupe d’experts lié à la Convention d’Istanbul, se
montre très positif vis-à-vis de la Suède au sujet de
l’introduction des infractions de viol et d’abus sexuel par
négligence. L’auteur est tenu pénalement responsable
s’il a commis des actes sexuels sans procéder au pré
alable à une vérification raisonnable du consentement
de la victime.
Le Vrouwenraad recommande de demander automa
tiquement à l’auteur, au cours de l’examen des faits, de
quel acte ou de quels mots il/elle a déduit le consen
tement. Si l’auteur n’est pas en mesure de répondre
à cette question, cela doit constituer un élément de
l’évaluation. La police et les magistrats doivent être
formés à cet égard.
Il est indiqué dans le projet de loi qu’il convient de
vérifier si l’auteur n’a pas créé de circonstances de
contrainte ou a profité de la présence de telles circons
tances. Il n’apparaît toutefois pas clairement qui devra
réaliser ce contrôle.
Dès lors que le projet de loi à l’examen fixe des condi
tions qui alourdissent la charge de la preuve incombant
aux victimes, il sera plus difficile de les protéger et de
condamner les auteurs des faits. Songeons par exemple
à la disposition relative aux personnes qui se trouvent en
position d’autorité ou de confiance, qui énonce que ces
personnes doivent effectivement avoir utilisé leur position
pour commettre un fait punissable. La seule position
d’autorité, de confiance ou d’influence de l’auteur des
faits ne pourrait-elle pas suffire pour établir l’existence
du fait punissable?
En cas d’abus commis sur des personnes vulnérables,
l’auteur de ces abus pourra également être poursuivi si
la situation de vulnérabilité est claire et s’il avait connais
sance de l’existence de cette situation. Comment la
victime pourra-t-elle prouver que tel était bien le cas?
On pourrait disposer que de telles situations excluent
de facto tout consentement de la part de la victime.
Les mineurs d’âge et le sexting
Le Vrouwenraad se réjouit des dispositions prévues
par le projet de loi à l’examen en ce qui concerne les
mineurs d’âge et le sexting. S’il est vrai que le sexting
fait partie du processus de développement sexuel des
jeunes, la question reste néanmoins de savoir comment
les victimes pourront prouver qu’elles n’ont pas consenti
189
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
en middelen te voorzien (door de gemeenschappen)
zoals op Vlaams niveau wordt aangeboden door Sensoa.
Boodschappen van extreem pornografische of
gewelddadige aard
In dit verband moeten enkele begrippen worden
verduidelijkt.
— Slaat “extreem” op “pornografisch” en op
“gewelddadig”?
— Het misdrijf valt onder openbare zedenschennis.
Wordt dan enkel de openbaarheid geviseerd?
— In de memorie van toelichting worden een aantal
delicten zoals wraakporno en bestialiteiten opgenomen.
Moeten daar nog andere vormen aan worden toegevoegd,
zoals wurgporno?
— Over welke dragers gaat het? Reëel beeldmateriaal,
animatie of geschreven tekst?
— Hoe kunnen rechters inschatten welke beelden
traumatiserend of psychisch schadelijk zijn?
Incest
De spreekster juicht toe dat incest in plaats van ver
zwarende omstandigheid een strafbaar feit wordt en
zodoende zwaarder bestraft, alsook dat het begrip wordt
opengetrokken. Het lijkt echter problematisch dat er een
leeftijdsgrens van 16 jaar wordt gehanteerd.
Bij incest begonnen op jonge leeftijd en bestendiging
na seksuele meerderjarigheid kan er volgens de stel
lers van het wetsontwerp geen sprake zijn van geldige
toestemming, maar zij schrijven ook strengere regels
voor inzake de toestemmingsvereiste voor jongeren
tussen 16 en 18 jaar. Zullen deze jongeren moeten
bewijzen dat ze niet hebben toegestemd?
Is het haalbaar om incest strafbaar te stellen ongeacht
de leeftijd van het slachtoffer? Zo wordt de focus meer
gelegd op de aard van de relatie. Er is buitenlandse
wetgeving die deze richting uitgaat.
au sexting. C’est pourquoi le Vrouwenraad recommande
que les Communautés prévoient un encadrement et
des moyens structurels tel que celui offert au niveau
flamand par Sensoa.
Messages à caractère extrêmement pornographique
ou violent
À cet égard, il convient de préciser certaines notions:
— L’adverbe “extrêmement” porte-t-il à la fois sur
l’adjectif “pornographique” et sur l’adjectif “violent”?
— Cette infraction constitue un outrage public aux
bonnes mœurs. Le projet de loi à l’examen ne vise-t-il
alors que les outrages publics?
— L’exposé des motifs énumère plusieurs délits
comme le revenge porn et la zoophilie. Conviendrait-il
d’y ajouter d’autres formes, comme la pornographie
montrant des scènes de strangulation?
— Quels sont les supports visés? Les images réelles,
les images d’animation ou les textes écrits?
— Comment le juge pourra-t-il évaluer si des images
produisent ou non des effets traumatisants ou d’autres
conséquences dommageables sur le plan psychique?
Inceste
L’oratrice se réjouit que l’inceste soit considéré non
plus comme une circonstance aggravante mais comme
un fait punissable et qu’il soit dès lors puni plus sévè
rement. Si elle se réjouit aussi de l’élargissement de la
notion d’inceste, il lui semble toutefois problématique
d’utiliser une limite d’âge fixée à seize ans.
Si les auteurs du projet de loi à l’examen estiment que,
dans les cas où l’abus sexuel incestueux a commencé
à un jeune âge et se poursuit après que la victime a
atteint la majorité sexuelle, il ne peut pas être ques
tion de consentement valable, ils prévoient néanmoins
aussi des règles plus strictes en matière d’obligation
de consentement pour les jeunes entre seize et dix-huit
ans. Ces jeunes devront-ils apporter la preuve qu’ils
n’ont pas donné leur consentement?
Serait-il envisageable d’incriminer l’inceste sans
tenir compte de l’âge des victimes? Cela permettrait de
mettre davantage l’accent sur la nature de la relation
entre l’auteur des faits et la victime. Il existe des lois qui
vont dans ce sens à l’étranger.
2141/006
DOC 55
190
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Bestraffing en bemiddeling
De voorgestelde strafverzwaringen zijn goed nieuws.
Voor alle niet-consensuele handelingen wordt geen straf
verminderd ten opzichte van het huidige Strafwetboek.
Het wetsontwerp maakt alle alternatieve straffen voor
seksuele misdrijven mogelijk omdat bestraffing de grenzen
van de proportionaliteit niet mag overschrijden. Anders
ontstaat er immers het gevaar dat het tegenovergestelde
resultaat wordt bereikt.
Over welke alternatieve straffen gaat het? In het hui
dige strafrecht worden een aantal alternatieve straffen
uitgesloten van het werkingsveld. De voorkeur van de
stellers van het wetsontwerp gaat uit naar probatie en
de begeleiding en behandeling van daders. Op deze
thema’s wordt echter niet verder ingegaan aangezien ze
deel zullen uitmaken van de algemene hervorming van
het Strafwetboek. Toch pleit de Vrouwenraad voor een
correct evenwicht tussen straf- en begeleidingsmaatre
gelen. Artikel 16 van het Verdrag van Istanbul verplicht
de overheid ertoe om daderbegeleidingsprogramma’s
uit te werken.
Wat bemiddeling betreft, wijst de spreekster op arti
kel 48 van het Verdrag van Istanbul. Nu is er een teneur
naar het verplichten tot bemiddeling, terwijl dat artikel
stelt dat slachtoffers de garantie moeten krijgen dat hun
vrije en geïnformeerde toestemming met bemiddeling
noodzakelijk is. Bemiddeling kan voor de Vrouwenraad
enkel mits garantie voor slachtoffers van hun vrije en
geïnformeerde toestemming, gecombineerd met verant
woordelijkheidstraining voor daders en met risicotaxaties.
Positie van de slachtoffers
Het Strafwetboek is te veel vanuit het perspectief van
de dader opgesteld. Hoe kan het slachtoffer centraler
staan in de uitwerking van het strafrecht?
De geldboetes die aan daders worden opgelegd, lig
gen nogal laag. Deskundigen onderzoeken welke letsels
slachtoffers hebben opgelopen maar een begroting van
de schade wordt vaak niet uitgevoerd. De vraag blijft ook
wat in het seksueel strafrecht als billijke geldvergoeding
wordt beschouwd.
Zodra de procedure is ingeleid, beschikt het slachtoffer
over een aantal instrumenten om informatie te vergaren.
Er zijn onvoldoende maatregelen voor personen met een
beperking. Hoewel slachtoffers spreekrecht hebben,
vormt dit geen officieel aspect van de procedure. De
piste van het spreekrecht moet volgens de Vrouwenraad
Répression et médiation
Le durcissement proposé des peines constitue une
bonne nouvelle. Aucun acte non consensuel ne donnera
lieu à une peine plus clémente que les peines prévues
actuellement par le Code pénal. Le projet de loi à l’examen
permettra d’infliger toutes les peines alternatives aux
auteurs d’infractions sexuelles dès lors que la répression
doit rester proportionnelle, sans quoi le risque est en
effet d’obtenir le résultat opposé au résultat escompté.
De quelles peines alternatives est-il question? Le droit
pénal actuel exclut plusieurs peines alternatives dans la
pratique. Les auteurs ont une préférence pour la probation
ainsi que pour l’accompagnement et le traitement des
auteurs. Ces thématiques ne sont toutefois pas dévelop
pées plus en détail dès lors qu’elles feront partie de la
réforme globale du Code pénal. Le Vrouwenraad plaide
toutefois pour qu’un équilibre raisonnable soit trouvé
entre les sanctions et les mesures d’accompagnement.
L’article 16 de la Convention d’Istanbul prévoit l’obliga
tion, pour les États parties, d’élaborer des programmes
d’accompagnement des auteurs de violence.
S’agissant de la médiation, l’oratrice renvoie à l’ar
ticle 48 de la Convention d’Istanbul. L’idée est aujourd’hui
de prévoir une obligation de participer à une médiation,
mais ledit article 48 dispose que les victimes de violences
doivent avoir la garantie que leur consentement libre et
informé est nécessaire pour pouvoir commencer une
médiation. Le Vrouwenraad estime que la médiation
n’est envisageable que si les victimes ont la garantie
que leur consentement sera libre et informé, en com
binaison avec la formation des auteurs en matière de
responsabilité et l’évaluation des risques.
Le statut des victimes
Le Code pénal est trop souvent rédigé du point de vue
de l’auteur. Comment pourrait-on accorder une place
plus centrale à la victime dans le cadre de l’élaboration
du droit pénal?
Les amendes infligées aux auteurs sont relativement
faibles. Les experts déterminent les lésions subies par les
victimes mais souvent, aucune estimation du préjudice
n’est réalisée. La question reste par ailleurs de savoir
ce que le droit pénal sexuel considère comme une juste
indemnisation financière.
Dès que la procédure a été engagée, la victime dispose
d’une série d’instruments pour recueillir des informations.
Les mesures prévues pour les personnes handicapées
sont insuffisantes. Bien que les victimes aient droit à la
parole, il ne s’agit pas d’un aspect officiel de la procédure.
Le Vrouwenraad estime qu’il convient d’étudier la piste
191
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
onderzocht worden; een holistische benadering met
hulpverlening tijdens onderzoek en zittingen; een aan
klampende omkadering. Ook de wet Salduz, die niet
voorziet in de aanwezigheid van een advocaat bij het
verhoor, blijft een pijnpunt.
Prostitutie van minderjarigen
De Vrouwenraad vreest dat prostitutie van jongeren
wordt vergemakkelijkt, aangezien het hun taak of die
van de openbare aanklager zal zijn om te bewijzen dat
de pooier of de klant op de hoogte was van hun minder
jarigheid. Het VN-Kinderrechtenverdrag definieert een
kind duidelijk als elke persoon onder de 18 jaar.
Prostitutie van meerderjarigen
De in het wetsontwerp opgenomen definitie van pooi
erschap lijkt strijdig met het overeenkomstenrecht. De
traditionele leer van de wilsgebreken kan worden aan
gevuld met de bijzondere context van wervingspraktijken
door expliciet te benoemen dat misleiding tot het verlenen
van seksuele commerciële diensten ook valt onder de
definitie van pooierschap.
Biedt het wetsontwerp een voldoende sterk mandaat
voor de vervolging van derden die de uitbuitende werk
zaamheden van pooierschap faciliteren? Faciliterende
derden viseren in de ontwerptekst kan nuttig zijn voor
het oprollen van grote criminele netwerken die stroman
nen inzetten.
Het “afstaan van een deel van de inkomsten” wordt in
het wetsontwerp te vaag geformuleerd. De spreekster
stelt de notie “disproportioneel groot deel” voor.
De Vrouwenraad vraagt bovendien een structureel
kader voor uitstapprogramma’s uit de prostitutie.
Reclame maken voor prostitutie is krachtens het wets
ontwerp strafbaar. Aangezien het een kwetsbare sector
betreft, vinden we het belangrijk dat ook de aanbieders
van platformen waar reclame kan worden gemaakt (zoals
Redlights, Afspraakjes.com, ...) een zekere verantwoorde
lijkheid krijgen om dit tegen te gaan. Strikte voorwaarden
(zoals het vragen van identiteitsdocumenten) bieden niet
de juiste oplossing. Minder bonafide spelers op de markt
zouden zich “aan de letter van de wet kunnen houden”,
zonder ook echt op te treden in situaties van uitbuiting.
Het lijkt ons daarom beter om “redelijke inspanningen”
als criterium in de wet in te schrijven.
du droit à la parole; une approche holistique associée
à une aide au cours de l’enquête et des audiences; un
encadrement proactif. La loi Salduz, qui ne prévoit pas
la présence d’un avocat lors de l’audition, reste égale
ment problématique.
La prostitution des mineurs
Le Vrouwenraad craint que la prostitution des jeunes
ne soit facilitée, dès lors qu’il incombera aux mineurs
ou au ministère public de prouver que le proxénète ou
le client était informé de leur minorité. La Convention
des Nations Unies relative aux droits de l’enfant définit
un enfant comme étant tout être humain âgé de moins
de dix-huit ans.
La prostitution des majeurs
La définition du proxénétisme énoncée dans le projet
de loi semble contraire au droit des contrats. La doc
trine classique des vices de consentement pourrait être
complétée par le contexte particulier des pratiques de
recrutement en mentionnant explicitement que le fait
de tromper quelqu’un pour lui faire fournir des services
sexuels commerciaux relève également de la définition
du proxénétisme.
Le projet de loi octroie-t-il un mandat suffisamment
fort pour la poursuite de tiers qui facilitent les activités
de proxénétisme à des fins d’exploitation? Il peut être
utile de viser les tiers facilitateurs dans le projet de
texte pour démanteler de grands réseaux criminels qui
recourent à des hommes de paille.
La “cession d’une partie des recettes” est décrite trop
vaguement dans le projet de loi à l’examen. L’oratrice
propose la notion de “partie disproportionnellement
grande”.
Le Conseil des Femmes Francophones de Belgique
demande en outre la mise en place d’un cadre structurel
pour les programmes de sortie de la prostitution.
Selon le projet de loi, la publicité pour la prostitution est
punissable. Étant donné qu’il s’agit d’un secteur vulné
rable, nous estimons qu’il importe que les gestionnaires
de plateforme sur lesquelles des publicités peuvent être
diffusées (par exemple, Redlights, Afspraakjes.com, …
soient responsabilisés pour empêcher ce type de publi
cité. Des conditions strictes (prévoyant par exemple, de
demander de présenter des documents d’identité) ne
constituent pas une bonne solution. Certains acteurs peu
honnêtes du marché pourraient s’en tenir à une interpré
tation stricte de la loi, sans véritablement intervenir en cas
d’exploitation. C’est pourquoi il nous semble préférable
d’inscrire le critère d’“efforts raisonnables” dans la loi.
2141/006
DOC 55
192
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat de omschrijving van seksuele uitbuiting betreft
als het abnormaal economisch voordeel of enig ander
abnormaal voordeel trachten te halen uit de prostitutie
van de betrokkene, vraagt de spreekster of rechters
over voldoende tools beschikken om hierover te oor
delen. Ook de bewijslast van het slachtoffer blijft een
moeilijke kwestie.
Bij de bespreking van het verzwaard misbruik van
prostitutie verwijzen de stellers van het wetsontwerp
naar de kwetsbare toestand waarin een meerderjarige
verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire ad
ministratieve toestand. In de praktijk kan het gaan om
personen zonder papieren, een vorm van mensenhandel.
De Vrouwenraad vreest voor de gevolgen als slachtof
fers geen toegang meer krijgen tot ondersteuning en
bescherming door de in mensenhandel gespecialiseerde
opvangcentra en tot het recht op verblijf.
Het ontworpen artikel 433quater/7 geeft de rechter
de mogelijkheid om de inrichting waarin de uitbuiting
plaatsvond, te sluiten, met uitzondering van de inrichting
waar werkzaamheden worden verricht tot een opdracht
van openbare dienstverlening. Wat betekent dat laatste?
De leden moeten alle bepalingen aftoetsen aan in
ternationaal relevante verdragen.
Slotopmerking
Het is zinvol om een multidisciplinair expertisecen
trum seksueel geweld op te richten dat alle kennis en
gegevens verzamelt. In eerste instantie is dat belangrijk
voor parketten, rechters en hulpverlening. Misschien
kan het expertisecentrum worden ingebed in het IGVM,
vermits dat instituut nu al de Zorgcentra na Seksueel
Geweld coördineert? Het centrum kan zich buigen over
wetenschappelijk gevalideerde risicotaxatie-instrumenten
en over vormingen voor politie, magistraten en juristen,
in samenwerking met de betrokken actoren en met
aandacht voor de genderdimensie.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft kennisgenomen
van de verschillende en interessante standpunten, al
dan niet voorstander van het ter bespreking voorlig
gende wetsontwerp. Die adviezen zijn vaak erg volledig,
technisch en onderbouwd; zij moeten grondig worden
onderzocht, teneinde de rechtszekerheid en het welsla
gen van de hervorming te waarborgen.
En ce qui concerne la définition de l’exploitation
sexuelle comme étant le fait de rechercher un avantage
anormal économique ou tout autre avantage anormal de
la prostitution de l’intéressé, l’oratrice demande si les
juges disposent de suffisamment d’outils pour prendre
une décision à ce sujet. La question de la charge de la
preuve de la victime reste également délicate.
Dans la discussion relative à l’abus aggravé de la
prostitution, les auteurs renvoient à la situation de vul
nérabilité dans laquelle se trouve une personne en
raison de sa situation administrative illégale ou précaire.
Il peut s’agir en pratique de personnes sans papier, ce
qui constitue une forme de traite des êtres humains. Le
Conseil des Femmes s’inquiète de ce qui arrivera si les
victimes n’ont plus accès au soutien et à la protection
offerts par les centres d’accueil spécialisés dans la traite
des êtres humains et au droit de séjour.
L’article 433quater/4 permet au juge d’ordonner la
fermeture de l’établissement où l’exploitation a eu lieu,
à l’exception de l’établissement où sont exercées des
activités qui relèvent d’une mission de service public.
Quel type d’établissement cette exception vise-t-elle
précisément?
Les membres doivent évaluer toutes les dispositions
à la lumière des traités internationaux pertinents.
Observation finale
Il serait judicieux de créer un centre d’expertise multi
disciplinaire en matière de violence sexuelle qui rassem
blerait l’ensemble des connaissances et des données.
Cela importerait d’abord pour les parquets, les juges
et les services d’aide. Ce centre d’expertise pourrait
éventuellement être institué au sein de l’IEFH, étant
donné que cet institut coordonne déjà les Centres de
Prise en charge des victimes de Violences Sexuelles. Ce
centre pourrait s’intéresser aux instruments d’évaluation
des risques validés scientifiquement et proposer des
formations pour la police, les magistrats et les juristes,
en collaboration avec les acteurs concernés, tout en
étant attentif à la dimension du genre.
3. Échange de vues
a. Questions et interventions des membres
Mme Sophie De Wit (N-VA) a pris acte des différentes
et intéressantes voix favorables ou pas au projet discuté.
Ces avis sont souvent très complets, techniques et
touffus et appellent à un important travail de réflexion de
fond, afin de garantir la sécurité juridique et la réussite
de la réforme.
193
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster vraagt mevrouw Stevens in hoeverre
de nieuwe tekst en het oude Strafwetboek op elkaar
aansluiten. Ze wijst erop dat de stemming in de Kamer
over een nieuw Strafwetboek aan het einde van de vorige
zittingsperiode niet kon plaatsvinden. Derhalve vraagt
mevrouw De Wit in hoeverre nieuwe strafcategorieën die
bepaalde elementen wijzigen, met name de afschaffing
van de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank
en de zwaardere straffen, gevolgen hebben voor het
op elkaar aansluiten van de nieuwe tekst en het oude
Strafwetboek.
Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) vindt het
jammer dat de verenigingen en het middenveld niet van
bij het begin werden betrokken bij het denkwerk, omdat
dit thema een ernstige en alomvattende benadering
vereist. De spreekster benadrukt het ontbreken van
een impactanalyse, wat erop wijst dat bij de aanpak van
dit probleem sprake is van een gebrek aan respect en
aandacht voor de vrouwen. Voorts roept de spreekster
op tot de toewijzing van aanzienlijke middelen om de
situatie van de vrouwen in het veld te verbeteren.
Mevrouw Vindevoghel vraagt mevrouw Stevens om
toelichting en voorstellen inzake de seksuele voorzorgs
maatregelen en vooral inzake de bewijslast, met name
de fysieke, die te zwaar lijkt voor het slachtoffer en die
vaak een veroordeling in de weg staat.
Het lid wenst voorts meer toelichting, alsook het
advies van de deskundige, over de manier waarop de
Scandinavische landen te werk gaan, daar zij vaak als
voorbeeld worden aangehaald door de feministische or
ganisaties. Tevens vraagt de spreekster mevrouw Stevens
om verduidelijking betreffende het grotere belang dat
aan de dader moet worden toegekend, via een psycho
logische analyse of andere middelen.
Mevrouw Vindevoghel komt terug op het voorstel van
mevrouw Moestermans om een kenniscentrum over
seksueel geweld op te richten. De spreekster wil meer
details over dat interessante idee, dat ervoor zou kun
nen zorgen dat de organisaties in het veld meer worden
betrokken bij de begeleiding en de ondersteuning van
de slachtoffers.
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) beklemtoont
het belang van dit wetsontwerp, zowel in de ogen van
de regeringsmeerderheid, als in die van alle partijen,
want die werden ruim bij de besprekingen betrokken.
Zij is verheugd dat de debatten worden opengetrokken
en dat diverse adviezen over de voorliggende thema’s
zijn geformuleerd. De spreekster vraagt echter om de
deskundigen die de minister hebben bijgestaan bij de
opstelling van het wetsontwerp toe te voegen aan de
S’adressant à Mme Stevens, l’intervenante soulève
le problème de l’articulation entre ce nouveau texte et
l’ancien code pénal. Elle rappelle que le vote d’un nouveau
code pénal n’a pu intervenir à la Chambre à la fin de la
précédente législature. Dès lors, pour Mme De Wit, si de
nouvelles catégories de peines modifient des éléments,
notamment la suppression de la correctionnalisation et
l’accroissement des peines, qu’en est-il de l’impact de
ces décisions sur l’articulation avec l’ancien code pénal?
Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) regrette le
manque d’intégration des associations et organisations
de la société civile dès le début de la réflexion qui néces
site une approche sérieuse et complète. L’intervenante
souligne l’absence d’analyse d’impact qui est révélateur
d’un manque de respect et de prise en considération du
problème vis à vis des femmes. L’oratrice appelle en outre
à l’octroi d’importants moyens permettant d’améliorer
la situation des femmes sur le terrain.
Mme Vindevoghel souhaite obtenir des éclaircisse
ments et des propositions de la part de Mme Stevens
au sujet des notions de précaution sexuelle et surtout
à propos de la charge de la preuve, notamment phy
sique, qui semble trop importante pour la victime et qui
empêche souvent une condamnation.
La membre demande également d’avantage d’infor
mations et l’avis de l’expert à propos de l’approche sur
la question des pays scandinaves, souvent montrés
en exemple par les organisations féministes. L’oratrice
souhaite encore obtenir une clarification de la part de
Mme Stevens au sujet de l’importance accrue à porter
à l’auteur, par une analyse psychologique ou d’autres
moyens.
Mme Vindevoghel revient sur les propos de
Mme Moestermans qui propose la création d’un centre
d’expertise des violences sexuelles. L’intervenante
souhaite davantage de détails à propos de cette idée
intéressante qui peut permettre d’impliquer les organi
sations de terrain dans l’accompagnement et le soutien
des victimes.
Mme Katja Gabriëls (Open Vld) souligne l’importance
de ce projet de loi pour la majorité mais aussi pour
l’ensemble des partis largement impliqués dans les
discussions. Elle juge positivement la globalisation des
débats et la contribution d’avis différents sur les sujets
abordés. L’intervenante demande toutefois à ajouter les
experts qui ont œuvré à la rédaction du projet avec le
ministre à la liste des personnes à auditionner, afin que
ceux-ci puissent expliquer leurs positions et s’exprimer à
2141/006
DOC 55
194
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
lijst van te horen sprekers, opdat zij hun standpunten
zouden kunnen toelichten en hun mening zouden kun
nen geven voor de vandaag geformuleerde voorstellen.
Zulks lijkt het lid cruciaal om de commissieleden in staat
te stellen een en ander volledig geïnformeerd te kunnen
interpreteren en bespreken.
Mevrouw Gabriëls wijst erop dat, in tegenstelling tot wat
zou kunnen worden opgemaakt uit sommige verklaringen
van de sprekers, de onderliggende bedoelingen en de
concrete doelstellingen duidelijk worden vermeld in het
regeerakkoord; het is namelijk zaak de slachtoffers te
beschermen, evenals de sekswerkers, door hen rechten
en een statuut te geven. Indien wordt geopteerd voor
strafbaarstelling, is correcte bescherming onmogelijk
aldus het lid.
Mevrouw Gabriëls is het volstrekt oneens met bepaalde
uitlatingen en opiniebijdragen vanwege vertegenwoordi
gers van de stichting Samilia; met die overdreven bewe
ringen wordt namelijk gesuggereerd dat het voorliggende
wetsontwerp het pad effent voor decriminalisering van
pooierschap en voor de aanvaarding van prostitutie van
minderjarigen. Het lid wijst op twee bepalingen waartus
sen een onderscheid moet worden gemaakt, namelijk
artikel 433 quater/1, waarmee pooierschap strafbaar
wordt gesteld, en artikel 433 quater/4, dat het misbruik
van prostitutie betreft.
De spreekster meent voorts dat het niet correct is om
te beweren dat het wetsontwerp beoogt de bewijslast om
te keren, zoals zij heeft gelezen. Het klopt niet dat het
slachtoffer voortaan moet bewijzen dat de dader wist dat
het slachtoffer op het moment van de feiten minderjarig
was. Mevrouw Gabriëls acht die juridische redenering fout,
want de leeftijd is een openbaar gegeven dat nooit moet
worden bewezen. Voorts omvat het wetsontwerp niets
dat het slachtoffer er op enige wijze toe zou verplichten
te bewijzen dat de dader het voornemen had de misdaad
of het wanbedrijf te plegen. De spreekster vraagt zich
af of sommige sprekers correct geïnformeerd zijn, dan
wel bewust valse informatie verspreiden. Dat brengt
haar ertoe haar verzoek te herhalen om een hoorzitting
te houden met de deskundigen die aan de basis lagen
van de opstelling van het nieuwe seksuele strafrecht.
Mevrouw Gabriëls wil verduidelijking krijgen over het
verzoek van de verenigingen om het oude artikel 480 te
behouden; op grond van dat artikel zou heel de sector
strafbaar blijven en zou geen onderscheid worden ge
maakt tussen uitbuiting en de eigenlijke prostitutie. Zij
heeft vragen aangaande de bezwaren tegen elke vorm
van zelf uitgebate etablissementen en de zienswijze
van de deskundigen en van de vertegenwoordigers
propos des propositions du jour. Cela semble essentiel
à l’oratrice, dans l’optique d’une interprétation et d’un
traitement en toute connaissance de cause de la part
des membres de la commission.
Mme Gabriëls rappelle que, contrairement à ce que
peuvent laisser croire certaines déclarations du jour,
l’accord de gouvernement précise clairement les intentions
et objectifs du projet, soit la protection des victimes et
la garantie de la protection des travailleurs du sexe tout
en leur attribuant des droits et un statut. Selon l’oratrice,
on ne peut protéger correctement si on poursuit dans la
voie de la criminalisation.
Mme Gabriëls s’insurge contre certains propos et
articles d’opinion de représentants de la fondation
Samilia jugés excessifs en faisant croire que le projet
de loi discuté ouvre la voie à une décriminalisation des
proxénètes et à une acceptation de la prostitution des
mineurs. La membre rappelle l’existence de deux dis
positions à différencier, l’article 433quater/1 qui prévoit
la pénalisation du proxénétisme, sans parler d’avantage
anormal, et l’article 433quater/4 qui concerne les abus
de la prostitution.
L’oratrice estime également qu’il n’est pas correct,
comme elle a pu le lire, de mettre en avant une inversion
de la charge de la preuve causée par ce projet. Il n’est
selon elle pas correct d’avancer que ce sera désormais à
la victime de prouver que l’auteur savait que ladite victime
était mineure au moment des faits. Pour Mme Gabriëls,
ce raisonnement juridique est erroné car l’âge est une
donnée publique qui ne doit jamais être prouvée. De
même, rien dans le projet ne va dans le sens d’une
obligation pour la victime de prouver que l’auteur avait
l’intention de commettre le crime ou le délit. L’oratrice
s’interroge à propos d’un problème de mise à disposition
de l’information correcte ou d’une volonté délibérée de
désinformation dans le chef de certains intervenants.
Elle en profite pour réitérer sa demande d’audition des
experts à la base de la rédaction du projet de nouveau
code pénal sexuel.
Mme Gabriëls souhaite obtenir des éclaircissements
au sujet de la volonté des associations de conserver
l’ancien article 480 qui continue à criminaliser l’ensemble
du secteur et ne fait pas de différence entre l’exploitation
et la prostitution en elle-même. Elle s’interroge au sujet
de l’opposition formulée par rapport à l’exploitation de
toute forme d’exploitation d’établissements en autoges
tion et de la vision des experts et représentants des
195
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de verenigingen in het veld met betrekking tot de
oplossing voor de knelpunten inzake het statuut en de
sociale rechten van de sekswerkers.
Tot slot verwijst de spreekster nogmaals naar de in
de memorie van toelichting van het voorliggende wets
ontwerp aangehaalde werkwijzen in andere landen,
evenals naar de verwijzingen naar talrijke internationale
organisaties, zoals de WHO, die zich inzetten voor de
decriminalisering van het beroep van sekswerker.
Mevrouw Nathalie Gilson (MR) benadrukt dat de
hoorzittingen belangrijke en interessante informatie op
leveren en aanzetten tot een heel diepgaande analyse,
teneinde goed te vatten welke nuttige aanpassingen
eventueel zouden kunnen worden aangebracht in het
wetsontwerp. Volgens de sprekers moet ervoor worden
gezorgd dat geen ongewenste neveneffecten ontstaan
die het werk van politie en gerecht met het oog op de
bestrijding van de uitbuiting van mensen zou ondermijnen.
Kritiek is uiteraard geoorloofd, maar het lid wijst erop
dat de regering bovenal en terecht het voornemen heeft
de strijd aan te binden met de mensenhandel en met
het seksueel geweld jegens vrouwen. Mevrouw Gilson
benadrukt dat consensus heerst met betrekking tot
de verwerving van sociale en juridische rechten voor
mensen in de prostitutie.
Het lid merkt op dat een deskundige in zijn uiteen
zetting de ethisch relevante bedenking heeft gemaakt
dat een derde in geen geval enig voordeel mag halen
uit de vrijwillige terbeschikkingstelling van een lichaam
voor de meest intieme doeleinden. De spreekster zou
ter zake de onderbouwde adviezen van de deskundigen
en van de verenigingsvertegenwoordigers willen krijgen.
Mevrouw Gilson merkt op dat de harde werkelijkheid
de complexiteit van dit thema in de verf zet en stelt dat
in de ideale wereld prostitutie zou moeten verdwijnen.
De spreekster vraagt de deskundigen naar hun aanbe
velingen over de wijze waarop een zo goed mogelijke
sociale bescherming voor de sekswerkers vorm zou
moeten krijgen. Moet zulks al dan niet uitsluitend via
een zelfstandigenstatuut gebeuren, dus zonder dat een
arbeidsovereenkomst mogelijk is, omdat aldus in zekere
zin een intrinsieke ondergeschiktheidsverhouding tussen
de werknemer en de werkgever zou ontstaan?
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) interpelleert me
vrouw Lausberg aangaande het begrip “dwang”; bij
een restrictievere interpretatie van dwang zouden ma
gistraten mogelijks geen rekening meer kunnen hou
den met een aantal situaties die net in de definitie van
“toestemming” zijn opgenomen. De spreekster zou
graag over cijfermateriaal met betrekking tot vrijwillige
prostitutie in ons land kunnen beschikken. Ze acht die
associations de terrain quant à la résolution du problème
du statut et des droits sociaux des travailleurs du sexe.
L’intervenante termine en rappelant les références
aux pratiques d’autres pays dans les exposés des motifs
du texte débattu qui évoque également de nombreuses
organisations internationales, comme l’OMS, qui se
battent en faveur d’une décriminalisation de la profession
de travailleur du sexe.
Mme Nathalie Gilson (MR) insiste sur l’importance et
l’intérêt des contenus des auditions qui appellent une
analyse très approfondie afin de bien cerner ce qui peut
être utile à une éventuelle modification du texte. Selon
l’intervenante, il convient de s’assurer de l’absence
d’effets pervers qui contrecarreraient le travail policier
et judiciaire contre l’exploitation des êtres humains.
Même si des critiques sont légitimes, la membre rappelle
que la protection des victimes et la lutte contre la traite
des êtres humains et les violences sexuelles faites aux
femmes constituent l’intention première et louable du
gouvernement. Mme Gilson souligne le consensus à
propos de l’acquisition de droits sociaux et juridiques
pour les personnes en situation de prostitution.
La membre relève l’intervention d’un expert qui a
du sens au niveau éthique en avançant l’idée qu’une
tierce personne ne peut en aucun cas tirer un avan
tage quelconque de la mise à disposition d’un corps, à
titre volontaire, dans ce qu’il a de plus intime. L’oratrice
souhaite obtenir les avis éclairés des experts et repré
sentants des associations à ce sujet.
Mme Gilson fait part de la complexité de la théma
tique face à la dure réalité tout en émettant le souhait
de voir disparaitre la prostitution dans un monde idéal.
L’intervenante interpelle les experts quant à leurs recom
mandations au sujet de la forme préconisée de mise en
place d’une couverture sociale optimale destinée aux
travailleurs du sexe, à développer uniquement ou pas
sous la forme d’un statut d’indépendant, en écartant
ainsi la possibilité d’un contrat de travail et donc d’une
sorte de relation intrinsèque de subordination entre
employé et employeur.
Mme Vanessa Matz (cdH) interpelle Mme Lausberg
au sujet d’une interprétation plus restrictive de la notion
de contrainte qui pourrait empêcher les magistrats de
tenir compte d’un certain nombre de situations dans la
définition même du consentement. L’intervenante souhaite
obtenir des données chiffrées quantifiables à propos de
la prostitution consentie et volontaire dans notre pays.
Pour l’oratrice, ces chiffres sont nécessaires car ils
2141/006
DOC 55
196
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
cijfers noodzakelijk, aangezien die aan de basis liggen
van een aantal bepalingen en zeker aangezien bepaalde
verenigingen het percentage situaties waarin toestem
ming werd gegeven op 85 % schatten, terwijl andere
net het omgekeerde beweren.
Mevrouw Matz richt zich tot de stichting Samilia en
vraagt of die oplossingen kan formuleren voor de mo
gelijke hiaten in de tekst met betrekking tot de seksuele
uitbuiting van minderjarigen. Moet men in gevallen van
prostitutie vóór de leeftijd van 18 jaar altijd uitgaan van
afwezigheid van toestemming? Het lid stelt vast dat
de straf verschilt naargelang de betrokken jongeren
tussen 16 en 18 jaar, dan wel minder dan 16 jaar oud
zijn. Is het raadzaam ervan uit te gaan dat prostitutie
bij minderjarigen van ouder dan 16 jaar minder erg is
dan vóór die leeftijd?
De spreekster komt terug op het statuut van de per
soon die zich prostitueert en op het cijfer van 15 % van
de gevallen waarbij dit met toestemming zou gebeuren,
daarbij abstractie makend van het feit of de prostitutie
al dan niet door een economische noodzaak is ingege
ven. Mevrouw Matz zou graag een verduidelijking van
de heer Clesse krijgen aangaande de mogelijkheid
om de nietigheid van de overeenkomst op te heffen en
aangaande de alternatieven die een zelfstandigensta
tuut kan bieden. Ze beseft dat het onderwerp gevoelig
ligt, want men zou weleens het volledige systeem aan
het wankelen kunnen brengen in het zoeken naar een
antwoord op een legitieme vraag naar het verwerven
van een sociaal en medisch statuut. Tot slot vraagt de
spreekster verduidelijkingen over hoe men op juridisch
vlak een gezond evenwicht kan bereiken tussen de
noodzakelijke bescherming van een grote meerderheid
van de slachtoffers van mensenhandel of seksuele
uitbuiting en de mogelijkheid om de sekswerkers een
sociaal statuut te geven.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) zou het nuttig
vinden om over precieze notities te beschikken om de
uitgebreide bijdragen van de sprekers met wat afstand
kunnen bekijken.
De spreekster meent begrepen te hebben dat de
voorliggende tekst, inclusief de memorie van toelich
ting, prostitutie van minderjarigen sowieso verbiedt en
onwettig maakt. De spreekster had over dit onderwerp
verduidelijkingen van de deskundigen willen krijgen.
Mevrouw Hugon vraagt of men weet heeft van stu
dies en voorbeelden van wetgeving in het buitenland
die aantonen welke impact een grondwetswijziging met
betrekking tot prostitutie en pooierschap heeft op men
senhandel. Beschikt men over andere en volledigere
observaties dan die uit het veldwerk?
motivent une série de dispositions, alors que certaines
associations évoquent 85 % de situations consenties
et d’autres l’inverse.
Mme Matz s’adresse à la fondation Samilia au sujet des
solutions à apporter pour contrer de possibles failles par
rapport à l’exploitation sexuelle des mineurs. L’absence de
consentement à la prostitution d’un mineur avant 18 ans
est-elle à privilégier? Pour la membre, on constate un
différence de peine entre un jeune entre 16 et 18 ans et
un autre de moins de 16 ans. Est-il judicieux de consi
dérer que la prostitution d’un mineur serait moins grave
après 16 ans plutôt qu’avant cet âge?
L’intervenante revient sur le statut de la personne en
situation de prostitution et le chiffre de 15 % de personnes
estimées libres de consentement, sans tenir compte de
la contrainte économique. Mme Matz souhaite obtenir
un éclaircissement de M. Clesse quant à la possibilité
de levée de la nullité de contrat et aux alternatives
offertes par un statut d’indépendant. Elle estime le sujet
délicat car que c’est l’ensemble d’un système que l’on
peut fragiliser pour répondre à une demande légitime
d’acquisition de statut social et médical. L’oratrice ter
mine en demandant des éclaircissements quant à la
méthode juridique qui permettrait d’atteindre un sain
équilibre entre la nécessaire protection d’une grande
majorité de victimes de traite ou d’exploitation et, dans
le même temps, la possibilité d’offrir un statut social aux
travailleurs du sexe.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) signale l’utilité
d’obtenir des notes précises permettant de prendre du
recul par rapport aux riches interventions.
L’intervenante déclare avoir compris que le texte
débattu, dès l’exposé des motifs, interdit et exclut d’office
la prostitution des mineurs. Elle souhaite des éclaircis
sements des experts à ce sujet.
Mme Hugon s’interroge au sujet de l’existence d’études
et d’exemples de législations étrangères qui démontre
raient un impact d’une modification de la constitution au
sujet de la prostitution et du proxénétisme sur la traite
des êtres humains. Dispose-t-on d’observations autres
et plus complètes que celles issues du travail de terrain?
197
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster had van de heer Clesse graag verdui
delijkingen gekregen met betrekking tot de evolutie in
de wetgeving waarbij men ten aanzien van personen
die zich prostitueren, niet langer de nietigheid van de
overkomst zou kunnen inroepen. Naar verluidt heeft
minister Dermagne daarover een tekst voor eerste lezing
aan de regering voorgelegd.
Ten aanzien van mevrouw Lausberg acht me
vrouw Hugon het nodig te herhalen dat dwang in ieder
geval toestemming uitsluit.
Tot slot vraagt de spreekster de deskundigen of ze hun
advies en bemerkingen kunnen geven met betrekking tot
“de referentie van de redelijke persoon” die het al dan
niet seksuele karakter van een handeling kan inschatten
en of ze voorbeelden kunnen geven van gedrag dat op
basis van de memorie van toelichting van het ontwerp
mogelijk als afwijkend kan worden beschouwd.
Mevrouw Laurence Zanchetta (PS) had graag van
de heer Clesse de bevestiging gekregen dat pooierschap
als een misdrijf wordt beschouwd, waardoor het wel
degelijk een onwettig karakter krijgt en tot de nietigheid
van de arbeidsovereenkomsten van de sekswerkers leidt.
Die interpretatie indachtig, wijst de spreekster erop
dat de depenalisering van bepaald gedrag teneinde de
rechtszekerheid van die werknemers te verzekeren, de
basisdoelstelling van de voorliggende hervorming is.
Mevrouw Zanchetta beklemtoont de noodzaak om die
juridische wijzigingen met een hervorming van de sociale
wetgeving gepaard te doen gaan; ze stelt immers even
eens vast dat sekswerkers om verscheidene redenen
moeilijkheden ervaren om een zelfstandigenstatuut te
verwerven. De spreekster acht het nuttig dat personen
die zich prostitueren, hulp krijgen bij het verwerven van
dit statuut of van dat van loontrekkende, teneinde hun
een zo groot mogelijke bescherming te bieden.
Volgens mevrouw Zanchetta opent de voorliggende
hervorming perspectieven in die zin dat de opvatting dat
pooierschap een misdrijf is, met wettelijke uitzonderingen
gepaard kan gaan. Het lid vraagt zich af welke overheid
bevoegd zal zijn om die bijzondere activiteit te reguleren
(de Federale Staat, de gewesten of gemeenten) en welke
vorm die regulering zal aannemen (vzw, coöperatieve,
bedrijf enzovoort).
Mevrouw Zanchetta had graag van de vertegen
woordigers van Pag-Asa gehoord welke noden een in
het veld actieve vereniging heeft om slachtoffers van
mensenhandel te kunnen opvangen.
De spreekster gaat in op de vragen aan dezelfde
vertegenwoordigers van Pag-Asa over de verschillen
Faisant écho à une information indiquant que le ministre
Dermagne a fait passer un texte sur le sujet en première
lecture au gouvernement, l’intervenante souhaite des
éclaircissements de M. Clesse au sujet de l’évolution
législative qui permettrait de ne plus pouvoir opposer la
nullité de contrat aux personnes prostituées.
Mme Hugon interpelle Mme Lausberg à propos de la
nécessité de la répétition du fait que la contrainte exclut
dans tous les cas le consentement.
L’oratrice termine en demandant l’avis et les commen
taires des experts à propos de la personne raisonnable
de référence qui puisse apprécier le caractère sexuel
ou pas d’une pratique et au sujet d’exemples de com
portements pouvant potentiellement être perçus comme
déviants par l’exposé des motifs du projet.
Mme Laurence Zanchetta (PS) souhaite obtenir la
confirmation de M. Clesse à propos du libellé de l’infrac
tion de proxénétisme qui aboutit bien à un caractère
illicite et à la nullité des contrats de travail des travail
leurs du sexe.
En tenant compte de cette interprétation, l’oratrice
souligne que la dépénalisation de certains comportements
afin d’assurer la sécurité juridique de ces travailleurs
constitue un objectif de base de la réforme ici étudiée.
Mme Zanchetta souligne la nécessité d’accompagner
ces modifications juridiques par une réforme sociale car
elle constate aussi les difficultés d’accès, pour différentes
raisons, au statut d’indépendant pour les travailleurs
du sexe. L’intervenante estime utile d’aider à obtenir ce
statut ou celui de salarié afin de protéger au maximum
les personnes en situation de prostitution.
Mme Zanchetta juge que cette réforme ouvre certaines
perspectives puisque l’infraction de proxénétisme peut
potentiellement faire l’objet d’exceptions prévues par la
loi. La membre se pose la question de l’autorité habi
litée à encadrer cette activité particulière (État fédéral,
régions ou communes) et de la forme possible de cet
encadrement (ASBL, coopérative, société, …).
Mme Zanchetta souhaite connaître l’avis des repré
sentants de Pag-Asa au sujet des besoins nécessaires à
une association de terrain dans le domaine de l’accueil
des victimes de la traite des êtres humains.
L’intervenante revient sur l’interrogation des mêmes
représentants de Pag-Asa au sujet de différences entre
2141/006
DOC 55
198
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
tussen de artikelen van het wetsontwerp inzake het
misbruik van prostitutie van minderjarigen en andere
artikelen betreffende mensenhandel. De spreekster
vindt dit onderscheid verantwoord, met het oog op het
gemakkelijker maken van de bewijslast. Ze vraagt echter
ideeën en voorstellen om die bewijslast daadwerkelijk te
vergemakkelijken, en wenst te vernemen of men vindt dat
op het gebied van de hulp aan slachtoffers van misbruik
van prostitutie de bevoegdheden van een vereniging
zoals Pag-Asa zouden moeten worden uitgebreid.
De heer Ben Segers (Vooruit) vraagt mevrouw Stevens
om een verduidelijking over de bepalingen betreffende
porno. Hij wijst er voorts op dat de decriminalisering van
de sekswerkers naar zijn oordeel een goede zaak is, maar
dat de tekst moet worden verduidelijkt opdat zulks onder
goede omstandigheden kan plaatsvinden. De spreker
vraagt wat dezelfde deskundige vindt van artikel 76. In
de memorie van toelichting wordt immers verwezen naar
een correcte overeenkomst met de werkgever, maar
daar is nergens anders in de tekst sprake van. Het lid
wijst erop dat het pooierschap seksuele diensten omvat,
maar maakt die situatie op grond van de huidige tekst
de opstelling van een arbeidsovereenkomst de facto
onmogelijk? Het pooierschap is verboden, behalve
in de gevallen waarin de wet voorziet, en een kader
wordt aangekondigd maar dit bestaat nog niet. Vindt
de deskundige dat bij gebrek aan het aangekondigde
kader een arbeidsovereenkomst al dan niet kan worden
aanvaard? Zou een reeds geldende arbeidsovereenkomst
ter discussie worden gesteld?
De heer Segers vindt dat ter zake geen krijtlijnen
kunnen worden uitgezet zoals bij een ander beroep en
dat veel flankerende maatregelen nodig zijn. Hij plaatst
ook vraagtekens bij de termijn voor dit kader en bij de
concrete noden inzake voorlichtingscampagnes tegen
dat het zover is. De spreker stelt mevrouw De Hovre
vragen over het opzetten van essentiële opleidingen ten
behoeve van de politie en de magistraten vooraleer de
nieuwe tekst in de praktijk wordt toegepast. Hij acht die
ondersteuning essentieel, met name om gemakkelijker
het onderscheid te kunnen maken tussen het misbruik
van prostitutie en mensenhandel.
De heer Segers vraagt de deskundigen naar de ge
volgen voor de openbare orde van de door de minister
beoogde afschaffing van de gedoogzones. Hij vraagt
hoe thans reeds waarneembare verschijnselen, zoals
een verschuiving van de praktijken naar de privésfeer
en een risico dat bepaalde activiteiten door onwettig
verblijvende onderdanen van derde landen zullen worden
verricht, binnen de perken kunnen worden gehouden.
De spreker vraagt toelichting over de evolutie van de
des articles du projet relevant de l’abus de prostitution
de mineurs et d’autres, concernant la traite des êtres
humains. Si pour l’oratrice cette distinction est justifiée
par l’objectif de facilitation de la charge de la preuve, elle
souhaite connaître des idées et propositions permettant
de faciliter celle-ci et un avis au sujet de l’intérêt d’une
extension des compétences d’une association comme
Pag-Asa dans le domaine du soutien des victimes d’abus
de la prostitution.
M. Ben Segers (Vooruit) demande une clarification
à Mme Stevens à propos des dispositions relatives au
porno. Il poursuit en signalant qu’à son sens, la décrimi
nalisation des travailleurs du sexe est une bonne chose
mais il convient de préciser le texte afin que cela se passe
dans de bonnes conditions. L’orateur demande l’avis du
même expert au sujet de l’article 76 car si l’exposé des
motifs fait référence à la notion de convention correcte
avec l’employeur, il n’en est rien ailleurs. Le membre
constate que le proxénétisme implique des services
sexuels mais cette situation rend-t-elle de facto impos
sible la rédaction d’une convention de travail selon le
texte actuel? Si le proxénétisme est interdit, sauf dans
les cas prévus par la loi, un cadre est annoncé mais
n’existe pas encore. La lecture de l’expert va-t-elle dans
le sens d’une acceptation ou pas d’un contrat de travail
en l’absence du cadre prévu? Un contrat de travail déjà
effectif serait-il remis en cause?
Selon M. Segers, il ne s’agit pas d’encadrer un emploi
comme les autres et cela nécessite de nombreuses
mesures d’accompagnement. Il s’interroge également
quant au délai de mise en place de ce cadre et des
besoins concrets en termes de campagnes d’information
d’ici là. L’intervenant interroge Mme De Hovre à propos
de la mise en route d’essentielles formations à l’attention
des services de police et des magistrats d’ici la mise
en pratique du nouveau texte. Ce support lui semble
essentiel, notamment pour faciliter la distinction entre
les abus de prostitution et la traite des êtres humains.
M. Segers questionne les experts au sujet des consé
quences pour l’ordre public de la disparition des zones
d’acceptation prévue par le ministre. Il s’interroge sur
la manière de contrôler des phénomènes déjà percep
tibles, comme un déplacement des pratiques vers la
sphère privée et un risque de glissement de l’activité
vers les personnes illégales. L’intervenant souhaite des
éclaircissements à propos de l’évolution des pratiques
de police et l’éventualité de la suppression de certaines
199
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
politiepraktijken en de mogelijke afschaffing van bepaalde
controletechnieken, terwijl tot nog toe onwettige situaties
zouden kunnen worden geregulariseerd.
De heer Segers vraagt voorts in hoeverre de klant
ervan op de hoogte kan worden gebracht dat de seks
werker wettig aan het werk is, mochten de gedoogzones
verdwijnen. Het lid verwijst naar het voorbeeld van het
Antwerpse café ‘T Keteltje en vraagt of een dergelijke
situatie, waarbij een uitbater op de hoogte is van men
senhandel, op grond van de nieuwe tekst nog steeds
tot een strafrechtelijke sanctie zou leiden en of de des
kundigen zulks wenselijk achten.
De spreker vraagt de deskundigen of zij een volledig
artikel over het pooierschap nodig achten. Hij vindt dat
dit de zaken ingewikkeld maakt en vraagt of niet beter
bepaalde bestaande artikelen kunnen worden aangepast.
De heer Segers vraagt mevrouw De Hovre wat zij
vindt van de in te zetten beschermingsmogelijkheden
en of zij kan voorspellen in hoeverre die mogelijkheden
in de toekomst zullen moeten worden ingezet, daar hij
dienaangaande niets terugvindt in het wetsontwerp.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) vindt het jammer dat
de verenigingen in het veld niet bij de voorbereidende
werkzaamheden van het wetsontwerp werden betrok
ken en dat de op het gebied van prostitutie werkzame
organisaties niet gelijktijdig konden worden gehoord.
De spreekster wijst erop dat de OVB twijfels heeft
bij de meerwaarde van de overdreven opsomming in
de bepaling inzake de toestemming. Het lid vraagt wat
de deskundigen vinden van een mogelijk risico op een
tegengesteld effect, mocht de verdediging – indien er
bijvoorbeeld geen extreem hoog alcoholgehalte in het
bloed werd vastgesteld – aanvoeren dat het slachtof
fer wist wat het deed. Staan zij achter de suggestie
van mevrouw Lausberg inzake de heropname van het
aspect “dwang”?
Mevrouw Rohonyi wijst erop dat het wetsontwerp het
algemeen opzet beoogt te verankeren als moreel element
van de misdrijven, hetgeen de beschuldiging van een als
te goeder trouw beschouwde dader zou voorkomen. Ze
vraagt de deskundigen hoe de Scandinavische landen
dit aanpakken. Daar wordt voorzien in de mogelijkheid
om bepaalde geweldplegers te veroordelen indien zij
zich niet terdege van de leeftijd en van de toestemming
van het slachtoffer hebben vergewist.
De spreekster wijst erop dat veel deskundigen de voor
gestelde twee jaar verschil ter bepaling van de seksuele
meerderjarigheid willekeurig vinden. Mevrouw Stevens is
voorstander van de inaanmerkingneming van een groter
techniques de contrôle alors que des situations jusqu’ici
irrégulières pourraient être régularisées.
M. Segers poursuit par la question de la mise au
courant du client du caractère régulier de la situation
du travailleur du sexe dans le cas de la disparition des
zones d’acceptation. Le membre évoque l’exemple du
café anversois ‘T Keteltje et souhaite savoir si une telle
situation d’un exploitant au courant d’une traite des êtres
humaines entrainerait toujours une sanction pénale
avec le nouveau texte et si cela semble souhaitable
aux experts.
L’orateur demande l’avis des intervenants quant à la
nécessité d’un article complet consacré au proxénétisme.
Cette situation complique les choses selon lui et il serait
peut-être opportun d’adapter certains articles existants.
M. Segers interpelle Mme De Hovre au sujet de l’éva
luation de la capacité de protection à mettre en place
et de la possibilité d’une prévision de cette capacité à
l’avenir, alors qu’il n’en perçoit aucune trace de mise en
place dans le projet.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) regrette que les asso
ciations de terrain n’aient pas été intégrées au travail
préparatoire du projet de loi et que les organisations
œuvrant dans le domaine de la prostitution n’aient pu
être entendues simultanément.
L’intervenante relève que l’OVB doute de la valeur
ajoutée de l’énumération excessive au niveau de la
disposition relative au consentement. La membre sou
haite obtenir l’avis des experts à propos d’un risque de
contre-productivité avancé dans des cas où la défense,
en l’absence d’un taux d’alcoolémie excessif par exemple,
pourrait se retrancher derrière le fait que la victime savait
ce qu’elle faisait. La suggestion de Mme Lausberg de
réintégrer la notion de contrainte est-elle partagée?
Mme Rohonyi constate que le projet de loi consacre
la volonté d’ériger le dol général en élément moral des
infractions, ce qui éviterait l’incrimination pour un auteur
estimé de bonne foi. Elle questionne les experts concer
nant les pratiques de pays nordiques qui prévoient la
possibilité de condamner certains acteurs de violences
qui se seraient montrés négligents en ne s’assurant pas
de l’âge et du consentement de la victime.
L’intervenante fait remarquer que la différence de deux
ans proposée pour déterminer la majorité sexuelle appa
rait arbitraire à de nombreux experts. Si Mme Stevens
plaide pour la prise en compte d’une plus importante
2141/006
DOC 55
200
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
leeftijdsverschil – drie jaar, vier jaar of meer – maar de
spreekster vraagt welke risico’s seksueel gedrag van
jongeren met niet-leeftijdsgenoten inhoudt.
Het lid wijst erop dat volgens de tekst geen sprake
kan zijn van toestemming indien de handelingen, in
hoofde van de dader, mogelijk werden gemaakt door
een gezags-, vertrouwens- of invloedspositie ten op
zichte van de minderjarige. Is dat niet te ruim? Wie kan
dan die gezagspositie erkennen? Mevrouw Rohonyi
vraagt wat de deskundigen vinden van de door die
begrippen geboden rechtszekerheid en van het feit dat
er in die gevallen automatisch geen sprake kan zijn van
toestemming.
De sprekers halen eveneens gynaecologisch en ob
stetrisch geweld aan, hoewel dit niet in het ontwerp is
opgenomen. De spreekster vraagt zich bijgevolg af of
het niet nuttig is hierover met de artsenverenigingen en
de orde van artsen een gedachtewisseling te houden;
die zou onder andere kunnen gaan over de middelen
waarmee en de plaatsen waarop men dit type geweld
kan bestraffen. Moeten de juridische instrumenten
waarmee strijd tegen dat geweld kan worden geleverd,
in een specifieke strafwet worden opgenomen of moeten
ze in het gemeenrecht worden geïntegreerd?
Wat prostitutie betreft, vindt mevrouw Rohonyi dat het
begrip “abnormaal voordeel” voor problemen zorgt. Ze
zou graag over concrete voorbeelden beschikken zodat
ze zich een idee kan vormen van de complexiteit van
de tenuitvoerlegging van dat begrip.
Ook het begrip “misbruik van prostitutie” levert, wat
de bewijslast betreft, problemen op. De spreekster stelt
vast dat dit concept niet in de internationale teksten
voorkomt; dat is wel zo voor het begrip “mensenhandel”,
dat in talrijke internationale verdragen wordt erkend.
De spreekster zou graag een bevestiging krijgen dat er
inderdaad op het internationale niveau een verschil in
erkenning van die twee begrippen is.
Mevrouw Rohonyi wijst op de vragen die de term “ver
zwaard misbruik van prostitutie” oproept; men spreekt
van “verzwaard misbruik van prostitutie” wanneer de
persoon zich in een (maatschappelijk) kwetsbare situatie
bevindt. Het lid heeft de indruk dat men in het ontwerp
een duidelijk onderscheid wil maken tussen vrijwillige en
gedwongen prostitutie. Kunnen de deskundigen ermee
instemmen dat personen die zich prostitueren, dat niet
noodzakelijk doen omdat ze zich in een precaire situatie
bevinden? Kan men er niet van uitgaan dat het overgrote
deel van de personen die zich prostitueren, hiertoe door
de omstandigheden worden gedwongen, hetzij omdat
ze lid zijn van een netwerk, hetzij omdat ze zich in een
différence d’âge – trois, quatre ans ou plus – l’oratrice
s’interroge sur le risque d’exposition de jeunes à des
comportements sexuels non pratiqués avec des ado
lescents de leur âge.
La membre constate que le texte prévoit l’impossibilité
d’accorder son consentement dans les cas où l’acte a
été rendu possible, dans le chef de l’auteur, par une
position d’autorité, de confiance ou d’influence sur le
mineur. Cette notion n’est-elle pas trop large? Qui peut
alors reconnaître cette position d’autorité? Mme Rohonyi
interroge les experts quant à la sécurité juridique offerte
par ces notions et sur l’opportunité d’exclusion d’office
du consentement dans ces cas.
Si le sujet des violences gynécologiques et obsté
tricales est absent du projet, il est néanmoins relevé
par les intervenants. L’oratrice s’interroge dès lors sur
l’opportunité de mener une réflexion, de concert avec
les associations et l’ordre des médecins, qui porte,
entre autres, sur les moyens et les lieux permettant de
pénaliser ce type de violences. Les outils juridiques de
lutte contre celles-ci doivent-ils faire l’objet d’une loi
pénale spécifique ou être intégrés au droit commun?
Au sujet de la thématique de la prostitution,
Mme Rohonyi estime que la notion d’avantage anormal
se révèle problématique. Elle souhaite connaître des
exemples concrets qui permettent de se faire une idée
de la complexité de la mise en œuvre de cette notion.
Pour l’intervenante, la notion d’abus de la prostitution
pose également problème, au niveau de la charge de
la preuve. Elle constate que ce concept est absent des
textes internationaux, au contraire de la notion de traite
des êtres humains, reconnue dans de nombreuses
conventions internationales. L’oratrice souhaite obtenir
confirmation de cette différence de reconnaissance
conceptuelle au niveau international.
Mme Rohonyi évoque la question soulevée par la
notion d’abus de prostitution aggravé, lorsque la per
sonne se trouve en situation de vulnérabilité, notamment
sociale. La membre exprime l’impression d’une volonté
du projet de vouloir effectuer une distinction nette entre
prostitution volontaire et prostitution forcée. Les experts
sont-ils d’avis que l’on peut considérer que les personnes
qui se prostituent ne le font pas d’office en raison d’une
situation précaire? Ne peut-on pas considérer que les
personnes qui se prostituent le font en très grande majo
rité forcées par les circonstances, soit par un réseau,
soit en raison d’une situation très précaire, et qu’avec
le projet de loi, ces personnes précaires seront moins
201
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zeer kwetsbare situatie bevinden? Dreigen die kwetsbare
personen niet minder beschermd te worden aangezien
ze het feit dat er misbruik van hun kwetsbaarheid wordt
gemaakt, zullen moeten bewijzen?
De spreekster is bang dat ontelbare advertenties
zoals Richmeetbeautiful aan de wet zullen voldoen,
terwijl minderjarigenprostitutie vooral via sociale net
werken – TikTok in het bijzonder – een hoge vlucht
neemt. Mevrouw Rohonyi vraagt de heer Clesse of hij het
fenomeen waarbij jonge meisjes via sociale netwerken
worden geronseld, kan kwantificeren en of hij een schets
kan geven van het type hindernissen waarmee de politie
en het gerecht bij de preventie en sanctionering van
dergelijke situaties te maken krijgen. Moet men volgens
de deskundigen advertenties die op prostitutie gericht
zijn, nog meer reglementeren of volledig verbieden?
Mevrouw Rohonyi stelt vast dat van overheidswege
gesubsidieerde verenigingen ijveren voor de kwaliteit
van de geestelijke en seksuele gezondheid van perso
nen met een handicap. Het lid vraagt zich af op welke
manier men voor die praktijken in een kader kan voor
zien dat tegelijk voorkomt dat personen met oneerlijke
bedoelingen er gebruik van maken om hun activiteiten
te vermommen als seksuele bijstand, terwijl hun bedrijf
eigenlijk teert op de seksuele uitbuiting van derden. Hoe
kan men zich ervan vergewissen dat personen met een
geestelijke beperking wel degelijk hun toestemming heb
ben gegeven? Moet in een afwijking worden voorzien
wanneer het gaat om bijvoorbeeld seksuele bijstand
om medische redenen? Hoe kunnen voor die “dienst”
mensen worden gevonden – wat nu al heel moeilijk is
– als reclame verboden is?
Mevrouw Els Van Hoof (CD&V) merkt op dat men met
het wetsontwerp een bijkomende bescherming wil bieden
aan minderjarige sekswerkers op wie de verzwarende
bepalingen van misbruik van prostitutie en van abnormale
voordelen van prostitutie niet van toepassing zijn. De
spreekster stelt voor om die begrippen te verduidelijken
en daarbij uit te sluiten dat ze op uiteenlopende wijzen
kunnen worden geïnterpreteerd; op die manier kunnen
mensenhandelaars geen voordeel halen uit de beoogde
bescherming. De spreekster vraagt zich bovendien af
of een seksuele dienst kan worden beschouwd als het
te baat nemen van een abnormaal voordeel.
De spreekster meent dat men in het buitenland de
manier waarop België de hulp aan slachtoffers van
mensenhandel aanpakt, als voorbeeld neemt en dat
men moet voorkomen dat de voorliggende hervorming
afbreuk doet aan onze goede naam op dat vlak. Het lid
zou willen weten of er naast het Nieuw-Zeelandse mo
del, waarop het wetsontwerp is gebaseerd, nog an
dere modellen tot voorbeeld kunnen strekken. Ze is
protégées en ce qu’elles devront prouver l’abus de leur
situation de vulnérabilité?
L’intervenante fait part de sa crainte de voir légaliser
de nombreuses publicités comme Richmeetbeautiful,
en sachant que la prostitution des mineurs a explosé,
notamment via les réseaux sociaux et notamment TikTok.
Mme Rohonyi interpelle Mr Clesse au sujet d’une quan
tification du phénomène de recrutement de jeunes filles
par les réseaux sociaux et du type d’obstacles rencon
trés par la police et la justice dans la prévention et la
sanction de ces situations. De l’avis de l’expert, faut-il
réglementer davantage ou interdire complètement la
publicité à des fins de prostitution?
Mme Rohonyi constate que des associations subsi
diées par les pouvoirs publics œuvrent à la qualité de la
santé mentale et sexuelle de personnes handicapées.
La membre s’interroge sur la manière de donner un
cadre à ces pratiques en évitant que des trafiquants ne
profitent de cette réglementation pour faire passer leurs
activités pour de l’assistance sexuelle camouflant ainsi
une entreprise d’exploitation sexuelle d’autrui. Comment
s’assurer du consentement des personnes en situation
de déficience mentale? Doit-on prévoir des dérogations
quand l’assistance sexuelle est réalisée à des fins médi
cales par exemple? Comment recruter des personnes
pour assurer ce “service”, ce qui est déjà très difficile
aujourd’hui, si la publicité est interdite?
Mme Els Van Hoof (CD&V) fait remarquer que le
projet de loi a pour objectif d’accorder une protection
supplémentaire aux travailleurs du sexe mineurs qui ne
tombent pas sous les dispositions aggravantes d’abus de
prostitution et de bénéfice d’avantages anormaux de la
prostitution. L’intervenante appelle à préciser ces notions,
en évitant les différentes possibilités d’interprétations,
afin d’éviter que des trafiquants d’êtres humains ne
puissent profiter de cette protection envisagée. L’oratrice
s’interroge en outre au sujet de la possibilité de prise
en compte d’une prestation sexuelle en tant que prise
de bénéfice d’avantage anormal.
L’oratrice estime que la gestion belge de l’aide aux
victimes de la traite des êtres humains est montrée en
exemple à l’étranger et il convient d’éviter que la pré
sente réforme y porte atteinte. Le projet de loi s’inspire
du modèle néo-zélandais et la membre souhaite savoir
si d’autres modèles peuvent éventuellement servir
d’exemples dans ce domaine et si d’autres études
d’impact peuvent inspirer le législateur belge afin de
2141/006
DOC 55
202
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
eveneens geïnteresseerd in andere impactstudies die
de Belgische wetgever kunnen inspireren in zijn streven
naar een hervorming van de wetgeving op het sekswerk
die geen gevolgen zou hebben voor de aanpak van de
mensenhandel.
Mevrouw Van Hoof had ook graag verduidelijkingen
gekregen met betrekking tot de seksuele zelfbeschikking
waarnaar mevrouw Stevens verwijst. Ze stelt vast dat
het mogelijk is zijn toestemming te geven wanneer men
tussen de 14 en 16 jaar oud is, gesteld dat het leeftijds
verschil met de partner niet meer dan 2 jaar bedraagt.
Achten de experten het verstandig om naar een meer
getrapte oplossing te zoeken, teneinde beter rekening te
houden met de wil en het vermogen tot zelfbeschikking
van de minderjarigen?
Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt zich af of er een
oplossing voor het prostitutieprobleem bestaat, naast
een algeheel verbod op iedere vorm van reclame ervoor.
Ze vraagt aan de experten of er andere denksporen zijn
waarmee wordt belet dat pooiers vrijuit gaan.
De spreekster vraagt aan professor Stevens om het
begrip “seksuele zorgvuldigheid” te verduidelijken en
uit te leggen. Mevrouw Bury komt terug op het idee om
het versturen van afbeeldingen van geslachtsorganen
strafbaar te maken; beoogt men hiermee enkel feiten
van exhibitionisme of ook om het even welk beeld dat
men van het Internet plukt? In het laatste geval zouden
dit weleens tot een wildgroei aan rechtsgedingen kun
nen leiden.
Het lid vraagt mevrouw Moestermans om verduidelij
king en informatie aangaande de verwijzing tijdens haar
betoog naar het begrip “nalatigheid” bij de toepassing
van de bewijslast in Zweden.
Mevrouw Bury wijst erop dat het Verdrag van Istanbul
bemiddeling zoveel mogelijk uitsluit en therapie voor de
dader vooropstelt. Zijn de experten gewonnen voor het
uitsluiten van elke vorm van bemiddeling tussen dader
en slachtoffer of zien ze meer heil in therapie voor de
dader van de feiten?
Tot slot betreurt de spreekster dat er van bij het begin
van de procedure geen advocaat op het verhoor van het
slachtoffer aanwezig is. Dat is volgens mevrouw Bury
des te erger wanneer men weet dat de dader of de
verdachte kan rekenen op de steun van een raadsman;
het slachtoffer echter kan enkel op gratis bijstand een
beroep doen wanneer het parket de zaak voor de cor
rectionele rechtbank heeft gebracht, op een moment
dat men al veel gerechtelijke handelingen heeft gesteld.
veiller à éviter des conséquences d’une réforme de la
législation du travail du sexe sur la gestion de la traite
des êtres humains.
Mme Van Hoof souhaite également des éclair
cissements au sujet de l’auto-disposition sexuelle à
laquelle Mme Stevens fait référence. Elle constate
qu’entre 14 et 16 ans il est possible de donner son
consentement pour peu qu’il n’y ait pas plus de deux
ans d’écart avec son partenaire. Les experts estiment-ils
judicieux de trouver une solution plus progressive afin
de mieux tenir compte de la volonté et de la capacité
d’auto-disposition des mineurs?
Mme Katleen Bury (VB) se demande s’il existe une
solution au problème de la prostitution à part la sup
pression pure et simple de toute forme de publicité. Elle
questionne les experts à propos d’autres pistes qui per
mettent d’éviter que les proxénètes ne restent impunis.
L’intervenante demande au professeur Stevens de
clarifier et de développer la notion de précaution sexuelle.
Mme Bury revient sur l’idée de rendre punissable l’en
voi d’images de sexes et souhaite savoir si cela vise
uniquement les faits d’exhibitionnisme ou également
n’importe quelle image tirée d’internet, auquel cas on
risque d’assister à une explosion des actions judiciaires.
Faisant suite aux propos de Mme Moestermans, la
membre demande une clarification et des informations
concernant la référence à la notion de négligence dans
l’application de la charge de la preuve en Suède.
Mme Bury signale que la Convention d’Istanbul exclut
la médiation tant que possible pour favoriser la théra
pie de l’auteur. Les experts sont-ils plutôt partisans de
l’exclusion de toute médiation entre auteur et victime
ou sont-ils davantage favorables à une thérapie de
l’auteur des faits?
L’intervenante termine en regrettant l’absence d’un
avocat lors de l’audition de la victime, dès le début de la
procédure. C’est selon Mme Bury d’autant plus discrimi
natoire que l’auteur ou le suspect profite de l’appui d’un
conseil, au contraire de la victime, qui ne bénéficie de
l’assistance gratuite que si le parquet a renvoyé l’affaire
devant le tribunal correctionnel, alors que de nombreux
actes judicaires ont déjà été posés. Les experts sont-
ils d’avis d’appliquer le système pro deo ou de plutôt
203
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Zijn de experten voorstander van het toepassen van het
pro-deosysteem of zouden ze die bijstand liever in de
burgerlijke-aansprakelijkheidsverzekering geïntegreerd
zien?
b. Antwoorden van de sprekers en replieken
M. Charles-Eric Clesse ontkent stellig dat Samilia nep
nieuws heeft verspreid. De spreker heeft het wetsontwerp
correct gelezen, in tegenstelling tot mevrouw Gabriëls
die te vuur en te zwaard een ontwerp van een lid van
haar eigen partij verdedigt.
De ontworpen artikelen 433quater/1 en 433qua
ter/4 stellen beide het pooierschap strafbaar maar
hanteren uiteenlopende formuleringen: enerzijds het
pooierschap als zodanig, anderzijds het nastreven van
een abnormaal voordeel. In artikel 433quater/1 wordt
verboden om een meerderjarige ertoe aan te zetten of
te dwingen commerciële seksuele diensten te verlenen
of te blijven verlenen, of een meerderjarige ertoe aan
te zetten of te dwingen om een deel of het geheel van
de inkomsten uit deze diensten af te staan – het gaat
met andere woorden om een abnormaal voordeel zoals
bedoeld in artikel 433quater/4.
Het verbaast de spreker dat er wordt gesproken over
het legaliseren van prostitutie, terwijl prostitutie al decen
nia niet meer strafbaar is. Pooiers daarentegen worden
vervolgd wanneer ze aan uitbuiting doen.
Sociaal statuut van sekswerkers
De goede zeden zijn in de tijd en in de ruimte veran
derlijk. Omdat prostitutie ingaat tegen de huidige goede
zeden, is elke arbeidsovereenkomst met als doelstelling
prostitutie automatisch nietig, zelfs als de overeenkomst
ook geoorloofde doelstellingen bevat.
Wat de kwestie betreft of sekswerkers zelfstandigen
dan wel loontrekkenden zijn, stipt de spreker aan dat
overeenkomstig het Belgisch recht het niet mogelijk is
om een arbeidscontract aan iemand op te dringen, maar
evenmin om iemand te verbieden om een contract aan
te gaan. Een van de mogelijke oplossingen is volgens
de spreker dan ook om ze allebei toe te laten.
Het is moeilijk om cijfergegevens in te zamelen aan
gezien er geen studies zijn gevoerd waaruit duidelijk zou
blijken hoeveel procent van de betreffende vrouwen al dan
niet uit vrije wil de prostitutie is ingegaan. Over vrouwen
die vrijwillig willen bijverdienen door zich te prostitue
ren, kan men evenwel ook opwerpen dat ze financieel
kwetsbaar zijn en dus geen andere keuze hebben. In dit
favoriser l’intégration de cette assistance dans le cadre
de l’assurance familiale?
b. Réponses des intervenants et répliques
M. Charles-Eric Clesse réfute catégoriquement l’allé
gation selon laquelle Samilia a diffusé des fausses
informations. L’orateur a lu correctement le projet de loi,
contrairement à Mme Gabriëls qui défend bec et ongles
un projet d’un membre de son parti.
Les articles 433quater/1 et 433quater/4 en projet
érigent tous deux le proxénétisme en infraction, mais
utilisent des formulations différentes: d’une part, le
proxénétisme en tant que tel et, d’autre part, la recherche
d’un avantage anormal. L’article 433quater/1 interdit
d’inciter ou contraindre un majeur à fournir ou à conti
nuer de fournir des services sexuels commerciaux ou
d’inciter ou contraindre un majeur à renoncer à une
partie ou à la totalité des revenus de ces services – il
s’agit, en d’autres termes, d’un avantage anormal visé
à l’article 433quater/4.
L’intervenant s’étonne qu’il soit question de la léga
lisation de la prostitution, alors que celle-ci n’est plus
punissable depuis déjà des décennies. Les proxénètes,
en revanche, sont poursuivis en cas d’exploitation.
Statut social des travailleurs du sexe
Les bonnes mœurs évoluent dans le temps et dans
l’espace. Dès lors que la prostitution est contraire aux
bonnes mœurs actuelles, tout contrat de travail ayant pour
finalité la prostitution est automatiquement nul, même
si le contrat contient également des objectifs légitimes.
Concernant la question de savoir si les travailleurs du
sexe sont indépendants ou salariés, l’orateur souligne
qu’en vertu du droit belge, il est impossible d’imposer
un contrat de travail à une personne, mais qu’il est tout
autant impossible d’interdire à quelqu’un d’accepter un
contrat. L’une des solutions possibles, selon l’orateur,
consiste dès lors à autoriser ces deux situations.
La collecte de données chiffrées s’avère difficile, dès
lors qu’il n’existe aucune étude qui indiquerait clairement
le pourcentage des femmes concernées qui se sont
prostituées librement. Quant aux femmes qui souhaitent
volontairement obtenir des revenus complémentaires
en se prostituant, on peut cependant également objec
ter qu’elles sont financièrement vulnérables et n’ont
2141/006
DOC 55
204
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geval vallen ze onder artikel 433quinquies dat verbiedt
om misbruik te maken van de iemands kwetsbaarheid.
De spreker stelt voor om artikel 14 van de wet
van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten
te wijzigen. Het artikel schrijft voor dat de nietigheid
van de overeenkomst niet kan worden ingeroepen ten
aanzien van de rechten van werknemer wanneer arbeid
wordt verricht in de speelzalen. Het doelpubliek van
speelzalen lijdt er namelijk altijd verlies. Vandaar ook
allerlei koninklijke besluiten die trekkingen en kraskaarten
legaal maken. Op vergelijkbare wijze zou kunnen worden
bepaald dat de nietigheid van een prostitutiecontract niet
kan worden ingeroepen door de pooier.
Het Arbeidshof van Bergen en de Arbeidsrechtbank
van Luik hebben het verzoek van sekswerkers die hun
verschuldigde bezoldiging opeisten, afgewezen vanwege
de nietigheid van de overeenkomst. Dit is dus een reëel
probleem.
Er zijn ook enorm veel zelfstandige sekswerkers. Men
zou dan ook in een nieuwe uitbreiding van de sociale
zekerheid moeten voorzien door de bescherming voor
werknemers uit breiden naar zelfstandigen.
Er wordt dus ingezet op de arbeidsovereenkomst,
want er zullen altijd sekswerkers met een arbeidsover
eenkomst zijn, maar ook op de versteviging van het
sociaal statuut van zelfstandigen.
Impact van prostitutie en pooierschap op
mensenhandel
Voorafgaand merkt de spreker op dat aangemeld zijn
bij de sociale zekerheid – wat sekswerkers overigens al
kunnen doen, zij het niet met die functieomschrijving –
mensenhandel niet automatisch uitsluit. Artikel 433quin
quies, 3°, van het Strafwetboek viseert de uitbuiting van
werk of diensten in omstandigheden die in strijd zijn met
de menselijke waardigheid.
Het is moeilijk om in te schatten welke impact het uit de
strafrechtelijke sfeer halen van pooierschap zal hebben
op de mensenhandel. Samilia legt momenteel de laatste
hand aan een vergelijkend onderzoek. De wetgeving in
de Noordse landen bestaat eruit om prostitutie en zo
doende ook mensenhandel te verbergen. Door klanten
te verbieden een beroep te doen op de diensten van
sekswerkers hebben de Scandinavische wetgevers het
probleem louter verplaatst. De zogenaamde loveboats
uit de jaren 80 zijn terug: ze varen uit naar internationale
wateren waar geen nationale wetgeving meer geldt.
donc pas d’autre choix. Dans ce cas, elles relèvent de
l’article 433quinquies qui interdit d’abuser de la situation
de vulnérabilité d’une personne.
L’orateur propose de modifier l’article 14 de la loi
du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Cet
article dispose que la nullité du contrat ne peut être
opposée aux droits du travailleur lorsque des presta
tions de travail sont fournies dans les salles de jeu. Le
groupe cible des salles de jeu subit en effet toujours des
pertes. C’est pourquoi il existe toutes sortes d’arrêtés
royaux qui légalisent les tirages et les cartes à gratter.
Par analogie, la loi pourrait prévoir que le proxénète ne
peut pas invoquer la nullité d’un contrat de prostitution.
La cour du travail de Mons et le tribunal du travail de
Liège ont rejeté une demande de travailleurs du sexe qui
exigeaient la rémunération qui leur était due en raison
de la nullité du contrat en cause. Il s’agit dès lors d’un
réel problème.
En outre, une multitude de travailleurs du sexe étant
indépendants, il conviendrait de prévoir une nouvelle
extension de la sécurité sociale qui étendrait la protection
dont bénéficient les travailleurs salariés aux travailleurs
indépendants.
On mise dès lors sur le contrat de travail, car il y aura
toujours des travailleurs du sexe liés par un contrat de
travail, mais également sur le renforcement du statut
social des travailleurs indépendants.
Impact de la prostitution et du proxénétisme sur la
traite des êtres humains
L’orateur fait observer au préalable que le fait d’être
déclaré à la sécurité sociale – ce que les travailleurs du
sexe peuvent d’ailleurs déjà faire, fût-ce sans description
de fonction – n’exclut pas automatiquement la traite des
êtres humains. L’article 433quinquies, 3°, du Code pénal
vise l’exploitation du travail ou de services, dans des
conditions contraires à la dignité humaine.
Il est difficile d’évaluer quel sera l’impact du retrait
du proxénétisme de la sphère pénale sur la traite des
êtres humains. Samilia finalise actuellement une étude
comparative. La législation des pays nordiques vise à
cacher la prostitution et, ce faisant, la traite des êtres
humains également. Les législateurs scandinaves ont
simplement déplacé le problème en interdisant aux
clients de faire appel aux services des travailleurs du
sexe. Les “loveboats” des années 80 sont de retour.
Ceux-ci naviguent dans les eaux internationales, où
aucune législation nationale n’est plus d’application.
205
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Franse politiediensten daarentegen maken er absoluut
geen prioriteit van om klanten te bestraffen. Enkel in
Orange en Parijs zijn (onbeduidend weinig) processen-
verbaal opgesteld. Pooierschap bestraffen, zorgt er dus
alleen voor dat het probleem verhuist. Pooierschap dat
geen abnormaal voordeel genereert noch delen van
de inkomsten van de sekswerkers inpalmt, uit de straf
rechtelijke sfeer halen, zou uitmonden in een officieel
pooierschap. Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten
en Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstel
ling worden dan ook van toepassing.
Er is heel weinig rechtspraak voorhanden over de re
latie tussen pooierschap en onroerend goed. De spreker
vermeldt ter illustratie een arrest van het Antwerpse hof
van beroep uit 1999 waarin de uitbater van een bordeel
aan elke prostituee 350 euro per week en per shift vroeg.
De verdachte stelde dat hij veel geld moest uitgeven aan
onderhoudskosten en dat de maximale bezettingsgraad
van zijn inrichting niet werd bereikt. Het Hof verwierp
die argumentatie omdat de verdachte er niet toe in
staat was om een koopakte, boekhouding en factuur
voor onderhoudswerken voor te leggen. Quid wanneer
hij die documenten wel had kunnen voorleggen? Het
is lastig om het abnormaal voordeel te kwantificeren.
Arresten van het Grondwettelijk Hof wijzen uit dat het
abnormaal voordeel niet wordt bepaald op basis van de
omzet, maar het is niet duidelijk op basis waarvan dan
wel. Elk geval moet bijgevolg apart worden bestudeerd.
Zijn er voldoende middelen beschikbaar om loverboys,
die op het internet meisjes met een gebrek aan affectie
uitzoeken, op te sporen? De afdeling mensenhandel
van de federale gerechtelijke politie van Charleroi heeft
twee weken geleden haar werking stopgezet wegens
gebrek aan personeel, terwijl mensenhandel een federale
prioriteit is. In Bergen bestaat de afdeling nog uit twee
medewerkers die tegelijkertijd in een andere afdeling
werken, in Doornik gaat het om vier medewerkers. Justitie
kan te weinig optreden door die schrijnende personeels
tekorten bij de gerechtelijke politie. Het voorliggende
wetsontwerp zal de zaken nog ingewikkelder maken.
De depenalisering van pooierschap dreigt verwarring
te zaaien op vlak van slachtofferbescherming en de
bestrijding van mensenhandel, waardoor justitie niet
langer zal willen vervolgen aangezien justitie steeds
moet kunnen bewijzen dat er een misdrijf is gepleegd.
De onafhankelijke Group of Experts on Action against
Trafficking in Human Beings (GRETA) licht België mo
menteel voor de derde keer door. GRETA zou zich zorgen
kunnen maken over het feit dat de federale overheid een
wetsontwerp bestudeert dat ingaat tegen het EVRM en
En revanche, les services de police français n’ont
absolument pas pour priorité de sanctionner les clients.
Seuls les services de police d’Orange et de Paris ont
dressé des procès-verbaux (en nombre insignifiant). Punir
le proxénétisme ne fait donc que déplacer le problème.
Retirer de la sphère pénale le proxénétisme qui ne génère
pas un avantage anormal et qui ne prélève pas une par
tie des revenus des travailleurs du sexe aboutirait à un
proxénétisme officiel. La directive 2006/123/CE relative
aux services et la directive 96/71/CE concernant le déta
chement de travailleurs seraient dès lors d’application.
Il existe très peu de jurisprudence sur la relation
entre le proxénétisme et l’immobilier. Pour illustrer son
propos, l’orateur mentionne un arrêt de la cour d’appel
d’Anvers de 1999 concernant un exploitant d’une mai
son close qui demandait à chaque prostituée 350 euros
par semaine et par roulement. Le prévenu a fait valoir
qu’il devait dépenser des sommes importantes en frais
d’entretien et que le taux d’occupation maximal de son
établissement n’avait pas été atteint. La cour a rejeté
cette argumentation étant donné que le prévenu n’a pas
été en mesure de présenter un acte d’acquisition, une
comptabilité, ni une facture pour les travaux d’entretien.
Quid s’il avait toutefois pu présenter ces documents?
L’avantage anormal est difficile à quantifier. Des arrêts de
la Cour constitutionnelle indiquent que l’avantage anor
mal n’est pas déterminé sur la base du chiffre d’affaires,
mais ne précisent pas sur quelle base il est déterminé.
Chaque cas doit dès lors être apprécié séparément.
Dispose-t-on de suffisamment de moyens pour repé
rer les loverboys, qui sélectionnent des jeunes filles en
manque d’affection sur internet? Il y a deux semaines,
la section traite des êtres humains de la police judiciaire
fédérale de Charleroi a cessé ses activités à cause
d’un manque de personnel, alors que la traite des êtres
humains est une priorité fédérale. À Mons, la section
ne compte plus que deux collaborateurs qui travaillent
également dans une autre section et à Tournai, on
parle de quatre collaborateurs. La Justice ne peut pas
intervenir suffisamment à cause de ces manques criants
de personnel au sein de la police judiciaire. Le projet
de loi à l’examen compliquera encore les choses. La
dépénalisation du proxénétisme risque de semer la
confusion au niveau de la protection des victimes et de
la lutte contre la traite des êtres humains, de sorte que
la justice ne voudra plus poursuivre parce qu’elle devra
toujours être en mesure de prouver qu’une infraction a
été commise.
Le Groupe indépendant d’experts sur la lutte contre la
traite des êtres humains (GRETA) effectue actuellement
sa troisième visite d’évaluation en Belgique. Le GRETA
pourrait s’inquiéter du fait que les autorités fédérales
examinent un projet de loi qui va à l’encontre de la CEDH
2141/006
DOC 55
206
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding
van mensenhandel.
Mevrouw Sandrine Cnapelinckx beaamt de nood
zaak om aan te geven dat een minderjarige nooit kan
instemmen met prostitutie. Prostitutie van minderjarigen
bestaat overigens niet: het gaat steevast over de seksuele
uitbuiting van minderjarigen.
Het is duidelijk dat de stellers van het wetsontwerp
niet op de hoogte zijn van vraagstukken in de mensen
handel, noch op juridisch niveau, noch wat de prakti
sche gevolgen betreft. Grooming is mensenhandel. De
spreekster begrijpt niet waarom er een apart misdrijf van
wordt gemaakt. Het kan verstandig zijn om in de tekst
gedetailleerder te vermelden welk misdrijf zou moeten
worden vervolgd. Toch gaat het sowieso om mensen
handel aangezien artikel 443quinquies niet vereist dat
het misdrijf daadwerkelijk wordt uitgevoerd.
Waarom bevat het ontworpen artikel 417/27 de zins
snede “zelfs met zijn toestemming” aangezien er geen
sprake kan zijn van toestemming? Zulke semantische
verschuivingen zijn problematisch.
Wat het algemeen opzet betreft, bevat het wetsont
werp een wijziging van het Boek 1, waarmee men de
gradaties binnen de morele elementen van een misdrijf,
schuldbestanddelen genoemd, wil vastleggen.
Er zijn vier gradaties. De hoogste daarvan is het
bijzonder opzet. Het algemeen opzet, namelijk wetens
en willens een strafbaar gedrag stellen, komt op de
tweede plaats. De memorie van toelichting gaat in het
kader van de bescherming van minderjarigen tegen
seksuele uitbuiting uit van het algemeen opzet. Het
zonder rechtvaardiging aannemen van het strafbaar
gestelde gedrag dat de uiting is van het niet nakomen
van de algemene verplichting tot waakzaamheid waartoe
de dader gehouden is, komt als moreel element op de
derde plaats.
Wat de seksuele uitbuiting van minderjarigen betreft,
vraagt de spreekster zich af waarom men werkt met
een verzwarende omstandigheid, terwijl er op zich al
sprake zou kunnen zijn van een misdrijf op grond van
een loutere analyse van de feiten.
Waarom wordt er een kunstmatig onderscheid ge
maakt tussen minderjarigen jonger en ouder dan 16?
Internationaal wordt dit onderscheid niet gemaakt. Voor
misdrijven tegen minderjarigen boven de 16 jaar oud
wordt het algemeen opzet vereist. Het voorliggende
et de la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte
contre la traite des êtres humains.
Mme Sandrine Cnapelinckx reconnaît qu’il est néces
saire d’indiquer qu’aucun mineur d’âge ne pourra jamais
consentir à se prostituer. La prostitution de mineurs
n’existe d’ailleurs pas: il s’agit toujours d’exploitation
sexuelle de mineurs.
Il est clair que les auteurs du projet de loi à l’examen
ne sont pas au fait de certains aspects liés à la traite
des êtres humains, tant au niveau juridique qu’en ce
qui concerne ses conséquences pratiques. Le groo
ming étant de la traite d’êtres humains, l’oratrice ne
comprend pas pourquoi le projet de loi à l’examen en
fait une infraction à part entière. Il pourrait être judicieux
d’indiquer plus en détail dans le texte quelles sont les
infractions qui devraient être poursuivies. Quoi qu’il en
soit, il s’agira de traite d’êtres humains dès lors que
l’article 443quinquies n’exige pas que l’infraction ait
été effectivement commise.
Pourquoi l’article 417/27 en projet comporte-t-il le
membre de phrase “même de son consentement” dès
lors qu’il ne peut pas être question de consentement?
Des glissements sémantiques de cette nature sont
problématiques.
Concernant la question du dol général, le projet de
loi contient une modification du Livre 1 qui vise à établir
les différents degrés d’éléments moral de l’infraction,
dits éléments fautifs.
Il y a quatre degrés. Il y a premièrement une intention
spéciale. Le second degré, c’est le dol général, soit la
volonté délibérée en conséquence de cause d’adopter
le comportement incriminé. C’est ce que prévoit l’exposé
des motifs en matière de protection des mineurs contre
l’exploitation sexuelle. Le troisième degré, c’est l’adoption
sans justification du comportement incriminé traduisant
un manquement à l’obligation générale de vigilance à
laquelle l’auteur est tenu.
L’oratrice se demande pourquoi, en ce qui concerne
l’exploitation sexuelle des mineurs, on a aggravé ce qui
aurait pu constituer une infraction en recourant simplement
à une analyse au niveau des circonstances de l’espèce.
Pourquoi établit-on une distinction artificielle entre
les mineurs de moins de seize ans et ceux de plus de
seize ans? Les législations étrangères n’opèrent pas
cette distinction. Pour les infractions commises sur des
mineurs de plus de seize ans, le dol général sera requis.
207
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wetsontwerp verzwakt zodoende de bescherming waar
van deze mensen krachtens internationaal recht zouden
moeten genieten.
De ontwerptekst legt heel wat bijkomende beperkingen
op aan het maken van reclame maar laat een persoon
wel toe om de eigen seksuele diensten te adverteren.
Het is de taak van het Parlement om vast te leggen wat
al dan niet gepast is.
Door een algemeen gebrek aan werkingsmiddelen
zijn maar liefst negen op de tien reclameaankondigingen
in prostitutiebuurten vormen van mensenhandel. Het
gaat duidelijk om mensen die geen reclame maken voor
hun eigen diensten, aangezien er op elk biljet hetzelfde
telefoonnummer staat en de afspraakplaats om de twee
weken verandert. De politie kan deze reclameboodschap
pen niet eens onderzoeken.
De spreekster zal de commissie in samenwerking
met de heer Clesse nog een schriftelijke nota bezorgen.
Mevrouw Sarah De Hovre zal de commissie nog een
schriftelijke nota bezorgen.
Er dient te worden benadrukt dat niet elke persoon
die zich prostitueert, slachtoffer is van mensenhandel.
Vrijwillige sekswerkers moeten hun werk legaal en veilig
kunnen uitvoeren, terwijl slachtoffers van uitbuiting als
dusdanig horen te worden erkend en toegang moeten
krijgen tot bescherming en hulpverlening.
Het voorliggende wetsontwerp heeft geen betrekking
op de organisatie van sekswerk noch op het statuut van
sekswerkers. De wetgever moet goed nadenken over
de keuze tussen arbeidsovereenkomst en zelfstandi
genstatuut. De centra in de strijd tegen mensenhandel
hebben daarbij geen voorkeur. Voor de slachtoffers
van mensenhandel maakt de keuze immers niets uit.
Sommige slachtoffers van mensenhandel met het oog
op economische uitbuiting hebben een arbeidsovereen
komst, anderen zijn zelfstandigen, nog anderen hebben
geen enkel statuut. Er moet dus zo weinig mogelijk ruimte
zijn voor uiteenlopende interpretaties in de wetgeving.
Mensenhandel met het oog op economische uitbuiting
wordt momenteel gedefinieerd als “aan het werk stellen
in omstandigheden strijdig met de menselijke waardig
heid”. Een bepaalde situatie wordt in het ene arrondis
sement daardoor als mensenhandel vervolgd en in het
andere niet. Dat is nefast voor de rechtszekerheid van
de slachtoffers. De spreekster vreest dat slachtoffers van
mensenhandel met seksuele uitbuiting en slachtoffers
van misbruik van prostitutie hetzelfde zal overkomen. De
Cela signifie que le projet de loi à l’examen affaiblira
la protection dont ces mineurs devraient bénéficier en
application du droit international.
Le projet de loi à l’examen prévoit de nombreuses limi
tations supplémentaires pour la publicité mais permettra
néanmoins à quiconque de faire de la publicité pour ses
propres services sexuels. Il appartient au Parlement de
déterminer ce qui est convenable ou non.
Un manque général de moyens de fonctionnement
fait que pas moins de neuf publicités sur dix affichées
dans les quartiers de prostitution constituent des formes
de traite d’êtres humains. Il s’agit clairement d’individus
qui ne font pas de publicité pour leurs services propres,
dès lors que le même numéro de téléphone figure sur
chaque publicité et que le lieu de rendez-vous change
toutes les deux semaines. La police ne peut même pas
enquêter sur ces messages publicitaires.
L’oratrice rédigera, en collaboration avec M. Clesse,
une note écrite qu’elle transmettra à la commission.
Mme Sarah De Hovre précise qu’elle transmettra
encore une note écrite à la commission.
Il convient de souligner que toute personne qui se
prostitue n’est pas victime de traite d’êtres humains. Les
travailleurs du sexe volontaires doivent pouvoir effectuer
leur travail en toute légalité et en toute sécurité, tandis
que les victimes d’exploitation doivent être reconnues
comme telles et avoir accès à la protection et à l’aide.
Le projet de loi à l’examen ne porte pas sur l’organi
sation du travail du sexe ni sur le statut des travailleurs
de ce secteur. Le législateur doit bien réfléchir quant au
choix entre contrat de travail et statut d’indépendant.
Les centres actifs dans la lutte contre la traite d’êtres
humains n’ont pas de préférence en la matière. En effet,
cela ne fait pas de différence pour les victimes de traite
d’êtres humains. Certaines victimes de traite d’êtres
humains en vue d’une exploitation économique ont un
contrat de travail, d’autres sont indépendantes, d’autres
encore n’ont pas le moindre statut. La législation doit
donc laisser le moins de place possible aux interpréta
tions divergentes.
La traite d’êtres humains en vue d’une exploitation
économique est actuellement définie comme “mettre
au travail dans des conditions contraires à la dignité
humaine”. Il en résulte qu’une situation déterminée fait
l’objet, dans un arrondissement, d’une poursuite pour
traite d’êtres humains, mais pas dans un autre arrondis
sement. Cela porte préjudice à la sécurité juridique des
victimes. L’oratrice craint que les victimes de traite d’êtres
humains avec exploitation sexuelle et les victimes d’abus
2141/006
DOC 55
208
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vraag om in het kader van mensenhandel de bewijslast
te verlichten houdt daar rechtstreeks verband mee.
Magistraten en rechters volgen al verplichte opleidin
gen over seksueel geweld. Die verplichting zou moeten
worden uitgebreid naar opleidingen over mensenhandel.
Het nieuwe statuut wordt in april doorgevoerd. Het wordt
moeilijk om alle terreinspelers op tijd op te leiden maar
met voldoende middelen is alles mogelijk.
De in mensenhandel gespecialiseerde hulpcentra
willen hun mandaat uitbreiden naar slachtoffers van
misbruik van prostitutie zolang daarvoor meer middelen
worden uitgetrokken. Bovendien dient erover te worden
gewaakt dat de procedure rond mensenhandel dan niet
zal worden uitgehold.
Wat pooierschap betreft, begrijpt de spreekster dat
de wetgever het nieuwe misdrijf misbruik van prostitutie
in het leven roept om bepaalde situaties te vervolgen.
De huidige formulering van de artikelen is echter niet
duidelijk genoeg om dergelijke situaties nauwkeurig te
beschrijven en te bestraffen.
Mensenhandel is een prioriteit van het nationaal vei
ligheidsplan. De afdeling mensenhandel van de federale
politie telt vandaag echter nog maar vijftien medewer
kers. De sociale inspectie RSZ Brussel bestaat uit drie
medewerkers in plaats van de aangekondigde tien. De
situatie is even schrijnend bij het parket. Het is hoog tijd
dat er op het terrein middelen worden uitgetrokken om
mensenhandel echt prioritair aan te pakken.
Mevrouw Sylvie Lausberg deelt mee een geschreven
nota met gedetailleerde antwoorden aan de commissie
bezorgen.
De spreekster antwoordt dat de in de bepaling opge
nomen lijst met de mogelijke omstandigheden waarin
toestemming ontbreekt, niet-exhaustief is, zoals de
memorie van toelichting aangeeft, en dat ze evenmin
cumulatief is: door dwang opnieuw in die lijst op te nemen
zou daarentegen met méér situaties rekening kunnen
worden gehouden, waardoor de definitie ook doelma
tiger zou zijn. De definitie van “dwang” is in se breed
en de door de spreekster aangehaalde voorbeelden
zijn afkomstig uit artikel 483 van het Strafwetboek, dat
de begrippen “geweld” en “bedreiging” definieert. Het
concept dwang omvat namelijk alle vormen van fysieke
en psychologische dwang.
Het aandeel vrijwillige sekswerkers is moeilijk vast te
stellen aangezien de sector voor een deel clandestien
is. Er worden wel internationale evaluaties gemaakt die
de la prostitution subissent le même sort. La demande
d’alléger la charge de la preuve dans le cadre de la
traite d’êtres humains est étroitement liée à cette crainte.
Les magistrats et les juges sont déjà tenus de suivre
des formations sur la violence sexuelle. Cette obligation
devrait être étendue à des formations sur la traite d’êtres
humains. Le nouveau statut entre en application en avril.
Il sera difficile de former tous les acteurs de terrain à
temps, mais tout est possible avec des moyens suffisants.
Les centres d’aide spécialisés dans la traite d’êtres
humains sont disposés à étendre leur mandat aux victimes
d’abus de la prostitution, à condition que davantage de
moyens soient dégagés pour cette catégorie. Il convient
par ailleurs de veiller à ce que la procédure appliquée
pour la traite d’êtres humains ne soit alors pas érodée.
En ce qui concerne le proxénétisme, l’oratrice com
prend que le législateur crée le nouveau délit d’abus de
la prostitution afin de poursuivre certaines situations.
Toutefois, la formulation actuelle des articles n’est pas
suffisamment claire pour décrire précisément de telles
situations et les sanctionner.
La traite des êtres humains est une priorité du plan
national de sécurité. Cependant, la section Traite des
êtres humains de la police fédérale ne compte aujourd’hui
que quinze collaborateurs. L’inspection sociale de l’ONSS
de Bruxelles compte trois collaborateurs au lieu des
dix annoncés. La situation est tout aussi désolante au
parquet. Il est grand temps que des ressources soient
allouées sur le terrain pour s’attaquer réellement à la
traite des êtres humains en priorité.
Mme Sylvie Lausberg annonce qu’une note écrite
contenant des réponses détaillées sera transmise à la
commission.
L’oratrice répond que la liste des hypothèses d’absence
de consentement prévue par la disposition n’est pas
exhaustive, comme indiqué par l’exposé des motifs, et
elle n’est pas davantage cumulative: le rétablissement
de la contrainte dans cette liste permettrait au contraire
de tenir compte de davantage de situations et donc une
définition plus effective. La définition de la contrainte est
par essence large, et les illustrations qu’elle en a don
nées sont celles tirées de l’article 483 du Code pénal,
qui définit la violence et les menaces. Le concept de
contrainte inclut toutes les formes de contrainte physique
et psychologique.
La proportion de travailleurs du sexe volontaires
est difficile à déterminer, car le secteur est pour partie
clandestin. Cependant, les évaluations internationales
209
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het aandeel van gedwongen prostitutie altijd tussen
de 80 % en 90 % inschatten. De CFFB heeft gesproken
met vrouwen die in het Eros Center in Seraing zouden
gaan werken. In eerste instantie verklaarden zij voor hun
beroep te hebben gekozen maar naarmate de gesprek
ken vorderden, kwam uit dat velen materieel of psycho
sociaal kwetsbaar stonden en dus tot prostitutie waren
gedwongen. De spreekster schat in dat slechts 5 % van
de sekswerkers vrijwillig voor prostitutie kiest.
Wat seksuele meerderjarigheid betreft, stelden de
deskundigen die hun mening hebben gegeven over
het voorgaande wetsontwerp van de heer Koen Geens
allemaal dat het wenselijk was om een leeftijdsvork van
vijf jaar toe te laten in plaats van de huidige twee jaar.
De spreekster treedt hen daarin bij.
De Orde der artsen is op de hoogte van gynaecolo
gisch geweld en moet zich over dit probleem buigen.
De CFFB doet aan bewustmaking bij de colleges van
geneesheren, bijvoorbeeld laatst nog in UMC Sint-Pieter.
In Frankrijk heeft de CFFB onderzoek gedaan naar
gynaecologisch en obstetrisch geweld.
De CFFB acht reclame maken voor prostitutie een
aanval op de integriteit van de persoon maar het blijft een
politieke keuze om zulke reclame al dan niet toe te laten.
Mevrouw Liesbet Stevens bevestigt dat het nieuwe
Strafwetboek lange tijd naast het oude zal bestaan.
Alle misdrijven die minder zwaar worden bestraft, zul
len van toepassing blijven tot de verjaring niet meer
van toepassing is, en feiten op minderjarigen verjaren
niet. Grote uitdagingen kondigen zich dus aan. In de
rechtspraktijk zullen sowieso veel vragen over deze
hervorming ontstaan.
Als er redelijke twijfel is over de vraag of de dader
wist dat het slachtoffer niet toestemde, moet momen
teel in dubio pro reo de vrijspraak volgen. De invoering
van een seksuele zorgvuldigheidsnorm zou mogelijk
zijn dankzij het strafbaar maken van verkrachtingen of
aantastingen van de seksuele integriteit wanneer de
dader had moeten weten dat hij geen toestemming had
en geen voorzorgen heeft genomen om zich daarvan
te vergewissen.
De vraag rond de verhouding tussen de niet-consen
suele verspreiding van seksuele beelden (wraakporno)
en de seksuele misbruikbeelden van minderjarigen (kin
derporno) is zeer technisch van aard. De spreekster zal
er schriftelijk op antwoorden en vraagt het Parlement om
per leeftijdscategorie precies te bepalen wat strafbaar
wordt gesteld en wat niet. Jonge mensen integreren de
estiment toujours que la part de la prostitution forcée se
situe entre 80 et 90 %. Le CFFB s’est entretenu avec
des femmes qui allaient travailler dans l’Eros Center de
Seraing. Au départ, elles déclaraient qu’elles avaient
choisi leur profession, mais au fil des conversations, il
est apparu que nombre d’entre elles étaient vulnérables
sur le plan matériel ou psychosocial et avaient donc
été contraintes de se prostituer. L’oratrice estime que
seuls 5 % des travailleurs du sexe optent volontairement
pour la prostitution.
En ce qui concerne la majorité sexuelle, les experts
ayant donné leur avis sur le projet de loi précédent de
M. Koen Geens ont tous indiqué qu’il était souhaitable
d’autoriser une fourchette d’âge de cinq ans au lieu des
deux ans actuels. L’oratrice partage leur avis.
L’Ordre des médecins est informé des violences
gynécologiques et doit se pencher sur ce problème.
Le CFFB fait de la sensibilisation dans les collèges de
médecins, par exemple récemment au CHU Saint-Pierre.
En France, le CFFB a mené des recherches sur les
violences gynécologiques et obstétricales.
Le CFFB considère la publicité pour la prostitution
comme une atteinte à l’intégrité de la personne, mais
le choix d’autoriser ou non cette publicité reste une
décision politique.
Mme Liesbet Stevens confirme que le nouveau Code
pénal coexistera pendant longtemps avec l’ancien. Toutes
les infractions punissables d’une peine plus légère
continueront de s’appliquer jusqu’à l’expiration du délai
de prescription, et les faits commis sur des mineurs ne
se prescrivent pas. Des défis majeurs nous attendent
donc. En tout état de cause, cette réforme soulèvera
de nombreuses questions dans la pratique juridique.
S’il existe un doute raisonnable sur le fait que l’auteur
savait que la victime n’était pas consentante, l’acquitte
ment doit actuellement être prononcé in dubio pro reo.
L’introduction d’une obligation de précaution sexuelle
serait possible grâce à l’incrimination du viol ou de
l’atteinte à l’intégrité sexuelle lorsque l’auteur aurait
dû savoir qu’il n’avait pas le consentement et n’a pris
aucune précaution pour s’en assurer.
La question de la relation entre la diffusion non consen
suelle d’images sexuelles (revenge porn) et les images
d’abus sexuels de mineurs (pédopornographie) est très
technique. L’oratrice y répondra par écrit et demande au
Parlement de définir précisément par catégorie d’âge ce
qui doit être punissable et ce qui ne l’est pas. Les jeunes
intègrent les outils numériques d’aujourd’hui dans leur
2141/006
DOC 55
210
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
huidige digitale hulpmiddelen namelijk in hun seksleven.
Hoe moet het strafrecht omgaan met die werkelijkheid?
In heel Europa woedt een gepolariseerd debat over de
studies naar prostitutie. Aan de ene kant staan Nederland
en Duitsland, aan de andere kant Zweden en Frankrijk.
De studies worden zelf echter ook gecontesteerd. Geen
enkel systeem behaalt zomaar de vooropgestelde doel
stellingen. In Zweden zou wel een effect zijn vastgesteld
op het maatschappelijk denken over gelijkheid van
vrouwen en mannen in de seksuele sfeer.
Er is geen enkel onderzoek naar het leeftijdsverschil
dat een specifieke leeftijdsvork zal voorstellen. Ergens
moet de arbitraire grens worden getrokken waarna men
enkel kan hopen dat de parketmagistraten de bepalingen
met voldoende gezond verstand toepassen. Met het oog
op het verschil van vijf jaar dat wordt voorgesteld door
specialisten is twee jaar te weinig. Pedagogen kunnen
daar beter over oordelen. In andere Europese landen
valt evenmin inspiratie te halen aangezien de seksuele
meerderjarigheid in verschillende landen ingaat op 12,
13, 14, 15 of 16 jaar.
Aan mevrouw Van Hoof legt de spreekster uit dat
gevallen met jongeren van minder dan 16 jaar oud
die mogelijks geen toestemming hebben gegeven,
moeten worden opgenomen in de bepalingen van niet-
consensuele handelingen. Het behoort nu al tot de
rechtspraktijk om sowieso naar de bedreigingen en
naar de concrete context van het slachtoffer te kijken.
Het klopt dat het voorliggende ontwerp niets bepaalt
over seksuele betrekkingen tussen een 17-jarige en
bijvoorbeeld een 57-jarige. Het strafrecht kan zich dus
niet buigen over consensuele seksuele handelingen
tussen deze mensen.
Het is zinvol om lessen te trekken uit de seksuele
dienstverlening voor o.a. personen met een beperking.
Het herhaaldelijk sturen van dickpics kan als stalking
worden geïnterpreteerd. De praktijk wijst wel uit dat één
keer een dickpic krijgen niet als stalking kan worden
beschouwd.
Mevrouw Herlindis Moestermans verwijst in de eerste
plaats naar haar overgezonden nota die uitgebreider is
dan wat zij tijdens deze hoorzitting heeft gezegd.
Wat het verzamelen van bewijsmateriaal betreft, is er
een belangrijke taak weggelegd voor de Zorgcentra na
Seksueel Geweld die dringend allemaal operationeel
zouden moeten zijn.
vie sexuelle. Comment le droit pénal doit-il prendre en
compte cette réalité?
Dans toute l’Europe, les études sur la prostitution font
l’objet de vifs débats polarisés. D’un côté se trouvent
les Pays-Bas et l’Allemagne, de l’autre la Suède et la
France. Cependant, les études elles-mêmes sont éga
lement contestées. Aucun système n’atteint vraiment
les objectifs fixés. En Suède, on aurait constaté un effet
sur la réflexion de la société à propos de l’égalité des
sexes dans la sphère sexuelle.
Il n’existe pas d’étude sur la différence d’âge que
présentera une fourchette d’âge spécifique. Il faut tracer
quelque part une ligne arbitraire, et ensuite croiser les
doigts pour que les magistrats du parquet appliquent les
dispositions avec suffisamment de bon sens. Compte
tenu de la différence de cinq ans proposée par les spé
cialistes, deux ans, c’est trop peu. Les pédagogues sont
mieux placés pour en juger. Il n’est pas non plus possible
de s’inspirer des autres pays européens, dès lors que
la majorité sexuelle est fixée à 12, 13, 14, 15 ou 16 ans
selon les pays.
L’oratrice explique à Mme Van Hoof que les cas
impliquant des jeunes de moins de seize ans qui n’ont
peut-être pas donné leur consentement doivent être
inclus dans les dispositions relatives aux actes non
consensuels. L’examen des menaces et du contexte
concret de la victime fait de toute façon déjà partie de
la pratique juridique. Il est vrai que le projet de loi à
l’examen ne dispose rien en ce qui concerne d’éven
tuels rapports sexuels entre un jeune de dix-sept ans
et, par exemple, un individu de cinquante-sept ans. Le
droit pénal ne peut donc pas traiter des actes sexuels
consensuels entre ces personnes.
Il serait judicieux de tirer des leçons des services
sexuels proposés aux personnes handicapées,
notamment.
L’envoi répété de dickpics peut être assimilé à du
harcèlement. La pratique a toutefois montré que le
fait de recevoir une fois une dickpic ne peut pas être
considéré comme du harcèlement.
Mme Herlindis Moestermans renvoie d’abord à la
note qu’elle a transmise, qui est plus détaillée que ses
déclarations faites durant cette audition.
En ce qui concerne la collecte de preuves, une mission
importante sera confiée aux centres de prise en charge
des violences sexuelles, qui devraient tous être rendus
opérationnels de toute urgence.
211
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Naar aanleiding van het voorliggende wetsontwerp
heeft de Vrouwenraad op korte termijn zijn leden geraad
pleegd. Uit die consultatieronde kwam het voorstel naar
voren om een expertisecentrum op te richten waar ook
advocaten behoefte aan hebben. Het voorstel is echter
nog niet uitgewerkt.
De Vrouwenraad vraagt om ook de verantwoordelijk
heden van de daders in overweging te nemen. Hierover
valt in de verslagen van GREVIO al informatie te vinden
aan de hand van Scandinavische voorbeelden.
De Vrouwenraad eist al jaren dat het slachtoffer tij
dens het eerste verhoor door een advocaat wordt bijge
staan. Daartoe moet de wet Salduz worden aangepast.
Momenteel gebeurt het te vaak dat de advocaten van
de daders van de gelegenheid gebruikmaken om tijdens
het verhoor de geloofwaardigheid van het slachtoffer te
ondermijnen.
Tot slot benadrukt de spreekster dat opleiding van
politie nodig is wat voorzichtigheid bij het formuleren
van de klacht betreft.
Dans le cadre de l’examen du projet de loi à l’examen,
le Vrouwenraad a procédé à une consultation rapide de
ses membres. Celle-ci a débouché sur la proposition
de créer un centre d’expertise dont les avocats ont
également besoin. Toutefois, cette proposition n’a pas
encore été concrétisée.
Le Vrouwenraad demande que les responsabilités
des auteurs soient également prises en compte. Les
rapports du GREVIO contiennent déjà des informations
à ce sujet, basées sur des exemples scandinaves.
Depuis des années, le Vrouwenraad demande que
les victimes soient assistées d’un avocat lors de leur
première audition. Il convient de modifier la loi Salduz
à cette fin. Il arrive aujourd’hui trop souvent que les
avocats des auteurs profitent de l’occasion pour saper
la crédibilité de la victime pendant l’audition.
Enfin, l’oratrice souligne la nécessité de la formation
des agents de police à l’égard des précautions à prendre
lors de la formulation des plaintes.
2141/006
DOC 55
212
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
C. Hoorzitting van 19 oktober 2021 met mevrouw
Isabelle Wattier, professor aan de UCLouvain;
mevrouw Catherine Van de Heyning, professor aan
de UAntwerpen en de heer Olivier Bastyns, assistent
aan de ULB (namiddagvergadering)
1. Procedure
Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van
de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28,
2bis, van het Kamerreglement:
“2bis. Bij hoorzittingen […] wordt sprekers gevraagd
om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermel
den of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitster nodigt de sprekers uit om deze vragen
te beantwoorden.
De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens
ontkennend op de vragen.
2. Uiteenzettingen
a. Uiteenzetting van mevrouw Isabelle Wattier,
wetenschappelijk medewerkster aan de UCLouvain
Mevrouw Isabelle Wattier is van mening dat bepaalde
verbeteringen nodig zijn om een grotere samenhang tot
stand te brengen; meer bepaald roept zij op tot een debat
over de seksuele meerderjarigheid en, breder, over de
seksuele misdrijven. In de periode dat de spreekster met
wijlen professor Christophe Adam heeft samengewerkt,
heeft zij het verband tussen seksualiteit en strafrecht
onderzocht. In het raam van die werkzaamheden heeft
zij zich gebogen over de door meerderjarigen gepleegde
seksuele misdrijven en over de behandeling van seks
delinquenten. Naar aanleiding van het in 2005 door het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgesproken
arrest K.A. en A.D. tegen België heeft de spreekster de
sadomasochistische praktijken nader onderzocht vanuit
de invalshoek van de toestemming en de wettigheid.
De seksuele praktijken die met sadomasochisme
samengaan, zijn sterk aan codes gebonden. De ex
perte geeft aan dat de sadomasochistische code een
privécode is en dat sadomasochistische praktijken niet
strafbaar zijn, overeenkomstig voormeld arrest en voor
zover die code en meer bepaald het safeword (een
C. Audition du 19 octobre 2021 de Mme Isabelle
Wattier, professeure à l’UCLouvain, Mme Catherine
Van de Heyning, professeure à l’UAntwerpen et
M. Olivier Bastyns, assistant à l’ULB (réunion de
l’après-midi)
1. Procédure
Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la
commission de la Justice, donne lecture de l’article 28,
2bis, du Règlement de la Chambre:
“2bis. En cas d’auditions […], il est demandé aux
orateurs de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion et, le cas échéant, par quelle instance.”.
La présidente invite les orateurs à entamer leurs
exposés respectifs en répondant à ces questions.
Les orateurs invités répondent successivement par
la négative aux questions posées.
2. Exposés
a. Exposé de Mme Isabelle Wattier, collaboratrice
scientifique à l’UCLouvain
Estimant que certaines révisions sont nécessaires pour
tendre vers plus de cohérence, Mme Isabelle Wattier
appelle à la tenue d’un débat sur la majorité sexuelle et,
plus largement, sur les infractions sexuelles. Lors d’une
collaboration avec feu le professeur Christophe Adam,
l’intervenante a examiné le rapport entre la sexualité
et le droit pénal. Dans le cadre de ce travail, elle s’est
penchée sur les infractions sexuelles commises par
des personnes majeures ainsi que sur le traitement
des délinquants sexuels. À l’occasion de l’arrêt K.A. et
A.D. contre Belgique, rendu par la Cour européenne
des droits de l’homme en 2005, l’oratrice a analysé les
pratiques sadomasochistes sous l’angle du consente
ment et de la légalité.
Les pratiques sexuelles issues du sadomasochisme
sont très codifiées. L’experte explique que le code sado
masochiste est un code privé et que, conformément à
l’arrêt précité, dès lors qu’il est respecté, en particulier
le safeword (mot de sécurité, par exemple le terme
“non”), ces pratiques ne sont punissables ni au titre de
213
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
veiligheidswoord, bijvoorbeeld “neen”) in acht zijn ge
nomen. Ze kunnen dus noch als opzettelijke slagen en
verwondingen, noch als aanzetten tot ontucht jegens
meerderjarigen strafbaar worden gesteld, en wel op
grond van de individuele vrijheid – waar de seksuele
vrijheid een bestanddeel van is –, en vanwege het recht
op de eerbiediging van het privéleven.
Mevrouw Wattier heeft er moeite mee dat het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens twee zaken in zekere
zin op gelijke voet plaatst: enerzijds de sadomaso
chistische code, anderzijds de regelgeving inzake de
geneeskunst en de regels inzake sportbeoefening, waar
opzettelijke slagen en verwondingen mogelijk zijn voor
zover zulks in overeenstemming is met de medische
reglementering c.q. de regels van de sportbeoefening.
Volgens voormeld arrest zijn sadomasochistische
praktijken niet strafbaar zolang de code in acht wordt
genomen. Nochtans beoogt artikel 60 van het wetsont
werp het vervaardigen en verspreiden, met welk middel
ook, van boodschappen van extreem pornografische of
gewelddadige aard strafbaar te stellen als misdrijf van
openbare zedenschennis.
Volgens de spreekster zijn bepaalde punten van het
wetsontwerp voor discussie vatbaar. In dat verband
formuleert zij enkele concrete voorstellen en correcties.
Wat de algemene kwaliteit van de ontworpen artikelen
aangaat, legt zij de vinger op een gebrek aan nauwkeu
righeid, met name wat woordenschat, stijl en zinsbouw
betreft. Hoewel de teksten door een tweetalige com
missie zijn behandeld, gelooft de spreekster niet dat
het om een vertaalprobleem gaat. Over het algemeen
stellen onderzoekers vast dat de taalkundige kwaliteit
van de wetteksten erop achteruitgaat; nochtans dienen
die tekst duidelijk en voor iedereen bevattelijk te zijn.
Met betrekking tot de term “Code pénal sexuel” (sek
sueel strafrecht) is de spreekster van mening dat beter
zou worden gesproken van “Code des infractions à ca
ractère sexuel” (Wetboek van seksmisdrijven, vertaling).
De eerste naam houdt immers de verwarring in stand
tussen de regulering van seksuele praktijken (die niet in
een strafwetboek is opgenomen) en de strafbaarstelling
van misbruik en van seksuele uitbuiting.
Volgens de experte moet ook het begrip “droit à
l’autodétermination sexuelle” (seksueel zelfbeschik
kingsrecht) taalkundig worden bijgestuurd. Volgens haar
houdt dat begrip immers geen steek en is er verwarring
tussen de rechten en de individuele vrijheden, zoals de
seksuele vrijheid. Wat is het verschil tussen seksuele
zelfbeschikking en seksuele autonomie? Geen, want
het gaat om synoniemen. En is er een verschil tussen
seksuele vrijheid en seksuele autonomie? Wellicht niet.
coups et blessures volontaires ni au titre d’incitation
de la débauche de majeurs, et ce, au nom de la liberté
individuelle, dont la liberté sexuelle est une composante,
et en raison du droit au respect de la vie privée.
Mme Wattier s’interroge sur le fait que la Cour euro
péenne des droits de l’homme met, en quelque sorte, sur
un pied d’égalité, d’une part, le code sadomasochiste et,
d’autre part, la réglementation relative à l’exercice de l’art
de guérir et les règles liées aux pratiques sportives, qui
autorisent les coups et blessures intentionnels pour autant
que cela se fasse dans le respect de la réglementation
médicale et des règles relatives aux pratiques sportives.
D’après l’arrêt précité, les pratiques sadomasochistes
ne sont pas punissables dès lors que leur code est
respecté. Toutefois, l’article 60 du projet de loi incrimine
la production et la diffusion de messages à caractère
extrêmement pornographique ou violent, par quelque
moyen que ce soit au titre d’infractions d’outrage public
aux bonnes mœurs.
Aux yeux de l’oratrice, certains points du projet de
loi sont discutables. À ce propos, elle formule une série
de propositions et de corrections possibles. En ce qui
concerne la qualité globale des articles du texte de loi,
elle pointe du doigt un manque de rigueur, notamment
au niveau du vocabulaire, du style et de la syntaxe. Bien
que la commission ayant travaillé sur ces textes soit
bilingue, elle ne pense pas qu’il s’agisse d’un problème
de traduction. De manière générale, les chercheurs
constatent une baisse de la qualité littéraire des textes de
loi, qui doivent pourtant être clairs et accessibles à tous.
En ce qui concerne le Code pénal sexuel, l’interve
nante estime qu’il devrait être renommé en “Code des
infractions à caractère sexuel”. En effet, le premier titre
entretient la confusion entre, d’une part, la régulation
des pratiques sexuelles (qui ne fait pas l’objet d’un code
pénal) et, d’autre part, la pénalisation des abus et de
l’exploitation sexuelle.
Aux yeux de l’experte, le “droit à l’autodétermination
sexuelle” devrait également être modifié sur le plan lin
guistique. En effet, elle estime que cette notion comporte
un non-sens et qu’il y a une confusion entre les droits
et les libertés individuelles telles que la liberté sexuelle.
Qu’est-ce qui distingue l’autodétermination sexuelle
de l’autonomie sexuelle? Absolument rien, ce sont des
synonymes. De même, qu’est-ce qui distingue la liberté
sexuelle de l’autonomie sexuelle? Vraisemblablement rien.
2141/006
DOC 55
214
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Wattier stelt voor het begrip “droit à
l’autodétermination sexuelle” (seksueel zelfbeschik
kingsrecht) te vervangen door het begrip “droit à la liberté
sexuelle” (recht op seksuele vrijheid, vertaling). Met be
trekking tot de zelfbeschikking voegt zij er nog aan toe
dat niemand van een ander (hetero-) een zelfbeschikking
kan eisen: ofwel beschikt de persoon zelf, ofwel niet. De
zelfbeschikking kan nooit afkomstig zijn van een derde.
Daarom roept zij de volksvertegenwoordigers ertoe op
het door haar te log bevonden opschrift van hoofdstuk 1
“Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksuele
zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden” te vervangen
door “Misdrijven tegen de seksuele integriteit” (vertaling);
zij voegt hieraan toe dat seksuele autonomie voortvloeit
uit seksuele vrijheid.
Tevens stelt de spreekster voor in hoofdstuk 1 twee
afdelingen onder te brengen: één met betrekking tot de
aantasting van de seksuele integriteit en een ander met
betrekking tot de aantasting van de geestelijke integriteit.
Zij merkt op dat extreem pornografische boodschappen
alsook (seksueel) exhibitionisme een aantasting van de
psychische seksuele integriteit uitmaken. Zij voegt eraan
toe dat het misdrijf van het vervaardigen of verspreiden
van extreem gewelddadige boodschappen zou kunnen
worden ondergebracht in de tweede afdeling. Tevens
suggereert zij om het misdrijf inzake extreem geweld
dadige boodschappen over te hevelen naar het hoofd
stuk in het nieuwe Strafwetboek over de aantasting van
de integriteit van personen dat ook betrekking heeft op
de psychologische integriteit.
De definitie van het begrip “consentement” (toestem
ming) kan mevrouw Wattier niet bekoren. Zij wijst op
de erin vervatte tautologie en betekenisloosheid en
citeert de eerste woorden van de definitie: “Le consen
tement suppose que celui-ci ait été donné librement.”
(Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gege
ven.). Vooreerst geeft de spreekster aan dat een definitie
niet kan worden ingeleid door het werkwoord “supposer
que” (veronderstellen dat). Vervolgens gaat zij in op het
aanwijzend voornaamwoord “celui-ci” (deze), wat tot de
volgende zin leidt: “le consentement suppose que le
consentement” (toestemming veronderstelt dat toestem
ming). Bovendien preciseert zij dat de term “librement”
(uit vrije wil) niet hoeft te worden toegevoegd. Er moet
immers een onderscheid worden gemaakt tussen het
uitdrukken van een veruitwendigde wil (ofwel de externe
wil: “ik verleen mondeling of schriftelijk toestemming”,
al valt zulks moeilijk toe te passen in het kader van een
intieme relatie) en de interne wil (dat wil zeggen de vrije
wil, het geweten).
De spreekster had deze opmerking overigens al ge
formuleerd in 2019, toen de hervorming van het Wetboek
uit de doeken werd gedaan onder auspiciën van de
Mme Wattier propose de remplacer “droit à l’auto
détermination sexuelle” par “droit à la liberté sexuelle”.
Par rapport à l’autodétermination, elle ajoute qu’une
personne ne peut revendiquer d’un autre (hétéro-) de
s’auto-determiner: soit elle s’autodétermine soit elle ne le
fait pas. Un tiers ne pourra jamais autodéterminer cette
personne. Elle invite ainsi les députés à modifier l’intitulé
du chapitre Ier “Infractions portant atteinte à l’intégrité
sexuelle, au droit à l’autodétermination sexuelle et aux
bonnes mœurs”, qu’elle juge trop lourd et inutile, en
“Infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle” et ajoute
que l’autonomie sexuelle découle de la liberté sexuelle.
L’intervenante propose également de créer deux
sections dans le chapitre Ier: la première portant sur
les atteintes à l’intégrité sexuelle et la seconde sur les
atteintes à l’intégrité mentale. Elle note que les messages
extrêmement pornographiques aussi bien que l’exhibi
tionnisme (sexuel) constituent une atteinte à l’intégrité
sexuelle psychique. Elle ajoute que la deuxième section
pourrait contenir l’infraction constituée par la production
ou la diffusion de messages extrêmement violents. Elle
suggère également de déplacer l’infraction relative aux
messages extrêmement violents dans le chapitre du
nouveau Code pénal consacré aux atteintes à l’intégrité
des personnes qui vise aussi l’intégrité psychologique.
Mme Wattier n’est pas satisfaite de la définition de la
notion de consentement. Soulignant son côté tautologique
et son manque de sens, elle cite le début de la définition:
“Le consentement suppose que celui-ci ait été donné
librement.” Pour commencer, elle précise que le verbe
“supposer que” n’annonce pas une définition. Ensuite,
elle revient sur le pronom démonstratif “celui-ci”, qui
donne le sens suivant: “le consentement suppose que
le consentement”. En outre, elle précise qu’il n’est pas
nécessaire d’ajouter le terme “librement”. En effet, il faut
distinguer l’expression de la volonté extériorisée (soit la
volonté externe: “j’émets un consentement verbalement
ou par écrit, ce qui est toutefois difficilement applicable
dans le domaine des relations intimes”) et la volonté
interne (c’est-à-dire le libre arbitre, le for intérieur).
L’intervenante avait d’ailleurs déjà formulé cette re
marque en 2019, lors de la présentation de la réforme
du Code sous l’égide de l’Université Saint-Louis. Elle
215
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Université Saint-Louis. Vervolgens doet zij een voorstel
voor een nieuwe definitie van het begrip “consentement”
(toestemming): “Le consentement en matière sexuelle
est l’assentiment à l’acte sexuel entrepris tel qu’il a été
entrepris”. (Toestemming in een seksuele aangelegen
heid is de goedkeuring van de seksuele handeling zoals
die is gesteld, vertaling.) Zij adviseert om de definitie
te vervolledigen met de volgende zin: “Il n’y a pas de
consentement dans les cas suivants notamment: …”
(Er is geen toestemming in de niet-limitatieve situaties
waarbij de toestemming ontbreekt), vertaling.
Wat de omschrijving van de term “voyeurisme” be
treft, oppert de spreekster om de woorden “terwijl die
persoon zich in omstandigheden bevindt, waar deze in
redelijkheid kan verwachten dat zijn persoonlijke levens
sfeer niet zal worden geschonden” te vervangen door
de woorden “terwijl die persoon zich in omstandigheden
bevindt waarin men redelijkerwijs mag verwachten dat
men niet zichtbaar is”. Wat de bewoordingen “waar deze
in redelijkheid kan verwachten” betreft, verduidelijkt de
deskundige dat als uitgangspunt niet het standpunt van
de betrokkene moet worden genomen, maar dat van de
gemiddelde burger. Zij stelt voorts voor de bewoordingen
“seksueel getinte beelden en opnames” te vervangen
door de bewoordingen “seksueel getinte inhoud”.
Verkrachting wordt in het wetsontwerp omschreven
als “elke wetens en willens gestelde daad die bestaat
of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke
aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon
of met behulp van een persoon die daar niet in toe
stemt”, maar die formulering is volgens de spreekster
niet adequaat. Zij stelt daarentegen dat een daad die
mede bestaat uit een seksuele penetratie als seksuele
penetratie moet worden beschouwd, ongeacht of het
anale, orale, vaginale of objectseks betreft.
Misschien wilden de stellers van het wetsontwerp
het hebben over penetraties die “onvolkomen” waren,
onder meer om anatomische redenen (bijvoorbeeld in
geval van verkrachting van een baby), teneinde ook
rekening te houden met de daden vóór, tijdens of na de
seksuele penetratie in de eigenlijke zin van het woord.
Mevrouw Wattier stelt dan ook de volgende omschrij
ving voor: “Verkrachting is elke seksuele penetratie van
welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een
persoon of met behulp van een persoon die daar niet in
toestemt. De seksueel geladen daden bij die verkrach
ting worden gelijkgesteld met en gekwalificeerd zoals
die verkrachting.”.
De spreekster gaat vervolgens in op de wijze waarop
seksuele zaken aanhangig worden gemaakt, meer be
paald op de gevallen waarin sprake is van penetratie
maar waar degene die penetreert het slachtoffer is van
fait ensuite une proposition relative à la définition du
consentement, à savoir: “Le consentement en matière
sexuelle est l’assentiment à l’acte sexuel entrepris tel
qu’il a été entrepris”. Elle conseille d’ajouter à la suite de
la définition la phrase suivante: “Il n’y a pas de consente
ment dans les cas suivants notamment en reprenant les
hypothèses non limitatives d’absence de consentement”.
En ce qui concerne la définition du terme “voyeurisme”,
l’oratrice suggère de remplacer la partie: “alors que cette
personne… des circonstances où elle peut raisonnable
ment considérer qu’il ne sera pas porté atteinte à sa vie
privée” par “alors que cette personne se trouve dans des
circonstances où l’on peut raisonnablement considérer
qu’elle se trouve à l’abri des regards”. À propos de la
partie “elle peut raisonnablement considérer”, l’experte
précise que ce n’est pas le point de vue de la personne
en cause qu’il faut considérer, mais bien celui de l’homme
moyen. Elle propose également de remplacer les termes
“d’images et enregistrements à caractère sexuel” par
“des contenus à caractère sexuel”.
S’agissant de la définition du viol, la formulation utili
sée dans le projet de loi n’est pas adéquate: “on entend
par viol tout acte qui consiste en ou se compose d’une
pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque
moyen que ce soit, commis sur une personne ou avec
l’aide d’une personne qui n’y consent pas”. Elle note
cependant qu’un acte qui se compose d’une pénétration
sexuelle est une pénétration sexuelle qu’elle soit anale,
orale, vaginale ou objectale.
Peut-être les auteurs ont-ils voulu parler des péné
trations “incomplètes”, notamment pour des raisons
anatomiques (par exemple, le viol d’un nouveau-né) afin
de prendre en considération les actes antérieurs, conco
mitants ou postérieurs à la pénétration sexuelle sensu
stricto. Pour sa part, Mme Wattier propose la définition
suivante: “On entend par viol toute pénétration sexuelle
de quelque nature et par quelque moyen que ce soit,
commis sur une personne ou avec l’aide d’une personne
qui n’y consent pas. Sont assimilés et qualifiables de
viols les actes à caractère sexuel concomitants à ce viol”.
L’oratrice aborde ensuite le sort des saisines sexuelles,
qu’elle décrit comme les cas où il y a pénétration, mais
que l’auteur de la pénétration est victime de l’infraction
(par exemple un mineur). Ce mineur sera contraint
2141/006
DOC 55
216
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het misdrijf (bijvoorbeeld een minderjarige). Die min
derjarige wordt gedwongen een vrouw of een man te
penetreren. Indien de betrokkene jonger dan 16 is, is hij
te jong om toestemming te verlenen. Momenteel wordt
dat feit gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid.
Wanneer een man de penis van een andere man oraal
stimuleert zonder toestemming van laatstgenoemde,
is dat feit niet minder ernstig dan een verkrachting.
Bijgevolg zou mevrouw Wattier willen dat bij de aan
hangigmakingen van seksuele zaken stelselmatig de
kwalificatie “verkrachting” wordt gehanteerd wanneer
sprake is van penetratie, zelfs wanneer de penetrerende
niet de dader van het misdrijf is. Zij benadrukt dat ook de
begeleidende handelingen die geen penetratie zijn, onder
de door haar voorgestelde definitie van “verkrachting”
zouden moeten vallen.
Wat de strafverzwaring in geval van toediening van
weerloos makende stoffen betreft, stelt de spreekster
voor om ook de sterk stimulerende stoffen te vermelden.
De verkrachting kan plaatsgrijpen wegens overdreven
verbruik dat werd aangemoedigd. De toediening van
stimulerende middelen lijkt mevrouw Wattier even ernstig
als die van weerloos makende middelen.
Met betrekking tot grooming (kinderlokking), met an
dere woorden het voorstellen van ontmoetingen met het
oog op seks, zelfs wanneer de seksuele betrekking niet
plaatsvindt, meent de spreekster dat deze wetswijziging
een goede gelegenheid zou zijn om de oorspronkelijke
omschrijving aan te passen; de woorden “gevolgd door
materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting
leiden”, zouden dus moeten worden vervangen door de
woorden “gevolgd door materiële handelingen die wijzen
op het voornemen van de dader om de minderjarige
daadwerkelijk te ontmoeten”. Zulks zou twijfel wegne
men, aangezien in een rechtsstaat de ontmoeting niet
noodzakelijk plaats zou moeten vinden om iemand te
kunnen straffen wegens grooming. Het zou volstaan dat
materiele handelingen wijzen op het voornemen van de
betrokkene om de minderjarige te ontmoeten (bijvoorbeeld
de reservatie van een trein- of bioscoopticket). Indien
absoluut een ontmoeting en misbruik nodig zou zijn, zou
zulks erop neerkomen dat grooming wordt verbonden
met verkrachting of met een seksuele handeling zonder
toestemming.
De spreekster vindt de formulering “houden van een
huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige
ontucht of prostitutie pleegt” een vreselijke tautologie. Zij
wijst echter op een interessant aspect, namelijk dat men
wil verduidelijken dat de dader niet noodzakelijk diegene
is die het etablissement beheert of bezit. Mevrouw Wattier
beveelt dan ook aan de omschrijving te verduidelijken
de pénétrer une femme ou un homme. S’il a moins
de 16 ans, il n’a donc pas l’âge du consentement. Pour
le moment, ce fait est qualifié d’attentat à la pudeur.
Lorsqu’un homme pratique une fellation sur un autre
homme sans le consentement de ce dernier, le fait n’est
pas moins grave qu’un viol. Par conséquent, Mme Wattier
souhaiterait que les saisines sexuelles soient d’office
considérées comme des viols, dès lors qu’il y a péné
tration, et ce, même si l’auteur de la pénétration n’est
pas celui de l’infraction. Elle souligne que la définition
qu’elle propose du viol vise “les actes concomitants qui
ne sont pas les pénétrations”.
S’agissant de l’aggravation de la peine due à l’admi
nistration de substances inhibitives, l’oratrice propose
d’ajouter les substances “désinhibitives” fortes. Le viol
a pu avoir lieu en raison d’une consommation exagé
rée qui a été encouragée. Qu’il s’agisse de l’usage de
substances inhibitives ou “désinhibitives”, les deux lui
semblent aussi graves l’un que l’autre.
En ce qui concerne le grooming (pédopiégage), c’est-
à-dire les propositions de rencontre dans un but sexuel,
même si la relation sexuelle n’a pas lieu, l’oratrice estime
que c’est l’occasion de modifier la définition d’origine,
en remplaçant la formulation “acte matériel conduisant
à ladite rencontre” par “acte matériel témoignant de
l’intention de l’auteur de rencontrer effectivement la
personne mineure”. Cela permet de lever le doute. Dans
l’état de droit, la rencontre ne doit pas nécessairement
avoir lieu pour punir quelqu’un de grooming. Il suffirait
ainsi qu’il y ait des actes matériels (par exemple la
réservation d’un billet de train ou de cinéma) manifes
tant l’intention de la personne de rencontrer le mineur.
S’il fallait nécessairement qu’il y ait une rencontre et un
abus, cela reviendrait à associer le grooming au viol ou
à un acte sexuel à caractère non consensuel.
L’intervenante compare la définition de la “tenue d’une
maison de débauche ou de prostitution où un mineur
se livre à la débauche ou à la prostitution” à un monstre
de tautologie. Elle note toutefois un point intéressant,
à savoir la volonté de préciser que l’auteur ne doit pas
nécessairement être celui qui a la gérance ou la propriété
de l’établissement. Mme Wattier recommande également
217
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door het volgende toe te voegen: “ongeacht de hoeda
nigheid van diegene die de plaats gewoonlijk beheert”.
Volgens de spreekster kan het begrip “openbare
zedenschennis” meerdere vormen aannemen. Het
zou dus dienstig zijn dat aspect meer uit te diepen in
de parlementaire stukken. Dat begrip is vrij abstract,
maar heel omvattend en dekt meerdere aspecten die
systematisch zouden kunnen worden besproken, meer
bepaald de aspecten inzake strafrechtelijk beleid, fat
soen en ethiek. De goede zeden maken deel uit van de
morele openbare orde.
Het openbare aspect, in het bijzonder in geval van
openbare zedenschennis, betreft binnen het strafrecht
inzake seksuele zeden niet alleen een heel specifieke
categorie van misdrijven (reclame voor ontucht of prosti
tutie door een minderjarige), maar ook de publieke aard,
dus de zeden van het publiek, het publieke kader van de
schennis en het risico op verspreiding onder het publiek.
Wat de seksuele meerderjarigheid betreft, meent me
vrouw Wattier dat het wetsontwerp er slechts toe strekt
te bevestigen wat al bestond, namelijk dat men vanaf de
leeftijd van zestien jaar seksueel meerderjarig is. Het is
uitdrukkelijk de bedoeling van het wetsontwerp om een
einde te maken aan de tweevoudige leeftijdsgrens om
in de ogen van het gerecht geldig toestemming te geven
voor seks, want dat tweevoudig vermoeden brengt de
burgers – en in het bijzonder de jongeren – in de war.
De spreekster vindt niet dat er een anomalie bestond,
maar zij erkent dat dit aspect duidelijkheid ontbeerde.
Niettemin blijven twee leeftijdsdrempels van toepas
sing, namelijk zestien jaar (seksuele meerderjarigheid
van rechtswege) en veertien jaar (geldige toestemming
indien het leeftijdsverschil tussen de partners hoogstens
twee jaar bedraagt, voor zover er geen ongeoorloofde
bloed- of morele banden met de minderjarige zijn).
De gekozen drempels zijn steeds arbitrair. De werkelijk
heid is specifiek en concreet, terwijl het recht algemeen
en abstract is. Over de leeftijdsgrens moet niet worden
beslist door een jurist. Het verdient de voorkeur een
redelijke grens in te stellen op basis van de studies
van in de jeugdzaken gespecialiseerde onderzoekers
en actoren.
Men moet echter opletten voor interactie tussen
normaal en genormeerd gedrag. Normaal gedrag heeft
betrekking op wat maatschappelijk, statistisch of medisch
normaal is, terwijl genormeerd gedrag op juridische
regels berust. Er heerst een gevaarlijke tendens om de
juridische norm de inhoud te geven van de sociale norm.
Indien men de wet wil afstemmen op de maatschap
pelijke praktijken, zou het nergens meer toe dienen
de préciser la définition en y ajoutant la formule suivante:
“la qualité statutaire du gestionnaire habituel des lieux
est indifférente”.
Aux yeux de l’intervenante, la notion d’outrages publics
aux bonnes mœurs est multiforme. Il serait opportun
d’y apporter plus de contenu dans les documents par
lementaires. Ce concept assez abstrait, mais très riche,
comporte plusieurs dimensions qui pourraient être
systématisées, notamment les dimensions de politique
criminelle, de moralité et d’éthique. La catégorie des
bonnes mœurs relève de l’ordre public moral.
Quant à l’élément public, en droit pénal des mœurs
sexuelles, en particulier en cas d’outrage aux bonnes
mœurs, il vise, outre une catégorie en soi d’infractions
(la publicité pour la débauche et la prostitution d’un
mineur), le caractère public au sens de mœurs du corps
public, le cadre (public) de l’outrage ainsi que le risque
de propagation dans le public.
À propos de la majorité sexuelle, Mme Wattier estime
que le projet de loi ne fait que confirmer ce qui existait
déjà: la pleine majorité sexuelle est atteinte à l’âge
de 16 ans. Le projet de loi entend explicitement mettre
fin au double seuil d’âge de validité du consentement en
justice en matière sexuelle, double jeu de présomption
qui génère de la confusion auprès des citoyens, en
particulier les jeunes. Pour l’intervenante, il n’y avait
pas d’anomalie, mais elle reconnaît que cela manquait
de clarté. Il n’en demeure pas moins qu’il reste deux
seuils d’âge à prendre en considération: 16 ans (majorité
sexuelle de plein droit) et 14 ans (validité du consente
ment si 2 ans d’écart maximum entre les partenaires
et sous réserve du défaut d’ascendance familiale ou
morale vis-à-vis de la personne mineure).
Les seuils fixés sont toujours arbitraires. La réalité est
singulière et concrète, le droit est général et abstrait. La
limite d’âge ne doit pas être tranchée par un juriste. Il est
préférable de se pencher sur les études de chercheurs
et les acteurs spécialisés dans le secteur de la jeunesse
pour fixer une limite raisonnable.
Attention toutefois à la porosité entre la normalité et
la normativité. La normalité vise la normalité sociale,
statistique ou médicale. La normativité, ce sont les
normes juridiques. Il y a une tendance dangereuse à
donner à la norme juridique le contenu de la norme
sociale. Si la loi doit s’aligner sur les pratiques sociales,
cela ne servirait plus à rien d’adopter des lois. Il y a une
légitimité à dire que, bien qu’une pratique soit courante,
2141/006
DOC 55
218
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wetten aan te nemen. Het is gerechtvaardigd te stellen
dat, hoewel een praktijk courant is, zoals de close-up of
sexting, de wet in het licht van de waarden die men wil
verdedigen tegen die schadelijke praktijk kan ingaan.
Niettemin moet men zich niet stelselmatig laten leiden
door de maatschappelijke normen, want die zijn niet
altijd bijzonder aanbevelenswaardig.
b. Uiteenzetting van mevrouw Catherine
Van de Heyning, professor aan de UAntwerpen
Mevrouw Catherine Van de Heyning verduidelijkt
als professor verbonden te zijn aan de UAntwerpen.
Daarnaast is ze ook substituut-procureur des Konings te
Mechelen met specialisatie in cybercrime. Ze benadrukt
dat ze in deze hoorzitting spreekt als academica, maar
dat het toch een positief element is dat ze haar ervaring
en specialisatie in online zedenfeiten kan meenemen.
Ze zal in haar betoog enkele artikels uit het voorliggende
wetsontwerp betreffende online zedenmisdrijven in de
diepte behandelen.
De spreekster signaleert daarbij dat heel wat seksuele
misdrijven in onze tijd een digitaal aspect krijgen, maar
de vraag rijst daarbij of de wettelijke kwalificaties die
eerder vanuit een fysieke realiteit werden opgesteld wel
overeenstemmen met de gepleegde feiten. Nochtans is
het zo dat digitale seksuele misdrijven een even grote
impact kunnen hebben op slachtoffers. Mevrouw Van de
Heyning geeft bij wijze van introductie nog mee dat ze
tevreden is dat er een heuse quantum leap wordt ge
maakt in het wetsontwerp door de focus te verschuiven
van het morele aspect naar de zelfbeschikking, en ze
spreekt daarbij de hoop uit dat dit coherent zal worden
doorgetrokken in het wetsontwerp in zijn geheel.
Mevrouw Van de Heyning herneemt uit haar aan de
commissie overgezonden tekst de volgende krachtlijnen:
Voyeurisme: deepnude applicaties
De professor behandelt eerst het fenomeen van de
deepnudes, die men als een soort van seksueel fake
news zou kunnen beschouwen. Het zijn applicaties die
bestaande beelden van mensen kunnen doen lijken
alsof ze naakt zijn of seksuele handelingen verrichten.
Deze beelden worden dan vaak gebruikt om mensen
af te persen. In het nieuwe wetsontwerp valt dit onder
de kwalificatie voyeurisme (huidig artikel 371/1, lid 1;
nieuw artikel 417/8), waarbij nog altijd wordt uitgegaan
van een fysieke realiteit (beeld- of geluidsopnames van
iets reëel). Mevrouw Van de Heyning beveelt aan om
ook afbeeldingen die doen geloven dat het realistische
opnames zijn op te nemen in het wetsontwerp. Dit kan
par exemple le close-up, le sexting, la loi peut aller à
contre-courant de cette pratique néfaste au regard des
valeurs que l’on entend défendre. Néanmoins, il ne faut
pas systématiquement s’aligner sur les normes sociales,
car elles ne sont pas toujours très recommandables.
b. Exposé de Mme Catherine Van de Heyning,
professeure à l’UAntwerpen
Mme Catherine Van de Heyning précise qu’en sa
qualité de professeure, elle est rattachée à l’UAntwer
pen. Elle est en outre substitut du procureur du Roi de
Malines, spécialisée en cybercriminalité. Elle souligne
qu’elle s’exprime en sa qualité de professeure universitaire
dans le cadre de cette audition, mais qu’il est néanmoins
positif qu’elle puisse faire appel à son expérience et à
son expertise en matière de délits de mœurs commis
en ligne. Au cours de son exposé, elle examinera en
détail certains articles du projet de loi à l’examen qui
concernent des délits de mœurs commis en ligne.
À cet égard, l’oratrice signale qu’à notre époque,
bon nombre d’infractions sexuelles revêtent un aspect
numérique, mais la question qui se pose en la matière
est de savoir si les qualifications légales élaborées
davantage à partir d’une réalité physique correspondent
effectivement avec les faits qui ont été commis. Force
est toutefois de constater que les infractions sexuelles
numériques sont tout aussi lourdes de conséquences
pour les victimes. Mme Van de Heyning indique, en guise
d’introduction, qu’elle se réjouit du véritable bond en
avant que permet le projet de loi en déplaçant l’accent
de l’aspect moral à l’autodétermination, et elle espère
que cette évolution sera appliquée de manière cohérente
à l’ensemble du projet de loi.
Mme Van de Heyning extrait du texte qu’elle a transmis
à la commission les lignes de force suivantes:
Voyeurisme: applications DeepNude
La professeure aborde d’abord le phénomène
DeepNude, que l’on pourrait considérer comme une sorte
de fake news à caractère sexuel. Il s’agit d’applications
qui peuvent, sur la base d’images réelles, déshabiller
les personnes qu’elles représentent ou faire croire
qu’elles se livrent à des actes sexuels. Ces images sont
souvent utilisées comme moyen de chantage. Dans le
nouveau projet de loi, ce type d’application est qualifié
de voyeurisme (actuel article 371/1, alinéa 1er; nouvel ar
ticle 417/8), partant encore toujours d’une réalité physique
(enregistrements visuels ou audios de quelque chose
de réel). Mme Van de Heyning recommande d’inclure
également dans le projet de loi les images qui font croire
219
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door de focus te leggen op de realiteitszin en de notie
“opname” te wijzigen in de notie “beelden”. Hierdoor
worden dan ook de deepnudes en daaraan gerelateerde
afpersingen afgedekt.
Seksueel misbruik van beelden: de “ontblote persoon”
Aansluitend bespreekt mevrouw Van de Heyning de
notie “ontblote persoon” en het fenomeen van upskirting,
het opnemen van beelden onder een jurk of rok. Vanuit
de juridische praktijk dat sommige rechters vinden
dat upskirting niet valt binnen de kwalificatie “ontblote
persoon”, wordt in het voorliggende wetsontwerp een
uitdrukkelijke definitie van een ontblote persoon opge
nomen, namelijk “een persoon die zonder toestemming
of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont
dat verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had
geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld-
of geluidsopname van hem werd gemaakt”.
Professor Van de Heyning signaleert dat de voorge
stelde definitie nog steeds problematisch is. De woorden
“zonder toestemming” en “buiten zijn medeweten” kunnen
volgens haar beter worden weggelaten omdat de toe
stemming eerder slaat op het misdrijf dan op het ontbloot
zijn, en dat zit reeds vervat in het verbod op voyeurisme
en niet-consensuele verspreiding. Problematisch is vol
gens haar vooral dat deze definitie zou kunnen worden
aangewend voor ontbloting om niet-seksuele redenen.
Ze geeft daarbij als voorbeeld religieuze (bijvoorbeeld
een hoofddoek) of esthetische redenen om een bepaald
lichaamsdeel te verbergen.
Om deze redenen stelt professor Van de Heyning voor
terug te keren naar de definitie van “ontblote persoon”
zoals die werd voorgelegd in het wetsontwerp van 2016:
“een persoon die een deel van zijn lichaam laat zien dat,
op grond van de huidige maatschappelijke normen, bedekt
zou zijn gebleven indien de persoon had geweten dat
hij werd bespied of gefilmd zonder diens toestemming”
(wetsontwerp tot wijziging van het strafwetboek wat de
strafbaarstelling van de aanranding van de eerbaarheid
betreft, DOC 54 0699/003, blz. 5).
Een andere en even valabele mogelijkheid is de
toevoeging van een beschrijvende opsomming van
lichaamsdelen aan het artikel.
Online verkrachting en aanranding van de
eerbaarheid: livestream seksueel misbruik
Professor Van de Heyning behandelt vervolgens ver
krachting via live stream. Ze stelt vast dat het traditionele
sekstoerisme afneemt maar wordt vervangen door het
qu’il s’agit d’enregistrements réalistes. C’est possible
en mettant l’accent sur le réalisme et en remplaçant
la notion d’ “enregistrements” par la notion d’“images”.
Ainsi, l’article inclura également les DeepNude et les
manœuvres de chantage qu’elles engendrent;
Images détournées à des fins sexuelles: la “personne
dénudée”
Mme Van de Heyning enchaîne avec la notion de
“personne dénudée” et le phénomène d’upskirting,
le fait de photographier ou de filmer sous une robe ou
une jupe. Partant de la pratique juridique selon laquelle
certains juges estiment que l’upskirting ne relève pas de
la qualification de “personne dénudée”, une définition
explicite de la notion de personne dénudée sera inscrite
dans le projet de loi à l’examen, à savoir: “la personne
qui, sans son consentement ou à son insu, exhibe une
partie de son corps, laquelle aurait été gardée cachée si
cette personne avait su qu’elle était observée ou faisait
l’objet d’un enregistrement visuel ou sonore.”.
La professeure Van de Heyning signale que la défi
nition proposée demeure problématique. Elle estime
que les mots “sans son consentement” et “à son insu”
devraient être supprimés parce que le consentement
porte davantage sur l’infraction que sur le fait d’être
dénudé et que celui-ci figure déjà dans l’interdiction de
voyeurisme et de diffusion non consensuelle. Elle estime
que cela pose surtout un problème dès lors que cette
définition pourrait être utilisée pour un dénudement pour
des raisons non sexuelles. Ainsi, une certaine partie du
corps pourrait être cachée pour des raisons religieuses
(un foulard par exemple) ou esthétiques.
C’est pourquoi Mme Van de Heyning propose de
revenir à la définition de “personne dénudée” telle que
proposée dans le projet de loi de 2016: “la personne
qui exhibe une partie de son corps qui, sur base des
normes sociales actuelles et de la conscience collective
de la pudeur, aurait été gardée couverte si la personne
avait su qu’elle était épiée ou filmée sans son autorisa
tion. (Proposition de loi modifiant le Code pénal en ce
qui concerne l’incrimination de l’attentat à la pudeur ,
DOC 54 0699/003, p. 5).
Une autre possibilité tout aussi valable consiste à
insérer une énumération descriptive des parties du
corps dans l’article.
Viol et attentat à la pudeur en ligne: abus sexuels
en live-streaming
La professeure Van de Heyning aborde ensuite le
viol en live-streaming. Elle constate que le tourisme
sexuel classique est en baisse, mais qu’il est remplacé
2141/006
DOC 55
220
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
veel problematischere fenomeen van een opdrachtgever
die betaalt voor verkrachting en misbruik van kinderen
in het buitenland. Het is moeilijk de bestaande wettelijke
bepalingen hier op toe te passen en de beelden blijven
ook niet bewaard, waardoor er niet kan worden vervolgd
voor het bezit van kinderpornografisch materiaal.
De spreekster benadrukt dat men vooral de verkrach
ting wil bestraffen, eerder dan het louter bekijken van
beelden. Ze verwijst naar de wetgeving in Frankrijk waarbij
niet enkel de feiten van verkrachting, maar ook het geven
van de opdracht wordt gelibelleerd als verkrachting. Ze
geeft daarbij ook aan dat het traditionele sekstoerisme
volgens het Wetboek van strafvordering niet valt onder
het territorialiteitsbeginsel. Belgen die seksuele misdrijven
plegen in het buitenland zijn strafbaar. Ze pleit ervoor om,
zoals de Franse wetgever reeds heeft gedaan, ook het
geven van de opdracht tot verkrachting op te nemen in
het Wetboek van strafvordering in de lijst van misdrijven
die in het buitenland zijn gepleegd (artikel 10 ter van de
Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering).
Sextortion
Aansluitend daarbij bespreekt professor Van de
Heyning het fenomeen sextortion, afpersing door mid
del van het verspreiden van naaktbeelden of seksuele
activiteit. Soms gaat het om werkelijk bestaande en
authentieke beelden, soms om deepnudes, en soms
zijn er gewoon geen beelden gemaakt. De juridische
bestraffing kan problematisch zijn ofwel omdat er geen
beelden zijn verspreid, ofwel omdat de afperser geen
geld vraagt, maar wel nieuwe beelden, en dat wordt
niet afgedekt door de bepaling “afpersing” volgens ar
tikel 470 van het Strafwetboek. Ook het begrip “begin
van uitvoering” kan hier problematisch zijn wanneer er
geen beelden zijn of wanneer het gaat om deepnudes.
Professor Van de Heyning reikt twee mogelijke op
lossingen aan. Men zou kunnen het voorbeeld volgen
van de Nederlandse wetgever, die het afpersen met
het doel gegevens en beelden te verkrijgen, strafbaar
stelt. Deze oplossing valt echter buiten het bestek van
het voorliggende wetsontwerp. Een andere, en meer
haalbare oplossing, bestaat erin om het begrip sextor
tion strafbaar te maken door het expliciet in te schrijven
in de bepaling van niet-consensuele verspreiding van
naaktbeelden onder dwang, of door het gelijk te stellen
met het begin van uitvoering.
Online prostitutie en aanzetten tot ontucht
Het wetsontwerp voorziet in een decriminalisering
van de prostitutie. Professor Van de Heyning spreekt
par le phénomène beaucoup plus problématique d’un
commanditaire qui paie pour le viol et l’abus d’enfants
à l’étranger. Il est difficile d’appliquer les dispositions
légales existantes à ce phénomène et les images ne
sont pas non plus conservées, de sorte qu’il n’est pas
possible d’engager des poursuites pour détention de
matériel pédopornographique.
L’oratrice souligne que l’on veut surtout sanctionner
le viol, plutôt que le fait de regarder simplement des
images. Elle évoque la législation française, laquelle
considère non seulement les faits de viol, mais aussi
le fait de donner ordre comme des viols. Elle rappelle
également que, selon le Code d’instruction criminelle, le
tourisme sexuel classique ne tombe pas sous l’application
du principe de territorialité. Les ressortissants belges qui
commettent des infractions sexuelles à l’étranger sont
passibles de sanctions. Elle plaide pour que, suivant
l’exemple du législateur français, le fait de donner l’ordre
de violer soit également inscrit dans le Code d’instruc
tion criminelle, dans la liste des infractions commises
à l’étranger (article 10ter du Titre préliminaire du Code
de procédure pénale).
Sextorsion
Dans la foulée, la professeure Van de Heyning aborde
le phénomène de sextorsion, l’extorsion par la diffusion
d’images de nudité ou d’activité sexuelle. Parfois, les
images sont réelles et authentiques, parfois ce sont
des deepnudes, et parfois il n’y a tout simplement pas
d’images du tout. La sanction juridique peut être pro
blématique soit parce qu’aucune image n’a été diffusée,
soit parce que l’extorqueur ne demande pas d’argent
mais de nouvelles images, ce qui n’est pas couvert par
la notion d’”extorsion” au sens de l’article 470 du Code
pénal. Le concept de “commencement d’exécution” peut
également poser problème lorsqu’il n’y a pas d’images
ou lorsqu’il s’agit de deepnudes.
La professeure Van de Heyning propose deux solutions
possibles. L’une d’elles consiste à suivre l’exemple du
législateur néerlandais, qui incrimine l’extorsion dans
le but d’obtenir des données et des images. Toutefois,
cette solution n’entre pas dans le cadre du projet de loi
à l’examen. Une autre solution, plus réalisable, consis
terait à incriminer la notion de sextorsion en l’incluant
explicitement dans la disposition relative à la diffusion
non consensuelle d’images de nudité sous la contrainte,
ou en l’assimilant au commencement d’exécution.
Prostitution en ligne et incitation à la débauche
Le projet de loi prévoit la décriminalisation de la
prostitution. La professeure Van de Heyning ne se
221
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zich niet uit over de politieke kant van de zaak, maar
is wel van mening dat de moderne onlinevormen van
prostitutie makkelijker minderjarigen bereiken en vindt het
voorstel onvoldoende rijp om nu al te worden gestemd.
Ze pleit voor het inschrijven van meer wetgevende flan
kerende maatregelen aangaande reclame, vestiging en
sociaalrechtelijke maatregelen teneinde sociaal zwakke
en kwetsbare personen beter te kunnen beschermen.
Ze wijst daarbij op het reële risico van glamourisering
van prostitutie.
Doxing van slachtoffers van seksueel misbruik
Art. 417/63 Bescherming identiteit slachtoffer
Professor Van de Heyning hekelt dat de bewoordingen
in dit artikel enigszins ouderwets aandoen en onvolledig
zijn. Artikel 417/63 garandeert de bescherming van de
identiteit van slachtoffers van zedenfeiten teneinde te
voorkomen dat deze slachtoffers een secundaire victi
misatie ondergaan, ook wel genoemd doxing. Ze pleit
ervoor om de bewoordingen in het artikel aan te passen
naar “het verspreiden van beelden, geluidsfragmenten
of gegevens waardoor het slachtoffer van een seksueel
misdrijf identificeerbaar of lokaliseerbaar is.”.
Art. 417/51 (en 417/52) Het vervaardigen of verspreiden
van boodschappen van extreem pornografische of
gewelddadige aard (gepleegd tegenover een minderjarige
of een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert)
Tot slot van haar betoog verwijst professor Van de
Heyning naar enkele artikels die handelen over het
vervaardigen of verspreiden van boodschappen van
extreem pornografische aard. Ze sluit zich aan bij de
andere experten aangaande de te brede en onduidelijke
formulering van de kwalificatie, en het afwijken van het
uitgangspunt van toestemming. Er wordt gerefereerd aan
een “normale” persoon, maar spreekster wijst erop dat
dit inzake seksualiteit moeilijk te definiëren is. Er moet
dus beter worden geformuleerd wat men juist wil gaan
bestrijden, en dat zijn vaak feiten die nu al strafbaar
zijn. De oplossing ligt volgens haar niet in het strafrecht,
maar wel in hoe wordt omgegaan met de aansprakelijk
heid van online dienstverleners om strafbare beelden te
verspreiden. Het verantwoordelijk maken van die online
dienstverleners komt sowieso ook op de agenda van het
Parlement bij de invoering van de Digital Services Act
door de EU-lidstaten.
c. Uiteenzetting van de heer Olivier Bastyns, assistent
aan de ULB
De heer Olivier Bastyns maakt meerdere opmerkingen
betreffende bepaalde aspecten van het wetsontwerp,
waarin reële en aanzienlijke stappen vooruit worden
prononce pas sur l’aspect politique de la question, mais
estime que les formes en ligne modernes de prostitu
tion atteignent plus facilement les mineurs et considère
que la proposition n’est pas suffisamment mûre pour
être d’ores et déjà votée. Elle préconise la prise de
davantage de mesures législatives d’accompagnement
sur la publicité, l’établissement et les mesures de droit
social afin de mieux protéger les personnes socialement
faibles et vulnérables. Elle pointe du doigt le risque réel
de glamourisation de la prostitution.
Doxing des victimes d’abus sexuels
Art. 417/63 Protection de l’identité de la victime
La professeure Van de Heyning critique le fait que
la formulation de cet article est quelque peu démodée
et incomplète. L’article 417/63 garantit la protection de
l’identité des victimes de faits de mœurs afin d’éviter
que ces victimes ne subissent une victimisation secon
daire, également connue sous le nom de doxing. Elle
demande que le libellé de l’article soit modifié comme
suit: “la diffusion d’images, de messages sonores ou
de données permettant d’identifier ou de localiser la
victime d’une infraction sexuelle”.
Art. 417/51 (et 417/52) La production ou la diffusion
de messages à caractère extrêmement pornographique
ou violent (dirigés contre un mineur ou une personne
dans une situation de vulnérabilité )
En conclusion de son intervention, la professeure
Van de Heyning se réfère à quelques articles qui traitent
de la production ou de la distribution de messages à
caractère extrêmement pornographique. Elle rejoint les
autres experts concernant la formulation trop large et
peu claire de la qualification, et la dérogation au principe
de consentement. Il est fait référence à une personne
“normale”, mais l’oratrice souligne la difficulté de définir
cette notion en matière de sexualité. Il convient donc
de mieux formuler ce que l’on veut combattre, et il
s’agit souvent de faits qui sont déjà punissables. Selon
elle, la solution ne réside pas dans le droit pénal, mais
dans la manière de traiter la responsabilité des fournis
seurs de services en ligne dans la diffusion d’images
punissables. La responsabilisation des fournisseurs
de services en ligne viendra de toute façon à l’ordre du
jour du Parlement, lorsque les États membres de l’UE
introduiront le Digital Services Act.
c. Exposé de M. Olivier Bastyns, assistant à l’ULB
M. Olivier Bastyns formule une série d’observations
portant sur certains aspects du projet de loi, qui pré
sente des avancées réelles et importantes. Le droit
2141/006
DOC 55
222
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gezet. Het seksueel strafrecht moet inderdaad een
goede afspiegeling zijn van de normen van de huidige
samenleving. Anderzijds mogen er geen louter repres
sieve en moraliserende bedoelingen aan ten grondslag
liggen. In diens algemene toelichting verduidelijkt de
minister van Justitie voorts dat het wetsontwerp ertoe
moet strekken de rechtspraak efficiënter te maken (men
leze: eenvoudiger en samenhangender).
De spreker gaat in op de straffen. Sommige zaken
worden zwaarder bestraft. Voor de verkrachting van wie
in een kwetsbare situatie verkeert, zou de straf verdub
belen. De dader wordt tot dusver bestraft met opsluiting
van 15 tot 20 jaar. Krachtens artikel 417/15 zal de dader
voortaan worden bestraft met opsluiting van 20 tot 30 jaar.
Die straf wordt dus dezelfde als die voor verkrachting
met de dood tot gevolg, zonder het oogmerk dat de
verkrachting de dood tot gevolg zou hebben.
De beslissing om de seksuele misdrijven in een nieuwe
titel onder te brengen en niet meer over de orde der familie
te spreken is een verstandige keuze en is in overeen
stemming met de leer en de rechtspraak. Qua leeftijd
blijkt het huidige Belgische rechtsstelsel een juridisch
moeilijk te verantwoorden bijzonderheid te bevatten
betreffende de leeftijd waaronder een minderjarige niet
in staat is zijn toestemming te geven voor handelingen
van seksuele aard: indien een minderjarige niet de volle
leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en de handeling met
toestemming plaatsvindt, spreekt men van aanranding
van de eerbaarheid; indien de minderjarige jonger is
dan 14 jaar, gaat het over verkrachting.
De heer Bastyns ziet hier een terminologisch probleem:
een penetratie wordt als aanranding van de eerbaarheid
beschouwd, terwijl net dat het essentiële element is van
de definitie van verkrachting. De in het wetsontwerp
vervatte idee om één vaste leeftijdsgrens vast te stel
len, is dan ook zinvol. De regering neigt evenwel naar
een op het eerste gezicht meer repressieve aanpak: de
seksuele handeling met penetratie van een minderjarige
of met de hulp van een minderjarige jonger dan de volle
leeftijd van zestien jaar wordt voortaan als verkrachting
beschouwd, daar de minderjarige jonger dan zestien jaar
niet uit vrije wil kan toestemmen en zulks een onweer
legbaar vermoeden is.
De spreker voegt er evenwel aan toe dat de Raad van
State zich afvraagt of de wetgever bij de keuze om de
leeftijdsgrens op 16 jaar vast te leggen, wel alle relevante
elementen in overweging heeft genomen. De Raad van
State verzoekt om die beslissing te verantwoorden. Uit
maatschappelijke ontwikkelingen en wetenschappe
lijk onderzoek zou blijken dat de minderjarigen uit de
pénal sexuel doit effectivement refléter les normes
de la société actuelle. En revanche, il ne doit pas être
sous-tendu par une volonté uniquement répressive et
moralisatrice. Dans son exposé général, le ministre de
la Justice précise d’ailleurs que le but du projet doit être
de rendre la justice plus efficace, en d’autres termes,
plus simple et plus cohérente.
L’orateur se penche sur la question des peines, dont
certaines sont aggravées. S’agissant du viol sur une
personne se trouvant dans une situation de vulnérabilité,
la sanction est passée du simple au double. Auparavant,
l’auteur des faits était puni d’une peine de dix à quinze
ans de réclusion. En vertu de l’article 417/15, il serait
dorénavant puni d’une peine de réclusion de 20 à 30 ans.
Cette peine équivaut donc à celle infligée pour le viol
avec la circonstance que la mort de la personne sans
intention de la donner a été la conséquence du viol.
La décision de placer les infractions sexuelles dans un
nouveau titre et de ne plus parler de l’ordre des familles
est un choix judicieux et conforme à la doctrine et la
jurisprudence. S’agissant de l’âge, la situation actuelle
du système judiciaire belge révèle une particularité dif
ficilement justifiable en droit quant à l’âge en dessous
duquel un mineur n’est pas capable de donner son
consentement à des actes à caractère sexuel: si un
mineur a moins de 16 ans et que l’acte est consenti, il
s’agit d’un attentat à la pudeur, mais il s’agit d’un viol
s’il a moins de 14 ans.
Selon M. Bastyns, le problème est d’ordre termino
logique: on qualifie d’attentat à la pudeur un acte de
pénétration, qui est pourtant l’élément essentiel de la
définition du viol. La proposition du projet loi de fixer
une seule limite d’âge déterminée a donc tout son sens.
Le gouvernement tend cependant vers une approche
plus répressive: à première vue, il considère dorénavant
l’acte sexuel commis avec pénétration sur un mineur ou
à l’aide d’un mineur de moins de seize ans accomplis
comme un viol dès lors que le mineur de moins de seize
ans ne peut consentir librement et qu’il s’agit d’une
présomption irréfragable.
L’intervenant ajoute toutefois que le Conseil d’État
se demande si le législateur a pris en considération
l’ensemble des éléments pertinents pour le choix de
la limite fixée à 16 ans. Le Conseil d’État souhaiterait
obtenir une justification de cette décision. L’évolution
sociale et la recherche scientifique semblent montrer
que, de nos jours et dans la plupart des cas, les mineurs
223
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar thans veelal bewust
handelen en hun seksuele grenzen kunnen aangeven.
Hoewel de keuze van de leeftijd waaraan dit vermoe
den van niet-toestemming is verbonden dus veeleer
een maatschappelijke dan een juridische keuze uit
drukt, vestigt de heer Bastyns er de aandacht op dat
moet worden onderzocht wat de mogelijke praktische
gevolgen zijn en wijst hij erop dat de in overweging te
nemen situaties betrekkingen tussen een minderjarige
en een meerderjarige, alsook betrekkingen tussen twee
minderjarigen kunnen omvatten. Gelet op artikel 6 van
het voorontwerp van wet zou een meerderjarige die
met toestemming een seksuele relatie met penetratie
heeft met een minderjarige jonger dan zestien jaar, zich
schuldig maken aan verkrachting. Hetzelfde zou gelden
voor een minderjarige in een dergelijke relatie met een
andere minderjarige.
Juridisch zou het openbaar ministerie de minderjarige
via seponering van rechtsvervolging kunnen ontslaan.
Mocht de zaak evenwel voor de rechtbank komen, indien
niet tot seponering wordt beslist of bij burgerlijke par
tijstelling, dan kan de rechter niet anders dan de dader
schuldig verklaren aan verkrachting. De Raad van State
heeft er heel terecht op gewezen dat artikel 18 van het
Verdrag van 25 oktober 2007 van de Raad van Europa
inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele
uitbuiting en seksueel misbruik de verplichting oplegt om
in effectieve bescherming te voorzien tegen seksueel
misbruik bij minderjarigen. De Raad wijst evenwel op
de niet-toepassing van het artikel indien het gaat om
vrijwillige seksuele handelingen tussen minderjarigen.
Zou het niet objectiever zijn te stellen dat minderjarigen
niet uit vrije wil kunnen instemmen indien de partner
meerderjarig is? Is dat vermoeden van niet-toestemming
voorts nodig daar de wet ertoe strekt minderjarigen te
beschermen tegen een relatie die met toestemming lijkt
plaats te vinden, maar die in werkelijkheid kan worden
beschouwd als aangezet, uitgelokt, geleid of gecontro
leerd? Bovendien bepaalt artikel 417/6, § 3, 2°, reeds
dat een minderjarige nooit wordt geacht uit vrije wil
zijn toestemming te kunnen geven indien de handeling
mogelijk wordt gemaakt doordat de dader gebruik heeft
gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, van
gezag of van invloed ten aanzien van de minderjarige.
Voorts stelt de spreker voor om manipulatie als mogelijke
beweegreden op te nemen.
Zonder de toestemming te definiëren verduidelijkt
artikel 5 van het wetsontwerp dat deze uit vrije wil moet
zijn gegeven, dat dit wordt beoordeeld in het licht van
de omstandigheden van de zaak, dat de toestemming
niet kan worden afgeleid uit de loutere ontstentenis van
qui se situent dans la tranche d’âge de quatorze à seize
ans agissent de manière consciente et peuvent indiquer
leurs limites sexuelles.
Si le choix de l’âge auquel est rattachée cette pré
somption de non-consentement exprime un choix sociétal
plus que juridique, M. Bastyns attire toutefois l’attention
sur l’importance d’examiner les possibles répercus
sions sur le plan pratique et rappelle que les situations
à envisager peuvent concerner des relations entre un
mineur et un majeur, ainsi que des relations entre deux
mineurs d’âge. Au vu de l’article 6 de l’avant-projet de
loi, une personne majeure qui entretiendrait une relation
sexuelle consentie avec pénétration avec un mineur de
moins de seize ans serait coupable de viol. Il en serait
de même pour un mineur entretenant une telle relation
avec un autre mineur.
Sur le plan juridique, le mineur pourrait bénéficier
d’un classement sans suite du ministère public. En
revanche, si un tribunal devait être saisi, en l’absence
d’un tel classement ou à la suite d’une constitution de
partie civile, il ne pourrait que déclarer l’auteur coupable
de viol. Le Conseil d’État a très justement rappelé que
si l’article 18 de la Convention du 25 octobre 2007 du
Conseil de l’Europe sur la protection des enfants contre
l’exploitation et les abus sexuels impose l’obligation de
prévoir une protection effective contre les abus sexuels à
l’égard de mineurs, il ne doit toutefois pas être appliqué
lorsqu’il s’agit d’actes à caractère sexuel volontaires
entre mineurs.
Ne serait-il pas plus objectif de considérer que les
mineurs ne peuvent pas consentir librement si le par
tenaire est une personne majeure? Par ailleurs, cette
présomption de non-consentement est-elle nécessaire
dès lors que le but de la loi est de protéger les mineurs
contre une relation apparaissant consentie, mais pou
vant, en réalité, être considérée comme incitée, induite,
dirigée ou contrôlée et que l’article 417/6, § 3, 2°, prévoit
déjà qu’un mineur n’est jamais réputé avoir la possibi
lité d’exprimer librement son consentement si l’acte a
été rendu possible en raison, dans le chef de l’auteur,
d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou
d’influence sur le mineur? Il est à noter que l’orateur
propose également d’inclure la manipulation dans les
causes possibles.
Sans définir le consentement, l’article 5 du projet de
loi précise qu’il doit avoir été donné librement, qu’il est
apprécié au regard des circonstances de l’affaire, qu’il
ne peut être déduit de la simple absence de résistance
de la victime et qu’il peut être retiré à tout moment avant
2141/006
DOC 55
224
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verweer van het slachtoffer en dat de toestemming kan
worden ingetrokken op elk ogenblik voor of tijdens de
seksuele handeling. Met andere woorden, de dader
kan in geen geval de toestemming veronderstellen. Die
opsomming neemt genoegen met de overname van een
sinds jaren vaststaande rechtspraak. Het lijkt inderdaad
belangrijk om die toestemming te benadrukken, maar
zoals terecht in de memorie van toelichting wordt gesteld
mag dit niet leiden tot een volledige omkering van de
bewijslast in die zin dat de voorafgaande toestemming
vooraf schriftelijk moet worden verkregen.
De rechtbanken krijgen zelden te maken met zaken
waar iemand die manifest schuldig is aan verkrachting
moet worden vrijgesproken vanwege een juridische
leemte met betrekking tot het begrip “toestemming”.
Het probleem heeft dus veeleer te maken met de be
wijslast dan met de wettelijke definitie. Het is dus uiterst
belangrijk dat de rechter aangaande dat begrip een
beoordelingsbevoegdheid behoudt.
Met betrekking tot die toestemming behandelt het
tweede lid de aspecten die een afwezigheid van toe
stemming impliceren en beoogt het ook elke “andere
strafbare gedraging”. Het derde lid bevat een lange
lijst, waardoor de uitingen van de afwezigheid van toe
stemming een begrensd karakter lijken te hebben.
De heer Bastyns raadt aan het derde lid achterwege te
laten en het tweede lid aan te vullen met de woorden
“of die mogelijk werd gemaakt door een lichamelijk of
mentaal gebrek dat de vrije wil aantast.”.
De verkrachting wordt in artikel 12 van het wetsont
werp gedefinieerd als “elke gestelde daad die bestaat
of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke
aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon
of met behulp van een persoon die daar niet in toe
stemt.”. Verkrachting is het zwaarste seksueel misdrijf.
De spreker vraagt waarom bij de opsomming van de
misdrijven de verkrachting pas wordt genoemd na de
misdrijven tegen de seksuele integriteit, voyeurisme,
de niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte
beelden en opnames. Hij wijst ook nadrukkelijk op een
wijziging: voortaan zullen een man die een minderjarige
een fellatio toedient of een vrouw die zich door een
minderjarige laat penetreren schuldig worden bevonden
aan verkrachting en niet langer aan aanranding van de
eerbaarheid.
Het begrip verkrachting is aan verandering onder
hevig. De seksuele penetratie stemt overeen met wat
doorgaans wordt verstaan onder seksuele activiteit. De
spreker merkt op dat dat begrip ook afhangt van de be
oordeling van de rechter, die rekening zal houden met de
veranderende normen rond seksueel gedrag. Hij voegt
ou pendant l’acte à caractère sexuel. En d’autres termes,
l’auteur ne peut en aucun cas présumer le consente
ment. Cette énumération se contente de reprendre une
jurisprudence constante depuis des années. S’il apparaît
important d’insister sur la notion de consentement, il ne
faut pas que celui-ci aboutisse, comme relevé très juste
ment dans l’exposé des motifs, à un renversement de la
charge de la preuve et à la nécessité de faire consigner
le consentement par écrit avant toute relation sexuelle.
Les tribunaux sont rarement confrontés à des cas où
ils se voient obligés d’acquitter une personne manifes
tement coupable de viol en raison d’un vide juridique
au niveau de la notion de consentement. Le problème
se situe donc davantage au niveau de la preuve que de
la définition légale. L’importance de laisser un pouvoir
d’appréciation au juge quant à cette notion de consen
tement prend ici tout son sens.
S’agissant du consentement, l’alinéa 2 reprend les
éléments impliquant une absence de consentement et
vise aussi “tout autre comportement punissable”. Quant
à l’alinéa 3, il comporte une longue liste, qui semble
conférer un caractère limitatif aux manifestations de
l’absence de consentement. M. Bastyns recommande de
ne pas conserver l’alinéa 3 et de compléter l’alinéa 2 par
la mention “ou qui a été rendu possible en raison d’une
déficience physique ou mentale altérant le libre arbitre”.
En ce qui concerne le viol, l’article 12 du projet de loi
définit le viol comme “tout acte qui consiste en ou se
compose d’une pénétration sexuelle de quelque nature et
par quelque moyen que ce soit, commis sur une personne
ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas”. Le
viol est l’infraction sexuelle la plus grave. L’intervenant se
demande pourquoi, dans l’énumération des infractions,
le viol figure après les infractions d’atteinte à l’intégrité
sexuelle, de voyeurisme, de diffusion non consensuelle
d’images et d’enregistrements à caractère sexuel. Il sou
ligne également une modification: à présent, un homme
prodiguant une fellation à un mineur ou une femme se
faisant pénétrer par un mineur sera coupable de viol et
non plus d’attentat à la pudeur.
Le viol est une notion évolutive. Quant à l’acte de
pénétration sexuelle, il correspond à ce que l’on entend
généralement par activité sexuelle. L’intervenant note
que cette notion dépend aussi de l’appréciation du juge,
qui prendra en considération l’évolution des normes
en matière de comportement sexuel. À cet égard, il
225
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
er in dat verband aan toe dat het van wezenlijk belang
is dat de rechter over een beoordelingsbevoegdheid
kan beschikken aangaande een begrip dat van nature
veranderlijk is.
In die zin is de controverse rond de “opgedrongen
tongkus” in de aanloop naar de wet van 18 juli 1989 ver
helderend. Ook in het huidige wetsontwerp en de memorie
van toelichting wordt de opgedrongen tongkus nog steeds
niet als een verkrachting beschouwd. De deskundige
vindt echter dat een gedwongen tongkus neerkomt op
een penetratie van een orgaan dat als ontvanger van
een seksuele daad kan dienen en dat die tongkus door
de persoon die hem ondergaat als een verkrachting kan
worden beschouwd.
Aangaande de mogelijke straffen voor een seksueel
misdrijf is de heer Bastyns van oordeel dat de artike
len 87, 88 en 89 van het wetsontwerp een stap in de
goede richting vormen; ze bieden de mogelijkheid een
werkstraf, een autonome probatiestraf of een straf onder
elektronisch toezicht op te leggen. Vroeger waren er
enkele onsamenhangendheden: er kon meer bepaald
een werkstraf worden opgelegd voor een misdrijf van
aanranding van de eerbaarheid ten aanzien van een
minderjarige (zonder verzwarende omstandigheden),
maar niet voor openbare zedenschennis ten aanzien
van een minderjarige.
De deskundige staat ook achter de in artikel 106 be
oogde wijziging, waardoor een rechter een uitstel zou
kunnen toekennen zelfs indien de betrokkene eerder
werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan
drie jaar. Die wijziging zou de rechter meer beweegruimte
bieden. De heer Bastyns beveelt tevens aan te voorzien
in de mogelijkheid uitstel toe te kennen voor straffen van
meer dan vijf jaar.
Artikel 20 van het wetsontwerp strekt tot invoeging
van het misdrijf van incest, dat thans wordt bestraft als
verzwarende omstandigheid. Doorgaans wordt de term
“incest” begrepen als de aanwezigheid van betrekkingen
tussen verwanten in rechte lijn of in zijlijn, ongeacht of
die meerderjarig of minderjarig zijn; hier heeft de wet
gever er evenwel voor gekozen incest slechts juridisch
te definiëren als seksuele handelingen die worden
gepleegd op een minderjarige, met uitzondering van
elk meerderjarig slachtoffer. Volgens de heer Bastyns
leidt dit tot verwarring en dreigt dit het criterium van de
voorspelbaarheid in het strafrecht op losse schroeven
te zetten. Voorts is het zo dat de woorden “ieder ander
persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin
van voornoemde personen” ook betrekking hebben op
de kinderen van de plusvader of de plusmoeder, zoals
aangegeven in de memorie van toelichting. Hoe zit het
dan echter met de toekomst van een relatie die een
ajoute qu’il est essentiel de laisser au juge un pouvoir
d’appréciation quant à une notion par nature évolutive.
En ce sens, la controverse du “baiser colombin”,
qui existait déjà lors des travaux préparatoires de la loi
du 18 juillet 1989, est révélatrice. Aujourd’hui encore,
le projet de loi et l’exposé des motifs indiquent que le
baiser colombin n’est pas un viol. Pour sa part, l’expert
estime qu’un baiser lingual forcé constitue un acte de
pénétration d’un organe pouvant servir de réceptacle
à un acte sexuel et qu’il peut être considéré comme un
viol par la personne qui le subit.
Quant aux peines possibles en cas d’infraction à
caractère sexuel, M. Bastyns estime que les articles 87,
88 et 89 du projet de loi constituent une avancée positive,
car ils permettent la détermination d’une peine de travail,
d’une peine de probation autonome ou d’une peine de
surveillance électronique. Auparavant, il y avait quelques
incohérences, notamment le fait qu’une peine de travail
puisse être accordée pour une infraction d’attentat à la
pudeur commis sur mineur (sans circonstances aggra
vantes), mais pas pour un outrage public aux bonnes
mœurs commis sur un mineur.
L’expert approuve également la modification prévue par
l’article 106 permettant au juge d’accorder une mesure
de sursis même en cas d’antécédent consistant en un
emprisonnement de plus de trois ans. Cette modification
laisse une plus grande marge de manœuvre au juge.
M. Bastyns conseille également de prévoir la possibi
lité d’accorder le sursis pour les peines supérieures à
cinq ans.
L’article 20 du projet de loi introduit l’infraction d’in
ceste, qui est aujourd’hui sanctionnée en tant que cir
constance aggravante. Si l’acception commune de ce
terme comprend l’existence de relations entre parents
en ligne directe ou collatérale, qu’ils soient majeurs
ou mineurs, le législateur a choisi de ne définir juridi
quement l’inceste que comme des actes à caractère
sexuel commis sur un mineur, à l’exception de toute
victime majeure. M. Bastyns estime que cela prête à
confusion et que cela risque de mettre à mal le critère
de prévisibilité du droit pénal. Par ailleurs, si les termes
“toute autre personne occupant une position similaire
au sein de la famille des personnes précitées” incluent
les enfants du beau-père ou de la belle-mère, comme
indiqué dans l’exposé des motifs, qu’en est-il de l’avenir
de la relation qu’un mineur entretiendrait avec un autre
mineur et dont les parents, apprenant à se connaître
par le biais de leurs enfants, décident d’entamer une
2141/006
DOC 55
226
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
minderjarige aangaat met een andere minderjarige van
wie de ouders, die elkaar via de kinderen hebben leren
kennen, beslissen om een affectieve en seksuele relatie
aan te gaan? Zou die minderjarige dan kunnen worden
vervolgd voor incest? De deskundige bekritiseert die
bepaling, door te benadrukken dat tussen voormelde
partners geen enkele bloedverwantschap bestaat.
Artikel 26 van het wetsontwerp bevat het begrip “ver
zwarende factoren”. Volgens de Raad van State is
de strekking van die bepaling onvoldoende duidelijk.
Bovendien vindt de deskundige die bepaling niet zinvol,
aangezien het begrip “verzwarende omstandigheden” al
bestaat. Thans is het zo dat wanneer een rechter over
een hem voorgelegd misdrijf moet oordelen (waarbij hij
eventueel ook verzwarende omstandigheden in aanmer
king neemt), hij een bepaalde straf met een minimale en
een maximale strafmaat kan opleggen. Om de effectieve
straf te bepalen moet hij de “persoonlijkheidsaspecten”
in overweging nemen.
De deskundige leidt uit de bepaling af dat de rechter
eerst zal moeten nagaan of er sprake is van verzwarende
factoren. Indien zulks het geval is, zal hij daarmee rekening
moeten houden bij het vastleggen van de straf. Zodra de
rechter een verzwarende factor in aanmerking neemt,
zal hij de minimumstraf niet langer kunnen uitspreken;
hij zal met die factor immers rekening moeten houden
om de strafmaat te bepalen. Teneinde het soevereine
oordeel van de rechter met betrekking tot de keuze van
de straf te vrijwaren, stelt de heer Bastyns de volgende
formulering voor: “Bij het maken van de keuze van de
straf of maatregel en de zwaarte ervan voor feiten die
niet-consensuele seksuele handelingen uitmaken, houdt
de rechter rekening met de persoonlijkheidsaspecten
van de beklaagde en met de door hem relevant geachte
omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, waarbij hij
tegelijk bijzondere aandacht kan schenken aan de vol
gende aspecten: …”. De deskundige beveelt aan deze
zin te laten volgen door de lijst die in het wetsontwerp
is opgenomen.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft uit het betoog
van professor Liesbet Stevens in een eerdere hoorzit
ting gehoord dat zogenaamde dickpics volgens de
voorliggende tekst niet strafbaar zouden zijn, en dat dat
best zou worden aangepast. Het lid vraagt hierover de
mening van de sprekers.
Het lid heeft voor de sprekers ook een vraag betref
fende de seksuele meerderjarigheid. Zij stelt daarbij
dat er een verschil is tussen het uitvoeren van fysieke
relation affective et sexuelle? Le mineur pourrait-il être
poursuivi pour inceste? Soulignant l’absence de tout lien
de sang entre les deux partenaires susvisés, l’expert
critique cette disposition.
L’article 26 du projet de loi prévoit la notion de “facteurs
aggravants”. Le Conseil d’État estime que la portée de
cette disposition manque de clarté. En outre, l’expert ne
la trouve pas utile, puisque la notion de circonstances
aggravantes existe déjà. Actuellement, lorsqu’il a déter
miné l’infraction qui lui est soumise (éventuellement après
application de circonstances aggravantes), le juge se
trouve face à une peine comprenant un minimum et un
maximum. Il lui revient alors de prendre en considération
les “éléments de personnalité” pour déterminer la peine
effective à infliger.
À la lecture de la disposition, l’expert estime que le juge
devra d’abord vérifier s’il existe des facteurs aggravants.
Si c’est le cas, il devra en tenir compte dans l’appréciation
de la peine qu’il déterminera. Dès lors qu’il aura retenu
un facteur aggravant, le juge ne pourra pas condamner
au minimum de la peine puisqu’il sera obligé de tenir
compte de ce facteur dans la sévérité de la peine. Pour
conserver l’appréciation souveraine du juge quant au
choix de la peine, M. Bastyns propose la formulation
suivante: “Lors du choix de la peine ou de la mesure
et de la sévérité de celle-ci, pour des faits constitutifs
d’actes à caractère sexuel, le juge tient compte des
éléments de personnalité propres au prévenu et des
circonstances propres à la cause qu’il estime pertinent,
tout en pouvant accorder une attention particulière aux
éléments suivants: …”. Il conseille de reprendre, à la
suite de cette phrase, la liste figurant dans le projet de loi.
3. Échange de vues
a. Questions et observations des membres
Mme Sophie De Wit (N-VA) a retenu de l’intervention
de la professeure Liesbet Stevens lors d’une audition
précédente que les “dickpics” ne seraient pas punis
sables selon le texte à l’examen, et qu’il serait préférable
de modifier ce point. La membre demande l’avis des
orateurs sur cette question.
La membre souhaite également interroger les orateurs
à propos de la majorité sexuelle. Elle précise qu’il y a
une différence entre la pratique d’activités physiques et
227
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
activiteiten en het experimenteren met sexting dat bij
jongere kinderen al kan voorkomen. Ze is er zich van
bewust dat ook sexting reële risico’s inhoudt, maar dat
de impact toch niet helemaal dezelfde is als de fysieke
activiteit. Ze wil graag weten of de sprekers vinden dat
een verschillende leeftijdsgrens voor handelingen vanop
afstand en fysieke handelingen wenselijk is.
De heer Ben Segers (Vooruit) heeft enkele concrete
vragen voor professor Van de Heyning. Hij wil graag
weten of er voldoende aandacht is in het wetsontwerp
voor kwetsbare personen andere dan minderjarigen.
Een tweede vraag gaat over het leeftijdsverschil voor
seksuele meerderjarigheid. Hij wil graag vernemen hoe
professor Van de Heyning de praktische impact ziet
van deze invoering op mogelijk misnoegde ouders en
misnoegde ex-partners.
Het lid komt terug op de decriminalisering van seks
werk en verwijst daarbij naar het pleidooi van professor
Van de Heyning om flankerende maatregelen in te voeren
vooraleer de decriminalisering van prostitutie te stem
men. Hij wil van haar graag weten welke maatregelen
ze daarbij vooral bedoelt.
Mevrouw Katleen Bury (VB) wil de experten ook graag
twee aspecten voorleggen uit het eerdere betoog van
professor Liesbet Stevens die signaleerde dat dickpics
niet strafwaardig zijn in het ter bespreking voorliggende
wetsontwerp. Spreekster vraagt zich af hoe dit dan straf
baar kan worden gesteld. Kan het worden bekeken vanuit
het standpunt van de dader, dus als exhibitionisme, of
via de digitale dienstverleners? In dat laatste geval zal
dit wel tot een zeer grote werklast leiden bij de recht
banken. Ze vraagt zich af of niet eerder de kwalificatie
“belaging” kan worden gebruikt.
Een tweede vraag gaat over de seksuele meer
derjarigheid, meer bepaald de uitzondering voor 14-
en 15-jarigen. Professor Liesbet Stevens wou graag de
discussie openen over de verhoging van het toegestane
leeftijdsverschil van 2 jaar waarbij ze ervoor pleitte om
dit te laten afhangen van het gezond verstand van de
magistraten. Mevrouw Bury wil van de genodigden graag
weten of zij weet hebben van de bestaande regeling in
de buurlanden of studies hierover.
Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) vertolkt een
bekommernis van de vrouwenbeweging. Ze verwijst naar
de kwestie van de te hoge bewijslast van de kant van het
slachtoffer, meer bepaald in geval van seksueel geweld
l’expérimentation du sexting, qui peut déjà s’observer
chez de jeunes enfants. Elle est consciente que le sexting
présente également des risques réels, mais que l’impact
n’est pas tout à fait le même que celui de l’activité phy
sique. Elle aimerait savoir si les orateurs pensent qu’il
est souhaitable de prévoir des limites d’âge différentes
pour les actes à distance et pour les actes physiques.
M. Ben Segers (Vooruit) pose plusieurs questions
concrètes à la professeure Van de Heyning. Il lui demande
si le projet de loi à l’examen accorde une attention
suffisante aux personnes vulnérables autres que les
mineurs d’âge.
Une deuxième question concerne la différence d’âge
en matière de majorité sexuelle. Il souhaiterait savoir
comment la professeure Van de Heyning envisage les
conséquences pratiques de l’instauration de cette règle
pour les parents et les ex-partenaires potentiellement
mécontents.
Le membre revient sur la décriminalisation du travail
du sexe et renvoie à cet égard à l’appel de la profes
seure Van de Heyning pour l’instauration de mesures
d’accompagnement avant le vote de la décriminalisation
de la prostitution. Il lui demande quelles sont les mesures
principales qu’elle envisage à cet égard.
Mme Katleen Bury (VB) souhaiterait également pré
senter aux experts deux aspects de l’exposé fait précé
demment par la professeure Liesbet Stevens, qui a fait
observer que l’envoi de dickpics ne constitue pas une
infraction punissable dans le projet de loi à l’examen.
L’intervenante se demande comment cette pratique
pourrait alors être incriminée. Pourrait-on l’envisager
du point de vue de l’auteur, et donc comme de l’exhi
bitionnisme, ou via les fournisseurs de services numé
riques? Dans ce dernier cas, cela entraînera toutefois
une charge de travail très lourde pour les tribunaux.
Elle se demande s’il ne serait pas préférable d’utiliser
le terme de “harcèlement”.
Une deuxième question concerne la majorité sexuelle,
plus précisément l’exception prévue pour les jeunes
de quatorze et de quinze ans. La professeure Liesbet
Stevens aurait souhaité ouvrir le débat sur l’augmenta
tion de la différence d’âge autorisée de deux ans, tout
en plaidant pour que cette question soit laissée au bon
sens des magistrats. Mme Bury demande aux invités
s’ils ont connaissance de l’existence, à l’étranger, de
réglementations ou d’études à ce sujet.
Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) exprime une
préoccupation du mouvement féministe en renvoyant
à la question de la charge de la preuve trop élevée qui
incombera aux victimes, plus particulièrement en cas
2141/006
DOC 55
228
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
door daders in een machtspositie en pooierschap. Ze
wil graag van de genodigden vernemen of zij dezelfde
mening zijn toegedaan.
Een tweede vraag betreft de mogelijkheid van het
invoeren van de notie “seksueel geweld door nalatig
heid” en “seksuele zorgvuldigheid”. Kan dit een antwoord
bieden op de te hoge bewijslast van de kant van het
slachtoffer? Zijn er eventueel andere mogelijkheden
om deze bewijslast te verminderen?
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) verwijst
naar een artikel uit de Juristenkrant van de hand van
de heer Jogchum Vrielinck en mevrouw Sofie Royer
over extreem pornografische en gewelddadige bood
schappen. Ze heeft begrepen dat de sprekers in de
hoorzitting dezelfde mening zijn toegedaan en dat dit
geen in het strafrecht op te nemen kwestie moet zijn.
Ze wil graag van de genodigden verduidelijking of dat
inderdaad hun mening is.
Het lid herneemt ook de vraag van mevrouw
Vindevoghel betreffende de bewijslast en de mogelijk
heid die bewijslast te verminderen door een notie “sek
sueel geweld door nalatigheid’ in het leven te roepen,
naar het voorbeeld van de wetgeving in Zweden, waarbij
de nalatigheid dan slaat op het niet voldoende ernstig
nemen van klachten. Hierdoor zou het aantal aangiften
kunnen toenemen. Mevrouw Hugon wil graag van de
genodigden vernemen wat hun mening daarover is.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt vast dat er een
evolutie bezig is van relatieve verzwaring van de straffen
voor zedendelicten. Ze wijst erop dat het verzwaren van
straffen een makkelijke politieke beslissing is die door
een bepaald deel van de bevolking wordt geapprecieerd.
In dit wetsontwerp zijn echter geen bijkomende maat
regelen opgenomen zoals medische, psychische en
psychiatrische begeleiding, en ze wil graag de mening
van de heer Bastyns daarover vernemen.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) verwijst naar de
oproep van mevrouw Wattier om een invulling te geven
aan het begrip “openbare zedenschennis”, wat enkel in
het wetsontwerp is blijven staan binnen de context van
revenge porn en exhibitionisme. Ze vraagt zich af of
door het wegvallen van deze kwalificatie het risico niet
bestaat dat er geen bescherming kan worden aangeboden
aan individuen die zich blootgeven, bijvoorbeeld in de
context van een studentendoop, wanneer niet duidelijk
is in welke mate de dwang een rol speelt.
Het lid wenst ook graag te vernemen of het niet zinvol
is om de verplichting in te voeren voor het gemotiveerd
advies dat kan ingewonnen worden bij diensten gespe
cialiseerd in begeleiding of behandeling van seksuele
d’actes de violence sexuelle commis par des individus
en position de pouvoir et en cas de proxénétisme. Elle
demande aux invités s’ils partagent la même opinion.
Une deuxième question concerne la possibilité d’intro
duire la notion de “violence sexuelle par négligence” et
de “précaution sexuelle”. Ces notions pourraient-elles
apporter une réponse à la charge de la preuve trop
élevée incombant aux victimes? Existerait-il d’autres
possibilités pour réduire cette charge de la preuve?
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) renvoie à un article
de la revue de Juristenkrant rédigé par M. Jogchum
Vrielinck et Mme Sofie Royer au sujet des images à
caractère extrêmement pornographique ou violent. Elle
a compris que les orateurs auditionnés partagent la
même opinion et que cet aspect ne devrait pas relever
du droit pénal. L’intervenante demande aux invités de
préciser si tel est effectivement leur opinion.
La membre reprend aussi la question de
Mme Vindevoghel concernant la charge de la preuve
et la possibilité de réduire cette charge en instaurant,
comme dans la législation suédoise, la notion de “vio
lences sexuelles par négligence”, la négligence portant
alors sur le fait de ne pas avoir pris des plaintes suf
fisamment au sérieux. Cette incrimination permettrait
d’augmenter le nombre de dénonciations. Mme Hugon
souhaiterait connaître l’opinion des invités à cet égard.
Mme Vanessa Matz (cdH) constate une évolution
en faveur d’un durcissement relatif des peines pour
les délits de mœurs. Elle indique que le durcissement
des peines constitue une décision politique aisée qui
est appréciée par une certaine frange de la population.
Toutefois, le projet de loi à l’examen ne prévoit aucune
mesure complémentaire, comme un accompagnement
médical, psychologique et psychiatrique, et l’intervenante
souhaiterait connaître l’opinion de M. Bastyns à ce propos.
Mme Sophie Rohonyi (DéFi) renvoie à l’appel de
Mme Wattier visant à préciser la notion d’“outrage public
aux bonnes mœurs”, qui, dans le projet de loi à l’examen,
reste limitée au contexte du revenge porn et de l’exhibi
tionnisme. L’intervenante se demande si la suppression
de cette qualification ne risque pas de ne plus permettre
de protéger des personnes qui affichent leur nudité, par
exemple dans le cadre d’un baptême estudiantin, dans
les situations où l’on ignore la mesure dans laquelle la
contrainte a joué un rôle.
La membre demande aussi s’il ne serait pas judicieux
de prévoir une obligation de demander l’avis motivé des
services spécialisés dans la guidance ou le traitement
des délinquants sexuels plutôt que de prévoir, comme
229
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
delinquenten in plaats van enkel de voorliggende mo
gelijkheid tot het inwinnen van advies.
b. Antwoorden van de genodigden en replieken
Mevrouw Isabelle Wattier waarschuwt ervoor het
aantal kwalificaties niet te doen toenemen. Fenomenen
als dickpics en sextortion worden reeds afgedekt in
bestaande wetgeving. Ze pleit ervoor om te vertrekken
vanuit één ankerpunt, met name het beschermen van
de seksuele integriteit, en van daaruit vertakkingen te
maken naar voorkomende concrete fenomenen.
In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi be
treffende de kwalificatie openbare zedenschennis ver
duidelijkt professor Wattier dat de verschillende artikels
over openbare zedenschennis tot doel hadden de mo
rele en mentale integriteit te bewaren en dat het in de
huidige context meer over de fysieke integriteit gaat.
Artikel 385 van het Strafwetboek dat exhibitionisme
afdekt is daardoor wel overeind gebleven.
Betreffende de problematiek van studentendopen
benadrukt professor Wattier dat dit gaat om verleende
toestemming. Die problematiek moet door middel van
opvoeding en sensibilisering worden opgelost en niet in
het strafrecht, want anders wordt iedereen verantwoor
delijk gemaakt voor het gedrag van enkele individuen,
wat niet houdbaar is.
Mevrouw Catherine Van de Heyning beantwoordt eerst
de vragen over de al dan niet strafbaarheid van het sturen
van dickpics. Dit valt niet altijd onder “belaging”. Hoewel
het buiten het bestek van het ter bespreking voorliggende
wetsontwerp valt, kan de wet van 13 juni 2005 betreffende
elektronische communicatie hier wel worden toegepast
om een dickpic strafbaar te stellen.
Verwijzend naar de vraag van mevrouw De Wit be
treffende de leeftijdsgrenzen voor sexting antwoordt
professor Van de Heyning dat er in het wetsontwerp een
bewust onderscheid wordt gemaakt tussen de seksuele
activiteit enerzijds (16, of 14 jaar indien er maximum 2 jaar
verschil is tussen de partners) en anderzijds alles wat
met de niet-consensuele verspreiding van beelden te
maken heeft (18 jaar). Ze pleit ervoor dit zo te behouden,
met uitzondering van consensuele sexting binnen een
relatie, omdat er anders problemen dreigen te ontstaan
in de bestrijding van kinderpornografisch materiaal.
Wanneer het dan gaat om consensuele sexting bin
nen een relatie kan dan eventueel wel de leeftijd worden
verlaagd. De spreekster verdedigt de bestaande leeftijds
grens van 14 jaar binnen de minderjarigheid als redelijk.
Ze wijst erop dat sexting op jongere leeftijd binnen een
consensuele relatie valt binnen het jeugddelinquentierecht
c’est le cas dans le projet de loi à l’examen, la possibilité
de le demander.
b. Réponses des orateurs invités et répliques
Mme Isabelle Wattier met en garde contre l’augmenta
tion du nombre de qualifications. La législation existante
inclut déjà les phénomènes tels que les dickpics et la
sextortion. Elle prône de se fixer un objectif, la protection
de l’intégrité sexuelle, et d’y rattacher les phénomènes
concrets qui surviennent.
La professeure Wattier répond à la question de
Mme Rohonyi concernant la qualification d’outrages
publics aux bonnes mœurs en précisant que les diffé
rents articles y afférents visaient à préserver l’intégrité
morale et mentale et qu’il s’agit davantage de l’intégrité
physique dans le contexte actuel. L’article 385 du Code
pénal portant sur l’exhibitionnisme a dès lors bien été
maintenu.
S’agissant de la problématique des baptêmes estudian
tins, la professeure Wattier souligne qu’il s’agit d’activités
consenties. Il faut remédier à cette problématique par le
biais de l’éducation et de la sensibilisation et non dans le
droit pénal, sinon tout le monde sera tenu responsable
du comportement de quelques individus, ce qui n’est
pas défendable.
Mme Catherine Van de Heyning répond d’abord aux
questions concernant l’incrimination éventuelle de l’envoi
de dickpics, qui ne relève pas toujours du “harcèlement”.
Bien qu’elle ne relève pas du champ d’application du
projet de loi à l’examen, la loi du 13 juin 2005 relative aux
communications électroniques pourrait être appliquée
en l’espèce pour incriminer les dickpics.
Renvoyant à la question de Mme De Wit à propos
des limites d’âge applicables au sexting, la professeure
Van de Heyning répond qu’une distinction est délibé
rément établie, dans le projet de loi, entre l’activité
sexuelle (16 ans, ou 14 ans si la différence d’âge entre
les partenaires n’excède pas 2 ans), d’une part, et tout
ce qui a trait à la diffusion non consensuelle d’images
(18 ans), d’autre part. Elle préconise de conserver ces
limites d’âge, sauf pour le sexting consensuel au sein
d’une relation, sans quoi des problèmes risquent de se
poser dans la lutte contre le matériel pédopornographique.
En ce qui concerne le sexting consensuel dans le
cadre d’une relation, l’âge pourrait éventuellement bien
être abaissé. L’oratrice défend la limite d’âge actuelle
de 14 ans, chez les mineurs, et estime qu’elle est raison
nable. Elle signale que le sexting à un âge plus précoce
relève du droit en matière de délinquance juvénile et que
2141/006
DOC 55
230
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
en dat de consequenties dus ook anders zijn. Professor
Van de Heyning concludeert dat er zich dus niet meteen
een probleem stelt zoals mevrouw De Wit suggereerde
en juicht toe dat de aanpak van consensuele sexting bij
minderjarigen in het wetsontwerp is opgenomen.
Mevrouw Katleen Bury had een vraag in verband
met het leeftijdsverschil in seksuele meerderjarigheid
voor 14-jarigen. Professor Van de Heyning pleit ervoor om
dit oordeel zeker niet te laten afhangen van individuele
magistraten maar vraagt dat de wetgever dit eenduidig
zou bepalen. Ze wijst erop dat het gaat om onverjaarbare
misdrijven die iemand een leven lang met een stigma
kunnen opzadelen.
Professor Van de Heyning haalt voorbeelden uit het
buitenland aan en vangt dit probleem op door middel
van het concept “toestemming”, waarbij de context
van leeftijd en kwetsbaarheid wordt meegenomen, net
zoals in het ter bespreking voorliggende wetsontwerp.
Criminologisch onderzoek heeft aangetoond dat in
geval van groot leeftijdsverschil tussen de partners, de
jongste partner sneller tot seksuele activiteit overgaat
dan leeftijdsgenoten. Dit verschil wordt verwaarloosbaar
vanaf de leeftijd van 14 jaar en is statistisch onbestaande
vanaf de leeftijd van 16. En dat sluit aan bij de tekst van
het wetsontwerp. Spreekster wijst erop dat leeftijden in
de digitale context ook zeer moeilijk te verifiëren zijn.
In antwoord op de vraag van de heer Segers wijst pro
fessor Van de Heyning erop dat bij louter decriminalisering
van de prostitutie enkel nog bescherming wordt geboden
ten aanzien van wat in de strafwet is opgenomen. Enkel
minderjarigen zullen dan nog worden beschermd doch
niet de kwetsbare personen. De spreekster is van mening
dat zelfs in geval van decriminalisering er nog controle
moet kunnen gebeuren wanneer er sprake is van een
zakelijke samenwerking. Ze verwijst naar het voorbeeld
van Duitsland waar een aanmeldingsplicht geldt en een
regelmatige controle op fysiek, psychologisch en sociaal
welzijn verplicht is. En zelfs dan nog blijft er onvermijdelijk
een illegaal circuit actief. De professor spreekt zich niet
uit over de wenselijkheid van decriminalisering, maar
vindt wel dat de maatschappij zich moet buigen over wat
de consequenties en de neveneffecten kunnen zijn. De
omkadering is dus volgens haar zeker nodig.
Mevrouw Van de Heyning geeft aan dat ze zich gro
tendeels kan vinden in het artikel in de Juristenkrant van
de hand van de heer Vrielinck en mevrouw Royer over
extreem gewelddadige en pornografische boodschap
pen. De omschrijvingen zijn zo breed, vaag en open
geformuleerd dat de legaliteit van het strafrecht in het
gedrang komt.
les conséquences sont dès lors également différentes.
La professeure Van de Heyning conclut en indiquant que
cela ne pose donc pas vraiment de problème, contraire
ment à ce qu’a suggéré Mme De Wit, et se réjouit que
le traitement du sexting consensuel chez les mineurs
soit intégré dans le projet de loi.
En ce qui concerne la majorité sexuelle des jeunes
de 14 ans, Mme Katleen Bury pose une question à propos
de la différence d’âge. La professeure Van de Heyning
préconise que cette question ne soit absolument pas
laissée à l’appréciation des magistrats individuels mais
demande de légiférer clairement à cet égard. Elle souligne
qu’il s’agit d’infractions imprescriptibles susceptibles de
stigmatiser une personne à vie.
La professeure Van de Heyning évoque des exemples
venant de l’étranger et aborde ce problème à partir du
concept de “consentement”, qui inclut les éléments de
l’âge et de la vulnérabilité, comme dans le projet de loi
à l’examen. La recherche criminologique a montré que
lorsque la différence d’âge est grande entre les parte
naires, le plus jeunes des partenaires devient sexuel
lement actif plus rapidement que les personnes de son
âge. Cette différence devient négligeable à partir de
l’âge de 14 ans et elle est statistiquement inexistante à
partir de l’âge de 16 ans, ce qui rejoint le texte du projet
de loi. L’oratrice souligne qu’il est également très difficile
de vérifier les âges dans le contexte numérique.
En réponse à la question de M. Segers, la professeure
Van de Heyning souligne qu’en cas de décriminalisation
pure et simple de la prostitution, la protection se bornera
à ce que prévoit la loi pénale. Seuls les mineurs seront
encore protégés mais plus les personnes vulnérables.
L’intervenante estime que, même en cas de décriminali
sation, il faudra encore pouvoir procéder à des contrôles
s’il est question d’une collaboration professionnelle. Elle
renvoie à l’exemple de l’Allemagne, où une obligation de
déclaration est d’application et où un contrôle régulier
du bien-être physique, psychologique et social est obli
gatoire. Mais même là, un circuit illégal reste néanmoins
inévitablement actif. La professeure ne s’exprime pas
au sujet de l’opportunité de la décriminalisation, mais
estime que la société doit toutefois se pencher sur ses
conséquences et ses effets secondaires éventuels. Elle
estime que l’encadrement est dès lors certainement
nécessaire.
Mme Van de Heyning indique qu’elle est large
ment d’accord avec l’article du Juristenkrant écrit par
M. Vrielinck et Mme Royer à propos des messages
extrêmement violents et pornographiques. La formula
tion des définitions est tellement large, vague et ouverte
qu’elle menace la légalité du droit pénal.
231
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Met betrekking tot de straffen wil zij voorts benadrukken
dat met medische begeleiding seksuele delinquenten
zeer goed behandelbaar zijn met een zeer lage recidi
vegraad. De behandeling kan evenwel niet altijd worden
gegeven wegens het taboe en de bestraffingssfeer die
er rond hangt. Zij pleit dan ook voor meer behandeling
in plaats van zwaardere straffen.
Net als zijn collega’s wijst de heer Olivier Bastyns erop
dat het begrip “leeftijdsverschil” door de wetgever moet
worden bepaald. Volgens de memorie van toelichting
bij het wetsontwerp bestaat er een wetenschappelijke
consensus over het feit dat sommige jongeren vanaf de
leeftijd van 14 tot 16 jaar seksuele relaties hebben en
dat ze perfect weten wat ze doen. In de memorie van
toelichting vermeldt men vervolgens dat de leeftijd voor
de seksuele meerderjarigheid op 16 jaar ligt. De leeftijd
voor seksuele meerderjarigheid is geëvolueerd. In het
verleden bereikte men de seksuele meerderjarigheid
op 10 jaar, vervolgens op 14 jaar en nog later op 16 jaar,
waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen de aan
randing van de eerbaarheid en verkrachting. Vandaag
stelt men voor om de seksuele meerderjarigheid zonder
onderscheid op 16 jaar vast te leggen.
Via het begrip “seksuele meerderjarigheid” kan men
bepalen of er sprake is van feiten waarbij een meer
derjarige zich aan een minderjarige heeft vergrepen.
België heeft ervoor geopteerd om een leeftijd te bepalen
waaronder het niet mogelijk is toestemming te geven in
plaats van het te hebben over seksuele meerderjarig
heid. Bijgevolg praat men niet alleen over relaties tus
sen een minderjarige en een meerderjarige maar ook
over relaties tussen minderjarigen. Vandaag is het zo
dat de jeugdrechtbank bepaalde minderjarigen vervolgt
omdat ze toegestemde relaties met andere minderja
rigen hebben gehad. Over het algemeen hebben die
minderjarigen zich ook schuldig gemaakt aan andere
inbreuken, waaraan het seksuele misdrijf wordt toege
voegd. De zaak wordt verwezen en de rechter kan niet
anders dan oordelen dat de betrokken minderjarige zich
aan verkrachting schuldig heeft gemaakt. Het openbaar
ministerie kan het dossier seponeren, maar doet dat
niet altijd; in dat geval worden de toegestemde relaties
tussen minderjarigen soms ambtshalve als verkrachting
gekwalificeerd. De spreker denkt inzonderheid aan het
geval waarin een procureur des Konings zou beslissen
om het dossier niet te seponeren, of aan dat waarin er
een burgerlijke-partijstelling is.
De Raad van State is inzake leeftijd zeer duidelijk
geweest. Als er volgens het wetsontwerp een leeftijds
verschil van twee jaar moet zijn, vraagt de heer Bastyns
zicht af hoe de parlementsleden ten overstaan van de
Raad van State denken te kunnen rechtvaardigen dat een
En ce qui concerne les peines, elle tient en outre à
souligner qu’un accompagnement médical permet de
très bien traiter les délinquants sexuels et d’obtenir un
taux de récidive très faible. Le traitement ne peut toutefois
pas toujours être administré en raison du tabou et de
l’atmosphère de punition qui entourent cette matière.
Elle plaide donc pour davantage de traitement, au lieu
de peines plus lourdes.
Comme l’ont dit ses collègues, M. Olivier Bastyns
indique que la notion d’âge dépend du législateur. D’après
l’exposé des motifs du projet de loi, il existe un consen
sus scientifique sur le fait que, dès l’âge de 14-16 ans,
certains jeunes ont des relations sexuelles et savent
parfaitement ce qu’ils font. Dans l’exposé des motifs,
il est ensuite indiqué que l’âge de la majorité sexuelle
est fixé à 16 ans. Cette notion a connu une évolution.
Dans le passé, on l’atteignait à dix ans. Ensuite, elle
est passée à 14 ans avant d’être fixée à 16 ans, avec
une distinction relative à l’atteinte à la pudeur et au viol.
Aujourd’hui, il est proposé de fixer la majorité sexuelle
à 16 ans sans faire de distinction.
La majorité sexuelle permet de déterminer s’il est
question de faits commis par un majeur sur un mineur.
La Belgique a choisi de considérer qu’il faut parler d’un
âge en dessous duquel il n’est pas possible de consentir
et non de majorité sexuelle. De ce fait, on parle non seu
lement de relations entre un mineur et un majeur, mais
aussi de relations entre mineurs. Aujourd’hui, le tribunal
de la jeunesse poursuit certains mineurs parce qu’ils
ont eu des relations consenties avec d’autres mineurs.
Généralement, ces mineurs ont aussi commis d’autres
infractions auxquelles est jointe l’infraction sexuelle.
La cause est renvoyée et le juge n’a d’autre choix que
de dire que le mineur en question a commis un viol. Le
ministère public peut classer le dossier sans suite, mais
ce n’est pas toujours le cas et les relations consenties
entre mineurs sont parfois considérées d’office comme
des viols. L’orateur pense notamment au cas où un pro
cureur du Roi déciderait de ne pas classer le dossier
sans suite ou encore au cas de figure où une partie civile
déciderait de déposer une constitution de partie civile.
Le Conseil d’État a été très clair en ce qui concerne
l’âge. S’agissant de la notion des deux ans d’écart
prévue dans le projet de loi, M. Bastyns se demande
comment les députés comptent justifier au Conseil d’État
le fait qu’un mineur de 15 ans peut avoir des relations
2141/006
DOC 55
232
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
minderjarige van 15 jaar een seksuele relatie met een
andere minderjarig van 17 jaar mag hebben, maar dat
laatstgenoemde een verkrachter wordt wanneer hij 17 jaar
en 1 maand oud is. Volgens de spreker is zeggen dat een
minderjarige geen relatie met een meerderjarige mag
hebben, het enige objectieve onderscheid dat wettelijk
en redelijkerwijs kan worden gerechtvaardigd. Hij raadt
in dat verband aan om de term “manipulatie” aan het
artikel 417/6, § 3, 2°, toe te voegen. Dat artikel voorziet er
reeds in dat een minderjarige nooit wordt geacht over de
mogelijkheid te beschikken om zijn toestemming vrij uit
te drukken, indien de handeling mogelijk werd gemaakt
doordat de dader een erkende positie van vertrouwen,
gezag of invloed jegens de minderjarige inneemt.
Volgens de heer Bastyns zullen de begrippen “toestem
ming” en “bewijslast” altijd gevoelig liggen. De Hoge Raad
voor de Justitie heeft de mogelijkheid gesuggereerd om
de bewijslast om te keren; de spreker vindt dat verbijs
terend, want aan bepaalde principes van het strafrecht
kan volgens hem niet worden getornd. Verwijzend naar
de memorie van toelichting, brengt hij in herinnering
dat de vermeende verkrachter geen vermoeden kan
hebben van de toestemming van de persoon met wie
hij een relatie heeft. In zedenzaken moet de rechter
een specifiekere aanpak hanteren. Aangezien er zelden
getuigen of beelden voorhanden zijn, moet de rechter
op de verklaringen van het slachtoffer afgaan. Bij het
onderzoek van die verklaringen en inzonderheid wanneer
die coherent zijn, kan hij oordelen dat er geen enkele
reden is om de verklaringen van het slachtoffer in twijfel
te trekken, dat het slachtoffer geen enkele reden had om
de verdachte iets ten laste te leggen enzovoort.
De spreker beklemtoont vervolgens een element dat
in de tekst van het wetsontwerp is opgenomen en dat
al op het niveau van de rechtspraak bestond, name
lijk dat de toestemming niet noodzakelijk kan worden
afgeleid uit het feit dat het slachtoffer geen weerstand
heeft geboden. De bewijslast staat in dezen centraal
en kan niet worden geregeld door een vermoeden van
niet-toestemming te forceren, wat een totale omkering
van de bewijslast tot gevolg zou hebben.
De heer Bastyns schaart zich achter professor Van de
Heyning, wat de zeer lange verjaringstermijnen van ze
denfeiten betreft. Hij neemt als voorbeeld verkrachtingen
in een partnerrelatie, die vaker voorkomen dan men denkt.
Indien het paar na een aantal jaren uiteengaat en één
van de partners zegt dat hij door de vroegere partner
werd verkracht, hoe zal de andere die beschuldiging
kunnen aanvechten? Hoe zal hij kunnen bewijzen dat er
geen verkrachting is geweest? Het begrip toestemming
is inderdaad een zeer gevoelig begrip maar niettemin
van wezenlijk belang. Volgens de expert is het veeleer
een kwestie van bewijslast dan van terminologie. Er moet
sexuelles avec un autre mineur de 17 ans, mais que ce
second mineur devient un violeur à partir du jour où il
a 17 ans et 1 mois. Selon l’orateur, la seule distinction
objective qui puisse être légalement et raisonnablement
justifiée serait de dire qu’un mineur ne peut pas avoir
de relation avec un majeur. À ce propos, il recommande
d’ajouter le terme “manipulation” à l’article 417/6, § 3, 2°,
qui prévoit déjà qu’un mineur n’est jamais réputé avoir
la possibilité d’exprimer librement son consentement si
l’acte a été rendu possible en raison, dans le chef de
l’auteur, d’une position reconnue de confiance, d’autorité
ou d’influence sur le mineur.
Quant à la notion de consentement et la charge de
la preuve, M. Bastyns explique que cette question sera
toujours sensible. Le Conseil supérieur de la Justice a
envisagé la possibilité de renverser la charge de la preuve,
ce qui a terrifié l’orateur, qui estime que certains prin
cipes sont fondamentaux en droit pénal. Citant l’exposé
des motifs, il rappelle que le présumé violeur ne peut
pas présumer du consentement de la personne avec
laquelle il a une relation. En matière de mœurs, le juge
doit adopter une approche plus spécifique. Disposant
rarement de témoins ou d’images, le juge doit prendre
en considération les déclarations de la victime. À l’exa
men de celles-ci, en particulier si elles sont constantes,
il peut estimer qu’il n’y a aucune raison de remettre en
cause les propos de la victime, que cette dernière n’avait
aucune raison d’en vouloir au prévenu, etc.
L’intervenant souligne ensuite un élément repris dans
le texte du projet de loi et qui existait déjà au niveau de
la jurisprudence: le fait que l’absence de résistance de la
part de la victime n’implique pas nécessairement qu’elle
a donné son consentement. La question de la charge
de la preuve est centrale et ne peut pas être réglée en
essayant d’aboutir à une situation de présomption de
non-consentement, qui résulterait en un renversement
total de la charge de la preuve.
S’agissant des délais de prescription en matière de
mœurs, M. Bastyns rejoint le professeur Van de Heyning
sur le fait qu’ils sont très longs. Il prend l’exemple du viol
dans des situations de couple; un fait qui n’est pas rare.
Si le couple se sépare au bout de quelques années et
que l’un des deux partenaires dit qu’il a été violé par son
ancien compagnon, comment l’autre pourra-t-il contester
cette accusation? Comment pourra-t-il établir qu’il n’y a
pas eu de viol? Très délicate, la notion de consentement
est pourtant fondamentale. Selon l’expert, elle est plus
centrée sur la question de la charge de la preuve que
sur une question de terminologie. Si le consentement
233
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
absoluut sprake zijn van toestemming en afwezigheid
van weerstand is zeker onvoldoende om toestemming te
vermoeden, maar moet die toestemming daarom expliciet
zijn? Dit zou moeilijk in de praktijk te brengen zijn en de
spreker maakt zich zorgen om de mogelijke uitwassen
ervan en de ermee gepaard gaande rechtsgedingen.
De expert stelt vast dat de opgelegde straffen steeds
strenger zijn. Is het verstandig om van een opsluiting
van 10 tot 15 jaar naar een opsluiting van 20 tot 30 jaar
te gaan? De expert meent dat de rechtbanken de straf
duur evenwel niet zullen verdubbelen. De gevangenis
onttrekt inderdaad bepaalde personen aan de samen
leving om andere personen te beschermen maar reikt
zeker geen wonderoplossing aan. In bepaalde situaties
is het echter de enige haalbare optie. De spreker komt
terug op de opvolging van veroordeelde personen en
op hoe belangrijk het is dat men die opvolging met hun
instemming organiseert. Het komt voor dat men de
veroordeelde aan een verplichte psychologische en
psychiatrische opvolging onderwerpt maar die hebben
slechts weinig zin indien de betrokkene geen zin heeft
om eraan mee te werken. Het is inderdaad zeer moeilijk
om met iemand in een ontkenningsfase te werken en
de resultaten zijn dan ook zo goed als nihil. Bovendien
is de ene beklaagde de andere niet. Men zou bijgevolg
elke straf aan de beklaagde moeten aanpassen; vandaar
het belang om aan de rechter een ruime beoordelings
bevoegdheid toe te kennen. Verkrachting kan zich in
talrijke, onderling zeer verscheidene situaties voordoen.
Een aantal jaren geleden hebben twee van verkrachting
verdachte jongeren een opschorting van de uitspraak
genoten, waartegen het parket geen beroep heeft aan
getekend: hoewel de verkrachting was vastgesteld,
bleek die maatregel gezien de omstandigheden meer
aanbevolen dan een gevangenisstraf.
Hoewel de bewijslast in dezen een centraal thema is,
gaat Mevrouw Isabelle Wattier niet helemaal akkoord met
de heer Bastyns. Ze is er geen voorstander van om de
term “toestemming” te wijzigen, maar wel dat de definitie
ervan nauwkeuriger en duidelijker wordt geformuleerd.
De heer Koen Geens (CD&V) stelt zich vragen over
de kwestie van de bestraffing. Hij mist in de discussie
een wetenschappelijke onderbouwing van een juiste
strafmaat en de onderlinge verhouding tussen strafmaten.
Dat is volgens hem de cruciale vraag. De maatschappij
vraagt om strenge straffen en in verband daarmee vraagt
de heer Geens zich af wat er zou gebeuren indien de
correctionalisering zou verdwijnen.
De heer Olivier Bastyns verduidelijkt geen voorstander
te zijn van het opschorten van de correctionalisering
en bereid te zijn tot een grondig debat over strafmaten
en bestraffing in het algemeen, maar hij wijst er wel op
doit absolument exister et ne peut certainement pas se
présumer sur la base d’une absence de résistance, doit-il
pour autant être exprès? Ce serait difficile à réaliser et
l’orateur s’inquiète des possibles dérives et situations
qui pourraient se présenter devant les tribunaux.
En ce qui concerne les peines infligées, l’expert
constate qu’elles sont de plus en plus sévères. Est-il de
bon compte de passer d’une réclusion de 10 à 15 ans à
une réclusion de 20 à 30 ans? L’expert estime que les
tribunaux ne doubleront pas pour autant la durée des
peines. Si la prison permet d’écarter certaines personnes
pour en protéger d’autres, ce n’est toutefois pas la pana
cée. Dans certaines situations, c’est toutefois le seul
choix envisageable. L’intervenant revient sur le suivi des
personnes condamnées et sur l’importance d’organiser
ce suivi avec leur accord. Si des suivis psychologiques
ou psychiatriques peuvent être imposés, ils ne présentent
que peu d’intérêt si la personne n’a pas la volonté de
s’y soumettre. En effet, il est très difficile de travailler
avec quelqu’un qui est dans le déni et les résultats sont
pratiquement nuls. En outre, un prévenu n’est pas l’autre.
Chaque peine devrait donc être adaptée en fonction du
prévenu, raison pour laquelle il est important de laisser
un large choix d’appréciation au juge. Le viol comporte
de nombreuses situations possibles et très éloignées les
unes des autres. Il y a quelques années, une décision
de justice avait accordé la suspension du prononcé à
deux jeunes prévenus pour un fait de viol. Le parquet
n’avait pas fait appel: bien que le viol soit établi, vu les
circonstances de la cause, cette mesure apparaissait
plus adéquate qu’une peine de prison.
Si la question de la charge de la preuve est bien
centrale, Mme Isabelle Wattier n’est cependant pas
entièrement d’accord avec M. Bastyns. Elle ne souhaite
pas que le terme “consentement” soit modifié mais bien
que sa définition soit plus précise et davantage éclairante.
M. Koen Geens (CD&V) s’interroge sur la question
des sanctions. Il regrette que la discussion ne repose
pas sur une base scientifique qui permette de définir
une juste peine et la relation entre les peines. Selon lui,
cette question est cruciale. La société exige des peines
sévères et, à cet égard, M. Geens se demande ce qui se
passerait si la correctionnalisation venait à disparaître.
M. Olivier Bastyns précise qu’il n’est pas favorable à
la suspension de la correctionnalisation et qu’il est prêt
à participer à un débat approfondi sur les peines et les
sanctions en général, mais rappelle qu’il appartient au
2141/006
DOC 55
234
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dat het aan de wetgever toekomt om de vork te bepalen
waartussen de strafmaat valt, en aan de magistraat om
een gemotiveerde straf te bepalen binnen die vork. Hij
wijst op het belang van de mogelijkheid van alternatieve
bestraffing en juicht toe dat deze in dit wetsontwerp zijn
opgenomen.
Mevrouw Catherine Van de Heyning vindt dat dit
debat eerder past in het algemeen debat over het
nieuwe Strafwetboek. Ze vindt dat de coherentie van
de bestraffing binnen het geheel van het Strafwetboek
problematisch is, maar dat dit deels zal worden recht
getrokken in het nieuwe ontwerp van Strafwetboek. Ze
volgt de heer Geens in zijn kritiek over de bestraffing
maar wanneer het aankomt op strafuitvoering zijn er
veel andere elementen die in ogenschouw worden ge
nomen. De spreekster waarschuwt er wel voor dat door
aparte stemmingen over delen van het Strafwetboek er
veel complex juridisch rekenwerk zal nodig zijn om de
strafmaten correct te bepalen.
législateur de déterminer la fourchette dans laquelle la
peine se situe, et au magistrat de fixer une peine motivée
à l’intérieur de cette fourchette. Il souligne l’importance
de la possibilité de sanctions alternatives et se félicite
de leur inscription dans le projet de loi à l’examen.
Mme Catherine Van de Heyning pense que ce débat
s’inscrit plutôt dans le cadre du débat général sur le
nouveau Code pénal. Elle estime que la cohérence des
peines dans l’ensemble du Code pénal est probléma
tique, mais que ce problème sera partiellement corrigé
dans le nouveau projet de Code pénal. Elle comprend
les critiques de M. Geens à l’égard des sanctions, mais
au moment de l’exécution de la peine, beaucoup d’autres
éléments sont pris en compte. L’orateur craint toutefois
que de nombreux calculs juridiques complexes soient
nécessaires pour fixer correctement les peines en cas
de votes séparés sur les parties du Code pénal.
235
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
D. Hoorzitting van 26 oktober 2021 met mevrouw
Julia Day, vertegenwoordigster van Sensoa; mevrouw
Laïs Djone, co-voorzitster, en de heer Daan Bauwens,
vertegenwoordigers van UTSOPI; mevrouw Mireia
Crespo, directrice van de vzw Isala; mevrouw
Isabelle Jaramillo, vertegenwoordigster van Espace
P; mevrouw Veronique De Keyser, voorzitster van
“Centre d’Action Laïque ASBL”; mevrouw Karine
Minnen, politiecommissaris, diensthoofd zeden,
politiezone Brussel Hoofdstad Elsene, en mevrouw
Maria De Sterck, korpschef, politiezone Hamme-
Waasmunster (ochtendvergadering)
1. Procedure
Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i. van de com
missie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van
het Kamerreglement:
“Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij
het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitster a.i. nodigt de sprekers uit om deze
vragen te beantwoorden.
De vertegenwoordigers van UTSOPI delen mee
geconsulteerd te zijn geworden voor het opmaken van
het wetsontwerp. De overige genodigde sprekers ant
woorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen.
2. Uiteenzettingen
a . U i t e e nze t t i n g m ev r o u w J u l i a D ay,
vertegenwoordigster van Sensoa
Mevrouw Julia Day herneemt uit de schriftelijk nota
die aan de commissie werd overgezonden de volgende
krachtlijnen.
Het Vlaamse expertisecentrum seksuele gezondheid
Sensoa bestaat uit werkgroepen die zich op verschil
lende thema’s toespitsen, bijvoorbeeld volwassenen,
jongeren, mannen die seks hebben met mannen of HIV.
De spreekster is lid van de werkgroep rond seksueel
grensoverschrijdend gedrag, die voornamelijk inzet op
preventie. Het team geeft opleidingen aan professionals en
biedt beleidsondersteuning aan organisaties. Bovendien
verschaft Sensoa informatie aan het brede publiek via de
websites allesoverseks.be en sensoa.be of via openbare
D. Audition du 26 octobre 2021 de Mme Julia
Day, représentante de Sensoa; Mme Laïs Djone,
coprésidente, et M. Daan Bauwens, représentants
d’UTSOPI; Mme Mireia Crespo, directrice de
l’ASBL Isala; Mme Isabelle Jaramillo, représentante
d’Espace P; mme Véronique De Keyser, présidente du
Centre d’Action Laïque ASBL; Mme Karine Minnen,
commissaire de police, chef du service mœurs, zone
de police Bruxelles-Ixelles, et Mme Maria De Sterck,
chef de corps, zone de police Hamme-Waasmunster
(séance du matin)
1. Procédure
Mme Katja Gabriëls, présidente a.i. de la commis
sion de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis du
Règlement de la Chambre:
“2bis. En cas d’auditions […], il est demandé aux
orateurs de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion, et le cas échéant, par quelle instance.”
La présidente invite les orateurs à entamer leurs
exposés respectifs en répondant à ces questions.
Les représentants d’UTSOPI annoncent avoir été
consultés pour l’élaboration du projet de loi. Les autres
orateurs invités répondent successivement aux questions
par la négative.
2. Exposés
a. Exposé de Mme Julia Day, représentante de Sensoa
Mme Julia Day rappelle les grandes lignes suivantes
de la note écrite qui a été envoyée à la commission.
Sensoa, le centre flamand d’expertise sur la santé
sexuelle, se compose de groupes de travail axés sur
différents thèmes, par exemple les adultes, les jeunes,
les hommes qui ont des rapports sexuels avec des
hommes ou le VIH. L’oratrice est membre du groupe
de travail sur les comportements sexuels transgres
sifs, qui se concentre principalement sur la prévention.
L’équipe propose des formations aux professionnels et
offre un appui à la politique pour les organisations. En
outre, Sensoa diffuse des informations vers le grand
2141/006
DOC 55
236
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
campagnes zoals de recente #WijGrijpenIn-campagne.
Ten slotte doet Sensoa aan methodiekontwikkeling en
implementatie. Tot voorbeeld dient het vlaggensysteem
dat helpt in te schatten of gedrag al dan niet grensover
schrijdend is. Ondertussen is dit systeem ook in het
Frans beschikbaar.
Sensoa verwelkomt het voorliggende wetsontwerp.
Verschillende van de voorgestelde aanpassingen zijn op
vlak van preventie een stap vooruit. Het begrip toestem
ming krijgt een duidelijkere plaats binnen het strafrecht
en de definities van verkrachting en aantasting van de
seksuele integriteit worden aangepast.
De spreekster betreurt dat de auteurs niet veel aan
dacht schenken aan het machtselement. De mogelijk
zwakkere positie van het slachtoffer wordt weliswaar in
rekening gebracht, maar de huidige formulering viseert
enkel gevallen waarin de dader bewust misbruik maakt
van zijn machtspositie. In de praktijk volstaat louter het
bestaan van een machtsverhouding vaak al. De rol van
preventie en seksuele voorlichting mag ook in deze
kwestie niet worden vergeten.
Seksuele meerderjarigheid
Seks is een breder begrip dan vaginale penetratie
en omvat alle seksuele handelingen, inclusief zoenen,
strelen en experimenteren.
Sensoa wordt vaak aangesproken door instellingen
die vaststellen dat een jongere seksueel actief wil zijn.
De opvoeders praten over grenzen, wensen en anticon
ceptie, maar niet weten of ze de jongere mogen toelaten
om seksueel actief te zijn. Volgens de huidige strafwet
zijn de instellingen aansprakelijk. Ze laten immers een
misdrijf toe als de jongeren nog geen 16 zijn en zodoende
volgens de wet nog geen toestemming kunnen geven.
De andere oplossing is echter de facto om de jongeren
naar de bosjes te verwijzen.
Voorts ontwikkelen de instellingen om deze reden
vaak geen beleid rond seksualiteit. Veel organisaties
hebben de juiste insteek, al verschuilen sommige zich
achter de huidige situatie.
Ook ouders worstelen met bovenstaand dilemma: ze
weten niet hoe ze moeten reageren als hun 15-jarige
kind seks wil hebben. De huidige wetgeving strookt niet
met de normale seksuele ontwikkeling van jongeren.
public par le biais de ses sites Internet allesoverseks.
be et sensoa.be ou par des campagnes publiques telles
que la récente campagne #WijGrijpenIn. Enfin, Sensoa
travaille au développement et à la mise en œuvre de
méthodologies, comme le système des drapeaux, qui
permet d’évaluer si un comportement est transgressif
ou non. Ce système à présent également disponible
en français.
Sensoa accueille favorablement le projet de loi à l’exa
men. Plusieurs des adaptations proposées représentent
un pas en avant sur le plan de la prévention. La notion
de consentement occupe une place plus claire dans
le droit pénal, et les définitions du viol et de l’atteinte à
l’intégrité sexuelle sont adaptées.
L’oratrice déplore que les auteurs n’accordent pas
une grande attention au facteur du pouvoir. L’éventuelle
position de faiblesse de la victime est prise en compte,
mais la formulation actuelle ne concerne que les situa
tions où l’auteur de l’infraction abuse délibérément de sa
position de pouvoir. Dans la pratique, la simple existence
d’un rapport de pouvoir est souvent suffisante. Le rôle
de la prévention et de l’éducation sexuelle ne doit pas
non plus être oublié dans cette problématique.
La majorité sexuelle
La notion de “sexe” est plus large que la pénétration
vaginale et comprend toutes les pratiques sexuelles, y
compris les baisers, les caresses et les expérimentations.
Sensoa est souvent sollicitée par des institutions qui
constatent qu’un jeune veut être sexuellement actif. Les
éducateurs parlent de limites, de désirs et de contracep
tion, mais ne savent pas s’ils peuvent autoriser le jeune
à être sexuellement actif. En vertu du droit pénal actuel,
les institutions sont responsables. Elles permettraient en
effet une infraction si les jeunes n’ont pas encore 16 ans
et ne sont donc pas encore en mesure de consentir selon
la loi. L’autre solution serait de facto de contraindre les
jeunes à la dissimulation.
Pour cette raison, les institutions n’élaborent souvent
pas de politiques en matière de sexualité. De nombreuses
organisations ont la bonne approche, mais certaines se
retranchent derrière la situation actuelle.
Les parents sont également confrontés même dilemme:
ils ne savent pas comment réagir lorsque leur enfant de
15 ans veut avoir des relations sexuelles. La législation
actuelle n’est pas en phase avec le développement
sexuel normal des jeunes.
237
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Leeftijdsgrens
Het is goed om een leeftijdsgrens te stellen, maar
de spreekster benadrukt dat jongeren moeten worden
beschermd, niet bestraft. Ze moeten op tijd de nodige
informatie krijgen over seksualiteit en veilig kunnen
experimenteren. Met het oog op de psychologische en
seksuele ontwikkeling van jongeren is Sensoa echter
voorstander van een verschil van drie tot vijf jaar.
In het voorliggende wetsontwerp wordt duidelijk gefor
muleerd dat minderjarigen onder de 16 niet uit vrije wil
kunnen toestemmen. Er wordt dus a priori aangenomen
dat jongeren geen toestemming kunnen geven, ongeacht
aan wie ze die toestemming geven. Daarmee viseert de
wetgeving volwassenen en oudere jongeren die geen
misbruik mogen maken van kinderen en jongere kinderen.
De spreekster stelt voor om de formulering om te
draaien: volwassenen kunnen geen toestemming ont
vangen van kinderen en jongeren. De verantwoordelijk
heid ligt namelijk bij de persoon die grenzen dient te
respecteren en niet bij het mogelijke slachtoffer.
De auteurs schrijven in de memorie van toelichting
duidelijk dat het niet de bedoeling is om jongeren te
verbieden te experimenteren. In de letter van de wet
wordt die benaderingswijze echter niet goed weerspie
geld. Rechtsgebruikers lezen de letter en niet de geest
van de wet.
Quid met twee 13-jarigen die samen experimenteren?
Consensuele sexting tussen jongeren
De spreekster juicht toe dat de voorgestelde wetswij
ziging sexting tussen minderjarigen boven de 16 jaar uit
de wet op kinderporno haalt.
Professionals geven kinderen nog te vaak de bood
schap dat het strafbaar is om foto’s van zichzelf naar
anderen te sturen. Zij zouden de focus beter leggen op
toestemming, het verbod om foto’s zonder toestemming
verder door te sturen, het verbod om anderen onder
druk te zetten en het verbod om anderen ongewenst
met foto’s van zichzelf te belagen. Er wordt te weinig
onderscheid gemaakt tussen normaal seksueel gedrag
dat online plaatsvindt en online seksueel geweld.
De ontradende boodschap werkt niet: 17 % van de
16- tot 18-jarigen deed de voorbije twee maanden aan
sexting. Bovendien legt deze boodschap de schuld bij
het slachtoffer als een foto dan toch ongewenst wordt
doorgestuurd. Slachtoffers zoeken door schuldgevoel
Limite d’âge
Il est bon de fixer une limite d’âge, mais l’oratrice
souligne que les jeunes doivent être protégés, et non
punis. Ils doivent recevoir au bon moment les informations
nécessaires sur la sexualité et pouvoir expérimenter en
toute sécurité. Compte tenu du développement psycho
logique et sexuel des jeunes, Sensoa soutient toutefois
une différence de trois à cinq ans.
Le projet de loi à l’examen stipule clairement que les
mineurs de moins de 16 ans ne peuvent pas valablement
consentir de leur plein gré. Il est donc supposé a priori
que les jeunes ne peuvent pas consentir, quelle que
soit la personne à qui ils donnent ce consentement. La
législation cible ainsi les adultes et les jeunes plus âgés
qui ne peuvent abuser des enfants et des jeunes enfants.
L’oratrice suggère d’inverser la formulation: les adultes
ne peuvent pas recevoir le consentement des enfants
et des jeunes. La responsabilité incombe en effet à
la personne qui doit respecter les limites et non à la
victime potentielle.
Les auteurs écrivent clairement dans l’exposé des
motifs que l’intention n’est pas d’interdire aux jeunes
d’expérimenter. La lettre de la loi ne reflète toutefois pas
correctement cette approche. Or les usagers du droit
lisent la lettre et non l’esprit de la loi.
Quid de deux jeunes de 13 ans qui expérimentent
ensemble?
Sexting consensuel entre jeunes
L’oratrice se félicite du fait que la modification légis
lative proposée retire de la loi sur la pédopornographie
les sextos entre mineurs de plus de 16 ans.
Les professionnels disent encore trop souvent aux
enfants qu’envoyer des photos d’eux-mêmes à des tiers
est punissable. Mieux vaudrait qu’ils se concentrent sur
le consentement, sur l’interdiction de transmettre des
photos sans consentement, sur l’interdiction de faire
pression sur les autres et sur l’interdiction de bombarder
les autres de photos de soi non sollicitées. La distinction
n’est pas suffisamment établie entre un comportement
sexuel normal qui se déroule en ligne et la violence
sexuelle en ligne.
Le message dissuasif ne fait pas mouche: 17 % des
jeunes de 16 à 18 ans ont échangé des sextos au cours
des deux derniers mois. En outre, le message rejette la
faute sur la victime si une photo est malgré tout diffu
sée à son insu. Il arrive qu’un sentiment de culpabilité
2141/006
DOC 55
238
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
soms geen hulp, met rampzalige gevolgen van dien.
Bovendien is het onlogisch om seks toe te laten vanaf
16 jaar maar het sturen of bezitten van seksueel getinte
foto’s strafbaar te stellen.
In het algemeen is Sensoa zeer tevreden met de
toevoeging van dit artikel. De spreekster vraagt echter
om het expliciet te koppelen aan de wetgeving rond
seksuele meerderjarigheid om onlogische verschillen
in de toekomst te vermijden.
Magistraten en politiemensen moeten beter worden
geïnformeerd over sexting tussen jongeren. Daarom is
Sensoa vragende partij van een omzendbrief.
Tot slot toont de genodigde een video waarin een
moeder getuigt over haar ervaringen. Haar zoon heeft
zelfmoord gepleegd als gevolg van cyberpesten na de
publicatie van naaktbeelden. Toen zij het verhaal voor
legde aan de politie, zei die dat haar zoon beter had
moeten weten. Als ordediensten zo’n signaal uitsturen,
zullen slachtoffers nooit op zoek gaan naar hulp.
De wet mag de conversatie rond toestemming, wensen
en grenzen niet afremmen en zodoende preventie in de
weg staan. Voor het overige sluit Sensoa zich aan bij de
standpunten van de Vlaamse Jeugdraad en UTSOPI.
b. Uiteenzettingen van mevrouw Laïs Djone,
covoorzitster, en de heer Daan Bauwens,
vertegenwoordigers van UTSOPI
Mevrouw Laïs Djone en de heer Daan Bauwens zijn
verantwoordelijk voor politieke representatie bij de vzw
UTSOPI, de enige Belgische organisatie voor en door
sekswerkers. De tweetalige vzw heeft takken in Brussel
en Vlaanderen, telt 99 leden en staat in direct contact
met ongeveer 400 sekswerkers. Het directe bereik van
UTSOPI bevindt zich zo tussen de één op tien (volgens
een recente schatting van de heer Stef Adriaenssens
van de KU Leuven) of één op zeventig (volgens de
schatting van de federale politie uit 2015). Via intense
samenwerking met de hulporganisaties Violett, Espace
P, Alias en Boysproject staat de vzw onrechtstreeks in
contact met enkele duizenden sekswerkers, die infor
matie krijgen over hun rechten en UTSOPI op de hoogte
houden van hun situatie.
Tijdens de COVID-19-pandemie moest de sector
sluiten. Duizenden sekswerkers vielen buiten de sociale
zekerheid door de onduidelijkheid van hun sociaal statuut.
Het failliet van het Belgisch gedoogbeleid werd daarmee
duidelijk. Bij de start van de eerste lockdown ging UTSOPI
op zoek naar manieren waarop sekswerkers aan hulp
empêche les victimes de demander de l’aide, avec les
conséquences désastreuses qu’on imagine. En outre,
il est illogique d’autoriser les relations sexuelles dès
l’âge de 16 ans mais d’ériger en infraction l’envoi ou la
possession de photos à connotation sexuelle.
Dans l’ensemble, Sensoa est très satisfaite de l’ajout
de cet article. L’oratrice demande toutefois qu’il soit
explicitement lié à la législation sur la majorité sexuelle
afin d’éviter des divergences illogiques à l’avenir.
Les magistrats et les policiers devraient être mieux
informés sur le sexting entre jeunes. Sensoa est dès
lors demandeuse d’une circulaire.
L’invitée montre, pour conclure, une vidéo dans laquelle
une mère apporte son témoignage: son fils s’est suicidé
à la suite de cyberharcèlement après la publication
d’images dénudées. Lorsqu’elle a fait part de la situation
à la police, on lui a répondu que son fils aurait dû réfléchir.
Si les forces de l’ordre envoient un tel message, jamais
les victimes n’iront chercher de l’aide.
La loi ne peut freiner le dialogue sur le consentement,
les souhaits et les limites et ainsi entraver la préven
tion. Pour le reste, Sensoa se rallie aux points de vue
du Vlaamse Jeugdraad (Conseil de la Jeunesse de la
Communauté flamande) et d’UTSOPI.
b. Exposés de Mme Laïs Djone, coprésidente, et de
M. Daan Bauwens, représentants d’UTSOPI
Mme Laïs Djone et M. Daan Bauwens sont respon
sables de la représentation politique de l’ASBL UTSOPI,
la seule organisation belge pour et par les travailleurs du
sexe. Cette ASBL bilingue a des antennes à Bruxelles
et en Flandre, compte 99 membres et est en contact
direct avec environ 400 travailleurs du sexe. La portée
directe d’UTSOPI se situe entre un sur dix (selon une
estimation récente de M. Stef Adriaenssens de la KU
Leuven) et un sur septante (selon l’estimation de 2015
de la police fédérale). Grâce à une étroite collaboration
avec les organisations d’aide Violett, Espace P, Alias et
Boysproject, l’ASBL est indirectement en contact avec
plusieurs milliers de travailleurs du sexe, qui reçoivent
des informations sur leurs droits et tiennent UTSOPI au
courant de leur situation.
Pendant la pandémie de COVID-19, le secteur a dû
fermer. Des milliers de travailleurs du sexe sont restés
hors du système de sécurité sociale en raison du flou
qui entoure leur statut social. L’échec de la politique de
tolérance belge est devenu patent. Au début du premier
confinement, UTSOPI a recherché des moyens permettant
239
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
konden raken in de bestaande systemen en statuten. De
vzw zocht contact met kabinetten om onduidelijkheden
uit de weg te ruimen, ijverde voor de heropening van
de sector en zat samen met de hulporganisaties aan
tafel met virologen en kabinetten om protocollen uit te
schrijven.
Er werd 35 000 euro opgehaald via crowdfunding. Het
geld werd uitgedeeld aan ongeveer 300 sekswerkers
die helemaal zonder inkomen vielen. Bovendien deelde
UTSOPI 1200 maaltijden uit in de Brusselse Noordwijk,
waar de kwetsbaarste sekswerkers leven. Tijdens die
periode telde het personeelsbestand van de vzw vier
medewerkers. Zonder de vrijwillige en tomeloze inzet
van tientallen sekswerkers waren de hulpacties nooit
even succesvol geweest.
Intens overleg met ministeriële kabinetten Justitie
en Gelijke Kansen leidde tot de politieke wil om deze
situatie recht te zetten. Voor het eerst werd sekswerkers
als eerste om advies gevraagd. Op deze manier gaat
de werkelijkheid voor op een alarmistisch slachtof
ferdiscours dat geen rekening houdt met nuance, dat
de wetgeving sinds 1950 overheerst en sekswerkers
structureel discrimineert.
Huidige situatie
Sekswerk is op zich niet verboden. Toch is de Belgische
wetgeving erop gericht om het uitvoeren van de activiteit
zo goed als onmogelijk te maken. De omkadering is
gecriminaliseerd volgens de strategie van het abolitio
nisme, waarvan de meest nadelige effecten uiteindelijk
voor rekening zijn van de sekswerkers. De hoop is dat
sekswerkers uit zichzelf op zoek gaan naar een andere
manier om rond te komen.
In de huidige de wet staat omschreven dat “iedereen
die eens anders ontucht of prostitutie exploiteert” ver
volgbaar is. Zelfstandige sekswerkers ondervinden de
grootste moeite om hun baan professioneel te omka
deren. Banken, verzekeraars, advocaten, boekhouders
en websiteontwikkelaars weigeren met hen in zee te
gaan. Ze kunnen nergens een plek huren om hun acti
viteit uit te oefenen. Geen enkele beroepsziekte zal in
aanmerking komen voor steun, aangezien de activiteit
niet officieel bestaat.
Onder het gedoogbeleid kunnen steden en gemeenten
in het belang van de veiligheid of openbare orde regels
opstellen over zichtbaar sekswerk. Sommige steden en
gemeenten leggen minimale eisen vast waaraan panden
moeten voldoen of hoeveel van zulke panden op hun
grondgebied zijn toegelaten. De regels verschillen van
aux travailleurs du sexe de recevoir de l’aide dans le
cadre des systèmes et des statuts en place. L’ASBL a
contacté les cabinets pour éclaircir les imprécisions, a
œuvré pour la réouverture du secteur et, avec les orga
nisations d’aide, s’est mise autour de la table avec les
virologues et les cabinets pour rédiger des protocoles.
35 000 euros ont été récoltés par crowdfunding. Ce
montant a été distribué à environ 300 travailleurs du
sexe qui se sont retrouvés sans le moindre revenu. En
outre, UTSOPI a distribué 1 200 repas dans le quartier
Nord de Bruxelles, où vivent les travailleurs du sexe
les plus vulnérables. Au cours de cette période, l’ASBL
comptait quatre membres du personnel. Sans les efforts
bénévoles et le dévouement permanent de dizaines de
travailleurs du sexe, les actions d’aide n’auraient jamais
pu porter leurs fruits.
Des concertations intenses avec les cabinets ministé
riels de la Justice et de l’Égalité des chances ont abouti
à la volonté politique de rectifier cette situation. Pour la
première fois, les travailleurs du sexe ont été les premiers
consultés. Ainsi, la réalité prend le pas sur un discours
victimaire alarmiste qui ignore les nuances, domine la
législation depuis 1950 et discrimine structurellement
les travailleurs du sexe.
Situation actuelle
Le travail du sexe n’est pas interdit en soi. La légis
lation belge est toutefois conçue pour rendre l’exercice
de l’activité pratiquement impossible. L’encadrement est
criminalisé en vertu de la stratégie de l’abolitionnisme,
dont les effets les plus néfastes sont au final supportés
par les travailleurs du sexe, dans l’espoir que ceux-ci
partent spontanément à la recherche d’une autre manière
de joindre les deux bouts.
La loi actuelle stipule que “quiconque aura exploité
la débauche ou la prostitution d’autrui” est passible
de poursuites. Les travailleurs du sexe indépendants
éprouvent les plus grandes difficultés à encadrer leur
activité de manière professionnelle. Les banques, les
assureurs, les avocats, les comptables et les déve
loppeurs de sites Internet refusent leur clientèle. Ils
sont dans l’impossibilité de louer un lieu pour exercer
leur activité. Aucune maladie professionnelle ne pourra
bénéficier d’un soutien, puisque l’activité n’existe pas
officiellement.
En vertu de la politique de tolérance, les villes et
les communes peuvent réglementer le travail du sexe
visible dans l’intérêt de la sécurité ou de l’ordre public.
Certaines villes et communes fixent les exigences mini
males auxquelles les bâtiments doivent répondre ou
le nombre de bâtiments de ce type autorisés sur leur
2141/006
DOC 55
240
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gemeente tot gemeente. Sommige gemeenten hebben
geen reglement. Dit heeft tot gevolg dat arbeidsomstan
digheden ook binnen een subsector als sekswerk in de
ramen sterk kan verschillen. De situatie in Brusselse
Noordwijk, waar andere reglementen en radicaal verschil
lende arbeids- en veiligheidsomstandigheden gelden
aan weerskanten van de Linnéstraat, is tekenend.
Gemeenten kunnen ook bepalen onder welke statuten
sekswerkers mogen werken. Sommige gemeenten ver
plichten eigenaars van panden ertoe om horecacontracten
af te sluiten met sekswerkers. Vaak is er echter geen
verband tussen het aantal gepresteerde uren door de
sekswerker en het vermelde aantal uren hun de loonfi
che. In andere gemeenten gelden geen regels en wordt
zwartwerk gedoogd. Als sekswerkers daardoor geen of
te weinig loonfiches kunnen voorleggen, kunnen ze geen
appartement huren, geen woonlening aangaan en heb
ben ze geen recht op een vervangingsinkomen bij ziekte
of werkloosheid. Vaak bouwen sekswerkers daardoor
weinig pensioenrechten op. Ze blijven dan uit noodzaak
werken tot ver voorbij de pensioengerechtigde leeftijd.
Sekswerkers kunnen hun job niet uitoefenen zoals
andere werknemers of zelfstandigen. Het gebrek aan
wettelijk kader creëert willekeur, versnippering, zwakke
sociale bescherming en rechtsonzekerheid. Zolang de
uitbating gecriminaliseerd is maar wordt gedoogd, kunnen
er geen minimumvoorwaarden rond arbeidsomstandig
heden, veiligheid en gezondheid worden afgedwongen.
Hoe reguleert men een sector die niet mag bestaan?
Voorts kunnen sekswerkers niet terugvallen op een
sluitend wettelijk kader van sociale en arbeidsrechtelijke
bescherming, terwijl er wel belasting wordt geheven op
hun activiteit. De stelling dat sekswerk volledig gede
criminaliseerd is, klopt dus niet. Decriminalisering moet
van toepassing zijn op het aanbod, de aankoop en de
organisatie van seksuele diensten, zoals ook Amnesty
International, Médecins du Monde en Human Rights
Watch vinden.
Het debat vertrekt te vaak van de verkeerde logica
dat meer rechten voor sekswerkers ten koste gaan van
de bescherming voor slachtoffers van mensenhandel.
De decriminalisering die UTSOPI voorstaat, is bedacht
om beide groepen meer bescherming te geven.
Er bestaan geen impactstudies die aantonen dat
decriminalisering mensenhandel in de hand werkt. De
territoire. Les règles diffèrent d’une commune à l’autre.
Certaines n’appliquent aucune réglementation. Les
conditions de travail peuvent de ce fait varier considéra
blement au sein d’un sous-secteur, comme le travail en
vitrine. La situation dans le quartier Nord de Bruxelles,
où des réglementations et des conditions de travail et
de sécurité radicalement différentes s’appliquent des
deux côtés de la rue Linné, est révélatrice.
Les communes peuvent également déterminer sous
quels statuts les travailleurs du sexe sont autorisés à
travailler. Certaines communes contraignent les proprié
taires d’immeubles à signer des contrats horeca avec
des travailleurs du sexe. Or il n’y a souvent aucune
corrélation entre le nombre d’heures prestées par le
travailleur du sexe et le nombre d’heures indiqué sur
la fiche de paie. Dans d’autres communes, il n’y a pas
de règles et le travail au noir est toléré. Si, de ce fait,
les travailleurs du sexe ne peuvent présenter aucune,
ou trop peu, de fiches de paie, ils ne peuvent pas louer
un appartement ou contracter un crédit hypothécaire,
et n’ont aucun droit à un revenu de remplacement en
cas de maladie ou de chômage. Par conséquent, les
travailleurs du sexe se constituent souvent peu de droits
de pension. Ils se voient alors contraints à travailler par
nécessité bien au-delà de l’âge de la retraite.
Les travailleurs du sexe ne peuvent pas exercer
leur métier comme d’autres salariés ou indépendants.
L’absence de cadre légal est source d’arbitraire, de
morcellement, d’une protection sociale faible et d’insé
curité juridique. Tant que l’exploitation est criminalisée
mais tolérée, il est impossible d’imposer les conditions
minimales de conditions de travail, de sécurité et de
santé. Comment réglementer un secteur qui n’a pas le
droit d’exister?
En outre, les travailleurs du sexe ne peuvent compter
sur un cadre juridique cohérent de protection sociale et
de droit du travail, alors qu’un impôt est prélevé sur leur
activité. Il est donc incorrect d’affirmer que le travail du
sexe est totalement dépénalisé. La dépénalisation doit
s’appliquer à l’offre, l’achat et l’organisation de ser
vices sexuels, comme le pensent également Amnesty
International, Médecins du Monde et Human Rights
Watch.
Le débat part trop souvent de la conviction erronée
que l’amélioration des droits des travailleurs du sexe
se ferait au détriment de la protection des victimes de
la traite des êtres humains. La dépénalisation prônée
par UTSOPI a été conçue pour mieux protéger les deux
groupes.
Il n’existe aucune étude d’impact démontrant que la
dépénalisation encouragerait la traite des êtres humains.
241
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
oorzaak-gevolgrelatie is nooit aangetoond. Uit cijfers
van de VN zou blijken dat 95 % van de sekswerkers
niet vrijwillig voor het werk heeft gekozen. Die cijfers zijn
echter nergens terug te vinden. De sprekers vragen de
parlementsleden om bronnen op intellectueel correcte
wijze te vermelden indien er amendementen zouden
worden ingediend waarin naar die zogenaamde VN-
cijfers wordt verwezen.
Anderen stellen dat Zweden het na te volgen gidsland
is omdat sekswerk er verboden is, wat leidt tot meer
gendergelijkheid in de seksuele sfeer. Zweden schendt
de fundamentele mensenrechten van sekswerkers
echter systematisch in de strijd voor meer zogenaamde
gendergelijkheid.
Opmerkingen bij het wetsontwerp
UTSOPI was tevredener met de eerste versie van de
tekst, waarin geen sprake was van een reclameverbod
en elke vorm van seksuele uitbuiting rechtstreeks als
mensenhandel kwalificeerbaar was. In de voorliggende
tekst ontstaat verwarring door de voorgestelde overlap
tussen mensenhandel en uitbuiting van prostitutie, terwijl
het net de bedoeling was om het verschil tussen beide
misdrijven duidelijk af te lijnen.
Het artikel 433quater/1 over pooierschap is problema
tisch. Niet alleen schept het nefaste verwarring tussen
misbruik en mensenhandel, het criminaliseert breed
om vervolgens enkele uitzonderingen toe te laten. Is
er dan nog sprake van decriminalisering? Zelfs zonder
artikel 433quater/1 blijft uitbating op de strafrechtelijke
radar staan vanwege de bepalingen over mensenhan
del. De verwarring tussen misbruik en mensenhandel
bestaat overigens al in het huidige artikel 380. Ook
zonder dit artikel blijft pooierschap strafbaar onder
artikel 433quinquies.
Tegelijk wordt pooierschap strikt gedefinieerd en niet
langer gezien als elke derde partij die geld ontvangt dat
met sekswerk verdiend is. Banken, verzekeraars en
boekhouders hoeven dus niet langer te vrezen. Tot slot
laat het artikel ruimte voor een strikte regelgeving en
een raamwerk voor werken in loondienst. De toepassing
van artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de
arbeidsovereenkomsten – de niet-inroepbaarheid van
de nietigheid van een overeenkomst – is door minister
van Economie en Werk Pierre-Yves Dermagne al in een
wetsontwerp opgenomen. De uitbreiding van artikel 3
van het koninklijk besluit van 1969 – de uitbreiding van
de sociale zekerheid voor werknemers tot zelfstandigen
– zal op tafel worden gelegd. UTSOPI staat klaar om dit
werk aan te vatten.
La relation de cause à effet n’a jamais été établie. Selon
les chiffres de l’ONU, 95 % des travailleurs du sexe
n’auraient pas choisi volontairement d’exercer cette
activité. Ces chiffres sont toutefois introuvables. Les
orateurs invitent les membres du parlement à citer leurs
sources de manière intellectuellement correcte si des
amendements faisant référence à ces prétendus chiffres
de l’ONU sont déposés.
D’autres soutiennent que la Suède est le modèle à
suivre car le travail du sexe y est interdit, ce qui conduit
à une plus grande égalité des genres dans la sphère
sexuelle. Le pays viole cependant systématiquement les
droits humains fondamentaux des travailleurs du sexe
dans sa lutte pour une soi-disant plus grande égalité
des genres.
Remarques concernant le projet de loi
UTSOPI était davantage satisfaite de la première
version du texte, qui ne mentionnait pas d’interdiction
de publicité et qualifiait directement de traite des êtres
humains toute forme d’exploitation sexuelle. Dans le texte
à l’examen, le chevauchement entre la traite des êtres
humains et l’exploitation de la prostitution est source de
confusion, alors que l’intention était précisément de déli
miter clairement la distinction entre les deux infractions.
L’article 433quater/1 sur le proxénétisme est probléma
tique. Non seulement il crée une confusion pernicieuse
entre les abus et la traite des êtres humains, mais il
criminalise largement pour autoriser ensuite quelques
exceptions. Est-il alors encore question de dépénalisa
tion? Même sans l’article 433quater/1, l’exploitation reste
sur le radar pénal en raison des dispositions relatives à
la traite des êtres humains. La confusion entre abus et
traite des êtres humains est déjà présente dans l’actuel
article 380. Même sans cet article, le proxénétisme reste
punissable en vertu de l’article 433quinquies.
Dans le même temps, le proxénétisme est strictement
défini et n’est plus considéré comme une tierce partie
recevant l’argent gagné grâce au travail du sexe. Les
banques, les assureurs et les comptables n’ont donc
plus rien à craindre. Enfin, l’article laisse la place à
une réglementation stricte et à un texte-cadre pour le
travail salarié. L’application de l’article 14 de la loi du
3 juillet 1978 relative aux contrats de travail – l’inoppo
sabilité de la nullité du contrat – a déjà été incluse dans
un projet de loi du ministre de l’Économie et du Travail
Pierre-Yves Dermagne. L’extension de l’article 3 de
l’arrêté royal de 1969 – l’extension de la sécurité sociale
des seuls salariés aux indépendants – sera mise sur la
table. UTSOPI est prête à s’atteler à cette tâche.
2141/006
DOC 55
242
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Daarbij dient rekening te worden gehouden met de
vier vrijheden van sekswerkers. Het betreft noodza
kelijke uitzonderingen op de ondergeschiktheid van
de werknemer in een arbeidsovereenkomst. De vier
vrijheden zijn gedefinieerd door de Nederlandse denk
tank Sekswerkexpertise, waarvan UTSTOPI het enige
buitenlandse lid is. Ze zijn een toetssteen voor misbruik
of uitbuiting en luiden als volgt:
1. Iedereen mag een ander als seksuele partner wei
geren. Wanneer iemand wordt gedwongen tot seks met
een bepaalde persoon, geldt dat als seksueel geweld.
2. Iedereen kan bepaalde seksuele handelingen wei
geren. Wanneer dit niet kan, is er sprake van seksuele
intimidatie.
3. Iedereen mag een seksuele relatie onderbreken
of afbreken.
4. Iedereen mag voorwaarden stellen aan seksualiteit,
bijvoorbeeld een vaste relatie of onderhoud van kinderen
die eruit geboren worden.
Het ontworpen artikel 433quater/2 verbiedt reclame,
tenzij de sekswerker reclame maakt voor zichzelf. In
een voorafgaande hoorzitting werd de vraag gesteld
wat er moet worden gedaan om pooiers geen vrij spel
meer te geven met valse annonces. Het antwoord op
die vraag luidt: reclame niet verbieden, want door het
verbod verliest de handhaving het sterkste middel dat
nu ter beschikking is om mensenhandel te bestrijden.
Het reclameverbod kan in zijn huidige formulering leiden
tot dezelfde situatie als die in de Verenigde Staten in 2018
na de goedkeuring van wetgeving gericht op de bestrij
ding van mensenhandel op internet. Het Amerikaanse
ministerie van Justitie schrijft in een recent evaluatierap
port dat het moeilijker is geworden om mensenhandel
te bestrijden sinds de advertentiewebsites krachtens
de nieuwe wetgeving offline zijn gehaald. Voordat de
wetten in werking traden, verliep de samenwerking
tussen de gerechtelijke politie en websites goed, waar
door mensenhandel beter kon worden bestreden. Deze
samenwerking bestaat momenteel ook in België.
In verband met reclame werd vorige week gesteld dat
negen op tien van de annonces op advertentieplatform
voor sekswerk RedLights gevallen van mensenhandel
zijn. Dat is incorrect. Volgens de contactpersonen van
UTSOPI bij de politie vertonen negen op tien annonces
aanwijzingen die verder onderzoek vereisen. Zonder de
Pour ce faire, les quatre libertés des travailleurs du
sexe doivent être prises en compte. Il s’agit d’excep
tions nécessaires à la subordination du salarié dans un
contrat de travail. Les quatre libertés ont été définies par
le groupe de réflexion néerlandais Sekswerkexpertise,
dont UTSOPI est le seul membre étranger. Pierres de
touche en matière d’abus ou d’exploitation, ils sont les
suivants:
1. Quiconque peut refuser une autre personne comme
partenaire sexuel. Toute contrainte à avoir des relations
sexuelles avec une personne donnée est considérée
comme une violence sexuelle.
2. Quiconque peut refuser certains actes sexuels.
Lorsque cela n’est pas possible, il s’agit d’intimidation
sexuelle.
3. Quiconque peut interrompre ou mettre fin à une
relation sexuelle.
4. Quiconque peut fixer des conditions à une relation
sexuelle, par exemple dans le cadre d’une relation stable
ou encore l’entretien des enfants qui en sont issus.
L’article 433quater/2, en projet, interdit la publicité,
sauf si le travailleur du sexe fait de la publicité pour lui-
même. Lors d’une audition préalable, la question des
mesures à prendre pour empêcher les proxénètes à
avoir davantage de marge de manœuvre via de fausses
annonces a été soulevée. La réponse à cette question
est la suivante: la publicité ne doit pas être interdite, car
cela signifierait que l’application de la loi perdrait l’outil le
plus puissant actuellement disponible pour lutter contre
la traite des êtres humains.
L’interdiction de publicité, dans sa formulation actuelle,
pourrait conduire à la même situation qu’aux États-Unis
en 2018 à la suite de l’adoption de la législation visant
à lutter contre la traite des êtres humains sur Internet.
Le ministère américain de la Justice a indiqué dans un
récent rapport d’évaluation qu’il était devenu plus diffi
cile de lutter contre la traite des êtres humains depuis
que les sites d’annonces ont été mis hors ligne dans le
cadre de la nouvelle législation. Avant l’entrée en vigueur
de la loi, la collaboration entre la police judiciaire et les
sites Internet était étroite, ce qui permettait de lutter plus
efficacement contre la traite des êtres humains. Cette
collaboration existe actuellement aussi en Belgique.
En ce qui concerne la publicité, il a été affirmé la
semaine dernière que neuf annonces sur dix publiées
sur RedLights, la plateforme de publicité pour le travail du
sexe, sont des cas de traite des êtres humains. Ce n’est
pas exact. Selon les personnes de contact d’UTSOPI au
sein de la police, neuf annonces sur dix présentent des
243
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
medewerking van reclameplatforms eventuele gevallen
van mensenhandel nooit aan het licht komen.
In het ontworpen artikel 433quinquies/4 wordt het ab
normaal voordeel als volgt gedefinieerd: “een voordeel is
abnormaal wanneer het indruist tegen de gewone gang
van zaken, de gevestigde regels of gewoonten of tegen
wat in dergelijke gevallen gebruikelijk is.” De sprekers
wijzen erop dat het zeer moeilijk is om vast te stellen
wat de gewone gang van zaken is in een sector die aan
geen enkele regelgeving is onderwerpen. Dergelijke
vraagstukken kunnen worden opgelost door een paritair
comité voor sekswerk in het leven te roepen.
Conclusie
Deze hervorming maakt een raamwerk mogelijk met
geldige contracten tussen sekswerkers en werkgevers,
met alle sociale rechten die een arbeidscontract inhoudt.
Beperkingen voor zelfstandige sekswerkers vallen weg.
Alles wat kan worden vermarkt, wordt vermarkt; ook als
het om het lichaam van de vrouw gaat, en onafhankelijk
of het legaal of illegaal gebeurt. Als tweehonderd jaar
kapitalisme iets hebben uitgewezen, is het wel dat sociale
en arbeidsrechten de enige barrière zijn tegen uitbuiting.
Sekswerk dient dus te worden onderworpen aan het
arbeids- en socialezekerheidsrecht. Het is ontoelaatbaar
om vrouwen die zich in de kwetsbaarste situaties op de
arbeidsmarkt bevinden, uit te sluiten van sociale rechten.
Meer rechten leiden tot meer keuzes.
De sprekers zullen de commissie een uitgebreidere
schriftelijke nota bezorgen.
c. Uiteenzetting van mevrouw Mireia Crespo, directrice
van vzw Isala
Mevrouw Mireia Crespo stelt de activiteiten van vzw
Isala voor, een vereniging die in België in het veld actief
is en rechtstreeks steun verleent aan mensen in de pros
titutie. De vereniging bestaat uit een klein team van twee
werknemers dat kan rekenen op aanzienlijke steun van
vrijwilligers. Vzw Isala organiseert ontmoetingen in het
veld, opvang in een collectieve foyer en begeleiding bij
het uitstapproces uit de prostitutie van vrouwen die een
andere beroepsactiviteit en een normaal leven willen.
De spreekster uit haar bezorgdheid over de nieuwe
definitie van het begrip “pooierschap” die het wetsont
werp beoogt, alsook over het feit dat dit wetsontwerp
het pooierschap uit het strafrecht wil halen en bepaalde
indications qui requièrent une enquête plus approfondie.
Sans la collaboration des plateformes publicitaires, les
éventuels cas de traite des êtres humains ne seraient
jamais mis en lumière.
L’article 433quinquies/4, en projet, stipule qu’un
avantage est anormal lorsqu’il est contraire à l’ordre
habituel des choses, aux règles ou aux usages établis
ou avec ce qui est d’usage dans des cas semblables.
Les intervenants soulignent qu’il est très difficile d’établir
ce qui constitue l’ordre habituel des choses dans un
secteur qui n’est soumis à aucune réglementation. De
telles questions peuvent être résolues en créant une
commission paritaire sur le travail du sexe.
Conclusion
Cette réforme permet la mise en place un cadre, avec
des contrats valables entre les travailleurs du sexe et les
employeurs, avec tous les droits sociaux qu’implique un
contrat de travail. Les restrictions imposées aux travail
leurs du sexe indépendants sont supprimées. Tout ce
qui peut être commercialisé le sera, y compris le corps
des femmes, légalement ou non. Si deux cents ans de
capitalisme ont prouvé quelque chose, c’est que les
droits sociaux et du travail sont la seule barrière contre
l’exploitation.
Le travail du sexe doit donc être soumis au droit du
travail et au droit de la sécurité sociale. Il est inadmissible
d’exclure des droits sociaux les femmes qui se trouvent
dans les situations les plus vulnérables sur le marché du
travail. Davantage de droits permet davantage de choix.
Les orateurs fourniront à la commission une note
écrite plus détaillée.
c. Exposé de Mme Mireia Crespo, directrice de
l’asbl Isala
Mme Mireia Crespo présente les activités de l’asso
ciation Isala qui œuvre sur le terrain, en soutien direct
aux personnes en situation de prostitution en Belgique.
La petite équipe de deux salariés est appuyée par un
important engagement de bénévoles et l’association
réalise un travail de rencontres sur le terrain, d’accueil
dans un foyer collectif et d’accompagnement lors du
processus de sortie de la prostitution de femmes qui
souhaitent retrouver une activité professionnelle et une
vie normale.
L’intervenante fait part de sa préoccupation au sujet
de la redéfinition et de la dépénalisation de la notion
de proxénétisme par un projet de loi qui ne considére
rait plus certaines situations comme relevant de cette
2141/006
DOC 55
244
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
situaties niet langer als een aspect ervan zou beschou
wen. De spreekster vreest dat indien dit wetsontwerp
wordt aangenomen, het moeilijk zal worden te bewijzen
dat bepaalde situaties van geweld en uitbuiting verband
houden met prostitutie. Om een pooier te veroordelen,
zou volgens mevrouw Crespo in de toekomst het vol
gende moeten worden bewezen:
— dat hij het slachtoffer tot prostitutie heeft aangezet
of gedwongen of dat hij maatregelen heeft genomen om
te verhinderen dat zij uit de prostitutie zou stappen. De
deskundige merkt op dat de begrippen “aanzetten tot”
en “dwang” thans louter verzwarende omstandigheden
zijn die geen deel uitmaken van het basismisdrijf;
— dat hij heeft gestreefd naar een abnormaal voordeel,
wat juridisch gezien een vaag en onzeker concept is. De
spreekster benadrukt dat dat begrip tot alle feiten van
pooierschap zou worden uitgebreid, terwijl het huidige
Strafwetboek dit enkel toepast op het vastgoedaspect
van het pooierschap.
Mevrouw Crespo stelt vast dat België met dit wetsont
werp dreigt in te gaan tegen de internationale conventies
en verdragen dat het heeft geratificeerd, zoals het Verdrag
van de Raad van Europa inzake het voorkomen en be
strijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
(het Verdrag Van Istanbul van 2011), het Verdrag van de
Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie tegen vrouwen (1979) en het Verdrag
ter bestrijding van mensenhandel en van de exploitatie
van de prostitutie van anderen (1949).
Bovendien is de deskundige bezorgd dat het wets
ontwerp niet tegemoetkomt aan de wezenlijke nood
aan bescherming van de mensen in het veld. Voor
een slachtoffer van seksuele uitbuiting lijkt het immers
moeilijk, en zelfs onmogelijk, te bewijzen dat er sprake
was van aanzetting of dwang; dit geldt des te meer
wanneer moet worden aangetoond dat de verdachte
van pooierschap een voordeel heeft nagestreefd dat als
abnormaal kan worden beschouwd. Mevrouw Crespo
benadrukt het juridisch falen van dit begrip, dat in 1995 in
het Strafwetboek werd opgenomen om het gebruik van
vastgoed voor prostitutiedoeleinden (verhuur van kamers,
ramen, Eros center) tegen te gaan. De spreekster geeft
aan dat hoewel het geweten is in welke gebouwen aan
prostitutie wordt gedaan en het abnormaal voordeel dui
delijk is, er in werkelijkheid niets tegen wordt ondernomen
en het Strafwetboek in de feiten dus ten uitvoer wordt
gelegd. De spreekster wijst op de enorme winsten die
de verhuur van een raam in Brussel oplevert: ongeveer
250 euro per dag per prostituee, wat neerkomt op een
maandelijkse huuropbrengst van ongeveer 7 500 euro
per maand en per uitgebuite vrouw. Aangezien gemiddeld
activité. Pour l’oratrice, certaines situations de violence
et d’exploitation liées à la prostitution seraient désormais
difficiles à prouver suite au vote du projet de loi étudié.
En effet, selon Mme Crespo, condamner un proxénète
nécessitera de pouvoir prouver que celui-ci:
— a incité ou contraint la victime à entrer en prostitu
tion ou qu’il a pris des mesures pour empêcher celle-ci
de quitter cette situation de prostitution. L’expert fait
remarquer qu’actuellement ces notions d’incitation et
de contrainte sont uniquement des facteurs aggravants
qui ne font pas partie de l’infraction de base;
— a recherché un avantage anormal, concept juridi
quement flou et peu sûr. L’intervenante souligne que cette
notion est élargie à l’ensemble des faits de proxénétisme
alors que le code pénal actuel l’applique uniquement à
la partie immobilière du proxénétisme.
Mme Crespo constate que, par ce projet de loi, la
Belgique risque bien de se retrouver en porte-à-faux par
rapport aux conventions et traités internationaux ratifiés
par notre pays, comme la Convention du Conseil de
l’Europe sur la prévention et la lutte contre la violence à
égard des femmes et la violence domestique (Convention
d’Istanbul en 2011), la Convention des Nations Unies sur
l’élimination de toutes les formes de violence à l’égard
des femmes (1979) et la Convention des Nations Unies
pour la répression de la traite des êtres humains et de
l’exploitation de la prostitution d’autrui (1949).
L’expert s’inquiète en outre du fait que le projet ne
réponde pas au besoin essentiel de protection des
personnes rencontrées sur le terrain. Il semble en effet
difficile ou impossible à une victime d’exploitation sexuelle
de prouver qu’il y a eu incitation ou contrainte et encore
moins que la personne soupçonnée de proxénétisme
ait recherché un avantage estimé comme anormal.
Mme Crespo souligne le constat d’échec juridique de
cette dernière notion, introduite en 1995 dans le code
pénal dans le but de combattre le proxénétisme immo
bilier (location de chambres, vitrines, Eros center). Pour
l’intervenante, si les bâtiments où la prostitution est
organisée sont bien connus et que l’avantage anormal
est évident, rien n’est vraiment entrepris et le code
pénal n’est donc pas appliqué dans les faits. L’oratrice
démontre les énormes profits engendrés par la location
d’une vitrine bruxelloise qui rapporte environ 250 euros
par jour et par prostituée, soit un loyer de plus ou moins
7 500 euros par mois et par femme exploitée. En tenant
compte du fait qu’une vitrine accueille en moyenne quatre
femmes par jour, ce sont donc 300 000 euros par an et
par vitrine qui tombent dans l’escarcelle du propriétaire.
245
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vier vrouwen per dag achter een raam zitten, brengt de
verhuur voor de eigenaar dus jaarlijks 300 000 euro per
raam op. Mevrouw Crespo beveelt de commissieleden
aan het advies van specialisten inzake de wetgeving
op de handelshuur in te winnen om in te zien dat het
wetsontwerp in het voordeel dreigt te zijn van de eige
naars van gebouwen waar ramen worden verhuurd en
die vrouwen zullen kunnen blijven uitbuiten in legale
bordelen. Volgens de spreekster hebben de pooiers
zich aangepast aan de wetgeving en hebben ze ervoor
gezorgd dat het moeilijker wordt dwang, geweld of be
dreigingen te bewijzen.
De vertegenwoordigster van de vereniging in het veld
is tot de vaststelling gekomen dat alle vrouwen die ze
heeft ontmoet op een of andere manier in een situatie
verkeren waarin ze geen keuze hebben, een situatie van
onzekerheid, geweld, bedreigingen, trauma’s en een
laag zelfbeeld. Ze wijst op de centrale rol van de familie:
door een kwetsbare financiële situatie of bedreigingen
ten aanzien van de familie of uit vrees voor schaamte
is het des te moeilijker om een situatie van dwang of
niet-toestemming te melden of aan te klagen. Mevrouw
Crespo is van oordeel dat het begrip “afwezigheid van
toestemming” geen rekening houdt met het web van
invloed, afhankelijkheid of economische dwang waarin
die mensen vastzitten.
De spreekster stelt vast dat de meeste betrokkenen
behoren tot de meest gemarginaliseerde en kwetsbare
groepen, namelijk vrouwelijke migranten en mensen
zonder papieren die afkomstig zijn uit heel arme lan
den, in materiële nood verkeren (geen inkomen, geen
gezonde woning) en die de landstalen niet spreken,
lezen of schrijven. De vereniging helpt veel mensen
van Oost-Europese etnische of taalminderheden (zoals
respectievelijk de Roma of de Bulgaarse Turkstaligen),
of die afkomstig zijn van arme regio’s zoals Nigeria,
Marokko of Albanië en die vaak dezelfde migratietra
jecten hebben doorgemaakt.
Mevrouw Crespo stelt vast dat hun traject wordt
gekenmerkt door diverse vormen van geweld. Incest,
verkrachting en gedwongen huwelijken zorgen ervoor dat
de betrokkenen niet zomaar in de prostitutie verzeilen,
maar dat zulks het logische uitvloeisel is van een heel
leven van geweld. Ook bedreigingen, beledigingen,
fysieke agressie of herhaalde ongewenste seksuele
betrekkingen vormen een geheel van gewelddaden die
alomtegenwoordig zijn in de prostitutie, maar waarmee
volgens de heersende maatschappelijke visie is inge
stemd, omdat er een gelduitwisseling bij te pas komt.
De spreekster beklemtoont dat een en ander grote
gevolgen heeft voor de fysieke en geestelijke gezond
heid van de betrokkenen: gewichtsverlies, chronische
Mme Crespo conseille aux membres de la commission
de consulter des spécialistes de la loi sur les baux
commerciaux afin de comprendre que le projet de loi
risque bien de bénéficier aux propriétaires d’immeubles
à vitrines qui pourront continuer à exploiter des femmes
dans des bordels légaux. Pour l’oratrice, les proxénètes
se sont adaptés aux lois et ont compliqué la possibilité
de prouver la coercition, les violences ou les menaces.
La représentante de l’association de terrain dresse
le constat d’une situation de non-choix, de précarité, de
violences, de menaces, de traumatismes et de manque
d’estime de soi qui, d’une manière ou d’une autre, touche
toutes les femmes rencontrées. Elle relève le rôle central
de la famille qui, par une situation financière précaire,
par des menaces qui pèsent sur elle ou par la crainte
de la honte à son encontre, fait qu’il est compliqué de
signaler et de dénoncer une situation de contrainte ou
de non-consentement. Mme Crespo estime que cette
dernière notion ne tient pas compte des mécanismes
d’emprise, de dépendance ou de contrainte économique
dans lesquels ces personnes se trouvent.
L’intervenante constate que la majorité des personnes
rencontrées font partie des groupes sociaux les plus
marginalisés et précarisés: des femmes migrantes, sans-
papiers, originaires de pays très pauvres, en situation
de détresse matérielle (sans revenu, sans logement
salubre) et ne sachant parler, lire ou écrire dans les
langues nationales belges. L’association vient en aide
à de nombreuses personnes d’Europe de l’Est, issues
de minorités ethniques, comme les Roms, de minorités
linguistiques, comme les turcophones de Bulgarie, ou en
provenance de régions pauvres, comme le Nigéria, le
Maroc ou l’Albanie, qui ont souvent partagé les mêmes
parcours migratoires.
Mme Crespo identifie une violence de différents types
jalonnant leur parcours. Inceste, viol, mariage forcé font
que l’entrée en prostitution n’est pas le fruit d’un accident
mais se situe dans la suite d’une logique de violence
tout au long de l’itinéraire de vie. De même, menaces,
insultes, agressions physiques ou rapports sexuels répé
tés et non désirés constituent un ensemble de violences
omniprésentes dans la prostitution mais que la société
considère comme consenties car de l’argent est échangé.
L’oratrice souligne les importantes conséquences sur la
santé physique et mentale des personnes concernées:
perte de poids, douleurs chroniques, grossesse non
désirée, angoisse, syndrome de stress post-traumatique
et troubles psychiques constituent quelques-unes des
2141/006
DOC 55
246
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
pijn, ongewenste zwangerschap, angst, posttraumatisch
stresssyndroom en psychische stoornissen zijn enkele
voorbeelden van de gevolgen van de prostitutieactiviteit
door vrouwen van wie de gezondheid sowieso aanleiding
geeft tot grote bezorgdheid. De spreekster meent dat
de niet-erkenning van de wezenlijk gewelddadige aard
van prostitutie, belet dat men zich bewust wordt van de
gevolgen op het leven van de betrokkenen, maar ook
verhindert dat rekening wordt gehouden met de patri
archale aard van het geweld, aangezien 90 % van de
mensen in de prostitutie vrouwen zijn en de overgrote
meerderheid van de klanten mannen.
De vertegenwoordigster van de vzw Isala merkt op
dat volgens politieramingen uit 2012 in ons land 23 000
mensen actief zijn in de prostitutie en dat 85 % van hen
wordt uitgebuit. Zij stelt dat de wetgever de plicht heeft
die sekswerkers te beschermen en te erkennen dat zij
slachtoffers zijn.
Mevrouw Crespo benadrukt dat die vaststellingen
worden gedeeld door een internationaal netwerk van
veldwerkersverenigingen waarvan de vzw Isala deel
uitmaakt en dat actief is in Libanon, Zuid-Amerika,
Canada en India. Heel wat studies bevestigen de gege
vens inzake het profiel en de gezondheidstoestand van
de slachtoffers, het stelselmatige gebruik van geweld
en de verbanden tussen prostitutie en mensenhandel.
Volgens de spreekster heeft onderzoek bovendien het
falen aangetoond van regulerend beleid in landen die
het pooierschap uit het strafrecht hebben gehaald (zoals
Duitsland, Nederland of Nieuw-Zeeland). De deskundige
meent dat die keuzes de straffeloosheid van de pooiers
nog aanzwengelen, veeleer dan de slachtoffers beter
beschermen. De spreekster merkt op dat de betrokkenen
werk willen vinden en over een wettige-verblijfstitel willen
beschikken waardoor zij als slachtoffer kunnen worden
erkend; dat streven staat centraal bij de evaluatie van
de internationale wetten ter zake.
Mevrouw Crespo meent dat het voorliggende wets
ontwerp niet tegemoetkomt aan de behoeften van de
vrouwen die waardig uit de prostitutie willen stappen en
daarbij steun en een verblijfstitel zouden krijgen. Volgens
haar zal het er integendeel toe leiden dat de vrouwen en
meisjes die het slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting
en van mensenhandel geen juridische bescherming
zullen genieten.
Door de prostitutie al dan niet aan te pakken, rekening
houdend met de gendergelijkheid, zet ons land volgens
de spreekster een heel maatschappelijk project op het
spel. Het is zaak de prostitutie aan te pakken vanuit de
vrouwenrechten, aangezien die activiteit en de gevolgen
ervan ook een weerslag hebben op alle vrouwen in de
samenleving.
conséquences de l’activité prostitutionnelle pour des
femmes dont la santé représente toujours un sujet de
préoccupation majeur. L’intervenante estime que ne
pas reconnaître le caractère intrinsèquement violent
de la prostitution empêche de prendre conscience des
conséquences observées sur la vie de ces personnes
mais aussi de tenir compte du caractère patriarcal de
ces violences puisque 90 % des personnes prostituées
sont des femmes et que l’écrasante majorité des clients
sont des hommes.
La représentante d’Isala signale que, selon des chiffres
de 2012, la police considère que 23 000 personnes sont
actives dans le domaine de la prostitution en Belgique,
dont 85 % en situation d’exploitation. Elle estime que le
législateur se doit de protéger ces travailleurs du sexe
qui doivent être reconnus comme victimes.
Mme Crespo insiste sur le fait que ces constats sont
partagés par un réseau international d’associations de
terrain dont fait partie l’ASBL Isala (au Liban, en Amérique
du sud, au Canada et en Inde). De nombreuses études
viennent confirmer les données relevées à propos du
profil et de l’état de santé des victimes, du système de
violence mis en place ou des liens entre prostitution
et traite des êtres humains. En outre, l’oratrice précise
que des enquêtes démontrent l’échec de politiques
réglementaristes dans des pays qui ont dépénalisé le
proxénétisme comme l’Allemagne, les Pays-Bas ou la
Nouvelle-Zélande. Pour l’expert, ces choix renforcent
l’impunité des proxénètes plutôt que de favoriser la
protection des victimes. L’intervenante précise que la
volonté de ces personnes de trouver un travail et de
bénéficier d’un titre de séjour légal, permettant d’être
reconnue en tant que victime, constitue un élément
central de l’évaluation de ces lois au niveau international.
Mme Crespo juge que ce projet de loi ne répond
pas aux besoins de femmes qui veulent sortir de la
prostitution dignement, en bénéficiant d’aides et d’un
statut de résidence dans le pays. L’oratrice estime au
contraire qu’il privera de protection juridique les femmes
et filles victimes d’exploitation sexuelle et de traite des
êtres humains.
Pour l’intervenante, en s’attaquant, ou pas, à la pros
titution en tenant compte de l’égalité entre les hommes
et les femmes, la Belgique met en jeu tout un projet de
société. Il est essentiel de s’atteler à la question de la
prostitution au regard du droit des femmes car cette
activité et ses conséquences ont également des impli
cations pour toutes les femmes de la société.
247
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
d. Uiteenzetting van mevrouw Isabelle Jaramillo,
vertegenwoordigster van Espace P
Mevrouw Isabelle Jaramillo werkt sinds meer dan
20 jaar in het veld, namelijk bij de Brusselse tak van de
vereniging Espace P. Die vzw werkt al dertig jaar aan
sociale acties in het veld, alsook aan een programma
voor gezondheidspromotie, opsporingstests en specifieke
vaccinatie voor sekswerkers. De spreekster geeft aan
dat de vereniging regelmatig door de overheid wordt
aangezocht in te schatten welk percentage van de be
trokkenen tot prostitutie wordt gedwongen dan wel het
slachtoffer is van mensenhandel.
De spreekster stelt dat prostitutie duidelijk verschil
lende vormen kan aannemen, die diverse situaties
weerspiegelen. Zij stelt vast dat een grote meerderheid
van de sekswerkers aangeeft vrij hun eigen keuze te
maken en dit doen om te ontsnappen aan sociaaleco
nomische kwetsbaarheid of aan een situatie die ze als
erger en gevaarlijker dan prostitutie beschouwen, zoals
verstoting door hun familie, dakloos zijn, partnergeweld
ondergaan, een gedwongen huwelijk moeten aangaan
of lijden onder een tekort aan verslavende middelen.
Die betrokkenen stemmen er dus mee in en oefenen
het beroep uit zonder dat daar fysieke dwang bij komt
kijken. Mevrouw Jaramillo nuanceert de interpretatie van
de door andere verenigingen aangehaalde cijfers en
betreurt dat de informatie ter zake niet helemaal correct
is. Wanneer men 80 tot 90 % van de sekswerkers als
slachtoffers van mensenhandel beschouwt, gaat men er
volgens haar ten onrechte van uit dat iedereen die in de
sector actief is en afkomstig is uit Subsaharaans Afrika,
Zuid-Amerika of Oost-Europa, de facto het slachtoffer is
van mensenhandel. De spreekster meent dat het heel
moeilijk en zelfs onmogelijk is in te schatten hoeveel
mensen het slachtoffer zijn van mensenhandelaars die
hen seksueel willen uitbuiten.
Mevrouw Jaramillo vindt dat met het voorliggende
wetsontwerp grote stappen vooruit worden gezet, maar
dat er toch nog schemerzones en leemten zijn.
Positieve ontwikkeling
1. De deskundige stelt dat het wetsontwerp beoogt
sociale grondrechten toe te kennen aan de sekswerkers,
zonder stigmatisering of discriminatie. De spreekster stelt
vast dat heel wat betrokkenen zich groeperen in bars,
privéwoningen, huizenblokken of massagesalons, om niet
in hun eentje te moeten werken op straat, bij een klant of
thuis. In het veld leidt zulks tot ongerijmde situaties op
het vlak van sociaal recht. Zo wordt een sekswerkster
in een bar aan rijksweg nr. 4 te Gembloux doorgaans
aangegeven met een arbeidsovereenkomst als serveer
ster, hetgeen niet overeenstemt met haar daadwerkelijke
d. Exposé de Mme Isabelle Jaramillo, représentante
d’Espace P
Mme Isabelle Jaramillo signale travailler sur le ter
rain depuis plus de vingt ans, à l’antenne bruxelloise
de l’association Espace P. Cette ASBL œuvre, depuis
trente ans, au développement d’une action sociale de
terrain et à un programme de promotion de la santé, de
dépistage et de vaccination spécifiques à l’attention des
travailleurs du sexe. L’oratrice précise que l’association
est régulièrement sollicitée par les pouvoirs publics pour
évaluer les pourcentages de personnes actives dans le
domaine, forcées ou victimes de traite des êtres humains.
L’intervenante estime qu’il existe clairement différents
types de prostitution reflétant des réalités multiples et
variées. Elle constate qu’une grande majorité des tra
vailleurs du sexe déclare être libre de son propre choix
afin d’échapper à un état de précarité socio-économique
ou à une situation considérée comme plus grave et
dangereuse que la prostitution: rejet de la famille, sans
logement, victime de violence conjugale, mariage forcé
ou un état de manque lié à une assuétude. La plupart
de ces personnes sont donc consentantes et exercent
en dehors de toute contrainte physique. Mme Jaramillo
nuance l’interprétation des chiffres d’autres associations
et regrette une certaine désinformation à ce sujet. Selon
elle, considérer que 80 à 90 % des travailleurs du sexe
sont victimes de traite des êtres humains, c’est estimer,
à tort, que toutes les personnes issues d’Afrique subsa
harienne, d’Amérique du Sud ou des pays de l’Est de
l’Europe, actives dans le domaine, sont de facto victimes
de la traite. Pour l’oratrice, il est très compliqué, voir
impossible, d’estimer le nombre de personnes victimes
de trafiquants à des fins d’exploitation sexuelle.
Mme Jaramillo juge que le projet de loi discuté contient
d’importantes avancées mais que des zones d’ombre
et des lacunes subsistent.
Des progrès
1. L’expert estime que le texte accorde des droits
sociaux fondamentaux aux travailleurs du sexe, sans
stigmatisation ni discrimination. L’oratrice constate que
ceux-ci sont nombreux à choisir de se regrouper, dans
des bars, maisons privées, carrées ou salons de mas
sage, afin d’éviter de se retrouver seuls en rue, chez le
client ou à domicile. Sur le terrain, cette situation génère
des excès en matière de droit social. À titre d’exemple,
une travailleuse du sexe active dans un bar sur la Route
nationale 4 à Gembloux est en général déclarée avec un
contrat de travail de serveuse qui ne correspond pas à
2141/006
DOC 55
248
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
activiteit, noch met het aantal gepresteerde uren. Volgens
de spreekster belet zulks dat de betrokkene aanspraak
kan maken op een sociale en juridische bescherming die
strookt met haar daadwerkelijke activiteit, zoals toegang
tot passende arbeidsgeneeskunde of de mogelijkheid
om een werkgever voor het gerecht te dagen, hetgeen
heikel is omdat die werkgever makkelijk kan aanvoeren
dat de activiteit strijdig is met de goede zeden, waardoor
de arbeidsovereenkomst nietig moet worden verklaard.
2. Mevrouw Jaramillo denkt dat de opheffing van het
indienstnemingsverbod het mogelijk zal maken een hele
resem van activiteiten uit de clandestiniteit te halen en
aldus te reglementeren en te professionaliseren. De
gezondheidscrisis heeft immers aangetoond dat overleg
met die sector mogelijk is, meer bepaald met betrekking
tot het opleggen en het in acht nemen van regels inzake
werking, hygiëne en stedenbouw. De spreekster stelt vast
dat in juni 2020, bij de hervatting van de activiteiten na de
gezondheidscrisis, de werkgevers van de Aarschotstraat
en de Kaaienwijk in Brussel het gezondheidsprotocol
hebben uitgehangen, gel en maskers hebben verdeeld
en dat de moderatoren van contactsites informatie over
de beschermingsmaatregelen hebben verstrekt. Volgens
mevrouw Jaramillo blijkt uit de ervaring in het veld dat
de sector vragende partij is voor een duidelijk wettelijk
kader en dat een voorlichtingscampagne welkom zou
zijn, teneinde de werkgevers en werkgeefsters van de
desbetreffende etablissementen duidelijk te maken wat
wel en wat niet legaal is. Zij stipt aan dat informatiever
strekking en bewustmaking inzake de rechten en plichten
op het vlak van sekswerk 20 % van de activiteiten van
Espace P vormen.
3. De deskundige meent dat de opheffing van het
verbod op straatprostitutie het geweld jegens de seks
werkers zal doen afnemen en het veel makkelijker zal
maken een klacht in te dienen indien zulks nodig is. De
ervaring leert immers dat meer gewelddaden plaats
vinden wanneer de betrokkenen zelf in overtreding zijn,
aangezien dat de indiening van een klacht doorgaans
belet. Zulks werd vast gesteld tijdens de tweede stop
zetting van de activiteiten (tussen oktober 2020 en juni
2021); in die periode was er immers veel agressie in de
privésalons, maar werden weinig klachten ingediend.
Wanneer prostitutie wordt verboden en strafbaar wordt
gesteld, heeft dat volgens mevrouw Jaramillo tot gevolg
dat de sekswerkers in verspreide slagorde werken, alsook
dat ze onzichtbaar én kwetsbaarder worden.
4. De spreekster acht het logisch en coherent dat het
verbod op reclame wordt opgeheven; veel gemeenten
zorgen er immers voor dat prostitutie niet zichtbaar
aanwezig is in de openbare ruimte. Zij meent dat de
samenleving de prostituées niet mag opleggen zich te
verbergen zonder de mogelijkheid zich op het internet
son activité réelle ni au nombre d’heures prestées. Pour
l’intervenante, cette situation empêche la personne de
bénéficier d’une protection sociale et juridique adaptée
à son activité réelle, comme l’accès à une médecine du
travail appropriée ou une possibilité d’action en justice
compliquée face à un employeur qui peut facilement
dénoncer une activité contraire aux bonnes mœurs et
causer dès lors la nullité du contrat de travail.
2. Pour Mme Jaramillo, la levée de l’interdiction d’em
bauche va permettre à toute une sphère d’activités de
sortir de la clandestinité et d’être ainsi réglementée et
professionnalisée. En effet, la crise sanitaire a démon
tré qu’une concertation est possible avec ce secteur,
notamment par l’imposition et le respect de règles de
fonctionnement, d’hygiène et d’urbanisme. L’oratrice
constate que lors de la reprise de l’activité suite à la crise
sanitaire, en juin 2020, les patrons de la rue d’Aerschot
et du quartier Yser à Bruxelles ont affiché le protocole
sanitaire, distribué du gel et des masques, alors que les
modérateurs de sites de rencontres ont informé à propos
des gestes barrières. Selon l’intervenante, l’expérience
de terrain démontre que le secteur est demandeur d’un
cadre légal clair et qu’un travail d’information est envi
sageable afin de préciser aux patrons et patronnes de
ces établissements ce qui est légal ou pas. Elle précise
que, chez Espace P, les actions d’information et de
sensibilisation au sujet des droits et devoirs en matière
de travail du sexe constituent 20 % des interventions.
3. L’expert est d’avis que la levée de l’interdiction de
racolage réduira les violences à l’encontre des travailleurs
du sexe et facilitera grandement le dépôt d’une plainte en
cas de besoin. En effet, l’expérience démontre que les
actes de violence augmentent quand les personnes sont
elles-mêmes en situation d’infraction, ce qui empêche
en général le dépôt d’une plainte. Cette situation a été
constatée lors du second arrêt de l’activité (entre octobre
2020 et juin 2021) durant lequel de nombreuses agres
sions ont été enregistrées dans les salons privés, avec
peu de plaintes à la clé. Pour Mme Jaramillo, interdire et
criminaliser la prostitution, c’est disperser, rendre invisible
et accentuer la vulnérabilité des travailleurs du sexe.
4. L’intervenante estime logique et cohérente la levée
de l’interdiction de la publicité alors que de nombreuses
communes empêchent toute visibilité de la prostitution
dans l’espace public. Selon elle, la société ne peut
imposer aux prostituées de se cacher sans se faire
connaître sur internet et la reconnaissance de l’activité
249
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
kenbaar te maken. De erkenning van de activiteit als
beroep opent de deur voor reclame ervoor. De spreekster
beklemtoont dat diverse verenigingen, waaronder Amnesty
International, Dokters van de Wereld België, Médecins
du Monde France en UNAIDS bepleiten prostitutie en
de hele organisatie ervan uit het Strafwetboek te halen.
5. Volgens mevrouw Jaramillo wijst het wetsontwerp
erop dat de wetgever wil streven naar een inclusievere
samenleving, aangezien het sociaal recht en het ar
beidsrecht op het sekswerk van toepassing zouden zijn.
Zij meent dat het een grote stap vooruit is dat men zich
niet laat leiden door de vrees dat heel wat kwetsbare
vrouwen sekswerkster zouden worden of door ons moreel
oordeel, maar dat men aanvaardt dat de betrokkenen
worden erkend en ontsnappen aan een clandestien
bestaan, alsook aan sociale uitsluiting. De deskundige
stelt dat men, door straatprostitutie niet langer als misdrijf
te beschouwen, reclame niet langer te verbieden en de
plekken waar aan prostitutie wordt gedaan te legaliseren,
kiest voor de inclusie van duizenden mensen die een
bestaan hebben opgebouwd op grond van een beroep
aan de rand van de samenleving, en die alleen maar
dezelfde rechten en plichten als de andere burgers
willen krijgen.
Schemerzones en redenen tot vrees
1. Mevrouw Jaramillo geeft uiting aan de vrees dat
personen die het slachtoffer zijn van mensenhandel met
het oog op seksuele uitbuiting, zullen worden behandeld
als een “gewoon” slachtoffer van misbruik van prostitutie.
Wanneer de politie en het gerecht, maar ook de potentiële
slachtoffers zelf die twee statussen dooreen gebruiken,
kan zulks negatief uitpakken inzake de toegang van die
laatsten tot bepaalde rechten. De spreekster stelt voor
alles wat momenteel onder artikel 433quinquies van
het Strafwetboek ressorteert, samen met alle andere
vormen van misbruik van prostitutie, te vatten onder de
noemer van “misdrijf van mensenhandel”, met name een
slachtoffer werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten
en opvangen, de controle over het slachtoffer nemen of
overdragen met het oog op diens uitbuiting, een persoon
met list aanzetten tot prostitutie, een klant ertoe verplich
ten een seksuele handeling te stellen of de sekswerker
een klant opdringen, een minderjarige aanwerven met
een arbeidsovereenkomst om sekswerk te verrichten,
de seksuele uitbuiting van een minderjarige faciliteren,
klant zijn van een minderjarige sekswerker en als werk
gever of als eigenaar een abnormaal voordeel halen uit
de prostitutie van derden. Anderdeels meent mevrouw
Jaramillo dat men bij de erkenning van de activiteit van
sekswerkers de betrokkenen de mogelijkheid moet la
ten om voor de arbeidsrechtbank een klacht tegen een
werkgever in te dienen wanneer die het arbeidsrecht of
het sociaal recht schendt. Ze stelt vast dat ook andere
comme métier ouvre la porte à la publicité de celui-ci.
L’oratrice souligne que diverses associations comme
Amnesty International, Médecins du Monde Belgique
et France ou ONUSIDA prônent la sortie du code pénal
de l’activité de prostitution et de tout ce qui l’organise.
5. Mme Jaramillo estime que l’ouverture du travail
du sexe au champ du droit social et du droit du travail
exprime dans la loi la volonté de construire une société
plus inclusive. Elle considère qu’il s’agit d’une avancée
majeure que d’accepter que ces personnes soient
reconnues et échappent à la clandestinité et à l’exclusion
sociale, plutôt que de nous laisser guider par la peur
de voir de nombreuses femmes en situation de vulné
rabilité rejoindre les rangs des travailleuses du sexe ou
par notre jugement moral. Pour l’expert, supprimer le
délit de racolage et l’interdiction de la publicité, tout en
légalisant les lieux d’activité, c’est faire le choix d’inclure
des milliers de personnes qui se sont construites dans
une activité professionnelle à la marge de la société et
qui ne demandent qu’à bénéficier des mêmes droits et
devoirs que les autres citoyens.
Des zones d’ombre et des craintes
1. Mme Jaramillo souligne la crainte de voir des per
sonnes victimes de la traite des êtres humains à des fins
d’exploitation sexuelle être traitées comme de simples
victimes d’abus de prostitution. Cette confusion entre
ces deux statuts, tant dans le chef de la police et de la
justice que chez les victimes potentielles elles-mêmes,
peut avoir des conséquences négatives en termes d’accès
aux droits. L’intervenante suggère de regrouper sous
le même délit de traite des êtres humains tout ce qui
relève actuellement de l’article 433quinquies du code
pénal avec tous les autres abus de prostitution, à savoir:
recruter, transporter, transférer, héberger, accueillir une
victime, prendre ou transférer le contrôle exercé sur elle
dans un but d’exploitation , utiliser la ruse pour amener
quelqu’un à se prostituer, imposer à un client une pra
tique sexuelle ou une prise de la passe au travailleur du
sexe, embaucher un mineur dans le cadre d’un contrat
de travail du sexe, faciliter l’exploitation sexuelle d’un
mineur, être client d’un travailleur du sexe mineur et
le fait de tirer un avantage anormal de la prostitution
d’autrui dans le chef de l’employeur ou du propriétaire.
D’autre part, dans un contexte de reconnaissance de
l’activité des travailleurs du sexe, Mme Jaramillo estime
qu’il convient de laisser la possibilité à ces personnes
de porter plainte contre un employeur devant un tri
bunal du travail en cas d’infraction dans le domaine
du droit du travail ou du droit social. Elle constate que
d’autres secteurs professionnels sont également sujets
2141/006
DOC 55
250
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
beroepssectoren zich aan uitbuiting schuldig maken: Uber,
de textielsector, de bouwsector, de horeca enzovoort. Dat
de werknemers in die sectoren worden uitgebuit, belet
echter niet dat ze rechten krijgen. De spreekster heeft
vragen bij het feit dat enkel de uitbuiting van vrouwen
in de prostitutie een issue lijkt, zelfs in die mate dat het
beroep niet kan worden erkend.
2. Mevrouw Jaramillo vindt dat de voorliggende tekst
het begrip “abnormaal voordeel” onvoldoende afbakent ten
behoeve van de rechter, die het moet kunnen definiëren
en bewijzen. Ze stelt voor met de sector te overleggen
om een grensbedrag te bepalen dat dagelijks aan de
werkgever moet worden gestort.
3. De spreekster betreurt dat ze moeilijk precies kan
inschatten hoe deze hervorming moet worden bekendge
maakt en ondersteund. Met de intrekking van artikel 380
van het Strafwetboek mag de wetgever zich aan felle
verwijten van het middenveld verwachten dat de prostitutie
wordt gebanaliseerd. Ze adviseert de wetgever dan ook
in de intentienota en in elke communicatie ter zake te
verduidelijken dat met de hervorming wordt beoogd de
sekswerkers uit de clandestiniteit te halen, hun specifieke
rechten te geven, een einde te maken aan hun sociale
uitsluiting en aan de huidige morele veroordeling, die
hen nog kwetsbaarder maakt.
4. De deskundige vraagt zich af hoe de gemeentelijke
bevoegdheden inzake de aanpak van de prostitutie zullen
evolueren. Tot dusver zijn de gemeenten belast met de
openbare orde en met de handhaving inzake de aantas
ting van de goede zeden, dus met de prostitutieactiviteit
op hun grondgebied, waarbij ze de facto uiteenlopende
benaderingen en reglementeringen hanteren. Ter illustratie
verwijst de spreekster naar drie Brusselse gemeenten
die ter zake een zeer uiteenlopende aanpak hanteren:
* in Brussel-Stad is straatprostitutie op straffe van een
politieboete verboden; de politie verwijst door naar het
parket, dat echter niet vervolgt;
* in Sint-Joost-ten-Node geldt een regeling waarbij
het verboden is seksueel getinte voorwerpen vanachter
het raam te tonen; zeven uur vóór en na de organisatie
van een wijkactiviteit is raamprostitutie verboden;
* in Schaarbeek eist de gemeente een conformiteitsat
test voor de ruimten waarin aan prostitutie wordt gedaan
en is onderverhuur verboden. De etablissementen in de
Aarschotstraat zijn wel erkend als prostitutiesalon, maar
zijn aangegeven als drankgelegenheid en ressorteren
dus onder het horecastatuut.
à l’exploitation: Uber, le textile, le bâtiment, l’Horeca, …
Cette situation n’empêche pas les travailleurs d’obtenir
des droits en tant que travailleurs sous prétexte qu’ils
sont exploités. L’oratrice s’interroge sur le fait que seule
l’exploitation des femmes dans la prostitution semble
déranger au point de constituer un obstacle à toute
professionnalisation de l’activité.
2. Mme Jaramillo trouve que l’on ne cerne pas clai
rement à ce stade ce qui permettra au juge de définir et
de prouver la notion de profit anormal. Elle propose que
des concertations professionnelles soient organisées
afin de fixer une somme limite à verser chaque jour à
l’employeur.
3. L’intervenante regrette de ne pas avoir d’idée précise
du travail de communication qui est sensé entourer et
appuyer cette réforme. Le retrait de l’article 380 du code
pénal risque d’entraîner de nombreuses accusations de
banalisation de la prostitution au sein de la société civile.
Elle recommande donc au législateur de préciser dans
la note d’intention et dans toute communication que le
but de la réforme est de sortir les travailleurs du sexe de
la clandestinité, de leur donner des droits spécifiques,
de mettre fin à l’exclusion sociale et au jugement moral
actuel qui les fragilise encore plus.
4. L’expert se questionne à propos de l’évolution à
venir des compétences communales en matière de
gestion de la prostitution. A ce jour, les communes sont
en charge de l’ordre public et du domaine de l’atteinte
aux bonnes mœurs, donc de l’activité de la prostitution
sur leur territoire, avec de facto des approches et régle
mentations différentes. A titre d’exemple, trois communes
bruxelloises ont des conduites bien différentes sur la
question:
* à Bruxelles-ville, le racolage est interdit sous couvert
d’une amende de police qui renvoie au parquet, lequel
ne poursuit pas;
* à Saint-Josse-ten-Noode, une réglementation
concerne une interdiction de montrer des objets à ca
ractère sexuel en vitrine et une obligation de fermeture
des vitrines sept heures avant et après l’organisation
d’une activité de quartier;
* à Schaerbeek, la commune exige un certificat de mise
en conformité des locaux et interdit toute sous-location.
Les établissements rue d’Aerschot sont reconnus comme
salons de prostitution mais inscrits comme débits de
boissons et donc dépendants du statut Horeca.
251
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Jaramillo merkt op dat bepaalde gemeenten
zelfs nauwelijks moeite doen om te verbergen dat ze
geen sekswerkers met een migratieachtergrond moeten,
terwijl de private prostitutieruimten elders systematisch
worden gesloten; op die manier verplaatst de prostitu
tieactiviteit zich van de ene gemeente naar de andere
en gaat ze ondergronds. De spreekster vindt het gebrek
aan communicatie en aan onderlinge afstemming van
het gemeentebeleid ter zake betreurenswaardig; in de
praktijk heeft zulks negatieve gevolgen.
In Athus (provincie Luxemburg) bestaat een regle
ment dat elke prostitutieactiviteit in de openbare ruimte
verbiedt; het wordt echter niet in acht genomen, en bij
gebrek aan middelen wordt het evenmin gehandhaafd,
noch is zulks een prioriteit. In de strijd tegen huisjesmel
kers heeft de gemeente een reglement uitgevaardigd
dat bepaalt dat een taks van 800 euro per kamer wordt
opgelegd aan de eigenaars die personen huisvesten
die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. De
spreekster stelt vast dat het in die gemeente vooral gaat
om migranten, al dan niet ingezetenen van de Europese
Unie, die een toeristenvisum aanvragen; om zich te
kunnen inschrijven in de gemeente moeten ze binnen
drie maanden werk vinden op de reguliere arbeidsmarkt
en de nodige documenten kunnen voorleggen (bijlage
19). In de feiten krijgt de ASBL Espace P te maken met
overijverig gemeentepersoneel en verkeert de vereniging
bovendien in onzekerheid over het standpunt van de
waarnemende burgemeester, die momenteel over de
dringende zaken gaat. Dit is dus een complexe toestand
die vaak de sociale en de medische opvolging van de
betrokkenen in het gedrang brengt. Mevrouw Jaramillo
vindt het bijgevolg belangrijk te weten of de gemeenten
in de toekomst nog steeds over het recht zullen beschik
ken om prostitutie op hun grondgebied te verbieden.
Lacunes
1. Volgens de deskundige ontbreekt het aan een bud
gettair akkoord dat de nodige extra middelen waarborgt
om mensenhandel voor seksuele uitbuiting en toekomstige
gevallen van misbruik van prostitutie efficiënt tegen te
gaan. De spreekster is van oordeel dat men absoluut
middelen moeten vrijmaken om de situatie in het veld
te onderzoeken en de prostitutielocaties te bezoeken
indien men van de bestrijding van mensenhandel voor
seksuele uitbuiting werkelijk een maatschappelijk speer
punt wil maken, nu bepaalde diensten worden gesloten
of samengesmolten.
2. Mevrouw Jaramillo is van oordeel dat er nood is
aan een ingrijpende en aanvullende specifieke aanpas
sing van het sociaal recht en het arbeidsrecht inzake
het sekswerk. Ze heeft bijvoorbeeld vragen bij de mo
gelijkheid om arbeidsovereenkomsten nietig te verklaren
Mme Jaramillo fait remarquer que dans certaines
communes, les travailleurs du sexe migrants font l’objet
d’un ostracisme à peine déguisé alors qu’ailleurs, les
lieux de prostitution privés sont systématiquement fer
més, ce qui entraîne des déplacements de l’activité d’un
territoire communal à un autre et une clandestinisation
de la prostitution. L’oratrice estime que le manque de
communication et d’harmonisation des politiques entre
les communes est regrettable et a des conséquences
négatives sur le terrain.
À Athus, en province du Luxembourg, une réglemen
tation interdit toute activité de prostitution dans l’espace
public mais l’application de ce règlement n’est pas
respectée, faute de moyens, et ne constitue pas une
priorité. Pour lutter contre les marchands de sommeil, la
commune a mis en place une règlementation qui impose
une taxe de 800 euros par chambre aux propriétaires
qui hébergent des personnes non-inscrites au registre
de la population. L’intervenante constate que l’on y
rencontre essentiellement des personnes migrantes,
ressortissantes ou non de l’Union européenne, à la
recherche d’un visa touristique alors que s’enregistrer
à la commune nécessite de trouver un travail régulier
dans les trois mois et d’obtenir des papiers (annexe 19).
Dans les faits, l’ASBL Espace P est confrontée au zèle
du personnel communal et même à l’incertitude quant
au positionnement du bourgmestre faisant fonction qui
traite actuellement les affaires urgentes.Les situations
et réalités sont donc complexes et fragilisent souvent le
travail de suivi social et médical. Mme Jaramillo estime
qu’il est donc important de savoir si les communes
conserveront à l’avenir le droit d’interdire la prostitution
sur leur territoire.
Des lacunes
1. L’expert juge qu’il manque un accord budgétaire
qui garantisse les moyens supplémentaires néces
saires pour lutter efficacement contre la traite des êtres
humains à des fins d’exploitation sexuelle et les futurs
abus de prostitution. L’oratrice estime qu’il est essentiel
de dégager des moyens pour les enquêtes de terrain et
les visites des lieux de prostitution si on souhaite que
la lutte contre la traite à des fins d’exploitation sexuelle
soit une réelle priorité sociétale, à l’heure où l’on ferme
ou fusionne certains services.
2. Mme Jaramillo juge qu’il manque une importante
et complémentaire adaptation spécifique du droit social
et du droit du travail au travail du sexe. Elle s’interroge
par exemple sur la possibilité de voir les contrats de
travail être frappés de nullité en cas de pratique jugée
2141/006
DOC 55
252
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
indien wordt geoordeeld dat de praktijken indruisen
tegen de goede zeden. De spreekster wijst erop dat
men in de prostitutie kan verzeilen als gevolg van een
specifieke crisissituatie waarbij iemand zijn houvast is
verloren (macht over een individu, trauma’s enzovoort)
of zijn werk of woning is kwijtgespeeld. Ze vraagt zich
af welke mogelijkheid de sekswerker zou hebben om
uit de prostitutie te stappen wanneer de betrokkene dat
wil, zonder vooropzeg en zonder vrees om een even
tueel recht op werkloosheidsuitkeringen te verliezen.
In dezelfde zin lijkt het de deskundige belangrijk de
toegang tot het zelfstandigenstatuut te vergemakkelijken
door de verplichting af te schaffen dat een basiskennis
bedrijfsbeheer moet worden aangetoond.
3. Volgens mevrouw Jaramillo is het absoluut nood
zakelijk te voorzien in duidelijke voorwaarden inzake
de exploitatie van prostitutielocaties om de macht in
te perken van de maffiabendes die in het milieu actief
zijn. In de praktijk gebeurt het immers vaak dat de
uitbaters stromannen zijn, terwijl achter de schermen
maffiabendes of gewetenloze personen kapitalen inves
teren en witwassen zonder dat hun naam opduikt in de
arbeidsovereenkomsten, en die met een groot deel van
de rijkelijke winsten gaan lopen.
Tot slot en als antwoord op bepaalde feministische
verenigingen weigert de vertegenwoordigster van Espace
P erin mee te gaan dat de strijd voor de waarden van
gelijkheid en respect tussen mannen en vrouwen ten
koste zou gaan van de veiligheid en/of het welzijn van
de mensen in de prostitutie en de slachtoffers van men
senhandel in het veld. Mevrouw Jaramillo vindt dat
vrouwenemancipatie geen strijd is die ten koste van de
sekswerksters mag worden gevoerd, maar waarvoor
samen met hen moet worden geijverd; in dat verband
moeten zij een rechtmatige stem krijgen.
e. Uiteenzetting van mevrouw Véronique De Keyser,
voorzitster van het Centre d’Action Laïque ASBL (CAL)
Mevrouw Véronique De Keyser geeft aan dat zij
het woord voert als vertegenwoordigster van het CAL,
maar zich tegelijk baseert op haar ervaring als emeritus
hoogleraar in de psychologie aan de ULG en als voor
zitster van het Internationaal Wetenschappelijk Comité
van de leerstoel over seksueel geweld jegens meisjes
en vrouwen.
De spreekster stelt vooreerst vast dat de cijferge
gevens over dit onderwerp heel uiteenlopend zijn. Ze
verwijst naar een aantal bedenkingen uit een werk over
seksueel geweld van Muriel Salmona, een gerenom
meerde Franse psychiater die een vereniging rond
victimologie leidt en in Frankrijk heeft deelgenomen aan
de belangrijkste onderzoeken naar dit onderwerp. Op
contraire aux bonnes mœurs. L’intervenante constate
que l’entrée dans la prostitution peut avoir lieu dans
un contexte particulier de crise, de perte de repères
(emprise d’un individu, traumatisme, …), de perte d’un
emploi ou d’un logement. Elle s’interroge concernant
la possibilité qui sera laissée au travailleur du sexe de
quitter la prostitution quand il le souhaite, sans prévis,
sans crainte de perdre un éventuel droit au chômage.
Dans le même registre, il apparait important à l’expert
que l’accès au statut d’indépendant soit facilité par la
suppression de l’obligation de prouver des connaissances
de base en gestion.
3. Mme Jaramillo est d’avis qu’il est indispensable
de prévoir des conditions d’accès précises à la gestion
de lieux de prostitution pour limiter l’emprise des mafias
œuvrant dans le milieu. Sur le terrain, il est en effet
fréquent que les gérants soient des hommes de paille
alors que des mafias ou personnes peu scrupuleuses
investissent et blanchissent des capitaux dans l’ombre,
sans intervenir dans les contrats de travail, et récupèrent
une grande part de plantureux bénéfices.
En conclusion et en réponse à certaines associations
féministes, la représentante d’Espace P refuse que le
combat pour les valeurs d’égalité et de respect entre
les hommes et les femmes se fasse au détriment de la
sécurité et/ou du bien-être des personnes en situation
de prostitution et des victimes de la traite des êtres
humains sur le terrain. Mme Jaramillo estime que la lutte
pour l’émancipation des femmes ne doit pas se faire sur
le dos des travailleuses du sexe mais à leur côté, avec
elles, tout en légitimant leur parole.
e. Exposé de Mme Véronique De Keyser, présidente
du Centre d’Action Laïque ASBL
Mme Véronique De Keyser souligne qu’elle s’exprime
en tant que représentante du CAL, tout en profitant de
son expérience de professeur émérite de psychologie
de l’ULG et de présidente du Comité scientifique inter
national de la chaire sur les violences sexuelles à l’égard
des filles et des femmes.
L’intervenante constate d’emblée la diversité des
données chiffrées sur le sujet du jour. Elle tire quelques
réflexions d’un ouvrage sur la violence sexuelle de la
psychiatre, Muriel Salmona, spécialiste française de
référence qui dirige une association de victimologie et
a participé aux grandes enquêtes de son pays dans ce
domaine. Sur base de ces recherches, l’oratrice dresse
253
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
basis van die onderzoeken komt de spreekster tot de
vaststelling dat seksueel geweld in alle geledingen van
de maatschappij aanwezig is en meestal wordt gepleegd
door mannen uit de dichte kring van het slachtoffer (bij
meerderjarige slachtoffers in 90 % van de gevallen; bij
minderjarige slachtoffers in 94 % van de gevallen). Ze
wijst er daarenboven op dat in Frankrijk 94 000 meer
derjarige vrouwen en 16 000 meerderjarige mannen het
slachtoffer zijn geworden van verkrachting of poging tot
verkrachting.
De spreekster wijst vervolgens op de enorme toe
name van het aantal gevallen van pedocriminaliteit op
het internet, waarvan de slachtoffers almaar jonger zijn;
in 90 % van de gevallen zijn ze tussen drie en dertien
jaar oud. Terwijl in 2014 een miljoen dergelijke foto’s en
video’s werden geteld, ging het in 2018 om 45 miljoen
en in 2019 om 70 miljoen.
Mevrouw De Keyser stelt tevens vast dat minder
dan 10 % van de slachtoffers van verkrachting klacht
indient, terwijl minder dan 1 % van de verkrachters wordt
veroordeeld voor feiten waarvoor het soms moeilijk
is om het bewijs te leveren. Volgens de spreekster is
verkrachting het misdrijf dat de grootste straffeloos
heid geniet en waarvan volstrekt wordt weggekeken.
Verkrachting gebeurt hoofdzakelijk binnen het – vaak
heel geïdealiseerde – gezin en vindt plaats in alle soci
aaleconomische kringen.
De deskundige is ingenomen met een wetsontwerp dat
het mogelijk maakt taboes te doorbreken en dergelijke
onderwerpen te bespreken. Mevrouw De Keyser vraagt
zich evenwel af of het tegemoet zal kunnen komen aan
heel wat bijzondere situaties. De spreekster gaat in op
de uiteenzetting van mevrouw Crespo en benadrukt dat
de symptomatologie van seksueel geweld belangrijk is.
Die is thans welbekend en zou ervoor kunnen zorgen
dat het slachtoffer onmiddellijk de gepaste zorg krijgt.
De spreekster vindt het jammer dat in het wetsontwerp
niets staat over het gebruik van de jongste wetenschap
pelijke ontwikkelingen inzake de opsporing van de sporen
van seksueel geweld die niet fysiek waarneembaar zijn,
maar die erg zware gevolgen hebben en iemands leven
verwoesten.
Mevrouw De Keyser roept op tot een alomvattende
aanpak van het vraagstuk, met aandacht voor de as
pecten volksgezondheid, gerecht en bewustmaking
van de publieke opinie. Ze is van oordeel dat een grote
inspanning nodig is qua preventie, slachtofferhulp, straf
baarstelling en opleiding van alle betrokken spelers, om
het probleem echt in zijn geheel te kunnen aanpakken.
De spreekster benadrukt nog dat het wetsontwerp al
leen doeltreffend kan zijn indien ook andere onderdelen
le constat de violences sexuelles présentes dans tous
les milieux sociaux et la plupart du temps commises par
des hommes, issus du cercle rapproché de la victime (à
raison de 90 % pour les victimes majeures et de 94 %
pour les mineures). Elle relève en outre qu’en France,
ce sont 94 000 femmes et 16 000 hommes majeurs qui
ont ainsi subi des viols ou tentatives de viols.
L’oratrice évoque ensuite l’explosion de la pédocrimi
nalité sur internet et impliquant des enfants et des filles
de plus en plus jeunes, de trois à treize ans, dans 90 %
des cas. On est ainsi passé d’un million de photos et
vidéos identifiées comme telles en 2014, à 45 millions
en 2018 et à 70 millions en 2019!
Mme De Keyser constate également que moins de
10 % des victimes de viols portent plainte alors que
moins de 1 % des violeurs sont condamnés pour des
actes nécessitant une démonstration de preuve parfois
complexe à recueillir. Pour l’oratrice, le viol est un crime
qui bénéficie de la plus grande impunité et bénéficie
d’un déni total. Il se produit principalement dans un
cercle familial, souvent fort idéalisé, et au sein de tous
les milieux socio-économiques.
L’expert se félicite d’un projet qui permette de briser
des tabous et de parler de ces problématiques. Mme De
Keyser se questionne cependant sur la capacité du texte
à répondre à de nombreuses situations particulières.
Revenant sur les propos de Mme Crespo, elle sou
ligne tout l’intérêt de la symptomatologie des violences
sexuelles, aujourd’hui bien connue et qui pourrait per
mettre à la victime de bénéficier immédiatement d’une
prise en charge. L’oratrice regrette de ne trouver aucune
trace dans le projet de loi de l’exploitation des derniers
développements scientifiques à propos de la détection
des traces d’agressions sexuelles, autres que physiques
mais très destructrices et ruinant la vie de personnes.
Mme De Keyser souhaite une approche globalisante au
sujet d’une problématique impliquant la santé publique,
la justice et la sensibilisation de l’opinion publique. Elle
estime qu’un important travail est nécessaire dans les
domaines de la prévention, de la prise en charge des
victimes, de la pénalisation et de la formation de tous
les acteurs concernés, afin d’obtenir un impact réel sur
la problématique dans son entièreté. L’intervenante
souligne encore que le projet de loi ne peut être rendu
2141/006
DOC 55
254
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
worden uitgewerkt en meegenomen in de denkoefening
van andere beleidsniveaus en assemblees.
De deskundige benadrukt dat het CAL opkomt voor
het recht op een vrije, bevredigende en niet strafbaar
gestelde seksualiteit voor eenieder, ongeacht of men
kind, adolescent, persoon met een handicap, volwas
sene enzovoort is. Mevrouw De Keyser heeft echter
de indruk dat de huidige versie van het wetsontwerp
seksualiteit enigszins strafbaar stelt. Volgens haar geldt
dit met name voor de adolescenten, wegens de door
de wetgever gekozen leeftijdsgrenzen. Ze denkt dat er
zeer veel gevallen zullen opduiken van verkrachting
die er eigenlijk geen is, door de regel dat iemand jon
ger dan de volle leeftijd van zestien jaar geacht wordt
geen toestemming te kunnen geven. De spreekster
licht haar punt toe aan de hand van het in de media
gekomen banale liefdesverhaal tussen twee jongeren
van respectievelijk 13 en 16 jaar, dat tot een jaar gevan
genisstraf wegens verkrachting heeft geleid. Mevrouw
De Keyser stelt voor het leeftijdsverschil op te trekken,
bijvoorbeeld naar vier of vijf jaar, om te voorkomen dat
een natuurlijke seksualiteitsbeleving strafbaar wordt
gesteld, terwijl die beleving te verkiezen is boven een
kunstmatige eerste kennismaking met seksualiteit dan
wel of via kinderpornografische beelden die circuleren
op het internet. Voorts vindt ze het jammer dat krachtens
het wetsontwerp mensen met een mentale handicap
en een verminderde wilsbeschikking evenmin hun toe
stemming kunnen geven, terwijl ook zij hun seksualiteit
moeten kunnen beleven. De spreekster is van oordeel
dat de tekst moet worden herwerkt en dat men goed voor
ogen moet houden dat het de bedoeling is de seksuele
misdrijven aan te pakken, en tegelijk te voorkomen dat
seksualiteit strafbaar wordt gesteld.
Aangezien men thans beter weet welke pathologieën
zich kunnen voordoen en er meer inzicht in heeft, is
mevrouw De Keyser voorstandster van een langere
verjaringstermijn. Uit studies blijkt dat traumatisch ge
heugenverlies tot lang na een seksuele gewelddaad kan
aanhouden, vooral bij herhaalde feiten, en dat het hele
psychisch functioneren erdoor kan worden aangetast,
met een reflex om de traumatische herinnering weg te
duwen. De spreekster geeft aan dat zulks een tijdlang
kan duren, aangezien de herinnering – door sociale en
soms familiale druk – in bepaalde gevallen pas weer
bovenkomt wanneer het slachtoffer de gepaste zorg
krijgt, met een luisterend oor en in vertrouwen.
Mevrouw De Keyser is er fel tegen gekant dat incest
met iemand ouder dan de volle leeftijd van 18 jaar wordt
geacht met toestemming te hebben plaatsgevonden. De
deskundige is van oordeel dat seksuele handelingen
binnen een gezin nooit onverhoeds worden gesteld,
efficace que si d’autres volets sont développés et inté
grés à la réflexion à d’autres niveaux de pouvoirs et
dans d’autres assemblées.
L’experte souligne que le CAL défend le droit à une
sexualité libre, épanouissante et non criminalisée pour
tout un chacun, que l’on soit enfant, adolescent, han
dicapé, adulte, … Or, Mme De Keyser fait part de son
impression d’une certaine criminalisation de la sexualité
telle qu’énoncée par le projet de loi. C’est le cas, lui
semble-t-il, à propos des adolescents, en raison des
limites d’âge choisies par le législateur. Elle estime que
des cas de faux viols vont être très fréquents à cause
de la règle selon laquelle la notion de consentement
n’est pas considérée comme valable avant l’âge de
seize ans. L’oratrice appuie son propos par l’exemple
relaté par la presse d’une banale amourette entre deux
jeunes de 13 et 16 ans qui entraîne une peine d’un an
pour viol. Mme De Keyser suggère d’augmenter l’écart
d’âge, en le portant à quatre ou cinq ans par exemple,
afin d’éviter de criminaliser une sexualité naturelle et
davantage souhaitable qu’une initiation artificielle ou à
travers des images pédopornographiques qui circulent
sur internet. De même, elle regrette que, selon le texte,
un handicapé mental dont le libre arbitre est altéré
n’ait pas de capacité de consentement valable alors
que la sexualité doit pouvoir s’exprimer chez lui aussi.
L’intervenante juge qu’il convient de remanier le texte
et de bien garder l’objectif de viser les crimes sexuels
tout en évitant de criminaliser la sexualité.
Mme De Keyser exprime son souhait de voir le délai
de prescription prolongé en fonction de pathologies
mieux connues et appréhendées aujourd’hui. Selon
des études, une amnésie traumatique peut perdurer
longtemps après une agression sexuelle, surtout si
celle-ci est répétée, et entraîner une altération de tout
le fonctionnement psychique, tout en causant un réflexe
de sauvegarde de la mémoire traumatique. L’oratrice
estime que cela peut prendre du temps car suite à la
pression sociale et parfois familiale, ce n’est que quand
la victime est prise en charge que le souvenir revient,
dans un contexte d’écoute et de confiance.
Mme De Keyser fait part de sa vive opposition au fait
que l’inceste puisse être considéré comme un consen
tement valable à partir de 18 ans. Pour l’expert, il n’y
a jamais d’acte survenant brutalement au sein d’une
famille qui n’ait été précédé d’un climat pathogène ou
255
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
maar dat zij steeds worden voorafgegaan door een pa
thogeen of erotisch klimaat, of zelfs door aanrakingen.
Het CAL verzoekt de regeling ter zake te herzien, want
indien een jong meisje op 18-jarige leeftijd zwicht, is
dat geenszins toeval maar vaak het resultaat van een
langdurige morele marteling.
De spreekster is ingenomen met de krachtige be
woordingen waarmee het wetsontwerp de uitbuiting van
minderjarigen wil aanpakken. Volgens de spreekster
is er op dat vlak veel werk aan de winkel, gelet op de
enorme toename van kinderpornografie op het internet,
de opmars van secundaire sexting (het doorsturen van
beelden van adolescenten naar derden) of op het aantal
groepsverkrachtingen onder jongeren. Ze stelt vast dat
ter zake ook sprake is van georganiseerde misdaad. Die
moet weliswaar worden bestraft, maar de gevangenis zal
de meeste van die jongeren niet genezen. Mevrouw De
Keyser is er stellig van overtuigd dat meer moet worden
ingezet op seksuele en emotionele opvoeding. Met meer
preventieve inspanningen zullen doeltreffender resultaten
worden behaald dan met strafsancties.
De deskundige is ingenomen met het werk van de
actoren in het veld en benadrukt dat ze de door de ver
tegenwoordigster van de vzw Isala voorgestane ideeën
onderschrijft. De spreekster vindt dat de sekswerkers
moeten worden beschermd. Zij werken vaak in erg moei
lijke, zo niet onmogelijke omstandigheden. De spreekster
vindt het jammer dat de kwetsbare situatie en de geldige
toestemming niet langer in het wetsontwerp worden
vermeld. Mevrouw De Keyser verwijst van een Luikse
getuige die vaststelde dat iemand zich prostitueerde in
ruil voor drugs of dat bepaalde studentes via prostitutie
uit hun kwetsbare situatie willen geraken. De spreekster
vindt dat weliswaar in betere levensomstandigheden moet
worden voorzien, alsook in bescherming voor mensen
in de prostitutie, maar zulks mag geen kunstgreep zijn
die de sociale ongelijkheden verhult, zoals gebeurde
met de wet op de kinderarbeid aan het einde van de 19e
eeuw. Er moet dan ook worden aangegeven dat dit geen
baan is zoals een andere, daar het een beroep betreft
met een onaanvaardbaar risico. Volgens de spreekster
moet het gezondheidsaspect ernstig moet worden on
derzocht op basis van statistieken. Als prostitutie een
baan wordt zoals alle andere, impliceert zulks tevens
dat de Europese dienstenmarkt zal worden opengesteld.
Mevrouw De Keyser geeft aan dat een groter aanbod in
Duitsland heeft geleid tot een lagere prijs per klant. De
diensten hebben evenwel ook een enorme gedaante
verandering doorgemaakt, waarbij de lokale prostituees
werden verdrongen door jongere meisjes en jongens.
Tot slot verzoekt de spreekster met aandrang het
wetsontwerp in een ruimer perspectief te plaatsen. Ze
vraagt te overwegen de prostitutie uit een economisch
érotique, voir d’attouchements. Le CAL souhaite que l’on
revoie cet élément car si une jeune fille cède à 18 ans,
ce n’est en rien un accident mais souvent le fruit d’une
longue torture morale.
L’intervenante salue l’approche volontariste du texte à
propos de l’exploitation des mineurs. L’oratrice estime qu’il
y a beaucoup à faire dans le domaine suite à l’explosion
de la pédopornographie sur internet, au phénomène en
pleine croissance du sexting secondaire, la diffusion de
photos d’adolescents au-delà du destinataire ou de cas de
viols collectifs chez les jeunes. Elle constate qu’il existe
également une criminalité organisée dans le domaine
qu’il faut pénaliser mais que la prison ne va pas guérir
la plupart de ces jeunes. Mme De Keyser exprime avec
force sa conviction de la nécessité de davantage compter
sur l’éducation à la sexualité et à la vie affective par un
important travail de prévention qui permet d’œuvrer plus
efficacement que par la sanction pénale.
L’expert salue le travail des acteurs de terrain et
souligne un rapprochement avec les idées défendues
par la représentante de l’ASBL Isala. L’oratrice estime
qu’il convient de protéger les travailleurs du sexe dont
les conditions de travail sont très difficiles voir impos
sibles. Elle regrette que la situation de vulnérabilité ne
soit plus évoquée dans le texte ainsi que la validité de
la notion de consentement. Mme De Keyser fait part
de l’expérience d’un témoin liégeois qui constate une
prostitution exercée dans le but d’acquérir des doses
de drogue ou pratiquée par des étudiantes souhaitant
sortir de la précarité de leur situation. L’intervenante
estime qu’il faut certes fournir de meilleures conditions
d’existence et protéger les personnes en situation de
prostitution mais cette action ne peut constituer une
solution artificielle qui occulte les inégalités sociales,
à l’image de la loi sur le travail des enfants à la fin du
19e siècle. Il convient donc d’estimer qu’il ne s’agit en
rien d’un travail comme un autre car cette activité à
risque n’est pas acceptable. L’oratrice juge qu’il faut
sérieusement étudier l’aspect sanitaire sur base de
statistiques. Elle signale que faire de la prostitution un
travail comme un autre implique aussi l’ouverture des
services du marché européen. Mme De Keyser sou
ligne le fait qu’en Allemagne, une offre plus importante
a entraîné une chute du prix de la passe mais aussi un
renouvellement massif des services et un roulement de
personnes prostituées, garçons et filles, plus jeunes, au
détriment de prostituées locales marginalisées.
Pour conclure, l’intervenante plaide avec force pour
que le projet de loi s’inscrive dans une perspective
plus large et elle souhaite une prise en considération
2141/006
DOC 55
256
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
oogpunt te bestuderen en te benaderen. Hoewel elk
standpunt ter zake zeker van belang is en het tot een
uitgebalanceerd akkoord kan komen, meent mevrouw De
Keyser dat zaken als de natuur, het lichaam, het leven
of de gezondheid ver van het ongebreidelde kapitalisme
moeten worden gehouden.
f. Uiteenzettingen van mevrouw Karine Minnen,
politiecommissaris, diensthoofd zeden, politiezone
Brussel Hoofdstad Elsene, en mevrouw Maria De Sterck,
korpschef, politiezone Hamme-Waasmunster
Mevrouw Maria De Sterck benadrukt dat de geïnte
greerde politie veel belang hecht aan de goede afwikkeling
van onderzoeken na aangifte van een seksueel misdrijf.
Het slachtoffer dient optimaal te worden geïnformeerd en
beschermd. De integratie van verschillende disciplines
van hulpverlening moet helpen om secundair slachtoffer
schap tegen te gaan (Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019,
blz. 58). Seksuele misdrijven en intrafamiliaal geweld
blijven prioriteiten in het toekomstige veiligheidsplan.
Aanpak van seksueel geweld jegens minderjarige
slachtoffers
In de naweeën van de zaak-Dutroux werd het audio
visueel verhoor van minderjarigen (TAM-verhoor) gere
geld bij de ministeriële omzendbrief van 16 juli 2001. Dit
type verhoor werd sindsdien verder uitgebouwd. Op de
dag van de hoorzitting wordt overigens een update van
deze omzendbrief bekendgemaakt, krachtens dewelke
het verhoor van slachtoffers wordt uitgebreid naar het
verhoor van kwetsbare personen. Jaarlijks worden er
ongeveer vijfduizend TAM-verhoren afgenomen, het
merendeel in zedendossiers. De techniek is ontwikkeld
om rekening te houden met het ontwikkelingsniveau van
het kind en om secundaire victimisering te vermijden.
Tijdens de coronapandemie steeg het aantal dossiers
inzake misbruik op het internet en sociale media. Een
verdere samenwerking met Child Focus om deze beel
den van minderjarigen te laten verwijderen, is cruciaal.
Hetzelfde geldt voor de beelden van wraakporno, die
de federale politiediensten in samenwerking met het
Instituut voor Gelijke Kansen kunnen laten verwijderen
wanneer er klacht wordt ingediend.
Aanpak van seksueel geweld jegens meerderjarige
slachtoffers
Door de ratificering van het Verdrag van Istanbul
heeft België zich ertoe verbonden referentiecentra voor
slachtoffers van seksueel geweld op te richten. In de
Zorgcentra na Seksueel Geweld worden slachtoffers op
een holistische manier benaderd. Er is sprake van een
multidisciplinaire aanpak die alle actoren met elkaar in
d’une étude et approche de la prostitution sur un plan
économique. Si chaque position sur la question a un
intérêt certain et si elle perçoit la possibilité d’aboutir
à un accord équilibré, Mme De Keyser estime que des
éléments comme la nature, le corps, la vie ou la santé
doivent toujours échapper à un capitalisme débridé.
f. Exposés de Mme Karine Minnen, commissaire de
police, chef du service mœurs, zone de police Bruxelles-
Ixelles, et Mme Maria De Sterck, chef de corps, zone
de police de Hamme-Waasmunster
Mme Maria De Sterck souligne que la police intégrée
attache une grande importance au bon déroulement
des enquêtes à la suite de la dénonciation d’un délit
sexuel. La victime doit être informée et protégée au
mieux. L’intégration des différentes disciplines d’assis
tance devrait permettre de lutter contre la victimisation
secondaire (Plan national de sécurité 2016-2019, p. 58).
Les délits sexuels et les violences intrafamiliales restent
des priorités dans le futur plan de sécurité.
Approche des violences sexuelles impliquant des
victimes mineures
À la suite de l’affaire Dutroux, l’audition audiovisuelle
des mineurs (audition TAM) a été réglée par la circulaire
ministérielle du 16 juillet 2001. Ce type d’audition a depuis
été développé. Le jour de l’audition, une mise à jour de
cette circulaire sera publiée; elle prévoit que l’audition
des victimes sera étendue à l’audition des personnes
vulnérables. Environ cinq mille auditions TAM sont
effectuées chaque année, la plupart dans des affaires
de mœurs. La technique a été conçue pour prendre en
compte le niveau de développement de l’enfant et pour
éviter une victimisation secondaire.
Pendant la pandémie de coronavirus, le nombre de
dossiers d’abus commis sur Internet et sur les médias
sociaux a augmenté. La poursuite de la collaboration
avec Child Focus pour faire supprimer ces images de
mineurs est cruciale. Il en va de même pour les images
de revenge porn, que les services de la police fédérale,
en collaboration avec l’Institut pour l’égalité des chances,
peuvent faire supprimer en cas de dépôt de plainte.
Approche des violences sexuelles impliquant des
victimes majeures
En ratifiant la Convention d’Istanbul, la Belgique
s’est engagée à créer des centres de référence pour
les victimes de violence sexuelle. Dans les Centres de
prise en charge des victimes de violence sexuelle, les
victimes sont traitées de manière holistique. Il s’agit
d’une approche multidisciplinaire qui met en contact
257
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verbinding brengt. De centra zijn gehuisvest in zieken
huizen die voldoen aan de normen omtrent medische
en psychosociale ondersteuning. Het is de bedoeling
dat België tegen begin 2023 tien centra telt die zodanig
zijn gespreid dat elk slachtoffer binnen het uur in een
centrum kan aankloppen.
Wanneer een slachtoffer zich aanbiedt in een der
gelijk centrum worden er altijd sporen afgenomen, ook
al beslist het slachtoffer om nog geen aangifte te doen.
De afgenomen sporen worden tot zes maanden lang
bewaard. Beslist het slachtoffer in deze tijdspanne
alsnog aangifte te doen, dan kan de politie de sporen
in beslag nemen.
De zedeninspecteur komt in actie wanneer een slacht
offer besluit toch klacht in te dienen, wanneer het slacht
offer zich rechtstreeks aanmeldt in een zorgcentrum
of wanneer het een slachtoffer van acute zedenfeiten
betreft (verkrachting of aanranding van de eerbaarheid
met geweld, minder dan zeven dagen geleden) dat via
de politie in het zorgcentrum terechtkomt.
De opleiding kan vergeleken worden met een light
versie van de TAM-opleiding (audiovisueel verhoor van
minderjarige slachtoffers). De zedeninspecteurs beperken
zich tot het verhoor van meerderjarige slachtoffers van
zedenfeiten. Het verhoor van minderjarige slachtoffers
van kwetsbare personen wordt nog altijd afgenomen door
leden van een TAM-netwerk. Per zorgcentrum vormen
de zedeninspecteurs een permanentiepool waarin zij
per twee 24 uur van wacht zijn. Gemiddeld zijn ze twee
dagen per maand van wacht naast hun activiteit in een
andere politiedienst.
Doordat zedeninspecteurs zich vrijwillig voor de taak
opgeven, zijn ze gemotiveerd. Bovendien worden ze
grondig geselecteerd. Er wordt bijvoorbeeld gepeild
naar het eventuele geloof in “rape myths” en naar een
juist functieprofiel voor medewerkers die respectvol met
slachtoffers kunnen omgaan. De opleiding voor zeden
inspecteurs bereidt voor op het deskundig verhoren van
zedenslachtoffers en op belangrijke aspecten met betrek
king tot dossieropbouw. Er wordt ook ingespeeld op de
nieuwe vormen van seksueel misbruik op sociale media.
Het verhoor van slachtoffers die zich aanmelden in
een zorgcentrum wordt gefilmd. Terwijl de ene zeden
inspecteur het verhoor afneemt, typt de andere het
verhoor uit. Op die manier kunnen de opnames worden
gebruikt in latere fases van het onderzoek. Het slachtoffer
hoeft maar één verhoor te ondergaan, wat secundaire
victimisering vermindert.
tous les acteurs. Les centres sont hébergés dans des
hôpitaux qui répondent aux normes en matière de soutien
médical et psychosocial. Pour début 2023, la Belgique
devrait disposer de dix centres, répartis de telle sorte
que chaque victime puisse se rendre dans un centre
en une heure.
Lorsqu’une victime se présente dans un tel centre,
des prélèvements sont toujours effectués, même si la
victime décide ne pas encore faire de déposition. Les
prélèvements recueillis sont conservés pendant six
mois au maximum. Si la victime décide de faire une
déposition durant cette période, la police peut saisir
ces prélèvements.
Les inspecteurs/mœurs interviennent lorsqu’une
victime décide de porter plainte malgré tout, lorsqu’elle
se présente directement dans un centre de prise en
charge, ou lorsque c’est une victime de faits de mœurs
aggravés (viol ou attentat à la pudeur commis avec vio
lences, datant de moins de 7 jours) qui arrive au centre
de prise en charge via la police.
Cette formation peut être comparée à une version
allégée de la formation TAM (audition audiovisuelle des
mineurs victimes). Les inspecteurs/mœurs se limitent à
l’audition des adultes victimes d’abus sexuels. L’audition
des victimes mineures et des personnes vulnérables est
toujours effectuée par les membres d’un réseau TAM. Ces
inspecteurs forment, pour chaque centre de prise en
charge, un pool de permanence où deux inspecteurs
sont de service 24 heures sur 24. En moyenne, ils sont
de garde deux jours par mois en plus de leur activité
dans un autre service de police.
Ils sont motivés, car il s’agit d’inspecteurs de la police
des mœurs qui se portent volontaires pour cette tâche.
Ils sont en outre rigoureusement sélectionnés. Leur
éventuelle croyance dans les “mythes du viol” est sondée,
ainsi qu’un profil de fonction adéquat pour des collabo
rateurs à même de traiter les victimes avec respect. La
formation des inspecteurs de la police des mœurs les
prépare à l’audition adéquate des victimes de faits de
mœurs et aux aspects importants de la constitution d’un
dossier. Elle aborde également les nouvelles formes
d’abus sexuels sur les médias sociaux.
L’audition des victimes qui se présentent dans un centre
de prise en charge est filmée. Pendant qu’un inspecteur
de la police des mœurs mène l’audition, l’autre en tape
le contenu. De cette façon, les enregistrements peuvent
être utilisés dans les phases ultérieures de l’enquête.
La victime ne doit subir qu’une seule audition, ce qui
réduit la victimisation secondaire.
2141/006
DOC 55
258
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Een bijkomend voordeel is dat de zedeninspecteurs
dikwijls verschillende politieachtergronden hebben,
waardoor de aandacht voor zedenslachtoffers wijd wordt
verspreid binnen de politiediensten. Over specialisten
beschikken effent de weg om ook slachtoffers van niet-
acute zedenfeiten professioneel te benaderen.
De basis van een kwaliteitsvol dossier wordt gevormd
door een goed afgenomen verhoor en een gedegen spo
renafname. In combinatie met doorgedreven onderzoek
zullen het aantal veroordelingen in zedendossiers en
zodoende het vertrouwen in de politie stijgen.
Verdachten
De technieken om verdachten van zedenfeiten te
verhoren, kunnen nog beter. Doordat talloze mensen
bevriezen wanneer ze slachtoffer worden van seksueel
geweld, worden er vaak weinig sporen van dat geweld
aangetroffen. De verdachten weten echter dat er sper
masporen zullen worden gevonden, waarop zij zich
beroepen op het argument van wederzijdse toestemming.
Voorts moet er meer worden geïnvesteerd in bepaalde
onderzoekstechnieken zoals daderprofielen en het Violent
Crime Linkage Analysis System (de ViCLAS-databank)
en polygrafie. Ook in de strijd tegen kinderpornografie
moet beter gebruik worden gemaakt van nieuwe techno
logieën waarbij beelden kunnen worden geanalyseerd
met behulp van kunstmatige intelligentie.
Pijnpunten in de voorstellen
Veroordeelden van zedenfeiten plegen na strafeinde
geregeld recidive. Deze daders hebben weinig schuldin
zicht en verkiezen hun straf uit te zitten zonder da
derbegeleiding. Daarom dringt de spreekster aan op
een verplichte risicotaxatie van elke veroordeelde van
zedenfeiten en op een verplichte terbeschikkingstelling
van de strafuitvoeringsrechtbank wanneer er sprake is
van een hoog risico op recidive.
In het wetsontwerp is er enkel in strafbaarstelling
voorzien voor het benaderen van een minderjarige voor
seksuele doeleinden. In de praktijk doet hetzelfde sce
nario zich regelmatig voor bij meerderjarige kwetsbare
personen. Een uitbreiding van grooming naar meerder
jarigen zou bijgevolg een meerwaarde zijn.
De aantasting van de seksuele integriteit zou krachtens
het voorliggende wetsontwerp worden bestraft met een
gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar. De spreekster
pleit voor een minimumstraf van 1 jaar. Hierdoor kunnen
daders van kleinere feiten die desondanks een grote
Un avantage supplémentaire est que les inspecteurs
de la police des mœurs ont souvent des antécédents
divers au sein de la police, de sorte que l’attention portée
aux victimes de faits de mœurs est largement répartie
au sein des services de police. Disposer de spécialistes
pave la voie à une approche professionnelle des victimes
de faits de mœurs non aggravés.
La base d’un dossier de qualité implique une audition
bien menée et des prélèvements minutieux. Conjugué à
des enquêtes approfondies, le nombre de condamnations
dans les affaires de mœurs augmentera, et avec lui la
confiance en la police.
Suspects
Les techniques d’audition des suspects de faits de
mœurs peuvent être encore améliorées. Comme beau
coup de victimes de violences sexuelles sont en état
de sidération au moment des faits, les traces de ces
violences sont souvent minces. Bien que les suspects
sachent que des traces de sperme seront trouvées, ils
invoquent l’argument du consentement mutuel.
Il faudrait par ailleurs investir davantage dans certaines
techniques d’enquête telles que le profilage des auteurs
et le système Viclas (Violent Crime Linkage Analysis
System) ainsi que le polygraphe. Dans le cadre de la
lutte contre la pédopornographie également, il convient
de mieux utiliser les nouvelles technologies permettant
d’analyser les images à l’aide de l’intelligence artificielle.
Points problématiques dans les propositions
Les personnes condamnées dans des affaires de
mœurs récidivent fréquemment à l’issue de leur peine.
Elles n’ont guère de sentiment de culpabilité et préfèrent
purger leur peine sans accompagnement des auteurs.
L’oratrice en appelle dès lors à une analyse obligatoire
des risques pour toute personne condamnée pour des
faits de mœurs ainsi qu’à une mise à la disposition du
tribunal de l’application des peines lorsqu’il est question
d’un risque élevé de récidive.
Le projet de loi ne prévoit que l’incrimination de l’ap
proche d’un mineur à des fins sexuelles. Dans la pratique,
le même scénario se produit régulièrement envers des
personnes majeures vulnérables. L’extension du groo
ming aux majeurs serait dès lors une addition précieuse.
Selon le projet à l’examen, l’atteinte à l’intégrité sexuelle
serait passible d’une peine d’emprisonnement de 6 mois
à 5 ans. L’oratrice préconise une peine minimale d’un
an. Cela permettrait aux auteurs de faits moins graves
ayant néanmoins un impact important sur la victime d’être
259
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
impact hebben op het slachtoffer worden voorgeleid bij
de onderzoeksrechter, die verplichte daderbegeleiding
of een contactverbod kan opleggen.
De spreekster pleit ervoor om sextortion, het drei
gen met het verspreiden van seksuele beelden die het
slachtoffer eerder vrijwillig had gedeeld, apart strafbaar
te stellen.
Veroordeelde daders verhuizen regelmatig naar het
buitenland als het hen in België te warm onder de voe
ten wordt. Wanneer ze naar het buitenland verhuizen,
dient deze informatie te worden overgezonden aan de
overheden van het nieuwe verblijfsland. De politiedien
sten zijn voorstander van een Europese regelgeving.
De spreekster wijst op een goede praktijk uit Ierland.
In het artikel 458bis staat dat eenieder zedenmisdrijven
kan melden aan de procureur des Konings wanneer er
aanwijzingen zijn dat minderjarigen gevaar lopen. Deze
formulering is te vrijblijvend: er moet een meldingsplicht
worden ingevoerd.
Mensen zonder papieren lopen een groter risico
om slachtoffer van zedenfeiten te worden. Door hun
precair statuut is de kans dat zij aangifte doen vrijwel
onbestaande. Er zou een clausule moeten worden
ingevoerd die bepaalt dat slachtoffers van huiselijk of
seksueel geweld niet kunnen worden uitgewezen zolang
de procedure loopt. De politie moet deze mensen soms
in hechtenis nemen omdat ze geen geldige papieren
hebben, in plaats van hun slachtofferbegeleiding te
kunnen bieden. Dat is een aberrante situatie.
Mevrouw Karine Minnen heeft eenentwintig jaar
ervaring in de sectie zeden van de lokale politie. Elke
zaak is uniek; elk slachtoffer heeft andere gevoelens
ten aanzien van de verdachten, de politie en justitie.
Iedere onderzoeker die zich met dit thema bezig
houdt, beseft algauw dat de betekenis van belangrijke
begrippen als moraliteit, eer en fatsoen voor interpretatie
vatbaar is. Door misdrijven tegen de seksuele integriteit,
het seksueel zelfbeschikkingsrecht en goede zeden op
te nemen in de misdrijven tegen de persoon, wordt de
dubbelzinnigheid gedeeltelijk weggenomen en neemt
de rechtszekerheid toe.
Niettemin kan er een wereld van verschil bestaan
tussen de wettelijke definitie van een misdrijf als ver
krachting en de interpretatie die het brede publiek geeft
aan de term “verkrachting”. Een van de taken van de
politie bestaat uit het verstrekken van informatie, vaak
zeer laat in het proces, tijdens het verhoor. Op seksueel
traduits devant le juge d’instruction, qui peut imposer
des mesures telles qu’un accompagnement obligatoire
des auteurs ou une interdiction de contact.
L’oratrice fait valoir que la sextorsion, soit le fait de
menacer de diffuser des images à caractère sexuel que
la victime avait préalablement partagées volontairement,
devrait constituer une infraction distincte.
Les auteurs condamnés partent régulièrement à
l’étranger lorsque les choses commencent à devenir
trop compliquées pour eux en Belgique. Lorsqu’ils
déménagent à l’étranger, ces informations doivent être
transmises aux autorités du nouveau pays de résidence.
Les services de police sont favorables à un règlement
européen. L’oratrice en réfère à une bonne pratique
appliquée en Irlande.
L’article 458bis stipule que toute personne peut signa
ler les faits de mœurs au procureur du Roi en présence
d’indications que des mineurs sont en danger. Cette
formulation est trop peu contraignante: il convient de
stipuler une obligation de signalement.
Les personnes sans papiers risquent davantage d’être
victimes de faits de mœurs. Or, en raison de la précarité
de leur statut, les chances qu’elles les déclarent sont
pratiquement inexistantes. Il convient d’introduire une
clause stipulant que les victimes de violences domes
tiques ou sexuelles ne peuvent être expulsées pendant
la durée de la procédure. La police doit parfois mettre
ces personnes en détention faute de papiers valables,
au lieu de leur proposer une aide aux victimes. Cette
situation est aberrante.
Mme Karine Minnen compte vingt-et-un ans d’expé
rience dans la section mœurs de la police locale. Chaque
cas est unique; chaque victime a des sentiments différents
envers les suspects, la police et la justice.
Chaque enquêteur traitant de cette thématique réalise
rapidement que la signification de notions importantes
telles que la moralité, l’honneur et la décence est ouverte
à interprétation. L’inclusion des infractions portant atteinte
à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodétermination
sexuelle et aux bonnes mœurs dans les infractions
contre les personnes lève une partie de l’ambiguïté et
augmente la sécurité juridique.
Il peut toutefois y avoir un monde de différence entre
la définition légale d’une infraction telle que le viol et
la manière dont le grand public interprète le terme de
“viol”. L’une des tâches de la police consiste à fournir
des informations, souvent très tard dans le processus,
lors de l’audition. Il existe encore un certain tabou autour
2141/006
DOC 55
260
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
misbruik en prostitutie rust nog steeds een zeker taboe
dat slachtoffers ervan weerhoudt om klacht in te dienen.
De spreekster prijst de definitie van het begrip “toe
stemming”. Gebrek aan toestemming staat helaas nog
vaak centraal in strafzaken. De meeste zedendelicten
worden buiten het zicht gepleegd, wat materieel bewijs
schaars maakt. Bewijzen dat er geen sprake is van
instemming is niet eenvoudig en alleen een kwalitatief
verhoor van zowel het slachtoffer als de verdachte kan
het verschil maken. Hoewel het slachtoffer soms tijd nodig
heeft om het misbruik te verwerken, wordt het onderzoek
moeilijker naarmate het slachtoffer later klacht indient. Er
moet worden geïnvesteerd in politieopleiding op dit vlak.
Audiovisuele verhoren zijn een stap in de goede
richting, maar vergen tijd en capaciteit. Ze hebben al
leen zin wanneer de opnames door alle actoren in de
politie-justitieketen worden bekeken.
De veralgemening van de leeftijd waarop een min
derjarige uit vrije wil toestemming kan geven voor alle
seksuele handelingen is een stap in de richting van
harmonisatie. Het is goed dat er uitzonderingen worden
gemaakt voor incest en prostitutie.
Harmonisatie van bepalingen
“Aanranding van de eerbaarheid” verandert in “aan
tasting van de seksuele integriteit”. Op deze wijziging
na is het echter moeilijk om een evenwicht te vinden
tussen strafbare handelingen ondubbelzinnig definiëren
en een beoordelingsmarge overlaten aan de rechter.
De technologische vooruitgang en maatschappelijke
ontwikkelingen op vlak van seksualiteit confronteren
slachtoffers regelmatig met een juridische leemte.
De spreekster juicht de toevoeging van de begrippen
“verkrachting op afstand” en “zeden binnen het gezin
voor volwassen slachtoffers” toe. De toevoeging van
het toedienen van remmende stoffen als verzwarende
omstandigheid is ook een goede zaak, net als het in
overweging nemen van de aanwezigheid van een min
derjarige op het ogenblik van de feiten.
Seksuele uitbuiting en prostitutie
Meer dan seksuele misdrijven zijn seksuele uitbui
ting en prostitutie steeds clandestiener geworden. Dat
heeft te maken met de modus operandi van bepaalde
criminele organisaties, met de COVID-19-crisis en met
technologische ontwikkelingen.
Openbare vormen van prostitutie maken plaats voor
meer verborgen vormen in Air bnb’s en appartementen
hotels. Terwijl regelmatige controles van sekswerkers
des abus sexuels et de la prostitution, qui empêche les
victimes de porter plainte.
L’oratrice salue la définition du terme de “consente
ment”. Malheureusement, l’absence de consentement
est encore souvent au cœur des affaires pénales. La
plupart des délits de mœurs sont commis à l’abri des
regards, ce qui rend les preuves matérielles rares. Prouver
l’absence de consentement n’est pas aisé et seule une
audition qualitative de la victime et de l’accusé peut faire
la différence. Bien que la victime ait parfois besoin de
temps pour digérer l’abus, plus elle dépose sa plainte
tard, plus l’enquête est difficile. Il convient d’investir dans
la formation de la police dans ce domaine.
Les auditions audiovisuelles sont un pas dans la bonne
direction, mais elles demandent du temps et des capaci
tés. Elles n’ont de sens que si les enregistrements sont
visionnés par tous les acteurs de la chaîne police-justice.
La généralisation de l’âge auquel un mineur peut
librement consentir à tous les actes sexuels est un pas
vers l’harmonisation. Prévoir des exceptions pour l’inceste
et la prostitution est une bonne mesure.
Harmonisation des dispositions
“Attentat à la pudeur” devient “atteinte à l’intégrité
sexuelle”. Hors de cette modification, il est toutefois
difficile de trouver un équilibre entre une définition sans
ambiguïté des actes répréhensibles et la possibilité de
laisser un pouvoir d’appréciation au juge. Les progrès
technologiques et les évolutions sociétales dans le
domaine de la sexualité confrontent régulièrement les
victimes à un vide juridique.
L’oratrice se réjouit de l’ajout des notions de “viol
à distance” et de faits de mœurs au sein de la famille
pour des victimes adultes. L’ajout de l’administration de
substances inhibitives comme circonstance aggravante
est également à saluer, de même que la prise en compte
de la présence d’un mineur au moment des faits.
Exploitation sexuelle et prostitution
Plus que les délits sexuels, l’exploitation sexuelle et la
prostitution sont devenues de plus en plus clandestines,
en raison du modus operandi de certaines organisations
criminelles, de la crise du COVID-19 et des développe
ments technologiques.
Les formes publiques de la prostitution cèdent la
place à des formes plus cachées, dans des Airbnb et
des appart-hôtels. Alors que les contrôles réguliers
261
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het vroeger mogelijk maakten om contact te leggen
en zodoende uitbuiting, precair verblijf, mensenhandel
of prostitutie door minderjarigen op te sporen, moet
de politie zich nu een weg banen tussen duizenden
onlineadvertenties.
Het verheugt de spreekster dat het wetsontwerp erin
voorziet dat alle vormen van seksuele uitbuiting van
minderjarigen betrekking hebben op alle minderjarigen
ongeacht leeftijd en dat de minderjarigheid van het
slachtoffer al volstaat om het strafbare feit vast te stel
len. Met deze veranderingen kan de politie efficiënter
optreden tegen loverboys.
Vrijwillige prostitutie is niet strafbaar, maar de middelen
wel, ook al laat het vervolgingsbeleid van het openbaar
ministerie een ruime tolerantie toe. Sekswerkers, hun
partners en verwante sectoren verkeren dus nog altijd
in rechtsonzekerheid.
De strafbaarheid van verschillende vormen van steun
aan sekswerk wordt bepaald door de begrippen “misbruik”
en “abnormaal winstbejag”. De onzekerheid waarin veel
sekswerkers verkeren, zou moeten afnemen naarmate de
verschillende vormen van ondersteuning beter worden
beschermd. Daarvoor zijn wel financiële middelen nodig.
Het aanbieden van de eigen seksuele diensten door
middel van reclame wordt in het wetsontwerp toegestaan,
maar hoe kan een websitebeheerder er zeker van zijn
dat de mensen die de advertenties plaatsen, zich niet
achter een andere identiteit verschuilen of dat er geen
minderjarigen bij betrokken zijn?
Wat is de wettelijke basis voor politiecontroles naar
aanleiding van sekswerk dat plaatsvindt op een niet voor
het publiek toegankelijke plaats en voor politiecontroles
naar aanleiding van een advertentie die geen concrete
aanwijzingen van misbruik of uitbuiting vertoont?
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
De heer Khalil Aouasti (PS) uit de vrees dat de definities
van de begrippen “mensenhandel” en “verzwaard mis
bruik van prostitutie” mogelijkerwijs nauw bij elkaar zullen
aanleunen. De spreker vraagt zich af of er verwarring zou
kunnen ontstaan omtrent de manier waarop deze of gene
inbreuk kan worden behandeld, waarbij verzwaard mis
bruik van prostitutie dus de voorkeur zou kunnen krijgen
boven mensenhandel. In een dergelijke situatie dreigen
dan alle aan die tenlastelegging verbonden garanties
teloor te gaan en zouden veel mensen weleens in een
des travailleurs du sexe permettaient autrefois d’établir
un contact et donc de détecter l’exploitation, le séjour
illégal, la traite des êtres humains ou la prostitution de
mineurs, la police doit désormais se frayer un chemin
à travers des milliers d’annonces en ligne.
L’oratrice se réjouit que le projet de loi prévoie que
toutes les formes d’exploitation sexuelle des mineurs
concernent tous les mineurs, quel que soit leur âge, et
que la minorité de la victime suffise à établir l’infraction.
Grâce à ces changements, la police peut agir plus effi
cacement contre les loverboys.
La prostitution volontaire n’est pas punissable, mais
les moyens le sont, même si la politique du ministère
public en matière de poursuites permet une large marge
de tolérance. Les travailleurs du sexe, leurs partenaires
et les secteurs connexes ne bénéficient donc toujours
pas d’une sécurité juridique.
L’incrimination des différentes formes de soutien au
travail du sexe est déterminée par les concepts d’“abus”
et de “but lucratif anormal”. L’insécurité dans laquelle
se trouvent de nombreux travailleurs du sexe devrait
décroître à mesure que les différentes formes de sou
tien sont mieux protégées. Ceci requiert toutefois des
moyens financiers.
Offrir ses propres services sexuels par le biais d’une
annonce est autorisé dans le projet de loi, mais comment
un administrateur de site Internet peut-il être sûr que
les personnes qui placent les annonces ne se cachent
pas derrière une autre identité ou qu’aucun mineur n’est
impliqué?
Quelle est la base légale des contrôles de police dans
le cadre d’un travail du sexe qui se déroule dans un lieu
non accessible au public, et des contrôles de police dans
le cadre d’une annonce qui ne présente aucun indice
concret d’abus ou d’exploitation?
3. Échange de vues
a. Questions et observations des membres
M. Khalil Aouasti (PS) fait part de la crainte qu’il puisse
exister une proximité de définitions en matière de traite
des êtres humains et d’abus aggravés de prostitution.
L’orateur se questionne sur la possibilité de confusion
dans la manière dont une infraction ou l’autre puisse
être traitée et que l’on puisse donc privilégier l’abus
aggravé de prostitution au détriment de l’infraction
de traite. Cette situation risquerait alors de voir ainsi
s’écrouler l’ensemble des garanties liées à cette pré
vention et d’entraîner la possibilité d’une précarisation
2141/006
DOC 55
262
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
precaire toestand terecht kunnen komen. Het lid vraagt
de deskundigen of het wenselijk is beide strafbare feiten
samen te voegen, dan wel artikel 433quinquies van het
Strafwetboek betreffende mensenhandel te handhaven.
De heer Aouasti constateert dat de prostitutiearbeid
hier wordt benaderd in het kader van een tekst over het
strafrecht, terwijl dat vraagstuk zou moeten worden opge
nomen in een bredere reflectie in andere parlementaire
fora. Het lid wenst van de deskundigen te vernemen of
de prostitutie volgens hen met de bestudeerde tekst kan
worden gedepenaliseerd, alsook of het opportuun is te
werken met teksten zoals artikel 14 van de wet van 1978
en artikel 3 van het koninklijk besluit van 1999 als het
gaat om de aangelegenheden betreffende de openstel
ling van de sociale zekerheid. Volgens de spreker noopt
deze eerste fase van de hervorming van het strafrecht
tot de herziening van nog andere teksten, meer bepaald
op sociaal gebied.
De spreker heeft vragen voor mevrouw De Keyser over
met een meerderjarige gepleegde incest. Hij herinnert
eraan dat van toestemming nooit sprake is bij met een
minder- of meerderjarige gepleegde incest. Niettemin
beklemtoont de heer Aouasti dat consensuele relaties
en seksuele betrekkingen tussen meerderjarigen kunnen
voorkomen in gevallen waarin de graad van verwantschap
een situatie van incest impliceert. Volgens de spreker
zijn die twee realiteiten kennelijk moeilijk verenigbaar
in één enkele, complexe definitie.
De heer Aouasti komt terug op het bewijsvraagstuk
inzake verkrachting. Het lid wil weten of mevrouw De
Keyser het wenselijk acht de instrumenten die automatisch
in werking treden bij zedenzaken waarbij minderjarigen
zijn betrokken (geloofwaardigheidsonderzoeken van het
slachtoffer en psychologische onderzoeken lastens de
vermeende daders), ambtshalve uit te breiden tot de
zedenzaken in verband met meerderjarigen.
Aangaande de seksuele meerderjarigheid wijst de heer
Aouasti erop dat het wetsontwerp seksuele betrekkingen
tussen jongeren beoogt toe te staan, met dien verstande
dat een leeftijdsverschil van twee jaar wordt toegepast,
terwijl het wanbedrijf “aanranding van de eerbaarheid”,
dat juridisch gesproken geen zin heeft, wordt geschrapt.
Hij wil weten wat de deskundigen ervan vinden dat
het ene wanbedrijf wordt afgeschaft en dat, zodra die
willekeurige termijn wordt overschreden, er een ander
wordt gepleegd waarbij sprake is van strafverzwaring.
De spreker verzoekt te verduidelijken of het begrip
“toestemming” in het wetsontwerp als een evoluerend
gegeven moet worden beschouwd of integendeel res
trictief dient te worden geïnterpreteerd. Hij vraagt de
de nombreuses personnes. L’intervenant questionne
les experts à propos de l’opportunité d’une fusion des
deux infractions ou du maintien de l’article 433quinquies
du code pénal concernant la traite des êtres humains.
M. Aouasti constate que le travail prostitutionnel est
ici abordé dans le cadre d’un texte de droit pénal alors
que la problématique mériterait d’être intégrée à d’autres
réflexions plus larges dans d’autres enceintes parlemen
taires. Le membre souhaite obtenir l’avis des experts
à propos de la capacité du texte étudié à dépénaliser
le travail de prostitution et de l’opportunité de travailler
sur des textes comme l’article 14 de la loi de 1978 et
l’article 3 de l’arrêté royal de 1999, sur les questions
d’ouverture de la sécurité sociale. Pour l’orateur, cette
première étape de réforme du champ pénal appelle
d’autres révisions de textes dans le domaine social.
L’intervenant interpelle Mme De Keyser au sujet de la
question de l’inceste sur majeur. Il rappelle qu’il n’existe
jamais de consentement dans le cas d’un acte d’inceste
commis vis-à-vis d’un mineur ou d’un majeur. L’orateur
souligne toutefois qu’il peut arriver que des relations
consensuelles et des relations sexuelles soient consen
ties entre majeurs dans des cas où le degré de parenté
implique une situation d’inceste. Il apparait compliqué
à l’intervenant de concilier ces deux réalités dans une
seule définition complexe à rédiger.
M. Aouasti revient sur la question de la preuve en
matière de viol. Le membre souhaite connaître l’avis
de Mme De Keyser au sujet de l’opportunité d’élargir
d’office aux affaires de mœurs concernant des majeurs
les outils mis automatiquement en place dans le cadre
d’affaires de mœurs impliquant des mineurs (examens
de crédibilité de la victime et examens psychologiques
à charge des présumés auteurs).
Au sujet de la question de la majorité sexuelle,
M. Aouasti relève que le projet de loi autorise des rela
tions sexuelles entre jeunes en appliquant un écart de
deux ans, tout en supprimant l’infraction d’attentat à la
pudeur qui n’a pas de sens juridique. Il souhaite obtenir
l’avis des experts sur cette suppression d’une infraction
et de la commission d’une autre, avec aggravation de la
peine, dès que l’on dépasse ce délai arbitraire.
Le membre demande des éclaircissements sur le
caractère évolutif ou l’ interprétation restrictive de la
question du consentement dans le projet. Il interroge les
experts sur l’option d’une ouverture au développement
263
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
deskundigen of het een optie is een en ander mee met de
rechtspraak te laten evolueren – wat potentieel gunstiger
is voor de slachtoffers –, dan wel of er hoort te worden
gekozen voor een gesloten voorbeeldstellingskader.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) neemt nota van het
struikelblok met betrekking tot het prostitutievraagstuk
en juicht toe dat de verenigingen bereid zijn zich uit te
spreken zonder moreel oordeel en met de bescherming
van de slachtoffers voor ogen. De spreekster vraagt zich
af of het mogelijk is twee zeer legitieme verzoeken van
de sekswerkers met elkaar te verzoenen door hun een
statuut, sociale bescherming en erkenning te verlenen,
en tegelijkertijd afstand te nemen van dogma’s door in
te spelen op de noodzaak om zeer kwetsbare perso
nen te beschermen. Volgens het lid reikt de geplande
hervorming geen statuut aan, maar leidt ze veeleer tot
een depenalisering, met het risico dat de sekswerkers
die niet vrijwillig in de prostitutiesector werden gerekru
teerd kwetsbaarder worden. Mevrouw Matz vraagt zich
af of het wenselijk is het Strafwetboek te wijzigen om
tegemoet te komen aan het legitieme verzoek om een
statuut te verkrijgen.
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) komt terug op
de leeftijd van 16 jaar vanaf wanneer toestemming kan
worden verleend, aangevuld met een soort afwijking
vanaf 14 jaar. Zij stipt aan dat Sensoa en de CAL erop
hebben gewezen dat het van belang is de seksualiteit
van jongeren op een positievere manier te benaderen
met inachtneming de nodige beschermingen, in plaats
vanuit een negatieve of beschuldigende invalshoek. Het
lid is ervoor gewonnen om de logica om te keren door
bij voorkeur uit te gaan van een situatie waarin bij de
eerste seksuele ervaringen toestemming is verleend.
Zij vraagt de deskundigen of het wenselijk is de leeftijd
waarop toestemming kan worden verleend te verlagen
tot 14 jaar, zij het met richtsnoeren tussen de leeftijd
van 14 en 16 jaar alsook rekening houdend met een
leeftijdsverschil van twee jaar of meer.
De spreekster wijst erop dat Sensoa het wetsontwerp
vaag vindt wanneer er sprake is van een machts- of
invloedspositie in de context van het begrip “toestem
ming”; de kwetsbare positie van het slachtoffer zorgt vaak
voor een verkeerde interpretatie. De spreekster vraagt
de deskundigen of het zinvol is de begrippen “hiërar
chische macht”, “vertrouwen”, “gezag” en “invloed” op
te nemen in artikel 5 van het wetsontwerp. In hetzelfde
verband wil mevrouw Hugon meer duidelijkheid over
het begrip “erkende positie” van vertrouwen, gezag en
invloed en over het belang van de toevoeging van dat
concept aan het wetsontwerp, teneinde elke vorm van
toestemming binnen het gezin onmogelijk te maken en
incest bij meerderjarigen te verbieden.
jurisprudentiel, potentiellement plus favorable aux vic
times, ou sur le choix d’un cadre fermé d’exemplification.
Mme Vanessa Matz (cdH) constate le point d’achoppe
ment sur la question de la prostitution et salue la volonté
des associations de s’exprimer sans jugement moral et
dans un souci de protection des victimes. L’intervenante
s’interroge sur la possibilité de réconcilier deux demandes
bien légitimes des travailleurs du sexe, en octroyant à
la fois à ceux-ci un statut, une protection sociale et une
reconnaissance, tout en sortant des dogmes en répondant
au besoin de protection de personnes très vulnérables.
Pour la membre, la réforme envisagée n’apporte aucun
statut mais mène plutôt à une dépénalisation, au risque
de fragiliser les travailleurs du texte qui ne se situent
pas dans une logique d’engagement volontaire dans le
secteur de la prostitution. Mme Matz se questionne sur
l’opportunité de modifier le code pénal pour accéder à
une légitime demande de statut.
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) revient sur la ques
tion de l’âge du consentement à partir de 16 ans, com
plétée par une sorte de dérogation à partir de 14 ans.
Elle relève que Sensoa et le CAL ont signalé l’intérêt
d’aborder la sexualité des jeunes sous un jour davantage
positif, avec les protections nécessaires, plutôt que dans
une optique négative ou culpabilisante. La membre se
montre favorable à une inversion de la logique en privilé
giant une situation de consentement lors des premières
expériences sexuelles. Elle interroge les experts au sujet
de l’opportunité de descendre cette majorité à 14 ans,
avec des balises entre 14 et 16 ans, en tenant compte
d’une différence d’âge de deux ans ou plus.
L’intervenante souligne que l’association Sensoa
relève le flou du texte en matière de relation de pouvoir
ou d’influence au niveau de la notion de consentement,
parfois vicié en raison d’une position de vulnérabilité
d la victime. Elle questionne les experts au sujet de
l’intérêt d’introduire la notion de pouvoir hiérarchique,
de confiance, d’autorité et d’influence dans l’article 5
du projet de loi. Dans le même domaine, Mme Hugon
souhaite obtenir des précisions par rapport à la notion de
“position reconnue” de confiance, d’autorité et d’influence
et de l’intérêt de l’ajout de ce concept afin de rendre
impossible tout consentement au sein du cercle familial
et d’interdire l’inceste pour les majeurs.
2141/006
DOC 55
264
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het lid stelt vast dat mevrouw De Keyser adviseert
de verjaringstermijn te herzien. De spreekster is dit idee
weinig genegen, omdat ze betwijfelt of het strafrechtelijk
stelsel wel over de capaciteit beschikt om de erkenning
en de tenlasteneming na vele jaren te blijven waarborgen.
Ze benadrukt dat het voor het gerecht na verloop van
tijd moeilijk zal worden de bewijzen te verzamelen en
het woord van de slachtoffers in aanmerking te nemen.
Mevrouw Hugon verwijst naar de mogelijkheid om een
beroep te doen op andere instellingen voor de opvang
en de begeleiding van slachtoffers die de agressie tegen
hen hebben verdrongen of die eenvoudigweg niet de kans
hebben gehad zich tijdig over hun lijden uit te spreken.
De spreekster gaat nader in op de verklaringen van
mevrouw De Keyser over het belang van een alomvat
tende aanpak van het vraagstuk en kondigt aan dat de
staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen
en Diversiteit binnenkort een interfederaal actieplan voor
de aanpak van gendergerelateerd geweld zal voorleg
gen dat tot doel heeft met betrekking tot dit thema alle
beleidsniveaus op één lijn te krijgen.
Mevrouw Hugon betreurt het gebrek aan nauwkeurig
heid in artikel 417-59 betreffende het recht om de toe
stemming tot het verspreiden van persoonlijke beelden
in te trekken; het is misschien verstandig dit recht in het
wetsontwerp op te nemen.
Het lid benadrukt dat er niet één maar meerdere vor
men van prostitutie bestaan. De spreekster is voorstand
ster van het toekennen van meer rechten en bescherming
voor alle sekswerkers zonder dat de betrokkene wordt
gestigmatiseerd, fragieler gemaakt of geminacht. Ze
vindt het vanzelfsprekend belangrijk dat er begeleiding
komt op het vlak van sociaal recht en dat elke vorm van
uitbuiting wordt aangepakt. De spreekster wijst erop
dat het belangrijk is dat prostitutie, omschreven als
een activiteit “gericht op het leveren van commerciële
seksuele diensten”, nauwkeurig wordt gedefinieerd om
onvoorziene neveneffecten te voorkomen.
Mevrouw Hugon vraagt mevrouw Crespo om verdui
delijking over het begrip “abnormaal voordeel” bij het
evalueren van de huurwaarde in een huurovereenkomst
die afhangt van de waarde van de buurt.
Het lid stelt een gebrek aan nauwkeurigheid vast met
betrekking tot de toestemming bij prostitutie, die in het
tweede hoofdstuk van het wetsontwerp aan bod komt.
Indien de activiteit bestaat in het leveren van commerciële
seksuele diensten, waarbij automatisch sprake is van
toestemming, rijst de vraag hoe in een betaalde relatie
kan worden vastgesteld dat een daad niet consensu
eel is. Het is volgens de spreekster niet denkbeeldig
dat zulks niet als verkrachting maar als oplichting zou
La membre constate que Mme De Keyser conseille
de revoir le délai de prescription. L’oratrice se montre
peu favorable à cette idée car elle doute de la capacité
du système pénal de se montrer en mesure d’assurer
la reconnaissance et la prise en charge nécessaires
après de longues années. Elle souligne que le temps
passant, il sera compliqué pour la Justice de recueillir
des preuves et prendre en considération la parole des
victimes. Mme Hugon évoque la piste d’autres institutions
qui pourraient prendre en charge des victimes qui ont
refoulé leur agression ou qui n’ont simplement pas eu
l’occasion d’exprimer à temps leur souffrance.
L’oratrice revient sur les propos de Mme De Keyser
au sujet de l’importance d’une approche globalisante
de la problématique et signale que la secrétaire d’État
à l’Égalité des genres, à l’Égalité des chances et à la
Diversité va prochainement présenter un plan d’action
interfédéral de lutte contre les violences de genre appelé
à coordonner tous les niveaux de pouvoirs sur cette
thématique.
Mme Hugon regrette l’absence de précision dans
l’article 417-56 concernant le droit de retirer son consen
tement à la diffusion d’images personnelles qu’il serait
peut-être judicieux d’intégrer au projet de loi.
La membre souligne qu’il n’existe pas une mais des
prostitutions. L’oratrice est favorable à l’octroi de davan
tage de droits et de protections pour tous les travailleurs
du sexe, sans stigmatisation, fragilisation ou déconsi
dération. Elle rappelle l’évidence de l’importance d’un
accompagnement en matière de droit social et de lutte
contre toutes les formes d’exploitation. L’intervenante
constate l’importance de préciser la définition de la
prostitution décrite comme une activité qui “vise à fournir
des services sexuels commerciaux”, afin d’éviter des
effets collatéraux non prévus.
Mme Hugon demande quelques précisions à
Mme Crespo à propos de l’influence sur la notion d’intérêt
anormal d’une évaluation de la valeur locative d’un bail
dépendant de la valeur du quartier.
La membre constate l’absence de précision au sujet
du consentement en matière de prostitution dans le
second chapitre du projet. Si l’activité consiste en la
fourniture de services sexuels commerciaux, englobant
automatiquement le consentement, comment percevoir
un acte non consenti durant une relation tarifée? Il n’est,
selon l’oratrice, pas imaginable que cela soit considéré
comme une arnaque et non un viol. Elle suggère d’inté
grer au texte les quatre libertés des travailleurs du sexe,
265
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
worden gezien. Ze stelt voor de vier vrijheden van de
sekswerksters die door de vereniging UTSOPI werden
genoemd, in het wetsontwerp op te nemen als noodza
kelijke uitzonderingen op de ondergeschiktheidsrelatie
in een overeenkomst tussen werkgever en werknemer.
De spreekster benadrukt dat het mogelijk is het be
grip kwetsbaarheid in verband met situaties van macht,
economische dwang of administratief statuut als regel
in te stellen, aangezien het volgens haar van cruciaal
belang is dat met de verschillende realiteiten rekening
wordt gehouden.
Tot slot beklemtoont mevrouw Hugon dat nog heel wat
werk moet worden verricht om de sociaaleconomische
ongelijkheden weg te werken en administratieve status
sen toe te kennen, teneinde echt te kunnen spreken van
vrije toestemming in het licht van bepaalde aspecten van
dwang; de overheden hebben de plicht een en ander
uit te klaren.
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) gaat in op de leeftijd
vanaf wanneer men geacht wordt uit vrije wil te kunnen
toestemmen met seksuele betrekkingen. Ze bedankt de
dames Day en De Keyser om erop te hebben gewezen
dat de wet in de eerste plaats moet beogen de jongeren in
hun seksualiteit te beschermen en er niet toe mag strek
ken hen te bestraffen. De spreekster vraagt toelichting
over het mogelijk optrekken van het leeftijdsverschil, van
drie naar vijf jaar, waartoe mevrouw Day oproept. Wil dat
zeggen een leeftijdsverschil tussen de drie en de vijf jaar
dan wel een leeftijdsverschil van drie jaar in bepaalde
gevallen en van vijf jaar in andere? Mevrouw Rohonyi
vraagt of een minderjarige bij een leeftijdsverschil van
vijf jaar niet sowieso in een kwetsbare toestand verkeert
en onder invloed van de oudere partner staat.
De spreekster gaat in op de gevolgen van een beleid
om prostitutie te reguleren. De vertegenwoordigers van
UTSOPI hebben aangegeven dat er in de praktijk grote
verschillen bestaan tussen politiezones of gemeentes,
bijvoorbeeld tussen Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek.
Het lid vraagt of het wenselijk zou zijn wetgevingen
plaatselijk op elkaar af te stemmen, daar zulks een open
vraag lijkt te blijven. Ze benadrukt dat de ontoereikende
omschrijving van “pooierschap” eenparig jammer wordt
gevonden. Die definitie moet worden verduidelijkt, met
het oog op een beter onderscheid tussen seksuele
uitbuiting en vrijwillige prostitutie.
Mevrouw Rohonyi benadrukt dat het wetsontwerp
beoogt reclame voor prostitutie te verbieden, behoudens
een andere wet zulks toestaat, maar ook behoudens
dit beperkt blijft tot het maken van reclame voor de
eigen diensten van seksuele aard. Die bepaling speelt
in op de tendens waarbij reclame almaar meer uitgaat
mentionnées par l’association UTSOPI, comme des
exceptions nécessaires à la relation de subordination
dans un contrat employeur-employé.
L’intervenante souligne la possibilité d’instaurer en
règle la notion de vulnérabilité en lien avec les situa
tions d’emprise, de contrainte économique ou de statut
administratif car il lui semble essentiel de prendre en
compte les différentes réalités.
Mme Hugon termine en insistant sur l’important travail
à mener afin de travailler sur la réduction des inégalités
socio-économiques et l’octroi de statuts administratifs
afin de parler de consentement libre en fonction d’élé
ments de contrainte sur lesquels les pouvoirs publics
ont le devoir de travailler.
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) revient sur la question
de l’âge de la capacité de consentement à des rela
tions sexuelles. Elle remercie Mme Day et Mme De
Keyser d’avoir rappelé que la loi est d’abord là pour
protéger les jeunes dans leur sexualité plutôt que pour
les pénaliser. L’oratrice souhaite obtenir des précisions
sur l’éventualité différence d’âge plus importante, de
trois à cinq ans, plaidée par Mme Day. Cette formule
implique-t-elle une différence entre trois et cinq ans ou
plutôt de trois ans dans certains cas et de cinq ans dans
d’autres? Mme Rohonyi se demande si, avec cinq ans
d’écart, un mineur ne se retrouve pas d’office dans une
situation de vulnérabilité et d’influence vis-à-vis de la
personne plus âgée.
L’intervenante s’intéresse aux conséquences d’une
politique de réglementation de la prostitution. Les repré
sentants d’UTSOPI ont fait remarquer les importantes
différences de pratiques entre les zones de police ou
d’une commune à une autre, comme entre Saint-Josse et
Schaerbeek. La membre se questionne sur l’opportunité
d’harmoniser des législations au niveau local alors que
la question semble rester ouverte. Elle souligne qu’il
existe une unanimité pour regretter l’inadéquation de
la définition de proxénétisme qui est encore à préciser,
afin de mieux distinguer les cas d’exploitation sexuelle
des cas de prostitution volontaire.
Mme Rohonyi souligne que le projet de loi interdit
la publicité sauf si une autre loi l’autorise mais aussi
lorsqu’elle est destinée aux services propres à caractère
sexuel. Cette disposition répond à une situation qui voit
de plus en plus de travailleurs du sexe se regrouper afin
de se retrouver seul face au client. La membre désire
2141/006
DOC 55
266
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van meerdere sekswerkers samen, terwijl uiteindelijk
slechts één van hen de klant ontvangt. Het lid vraagt in
hoeverre reclame op het internet de sekswerkers helpt
om onafhankelijk te blijven van een pooier, alsook in
hoeverre die reclame duidelijkheid schept over de al
dan niet aangeboden seksuele praktijken. De spreek
ster vraagt de politie of een onderscheid kan worden
gemaakt tussen reclame in opdracht van een zelfstandige
prostituee en reclame ten bate van een pooier en diens
netwerk. Aan de verenigingen Espace P en UTSOPI
vraagt mevrouw Rohonyi of het toestaan van reclame
op het internet er (soms kwetsbare) jongeren niet toe
zal aanzetten zich te prostitueren om hun studie te
betalen. In het verlengde daarvan vraagt ze of reclame
om de aandacht te vestigen op de activiteiten van wie
zich vrijwillig prostitueert, niet haaks staat op de nodige
inspanningen om hulp te bieden aan wie in een netwerk
werd gedwongen.
De spreekster treedt het standpunt van mevrouw de
Keyser bij over de seksuele assistentie en het belang
van een verrijkend emotioneel en seksueel leven, ook
voor mensen met een handicap. Dat oogpunt ontbreekt
echter in het Strafwetboek. Derhalve vraagt het lid of het
relevant is dit vraagstuk in het raam van de wijzigingen
aan het Strafwetboek te onderzoeken, dan wel of het
in het raam van een volwaardige volksgezondheidswet
zou moeten worden onderzocht.
De spreekster gaat in op het pleidooi van mevrouw
De Keyser en zou de vertegenwoordigers van Sensoa
willen horen over de mogelijke veralgemening van de
verjaringstermijn, waardoor ook de seksuele misdrijven
ten aanzien van volwassenen niet meer voor verjaring
vatbaar zouden zijn. De vereniging wordt gevraagd in
te schatten in hoeverre kan worden beoordeeld of een
misdrijf ten aanzien van een meerderjarig slachtoffer
vergelijkbare zware gevolgen heeft als dat ten aanzien
van een minderjarig slachtoffer.
Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) is ver
wonderd dat het advies van de genodigden niet werd
gevraagd bij het opstellen van het wetsontwerp. Er wordt
te traag vooruitgang geboekt.
Het lid beaamt dat enkel aanpassingen van het
Strafwetboek onvoldoende zullen zijn. Er moet aandacht
gaan naar preventie en de ongelijkheid in de samenle
ving. Vrouwen zijn nog te vaak economisch afhankelijk
van anderen. De meeste vrouwen die in de prostitutie
terechtkomen, doen dat uit economische noodzaak.
Zal het wetontwerp de problemen rond pooierschap,
mensenhandel en misbruik in de sekswerksector van
de baan helpen?
connaître le rôle rempli par la publicité sur internet
en terme de préservation d’indépendance pour une
personne prostituée par rapport à un proxénète ou
au niveau d’une clarification des pratiques sexuelles
offertes ou pas. L’oratrice interpelle la police au sujet
d’une possibilité de distinction entre une publicité publiée
pour le compte d’une prostituée indépendante et non au
profit d’un proxénète et de son réseau. Mme Rohonyi
s’adresse ensuite aux associations Espace P et UTSOPI
afin de savoir si l’autorisation de la publicité sur internet
ne risque pas d’inciter des jeunes, parfois en situation
précaire, à se prostituer pour financer leurs études. Dans
un même domaine, elle se demande si la publicité en
appui de personnes qui se prostituent volontairement ne
risquent pas de réduire à néant les efforts nécessaires
mis en place pour aider les personnes forcées au sein
d’un réseau.
L’intervenante confirme les propos de Mme de Keyser
à propos de l’assistance sexuelle et de l’importance
d’une vie affective et sexuelle épanouie, y compris pour
les personnes handicapées. Cependant, cette notion est
absente du code pénal et la membre s’interroge sur la
pertinence de traiter cette question dans le cadre de la
révision du code pénal ou plutôt dans une loi de santé
publique à part entière.
L’oratrice relève le plaidoyer de Mme De Keyser et
souhaite écouter les représentants de Sensoa sur la
question de la généralisation de l’imprescriptibilité des
crimes sexuels aux majeurs. L’association est interpellée
pour estimer la difficulté à estimer si le niveau de gravité
du crime dont un majeur est victime est le même que
dans le chef d’une victime mineure.
Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) s’étonne que
les invités n’aient pas été consultés lors de l’élaboration
du projet de loi. Les progrès engrangés sont trop lents.
La membre convient que de simples modifications
du Code pénal ne seront pas suffisantes. Il faut prêter
attention à la prévention et aux inégalités dans la société.
Les femmes sont encore trop souvent économique
ment dépendantes des autres. La plupart des femmes
qui tombent dans la prostitution le font par nécessité
économique.
Le projet de loi contribuera-t-il à éliminer les problèmes
de proxénétisme, de traite des êtres humains et d’abus
dans le secteur du travail du sexe?
267
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw De Keyser legt het accent op een holistische
aanpak van bewustmaken en voorkomen. Welke bepa
lingen wil zij nog laten opnemen in het Strafwetboek? Er
wordt steeds minder geïnvesteerd in onderwijs, nochtans
een cruciale factor.
Het is een prangend probleem dat veel slachtoffers
geen klacht indienen. Veel vrouwen zijn bang dat er niets
met hun klacht zal gebeuren of dat de politiediensten
hen beschuldigend bekijken. Hoe verklaren de verte
genwoordigers van de politiediensten dit verschijnsel?
Er zijn maar drie Zorgcentra na Seksueel Geweld open.
Het centrum in Brussel heeft nu al te weinig personeel.
Quid met slachtoffers in andere regio’s? De meeste
vrouwen moeten nog steeds naar de politie stappen.
Zijn er voldoende financiële middelen? Hoe zit het met
de opleiding?
De vertegenwoordigers van de politie dringen aan op
een minimumstraf van een jaar. Quid met daderthera
pie? Hoe wordt recidive voorkomen? Louter bestraffen
volstaat niet.
De heer Ben Segers (Vooruit) stipt aan dat Sensoa
drie tot vijf jaar leeftijdsverschil een veilige marge acht
in het kader van seksuele meerderjarigheid. Professor
Catherine Van De Heyning (UAntwerpen) voorspelde
dat het verschil in leeftijd in de huidige formulering van
het wetsontwerp problematisch zal zijn, bijvoorbeeld
bij seksuele betrekkingen tussen iemand van 15 en ie
mand van 17 plus één dag. Aangezien zulke zaken niet
verjaren, kan er altijd klacht worden ingediend, ook vele
jaren later door een ouder of een partner en mogelijk uit
wraak of andere motieven. Sommigen werpen op dat
het parket in zulke gevallen redelijk zal zijn, maar de wet
is de wet. Deelt Sensoa de vrees dat rechters de letter
van de wet zullen volgen?
De spreker verneemt graag hoe het toekomstige
artikel 433quater volgens de vertegenwoordigers van
UTSOPI zal worden geïnterpreteerd. Het wetsontwerp
biedt ruimte voor een strikt kader voor loontrekkenden,
menen zij. Bedoelen zij daarbij ook de definitie van het
pooierschap, zodat wat niet onder pooierschap valt,
het voorwerp kan van een arbeidsovereenkomst kan
uitmaken?
Wordt het afsluiten van een arbeidsovereenkomst
bemoeilijkt door te stellen dat aanzetten tot prostitutie
onder pooierschap valt? Pooierschap omvat volgens het
wetsontwerp ook het verhinderen dat een sekswerker
Mme De Keyser met l’accent sur une approche holis
tique de la sensibilisation et de la prévention. Quelles
autres dispositions souhaite-t-elle voir reprises dans le
Code pénal? Les investissements dans l’enseignement
diminuent sans cesse, alors qu’il est pourtant un facteur
crucial.
Le fait que de nombreuses victimes ne portent pas
plainte est un problème extrêmement préoccupant. De
nombreuses femmes redoutent qu’il ne soit pas donné
suite à leur plainte ou que la police les culpabilise.
Comment les représentants des services de police
expliquent-ils ce phénomène?
Seuls trois Centres de prise en charge des victimes
de violence sexuelle ont ouvert leurs portes. Celui de
Bruxelles est déjà en sous-effectif. Quid des victimes
dans d’autres régions? La plupart des femmes doivent
encore s’adresser à la police. Les moyens financiers
sont-ils suffisants? Qu’en est-il de la formation?
Les représentants de la police demandent une peine
minimale d’un an. Quid d’un suivi thérapeutique des
auteurs? Comment éviter la récidive? La répression
seule ne suffit pas.
M. Ben Segers (Vooruit) rappelle que Sensoa consi
dère qu’une différence d’âge de trois à cinq ans est une
marge sûre dans le cadre de la majorité sexuelle. Le
Pr Catherine Van De Heyning (UAntwerpen) a prédit
que la différence d’âge dans la formulation actuelle du
projet de loi serait problématique, par exemple dans
le cas de relations sexuelles entre une personne de
15 ans et une personne âgée de 17 ans plus un jour.
Comme la prescription ne s’applique pas pour ces
affaires, une plainte peut toujours être déposée, même
de nombreuses années plus tard, par un parent ou un
partenaire et éventuellement par vengeance ou pour
d’autres motifs. Certains rétorquent que le parquet se
montrera raisonnable dans de tels cas, mais la loi reste
la loi. Sensoa partage-t-elle la crainte que les juges
suivent la lettre de la loi?
L’intervenant souhaite avoir l’avis des représentants
d’UTSOPI sur l’interprétation du futur article 433quater.
Ils estiment que le projet de loi prévoit un encadrement
strict des salariés. Entendent-ils également par là la
définition du proxénétisme, de sorte que ce qui sort de
cette définition puisse faire l’objet d’un contrat de travail?
La conclusion d’un contrat de travail est-elle compli
quée par l’assimilation à du proxénétisme de l’incitation
à la prostitution? Selon le projet de loi, le proxénétisme
consiste également à empêcher un travailleur du sexe de
2141/006
DOC 55
268
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vertrekt. Heeft dit gevolgen voor de arbeidsovereen
komst? Quid met de opzegtermijn? Moeten sekswerkers
hun opzeg presteren? Artikel 433quater verwijst naar
een mogelijk wettelijk kader in de toekomst, maar het
voorliggende wetsontwerp bepaalt dat kader nog niet.
Wat als het kader nog niet bestaat bij een eventuele
inwerkingtreding van het wetsontwerp?
Pooierschap wordt momenteel gedefinieerd als het
plegen van een aantal handelingen, buiten de gevallen
die de wet bepaalt (DOC 55 2141/001, blz. 185-186).
Hoe definiëren de genodigden die gevallen die buiten
de wet vallen?
In verband met mensenhandel en misbruik van pros
titutie heeft het lid de volgende vragen voor de verte
genwoordigers van de politie.
Het is moeilijk om de toekomstige dynamiek van de
gedoogzones te voorspellen. In een antwoord op een
vraag van het lid zei minister van Justitie Vincent Van
Quickenborne het volgende: “Het doel is om een situ
atie te creëren waardoor sekswerkers veiliger kunnen
werken en niet om red light districts te laten verdwij
nen. Het is wel de bedoeling om gedoogzones te laten
verdwijnen. In red light districts in grote steden worden
sekswerkers bestuurlijk gecontroleerd door de politie
om een zicht te hebben op wie waar werkt en om te
controleren of de politiereglementen worden nageleefd.
Hetzelfde geldt voor het controleren van privéplaatsen.
Zulke controles brengen evenwel weinig zoden aan de
dijk. Bij het decriminaliseren van het sekswerk hoeft de
politie dergelijke controles niet meer uit te voeren.” De
minister bepleit meer aandacht voor onlinecontroles.
Uiteraard is de handhaving van het seksueel strafrecht
van cruciaal belang.
Delen de genodigde sprekers de inschatting van
de minister? Welke dynamiek verwachten zij? Zal het
voordeel van de bestuurlijke controles verdwijnen? Zou
sekswerk nog meer worden versnipperd? Zal de strijd
tegen misbruik nog meer online plaatsvinden als het
wetsontwerp wordt goedgekeurd?
Welke marge hebben de steden bij de interpretatie
van hun bevoegdheden bij toepassing van het prosti
tutiebeleid in de stedelijke prostitutiezones? Zullen de
gedoogzones verdwijnen, of zullen gemeenten ook na
de inwerkingtreding van de voorgestelde bepalingen
nog marge hebben?
Moeten de eerstelijnsdiensten zich in de toekomst rich
ten op een ruimere groep van slachtoffers en zodoende
quitter la profession. Ceci entraîne-t-il des conséquences
pour le contrat de travail? Quid du délai de préavis? Les
travailleurs du sexe sont-ils tenus de prester leur préavis?
L’article 433quater fait référence à un éventuel cadre
juridique dans l’avenir, mais le projet de loi à l’examen
ne définit pas encore ce cadre. Que se passera-t-il si
ce cadre n’existe pas encore lorsque le projet de loi
entrera en vigueur?
Le proxénétisme est actuellement défini comme la
commission d’un ou de plusieurs actes, hors les cas
prévus par la loi (DOC 55 2141/001, p. 185-186). Comment
les invités définissent-ils les cas qui sortent de ce que
la loi prévoit?
En ce qui concerne la traite des êtres humains et
l’abus de la prostitution, le membre pose les questions
suivantes aux représentants de la police.
Il est difficile de prévoir la dynamique future des zones
de tolérance. En réponse à une question du membre, le
ministre de la Justice Vincent Van Quickenborne déclare
ce qui suit: “L’objectif est de créer une situation où les
travailleurs du sexe peuvent travailler de manière plus
sûre, et non de faire disparaître les “quartiers chauds”.
Le but est toutefois de faire disparaître les zones de tolé
rance. Dans les “quartiers chauds” des grandes villes, les
travailleurs du sexe font l’objet d’une surveillance admi
nistrative par la police afin d’avoir une vue d’ensemble de
qui travaille où et de vérifier si les règlements de police
sont respectés. Il en va de même pour le contrôle des
lieux privés. Cependant, ces contrôles ne font guère
avancer les choses. Avec la dépénalisation du travail
du sexe, la police n’aura plus besoin d’effectuer de tels
contrôles.” Le ministre plaide en faveur d’une attention
accrue pour les contrôles en ligne. L’application du droit
pénal sexuel est cruciale.
Les orateurs invités partagent-ils l’évaluation du
ministre? Quelle dynamique attendent-ils? L’avantage
des contrôles administratifs va-t-il disparaître? Le travail
du sexe deviendrait-il encore plus fragmenté? La lutte
contre les abus se fera-t-elle encore davantage en ligne
si le projet de loi est approuvé?
Quelle est la marge de manœuvre des villes dans
l’interprétation de leurs compétences pour l’application
de la politique en matière de prostitution dans les zones
urbaines de prostitution? Les zones de tolérance vont-
elles disparaître ou les communes disposeront-elles
encore d’une marge après l’entrée en vigueur des
dispositions à l’examen?
Les services de première ligne devraient-ils à l’avenir
se concentrer sur un groupe plus large de victimes et
269
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hun werkingsmethode aanpassen, bijvoorbeeld door
contracten te controleren?
De vertegenwoordigster van vzw PAGASA verklaarde
in een eerdere hoorzitting dat de opvangcentra voor
slachtoffers van mensenhandel mogelijk een rol zullen
spelen in de strijd tegen misbruik van prostitutie. Vinden
de politievertegenwoordigers dat wenselijk? Momenteel
focussen de eerstelijnsdiensten op vermoedelijke slachtof
fers van mensenhandel, niet op slachtoffers van uitbuiting
van prostitutie. Ze baseren zich op allerlei indicatoren
en contextgegevens. Welke gevolgen zou de beoogde
voorgestelde aanpassing hebben?
Stel dat het ontwerp wordt aangenomen en in april
in werking treedt. Zal het lukken om tegen dan de stan
daardprocedures aan te passen en alle opleidingen
achter de rug te hebben? Zullen alle eerstelijnsdiensten
op de hoogte zijn van de nieuwe context?
De politie zou zich bij advertenties waarin geen adres
vermeld staat, voortaan voordoen als klant. Is het doel
van die controles om het verblijf te controleren of om te
controleren of de sekswerkers veilig en gezond zijn? Blijft
dit soort controles mogelijk in de context van verdere
decriminalisering?
De vertegenwoordigers van UTSOPI vrezen dat het
reclameverbod in zijn huidige formulering de handhaving
zou kunnen beknotten. Delen de politievertegenwoor
digers die vrees?
Mevrouw Katleen Bury (VB) benadrukt dat het huidige
maximale leeftijdsverschil van twee jaar onder de loep
zal worden genomen.
De vertegenwoordigster van Espace P gaf aan dat
rechters niet de geschikte partij zijn om te bepalen wat
een abnormale winst is. Volgens haar moeten externen
instaan voor die beoordeling. Om welke externen gaat
het?
Het lid stelt vast dat er geen representatieve cijfers
over prostitutie bestaan. Sommigen beweren dat 80 %
gedwongen in de prostitutie zit, anderen spreken dat
tegen. Cijfergegevens horen echter het uitgangspunt
van elke discussie te vormen. Zijn er representatieve
vergelijkende studies uit landen waarin prostitutie gere
gulariseerd is en in landen waarin dat niet het geval is?
Kan mevrouw De Sterck bijkomende uitleg over het
gebruik van de leugendetector verschaffen? Er bestaat
twijfel over de waarheidsgetrouwheid van het instrument.
donc adapter leurs méthodes de travail, par exemple
en contrôlant les contrats?
La représentante de l’ASBL PAG-ASA a déclaré lors
d’une audition précédente que les centres d’accueil pour
les victimes de la traite des êtres humains pourraient
jouer un rôle dans la lutte contre l’abus de la prostitution.
Les représentants de la police l’estiment-ils souhai
table? Actuellement, les services de première ligne se
concentrent sur les victimes présumées de la traite des
êtres humains, et non sur les victimes de l’exploitation
de la prostitution. Ils s’appuient sur une variété d’indi
cateurs et de données contextuelles. Quelles seraient
les conséquences de l’adaptation proposée?
Supposons que le projet soit adopté et entre en vigueur
en avril. Sera-t-il possible d’adapter les procédures
standard d’ici là et que toutes les formations aient été
suivies? Tous les services de première ligne seront-ils
informés du nouveau contexte?
La police se ferait désormais passer pour des clients
en répondant à des annonces qui ne comportent pas
d’adresse. Ces contrôles ont-ils pour but de vérifier le
séjour ou de vérifier si les travailleurs du sexe sont en
sécurité et en bonne santé? Ce type de contrôle restera-t-il
possible dans le cadre d’une nouvelle dépénalisation?
Les représentants d’UTSOPI craignent que dans sa
formulation actuelle, l’interdiction de la publicité ne freine
l’application de la loi. Les représentants de la police
partagent-ils cette crainte?
Mme Katleen Bury (VB) souligne que l’actuelle dif
férence d’âge maximale de deux ans sera examinée.
La représentante d’Espace P a déclaré que les juges
ne sont pas la partie appropriée pour déterminer ce qui
constitue un bénéfice anormal. Selon elle, cette évalua
tion devrait être réalisée par des parties externes. De
quelles parties externes est-il question?
La membre note qu’il n’existe pas de chiffres repré
sentatifs sur la prostitution. Certains affirment que 80 %
des travailleurs du sexe sont contraints de se prostituer,
d’autres les contredisent. Des données chiffrées doivent
pourtant constituer le point de départ de toute discussion.
Existe-t-il des études comparatives représentatives des
pays où la prostitution a été régularisée et des pays où
elle ne l’a pas été?
Mme De Sterck peut-elle fournir des explications
supplémentaires sur l’utilisation du détecteur de men
songes? Des doutes subsistent quant à la fiabilité de
2141/006
DOC 55
270
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Waaruit bestaan de goede praktijken uit Ierland waar
de genodigde het over had?
Het Vlaams Belang pleit al langer voor de verplichte
risicotaxatie en verplichte terbeschikkingstelling van
de strafuitvoeringsrechtbank, waarvan ook mevrouw
Minnen voorstander is.
Er bestaat geen consensus om van het meldingsrecht
een meldingsplicht te maken. Voor minderjarigen in een
precaire situatie is die meldingsplicht nochtans cruciaal.
Hulpverleners verschuilen zich achter het beroepsge
heim, getuige het verhaal van de “beul van Vilvoorde”,
een vader die vreselijke misdaden op zijn kinderen had
begaan. CLB’s waren daarvan op de hoogte maar omdat
iedereen zweeg, hebben de kinderen jarenlang geleden.
Mevrouw Nathalie Gilson (MR) vraagt hoe het zit met
de strafbaarstelling van incest bij meerderjarigen en met
de mogelijkheid om een bepaling op te nemen die zou
voorzien in een vermoeden van misbruik van gezag of
invloed door een ouder ten aanzien van een kind, ook
indien dat kind meerderjarig is.
Het lid vraagt de mening van de deskundigen over
de onmogelijkheid om in te stemmen met seksuele
betrekking vóór de leeftijd van zestien jaar, tenzij de
jongeren tussen veertien en zestien jaar oud zijn en
het leeftijdsverschil tussen hen niet hoger is dan twee
jaar. De spreekster polst naar de eventuele uitbreiding
van dat verschil tot drie of vier jaar en naar de aspecten
waarmee rekening moet worden gehouden om die keuze
te kunnen maken.
Mevrouw Gilson wijst erop dat prostitutie, in tegenstel
ling tot pooierschap, in België niet strafbaar is en dus ook
niet wordt bestraft. Ze benadrukt dat er eensgezindheid
is om alle personen die zich in een prostitutiesituatie
bevinden een vorm van sociale bescherming te bieden.
De spreekster is geraakt door de verklaringen van me
vrouw Crespo, die de noodzaak onderstreept van een
stelselmatige en alomvattende aanpak waarbij rekening
wordt gehouden met de gevolgen voor de betrekkingen
tussen mannen en vrouwen. In een ideale wereld zou
het een goede zaak zijn, mocht men een einde kun
nen maken aan prostitutie en aan het feit dat men het
vrouwelijk lichaam als koopwaar behandelt, maar de
werkelijkheid vraagt nu eenmaal een pragmatische
aanpak. Volgens mevrouw Gilson is het noodzakelijk
en wenselijk jongens en meisjes al zo jong mogelijk te
betrekken bij bewustmakings- en educatieve initiatieven.
De spreekster is van oordeel dat de status van werk
nemer met een arbeidsovereenkomst voordeliger is
dan de van zelfstandige om de persoon in een situatie
cet instrument. En quoi consistent les bonnes pratiques
de l’Irlande mentionnées par l’invitée?
Le Vlaams Belang plaide depuis longtemps pour
une évaluation obligatoire des risques et d’une mise
obligatoire à la disposition du tribunal de l’application
des peines, ce que Mme Minnen soutient également.
Il n’y a pas de consensus pour que le droit de signaler
devienne un devoir de signaler. Or, pour les mineurs en
situation précaire, ce devoir de signalement est essentiel.
Les services d’aide se retranchent derrière le secret
professionnel, comme l’illustre l’histoire du “bourreau de
Vilvorde”, un père qui avait commis des crimes atroces
sur ses enfants. Les centres d’encadrement des élèves
étaient au courant, mais personne n’a soufflé mot, et les
enfants ont souffert pendant des années.
Mme Nathalie Gilson (MR) pose la question de la
criminalisation de l’inceste au niveau des majeurs et
de la possibilité d’intégration d’une disposition qui pré
voirait une présomption d’abus d’autorité ou d’influence
de la part d’un parent vis-à-vis de son enfant, même si
celui-ci est majeur.
La membre demande l’avis des experts au sujet de
l’impossibilité de consentement à des relations sexuelles
avant 16 ans, sauf pour les jeunes entre 14 et 16 ans, à
condition qu’il n’y ait pas plus de deux ans d’écart entre
les deux adolescents. L’oratrice questionne à propos
d’un élargissement potentiel à trois ou quatre ans et sur
les éléments à considérer afin de déterminer ce choix.
Mme Gilson rappelle que, contrairement au proxéné
tisme, la prostitution n’est pas criminalisée et pénalisée
dans notre pays. Elle souligne le consensus autour d’une
protection sociale à fournir à toutes les personnes en
situation de prostitution. L’intervenante est touchée par
les propos de Mme Crespo qui insiste sur la nécessité
d’une approche systémique et globalisante prenant en
compte l’impact sur les relations entre les hommes et
les femmes. Si, dans un monde idéal, la disparition de
la prostitution et de la marchandisation du corps de
la femme est souhaitable, il faut néanmoins agir avec
pragmatisme face à la réalité. Pour Mme Gilson, des
actions de sensibilisation et d’éducation des garçons,
comme des filles, sont nécessaires et souhaitables, ce
dès le plus jeune âge.
L’oratrice estime qu’un statut de salarié sous contrat
est plus avantageux qu’un statut d’indépendant pour
assurer une protection sociale à la personne en situation
271
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van prostitutie sociale bescherming te bieden, ook al
impliceert een arbeidsovereenkomst een band van on
dergeschiktheid. Het wetsontwerp wil het in dat domein
mogelijk maken dat iemand het statuut van werkgever
krijgt, waardoor de activiteit van pooier de facto uit het
strafrecht wordt gehaald, tenzij misbruik of abnormaal
voordeel wordt vastgesteld. Het lid polst daarom bij de
deskundigen of ze voorstellen hebben voor strategieën
om een dergelijk abnormaal voordeel voor een pooier,
werkgever of verhuurder op te sporen en vast te stellen.
Mevrouw Gilson wijst op de vier regels die de vereniging
UTSOPI heeft aangehaald en die op de arbeidsover
eenkomst dienen te worden toegepast om bepaalde
partners of seksuele handelingen te kunnen weigeren.
De spreekster vraagt zich af of de voorkeur niet moet
gaan naar de – sociaal weliswaar minder voordelige –
status van zelfstandige door eventueel een status in het
leven te roepen die aangepast is aan dat specifieke werk
waarbij de werknemer het meest intieme van zichzelf
ter beschikking stelt.
De heer Christoph D’Haese (N-VA) verneemt graag
wat de Ierse goede praktijken inhouden.
Het is merkwaardig dat de politie pleit voor een mini
mumstraf van 1 jaar om voorlopige hechtenis mogelijk
te maken. Bovendien biedt die minimumstraf de on
derzoeksrechter mogelijkheden om voorwaarden op
te leggen. Heeft de politie dit doorgesproken met het
parket? Er zijn al vergelijkbare debatten gevoerd rond
andere strafbaarstellingen, zoals de strafbaarstelling
van inklemming in vrachtwagens. Men heeft lange tijd
vastgehouden aan 6 maanden om voorlopige hechte
nis in de praktijk te voorkomen. Vrezen de genodigden
geen tegenwerking van het parket?
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) voert het woord
in eigen naam. Zijn er betrouwbare gegevens over pros
titutie beschikbaar? Het is belangrijk om in dit gevoelige
onderwerp correcte informatie te verspreiden. Als er
geen cijfers zijn, moet dat ook duidelijk worden gezegd.
b. Antwoorden van de genodigden en replieken
Mevrouw Julia Day zal de commissie een schriftelijke
nota met gedetailleerde antwoorden bezorgen.
Jongeren kunnen al vanaf jonge leeftijd instemmen
met seksuele handelingen die kaderen in hun seksuele
ontwikkeling. De helft van de 12- en 13-jarigen heeft al
een eerste keer gekust. Hoe vroeger toestemming wordt
besproken, hoe beter.
De spreekster herhaalt dat het huidige toegelaten
leeftijdsverschil van twee jaar te krap is en pleit voor
de prostitution, même si un contrat implique un lien de
subordination. Le projet vise à autoriser une personne
à accéder à un statut d’employeur dans ce domaine et
donc, de facto, dépénaliser cette fonction de proxénète,
sauf en cas de constatation d’abus ou de profit anormal.
La membre questionne dès lors les experts sur des
propositions de stratégies permettant de constater et
détecter ce profit anormal, dans le chef d’un ou d’une
proxénète, employeur ou bailleur. Mme Gilson rappelle
les quatre règles, évoquée par l’association UTSOPI,
à appliquer au contrat de travail afin de pouvoir refuser
certains partenaires ou actes sexuels. L’intervenante
se demande si un statut d’indépendant ne devrait pas
être favorisé, bien que cette situation soit moins favo
rable en termes d’avantages sociaux, par l’éventuelle
mise en place d’un statut spécifique adapté à ce travail
particulier qui implique la mise à disposition de ce que
le travailleur a de plus intime.
M. Christoph D’Haese (N-VA) souhaite savoir en quoi
consistent les bonnes pratiques irlandaises.
Il est curieux que la police préconise une peine mini
male d’un an pour permettre la détention préventive. En
outre, cette peine minimale offre la possibilité au juge
d’instruction d’imposer des conditions. La police en a-t-
elle discuté avec le parquet? Des débats similaires ont
déjà eu lieu autour d’autres incriminations, comme celle
de l’embarquement sans autorisation dans un camion.
La durée de six mois a longtemps été conservée pour
éviter la détention préventive dans la pratique. Les invités
ne craignent-ils pas une obstruction du parquet?
Mme Katja Gabriëls (Open Vld) prend la parole en
son nom propre. Des données fiables sur la prostitution
sont-elles disponibles? Il est important de diffuser des
informations précises dans ce domaine sensible. S’il n’y
a pas de chiffres disponibles, cela doit être clairement
précisé.
b. Réponses des invités et répliques
Mme Julia Day fournira à la commission une note
écrite reprenant des réponses détaillées.
Très tôt, les jeunes peuvent consentir à des actes
sexuels qui font partie de leur développement sexuel.
La moitié des jeunes de 12 et 13 ans ont déjà connu leur
premier baiser. Mieux vaut aborder le plus tôt possible
la thématique du consentement.
L’oratrice réaffirme que l’actuelle différence d’âge
autorisée de deux ans est trop étroite et en appelle à
2141/006
DOC 55
272
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een optrekking naar drie tot vijf jaar. De leeftijdsvork zou
ook stapsgewijs groter kunnen worden, zoals in Canada
het geval is: twee jaar verschil tussen 12 en 14, drie jaar
verschil tussen 13 en 16 enzovoort. De essentie moet
blijven dat jongeren toestemming kunnen geven behalve
in duidelijk gedefinieerde gevallen.
De spreekster kan niet oordelen over de plaats die
het concept “macht” moet hebben in de strafwetgeving.
Zeker bij volwassenen mag er niet worden gesteld dat
er automatisch geen geldige toestemming kan zijn in
een machtsverhouding, al moet die altijd in rekening
worden genomen.
De heer Daan Bauwens antwoordt aan de heer Aouasti
dat het oorspronkelijke doel van de wetgeving was om
een duidelijk verschil te maken tussen sekswerk en
criminele activiteiten en meerderjarige sekswerkers
beter tegen misbruik te beschermen in gevallen die niet
onder de bepaling rond mensenhandel zouden vallen.
Alle vormen van seksuele uitbuiting zouden met andere
woorden onder mensenhandel vallen. Enkel abnormaal
voordeel, verzwaard abnormaal voordeel en abnormaal
voordeel in bende zouden sekswerkers bijkomende
bescherming bieden.
Het College van procureurs-generaal heeft om de
invoering van artikel 433quater/1 gevraagd, waarin
aanzetten en dwingen tot prostitutie in de definitie van
pooierschap zitten vervat. Die bepaling is problematisch,
vinden ook de erkende centra tegen mensenhandel,
omdat de bestaande overlap tussen artikel 380 en
artikel 433quinquies blijft bestaan. Slachtoffers van
mensenhandel vallen dus zowel onder misbruik als on
der mensenhandel. Vallen ze onder de bepalingen rond
misbruik, dan hebben ze geen recht op bescherming die
slachtoffers van mensenhandel zouden moeten krijgen.
Het feit dat de daders op twee manieren kunnen worden
vervolgd, creëert rechtsonzekerheid. Volgens de centra
tegen mensenhandel is zijn ook de artikelen 433quater/4,
/5 en /6 problematisch, waarin de begrippen dwang en
controle voorkomen. Deze begrippen horen thuis in
bepalingen over mensenhandel.
Voorts benadrukt de spreker dat decriminalisering niet
volstaat als enige maatregel. Decriminalisering is een
eerste stap die de weg vrijmaakt voor het reguleren van
de sector, bijvoorbeeld door arbeidsrechtelijke statuten
te hanteren. Er zijn legio redenen om minimale arbeids
voorwaarden voor de sector te definiëren.
Zowel slachtoffers van mensenhandel als vrijwillige
sekswerkers verdienen betere bescherming. Een kader
ce qu’elle soit portée à trois à cinq ans. La fourchette
d’âge pourrait également être élargie progressivement,
comme c’est le cas au Canada: deux ans de différence
entre 12 et 14 ans, trois ans de différence entre 13 et
16 ans, et ainsi de suite. L’essentiel doit rester que les
jeunes peuvent donner leur consentement sauf dans
des cas clairement définis.
L’oratrice ne peut pas juger de la place que la notion
de “pouvoir” doit occuper dans la législation pénale.
Pour les adultes, en particulier, il ne peut être automa
tiquement question de consentement non valable en
présence d’une relation de pouvoir, même si celle-ci
doit toujours être prise en compte.
M. Daan Bauwens répond à M. Aouasti que l’objec
tif initial de la législation était d’établir une distinction
claire entre le travail du sexe et les activités criminelles,
et de mieux protéger les travailleurs du sexe majeurs
contre les abus dans des cas qui ne relèveraient pas
de la disposition relative à la traite des êtres humains.
En d’autres termes, toutes les formes d’exploitation
sexuelle relèveraient de la traite des êtres humains.
Seuls l’avantage anormal, l’avantage anormal aggravé
et l’avantage anormal en bande apporteraient une pro
tection supplémentaire aux travailleurs du sexe.
Le Collège des procureurs généraux a demandé
l’introduction de l’article 433quater/1, qui inclut l’inci
tation et la coercition à la prostitution dans la définition
du proxénétisme. Cette disposition est problématique,
selon les centres agréés de lutte contre la traite des
êtres humains, car le chevauchement existant entre
l’article 380 et l’article 433quinquies demeure. Les
victimes de la traite des êtres humains relèvent donc
à la fois de l’abus et de la traite. Si elles relèvent des
dispositions relatives à l’abus, elles n’ont pas droit à la
protection dont les victimes de la traite des êtres humains
devraient bénéficier. Le fait que les auteurs puissent
être poursuivis de deux manières crée une insécurité
juridique. Selon les centres de lutte contre la traite des
êtres humains, les articles 433quater/4, /5 et /6, dans
lesquels apparaissent les notions de contrainte et de
contrôle, sont également problématiques. Ces notions
relèvent des dispositions relatives à la traite des êtres
humains.
En outre, l’orateur souligne que la dépénalisation seule
n’est pas une mesure suffisante. La dépénalisation est
une première étape qui ouvre la voie à une réglemen
tation du secteur, par exemple en adoptant des statuts
de droit du travail. Il existe une multitude de raisons de
définir des conditions de travail minimales pour le secteur.
Tant les victimes de la traite des êtres humains que
les travailleurs du sexe volontaires méritent une meilleure
273
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
met minimale eisen zal duidelijkheid scheppen over wat al
dan niet kan. Alles wat buiten het kader valt, is uitbuiting.
Mevrouw Laïs Djone is van mening dat de vier vrij
heden van de sekswerker die door UTSOPI naar voren
werden geschoven, niet in het Strafwetboek zouden
moeten worden opgenomen. Veeleer zouden ze deel
moeten uitmaken van de werkzaamheden van een spe
cifiek paritair comité met het oog op de totstandkoming
van een specifiek arbeidsreglement dat de mogelijkheid
moet bieden beter vat te krijgen op onregelmatigheden
en situaties waarbij de arbeidsvoorwaarden niet worden
nageleefd of waarbij er sprake is van mensenhandel en
uitbuiting.
De heer Daan Bauwens antwoordt aan mevrouw
Rohonyi dat de verschillen tussen de reglementen van
Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node zeer problematisch
zijn. De voorstellen van UTSOPI zouden tot harmonisering
leiden. Arbeidsrechtelijke kaders worden op federaal
niveau besloten. Momenteel leggen gemeenten bij
gebrek aan beter regels vast.
Mevrouw Laïs Djone merkt op dat online-advertenties
de sekswerker al de mogelijkheid bieden een eerste
schifting van de potentiële klanten door te voeren, door
de tarieven en uren aan te geven en te preciseren welke
handelingen toegestaan zijn en welke niet. Volgens de
deskundige beheren de meeste personen zelf hun ad
vertenties, maar anderen laten dit liever tegen betaling
aan iemand anders over. Een mogelijkheid bestaat erin
minimumvoorwaarden op te leggen om de advertenties op
gespecialiseerde websites voor volwassenen te kunnen
controleren. Veel mensen zijn zich er immers niet altijd
van bewust dat het inschakelen van een derde aanlei
ding kan geven tot een abnormaal voordeel. Mevrouw
Djone wijst erop dat het moeilijk is een onderscheid te
maken tussen de advertenties die door de sekswerker
zelf worden beheerd en die welke door een pooier of
een netwerk van mensenhandel worden beheerd.
Tot slot benadrukt de spreekster het nut van de ge
specialiseerde platforms en websites waartoe de politie
toegang heeft. Volgens haar bestaat het risico dat de
sluiting van die gekende digitale tools zou leiden tot de
oncontroleerbare situatie die men in de VS meemaakt
en waarbij clandestiene netwerken en pooiers de zaken
overnemen.
De heer Daan Bauwens antwoordt aan de heer Segers
dat de formulering “buiten de gevallen die de wet bepaalt”
(art. 433quater/1) ruimte laat voor het uitwerken van
een strikt kader. Alles wat in het kader valt, zou worden
protection. Un cadre d’exigences minimales permettra
de clarifier ce qui est possible et ce qui ne l’est pas. Tout
ce qui sort de ce cadre sera de l’exploitation.
Mme Laïs Djone est d’avis que les quatre libertés du
travailleur du sexe relevées par UTSOPI ne devraient pas
figurer dans le code pénal mais plutôt être intégrées aux
travaux de mise en place d’une réglementation du travail
spécifique par une commission paritaire particulière,
dans le but de cerner les irrégularités et le non-respect
des conditions de travail ou les situations de traite et
d’exploitation.
M. Daan Bauwens répond à Mme Rohonyi que les
différences entre les règlements de Schaerbeek et de
Saint-Josse-ten-Noode sont très problématiques. Les
propositions d’UTSOPI conduiraient à une harmonisation.
Les cadres du droit du travail sont décidés au niveau
fédéral, or à l’heure actuelle, ce sont les communes qui
tranchent faute de mieux.
Mme Laïs Djone fait remarquer que les annonces
en lignes constituent déjà une possibilité pour la per
sonne prostituée de filtrer le futur client, en précisant
les pratiques admises ou pas, les prix ou les horaires.
Selon l’experte, de nombreuses personnes gèrent leurs
annonces de manière autonome mais d’autres préfèrent
payer quelqu’un pour le faire. La mise en place de condi
tions minimales, dans le but de contrôler les annonces
publiées sur les sites spécialisés pour adultes, constitue
une piste car de nombreuses personnes ne se rendent
pas toujours compte que l’aide demandée à un tiers
peut relever d’un profil anormal. Mme Djone fait part
de la difficulté de distinguer la proportion d’annonces
gérées individuellement de celles qui sont gérées par
un proxénète ou un réseau de traite des êtres humains.
L’intervenante termine en soulignant l’utilité des pla
teformes et sites spécialisés auxquels la police a accès.
Pour elle, fermer ces outils numériques connus risque
d’entraîner une situation non contrôlable, vécue aux
USA, et la récupération par des réseaux et proxénètes
clandestins.
M. Daan Bauwens répond à M. Segers que la formu
lation “hors les cas prévus par la loi” (art. 433quater/1)
permet l’élaboration d’un cadre strict. Tout ce qui entre
dans ce cadre serait autorisé; tout ce qui en sort serait
2141/006
DOC 55
274
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toegelaten; alles wat erbuiten valt, is als pooierschap
te kwalificeren. Het overleg over de definitie van die
“bepaalde gevallen” loopt.
Er moeten verschillende hordes worden genomen
om een paritair comité te installeren. Er zijn al wetsvoor
stellen in de maak die een arbeidsrechtelijk kader voor
sekswerk definiëren. Professor Gert Vermeulen heeft in
2018 in het vakblad Panopticon een zeer gedetailleerd
raamwerk van arbeidstechnische bepalingen uitgewerkt.
De logica bestaat uit het bereiken van een zo groot mo
gelijke flexibilisering van het socialezekerheidsrecht om
zodoende zoveel mogelijk factoren die clandestiniteit in
de hand werken, uit de weg te ruimen.
De verschillende cijfergegevens die de ronde doen,
spreken elkaar tegen. Het komt erop aan om de bronnen
te controleren. In 85 % van de gevallen zou prostitutie
gedwongen zijn of zou er mensenhandel bij aan te pas
komen, zo luidt het vaak. De Brusselse politie stelde
daarentegen enkel dat 85 % van de pas aangekomen
sekswerkers in de raambuurten van Brussel mogelijk
slachtoffer is van mensenhandel. In die gevallen voert
de politie controles uit.
Veel impactstudies zijn door de academische wereld
volledig onderuitgehaald. In 2018 heeft Lucy Platt in
het vakblad PLOS Medicine een meta-analyse van 40
kwantitatieve en 94 kwalitatieve studies gepubliceerd.
Uit haar analyse bleek dat een criminaliserend beleid
leidt tot de verscherping van bestaande marginalisering.
In gedecriminaliseerde contexten gingen de relaties
met de politie, de toegang tot justitie en de onderhan
delingspositie van sekswerkers ten opzichte van klanten
erop vooruit. Deze vaststellingen komen overeen met
de praktijkervaring van UTSOPI.
In 2017 heeft Noord-Ierland in navolging van het
Zweedse model sekswerk gecriminaliseerd. Het Noord-
Ierse ministerie van Justitie heeft de situatie van 2014
vergeleken met die van 2018, waaruit blijkt dat er geen
bewijs is dat de strafbaarstelling een neerwaartse druk
op vraag of aanbod heeft gegenereerd. Sinds 2016 is
daarentegen een stijging in antisociaal en gewelddadig
gedrag vastgesteld. De hervorming heeft geleid tot toe
genomen angst voor misdaad en er is geen bewijs dat
de wetgeving een impact had op mensenhandel met
het oog op seksuele uitbuiting. De nieuwe wetgeving
heeft daarentegen bijgedragen tot een klimaat waarin
sekswerkers zich gestigmatiseerd en gemarginaliseerd
voelen.
Mevrouw Mireia Crespo preciseert dat het cijfer van
85 % van de sekswerkers die zich in een situatie van sek
suele uitbuiting bevinden, afkomstig is uit een verslag van
de federale politie dat mevrouw Joëlle Milquet, toenmalig
qualifié de proxénétisme. Les discussions sur la définition
de ces “hors les cas prévus par la loi” sont en cours.
Plusieurs écueils doivent être surmontés pour mettre
en place une commission paritaire. Il existe déjà des
projets de loi en préparation qui définissent un cadre
de droit du travail pour le travail du sexe. Le Pr Gert
Vermeulen a élaboré en 2018 un cadre très détaillé des
dispositions relatives au travail dans la revue Panopticon.
La logique consiste à atteindre la plus grande flexibilité
possible dans le droit de la sécurité sociale afin d’élimi
ner le maximum de facteurs favorisant la clandestinité.
Les différentes données chiffrées qui circulent se
contredisent. Il convient donc de vérifier les sources.
Dans 85 % des cas, la prostitution serait forcée ou impli
querait la traite des êtres humains, affirme-t-on souvent.
La police bruxelloise, quant à elle, a seulement déclaré
que 85 % des travailleurs du sexe nouvellement arrivés
dans les quartiers à vitrines à Bruxelles pourraient être
victimes de la traite des êtres humains. Dans ce cas, la
police effectue des contrôles.
De nombreuses études d’impact ont été complètement
décrédibilisées par le monde universitaire. En 2018, Lucy
Platt a publié une méta-analyse de 40 études quantitatives
et 94 études qualitatives dans la revue PLOS Medicine.
Son analyse a montré qu’une politique de criminalisation
conduit à l’exacerbation de la marginalisation existante.
Dans les contextes de dépénalisation, les relations avec
la police, l’accès à la justice et le pouvoir de négociation
des travailleurs du sexe vis-à-vis des clients se sont
améliorés. Ces constats correspondent à l’expérience
pratique d’UTSOPI.
En 2017, l’Irlande du Nord a criminalisé le travail du
sexe en suivant le modèle suédois. Le ministère de la
Justice d’Irlande du Nord a comparé la situation de
2014 à celle de 2018, et cette comparaison n’a révélé
aucune indication que la pénalisation ait généré une
quelconque pression à la baisse sur la demande ou
l’offre. En revanche, depuis 2016, une augmentation des
comportements antisociaux et violents a été observée.
La réforme a entraîné une augmentation de la peur de
la criminalité, et rien ne prouve que la législation ait eu
un impact sur le trafic à des fins d’exploitation sexuelle.
Au contraire, la nouvelle législation a contribué à créer
un climat dans lequel les travailleurs du sexe se sentent
stigmatisés et marginalisés.
Mme Mireia Crespo précise que le chiffre de 85 %
de personnes prostituées en situation d’exploitation
sexuelle émane d’un rapport de la police fédérale,
mentionné par Mme Joëlle Milquet, alors Vice-Première
275
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken
en Gelijke Kansen, heeft vermeld tijdens een conferentie
in het Europees Parlement in december 2012. De des
kundige beklemtoont dat het noodzakelijk is te beschik
ken over een systeemonderzoek en een vergelijkende
analyse met andere situaties en landen die eveneens
voor reguleringswetten hebben gekozen. Zij beveelt
aan om die officiële politie- of regeringsrapporten in te
kijken; ze zijn voor iedereen toegankelijk. In Nederland
bijvoorbeeld onthult de politie dat tussen 50 en 90 %
van wie in de legale sekshandelsactiviteit werkzaam
is, in werkelijkheid tot prostitutie wordt gedwongen. De
spreekster concludeert daaruit dan ook dat de georga
niseerde misdaad de controle over de gelegaliseerde
seksindustriesector heeft behouden.
Mevrouw Crespo verwerpt dit wetsontwerp en de
daarin gehuldigde liberale benadering van de prostitu
tie, die in dezen wordt omschreven als het aanbieden
van seksuele diensten. De spreekster suggereert een
meer systemische aanpak van het fenomeen en van de
structuur die erachter schuilgaat en die uit vele actoren
bestaat: de sekswerkers, profiteurs en uitbuiters, de
pooiers en hun handlangers evenals de klanten (meestal
mannen), die het systeem voeden.
De spreekster komt terug op de beeldrijke en veel
zeggende formulering van de definitie van het begrip
prostitutie: “teneinde eens anders driften te voldoen”.
Deze heeft op zijn minst de verdienste dat zij de bijzon
dere aard weerspiegelt van de vraag die aan de basis
ligt van de prostitutiemarkt en de mensenhandel met
het oog op seksuele uitbuiting.
Mevrouw Crespo betreurt dat het begrip “kwetsbaar
heid” alleen als een verzwarende factor wordt beschouwd,
terwijl de meeste betrokkenen wegens een kwetsbare
of precaire situatie in de prostitutie zijn gestapt. Volgens
de deskundige leert de ervaring dat in de VS, Canada,
Australië of Nieuw-Zeeland de allochtone vrouwen en
kinderen de eerste slachtoffers zijn van een fundamen
teel patriarchaal, racistisch en kolonialistisch systeem.
Volgens de spreekster vormt België geen uitzondering
op die vaststellingen en houdt het recht op sociale ze
kerheid daarom nog geen waarborg in voor een waardig
en respectabel leven.
De spreekster laat weten dat haar vereniging het ka
binet van de minister van Justitie heeft geïnterpelleerd
over het begrip “abnormaal voordeel”, dat volgens haar
niet nauwkeurig genoeg en juridisch gezien te vaag lijkt.
Luidens het antwoord kan van een abnormaal voordeel
alleen sprake zijn indien een sekswerker die vrijwillig
handelt, 60 % van de verkregen inkomsten aan een derde
verschaft. Mevrouw Crespo verwijst naar het begrip “ab
normaal voordeel” dat theoretisch in het vastgoedrecht
ministre, ministre de l’Intérieur et de l’Égalité des chances,
lors d’une conférence au Parlement européen en
décembre 2012. L’expert insiste sur la nécessité de
disposer d’une analyse systémique et comparative avec
d’autres situations et pays qui ont également choisi des
lois réglementaristes. Elle invite à découvrir ces rapports
officiels de la police ou des gouvernements qui sont
accessibles à toutes et tous. Aux Pays-Bas, par exemple,
la police révèle qu’entre 50 et 90 % des personnes tra
vaillant dans l’activité légale du commerce du sexe sont
en réalité forcées de se prostituer. L’oratrice en conclut
donc que le crime organisé a gardé le contrôle sur le
secteur légalisé de l’industrie du sexe.
Mme Crespo exprime son refus d’adhésion à ce projet
de loi et à son approche libérale de la prostitution, ici défi
nie comme une offre de services sexuels. L’intervenante
suggère une approche davantage systémique de la
question et d’une structure qui comprend des acteurs,
les personnes prostituées, des profiteurs et exploiteurs,
les proxénètes et leurs complices, et des clients, pour la
plupart des hommes, qui alimentent le système.
L’oratrice revient sur la formulation imagée et révéla
trice de la définition de prostitution “pour satisfaire les
passions d’autrui” qui a au moins le mérite de refléter
le caractère particulier de la demande qui alimente le
marché de la prostitution et la traite des êtres humains
à des fins d’exploitation sexuelle.
Mme Crespo regrette que la notion de vulnérabilité
soit uniquement considérée comme un facteur aggravant
alors que la majorité des personnes concernées sont
entrées dans la prostitution en raison d’une situation de
vulnérabilité ou de précarité. Selon l’expert, l’expérience
montre qu’aux USA, au Canada, en Australie ou en
Nouvelle-Zélande, ce sont des femmes et des enfants
allochtones qui sont les premières victimes d’un système
fondamentalement patriarcal, raciste et colonialiste.
L’oratrice estime que la Belgique ne déroge pas à ces
constatations et que le droit à la sécurité sociale ne
garantit pas pour autant une vie digne et respectable.
L’intervenante fait part d’une interpellation de son
association auprès du cabinet du ministre de la Justice
à propos de la notion d’avantage anormal qui lui semble
manquer de précision et de rigueur juridique. Selon la
réponse, il ne peut être question d’avantage anormal
que si un travailleur du sexe, qui agit volontairement,
fournit 60 % de ses revenus à une tierce personne.
Mme Crespo fait référence à la notion d’avantage anormal
théoriquement en vigueur en droit immobilier. En effet,
2141/006
DOC 55
276
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geldt. In geval van onenigheid tussen een eigenaar van
een pand en diens huurder stelt de vrederechter immers
vast wat de normale huurwaarde van het pand is. Die
waarde berust op drie criteria: de ligging, de algemene
staat van het gebouw en een vergelijking van de des
betreffende huurprijs met de huurprijzen van de andere
gebouwen met een gelijkwaardige bestemming. In geen
enkel geval wordt dus verwezen naar het potentiële
voordeel van de huurder op basis van het commerciële
rendement van het goed. De spreekster beklemtoont dat,
ofschoon alle huurprijzen in de Aarschotstraat buitensporig
zijn, er geen abnormaal voordeel in overweging wordt
genomen zolang de huurprijzen gelijkwaardig zijn. Dat
begrip valt trouwens moeilijk te bewijzen, temeer daar
de pooiers en mensenhandelaars een beroep doen
op de beste juristen die ervoor ijveren om binnen het
wetskader een maximaal voordeel mogelijk te maken.
Mevrouw Crespo meent dat alle sekswerkers een zware
tol zouden betalen, mocht dit wetsontwerp in zijn huidige
redactie worden aangenomen. Voor elke wet of elk debat
over de toekenning van rechten is volgens de spreekster
een belangenevenwicht vereist dat zorgvuldig dient te
worden afgewogen. De Nieuw-Zeelandse wetgeving,
die voor het ter bespreking voorliggende wetsontwerp
enigszins als voorbeeld dient, heeft bijgedragen bij tot
de benadeling en discriminatie van wie op die statuten
geen aanspraak kon of wou maken, en heeft tegelijkertijd
de uitzetting van migranten in de hand gewerkt. In het
licht van de Duitse wetgeving acht de deskundige het
wenselijk zorgvuldig te bestuderen en in aanmerking te
nemen welke soms vernederende situaties van onder
geschiktheid kunnen worden veroorzaakt doordat een
arbeidsovereenkomst wordt opgemaakt. Volgens de
spreekster is het van essentieel belang de getuigenis
sen van mensen die de prostitutie hebben verlaten in
overweging te nemen, evenals de meningen van politieke
gezagsdragers of van de verenigingen in het veld.
Mevrouw Isabelle Jaramillo wil het debat over de
verbetering van de situatie van de sekswerkers via
een wijziging van het Strafwetboek tot zijn essentie
terugbrengen. Ze herinnert eraan dat mensen niet al
leen in de prostitutie het slachtoffer van uitbuiting en
mensenhandel worden. Volgens de spreekster mag
dit betreurenswaardige feit geenszins verhinderen dat
men de maatschappelijke situatie verbetert van mensen
die in de prostitutie werken zonder het slachtoffer van
uitbuiting te zijn. Mevrouw Jaramillo meent dat men
hier werk van moet blijven maken en tegelijkertijd meer
middelen moet inzetten in de strijd tegen uitbuiting en
mensenhandel. Hoewel er met betrekking tot die strijd
een algemene consensus bestaat, moet men pragma
tisch blijven en toestaan dat de sekswerkers voor hun
activiteiten reclame maken zonder het risico te lopen
en cas de désaccord entre un propriétaire d’immeuble
et son locataire, le juge de paix établit la normalité de
la valeur locative de l’immeuble. On se base alors sur
trois critères: la localisation, l’état général du bâtiment
ainsi qu’une comparaison du loyer en question avec les
loyers des autres bâtiments à destination équivalente.
En aucun cas il n’est donc fait référence au profit poten
tiellement réalisé par le locataire sur base du rendement
commercial du bien. L’oratrice souligne que si tous les
loyers de la rue d’Aerschot sont démesurés, il n’y aura
pas de prise en considération d’un avantage anormal à
partir du moment où les loyers sont équivalents. Cette
notion est d’ailleurs d’autant plus compliquée à prouver
que les proxénètes et trafiquants font appel aux meilleurs
juristes qui œuvrent à permettre un profit maximum dans
le cadre de la loi.
Mme Crespo est d’avis qu’un vote de ce projet de loi,
tel qu’il est rédigé à ce jour, signifierait le support d’un
lourd tribu pour l’ensemble des travailleurs du sexe.
L’oratrice estime que pour chaque loi ou débat sur l’octroi
de droits, il existe une balance d’intérêt qui nécessite une
étude approfondie. La loi néo-zélandaise, qui sert un peu
d’exemple au projet discuté, a contribué à pénaliser et
discriminer les personnes ne pouvant ou ne souhaitant
pas accéder à ces statuts tout en contribuant à favo
riser l’expulsion de personnes migrantes. A la lumière
de la loi allemande, l’expert estime qu’il convient de
bien étudier et de prendre en compte la possibilité de
conséquences de situations de subordination, parfois
avilissantes, causées par l’établissement d’un contrat
de travail. Pour l’intervenante, il est essentiel de prendre
en considération les témoignages de personnes sorties
de la prostitution, les avis de responsables politiques
ou des associations de terrain.
Mme Isabelle Jaramillo souhaite recentrer le débat
sur l’amélioration de la situation des travailleurs du sexe
à travers un nouveau texte du code pénal. Elle rappelle
qu’il n’existe pas de personnes victimes d’exploitation et
de traite des êtres humains uniquement dans le domaine
de la prostitution. Selon l’oratrice, ce regrettable état
de fait ne justifie en rien que l’on ne veille pas à amé
liorer la situation sociale de personnes qui travaillent
sans être victime d’exploitation. Mme Jaramillo estime
qu’il convient d’avancer dans ce sens tout en donnant
parallèlement davantage de moyens à la lutte contre
l’exploitation et la traite. Si ce combat fait l’objet d’un
consensus général, il faut rester pragmatique et autori
ser les personnes prostituées à faire leur publicité sans
être accusée de proxénétisme. L’intervenante termine
par l’utilité d’une réflexion à mener également dans le
277
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van pooierschap te worden beschuldigd. De spreekster
besluit haar betoog door te stellen dat het ook nuttig is
over het technologische aspect van het thema na te
denken, teneinde greep te krijgen op de misbruiken op
de sociale netwerken.
Mevrouw Maria De Sterck verduidelijkt dat er tijdens
de audiovisuele TAM-verhoren geen verslag wordt
uitgetypt. Doel is om de minderjarigen, die een lager
cognitief vermogen bezitten en een beperkte woorden
schat hebben, niet te beïnvloeden en suggestibiliteit uit
te sluiten. Voorts lopen minderjarigen een verhoogd
risico op contaminatie van verhalen.
De voordelen van een TAM-verhoor doen zich ook
voor bij de gefilmde verhoren van meerderjarigen die
zedeninspecteurs uitvoeren met alle acute slachtoffers
van seksueel geweld. Tijdens deze verhoren wordt
non-verbaal gedrag wordt opgenomen, samen met het
volledige verhaal zodat het slachtoffer dat maar één
keer hoeft te doen. Het is onhaalbaar voor de politie om
het audiovisueel verhoor over de hele lijn uit te voeren,
maar het zal wel lukken om minderjarigen en kwetsbare
personen op deze manier te verhoren.
Een minderjarigenverhoor duurt gemiddeld één uur
omdat langere verhoren te belastend zijn. Een verhoor
van een uur uittypen neemt acht uur in beslag. Een ge
filmd verhoor daarentegen biedt het voordeel van een
opname en biedt het slachtoffer dezelfde veiligheid als
audiovisuele verhoren. Gefilmde verhoren uitvoeren is
haalbaar.
Momenteel zijn de Zorgcentra na Seksueel Geweld
van Luik, Brussel-Hoofdstad-Elsene en Oost-Vlaanderen
operationeel. Antwerpen gaat in november van start,
Charleroi eind november, West-Vlaanderen in maart
2022 en Vlaams-Brabant in juni 2022. Begin 2023 volgen
Limburg, Luxemburg en Namen.
De zorgcentra vergen veel middelen en capaciteit.
Toch is de politie ervan overtuigd dat ze de enige manier
zijn om het probleem aan te pakken en meer slachtoffers
klacht te doen indienen. Tot nu toe is het vertrouwen in
de politie immers een probleem.
Het is aan het parket om te beslissen of een feit al
dan niet verjaard is, maar zelfs als de feiten verjaard zijn,
vraagt de politie aan de slachtoffers om toch klacht neer
te leggen. Daders van seksuele misdrijven beperken zich
immers vaak niet tot één slachtoffer. Het kan dat feiten
gepleegd tegen een ander slachtoffer niet verjaard zijn.
De geloofwaardigheid van slachtoffers gaat erop vooruit
als de dader ook elders in het vizier komt.
domaine technologique afin de contrôler les abus sur
les réseaux sociaux.
Mme Maria De Sterck précise que lors des auditions
audiovisuelles TAM, aucun rapport n’est dactylographié.
L’objectif est d’éviter d’influencer les mineurs, dont la
capacité cognitive est moindre et le vocabulaire limité,
et d’exclure toute suggestibilité. En outre, les mineurs
courent un risque accru de contamination des récits.
Les avantages d’une audition TAM sont également
évidents dans les auditions filmées d’adultes que les
inspecteurs de la police des mœurs mènent pour tous
les cas urgents de violence sexuelle. Au cours de ces
auditions, le comportement non verbal est enregistré
ainsi que le récit complet, pour que la victime n’ait à le
faire qu’une seule fois. Il est impossible à la police de
généraliser totalement l’audition audiovisuelle, mais elle
peut parvenir à auditionner les mineurs et les personnes
vulnérables de cette manière.
La durée moyenne d’une audition avec un mineur
est d’une heure, les auditions plus longues étant trop
pénibles. Huit heures sont nécessaires pour dactylo
graphier une audition d’une heure. Une audition filmée,
en revanche, présente l’avantage d’un enregistrement
et offre à la victime la même sécurité que les auditions
audiovisuelles. Ces auditions filmées sont réalisables.
À l’heure actuelle, les Centres de prise en charge
des victimes de violence sexuelle de Liège, Bruxelles-
Ixelles et de Flandre orientale sont opérationnels. Celui
d’Anvers ouvrira en novembre, celui de Charleroi fin
novembre, celui de Flandre occidentale en mars 2022
et celui du Brabant flamand en juin 2022. Le Limbourg,
le Luxembourg et Namur suivront début 2023.
Les centres de prise en charge requièrent beaucoup
de ressources et de capacité. La police est toutefois
convaincue qu’ils sont le seul moyen de s’attaquer au
problème et d’inciter davantage de victimes à porter
plainte. Jusqu’à présent, la confiance en la police a en
effet posé problème.
C’est au parquet de décider si des faits sont ou non
prescrits, mais même s’ils le sont, la police invite les
victimes à déposer plainte. Souvent, les auteurs d’infrac
tions sexuelles ne s’arrêtent en effet pas à une seule
victime. Il est possible que des faits commis à l’encontre
d’une autre victime ne soient pas prescrits. Si l’auteur
des faits est également visé dans d’autres affaires, la
crédibilité des victimes est renforcée.
2141/006
DOC 55
278
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De zedeninspecteurs moeten een doorgedreven
opleiding volgen en politieambtenaren mogen minder
jarige slachtoffers van zedenfeiten pas verhoren na een
opleiding van een maand te hebben afgerond. Binnen
de geïntegreerde politie is nog niet iedereen overtuigd
van de noodzaak om respectvol met zedenslachtoffers
om te gaan, terwijl omzendbrief GPI 58 de respectvolle
behandeling van elk slachtoffer als een van de basis
functionaliteiten van de politie omschrijft.
De politie is voorstander van een risicomanagement
systeem om recidive te voorkomen en dadertherapie
mogelijk te maken. Helaas kunnen de hulpverleners die
zich met dadertherapie bezighouden, de hoeveelheid
werk niet aan.
Ierse veroordeelden voor zedenfeiten worden re
gelmatig opgevolgd. Als ze op reis gaan, moeten ze
aangeven wanneer en waarheen. De overheden van het
land van bestemming worden ingelicht over het verblijf
op hun grondgebied van de veroordeelde in kwestie.
Een dergelijke regeling kan in het raamwerk van de
Algemene Verordening Gegevensbescherming passen
mits er voldoende garanties worden ingebouwd voor de
privacy van de verdachte.
Canadees onderzoek schat de waarheidsgetrouwheid
van de leugendetectortesten op 92 tot 96 %. In België
mogen verdachten leugendetectortesten weigeren. De
rechter mag die weigering niet in rekening brengen.
Polygrafie mag niet het enige element à charge zijn en
kan bovendien ook à décharge worden gebruikt. Er zijn
dus voldoende garanties ingebouwd om polygrafie een
plaats te bieden in het onderzoeksproces.
Mevrouw Karine Minnen beklemtoont dat sekswer
kers eveneens het slachtoffer van verkrachting en van
seksuele agressie kunnen worden en dat de vrijheid om
al dan niet met een seksuele handeling in te stemmen,
ook hen aangaat. In een situatie waarin de sekswerker
aanvankelijk heeft ingestemd met een bepaalde seksuele
handeling maar niet met een andere, kan zeker van het
misdrijf “verkrachting” – gekwalificeerd als misdaad –
worden gesproken.
De spreekster vindt het zeer belangrijk dat men een
duidelijk onderscheid maakt tussen het feit dat men met
de prostitutie-activiteit instemt, en het feit dat men wordt
uitgebuit of het slachtoffer van mensenhandel is. Volgens
haar zijn veel prostituees zich er niet van bewust dat ze
het slachtoffer zijn van een vorm van uitbuiting, aangezien
hun prostitutieactiviteit niet binnen een arbeidsrechtelijk
kader en al evenmin binnen een andere rechtsvorm is
georganiseerd. De spreekster spreekt zich niet uit over
Les inspecteurs de la police des mœurs doivent
suivre une formation approfondie et les fonctionnaires
de police ne peuvent auditionner les victimes mineures
de faits de mœurs qu’après avoir suivi une formation
d’un mois. Au sein de la police intégrée, tout le monde
n’est pas encore convaincu de la nécessité de traiter
avec respect les victimes de faits de mœurs, alors que
la circulaire GPI 58 décrit le traitement respectueux de
chaque victime comme l’une des fonctions fondamen
tales de la police.
La police est favorable à un système de gestion des
risques pour prévenir la récidive et permettre le suivi
thérapeutique des auteurs. Malheureusement, les ser
vices d’aide impliqués dans ce suivi thérapeutique sont
dans l’incapacité de faire face à la quantité de travail.
En Irlande, les condamnés pour des faits de mœurs
font l’objet d’un suivi régulier. S’ils partent en voyage, ils
doivent en signaler les dates et les lieux. Les autorités
du pays de destination sont informées du séjour sur leur
territoire de cette personne. Un tel arrangement peut
s’inscrire dans le cadre du Règlement général sur la
protection des données, à condition que des garanties
suffisantes soient prévues pour le respect de la vie
privée du suspect.
Des études canadiennes ont évalué à à 92 à 96 %
la fiabilité des tests au détecteur de mensonges. En
Belgique, les suspects sont autorisés à refuser ce type
de tests, mais le juge peut ne pas tenir compte de ce
refus. Le polygraphe ne peut pas être le seul élément
à charge et peut également être utilisé à décharge. Il
existe donc des garanties suffisantes pour permettre
au polygraphe d’avoir une place dans le processus
d’enquête.
Mme Karine Minnen souligne qu’un travailleur du
sexe peut également être victime de viol et d’agression
sexuelle et que la question de la liberté de consentement
face à l’acte sexuel le concerne aussi. Une situation où
un accord de départ portant sur un type de prestation
sexuelle n’a pas été respecté peut certainement recou
vrir une infraction de viol, considérée comme un crime.
L’intervenante insiste sur l’importance de ne pas
confondre le fait de consentir à l’activité de prostitution
et le fait d’être exploité ou d’être victime de traite des
êtres humains. Selon elle, on rencontre de nombreuses
prostituées qui ne sont pas conscientes d’être victime
d’une forme d’exploitation car celle-ci n’est pas réglée,
ni dans un cadre de travail ni sous une autre forme.
L’oratrice ne se prononce pas quant à la nécessité de
fusionner l’infraction de traite avec celle de proxénétisme.
279
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de noodzaak om het misdrijf mensenhandel met het
misdrijf pooierschap samen te voegen. Mevrouw Minnen
acht het niettemin nodig dat men op de een of andere
manier de vormen van ondersteuning aan prostitutie-
activiteiten definieert teneinde te kunnen bepalen of er
sprake is van het “misbruik van prostitutie” of “uitbuiting”.
De deskundige deelt mee dat er in de politiesector
veel vragen leven met betrekking tot de wettelijke grond
slagen op basis waarvan de prostitutieactiviteit met de
thans beschikbare politiesterkte nog kan worden gecon
troleerd. De spreekster noemt een cijfer dat boekdelen
spreekt over de omvang van het prostitutieverschijnsel
in de zone Brussel-Elsene. Op basis van een scan van
online-advertentiesites, die met behulp van artificiële
intelligentie werd gerealiseerd, komt men aan niet minder
dan duizend advertentiepublicaties per dag; voor één
sekswerker kunnen evenwel verscheidene advertenties
worden geplaatst.
Mevrouw Minnen komt terug op de bijdrage van me
vrouw Jaramillo en merkt op dat gespecialiseerde sites
dan wel makkelijk te controleren zijn, maar dat dit niet
geldt voor sociale netwerken zoals Snapchat, Telegram
of Instagram. Die bieden zichtbaarheid en een platform
aan clandestienere vormen van prostitutie, inzonderheid
aan de prostitutie van kwetsbaardere sekswerkers, die
daardoor veelal onder de radar blijven.
Mme Minnen estime néanmoins qu’il faudra définir,
d’une manière ou d’une autre, les notions de soutien
qui peuvent être apportées à l’activité de prostitution,
ce qui permettra de définir l’abus de prostitution ou
l’exploitation.
L’expert fait part d’un gros questionnement du secteur
de la police par rapport aux bases légales qui permettront
d’encore contrôler l’activité de prostitution en fonction
de la capacité policière affectée. L’oratrice avance un
chiffre révélateur de l’ampleur du phénomène de la
prostitution dans la zone de Bruxelles/Ixelles. Sur base
d’un scan de sites d’annonces en ligne, réalisé avec
l’appui technologique de l’intelligence artificielle, on ne
relève pas moins de mille publications d’annonces par
jour, même si plusieurs annonces sont parfois postées
pour un seul travailleur du sexe.
Mme Minnen rebondit sur les propos de Mme Jaramillo
en faisant remarquer que si les sites spécialisés sont
aisément contrôlables, il n’en va pas de même pour
les réseaux sociaux comme Snapchat, Telegram ou
Instagram qui offrent une visibilité et une plateforme à
des formes plus clandestines de prostitution, notamment
pour les travailleurs du sexe plus vulnérables qui se
rendent ainsi moins facilement détectables.
2141/006
DOC 55
280
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
E. Hoorzitting van 26 oktober 2021 met de heer
Koen Dewulf, directeur, mevrouw Patricia Le Cocq
en de heer Stef Janssens, vertegenwoordigers van
Myria; de dames Hilde Melotte en Lucia Dreser,
vertegenwoordigsters van de Hoge Raad voor de
Justitie; de dames Caroline Debehault en Laure
Letellier, vertegenwoordigsters van Fem&Law;
mevrouw Heidi De Pauw, ceo, en mevrouw Héloïse
du Roy, vertegenwoordigsters van Child Focus en
de heer Hans Cools, vertegenwoordiger van de
Vlaamse Jeugdraad (namiddagvergadering)
1. Procedure
Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i. van de com
missie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van
het Kamerreglement:
“Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij
het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitster nodigt de sprekers uit deze vragen te
beantwoorden.
De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens
ontkennend op de vragen. De vertegenwoordigers van
Myria, van de Hoge Raad voor de Justitie en van Child
Focus verduidelijken dat ze ter zake wel adviezen hebben
gegeven, doch niet rechtstreeks werden betrokken bij
de totstandkoming van het ter bespreking voorliggende
wetsontwerp.
2. Uiteenzetttingen
a. Uiteenzettingen van de heer Koen Dewulf, directeur,
mevrouw Patricia Le Cocq en de heer Stef Janssens,
vertegenwoordigers van Myria
De heer Koen Dewulf is directeur van Myria, het fede
raal migratiecentrum. Myria is wettelijk gelast te waken
over de grondrechten van vreemdelingen, de strijd tegen
mensenhandel en mensensmokkel te bevorderen en de
overheden te informeren over de aard en de omvang
van migratiestromen. De spreker benadrukt dat Myria
onafhankelijk functioneert en voor België optreedt als
onafhankelijk nationaal rapporteur mensenhandel.
E. Audition du 26 octobre 2021 de M. Koen Dewulf,
directeur, Mme Patricia Le Cocq et M. Stef Janssens,
représentants de Myria; Mmes Hilde Melotte et Lucia
Dreser, représentantes du Conseil supérieur de la
justice; Mmes Caroline Debehault et Laure Letellier,
représentantes de Fem&Law; Mme Heidi De Pauw,
CEO, et Mme Héloïse du Roy, représentantes de Child
Focus et M. Hans Cools, représentant du Conseil
flamand de la jeunesse (réunion de l’après-midi)
1. Procédure
Mme Katja Gabriëls, présidente a.i. de la commission
de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du
Règlement de la Chambre:
“En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs
de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion, et le cas échéant, par quelle instance.”.
La présidente invite les orateurs à entamer leurs
exposés respectifs en répondant à ces questions.
La présidente invite les orateurs à entamer leurs
exposés respectifs en répondant à ces questions. Les
orateurs invités répondent successivement aux questions
par la négative. Les représentants de Myria, du Conseil
supérieur de la justice et de Child Focus précisent qu’ils
ont remis des avis en la matière, mais qu’ils n’ont pas
été directement associés à l’élaboration du projet de
loi à l’examen.
2. Exposés
a. Exposés de M. Koen Dewulf, directeur, Mme Patricia
Le Cocq et M. Stef Janssens, représentants de Myria
M. Koen Dewulf est directeur de Myria, le Centre
fédéral Migration. Myria a pour missions légales de
veiller au respect des droits fondamentaux des étran
gers, de stimuler la lutte contre la traite et le trafic des
êtres humains et d’informer les autorités sur la nature
et l’ampleur des flux migratoires. L’orateur souligne que
Myria fonctionne de manière indépendante et intervient
pour la Belgique en tant que rapporteur national indé
pendant sur la traite des êtres humains.
281
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreker ziet in het ter bespreking voorliggende
wetsontwerp mogelijkheden met betrekking tot het
de-stigmatiseren van sekswerkers en van iedereen
die daarbij betrokken is. Hij spreekt voorts de hoop uit
dat het wetsontwerp bij aanneming zal leiden tot een
oplossing voor het probleem dat rechtbanken niet altijd
een materiële vergoeding uitkeren aan slachtoffers van
mensenhandel. De heer Dewulf spreekt namens Myria
zijn bezorgdheid uit over de kwestie van derdelanders
die onwettig verblijven in België en werkzaam zijn in de
prostitutie, meer bepaald met betrekking tot het wegvallen
van de omkadering voor deze groep sekswerkers wan
neer het wetsontwerp effectief zal worden aangenomen
en geïmplementeerd.
Mevrouw Patricia Le Cocq verduidelijkt dat Myria zich
heeft toegespitst op de artikelen van het wetsontwerp die
betrekking hebben op zijn bevoegdheden en expertise,
namelijk de strijd tegen mensenhandel. De nota van
Myria bevat juridische overwegingen en bedenkingen
met betrekking tot het algemene beleid, alsook een
analyse van de eventuele gevolgen van dit wetsontwerp
voor de strijd tegen mensenhandel.
Myria schaart zich achter het streven van de auteurs
van het wetsontwerp om elke vormen van aanzetten tot
en exploitatie van prostitutie van minderjarigen streng
te bestraffen. De spreekster vestigt de aandacht op
een positief aspect van het wetsontwerp, namelijk het
feit dat het ter beschikking stellen van een ruimte aan
een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie
ook strafbaar zou zijn wanneer geen sprake is van een
abnormaal voordeel.
Betreffende het door het College van procureurs-
generaal aangehaalde vraagstuk inzake de eventuele
omkering van de bewijslast omtrent de minderjarigheid
van het slachtoffer, kan volgens de spreekster uit de
memorie van toelichting worden afgeleid dat de min
derjarigheid van het slachtoffer zou volstaan om het
strafbare feit vast te stellen.
Myria heeft vragen bij het praktische onderscheid
dat zou moeten worden gemaakt tussen de handel in
minderjarigen als bedoeld in artikel 433quinquies van
het Strafwetboek en twee nieuwe bepalingen van het
wetsontwerp, die ertoe strekken uitdrukkelijk te bepa
len dat ze moeten worden toegepast onverminderd
de in de bepalingen over de mensenhandel bedoelde
gevallen, met name het werven van een minderjarige
met het oog op ontucht of prostitutie als bedoeld in de
artikelen 417/27 en 417/28, alsook de exploitatie van de
ontucht of de prostitutie van een minderjarige als bedoeld
in de nieuwe artikelen 417/33 en 417/34.
L’orateur voit dans le projet de loi à l’examen la possi
bilité de déstigmatiser les travailleurs du sexe et toutes
personnes concernées. Il espère ensuite que le projet
de loi, s’il est adopté, permettra de résoudre le problème
lié au fait que les tribunaux n’accordent pas toujours
une indemnisation matérielle aux victimes de la traite
des êtres humains. Parlant au nom de Myria, M. Dewulf
se dit préoccupé par la question des ressortissants de
pays tiers qui séjournent illégalement en Belgique et
sont actifs dans la prostitution, plus particulièrement en
ce qui concerne la suppression de l’encadrement de ce
groupe de travailleurs du sexe lorsque le projet de loi
sera effectivement adopté et mis en œuvre.
Mme Patricia Le Cocq précise que Myria s’est concen
tré sur les articles du projet de loi qui portent sur ses
compétences et son expertise, à savoir la lutte contre
la traite d’êtres humains. Dans sa note, Myria a émis
des considérations juridiques et des points de politique
générale. Il y a également analysé l’incidence possible du
projet de loi sur la lutte contre la traite d’êtres humains.
Myria souscrit à la volonté des auteurs du projet de loi
de punir fermement toute forme d’incitation et d’exploi
tation de la prostitution des mineurs. L’intervenante
souligne un point positif dans ce projet de loi, à savoir
que la mise à disposition d’un local à un mineur à des
fins de débauche ou de prostitution n’exigerait plus de
profit anormal pour être punissable.
En ce qui concerne la question, soulevée par le Collège
des procureurs généraux et relative au possible renver
sement de la charge de la preuve concernant l’état de
minorité de la victime, l’oratrice estime que l’exposé des
motifs précise utilement que le fait que la personne soit
mineure suffirait à établir l’infraction.
Myria s’interroge sur la distinction pratique à opé
rer entre la traite d’un mineur d’âge, visée par l’ar
ticle 433quinquies du Code pénal, et deux des nouvelles
dispositions du projet de loi, qui mentionnent explicite
ment leur application sans préjudice des cas visés par
les dispositions sur la traite d’êtres humains, à savoir le
recrutement d’un mineur à des fins de débauche ou de
prostitution prévu par les articles 417/27 et 417/28 ainsi
que l’exploitation de la débauche ou de la prostitution d’un
mineur visée par les nouveaux articles 417/33 et 417/34.
2141/006
DOC 55
282
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De memorie van toelichting bevat enkele aanvullende
nadere gegevens. Zo wordt verduidelijkt dat de voorkeur
moet uitgaan naar vervolgingen op grond van mensen
handel, teneinde de slachtoffers beter te beschermen.
Myria stelt zich niettemin vragen over de praktische
toepassing van dat beginsel en over het onderscheid
dat tussen die verschillende bepalingen moet worden
gemaakt, meer bepaald vanwege de toevoeging van
de vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal
slachtoffers bij die misdrijven. Zal die toevoeging de taak
van de magistraten niet nog ingewikkelder maken? Zal
dit geen gevolgen hebben voor de bescherming van
de slachtoffers?
Myria schaart zich tevens achter het streven van de
auteurs van het wetsontwerp om elke vorm van mis
bruik of exploitatie van prostitutie van meerderjarigen
die niet onder de definitie van mensenhandel valt, te
bestraffen. Niettemin wijst mevrouw Le Cocq erop dat
Myria bedenkingen heeft bij bepaalde aspecten aan
gaande de praktische toepassing. Het gaat daarbij in
de eerste plaats om het begrip “abnormaal voordeel”
in artikel 433quater/4 en het onderscheid dat dient te
worden gemaakt tussen mensenhandel en verzwaard
misbruik van prostitutie als bedoeld in het ontworpen
artikel 433quater/5 van het wetsontwerp.
De straffen zouden in bepaalde omstandigheden
worden verzwaard. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn
wanneer sprake is van misbruik van kwetsbaarheid of
het gebruik van dwang. Die verzwarende omstandighe
den zijn gebaseerd op die van artikel 433septies over
mensenhandel. Hoe moet men bij identieke verzwarende
omstandigheden in de praktijk het onderscheid maken
tussen die twee strafbaarstellingen?
Mevrouw Le Cocq voegt eraan toe dat het onderscheid
tussen mensenhandel en verzwaard misbruik van pros
titutie niet zonder gevolgen is voor de slachtoffers. Door
de feiten te kwalificeren als mensenhandel zouden de
specifieke bepalingen van de artikelen 61/2 tot 61/5 van
de vreemdelingenwet van 5 december 1980 en van de
multidisciplinaire omzendbrief van 23 december 2016 op
de slachtoffers van toepassing zijn.
De spreekster wijst erop dat wanneer men vermoedt dat
iemand het slachtoffer van mensenhandel is, die persoon
in principe naar een gespecialiseerd opvangcentrum
moet worden doorverwezen. Indien die persoon voldoet
aan de drie vereiste voorwaarden (de contacten met de
exploitanten verbreken, meewerken met het gerecht en
zich door het gespecialiseerd opvangcentrum laten be
geleiden) komt die persoon, indien het een vreemdeling
is, in aanmerking voor een specifieke verblijfsvergunning
en kan de betrokkene na afloop van de gerechtelijke
procedure tegen de daders van de feiten definitief worden
L’exposé des motifs fournit quelques détails complé
mentaires. Par exemple, il précise qu’il s’agit de privilégier
les poursuites sur la base de la traite d’êtres humains
afin de mieux protéger les victimes. Myria s’interroge
toutefois sur l’application pratique de ce principe et sur
la distinction à établir entre ces différentes dispositions,
notamment en raison de l’ajout de la multiplication de
l’amende par le nombre de victimes dans ces infractions.
Cet ajout ne risque-t-il pas de compliquer davantage la
tâche des magistrats? N’aura-t-il pas une incidence sur
la protection des victimes?
Myria souscrit aussi au souhait exprimé par les auteurs
du projet de loi de veiller à réprimer toute forme d’abus ou
d’exploitation de la prostitution de personnes majeures
qui ne tomberait pas sous la définition de la traite d’êtres
humains. Néanmoins, Mme Le Cocq ajoute que Myria
s’interroge sur certains points d’applications pratiques,
à commencer par la notion d’avantage anormal figurant
à l’article 433quater/4 et la distinction à opérer entre la
traite d’êtres humains et l’abus aggravé de prostitution
visé par l’article 433quater/5 du projet de loi.
Les peines sont aggravées lorsque certaines cir
constances sont présentes. L’intervenante cite, à titre
d’exemple, l’abus de vulnérabilité ou l’usage de la
contrainte. Ces circonstances aggravantes s’inspirent
de celles reprises à l’article 433septies sur la traite
d’êtres humains. Lorsque des circonstances aggravantes
identiques sont présentes, comment opérer la distinction
entre ces deux incriminations sur le terrain?
Mme Le Cocq ajoute que la distinction entre la traite
d’êtres humains et l’abus aggravé de la prostitution n’est
pas sans conséquence pour les victimes. Qualifier les
faits de traite d’êtres humains permettrait aux victimes
de bénéficier des dispositions spécifiques prévues par
les articles 61/2 à 61/5 de la loi du 15 décembre 1980 sur
les étrangers et par la circulaire multidisciplinaire
du 23 décembre 2016.
Comme le rappelle l’oratrice, lorsqu’il est question
d’une victime présumée de traite d’êtres humains, celle-ci
doit, en principe, être orientée vers un centre d’accueil
spécialisé. Si cette personne satisfait aux trois conditions
nécessaires (à savoir rompre les contacts avec les exploi
teurs, collaborer avec les autorités judiciaires, accepter
d’être accompagnée par le centre d’accueil spécialisé),
elle pourra, s’il s’agit d’une personne étrangère, bénéficier
d’un titre de séjour spécifique, avec possibilité d’obtenir
une régularisation définitive à l’issue de la procédure
judiciaire contre les auteurs des faits. En revanche, si
283
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geregulariseerd. Indien de feiten daarentegen worden
gekwalificeerd als verzwaard misbruik van prostitutie
worden de slachtoffers niet ingedeeld in de categorie
die aanspraak kan maken op die specifieke bepalingen.
Daarnaast is mevrouw Le Cocq van oordeel dat die
wijzigingen een vrij lange aanpassingsperiode zouden
vergen voor de eerstelijnsdiensten en de magistraten.
Zo zouden de databanken moeten worden aangepast.
Myria stelt zich vragen bij het feit dat de wetgever de
bepalingen ten gunste van de slachtoffers van mensen
handel wil verruimen tot de slachtoffers van verzwaard
misbruik van prostitutie, meer bepaald naar aanleiding
van de verklaringen van de minister van Justitie in de
pers over de uitbreiding van de bevoegdheden van de
opvangcentra naar de slachtoffers van verzwaard misbruik
van prostitutie. In welke mate zou een sekswerker die
het slachtoffer is van verzwaard misbruik van prostitutie,
in aanmerking kunnen komen voor de regelingen ten
gunste van slachtoffers van mensenhandel? Die wijzi
ging zou gevolgen hebben voor de capaciteit van de
opvangcentra voor slachtoffers en voor de werklast van
de eerstelijnsdiensten. Bovendien zouden de bestaande
bepalingen (namelijk die van de vreemdelingenwet, de
multidisciplinaire omzendbrief en het maatschappelijk
doel van de opvangcentra) eveneens moeten worden
aangepast. Ten slotte zou een dergelijke evolutie ook
bijkomende middelen vergen en zou ook het advies van
de Interdepartementale Coördinatiecel ter bestrijding van
de mensensmokkel en mensenhandel moeten worden
ingewonnen.
De spreekster benadrukt de bezorgdheid van Myria over
de mogelijke uitholling van het concept mensenhandel
indien de wetgever de bescherming van de slachtof
fers van mensenhandel zou willen uitbreiden naar de
slachtoffers van verzwaard misbruik van prostitutie. De
huidige regeling voor slachtoffers van mensenhandel
is multidisciplinair. De vraag rijst of de inclusie van de
slachtoffers van misbruik van prostitutie geen afbreuk
dreigt te doen aan de specialisatie van die regeling.
Dreigt een dergelijke situatie er op lange termijn niet
toe te leiden dat de actoren in het veld en de beleid
smakers de strijd tegen mensenhandel minder zullen
gaan ondersteunen?
Mevrouw Le Cocq deelt mee dat Myria voorstander
is van de strafbaarstelling van elke vorm van reclame
voor ontucht of prostitutie van minderjarigen. Voor meer
derjarigen daarentegen wil het wetsontwerp reclame
voor de verkoop van commerciële seksuele diensten
verbieden behalve voor zijn eigen diensten, wat een stap
verder gaat dan hetgeen waarin het voorontwerp van
wet beoogde te voorzien. Volgens de spreekster zouden
bepaalde politiediensten en magistraten voorstander
les faits sont qualifiés d’abus aggravés de prostitution,
les victimes n’entrent pas dans la catégorie permettant
de bénéficier de ces dispositions spécifiques.
Mme Le Cocq estime également que ces modifica
tions demanderaient un temps d’adaptation assez long
pour les services de première ligne et les magistrats. Il
faudrait, par exemple, adapter les bases de données.
Myria s’interroge sur la volonté du législateur d’étendre
les dispositions en faveur des victimes de traite d’êtres
humains aux victimes d’abus aggravés de prostitution,
notamment à la suite des déclarations que le ministre
de la Justice a faites à la presse à propos de l’extension
des compétences des centres d’accueil aux victimes
d’abus aggravés de prostitution. Dans quelle mesure un
travailleur du sexe, victime d’abus aggravés de prosti
tution, pourrait-il bénéficier des dispositions en faveur
des victimes de traite d’êtres humains? Cette modifi
cation aurait une incidence sur la capacité des centres
d’accueil des victimes ainsi que sur la charge de travail
des services de première ligne. En outre, les dispositions
existantes (à savoir la loi sur les étrangers, la circulaire
multidisciplinaire et l’objet social des centres d’accueil)
devraient également être adaptées. Enfin, une telle
évolution nécessiterait d’octroyer des moyens supplé
mentaires et de consulter la Cellule interdépartementale
de coordination contre la traite des êtres humains.
L’intervenante souligne l’inquiétude de Myria à pro
pos d’une possible érosion du concept de traite d’êtres
humains si le législateur souhaite étendre la protection
accordée aux victimes de traite d’êtres humains aux
victimes d’abus aggravés de prostitution. Le système
actuel pour les victimes de traite d’êtres humains est
multidisciplinaire. Inclure les victimes d’abus de pros
titution ne risque-t-il pas de diminuer la spécialisation
de ce système? Sur le long terme, une telle situation ne
risque-t-elle pas de réduire le soutien que les acteurs de
terrain et le monde politique accordent à la lutte contre
la traite d’êtres humains?
Mme Le Cocq informe que Myria soutient l’incrimina
tion de toute forme de publicité pour la débauche ou la
prostitution de mineurs. Pour les majeurs, en revanche,
le projet de loi entend interdire la publicité liée à la
vente de services sexuels commerciaux sauf s’il s’agit
de publicité pour ses propres services, ce qui est plus
strict que ce que prévoyait l’avant-projet de loi. D’après
l’intervenante, certains services de police et magistrats
seraient favorables à la conclusion d’accords formels
2141/006
DOC 55
284
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zijn van het sluiten van formele akkoorden met de in
ternetproviders. Zulks zou het opsporen van gevallen
van mensenhandel vergemakkelijken. Het voorontwerp
van wet had het mogelijk gemaakt dergelijke akkoorden
te sluiten; door reclame via derden te verbieden, wordt
daarentegen gevreesd dat dergelijke overeenkomsten
niet mogelijk zullen zijn.
De heer Stef Janssens gaat vervolgens dieper in op de
mogelijke gevolgen van het wetsontwerp op het terrein,
op het vlak van mensenhandel. De spreker waarschuwt
dat de eventuele uitvoering van het wetsontwerp de inzet
van veel meer middelen zal vergen. Het gaat dan om
magistraten, eerstelijnsdiensten en de gespecialiseerde
centra voor mensenhandel. Hij stelt echter vast dat net
het tegenovergestelde het geval is en dat de middelen
voor mensenhandel worden afgebouwd. Hij klaagt aan dat
mensenhandel officieel een belangrijke prioriteit uitmaakt
van het veiligheidsplan maar dat dit niet strookt met de
werkelijkheid. Hij roept de volksvertegenwoordigers dan
ook op om dit te onderzoeken en hetgeen is opgenomen
in het regeerakkoord ook effectief uit te voeren.
De heer Janssens stelt zich vragen bij de impact van
het wetsontwerp op het bestrijdingsapparaat tegen de
mensenhandel. De minister van Justitie verklaarde in de
Kamer dat de sociale inspectiediensten een grotere rol
zullen gaan spelen bij het toezicht op het sociaal statuut
van sekswerkers. De spreker stelt zich daarbij de vraag
of dit dan ook betekent dat de sociale inspectiediensten
het toezicht op de arbeidscontracten van sekswerkers
zullen uitvoeren en zich zullen moeten richten op on
derzoeken in het kader van abnormale winsten door
misbruik. Hij benadrukt dat de focus, de specialisatie en
de aanpak van sociale inspectiediensten vooral gericht
is op economische uitbuiting, en minder op seksuele
uitbuiting. Er zal dus met andere woorden een redelijke
aanpassingsperiode noodzakelijk zijn, met alweer een
nood aan bijkomende middelen.
De heer Janssens gaat tot besluit van zijn betoog
in op de problemen van de derdelanders zonder ver
blijfsvergunning en van de gedoogzones in steden.
In sommige steden worden sekswerkers zonder ver
blijfsdocumenten gedoogd omdat de lokale overheid
prioriteit geeft aan de strijd tegen mensenhandel boven
de controle op illegaal verblijf. Bij controles kijken de
gespecialiseerde mensenhandeleenheden van de politie
naar de indicatoren mensenhandel en trachten ze een
vertrouwensband op te bouwen met de sekswerkers
ongeacht hun verblijfsdocumenten. Hierdoor voelen de
mogelijke slachtoffers zich niet opgejaagd en zullen ze
ook bereid zijn om mee te werken met politie en justitie.
Deze aanpak heeft als voordeel dat de ergste uitwassen
van mensenhandel kunnen worden bestreden en heeft
avec les fournisseurs d’accès à internet. Cela permettrait
de faciliter la détection de cas de traite d’êtres humains.
L’avant-projet de loi aurait permis la conclusion de tels
accords. En revanche, en interdisant la publicité via des
tiers, on peut craindre que la conclusion de tels accords
ne soient pas possibles.
M. Stef Janssens examine ensuite plus en détail les
conséquences possibles du projet de loi sur le terrain, au
niveau de la traite des êtres humains. L’orateur prévient
que l’éventuelle mise en œuvre du projet de loi nécessitera
le déploiement de beaucoup plus de moyens, c’est-à-
dire de magistrats, de services de première ligne et de
centres spécialisés dans la traite des êtres humains. Il
constate cependant que c’est tout le contraire qui se
produit et qu’on assiste à une réduction des moyens
consacrés à la traite des êtres humains. Il dénonce le fait
que la traite des êtres humains constitue officiellement
une priorité importante du plan de sécurité, mais que
cela ne correspond pas à la réalité. Il appelle donc les
députés à examiner ce point et à exécuter effectivement
ce qui est prévu dans l’accord de gouvernement.
M. Janssens s’interroge sur l’impact du projet de loi
sur le dispositif de lutte contre la traite des êtres humains.
Le ministre de la Justice a déclaré à la Chambre que
les services d’inspection sociale joueront un rôle plus
important dans le contrôle du statut social des travailleurs
du sexe. L’orateur se demande si cela signifie dès lors
que les services d’inspection sociale contrôleront les
contrats de travail des travailleurs du sexe et devront
se concentrer sur les enquêtes relatives aux profits
anormaux réalisés dans le cadre d’abus? Il souligne que
la finalité, la spécialisation et l’approche des services
d’inspection sociale sont essentiellement orientés vers
l’exploitation économique, et moins vers l’exploitation
sexuelle. En d’autres termes, une période raisonnable
d’adaptation sera nécessaire, avec encore une fois la
nécessité de déployer des moyens supplémentaires.
Enfin, M. Janssens conclut son exposé en évoquant
les problématiques des ressortissants de pays tiers
sans permis de séjour et des zones de tolérance dans
les villes. Dans certaines villes, des travailleurs du sexe
sans papiers sont tolérés parce que les autorités locales
font passer la lutte contre la traite des êtres humains
avant le contrôle des personnes en séjour illégal. Lors
des contrôles, les unités spécialisées de la police dans
la lutte contre la traite des êtres humains recherchent
des indicateurs de ce phénomène et tentent d’établir
une relation de confiance avec les travailleurs du sexe,
indépendamment de leurs documents de séjour. Par
conséquent, les victimes potentielles ne se sentent pas
traquées et seront également disposées à coopérer
avec la police et la justice. Cette approche présente un
285
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
reeds tot veroordelingen geleid. Myria beveelt aan dat
in het wetsontwerp zou worden opgenomen dat lokale
autoriteiten deze pragmatische aanpak zouden kunnen
blijven behouden, om te voorkomen dat onwettig verblij
vende sekswerkers gedwongen in onveilige uitbuitings
situaties terechtkomen.
b. Uiteenzettingen van de dames Lucia Dreser en
Hilde Melotte, vertegenwoordigsters van de Hoge Raad
voor de Justitie
Mevrouw Hilde Melotte is lid van de onderzoeks- en
adviescommissie van de HRJ en heeft als advocate
een grote expertise verworven binnen het seksueel
strafrecht. Ze verklaart dat de HRJ de afgelopen jaren er
een speerpunt van heeft gemaakt om seksueel geweld
op de agenda te zetten door middel van het formuleren
van aanbevelingen, waaronder de aanbeveling om het
seksueel strafrecht te moderniseren.
Dit is echter nog maar een begin, want zonder voldoen
de gespecialiseerd personeel (magistraten, advocaten,
politiemensen enzovoort) blijft de toepassing van de wet
dode letter. In dit verband vermeldt mevrouw Melotte ook
het nut van de zorgcentra die niet enkel drempelverlagend
werken, maar ook bijdragen tot het samenstellen van
degelijke dossiers. Andere pijlers die de spreekster onder
de aandacht brengt zijn daderbegeleiding en slachtof
ferhulp. Ze wijst ook op het belang van bewustmaking op
de werkvloer, in het onderwijs, in het gezin enzovoort van
wat als grensoverschrijdend moet worden beschouwd.
Mevrouw Lucia Dreser is voorzitster van de
Nederlandstalige benoemingscommissie en voorzitster
van de werkgroep seksueel en familiaal geweld binnen
de HRJ. Zij is ook actief als jeugd- en familierechter.
Mevrouw Dreser geeft aan dat de HRJ zich kan vinden
in de meeste elementen van het voorliggende wetsont
werp; zij verwijst ook naar de adviezen die de HRJ de
afgelopen jaren over de aanpak van seksueel geweld
heeft verstrekt.
Voor haar betoog verwijst zij naar de aan de com
missie overgezonden tekst die is opgesteld vanuit de
aanbevelingen die de HRJ de afgelopen jaren heeft
verstrekt. Ze bespreekt vervolgens enkele punten ervan.
Ontworpen artikel 417/64 van het Strafwetboek – met
redenen omkleed advies
Mevrouw Dreser is principieel voorstander van het ver
plicht inwinnen van een met redenen omkleed advies bij
een dienst gespecialiseerd in begeleiding of behandeling
avantage: elle permet de lutter contre les pires dérives
de la traite des êtres humains et a déjà donné lieu à des
condamnations. Myria recommande que le projet de loi
prévoie que les autorités locales puissent conserver cette
approche pragmatique afin d’éviter que les travailleurs du
sexe en séjour irrégulier soient contraints de se retrouver
dans des situations d’exploitation dangereuses.
b. Exposés de Mmes Lucia Dreser et Hilde Melotte,
représentantes du Conseil supérieur de la justice
Mme Hilde Melotte est membre de la Commission
d’avis et d’enquête du CSJ et a acquis, en tant qu’avocate,
une grande expertise dans le domaine du droit pénal
sexuel. Elle explique que ces dernières années, le CSJ
s’est fixé comme priorité de mettre la violence sexuelle
à l’ordre du jour en formulant des recommandations,
dont celle de moderniser le droit pénal sexuel.
Ce n’est toutefois qu’un début, car sans person
nel spécialisé suffisant (magistrats, avocats, policiers,
etc.), l’application de la loi restera lettre morte. Dans ce
contexte, Mme Melotte mentionne également l’utilité des
centres de prise en charge qui non seulement facilitent
l’accès aux soins, mais contribuent également à la consti
tution de dossiers solides. Les autres piliers sur lesquels
l’oratrice attire l’attention sont l’accompagnement des
auteurs et l’aide aux victimes. Elle souligne également
l’importance de sensibiliser sur le lieu de travail, dans
l’enseignement, dans le cercle familial, etc. à ce qui doit
être considéré comme transgressif.
Mme Lucia Dreser est présidente de la Commission
de nomination néerlandophone et présidente du groupe
de travail sur la violence sexuelle et familiale au sein
du CSJ. Elle est également active en tant que juge de
la jeunesse et juge de la famille. Mme Dreser déclare
que le CSJ approuve la plupart des éléments du projet
de loi à l’examen. Elle renvoie également aux avis que
le CSJ a remis ces dernières années sur la lutte contre
la violence sexuelle.
Pour son exposé, elle se réfère au texte transmis à
la commission, qui a été rédigé sur la base des recom
mandations formulées par le CSJ au cours des der
nières années. Elle commente ensuite les quelques
points suivants:
Article 417/64, en projet, du Code pénal – avis motivé
Mme Dreser est en principe favorable à l’obligation
de demander l’avis motivé d’un service spécialisé dans
l’accompagnement ou le traitement des délinquants
2141/006
DOC 55
286
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van seksuele delinquenten. In het voorliggende wetsont
werp is daar geen verplichting toe. Eventueel kan daar
met redenen van worden afgeweken. De spreekster
benadrukt dat dit om een actueel advies dient te gaan
opdat de rechter zich een zo breed mogelijk beeld van
de dader zou kunnen vormen met het oog op een cor
recte straftoemeting, waarin ook met de belangen van
het slachtoffer rekening wordt gehouden.
Ontworpen artikel 417/6 van het Strafwetboek –
seksuele meerderjarigheid
Mevrouw Dreser haalt aan dat de leeftijd van seksuele
meerderjarigheid in het wetsontwerp op 16 jaar is gelegd,
met een uitzondering voor 14-jarigen die toestemming
kunnen geven indien het leeftijdsverschil niet meer dan
twee jaar bedraagt. Deze formulering brengt door haar
onduidelijkheid twee problemen met zich. Het is ener
zijds onduidelijk hoe het leeftijdsverschil moet worden
berekend. De spreekster geeft het voorbeeld van een
meisje van 14 jaar en één dag dat een relatie heeft met
een jongen van 16 jaar en 364 dagen. Anderzijds moet
er ook aandacht zijn voor randsituaties, bijvoorbeeld
in het geval van een meisje van 15 jaar dat een relatie
heeft met een meerderjarige jongen die bij de start van
de relatie nog niet meerderjarig was.
Mevrouw Dreser vraagt dat het Parlement het debat
zou voeren over het al dan niet overeenkomen van de
voorgestelde regeling betreffende het leeftijdsverschil
met de maatschappelijke realiteit, waarbij ze voorbeel
den aanhaalt uit haar eigen praktijkervaring. Ze wijst
erop dat in het voorontwerp een verschil in leeftijd van
vijf jaar voor consensuele seksuele handelingen was
vooropgesteld.
Ontworpen artikel 417/5 van het Strafwetboek
– toestemming
De HRJ is zeer positief over de ruime definiëring van
het begrip toestemming met betrekking tot het seksueel
zelfbeschikkingsrecht. Mevrouw Dreser stelt wel voor
om de kwetsbare toestand waarin iemand verkeert
niet-limitatief te omschrijven door aan de opsomming
in artikel 417/5, derde lid, de woorden “onder meer” toe
te voegen.
Bewijsmoeilijkheden
Mevrouw Dreser wijst voorts op het belang van een
adequaat onderzoek wanneer het gaat om seksuele
misdrijven. Het eerste proces-verbaal is daarbij be
langrijk en daarmee samenhangend de opleiding van
politiemensen. De spreekster stelt voor na te denken
sexuels. Le projet de loi à l’examen ne prévoit pas une
telle obligation. Il serait éventuellement possible d’y
déroger de manière motivée. L’oratrice souligne qu’il
devrait s’agir d’un avis actualisé, pour que le juge puisse
se faire une idée aussi complète que possible de l’auteur
des faits, afin de déterminer une peine adéquate qui tient
également compte des intérêts de la victime.
Article 417/6, en projet, du Code pénal – majorité
sexuelle
Mme Dreser fait observer que dans le projet de loi,
l’âge de la majorité sexuelle est fixé à 16 ans, avec
une exception pour les jeunes de 14 ans qui peuvent
donner leur consentement si la différence d’âge n’est
pas supérieure à deux ans. En raison de son ambiguïté,
cette formulation pose deux problèmes. D’une part, il
est difficile de savoir comment se calcule la différence
d’âge. L’oratrice prend l’exemple d’une fille de 14 ans
et un jour, qui a une relation avec un garçon de 16 ans
et 364 jours. D’autre part, il convient également de tenir
compte des situations limites, comme celle d’une fille
de 15 ans qui a une relation avec un garçon majeur qui
n’était pas encore majeur au moment où la relation a
commencé.
Mme Dreser demande que le Parlement débatte de
la question de savoir si la mesure proposée concer
nant la différence d’âge correspond ou non à la réalité
sociale. Les exemples qu’elle a cités sont tirés de sa
propre expérience sur le terrain. Elle souligne que dans
l’avant-projet, une différence d’âge de cinq ans était
prévue pour les actes sexuels consensuels.
Article 417/5, en projet, du Code pénal – consentement
Le CSJ approuve tout à fait la définition large de la
notion de consentement en matière de droit à l’auto
détermination sexuelle. Mme Dreser suggère toutefois
que la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve
une personne soit définie de manière non limitative, par
l’ajout du mot “notamment” dans l’énumération contenue
à l’article 417/5, § 3.
Difficultés de preuve
Mme Dreser souligne également l’importance de
mener une enquête appropriée lorsqu’il s’agit d’infrac
tions sexuelles. Le premier procès-verbal est important à
cet égard, et par conséquent la formation des policiers.
L’oratrice propose d’envisager la possibilité de travailler
287
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
over de invoering van de mogelijkheid om te werken met
gestandaardiseerde vragen of van een checklist, ten
einde een kwaliteitsvolle bewijsvergaring te garanderen.
Zij beveelt ook aan te onderzoeken of in gradaties
voor het misdrijf “verkrachting” kan worden voorzien,
zoals in Zweden het geval is. Het gaat immers om een
zeer zwaar beladen begrip en door het invoeren van
gradaties kan het stigma worden weggenomen, wat
moet leiden tot meer bekentenissen of veroordelingen.
De ontworpen artikelen 417/18 en 417/19 van het
Strafwetboek – incest
Het voorliggende wetsontwerp maakt een onder
scheid tussen “incest” (artikel 417/18 Sw.) enerzijds en
“niet‑consensuele intrafamiliale handelingen” anderzijds
(artikel 417/19 Sw.). De HRJ vindt dit onderscheid niet
volledig duidelijk.
De vermelding in beide artikelen van het begrip “perfide
verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames”
leidt eveneens tot onduidelijkheid. De HRJ beveelt aan
om in de strafwet in te schrijven dat hier mee wordt
bedoeld de “verspreiding van seksueel getinte beelden
en opnames met kwaadwillig opzet of uit winstbejag”.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 190 van het
Wetboek van Strafvordering betreffende de behandeling
van de zaak met gesloten deuren bij seksuele misdrijven
(DOC 55 1148/001)
Mevrouw Dreser merkt op dat overeenkomstig dit
wetsvoorstel de behandeling met gesloten deuren in
zedenzaken de regel wordt en de openbare behande
ling de uitzondering. De Raad van State heeft hierover
op 24 september 2021 een advies uitgebracht. De HRJ
kan zich vinden in het wetsvoorstel, op voorwaarde dat
rekening wordt gehouden met de door de Raad van
State voorgestelde aanpassing.
Tot slot vraagt zij om inzake seksueel strafrecht te
investeren in mensen en middelen, in deskundigen,
in de opleiding van alle actoren, in de uitrol van de
zorgcentra en ook in slachtofferbegeleiding en dader
opvolging. De spreekster wijst erop dat zelfs de mooist
geschreven wet zonder deze investeringen niet meer
dan een symbool blijft.
c. Uiteenzettingen van de dames Caroline Debehault
en Laure Letellier, vertegenwoordigsters van Fem&L.A.W.
Mevrouw Caroline Debehault geeft aan dat
Fem&L.A.W. een vereniging is van vrouwelijke advocaten
avec des questions standardisées ou une liste de contrôle
afin de garantir la qualité de la collecte des preuves.
Elle recommande également d’examiner la possibilité
de prévoir des gradations pour le crime de “viol”, comme
c’est le cas en Suède. Il s’agit en effet d’un concept
très lourdement connoté et l’introduction de gradations
permettrait de lever le stigmate, et donc d’augmenter
le nombre d’aveux ou de condamnations.
Les articles 417/18 et 417/19, en projet, du Code
pénal – l’inceste
Le projet de loi à l’examen fait une distinction entre,
d’une part, “l’inceste” (article 417/19 du Code pénal) et,
d’autre part, les “les actes à caractère sexuel intrafamiliaux
non consensuels” (article 417/20 du Code pénal). Le CSJ
estime que cette distinction n’est pas tout à fait claire.
La mention dans ces deux articles de la notion de
“diffusion perfide d’images et d’enregistrements à carac
tère sexuel” est également source d’ambiguïté. Le CSJ
recommande de préciser dans le Code pénal qu’est
visée en l’occurrence la “diffusion avec une intention
méchante ou dans un but lucratif d’images et d’enre
gistrements à caractère sexuel” (de met kwaadwillige
opzet of uit winstbejag…).
Projet de loi modifiant l’article 190 du Code
d’instruction criminelle en ce qui concerne le huis clos
pour les infractions sexuelles (DOC 55 1148/001)
Mme Dreser fait observer que cette proposition de
loi prévoit, pour les affaires de mœurs, que le huis clos
deviendrait la règle et le traitement en audience publique
l’exception. Le Conseil d’État a émis un avis à ce propos
le 24 septembre 2021. Le CSJ approuve la proposition
de loi, pour autant qu’il soit tenu compte de l’adaptation
suggérée par le Conseil d’État.
Enfin, elle demande qu’en matière de droit pénal
sexuel, l’on investisse dans du personnel, des moyens,
des experts, dans la formation de tous les acteurs, dans
le déploiement de centres de prise en charge, ainsi que
dans l’accompagnement des victimes et le suivi des
auteurs. L’oratrice souligne que sans ces investissements,
même la loi la mieux écrite ne restera qu’un symbole.
c. Exposés de Mmes Caroline Debehault et Laure
Letellier, représentantes de Fem&Law
Mme Caroline Debehault explique que Fem&Law
est une association qui regroupe des femmes juristes
2141/006
DOC 55
288
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die in de praktijk en via hun onderzoek hebben vastge
steld dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in
België nog geen feit is. In dat verband heeft Fem&L.A.W.
in 2020 het boek “Code commenté – Droits des femmes”
uitgebracht. Vervolgens wijst de spreekster erop dat de
mondelinge repliek van Fem&L.A.W. niet als uitputtend
moet worden beschouwd; een uitvoerige schriftelijke
uiteenzetting volgt.
Fem&L.A.W. vindt het belangrijk allereerst in te gaan
op het algemene strekking van het wetsontwerp. De
spreekster geeft aan dat haar vereniging de erin ge
maakte keuze inzake genderneutraliteit op het gebied
van seksuele misdrijven volstrekt onverdedigbaar acht.
Uit alle sociologische studies en beschikbare cijfers blijkt
immers dat de overgrote meerderheid van die misdrijven
genderspecifiek is. De keuze voor genderneutraliteit
komt de zorgvuldigheid dus niet ten goede. Rekening
houden met de werkelijkheid moet niet alleen worden
ingegeven door het streven om de strafbaarstelling af
te stemmen op de beleving van de rechtzoekenden,
maar stelt België ook in staat zijn internationale verbin
tenissen in acht te nemen, met name de rechtspraak
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
en het Verdrag van Istanbul. Zowel in de strekking van
de wet als heel concreet in de strafbaarstellingen en de
doelstellingen die worden gesteld aan de straffen die
ermee gepaard gaan, moet rekening worden gehouden
met de structurele en maatschappijgebonden aard van
het geweld dat vrouwen – dermate vaak het slachtoffer
van seksuele misdrijven – te beurt valt, alsook met het
geweld jegens hun kinderen. In die zin volstaat de bij
het wetsontwerp gevoegde impactanalyse absoluut niet,
in die mate zelfs dat ze niet voldoet aan de vereisten
van de wet gendermainstreaming van 12 januari 2007.
Mevrouw Debehault voegt eraan toe dat het onjuist
is aan te nemen dat er geen uitgesplitste cijfers naar
geslacht zouden bestaan en dat het problematisch
is dat het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en
mannen dienaangaande niet werd geraadpleegd. Die
cijfers bestaan wel degelijk, al zij erop gewezen dat ze
qua opmaak en uitvoerigheid voor verbetering vatbaar
zijn. Voorts is het voor de vrouwenverenigingen en in
het licht van de studies ter zake al te simplistisch, om
niet te zeggen beledigend, dat de huidige omschrijving
van verkrachting als discriminerend wordt gekwalifi
ceerd. Fem&L.A.W. stelt dat een échte impactanalyse,
met inaanmerkingneming van de genderdimensie, in
de nieuwe strafbaarstelling van seksueel geweld een
minimum minimorum zou zijn.
Mevrouw Laure Letellier wijst erop dat haar vereniging
vraagtekens plaatst bij de in het wetsontwerp en de wets
voorstellen nagestreefde ambities. Dat doeltreffendheid
als een van de doelstellingen wordt vooropgesteld, is
ayant constaté, dans leur pratique et leurs recherches,
que l’égalité entre les hommes et les femmes n’est
pas encore effective en Belgique. C’est dans ce cadre
que Fem&Law a publié l’ouvrage “Code commenté –
droits des femmes” en 2020. Elle précise ensuite que
la réponse orale de Fem&Law ne doit pas être perçue
comme exhaustive et ajoute qu’une note écrite plus
complète suivra.
Pour commencer, il paraît crucial à Fem&Law de
réagir à l’optique générale choisie dans ce projet de
loi. L’oratrice ajoute qu’aux yeux de son association, la
neutralité de genre qui y est choisie ne semble absolu
ment pas défendable en matière d’infraction sexuelle.
En effet, l’ensemble des études sociologiques et des
chiffres disponibles montrent que l’immense majorité de
ces infractions sont sexospécifiques. Il n’y a donc rien
de précis à opter pour la neutralité. Prendre la réalité
en compte ne relève pas seulement du souci de faire
correspondre les incriminations à la situation vécue par
les justiciables. Cela permet également de respecter nos
obligations internationales, à savoir la jurisprudence de la
Cour européenne des droits de l’homme et la convention
d’Istanbul. Tant dans l’esprit de la loi que très concrète
ment dans les incriminations et les objectifs qu’on fixe
aux peines qui les accompagnent, il faut prendre en
compte le caractère structurel et socialement construit
des violences que subissent les femmes si largement
majoritaires parmi les victimes d’infractions sexuelles
ainsi que les violences subies par leurs enfants. En ce
sens, l’analyse d’impact proposée en annexe du projet
n’est absolument pas suffisante, au point de ne pas
respecter le prescrit de la loi gender mainstreaming
du 12 janvier 2007.
Mme Debehault ajoute qu’il est erroné de considérer
que les chiffres ventilés par sexe n’existeraient pas et il
est problématique que l’Institut pour l’égalité des femmes
et des hommes n’ait pas été consulté à cet égard. Ces
chiffres existent, même s’ils devraient être mieux établis
et plus détaillés. Il est par ailleurs réducteur, pour ne
pas dire insultant pour les associations de femmes et
à l’aune des études qui y sont consacrées, de qualifier
de discriminatoire la définition actuelle du viol. Selon
Fem&Law, une véritable analyse d’impact prenant en
compte la dimension de genre dans l’incrimination
renouvelée de violences sexuelles serait un minimum
miniromum.
Mme Laure Letellier indique que son association
s’interroge sur l’ambition poursuivie dans le projet et les
propositions de loi. L’efficacité, présentée comme l’un des
objectifs, est évidemment cruciale. Les incriminations et
289
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
uiteraard essentieel. De huidige strafbaarstellingen en
straffen zijn zeker voor verbetering vatbaar, maar het is
vooral de tenuitvoerlegging ervan die te wensen over
laat. De wetgeving verbeteren is één zaak, de gangbare
praktijken veranderen is een andere.
Om ervoor te zorgen dat de slachtoffers geen tweemaal
worden “bestraft”, geeft de spreekster aan dat minstens
een psycho-medische begeleiding en de bijstand door
een advocaat (als uitbreiding van de Salduz-regeling) zou
moeten worden gewaarborgd voor eenieder die klacht
indient op grond van de in het wetsontwerp omschreven
strafbaarstellingen.
Fem&L.A.W. vindt het interessant dat wordt geopperd
idee de alternatieve straffen te verruimen. De vereniging
vindt het echter jammer dat te weinig aandacht wordt
besteed aan de uitvoering van de straffen, alsook aan
wat daar op burgerlijk vlak, met name familiaal, uit
voortvloeit. De spreekster benadrukt in dezen dat moet
worden toegezien op de bescherming van de slachtoffers.
Wat de definitie van de toestemming betreft, acht de
spreekster het cruciaal dat de toestemming het absolute
recht op intrekking omvat. Ze vindt ook een aanvullende
verduidelijking onontbeerlijk: bij elke seksuele handeling
moet worden nagegaan of die wel met toestemming
gebeurt.
Mevrouw Letellier vindt voorts dat de opsomming
van de gevallen van ontstentenis van toestemming niet
als uitputtend zou mogen worden beschouwd. Zij advi
seert er de woorden “onder meer” aan toe te voegen,
opdat die opsomming nooit ten grondslag kan liggen
aan een onweerlegbaar vermoeden van toestemming.
Naast die opsomming zou ook een lijst moeten worden
opgenomen met elementen op grond waarvan een
weerlegbaar vermoeden van niet-toestemming geldt. In
minstens twee situaties zou een dergelijk vermoeden
kunnen gelden. Het eerste geval is de aantasting van de
vrije wil als gevolg van een ernstige intoxicatie met een
psychotrope stof (waaronder alcohol). Het tweede geval
is de eerdere veroordeling van de dader wegens incest
jegens het slachtoffer. In die gevallen zou het slachtoffer
worden geacht niet uit vrije wil te kunnen toestemmen.
Derhalve zou de dader dan moeten bewijzen dat de
toestemming wel degelijk werd verkregen.
Mevrouw Caroline Debehault vindt dat de omschrij
ving van een seksuele handeling met verwijzing naar
een redelijke persoon een ruime en met het strafrecht
beginsel strijdige interpretatie mogelijk zou maken.
Door die omschrijving zouden velerlei problematische
gedragingen (bijvoorbeeld fetisjismen) kunnen worden
uitgesloten. Fem&L.A.W. vindt dat bij seksuele misdrijven
het oogmerk van de dader nooit voorrang zou mogen
peines actuelles sont certes perfectibles, mais c’est avant
tout leur mise en œuvre qui laisse à désirer. Améliorer
les textes est une étape, changer les pratiques en est
une autre.
Pour protéger les victimes d’un phénomène de double
peine, l’intervenante explique qu’il serait nécessaire d’au
moins garantir un accompagnement psychomédical et
le conseil d’un avocat (par extension du système Salduz
aux victimes) à toute personne portant plainte pour les
infractions définies dans le projet de loi.
Fem&Law juge que l’idée d’élargir les peines alter
natives est pertinente. L’association déplore toutefois
le peu d’attention portée à l’exécution des peines ainsi
qu’à leur prolongement en matière civile, notamment
familiale. L’intervenante souligne ici l’importance de
veiller à la protection des victimes.
S’agissant de la définition du consentement, l’oratrice
estime qu’il est crucial que la notion du consentement
inclut le droit absolu à la rétraction. Elle estime également
qu’une précision complémentaire est indispensable: le
consentement doit être apprécié au moment de chaque
acte sexuel.
Mme Letellier ajoute que la liste d’hypothèses rela
tives à l’absence de consentement ne devrait pas être
considérée comme exhaustive. Elle conseille d’y ajouter
le mot “notamment”, afin que cette liste ne puisse jamais
fonder une présomption irréfragable de consentement.
Outre cette liste, il serait également nécessaire d’inclure
une liste d’éléments fondant une présomption simple de
non-consentement. Au moins deux situations devraient
être considérées comme fondant pareille présomption.
Premièrement, l’altération du libre arbitre à la suite d’une
intoxication grave de toute substance psychotrope (alcool
inclus). Deuxièmement, la condamnation antérieure
pour inceste de l’auteur envers la victime. Dans ces
hypothèses, la victime serait réputée n’avoir pas eu la
possibilité d’exprimer son consentement. Il appartiendrait
dès lors à l’auteur de prouver que le consentement lui
a bien été donné.
Mme Caroline Debehault estime que définir un acte
à caractère sexuel en référence à une personne rai
sonnable ouvrirait la porte à une interprétation large
et contraire au principe du droit pénal. Cette définition
permettrait d’exclure de nombreux comportements pro
blématiques (par exemple fétichismes). Fem&Law estime
que l’intention de l’auteur ne devrait jamais primer sur
d’autres considérations en matière d’infraction sexuelle.
2141/006
DOC 55
290
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
hebben op andere overwegingen. Het algemeen opzet
kan daarbij niet van toepassing zijn. Voorts ware het
passend ernstig rekening te houden met de beleving
van het slachtoffer, in het licht van de interpretatie die
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan
vernederende behandelingen geeft.
Het is geen probleem dat het misdrijf aantasting
van de seksuele integriteit (thans: aanranding van de
eerbaarheid) zou worden gekwalificeerd als een alge
mene residuaire categorie. In dat verband is het echter
van essentieel belang het criterium te verduidelijken
op grond waarvan dat misdrijf geen verkrachting is,
met name de penetratie. De spreekster wijst erop dat
de Raad van State dezelfde opmerking heeft gemaakt.
Bovendien moet het onderscheid tussen de straffen in
die zin worden bijgestuurd dat de maximumstraf voor
het misdrijf aantasting van de seksuele integriteit beter,
zo niet volledig, is afgestemd op de minimumstraf voor
het misdrijf verkrachting. De spreekster is van oordeel
dat de rechtscolleges aldus over voldoende armslag
zouden beschikken om passend rekening te houden
met de verscheidenheid van de feiten die zij moeten
beoordelen.
Mevrouw Debehault geeft aan dat de eerste opmer
kingen van Fem&L.A.W. voor het misdrijf incest gelden.
Algemeen is het uitermate belangrijk dit vraagstuk niet
genderneutraal te beschouwen; in het bijzonder zal
die specifieke strafbaarstelling alleen volstaan indien
ze gepaard gaat met maatregelen waaruit concrete
procedurele en burgerrechtelijke gevolgen voortvloeien.
Mevrouw Laure Letellier geeft aan dat Fem&L.A.W. de
aandacht van de volksvertegenwoordigers wil vestigen
op de centrale plaats die in het wetsontwerp aan de
penetratie wordt toegekend. Zulks is een weerspiege
ling van een bepaalde kijk op seksualiteit en relaties. De
penetratie zou een verzwarend element of omstandig
heid kunnen zijn zonder de androcentrische referentie
te blijven van een samenleving die naar meer inclusie
streeft. Het recht afstemmen op de beleving van de
rechtzoekenden blijft in dezen de grote uitdaging.
d. Uiteenzettingen van mevrouw Heidi De Pauw, ceo,
en mevrouw Héloïse du Roy, vertegenwoordigsters van
Child Focus
Mevrouw Heidi De Pauw sluit zich aan bij de opvat
ting van de vorige sprekers betreffende de nood aan
investering in mensen, middelen en opleiding. Ze pleit
daarbij voor een 360-gradenaanpak waarbij wordt ingezet
op primaire preventie, strafuitvoering en de begeleiding
van slachtoffers.
Le dol général ne peut y être d’application. Une prise en
compte sérieuse du ressenti de la victime, à la lumière
de l’interprétation par la Cour européenne des droits de
l’homme en matière de traitements dégradants, serait
par ailleurs adéquate.
Plus précisément, il n’est pas problématique que
l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle (actuel atten
tat à la pudeur) soit qualifiée de catégorie résiduelle
générale. Toutefois, il est indispensable de préciser le
critère qui la distingue du viol, à savoir la pénétration.
L’oratrice ajoute que le Conseil d’État a formulé la même
remarque. La distinction entre les peines doit, en outre,
être corrigée de façon à ce que la peine maximale
prévue pour l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle
soit, si pas harmonisée, au moins davantage en rela
tion avec le minimum prévu pour l’infraction de viol. De
cette manière, l’intervenante estime que les juridictions
disposeraient d’une marge de manœuvre suffisamment
diversifiée pour que les faits dont elles ont à juger soient
adéquatement pris en considération.
Mme Debehault explique que les premiers com
mentaires formulés par Fem&Law sont valables pour
l’infraction d’inceste. En général, il est capital de ne pas
dégenrer cette problématique et, en particulier, cette
incrimination spécifique ne sera suffisante que si elle
s’accompagne de mesures la rendant concrètement
suivie d’effets procéduraux et civils.
Mme Laure Letellier déclare que Fem&Law souhaite
attirer l’attention des députés sur le fait que le carac
tère central reconnu à la pénétration dans le projet de
loi reflète une certaine vision de la sexualité et des
relations. La pénétration pourrait être constitutive d’un
événement aggravant ou d’une circonstance aggravante
sans plus rester la référence androcentrée d’une société
en recherche de plus d’inclusion. L’enjeu demeure ici
de définir le droit en fonction du vécu des justifiables.
d. Exposés de Mme Heidi De Pauw, CEO, et de
Mme Héloïse du Roy, représentantes de Child Focus
Mme Heidi De Pauw partage l’avis des intervenants
précédents sur la nécessité d’investir dans des per
sonnes, des moyens et la formation. Elle préconise une
approche à 360 degrés, axée sur la prévention primaire,
l’application des peines et le soutien aux victimes.
291
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Child Focus houdt zich niet enkel bezig met de ver
dwijning van kinderen, maar ook met de strijd tegen
seksuele uitbuiting van minderjarigen op operationeel
en preventief vlak, zowel online als offline. Het gaat
dan om fenomenen als grensoverschrijdende sexting,
sextortion, grooming, het maken, bezitten, bekijken of
verspreiden van beelden van seksueel misbruik van
kinderen, uitbuiting van minderjarigen in de prostitutie
en de seksuele uitbuiting van minderjarigen in het kader
van toerisme of op reis.
Mevrouw De Pauw wijst erop dat Child Focus per
manent bereikbaar is op de noodlijn 116 000 en dat het
fungeert als Belgisch burgerlijk meldpunt voor beeld
materiaal van seksueel misbruik van kinderen. Child
Focus is een onafhankelijke organisatie en kan daardoor
heel snel handelen. De spreekster benadrukt dat dit
laatste absoluut noodzakelijk is om te kunnen inspelen
op trends en tendensen in de huidige snel evoluerende
maatschappij.
Zij vestigt de aandacht van de leden erop dat Child
Focus terminologieën gebruikt die afwijken van wat in de
huidige strafwet is opgenomen. Omdat de terminologie
uit de strafwet niet steeds de lading dekt en een vorm
van victim blaming inhoudt, wordt bijvoorbeeld de notie
“beelden van seksueel misbruik van kinderen” verkozen
boven de notie “kinderporno” en “tienerpooiers” boven
“loverboys”.
Mevrouw De Pauw verduidelijkt dat Child Focus al
langer dan vandaag vragende partij is om het seksueel
strafrecht te hervormen en aan te passen aan de hui
dige kennis en realiteit van bestaande fenomenen. De
spreekster toont zich dan ook verheugd over verschil
lende aspecten van het ter bespreking voorliggende
wetsontwerp en waardeert het vele werk dat er reeds
in gestopt is.
Child Focus staat positief tegenover de decrimina
lisering van consensuele sexting, de wijziging van de
seksuele meerderjarigheid en het vervangen van de
term “kinderporno” door “beelden van seksueel misbruik
van minderjarigen”. Als aandachtspunten vermeldt de
spreekster voorts de gehanteerde terminologie inzake
consensuele sexting, grooming en de notice and take
down van internetdienstverleners.
Mevrouw Héloïse du Roy gaat in op het werven van een
minderjarige voor ontucht of prostitutie. Dienaangaande
is zij ingenomen met het streven van de wetgever om de
aandacht van de beroepsbeoefenaars erop te vestigen
dat voorrang moet worden gegeven aan de vervolging
wegens mensenhandel, met name door artikel 417/27 van
Child Focus s’occupe non seulement de la disparition
d’enfants, mais également de la lutte contre l’exploitation
sexuelle des mineurs au niveau opérationnel et préventif,
tant en ligne que hors ligne. Il s’agit de phénomènes tels
que le sexting transgressif, le sextorsion, le grooming, la
réalisation, la possession, la consultation ou la diffusion
d’images d’abus sexuels d’enfants, l’exploitation de
mineurs dans la prostitution et l’exploitation sexuelle
de mineurs dans le cadre du tourisme ou des voyages.
Mme De Pauw rappelle que Child Focus est joignable
en permanence via le numéro d’urgence 116 000 et
qu’il fait office de point de contact civil belge pour le
signalement d’images d’abus sexuels d’enfants. Child
Focus est une organisation indépendante et peut, de
ce fait, intervenir très rapidement. L’oratrice souligne
que ce dernier point est absolument nécessaire pour
pouvoir répondre aux tendances de la société actuelle
qui évolue rapidement.
Elle attire l’attention des membres sur le fait que
Child Focus utilise une terminologie qui diffère de celle
utilisée dans le droit pénal actuel. Comme la termino
logie du droit pénal ne recouvre pas toujours la réalité
et implique une forme de culpabilisation de la victime,
la notion d’“images d’abus sexuels d’enfants” est par
exemple préférée à celle de “pédopornographie” et celle
de “proxénètes d’adolescents” à “loverboys”
Mme De Pauw précise que Child Focus demande
depuis longtemps déjà une réforme du droit pénal sexuel
et son adaptation aux connaissances actuelles et à la
réalité des phénomènes existants. L’oratrice se félicite
donc des différents aspects du projet de loi à l’examen et
apprécie la quantité de travail qui y a déjà été consacrée.
Child Focus est favorable à la décriminalisation du sex
ting consensuel, au changement de la majorité sexuelle
et au remplacement du terme “pédopornographie” par
“images d’abus sexuels de mineurs”. Comme points
d’attention, l’oratrice mentionne également la termino
logie utilisée pour le sexting consensuel, le grooming
et le notice and take down (notification et retrait) des
fournisseurs de services internet.
S’agissant du recrutement d’un mineur à des fins
de prostitution ou de débauche, Mme Héloïse du Roy
formule une remarque positive relative à la volonté du
législateur d’attirer l’attention des praticiens sur la néces
sité de privilégier les poursuites sur la base de la traite
d’êtres humains, et ce, en ajoutant à l’article 417/27 du
2141/006
DOC 55
292
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het nieuwe Strafwetboek aan te vullen met de woorden
“onverminderd de gevallen bedoeld in artikel 433quin
quies “.
Child Focus dringt er al jarenlang op aan de bewoordin
gen “beelden van seksueel misbruik van minderjarigen”
te gebruiken, veeleer dan de term “kinderpornografie”.
In dit geval attendeert de spreekster de wetgever erop
dat de term “kinderprostitutie” moet worden vervangen
door de bewoordingen “uitbuiting van minderjarigen
in de prostitutie”. Volgens Child Focus houdt de term
“kinderprostitutie” afkeuring jegens het slachtoffer in,
is dat woord geen weerspiegeling van de feiten en
wordt de ernst ervan geminimaliseerd. De Stichting wil
dat die bewoordingen worden gewijzigd in afdeling 2,
onderafdeling 2, met als opschrift “Seksuele uitbuiting
van minderjarigen”.
De spreekster geeft aan dat Child Focus intens werk
maakt van het sexting-probleem. Zij is opgetogen dat
de memorie van toelichting van het nieuwe wetsontwerp
duidelijk uitlegt dat een onderscheid moet worden ge
maakt tussen primaire en secundaire sexting. Nemen we
evenwel de in artikel 417/49 van het nieuwe Strafwetboek
vervatte bepaling inzake “consensuele sexting” onder
de loep, dan blijkt dat consensuele sexting alleen voor
minderjarigen ouder dan 16 jaar uit het strafrecht wordt
gehaald. Volgens Child Focus is dat in strijd met arti
kel 417/6 van het nieuwe Strafwetboek betreffende de
seksuele meerderjarigheid. Child Focus vindt dat als
minderjarigen van 14 tot 16 jaar geacht worden vrijelijk
toestemming te kunnen geven met inachtneming van een
leeftijdsverschil van maximaal twee jaar, hetzelfde zou
moeten gelden voor consensuele sexting. Mevrouw du
Roy legt uit dat consensuele sexting één van de manie
ren is om de eigen seksualiteit te ontdekken. Zij voegt
eraan toe dat jongeren met sexting zouden doorgaan,
zelfs al zou het verboden zijn.
Vervolgens heeft de spreekster het over het wer
ven van kinderen voor seksuele doeleinden, oftewel
“grooming”. In dat verband beklemtoont zij dat zowel
online- als offline-grooming in één en dezelfde bepaling
zijn vervat, met name in artikel 417/24 van het nieuwe
Strafwetboek. Volgens Child Focus is in dezen sprake
van een tegenstrijdigheid tussen de formulering van dat
artikel en het streven van de wetgever zoals dat in de
memorie van toelichting aangegeven is: “Er moet evenwel
geen daadwerkelijke ontmoeting zijn geweest. In navol
ging van het advies van de Raad van State (…) wordt
in de wettekst geschreven dat het gaat om “materiële
handelingen die tot een dergelijke ontmoeting kunnen
leiden”.”. Child Focus is van mening dat de woorden “die
tot (…) leiden” moeten worden veranderd in “die tot (…)
kunnen leiden”.
nouveau Code pénal les termes “sans préjudice des
cas visés à l’article 433quinquies”.
Depuis plusieurs années, Child Focus plaide pour l’uti
lisation des termes “images d’abus sexuels de mineurs”
à la place de “pornographie infantile”. Dans le cas pré
sent, l’intervenante attire l’attention du législateur sur la
nécessité de remplacer les termes “prostitution infantile”
par “exploitation de mineurs dans la prostitution”. Child
Focus estime que la première formulation fait porter le
blâme à la victime, ne reflète pas la réalité de la pro
blématique et minimise la gravité du phénomène. La
Fondation souhaiterait que ces termes soient modifiés
à la section 2, sous-section 2, intitulée “De l’exploitation
sexuelle de mineurs”.
L’oratrice indique que Child Focus travaille beau
coup sur la question du sexting. Elle salue le fait que
l’exposé des motifs du nouveau projet de loi contienne
une explication claire de la distinction à établir entre le
sexting primaire et le sexting secondaire. Toutefois, il
ressort de l’examen de la disposition relative au sexting
consensuel, contenue à l’article 417/49 du nouveau Code
pénal, que la décriminalisation du sexting consensuel n’a
lieu que pour les mineurs de plus de 16 ans. Selon Child
Focus, cela entre en contradiction avec l’article 417/6 du
nouveau Code pénal sur la majorité sexuelle. Pour Child
Focus, si on considère que des mineurs de 14 à 16 ans
peuvent consentir librement, moyennant un écart d’âge
de maximum deux ans, il devrait en aller de même pour
le sexting consensuel. Mme du Roy explique que le
sexting consensuel est une manière parmi d’autres de
découvrir sa sexualité. Elle ajoute que les jeunes conti
nueraient à pratiquer le sexting même si on l’interdisait.
En ce qui concerne la sollicitation d’enfants à des
fins sexuelles ou “grooming”, l’intervenante souligne
le fait que le “grooming” en ligne et le “grooming” hors
ligne sont repris dans une seule et même disposition,
à savoir l’article 417/24 du nouveau Code pénal. Selon
Child Focus, il y a ici une contradiction entre la formula
tion de cet article et la volonté du législateur telle qu’elle
est contenue dans l’exposé des motifs qui mentionne
qu’une rencontre réelle n’est pas exigée. À la suite de
l’avis du Conseil d’État, il est précisé dans le texte qu’il
s’agit “d’actes matériels qui peuvent conduire à ladite
rencontre”. Pour sa part, Child Focus estime qu’il fau
drait modifier les termes “conduisant à” par “qui peuvent
conduire à”.
293
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In verband met de “materiële handelingen” atten
deert de spreekster de wetgever erop dat dit begrip
in de memorie van toelichting niet te beperkend mag
worden gedefinieerd. Bovendien voorziet de memorie
van toelichting alleen in de mogelijkheid dat materiële
handelingen tot een offline-ontmoeting leiden. In veel
gevallen vindt de ontmoeting nochtans virtueel plaats.
Mevrouw De Pauw verwijst naar het ontworpen arti
kel 417/48 betreffende notice and takedown en verduide
lijkt dat Child Focus reeds tijdens de vorige regeerperiode
voorstellen ter zake heeft geformuleerd om de regelgeving
zoals ze van kracht is sinds 2017 uit te breiden. Child
Focus is sinds 2017 gemachtigd om beelden van sek
sueel misbruik van kinderen te analyseren en digitale
content door te geven aan de federale politie teneinde
slachtoffers en daders te identificeren en te achterhalen
waar de beelden werden opgenomen en van waar ze
worden gehost. Wanneer de hosting in België gebeurt,
zal de federale politie de service provider verzoeken
de beelden onverwijld offline te halen of ontoegankelijk
te maken.
In de realiteit gebeurt het offline halen vrijwel niet, of te
weinig, omdat de tussenschakel van de federale politie
tijdrovend is. Child Focus vraagt daarom de uitbreiding
van haar bevoegdheden om zelf contact te kunnen op
nemen met service providers. De spreekster benadrukt
dat dit steeds moet gebeuren met inachtneming van het
geheim van het onderzoek en in samenwerking met de
federale politie.
Tot slot vermeldt mevrouw De Pauw nog enkele uit
dagingen in het kader van de vernieuwing van het sek
sueel strafrecht. Hoewel het buiten de reikwijdte van het
voorliggende wetsontwerp ligt, vraagt ze dat de grote
industriële spelers, de big tech, meer verantwoordelijk
kunnen worden gesteld. Het gaat dan ook over web
providers en internet service providers die proactief hun
content zouden moeten screenen en verdachte content
meteen zouden moeten melden. De spreekster trekt
daarbij de parallel met de offlinewereld, waar uitgevers
ook verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de
inhoud van de boeken die zij uitgeven. Mevrouw De Pauw
verwijst in deze context naar een recent bericht uit de
media van een Canadese vrouw die als 12-jarige werd
misbruikt en wiens misbruikvideo’s nog steeds online
te vinden zijn en nooit zullen verdwijnen.
Tot slot rijst de vraag of het vernieuwde seksueel
strafrecht aangepast is aan de toekomst. Child Focus
stelt vast dat de meldingen van virtueel misbruik, en dat
zijn strafbare feiten, toenemen. Daarnaast is er een toe
name merkbaar van zogenaamde deepfakes. Dat is een
techniek waarbij bestaande beelden van minderjarigen
zeer waarheidsgetrouw worden bewerkt tot beelden met
Quant aux “actes matériels”, l’intervenante attire
l’attention du législateur sur la nécessité de ne pas définir
cette notion de manière trop restrictive dans l’exposé
des motifs. En outre, l’exposé des motifs n’envisage que
la possibilité d’actes matériels menant à une rencontre
hors ligne. Dans de nombreux cas, pourtant, la rencontre
a lieu virtuellement.
Mme De Pauw se réfère à l’article 417/48, en projet,
relatif au notice and take down et précise que Child Focus
a déjà formulé des propositions sur le sujet lors de la
précédente législature afin d’étendre la réglementation
telle qu’elle est d’application depuis 2017. Child Focus
est autorisé depuis 2017 à analyser les images d’abus
sexuels d’enfants et à en transmettre de contenu numé
rique à la police fédérale afin d’identifier les victimes et
les auteurs et de retrouver où les images ont été prises
et où elles sont hébergées. Si l’hébergement a lieu en
Belgique, la police fédérale demandera au fournisseur
d’accès de retirer immédiatement les images ou de les
rendre inaccessibles.
Dans la réalité, le retrait n’arrive presque jamais, ou
trop rarement, car l’intervention de la police fédérale
prend beaucoup de temps. Child Focus demande donc
une extension de ses pouvoirs, afin de pouvoir contacter
lui-même les fournisseurs d’accès. L’oratrice souligne
que cela doit toujours se faire dans le respect du secret
de l’instruction et en collaboration avec la police fédérale.
Enfin, Mme De Pauw mentionne encore quelques
défis dans le cadre de la réforme du droit pénal sexuel.
Bien que cela n’entre pas dans le cadre du projet de
loi à l’examen, elle demande que les grands acteurs
industriels, la big tech, puissent davantage être tenus
responsables. Cela concerne dès lors les hébergeurs
web et les fournisseurs de services internet, qui devraient
vérifier leur contenu de manière proactive et signaler
immédiatement tout contenu suspect. L’oratrice établit
un parallèle avec le monde hors ligne, où les éditeurs
peuvent également être tenus responsables du contenu
des livres qu’ils publient. Dans ce contexte, Mme De Pauw
renvoie à un reportage récemment publié dans les médias
sur une Canadienne qui a été abusée à l’âge de 12 ans
et dont les vidéos d’abus sont encore disponibles en
ligne et ne disparaîtront jamais.
Enfin, la question se pose de savoir si le droit pénal
sexuel réformé est adapté à l’avenir. Child Focus constate
que les signalements d’abus virtuels – qui sont des faits
punissables – sont en augmentation. Il constate également
une augmentation de ce que l’on appelle les deepfakes
(hypertrucages). Il s’agit d’une technique permettant de
transformer, tout en restant très près de la réalité, des
2141/006
DOC 55
294
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een pornografisch karakter. Nog een stap verder gaan de
sex dolls, waarmee niet de klassieke sekspoppen worden
bedoeld, maar wel artificial intelligence driven sex dolls.
Dat zijn robots die je online kunt bestellen of die tegen
betaling ter beschikking worden gesteld in bordelen. Op
zich is daar geen probleem mee, maar het is mogelijk
sex dolls te bestellen die zodanig aanpasbaar zijn dat
ze als zeer waarheidsgetrouwe kopieën van minderja
rigen kunnen doorgaan. Het is, noch in het oude, noch
in het nieuwe seksueel strafrecht duidelijk of dit al dan
niet vervolgbaar is in België. In het licht van deze snelle
evoluties vraagt mevrouw De Pauw zich dan ook af of
het nieuwe seksueel strafrecht ook wel future-proof is.
e. Uiteenzetting van de heer Hans Cools, vertegen-
woordiger van de Vlaamse Jeugdraad
De heer Hans Cools legt uit dat de Vlaamse Jeugdraad
een officieel adviesorgaan van de Vlaamse regering is.
De “Ambrassade” is een organisatie die zich tot doel stelt
de jeugd te informeren, het jeugdwerk te ondersteunen
en het beleid te adviseren inzake jongerenthema’s.
De Vlaamse Jeugdraad verleent adviezen vanuit een
vast kwaliteitskader waarbij de focus ligt op input van
jongeren en de jeugdzorg. Met betrekking tot dit advies
was daarvoor te weinig tijd, waardoor de organisatie
heeft teruggegrepen naar een advies uit 2013 dat nog
steeds actueel is.
Namens de Vlaamse Jeugdraad juicht de heer Cools
de aanpassing van de leeftijd van de seksuele meer
derjarigheid toe, maar wil daarbij wel de volgende twee
aandachtspunten naar voren schuiven.
In eerste instantie pleit hij ervoor de seksuele-meer
derjarigheidskwestie te bekijken vanuit de normale
seksuele ontwikkeling van jongeren. Hij erkent dat de
wetgever de integriteit van jongeren voorop moet stel
len, maar experimenteergedrag is eigen aan jongeren
en de wetgever zou veeleer een kader moeten creë
ren dat leeftijdsadequaat handelen mogelijk maakt.
Consensuele seksuele handelingen tussen kinderen
en/of jongeren moeten worden ondersteund en mogen
zeker niet strafbaar worden gesteld. De spreker acht
de voorliggende leeftijdsgrenzen eerder arbitrair en
wijst op de onduidelijkheid die blijft over de precieze
leeftijdsbepaling.
Een tweede aandachtspunt betreft de onduidelijk
heid inzake het begrip “seksuele handelingen”. Het is
noodzakelijk dit begrip te verduidelijken of op te split
sen in gradaties, eventueel gekoppeld aan een leeftijd.
Een mogelijkheid zou kunnen zijn om penetratie op te
images existantes de mineurs en images à caractère
pornographique. Les sex dolls vont encore plus loin. Il
ne s’agit pas des poupées sexuelles classiques, mais
de poupées sexuelles dotées d’une intelligence artifi
cielle. Ce sont des robots qui peuvent être commandés
en ligne ou mis à disposition dans des maisons closes
moyennant paiement. Elles ne posent aucun problème
en soi, mais il est possible de commander des sex dolls
qui sont à ce point adaptables qu’elles peuvent passer
pour des copies très fidèles de mineurs. Ni l’ancien ni
le nouveau droit pénal sexuel ne précise clairement si
cette pratique peut être poursuivie ou non en Belgique.
À la lumière de ces évolutions rapides, Mme De Pauw se
demande donc si le nouveau droit pénal sexuel résistera
bien à l’épreuve du temps.
e. Exposé de M. Hans Cools, représentant du Conseil
flamand de la jeunesse
M. Hans Cools explique que le Conseil flamand de
la jeunesse est un organe consultatif officiel du gouver
nement flamand. L’“Ambrassade” est une organisation
qui a pour but d’informer les jeunes, de soutenir les
organismes qui les représentent et de conseiller les
décideurs politiques sur les thèmes liés à la jeunesse.
Le Conseil flamand de la jeunesse remet des avis à
partir d’un cadre qualitatif stable où l’accent est mis sur
la participation des jeunes et sur l’aide à la jeunesse. En
ce qui concerne cet avis, le temps a manqué, de sorte
que l’organisation se base sur un avis datant de 2013,
qui est toujours d’actualité.
S’exprimant au nom du Conseil flamand de la jeu
nesse, M. Cools se réjouit de l’adaptation de l’âge de
la majorité sexuelle, mais souhaite attirer l’attention sur
les deux points suivants.
Tout d’abord, il préconise d’examiner la question de la
majorité sexuelle sous l’angle du développement sexuel
normal des jeunes. Il reconnaît que le législateur doit
privilégier l’intégrité des jeunes, mais l’expérimentation
est inhérente à la jeunesse et le législateur devrait plutôt
créer un cadre permettant des actes adaptés à l’âge. Les
actes sexuels consensuels entre enfants et/ou jeunes
doivent être encadrés et certainement pas criminalisés.
L’orateur estime que les limites d’âge actuelles sont plutôt
arbitraires et souligne l’ambiguïté qui subsiste quant à
la détermination précise d’un âge.
Le deuxième point d’attention concerne le manque
de clarté à propos de la notion d’“actes sexuels”. Il est
nécessaire de clarifier cette notion ou d’y introduire
des gradations, éventuellement liées à un âge. Une
possibilité pourrait consister à reprendre la pénétration
295
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
nemen als onderscheidend criterium bij het stellen van
seksuele handelingen, waarbij de leeftijdsgrens voor
seksuele handelingen zonder penetratie dan gerust
lager kan zijn dan de leeftijd die nu wordt vooropgesteld.
De heer Cools benadrukt het belang hiervan, niet al
leen voor de begeleiders maar ook voor de jongeren
zelf, die niet het gevoel mogen hebben dat ze strafbare
feiten plegen, zelfs wanneer het gaat om handelingen
eigen aan hun leeftijd. Hij verwijst daarbij ook naar het
gevaar van victim blaming en het risico dat slachtoffers
van grensoverschrijdend gedrag zichzelf ter discussie
gaan stellen.
De spreker vestigt voorts de aandacht op het vlag
gensysteem van Sensoa dat in een eerdere hoorzitting
werd uiteengezet. Dit systeem gaat uit van de criteria
“toestemming” en “wederzijdse toestemming”, maar
zelfs in het huidige wetgevend kader zouden verschil
lende seksuele handelingen die als leeftijdsadequaat
worden beschouwd toch met een zwarte vlag worden
geëvalueerd. De heer Cools sluit zich aan bij de oproep
van Sensoa om de verantwoordelijkheid bij de volwas
sene te leggen. Een volwassene kan nooit toestemming
vragen, maar een minderjarige kan wel toestemming
geven aan een gelijke.
Ter afronding van zijn uiteenzetting haalt de heer Cools
nog enkele opmerkingen aan. De Vlaamse Jeugdraad
is verheugd dat ook voor sexting een wetgevend kader
wordt gecreëerd waarbij consensuele sexting onder
minderjarigen niet meer wordt gelijkgesteld met kinder
porno. Hij spreekt de hoop uit dat de leeftijdsgrenzen
voor sexting kunnen worden gekoppeld aan de leef
tijdsgrens voor seksuele meerderjarigheid. Daarnaast
onderstreept de heer Cools het belang van de vrijwilligers
in het jeugdwerk en pleit hij ervoor om hen de nodige
middelen en tools aan te reiken, alsook een kader om
zaken bespreekbaar te maken. De spreker benadrukt
ten slotte de grote nood, zowel in de vrije tijd als in het
onderwijs, aan preventie en seksuele voorlichting; hij
pleit voor blijvende investeringen in organisaties en
scholen om dit mogelijk te maken.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
De heer Ben Segers (Vooruit) heeft in de uiteenzet
ting van de heer Janssens van Myria gehoord dat er
wordt geknipt in de middelen voor de bestrijding van
mensenhandel. Hij wil dan ook graag meer gedetail
leerd vernemen over welke referentiemagistraten en/of
arbeidsauditeurs het in casu gaat. Kan het zijn dat het om
een reorganisatie binnen de cel banditisme gaat of dat
comme critère distinctif pour l’accomplissement d’actes
sexuels. Dans ce cas, la limite d’âge pour les actes
sexuels sans pénétration pourrait franchement être
inférieure à celle qui est prévue actuellement. M. Cools
souligne l’importance de cette démarche, non seulement
pour les accompagnateurs, mais aussi pour les jeunes
eux-mêmes, qui ne doivent pas avoir le sentiment de
commettre des faits punissables, même lorsqu’il s’agit
d’actes propres à leur âge. Il évoque également le risque
de culpabilisation des victimes et le risque que les
victimes de comportements transgressifs se remettent
elles-mêmes en cause.
L’orateur attire également l’attention sur le système
de drapeaux de Sensoa, qui a été expliqué lors d’une
précédente audition. Ce système est basé sur les cri
tères de “consentement” et de “consentement mutuel”,
mais même dans le cadre législatif actuel, plusieurs
actes sexuels considérés comme en adéquation avec
l’âge seraient toujours évalués avec un drapeau noir.
M. Cools rejoint l’appel de Sensoa qui souhaite placer la
responsabilité au niveau de l’adulte. Un adulte ne peut
jamais demander un consentement, mais un mineur peut
donner son consentement à un autre mineur.
M. Cools formule encore quelques remarques pour
terminer son exposé. Le Conseil flamand de la jeunesse
se réjouit qu’un cadre législatif soit également créé
pour le sexting, dans lequel le sexting consensuel entre
mineurs ne serait plus assimilé à de la pédopornogra
phie. Il espère que la limite d’âge pour le sexting pourra
être alignée sur la majorité sexuelle. En outre, M. Cools
souligne l’importance des bénévoles dans le travail
d’accompagnement des jeunes et plaide pour qu’ils
disposent des moyens et des outils nécessaires, ainsi
que d’un cadre permettant de discuter de ces sujets.
Enfin, l’orateur souligne le grand besoin de prévention
et d’éducation sexuelle, tant au niveau des loisirs que
de l’enseignement, et préconise des investissements
permanents dans les organisations et les écoles pour
rendre tout cela possible.
3. Échange de vues
a. Questions et observations des membres
M. Ben Segers (Vooruit) a entendu dans l’exposé
de M. Janssens de Myria que les effectifs engagés
dans la lutte contre la traite des êtres humains ont été
réduits. Il souhaiterait donc savoir plus en détail de
quels magistrats de référence et/ou auditeurs du travail
il s’agit précisément. Se pourrait-il qu’il s’agisse d’une
réorganisation au sein de la cellule banditisme, ou que
2141/006
DOC 55
296
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
er gewoon nog geen vervanging is voor op rust gestelde
magistraten, of gaat het om een bewuste beleidskeuze?
Het lid verwijst naar de eerdere uiteenzetting van
vertegenwoordigers van de vzw Pagasa die ervoor
hebben gepleit een cursus mensenhandel te verplichten
voor referentiemagistraten, naar analogie met de reeds
bestaande verplichte cursussen voor seksuele misdrijven.
Zou het dan ook nuttig zijn om dit uit te breiden naar alle
magistraten? De spreker acht dit zinvol omdat, zoals in
het regeerakkoord bepaald, in de nodige middelen moet
worden voorzien om de handhaving van het seksueel
strafrecht te garanderen.
Mevrouw Katleen Bury (VB) wijst erop dat enkele
problematische formuleringen en onduidelijkheden in
het wetsontwerp, zoals het leeftijdsverschil voor het
bepalen van de seksuele meerderjarigheid en de kwalifi
catie “perfide”, reeds in eerdere uiteenzettingen werden
aangehaald. Ze spreekt dan ook de hoop uit dat dit nog
zal worden aangepast.
Mevrouw Bury wil graag van de vertegenwoordigers
van de HRJ vernemen op welke manier juist de Zweedse
wetgever, met de invoering van verschillende gradaties
voor het begrip “verkrachting”, het aantal bekentenissen
en veroordelingen in zedenzaken heeft verhoogd. Het lid
meent dat deze denkpiste een onderzoek waard is.
De spreekster is het voorstel van Child Focus om zelf
internet service providers te kunnen dwingen om beelden
offline te halen, genegen. Ze is ook van mening dat de
aanschaf van sex dolls die op een minderjarige gemo
delleerd zijn, in het strafrecht moet worden opgenomen.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) richt zich meer spe
cifiek tot de gastsprekers die het over de kindertijd
hebben gehad, inzonderheid tot Child Focus. Zij wenst
te vernemen wat de Stichting vindt van de bepalingen
inzake de prostitutie van minderjarigen, meer bepaald
wat betreft de verschillen tussen de straffen. In zijn hui
dige redactie wekt het wetsontwerp de indruk dat van
enige tolerantie sprake is ten aanzien van de jongeren
van 16 tot 18 jaar. Wanneer bijvoorbeeld een minderjarige
van 16 tot 18 jaar zich prostitueert, lijkt dat minder ernstig
dan wanneer het een minderjarige jonger dan 16 jaar
betreft. Zulks wekt echter de indruk dat kinderprostitutie
niet problematisch is en dat ze in lijn wordt gebracht met
de seksuele meerderjarigheid. Het lid voegt eraan toe
dat de meeste internationale verdragen kinderprostitutie
verbieden. Ware het niet beter om met betrekking tot
prostitutie in een algemene bepaling te voorzien die
aangeeft dat onder de leeftijd van 18 jaar geen sprake
kan zijn van toestemming?
les magistrats mis à la retraite n’aient tout simplement
pas encore été remplacés, ou qu’il s’agisse d’un choix
politique délibéré?
Le membre se réfère à l’exposé antérieur des repré
sentants de l’ASBL Pagasa, qui préconisaient de rendre
obligatoire un cours sur la traite des êtres humains
pour les magistrats de référence, et ce à l’instar des
cours obligatoires, qui existent déjà, sur les infractions
sexuelles. Serait-il dès lors utile de l’étendre à tous les
magistrats? L’orateur pense que ce serait judicieux, car,
comme le prévoit l’accord de gouvernement, il convient
de prévoir les moyens nécessaires pour garantir le res
pect du droit pénal sexuel.
Mme Katleen Bury (VB) souligne que quelques formu
lations problématiques et ambiguïtés contenues dans le
projet de loi, comme la différence d’âge pour déterminer
la majorité sexuelle et la qualification de “perfide”, ont
déjà été évoquées dans de précédents exposés. Elle
espère donc qu’il y sera remédié.
Mme Bury souhaiterait que les représentants du CSJ
expliquent de quelle manière le législateur suédois, en
introduisant différentes gradations dans la notion de
“viol”, a réussi à augmenter le nombre d’aveux et de
condamnations dans les affaires de mœurs. La membre
estime que cette piste de réflexion mérite d’être examinée.
L’oratrice salue la proposition de Child Focus de
pouvoir obliger les fournisseurs de services internet à
retirer des images en ligne. Elle estime également que
l’achat de sex dolls représentant un mineur devrait être
repris dans le droit pénal.
S’adressant plus particulièrement aux représentants
ayant parlé de l’enfance, en particulier Child Focus,
Mme Vanessa Matz (cdH) souhaiterait connaître l’avis
de la Fondation sur les dispositions relatives à la pros
titution des mineurs, en particulier en ce qui concerne
les différences au niveau des peines. Le texte tel qu’il
est rédigé laisse penser qu’il y a une forme de tolérance
lorsqu’il est question des jeunes de 16 à 18 ans. Par
exemple, lorsqu’un mineur de 16 à 18 ans se prostitue,
cela semble moins grave que lorsqu’il s’agit d’un mineur
de moins de 16 ans. Toutefois, cela laisse à penser que
la prostitution infantile ne constitue pas un problème et
qu’on l’aligne sur la majorité sexuelle. La députée ajoute
que la plupart des conventions internationales interdisent
la prostitution infantile. En matière de prostitution, ne
serait-il pas préférable d’avoir une disposition générale
indiquant qu’il ne peut pas y avoir de consentement en
dessous de 18 ans?
297
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De spreekster is geschokt door wat Child Focus
over sexting heeft aangegeven. De Stichting mag dan
wel een zekere tolerantie vanaf de leeftijd van 14 jaar
aanbevelen en gewonnen zijn voor een afstemming op
de seksuele meerderjarigheid, toch kan mevrouw Matz
zich niet in die logica terugvinden. Het zou bijvoorbeeld
bij niemand opkomen om moordenaars niet langer te
straffen omdat moorden geen zeldzaamheid zijn.
Het lid voegt eraan toe dat sexting schade aanricht op
heel wat vlakken. Die praktijk kan een jongere kapotma
ken. Veel mensen luiden daarover de noodklok. Welke
aanvullende argumenten heeft Child Focus derhalve
om te pleiten voor een zekere tolerantie ten aanzien
van sexting?
Tijdens de hoorzittingen is het mevrouw Claire Hugon
(Ecolo-Groen) opgevallen dat herhaaldelijk werd aan
gedrongen op een wijziging van de terminologie. Zelf
zou zij de bewoordingen “niet-consensuele seksuele
handelingen” willen veranderen in “seksuele handelin
gen zonder toestemming”. Bij een “niet-consensuele
seksuele handeling” gaat het niet om een ontstentenis
van toestemming, maar veeleer om een ontstentenis van
consensus. Ware het niet relevant “niet-consensueel”
stelselmatig te vervangen door “zonder toestemming”?
De spreekster is het eens met de leden van
Fem&L.A.W. dat de lijst van omstandigheden die toe
stemming uitsluiten, niet exhaustief mag zijn. Toevoeging
van de woorden “onder meer” zou op een heel eenvou
dige manier kunnen voorkomen dat de advocaten van
de verdediging sommige omstandigheden proberen
uit te sluiten. Met betrekking tot de lijst van elementen
die ten grondslag zouden liggen aan een weerlegbaar
vermoeden van niet-toestemming heeft Fem&L.A.W.
twee omstandigheden vermeld, namelijk de aantasting
van de wilsvrijheid ten gevolge van een intoxicatie en
een eerdere veroordeling wegens incest. Zijn die twee
omstandigheden de enige die de vereniging in aanmer
king wil nemen?
Vervolgens komt mevrouw Hugon terug op de kritiek
die Fem&L.A.W. heeft geuit op de genderbenadering en
op de impactanalyse. In dat verband bestempelt ook zij
het document als pover. Zij voegt eraan toe dat het niet
de realiteit, noch de visie van de Ecolo-Groenfractie
weerspiegelt.
Volgens Fem&L.A.W. mag de bedoeling van de dader
niet prevaleren boven andere criteria en mag het alge
meen opzet niet van toepassing zijn. Het lid zou daar
dieper willen op ingaan. Volgens haar prevaleert bij sek
suele misdrijven het algemeen opzet. Vindt Fem&L.A.W.
dat dit moet veranderen? Zo ja, wat zou dan de juiste
mate van morele toerekenbaarheid zijn? Is dan sprake
La membre indique avoir été secouée par les propos
de Child Focus concernant le sexting. Si la Fondation
recommande une certaine tolérance à partir de 14 ans
et est favorable à un alignement par rapport à la majo
rité sexuelle, Mme Matz n’approuve pas cette logique.
Par exemple, il ne viendrait à l’idée de personne de ne
plus sanctionner les meurtriers sous prétexte que les
homicides ne sont pas rares.
L’oratrice ajoute que le sexting engendre de nom
breux dégâts. Cette pratique peut détruire un jeune. De
nombreuses personnes tirent la sonnette d’alarme à ce
propos. De ce fait, quels sont les arguments supplé
mentaires de Child Focus pour préconiser une certaine
tolérance par rapport au sexting?
Au fil des auditions, Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen)
a pris note d’une demande répétée de modifier la termi
nologie. Pour sa part, la députée souhaiterait modifier
les termes “actes sexuels non consensuels” en “actes
sexuels non consentis”. Dans le cas d’un acte sexuel
non consensuel, il n’y a pas une absence de consente
ment, mais plutôt une absence de consensus. Serait-il
pertinent de remplacer systématiquement les termes
“non consensuel” par “non consenti”?
La députée rejoint les membres de Fem&Law sur le fait
que la liste de circonstances excluant le consentement
ne doit pas être exhaustive. Ajouter le mot “notamment”
permettrait, en toute simplicité, d’éviter que des avocats
de la défense mènent des actions pour essayer d’exclure
certaines circonstances. Quant à la liste d’éléments
qui fondrait une présomption simple de non-consente
ment, Fem&Law a donné deux circonstances, à savoir
l’altération du libre arbitre à la suite d’une intoxication
et une condamnation antérieure pour inceste. Ces deux
circonstances sont-elles les seules que l’association
souhaite viser?
En ce qui concerne les critiques formulées par
Fem&Law à propos de l’approche genrée et de l’ana
lyse d’impact, Mme Hugon estime également que ce
document est indigent. Elle ajoute qu’il ne reflète ni la
réalité ni la vision du groupe Ecolo-Groen.
D’après Fem&Law, l’intention de l’auteur ne peut
pas primer sur d’autres critères et le dol général ne
peut pas être applicable. La députée souhaiterait se
pencher davantage sur ces questions. D’après elle, le
dol général prévaut en matière d’infraction sexuelle.
Fem&Law estime-t-elle que cela doit changer? Dans
l’affirmative, quel serait le bon degré d’imputabilité
2141/006
DOC 55
298
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van een morele toerekenbaarheid van het type “strafbare
fout”? De vertegenwoordigsters van de Hoge Raad voor
de Justitie hebben voorgesteld een gradatie in te stellen.
Zou die wijziging relevant zijn? Mevrouw Hugon verwijst
naar Zweden, waar het begrip “verkrachting door nala
tigheid” werd ingevoerd. In het licht daarvan wil het lid
weten of het nuttig zou zijn een onderscheid te maken
tussen verschillende soorten verkrachting.
Met betrekking tot het verzoek van Child Focus ant
woordt mevrouw Hugon dat de volksvertegenwoordigers
geen aanpassingen in de memorie van toelichting kunnen
aanbrengen. De nodige verduidelijkingen moeten worden
verstrekt in de toelichting die tijdens de werkzaamheden
van de commissie voor Justitie wordt verschaft.
Wat deepfake betreft, meent het lid dat moet worden
nagegaan of dat verschijnsel kan worden bestraft op
grond van reeds bestaande bepalingen. Zou het een
goede zaak zijn een verband te leggen tussen deepfake
en identiteitsmisbruik, of zou het de voorkeur verdienen
in een nieuw misdrijf te voorzien, specifiek voor dergelijk
gedrag?
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) wil weten of de
vertegenwoordiger van de Vlaamse Jeugdraad vooraf
overleg heeft gepleegd met zijn Franstalige collega,
aangezien die niet aan de hoorzitting kon deelnemen.
Weerspiegelt de uiteenzetting van de heer Hans Cool
ook het standpunt van het Forum des Jeunes? Treedt
de heer Cool op als woordvoerder van alle jongeren in
België? In dat verband benadrukt zij dat de gevoelig
heden ten noorden van de taalgrens anders liggen dan
die ten zuiden ervan, meer bepaald inzake seksuele
meerderjarigheid.
De heer Cool heeft de adolescentie omschreven als een
periode waarin de jongeren hun seksualiteit ontdekken.
Hij heeft beklemtoond dat men zijn seksualiteit anders
beleeft op 14-, 16- of 17-jarige leeftijd. Het wetsontwerp
beoogt het begrip “aanranding van de eerbaarheid” op
te heffen en een binaire benadering te hanteren, waarbij
ofwel sprake is van een situatie zonder toestemming en
dus van verkrachting, ofwel van een situatie waarin wordt
ingestemd met de seksuele betrekking. Is de heer Cool
het eens met die benadering?
Het lid heeft nota genomen van het verband tus
sen de mensenhandel en de prostitutie in België. De
vertegenwoordigers van Myria hebben benadrukt dat
de netwerken kwetsbare mensen zonder wettelijke ver
blijfstitel uitbuiten. Die netwerken maken misbruik van de
angst van de betrokkenen om te worden gearresteerd
en vervolgens te worden uitgewezen. Mevrouw Rohonyi
voegt daaraan toe dat de stichting Samilia er tijdens de
hoorzitting nadrukkelijk op heeft gewezen dat “misbruik
morale? Faudrait-il parler d’une imputabilité morale
de type faute infractionnelle? Les représentantes du
Conseil supérieur de la justice ont proposé d’introduire
une gradation. Cette modification serait-elle pertinente?
Se référant à la Suède, qui a introduit la notion de “viol
par négligence”, la députée souhaiterait savoir s’il serait
utile de distinguer différents types de viol.
En réponse à la demande de Child Focus, Mme Hugon
précise que les députés ne peuvent pas modifier l’exposé
des motifs. Les précisions nécessaires devront être
apportées dans les explications données au cours des
travaux de la commission de la Justice.
S’agissant du deepfake (l’hypertrucage), la dépu
tée estime qu’il serait nécessaire de voir si certaines
dispositions déjà existantes permettraient de punir ce
phénomène. Serait-il pertinent de relier le deepfake à
l’usurpation d’identité ou serait-il préférable d’avoir une
nouvelle infraction visant spécifiquement les comporte
ments de ce type?
Mme Sophie Rohonyi (DéFi) souhaiterait savoir si le
représentant du Vlaamse Jeugdraad s’est préalablement
concerté avec son homologue francophone, qui n’a pas
pu assister à l’audition. L’exposé de M. Hans Cool est-il
représentatif de l’avis du Forum des Jeunes? M. Cool
porte-t-il la voix de tous les jeunes de Belgique? À ce
propos, elle souligne que les sensibilités divergent au
Nord et au Sud du pays, notamment en matière de
majorité sexuelle.
M. Cool a décrit l’adolescence comme une période
durant laquelle les jeunes découvrent leur sexualité. Il
a insisté sur le fait qu’on ne vit pas sa sexualité de la
même manière à 14, 16 ou 17 ans. Le projet de loi sup
prime la notion d’attentat à la pudeur et se tourne vers
un système binaire: soit on se trouve dans une situation
où il n’y a pas de consentement et où il y a donc viol soit
on se trouve dans une situation où la relation sexuelle
est consentie. M. Cool approuve-t-il ce système?
La députée a bien pris note du lien entre la traite
d’êtres humains et la prostitution en Belgique. Les
représentantes de Myria ont insisté sur le fait que des
réseaux exploitent les personnes vulnérables qui n’ont
pas de titre de séjour légal. Les réseaux exploitent la
peur qu’ont ces personnes de se faire arrêter et d’être
ensuite expulsées du territoire. Mme Rohonyi ajoute que
la Fondation Samilia a insisté, lors de son audition, sur la
notion problématique d’abus de prostitution, qui risque
299
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van prostitutie” een begrip is dat problemen kan doen
rijzen op het vlak van interpretatie en bewijslast. Zijn
de vertegenwoordigers van Myria het ermee eens dat
in dit verband beter gewag zou worden gemaakt van
“mensenhandel”, aangezien dat begrip wordt erkend in
heel wat internationale verdragen?
Het lid gaat vervolgens in op de weerslag van het
voorliggende wetsontwerp op het straffenarsenaal
ter beteugeling van mensenhandel. Myria heeft im
mers gewezen op een aanbeveling die ertoe zou strek
ken dat de gemeenten met toepassing van het nieuwe
Strafwetboek ruimte voor beoordeling behouden en
zogenoemde gedoogzones in stand zouden kunnen
houden, teneinde de sekswerkers in staat te stellen hun
activiteit volstrekt legaal te beoefenen. Het lid meent
dat zulks hypocriet zou zijn ten aanzien van de illegaal
in ons land verblijvende betrokkenen, die bescherming
behoeven. Mevrouw Rohonyi wil meer duidelijkheid over
die aanbeveling en over de rol die de gemeenten zouden
kunnen spelen. Zij voegt daaraan toe dat momenteel
daadwerkelijk sprake is van een ongelijke behandeling
naargelang van de gemeente waar men zich bevindt,
en dus van de betrokken politiezone.
Wat de omschrijving van toestemming betreft, noteert
het lid dat de sprekers menen dat de lijst van omstan
digheden die toestemming uitsluiten, niet-exhaustief
mag zijn. Die lijst moet dus louter voorbeelden bevat
ten, alsook de bewoordingen “meer bepaald” of “onder
meer”. Met betrekking tot de bewijslast meent het lid dat
een bepaalde graad van dronkenschap of van invloed
van psychotrope middelen moet worden bepaald vanaf
dewelke het slachtoffer niet langer in staat is toestem
ming te verlenen. Op grond van het door de minister van
Justitie voorgelegde wetsontwerp tot hervorming zou in
elk geval geen sprake zijn van toestemming (en bijgevolg
wel van verkrachting) wanneer de seksuele handeling
is gepleegd ten nadele van iemand die kwetsbaar is
wegens bewustzijnsverlies, slaap, angst of de invloed
van alcohol of drugs. Nemen de diverse sprekers ge
noegen daarmee?
Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i., deelt mee dat
het Forum des jeunes zich voor deze hoorzitting heeft
verontschuldigd, maar een schriftelijk advies zal geven.
De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) heeft rechtskundige
vragen voor Fem&L.A.W. en voor de Hoge Raad voor
de Justitie. Het lid benadrukt dat aan heel wat klachten
wegens seksueel geweld geen gevolg wordt gegeven bij
gebrek aan afdoende bewijs. Wat zijn de voornaamste
hinderpalen die het aantal veroordelingen beperken? Hoe
kan die situatie worden bijgestuurd? Is het wetsontwerp
een stap in de goede richting?
de poser problème au niveau de l’interprétation et de la
charge de la preuve. S’agissant de cette notion d’abus
de la prostitution, les représentantes de Myria sont-elles
d’accord avec le fait qu’il serait préférable de privilégier
la notion de traite d’êtres humains, qui est reconnue par
de nombreuses conventions internationales?
L’intervenante se penche ensuite sur l’incidence
du nouveau projet de loi sur le dispositif répressif en
matière de traite d’êtres humains. Myria est, en effet,
revenu sur une recommandation qui viserait à faire en
sorte que, dans l’application du nouveau Code pénal,
les communes conservent une marge d’appréciation et
puissent maintenir des zones dites de tolérance pour
permettre aux travailleurs du sexe d’exercer en toute
légalité. La députée estime que ce serait hypocrite vis-
à-vis des personnes en séjour illégal, qui ont besoin
d’être protégées. Mme Rohonyi souhaiterait obtenir une
clarification par rapport à cette recommandation et au
rôle que pourraient jouer les communes. À ce propos,
elle ajoute qu’il existe aujourd’hui une véritable inégalité
de traitement selon la commune dans laquelle on se
trouve et donc selon la zone de police concernée.
S’agissant de la définition du consentement, la députée
note que les intervenants estiment qu’il faudrait une liste
non exhaustive de circonstances excluant le consente
ment. Cette liste doit, au contraire, être exemplative et
contenir les termes “notamment” ou “entre autres”. Quant
à la charge de la preuve, la députée estime qu’il faudrait
déterminer un certain niveau à partir duquel l’état d’ébriété
ou l’influence de psychotropes fait que la victime n’est
plus en mesure de formuler son consentement. D’après
le projet de réforme du ministre de la Justice, il y aurait
d’office absence de consentement et par extension viol,
si l’acte à caractère sexuel a été commis au préjudice
d’une personne en situation de vulnérabilité due à un
état d’inconscience, de sommeil, de peur ou à l’influence
de l’alcool ou de stupéfiants. Les différents intervenants
estiment-ils cette solution satisfaisante?
Mme Katja Gabriëls, présidente a.i., fait savoir que
le Forum des jeunes s’est excusé pour cette audition,
mais remettra un avis écrit.
Les questions de M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) sont
d’ordre juridique et s’adressent à Fem&Law et au Conseil
supérieur de la justice. Le député souligne le fait que
de nombreuses plaintes pour violences sexuelles sont
rejetées, car les preuves sont insuffisantes. Quels sont
les principaux obstacles juridiques qui limitent le nombre
de condamnations? Comment changer cette situation?
Le projet de loi permettra-t-il d’avancer dans le bon sens?
2141/006
DOC 55
300
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat denken de diverse sprekers van het tijdens de
vorige hoorzitting meermaals aan bod gekomen begrip
“verkrachting door nalatigheid”. Zouden de delinquenten
dankzij dat begrip makkelijker kunnen worden veroor
deeld? Zou het in het voorliggende wetsontwerp moeten
worden opgenomen?
Eveneens verwijzend naar de vorige hoorzittingen
wijst het lid erop dat dit wetsontwerp volgens de stichting
Samilia in strijd zou zijn met internationale verdragen,
zoals het Protocol van Palermo. Wat is het standpunt
van de sprekers ter zake?
Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) komt terug op het
voorstel van Child Focus om zelf internet service providers
te kunnen dwingen beelden offline te halen, alsook het
argument dat Child Focus dit sneller kan doen dan de
federale politie. Mevrouw Gabriëls wil graag vernemen
of er voorbeelden uit andere landen zijn waar niet enkel
het openbaar ministerie, maar ook andere organisaties
zoals Child Focus over die bevoegdheid beschikken.
b. Antwoorden van de genodigden en replieken
Mevrouw Laure Letellier beantwoordt de vragen in
zake toestemming. Fem&L.A.W. meent inderdaad dat
de invoeging van de woorden “meer bepaald” ervoor
zou kunnen zorgen dat de lijst van omstandigheden
waarin toestemming uitgesloten is, niet als uitputtend
zou worden beschouwd. Met betrekking tot de lijst van
elementen die ten grondslag liggen aan een weerlegbaar
vermoeden van niet-instemming, meent de spreekster dat
die uitputtend moet zijn, teneinde interpretatieverschillen
te voorkomen. Zij voegt daaraan toe dat de beide door
haar vermelde omstandigheden, namelijk de aantasting
van de vrije wil ten gevolge van intoxicatie, alsook een
eerdere veroordeling wegens incest, volgens Fem&L.A.W.
van kapitaal belang zijn.
Wat de te bepalen intoxicatiegraad en de bewijslast
voor het slachtoffer betreft, stelt mevrouw Letellier dat het
slachtoffer louter een materieel bewijs van de ernstige
intoxicatie zou moeten leveren. Fem&L.A.W. benadrukt
dat het van belang is de toestemming te beoordelen
op het ogenblik van de seksuele handeling. Iemand
die onder invloed verkeert, kan op het moment van de
handeling niet langer toestemming verlenen.
De spreekster meent dat het slachtoffer opvang zou
moeten krijgen, zodra het het politiekantoor betreedt.
Het is belangrijk onmiddellijk voor psychologische en
medische steun te zorgen en de betrokkene de bijstand
van een raadsman aan te bieden. Dat is een cruciale
fase, want op dat ogenblik moeten de bewijzen wor
den verzameld. Het slachtoffer moet daarover worden
Que pensent les différents intervenants de la notion
de viol par négligence, évoquée à plusieurs reprises lors
de la précédente audience? Ce concept permettrait-il de
condamner plus facilement les délinquants? Faudrait-il
l’inclure dans le nouveau projet de loi?
Toujours en se référant aux précédentes auditions,
le député indique que la Fondation Samilia a fait valoir
que ledit projet de loi est contraire aux accords inter
nationaux tels que le protocole de Palerme. Quelle est
opinion des intervenants à ce propos?
Mme Katja Gabriëls (Open Vld) revient sur la propo
sition faite par Child Focus, qui vise à contraindre les
fournisseurs de services internet à retirer eux-mêmes
des images en ligne, et sur l’argument de Child Focus
selon lequel il peut le faire plus rapidement que la police
fédérale. Mme Gabriëls aimerait savoir s’il existe des
exemples dans d’autres pays où non seulement le
ministère public, mais également d’autres organisations,
comme Child Focus, disposent de ce pouvoir.
b. Réponses des invités et répliques
Mme Laure Letellier revient sur les questions liées
au consentement. Fem&Law estime effectivement
qu’insérer le terme “notamment” permettrait que la liste
de circonstances excluant le consentement ne soit pas
considérée comme exhaustive. Quant à la liste d’élé
ments fondant une présomption simple de non-consen
tement, elle doit être exhaustive afin d’éviter d’avoir des
divergences d’interprétation. L’intervenante ajoute que
les deux circonstances qu’elle a mentionnées, à savoir
l’altération du libre arbitre à la suite d’une intoxication et
une condamnation antérieure pour inceste paraissent
essentielles aux yeux de Fem&Law.
Concernant la question sur le degré d’intoxication
à fixer et la charge de la preuve qui incombe à la vic
time, cette dernière n’aurait qu’à apporter une preuve
matérielle de l’intoxication grave. Fem&Law insiste sur
l’importance d’apprécier le consentement au moment
de l’acte sexuel. À partir du moment où une personne a
eu une intoxication, elle n’est plus en mesure de donner
son consentement au moment de l’acte.
L’intervenante estime que la victime devrait être prise
en charge dès qu’elle franchit la porte du commissariat.
Il est important d’organiser immédiatement un encadre
ment psychomédical et de lui faire bénéficier de l’aide
d’un conseil juridique. C’est une étape cruciale, car c’est
à ce moment-là que les preuves doivent être récoltées.
La victime doit en être informée. Elle doit savoir qu’il
301
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geïnformeerd. Het moet weten dat het van belang is
naar het ziekenhuis te gaan om stalen te doen nemen.
Het moet worden begeleid, want de bewijzen verdwij
nen bijzonder snel. De bewijzen moeten niet alleen
door de vervolgende overheden worden vergaard; ook
het slachtoffer moet bij de zaak worden betrokken en
moet meewerken. Er moet worden voorkomen dat het
slachtoffer de moed verliest, onder meer door de trage
werking van het gerecht. Mevrouw Letellier denkt dat
het aantal veroordelingen op die manier zou toenemen.
Mevrouw Caroline Debehault gaat in op het algemeen
opzet en op de strafbaarstelling van verkrachting. Met
betrekking tot de veroordeling is het voornemen van
de dader niet relevant, want het wordt niet vermeld in
artikel 375 van het Strafwetboek. Bovendien wordt de
toestemming van het slachtoffer min of meer vermoed.
De spreekster beklemtoont voorts dat het gedrag van
het slachtoffer vaak wordt gelaakt.
Fem&L.A.W. heeft in het wetsontwerp een knelpunt
in verband met het voornemen van de dader ontwaard.
De spreekster heeft de indruk dat er geen probleem is
wanneer de dader niet van oordeel is dat de handeling
van seksuele aard is. Bovendien laat de omschrijving
van seksuele handeling te wensen over. Bepaalde as
pecten rijmen niet, en met het slachtoffer er wordt geen
rekening gehouden.
Mevrouw Debehault voegt eraan toe dat Fem&L.A.W.
een schriftelijke nota zal bezorgen, waarin de vereniging
een gedetailleerd antwoord zal verstrekken inzake de
behandeling van de klachten, de bewijzen die de slachtof
fers kunnen aandragen, de juridische hinderpalen voor
een veroordeling en de strijdigheden met de internati
onale overeenkomsten.
De heer Koen Dewulf komt terug op de opmerking van
mevrouw Rohonyi die het ontstaan van een nieuwe vorm
van hypocrisie ten aanzien van derde landers zonder
papieren vreest bij het opheffen van lokale gedoogzones
voor sekswerkers in irregulier verblijf. De heer Dewulf
verklaart dat bij het wegvallen van deze gedoogzones
het veel duidelijker zal worden wie een gereglementeerd
sekswerker is en wie niet, waardoor sekswerkers zonder
verblijf nog meer in de clandestiniteit zullen worden ge
duwd. Myria heeft zelf geen eigen expertise inzake de
marktwerking van sekswerkers, maar het gaat om een
plausibele hypothese. Een ander effect zou kunnen zijn
dat door de toename van het aantal gereglementeerde
sekswerkers er een marktverzadiging optreedt en de
mensenhandel gewoon afzwakt. De spreker herhaalt
nadrukkelijk dat Myria zelf deze hypothese niet durft te
formuleren omdat het daarvoor niet over de nodige ex
pertise beschikt, maar het kan wel stellen dat het bestaan
van lokale gedoogzones ervoor zorgt dat sekswerkers in
est important de se rendre à l’hôpital pour effectuer
des prélèvements. Elle doit être accompagnée, car les
preuves sont très volatiles. Les autorités poursuivantes
ne sont pas les seules à devoir chercher des preuves.
La victime doit être impliquée et collaborer. Il faut éviter
qu’elle ne se décourage, notamment en raison de la
longueur de la procédure judiciaire. De cette manière,
Mme Letellier estime que le nombre de condamnations
augmenterait.
Mme Caroline Debehault se penche sur le dol général
et l’incrimination de viol. Au niveau de la condamnation,
il n’y a pas d’intention de l’auteur, car ce n’est pas repris
dans l’article 375 du Code pénal. En outre, le consente
ment de la victime est relativement présumé. L’oratrice
souligne d’ailleurs que le comportement de la victime
est souvent incriminé.
S’agissant du projet de loi, Fem&Law a soulevé un
problème lié à l’intention de l’auteur. L’intervenante a
l’impression que si l’auteur ne considère pas que l’acte
était sexuel, ce n’est pas problématique. En outre, la
définition de l’acte sexuel laisse à désirer. Certains
éléments ne vont pas ensemble et la victime n’est pas
prise en considération.
Mme Debehault ajoute que Fem&Law enverra une
note écrite dans laquelle elle répondra en détail à propos
du traitement des plaintes, des preuves que peuvent
apporter les victimes, des obstacles juridiques à une
condamnation et des contradictions avec les textes
internationaux.
M. Koen Dewulf revient sur la remarque de
Mme Rohonyi qui craint l’apparition d’une nouvelle
forme d’hypocrisie à l’égard des ressortssants de pays
tiers sans papiers lors de la suppression des zones
de tolérance locales pour les travailleurs du sexe en
situation irrégulière. M. Dewulf déclare que lors de la
suppression de ces zones de tolérance, il deviendra
beaucoup plus évident de savoir qui est un travailleur
du sexe réglementé et qui ne l’est pas, ce qui poussera
encore plus les travailleurs du sexe sans droit de séjour
dans la clandestinité. Myria n’a pas d’expertise propre
sur le fonctionnement du marché des travailleurs du
sexe, mais cette hypothèse est plausible. Une autre
conséquence possible serait que l’augmentation du
nombre de travailleurs du sexe réglementés engendre
une saturation du marché et fasse régresser la traite
des êtres humains. L’orateur rappelle explicitement que
Myria n’ose pas formuler cette hypothèse lui-même, étant
donné qu’il ne dispose pas de l’expertise nécessaire,
2141/006
DOC 55
302
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
illegaal verblijf beter zichtbaar zijn en dat mensenhandel
makkelijker kan worden gedetecteerd.
De heer Dewulf geeft, ook al is het gelet op de huidige
pandemie niet evident om vergelijkingen te maken, de
volgende cijfers mee: in 2020 was er een hoog aantal
(235) initiële processen-verbaal bij de parketten, een hoge
seponeringsgraad en met 36 eenheden een zeer laag
aantal slachtoffers bij de drie zorgcentra. De regionale
spreiding is zeer verscheiden, met een continue stijging
in de gerechtelijke ressorten van Brussel en Antwerpen,
een continue daling in het gerechtelijk ressort Gent, en
een blijvend laag cijfer in de gerechtelijke ressorten van
Bergen en Luik.
De heer Stef Janssens verduidelijkt dat elke procu
reur zelf de invulling geeft naargelang van de beperkte
middelen die hij te zijner beschikking heeft. Wanneer
de middelen schaarser worden, worden de keuzes
scherper. Wanneer een referentiemagistraat tien ver
schillende fenomenen moet opvolgen, kan men stellen
dat hij eigenlijk geen echte referentiemagistraat meer is.
Dit leidt onvermijdelijk tot een vermindering en zelfs tot
een afbouw van bestaande specialisaties op bepaalde
domeinen, met demotivering van de speurders tot gevolg.
In het gerechtelijk arrondissement Hasselt heeft men
gekozen voor andere prioriteiten, met name voor drugs
gerelateerde criminaliteit en rondtrekkende daderbendes,
wat gevolgen heeft voor de beschikbare aandacht voor
dossiers inzake mensenhandel. In het verleden waren er
in de provincie Limburg zeer veel dossiers mensenhandel
omdat het nu eenmaal om de grensregio met Duitsland
en Nederland gaat en waarbij de criminele organisaties
steeds de zwakken plekken in het systeem zoeken tussen
de verschillende landen. Omdat er momenteel evenwel
geen echte referentiemagistraat voor mensenhandel
is, worden deze dossiers niet prioritair behandeld. Het
fenomeen mensenhandel op zich is daarmee echter niet
verdwenen. Ook ten aanzien van het arbeidsauditoraat
in dit arrondissement geldt hetzelfde probleem.
De spreker schetst de situatie in de gerechtelijke
arrondissementen van Brussel en Gent. In het arron
dissement Gent was een zeer gedreven magistraat
actief rond mensenhandel. Door haar vertrek naar
het federale parket en de samensmelting tot één cel
groot banditisme hebben de magistraten er te horen
gekregen dat ze jaarlijks slechts maximaal een tweetal
dossiers in verband met mensenhandel meer moch
ten behandelen. In Brussel werd de prioriteit gegeven
aan het onderzoek naar de terreuraanslagen en de
mais il peut affirmer que l’existence de zones de tolé
rance locales rend les travailleurs du sexe en séjour
illégal plus visibles et la traite des êtres humains plus
facile à détecter.
M. Dewulf avance les chiffres suivants, même s’il n’est
pas facile d’établir des comparaisons, compte tenu de la
pandémie actuelle: en 2020, il y a eu un nombre élevé
(235) de procès-verbaux initiaux transmis au parquet, un
taux élevé de classements sans suite et un nombre très
peu élevé de victimes (36 unités) dans les trois centres
de prise en charge. La répartition varie fortement d’une
région à l’autre, avec une augmentation continue dans
les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d’Anvers,
une diminution continue dans l’arrondissement judiciaire
de Gand, et des chiffres durablement bas dans les
arrondissements judiciaires de Mons et de Liège.
M. Stef Janssens précise que chaque procureur donne
sa propre interprétation en fonction des moyens limités
dont il dispose. Lorsque les moyens deviennent plus
rares, les possibilités de choix se réduisent. Lorsqu’un
magistrat de référence doit suivre dix phénomènes
différents, on ne peut plus dire qu’il est réellement un
magistrat de référence. Cela conduit inévitablement à
une diminution, voire un démantèlement des spéciali
sations existantes dans certains domaines, avec une
démotivation des enquêteurs à la clé.
Dans l’arrondissement judiciaire de Hasselt, on a opté
pour d’autres priorités, à savoir la criminalité liée à la
drogue et les bandes criminelles itinérantes, ce qui n’est
pas sans conséquence sur l’attention disponible pour les
dossiers liés à la traite des êtres humains. Dans le passé,
beaucoup de dossiers liés à la traite des êtres humains
ont été ouverts dans la province du Limbourg, vu que
celle-ci est une région frontalière avec l’Allemagne et les
Pays-Bas et que les organisations criminelles cherchent
toujours les points faibles du système entre les différents
pays. Comme actuellement, elle ne dispose pas d’un
véritable magistrat de référence pour la traite des êtres
humains, ces dossiers ne sont pas prioritaires. Mais en
soi, le phénomène de la traite des êtres humains n’a pas
disparu. Dans cet arrondissement, l’auditorat du travail
connaît le même problème.
L’orateur expose la situation dans les arrondissements
judiciaires de Bruxelles et de Gand. Dans l’arrondisse
ment de Gand, un magistrat très motivé était actif dans
le domaine de la traite des êtres humains. À la suite
de son départ pour le parquet fédéral et de la fusion
avec la cellule grand banditisme, les magistrats ont
été informés qu’annuellement, ils ne pourraient plus
traiter que maximum deux dossiers liés à la traite des
êtres humains. À Bruxelles, la priorité a été donnée à
l’enquête sur les attentats terroristes et les spécialistes
303
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
specialisten rond valse documenten die men daarvoor
nodig had, waren werkzaam op de zaken rond men
senhandel. Daarnaast hebben wij vernomen dat bij de
Brusselse federale gerechtelijke politie mensenhandel
ook geen echte prioriteit meer zou zijn wat een impact
heeft op de Afrikacel die gespecialiseerd is in de sterk
uitgewerkte internationale Nigeriaanse netwerken rond
mensenhandel. Dit alles leidt tot demotivatie, waardoor
de medewerkers met expertise zelf vragende partij zijn
om te worden overgeplaatst.
De heer Janssens pleit ervoor om in het kader van
een parlementaire werkgroep mensenhandel bevoegde
procureurs, eerstelijnsdiensten en politiediensten uit te
nodigen om over hun activiteiten en problemen op het
terrein te getuigen. Een dergelijk initiatief alleen al zou
ertoe kunnen leiden dat magistraten hun prioriteiten
gaan herzien.
De spreker gaat ook kort in op het bestaan van de
lokale gedoogzones voor illegale prostitutie, waarbij
hij benadrukt dat zeer ervaren politiemensen met veel
expertise op het terrein actief zijn en erin slagen om
het vertrouwen van slachtoffers van mensenhandel te
winnen. Dit heeft geleid tot de opstart van belangrijke
dossiers mensenhandel met veroordelingen. Een zekere
gedoogaanpak die garandeert dat de politiemensen
blijvend controle kunnen uitvoeren op de indicatoren
van mensenhandel en problemen kunnen detecteren
omdat de sekswerkers zonder verblijfsdocumenten dan
gemakkelijker zichtbaar bovengronds kunnen blijven
werken. Het is daarbij een illusie te denken dat het
reguleren van legale prostitutie een einde zal maken
aan de illegale prostitutie. Het ondergronds duwen van
sekswerkers zonder verblijfsdocumenten zal volgens
hem de mensen die hier illegaal verblijven juist meer
in kwetsbare posities dwingen die dan moeilijker te
controleren zijn. De heer Janssens pleit er dan ook
voor om het mogelijk te maken dat deze sekswerkers
zonder verblijfsdocumenten toch bovengronds kunnen
blijven werken.
Mevrouw Patricia Le Cocq wijst erop dat het Instituut
voor gerechtelijke opleiding regelmatig opleidingen voor
magistraten organiseert onder leiding van het door de
procureur-generaal van Luik geleide expertisenetwerk
inzake mensenhandel. Die opleidingen worden gevolgd
door de gerechtelijke stagiairs en de referentiemagis
traten. Helaas worden die opleidingen niet jaarlijks
georganiseerd. Bovendien benadrukt de spreekster het
sterke verloop bij de magistraten.
Wat de sensibilisering van de feitenrechters betreft,
wijst de spreekster erop dat de magistraten niet altijd
erg vertrouwd zijn met het misdrijf van mensenhandel,
waardoor soms de vrijspraak wordt uitgesproken.
des faux documents nécessaires à cette fin sont ceux qui
travaillaient sur les dossiers de traite des êtres humains.
Par ailleurs, nous avons appris que la police judiciaire
fédérale de Bruxelles ne considère plus la traite des
êtres humains comme une véritable priorité, ce qui a
un impact sur la cellule Afrique, spécialisée dans les
réseaux nigérians, à large portée internationale, de traite
des êtres humains. Tout cela engendre une démotivation,
de sorte que les collaborateurs spécialisés demandent
eux-mêmes leur mutation.
M. Janssens souhaiterait vivement que dans le cadre
d’un groupe de travail parlementaire sur la traite des
êtres humains, les procureurs compétents, les services
de première ligne et les services de police soient invités
à venir parler de leurs activités et des problèmes ren
contrés sur le terrain. Une telle initiative pourrait déjà
amener les magistrats à revoir leurs priorités.
L’orateur évoque également brièvement l’existence
des zones de tolérance locales pour la prostitution illé
gale, en soulignant que des policiers disposant d’une
grande expérience et d’une grande expertise sont actifs
sur le terrain et réussissent à gagner la confiance des
victimes de traite des êtres humains. Cela a donné
lieu au démarrage d’importants dossiers de traite des
êtres humains avec des condamnations à la clé. Une
approche qui admet une tolérance garantit aux policiers
qu’ils pourront en permanence contrôler les indicateurs
de la traite des êtres humains et détecter les problèmes.
Il est illusoire de penser que la régulation de la prostitu
tion légale mettra fin à la prostitution illégale. Selon lui,
le fait de pousser à la clandestinité des travailleurs du
sexe sans documents de séjour mettra encore plus les
personnes en séjour illégal dans des situations vulné
rables, plus difficiles à contrôler. M. Janssens plaide dès
lors pour qu’on laisse à ces travailleurs du sexe sans
titres de séjour la possibilité de continuer à travailler de
manière visible.
Mme Patricia Le Cocq indique que l’Institut de for
mation judiciaire organise régulièrement des formations
pour les magistrats, sous la houlette du réseau d’exper
tise relatif à la traite des êtres humains qui est dans les
mains du procureur général de Liège. Les stagiaires
judiciaires et les magistrats de référence prennent part
à ces formations. Malheureusement, ces formations ne
sont pas organisées chaque année. En outre, l’interve
nante souligne l’importante rotation chez les magistrats.
En ce qui concerne la sensibilisation des juges de
fond, elle indique que les magistrats ne connaissent
pas toujours très bien l’infraction liée à la traite des êtres
humains, ce qui donne parfois lieu à des acquittements.
2141/006
DOC 55
304
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat vervolgingen voor verzwaard misbruik van pros
titutie en mensenhandel betreft, is de spreekster het
ermee eens dat voorrang moet worden gegeven aan
vervolgingen op grond van mensenhandel. Het blijft
echter de vraag hoe de vervolging van het nieuwe mis
drijf verzwaard misbruik van prostitutie in de praktijk zal
moeten worden geïmplementeerd.
Mevrouw Heidi De Pauw verduidelijkt een en ander
met betrekking tot de notice and take down-procedure.
Sinds 2017 voert Child Focus analyses uit. Wanneer een
beeld van seksueel misbruik van een kind wordt gemeld,
volgen de analisten van Child Focus een heel complexe
procedure. Alle beelden die aan Child Focus worden
bezorgd, worden geverifieerd op basis van de databank
van Interpol. Child Focus moet de beelden verwerken die
nog niet bij Interpol gekend zijn. De Stichting onderzoekt
vooreerst of de beelden wel degelijk in overeenstemming
zijn met de Belgische wetgeving. Vervolgens analyseert
ze het gebruikte internethostingbedrijf. Al die beelden
worden aan de federale politie bezorgd, waar voorrang
wordt gegeven aan de beelden die een band hebben met
België in het algemeen of die in België worden gehost.
Die werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het
bestek van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter be
strijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting
van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging
van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad, die duidelijk
bepaalt dat die beelden onmiddellijk moeten worden
weggehaald of ontoegankelijk gemaakt. De spreekster
voegt eraan toe dat ook het openbaar ministerie al die
beelden ontvangt. Het is dan weer de taak van de fe
derale politie contact op te nemen met de operatoren
en de aanbieders van diensten. Child Focus controleert
vervolgens of de beelden nog altijd toegankelijk zijn.
De Stichting stelt in dat verband vast dat de procedure
vanwege een capaciteitstekort vaak te langzaam is. De
personen belast met de dossiers van mensenhandel
leggen zich tevens toe op de dossiers met betrekking
tot seksueel misbruik van kinderen. Zij moeten in de
eerste plaats de daders opsporen en de slachtoffers
identificeren; pas in derde instantie worden de beelden
gewist. De spreekster verduidelijkt dat de beelden niet
mogen worden gewist zolang een onderzoek loopt. Het
is daarentegen wel belangrijk dat ze ontoegankelijk
worden gemaakt.
Wat deepfake betreft, is mevrouw De Pauw er zich
terdege van bewust dat dergelijke praktijken op de
ene of de andere manier moeten worden vervolgd.
De spreekster benadrukt dat veel tijd en energie werd
gestoken in een nieuw Strafwetboek en ze benadrukt
hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat die aspecten
binnen vijf jaar niet achterhaald zijn vanwege de uiterst
S’agissant des poursuites en matière d’abus aggravés
de prostitution et de traite d’êtres humains, l’intervenante
est d’accord sur le fait qu’il faut privilégier les poursuites
sur la base de la traite d’êtres humains. Reste à savoir
comment implémenter la nouvelle infraction d’abus
aggravé de prostitution dans la pratique.
Mme Heidi De Pauw apporte quelques précisions à
propos de la procédure de notification et de retrait (notice
and take down). Depuis 2017, Child Focus mène des
analyses. En cas de signalement d’une image d’abus
sexuel d’un enfant, les analystes de Child Focus suivent
une procédure très complexe. Toutes les images qui sont
communiquées à Child Focus sont vérifiées à partir de
la base de données d’Interpol. Child Focus doit traiter
les images qui ne sont pas encore connues d’Interpol.
Pour commencer, la Fondation examine si les images
respectent bel et bien la législation belge. Ensuite, elle
analyse l’hébergeur internet utilisé. Toutes ces images
sont transmises à la police fédérale, qui accorde la prio
rité à celles ayant un lien avec la Belgique en général
ou qui sont hébergées en Belgique.
Ce travail est mené dans le cadre de la direc
tive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil
du 13 décembre 2011 relative à la lutte contre les abus
sexuels et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi
que la pédopornographie et remplaçant la décision-
cadre 2004/68/JAI du Conseil, qui stipule clairement
que ces images doivent immédiatement être supprimées
ou rendues inaccessibles. L’intervenante ajoute que le
ministère public reçoit également toutes ces images.
Pour sa part, la police fédérale doit contacter les opéra
teurs et les fournisseurs de service. Child Focus vérifie
ensuite si les images sont toujours accessibles. La
Fondation constate à ce propos que la procédure est
souvent trop lente, en raison d’un manque de capacité.
Les personnes chargées des dossiers liés à la traite
d’êtres humains s’occupent également de ceux liés aux
abus sexuels d’enfants. Leur priorité est de détecter
les auteurs et d’identifier les victimes; la suppression
des images ne vient qu’en troisième lieu. Elle précise
que les images ne doivent pas être supprimées si une
enquête est en cours. En revanche, il est important de
les rendre inaccessibles.
S’agissant du deepfake, Mme De Pauw est bien
consciente que ces pratiques doivent être poursuivies
d’une façon ou d’une autre. L’intervenante a souligné le
temps et l’énergie consacrés à l’élaboration d’un nou
veau Code pénal et souhaite insister sur l’importance
de s’assurer que ces éléments ne seront pas obsolètes
d’ici à cinq ans, en raison de l’évolution technologique
305
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
snelle technologische evolutie. Het is belangrijk dat de
nieuwe wetten de tand des tijds doorstaan. In verband
met de zogenaamde sex dolls is de spreekster van
oordeel dat zou moeten worden nagegaan of iemand
die een dergelijke onderneming opricht, strafrechtelijk
kan worden vervolgd op grond van de huidige regeling.
Mevrouw Héloïse du Roy verwijst naar haar eerdere
verklaringen en verduidelijkt dat die hoofdzakelijk betrek
king hadden op consensuele sexting. Het gaat in dat
geval om sexting binnen een vertrouwensrelatie en die
minderjarigen de mogelijkheid biedt hun seksualiteit te
verkennen. Sexting wordt echter problematisch wanneer
die vertrouwensband wordt verbroken. Child Focus is
overigens van oordeel dat niet-consensuele sexting
als een misdrijf moet worden beschouwd, ongeacht de
leeftijd van de minderjarige.
Een belangrijk deel van het werk van Child Focus
bestaat erin jongeren ervan bewust te maken dat sexting
problematisch is indien de vertrouwensband verbroken
is. Met haar verklaringen wou de spreekster de wetgever
erop wijzen hoe belangrijk het is dat de logica van de de
criminalisering van consensuele sexting wordt afgestemd
op de bepaling inzake de seksuele meerderjarigheid.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) werpt op dat sexting in
het begin doorgaans consensueel is; zo gaat het althans
in negen op de tien gevallen. Op lange termijn is sexting
echter soms niet langer consensueel.
Mevrouw Heidi De Pauw wijst mevrouw Matz erop dat
Child Focus heel wat problematische sexting-dossiers
behandelt. Volgens haar klopt het door mevrouw Matz
meegedeelde cijfer niet. De opvoeders maken veel werk
van de bewustmaking van jongeren.
De spreekster benadrukt dat consensuele sexting
moet worden afgestemd op de seksuele meerderjarig
heid. Het zou onlogisch zijn 14-jarige minderjarigen toe
te staan seksuele betrekkingen te hebben, maar hen
te verbieden om met onderlinge toestemming foto’s
uit te wisselen. Algemeen benadrukt Child Focus het
belang van sensibilisering en preventie met betrekking
tot sexting. Het zijn overigens niet alleen minderjarigen
die worden geconfronteerd met de problemen die voort
vloeien uit sexting.
Mevrouw Héloïse du Roy wijst erop dat Child Focus
voorstander is van het voorstel voor een algemene
bepaling die stelt dat bij prostitutie geen sprake kan
zijn van toestemming bij min 18-jarigen. Ze voegt eraan
toe dat de daders vaak schermen met het argument
dat ze niet wisten dat het meisje minderjarig was. Door
très rapide. Il est important de vérifier la pérennité des
nouvelles lois. Quant aux poupées sexuelles (sex dolls),
l’intervenante estime qu’il faudrait voir si le système
actuel permet de donner des suites pénales lorsqu’une
personne lance une entreprise de ce type.
Mme Héloïse du Roy revient sur ses propos et précise
qu’ils visaient essentiellement le sexting consensuel.
Une forme de sexting qui se déroule dans le cadre
d’une relation de confiance et qui permet aux mineurs
d’explorer leur sexualité. Le sexting devient toutefois
problématique lorsque le lien de confiance est rompu.
Child Focus estime d’ailleurs que le sexting doit être
criminalisé dès qu’il n’est plus consensuel, et ce, peu
importe l’âge du mineur.
Une part importante du travail mené par Child Focus
consiste à sensibiliser les jeunes au fait que le sexting
est problématique lorsque le lien de confiance est rompu.
Ses propos visaient à attirer l’attention du législateur
sur l’importance d’aligner la logique de la décriminali
sation du sexting consensuel à la disposition relative à
la majorité sexuelle.
Mme Vanessa Matz (cdH) rétorque que le sexting est
généralement consensuel lorsqu’il débute. Dans 9 cas
sur 10, c’est ainsi que cela se passe. Toutefois, le sexting
n’est parfois plus consensuel sur le long terme.
Mme Heidi De Pauw indique à Mme Matz que Child
Focus traite de nombreux dossiers de sexting problé
matiques. Elle ne pense pas que le chiffre indiqué par
la députée soit correct. Les éducateurs mènent un
important travail de sensibilisation auprès des jeunes.
L’oratrice insiste sur la nécessité d’aligner le sexting
consensuel à la majorité sexuelle. Il serait illogique
d’autoriser les mineurs de 14 ans à avoir des rapports
sexuels, mais de leur interdire d’échanger des photos
de façon consensuelle. De manière générale, Child
Focus insiste sur l’importance de la sensibilisation et la
prévention par rapport au sexting. Les mineurs ne sont
d’ailleurs pas les seuls concernés par les problèmes
issus du sexting.
Mme Héloïse du Roy indique que Child Focus sou
tient la proposition d’introduire une disposition générale
précisant, qu’en matière de prostitution, il n’y a pas de
consentement pour les moins de 18 ans. Elle ajoute que
les auteurs se retranchent souvent derrière le fait qu’ils
ignoraient que la jeune fille était mineure. Insérer une
2141/006
DOC 55
306
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een dergelijke bepaling in te voegen zou elke verwar
ring kunnen worden voorkomen en zou ter zake meer
helderheid kunnen worden geschapen.
Mevrouw Lucia Dreser beantwoordt de vraag van
mevrouw Bury over de aanpak in Zweden. In 2018 werd
in dat land de wettelijke invulling van het begrip verkrach
ting uitgebreid. Strafbaar is iemand die “gemeenschap
heeft met iemand die niet uitdrukkelijk heeft aangegeven
met die handeling in te stemmen”. Daarnaast werden de
begrippen “nalatige verkrachting” en “nalatig seksueel
misbruik” ingevoerd. Deze kwalificaties zorgen ervoor
dat grensoverschrijdend gedrag kan worden bestraft
zonder dat er een begin van intentie was om te verkrach
ten. Hierdoor is het aantal aangiftes van verkrachting
in Zweden gestegen. De spreekster verwijst voor het
overige naar de aan de commissie overgezonden nota.
In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi be
treffende het verlenen van toestemming verduidelijkt de
gastspreekster dat het ontworpen artikel 417/5, derde lid,
van het Strafwetboek een limitatief aantal situaties defi
nieert waarin geen toestemming kan worden gegeven.
Dat is nu bijvoorbeeld al het geval voor alcoholische
intoxicatie. In de rechtspraak wordt aanvaard dat wie
onder invloed van alcohol is geen toestemming kan
geven. De HRJ stelt voor om de limitatieve opsomming
op te heffen omdat andere situaties zich altijd kunnen
voordoen. De spreekster verwijst ook naar analoge
rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking
tot de aanranding van de eerbaarheid en verkrachting,
die stelt dat geweld of bedreiging als niet-limitatief moet
worden begrepen.
Betreffende de vraag van de heer Boukili over de
bewijsproblematiek geeft mevrouw Hilde Melotte een
antwoord waarbij ze put uit haar ervaring als advocate
in zaken met seksueel geweld. Ze stelt vast dat dossiers
vaak vastlopen. Dat komt omdat in de initiële processen-
verbaal nogal korte verklaringen worden afgelegd en er
pas later een vollediger proces-verbaal wordt opgesteld,
wat soms leidt tot inconsequenties die in de rechtbank
worden aangegrepen om de geloofwaardigheid van het
slachtoffer onderuit te halen.
Mevrouw Melotte vestigt daarom de aandacht op het
belang van de zorgcentra seksueel geweld en pleit voor de
uitrol ervan over heel België. In deze zorgcentra kunnen
de verbalisanten specifieke vragen stellen en kunnen bij
de slachtoffers vaststellingen worden gemaakt. Daarnaast
is er ook nood aan een attitudewijziging bij politiemensen
om niet enkel bij het slachtoffer te informeren naar het
al dan niet hebben verleend van de toestemming, maar
ook om aan de daders te vragen waaruit ze hebben ge
meend deze toestemming te kunnen opmaken. Een derde
aanbeveling van mevrouw Melotte betreft de nood aan
telle disposition permettrait de supprimer toute équivoque
et d’apporter plus de clarté sur ce point.
Mme Lucia Dreser répond à la question de Mme Bury
concernant l’approche pratiquée en Suède. En 2018,
l’interprétation légale de la notion de “viol” a été élar
gie. Est punissable toute personne qui “a des rapports
sexuels avec une personne qui n’a pas expressément
déclaré consentir à cet acte”. En outre, les notions de
“viol par négligence” et d’“abus sexuel par négligence”
ont été introduites. Ces qualifications permettent de
sanctionner un comportement transgressif sans qu’il
y ait un début d’intention de violer. Par conséquent, le
nombre de déclarations de viol a augmenté en Suède.
Pour le reste, l’oratrice renvoie à la note transmise à la
commission.
En réponse à la question de Mme Rohonyi concer
nant l’octroi du consentement, l’invitée précise que
l’article 417/5, § 3, en projet, du Code pénal définit un
nombre limitatif de situations dans lesquelles aucun
consentement ne peut être donné. C’est déjà le cas par
exemple pour l’intoxication alcoolique. La jurisprudence
admet que les personnes qui se trouvent sous l’emprise
de l’alcool ne peuvent pas donner leur consentement. Le
CSJ propose de supprimer l’énumération limitative, car
d’autres situations peuvent toujours se produire. L’oratrice
se réfère également à la jurisprudence analogue de la
Cour de cassation en matière d’attentat à la pudeur et
de viol, qui précise que la violence ou la menace doit
être interprétée comme non limitative.
À la question de M. Boukili sur la problématique de
la preuve, Mme Hilde Melotte répond en s’appuyant sur
son expérience d’avocate dans des affaires de violences
sexuelles. Elle constate que les dossiers sont souvent
bloqués. Cela vient du fait que les procès-verbaux
initiaux contiennent des déclarations plutôt brèves et
qu’un procès-verbal plus complet n’est établi que par
la suite, ce qui entraîne parfois des incohérences qui
sont utilisées au tribunal pour décrédibiliser la victime.
Mme Melotte attire donc l’attention sur l’importance
des centres de prise en charge des violences sexuelles
et plaide pour leur déploiement dans toute la Belgique.
Dans ces centres de prise en charge, les verbalisants
peuvent poser des questions spécifiques et des consta
tations peuvent être effectuées auprès des victimes. Il est
nécessaire aussi que les policiers changent d’attitude et
ne se contentent plus de demander à la victime si elle
a donné son consentement ou non, mais demandent
également aux auteurs ce qui les a fait penser qu’ils
avaient ce consentement. Une troisième recommandation
307
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
deskundigheid bij magistraten en politiemensen omdat
door de juiste deskundige aanpak veel gegevens kunnen
worden verzameld. Omdat ze zo diepe en vergaande
gevolgen kunnen hebben die slachtoffers raken in hun
mens-zijn, heeft de HRJ er steeds voor gepleit deze
misdrijven prioritair te behandelen.
De heer Hans Cools van de Vlaamse Jeugdraad wenst
kort te reageren op de opmerking van mevrouw Matz
betreffende sexting bij jongeren. Hij sluit zich aan bij de
houding van Child Focus en benadrukt dat de online- en
offline-leefwereld van jongeren erg met elkaar verweven
zijn. Sexting met onderlinge toestemming onder 16 jaar
is leeftijdsadequaat gedrag dat behoort tot de leefwereld
van jongeren. Net om het bespreekbaar te maken en
ervoor te zorgen dat jongeren zelf naar de hulpverlening
en vertrouwenspersonen stappen wanneer het uit de
hand loopt, moet het volgens hem ook uit de criminaliteit
worden gehaald.
In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi ver
klaart de heer Cools dat de Vlaamse Jeugdraad tele
fonisch heeft afgestemd met zijn Franstalige collega’s.
Hij verwijst voorts naar de uiteenzetting ter zake van
de voorzitster.
de Mme Melotte concerne le besoin d’expertise chez
les magistrats et les policiers, car une approche basée
sur une bonne expertise permet de collecter beaucoup
d’informations. Étant donné que ces infractions peuvent
avoir des conséquences si lourdes et importantes qu’elles
affectent les victimes dans leur humanité, le CSJ a
toujours plaidé pour qu’elles soient traitées en priorité.
M. Hans Cools du Conseil flamand de la jeunesse
souhaite réagir brièvement à la remarque de Mme Matz
sur le sexting chez les jeunes. Il soutient la position de
Child Focus et souligne que les mondes en ligne et hors
ligne des jeunes sont très étroitement liés. Le sexting
avec consentement mutuel avant l’âge de 16 ans est
un comportement approprié à l’âge, qui relève du mode
de vie des jeunes. C’est précisément pour que le sujet
puisse être discuté et pour que les jeunes eux-mêmes
se tournent vers des conseillers et des personnes de
confiance lorsque la situation dégénère qu’il estime qu’il
faudrait également dépénaliser cette pratique.
En réponse à la question de Mme Rohonyi, M. Cools
déclare que le Conseil flamand de la jeunesse s’est
entendu par téléphone avec ses collègues francophones.
Il renvoie ensuite à l’intervention de la présidente sur
cette question.
2141/006
DOC 55
308
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
F. Hoorzitting van 27 oktober 2021 met de heer
lgnacio de la Serna, voorzitter van het College
van procureurs-generaal, mevrouw Nadia Laouar,
substituut-procureur-generaal te Luik, mevrouw
Isabelle Algoet, advocaat-generaal te Bergen, en
de heer Maarten Sobrie, substituut-procureur-
generaal te Antwerpen, vertegenwoordigers van
het College van procureurs-generaal; mevrouw
Jessica Bourlet, rechter-ondervoorzitter van de
rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling
Mechelen, vertegenwoordigster van het College van
de hoven en rechtbanken; de heer Dimitri de Beco
en mevrouw Delphine Paci, vertegenwoordigers
van AVOCATS.BE
Slotbeschouwingen van de heer Damien
Vandermeersch en mevrouw Joëlle Rozie, leden van
de Commissie voor de hervorming van het strafrecht
1. Procedure
De heer Philippe Pivin, voorzitter a.i. van de commis
sie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van
het Kamerreglement:
“Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij
het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze:
1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge
weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende
wetgeving, en
2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting
en in voorkomend geval door welke instantie.”.
De voorzitter a.i. verzoekt de sprekers deze vragen
te beantwoorden.
De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens
ontkennend op de vragen.
2. Uiteenzetttingen
a. Uiteenzettingen van de heer Ignacio de la Serna,
voorzitter van het College van procureurs-generaal, van
mevrouw Nadia Laouar, substituut-procureur-generaal te
Luik, van mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal
te Bergen, en van de heer Maarten Sobrie, substituut-
procureur-generaal te Antwerpen, vertegenwoordigers
van het College van procureurs-generaal
De heer Ignacio de la Serna, voorzitter van het College
van procureurs-generaal, geeft aan dat de vertegenwoor
digers van het College hoofdzakelijk zullen ingaan op
de mensenhandel en op de afschaffing van het misdrijf
van pooierschap, dat een groot probleem is.
F. Au d i t i o n d u 2 7 o c t o b r e 2 0 2 1 d e
M. Ignacio de la Serna, président, Mme Nadia Laouar,
substitut du procureur général à Liège, Mme Isabelle
Algoet, avocat général à Mons et M. Maarten
Sobrie, substitut du procureur général à Anvers,
représentants du Collège des procureurs généraux;
Mme Jessica Bourlet, juge et vice-présidente du
tribunal de première instance d’Anvers, section
Malines, représentante du Collège des cours et
tribunaux; M. Dimitri de Beco et Mme Delphine Paci,
représentants d’AVOCATS.BE
Considérations finales de M. Damien Vandermeersch
et Mme Joëlle Rozie, membres de la Commission de
réforme du droit pénal
1. Procédure
M. Philippe Pivin, président a.i. de la commission
de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du
Règlement de la Chambre:
“En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs
de préciser explicitement au début de l’audition:
1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre
que ce soit à des initiatives relatives à la législation à
l’examen, et
2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi
tion, et le cas échéant, par quelle instance.”.
Le président a.i. invite les orateurs à répondre à ces
questions.
Les orateurs y répondent successivement par la
négative.
2. Exposés
a. Exposés de M. Ignacio de la Serna, président,
Mme Nadia Laouar, substitut du procureur général à
Liège, Mme Isabelle Algoet, avocat général à Mons,
et M. Maarten Sobrie, substitut du procureur général
à Anvers, représentants du Collège des procureurs
généraux
M. Ignacio de la Serna, président du Collège des
procureurs généraux, indique que les représentants du
Collège aborderont essentiellement la traite des êtres
humains et la suppression de l’infraction de proxéné
tisme, qui constitue un grand problème.
309
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te
Bergen, stelt dat het gedeelte met betrekking tot het
pooierschap in het algemeen, alsook de wisselwerking
ervan met de misdrijven inzake misdrijven, niet met de
nodige aandacht en zin voor nuance benaderd werd.
In het hele wetsontwerp zijn hieraan immers slechts
negen bladzijden gewijd. Nochtans gaat het om een
bijzonder ingewikkelde situatie die genuanceerd moet
worden benaderd en die onvermoede domino-effecten
met zich brengt. Het College is van oordeel dat het wets
ontwerp dit vraagstuk onvoldoende uitdiept. Bovendien
kloppen enkele algemene uitgangspunten niet: zo wordt
gesteld dat het pooierschapsmisdrijf niet langer be
staansreden heeft omdat het misdrijf van mensenhandel
met het oog op seksuele uitbuiting voorhanden is. In de
praktijk speelt het begrip “pooierschap” evenwel een
uitermate belangrijke rol bij onderzoeken.
Een ander uitgangspunt van de indieners is dat de
vergelijking met andere landen moet worden gemaakt.
Nochtans worden zo appels met peren vergeleken; de
rechtstoestand verschilt sterk van land tot land.
Ten derde: in de omschrijving van de nieuwe pooi
erschapsmisdrijven worden begrippen als pooierschap
en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting
voortdurend door elkaar gehaald. Dat is een kwalijke zaak.
Tot slot is het zonder meer een groot probleem dat
nergens wordt verwezen naar de internationale verbin
tenissen die België in acht moet nemen. De memorie
van toelichting rept er met geen woord van dat België
in 1965 is toegetreden tot het Verdrag van New York, dat
een abolitionistische strekking heeft. Het is een dwaling
te stellen dat prostitutie uit het strafrecht moet worden
gehaald omdat zulks niet eens als misdrijf wordt gekwa
lificeerd. De idee van het abolitionistische oogmerk is
dat men moet afzien van maatregelen die een hang naar
prostitutie in de hand kunnen werken. Er moet worden
ingezet op preventie en reconversie. Het Verdrag van
New York belet ons eender welke vorm van pooierschap
te legaliseren. Het argument dat gemeentebesturen ver
ordeningen met betrekking tot straat- en raamprostitutie
uitvaardigen, hoort thuis in een ander debat.
De vergelijking met Nieuw-Zeeland houdt geen steek
aangezien dat land niet tot het Verdrag van New York
toegetreden is.
Bovendien wordt er in de memorie van toelichting niet
aan herinnerd dat ons land van 1836 tot 1948 regulerend
heeft opgetreden met betrekking tot de prostitutiehui
zen. Daar is verandering in gekomen naar aanleiding
van twee parlementaire onderzoekscommissies, op
Mme Isabelle Algoet, avocat général à Mons, indique
que le volet proxénétisme en général, et son interaction
avec les infractions relatives à la traite, n’a pas bénéficié
de toute l’attention et la nuance méritée.
En effet, seules neuf pages abordent ces aspects
dans le projet de loi. On vise pourtant une situation
extrêmement complexe, qui doit être nuancée, et qui a
des effets domino en cascade qu’on ne soupçonne pas.
Pour le Collège, le projet de loi n’est pas suffisamment
approfondi sur la question. En outre, quelques principes
généraux de base sont erronés: par exemple, le fait de
dire que l’infraction de proxénétisme perd sa raison
d’être étant donné qu’on dispose de l’infraction de traite
sexuelle. En pratique pourtant, la notion de proxénétisme
est très importante dans le cadre des enquêtes.
Un autre postulat de principe des auteurs est de faire
des comparaisons avec d’autres pays. Cependant, cela
revient à comparer des pommes et des poires. Les
situations juridiques sont très différentes.
Troisième élément: dans le libellé des nouvelles
infractions relatives au proxénétisme, il y a une grande
confusion des genres entre le proxénétisme et la traite
sexuelle. C’est préjudiciable.
Enfin, il y a un problème important: l’absence de
mention des obligations internationales auxquelles sont
tenues la Belgique. L’adhésion de la Belgique en 1965 à
la Convention de New York est totalement absente de
l’exposé des motifs. Celle-ci a une visée abolitionniste.
C’est une hérésie de dire qu’il faut décriminaliser la
prostitution, étant donné qu’elle ne constitue même pas
une infraction. L’idée de la visée abolitionniste est qu’il
faut s’abstenir de mesures pouvant susciter les vocations
vers la prostitution. Il faut travailler sur la prévention et la
reconversion. La Convention de New York nous empêche
de légaliser toute forme de proxénétisme. L’argument
consistant à dire que les autorités communales prennent
des règlements concernant la prostitution de rue et les
vitrines, relève d’un autre débat.
La comparaison avec la Nouvelle-Zélande ne tient pas
car celle-ci n’a pas adhéré à la Convention de New York.
En outre, l’exposé des motifs ne rappelle pas que
notre pays a été réglementariste de 1836 à 1948 en
ce qui concerne les maisons de prostitution. Cela a
fini par changer suite à deux commissions d’enquête
parlementaire, au motif notamment qu’en favorisant les
2141/006
DOC 55
310
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
grond van onder meer het feit dat het bevorderen van
prostitutiehuizen een voedingsbodem creëert waarop
mensenhandelnetwerken kunnen gedijen.
Tot slot moet men zich, alvorens alles om te gooien,
terdege afvragen waar de grenzen van een regulerend
systeem liggen. Nederland heeft in 2000 gereguleerd en
botst nu op de grenzen van zijn eigen systeem. Het is
zaak uitermate genuanceerd te werk te gaan. Volgens
een Nederlandse procureur-generaal creëert de invoering
van een statuut een aanzuigeffect voor georganiseerde
misdaadbendes. Op die manier zijn de autoriteiten
de grip op de prostitutiebuurt kwijtgespeeld. Met die
gevaren moet rekening worden gehouden alvorens er
met de grove borstel door te gaan. Nederland denkt er
bijvoorbeeld aan de leeftijd waarop prostitutie mogelijk
is, op te trekken.
De heer Maarten Sobrie, substituut-procureur-generaal
te Antwerpen, benadrukt dat in de gerechtelijke strijd
tegen de mensenhandel de prostitutiemisdrijven nood
zakelijk zijn. Het misdrijf mensenhandel heeft immers
maar twee hoofdbestanddelen, met name de handeling
en het doel, zijnde het uitbuiten van de prostitutie. In
de meeste ons omringende landen zijn er echter drie
hoofdbestanddelen; een middel wordt eraan toegevoegd.
Onder “middel” wordt verstaan de dwang, het geweld
dat wordt gepleegd om de feiten mogelijk te maken. Het
misdrijf mensenhandel blijft afhankelijk van het misdrijf
exploitatie van prostitutie of pooierschap. Het misdrijf
“mensenhandel” naar Belgisch recht omvat dus meer
dan wat op internationaal vlak wordt omschreven. De
magistraten moeten echter opletten dat zij de aard van
het begrip “mensenhandel” niet veranderen. Het moet
worden voorkomen dat situaties die geen mensenhandel
vormen, bij dat misdrijf worden ondergebracht.
Als de wetgever de strafbepaling inzake prostitutie
wijzigt of opheft, bemoeilijkt dit voor het openbaar mi
nisterie en de politie de strijd tegen de mensenhandel,
terwijl deze problematiek toch een nationale prioriteit
van het strafrechtelijk beleid uitmaakt.
Het belang van het behoud van de prostitutiemisdrijven
kan worden aangetoond aan de hand van een aantal
praktijkproblemen.
Zo is er het probleem van bewijsvoering in dossiers
van mensenhandel. Het misbruik dat volgt uit die han
delingen is vaak moeilijk te bewijzen. Slachtoffers blijven
zeer loyaal aan hun pooier en vaak kan uit hun verhoor
alleen niet worden afgeleid dat er elementen zijn van
mensenhandel. Vaak werken slachtoffers ook niet mee,
maisons de prostitution, on forme un terreau qui alimente
les réseaux de traite des êtres humains.
Enfin, avant de vouloir tout révolutionner, il faudrait
se renseigner réellement sur les limites d’un système
réglementariste. Les Pays-Bas notamment ont réglementé
en 2000 et se confrontent eux-mêmes aux limites de
leur système. Il faut être très nuancé. Selon un procu
reur général néerlandais, le fait de créer un statut crée
une espèce d’appel d’air pour des bandes criminelles
organisées. Cela a abouti à une perte de contrôle des
autorités du quartier des prostituées. Il faut prendre en
compte ces dangers avant de tout révolutionner. Les
Pays-Bas envisagent ainsi de rehausser l’âge auquel
la prostitution est possible.
M. Maarten Sobrie, substitut du procureur général
à Anvers, souligne que les infractions liées à la pros
titution jouent un rôle essentiel dans la lutte judiciaire
contre la traite d’êtres humains. L’infraction de traite à
êtres humains ne repose en effet que sur deux éléments
principaux, à savoir l’acte et le but – qui est d’exploiter la
prostitution. Or, la plupart des pays qui nous entourent
ajoutent un troisième élément: le moyen, c’est-à-dire la
contrainte, la violence qui est exercée pour commettre
les faits. L’infraction de traite d’êtres humains reste
tributaire de l’infraction d’exploitation de la prostitution
ou de proxénétisme L’infraction belge de traite des êtres
humains est donc plus large que celle retenue dans les
textes internationaux. Les magistrats doivent cependant
être attentifs à ne pas dénaturer la notion de traite. Il faut
éviter de faire entrer dans cette infraction des situations
qui ne sont pas constitutives de traite.
Si le législateur modifie ou supprime la disposition
pénale relative à la prostitution, il sera plus difficile pour
le ministère public et la police de lutter contre la traite des
êtres humains, alors que cette problématique est tout
de même une priorité de la politique pénale nationale.
L’importance du maintien des infractions liées à la
prostitution peut être démontrée à la lumière de certains
problèmes pratiques.
Par exemple, il y a le problème de l’administration de
la preuve dans les dossiers de traite d’êtres humains.
Les abus qui découlent de ces actes sont souvent diffi
ciles à prouver. Les victimes restent très loyales envers
leurs proxénètes et, souvent, on ne peut pas déduire
de leur seule audition qu’il y a des éléments de traite
311
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
saboteren ze zelfs het onderzoek. Slachtoffers geven vaak
ook niet aan het slachtoffer te zijn van mensenhandel.
Mevrouw Isabelle Algoet voegt hieraan toe dat de
slachtoffers in zaken van mensenhandel heel vaak
loyaal blijven tegenover hun misbruiker. Zij willen zich
niet laten helpen en rechtvaardigen de uitbuiting die zij
ondergaan. Soms stellen zij zich zelfs uitermate agressief
op ten aanzien van de politiediensten. Werken ze wél
mee, dan worden ze door de andere meisjes aanzien
als verraadsters.
De heer Maarten Sobrie wijst nog op een ander pro
bleem, met name dat slachtoffers meer en meer mobiel
zijn en ze veelal niet verhoord kunnen worden omdat
zij weg zijn. Een matig tot slecht verhoor kan leiden tot
een veroordeling, maar geen verhoor tot helemaal geen
veroordeling.
De spreker verwijst vervolgens naar de Vlaamse
serie “Matroesjka’s”, een serie over mensenhandel.
Het gaat over taferelen die zich afspelen in de ja
ren 1980 en 1990 en een beeld geven van een zeer
zichtbare en gewelddadige vorm van mensenhandel. De
laatste tien jaar is alles echter veel subtieler geworden.
Uit de dader-slachtoffer-relatie spruit een win-win situ
atie voort in de zin dat het slachtoffer naar België wordt
gehaald en volgens onze normen wordt uitgebuit, doch
volgens het slachtoffer zelf nog altijd beter af is dan in
het land van herkomst waar werd geleefd in erbarmelijke
omstandigheden.
Voormelde problemen zijn legio in de opbouw van
een dossier mensenhandel. Op gerechtelijk vlak zijn de
prostitutiemisdrijven in de strijd tegen mensenhandel
dan ook erg belangrijk. Ze geven de garantie dat tegen
echt foute toestanden tot een gerechtelijk resultaat kan
worden gekomen, zelfs als de bewijsvoering tekortschiet
voor het misdrijf mensenhandel.
Mevrouw Isabelle Algoet geeft een concreet voorbeeld
van twee grootschalige pooiernetwerken met tientallen
meisjes. Na twee jaar onderzoek, gevoerd op grond
van het pooierschapsmisdrijf, hebben de speurders
voor slechts vier meisjes een vorm van mensenhandel
kunnen bewijzen.
De spreekster geeft het voorbeeld van hoogst ver
ontrustende telefoontaps in een zaak met meisjes in
prostitutiehuizen. In de afgeluisterde gesprekken hebben
twee zaakvoerders het onder elkaar over de verdeling
van de meisjes en verwijzen ze naar die prostituees
met woorden als “face de citron”, “fille immonde” en
d’êtres humains. Les victimes sont souvent peu coopé
ratives, voire sabotent l’enquête. En outre, les victimes
ne signalent souvent pas qu’elles sont victimes de la
traite d’êtres humains.
Mme Isabelle Algoet ajoute que dans les dossiers de
traite, les victimes restent souvent très loyales envers
leurs abuseurs. Elles ne veulent pas se faire aider et
justifient l’exploitation dont elles font l’objet. Elles sont
parfois même très agressives vis-à-vis des services
de police. Si elles collaborent, elles sont considérées
comme des traitresses par les autres filles.
M. Maarten Sobrie ajoute qu’un autre problème est
que les victimes sont de plus en plus mobiles et qu’elles
ne peuvent souvent pas être auditionnées parce qu’elles
sont parties. Une audition de qualité moyenne, voire
mauvaise peut déboucher sur une condamnation, mais
pas d’audition sur aucune condamnation du tout.
L’orateur évoque ensuite la série flamande
“Matroesjka’s”, une série sur la traite des êtres hu
mains. Il s’agit de scènes qui se déroulent dans les an
nées 1980 et 1990 et qui mettent en scène une forme très
visible et violente de traite des êtres humains. Au cours
des dix dernières années, cependant, tout est devenu
beaucoup plus subtil. Une situation gagnant-gagnant
émerge de la relation auteur-victime dans le sens où la
victime est amenée en Belgique et exploitée selon nos
normes mais, aux yeux de la victime, elle est toujours
mieux lotie que dans son pays d’origine où elle vivait
dans des conditions misérables.
Ces problèmes se rencontrent à la pelle lors de la
constitution d’un dossier sur la traite des êtres humains.
Sur le plan judiciaire, les infractions liées à la prostitution
occupent dès lors une place très importante dans la lutte
contre la traite des êtres humains. Elles garantissent de
pouvoir aboutir à un résultat judiciaire face à des situa
tions vraiment dramatiques, même si les preuves sont
insuffisantes pour l’infraction de traite des êtres humains.
Mme Isabelle Algoet donne un exemple concret. Il
s’agissait de deux réseaux de proxénétisme lourds avec
des dizaines de filles. Après deux ans d’enquête, sur
base de l’infraction de proxénétisme, les enquêteurs
sont parvenus à prouver une forme de traite pour 4 filles
seulement.
L’oratrice donne l’exemple d’écoutes téléphoniques
très interpellantes dans un dossier concernant des filles
dans des maisons de prostitution. Dans ces écoutes,
deux associés parlent entre eux de la répartition des
filles, en utilisant les termes de “face de citron”, de
“fille immonde” ou de “poubelles” pour parler de ces
2141/006
DOC 55
312
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“poubelles”. Jammer genoeg kunnen die personen niet
worden geïdentificeerd. In dit verband kan artikel 380,
1°, 2° en 4°, heel dienstig zijn.
De twee jaren van onderzoek en van voorlopige hech
tenis konden in dit dossier worden gerechtvaardigd op
grond van het pooierschapsmisdrijf. Doorgaans volgen
de bewijselementen voor mensenhandel immers later.
Het pooierschapsmisdrijf is een basismisdrijf waarmee
de speurders aan de slag kunnen gaan en andere mis
drijven, zoals het voeren van een criminele organisatie
of het witwassen van geld, op het spoor kunnen komen.
Dergelijke onderzoeken zijn moeilijk en bijzonder tijd
rovend. Dit basismisdrijf is dus heel belangrijk. Mocht
bovendien de wet worden gewijzigd, dan moeten de
lopende onderzoeken worden herbekeken in het licht
van de nieuwe wet, wat hoogst ingewikkeld zal zijn.
Zulks zal een sneeuwbaleffect op gang brengen waarop
misschien nog niet is ingegaan. Artikel 380, 4°, is echt
heel waardevol. In de memorie van toelichting staat te
lezen dat het feit dat het slachtoffer zich niet aan de
uitbuiting kan onttrekken, determinerend is; zulks gaat
echter regelrecht in tegen elke rechtspraak waarop de
speurders zich beroepen. Dat sluit geenszins aan bij
de strekking van artikel 380, 4°, van het Strafwetboek.
De heer Maarten Sobrie merkt op dat niet alleen de
exploitatie van prostitutie maar ook het houden van een
huis van ontucht een belangrijk misdrijf uitmaakt in de
strijd tegen mensenhandel. Toen werd vastgesteld dat
dergelijke huizen een broeihaard zijn voor misbruik, werd
in 1948 het misdrijf ingevoerd. Niets wijst er echter op
dat de situatie nu anders zou zijn. Integendeel, in de
gemeenschappelijke Europese markt zal de legalisering
van een huis van ontucht een lokroep zijn.
De spreker gaat ervan uit dat dit ook vrij snel gekend
zal zijn in Bulgaarse en Roemeense netwerken die via
het vrij verkeer van personen en diensten en moge
lijks via detachering vanuit Oost-Europa daar gebruik
van zullen maken om zich op de Belgische markt te
storten. Nederland is België daarin voorafgegaan. Uit
Nederlandse studies is gebleken dat de legale markt
er wordt ingepalmd door criminele netwerken en dat de
controle erop verloren is gegaan. Door de legalisering
van het misdrijf “houden van een huis van ontucht” zul
len de parketten ook geen strafrechtelijk beleid meer
kunnen voeren ten aanzien van deze etablissementen.
Vandaag worden er systematische controles van bordelen
gevoerd die vaak excessen van mensenhandel aan het
licht brengen. Dergelijke controles doen de betrokkenen
er ook aan herinneren dat er strafbepalingen spelen. Het
openbaar ministerie houdt aldus de vinger aan de pols
en maakt het mogelijk om een centraal beleid te sturen.
Mocht deze strafbepaling worden opgeheven, dan staat
prostituées. Malheureusement, il est impossible d’iden
tifier ces personnes. Les articles 380, 1°, 2° et 4°, sont
très utiles à cet égard.
Les deux ans d’enquête et de détention préventive ont
pu être justifiés dans ce dossier grâce à l’infraction de
proxénétisme. En effet, les éléments de traite viennent
souvent par la suite. Les infractions de proxénétisme sont
des infractions de base qui permettent aux enquêteurs
de travailler et de retenir d’autres infractions, comme
l’organisation criminelle ou le blanchiment d’argent.
Ces enquêtes sont difficiles et très chronophages. Cette
infraction de base est donc essentielle. En outre, si la
loi est modifiée, les enquêtes en cours devront être
reconsidérées en fonction de la nouvelle loi, ce qui
sera très compliqué. Cela aura un effet boule de neige
qui n’a peut-être pas été examiné. L’article 380, 4°, est
vraiment très précieux. La mention, dans l’exposé des
motifs, selon laquelle le fait que la victime ne puisse
échapper à sa situation d’exploitation est déterminant,
va totalement à l’encontre de toutes les jurisprudences
invoquées par les enquêteurs. Ce n’est pas du tout l’idée
de l’article 380, 4° du Code pénal.
M. Maarten Sobrie indique que non seulement l’exploi
tation de la prostitution mais aussi la tenue d’une maison
de débauche constituent une infraction importante dans
la lutte contre la traite des êtres humains. Lorsqu’il a
été établi que ces maisons constituaient un terrain
propice aux abus, l’infraction a été introduite en 1948.
Toutefois, rien ne permet de penser que la situation
serait différente aujourd’hui. Au contraire, dans le mar
ché commun européen, la légalisation d’une maison de
débauche constituera un attrait.
L’orateur part du principe que les réseaux bulgares et
roumains seront rapidement informés de cette légalisation
et qu’ils s’en serviront pour s’installer sur le marché belge
en recourant à la libre circulation des personnes et des
services, voire en détachant du personnel provenant de
l’Europe de l’Est. À cet égard, les Pays-Bas ont devancé
la Belgique. Il ressort d’études néerlandaises que des
réseaux criminels se sont emparé du marché légal et
que tout contrôle a disparu. Si l’infraction “tenue d’une
maison de débauche” est légalisée, les parquets ne
pourront plus mener de politique criminelle à l’encontre
de ces établissements. Aujourd’hui, les maisons de
prostitution font l’objet de contrôles systématiques qui
révèlent souvent des abus relevant de la traite des êtres
humains, et ces contrôles rappellent aux personnes
concernées que des dispositions pénales s’appliquent.
Le ministre public surveille donc cette problématique,
ce qui permet d’élaborer une politique centrale. Si ces
dispositions pénales devaient être abolies, rien ne les
313
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
er niets tegenover in de plaats. Deze problematiek op
bestuurlijk niveau houden, met de burgemeester, zal
leiden tot een lappendeken van visies, wat in de kaart
speelt van diegenen die misbruik willen maken van de
mogelijkheden die zich voordoen.
Mevrouw Isabelle Algoet beklemtoont eveneens de
noodzakelijke capaciteit om een eventuele explosie van
het fenomeen het hoofd te kunnen bieden. De situatie
is nijpend. Zo moest de afdeling Mensenhandel van de
gerechtelijke politie in Charleroi worden gesloten door
een gebrek aan personeel. In Doornik en Bergen zijn ze
in theorie met tien, maar in werkelijkheid zijn ze slechts
met zes; bovendien moeten zij niet alleen mensenhandel
dossiers behandelen, maar zich ook in heel wat andere
zaken verdiepen. Gent kampt met hetzelfde probleem.
De heer Maarten Sobrie stipt aan dat in de memorie
van toelichting wordt aangehaald dat de gemeentelijke
reglementen ter zake van Antwerpen, Gent, Luik enzo
voort contra legem zijn. Dit is volgens de spreker een
foute aanname, aangezien de gemeenten op basis van
de gemeentewet wel degelijk bevoegd zijn om, zodra de
openbare orde wordt aangetast, de zichtbare aspecten
van prostitutie te reglementeren. Het fenomeen wordt
met deze regelementen beperkt tot bepaalde straten of
het wordt uit de buurt van scholen gehouden. Prostitutie
is an sich niet strafbaar; in die zin is er dan ook geen
gedoogbeleid van de gemeenten. Iemand mag zichzelf
prostitueren of zijn eigen bordeel uitbaten, zolang er niet
iemand anders bij wordt betrokken. Die reglementen
treden niet op het terrein van de huidige prostitutiemis
drijven. Er is rechtspraak van het Hof van Cassatie, de
Raad van State en de hoven en rechtbanken die heb
ben geoordeeld dat deze reglementen, die vaak worden
gezien als een gedoogbeleid, niet contra legem zijn.
Mevrouw Isabelle Algoet gaat in op de formulering
van de nieuwe artikelen in het wetsontwerp. Het opschrift
“misbruik van prostitutie” doet op zich al een probleem
rijzen. Het leidt tot verwarring, terwijl een dergelijke
aangelegenheid net alle helderheid vereist. Bovendien
wordt de rol van chauffeurs, boekhouders en verzeke
raars benadrukt. Het College vraagt zich sceptisch af of
die betrokkenen wel moeten worden vervolgd; zij zetten
immers geenszins aan tot prostitutie. Een prostituee heeft
volkomen het recht een boekhouder te raadplegen, net
zoals zij het recht heeft een taxi te nemen. Een chauffeur
zou daarentegen wel kunnen worden vervolgd in zeer
specifieke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de zoon van
het hoofd van een prostitutienetwerk uit Brazilië is over
gekomen om hier als vaste chauffeur van een criminele
organisatie aan de slag te gaan. In dat geval kan men
spreken van deelname aan exploitatie van prostitutie.
remplacerait. La gestion de cette problématique au niveau
administratif, en collaboration avec le bourgmestre,
aboutira à un patchwork, ce qui avantagera ceux qui
entendent abuser des possibilités qui se présentent.
Mme Isabelle Algoet insiste aussi sur la capacité à
gérer un risque d’explosion du phénomène. La situation
est très difficile. La section TEH de la police judiciaire
de Charleroi par exemple a dû être fermée par manque
d’effectifs. À Tournai et Mons, ils sont 10 en théorie,
mais en pratique ils ne sont que 6 pour s’occuper non
seulement de traite mais aussi d’un tas d’autres choses.
A Gand, le problème est identique.
M. Maarten Sobrie souligne que l’exposé des motifs
indique que les règlements communaux d’Anvers, de
Gand, de Liège etc. sont contra legem en la matière.
Selon l’orateur, cette interprétation est erronée, car, en
vertu de la loi communale, les communes sont bien
compétentes pour réglementer les aspects visibles de
la prostitution dès que l’ordre public est troublé. Ces
règlements cantonnent ce phénomène à certaines
rues ou le tiennent à l’écart du quartier des écoles. La
prostitution n’étant pas punissable en tant que telle,
les communes ne mènent dès lors pas une politique
de tolérance. Toute personne peut se prostituer ou
exploiter sa maison de prostitution, tant qu’aucune autre
personne n’est associée à cette activité. Ces règlements
ne s’appliquent pas aux infractions actuelles liées à la
prostitution. Il existe une jurisprudence de la Cour de
cassation, du Conseil d’État et des cours et tribunaux
selon laquelle ces règlements, qui sont souvent consi
dérés comme des formes de politique de tolérance, ne
sont pas contra legem.
Mme Isabelle Algoet en vient à la formulation des
nouveaux articles dans le projet de loi. L’intitulé “Abus de
prostitution” est déjà problématique. Cela entraîne une
confusion des genres, alors même qu’il s’agit d’un type
de matière où il faut faire preuve d’une grand clarté. En
outre, un focus est mis sur les chauffeurs, les comptables
ou encore les assureurs. Le Collège est très sceptique
quant à l’opportunité de poursuivre ce type de personnes.
En effet, il ne s’agit nullement d’incitation à la prostitu
tion. Une prostituée a parfaitement le droit d’aller voir
un comptable, comme elle a le droit de prendre un taxi.
Par contre, un chauffeur pourra être poursuivi dans des
cas bien particuliers, par exemple dans le cas où le fils
d’une dirigeante d’un réseau de prostitution est venu du
Brésil pour devenir le chauffeur attitré de l’organisation
criminelle. Il s’agit alors d’un acte de participation à
l’exploitation de la prostitution.
2141/006
DOC 55
314
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Maarten Sobrie uit vervolgens kritiek op de
formulering van het nieuwe artikel 433quater/1 van het
Strafwetboek (het nastreven van een abnormaal voor
deel door de prostitutie van een ander persoon) en stelt
dat de formulering van het dwingen van een persoon
om zich te prostitueren buiten de in de wet bepaalde
gevallen niet adequaat is. Het zou immers betekenen dat
gedwongen prostitutie wettelijk mogelijk wordt gemaakt.
Het gebruik van de woorden “dwingen” en “verhinderen”
is tegenstrijdig met het feit dat het misdrijf zelfs met
toestemming van het slachtoffer kan plaatsvinden. De
formulering zal dan ook alleen maar aanleiding geven
tot problemen. Als er sprake is van “dwingen” en “ver
hinderen”, dan gaat het over handelingen die thuishoren
in het misdrijf mensenhandel.
Ook in het nieuwe artikel 433quater/5 (verzwaard
misbruik van prostitutie) worden deze woorden gebruikt,
wat een dubbel gebruik inhoudt. Derhalve is het wenselijk
deze woorden op te heffen in 433quater/1.
Wat de artikelen 433quater/5 en /6 betreft, merkt de
spreker op dat het gaat over verzwarende omstandighe
den die als een zelfstandig misdrijf worden geformuleerd,
wat zeer vreemd is voor de kwalificatie van de feiten en
de strafvervolging.
Artikel 433quater/1 betreft het aanzetten tot prostitutie
en wordt uitgelegd aan de hand van de notie “publiciteit
maken”. De vraag rijst dan ook of de bewoordingen
van dat artikel dezelfde betekenis hebben als in arti
kel 433quater/3 (het aanzetten tot het zich prostitueren).
Worden de bewoordingen in voorkomend geval niet al
te zeer beperkt?
Mevrouw Isabelle Algoet gaat ook nader in op ar
tikel 433quater/4, betreffende het nastreven van een
“abnormaal voordeel”, wat een uiterst vaag begrip is.
Die vaagheid komt enkel de pooier ten goede en maakt
het heel moeilijk bewijzen aan te voeren. De speurders
worden hiermee al geconfronteerd in het kader van
vastgoed dat voor prostitutiedoeleinden wordt beheerd
en waarbij moet worden bewezen dat een pand wordt
verhuurd met de intentie er een abnormaal vermogens
voordeel uit te halen.
Op basis waarvan zal men dat abnormale voordeel
bewijzen bij exploitatie van prostitutie? In een boek
houdkundige balans kan men immers aangeven wat
men wil. Het is heel moeilijk concreet te bewijzen dat
die activiteiten een voordeel hebben kunnen opleveren.
Hoe kan men uitzoeken wat er écht schuilgaat achter
een fake boekhoudkundige balans?
Ensuite, M. Maarten Sobrie critique la formulation du
nouvel article 433quater/1 du Code pénal (concernant
la recherche d’un avantage anormal par la prostitution
d’une autre personne) et indique que la formulation de la
contrainte d’une personne à se prostituer en dehors des
cas prévus par la loi n’est pas adéquate dès lors qu’elle
signifierait que la prostitution forcée serait légalement
autorisée. L’utilisation des mots “contraindre” et “empê
cher” est en contradiction avec le fait que cette infraction
peut même être commise avec le consentement de la
victime. Cette formulation ne constituera dès lors qu’une
source de problèmes. Des mots comme “contraindre” et
“empêcher” désignent des actes relevant d’infractions
de traite des êtres humains.
Ces mots sont également utilisés dans le nouvel
article 433quater/5 (concernant l’abus aggravé de la
prostitution), cette formulation étant à double sens. En
conséquence, il serait souhaitable de supprimer ces
mots à l’article 433quater/1.
En ce qui concerne les articles 433quater/5 et /6,
l’orateur souligne qu’il y est question de circonstances
aggravantes formulées comme si elles constituaient une
infraction à part entière, ce qui est très étrange pour la
qualification des faits et les poursuites pénales.
L’article 433quater/1 concerne l’incitation à la prostitu
tion. Elle est définie à l’aide de la notion de publicité. La
question se pose dès lors de savoir si la terminologie de
cet article a le même sens que celle de l’article 433qua
ter/3 (incitation à la prostitution). Le cas échéant, ces for
mulations ne seraient-elles pas beaucoup trop restreintes?
Mme Isabelle Algoet commente aussi l’article 433qua
ter/4, concernant la recherche d’un avantage anormal. Il
s’agit d’une notion extrêmement floue. Ce flou ne béné
ficie qu’au proxénète et il rend la charge de la preuve
très ardue. Les enquêteurs sont déjà confrontés à ce
problème concernant le proxénétisme immobilier, où il
faut établir que la location a été donnée dans l’intention
de faire un avantage patrimonial anormal.
Sur quoi va-t-on se baser pour établir cet avantage
anormal en ce qui concerne l’exploitation de la pros
titution? On peut faire dire ce qu’on veut à un bilan
comptable. Il est très difficile d’établir concrètement ce
que cela a pu générer comme avantage. Comment aller
chercher la réalité des choses qui se cache derrière un
bilan comptable de façade?
315
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Bovendien gaan de netwerken steeds subtieler te
werk bij die exploitatie, waarbij ze streven naar een
win-winsituatie. Indien het meisje een in haar ogen hoog
inkomen heeft, zal ze niet willen meewerken.
De inbreuken op artikel 380, 2° en artikel 380, 4°,
staan centraal in de onderzoeken.
De heer Maarten Sobrie stelt vast dat er een globale
versterking is van de bescherming van minderjarigen,
wat een goede zaak is. Hij wijst er evenwel op dat het ter
beschikking stellen van een lokaal aan een minderjarige
overeenkomstig de nieuwe bepalingen geen abnormaal
profijt meer vereist. Er is ook de uitbreiding van de
strafbaarstelling van het aanzetten tot prostitutie wat
advertenties betreft. Er zijn ook de strafverzwaringen. Het
komt evenwel vreemd over dat minderjarigen tot 17 jaar
en 11 maanden goed worden beschermd, maar dat zij
vanaf 18 jaar in een vacuüm terechtkomen, terwijl er niet
zoveel is veranderd aan bijvoorbeeld de kwetsbaarheid
van jonge meisjes. Op strafrechtelijk vlak wordt het dan
moeilijker om in voorkomend geval onderzoeken naar
menshandel te voeren.
De spreker stipt aan dat het inzake het element min
derjarigheid volgens het College van procureurs-generaal
niet nodig is om de bewijslast om te keren, maar dat
een verduidelijking op zijn plaats is. In de parlementaire
stukken van de wet van 1995 werd duidelijk gesteld
dat er geen onderscheid mag worden gemaakt tussen
daders die op de hoogte waren van de leeftijd van de
kinderen en daders die doen of ze het niet weten. Het
College dringt er dan ook op aan dat dit in het kader van
het ter bespreking voorleggende wetsontwerp duidelijk
wordt herhaald.
Tot slot vestigt de heer Sobrie de aandacht van de
leden op de volgende incoherentie: de strafverzwaringen
op de prostitutiemisdrijven ten aanzien van minderjarigen
komen in een wanverhouding te staan tot de straffen op
mensenhandel ten aanzien van minderjarigen, terwijl dit
laatste een intrinsiek zwaarder misdrijf is. Ook wordt er
in het wetsontwerp voor alle zedenmisdrijven ten aan
zien van minderjarigen een systematisch onderscheid
gemaakt tussen -16 jarigen en +16 jarigen terwijl het
misdrijf mensenhandel op dit punt ongemoeid wordt
gelaten; dat laatste is echter ook een zedenmisdrijf
wanneer het over seksuele uitbuiting gaat.
Mevrouw Nadia Laouar, substituut-procureur-generaal
te Luik, looft het gedane werk, maar benadrukt dat er
in het veld geen vraag was naar een herziening van
het seksueel strafrecht. Het bestaande wettenarsenaal
volstaat immers voor een doeltreffende aanpak van de
vele mogelijke inbreuksituaties. Bovendien mag niet
En outre, les réseaux évoluent vers une forme beau
coup plus subtile d’exploitation avec du win-win. Si la
fille a des revenus qui représentent beaucoup pour elle,
elle ne va pas vouloir collaborer.
Les infractions de l’article 380, 2° et de l’article 380, 4°,
sont donc des notions clés dans le cadre des enquêtes.
M. Maarten Sobrie constate un renforcement géné
ral de la protection des mineurs, ce dont il se réjouit.
Il souligne toutefois que selon les nouvelles disposi
tions, l’intention de réaliser un profit anormal n’est plus
requise lorsqu’un local est mis à la disposition d’un
mineur. L’orateur évoque également l’élargissement de
l’incrimination de l’incitation à la prostitution par voie
d’annonces, ainsi que l’alourdissement des peines. Il
lui paraît toutefois étrange que les mineurs soient bien
protégés jusqu’à l’âge de 17 ans et 11 mois, mais qu’à
partir de 18 ans, ils sortent du champ d’application, alors
que peu de choses ont changé en ce qui concerne, par
exemple, la vulnérabilité des jeunes filles. En termes de
droit pénal, il devient alors plus difficile de mener des
enquêtes sur la traite des êtres humains.
L’orateur souligne qu’en ce qui concerne la question
de la minorité, le Conseil des procureurs généraux
estime qu’il n’est pas nécessaire de renverser la charge
de la preuve mais qu’une clarification serait la bien
venue. Les documents parlementaires relatifs à la loi
de 1995 indiquent clairement qu’aucune distinction ne
peut être faite entre les auteurs qui étaient conscients
de l’âge des enfants et ceux qui font comme s’ils ne le
savaient pas. Le Collège demande donc avec insistance
que cet élément soit clairement répété dans le cadre du
projet de loi à l’examen.
Enfin, M. Sobrie attire l’attention des membres sur
l’incohérence suivante: l’alourdissement des peines pour
les infractions de prostitution à l’égard de mineurs est
disproportionné par rapport aux peines infligées en cas
de traite commise à l’encontre de victimes mineures,
alors qu’il s’agit d’infractions intrinsèquement plus graves.
De même, pour toutes les infractions à caractère sexuel
commises contre des mineurs, le projet de loi fait une
distinction systématique entre les moins de 16 ans et
les plus de 16 ans, alors que, sur ce point, le projet ne
vise pas l’infraction de traite des êtres humains, bien
qu’il s’agisse également, dans le cas d’une exploitation
sexuelle, d’une infraction à caractère sexuel.
Mme Nadia Laouar, substitut du procureur général
à Liège, salue le travail réalisé mais souligne qu’il n’y
avait pas une demande du terrain de revoir notre droit
pénal sexuel. L’arsenal juridique existant est en effet
suffisant pour répondre efficacement à l’éventail des
situations infractionnelles qui se présentent. Il ne faut
2141/006
DOC 55
316
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
worden vergeten dat gemeenrechtelijke inbreuken als
belaging of afpersing een voldoende ruime strekking
hebben om nieuwe verschijnselen aan te pakken. Die
herziening houdt het risico in dat nieuwe begrippen
worden ingevoerd die door de rechtspraak nog niet
werden geïnterpreteerd. In die context zal de memorie
van toelichting een heel belangrijk instrument zijn voor
de rechters, terwijl de redactie ervan niet optimaal is.
Het is een opsomming van copy-paste-fragmenten die
op alomvattende wijze zou moeten worden herzien.
Het begrip “aantasting van de seksuele integriteit” zou
in de plaats komen van het huidige begrip “aanranding
van de eerbaarheid”. Dat nieuwe begrip wordt als een
restcategorie beschouwd, hoewel dat uiteindelijk minder
geldt dan voor het huidige begrip van aanranding van
de eerbaarheid, dat door de rechtspraak dusdanig is
ingevuld dat ook nieuwe vormen van misbruik kunnen
worden aangepakt. Bijgevolg zal elk nieuw verschijnsel
dat opduikt duidelijker moeten worden benaderd, wat
niet zonder gevaar is.
Voorts is de toestemming feitelijk reeds een centraal
begrip in ons seksueel strafrecht. De rechtspraak heeft
begrippen als geweld, list, verrassing en bedreiging
afgebakend. Het gerecht kan dus omgaan met al die
situaties van seksuele handelingen waarvoor geen
toestemming werd gegeven.
Het probleem is niet zozeer de omschrijving van de
inbreuken of van de toestemming, maar wel de bewijslast.
Momenteel wordt 95 % van de zaken geseponeerd om
technische redenen. De in uitzicht gestelde herziening
zal daaraan niets veranderen.
Het is uiteraard cruciaal dat het openbaar ministerie
zeer nauwgezet onderzoek voert en met grote precisie
de bewijselementen van alle aard verzamelt en aan
wendt, maar men moet ook kunnen toegeven dat de
moeilijkheid om de feiten te bewijzen inherent is aan
de materie, want een en ander speelt zich per definitie
meestal af in de verborgen sfeer.
Door de toestemming uitdrukkelijk als kernbegrip in de
wet te verankeren, stuurt men weliswaar een duidelijke
boodschap uit, maar het strafrecht kan op zich geen
mentaliteitsverandering teweegbrengen; dat is ook niet
de doelstelling ervan. Er moet dus ook werk worden ge
maakt van preventie en opvoeding. De spreekster heeft
vragen bij het begrip “seksueel zelfbeschikkingsrecht”.
Waar slaat dit precies op? Het strafrecht heeft niet tot doel
de rechten te verankeren, maar grenzen af te bakenen.
Het is de bedoeling een duidelijke boodschap uit
te sturen, maar in de praktijk is die boodschap niet zo
duidelijk. De definitie van toestemming is minder helder
pas en outre oublier la portée d’infractions de droit
commun comme le harcèlement ou l’extorsion, qui
permettent d’appréhender de nouveaux phénomènes.
Cette refonte présente le risque d’introduire de nouvelles
notions qui n’ont pas encore été interprétées par la juris
prudence. Dans ce contexte, l’exposé des motifs sera
un élément très important pour les juges, alors que sa
qualité de rédaction n’est pas optimale. Il présente une
succession de copier-collers et il mériterait d’être revu
de façon globale.
La notion d’ “atteinte à l’intégrité sexuelle” remplacera
la notion actuelle d’“attentat à la pudeur”. Cette nouvelle
notion est envisagée comme une catégorie résiduaire,
mais elle parait finalement moins résiduaire que la notion
d’attentat à la pudeur actuelle, à laquelle la jurisprudence
a donné des contours permettant la prise en compte de
nouveaux phénomènes de comportements abusifs. Il
faudra par conséquent mieux envisager chaque nouveau
phénomène émergent, ce qui est dangereux.
Par ailleurs, le consentement est déjà dans les faits
une notion centrale de notre droit pénal sexuel. La juris
prudence a donné des contours à des notions telles que
la violence, la ruse, la surprise ou encore la menace.
La justice est donc en mesure de répondre à toutes les
situations d’actes sexuels non consentis.
La difficulté se situe plutôt au niveau de la preuve
et pas de la définition des infractions ou de celle du
consentement. On en est d’ailleurs à un taux de 95 %
de classements sans suite pour des motifs techniques.
La révision proposée n’y changera rien.
S’il est bien évidemment capital que le ministère public
veille à mener des enquêtes rigoureuses, à recueillir et
exploiter rigoureusement les éléments de preuve de
toute nature, il faut pouvoir admettre également que
la difficulté de rapporter la preuve est intrinsèque à la
matière, à ce qui se passe par définition à l’abri des
regards la plupart du temps.
L’avantage de consacrer explicitement le consentement
comme une notion cardinale est d’adresser un message
clair aux personnes, cependant, le droit pénal ne peut
pas à lui seul changer les mentalités et ce n’est pas son
objectif. Il faut donc aussi un travail de prévention et
d’éducation. L’oratrice s’interroge sur la notion de droit
à l’autodétermination sexuelle. À quoi renvoie-t-elle
exactement? Le droit pénal a pour vocation non pas
de consacrer des droits mais bien de fixer des limites.
Il y a une volonté d’adresser un message clair, mais
le message n’est pas si clair en réalité. La définition
du consentement n’est pas si claire que cela. On le
317
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dan het lijkt. Ze gaat uit van het eigenlijke begrip “toe
stemming”, zonder evenwel te vermelden waarop die
toestemming betrekking heeft. Men zou het misschien
kunnen hebben over een vrijwillig gegeven instemming
met een seksuele handeling, maar omdat het de bedoe
ling is in hetzelfde hoofdstuk bepalingen op te nemen
inzake voyeurisme en de verspreiding van beelden die
door een voyeur werden gemaakt, is het moeilijk tot een
synthese te komen van het voorwerp van die toestemming.
De boodschap inzake de leeftijd van de seksuele
meerderjarigheid is evenmin heel duidelijk: er zou een
aanpassing komen voor minderjarigen van veertien tot
zestien jaar en er is sprake van een leeftijdsverschil van
maximaal twee jaar. Dat is weliswaar een heel bescher
mende maatregel, maar de vraag rijst hoe dat verschil
in de praktijk zal worden berekend. Bovendien zal dit tot
gevolg hebben dat het seksueel gedrag van een aantal
jongeren zal worden gecriminaliseerd. In de memorie
van toelichting wordt aangegeven dat het de bedoeling
is alleen handelingen die misbruik vormen, strafbaar te
stellen, maar de doelstelling om een duidelijke boodschap
uit te sturen wordt in dat geval niet waargemaakt. Voorts
mag niet uit het oog worden verloren dat het openbaar
ministerie niet altijd de mogelijkheid heeft om de wen
selijkheid van vervolging te beoordelen.
Voorts zijn de begrippen van vertrouwen en invloed
ten aanzien van de minderjarige heel ruim opgevat en
moeilijk toepasbaar. Ook in dezen wordt een en ander
er niet bepaald duidelijker op.
Mevrouw Laouar gaat nader in op de mogelijkheid
voor de minderjarige om zijn toestemming te geven voor
de verspreiding en de afstemming van deze bepaling op
die met betrekking tot kinderpornografie, die versprei
ding van seksueel misbruik zou worden genoemd. De
wet zou dus voortaan een alleen op kinderpornografie
toepasselijke rechtvaardigingsgrond bevatten op basis
waarvan de minderjarigen ouder dan zestien jaar met
onderlinge toestemming hun seksuele handelingen zul
len filmen en de opnames onderling zullen uitwisselen.
Het onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van
toestemming voor de verspreiding van voyeuristische
beelden, dat thans geldt voor minderjarigen jonger dan
achttien jaar, werd echter niet in de hervorming opgeno
men. Er rijzen meerdere vragen waarop de uitgebreide
uitleg in de memorie van toelichting geen antwoord
biedt. De spreekster meent te begrijpen dat de algemene
bepalingen inzake toestemming van toepassing zijn op
deze inbreuk, die in dezelfde afdeling is opgenomen.
Kan de minderjarige instemmen met de verspreiding
van beelden vanaf de leeftijd van zestien jaar? Hoe zit
het met minderjarigen tussen veertien en zestien jaar?
Hoe zit het met de mogelijkheid voor minderjarigen om
in te stemmen met de verspreiding naar derden?
définit en partant de la notion même de consentement,
et sans mentionner l’objet de ce consentement. On
pourrait peut-être parler d’un accord librement donné
sur un acte à caractère sexuel, mais vu la présence des
dispositions relatives au voyeurisme et à la diffusion des
images issues du voyeurisme dans le même chapitre, il
est difficile de synthétiser l’objet de ce consentement.
Le message n’est pas très clair non plus concernant
l’âge de la majorité sexuelle: il y a un correctif pour les
mineurs de 14 à 16 ans et une référence à une différence
d’âge de maximum 2 ans. L’avantage, c’est que c’est très
protecteur. L’inconvénient, outre la question de savoir
comment cela va être calculé en pratique, est que cela va
avoir pour effet de criminaliser le comportement sexuel
d’un certain nombre de jeunes. L’exposé des motifs
indique que l’objectif est de criminaliser uniquement les
comportements abusifs mais dans ce cas on n’atteint
pas l’objectif d’envoyer un message clair. Il convient par
ailleurs de ne pas perdre de vue que le ministère public
n’a pas toujours la possibilité de juger de l’opportunité
des poursuites.
Par ailleurs, les notions de confiance et d’influence à
l’égard du mineur sont très larges et difficiles à appliquer.
Ici aussi, on ne va pas clarifier les choses.
Mme Laouar revient sur la possibilité pour le mineur de
donner son consentement à la diffusion et l’articulation
de cette disposition avec celles relatives à la pédopor
nographie, qu’on appellera diffusion d’abus sexuels. On
introduit donc une cause de justification, relativement à
la pédopornographie uniquement, pour les mineurs de
plus de 16 ans qui, de façon consentie, vont filmer leurs
ébats et s’échanger les contenus. Cependant, on n’a pas
repris la présomption irréfragable de non-consentement
qui existe à l’heure actuelle en matière de diffusion des
images issues du voyeurisme pour les mineurs de moins
de 18 ans. Plusieurs questions se posent, auxquelles la
lecture des longs développements de l’exposé des motifs
n’apporte pas de réponse. Je crois comprendre que les
dispositions générales relatives au consentement sont
applicables aux dispositions relatives au voyeurisme, qui
sont contenues dans la même section. Mais comment les
comprendre? Le mineur peut-il consentir à la diffusion
des images à partir de l’âge de 16 ans? Quid pour les
mineurs entre 14 et 16 ans? Qu’en est-il de la possibilité
pour les mineurs de consentir à la diffusion à des tiers?
2141/006
DOC 55
318
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het begrip “ontbloot” wordt heel ruim geïnterpreteerd;
het zou uiteindelijk zelfs van toepassing zijn op het
gezicht. De verwijzing naar het seksuele karakter van
voyeurisme zou volledig verdwijnen.
Al die aspecten zullen de zaken in de praktijk heel
ingewikkeld maken.
Wat incest betreft, is er een bereidheid de zaken bij
naam te noemen. Niettemin wordt dat begrip voorbe
houden voor minderjarige slachtoffers, waardoor de
doelstelling misschien opnieuw wordt gemist.
Mevrouw Laouar stelt ten slotte voor dat de persoon
die tot penetratie wordt gedwongen zelf als slachtoffer
van verkrachting kan worden gezien, wat in het huidige
Strafwetboek niet het geval is. De spreekster vraagt
zich af of er geen verwarring is tussen de termen “met
behulp van een welbepaald persoon” en de termen “met
de hulp van een persoon”.
b. Uiteenzettingen van mevrouw Jessica Bourlet,
rechter-ondervoorzitter van de rechtbank van
eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen,
vertegenwoordigster van het College van de hoven en
rechtbanken
Mevrouw Jessica Bourlet merkt op dat zij de bezorgd
heden van het College van procureurs-generaal deelt.
Zij overloopt vervolgens uit de schriftelijke nota die zij
aan de commissie heeft bezorgd enkele krachtlijnen die
voornamelijk betrekking hebben op de misdrijven van
verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, aantas
ting van de seksuele integriteit en de problematiek van
afbeeldingen van minderjarigen. De spreekster merkt
op dat op dit punt, alsook inzake de bepalingen van kin
derporno, het ter bespreking voorliggende wetsontwerp
getuigt van een moderne insteek. Het benadrukken van
het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de individuele
seksuele autonomie getuigt van een modernere visie
tegenover het huidige strafrecht. Het wetsontwerp zal de
magistraten dan ook meer armslag geven bij de aanpak
van seksuele misdrijven en biedt de mogelijkheid de
slachtoffers beter te bejegenen.
Ondanks het feit dat één op de drie vrouwen erva
ring heeft met fysiek of seksueel geweld, zijn seksuele
misdrijven en de aanpak daarvan lange tijd onderbelicht
geweest. Zeer terecht is er hierin een kentering gekomen
en staat de aanpak van seksuele misdrijven hoog op
de agenda. Het feit dat thans beter de verwoestende
gevolgen van seksuele misdrijven op slachtoffers (en
hun omgeving) kunnen worden ingeschat, heeft al
leen maar bijgedragen tot het bewustwordingsproces
Une interprétation très large est donnée à la notion
de “dénudé”, qui vaudrait finalement même pour le
visage, sans plus aucune référence au caractère sexuel
du voyeurisme.
Tous ces éléments vont rendre les choses très com
pliquées en pratique.
Pour l’inceste, il y a une volonté de nommer les choses.
Cependant, on réserve cette appellation aux victimes
mineures, ce qui passe peut-être à nouveau à côté de
l’objectif.
Mme Laouar suggère enfin que la personne qui est
contrainte de réaliser une pénétration puisse elle-même
être considérée comme une victime de viol, ce qui n’est
pas le cas dans le code pénal actuel. Elle se demande
s’il n’y a pas d’ailleurs une confusion entre les termes
“à l’aide de la personne de” et les termes “avec l’aide
d’une personne”.
b. Exposés de Mme Jessica Bourlet, juge et vice-
présidente du tribunal de première instance d’Anvers,
section Malines, représentante du Collège des cours
et tribunaux
Mme Jessica Bourlet fait observer qu’elle partage les
préoccupations du Collège des procureurs généraux.
Elle passe ensuite en revue quelques lignes de force
de la note écrite qu’elle a remise à la commission, lignes
de force qui concernent principalement les infractions
de viol, d’attentat à la pudeur et d’atteinte à l’intégrité
sexuelle, ainsi que la problématique des images de
mineurs. L’oratrice fait observer que le projet de loi à
l’examen témoigne d’une approche moderne à cet égard,
de même qu’en ce qui concerne les dispositions relatives
à la pédopornographie. L’accent qui est mis sur le droit à
l’autodétermination sexuelle et l’autonomie sexuelle indi
viduelle témoigne d’une vision plus moderne par rapport
au droit pénal actuel. Le projet de loi procurera dès lors
une plus grande marge de manœuvre aux magistrats
en matière de lutte contre les infractions sexuelles et
permettra d’améliorer l’assistances aux victimes.
Bien qu’une femme sur trois ait été confrontée à la
violence physique ou sexuelle, les infractions sexuelles
et la lutte contre ces dernières ont longtemps été relé
guées au second plan. Un revirement tout à fait justifié
s’est produit à cet égard et la lutte contre les infractions
sexuelles constitue désormais une priorité. Le fait qu’il est
à présent possible de mieux évaluer les conséquences
dévastatrices des infractions sexuelles sur les victimes
(et leur entourage) n’a fait que contribuer au processus
319
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
inzake het belang van een accurate aanpak, ook in de
juridische wereld.
Echter dient te worden vastgesteld dat tot op vandaag
de aangiftecijfers van seksuele misdrijven laag liggen (in
regio’s met een zorgcentrum zijn er wel meer aangiftes).
Hiervoor zijn meerdere factoren; naast schaamte, schuld
en angst, loyauteit ten aanzien van de dader, het zichzelf
niet erkennen als slachtoffer, een beperkt vertrouwen in
de politie en de juridische instanties, speelt volgens de
spreekster ook de onvoorspelbaarheid van de uitkomst
van een juridische procedure mee in de hoge drempel
voor slachtoffers van zedendelicten.
Een beter strafrechtelijk kader, met onder meer een
definitie van het begrip “toestemming”, biedt dan ook
meer garanties voor een kwaliteitsvolle rechtspraak (met
inbegrip van een betere bejegening van de slachtoffers).
Mevrouw Bourlet verduidelijkt voorts dat zij zich in haar
analyse van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp
vooral heeft gericht op de positieve accenten ervan.
Wat betreft de misdrijven van de aantasting van de
seksuele integriteit, voyeurisme, niet-consensuele ver
spreiding van seksueel getinte beelden en opnames,
en verkrachting, is zij tevreden met de plaats waar
seksuele misdrijven in het Strafwetboek zullen worden
opgenomen (ná opzettelijke levens- en geweldsdelicten,
en vóór de onopzettelijke misdrijven). Aldus wordt het
belang ervan aangegeven.
Het bepalen van de leeftijd van seksuele meerderja
righeid op 16 jaar is een verdedigbare keuze en biedt
meer rechtszekerheid. Ook kan zij zich scharen achter
het voorstel om in een tussencategorie te voorzien
voor 14-16-jarigen bij een leeftijdsverschil van niet meer
dan 2 jaar, behalve voor incest of een gezagsrelatie.
De spreekster juicht ook de duidelijker omschrijving
toe van de notie “toestemming” en de verduidelijking dat
geen verzet niet betekent dat er toestemming is (het ont
worpen artikel 417/5, artikel 5 van het wetsontwerp), wat
overeenstemt met de rechtspraak van het EHRM en de
aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad
van Europa inzake de bescherming van vrouwen tegen
geweld (30 april 2002). Een dergelijke handelswijze is
belangrijk om ook een mentaliteitswijziging te bewerkstel
ligen. Het bepalen dat een beoordeling in het licht van
alle omstandigheden dient te gebeuren, geeft voldoende
ruimte aan de rechtbank. Mevrouw Bourlet is er geen
voorstander van om de bewijslast bij de beklaagde te
leggen, want dit vergroot het risico op valse aangiftes.
de prise de conscience de l’importance d’une approche
précise, y compris dans le monde judiciaire.
Force est toutefois de constater que les chiffres in
diquent qu’à ce jour, peu d’infractions sexuelles sont
dénoncées (les dénonciations sont toutefois plus nom
breuses dans les régions comptant un centre de soins).
Plusieurs facteurs expliquent ce phénomène. Selon
l’oratrice, en plus de la honte, de la culpabilité, de la peur,
de la loyauté vis-à-vis de l’auteur, du déni du statut de
victime et d’une confiance limitée dans la police et les
instances juridiques, le caractère imprévisible de l’issue
d’une procédure juridique constitue un important obstacle
supplémentaire que les victimes doivent surmonter pour
dénoncer des faits de mœurs.
Un meilleur cadre pénal, incluant une définition du
terme “consentement”, offrirait donc davantage de garan
ties pour une justice de qualité (y compris un meilleur
accueil des victimes).
Mme Bourlet précise ensuite que, dans son analyse
du projet de loi à l’examen, elle a surtout mis l’accent
sur ses points positifs.
En ce qui concerne les infractions d’atteinte à l’intégrité
sexuelle, de voyeurisme, de diffusion non consensuelle
d’images et d’enregistrements à caractère sexuel et
de viol, elle est satisfaite de la place qu’occuperont
les infractions sexuelles dans le Code pénal (après les
homicides et délits de violence volontaires, et avant les
infractions involontaires). Cela indique leur importance.
La fixation de l’âge de la majorité sexuelle à 16 ans
est un choix défendable et offre une plus grande sécurité
juridique. L’oratrice soutient également la proposition
de prévoir une catégorie intermédiaire pour les jeunes
de 14 à 16 ans dont la différence d’âge ne dépasse
pas 2 ans, sauf en cas d’inceste ou de relation d’autorité.
L’oratrice se félicite également de la définition plus
claire de la notion de “consentement” et de la précision
que l’absence de résistance ne signifie pas qu’il y a
consentement (article 417/5 en projet, article 5 du pro
jet de loi), ce qui est conforme à la jurisprudence de la
CEDH et à la recommandation du Comité des ministres
du Conseil de l’Europe sur la protection des femmes
contre la violence (30 avril 2002). Agir de la sorte est
également important pour faire évoluer les mentalités. La
disposition selon laquelle une appréciation doit être faite
au regard de toutes les circonstances donne au tribunal
une marge de manœuvre suffisante. Mme Bourlet n’est
pas favorable à ce que la charge de la preuve incombe
au prévenu, car cela augmente le risque de fausses
accusations.
2141/006
DOC 55
320
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het nieuwe referentiepunt voor aanranding van de
eerbaarheid (nu “aantasting van de seksuele integriteit”)
dat in plaats van “collectief bewustzijn”, een “redelijke
persoon” wordt, is makkelijker en concreter in te vullen.
Het vorige criterium was zeer vaag en niet meer aange
past aan de maatschappelijke realiteit.
Het is positief dat in het kader van het voyeurisme
een definitie wordt gegeven aan de notie “ontblote
persoon” (het ontworpen artikel 417/8, artikel 9 van het
wetsontwerp). Dit betekent hopelijk het einde van de
rechtsonzekerheid met betrekking tot “creepshots”.
De bestraffing van seksuele delinquenten beroert
de openbare opinie, wat uiteraard zeer begrijpelijk is.
Strafrechters proberen altijd maatwerk af te leveren om
dat plegers vaak een zeer verschillend profiel hebben,
waardoor een gedifferentieerde aanpak in bestraffing
is aangewezen. De daders zijn vaak bekenden van het
slachtoffer, in een familiale context. Sommige plegers
worden getriggerd door bepaalde situaties, bijvoorbeeld
alcoholgebruik; het gaat dan over geïsoleerde gevallen.
Er zijn ook plegers die werkelijk een seksuele proble
matiek hebben, wat ook een andere bestraffing vereist.
Verhoogde straffen bieden evenwel geen garantie op
minder recidive (waarbij recidivecijfers niet mogen worden
overschat): seksuele delinquenten dienen in sommige
gevallen ook te worden aanzien als zieke personen die
niet kunnen weerstaan aan een bepaalde drang.
Therapie, straffen met probatie-uitstel waarbij ook
rekening wordt gehouden met de beschermende factoren
(zoals een stabiele gezins- en professionele situatie,
ondersteuning van de entourage, een sociaal vangnet
enzovoort) zijn erg belangrijk in het voorkomen van
recidive, waarbij aan de plegers handvaten dienen te
worden aangereikt hoe ze met lastige situaties dienen om
te gaan. Een eventuele uitzondering daarop is verkrach
ting in de context van een partner- of ex-partnerrelatie,
omdat dit soms geen verband houdt met een seksuele
problematiek.
Een gevangenisstraf is inderdaad de ultieme remedie
(ook omdat behandeling in de gevangenis zo goed als
onmogelijk is) en alleen geschikt voor veelplegers/reci
divisten die niet uit de eerder geboden kansen hebben
geleerd (lees: die mogelijkheid tot therapie niet hebben
aangegrepen). Het gebrek aan centra waar therapie kan
worden gevolgd, de lacunes in het hulpverleningsaanbod
(wachtlijsten), zeker voor mensen die naast een seksuele
problematiek ook kampen met een autismespectrum
stoornis, zijn evenwel een groot probleem.
Le nouveau point de référence pour l’attentat à la
pudeur (désormais “atteinte à l’intégrité sexuelle”),
qui devient une “personne raisonnable” au lieu de la
“conscience collective”, est plus facile à concrétiser.
L’ancien critère était très vague et n’était plus adapté à
la réalité sociale.
Il est positif que dans le contexte du voyeurisme, le
projet donne une définition de la notion de “personne
dénudée” (article 417/9 en projet, article 9 du projet
de loi). On peut dès lors espérer que cela mettra fin à
l’insécurité juridique à propos des “creepshots”.
La répression des délinquants sexuels est une question
qui agite l’opinion publique, ce qui est tout à fait compré
hensible. Les juges pénaux tentent toujours d’apporter
des solutions sur mesure, car les délinquants ont sou
vent un profil très différent. Il s’indique par conséquent
d’adopter une approche différenciée de la sanction. Les
auteurs sont souvent des connaissances de la victime,
notamment dans le contexte familial. Chez certains, le
passage à l’acte est déclenché par certaines situations
comme, par exemple, la consommation d’alcool; il s’agit
alors de cas isolés. Mais il existe également des auteurs
qui ont vraiment un problème d’ordre sexuel, ce qui
nécessite une sanction différente. L’alourdissement
des peines ne garantit toutefois pas une diminution
de la récidive (les taux de récidive ne devant pas être
surestimés): dans certains cas, les délinquants sexuels
doivent aussi être considérés comme des malades qui
ne peuvent résister à certaines pulsions.
Les thérapies et les peines avec sursis qui tiennent
également compte des facteurs de protection (tels
qu’une situation familiale et professionnelle stable, le
soutien de l’entourage, un filet social de sécurité, etc.)
sont très importantes dans la prévention de la récidive.
Elles servent notamment à donner aux auteurs des outils
qui doivent leur permettre de gérer certaines situations
difficiles. Une éventuelle exception est le viol dans le
contexte d’une relation avec un partenaire ou un ex-
partenaire, parce qu’il n’y a parfois pas de lien avec un
problème sexuel.
Une peine d’emprisonnement constitue effectivement
le dernier recours (notamment parce qu’un traitement en
prison est pratiquement impossible) et ne convient qu’aux
multirécidivistes qui n’ont pas su profiter des chances
qui leur ont été offertes précédemment (autrement dit,
qui n’ont pas saisi l’occasion de suivre une thérapie).
Cela dit, le manque de centres où l’on peut suivre une
thérapie et les lacunes au niveau de l’offre de prise en
charge (listes d’attente) constituent un problème majeur,
surtout pour les personnes qui, outre des problèmes
sexuels, présentent également un trouble du spectre
de l’autisme.
321
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het is een goede zaak dat, met het oog op maat
werk, ook andere straffen zoals de werkstraf en ook
de autonome probatiestraf eventueel kunnen worden
opgelegd. De vraag rijst evenwel of de capaciteit van de
justitiehuizen voldoende is; vaak zijn er nu al wachtlijsten.
Wat het voorafgaand advies van een dienst gespeci
aliseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele
delinquenten (het ontworpen 417/64, artikel 74 van het
wetsontwerp; verslag overeenkomstig artikel 9bis van
de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het
uitstel of de probatie) betreft, pleit de spreekster ervoor
om hier geen verplichting van te maken. Dit advies is
waardevol indien aan het gepleegde zedenfeit een sek
suele problematiek ten grondslag ligt, maar dit geldt niet
voor alle gevallen. Daarenboven is er ook een tekort aan
psychiaters die een dergelijk advies kunnen opstellen, er
is een overbevraging. Er dient ook rekening te worden
gehouden met het feit dat de instantie die het advies
geeft, later niet zelf de therapie kan geven.
Wat haar overgezonden tekstuele opmerkingen be
treft, vestigt mevrouw Bourlet de aandacht erop dat in
een aantal artikelen de woorden “Erkende positie van
vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de min
derjarige” worden gebruikt. Wat haar betreft is evenwel
het woord “erkend” hier overbodig.
Voorts verwijst mevrouw Bourlet naar het in de overge
zonden nota gegeven voorbeeld van probatievoorwaarden
voor zedenmisdrijven die in het kader van een probatie-
uitstel of probatie-opschorting worden opgelegd. Het
betreft een voorbeeld van iemand die zich residentieel
dient te behandelen. Een medicamenteuze behandeling
kan als sterk aangeraden worden opgenomen in de
probatievoorwaarden. Er zijn stemmen die stellen dat
dit contra legem is, derhalve worden in dit verband de
woorden “bij voorkeur” gebruikt.
c. Uiteenzetting van de heer Dimitri de Beco en
van mevrouw Delphine Paci, vertegenwoordigers van
AVOCATS.BE
1. Algemene opmerkingen over het wetsontwerp
Het wetsontwerp strekt ertoe het bestaande
Strafwetboek te wijzigen “met betrekking tot het sek
sueel strafrecht”.
AVOCATS.BE vindt het een goede zaak dat de wet
gever de bepalingen van het Strafwetboek aangaande
C’est une bonne chose que, dans une optique de
personnalisation, d’autres peines telles que la peine
de travail et la peine de probation autonome puissent
éventuellement être imposées. La question se pose
toutefois de savoir si la capacité des maisons de justice
est suffisante, sachant qu’il y a déjà souvent des listes
d’attente.
En ce qui concerne l’avis préalable d’un service spé
cialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants
sexuels (article 417/64 en projet, article 74 du projet de
loi; avec établissement d’un rapport, conformément
à l’article 9bis de la loi du 29 juin 1964 concernant la
suspension, le sursis et la probation ), l’oratrice préco
nise de ne pas en faire une obligation. Ces avis sont
précieux lorsqu’une problématique d’ordre sexuel est
à l’origine du fait de mœurs commis, mais cela ne vaut
pas dans tous les cas. De plus, il y a un manque de
psychiatres capables de rendre de tels avis; la demande
excède l’offre. Il faut également tenir compte du fait que
l’instance qui rend l’avis ne peut pas ensuite administrer
elle-même la thérapie.
En ce qui concerne les observations qu’elle a trans
mises par écrit, Mme Bourlet attire l’attention sur le fait
que la formule “position reconnue de confiance, d’autorité
ou d’influence sur un mineur” apparaît dans un certain
nombre d’articles. À son avis, le mot “reconnue” est
superflu dans ce contexte.
Mme Bourlet évoque ensuite l’exemple, contenu dans
la note qu’elle a envoyée, de conditions de probation
pour faits de mœurs qui sont imposées dans le cadre
d’un sursis probatoire ou d’une suspension probatoire.
L’exemple en question concerne une personne qui doit
suivre un traitement résidentiel. Un traitement médica
menteux peut être inclus dans les conditions de probation
au titre de démarche vivement recommandée. Certains
estiment toutefois qu’il s’agit d’une pratique contra legem;
c’est la raison pour laquelle, dans ce contexte, on utilise
les mots “de préférence”.
c. Exposé de M. Dimitri de Beco et de Mme Delphine
Paci, représentants d’AVOCATS.BE
1. Remarques générales sur le projet de loi
Le projet de loi a pour vocation de modifier le Code
pénal actuel “en ce qui concerne le droit pénal sexuel”.
AVOCATS.BE salue la volonté du législateur de réfor
mer les dispositions du Code pénal concernant les
2141/006
DOC 55
322
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
feiten van aantasting van iemands seksuele integriteit
wil hervormen om dergelijke feiten beter te kunnen
aanpakken.
Het lijdt immers geen twijfel dat zij tot zware trauma’s
leiden, en het is goed dat almaar meer stemmen opgaan
om dat soort van misdrijven grondiger aan te pakken.
Voorts willen de indieners van het wetsontwerp terecht
dat voor misdrijven van seksuele aard de nadruk voort
aan komt te liggen op de erdoor veroorzaakte aantasting
van de eigen seksuele autonomie en dus niet langer van
de familiale orde of van de eer.
Niettemin is AVOCATS.BE van mening dat deze
hervorming zou moeten worden ingebed in het ontwerp
van alomvattende hervorming van het Strafwetboek die
thans nog steeds aan de gang is.
AVOCATS.BE had zich geschaard achter de oprichting
van de Commissie tot hervorming van het strafrecht,
“belast met het uitwerken van een oriëntatienota, die
de hervorming van het Strafwetboek voorbereidt”, en
had grotendeels ingestemd met het door die Commissie
geformuleerde hervormingsvoorstel dat in 2019 is
bekendgemaakt1.
Een hervorming willen doorvoeren in twee tijden, dat
wil zeggen door nu al een “nieuw seksueel Strafwetboek”
uit te schrijven terwijl in de nabije toekomst wellicht de
hervorming van het hele Strafwetboek wordt aangeno
men, lijkt contraproductief te zijn en verwarring in de
hand te werken.
Zo wordt in de korte beschrijving van het ontwerp
aangegeven dat, aangezien de hervorming van het
Strafwetboek uitblijft, om “de nieuwe tekst aan te passen
aan het oude Strafwetboek van 1967, diende te worden
teruggekeerd naar de criminele straffen zoals ze tot
op vandaag bestaan en er diende rekening te worden
gehouden met de systematische correctionalisering
van de correctionaliseerbare misdaden. Aangezien
het onderscheid tussen verzwarende bestanddelen en
verzwarende omstandigheden, zoals in de oorspronke
lijke teksten van de Commissie tot hervorming van het
strafrecht werd voorgesteld, onbekend is in ons huidig
Strafwetboek, diende er te worden teruggekeerd naar
het huidige begrip “verzwarende omstandigheden” (ver
zwaring van het maximum van de straf, verzwaring van
het minimum van de straf, of verzwaring van beide), en
1
J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH en J. DE HERDT, met
medewerking van M. DEBAUCHE en M. TAEYMANS, “Naar
een nieuw Strafwetboek? Het voorstel van de Commissie tot
hervorming van het strafrecht”, Brugge, die Keure, 2019, 591 blz.
faits d’atteinte à l’intégrité sexuelle des personnes, afin
d’apporter une réponse plus adaptée à ceux-ci.
Il est indéniable que de tels faits provoquent des trau
matismes considérables et il est salutaire que de plus
en plus de voix s’élèvent pour réclamer une meilleure
prise en compte de ce type d’infractions.
C’est également à raison que les auteurs du projet
souhaitent que l’accent soit désormais mis, en matière
d’infractions à caractère sexuel, sur l’atteinte qu’elles
constituent à l’autonomie sexuelle individuelle et non
plus à l’ordre familial ou l’honneur.
Cependant, AVOCATS.BE estime que cette réforme
devrait s’inscrire dans le projet de réforme global du
Code pénal, toujours en cours.
AVOCATS.BE avait accueilli favorablement la création
de la commission de réforme du droit pénal “chargée
d’élaborer une note d’orientation qui prépare la réforme
du Code pénal et une proposition de réforme du Code
pénal” et avait en grande partie approuvé la proposition
de réforme formulée par cette commission et publiée
en 20191.
Vouloir procéder à une réforme en deux temps, en
écrivant dès à présent un “nouveau Code pénal sexuel”
alors que la réforme de l’ensemble du Code pénal devrait
être adoptée dans un futur proche, parait contreproductif
et source de confusions.
Ainsi, le projet indique que compte-tenu de ce que
la réforme du Code pénal se fait attendre, “pour adap
ter le nouveau texte à l’ancien Code de 1867, il a fallu
revenir aux peines criminelles antérieures et prendre en
compte la correctionnalisation systématique des crimes
correctionnalisables. Comme la distinction entre les
éléments aggravants et les circonstances aggravantes,
telle qu’elle est proposée dans les textes originaux de la
Commission de réforme du droit pénal est inconnue dans
notre Code actuel, il a fallu revenir à l’actuelle notion de
circonstances aggravantes (aggravation du maximum
de la peine, aggravation du minimum de la peine, voire
aggravation des deux) et le texte en projet propose de
retenir, à titre transitoire, des “facteurs aggravants” que
le juge doit prendre en considération lors du choix de
la peine ou de la mesure et du taux de celle-ci.”. Il va
1
J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH et J. DE HERDT, avec le
concours de M. DEBAUCHE et M. TAEYMANS, Un nouveau
Code pénal pour le futur. La proposition de la Commission de
réforme du droit pénal, Dossier n° 27 de la Revue de droit pénal
et de criminologie, Bruxelles, La Charte, 2019, 575 p.
323
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
in de ontworpen tekst wordt voorgesteld om, voorlopig,
“verzwarende factoren” aan te reiken die de rechter in
aanmerking moet nemen bij het maken van de keuze van
de straf of maatregel en de zwaarte ervan.”. Het spreekt
vanzelf dat een dergelijke werkwijze het Strafwetboek
er niet bevattelijker op maakt, hoewel zulks het opzet
van de wetgever is.
De hervorming van het “seksueel strafrecht” zou echter
vooral moeten worden ingebed in de meer omvattende
reflectie omtrent de hervorming van het Strafwetboek.
Zo ontbreekt in het wetsontwerp de straf van een
opgelegde behandeling, terwijl een dergelijke straf
deel uitmaakt van de voorstellen van de Commissie tot
hervorming van het Strafwetboek en bijzonder zinvol is
inzake misdrijven van seksuele aard. In dit verband geeft
de memorie van toelichting aan dat deze “straf enkel
voorbehouden voor de daders van seksuele misdrijven
(…) ongetwijfeld een bron van ongerechtvaardigde dis
criminatie [zou] zijn”, en verderop zelfs dat “de opgelegde
behandeling integraal [moet] worden opgenomen in
de ruimere discussie rond de beperkte strafrechtelijke
verantwoordelijkheid en (…) dit bekeken [dient] te wor
den in de ruimere hervorming van het strafrecht in haar
geheel” (blz. 5).
In de memorie van toelichting wordt eenzelfde op
merking gemaakt aangaande de afschaffing dan wel de
wijziging van de regels inzake de bijkomende straf van
terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank;
ter zake wordt aangegeven dat dit “debat (…) nog [moet]
plaatsvinden” (blz. 7).
Die volstrekt gegronde opmerkingen gelden even
wel voor de volledige hervorming van het “seksueel
Strafwetboek”. Daarom is AVOCATS.BE van mening dat
de indiening van dit wetsontwerp een voorbarig initiatief
is en dat de voorgestelde hervorming beter kan worden
opgenomen in de aanstaande alomvattende hervorming
van het Strafwetboek.
Niettemin wil AVOCATS.BE zijn advies over dit aldus
ingediende wetsontwerp geven en zal het hieronder
ingaan op de belangrijkste wijzigingen die in het wets
ontwerp vervat zijn.
2. Definitie van “toestemming”
Het wetsontwerp beoogt het begrip “toestemming”
opnieuw te definiëren.
Concreet wordt voorgesteld een artikel 417/5 in te
voegen, luidende:
de soi qu’un tel procédé ne favorise pas une meilleure
lisibilité, pourtant voulue par le législateur, du Code pénal.
Surtout, la réforme du “droit pénal sexuel” devrait
impérativement s’inscrire dans la réflexion plus globale
qui accompagne la réforme du Code pénal.
La peine de traitement imposé, par exemple, est
absente du projet alors qu’elle fait partie des propositions
de la commission de réforme du Code pénal et qu’elle
trouve particulièrement son sens en matière d’infrac
tions à caractère sexuel. L’exposé des motifs explique
à ce sujet que “Réserver cette peine aux seuls auteurs
d’infractions sexuelles serait indubitablement source de
discrimination non justifiée”. Il est même mentionné que
“la peine de traitement imposé doit faire partie intégrante
de la discussion plus large sur la responsabilité pénale
atténuée et devrait être prise en compte dans la réforme
plus large du droit pénal dans son ensemble” (p. 5).
La même remarque est faite dans l’exposé des motifs
concernant la suppression ou les modifications des
règles régissant à la peine complémentaire de mise à
disposition du tribunal de l’application des peines, au
sujet desquels il est indiqué que “le débat doit encore
avoir lieu” (p. 6).
Ces remarques, tout à fait fondées, valent cependant
pour l’ensemble de la réforme du “Code pénal sexuel”
et AVOCATS.BE estime dès lors que le dépôt de ce
projet constitue une initiative prématurée et qu’il serait
préférable d’inscrire la réforme proposée dans la future
réforme du Code pénal dans son ensemble.
La commission tient néanmoins à faire part, par la
présente, de son avis sur le projet tel qu’il a été déposé,
et reviendra ci-après sur les principales modifications
qu’il contient.
2. La définition du consentement
Le projet de loi propose d’établir une nouvelle définition
du consentement.
Concrètement, le projet propose d’instaurer un ar
ticle 417/5, rédigé comme suit:
2141/006
DOC 55
324
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is
gegeven.
Dit wordt beoordeeld in het licht van de omstandig
heden van de zaak.
De toestemming kan niet worden afgeleid uit de lou
tere ontstentenis van verweer van het slachtoffer. De
toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik
voor of tijdens de seksuele handeling. Toestemming is
er in ieder geval niet indien de seksuele handeling het
gevolg is van een aanranding, bedreiging, geweld, ver
rassing, list of een andere strafbare gedraging.
Toestemming is er evenmin wanneer de seksuele
handeling is gepleegd ten nadele van iemand die in een
kwetsbare toestand verkeert ten gevolge van bewuste
loosheid, slaap, angst, invloed van alcohol, verdovende
middelen, psychotrope stoffen of enige andere substan
tie met een soortgelijke uitwerking, een ziekte of een
lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid,
waardoor de vrije wil is aangetast.”.
Het kan vast en zeker geen kwaad eraan te herinneren
dat, zoals de memorie van toelichting aangeeft, “het
gebrek aan verweer van het slachtoffer niet noodzakelijk
toestemming impliceert” (blz. 20).
In de laatste paragraaf van artikel 417/5 worden be
paalde omstandigheden opgenomen die het begaan van
aantastingen van andermans seksuele integriteit heel vaak
bevorderen of vergemakkelijken; AVOCATS.BE begrijpt
dat zulks het mogelijk moet maken seksuele agressie
te vervolgen, ook wanneer het slachtoffer gezien diens
toestand geen weigering kenbaar heeft kunnen maken
of zich niet tegen de ondergane seksuele handelingen
heeft kunnen verweren. Niettemin heeft AVOCATS.BE
ernstig bezwaar tegen de wijze waarop deze paragraaf
is verwoord.
Met de zinsnede “Toestemming is er evenmin wan
neer (…)” dreigt men immers een vermoeden van niet-
toestemming te scheppen zodra iemand onder invloed
van alcohol of van een psychotrope stof verkeert.
De ontstentenis van toestemming moet kunnen worden
afgeleid uit een geheel van omstandigheden, en niet
automatisch uit het loutere feit dat de betrokkene onder
invloed verkeert. Zoals in de memorie van toelichting
trouwens wordt aangegeven, blijkt uit de rechtspraak
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
dat de inzake seksueel misbruik vervolgende autoriteiten
“Le consentement suppose que celui-ci a été donné
librement.
Ceci est apprécié au regard des circonstances de
l’affaire.
Le consentement ne peut pas être déduit de la simple
absence de résistance de la victime. Le consentement
peut être retiré à tout moment avant ou pendant l’acte à
caractère sexuel. En tout état de cause, il n’y a pas de
consentement si l’acte à caractère sexuel résulte d’une
agression, d’une menace, de violence, d’une surprise,
d’une ruse, ou d’un autre comportement punissable.
Il n’y a pas davantage de consentement lorsque l’acte
à caractère sexuel a été commis au préjudice d’une
personne en situation de vulnérabilité due à un état
d’inconscience, de sommeil, de peur, à l’influence de
l’alcool, de stupéfiants, de substances psychotropes ou
de toute autre substance ayant un effet similaire, à une
maladie ou à une infirmité ou une déficience physique
ou mentale, altérant le libre arbitre.”.
Il est assurément utile de rappeler, comme le fait
l’exposé des motifs, que “l’absence de résistance de
la victime n’implique pas nécessairement son consen
tement” (p. 20).
AVOCATS.BE comprend par ailleurs que l’intégration,
dans le dernier paragraphe de l’article 417/5, de certaines
circonstances favorisant ou facilitant bien souvent la
commission d’atteintes à l’intégrité sexuelle d’autrui,
a pour objectif de permettre la poursuite d’agressions
sexuelles y compris lorsque la victime n’a pas été en
mesure d’exprimer un refus ou de résister aux actes
sexuels subis, en raison de son état. AVOCATS.BE émet
cependant de vives réserves quant à la formulation de
ce paragraphe.
En indiquant que “il n’y a pas davantage de consen
tement lorsque (…)”, le risque est en effet la création
d’une présomption de non-consentement dès qu’une
personne aura été sous l’influence de l’alcool ou d’une
substance psychotrope.
L’absence de consentement doit pouvoir se déduire
d’un ensemble de circonstances, et non de manière
automatique du seul état d’influence de la personne
concernée. Comme le rappelle d’ailleurs l’exposé des
motifs, il résulte de la jurisprudence de la CEDH qu’en
matière d’abus sexuels les autorités poursuivantes ont
l’obligation d’examiner tous les faits et de statuer après
325
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verplicht zijn alle feiten te onderzoeken en uitspraak te
doen na alle omstandigheden te hebben beoordeeld2.
De verwijzing naar de aantasting van de vrije wil lijkt
geen toereikende garantie te bieden tegen het gevaar
dat een vermoeden van niet-toestemming wordt gecre
ëerd, aangezien de “invloed van alcohol, verdovende
middelen of psychotrope stoffen” onvermijdelijk de vrije
wil minstens ten dele aantast.
Zulks geldt des te meer in geval van “geestelijke on
volwaardigheid”, de laatste hypothese die de ontworpen
bepaling beoogt. Geestelijke onvolwaardigheid gaat
heel vaak gepaard met een vermindering van de vrije
wil. Een automatische afleiding van de ontstentenis van
toestemming heeft de hoogst ongelukkige consequen
tie – al poogt het wetsontwerp dit te weerleggen3 – dat
mensen met een mentale beperking het vermogen wordt
ontnomen in een seksuele relatie toe te stemmen en
aldus in zekere zin er een te hebben.
Een dergelijk vermoeden van niet-toestemming in het
leven roepen komt er bovendien de facto op neer dat
de bewijslast voor de onschuld bij de verdachte komt
te liggen.
Overigens verbaast het AVOCATS.BE ten zeerste in
het wetsontwerp te lezen dat een “volledige omkering
van de bewijslast in die zin dat niet-toestemming steeds
wordt vermoed bij seksuele handelingen en de vooraf
gaande toestemming moet kunnen worden bewezen door
de verdachte, (…) een brug te ver [lijkt] te zijn”, alsof de
inachtneming van het vermoeden van onschuld en de
ermee gepaard gaande verplichting voor de vervolgende
partij om de schuld van de verdachte te bewijzen, en niet
omgekeerd, geen vanzelfsprekendheid zijn.
Algemeen is AVOCATS.BE geen voorstander van de
keuze om in die paragraaf een welbepaald aantal situaties
op te nemen waaruit de afwezigheid van toestemming
zou kunnen worden afgeleid.
Het moet absoluut aan de rechters worden overge
laten geval per geval te oordelen over de situaties die
hun worden voorgelegd, zonder die situaties te vatten
in definities die de rechters te weinig armslag bieden.
2
E.H.R.M., 4 december 2003, M.C. v. Bulgarije, §§ 165-166 en
180-181. Zie ook L. LAVRYSEN, “De vereiste van een grondig
onderzoek onder artikel 3 EVRM” (noot onder E.H.R.M., 2 mei 2017,
B.V. v. België), N.C., 2017, blz. 477; I. WATTIER, “L’attentat à la
pudeur et le viol, in Les infractions. Volume 3. Les infractions
contre l’ordre des familles, la moralité publique et les mineurs”,
Brussel, Larcier, 2011, blz. 83.
3
“De toestemmingspremisse mag dus niet worden gelezen alsof
voornoemde personen hun seksualiteit niet mogen beoefenen.”
(blz. 17).
s’être livrées à une appréciation de l’ensemble des
circonstances2.
La référence à l’altération du libre arbitre ne parait
pas constituer une garantie suffisante contre ce risque
de création d’une présomption de non-consentement,
puisque par définition l’influence de l’alcool, de stupéfiants
ou de substances psychotropes entraine une altération
au moins partielle du libre arbitre.
C’est encore plus le cas en cas de déficience men
tale, dernière hypothèse visée par la disposition. Une
déficience mentale entraine bien souvent une diminution
du libre arbitre. En déduire de manière automatique
une absence de consentement revient, de manière
particulièrement malheureuse – même si le projet s’en
défend3- à ôter aux malades mentaux la capacité de
consentir à des relations sexuelles, et donc en quelque
sorte d’en avoir.
En outre, créer une telle présomption de non-consen
tement revient, de facto, à faire porter au suspect la
charge de la preuve de son innocence.
AVOCATS.BE s’étonne d’ailleurs vivement de ce que
le projet mentionne qu’“un renversement complet de la
charge de la preuve, dans le sens où le non-consente
ment est toujours présumé en cas d’actes à caractère
sexuel et où le consentement préalable doit pouvoir être
prouvé par le suspect, semble aller trop loin”, comme
si le respect de la présomption d’innocence et l’obliga
tion corollaire pour la partie poursuivante de prouver la
culpabilité du suspect, et non l’inverse, n’étaient pas
une évidence.
De manière plus générale, AVOCATS.BE désap
prouve le choix de viser dans ce paragraphe un nombre
déterminé de situations dont se déduirait l’absence de
consentement.
Il faut impérativement laisser le soin aux juges d’appré
cier les situations qui leurs sont soumises au cas par
cas, sans les enfermer dans des définitions leur laissant
trop peu de marge de manœuvre.
2
C.E.D.H., 4 décembre 2003, M.C. c. Bulgarie, §§ 165-166 et
180-181. Voir également L. LAVRYSEN, “De vereiste van een
grondig onderzoek onder artikel 3 EVRM” (note sous C.E.D.H.,
2 mai 2017, B.V. c. Belgique), N.C., 2017, p. 477; I. WATTIER,
“L’attentat à la pudeur et le viol”, in Les infractions. Volume 3.
Les infractions contre l’ordre des familles, la moralité publique
et les mineurs, Bruxelles, Larcier, 2011, p. 83
3
p. 17: “Le prérequis du consentement ne peut donc pas être
interprété comme si les personnes précitées ne pouvaient pas
vivre leur sexualité”.
2141/006
DOC 55
326
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In de memorie van toelichting staat trouwens terecht
dat een “opsomming van factoren waaruit de afwezigheid
van toestemming juridisch kan worden afgeleid, (…) op
het eerste gezicht niet nodig [is], aangezien hierin het
gevaar schuilt onvolledig te zijn.”(blz. 16). AVOCATS.BE
betreurt dat de indieners van het wetsontwerp uiteinde
lijk geen rekening hebben gehouden met die relevante
opmerking.
AVOCATS.BE is daarom van oordeel dat die paragraaf
zou moeten worden weggelaten.
Zo niet zouden op zijn minst de woorden “Toestemming
is er evenmin wanneer (…)” moeten worden vervangen
door “De afwezigheid van toestemming kan onder meer
worden afgeleid uit (…)”.
3. De leeftijd van de seksuele meerderjarigheid
Het wetsontwerp strekt tot instelling van een onweer
legbaar vermoeden van afwezigheid van toestemming
van de minderjarige jonger dan zestien jaar (nieuw
art. 417/6, § 1 van het Strafwetboek), met onder § 2 een
versoepeling van dat vermoeden voor minderjarigen
tussen veertien en zestien jaar.
Tussen veertien en zestien jaar is toestemming moge
lijk, zij het alleen indien sprake is van een relatie tussen
twee personen van wie het leeftijdsverschil niet meer dan
twee jaar bedraagt. Dit heeft tot gevolg dat de leeftijd van
zestien jaar de minimumleeftijd is; onder die leeftijd kan
een jongere niet instemmen met een seksuele relatie,
tenzij het leeftijdsverschil tussen de desbetreffende
jongeren niet meer dan twee jaar bedraagt.
Kortom, een zestienjarige die seksuele betrekkingen
heeft met een partner van veertien jaar is niet strafbaar.
Indien hij op de dag waarop hij zeventien wordt opnieuw
seksuele betrekkingen heeft met zijn partner die echter
nog niet de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, dan
pleegt die zeventienjarige ditmaal wel een inbreuk.
Nochtans heeft de Commissie voor de herziening
van het Strafwetboek de seksuele meerderjarigheid
vastgelegd op veertien jaar, met beperkingen inzake de
toestemming tussen veertien en zestien jaar (art. 131,
derde lid en volgende) indien het leeftijdsverschil tus
sen de dader en de minderjarige groter is dan vijf jaar
of indien hij zich in een gezags- of vertrouwenspositie
bevindt. AVOCATS.BE was voorstander van die oplos
sing toen die tijdens de hoorzitting in het kader van de
herziening van het Strafwetboek in de commissie voor
Justitie werd voorgesteld, onder voorwaarde evenwel
dat zou worden afgezien van de verwijzing naar het te
vage begrip “gezags- of vertrouwenspositie”.
L’exposé des motifs indique d’ailleurs à juste titre que
“À première vue, une énumération de facteurs permettant
de déduire juridiquement l’absence de consentement
n’est pas nécessaire, au risque d’être incomplète.”(p. 16).
AVOCATS.BE regrette que les auteurs du projet ne se
soient finalement pas conformés à cette observation
pertinente.
AVOCATS.BE estime dès lors que ce paragraphe
devrait être supprimé.
À défaut, il y aurait lieu à tout le moins de remplacer
les termes “Il n’y a pas davantage de consentement
(…)” par “L’absence de consentement peut notamment
se déduire de (…)”.
3. L’âge de la majorité sexuelle
Le projet de loi instaure une présomption irréfragable
de non consentement du mineur en dessous de 16 ans
(nouvel art. 417/6, § 1er du Code pénal) avec, au § 2, un
tempérament à cette présomption pour les mineurs âgés
entre 14 et 16 ans.
Entre 14 et 16 ans, le consentement est possible mais
uniquement dans l’hypothèse d’une relation entre deux
personnes présentant une différence d’âge de deux
ans. Ceci a donc pour effet de faire de l’âge de 16 ans
l’âge limite en dessous duquel il n’est pas possible
pour un jeune de consentir à une relation sexuelle sauf
dans l’hypothèse où les personnes concernées ont une
différence d’âge de maximum deux ans.
En clair, un jeune de 16 ans qui a une relation sexuelle
avec un partenaire de 14 ans n’est pas punissable. Le
jour où il atteint 17 ans, si son partenaire n’a pas encore
atteint 15 ans et qu’ils ont à nouveau des relations
sexuelles, le jeune de 17 ans commet cette fois une
infraction.
Pourtant la Commission de révision du Code pénal
prévoyait, quant à elle, la majorité sexuelle à 14 ans
avec des hypothèses de restriction du consentement
entre 14 et 16 ans (art. 131, al. 3 et s.) si la différence
d’âge entre l’auteur et le mineur excédait cinq ans ou
s’il était dans une position d’autorité ou de confiance.
AVOCATS.BE s’était montré favorable à cette solution,
lors de son audition à la commission justice sur le projet
de révision du Code pénal, sous réserve de la référence
à la notion de “position d’autorité ou de confiance” trop
floue et à laquelle il était demandé de renoncer.
327
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
AVOCATS.BE stelt vast en betreurt dat het wetsont
werp geen of nauwelijks duiding geeft bij dat heel grote
verschil tussen de gekozen oplossing en die welke door
de Commissie voor de herziening van het Strafwetboek
werd voorgesteld, en roept de wetgever op de denkoe
fening uit te diepen.
Voorts heeft AVOCATS.BE kennis genomen van
het advies van de Ligue des Droits Humains, die pleit
voor een weerlegbaar vermoeden van afwezigheid van
toestemming tussen veertien en zestien jaar, behalve
bij situaties waarin sprake is van incest of een invloeds
positie. Volgens AVOCATS.BE is dit een interessante
denkpiste, zij het met voorbehoud met betrekking tot
het begrip “invloedspositie” (zie hierna).
4. Intrafamiliaal misbruik en invloedspositie
Het wetsontwerp strekt tot toevoeging van een nieuw
onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestem
ming dat van toepassing zou zijn op alle minderjarigen,
ook die van zestien jaar en ouder (nieuw art. 417/6 van
het Strafwetboek).
Het nieuwe art. 417/6, § 3, zou immers bepalen dat een
minderjarige “nooit uit vrije wil [kan] toestemmen indien:
1° de dader een bloedverwant of aanverwant is in de
rechte opgaande lijn of een adoptant of een bloedverwant
of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of
ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft
in het gezin of ongeacht welke persoon die gewoonlijk
of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die
over die minderjarige gezag heeft, of
2° de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader ge
bruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrou
wen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige.”.
AVOCATS.BE heeft geen opmerkingen bij de eerste
uitsluitingsgrond voor de mogelijkheid tot vrijwillige
toestemming door een minderjarige en is het eens met
de keuze voor deze toevoeging in het Strafwetboek.
De tweede uitsluitingsgrond, meer bepaald de for
mulering ervan, doet daarentegen een probleem rijzen.
In de memorie van toelichting staat te lezen dat in
dezen wordt verwezen naar “een lid van het personeel
van een onderwijsinstelling, een bedienaar van een
eredienst, een voorganger in plechtigheden van een
niet-confessionele levensbeschouwing, een arts of
een andere gezondheidswerker, een persoon die de
opvang verzorgt in een medisch-pedagogisch instituut,
AVOCATS.BE constate et regrette que le projet ne
s’explique pas ou à peine sur cet écart très important
entre la solution retenue et celle qui avait été proposée
par la commission de révision du Code pénal, et invite
le législateur à pousser plus loin sa réflexion.
AVOCATS.BE a par ailleurs pris connaissance de
l’avis de la Ligue des Droits Humains, qui plaide pour
une présomption réfragable de non consentement
entre 14 et 16 ans, sauf pour les situations d’inceste
et de positions d’influence. AVOCATS.BE estime qu’il
s’agit là d’une piste de réflexion intéressante, avec
une réserve néanmoins quant à la notion de “position
d’influence” (cfr. infra).
4. Abus intrafamiliaux et position d’influence
Le projet ajoute (nouvel art. 417/6 du Code pénal), une
autre présomption irréfragable de non-consentement,
applicable à tous les mineurs, même âgés de 16 ans
ou plus.
Le nouvel art. 417/6 prévoit en effet encore dans son
paragraphe 3 qu’un mineur n’est” jamais réputé avoir la
possibilité d’exprimer librement son consentement” si:
“1° l’auteur est un parent ou un allié en ligne directe
ascendante, ou un adoptant, ou un parent ou un allié en
ligne collatérale jusqu’au troisième degré, ou toute autre
personne qui occupe une position similaire au sein de
la famille, ou toute personne cohabitant habituellement
ou occasionnellement avec le mineur et qui a autorité
sur lui, ou si
2° l’acte a été rendu possible en raison, dans le
chef de l’auteur, d’une position reconnue de confiance,
d’autorité ou d’influence sur le mineur.”.
La première cause d’exclusion à la possibilité de libre
consentement par un mineur n’appelle aucune remarque
de la part d’AVOCATS.BE, qui approuve le choix de cet
ajout dans le Code.
Par contre, la deuxième cause d’exclusion pose
question, dans sa formulation.
L’exposé des motifs indique qu’il est notamment fait
référence ici à “un membre du personnel d’un établis
sement d’enseignement, à un ministre d’un culte, à un
guide de cérémonie d’une conception philosophique non
confessionnelle, à un médecin ou à un autre professionnel
de la santé, à une personne qui assure l’accueil dans
un institut médicopédagogique, à un assistant social
2141/006
DOC 55
328
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
een maatschappelijk werker of een verantwoordelijke
in het kader van een activiteit voor jongeren.” (blz. 13).
Volgens het wetsontwerp kan een minderjarige – ook
tussen zestien en achttien jaar – dus nooit vrijwillig in
stemmen met een seksuele relatie met een persoon die
tot die (niet-exhaustieve) categorie behoort.
Men kan zich terecht afvragen of het raadzaam is dit
vermoeden in de wet op te nemen, wetende dat er meer
bepaald wordt gedoeld op animatoren van jongerenac
tiviteiten die soms nochtans even oud of bijna even oud
zijn als de jongeren voor wie ze activiteiten begeleiden.
Er wordt weliswaar verduidelijkt dat de toestemming
alleen is uitgesloten indien “de daad mogelijk is gemaakt
door” die erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed
ten aanzien van de minderjarige, maar die bewoordingen
zijn niet duidelijk genoeg en zullen volgens AVOCATS.
BE moeilijk in de praktijk kunnen worden toegepast.
Hoe kan immers worden bepaald of een seksuele relatie
mogelijk werd gemaakt door het feit dat een partner een
animator of een leerkracht van de andere was, en niet
om andere redenen?
AVOCATS.BE vraagt vooral dat men opnieuw zou
nagaan of het raadzaam is dat vermoeden te behouden
voor de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaar.
Daarnaast is AVOCATS.BE van oordeel dat dit
vermoeden op zijn minst anders zou moeten worden
geformuleerd.
AVOCATS.BE stelt trouwens vast dat in de memorie
van toelichting wordt aangegeven dat “ervoor [wordt]
geopteerd zich te aligneren op de terminologie gehan
teerd in het artikel 3.5 van de Europese richtlijn 2011/93/
EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel
misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinder
pornografie”, met andere woorden “misbruik maken van
een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed
ten aanzien van het kind” (blz. 13).
Die terminologie is nochtans niet in overeenstemming
met het opschrift van het ontworpen artikel; er is een
significant nuanceverschil.
AVOCATS.BE is van oordeel dat de bepaling onder 2°
wel degelijk zou moeten worden vervangen door de
woorden “de dader heeft misbruik gemaakt van een
erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten
aanzien van de minderjarige”.
ou à un responsable dans le cadre d’une activité pour
jeunes” (p. 13).
Selon le texte, un mineur – y compris âgé
de 16 à 18 ans – n’est donc jamais réputé avoir la pos
sibilité d’exprimer librement son consentement à une
relation sexuelle avec une personne appartenant à cette
catégorie (non exhaustive).
Il est permis de se demander si l’instauration de cette
présomption est opportune, sachant que sont donc
notamment visés des animateurs d’activités pour jeunes,
qui ont pourtant parfois le même âge ou presque que
les jeunes qu’ils animent.
Certes il est précisé que le consentement n’est exclu
que lorsque “l’acte a été rendu possible en raison” de
ladite position reconnue de confiance, d’autorité ou
d’influence sur le mineur. Ces termes manquent cepen
dant de clarté et seront selon AVOCATS.BE difficile à
appliquer en pratique. Comment en effet déterminer si
une relation sexuelle a été rendue possible en raison
du fait qu’un partenaire était l’animateur ou l’enseignant
de l’autre, et non pour d’autres raisons?
À titre principal, AVOCATS.BE demande que l’oppor
tunité du maintien de cette présomption à la catégorie
d’âge de 16 à 18 ans soit réexaminée.
À titre subsidiaire, AVOCATS.BE estime qu’elle devrait
à tout le moins être formulée en d’autres termes.
AVOCATS.BE constate d’ailleurs que l’exposé des
motifs annonce que “l’option est prise de s’aligner sur
la terminologie utilisée à l’article 3.5 de la directive euro
péenne 2011/93/UE du 13 décembre 2011 relative à la
lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle
des enfants, ainsi que la pédopornographie”, soit les
termes “en abusant d’une position reconnue de confiance,
d’autorité ou d’influence sur un enfant” (p. 13).
Cette terminologie n’est pourtant pas conforme au
libellé de l’article en projet, et la nuance est significative.
AVOCATS.BE estime qu’il y aurait effectivement lieu
de remplacer le 2° par les termes “l’auteur a abusé d’une
position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence
sur le mineur”.
329
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
5. Aantasting van de seksuele integriteit
Het bestaande misdrijf van aanranding van de eer
baarheid zou worden vervangen door het misdrijf van
aantasting van de seksuele integriteit, zoals beschreven
in het nieuwe artikel 417/7.
AVOCATS.BE had zich over de invoering van dit
“nieuwe” misdrijf al uitgelaten in haar advies over het
ontwerp van hervorming van boek 2 van het Strafwetboek;
tot haar tevredenheid stelt zij vast dat, zoals zij had
voorgesteld, de in de Franse tekst van dat ontwerp
gehanteerde term “acte sexuel” werd vervangen door
de term “acte à caractère sexuel”; aldus kunnen alle
handelingen die momenteel het misdrijf van aanranding
van de eerbaarheid uitmaken, beter worden gedekt.
6. Definitie van verkrachting
Artikel 417/11 herdefinieert verkrachting als volgt:
“Verkrachting is elke gestelde daad die bestaat of
mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke aard
en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of
met behulp van een persoon die daar niet in toestemt.
Dit misdrijf wordt bestraft met opsluiting van tien tot
vijftien jaar.”.
Ook in dezen vindt AVOCATS.BE het een goede zaak
dat, zoals zij tijdens de hoorzitting over het ontwerp
van hervorming van boek 2 van het Strafwetboek had
bepleit, in de Franse tekst de woorden “entièrement
ou partiellement” achterwege zijn gelaten omdat zij
verwarring zaaien.
7. Strafverzwaring en verzwarende omstandigheden
AVOCATS.BE stelt vast dat het wetsontwerp beoogt
de maximumstraffen voor de seksuele misdrijven stel
selmatig en fors op te trekken.
Voor sommige misdrijven wordt de straf opgevoerd van
een gevangenisstraf gaande van 6 maanden tot 5 jaar
naar een straf van 15 tot 20 jaar opsluiting.
AVOCATS.BE betreurt deze louter repressieve be
nadering, die haaks staat op de bedoelingen die de
Commissie tot hervorming van het Strafwetboek kenbaar
had gemaakt.
Zij roept de wetgever ertoe op zich nader te beraden
over het nut van strafverzwaring wanneer het –overi
gens terecht – de bedoeling was de veroordeling tot
alternatieve straffen te bevorderen voor de gevallen
waarin de gevangenisstraf niet echt noodzakelijk lijkt.
5. Atteinte à l’intégrité sexuelle
Le délit actuel d’attentat à la pudeur est remplacé
par le délit d’atteinte à l’intégrité sexuelle, décrit dans
le nouvel article 417/7.
AVOCATS.BE s’était déjà exprimé sur l’introduction
de cette “nouvelle” infraction dans son avis sur le pro
jet de réforme de livre 2 du Code pénal, et constate et
approuve que le terme “acte sexuel” employé dans ce
projet, a été remplacé comme elle le proposait par le terme
“acte à caractère sexuel”, permettant de mieux recouvrir
l’ensemble des actes pouvant constituer l’infraction – à
l’heure actuelle – d’attentat à la pudeur.
6. Définition du viol
Le viol est redéfini à l’art. 417/11 de la manière suivante:
“On entend par viol tout acte qui consiste en ou se
compose d’une pénétration sexuelle de quelque nature
et par quelque moyen que ce soit, commis sur une per
sonne ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent
pas. Cette infraction est punie de la réclusion de dix à
quinze ans.”.
AVOCATS.BE approuve à nouveau que, comme elle
l’avait demandé à l’occasion de son audition relativement
au projet de réforme du livre 2 du Code pénal, les termes
“entièrement ou partiellement” sources de confusion,
aient été abandonnés.
7. Aggravation des peines et circonstances
aggravantes
AVOCATS.BE constate que dans le projet les seuils
des peines pour les infractions à caractère sexuel sont
tous systématiquement et lourdement augmentés.
Certaines infractions passent d’une peine de 6 mois
à 5 ans d’emprisonnement, à une peine de 15 à 20 ans
de réclusion.
AVOCATS.BE regrette cette option purement répres
sive, contraire aux intentions affichées par la commission
de réforme du Code pénal.
Elle invite le législateur à s’interroger plus avant sur
l’utilité de l’alourdissement des peines, alors qu’à juste
titre, l’intention affichée était de favoriser la condamnation
à des peines alternatives dans les cas où l’emprisonne
ment ne parait pas absolument nécessaire. Dans les cas
2141/006
DOC 55
330
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wanneer zulks wél het geval is, kunnen nu al, met de
huidige strafmarges, voldoende zware straffen worden
opgelegd; het is dus noodzakelijk noch nuttig die op te
trekken.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) gaat vooreerst in op
het prostitutievraagstuk. Zij stelt vast dat het door haar
ingediende wetsvoorstel ter zake sommige actoren in
verwarring brengt, terwijl andere daarentegen vinden
dat er dankzij dat voorstel eindelijk een statuut voor de
sekswerkers kan komen. De hamvraag blijft evenwel
hoeveel percent van de sekswerkers dat beroep vrij en
met toestemming uitoefenen, en hoeveel percent van
hen wordt uitgebuit. Sommigen beweren dat 85 % wordt
uitgebuit en dat een versoepeling van de regels met
betrekking tot de resterende 15 % alle sekswerkers zou
benadelen. Anderen zijn dan weer de mening toegedaan
dat 85 % het beroep vrij en met toestemming uitoefent
en dat het dus belangrijk is dat zij aanspraak kunnen
maken op sociale rechten. Beschikken de gastsprekers
dienaangaande over statistieken, en wat denken zij van
die percentages?
Volgens de gastsprekers moeten de bestaande in
strumenten worden gehandhaafd om de slachtoffers te
beschermen en om te kunnen blijven vervolgen. Maar hoe
kan dan op een interessante manier worden ingespeeld
op de vraag naar een statuut van de sekswerkers die
het beroep vrij en met toestemming uitoefenen? Wat
verdient de voorkeur: een zelfstandigen- of een bedien
denstatuut? Moet in dat laatste geval het Strafwetboek
niet worden gewijzigd, zodat een sekswerker die voor
de arbeidsrechtbank verschijnt zijn vordering niet nietig
verklaard ziet op grond van de openbare orde en de
goede zeden?
Bovendien stelt de spreekster vast dat het wetsont
werp in verschillende straffen voorziet naargelang de
prostitutie betrekking heeft op minderjarigen jonger
dan 16 jaar dan wel op minderjarigen tussen 16 en 18 jaar,
alsof een situatie in het laatste geval minder ernstig zou
zijn. Hoe staan de gastsprekers tegenover het idee van
een onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming
onder de 18 jaar? Moet het wetsontwerp niet in die zin
via amendementen worden bijgestuurd, aangezien
sommige verenigingen opwerpen dat prostitutie onder
de 18 jaar onaanvaardbaar is in het licht van bepaalde
internationale verdragen?
In verband met de verspreiding van seksueel getinte
beelden heeft Child Focus aangegeven dat er een ver
soepeling moest komen in de lijn van de regeling inzake
où il l’est, les fourchettes de peines actuelles permettent
déjà des peines suffisamment lourdes, sans qu’il soit
nécessaire ni utile de les augmenter.
3. Gedachtewisseling
a. Vragen en opmerkingen van de leden
Mme Vanessa Matz (cdH) aborde en premier lieu la
question de la prostitution. Elle constate que, si certains
acteurs sont troublés par la proposition, d’autres acteurs
de terrain estiment au contraire que cette proposition
permettrait enfin qu’il existe un statut pour les travailleurs
du sexe. La question de départ demeure cependant de
savoir quel pourcentage de personnes exerce ce travail de
manière libre et consentante par rapport à celles qui sont
exploitées. Certains affirment que 85 % sont exploités et
qu’un assouplissement des règles qui viserait les 15 %
restant fragiliserait l’ensemble des travailleurs du sexe,
alors que d’autres estiment au contraire que 85 % exercent
ce travail de manière libre et consentante et qu’il est dès
lors important que ces personnes puissent bénéficier
de droit sociaux. Les orateurs invités disposent-ils de
statistiques en la matière et quelle est leur évaluation
de ces pourcentages?
Les orateurs invités ont souligné la nécessité de main
tenir les dispositifs existants pour protéger les victimes et
continuer à pouvoir poursuivre. Mais, comment répondre
de manière intéressante à la demande des travailleurs
du sexe qui exercent de manière libre et consentante,
de disposer d’un statut? Faut-il privilégier un statut
d’indépendant ou un statut d’employé? Dans ce dernier
cas, faut-il modifier le Code pénal pour permettre que,
devant un tribunal du travail, le travailleur ne se voit pas
opposer la nullité de son action, sur la base de l’ordre
public et des bonnes mœurs?
L’intervenante constate en outre que le projet de loi
prévoit des peines différentes selon que la prostitution
concerne des mineurs âgés de moins de 16 ans ou âgés
entre 16 et 18 ans, comme si la seconde situation était
moins grave que la première. Quel est l’avis des orateurs
invités sur l’idée d’instaurer une présomption irréfragable
de non-consentement en-dessous de 18 ans? Ne fau
drait-il pas amender le projet de loi dans ce sens, vu
que certaines associations signalent que la prostitution
en dessous de 18 ans n’est pas acceptable au regard
d’un certain nombre de conventions internationales?
Concernant la diffusion d’images à caractère sexuel,
Child Focus a indiqué qu’il fallait assouplir en s’ali
gnant sur le dispositif prévu en matière de majorité
331
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
seksuele meerderjarigheid, waarbij wat tussen de leeftijd
van 14 en 16 jaar gebeurt dus niet langer strafbaar is.
Dat standpunt verbaast mevrouw Matz, die aangeeft
dat waar men aanvankelijk nog in het verspreiden van
seksueel getinte beelden kan toestemmen, men zich
vervolgens kan bedenken. Zij vraagt de gastsprekers
dan ook opnieuw uit te leggen waarom het zo belangrijk
is een ter zake ingrijpende regeling te handhaven.
Wat incest betreft, geeft mevrouw Matz aan dat het
door haar ter zake ingediende wetsvoorstel incest als
strafrechtelijk misdrijf invoert, zelfs wanneer het slacht
offer ouder is dan 18. Ook al vangt incest volgens de
actoren in het veld doorgaans aan vóór die leeftijd, kan
het zijn dat het misbruik pas na die leeftijd van start
gaat. Bevestigen de gastsprekers dat het zinvol is te
voorzien in het incestmisdrijf, ook als de incest na de
leeftijd van 18 wordt gepleegd, en eenzelfde kwalificatie
te hanteren, ongeacht of het slachtoffer ouder of jonger
is dan 18?
De heer Ben Segers (Vooruit) stelt dat zijn fractie
veel belang hecht aan de strijd tegen de mensenhandel
en tegen eender welke vorm van uitbuiting. Zijn vragen
zullen in de eerste plaats bedoeld zijn voor het parket.
Zijn eerste vraag betreft het bestaan van een zinvollere
vorm van verdere decriminalisering van prostitutie. Hoe
kan zulks worden ingevuld? Verzetten de sprekers zich
tegen elke vorm waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat
een uitzendbureau een legale overeenkomst sluit met
een sekswerker, of is een verdere decriminalisering wel
mogelijk voor zover dit bijvoorbeeld tot zelfstandigen
beperkt blijft?
Vervolgens gaat de spreker in op het vervolgingsbeleid
inzake mensenhandel. In vorige uiteenzettingen werd
reeds uitgelegd dat op het terrein een verwarring kan
ontstaan bij de interpretatie van de toepassing van de
begrippen “misbruik van prostitutie” en “mensenhandel”
met het oog op seksuele uitbuiting. Het is ook bekend
dat de onderzoeken over mensenhandel complex zijn
en dat het tijdrovend is het nodige bewijsmateriaal te
verzamelen. Volgens sommige sprekers is het basis
misdrijf “pooierschap” nodig om mensenhandel aan te
pakken. De heer Segers vraagt of het ook zou kunnen
dat er een dynamiek ontstaat waarbij het voor de parket
ten gemakkelijker, efficiënter en sneller zal zijn om met
succes bewijsmateriaal te verzamelen voor onderzoeken
naar abnormaal profijt in het kader van misbruik van
prostitutie dan bij onderzoeken inzake mensenhandel.
In welke mate zou het gemakkelijker kunnen zijn voor
magistraten om te opteren voor een tenlastelegging
sexuelle et donc en ne pénalisant plus ce qui se fait
entre 14 et 16 ans. Mme Matz est surprise par ce point
de vue car elle estime que, même si la diffusion d’images
à caractère sexuel a pu être consentie dans un premier
temps, cela peut ne plus l’être par la suite. Elle souhaite
rait dès lors que les orateurs invités réexpliquent l’intérêt
de maintenir un dispositif fort à ce sujet.
Concernant l’inceste, Mme Matz signale que sa pro
position de loi en la matière prévoit l’instauration d’un
crime d’inceste, même quand la victime est âgée de
plus de 18 ans. Même si, d’après les acteurs de terrain,
l’inceste commence généralement avant cet âge-là, il
existe des cas où cela commence au-delà de cet âge.
Est-ce que les orateurs invités confirment l’intérêt de
prévoir l’instauration d’un crime d’inceste, même au-delà
de l’âge de 18 ans, et de prévoir la même qualification,
que la victime soit plus ou moins âgée que 18 ans?
M. Ben Segers (Vooruit) déclare que, pour son groupe,
la lutte contre la traite des êtres humains et toutes les
formes d’exploitation est essentielle. Il indique que ses
questions s’adressent en priorité au parquet.
Sa première question concerne l’existence d’une
forme plus sensée de décriminalisation accrue de la
prostitution. Quels en seraient les contours? Les orateurs
s’opposent-ils à toute forme permettant à une entreprise
de travail intérimaire de conclure un contrat légal avec
un travailleur du sexe ou une décriminalisation accrue
est-elle possible pour autant qu’elle reste limitée aux
indépendants par exemple?
L’intervenant aborde ensuite la politique de poursuites
en matière de traite d’êtres humains. Il a déjà été expliqué
dans des exposés précédents qu’une confusion peut
apparaître sur le terrain en ce qui concerne l’interprétation
de l’application des notions d’ “abus de la prostitution”
et de “traite d’êtres humains” à des fins d’exploitation
sexuelle. On sait également que les enquêtes rela
tives à la traite d’êtres humains sont complexes et qu’il
faut en outre beaucoup de temps pour rassembler les
preuves nécessaires. Certains orateurs estiment que
le “proxénétisme” est l’infraction de base nécessaire
pour s’attaquer à la traite d’êtres humains. M. Segers
demande s’il pourrait aussi s’enclencher une dynamique
permettant aux parquets de réunir des preuves avec plus
de facilité, d’efficacité et de rapidité dans les enquêtes
relatives au profit anormal dans le cadre de l’ “abus de la
prostitution” que dans les enquêtes portant sur la “traite
d’êtres humains”? Quelles sont les conséquences pour
2141/006
DOC 55
332
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“misbruik van prostitutie” in plaats van “mensenhandel”?
Wat zijn de gevolgen voor de slachtoffers die normaliter
moeten worden doorverwezen naar het slachtofferstatuut
mensenhandel?
Met betrekking tot publiciteit geeft de heer Segers
aan dat de minister van Justitie op een van zijn monde
linge vragen heeft geantwoord dat decriminalisering de
contacten zou vergemakkelijken tussen de autoriteiten
en de beheerders van de sites en dat het op die manier
mogelijk zou zijn om met bepaalde providers en andere
internetfora beter te screenen op uitbuitingssituaties.
Het lid vraagt of, op basis van het ter bespreking voor
liggende wetsontwerp, het nog mogelijk zal zijn om die
protocolafspraken te maken, aangezien digitale reclame
via derden toch verboden zal blijven omdat enkel het
aanbieden van eigen diensten op een digitaal platform
zal worden toegelaten.
De heer Segers vraagt vervolgens of de toevoeging
van het nieuwe concept “misbruik van prostitutie” een
impact kan hebben op de werking van het bestrijdings
apparaat inzake mensenhandel. Hij denkt bijvoorbeeld
aan de sociale inspectiediensten die in het kader van
controles van contracten van sekswerkers en abnor
maal profijt een veel grotere rol zullen moeten spelen.
Dit zal volgens hem mogelijks een grote aanpassing
vergen van hun werking, bijkomende middelen alsook
een overgangsperiode vereisen. Momenteel focussen
de eerstelijnsdiensten zich op vermoedelijke slachtof
fers van mensenhandel en baseren ze zich hierbij op
indicatoren en contextgegevens. Moeten dan ook die
indicatoren worden herzien en aangepast?
Voorgaande sprekers hebben ook verwezen naar de
mogelijkheid dat de werking van de gespecialiseerde
centra inzake mensenhandel zou worden uitgebreid
naar de slachtoffers van misbruik van prostitutie. Zou
een dergelijke uitbreiding niet tot een uitholling van het
slachtofferconcept “mensenhandel” kunnen leiden?
Ten slotte vraagt de heer Segers om een stand van
zaken wat betreft de rol van referentiemagistraten. Wordt
hun rol in de strijd tegen mensenhandel niet afgezwakt
doordat ze te veel andere prioriteiten krijgen en niet altijd
genoeg middelen voorhanden hebben?
Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) brengt vooreerst
de toestemming ter sprake. Ze is in de eerste plaats
tevreden met het voorgestelde begrip “toestemming”;
het heeft immers de verdienste dat de slachtoffers mak
kelijker klacht zouden kunnen indienen, wat tot nu toe
vaak uitermate moeilijk is omdat ze zich schamen en zich
schuldig voelen. De spreekster stelt echter vast dat de
les victimes auxquelles il faut normalement attribuer le
statut de victime de traite d’êtres humains?
S’agissant de la publicité, M. Segers indique que le
ministre de la Justice a répondu à l’une de ses questions
orales que la décriminalisation faciliterait les contacts
entre les autorités et les gestionnaires de sites et qu’il
serait ainsi possible de détecter plus efficacement les
situations d’exploitation sur les forums internet avec l’aide
de certains fournisseurs d’accès et d’autres acteurs. Le
membre demande s’il sera encore possible de conclure
ces protocoles d’accord sur la base du projet de loi à
l’examen, dès lors que la publicité numérique par le biais
de tiers restera tout de même interdite, parce qu’il sera
uniquement autorisé d’offrir ses propres services sur
une plateforme numérique.
M. Segers demande ensuite si l’ajout du nouveau
concept d’” abus de la prostitution” peut avoir un impact
sur le fonctionnement du dispositif de lutte contre la traite
d’êtres humains. Il songe par exemple aux services
d’inspection sociale, qui devront jouer un rôle beaucoup
plus important dans le cadre des contrôles des contrats
des travailleurs du sexe et du profit anormal. L’intervenant
estime qu’il est probable que ce rôle accru exigera un
ajustement considérable de leur fonctionnement, des
moyens supplémentaires ainsi qu’une période transitoire.
Les services de première ligne se concentrent actuel
lement sur les victimes présumées de la traite d’êtres
humains et se basent à cet égard sur des indicateurs et
des données contextuelles. Ces indicateurs doivent-ils
dès lors être revus et adaptés?
Des orateurs précédents ont également évoqué la
possibilité d’étendre l’action des centres spécialisés en
matière de traite d’êtres humains aux victimes de l’abus
de la prostitution. Une telle extension ne pourrait-elle
pas avoir pour effet de vider le concept de victime de la
“traite d’êtres humains” de sa substance?
M. Segers demande enfin un état des lieux concernant
le rôle des magistrats de référence. Leur rôle dans la
lutte contre la traite d’êtres humains n’est-il pas affaibli
par le fait qu’un nombre excessif d’autres priorités leur
sont imposées et qu’ils ne disposent pas toujours de
moyens suffisants?
Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) aborde, quant à
elle, d’abord la question du consentement. Au premier
abord, elle accueille favorablement la notion de consen
tement qui est proposée car elle présente le mérite de
faciliter le dépôt de plaintes par les victimes, alors qu’on
sait que c’est souvent extrêmement difficile en raison
des sentiments de honte et de culpabilité. Elle constate
333
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
meningen over die toestemming verdeeld zijn. Sommige
verenigingen vrezen dat de voorgestelde hervorming de
bewijslast voor de slachtoffers zal bemoeilijken, terwijl
AVOCATS.BE van oordeel is dat die hervorming de
bewijslast al te zeer bij de vermeende daders zou leg
gen. Het College van procureurs-generaal is dan weer
van mening dat die hervorming weinig zal veranderen
en dat de bewijslast voor problemen zal blijven zorgen.
Door die tegenstrijdige boodschappen is het niet van
zelfsprekend tot een conclusie te komen.
De spreekster stelt ook tegenstrijdigheden vast met
betrekking tot de interpretatie van een persoon die gezag,
vertrouwen of invloed uitoefent. Bepaalde verenigingen
zijn van oordeel dat dit wetsontwerp tot gevolg zou heb
ben dat de slachtoffers niet alleen de positie van gezag,
vertrouwen of invloed moeten bewijzen, maar ook het
misbruik dat van die positie wordt gemaakt, terwijl be
paalde sprekers aanstippen dat het wetsontwerp in zijn
huidige vorm alleen het bewijs van de positie van gezag,
vertrouwen of invloed vereist en niet van het misbruik
dat daarvan wordt gemaakt; zij bevelen derhalve aan
uitdrukkelijk te bepalen dat ook het bewijs van misbruik
moet worden geleverd.
Wat de verzwaring van de strafmaat betreft, benadrukt
mevrouw Hugon dat de huidige onbevattelijkheid een
gevolg is van het feit dat men nog steeds werkt binnen
het raam van het huidige Strafwetboek, terwijl men
nochtans weet dat er binnenkort een nieuw strafstelsel
zal worden voorgesteld.
De spreekster brengt vervolgens de prostitutie en
het pooierschap ter sprake en vraagt wat de precie
ze strekking is van het Verdrag van New York en van
artikel 380 van het Strafwetboek, die elke vorm van
pooierschap bestraffen. Zou men bijvoorbeeld kunnen
stellen dat de Staat zich schuldig maakt aan pooier
schap wanneer de aangegeven inkomsten uit prostitutie
worden belast, of wanneer bepaalde gemeenten een
raambelasting heffen?
Mevrouw Hugon vraagt of een ruimer opgevat misdrijf
van pooierschap dan thans het geval is, de enige juri
dische mogelijkheid zou zijn om mensenhandel tegen
te gaan. Is het in dat verband juridisch gerechtvaardigd
een misdrijf te behouden dat uitsluitend tot doel heeft
een ander misdrijf te kunnen vastleggen? Werden de
huidige en de toekomstige behoeften kwantitatief in
kaart gebracht voor het geval het ruimere misdrijf van
pooierschap van toepassing zou worden?
Wat de formulering van artikel 433quater/1 van het
Strafwetboek betreft, rijst de vraag of “aanzetten tot”
cependant que les avis sont partagés sur cette question
du consentement. Certaines associations estiment que
la réforme proposée va alourdir la charge de la preuve
pour les victimes alors que Avocats.be estime que cette
réforme reportera la charge de la preuve de manière
excessive sur les auteurs présumés, tandis que le Collège
des procureurs généraux estime, quant à lui, que cette
réforme ne changera pas grand-chose et qu’on restera
avec des difficultés en matière de preuve. Face à ces
messages contradictoires, il n’est pas évident d’aboutir
à une conclusion.
L’intervenante constate qu’il y a aussi des messages
contradictoires concernant l’interprétation à donner à la
notion de personne d’autorité, de confiance ou d’influence.
Pour certaines associations, le texte actuel demande aux
victimes de pouvoir prouver, non seulement la position
d’autorité, de confiance ou d’influence, mais également
l’abus qui est fait de cette position, alors que certains
orateurs indiquent que, dans son état actuel, le texte
ne requiert que la preuve de la position et non celle de
l’abus de cette position, et recommandent de prévoir
explicitement la preuve de l’abus.
Concernant la question de l’aggravation des peines,
Mme Hugon souligne que l’absence de lisibilité actuelle
est liée au fait qu’on travaille toujours dans le cadre du
Code pénal actuel, tout en sachant d’un nouveau système
de peines sera proposé prochainement.
L’intervenante revient ensuite sur la question de la
prostitution et du proxénétisme et demande quelle est
la portée exacte de la Convention de New York et de
l’article 380 du Code pénal qui sanctionnent toute forme
de proxénétisme. Pourrait-on, par exemple, considérer
l’État comme coupable de proxénétisme, dès lors qu’il
taxe les revenus de la prostitution lorsqu’ils sont déclarés
ou que certaines communes taxent les carrés?
Mme Hugon demande si le maintien d’une infraction de
proxénétisme plus large que ce n’est le cas actuellement
est la seule manière juridique de lutter contre la traite des
êtres humains. À cet égard, est-il juridiquement légitime
de maintenir une infraction dont le seul but est de pouvoir
en déterminer une autre? Existe-t-il une quantification
des besoins actuels et futurs au cas où l’infraction de
proxénétisme plus large entrerait en vigueur?
À propos de la formulation de l’article 433quater/1 du
Code pénal, la notion d’incitation est-celle comprise de
2141/006
DOC 55
334
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
op dezelfde wijze dient te worden begrepen als bij het
misdrijf van het aanzetten tot prostitutie.
Moet in het hoofdstuk over prostitutie uitdrukkelijk het
begrip “kwetsbaarheid” worden opgenomen, om soci
aaleconomische redenen dan wel om redenen die het
migratie- of het administratieve statuut betreffen? Zou
een dergelijk begrip van pas komen om te oordelen of
al dan niet sprake is van uitbuiting?
De spreekster vindt ten slotte dat men oog moet heb
ben voor het risico op conflicten tussen de toepasselijke
juridische raamwerken inzake de lopende onderzoeken
en procedures.
Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) peilt vooreerst naar
het standpunt van het College van procureurs-generaal
over het idee om te voorzien in afzonderlijke misdrijven
en straffen voor zaken als sextortion of dick pics.
Voorts stelt ze vast dat de legalisering van prostitutie
tal van vragen en opmerkingen doet rijzen. Ze wil het
standpunt van de sprekers kennen: kan men de huidige
regelgeving beter ongewijzigd laten, of kan ze op be
paalde punten worden aangepast? Hebben zij eventueel
suggesties voor aanpassingen?
Meer in het algemeen heeft mevrouw De Wit twijfels
bij het feit dat men de hervorming van de strafwetgeving
inzake seksuele misdrijven afzonderlijk aanpakt, terwijl
thans tegelijk werk wordt gemaakt van een meer alom
vattende hervorming van het Strafwetboek. Is het de
bedoeling de strafwetgeving inzake seksuele misdrijven
achteraf opnieuw in het nieuwe Strafwetboek in te voegen?
Zo ja, dreigt zulks dan niet voor problemen te zorgen,
aangezien dat nieuwe Strafwetboek op een heel andere
leest dan het huidige Strafwetboek geschoeid zal zijn?
Zo strekken de artikelen 85 tot 105 van het wetsont
werp ertoe te bepalen dat het elektronisch toezicht,
de werkstraf en de probatie kunnen worden opgelegd
voor seksuele misdrijven, wat thans niet het geval is.
Volgens de spreekster is zulks technisch gezien niet
vanzelfsprekend. Ten gronde is mevrouw de Wit van
oordeel dat het elektronisch toezicht, de werkstraf en de
probatie niet zonder reden zijn uitgesloten voor seksuele
delinquenten. Ze vraagt zich af of de opheffing van die
uitsluiting voldoende zal kunnen worden opgevolgd
door de zittende magistratuur om de veiligheid van de
samenleving te waarborgen, temeer daar het niet langer
verplicht zou zijn het advies van de gespecialiseerde
diensten te vragen.
la même manière que dans l’infraction d’incitation à la
prostitution?
Faudrait-il introduire explicitement dans le chapitre
sur la prostitution, une notion de vulnérabilité, que ce
soit pour des questions socio-économiques ou de statut
migratoire ou administratif? Une telle notion aiderait-elle
à apprécier s’il y a ou non exploitation?
L’intervenante estime enfin qu’il faudra être attentif au
risque de collision entre les cadres juridiques applicables
concernant les enquêtes et procédures en cours.
Mme Sophie De Wit (N-VA) demande d’abord quel est
le point de vue du Collègue des Procureurs généraux
concernant l’idée de prévoir des infractions et des peines
séparées pour des phénomènes tels que la sextorsion
ou la dick pic.
Elle constate par ailleurs qu’il existe de nombreuses
questions et remarques concernant la légalisation de
la prostitution. Elle s’interroge sur le point de vue des
orateurs: serait-il préférable de laisser telle quelle la
réglementation actuelle ou certaines adaptations sont-
elles possibles? Quelles sont éventuellement leurs
suggestions d’adaptation?
De manière plus générale, Mme De Wit émet des
doutes sur la démarche qui consiste à traiter séparément
la réforme de la législation pénale en matière d’infrac
tions à caractère sexuel alors même qu’une réforme
plus globale du Code pénal est en cours. Est-ce que
l’idée sera ensuite de réintroduire la législation pénale
en matière d’infractions à caractère sexuel dans le
nouveau Code pénal? Si oui, cela ne risque-t-il pas de
poser problème, compte tenu du fait que ce nouveau
Code pénal sera basé sur une approche très différente
du Code pénal actuel.
Ainsi, dans les articles 85 à 105 du projet de loi, il est
prévu que la surveillance électronique, le peine de travail
d’intérêt général et la probation, ne seront plus exclues
pour les infractions à caractère sexuel comme c’est le
cas actuellement. Sur le plan technique, l’intervenante
estime que ce n’est pas une évidence. Sur le fond,
Mme De Wit estime que l’exclusion de la surveillance
électronique, de la peine de travail d’intérêt général et
de la probation, pour les délinquants sexuels avait sa
raison d’être. Elle se demande si la suppression de cette
exclusion pourra être suffisamment bien rattrapée au
niveau des magistrats du siège pour garantir la sécurité
de la société, d’autant plus que l’avis qui était demandé
aux services spécialisés deviendra facultatif.
335
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw De Wit stelt zich ook vragen bij artikel 106 van
het wetontwerp, dat ertoe strekt de antecedenten met
betrekking tot het probatie-uitstel weg te laten. Ze wijst
erop dat die bepaling een algemene strekking heeft
die veel verder reikt dan het seksueel strafrecht en
betrekking heeft op alle feiten. Ze wijst aldus op een
tegenstrijdigheid, aangezien de indieners van het wets
ontwerp voor bepaalde aspecten, zoals die welke door
de Raad van State werden aangestipt (de terbeschik
kingstelling, het beroepsgeheim en de verjaring van de
straf) van oordeel zijn dat men niet mag vooruitlopen
op wat in algemene zin zal worden beslist in het raam
van de hervorming van het Strafwetboek, terwijl het
wetsontwerp, wat andere aspecten betreft, ertoe strekt
bepalingen in te voegen waarvan de gevolgen verder
zullen reiken dan het seksueel strafrecht. AVOCATS.
BE heeft zich hierover al uitgesproken, maar wat is het
standpunt van de andere sprekers?
Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) benadrukt vooreerst
dat het belangrijk is heldere en precieze begrippen te
gebruiken, opdat zij die bescherming nodig hebben,
zoals minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel,
ook daadwerkelijk worden beschermd.
Wat de toestemming betreft, stelt de spreekster vast dat
men het eens is over het feit dat een negatieve definitie
van toestemming de beoordelingsbevoegdheid van de
rechter op losse schroeven zet, ook al heeft men met
een dergelijke negatieve definitie de beste bedoelingen.
Mevrouw Rohonyi legt de link met de hashtag “Balance
ton bar”, aangezien het wetsontwerp beoogt te bepalen
dat er sprake is van verkrachting indien de seksuele
handeling werd gepleegd jegens iemand die zich op dat
moment in een kwetsbare situatie bevond, bijvoorbeeld
door alcohol of drugs. Sommigen zouden nog een stap
verder willen gaan door verkrachting met behulp van
drugs als een autonoom misdrijf te beschouwen, zoals
reeds het geval is in Australië of Zweden. Wat denken
de genodigde sprekers hierover?
De spreekster beklemtoont dat het risico bestaat dat
valse verwachtingen worden gewekt bij de slachtoffers
die beter beschermd willen worden. Het is immers niet
alleen door in meer strafbare feiten en/of zwaardere straf
fen te voorzien dat de slachtoffers beter zullen worden
beschermd. Er is ook nog veel werk aan de winkel op
opvoedingsvlak. Volgens sommigen zou ook het Wetboek
van strafvordering moeten worden hervormd. In dat
verband zijn er voorstellen geformuleerd in verband met
het filmen van de verhoren, met de verplichte bijstand
van een advocaat of nog met de inaanmerkingneming
van een posttraumatische stressstoornis als wettelijk
bewijsmiddel. Zijn ook de gastsprekers van mening
Mme De Wit s’interroge aussi sur l’article 106 du
projet de loi qui prévoir de supprimer les antécédents
en ce qui concerne le sursis probatoire. Elle signale
que cette disposition a une portée générale qui va bien
au-delà du droit pénal sexuel mais concerne tous les
faits. Elle souligne donc l’existence d’une contradiction
car, pour certains éléments, tels que ceux pointés par le
Conseil d’État (mise à disposition, secret professionnel
et prescription de la peine), les auteurs du projets de loi
estiment qu’il ne faut pas préjuger de ce qui sera décidé
de manière générale dans le cadre de la réforme du
Code pénal, alors que, pour d’autres éléments, le projet
introduit des dispositions qui auront un impact au-delà
du droit pénal sexuel. Avocats.be s’est déjà exprimé à ce
sujet. Mais quel est le point de vue des autres orateurs?
Mme Sophie Rohonyi (DéFI) souligne tout d’abord
l’importance d’utiliser des termes clairs et précis afin
que les personnes qui doivent être protégées, comme
les mineurs et les victimes de traite des êtres humains,
le soient effectivement.
En ce qui concerne la question du consentement,
l’intervenante constate qu’il y a une unanimité pour
retenir qu’une définition négative du consentement
ne permet pas de garder le pouvoir d’appréciation du
juge, même si une telle définition négative est animée
de bonnes intentions. Mme Rohonyi fait le lien avec le
hashtag “Balance Ton Bar” puisque, dans le projet de
loi, il y a viol si l’acte à caractère sexuel a été commis au
préjudice d’une personne en situation de vulnérabilité,
par exemple, parce qu’elle était sous l’emprise d’alcool
ou de drogue. Certains voudraient aller plus loin en consi
dérant le viol à l’aide de drogue comme une infraction
autonome, comme c’est déjà le cas en Australie ou en
Suède. Quel est l’avis des orateurs invités à ce sujet?
L’intervenante souligne le risque de créer de fausses
attentes dans le chef des victimes qui aspirent à être
mieux protégées. En effet, ce n’est pas uniquement
en prévoyant plus d’infractions et/ou des peines plus
lourdes que les victimes seront mieux protégées. Il y a
aussi tout un travail à effectuer en matière d’éducation.
Selon certains, une réforme du Code d’instruction cri
minelle serait aussi nécessaire. À cet égard, il y a des
propositions concernant le fait de filmer les auditions,
l’assistance obligatoire d’un avocat, ou encore la prise
en compte du syndrome de stress post-traumatique en
tant de moyen de preuve légal. Est-ce que les orateurs
invités estiment aussi que le travail actuel de réforme
2141/006
DOC 55
336
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dat de huidige werkzaamheden tot hervorming van het
Strafwetboek gepaard zouden moeten gaan met de
hervorming van het Wetboek van strafvordering?
Voorts komt mevrouw Rohonyi terug op de ondoeltref
fendheid en zelfs de contraproductiviteit van uitermate
langdurige gevangenisstraffen. De regering lijkt er zich
bewust van te zijn geworden dat men zich meer moet
richten op straffen die in detentiecentra of transitiehui
zen worden uitgezeten. De spreekster onderstreept het
belang van het werk van de steun- en opvangcentra
voor seksuele delinquenten, die momenteel worden
ondergefinancierd in verhouding tot hun werklast. In dat
verband strekt het wetsontwerp ertoe te bepalen dat het
niet langer verplicht, maar facultatief zal zijn een dienst
gespecialiseerd in de begeleiding en de behandeling van
seksuele delinquenten om een met redenen omkleed
advies te vragen. Op die bepaling is zware kritiek geuit.
Welk denken de verschillende sprekers daarvan?
Ook de heer Khalil Aouasti (PS) komt terug op het
begrip “toestemming”. In eerste instantie vraagt hij of
“toestemming” niet eerst zou moeten worden omschreven
als een duidelijk, vrij en met kennis van zake gegeven
akkoord alvorens de omstandigheden te omschrijven
waarin die toestemming wordt gegeven. Vervolgens
vraagt hij zich af of het wel wenselijk is voorbeelden te
geven. Aangezien het strafrecht strikt hoort te worden
geïnterpreteerd, moet een voorbeeld ofwel heel precies
zijn ofwel worden weggelaten. Bestaat niet het risico
dat de rechter door die voorbeelden in een te beperkt
raamwerk wordt gedwongen, dat hem geen ruimte laat
om andere elementen in overweging te nemen? Kan
men niet beter een algemene term gebruiken die naar
die voorbeelden zou verwijzen?
De in artikel 55 van het wetsontwerp in uitzicht gestelde
rechtvaardigingsgrond voor al wie analyses van beelden
van seksueel misbruik van minderjarigen ontvangt, geldt
alleen voor een bij koninklijk besluit erkende instantie.
Zou die beperking niet moeten worden opgeheven,
teneinde aldus te bewerkstelligen dat bijvoorbeeld de
steuncentra, die niet bij koninklijk besluit zijn erkend, kun
nen beschikken over dezelfde gegevens en informatie,
zonder aangeklaagd dreigen te worden?
Het misbedrijf van aanranding van de eerbaarheid
zou verdwijnen. Wat in dat verband de toestemming
betreft, zou een situatie waarin twee minderjarigen met
een onderling leeftijdsverschil van meer dan twee jaar
(bijvoorbeeld in de leeftijd van 17 en 14 jaar) seksuele
betrekkingen met toestemming hebben, kunnen wor
den gekwalificeerd als verkrachting, aangezien een
minderjarige jonger dan 16 jaar geen toestemming kan
verlenen. Zijn de sprekers het eens met die analyse?
du Code pénal devrait être accompagné d’un travail de
réforme du Code d’instruction criminelle?
Mme Rohonyi revient aussi sur le caractère ineffi
cace, voire contre-productif, des très longues peines de
prison. Le gouvernement semble avoir pris conscience
de la nécessité de s’orienter davantage vers des peines
prestées dans des maisons de détention ou des maisons
de transition. L’intervenante souligne l’importance du
travail à réaliser par les centres d’appui et de prise en
charge des délinquants sexuels qui sont actuellement
sous-financés au regard de leur charge de travail. À ce
propos, le projet de loi prévoit que l’avis motivé d’un
service spécialisé dans la guidance et le traitement des
délinquants sexuels ne sera plus obligatoire mais devien
dra facultatif. Cette disposition a été fort critiquée. Quel
est le point de vue des différents orateurs à ce sujet?
M. Khalil Aouasti (PS) revient également sur la notion
de consentement. Il demande d’abord s’il ne faudrait
pas d’abord définir le consentement comme un accord
clair, libre et éclairé, avant de définir les circonstances
qui entourent le consentement. Il s’interroge ensuite sur
l’opportunité des exemplifications. Dans la mesure où le
droit pénal doit être de stricte interprétation, une exempli
fication doit être stricte ou disparaître. L’exemplification
ne risque-t-elle pas de contraindre le magistrat dans un
cadre trop fermé qui ne l’autoriserait pas à considérer
d’autres éléments? Ne faudrait-il pas mieux trouver un
terme générique qui renverrait à cette exemplification?
La cause de justification qui est introduite à l’ar
ticle 55 du projet de loi pour ceux qui reçoivent des
analyse d’images d’abus sexuels de mineurs est limitée
à un organisme reconnu par arrêté royal. Ne faudrait-il
pas supprimer cette limitation afin que, par exemple, les
centres d’appui, qui ne sont pas reconnus par arrêté royal,
puissent bénéficier des mêmes données et informations,
et ne pas risquer une incrimination?
Concernant la question du consentement, avec la dis
parition de l’infraction d’attentat à la pudeur, une situation
où deux mineurs ayant plus de deux ans d’écart (par
exemple, 17 et 14 ans) auraient des relations sexuelles
consenties, pourrait être qualifiée de viol puisqu’un
mineur âgé de moins de 16 ans ne peut consentir. Les
orateurs partagent-ils cette analyse?
337
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Worden het misdrijf van verzwaard misbruik van
prostitutie en het misdrijf van mensenhandel niet door
elkaar gehaald? Aangezien eerstgenoemd misdrijf mak
kelijker te vervolgen is dan het tweede, rijst de vraag of
de slachtoffers niet het risico lopen geen aanspraak te
kunnen maken op de aan het misdrijf van mensenhandel
verbonden waarborgen. Moet eventueel de omschrijving
van het misdrijf van verzwaard misbruik van prostitutie
worden herzien, of moet dat misdrijf gewoon worden
geschrapt?
Met betrekking tot de prostitutie geeft de heer Aouasti
ten slotte aan dat hij zich kan vinden in het beleidsstand
punt dat er via deze hervorming van het Strafwetboek
naar wordt gestreefd de sekswerkers een sociaal statuut
te verlenen, opdat zij sociale rechten kunnen opbouwen.
Sommigen waarschuwen dat zulks wel eens strijdig
zou kunnen zijn met de Europese Dienstenrichtlijn en
de Europese Detacheringsrichtlijn. Gaan de sprekers
daarmee akkoord?
b. Antwoorden van de genodigden en replieken
De heer Ignacio de la Serna komt terug op de situ
atie bij de federale gerechtelijke politie, die kritiek is.
Kennelijk heeft de regering beslist om daar andermaal
te bezuinigen. Aangezien er heel wat (belangrijke) dos
siers hangende zijn, begrijpt de spreker die besparingen
niet. Om de zware en georganiseerde criminaliteit aan
te pakken, is een sterke gerechtelijke politie nodig.
De directeur van de gerechtelijke politie van Charleroi
moest de afdeling Mensenhandel opdoeken door het
gebrek aan speurders.
Mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te
Bergen, gaat in op de mogelijkheid om de prostituees
een statuut te verlenen. Juridisch gezien wordt zulks
belet door het Verdrag van New York. Er bestaan ech
ter tussenoplossingen die de betrokkenen een betere
bescherming zouden kunnen bieden, zonder daarom
alles op zijn kop te zetten.
Het dark number is in dezen ter sprake gekomen.
De spreekster vraagt zich af welk percentage van de
prostituees een statuut wil verkrijgen. Dat black number
moet op twee manieren worden bekeken. In bepaalde
landen zijn er vrouwen die weliswaar een statuut heb
ben, maar niettemin het slachtoffer zijn van misbruik
en mensenhandel. Dat aspect vormt een deel van het
black number. Een andere manier om een en ander te
benaderen, bestaat erin zich af te vragen welk percen
tage van de prostituees dat statuut daadwerkelijk zal
aanvragen. Ook die vraag kan niet worden beantwoord.
Een voorbeeld: toen dat statuut in Griekenland werd
N’existe-t-il pas aussi une certaine confusion entre
l’infraction d’abus aggravé de prostitution et celle de traite
des êtres humains, avec le risque que, la première étant
plus facile à poursuivre que la seconde, les victimes ne
puissent pas bénéficier des garanties liées à l’infraction
de traite des êtres humains? Faut-il éventuellement revoir
la définition de l’infraction d’abus aggravé de prostitution
ou tout simplement faire disparaître cette infraction?
Enfin, concernant la prostitution, M. Aouasti déclare
assumer le point de vue politique qui consiste à vouloir,
à travers cette réforme du Code pénal, octroyer un statut
social aux travailleurs du sexe afin qu’ils puissent béné
ficier de droits sociaux. Certaines personnes mettent en
garde contre un danger lié aux directives européenne
“Services” et “Détachement”. Les orateurs perçoivent-ils
également ce danger?
b. Réponses des orateurs invités et répliques
M. Ignacio de la Serna revient sur la situation de
la police judiciaire fédérale, qui est critique. Il semble
que le gouvernement ait décidé de faire de nouvelles
économies notamment au niveau de la police judiciaire
fédérale. Vu l’importance et le nombre de dossiers en
cours, l’orateur ne comprend pas la politique envisagée.
Pour s’attaquer à la criminalité grave et organisée, il faut
une police judiciaire forte.
Le directeur de la police judiciaire de Charleroi a été
contraint de fermer la section Traite des êtres humains,
à cause du manque d’enquêteurs.
Mme Isabelle Algoet aborde les questions de la pos
sibilité d’un statut pour les prostituées. Juridiquement, la
Convention de New York y fait obstacle. Cependant, il
existe des solutions intermédiaires de nature à amélio
rer leur protection, sans pour autant tout révolutionner.
Il a été question d’un chiffre noir. L’oratrice se demande
quel est le pourcentage de prostituées qui souhaite
obtenir un statut. Il faut envisager ce chiffre noir de deux
manières. Dans certains pays, il existe des femmes qui
disposent d’un statut mais qui sont néanmoins victimes
d’abus et de traite. C’est une partie du chiffre noir. Autre
façon de l’aborder: se demander quel est le pourcentage
de prostituées qui demanderont effectivement ce statut.
De nouveau, il est impossible de répondre à cette ques
tion. À titre d’exemple: en Grèce, lorsque ce statut a été
créé, on a constaté une proportion de 1 000 prostituées
déclarées pour 20 000 à 30 000 qui ne le sont pas. En
2141/006
DOC 55
338
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ingesteld, is gebleken dat 1 000 prostituees zich hebben
laten registreren, tegenover 20 000 à 30 000 dat niet
hebben gedaan. In Duitsland is volgens de recentste
cijfers waarover de spreekster beschikt, 60 % van de
prostituees niet geregistreerd.
Professor Vermeulen heeft gekozen voor een regu
lerend beleid, maar in zijn artikels benadrukt hij dat er
hoe dan ook altijd een black number zal blijven bestaan.
Of we het nu willen of niet, prostitutie zal immers nooit
een beroep als een ander zijn. Veel meisjes zullen altijd
verkiezen onder de radar te blijven. Bovendien zijn veel
meisjes in een economische-overlevingsmodus. Hoe
kan in die context van hen worden gevraagd sociale
bijdragen te betalen? Daarenboven komen veel meisjes
uit het buitenland en blijven zij niet erg lang in België.
Een statuut interesseert hen niet. De grootste behoed
zaamheid blijft dan ook geboden.
In de praktijk slagen sommige vrouwen erin een
zelfstandigenstatuut te verwerven. Andere hebben een
arbeidsovereenkomst in de horeca of als masseuse.
De spreekster haalt een aantal tussenoplossingen aan
waarvoor niet alles moet worden omgegooid. Een optie
bestaat erin artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 betref
fende de arbeidsovereenkomsten te wijzigen. Om de
prostituee te beschermen, zou moeten worden bepaald
dat strijdigheid met de openbare orde niet kan worden
ingeroepen wanneer het in de feiten om prostitutie gaat.
Voorts vermeldt de spreekster de Dienstenrichtlijn en de
Detacheringsrichtlijn. Indien een statuut van sekswerker
wordt gecreëerd met een detacherings- en dienstverle
ningsmogelijkheid, dan zal volgens haar voor een veel
grotere politie- en gerechtscapaciteit moeten worden
gezorgd dan nu het geval is, daar zulks een aanzuig-
effect zal hebben.
Inzake het strafrechtelijk beleid wijzen het auditoraat en
het parket de pooier steeds op de norm. Dienaangaande
bestaat dus volledige transparantie. Vervolging is altijd
mogelijk.
De RSZ zou weliswaar een interessante rol kunnen
spelen, maar het instellen van een statuut dreigt het
brandpunt te doen verschuiven naar de prostituees die
van het statuut geen gebruik hebben gemaakt. Dat risico
duikt nu al op tijdens de multidisciplinaire onderzoeken.
Het doelwit moet het pooierschap blijven. Men mag niet
het verkeerde debat voeren.
Aangaande de verruiming van de tenlasteneming
door de centra tot slachtoffers/prostituees, wijst de
spreekster op de verbintenissen van het Verdrag van
New York. Hulp, preventie en tenlasteneming zijn immers
van wezenlijk belang.
Allemagne, selon les derniers chiffres en la possession
de l’oratrice, 60 % des prostituées ne sont pas déclarées.
Le professeur Vermeulen a fait le choix d’une politique
règlementariste, mais, dans les articles qu’il a écrits, il
souligne qu’il restera en tout état de cause un chiffre
noir, car, qu’on le veuille ou non, la prostitution ne sera
jamais un métier comme un autre. Un grand nombre de
filles préféreront toujours rester sous le radar. En outre,
pas mal de filles sont dans une logique de survie éco
nomique. Comment leur demander dans ces conditions
de payer des cotisations sociales? de plus, une grande
partie sont étrangères et ne restent pas en Belgique très
longtemps. Cela ne les intéresse pas d’avoir un statut.
Il faut donc rester très prudent.
En pratique, certaines femmes parviennent à avoir un
statut d’indépendante. D’autres ont un contrat de travail
horeca ou de masseuse.
L’oratrice cite certaines solutions intermédiaires ne
nécessitant pas de tout révolutionner. Une piste est la
modification de l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978 sur
les contrats de travail. Il faudrait prévoir que la contrariété
à l’ordre public ne peut pas être invoquée quand il s’agit
en réalité de prostitution, pour protéger la prostituée.
L’oratrice mentionne aussi les directives “Services” et
“Détachement”. Si on crée un statut de travailleuse du
sexe avec possibilité de détachement et de services,
l’oratrice pense qu’il faudra prévoir une capacité policière
et judiciaire beaucoup plus importante qu’actuellement
car cela va créer un appel d’air.
Dans les politiques criminelles, l’auditorat et le parquet
rappellent toujours la norme au proxénète. La transpa
rence est donc totale à ce niveau. Les poursuites sont
toujours possibles.
L’intervention de l’ONSS pourrait certes être inté
ressante, cependant, la création d’un statut risque de
déplacer le focus sur les prostituées qui n’ont pas utilisé
le statut. Le danger apparait déjà lors des enquêtes
multidisciplinaires. La cible doit rester le proxénète. Il
ne faut pas se tromper de débat.
Concernant l’élargissement de la prise en charge des
centres vers les victimes prostituées, l’oratrice rappelle
les obligations de la Convention de New York. L’aide, la
prévention, la prise en charge, sont en effet essentielles.
339
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voorts verwijst mevrouw Algoet naar een arrest
van 2016 van de Raad van State over de “raambelasting”.
Zijn er nog andere middelen dan het misdrijf van pooi
erschap om mensenhandel beter te kunnen tegengaan?
De spreekster is daar niet van overtuigd. Er bestaat nu
eenmaal geen wondermiddel. Er is hoe dan ook nood
aan instrumenten om die vorm van menselijke uitbuiting
te kunnen tegengaan.
De heer Maarten Sobrie herhaalt dat volgens de
huidige bewoordingen van het wetsontwerp er een
overlapping is tussen het misdrijf “pooierschap” enerzijds
en het misdrijf “mensenhandel” anderzijds. Wanneer de
minst zware kwalificatie wordt gehanteerd, zullen alle
beschermingsstatuten die aan het misdrijf “mensenhan
del” zijn verbonden, verloren gaan voor de slachtoffers
van mensenhandel.
Er zijn vanzelfsprekend vele andere manieren om
mensenhandel te bestrijden. De gerechtelijke overheid,
die reactief optreedt, is maar een facet in deze strijd.
Ook andere maatschappelijke actoren strijden tegen het
fenomeen, zoals de lokale politie, de sociale inspectie,
diverse verenigingen zoals Payoke, Child Focus enzovoort.
De heer Sobrie is zelf 2 jaar referentiemagistraat ge
weest bij het parket te Antwerpen en heeft ervaren dat
als het stokt bij justitie, het overal stokt. Gerechtelijke
vervolging kan een zekere dynamiek tot stand brengen.
Misdrijven van mensenhandel moeten worden opge
spoord, en in dezen is de positie van de parketmagis
traat, die het strafrechtelijk beleid in zijn arrondissement
organiseert en de betrokkenen engageert, cruciaal. De
ter bespreking voorliggende wetswijzigingen ontnemen
het parket zeer veel wapens in deze strijd.
Mevrouw Nadia Laouar gaat andermaal in op het
voyeurisme. De bepalingen inzake toestemming zijn
van toepassing op dat begrip van voyeurisme en op de
via voyeurisme verspreide beelden, ook al zijn die be
palingen voor dat laatste begrip niet erg geschikt. Er is
bovendien een tweede moeilijkheid: bij kinderpornografie
zou de rechtvaardigingsgrond enkel betrekking hebben
op de wederzijdse uitwisseling tussen instemmende
minderjarigen ouder dan zestien. Hoe zit het dan met
het maken van beelden door minderjarigen jonger dan
zestien jaar? Kunnen zij instemmen, en komt dit niet neer
op een misdrijf van kinderpornografie? Bovendien is het
de vraag of zij kunnen instemmen met de verspreiding
naar derden en, zo ja, vanaf welke leeftijd. Deze vraag
verdient de nodige aandacht indien het om jongvolwas
senen gaat.
Par ailleurs, Mme Algoet fait référence à un arrêt du
Conseil d’État sur la question des “taxes vitrines” en 2016.
Y a-t-il un autre moyen que l’utilisation des infractions
de proxénétisme pour mieux lutter contre la traite des
êtres humains? L’oratrice n’en est pas convaincue. Il
n’existe pas de solution miracle. Il faut en tout cas des
moyens d’action permettant de lutter contre cette forme
d’exploitation humaine.
M. Maarten Sobrie répète que, selon la formulation
actuelle du projet de loi, il existe un chevauchement
des infractions de “proxénétisme”, d’une part, et de
“traite d’êtres humains”, d’autre part. Si la qualification
la moins sévère est utilisée, les victimes de la traite
d’êtres humains perdront tous les statuts de protection
liés à cette infraction.
Il va sans dire qu’il existe de nombreuses autres
manières de lutter contre la traite d’êtres humains. Les
autorités judiciaires, qui agissent de manière réactive,
ne constituent qu’une facette de cette lutte. D’autres
acteurs de la société, tels que la police locale, l’inspection
sociale, diverses associations, telles que Payoke, Child
Focus, etc., luttent également contre ce phénomène.
M. Sobrie a lui-même été magistrat de référence durant
deux ans au parquet d’Anvers et a vécu la situation dans
laquelle un blocage au niveau de la justice conduit à un
blocage généralisé. Des poursuites judiciaires peuvent
enclencher une certaine dynamique. Les infractions
de traite d’êtres humains doivent être détectées et, à
cet égard, le magistrat de parquet occupe une posi
tion cruciale en organisant la politique pénale dans
son arrondissement et en engageant les personnes
concernées. Les modifications législatives à l’examen
privent le parquet d’un nombre considérable d’armes
dans cette lutte.
Mme Nadia Laouar revient sur la question du voyeu
risme. Les dispositions sur le consentement sont appli
cables à cette notion de voyeurisme et de diffusion
du voyeurisme, même si elles ne sont pas tout à fait
adaptées à cette dernière notion. En outre, il y a une
seconde difficulté: la pédopornographie envisage la
cause de justification uniquement du point de vue de
l’échange mutuel entre mineurs consentants de plus
de 16 ans. Quid de la réalisation d’images par des
mineurs de moins de 16 ans? Ont-ils la possibilité de
consentir et cela ne constituera-t-il pas une infraction
de pédopornographie? En outre, ont-ils la possibilité de
consentir à la diffusion à des tiers, et si oui, à quel âge?
Il faut faire attention à cette question en ce qui concerne
les jeunes adolescents.
2141/006
DOC 55
340
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wat de toestemming betreft, schept het wetsontwerp
nieuwe problemen. Waarom gaat het in de definitie
van het misdrijf over het “slachtoffer”, terwijl elders in
het wetboek gewag wordt gemaakt van de “persoon”?
Evenzo is het begrip “aanranding” heel vaag.
Het begrip “dwang” werd daarentegen weggelaten,
wat zorgwekkend is gezien de rechtspraak die inzake dat
begrip is ontstaan. Bovendien is er verwarring tussen de
begrippen “kwetsbaarheid” en “aantasting van de vrije
wil”. De spreekster leidt uit de memorie van toelichting
af dat louter de aantasting van de vrije wil door het in
nemen van bepaalde stoffen wordt bedoeld, maar het
zou beter zijn dat te verduidelijken.
Door de vaagheid van die begrippen kunnen dus enkele
moeilijkheden rijzen; er wordt thans immers al in heel
ruime mate rekening gehouden met de toestemming. Er
is dus geen haast mee gemoeid om deze hervorming
van het seksueel Strafwetboek vóór de rest van het
Strafwetboek aan te nemen.
Wat de aanpak van discriminatie en haatmisdrijven
betreft, volgt het wetsontwerp in verregaande mate de
aanbevelingen van de evaluatiecommissie, wat heel
positief is. Niettemin lijkt het nuttig ook de daaraan ten
grondslag liggende wetgeving aan te passen, teneinde
te voorkomen verwarring te stichten met betrekking tot
een materie die op zich al ingewikkeld is.
Moet het Wetboek van strafvordering worden aangepast
met betrekking tot de bejegening van de slachtoffers? De
spreekster is van mening dat bovenal en in het bijzonder
op het niveau van de magistraten de benadering van
de slachtofferopvang nog moet worden verbeterd. Dat
aspect komt aan bod in de verplichte gespecialiseerde
opleiding die momenteel aan alle magistraten van het
land wordt verstrekt. Men moet kunnen uitleggen waarom
zaken om technische redenen worden geseponeerd.
Wat het facultatieve karakter van het advies van de
gespecialiseerde diensten betreft, is het inderdaad
niet altijd nodig voor alle daders een behandeling met
therapeutische begeleiding te overwegen. Dat advies
is echter een manier om te bepalen of een dergelijke
behandeling al dan niet moet worden overwogen. Het
verplichte advies was in dat opzicht dus zinvol.
Mevrouw Jessica Bourlet geeft ten behoeve van me
vrouw De Wit aangaande de noodzaak van een aparte
strafbaarstelling voor de misdrijven van sextortion en
dick pics aan dat de huidige bepalingen van belaging
(artikel 442bis van het Strafwetboek) en de specifieke
wetsbepaling inzake elektronische overlast afdoende
zijn om deze misdrijven te bestraffen.
En matière de consentement, le texte en projet crée
de nouvelles difficultés. Pourquoi parler de “victime”
dans la définition de l’infraction alors que dans le reste
du code on ne parle de “personne”? De même, la notion
d’ “agression” est très vague.
La notion de “contrainte” en revanche est retirée,
ce qui est inquiétant par rapport à la jurisprudence qui
s’est développée concernant cette notion. En outre, il y
a confusion entre la notion de “vulnérabilité” et d’ “alté
ration du libre arbitre”. L’oratrice comprend à la lecture
de l’exposé des motifs qu’on vise uniquement le libre
arbitre effectivement altéré par la prise de substances,
mais ce serait mieux de le préciser.
Le flou de cette série de notions risque donc de poser
quelques difficultés or le consentement est déjà très
largement pris en compte actuellement. Il n’y a donc
pas d’urgence à adopter cette réforme du code pénal
sexuel avant le reste du code pénal.
En matière de lutte contre les discriminations et délits
de haine, on se calque très fort sur des recommandations
de la commission d’évaluation, ce qui est très positif.
Cependant, il paraitrait utile d’adapter aussi les législa
tions mères sur le sujet, pour ne pas risquer de créer la
confusion dans une matière déjà complexe.
Faut-il adapter le code d’instruction criminelle en ce
qui concerne la prise en considération des victimes?
L’oratrice est d’avis qu’il faut avant tout, notamment dans
le chef des magistrats, améliorer encore la façon d’envi
sager l’accueil des victimes. C’est un des aspects qui
est appréhendé dans la formation spécialisée obligatoire
qui est dispensée actuellement à tous les magistrats du
pays. Il faut par exemple pouvoir expliquer le pourquoi
d’une décision de classement sans suite pour motif
technique.
Sur le caractère facultatif de l’avis des services spé
cialisés, il n’est en effet pas toujours nécessaire d’envi
sager un traitement des mesures de suivi thérapeutique
pour tous les auteurs. Cet avis est cependant une façon
d’évaluer si oui ou non ce traitement doit être envisagé.
Le caractère obligatoire de l’avis avait donc une utilité
à ce point de vue.
En ce qui concerne la nécessité de procéder à une
incrimination distincte pour les infractions de sextortion
et dick pics, Mme Jessica Bourlet répond à Mme De Wit
que les dispositions actuelles relatives au harcèlement
(article 442bis du Code pénal) et la disposition légale
portant spécifiquement sur la nuisance électronique sont
suffisantes pour sanctionner ces infractions.
341
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Ook al was daarin oorspronkelijk niet voorzien, is
de spreekster voorstander van het uitbreiden van het
bestraffingsaanbod voor zedenmisdrijven. Het is wel
zo dat de straf van elektronisch toezicht in de praktijk
door de rechters vrijwel nooit wordt opgelegd. Het gaat
dus vooral over de autonome werkstraf die zou kunnen
worden opgelegd voor zedenfeiten.
Wat het minder strikt maken van de probatievoorwaar
den betreft in die zin dat als in het verleden een hogere
straf van 3 jaar gevangenisstraf werd verkregen, aan
de betrokkene ook probatie-uitstel zou kunnen worden
opgelegd, is mevrouw Bourlet van oordeel dat dit al
leen is aangewezen voor zedenfeiten en niet voor alle
misdrijven in het algemeen. Het gaat er bij zedenfeiten
immers om dat een therapie kan worden opgelegd. Bij
een in het verleden opgelopen hogere gevangenisstraf
van 3 jaar valt immers de mogelijkheid van therapie weg
en kan de strafrechter alleen een effectieve gevangenis
straf opleggen, wat in heel wat zedendossiers niet de
meest adequate bestraffing is.
In de gerechtelijke onderzoeken over zedenfeiten wordt
vaak door de onderzoeksrechters geanticipeerd en wordt
aan een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de
behandeling van seksuele delinquenten een verslag
gevraagd. Derhalve beschikken de strafrechters vaak
al over dit advies en vindt zij het derhalve niet noodza
kelijk om het bij wet altijd verplicht te maken. Vaak is er
ook een ernstig tekort aan dergelijke diensten om een
dergelijk verslag op te maken. Soms gaat het om daders
die geen seksuele problematiek hebben. Er is ook het
bestaande artikel 9bis van de probatiewet, waarvan zij
aanneemt dat dit niet wordt opgeheven, dat de rechter
veel mogelijkheden geeft om een dergelijk voorafgaand
advies te vragen. Het advies is zeker en vast nuttig.
Wat de aparte regeling voor de slachtoffers zelf betreft,
is de spreekster, net zoals mevrouw Laouar, voorstander
van het uitbreiden van het aanbod aan zorgcentra voor
slachtoffers van seksuele misdrijven. Het is nu ook al
zo dat in alle dossiers waar minderjarigen slachtoffer
zijn, de minderjarigen audiovisueel worden verhoord.
De spreekster pleit ervoor zich eerder te focussen op
de bejegening van slachtoffers door meer zorgcentra
dan ervoor een aparte regeling in te schrijven.
Inzake de vereiste van toestemming en in het bijzonder
het ontworpen artikel 417/5, derde lid (artikel 5 van het
wetsontwerp) dat de kwetsbare toestand die de vrije wil
aantast betreft, is mevrouw Bourlet ervan uitgegaan dat
de daarin vermelde omstandigheden eerder exemplatief
Même si ce n’était initialement pas prévu, l’oratrice est
favorable à l’élargissement des possibilités de sanction
pour les attentats aux mœurs. Dans la pratique, la sanc
tion de surveillance électronique n’est toutefois presque
jamais utilisée par les juges. C’est donc principalement
la peine de travail autonome qui pourrait être prononcée
pour les faits de mœurs.
En ce qui concerne l’intention de rendre les condi
tions de probation moins strictes, en ce sens que si
une peine supérieure de trois ans a été obtenue dans
le passé, un sursis probatoire pourrait également être
prononcé à l’encontre de l’intéressé, Mme Bourlet est
d’avis que ce n’est indiqué que pour les faits de mœurs
et non pour toutes les infractions en général. En effet,
dans le cas de faits de mœurs, une thérapie peut être
imposée. Cependant, si une peine d’emprisonnement
supérieure de trois a déjà été prononcée dans le passé,
la possibilité d’imposer une thérapie n’est plus d’appli
cation et le juge pénal peut uniquement prononcer une
peine d’emprisonnement effective, ce qui ne constitue
pas la sanction la plus adéquate dans de nombreux
dossiers de mœurs.
Dans les instructions relatives aux faits de mœurs,
les juges d’instruction anticipent souvent en demandant
un rapport à un service spécialisé dans l’accompa
gnement ou le traitement des délinquants sexuels.
Par conséquent, les juges pénaux disposent souvent
déjà de cet avis et l’oratrice estime qu’il n’est dès lors
pas indispensable de le rendre légalement obligatoire
dans tous les cas. En outre, il y a souvent un nombre
insuffisant de services compétents pour établir un tel
rapport. Parfois il s’agit d’auteurs qui ne présentent pas
de problématique sexuelle. L’oratrice part également
du principe que l’article 9bis de la loi sur la probation,
qui donne au juge de nombreuses possibilités pour
demander un tel avis préalable, ne sera pas abrogé. Il
est incontestable que l’avis est utile.
En ce qui concerne la réglementation distincte pour
les victimes, l’oratrice est, à l’instar de Mme Laouar, en
faveur d’un élargissement de l’offre de centres de soins
pour les victimes d’infractions sexuelles. En pratique,
on constate déjà aujourd’hui que dans tous les dossiers
impliquant une victime mineure, celle-ci est entendue
par visioconférence. L’oratrice plaide pour que l’on se
concentre plutôt sur l’accompagnement des victimes
en créant davantage de centres de soins, et non sur
l’adoption d’une réglementation distincte.
En ce qui concerne l’exigence de consentement et en
particulier l’article 417/5, alinéa 3, en projet (article 5 du
projet de loi), qui porte sur la situation de vulnérabilité
qui altère le libre arbitre, Mme Bourlet suppose que les
circonstances qui y sont mentionnées le sont plutôt à titre
2141/006
DOC 55
342
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zijn. Teneinde discussies te voorkomen, ware het dan
ook aangewezen om dat als dusdanig ook te stellen in
het artikel.
De heer Dimitri de Beco benadrukt dat iedereen een
andere, maar onderling aanvullende werkwijze hanteert.
Zo gaan de verenigingen anders te werk dan AVOCATS.
BE. De standpunten van de verenigingen zijn cruciaal en
dragen ook bij tot de denkoefening van de advocaten.
De moeilijkheid situeert zich vaak bij het indienen
van een klacht; dat moet worden vergemakkelijkt. Veel
vrouwen stappen naar een advocaat met de medede
ling dat hun werd gezegd dat het geen zin heeft een
klacht in te dienen. De advocaten proberen hen dan te
overtuigen dat het belangrijk is toch klacht in te dienen,
wat overigens vaak leidt tot een veroordeling van de
dader. Hoe kan dat probleem worden opgelost? Door
de slachtoffers in te lichten, hen beter op te vangen en
ze aan te sporen een advocaat te raadplegen. Het heeft
in dat opzicht misschien geen zin het wetsontwerp aan
te passen.
Wat bedoelt het parket met een seponering om tech
nische redenen? Seponeert het parket zaken waarbij
het overtuigd is dat er sprake is van verkrachting of
aanranding van de eerbaarheid omdat de huidige wet
geen veroordeling mogelijk maakt?
Mevrouw Nadia Laouar antwoordt dat het vooral gaat
om een gebrek aan bewijzen, wat als een technische
reden wordt beschouwd.
De heer Dimitri Beco vreest dat dit tot verwarring kan
leiden, aangezien het gebrek aan bewijzen geen technisch
probleem is, maar soms gewoon het gevolg is van het
feit dat de verdachte onschuldig is. De spreker is ervan
overtuigd dat het huidige Strafwetboek alle elementen
bevat die de rechter nodig heeft om een veroordeling uit
te spreken voor de situaties als bedoeld in de wet, zoals
de invloed van verdovende middelen of alcohol dan wel
bepaalde omstandigheden waarbij sprake is van misbruik
van invloed. De rechters beschikken al jarenlang over de
instrumenten om in dergelijke situaties te veroordelen.
Zullen de slachtoffers sneller klacht indienen door die
situaties toe te voegen aan het Strafwetboek? De spreker
heeft hier geen antwoord op. Hij vraagt zich af of het
wel de taak van het Strafwetboek is om een slachtoffer
ertoe aan te zetten klacht in te dienen. Men zal er de
statistieken op moeten naslaan.
De advocaten hebben bijzondere aandacht voor het
wetsontwerp, onder meer omdat zij er beroepshalve mee
aan de slag moeten voor de hoven en rechtbanken. De
semantiek heeft haar belang. De zinsnede “de daad is
d’exemple. Afin d’éviter les discussions, il conviendrait
d’apporter cette précision dans l’article.
M. Dimitri de Beco souligne que les approches des
uns et des autres sont différentes et complémentaires. Il
y a notamment les associations d’une part et les juristes
d’AVOCATS.be, d’autre part. Les avis des associations
sont essentiels et permettent aussi de faire évoluer la
réflexion des avocats.
La difficulté réside souvent dans le dépôt de la plainte,
qui doit donc être facilité. Beaucoup de femmes viennent
voir les avocats en indiquant qu’on leur a dit que dépo
ser plainte ne servait à rien. Les avocats tentent alors
de les convaincre de l’intérêt de déposer plainte. Cela
aboutit d’ailleurs régulièrement à une condamnation
de l’auteur. Comment résoudre ce problème? Il faut les
informer, travailler à l’accueil des victimes, les inciter à
consulter un avocat. Changer le texte ne sera peut-être
pas utile à cet effet.
Que veut dire le parquet par un classement sans suite
pour raisons techniques? Classe-t-il les dossiers, où il
est convaincu qu’il y a viol ou attentat à la pudeur, parce
que le texte actuel ne permettra pas une condamnation?
Mme Nadia Laouar répond qu’il s’agit essentiellement
de charges insuffisantes. Cela fait partie des motifs
techniques.
M. Dimitri de Beco considère que cela peut prêter
à confusion, car l’absence de preuves n’est pas un
problème technique mais résulte parfois de l’innocence
du suspect. L’orateur est convaincu que le code pénal
actuel contient tous les éléments nécessaires pour per
mettre au juge de prononcer une condamnation pour
les situations visées dans la loi, que ce soit l’influence
de stupéfiants, l’alcool, certaines circonstances d’abus
d’influence. Depuis des années, les juges disposent
des outils pour condamner ce type de situation. Est-ce
que le fait d’ajouter ces situations dans le code pénal
va inciter les victimes à déposer plainte? L’orateur n’a
pas la réponse. Il n’est pas convaincu qu’il relève du rôle
du code pénal d’inciter une victime à déposer plainte. Il
faudra voir ce que les statistiques en disent.
Les avocats sont particulièrement attentifs au texte,
notamment en raison du fait qu’ils sont des praticiens
des cours et tribunaux. La sémantique a son importance.
La phrase “l’acte a été rendu possible par” est trop
343
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
mogelijk gemaakt door” is te vaag. Volgens de spreker
is de term “misbruik maken” duidelijker. Waarom wordt
geen gebruik gemaakt van die term, die trouwens wordt
gehanteerd in de Europese richtlijn waarnaar in de me
morie van toelichting wordt verwezen?
Het beginsel dat iemand in geval van twijfel dient te
worden vrijgesproken, moet in ons land altijd voorop
staan. In de memorie van toelichting wordt verrassend
genoeg het volgende aangegeven: de “omkering van de
bewijslast” en het feit dat de onschuld van de verdachte
door hem “moet kunnen worden bewezen (…) lijkt een
brug te ver te zijn” [onze cursivering, vert.]. Een en ander
ligt nochtans voor de hand; waarom wordt dan het werk
woord “lijken” gebezigd? Indien het wetsontwerp voorziet
in een onweerlegbaar vermoeden en dus met andere
woorden bepaalt dat, ongeacht de omstandigheden, van
toestemming geen sprake kan zijn wegens de toestand
van ten minste één van beide betrokkenen, dan moet in
de tekst op zijn minst worden bepaald dat het slachtoffer
zich in die toestand bevond, maar al evenzeer dat de
andere persoon daarvan misbruik heeft gemaakt. Wij
mogen niet in een situatie belanden waarin eenieder
tegen de ander een klacht kan indienen.
Mevrouw Rohonyi heeft verkrachting met behulp van
verdovende middelen als autonoom misdrijf aan de orde
gesteld. De toediening van stoffen is nu al een autonoom
misdrijf indien zulks de dood heeft teweeggebracht of de
gezondheid zwaar heeft geschaad (artikel 402 van het
Strafwetboek). De spreker is er niet van overtuigd dat
verkrachting met toediening van stoffen tot een autonoom
misdrijf moet worden omgevormd. De verkrachting moet
het basismisdrijf blijven, en de toediening van stoffen zou
als een verzwarende omstandigheid van verkrachting
kunnen gelden indien zulks die verkrachting daadwer
kelijk verzwaart.
Moet veeleer de toestemming dan de omstandigheden
worden gedefinieerd? Het begrip “toestemming” valt
zeer moeilijk te omschrijven. Waarop heeft dat begrip
betrekking? Uiterste nauwkeurigheid is geboden.
Het geven van voorbeelden vindt AVOCATS.BE ge
vaarlijk. Nu al kunnen alle beoogde situaties door de
rechters worden bestraft. Het moet aan de rechtspraak
worden overgelaten om voor elk geval apart te beslissen.
Ook al wordt de lijst als niet-exhaustief voorgesteld, toch
zal iedereen zich eraan vastklampen. Een dergelijke lijst
van voorbeelden hoort veeleer thuis in een memorie
van toelichting.
AVOCATS.BE acht het voorzichtiger om in het wets
ontwerp aan te geven dat “de afwezigheid van toestem
ming onder meer kan worden afgeleid uit”. De rechters
moet enige armslag worden gelaten.
vague. Pour l’orateur, le terme “abuser” est plus clair.
Pourquoi ne pas reprendre ce terme, d’ailleurs utilisé
dans la directive européenne à laquelle l’exposé des
motifs se réfère?
Le principe selon lequel on doit acquitter en cas de
doute doit toujours prévaloir dans notre pays. L’exposé
des motifs indique de manière surprenante que vou
loir renverser la charge de la preuve et demander au
suspect de prouver son innocence “semble” aller trop
loin. C’est pourtant l’évidence même, pourquoi utiliser
le verbe “semble”? Si le texte prévoit une présomption
irréfragable, c’est-à-dire qu’il ne peut y avoir de consen
tement, quelles que soient les circonstances, en raison
de l’état d’au moins un des deux, il faut à tout le moins
prévoir dans le texte que la victime était dans cet état
mais aussi que l’autre personne en a abusé. Il ne faut
pas en arriver à une situation où chacun pourrait déposer
plainte contre l’autre.
Mme Rohonyi a posé la question du viol à l’aide de
drogues comme infraction autonome. L’administration
de substances est déjà une infraction autonome si elle
a entraîné la mort ou des altérations graves de la santé
(article 402). L’orateur n’est pas convaincu qu’il faut faire
du viol avec administration de substances une infrac
tion autonome. Le viol doit rester l’infraction de base,
et on pourrait imaginer de faire de l’administration de
substances une circonstance aggravante du viol, si cela
l’aggrave effectivement.
Faut-il définir le consentement plutôt que les circons
tances? Le consentement est très difficile à définir. Sur
quoi porte-t-il? Il faudra être très précis.
L’exemplification est dangereuse selon AVOCATS.
be. Actuellement, toutes les situations visées peuvent
déjà être sanctionnées par les juges. Il faut laisser la
jurisprudence décider au cas par cas. Même si la liste
est présentée comme étant non-exhaustive, tout le
monde va cependant s’y raccrocher. Un tel type de
liste d’exemples doit plutôt se retrouver dans un exposé
des motifs.
AVOCATS.be considère qu’il serait plus prudent
d’indiquer dans le texte que “l’absence de consentement
peut se déduire notamment de”. Il est indispensable de
laisser une marge de manœuvre aux juges.
2141/006
DOC 55
344
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Mevrouw Delphine Paci komt terug op de alterna
tieve straffen. In verreweg de meeste gevallen gaat het
om misbruik door mensen die het slachtoffer kent, wat
aanwijzingen verstrekt over de daders. Het is van groot
belang gebruik te kunnen maken van gespecialiseerde
expertise, onder meer van het Brussels steuncentrum,
die zeer gedetailleerd is. Die expertise zal aanwijzingen
kunnen verschaffen over wat er met de dader moet ge
beuren. Door recidive tegen te gaan, gaat de openbare
veiligheid erop vooruit. Zulks zal niet lukken zonder
dat wordt voorzien in de mogelijkheid om de daders
alternatieve straffen op te leggen, waardoor kan wor
den bewerkstelligd dat zij de feiten erkennen. Dit is van
essentieel belang voor het herstel van het slachtoffer.
Gevangenisstraf daarentegen houdt het risico in dat het
vooropgestelde doel volledig wordt gemist.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op haar
vraag of het wenselijk is een bepaling toe te voegen over
het onweerlegbare vermoeden van niet-toestemming als
het gaat om prostitutie van minderjarigen.
Mevrouw Isabelle Algoet antwoordt dat dit een discus
sie voor de hoven en rechtbanken zou kunnen voorkomen.
Zij is dan ook niet tegen een dergelijke toevoeging. Het
Verdrag van Lanzarote stelt echter al zeer duidelijk een
verbod in op elke vorm van prostitutie van minderjarigen
jonger dan 18 jaar. In de formulering van de strafbare
feiten inzake pooierschap van minderjarigen is dit een
constitutief bestanddeel van het strafbare feit. Bij al
les in verband met de exploitatie van prostitutie van
minderjarigen, verwijst de term “minderjarige” naar wie
jonger is dan 18 jaar.
Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op het
betoog van de heer de la Serna over de mankracht van
de politie. De minister van Binnenlandse Zaken beweert
dat de lineaire besparing wordt gecompenseerd door
extra budgetten. Wij zullen moeten afwachten welke
informatie de begrotingsdocumenten ter zake opleveren.
De heer Ignacio de la Serna geeft aan dat de com
missaris-generaal zelf zich afvraagt hoe hij alle politie
ambtenaren zal kunnen uitbetalen. Momenteel is de
toestand echt niet al te best.
4. Slotbeschouwingen van de heer Damien
Vandermeersch en mevrouw Joëlle Rozie, Commissie
voor de hervorming van het strafrecht
De heer Damien Vandermeersch wijst erop dat de
parlementaire werkzaamheden nuttig zijn om een en
ander te verduidelijken met het oog op de interpretatie
van het recht, bijvoorbeeld betreffende het begrip “ver
moeden” in het kader van prostitutie.
Mme Delphine Paci revient sur la question des peines
alternatives. Dans la grande majorité des cas, il s’agit
d’abus par des gens que la victime connait, ce qui
donne des indications concernant les auteurs. Il est très
important de pouvoir s’aider d’expertises spécialisées,
notamment du CAB, qui sont extrêmement fines. Cette
expertise pourra donner des indications sur ce qu’il faut
faire avec l’auteur. Lutter contre la récidive, c’est lutter
pour plus de sécurité publique. Cela passera par la
possibilité d’infliger aux auteurs des peines alternatives,
ce qui permet notamment un travail de reconnaissance
des faits par les auteurs. C’est essentiel pour le travail
de reconstruction de la victime. La prison au contraire
risque de louper complètement l’objectif escompté.
Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur sa question
concernant l’opportunité d’ajouter une disposition sur
la présomption irréfragable de non-consentement pour
la prostitution pour les mineurs.
Mme Isabelle Algoet répond que cela permettrait
d’éviter une discussion devant les cours et tribunaux.
Elle n’est donc pas opposée à un tel ajout. Cependant,
la convention de Lanzarote prévoit déjà très claire
ment l’interdiction de toute forme de prostitution sur
des mineurs de moins de 18 ans. Dans le libellé des
infractions relatives au proxénétisme de mineurs, c’est
un élément constitutif de l’infraction. Pour tout ce qui
concerne l’exploitation de la prostitution de mineurs, le
terme de mineur vise les moins de 18 ans.
Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur l’intervention
de M. de la Serna concernant les effectifs policiers. La
ministre de l’Intérieur prétend que la réduction linéaire
est compensée par des budgets complémentaires qui
sont fournis. Il faudra attendre de voir le détail des
documents budgétaires.
M. Ignacio de la Serna indique que c’est le commis
saire général lui-même qui se demande comment il va
pouvoir rémunérer tous les policiers. La situation n’est
vraiment pas brillante actuellement.
4. Considérations finales de M. Damien
Vandermeersch et Mme Joëlle Rozie de la Commission
de réforme du droit pénal
M. Damien Vandermeersch rappelle l’utilité explicative
des travaux parlementaires lorsqu’il s’agit d’interpréter
le droit, comme par exemple au sujet de la présomption
dans le cadre de la prostitution.
345
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In dit geval moet de strafbaarstelling van elke activiteit
die verband houdt met de prostitutie van minderjarigen in
die zin worden opgevat dat een minderjarige die zichzelf
prostitueert, niet strafbaar is. Op de beleidskeuze wordt
echter geen commentaar geleverd.
Mevrouw Joëlle Rozie verklaart samen met de heer
Damien Vandermeersch en de heer Jeroen De Herdt de
pen te hebben vastgehouden voor de redactie van de
initiële tekst maar zonder vergoeding hiervoor; de uitein
delijke versie is echter het werk van de politieke adminis
tratie, met vertegenwoordiging van alle regeringspartijen.
De hervorming van het seksueel strafrecht werd reeds
tijdens de vorige zittingsperiode onderzocht in het kader
van de alomvattende hervorming van het Strafwetboek,
maar werd jammer genoeg niet voltooid. Reflectie is
anderzijds wel nuttig, omdat men dan rekening kan
houden met commentaren en adviezen.
Verrassend is dat sommigen inmiddels een ander
standpunt hebben ingenomen.
De besprekingen gaan vaak alle kanten uit, wat niet
wegneemt dat de suggesties vaak zinvol zijn. Bezwaarlijk
daarentegen zijn de manifest onjuiste verklaringen die
werden afgelegd, vandaar de poging om thans de puntjes
op de i te zetten.
De vraag inzake de nood aan een hervorming van het
seksueel strafrecht heeft een zeer verwonderlijke reactie
van het College van procureurs-generaal uitgelokt, want
niemand kan die nood nu nog ontkennen.
Het is echter wel wenselijk de hervorming te beschou
wen in de context van een alomvattende hervorming van
het strafrecht, want het Strafwetboek dateert van 1867 en
wordt gekenmerkt door een sterke Napoleontische in
slag. België is overigens een van de zeldzame Europese
landen dat nog zo’n oud wetboek hanteert.
Was de visie van de spreekster aanvankelijk terughou
dend ten aanzien van een hervorming van het seksueel
strafrecht, dan is inmiddels wel de overtuiging gegroeid
dat die eigenlijk prioritair is. Dit betekent echter niet dat
de alomvattende hervorming van het strafrecht op de
lange baan mag worden geschoven. De spreekster pleit
voor een moderne en systematische aanpak. Indien
bepaalde begrippen onbekend zijn of voor verwarring
zorgen, is het belangrijk die uit te klaren.
Over het schuldbestanddeel werden vreemde uitspra
ken gedaan en heeft men beweerd dat de tekst vanuit
het daderperspectief werd geschreven zonder oog voor
de positie van het slachtoffer, wat niet het geval is.
En l’espèce, l’incrimination de toute activité en relation
avec la prostitution de mineurs d’âge doit être comprise
ainsi que le mineur qui se prostitue lui-même n’est pas
visé. Mais le choix politique ne sera pas commenté.
Mme Joëlle Rozie précise qu’elle a assuré, avec
M. Damien Vandermeersch et M. Jeroen De Herdt, la
rédaction du texte initial à titre gratuit, mais que la version
finale est une œuvre politique, à laquelle tous les partis
de la majorité ont collaboré.
La réforme du droit pénal sexuel a déjà été examinée
pendant la législature précédente, dans le cadre de
la réforme globale du Code pénal, mais elle n’a mal
heureusement pas été achevée. Une réflexion est par
ailleurs utile, parce qu’elle permet de tenir compte des
commentaires et avis formulés.
Il est étonnant de constater que dans l’intervalle,
certains ont adopté une autre position.
Les discussions vont souvent dans tous les sens, ce
qui n’empêche pas que les suggestions sont souvent
judicieuses. Par contre, les déclarations manifestement
incorrectes sont plus gênantes, d’où la tentative de
mettre aujourd’hui les points sur les i.
La question de la nécessité d’une réforme du droit
pénal sexuel a provoqué une réaction très étonnante
du Collège des procureurs généraux, car personne ne
peut aujourd’hui encore nier cette nécessité.
Il conviendrait toutefois de considérer la réforme dans
le contexte d’une réforme globale du droit pénal, car
le Code pénal date de 1867 et est caractérisé par une
tendance très napoléonienne. La Belgique est d’ailleurs
un des rares pays européens qui utilisent encore un
Code si ancien.
Si l’oratrice était initialement réticente à l’idée d’une
réforme du droit pénal sexuel, elle est maintenant convain
cue que cette réforme doit constituer une priorité. Cela
ne signifie toutefois pas que la réforme globale du droit
pénal doit être renvoyée aux calendes grecques. L’oratrice
plaide pour une approche moderne et systématique. Si
certaines notions sont inconnues ou prêtent à confusion,
il est important de les clarifier.
Des déclarations étranges ont été faites à propos de
l’élément fautif et on a affirmé que le texte avait été rédigé
du point de vue de l’auteur des faits, sans tenir compte
de la position de la victime, ce qui n’est pas le cas.
2141/006
DOC 55
346
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De heer Damien Vandermeersch wijst erop dat het ter
bespreking voorliggende wetsontwerp in een andere con
text en in een ander kader is geredigeerd. Desalniettemin
is er nog hoop dat België een nieuw Strafwetboek zal
aannemen; het is immers echt aan modernisering toe,
inzonderheid ook wat het seksueel strafrecht betreft. Het
is niet de bedoeling te veranderen om te veranderen, wel
integendeel: het zou goed zijn de verworvenheden te
behouden, onder meer de rechtspraak. Verandering is
verantwoord indien zij een meerwaarde biedt; het komt
de spreker niet toe te beoordelen of dat zo is. De analyse
inzake de meerwaarde is de taak van de deskundigen
die vertrouwd zijn met het onderwerp.
Het debat over het schuldbestanddeel, het morele
bestanddeel of het subjectieve bestanddeel was verras
send, daar die begrippen ook in het strafrecht weliswaar
niet eenvoudig zijn, maar wel dagelijks door de rechts
colleges – inclusief het hoogste – worden toegepast.
Het klopt dat de benaderingen in de rechtsleer kunnen
verschillen, maar de redenering van het Hof van Cassatie
aangaande de bewijsvoering lijkt toch constant te zijn.
De vraag bij verkrachting is niet of ze al dan niet op
zettelijk wordt gepleegd: verkrachting vindt immers altijd
opzettelijk plaats. Het algemeen opzet speelt dus wel
degelijk mee bij het onderscheid tussen de opzettelijke
strafbare feiten (zoals de seksuele strafbare feiten) en
de strafbare feiten die begaan kunnen worden door een
gebrek aan vooruitziendheid of aan voorzorg.
Gesteld dat een man in de trein struikelt en daarbij
onvrijwillig de borst van een dame aanraakt terwijl hij
op haar terechtkomt, dan is het materiële bestanddeel
duidelijk: de reizigster heeft geen toestemming gege
ven. Moet worden bewezen dat zulks niet opzettelijk is
gebeurd, daar wordt vermoed dat de betrokkene het
opzettelijk heeft gedaan? Die insteek is fout. Wél van
cruciaal belang zijn daarentegen de toestemming (de
definitie daarvan) en het bewijs van de toestemming.
Het vermoeden is een techniek, bijvoorbeeld voor
de leeftijd (objectief bestanddeel), waarbij ervan wordt
uitgegaan dat onder de leeftijd van 14 jaar nooit sprake is
van toestemming. In sommige gevallen beroept de dader
zich echter op het feit dat hij niet wist dat het slachtoffer
jonger was dan 14 jaar (het kennisbestanddeel; cf. het
begrip “algemeen opzet”: bewust en opzettelijk hande
len), maar als de betrokkene niet de moeite neemt om
de leeftijd te verifiëren, heeft hij er soms wel enig idee
van dat die leeftijd een probleem kan doen rijzen. Voor
de dader geldt een verificatieplicht, om te voorkomen
dat hij in de materiële positie van een dader terechtkomt.
Indien de dader zijn verplichtingen niet nakomt, kan de
omstandigheid hem ten laste worden gelegd. In die zin
is het wetsontwerp volkomen in overeenstemming met
M. Damien Vandermeersch rappelle que le texte à
l’examen a été rédigé dans un contexte et un cadre
différents. Il n’empêche que subsiste l’espoir de voir
l’adoption d’un nouveau code pénal par la Belgique, car
la modernisation est véritablement nécessaire, particu
lièrement aussi en ce qui concerne le droit pénal sexuel.
On ne veut pas de changement pour le changement, au
contraire: il serait bon de conserver les acquis, notam
ment de la jurisprudence. Le changement se justifie s’il
apporte une plus-value dont l’appréciation ne relève pas
de la compétence de l’orateur. L’examen de la plus-value
est du domaine des experts qui connaissent le sujet.
Le débat sur l’élément fautif, moral ou subjectif était
surprenant, les notions n’étant pas simples en droit
pénal, non plus, mais elles sont appliquées par les
juridictions au quotidien, y compris par le plus haute.
Certes, les approches doctrinales peuvent varier, mais
le raisonnement de la Cour de cassation sur le plan de
la preuve est constant, semble-t-il.
Le problème dans le cadre du viol n’est pas de savoir
s’il se commet volontairement ou non: le viol se comment
toujours volontairement. Le dol général s’inscrit donc
bien dans la distinction entre les infractions volontaires
(telles les infractions sexuelles) et celles que l’on peut
commettre par défaut de prévoyance ou de précaution.
Si on prend le cas d’un homme qui trébuche dans
le train et effleure involontairement le sein d’une dame
en échouant sur elle, l’élément matériel est évident: la
passagère n’est pas consentante. Faut-il prouver que l’on
n’a pas fait cela exprès, car on serait présumé l’avoir fait
exprès? Poser la question ainsi, c’est mal l’aborder. Sont
essentiels en revanche, le consentement (sa définition)
et la preuve du consentement.
La présomption est une technique, par exemple pour
l’âge (élément objectif) dont on considère qu’en dessous
de 14 ans, il n’y a jamais de consentement. Or, l’auteur
invoque parfois le fait qu’il ne savait pas que la victime
avait moins de 14 ans (l’élément de la connaissance; cf.
le dol général: agir sciemment et volontairement), mais
s’il ne se soucie pas de vérifier l’âge, il a parfois une
petite idée que cet âge est problématique. Le devoir de
vérification existe dans le chef de l’auteur, pour ne pas
se retrouver dans la situation matérielle d’un auteur. Si
l’auteur néglige ses obligations, la circonstance lui est
imputable. En ce sens, le texte est parfaitement conforme
à la jurisprudence actuelle. L’erreur invincible subsiste: il
s’agit par exemple de l’erreur commise de toute bonne
foi, l’erreur que toute personne aurait commise, par
347
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de huidige rechtspraak. De onoverkomelijke dwaling blijft
bestaan; daarbij gaat het bijvoorbeeld om de vergissing
die te goeder trouw is begaan, de vergissing die eenieder
zou hebben begaan, bijvoorbeeld die van iemand die wel
tot de leeftijdscontrole zou zijn overgegaan, maar daarbij
een vervalst identiteitsdocument heeft gecontroleerd.
De positieve definitie van het begrip “toestemming”
maakt een andere benadering mogelijk, ook al hebben
definities hun beperkingen. De definitie tracht echter
tegemoet te komen aan de in de praktijk rijzende bekom
meringen, en het is van belang een en ander in de wet te
verduidelijken – hetgeen tot kritiek leidt. In de rechtbanken
valt trouwens vaak te horen dat de vermeende dader
zich beroept op toestemming (“Ik was opgewonden en
voor de rest was zij het ermee eens”). In de memorie
van toelichting worden voorbeelden verstrekt, die ten
behoeve van de helderheid in de tekst zijn opgenomen.
Mevrouw Joëlle Rozie verklaart dat de oorspronkelijke
definitie inzake de toestemmingspremisse veel korter was
en geënt was op de definitie van het Joegoslaviëtribunaal.
Enigszins tautologisch, maar dat is onvermijdelijk. De
definitie werd dus na kritiek uitgebreid naar Zweeds
voorbeeld. De gevallen in de wet zijn slechts voorbeel
den die ter verduidelijking zijn bedoeld. In principe is de
memorie van toelichting voldoende.
Het verdwijnen van het woord “dwang” heeft voor onrust
gezorgd, maar er is geen bezwaar om het opnieuw op
te nemen naast de termen “aanranding”, “bedreiging”
en dergelijke.
De notie “kwetsbare toestand” moet helemaal niet
limitatief worden opgevat. De spreekster is dus niet ge
kant tegen de invoeging van de woorden “onder meer”.
Men kan niet beweren dat ongewilde seksuele hande
lingen in een sektarische omgeving buiten de reikwijdte
van de wet vallen, integendeel: twijfel dat er geen toe
stemming wordt gegeven, is niet mogelijk.
Wat het schuldbestanddeel betreft, dient men zich
te hoeden voor de omkering van de bewijslast. Een
uitzonderingsprocedure voor seksuele delinquentie is
uit den boze. Men moet immers oog hebben voor het
zwijgrecht en het verbod op zelfincriminatie.
De slachtofferrechten verdienen aandacht, maar men
dient te beseffen dat valse aangiften een realiteit zijn.
Een onachtzaamheidsmisdrijf zou te verregaand zijn.
exemple la personne qui aurait procédé à la vérification
de l’âge en ayant examiné une pièce d’identité falsifiée.
La définition positive du consentement offre une autre
approche, même si les définitions ont leurs limites. Cela
étant, la définition tente de répondre aux inquiétudes de
la pratique et il importe de préciser les choses dans la
loi – ce qui amène des critiques. On entend d’ailleurs
souvent dans les prétoires que l’auteur présumé invoque
le consentement (“j’étais chaud et elle était d’accord pour
le reste”). L’exposé des motifs présente des exemples,
repris dans le texte pour la clarté.
Mme Joëlle Rozie explique que la définition initiale
du prérequis du consentement était bien plus courte et
calquée sur la définition du Tribunal pénal international
pour l’ex-Yougoslavie. Elle est quelque peu tautologique,
mais c’est inévitable. Suite aux critiques formulées, la
définition a donc été élargie en suivant l’exemple sué
dois. Les cas qui figurent dans la loi ne sont que des
exemples visant à clarifier la notion. En principe, l’exposé
des motifs est suffisant.
La disparition du mot “contrainte” a causé de l’inquié
tude, mais rien n’empêche de le reprendre de nouveau
à côté des termes “attentat”, “menace”, etc.
La notion de “situation de vulnérabilité” ne doit pas
du tout être interprétée de façon exhaustive. L’oratrice
n’est donc pas contre l’insertion des mots “entre autres”.
On ne peut pas affirmer que les actes à caractère
sexuel non désirés qui se produisent dans un environ
nement sectaire ne relèvent pas du champ d’applica
tion de la loi: le doute quant au fait qu’il n’y a pas de
consentement n’est pas possible.
En ce qui concerne l’élément fautif, il convient d’éviter
le renversement de la charge de la preuve. Une pro
cédure d’exception pour la délinquance sexuelle est
exclue. Il faut en effet tenir compte du droit au silence
et de l’interdiction de l’auto-incrimination.
Les droits des victimes méritent une attention par
ticulière, mais il faut être conscient que les fausses
déclarations sont une réalité.
Une infraction commise par négligence serait trop
extrême.
2141/006
DOC 55
348
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De invoering van een algemene zorgvuldigheidsnorm,
zoals sommigen suggereren, is overbodig, want die
zit al vervat in de definitie. Men denke aan kwetsbare
personen, zoals personen in staat van dronkenschap
die geen toestemming kunnen geven, zodat een gro
tere verantwoordelijkheid op de initiatiefnemer van het
seksueel contact rust.
Aan de toestemmingspremisse kan een nieuwe
paragraaf worden toegevoegd, die zich inspireert op
artikel 372.2 van het Canadese Strafwetboek. Een bij
komende paragraaf heeft beslist meerwaarde.
Misbruik van gezag dient beperkend te worden ge
ïnterpreteerd. De formulering werd wel aangepast na
aanwijzingen van de administratie.
De toestemming zorgt voor discussie, maar uit de hoor
zittingen blijkt wel dat de marge van 2 jaar (14 à 16 jaar)
te klein is, men had oorspronkelijk aan 5 jaar gedacht.
Het antwoord op de vraag in verband met de bereke
ning luidt overigens dat men de geboortedatum als
referentiepunt dient te nemen. De leeftijdsgrens is wil
lekeurig, net zoals met de meerderjarigheid. Pleegt
men een week voor men 18 jaar wordt een misdrijf, is
men niet toerekeningsvatbaar, op zijn 18 wel. Voor de
rechtszekerheid kan men niet anders allicht dan duide
lijke leeftijdsgrenzen hanteren. De spreekster verkoos
de seksuele meerderjarigheid vanaf 14 jaar met een
uitzonderingscategorie voor de 14- à 16-jarigen. Het is
niet alleen coherent, maar ook meer in overeenstemming
met de huidige maatschappelijke normen.
De strafbaarstelling van voyeurisme en de definitie
van “ontbloot persoon” veroorzaken commotie. Het af
rukken van een hoofddoek of het nemen van een selfie
bij de kapper waarbij een derde in beeld komt, werden
eerder reeds als voorbeelden aangehaald. Men dient
echter redelijk te blijven, er bestaat geen gevaar voor
een verkeerde interpretatie. De hoogste rechtbanken –
en dit is vaste rechtspraak – stellen dat strafbepalingen
redelijk voorzienbaar moeten zijn en de interpretatie
dient te stroken met de strekking van de wetgeving en de
doelstellingen van de wetgever. De bepaling is duidelijk,
de memorie van toelichting in principe ook. Men kan de
memorie expliciteren door aan te geven dat het afrukken
van een hoofddoek of het nemen van een selfie bij de
kapper niet onder de bepalingen vallen.
De vraag werd dan gesteld waarom men niet de termi
nologie zou overnemen van het wetsvoorstel tot wijziging
van het Strafwetboek wat betreft de omschrijving van
voyeurisme (DOC 55 1854/001). Het komt de wetgever
toe om een keuze te maken, maar ook het tweede voor
stel kan tot interpretatieproblemen aanleiding geven.
L’instauration d’une norme générale de prudence,
comme suggéré par certains, est superflue, car elle est
déjà comprise dans la définition. On pense aux personnes
en situation de vulnérabilité, comme les personnes en
état d’ébriété qui ne sont pas en mesure de donner leur
consentement, de sorte qu’une plus grande responsabilité
repose sur l’initiateur du contact sexuel.
Un nouveau paragraphe, inspiré de l’article 372.2 du
Code pénal canadien, peut être ajouté au prérequis du
consentement. Un paragraphe supplémentaire aurait
indéniablement une plus-value.
L’abus d’autorité doit être interprété de façon restrictive.
La formulation a néanmoins été adaptée en suivant les
indications de l’administration.
Le consentement donne lieu à des discussions,
mais il ressort des auditions que la marge de deux ans
(14 à 16 ans) est trop restreinte. On avait initialement
pensé à cinq ans. Par ailleurs, la réponse à la question
relative au calcul est qu’il convient de prendre la date
de naissance comme référence. La limite d’âge est
arbitraire, tout comme la majorité. Si on commet une
infraction une semaine avant d’avoir 18 ans, on n’est
pas responsable, mais à 18 ans bien. Pour la sécurité
juridique, on ne peut évidemment pas faire autrement
que d’appliquer des limites d’âge claires. L’oratrice
préférait placer la majorité sexuelle à 14 ans, avec une
catégorie d’exception pour les 14 à 16 ans. C’est non
seulement plus cohérent, mais aussi plus conforme aux
normes sociales actuelles.
L’incrimination du voyeurisme et la définition de “per
sonne dénudée” provoquent une certaine agitation. Le
fait d’arracher un voile ou de prendre un selfie chez le
coiffeur sur lequel figure un tiers, sont des situations
qui ont déjà été invoquées comme exemples. Il faut
toutefois rester raisonnables, il n’y a pas de risque de
mauvaise interprétation. Les plus hautes juridictions –
et c’est une jurisprudence constante – considèrent que
les dispositions pénales doivent être raisonnablement
prévisibles et que leur interprétation doit correspondre
à l’esprit de la législation et aux objectif du législateur.
La disposition est claire, l’exposé des motifs en principe
aussi. On peut expliciter l’exposé en indiquant qu’arracher
un voile ou prendre un selfie chez le coiffeur ne sont pas
des situations visées par les dispositions.
La question a ensuite été posée de savoir pourquoi
on ne reprendrait pas la terminologie utilisée dans la
proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui
concerne la définition du voyeurisme (DOC 55 1854/001).
Il appartient au législateur de faire un choix, mais la
deuxième proposition peut, elle aussi, poser des pro
blèmes d’interprétation.
349
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Men zou immers kunnen beschouwen dat het nemen
van een foto van een pasgeboren naakte baby onder
de definitie van voyeurisme valt, wat niet de bedoeling
kan zijn. Fictieve beelden – gemanipuleerde beelden
van een fictief persoon – die per mail aan een ander
worden geadresseerd, kunnen ook moeilijk als hande
lingen gekenmerkt door voyeurisme worden beschouwd,
nu in die context toestemming niet mogelijk is. Anders
is het gesteld met het vervaardigen of verspreiden van
beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, zoals
Child Focus aangaf.
De wet op de voorlopige hechtenis mag niet verkeerd
worden gelezen: aanpassing van de minimale straffen
is niet nodig. Die wet bepaalt alleen maar dat de feiten
een correctionele straf van één jaar of meer tot gevolg
kan hebben (in abstracto).
De definitie van verkrachting dient eveneens correct
te worden begrepen. Gedwongen zelfpenetratie valt
wel degelijk onder het begrip “verkrachting”, wat ook
expliciet in de memorie van toelichting wordt uitgelegd.
De definitie zou volgens sommigen overigens aange
past moeten worden, omdat de opdracht tot zelfpene
tratie via live stream uitgesloten zou zijn: dit is niet het
geval, omdat de opdrachtgever als dader zal worden
beschouwd. Het betreft immers een zuiver geval van
daderschap.
Indien nieuwe verzwarende omstandigheden worden
ingevoerd, zoals de suggestie van sommigen luidt – dit
is een politieke kwestie –, dient de wetgever het propor
tionaliteitsbeginsel in aanmerking te nemen.
Het filmen van de feiten dient geen verzwarende
omstandigheid uit te maken, omdat het meer een sa
menloop uitmaakt met voyeurisme.
De wettekst dient op het vlak van grooming of het
benaderen van minderjarigen met seksuele doeleinden te
worden verbeterd wegens een materiële fout. Het betreft
inderdaad ook handelingen die tot een ontmoeting kunnen
leiden, wat ook zo in de memorie van toelichting staat.
Grooming toepassen op meerderjarigen is echter
verregaand: de grens tussen flirten en strafbaar gedrag
wordt dan wel bijzonder dun.
De informatie in de media inzake het verspreiden van
beelden van extreem pornografische aard en extreem
gewelddadige aard is niet altijd accuraat.
On pourrait en effet considérer que le fait de prendre
une photo d’un nouveau-né nu entre dans le champ de
la définition du voyeurisme, ce qui ne peut être l’intention
du législateur. De même, des images fictives – images
manipulées d’une personne fictive – envoyées par courrier
électronique à une autre personne peuvent difficilement
être considérées comme des actes de voyeurisme,
dès lors que, dans ce cas, le consentement n’est pas
possible. Il en va autrement de la production ou de la
distribution d’images d’abus sexuels commis sur des
mineurs, comme l’a souligné Child Focus.
La loi sur la détention préventive ne doit pas être
mal interprétée: il n’est pas nécessaire de modifier les
peines minimales. Cette loi ne fait que disposer que les
faits commis peuvent (in abstracto) entraîner une peine
correctionnelle d’un an ou plus.
Il convient également de bien comprendre la définition
du viol. L’autopénétration forcée relève bel et bien de la
notion de “viol”, ce qui est d’ailleurs indiqué explicitement
dans l’exposé des motifs.
D’aucuns estiment du reste que la définition devrait
être modifiée, car elle exclut de son champ l’ordre d’auto
pénétration lorsqu’il est donné en streaming direct. Or,
ce n’est pas le cas, étant donné que le donneur d’ordre
sera considéré comme l’auteur: c’est un cas évident de
commission d’une infraction par un auteur.
Si, comme le suggèrent certains, de nouvelles cir
constances aggravantes sont introduites – il s’agit d’une
question politique –, le législateur devra tenir compte
du principe de proportionnalité.
Filmer les faits ne devrait pas constituer une cir
constance aggravante, car il s’agit plutôt, dans ce cas,
d’un concours d’infractions, l’une d’entre elles étant le
voyeurisme.
Le texte de loi doit être amélioré en ce qui concerne la
sollicitation ou l’approche de mineurs à des fins sexuelles
(grooming), et ce, en raison d’une erreur matérielle. En
effet, le grooming concerne aussi les actes qui peuvent
conduire à une rencontre. C’est d’ailleurs mentionné
comme tel dans l’exposé des motifs.
L’application du grooming aux personnes majeures a
cependant une portée considérable: la limite entre le flirt
et un comportement délictueux devient alors très mince.
Les informations données par les médias à propos
de la diffusion d’images à caractère extrêmement por
nographique ou violent ne sont pas toujours exactes.
2141/006
DOC 55
350
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Men suggereert dat de bepaling ook de bedoeling
heeft om sadomasochistische handelingen strafbaar
te stellen, wat niet juist is. Anderzijds klopt het niet dat
SM nooit een misdrijf is. Het Hof van Cassatie en het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn zeer
duidelijk: het blijft een misdrijf – namelijk toebrengen
van opzettelijke slagen en verwondingen –, maar met
een strafuitsluitende verschoningsgrond indien er toe
stemming wordt verleend en indien de gezondheid niet
wordt aangetast.
Evenmin is het de bedoeling om meer zaken voor de
rechter te brengen; er is wel een lacune in de wetgeving
als het een onthoofdingsvideo betreft.
Verwijzend naar artikel 383 van het Strafwetboek
zou men vervolging kunnen instellen op basis van een
letterlijke interpretatie wanneer het om naaktbeelden
gaat die strijdig worden geacht met de goede zeden.
Dit impliceert een verstrenging ten aanzien van de
huidige situatie.
“Extreem karakter” wordt gedefinieerd, al blijft het
wel een open norm, maar het Strafwetboek staat er
bol van. Voor het Grondwettelijk Hof vormt dat ook
geen probleem; het wordt alleszins niet in strijd met het
legaliteitsprincipe geacht. De Belgische tekst spiegelt
zich overigens aan het Franse recht, en ook in Frankrijk
hebben de rechters geen bezwaar.
Of het bezit van verkrachtingsbeelden of beelden die
bestialiteit vertolken strafbaar dient te worden gesteld,
is een ander punt van discussie. Sommigen beweren
verrassend genoeg van niet, de spreekster pleit voor
een specifieke bepaling (m.n. het vervaardigen en het
verspreiden van boodschappen van extreem pornogra
fische of gewelddadige aard), maar het komt de politiek
toe om te beslissen.
Wil men zich alleen op artikel 383 van het Strafwetboek
baseren, dan zal dit ongetwijfeld tot rechtsonzekerheid
leiden.
De vraag of er nood is aan nieuwe kwalificaties lokt
heel wat reacties uit (cf. het niet-consensueel bezit van
intieme beelden). Nieuwe kwalificaties zouden echter
te ver leiden.
Over het verspreiden van dick pics vielen voorheen
een aantal onjuistheden te horen. Zo zou er nood zijn
aan een strafbepaling, omdat dit niet zou vallen onder
belaging, die een repetitief karakter vereist. Voor elek
tronische belaging is op basis van de telecomwet geen
repetitief karakter nodig. Het verspreiden van dick pics
Certaines de ces informations laissent en effet entendre
que cette disposition vise également à incriminer les actes
sadomasochistes, ce qui n’est pas correct. À l’inverse, il
est faux de dire que ces actes ne constituent jamais une
infraction. La Cour de cassation et la Cour européenne
des droits de l’homme sont très claires: le fait d’infliger
délibérément des coups et des blessures reste une
infraction, mais qui est assortie d’une cause d’excuse
absolutoire si le consentement est donné et si la santé
n’est pas affectée.
L’idée n’est pas non plus de porter davantage d’af
faires devant les tribunaux. En revanche, il existe une
lacune dans la législation lorsqu’il s’agit de vidéos de
décapitation.
Évoquant l’article 383 du Code pénal, l’oratrice explique
que des poursuites pourraient être engagées sur la
base d’une interprétation littérale de cet article lorsqu’il
s’agit d’images de nudité jugées contraires aux bonnes
mœurs. Elle souligne que cela implique un durcissement
par rapport à la situation actuelle.
La notion de “caractère extrême” est certes définie,
mais cela reste une norme ouverte. Ceci dit, le Code
pénal en est rempli. Ce n’est d’ailleurs pas un problème
pour la Cour constitutionnelle; en tout cas, ce n’est pas
considéré comme contraire au principe de légalité. Le
texte belge reflète du reste le droit français, et cette
situation ne gêne pas non plus les juges français.
La question de savoir si la possession d’images de viol
ou d’images exprimant la bestialité doit être incriminée
est un autre sujet de discussion. Certains affirment, de
manière étonnante, que ce ne doit pas être le cas. De
son côté, l’oratrice plaide en faveur d’une disposition
spécifique (à savoir la production et la diffusion de
messages de nature extrêmement pornographique ou
violente), mais il appartient aux responsables politiques
d’en décider.
Quoi qu’il en soit, s’appuyer uniquement sur l’ar
ticle 383 du Code pénal conduira sans nul doute à une
insécurité juridique.
La question de savoir si de nouvelles qualifications
sont nécessaires suscite nombre de réactions (cf. la
détention non consensuelle d’images intimes). De nou
velles qualifications iraient toutefois trop loin.
On a entendu par le passé des choses inexactes
concernant la diffusion de dick pics. Une disposition
pénale serait ainsi nécessaire parce que la diffusion
de ces photos ne relèverait pas du harcèlement, lequel
requiert un caractère répétitif. En ce qui concerne le
harcèlement électronique, aucun caractère répétitif n’est
351
2141/006
DOC 55
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
is per definitie een handeling van elektronische belaging.
Sommigen menen dat een repetitief karakter noodza
kelijk is voor de gemeenrechtelijke belaging, maar dat
blijkt niet uit de wet. Het Hof van Cassatie nuanceert de
rechtspraak. De nood aan een alomvattende hervorming
van het strafrecht laat zich ook in dezen voelen, om de
gemeenrechtelijke belaging en de elektronische bela
ging in eenzelfde bepaling onder te brengen, waarbij
onderstreept wordt dat een enkele handeling voldoende
is om van belaging te kunnen spreken. Een nieuwe
strafbaarstelling voor dick pics is dus niet nodig.
Sextortion (d.i. een geval van afpersing) behoeft
evenmin een nieuwe strafbaarstelling. Sommigen be
schouwen de definitie van afpersing als ontoereikend
om het begrip sextortion te benaderen (men vraagt geen
geld, maar nieuwe naaktbeelden). Daarom wordt de
lege ferenda de strafbepaling van afpersing aangepakt,
die in de kwalificatie van de handeling het ongeoorloofd
voordeel opneemt.
Het aansprakelijk stellen van de grote providers kan
worden gesteund, maar een land als België kan al
leen slechts weinig ondernemen. Dit wordt het best op
Europees en internationaal niveau onderzocht.
Het strafbaar stellen van incest tussen meerderjarigen
is een politieke aangelegenheid. Vraag is dan echter
wie dader en wie slachtoffer is. En hoe zit het met het
seksueel zelfbeschikkingsrecht?
De prostitutie zorgt voor polarisering. Indien mensen
worden uitgebuit, kan dit onder de noemer mensen
handel worden benaderd. Vooraleer een strafbepaling
te creëren, dient men zich steeds af te vragen of een
gedraging strafwaardig is. Een strafbepaling scheppen
om een kwalificatie te bewijzen (met andere woorden
ter ondersteuning van de bewijslast) kan niet worden
aanvaard. Sekswerkers die hun activiteit uitoefenen
zonder dwang te ondergaan en met volle instemming,
verdienen bescherming (niet ten koste van slachtoffers
van mensenhandel). Dit impliceert onder meer een sociaal
statuut. Het standpunt van het College van procureurs-
generaal is moeilijk te begrijpen wanneer enerzijds het
Verdrag van New York wordt ingeroepen en anderzijds
wordt ingestemd met een uitzondering op de nietig
heid van het arbeidscontract. Kortom, sekswerkers én
slachtoffers van mensenhandel verdienen bescherming.
De spreekster is het dus niet helemaal eens met de
bepalingen die op dat vlak voorliggen, maar het komt
de politiek toe te oordelen en te beslissen.
nécessaire sur la base de la loi sur les télécommunica
tions. La diffusion de dick pics est par définition un acte
relevant du harcèlement électronique. D’aucuns estiment
qu’un caractère répétitif est nécessaire pour le harcèle
ment de droit commun, ce qui ne ressort toutefois pas
de la loi. La Cour de cassation nuance la jurisprudence.
Le besoin d’une réforme globale du droit pénal se fait
ressentir en l’espèce également, afin de reprendre dans
une même disposition le harcèlement de droit commun
et le harcèlement électronique, en soulignant qu’un
seul acte suffit pour pouvoir parler de harcèlement. En
d’autres termes, une nouvelle incrimination n’est pas
nécessaire pour les dick pics.
Le phénomène de sextorsion (à savoir un cas d’extor
sion) ne nécessite pas non plus une nouvelle incrimination.
Certains considèrent que la définition d’extorsion est
insuffisante pour appréhender la notion de sextorsion (il
ne s’agit pas d’une demande d’argent mais de nouvelles
photos de nus). C’est pourquoi la disposition pénale de
l’extorsion est utilisée de lege ferenda, disposition qui
reprend l’avantage illégitime dans la qualification de l’acte.
La mise en cause de la responsabilité des grands
fournisseurs d’accès peut être soutenue, mais un pays
tel que la Belgique ne peut entreprendre que peu de
choses seul. Il est préférable que ce point soit examiné
aux niveaux européen et international.
L’incrimination de l’inceste entre majeurs constitue une
question politique. Il reste toutefois à savoir en l’espèce
qui est l’auteur et qui est la victime. En outre, qu’en est-il
du droit à l’autodétermination sexuelle?
La prostitution est une source de polarisation. Si des
personnes sont exploitées, la question être envisagée
au travers du prisme de la notion générale de traite
d’êtres humains. Avant de créer une disposition pénale,
il convient toujours de se demander si un comportement
est punissable. Il n’est pas acceptable de créer une
disposition pénale afin de prouver une qualification (en
d’autres termes pour soutenir la charge de la preuve).
Les travailleurs du sexe qui exercent leur activité sans
subir de contrainte et avec leur entier consentement
méritent d’être protégés (non aux dépens des victimes
de la traite d’êtres humains). Cela implique notamment un
statut social. Le point de vue du Collège des procureurs
généraux est difficilement compréhensible, lorsque le
Pacte de New York est invoqué, d’une part, et qu’une
exception à la nullité du contrat de travail est consentie,
d’autre part. En résumé, et les travailleurs du sexe et
les victimes de la traite d’êtres humains méritent une
protection. L’oratrice ne souscrit dès lors pas totalement
aux dispositions à l’examen à cet égard, mais il appartient
au monde politique de juger et de décider.
2141/006
DOC 55
352
C H A M B R E 4 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2021
2022
K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De teksten werden oorspronkelijk in één taal geredi
geerd, hetgeen soms voor terminologische onduidelijk
heid zorgt in de vertaling, en dat is normaal. Wat niet
duidelijk is, kan zeker nog worden uitgeklaard.
De term “perfide” is misschien niet ideaal, maar vraag
is dan door welke die kan worden vervangen zonder in
een tautologie te vervallen (en dus de termen van een
definitie zelf te gebruiken).
De heer Damien Vandermeersch verzoekt wie niet
gelukkig is met de terminologie voorstellen te doen.
Les textes ont initialement été rédigés dans une seule
langue, ce qui est parfois, comme on peut normalement
s’y attendre, une source d’imprécision terminologique
dans la traduction. Il sera certainement encore possible
de remédier aux imprécisions.
Le terme “perfide” n’est peut-être pas idéal, mais la
question est de savoir par quel terme il pourrait être
remplacé sans verser dans une tautologie (et ainsi utiliser
les termes d’une définition proprement dite).
M. Damien Vandermeersch invite ceux qui ne sont
pas heureux de la terminologie à faire des propositions.
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij