Document 55K2141/006

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 2141 Other 🌐 NL

Inhoud

2141/006 DOC 55 2141/006 DOC 55 06065 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 23 december 2021 23 décembre 2021 Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers NAMENS DE COMMISSIE VOOR JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR MEVROUW Claire HUGON EN DE HEER Christoph D’HAESE FAIT AU NOM DE LA COMMISSION DE LA JUSTICE PAR MME Claire HUGON ET M. Christoph D’HAESE VERSLAG VAN DE EERSTE LEZING RAPPORT DE LA PREMIÈRE LECTURE houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel PROJET DE LOI WETSONTWERP Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek wat de seksuele meerderjarigheid betreft Proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne la majorité sexuelle Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek wat de aanranding van de eerbaarheid en de verkrachting betreft Proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne l’attentat à la pudeur et le viol Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek wat de seksuele meerderjarigheid betreft Proposition de loi complétant le Code pénal en ce qui concerne la majorité sexuelle Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, betreffende de definitievan het begrip “toestemming” bij seksuele misdrijven Proposition de loi modifiant le Code pénal, relative à la définitionde la notion de “consentement” pour les infractions sexuelles Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, houdende strafbaarstelling van bepaalde vormen van seksuele agressie op afstand Proposition de loi modifiant le Code pénal, visant à incriminer pénalement certaines agressions sexuelles commises à distance Wetsvoorstel teneinde incest als dusdanig als strafbaar feit in het Strafwetboek op te nemen Proposition de loi visant à incriminer l’inceste en tant que tel dans le Code pénal Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek wat betreft de omschrijving van voyeurisme Proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne la définition du voyeurisme 2141/006 DOC 55 2 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit cdH : centre démocrate Humaniste DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant – Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de numering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het defi nitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénaire PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Composition de la commission à la date de dépôt du rapport/ Samenstelling van de commissie op de datum van indiening van het verslag Président/Voorzitter: Kristien Van Vaerenbergh A. — Titulaires / Vaste leden: B. — Suppléants / Plaatsvervangers: N-VA Christoph D'Haese, Sophie De Wit, Kristien Van Vaerenbergh Yngvild Ingels, Sander Loones, Wim Van der Donckt, Valerie Van Peel Ecolo-Groen Claire Hugon, Olivier Vajda, Stefaan Van Hecke N ., Julie Chanson, Marie-Colline Leroy PS Khalil Aouasti, Laurence Zanchetta, Özlem Özen N ., Mélissa Hanus, Ahmed Laaouej, Patrick Prévot VB Katleen Bury, Marijke Dillen Tom Van Grieken, Dries Van Langenhove, Reccino Van Lommel MR Philippe Goffin, Philippe Pivin Nathalie Gilson, Marie-Christine Marghem, Caroline Taquin CD&V Koen Geens Els Van Hoof, Servais Verherstraeten PVDA-PTB Nabil Boukili Greet Daems, Marco Van Hees Open Vld Katja Gabriëls Patrick Dewael, Goedele Liekens Vooruit Ben Segers Karin Jiroflée, Kris Verduyckt C. — Membres sans voix délibérative / Niet-stemgerechtigde leden: cdH Vanessa Matz DéFI Sophie Rohonyi 3 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voir: Doc 55 2141/ (2020/2021): 001: Projet de loi. 002 à 005: Amendements. Doc 55 0461/ (S.E. 2019): 001: Proposition de loi de Mmes Liekens et Gabriëls et M. Lachaert. Doc 55 0578/ (2019/2020): 001: Proposition de loi de Mmes Liekens et Gabriëls et M. Lachaert. Doc 55 0634/ (2019/2020): 001: Proposition de loi de Mme Jiroflée. Doc 55 1530/ (2019/2020): 001: Proposition de loi de Mme Matz et consorts. Doc 55 1670/ (2020/2021): 001: Proposition de loi de Mme Vanessa Matz. Doc 55 1778/ (2020/2021): 001: Proposition de loi de Mme Matz, M. Maxime Prévot et Mme Rohonyi. Doc 55 1854/ (2020/2021): 001: Proposition de loi de M. Van Hecke et Mme Hugon et consorts. Zie: Doc 55 2141/ (2020/2021): 001: Wetsontwerp. 002 tot 005: Amendementen. Doc 55 0461/ (B.Z. 2019): 001: Wetsvoorstel van de dames Liekens en Gabriëls en de heer Lachaert. Doc 55 0578/ (2019/2020): 001: Wetsvoorstel van de dames Liekens en Gabriëls en de heer Lachaert. Doc 55 0634/ (2019/2020): 001: Wetsvoorstel van mevrouw Jiroflée. Doc 55 1530/ (2019/2020): 001: Wetsvoorstel van mevrouw Matz c.s. Doc 55 1670/ (2020/2021): 001: Wetsvoorstel van mevrouw Matz. Doc 55 1778/ (2020/2021): 001: Wetsvoorstel van mevrouw Matz, de heer Maxime Prévot en mevrouw Rohonyi. Doc 55 1854/ (2020/2021): 001: Wetsvoorstel van de heer Van Hecke en mevrouw Hugon c.s. INHOUD SOMMAIRE Blz. Pages I. Procédure........................................................................4 II. Exposés introductifs........................................................4 III. Discussion générale......................................................15 IV. Discussion des articles et votes...................................52 V. Corrections à l’exposé des motifs...............................125 Annexe: Auditions.............................................................129 I. Procedure........................................................................4 II. Inleidende uiteenzettingen..............................................4 III. Algemene bespreking...................................................15 IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen..................52 V. Correcties in de memorie van toelichting...................125 Bijlage: Hoorzittingen........................................................129 2141/006 DOC 55 4 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Dames en Heren, Uw commissie heeft dit wetsontwerp en de eraan toegevoegde wetsvoorstellen besproken tijdens haar vergaderingen van 21 en 28 september, 19, 26 en 27 ok­ tober, 11 en 23 november en 14 en 15 december 2021. I. — PROCEDURE Tijdens haar vergadering van 21 september 2021 heeft de commissie met toepassing van artikel 28.1. van het Kamerreglement beslist om hoorzittingen te organiseren en schriftelijke adviezen in te winnen over dit wetsontwerp. Het verslag van deze hoorzittingen gaat als bijlage bij dit verslag en de schriftelijke adviezen werden ter beschikking gesteld van de leden. II. — INLEIDENDE UITEENZETTINGEN A. Wetsontwerp houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht, DOC 55 2141/001 De heer Vincent Van Quickenborne, vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee, geeft aan dat het wetsontwerp een hoeksteen in de strijd tegen het seksueel geweld vormt. Slechts 10 % van alle klachten leidt immers tot een veroordeling. Dat is heel weinig. Een van de redenen is dat de betrokkenen in het veld te maken krijgen met verouderde wetgeving die duidelijk­ heid ontbeert en de bewijslast onnodig complex maakt. Bovendien zijn de sancties onaangepast en stroken ze niet met de realiteit van vandaag. Het seksueel strafrecht wordt daarom op een gron­ dige wijze hervormd; geen fragmentarische hervorming of oplapwerk, zoals in het verleden reeds herhaaldelijk het geval is geweest. Het Strafwetboek dateert immers al van het jaar 1867. De strafbepalingen werden toen opgesteld in een volledig andere tijdsgeest. Het gezin of de eer stond destijds centraal. De minister verwijst bijvoorbeeld naar het oubollig begrip “aanranding van de eerbaarheid”. In een poging om mee te evolueren met de maatschap­ pelijke ontwikkelingen heeft het Strafwetboek vervolgens talloze wijzigingen ondergaan. Het probleem is evenwel dat deze wijzigingen inconsistent zijn doorgevoerd, niet alleen wat het seksueel strafrecht betreft. Her en der werden doorheen de tijd strafbepalingen gewijzigd of Mesdames, Messieurs, Votre commission a examiné ce projet de loi, ainsi que les propositions de loi qui y sont jointes, au cours de ses réunions des 21 et 28 septembre, 19, 26 et 27 octobre, 11 et 23 novembre et 14 et 15 décembre 2021. I. — PROCÉDURE En application de l’article 28.1 du Règlement de la Chambre, la commission a, au cours de sa réunion du 21 septembre 2021, décidé d’organiser des auditions et de recueillir des avis écrits sur le projet de loi à l’exa­ men. Le rapport de ces auditions est annexé au présent rapport et les avis écrits ont été mis à la disposition des membres. II. — EXPOSÉS INTRODUCTIFS A. Projet de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel, DOC 55 2141/001 M. Vincent Van Quickenborne, vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord, explique que le projet de loi constitue un élément clé dans la lutte contre la violence sexuelle. En effet, seuls 10 % du nombre total de plaintes aboutissent à une condamnation. Il s’agit d’un chiffre très faible. L’une des causes vient du fait que les personnes sur le terrain sont confrontées à une législation dépassée. Une législation qui manque de clarté et qui complique inutilement la charge de la preuve. Sans parler de la confrontation avec des sanc­ tions inappropriées qui sont en décalage avec la réalité d’aujourd’hui. C’est pourquoi le droit pénal sexuel fait l’objet d’une réforme en profondeur, et non d’une réforme fragmentaire ni d’un replâtrage, comme cela a souvent été le cas par le passé. Rappelons-nous que le Code pénal date de 1867. Les dispositions pénales ont été rédigées dans un tout autre esprit, lié à l’époque. La famille ou l’honneur occupait alors une place centrale. Dans ce contexte, le ministre évoque par exemple la notion désuète d’“attentat à la pudeur”. Dans un souci de rester en phase avec l’évolution de la société, le Code pénal a ensuite subi de nombreuses modifications. Mais le problème est que ces modifications ont été apportées de façon incohérente, et pas seule­ ment en ce qui concerne le droit pénal sexuel. Çà et là, des dispositions pénales ont été modifiées ou ajoutées 5 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toegevoegd met als gevolg dat het Strafwetboek moeilijk leesbaar is geworden. Het is aan integrale vernieuwing toe, maar dat vergt tijd. Het werk van de voormalige minister van Justitie, Koen Geens en diens experten commissie wordt dan ook voortgezet. De strijd tegen seksuele misdrijven vormt echter een absolute prioriteit en daarom wordt aan het Parlement reeds een volledig nieuw hoofdstuk seksuele misdrijven voorgesteld. Dit wetsontwerp is gebaseerd op het door het des­ kundigencomité opgestelde voorstel voor een nieuw Strafwetboek. Drie beginselen vormen de leidraad ervan: eenvoud, samenhang en nauwkeurigheid. Wat omvat dat nieuwe seksuele strafrecht? Opdat de wettekst helder zou zijn, worden eenvou­ dige en moderne bewoordingen gebruikt. Een aantal seksuele misdrijven krijgt een nieuwe naam. Verouderde begrippen zoals aanranding van de eerbaarheid wor­ den afgeschaft en vervangen door nieuwe misdrijven met heldere omschrijvingen, zoals aantasting van de seksuele integriteit en incest. Bestaande definities worden uitgebreid, zoals bijvoor­ beeld bij verkrachting en voyeurisme. Rechtszekerheid wordt beoogd. Tegelijkertijd wordt ervoor gezorgd dat de harmonie met bestaande begrippen in het huidig Strafwetboek gewaarborgd blijft. Alle definities zijn ten slotte genderneutraal gemaakt. Verder wordt een bestraffing beoogd die coherent is met andere misdrijven uit het Strafwetboek. Slachtoffers van seksueel geweld worden geconfronteerd met zwaar­ wichtige feiten die een blijvende impact op hun leven hebben. De strafmaat voor verkrachting verdubbelt van 5 jaar naar 10 jaar en alle seksuele misdrijven met verzwarende omstandigheden zullen strenger worden bestraft. De rechter zal over een breder straffenarsenaal beschikken, waarbij er meer ruimte wordt gecreëerd voor alternatieve vormen van bestraffing, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het opleggen van een autonome probatiestraf. Ook zal de rechter een verblijfs-, plaats- of contactverbod kunnen opleggen als autonome straf. Het wetsontwerp wordt ook gekenmerkt door nauw­ keurige bewoordingen. Toestemming zal een centraal begrip vormen. Om van een misdrijf te kunnen spreken, zal het volstaan dat er geen toestemming is. Het begrip “toestemming” wordt duidelijker gedefinieerd. Strafbepalingen die in de realiteit niet worden gehand­ haafd, worden weggelaten. Het gedoogbeleid dat daaruit voortvloeit, leidt immers steevast tot rechtsonzekerheid. Zo wordt meerderjarig sekswerk gedecriminaliseerd. Tegelijkertijd worden bijkomende waarborgen ingebouwd au fil du temps, de sorte que le Code pénal est devenu difficile à lire. Il a besoin d’une refonte complète, mais cela prend du temps. Le travail de l’ancien ministre de la Justice, Koen Geens, et de son comité d’experts, sera dès lors poursuivi. En attendant, et vu que la lutte contre les infractions sexuelles constitue une priorité absolue, un tout nouveau chapitre sur les infractions sexuelles est d’ores et déjà soumis au Parlement. Ce projet de loi est basé sur la proposition de nouveau code pénal rédigé par la commission d’experts. Trois principes clés constituent le fil rouge du texte: simplicité, cohérence et précision. Que contient ce nouveau droit pénal sexuel? Un langage simple et moderne est employé, afin que le texte de loi soit clair. Un certain nombre d’infractions sexuelles sont renommées. Des concepts dépassés tels que l’attentat à la pudeur sont supprimés au profit de nouvelles infractions aux définitions claires, comme l’atteinte à l’intégrité sexuelle et l’inceste. Les définitions existantes sont élargies, comme par exemple pour le viol et le voyeurisme. Le but recherché est d’assurer la sécurité juridique. Parallèlement, il est veillé à maintenir l’harmonie avec les notions existantes dans le Code pénal actuel. Enfin, toutes les définitions ont été rendues neutres en termes de genre. En outre, le texte vise à établir une répression cohé­ rente avec celle qui est prévue pour d’autres infractions du Code pénal. Les victimes de violences sexuelles sont confrontées à des faits graves ayant un impact durable sur leur vie. Le taux de la peine pour le viol est doublé et passe de cinq ans à dix ans, et toutes les infraction sexuelles avec circonstances aggravantes seront punies plus sévèrement. Le juge disposera d’un arsenal pénal plus large, qui accorde une place plus importante aux peines alternatives, en prévoyant notamment la possibilité d’imposer une peine de probation autonome. Le juge pourra également imposer une interdiction de résidence, de lieu ou de contact en tant que peine autonome. Le texte est également rédigé avec précision. La notion clé centrale sera le consentement. L’absence de consentement suffira pour pouvoir parler d’infraction. Le consentement reçoit une définition plus claire. Les dispositions pénales qui ne sont pas appliquées dans la réalité sont supprimées. La politique de tolérance qui en découle entraîne en effet toujours une insécurité juridique. Le travail du sexe dans le chef de majeurs est ainsi décriminalisé. Parallèlement, des garanties 2141/006 DOC 55 6 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E om misbruik van prostitutie tegen te gaan en ook uitbuiting van sekswerkers blijft uiteraard te allen tijde strafbaar. De minister geeft een overzicht van de voornaamste wijzigingen en kijkt met belangstelling uit naar de leven­ dige debatten die in het Parlement zullen worden gevoerd. Een belangrijke wijziging is de plaats waar het seksueel strafrecht in het Strafwetboek wordt ingeschreven. De seksuele misdrijven worden niet langer ondergebracht in titel VII (7) “misdaden en wanbedrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid”, maar in titel VIII (8) “misdaden en wanbedrijven tegen personen”. Het hoofdstuk rond seksuele misdrijven wordt onmid­ dellijk na het hoofdstuk rond opzettelijk doden ingevoegd. Deze plaats in het Wetboek benadrukt dat seksuele misdrijven een zeer ernstige vorm van criminaliteit zijn. In een eerste nieuw hoofdstuk komt de seksuele inte­ griteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden aan bod. Het strafbaar stellen van inbreuken op de gezinsvrede vormt immers niet langer het uitgangs­ punt: iedereen heeft de vrije wil om in te stemmen met seksuele handelingen, maar de toestemming moet er altijd en daadwerkelijk zijn. Daarom staat het begrip toestemming centraal en wordt het, in tegenstelling tot het huidig Strafwetboek, uitdrukkelijk gedefinieerd. Het is een uniforme definitie die voor alle seksuele misdrijven geldt. Toestemming mag nooit worden afgeleid uit een gebrek aan verweer bij het slachtoffer. Er wordt niet-limitatief opgelijst wanneer er geen sprake van toestemming kan zijn. De toestemming kan ook op elk moment worden ingetrokken. Van zodra een gebrek aan toestemming is er sprake van een misdrijf. Een andere wijziging betreft de seksuele meerder­ jarigheid. De seksuele meerderjarigheidsgrens wordt geharmoniseerd en gelegd op 16 jaar. Het uitgangspunt is dat een minderjarige jonger dan 16 jaar niet uit vrije wil kan toestemmen met eender welke seksuele handeling. Er zijn twee afwijkingen op deze regel: • Er wordt voorzien in een uitzondering voor jongeren tussen de leeftijd van 14 jaar en 16 jaar. Zij kunnen wel toestemmen met seksuele handelingen indien de andere persoon maximum 2 jaar ouder is. supplémentaires sont prévues pour lutter contre l’abus de la prostitution, et l’exploitation des travailleurs du sexe reste évidemment également toujours punissable. Le ministre passe en revue les principaux changements et attend avec intérêt les débats animés qui auront lieu au Parlement. Une modification importante concerne la place à laquelle le droit pénal sexuel est inséré dans le Code pénal. Les infractions à caractère sexuel ne sont plus reprises sous le titre VII (7) “Des crimes et des délits contre l’ordre des familles et contre la moralité publique” mais sous le titre VIII (8) “Des crimes et des délits contre les personnes”. Le chapitre relatif aux infractions à caractère sexuel est inséré directement après le chapitre relatif à l’homi­ cide volontaire. L’attribution de cette place dans le Code souligne que les infractions sexuelles constituent une forme grave de criminalité. Un premier nouveau chapitre aborde les infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodé­ termination sexuelle et aux bonnes mœurs. L’incrimination des infractions portant atteinte à la paix familiale ne constitue en effet plus le point de départ; chacun peut consentir librement à des actes à caractère sexuel, mais il doit toujours y avoir réellement consentement. C’est la raison pour laquelle la notion de consentement occupe une place centrale et est définie explicitement, contrairement à ce qui est le cas dans le Code pénal actuel. Il s’agit d’une définition uniforme qui s’applique à toutes les infractions à caractère sexuel. Le consentement ne peut jamais être déduit de l’absence de résistance de la victime. Les cas dans lesquels il ne peut y avoir consentement sont énumérés de manière non exhaustive. Le consen­ tement peut être retiré à tout moment. Il y a infraction dès qu’il y a absence de consentement. Une autre modification concerne la majorité sexuelle. L’âge de la majorité sexuelle est harmonisé et est fixé à seize ans. Le principe de base est qu’un mineur âgé de moins de seize ans ne peut pas consentir librement à un acte à caractère sexuel, quel qu’il soit. Il existe deux déro­ gations à cette règle: • Une exception est prévue pour les jeunes de plus de quatorze ans et de moins de seize ans. Ils peuvent consentir à des actes à caractère sexuel si l’autre per­ sonne a au maximum deux ans de plus. 7 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E • Er zijn situaties waarbij er nooit toestemming door een minderjarige kan worden gegeven: wanneer de dader familie is of samenwoont met de minderjarige of wanneer de dader gebruik maakt van een positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige. Na deze principes komen de verschillende basis­ misdrijven aan bod. Het eerste basismisdrijf betreft de aantasting van de seksuele integriteit. • Dit vervangt het bestaand misdrijf aanranding van de eerbaarheid waar de inbreuk op het maatschappelijk eerbaarheidsgevoel centraal staat, hetgeen een vage invulling heeft. • Aantasting van de seksuele integriteit is een mo­ derner begrip. Dit nieuwe misdrijf krijgt een heldere en ruime invulling. Er is geen geweld of bedreiging meer vereist en ook de leeftijd van een persoon is irrelevant geworden. Het kan gaan om gelijk welke handeling die een redelijk persoon als seksueel ongepast beschouwt. Een tweede basismisdrijf betreft het voyeurisme. Gelet op de recente invoeging ervan in het Strafwetboek wijzigt deze definitie niet veel. Er wordt wel toegevoegd wat er onder een ontblote persoon moet worden begre­ pen, zodat er in de rechtspraak geen twijfel meer over kan bestaan dat het stiekem maken van beeldopnames of observeren van een persoon onder iemand zijn kledij ook voyeurisme kan uitmaken. Er wordt toegevoegd dat de beoordeling in alle rede­ lijkheid moet gebeuren. Als iemand in een zwembad- of strandcontext gewoon naar je kijkt, zal er geen sprake zijn van voyeurisme. Iemand zal zich wel schuldig ma­ ken aan voyeurisme als hij zich bijvoorbeeld onder een kleedhokje in het zwembad buigt en de begluurde persoon in kwestie half aangekleed in het hokje staat. Hierna volgt een duidelijke en ruimere definitie van het misdrijf verkrachting: De definitie wordt verruimd zodat er meer feiten met zekerheid als verkrachting zullen worden gekwalificeerd. De woorden “of mede bestaat” en “of met behulp van een persoon” worden toegevoegd aan de huidige de­ finitie. Aangezien ze aan het begin van het hoofdstuk algemeen voor alle misdrijven wordt gedefinieerd, wordt de definitie van toestemming geschrapt. • Il existe des situations dans lesquelles un mineur ne peut jamais donner son consentement: lorsque l’auteur est un parent ou cohabite avec le mineur ou lorsque l’auteur utilise une position de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur. Les différentes infractions de base sont abordées après ces principes. La première infraction de base concerne l’atteinte à l’intégrité sexuelle. • Cette infraction remplace l’infraction existante d’at­ tentat à la pudeur, où l’accent est mis sur l’outrage au sentiment socialement accepté de pudeur, ce qui est une notion vague. • L’atteinte à l’intégrité sexuelle est une notion plus moderne. Cette nouvelle infraction est définie de manière large et plus claire. Elle ne nécessite plus qu’il y ait vio­ lence ou menace et l’âge de la personne est également devenu non pertinent. Il peut s’agir de n’importe quel acte qu’une personne raisonnable considère comme sexuellement inapproprié. Une deuxième infraction de base concerne le voyeurisme. Compte tenu du fait que cette infraction a été insé­ rée récemment dans le Code pénal, cette définition ne change pas beaucoup. La définition de ce qu’il faut entendre par personne dénudée est toutefois ajoutée, afin qu’il ne puisse plus subsister aucun doute dans la jurisprudence sur le fait que le fait de prendre des images ou d’observer sous les vêtements d’une personne à son insu peut aussi constituer du voyeurisme. Il ajoute que l’évaluation doit avoir lieu de manière raisonnable. Si, dans le contexte d’une piscine ou à la plage, une personne se contente de vous regarder, il ne peut être question de voyeurisme. En revanche, une personne sera coupable de voyeurisme si, par exemple, elle se penche pour regarder sous une cabine d’essayage dans une piscine et que la personne observée dans la cabine est à moitié habillée. La définition de l’infraction de viol est précisée et élargie. La définition est élargie afin que davantage de faits puissent être qualifiés de viol avec certitude. Les mots “ou se compose d’” et “ou avec l’aide d’une personne” sont ajoutés à la définition actuelle. Vu que le consen­ tement est défini de manière générale pour toutes les infractions au début du chapitre, la définition de ce terme est supprimée. 2141/006 DOC 55 8 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Uit de woorden “mede bestaat” volgt dat zowel de gedragingen die aan het seksueel binnendringen voor­ afgaan, dan wel daarop volgen of daarmee gepaard gaan onder de delictsomschrijving van verkrachting vallen m.a.w. dat verkrachting dus omvangrijker is dan een loutere penetratie. De toevoeging van “of met behulp van een persoon die daar niet in toestemt” viseert de situatie waarbij het slachtoffer als instrument wordt gebruikt. Bijvoorbeeld wanneer hij wordt opgedragen zichzelf of iemand anders te penetreren. De strafmaat voor het basismisdrijf verkrachting verdub­ belt en wordt 10 jaar tot 15 jaar (na correctionalisering: minimum 6 maand – maximum 10 jaar). Ten slotte wordt incest als afzonderlijk misdrijf strafbaar gesteld met een heldere definitie. Een volgende onderafdeling gaat over de verzwaarde misdrijven en de verzwarende factoren: • De verzwarende omstandigheden zoals bijvoorbeeld foltering, zwaar geweld, wapens, weerloos makende stof­ fen, kwetsbare toestand, niet-consensuele intrafamiliale handelingen, discriminatie, minder dan 16 jaar, enz. worden allemaal zeer helder onder elkaar uiteengezet. • Een verzwaard misdrijf is het basismisdrijf + de verzwarende omstandigheid die aan het misdrijf wordt toegevoegd. • Bij alle verzwaarde misdrijven gaat de strafmaat één trap omhoog. Voor de meeste verzwaarde misdrijven betekent dit een gevangenisstraf van 10 jaar tot 15 jaar en bij verkrachting zelfs 15 jaar tot 20 jaar. • Alle bestaande verzwarende factoren worden even­ eens opgelijst: bloedverwant, openbare functie, in de uitoefening van een functie of een minderjarige jonger dan 10 jaar, in aanwezigheid van een minderjarige of uit eer. • Verzwarende factoren is een nieuw begrip dat zich onderscheidt van de verzwarende omstandigheden/ verzwaarde misdrijven zoals hierboven uiteengezet, doordat de rechter verplicht is om de omstandigheden in overweging te nemen bij het bepalen van de zwaarte van zijn straf binnen eenzelfde strafvork. Hij mag evenwel – in tegenstelling tot bij verzwarende omstandigheden – geen hogere strafmaat opleggen en moet binnen de­ zelfde vork oordelen of het noodzakelijk is dat hij een zware straf oplegt. Il résulte des termes “se compose d’” que tant les comportements qui précèdent la pénétration sexuelle que ceux qui la suivent ou qui y sont liés relèvent de la qualification de viol, c’est-à-dire que le viol est plus étendu que la simple pénétration. L’ajout de “ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas” fait référence à la situation où la victime est utilisée comme un instrument, par exemple, lorsqu’on lui ordonne de se pénétrer ou de pénétrer quelqu’un d’autre. La peine pour l’infraction de base de viol est doublée et sera de 10 à 15 ans (après correctionnalisation: mini­ mum 6 mois – maximum 10 ans). Enfin, l’inceste est incriminé en tant qu’infraction distincte, avec une définition claire. La sous-section suivante traite des infractions aggra­ vées et des facteurs aggravants: • Les circonstances aggravantes telles que, par exemple, la torture, l’usage de violence grave, la menace d’une arme, l’administration de substances inhibitives, les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consen­ suels, la discrimination, le fait que la victime a moins de 16 ans, etc., sont toutes énoncées très clairement. • Une infraction aggravée est l’infraction de base + la circonstance aggravante ajoutée à l’infraction. • Pour toutes les infractions aggravées, la peine est augmentée d’un palier. Pour la plupart des infractions aggravées, cela signifie une peine d’emprisonnement de 10 à 15 ans et même, dans le cas d’un viol, de 15 à 20 ans. • Tous les facteurs aggravants existants sont égale­ ment énumérés: infraction commise par un parent, par une personne investie d’une fonction publique, dans l’exercice d’une fonction ou sur un mineur de moins de 10 ans, en présence d’un mineur ou au nom de l’honneur. • Les facteurs aggravants sont un nouveau concept qui diffère des circonstances aggravantes/ infractions aggravées telles que décrites ci-dessus en ce sens que, lorsqu’il détermine la sévérité de la peine, le juge est obligé de prendre en compte les circonstances à l’inté­ rieur d’une même fourchette de peines. Contrairement à ce qui est le cas pour les circonstances aggravantes, il ne peut pas imposer un taux de peine plus élevé et doit évaluer, dans la même fourchette de peines, s’il est nécessaire qu’il impose une peine sévère. 9 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Vervolgens wordt een afdeling over de seksuele uitbuiting van minderjarigen ingevoegd. Dit vormt een nieuwe afdeling die alle seksuele misdrijven waarbij er een minderjarig slachtoffer is, groepeert en zeer duidelijk oplijst. De strafbepalingen worden beter leesbaar gemaakt en de terminologie “kinderpornografie” wordt veranderd in de meer passende term “beelden van seksueel misbruik van minderjarigen”. De terminologie wordt bij verschil­ lende bepalingen ook gemoderniseerd. Hierna volgt een afdeling over openbare zedenschennis waarin de interpretatie van het begrip wordt gemoderni­ seerd. Het wordt beperkt tot de misdrijven “verspreiden van boodschappen van extreem pornografisch of extreem gewelddadige aard” en “exhibitionisme”. Inzake het verspreiden van boodschappen van extreem pornografisch of extreem gewelddadige aard stelt de minister nu reeds duidelijk dat dit limitatief moet worden geïnterpreteerd. Het is niet de bedoeling dat het in privé context filmen van BDSM met toestemming strafbaar zou worden gesteld. Het artikel wordt opgenomen in de afdeling openbare zedenschennis. Exhibitionisme vormt een nieuwe, afzonderlijke straf­ baarstelling in vergelijking met het huidig Strafwetboek. Ten slotte volgen er een aantal gemeenschappelijke bepalingen die zorgen voor het invoeren van een ver­ blijfs-, plaats- of contactverbod als bijkomende straf. De rechter moet motiveren waarom hij deze straf oplegt en dient rekening te houden met de zwaarwichtigheid van de feiten. De rechter krijgt altijd de facultatieve mogelijk­ heid om een advies te vragen van een dienst, gespeci­ aliseerd in de behandeling van seksuele delinquenten en dit voor alle seksuele misdrijven. Tot op heden is dit namelijk enkel een noodzakelijke voorwaarde voor een heel beperkt aantal misdrijven. Een tweede hoofdstuk betreft het misbruik van prostitutie. Teneinde te waarborgen dat elke vorm van misbruik van prostitutie wordt bestraft en rekening houdend met het advies van de Raad van State en met dat van het College van procureurs-generaal, wordt voorgesteld om te voorzien in vier nieuwe strafbaarstellingen: — pooierschap; — reclame voor prostitutie; — het aanzetten tot prostitutie; Ensuite, une section sur l’exploitation sexuelle des mineurs est insérée. Il s’agit d’une nouvelle section qui regroupe et énumère très clairement toutes les infractions sexuelles dont la victime est mineure. Les dispositions pénales sont rendues plus lisibles et le terme “pédopornographie” est remplacée par l’expres­ sion plus appropriée “images d’abus sexuel de mineurs”. La terminologie utilisée dans diverses dispositions est également modernisée. La section suivante concerne l’outrage public aux bonnes mœurs. L’interprétation de ce concept est moder­ nisée. Elle est limitée aux infractions de “diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent” et à l’“exhibitionnisme”. En ce qui concerne la diffusion de messages à carac­ tère extrêmement pornographique ou violent, le ministre précise déjà que cela doit être interprété de manière limitative. L’intention n’est pas d’incriminer le fait de filmer des pratiques BDSM dans un contexte privé avec consentement. L’article est inclus dans la section relative à l’outrage public aux bonnes mœurs. L’exhibitionnisme constitue une nouvelle incrimination distincte par rapport au Code pénal actuel. Enfin, un certain nombre de dispositions communes prévoient l’instauration d’une interdiction de résidence, de lieu ou de contact à titre de peine accessoire. Le juge doit motiver le prononcé de cette peine et tenir compte de la gravité des faits. Le juge a toujours la possibilité facultative de demander l’avis d’un service spécialisé dans le traitement des délinquants sexuels, et ce pour toutes les infractions sexuelles. Jusqu’à présent, cette condition n’était nécessaire que pour un nombre très limité d’infractions. Un deuxième chapitre concerne l’abus de la prostitution. Afin de garantir l’incrimination de toute forme d’abus de la prostitution et en tenant compte de l’avis du Conseil d’État et l’avis du Collège des procureurs généraux, il est proposé de prévoir quatre nouvelles incriminations. Il s’agit: — du proxénétisme; — de la publicité pour la prostitution; — de l’incitation à la prostitution; 2141/006 DOC 55 10 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E — het nastreven van een abnormaal voordeel via de prostitutie van iemand anders. De minister wil het pooierschap strafbaar stellen om tegemoet te komen aan de bekommeringen van het College van procureurs-generaal. Die bepaling is van toepassing zonder afbreuk te doen aan de strafbe­ palingen inzake mensenhandel. Het pooierschap kan worden uitgeoefend door een natuurlijke of door een rechtspersoon. De strafbare handelingen zijn die welke buiten de (huidige en toekomstige) wetsregels vallen. Er is bijvoor­ beeld geen sprake van het aanzetten of dwingen zoals bedoeld in 1°, wanneer een uitbater of uitzendbureau een legale overeenkomst sluit met een sekswerker die vrij en toestemmend handelt. De bepalingen zijn geïn­ spireerd op de Nieuw-Zeelandse wet ter hervorming van de prostitutie; in dat land werd de prostitutie met succes uit het strafrecht gehaald. De bepalingen van artikel 380, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek kunnen worden weggelaten, aangezien de erin behandelde materie veelal onder mensenhandel in de strikte betekenis van het woord valt. De term “uitbuiting” zal alleen nog voorkomen bij het misdrijf mensenhandel. Om de mensen terdege te beschermen en het mis­ bruik van prostitutie te voorkomen, werden bepaalde misdrijven behouden en anders omschreven. Het misdrijf reclame maken voor prostitutie werd behouden, zij het in bijgestuurde vorm. In de strafbare handelingen betekent reclame elk woord, elke afbeelding of elke andere voorstelling die wordt gebruikt om de be­ schikbaarheid van commerciële seksuele diensten aan te kondigen of de verkoop ervan te bevorderen, hetzij in het algemeen, hetzij in het bijzonder. Dit is verboden, behalve indien het gaat om reclame voor eigen diensten van seksuele aard of in de gevallen die de wet bepaalt. Het aanbieden van eigen diensten van seksuele aard via reclame is aldus toegelaten. Onder toegelaten reclame voor eigen diensten dient niet alleen de klassieke papieren reclame te worden begrepen zoals (niet-limitatief) een aankondiging in de krant of een folder, maar ook het aanbieden van eigen diensten op een digitaal platform. Het aanzetten tot prostitutie is ook verboden. Aldus kunnen met name de activiteiten van de zogenaamde sugardaddy’s voor de ULB verder worden blijven bestraft. — de la recherche d’un avantage anormal par la prostitution d’une autre personne. Le ministre souhaite incriminer le proxénétisme pour répondre aux préoccupations du Collège des procureurs généraux. Cette disposition s’applique sans préjudice des dispositions pénales relatives à la traite des êtres humains. Le proxénétisme peut être exercé par une personne physique comme par une personne morale. Les actes punissables sont ceux qui tombent hors du cadre légal (actuel et futur). Par exemple, il ne peut être question d’incitation ou de coercition telles que visées au 1° si un opérateur/une agence conclut un accord légal avec un travailleur du sexe qui agit de manière libre et consentante. Les dispositions s’inspirent de la loi de la Nouvelle-Zélande sur la réforme de la prostitution; pays où la prostitution a été décriminalisée avec succès. Les dispositions de l’article 380, § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°, du Code pénal peuvent être abandonnées, étant donné que cela relève en grande partie de la traite des êtres humains au sens strict du terme. Le terme “exploitation” ne figurera plus que dans l’infraction de traite. Pour bien protéger les gens et éviter l’abus de la prostitution, on a gardé et rédigé certains infractions. L’infraction de publicité pour la prostitution en version modifiée a été maintenue. Dans les actes punissables, on entend par publicité tout mot, image ou autre représenta­ tion utilisé pour annoncer la disponibilité ou promouvoir la vente de services sexuels commerciaux, que ce soit en général ou en particulier. Ceci est interdit, sauf en cas de publicité pour ses propres services à caractère sexuel ou dans les cas prévus par la loi. L’offre de ses propres services à caractère sexuel par le biais de la publicité est donc autorisée. Par publicité autorisée pour ses propres services, il convient d’entendre non seulement la publicité tradition­ nelle sur papier telle que par exemple une annonce dans un journal ou une brochure (exemples non exhaustifs), mais aussi l’offre de ses propres services sur une pla­ teforme numérique. L’incitation à la prostitution est également interdite. Il permet notamment de continuer à sanctionner les campagnes pour les “Sugar daddies” devant l’ULB. 11 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Een ander wetsartikel betreft het nastreven van een abnormaal voordeel door de prostitutie van een ander persoon. Ingevolge het advies van de Raad van State werd “abnormaal voordeel” verduidelijkt. Er wordt ge­ sproken van een voordeel om zo niet enkel een abnor­ maal geldelijk gewin te omvatten, maar elk mogelijk abnormaal voordeel (zoals het leveren van bepaalde seksuele diensten). Tevens moet het voordeel abnormaal zijn, teneinde het leven van de in de prostitutie actieve personen niet onnodig te bemoeilijken. Het omvat zowel directe als indirecte eigendomsvoordelen. In vergelijking met het huidige Strafwetboek zal via de ontworpen tekst het loutere houden van een huis van ontucht of prostitutie waar enkel meerderjarigen werken en er geen sprake is van enige (seksuele of financiële) uitbuiting, niet langer strafbaar zijn. Dit stemt overeen met het reeds aangehaalde jarenlange gedoogbeleid. Kortom, met het nieuwe hoofdstuk over het misbruik van prostitutie wordt het thans mogelijk de uitbuiting te voorkomen. Zo kan iemand worden vervolgd die met het oog op prostitutie kamers te huur aanbiedt tegen volstrekt overgewaardeerde prijzen. Tot slot deelt de minister mee dat de wet op de eerste dag van de derde maand na die waarin ze bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad in werking zal treden. Deze periode laat toe aan de parketten en rechters om vertrouwd te geraken met de nieuwe principes van het seksueel strafrecht, zodat deze onmiddellijk bij inwer­ kingtreding kunnen worden toegepast. B. Wetsvoorstel (Goedele Liekens, Katja Gabriëls, Egbert Lachaert) tot wijziging van het Strafwetboek wat de seksuele meerderjarigheid betreft, DOC 55 0461/001 In België start de seksuele meerderjarigheid momen­ teel op 16 jaar. Seksuele handelingen met of tussen minderjarigen jonger dan zestien, zelfs met wederzijdse toestemming, zijn dus in principe strafbaar. De indieners vragen zich echter af of 16 jaar nog beant­ woordt aan de maatschappelijke realiteit. Zij wijzen erop dat jongeren alsmaar vroeger beginnen te experimenteren met seksualiteit, niet alleen met leeftijdsgenoten maar vaak ook met oudere partners. De indieners stellen voor seksuele contacten tussen jongeren tussen 14 en 16 jaar niet langer per definitie als strafbaar te beschouwen. Om deze jongeren te be­ schermen staan zij echter niet toe dat er tussen beide Un autre article de loi porte sur la recherche d’un avan­ tage anormal par la prostitution d’une autre personne. Suite à l’avis du Conseil d’État, la notion d’”avantage anormal” a été précisée. On parle d’un avantage afin de ne pas couvrir uniquement un profit financier anormal, mais également tout avantage anormal possible (par exemple, certains services sexuels). Il est prévu en outre que l’avantage doit être anormal afin de ne pas compliquer inutilement la vie des per­ sonnes actives dans la prostitution. La notion inclut les avantages patrimoniaux directs ou indirects. En comparaison avec le Code pénal actuel, avec le projet, le simple fait de tenir une maison de débauche ou de prostitution où seules des personnes majeures tra­ vaillent et où il n’y a pas la moindre exploitation (sexuelle ou financière) cesse d’être punissable. Cela correspond à la politique de tolérance pratiquée depuis des années et déjà évoquée. En conclusion, il devient maintenant possible de prévenir l’exploitation avec le nouveau chapitre sur l’abus de la prostitution. Cela permet, par exemple, de poursuivre une personne qui met en location à des prix exorbitants des chambres aux fins de prostitution. Enfin, le ministre indique que la loi entrera en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge. Cette période permet aux parquets et aux juges de se familiariser avec ces nouveaux principes du droit pénal sexuel, afin qu’ils puissent être appliqués dès leur entrée en vigueur. B. Proposition de loi (Goedele Liekens, Katja Gabriëls, Egbert Lachaert) modifiant le Code pénal en ce qui concerne la majorité sexuelle, DOC 55 0461/001 En Belgique, la majorité sexuelle prend actuellement cours à 16 ans. Les actes sexuels impliquant des mineurs de moins de seize ans sont donc en principe punissables, même lorsqu’il y a consentement mutuel. Les auteurs se demandent toutefois si l’âge de 16 ans correspond encore à la réalité de notre société. Ils sou­ lignent que les jeunes commencent de plus en plus tôt à expérimenter avec leur sexualité, non seulement avec des partenaires du même âge, mais souvent aussi avec des partenaires plus âgés. Les auteurs proposent de ne plus considérer auto­ matiquement les contacts sexuels entre jeunes âgés de 14 à 16 ans comme des actes punissables. Ils entendent néanmoins protéger les jeunes en prévoyant qu’il ne 2141/006 DOC 55 12 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E seksuele partners een leeftijdsverschil bestaat van meer dan vijf jaar. C. Wetsvoorstel (Goedele Liekens, Katja Gabriëls, Egbert Lachaert) tot wijziging van het Strafwetboek wat de aanranding van de eerbaarheid en de verkrachting betreft, DOC 55 0578/001 Ons strafrecht maakt een onderscheid tussen ver­ krachting en aanranding, en voorziet in verschillende straffen naargelang de leeftijd van het slachtoffer en het al dan niet gepaard gaan van het misdrijf met geweld of bedreiging. Aanranding van een persoon boven de leeftijd van 16 jaar, zonder gebruik van geweld of bedreiging wordt echter niet bestraft. Is het slachtoffer een man en de dader een vrouw, dan is het bovendien vaak moeilijk om juridisch te spreken van verkrachting omdat de strafwet in principe verwacht dat de dader het slachtoffer pene­ treert en niet omgekeerd. De indieners willen deze problemen verhelpen door het geval van aanranding van personen boven de leeftijd van 16 jaar zonder gebruik van geweld of bedreiging op te nemen in de strafwet, en te bepalen dat aanranding en verkrachting kunnen gepleegd worden “met behulp van” de persoon die als slachtoffer gezien wordt. Ook wordt het toedienen van alcohol of drugs aan het slachtoffer om hem of haar in staat van verminderd bewustzijn te brengen, toegevoegd aan de lijst met verzwarende omstandigheden. D. Wetsvoorstel (Karin Jiroflée, Ben Segers) tot aanvulling van het Strafwetboek wat de seksuele meerderjarigheid betreft, DOC 55 0634/001 In België ligt de grens van seksuele meerderjarigheid momenteel op 16 jaar. Seksuele handelingen tussen minderjarigen jonger dan zestien, zelfs met weder­ zijdse toestemming, zijn dus in principe strafbaar. Dit wetsvoorstel bepaalt dat er niet langer sprake is van aanranding van de eerbaarheid wanneer de handelingen plaatsvinden tussen een minderjarige vanaf de leeftijd van veertien jaar en een andere minderjarige van 14 tot 16 jaar of een persoon die maximaal drie jaar ouder is. E. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Catherine Fonck, Maxime Prévot, Georges Dallemagne, Sophie Rohonyi) tot wijziging van het Strafwetboek, betreffende de definitie van het begrip “toestemming” bij seksuele misdrijven, DOC 55 1530/001 Dit wetsvoorstel beoogt te verduidelijken dat bij een seksuele handeling de toestemming expliciet en duidelijk peut y avoir une différence de plus de cinq ans entre les deux partenaires sexuels. C. Proposition de loi (Goedele Liekens, Katja Gabriëls, Egbert Lachaert) modifiant le Code pénal en ce qui concerne l’attentat à la pudeur et le viol, DOC 55 0578/001 Le droit pénal belge distingue le viol de l’attentat à la pudeur et prévoit des peines différentes en fonction de l’âge de la victime et selon que l’infraction est accom­ pagnée de violences ou de menaces. Toutefois, l’attentat à la pudeur commis sans violences ni menaces sur une personne de plus de seize ans n’est pas puni. Si la victime est de sexe masculin et l’auteur de sexe féminin, il est en outre souvent difficile de parler de viol, au sens juridique du terme, dès lors que la loi pénale part du principe que l’auteur pénètre la victime, et non l’inverse. Les auteurs entendent remédier à ces problèmes en inscrivant, dans la loi pénale, l’attentat à la pudeur commis sans violences ni menaces sur une personne de plus de seize ans, et en disposant que l’attentat à la pudeur et le viol peuvent être commis “à l’aide de” la personne considérée comme la victime. En outre, l’administration d’alcool ou de drogues à la victime afin de l’amener dans un état de conscience diminuée est ajoutée à la liste des circonstances aggravantes. D. Proposition de loi (Karin Jiroflée, Ben Segers) complétant le Code pénal en ce qui concerne la majorité sexuelle, DOC 55 0634/001 En Belgique, la majorité sexuelle est actuellement fixée à 16 ans. En principe, les actes sexuels entre mineurs de moins de seize ans sont donc punissables, même en cas de consentement mutuel. Cette proposition de loi prévoit qu’il ne sera plus question d’attentat à la pudeur en cas d’actes sexuels entre un mineur âgé de quatorze ans ou plus et un autre mineur âgé entre quatorze et seize ans ou une personne âgée de trois ans de plus au maximum. E. Proposition de loi (Vanessa Matz, Catherine Fonck, Maxime Prévot, Georges Dallemagne, Sophie Rohonyi) modifiant le Code pénal, relative à la définition de la notion de “consentement” pour les infractions sexuelles, DOC 55 1530/001 La proposition de loi à l’examen vise à préciser que le consentement doit être exprimé de manière explicite 13 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E moet worden uitgedrukt. Ze kan niet uit een houding worden afgeleid. Het wetsvoorstel beoogt tevens beter aan te geven in welke gevallen er in het raam van een seksueel misdrijf geen toestemming is. De bedoeling is zowel de hypothe­ ses te omvatten waarbij er geen toestemming is zoals bepaald in het huidige artikel 375, tweede lid, van het Strafwetboek als de hypotheses waarbij de slachtoffers hun weigering om de seksuele handeling aan te vatten of zelfs voort te zetten niet expliciet kunnen uiten. F. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Maxime Prévot) tot wijziging van het Strafwetboek, houdende strafbaarstelling van bepaalde vormen van seksuele agressie op afstand, DOC 55 1670/001 Op grond van het Strafwetboek is seksuele agressie thans alleen strafbaar indien de dader zich fysiek bij het slachtoffer bevindt. Gelet op het wijdverbreide gebruik van de sociale media en de laakbare daden die in die context worden begaan, strekt die wetsvoorstel ertoe het Strafwetboek bij te sturen, teneinde ook te voorzien in de strafbaarstelling van bepaalde vormen van seksuele agressie op afstand. G. Wetsvoorstel (Vanessa Matz, Maxime Prévot, Sophie Rohonyi) teneinde incest als dusdanig als strafbaar feit in het Strafwetboek op te nemen, DOC 55 1778/001 Mevrouw Vanessa Matz, hoofdindienster van het wets­ voorstel, wijst erop dat het huidige wetsvoorstel beoogt incest als een afzonderlijk misdrijf in het Strafwetboek op te nemen, gezien de specifieke eigenheid ervan. Daartoe bevat het wetsvoorstel een omschrijving van het begrip “toestemming voor een seksuele handeling”. Tevens wil­ len de indieners een onweerlegbaar vermoeden instellen dat seksuele handelingen in familieverband met een minderjarige zonder diens toestemming worden gesteld. Voor het overige wordt verwezen naar de toelichting bij het wetsvoorstel. H. Wetsvoorstel (Stefaan Van Hecke c.s.) tot wijziging van het Strafwetboek wat betreft de omschrijving van voyeurisme, DOC 55 1854/001 Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen), mede-indienster van het wetsvoorstel, verduidelijkt dat dit wetsvoorstel als doel heeft een oplossing te bieden voor een lacune in de wet, meer bepaald de situatie waarin iemand zonder toestemming de intieme delen (i.e. de geslachtsdelen, et claire lors d’un acte sexuel. Il ne peut être déduit d’une attitude. Elle vise également à mieux préciser les cas dans lesquels il n’y a pas de consentement dans le cadre d’une infraction sexuelle afin de viser à la fois les hypothèses de non-consentement définies à l’actuel article 375, ali­ néa 2, du Code pénal, et les hypothèses des victimes qui ne parviennent pas à exprimer de manière explicite leur refus d’entamer ou même de poursuivre l’acte sexuel. F. Proposition de loi (Vanessa Matz, Maxime Prévot) modifiant le Code pénal, visant à incriminer pénalement certaines agressions sexuelles commises à distance, DOC 55 1670/001 Actuellement, les actes d’agression sexuelle ne sont réprimés par le Code pénal que lorsque l’auteur des faits est présent physiquement auprès de la victime. Étant donné l’usage répandu des médias sociaux et les méfaits qui y sont commis, la proposition de loi à l’examen adapte ce même Code de façon à ce que certaines agressions sexuelles commises à distance soient également punissables pénalement. G. Proposition de loi (Vanessa Matz, Maxime Prévot, Sophie Rohonyi) visant à incriminer l’inceste en tant que tel dans le Code pénal, DOC 55 1778/001 Mme Vanessa Matz, auteure principale de la propo­ sition de loi, indique que la proposition de loi à l’examen vise à inscrire l’inceste dans le Code pénal comme un crime à part entière, au vu de sa spécificité. Pour ce faire, elle vise à définir la notion de consentement à un acte sexuel et à instaurer une présomption irréfragable d’absence de consentement de la part d’un mineur à tout acte sexuel dans un cadre familial. Il est renvoyé aux développements de la proposition de loi pour le surplus. H. Proposition de loi (Stefaan Van Hecke et consorts) modifiant le Code pénal en ce qui concerne la définition du voyeurisme, DOC 55 1854/001 Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen), coauteure de la proposition de loi, précise que la proposition de loi à l’examen vise à remédier à une lacune présente dans la loi en prévoyant également la situation dans laquelle une personne observe ou filme sans autorisation les parties 2141/006 DOC 55 14 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het achterwerk of de borsten) van een andere persoon, zelfs wanneer deze niet ontbloot zijn maar bedekt zijn door ondergoed, observeert of filmt onder zijn of haar kleding. Voortaan zal ook het stiekem foto’s of filmpjes maken onder de rokken van vrouwen, of het observeren van de intieme delen of het ondergoed onder de kleding van een andere persoon, in omstandigheden waarin de geslachtsdelen, het achterwerk, de borsten of het ondergoed normaal niet zichtbaar zijn, strafbaar zijn. intimes (c’est-à-dire les parties génitales, les fesses ou les seins) d’une autre personne sous ses vêtements, même lorsque celles-ci ne sont pas dénudées mais sont couvertes par des sous-vêtements. Dorénavant, la réalisation furtive de photographies ou de films sous la jupe d’une femme ou l’observation des parties intimes ou des sous-vêtements sous les vêtements d’une autre personne, dans des circonstances dans lesquelles les parties génitales, les fesses, les seins ou les sous-vêtements ne sont normalement pas visibles, seront également punissables. 15 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E III. — ALGEMENE BESPREKING A. Vragen en bemerkingen van de leden Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stipt aan dat dit wetsontwerp voortbouwt op het ontwerp van nieuw Strafwetboek, dat in de vorige zittingsperiode werd opgesteld onder leiding van de Commissie voor de hervorming van het strafrecht. Dat ontwerp raakte niet meer goedgekeurd door de val van de regering-Michel. Intussen ligt het ontwerp van nieuw Strafwetboek opnieuw op de regeringstafel. Maar minister Van Quickenborne wil daar niet meer op wachten om alvast het seksueel strafrecht te hervormen. Het wetsontwerp werd bij de Kamer ingediend op 19 juli 2021.Op 21 september vond de toelichting plaats, gevolgd door interessante hoorzittingen op 28 septem­ ber en 19, 26 en 27 oktober 2021. Het heeft geloond te luisteren naar de inzichten van de experts. Vervolgens staat spreekster stil bij de belangrijkste onderdelen van het ontwerp: — Het opnemen van de seksuele misdrijven in een titel waarin alle misdrijven tegen de persoon worden samengebracht. De focus ligt nu op de seksuele auto­ nomie, eerder dan op de familiale orde en de eer; — Er komt een nieuwe definitie van toestemming; — Er wordt een oplossing gezocht omtrent de uniforme leeftijd van seksuele meerderjarigheid; — Er is een harmonisering van de bepalingen inzake aanranding van de eerbaarheid, verkrachting, voyeu­ risme en de niet-consensuele verspreiding van seksuele beelden en opnamen; — Er is een hoofdstuk over het misbruik van prostitutie van meerderjarigen; — Er is een poging tot harmonisering van strafmaten en verzwarende omstandigheden en factoren. Mevrouw De Wit acht de modernisering absoluut nood­ zakelijk. Er is nood aan aanpassingen aan de huidige tijdsgeest. Er is nood aan meer coherente en strengere straffen. Daarnaast is belangrijk om een maatschappelijk signaal te geven, want de cijfers zijn hallucinant. Meten is weten bij het sturen van het beleid. Dit jaar werd het onderzoek van onder andere pro­ fessor Ines Keygnaert uitgebracht, nl. een eerste studie over seksueel grensoverschrijdend gedrag in België III. — DISCUSSION GÉNÉRALE A. Questions et observations des membres Mme Sophie De Wit (N-VA) indique que le projet de loi à l’examen s’appuie sur le projet de nouveau Code pénal qui a été rédigé au cours de la législature précédente sous la direction de la Commission de réforme du droit pénal. Ce projet n’a pas pu être adopté en raison de la chute du gouvernement Michel. Ce projet de nouveau Code pénal se trouve mainte­ nant de nouveau sur la table du gouvernement, mais le ministre Van Quickenborne ne veut pas attendre son adoption pour réformer le droit pénal sexuel. Le projet de loi a été déposé à la Chambre le 19 juillet 2021. L’exposé a eu lieu le 21 septembre, suivi par des auditons intéressantes le 28 septembre et les 19, 26 et 27 octobre 2021. Cela a valu la peine d’écouter les avis des experts. L’intervenante aborde ensuite les différentes parties du projet: — l’intégration des infractions à caractère sexuel dans un titre qui rassemble toutes les infractions contre les personnes. L’accent est maintenant placé sur l’autono­ mie sexuelle et non plus sur l’ordre familial et l’honneur; — une nouvelle définition du consentement est prévue; — une solution est recherchée concernant un âge uniforme de la majorité sexuelle; — il y a une harmonisation des dispositions en matière d’attentat à la pudeur, de viol, de voyeurisme et de dif­ fusion non consensuelle d’images et d’enregistrements à caractère sexuel; — un chapitre relatif à l’abus de la prostitution des majeurs est prévu; — il y a une tentative d’uniformisation du taux des peines et des circonstances et facteurs aggravants. Mme De Wit estime que cette modernisation est indis­ pensable. Des adaptations aux mœurs actuelles sont nécessaires, tout comme des sanctions plus cohérentes et plus sévères. Il convient par ailleurs de donner un signal social car les chiffres sont hallucinants. Mesurer, c’est savoir, quand il s’agit d’ajuster une politique. Cette année, l’étude réalisée notamment par la pro­ fesseure Ines Keygnaert a été publiée. Il s’agit d’une première étude sur les comportements transgressifs 2141/006 DOC 55 16 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die representatief is voor alle genders en leeftijden. Enkel en alleen wat het “hands-on” seksueel grensoverschrij­ dend gedrag (= gedrag met aanrakingen) betreft, maakte 42 % van de vrouwen en 19 % van de mannen dit mee. Bij 16 % van de vrouwen en 5 % van de mannen ging het zelfs om verkrachting. Dit gaat ver. De afgelopen 12 maanden kreeg 10 % van de vrouwen en 6 % van de mannen te maken met een vorm van “hands-on” seksueel grensoverschrijdend gedrag. Uit de criminaliteitsstatistieken van de federale politie blijkt dat de afgelopen 10 jaar gemiddeld elke dag bijna 10 verkrachtingen en 10 aanrandingen worden aange­ geven. Dat is nog maar topje van de ijsberg, want 90 % van de slachtoffers zou gewoon nooit aangifte doen (het zogenaamde “dark number”). Uit cijfers van het openbaar ministerie blijkt dat tus­ sen 2010 en 2017, 53 % van de strafonderzoeken naar een verkrachting werden geseponeerd. Uiteindelijk leidt slechts 14 % van de (gerapporteerde) verkrachtingen tot een veroordeling. Dat laatste cijfer toont aan dat de ambitie evenwel verder moet gaan dan louter nieuwe wetgeving. Ook in de praktijk moet er iets veranderen en zijn er nog verdere stappen nodig. De Zorgcentra na Seksueel Geweld, opgestart door toenmalig staats­ secretaris Zuhal Demir, spelen daarin een belangrijke rol. Maar ook Justitie moet volgen. Dat blijkt ook uit het Wetenschappelijk Evaluatierapport van de ZSG, dat wijst erop dat de juridische procedures te lang aanslepen. Dat wordt onder meer bevestigd door de cijfers omtrent de analyse van de forensische stalen. Voor slechts 14 % van de slachtoffers die tijdens het pilootjaar een forensisch onderzoek ondergingen en klacht indienden, waren de forensische stalen op het einde van dat jaar effectief geanalyseerd. Het wetsvoorstel van Valerie Van Peel beoogt het meer en sneller inzetten op de DNA-analyse van bewijsmateriaal en kan hopelijk ook op de steun van deze commissie rekenen. Enerzijds is het goed om wetgevende initiatieven op te zetten, anderzijds lijkt de wens om seksueel strafrecht uit de bredere hervorming van het gehele strafwetboek te halen een risico voor coherentie en overgang, aldus mevrouw De Wit. Het geeft de indruk dat het nieuwe Strafwetboek op de langere baan geschoven wordt, wat heel jammer zou zijn, aangezien dat werk zo goed als afgewerkt werd tijdens de vorige zittingsperiode. De oefening van wat men in dit ontwerp al regelt en wat wordt overgelaten aan de globale hervorming wordt niet consequent gemaakt. Spreekster geeft hierbij enkele voorbeelden: à caractère sexuel en Belgique, qui est représentative pour tous les genres et tous les âges. Rien que pour les comportements transgressifs impliquant un contact (“hands-on”), 42 % des femmes et 19 % des hommes en ont été victimes. Pour 16 % des femmes et 5 % des hommes, il est même question de viol. Cela va loin. Les douze derniers mois, 10 % des femmes et 6 % des hommes ont subi une forme de comportement trans­ gressif impliquant un contact. Il ressort des statistiques de la criminalité de la police fédérale que ces dix dernières années, quasiment 10 viols et 10 attentats à la pudeur ont été commis chaque jour. Ces chiffres ne représentent que le sommet de l’iceberg, car 90 % des victimes ne porteraient jamais plainte (le “chiffre noir”). Les chiffres du ministère public montrent qu’entre 2010 et 2017, 53 % des enquêtes pénales pour viol ont été classées sans suite. Au final, seuls 14 % des viols (rapportés) donnent lieu à une condamnation. Ce dernier chiffre illustre que l’ambition ne doit pas être uniquement d’adopter une nouvelle législation. Dans la pratique également, quelque chose doit changer et des étapes doivent encore être franchies. Les centres de prise en charge des violences sexuelles, créés sous l’impulsion de l’ancienne secrétaire d’État Zuhal Demir, jouent un rôle important en la matière. Mais la justice doit suivre également, comme il ressort du rapport d’évaluation scientifique des CPVS, qui souligne que les procédures juridiques sont trop longues. Cette consta­ tation est notamment étayée par les chiffres relatifs à l’analyse des échantillons médicolégaux. Pour 14 % seulement des victimes ayant fait l’objet d’un examen médicolégal et ayant déposé une plainte au cours de l’année pilote, les échantillons médicolégaux avaient été analysés à la fin de la même année. La proposition de loi de Valerie Van Peel vise à prévoir un recours plus fréquent et plus rapide à l’analyse ADN des preuves. Il est à espérer qu’elle pourra compter sur le soutien de cette commission. S’il est positif de prendre des initiatives législatives, la volonté de retirer le droit pénal sexuel de la réforme plus large du Code pénal dans son intégralité présente néanmoins un risque pour la cohérence et la transition, selon Mme De Wit. Cela crée l’impression que le nouveau Code pénal est renvoyé aux calendes grecques, ce qui serait très dommage étant donné que le travail a quasi­ ment été achevé au cours de la précédente législature. La réflexion sur ce qu’il y a lieu de déjà réglementer dans le projet à l’examen et ce qui est laissé pour la réforme globale n’est pas cohérente. L’intervenante illustre ses propos au moyen de quelques exemples: 17 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E — Sommige aspecten laat men expliciet voor bij het gehele nieuwe Strafwetboek en dat ondanks kritiek van de Raad van State: bv. De terbeschikkingstelling van de regering, aspecten rond het beroepsgeheim, de verjaring (MvT p. 89). — Omgekeerd worden andere aspecten nu wel al overgenomen als principes uit het ontworpen nieuw Strafwetboek, bijvoorbeeld “verzwarende factoren”, waarvan de Raad van State meent dat het een nieuwe rechtsfiguur is dat best wordt ingevoerd in het volledig nieuwe Strafwetboek. — Specifiek m.b.t. de strafmaat: er werd met veel publiciteit aangekondigd dat de straffen naar omhoog zouden gaan. Dat klopt slechts gedeeltelijk. Bovendien wordt het systeem van automatische correctionalisering geïnstitutionaliseerd in het Strafwetboek, terwijl er in het nieuwe Strafwetboek net van dit systeem zou moeten afgestapt worden. Want wat gebeurt er nu: we verhogen de strafmaat voor bv. verkrachting van 5-10 jaar (wat in praktijk maar maximum 5 jaar is) naar 10-15 jaar om dan na de standaard correctionalisering uiteindelijk op maximum 10 jaar te eindigen. Terwijl dat maximum van 10 jaar eigenlijk al is ingesteld door de wetgever, maar gewoon niet wordt gerespecteerd om een assisenproce­ dure te kunnen voorkomen. Dit is een pervers systeem dat terecht door het nieuwe Strafwetboek wordt afgeschaft, maar met dit ontwerp dus verder gebetonneerd wordt. Mevrouw De Wit vraagt zich af hoe nadien de omschake­ ling naar het nieuwe Strafwetboek zal gebeuren. Blijft de maximumstraf 15 jaar, zoals nu in theorie in het wetboek bepaald wordt, of zal het de maximale straf zijn die in praktijk zal toegepast worden, nl. 10 jaar? Mevrouw De Wit wijst op het feit dat de N-VA-fractie ervoor pleit om artikel 150 van de Grondwet aan te passen zodat de as­ sisenprocedure wordt afgeschaft voor seksuele misdaden. Op die manier zullen er hogere straffen opgelegd kunnen worden, zonder dat nog gebruik moet gemaakt worden van onterechte verzachtende omstandigheden om te kunnen correctionaliseren (zie voorstel nr. 55 2100). Zij zou dit wetsvoorstel aan de discussie willen toevoegen. Verzwarende factoren is een nieuwe rechtsfiguur en die laat men het best invoeren via het nieuwe Strafwetboek, eerder dan die in te voegen via het seksuele strafrecht waardoor het enkel van toepassing wordt op de seksuele misdrijven. De Raad van State bevestigt die zienswijze. Er is immers een overlap met verzwarende omstandig­ heden. De rechter moet de verzwarende factoren in overweging nemen zonder dat een hogere uitgangsstraf kan gekozen worden. Dit heeft allemaal te maken met — Certains aspects sont explicitement mis de côté pour le tout nouveau Code pénal et ce, malgré les cri­ tiques formulées par le Conseil d’État: par exemple la mise à disposition du gouvernement, les aspects relatifs au secret professionnel, la prescription (exposé des motifs, p. 89). — À l’inverse, d’autres aspects sont dès à présent empruntés comme principes au nouveau Code pénal en projet, par exemple les “facteurs aggravants”, principe que le Conseil d’État considère pourtant comme une nouvelle figure juridique qu’il serait préférable d’introduire dans le tout nouveau Code pénal. — En ce qui concerne spécifiquement le taux des peines: il a été annoncé avec beaucoup de publicité que les peines seraient revues à la hausse. Ce n’est que partiellement vrai. En outre, le système de correc­ tionnalisation automatique est institutionnalisé dans le Code pénal, alors qu’il devrait être abandonné dans le nouveau Code pénal. Car que voyons-nous maintenant: nous relevons par exemple le taux de la peine pour le viol de cinq-dix ans (ce qui revient à maximum cinq ans en pratique) à dix-quinze ans pour ensuite arriver finale­ ment à maximum dix ans après la correctionnalisation automatique. En réalité, cette peine maximale de dix ans est déjà prévue par le législateur mais elle n’est tout simplement pas respectée afin de pouvoir éviter une procédure d’assises. Il s’agit d’un système pervers qui est supprimé à juste titre par le nouveau Code pénal, mais qui est donc bétonné à nouveau avec le projet à l’examen. Mme De Wit se demande comment la transi­ tion vers le nouveau Code pénal aura lieu par la suite. La peine maximale restera-t-elle fixée à quinze ans, comme prévu actuellement en théorie dans le code, ou est-ce la peine maximale qui sera appliquée en pratique, à savoir dix ans? Mme De Wit souligne que le groupe N-VA plaide pour une modification de l’article 150 de la Constitution de manière à supprimer la procédure d’assises pour les crimes à caractère sexuel. Cela permettra de prononcer des peines plus lourdes sans devoir utiliser des circonstances atténuantes injustes pour pouvoir correctionnaliser (voir proposition n° 55 2100). Elle aimerait ajouter cette proposition de loi à la discussion. Les facteurs aggravants sont une nouvelle figure juridique qu’il serait préférable d’introduire par le biais du nouveau Code pénal et non du droit pénal sexuel. En effet, dans cette dernière hypothèse, elle s’appliquera uniquement aux infractions sexuelles. Le Conseil d’État partage cet avis. Il observe en effet un chevauchement avec les circonstances aggravantes. Le juge devra prendre en considération les facteurs aggravants sans pouvoir opter pour une peine applicable plus élevée. Tout cela 2141/006 DOC 55 18 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de trappenschaal van het nieuwe Strafwetboek. Dit leidt tot verwarring en spreekster heeft hier vragen bij. Ook voor het elektronisch toezicht, de werkstraf en probatie(uitstel) worden er voorafnames gemaakt die in een ruimere discussie m.b.t. alle misdrijven zou moeten gebeuren. Deze elementen worden toegevoegd in het ontwerp (art 85 – 105), maar zijn ruimer dan de toepas­ sing van het seksueel strafrecht. Dit gebeurt zonder al te veel toelichting. Mevrouw De Wit stelt dat de minister aan cherry picking doet. Dit alles zou implicaties kunnen hebben bij de toepassing op het terrein. Tijdens de hoorzittingen zijn een aantal spanningen naar voren gekomen. Er zijn suggesties tot amendering gedaan. Het is nodig een en ander uit te klaren vooraleer de artikelsgewijze bespreking wordt aangevat. Onder de grote ijkpunten die mevrouw De Wit wenst aan te stippen, is er vooreerst het aspect van de toe­ stemming. De huidige definitie heeft het voordeel van de duidelijkheid, maar veronderstelt nog steeds een zware bewijslast. Op sommige punten lijkt het zelfs moeilijker te worden. Bijvoorbeeld, bij het intrekken van eerder gegeven toestemming of, bijvoorbeeld, bij alcohol is er geen toestemming wanneer de vrije wil is aangetast. Mevrouw De Wit vraagt hoe een rechter dit moet be­ oordelen. Wordt de bewijslast hiermee omgekeerd? We moeten uitklaren wat we hieronder verstaan en hoe dit moet worden geïnterpreteerd. Men moet waarborgen geven aan de rechten van verdediging. Het mag ook niet moeilijker worden voor de slachtoffers om bepaalde zaken te kunnen aangeven. Er zal meer nodig zijn dan alleen wetgeving (bewijsvergaring, verhoor, opleiding). Veel factoren zullen meespelen om dit op een goede manier te kunnen doen. De toestemming en de beoor­ deling ervan is cruciaal in dit verhaal. De minister heeft verklaard dat hij de straffen zal verhogen. Voor bepaalde misdrijven wordt de strafmaat verhoogd, voor anderen dan weer niet. Spreekster ziet niet altijd de ratio hiervan. Het wordt niet steeds verduidelijkt. De N-VA-fractie is al jaren vragende partij om seksuele misdrijven zwaarder te bestraffen, maar dat moet uiter­ aard proportioneel gebeuren. Die proportionaliteit is er evenwel niet altijd. Mevrouw De Wit haalt hier enkele voorbeelden aan, die naar voor zijn gebracht door de OVB tijdens de hoorzittingen: découle de l’approche graduelle retenue dans le nouveau Code pénal. C’est source de confusion. L’intervenante se pose des questions à cet égard. Mme De Wit constate que l’on se fonde également, en ce qui concerne la surveillance électronique, la peine de travail et le sursis (probatoire), sur des hypothèses qui devraient s’inscrire dans le contexte d’une discussion plus large sur l’ensemble des infractions. Ces éléments sont insérés dans le projet de loi (art. 85 - 105), mais ils vont au-delà de l’application du droit pénal sexuel. Le projet ne donne que peu d’explications en la matière. Mme De Wit estime que le ministre ne retient que ce qui lui plaît, ce qui pourrait avoir des conséquences au niveau de l’application sur le terrain. Des tensions ont été mises en évidence au cours des auditions. Des suggestions d’amendements ont été faites. Il conviendra de se pencher sur ces éléments avant d’entamer la discussion des articles. L’un des principaux problèmes épinglés par Mme De Wit concerne le consentement. La définition actuelle a l’avantage de la clarté, mais elle suppose toujours une lourde charge de la preuve que le projet de loi semble même alourdir dans certains cas. L’intervenante évoque notamment le retrait du consentement préalablement donné ou aux personnes qui sous l’influence de l’alcool et dont le libre arbitre est affecté. Mme De Wit demande comment le juge devra évaluer de telle situations. Y a-t-il en l’espèce un renversement de la charge de la preuve? Il conviendra de préciser ce point et la manière de l’interpréter. Les droits de la défense doivent être sauvegardés. Il faut par ailleurs éviter de compliquer la tâche des victimes qui souhaitent dénoncer certains agissements. Il ne suffira pas pour cela d’adopter une législation (collecte de preuves, interrogatoire, formation). De nombreux facteurs devront être pris en considéra­ tion pour atteindre ces objectifs. Le consentement et l’appréciation du consentement sont d’une importance cruciale en l’espèce. Le ministre a annoncé son intention d’alourdir les peines. Les peines sont alourdies pour certaines infrac­ tions, mais pas pour d’autres. L’intervenante ne comprend pas toujours la logique du système et le projet de loi n’apporte pas de réponses claires à cet égard. Depuis plusieurs années, le groupe N-VA demande que les infractions sexuelles soient punies plus sévèrement. Il convient bien entendu de privilégier la proportionnalité en la matière, ce qui n’est pas toujours le cas. Mme De Wit cite quelques exemples mis en évidence par l’OVB au cours des auditions: 19 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E — Voyeurisme bij ieder verzwarend misdrijf: 10-15 jaar of zelfs 15-20 jaar; — Exhibitionisme in aanwezigheid van een minder­ jarige: 6 maanden – 3 jaar; — Bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen: 1-3 jaar; — Vervaardigen en verspreiden van dergelijke beel­ den: 5-10 jaar. Deze voorbeelden nodigen ons uit om de strafmaten beter op elkaar af te stemmen en dit op een proportio­ nele manier. Het vraagstuk van de seksuele meerderjarigheid is evenzeer een complexe problematiek. De huidige wet­ tekst houdt onvoldoende rekening met bestaande realiteit voor veel jongeren. We moeten uitgaan van de realiteit bij jongeren en dat varieert. Wanneer een 17-jarig lid van de scouts seksuele handelingen zou stellen (zelfs gewoon zou “foefelen”) met een leider van 19 jaar (dus met een gezagsfunctie), dan zou dit een strafbaar feit worden. Uit hoorzittingen bleek eenduidig dat wat momenteel in het ontwerp voorzien is, te strikt is en zich niet verhoudt tot hoe jongeren zich vandaag in de realiteit seksueel ontwikkelen. Er zullen wellicht situaties strafbaar worden, terwijl dat in die gevallen niet wenselijk is. Tussen 14- en 16-jarigen kan het contact volgens het wetsontwerp, maar tussen een 15- en een 18-jarige kan het niet. Dit lijkt volgens spreekster evenmin de bedoeling, maar dit is de consequentie van de tekst die hier voorligt. Er moet meer soepelheid zijn. We moeten jongeren beschermen, maar we mogen niet criminaliseren daar waar niets aan de hand is. Het leeftijdsverschil van 2 jaar is te beperkend, net als de voorwaarde dat er beneden de 18 jaar geen sprake mag zijn van een gezags- of vertrouwensrelatie. De fractie van mevrouw De Wit pleit voor een grotere soepelheid zodat jongeren in hun normale seksuele ontwikkeling niet gecriminaliseerd worden. De uitwerking van de commissie van experts die onder de Zweedse coalitieregering werd vastgelegd, lijkt een goed even­ wicht tussen het beschermen van de zwakkeren en het mogelijk maken van die seksuele ontwikkeling. De commissie van experts onder de vorige regering had een goed evenwicht bereikt. Waarom is daarvan afgeweken? Waarom is een ander compromis bereikt? — Infraction de voyeurisme dans le cadre de toute infraction aggravée: 10 à 15 ans, voire 15 à 20 ans; — exhibitionnisme en présence d’un mineur: 6 mois à 3 ans; — détention et acquisition d’images d’abus sexuels d’un mineur: 1 à 3 ans; — production et diffusion de ces images: 5 à 10 ans. Ces exemples nous invitent à harmoniser les peines en assurant la proportionnalité. La question de la majorité sexuelle est également complexe. Le projet de loi à l’examen ne tient pas suf­ fisamment compte de la réalité de nombreux jeunes. Nous devons nous fonder sur la réalité des jeunes, qui varie selon le cas. Lorsqu’un scout âgé de 17 ans se livre à des actes sexuels (même s’il ne s’agit que d’attou­ chements) avec un chef de 19 ans (qui a une fonction d’autorité), il s’agit, selon le texte, d’un comportement punissable. Les auditions ont clairement montré que le dispositif actuellement prévu par le projet de loi à l’examen est trop strict et ne correspond pas à la façon dont les jeunes se développent sur le plan sexuel dans la réalité actuelle. Certains comportements vont être incriminés alors que ce n’est pas souhaitable. Le projet de loi à l’examen autorise les contacts entre les jeunes de 14 et 16 ans, mais pas entre les jeunes de 15 et 18 ans. Tel n’est sans doute pas l’objectif poursuivi, mais il s’agit bien d’une conséquence du texte à l’examen. Il convient de faire preuve de plus de flexibilité. Il faut protéger les jeunes tout en évitant de criminaliser les comportements qui ne méritent pas de l’être. La différence d’âge de deux ans est trop restrictive, tout comme la condition selon laquelle il ne peut être question d’une relation d’autorité ou de confiance en- dessous de l’âge de 18 ans. Le groupe de Mme De Wit préconise une plus grande flexibilité afin que les jeunes ne soient pas criminalisés dans leur développement sexuel normal. Les travaux de la commission d’experts créée sous la coalition suédoise semblaient préserver un bon équilibre entre la protection des faibles et la volonté de permettre leur développement sexuel. La commission d’experts constituée sous le gou­ vernement précédent avait trouvé un bon équilibre. Pourquoi ne pas s’y tenir? Pourquoi a-t-on privilégié un 2141/006 DOC 55 20 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Kan dit evenwicht heroverwogen worden? Spreekster wenst zich af te stemmen op wat toen als voorstel voor­ lag, met de volgende graduele bescherming: Boven de 16 jaar geldt de volledige keuzevrijheid; onder de 14 jaar is er het onweerlegbare vermoeden dat de jongere niet uit vrije wil kan toestemmen. Tussen 14 en 16 jaar wordt de jongere geacht te kunnen toestemmen, tenzij er een leeftijdsverschil zou zijn van meer dan 5 jaar of tenzij de partner zich in een gezags- of vertrouwenspositie zou bevinden. Onderzoek heeft aangetoond dat het risico op misbruik exponentieel toeneemt vanaf een leeftijdsverschil van 3 tot 5 jaar. Inspiratie werd gehaald uit de Canadese strafwetgeving waar ook een verschil van 5 jaar geldt. De NVA-fractie wenst zich te aligneren op het voorstel dat destijds voorlag, maar richting 3 jaar kan eventueel ook. 2 jaar is echter te krap en te strikt, waarbij onge­ wenste gevolgen niet uit te sluiten zijn. Een volgend gevoelig aandachtspunt is prostitutie, dat volgens de regeringsmeerderheid volledig zou “gelegaliseerd” worden. Dat is helemaal niet het geval. Integendeel, alles wordt alleen maar ingewikkelder gemaakt. Uit de hoorzittingen gingen de adviezen alle richtingen uit, maar wat vaststaat is dat er alléén maar kritiek kwam. De compromistekst, waar de regering zolang over moest onderhandelen, is door niemand po­ sitief onthaald. Dit onderdeel moet absoluut herbekeken worden, aldus mevrouw De Wit. Vooreerst vergt échte legalisering veel meer dan enkel wat aanpassingen in de strafwet. Er is veel meer nood aan een sociaal- en arbeidsrechtelijk statuut voor sekswer­ kers. Er zijn aanpassingen nodig aan de Gemeentewet. Er zou een ontwerp van minister Dermagne in de maak zijn. Misschien kan een en ander beter worden samenge­ voegd tot één groot prostitutieplan. De problematiek moet immers ruimer en multidisciplinair worden aangepakt. Uit de hoorzittingen is gebleken dat, ook al krijgen de sekswerkers een statuut, dit geen misbruiken zal wegnemen. Dit is, jammer genoeg, eigen aan de sec­ tor. 70 % van de sekswerkers die in Nederland volgens statuut werken, is nog steeds slachtoffer van uitbuiting en misbruik. Bovendien komt het merendeel van de prostituees uit het buitenland en reizen ze continu rond, dus wat hebben ze dan aan een Belgisch statuut? Indien prostitutie wordt gelegaliseerd, zullen Oost- Europese vrouwen massaal via legale detachering naar hier gestuurd worden. In Nederland is gebleken dat dit compromis différent? Ne pourrait-on pas envisager de revenir à cet équilibre? L’intervenante souhaite s’aligner sur ce qui a été proposé à l’époque, et donc sur une protection graduelle organisée comme suit: au-dessus de 16 ans, la liberté de choix serait totale; en-dessous de 14 ans, il existerait une présomption irréfragable que le jeune ne peut pas consentir de son plein gré. Entre 14 et 16 ans, le jeune serait réputé capable de consentir, sauf si la différence d’âge est supérieure à 5 ans ou si le partenaire se trouve en position d’autorité ou de confiance. Des études ont montré que le risque d’abus augmente de façon exponentielle à partir d’une différence d’âge de 3 à 5 ans. La proposition précitée s’inspirait du droit pénal canadien, qui retient également une différence d’âge de 5 ans. Le groupe N-VA souhaite s’aligner sur cette proposition tout en ajoutant que l’on pourrait éventuellement s’orienter vers une différence d’âge de 3 ans. La différence d’âge de 2 ans est en tout cas trop petite et risque d’entraîner des conséquences indésirables. Autre sujet sensible: la prostitution, qui, selon la majo­ rité gouvernementale, serait entièrement “légalisée”. Or, ce n’est pas du tout le cas, bien au contraire. Le projet de loi à l’examen ne fait que compliquer les choses. Les experts entendus en commission, qui ont exprimé des positions très variées, ont critiqué unanimement cette partie du projet. Le texte de compromis que le gouvernement a dû négocier pendant si longtemps n’a été accueilli positivement par personne. Mme De Wit estime qu’il est impératif de réexaminer cette section. Tout d’abord, une véritable légalisation nécessitera bien plus que quelques modifications du droit pénal. On aurait bien plus besoin d’un statut pour les travailleurs du sexe en droit social et en droit du travail. Des modi­ fications doivent être apportées à la loi communale. Un projet du ministre Dermagne serait en cours d’élabora­ tion. Peut-être serait-il préférable de regrouper tout cela dans un seul grand plan sur la prostitution. En effet, ce problème doit être abordé de manière plus large et multidisciplinaire. Il ressort des auditions que même si les travailleurs du sexe obtiennent un statut, cela n’éliminera pas les abus. Cette situation est, malheureusement, inhérente à ce secteur. En effet, 70 % des travailleurs du sexe qui ont un statut aux Pays-Bas y sont encore victimes d’exploitation et d’abus. De plus, la majorité des prosti­ tuées viennent de l’étranger et voyagent en permanence. Quelle serait alors l’utilité pour elles d’un statut belge? Si la prostitution est légalisée, des femmes d’Europe de l’Est seront envoyées ici en masse par le biais du détachement légal. Aux Pays-Bas, il apparaît qu’il s’agit 21 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een vrijgeleide betekende voor criminele bendes. Dit kan niet de bedoeling zijn. Sekswerkers in een moeilijke situatie worden mis­ schien nog verder ondergronds geduwd. Het wetsontwerp heeft vele goede bedoelingen, maar betekent enkel een oplossing voor zij die zich vandaag al bewust en zelfstandig prostitueren. Met dit voorstel wordt de doelstelling van de commissie tot hervorming van het strafrecht echter helemaal niet bereikt, aldus mevrouw De Wit. De overlap met mensenhandel is groot en wordt alleen maar groter. Dit kan zeer nefaste gevolgen hebben voor de slachtoffers en moet dan ook vermeden worden. Wanneer de procureurs-generaal bijna gesmeekt hebben om deze wetswijziging niet door te voeren omdat ze anders mensenhandel niet meer kunnen vervolgen, dan mag die vrees toch niet genegeerd worden. Mevrouw De Wit pleit er dan ook voor om voorlopig de huidige wetgeving nog even te behouden, zoals het College van procureurs-generaal vraagt. Vraag is dan wat we moeten aanpassen aan het misdrijf van mensenhan­ del? Misdrijven als prostitutie en mensenhandel moeten samen aangepakt worden in de globale herziening van het strafrecht, zodat het misdrijf mensenhandel dan her­ bekeken kan worden om de opsporing en vervolging van seksuele uitbuiting te vergemakkelijken. De 2 misdrijven kunnen duidelijk niet losgezien worden van elkaar. Als we dit doen, treden we buiten het seksueel strafrecht. Tezelfdertijd moet worden erkend dat vrijwillige seks­ werkers in zeer moeilijke (juridische) omstandigheden werken en dat ze nood hebben aan een volwaardig sociaal- en arbeidsrechtelijk statuut. Maar anderzijds moet bescherming mogelijk blijven voor de wellicht veel grotere groep van vrouwen die seksueel uitgebuit worden. Het is een bijzonder moeilijk evenwicht. Misschien is het nodig om de belangen van beide groepen te verenigen. Zoals de tekst nu voorligt en rekening houdende met de bedenkingen van het terrein en de belangengroepen, moeten we de opmerkingen weten te verenigen. Er moet bescherming mogelijk blijven. De huidige tekst biedt nog geen oplossing. Een vacuüm laten bestaan rond mensenhandel kan niet de bedoeling zijn. Mevrouw De Wit meent dat de memorie van toelichting van heel slechte kwaliteit is. Voor heel wat artikelen is d’un sauf-conduit pour les bandes criminelles. Tel ne peut pas être l’objectif. Les travailleurs du sexe en situation difficile peuvent être poussés encore plus loin dans la clandestinité. Le projet de loi exprime de nombreuses bonnes intentions, mais n’apportera une solution que pour les personnes qui se prostituent déjà aujourd’hui volontai­ rement et de manière indépendante. Selon Mme De Wit, cette proposition n’atteindra cependant pas du tout l’objectif de la Commission de réforme du droit pénal. Le chevauchement avec la traite des êtres humains est important et ne fera qu’augmenter. Cela pourrait avoir des conséquences très néfastes pour les victimes et cela doit donc être évité. Étant donné que les procureurs généraux ont pratiquement supplié de ne pas mettre en œuvre cette modification législative, sans quoi ils ne pourront plus poursuivre la traite des êtres humains, leur crainte ne peut être ignorée. Mme De Wit plaide donc en faveur du maintien pro­ visoire de la législation actuelle, comme le Collège des procureurs généraux. La question se pose dès lors de savoir ce que nous devons modifier en ce qui concerne l’infraction de la traite des êtres humains. Les infractions telles que la prostitution et la traite des êtres humains doivent être examinées ensemble, dans le cadre de la révision globale du droit pénal, afin que l’infraction de traite des êtres humains puisse ensuite être revue pour faciliter les enquêtes et les poursuites en matière d’exploitation sexuelle. Ces deux infractions sont claire­ ment indissociables. Si nous faisons cela, nous sortirons du champ d’application du droit pénal sexuel. Parallèlement, il faut reconnaître que les travailleurs du sexe volontaires travaillent dans des circonstances (juridiques) très difficiles et qu’ils ont besoin d’un sta­ tut à part entière en droit social et en droit du travail. D’autre part, la protection doit rester possible pour le groupe peut-être beaucoup plus important de femmes exploitées sexuellement. C’est un équilibre très difficile à trouver. Il convient peut-être de concilier les intérêts des deux groupes. Dans l’état actuel du texte, et compte tenu des pré­ occupations exprimées sur le terrain et par les groupes d’intérêt, nous devons trouver une solution pour concilier les différentes observations. La protection doit rester possible. Le texte actuel n’offre pas encore de solution. Il ne serait pas admissible de conserver un vide autour de la question de la traite des êtres humains. Mme De Wit estime que l’exposé des motifs est de très mauvaise qualité. Pour de nombreux articles, il ne 2141/006 DOC 55 22 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zelfs geen artikelsgewijze toelichting opgenomen, terwijl dit heel belangrijk is voor de praktijk om juiste interpretatie en toepassing te kunnen maken. Deze kritiek werd ook meermaals tijdens de hoorzitting gemaakt, o.a. door het College van procureurs-generaal. Ook al is het niet de bedoeling om alle rechtspraak en rechtsleer op de schop te doen. “Perfide”, “vrij wil”… er zijn altijd nieuwe zaken die toelichting behoeven. Voor “benadering van een minderjarige voor seksuele doeleinden” is er geen toelichting. Voor verregaande aanpassingen zoals “ver­ ruiming van het elektronisch toezicht, probatie” is er evenmin toelichting. Misschien biedt het parlementair debat van de komende dagen een antwoord. Er is in het wetsontwerp niet altijd een oplossing voor specifieke fenomenen. Voor een aantal zaken is nog amendering nodig, ofwel in dit ontwerp, ofwel in het nieuw Strafwetboek. Mevrouw De Wit illustreert dit met volgende voorbeelden: “Dick-pics”, het versturen van beelden, aan iemand die dit niet wil zien, dit kan ook elektronische belaging zijn, maar dat is dan een bepaling voor het nieuw Strafwetboek. Dat moet nog volgen… De “deep nudes” (realistische fakes) zouden eigenlijk ook strafbaar moeten zijn. Dit is niet opgenomen in de tekst. Moet “sextortion” ook opgenomen worden, of valt dit onder “afpersing”? Maar dan zal de incriminatie van afpersing in het nieuwe Strafwetboek moeten worden aangepast. Het “bezit van beelden” en het behoud ervan na een relatie, dienen we dit op te nemen of niet? Gaat dit te ver of niet? Deze voorbeelden tonen aan hoe ingewikkeld de oefening is. Er Iigt een verdienstelijke tekst voor ter bespreking, maar er zijn nog wat losse eindjes. Er is nog veel werk om dit grondig te (her)bekijken. De tekst is goed, maar het werk is nog niet af. Spreekster hoopt eveneens dat de minister een oor heeft voor de voorstel­ len die van de oppositie komen. Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich voor een aantal punten aan bij het betoog van mevrouw De Wit. Het ontwerp is een stap in de goede richting. Het zal een moeilijke klus zijn om tot een consensus te komen. Er is nog veel werk aan de winkel. De hoorzittingen waren interessant, maar er kwamen tezelfdertijd veel contra­ dicties en manifeste onwaarheden aan het licht. Het wetsontwerp is prematuur in verschillende opzichten. Verschillende inconsequenties werden nog niet weg­ gewerkt. Er zullen nog veel amendementen nodig zijn. De bevindingen van de commissie tot hervorming van het strafrecht toonden het enorme maatschappelijke belang aan dat er eerst een focus is op het seksueel strafrecht. Dit neemt natuurlijk niet weg dat de globale fournit même pas de commentaire, alors que les com­ mentaires sont très importants en pratique pour pouvoir interpréter et appliquer correctement les articles. Cette critique a également été formulée à plusieurs reprises au cours des auditions, notamment par le Collège des procureurs généraux. Quoique l’intention ne soit pas d’abandonner toute la jurisprudence et la doctrine, de nouveaux termes nécessitent des explications: “perfide”, “librement”, etc. L’expression “approche d’un mineur à des fins sexuelles” n’est pas expliquée. Les modifica­ tions de grande envergure telles que l’élargissement de “la surveillance électronique” et de “la probation” ne sont pas expliquées non plus. Le débat parlementaire des prochains jours apportera peut-être des réponses. Le projet de loi ne règle pas toujours les phénomènes spécifiques. Un certain nombre de points devront encore être modifiés, soit dans le projet à l’examen, soit dans le nouveau Code pénal. Mme De Wit illustre son propos en citant les exemples suivants: concernant les “dickpics”, l’envoi d’images à quelqu’un qui ne souhaite pas les voir, il pourra s’agir d’un harcèlement électronique, mais il s’agira alors d’une disposition destinée au nouveau Code pénal à venir… Les “deep nudes” (trucages vidéo ultra-réalistes) devraient en fait être également punis­ sables. Ce n’est pas prévu par le texte. La “sextorsion” devrait-elle également être incluse, ou relève-t-elle de l’”extorsion”? Dans ce cas, il faudra modifier l’incrimination de l’extorsion dans le nouveau Code pénal. Concernant la “possession d’images” et leur conservation après une relation: faut-il les inclure ou non? Cela va-t-il trop loin ou non? Ces exemples illustrent la complexité de cet exercice. Le texte à l’examen est louable, mais il comporte encore quelques points faibles. Beaucoup de choses restent à faire pour le (ré)examiner en profondeur. Le texte est bon, mais le travail n’est pas terminé. L’intervenante espère également que le ministre écoutera les propositions de l’opposition. Mme Katleen Bury (VB) souhaite se rallier à l’inter­ vention de Mme De Wit sur un certain nombre de points. Le projet va dans la bonne direction. Il sera difficile de parvenir à un consensus. Beaucoup de choses restent à faire. Les auditions étaient intéressantes, mais de nombreuses contradictions y ont été exprimées, ainsi que des contrevérités manifestes. Le projet de loi est prématuré à plusieurs égards. Plusieurs incohérences n’ont pas encore été éliminées. De nombreux amende­ ments seront encore nécessaires. Les conclusions de la Commission de réforme du droit pénal ont souligné que, sur le plan social, il est très important de se concentrer d’abord sur le droit pénal sexuel. Cela n’enlève rien, bien sûr, au fait que la 23 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hervorming zeker niet op zich moet laten wachten. Het argument dat het seksueel strafrecht vanuit een andere systematiek is geschreven en begrippen invoert die nog niet gekend zijn, mogen daarom nog niet in rekening worden gebracht. Spreekster acht het een goede zaak dat seksueel strafrecht reeds apart wordt aangepakt. We moeten niet wachten totdat het algemeen strafrecht helemaal in gereedheid wordt gebracht. We mogen niet talmen omwille van de introductie van nieuwe begrippen. Mevrouw Bury koestert de vrees dat in de praktijk veel meer nodig zal zijn. Procedures blijven te lang aanslepen. Zij wijst op de verdubbeling van het aantal zedenzaken in Brussel en de lange wachttijden. Dit alles vergt een extra inzet van personeel en middelen. We nemen in de pers kennis van de schokkende cijfers. Deze hervorming komt aan deze cijfers niet tegemoet. Elke dag komen er 10 slachtoffers een verkrachting aangeven. Dit vormt slechts 10 % van werkelijke totaal. Er vinden dus 100 verkrachtingen per dag plaats. Circa de helft van de slachtoffers onderneemt een poging tot zelfmoord. 2 van de 3 slachtoffers zijn niet meer in staat om een relatie aan te gaan. 8,5 % van de slachtoffers raakt zwanger na een verkrachting. 40 % hiervan kiest voor een zwangerschapsonderbreking. 6 tot 12 % van de mannelijke bevolking is een verkrachter. In 70 % van de gevallen is de verkrachter een bekende van het slachtoffer. Meer dan 70 % is recidivist. In België is straffeloosheid het echte probleem. Het is een goede zaak dat er hogere straffen zullen zijn bij recidive, maar er moet meer ingezet worden op dader profiling. De dader moet vanaf het eerste geval binnenste buiten gekeerd worden om na te gaan of er geen antecedenten zijn. Alleen op die wijze kunnen we de dader detecteren en uit de maatschappij halen. Hier hangt een enorm prijskaartje aan vast. Gaan we dit allemaal weggewerkt krijgen met de hervorming die op tafel ligt? We hebben in de breedte meer middelen nodig opdat we terug in de maatschappij zonder zorgen kunnen rondlopen, zeker na de gebeurtenissen in het Gentse en Brusselse nachtleven. Wat de seksuele handelingen van jongeren tussen de 14 en de 16 jaar betreft, stellen we vast dat er maximaal een leeftijdsverschil van 2 jaar kan zijn. Als we dat sa­ menlezen met 16 jaar en verzwarende omstandigheden, zou dat ertoe kunnen leiden dat een meerderjarige, die meer dan 2 jaar ouder is dan een 14 tot 16-jarige, voor het contact kan worden gestraft met een opsluiting van 20 tot 30 jaar. Een jongere van 18 jaar die, met toestem­ ming, seksueel contact heeft gehad met een 15-jarige, réforme globale ne doit certainement pas être retardée. L’argument selon lequel le droit pénal sexuel a été rédigé sur la base d’une systématique différente et a introduit des concepts qui ne sont pas encore connus ne doit donc pas encore être pris en compte. L’intervenante estime qu’il est positif que le droit pénal sexuel soit déjà traité séparément. Nous ne devons pas attendre que le droit pénal général soit finalisé. Nous ne pouvons pas traîner en raison de l’introduction de nouveaux concepts. Mme Bury craint qu’en pratique, il faille en faire beau­ coup plus. Les procédures sont trop longues. Elle souligne le doublement du nombre d’affaires de mœurs à Bruxelles et les longs délais d’attente. Tout cela nécessite l’enga­ gement de personnel et de moyens supplémentaires. La presse cite des chiffres choquants. Cette réforme ne répond pas à ces chiffres. Chaque jour, dix victimes signalent un viol. Cela ne constitue que 10 % du total réel. Cent viols ont donc lieu chaque jour. Près de la moitié des victimes font une tentative de suicide. Deux victimes sur trois ne sont plus en mesure de s’engager dans une relation, et 8,5 % des victimes tombent enceintes après avoir été violées, 40 % d’entre elles choisissant d’interrompre leur grossesse. De 6 à 12 % de la population masculine sont des violeurs. Dans 70 % des cas, le violeur est une connaissance de la victime. Plus de 70 % sont des récidivistes. L’impunité est le véritable problème en Belgique. Il est positif que les peines infligées seront plus éle­ vées en cas de récidive, mais il faut miser davantage sur le profilage de l’auteur. L’auteur doit, dès le premier cas, faire l’objet d’un examen exhaustif qui permette de contrôler s’il n’existe pas d’antécédents. C’est la seule manière d’identifier un auteur et l’écarter de la société. Cela aura un coût très élevé. Tout sera-t-il réglé par la réforme envisagée? Davantage de moyens seront néces­ saires, au sens large du terme, pour pouvoir à nouveau circuler sans crainte dans la société, a fortiori après les événements qui se sont produits dans le monde de la nuit à Gand et à Bruxelles. S’agissant des actes à caractère sexuel des jeunes de 14 à 16 ans, nous observons que la différence d’âge ne peut excéder deux ans. Si nous considérons cette différence d’âge conjointement avec l’âge de 16 ans et des circonstances aggravantes, il pourrait en résulter qu’un majeur âgé de plus de 2 ans par rapport à un ado­ lescent de 14 à 16 ans pourra être puni de la réclusion de vingt à trente ans pour un contact sexuel. Un jeune de 18 ans ayant eu un contact sexuel consenti avec un 2141/006 DOC 55 24 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zou dan 20 tot 30 jaar opsluiting kunnen vrezen. Is dit geen stap in de verkeerde richting? Het uitwisselen van seksuele beelden, ook met toe­ stemming, bevat contradicties. Dat 14 tot 16-jarigen geen toestemming kunnen verlenen, is een contradictie met het feit dat ze al seksuele betrekkingen kunnen hebben. Voor bepaalde seksuele misdrijven werd er in 2001 een lijst opgesteld waarbij bepaalde straffen gewoon uit gefilterd werden. Dit was het geval met het bijzonder elektronisch toezicht, de werkstraf en de autonome pro­ batiestraf. Deze zaken werden uitgesloten. Nu merken we in dit wetsontwerp terug een verruiming. Dit is voor de fractie van mevrouw Bury onaanvaardbaar. De Memorie van Toelichting stelt dat de terbeschik­ kingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zal wor­ den herzien. Kan de minister hier toelichting over ge­ ven? Mevrouw Bury vindt dat deze niet kunnen worden teruggeschroefd. Uit het wetsontwerp blijkt dat de minister een ver­ soepeling wenst in te voeren voor de opschorting en de probatie. Mevrouw Bury wenst hier niet in mee te gaan. Voorts verwijst mevrouw Bury naar de opmerkingen van één van de deskundigen (mevrouw Rosy) om de notie “perfide” op een andere manier te omschrijven. Prostitutie was eveneens een zeer moeilijke discussie waar de mensen op het terrein elkaar volledig tegen­ spraken. Ook daar moeten we verder op ingaan Het is nodig om de discussie aan te gaan over de nieuwe kwalificaties en het al dan niet bijmaken van nieuwe misdrijven. De vraag stelt zich of de “dickpicks” valt onder “belaging” waar het repetitief karakter niet voor nodig is. Het komt spreekster voor dat er geen behoefte is om artikelen bij te creëren als dit ook kan op een andere manier. De terminologie van “verkrachting” moet nog verder worden uitgediept. Wat “voyeurisme” betreft, kan het niet de bedoeling zijn dat, wanneer iemand in een kapperszaak zich ontdoet van een hoofddoek en er een foto wordt genomen, dit onder “voyeurisme” valt. Het moet over andere zaken van het lichaam gaan en niet over het haar. De advoca­ ten hebben erop gewezen dat dit voor problemen zou kunnen zorgen. jeune de 15 ans pourrait dès lors craindre une réclusion de vingt à trente ans. N’est-ce pas une régression? L’échange, consensuel également, d’images sexuelles présente des contradictions. Le fait que les jeunes de 14 à 16 ans ne puissent pas donner leur consentement est en contradiction avec le fait que ces derniers peuvent déjà avoir des relations sexuelles. Pour certaines infractions sexuelles, une liste dressée en 2001 exclut tout simplement certaines peines, par exemple la surveillance électronique particulière, la peine de travail et la peine de probation autonome. Ces peines ont été exclues. Nous observons à présent de nouveau un élargissement dans le projet de loi à l’examen, ce que le groupe de Mme Bury juge inacceptable. L’exposé des motifs indique que la mise à disposition du tribunal de l’application des peines sera révisée. Le ministre pourrait-il donner des précisions à cet égard? Mme Bury estime qu’elle ne peut pas être revue à la baisse. Il ressort du projet de loi que le ministre souhaite introduire un assouplissement en ce qui concerne la suspension et la probation. Mme Bury ne souhaite pas le soutenir. Mme Bury renvoie en outre aux observations de l’un des experts (Mme Rosy) pour définir différemment la notion de “perfidie”. La prostitution a également fait l’objet d’une discussion très difficile au cours de laquelle les acteurs de terrain ont soutenu des opinions totalement opposées. Ce point devra également être examiné plus en détail. Il conviendra de discuter des nouvelles qualifications et de la question de savoir si de nouvelles infractions doivent être ajoutées ou non. La question se pose de savoir si les “dickpicks” relèvent du “harcèlement” pour lequel le caractère répétitif n’est pas nécessaire. L’intervenante estime qu’il n’est pas nécessaire de créer de nouveaux articles s’il est possible de procéder autrement. Le sens du mot “viol” devra encore être précisé. S’agissant du “voyeurisme”, il ne serait pas admissible que le fait de photographier une personne ôtant un voile dans un salon de coiffure relève du “voyeurisme”. Il doit s’agir d’autres parties du corps et non des cheveux. Les avocats ont souligné que ce point pourrait être source de problèmes. 25 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Er is, aldus mevrouw Bury, nog veel werk aan de winkel. Zij beklemtoont aan de teksten te willen meewerken en hoopt dat er ook naar de oppositie wordt geluisterd als er constructieve voorstellen worden ingediend. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) betreurt de werk­ methode die de minister voor dit wetsontwerp heeft gehanteerd. Uit de hoorzittingen blijkt dat over deze tekst te weinig overleg met de actoren in het veld is gepleegd voordat hij in het Parlement werd ingediend; het wets­ ontwerp is dan ook onvoldoende voldragen. Dit valt des te meer te betreuren daar deze materie juist een goede terreinkennis en dus een brede raadpleging vereist. De heer Boukili is van oordeel dat het wetsontwerp manco’s vertoont. Het recht op juridische bijstand vanaf het eerste verhoor is niet gewaarborgd voor het slachtoffer maar wel voor de dader. Uit de hoorzittingen blijkt evenwel dat wanneer een advocaat vanaf het eerste verhoor aanwezig is, zulks voorkomt dat het slachtoffer inconsistente verklaringen aflegt; door inconsistenties komt het immers vaak niet tot een veroordeling. Evenzo zou de tekst volgens de heer Boukili erin moe­ ten voorzien dat de verdachte kan worden verplicht tot het ondergaan van een psychologisch onderzoek door een gespecialiseerde dienst. Aan de hand van dergelijke onderzoeken kan men nagaan of de verdachte de waar­ heid spreekt én tegelijkertijd een idee krijgen van diens verbeeldingsvermogen, verleden en handelswijze; stuk voor stuk elementen die het gevaar dat de betrokkene voor de samenleving vormt, beter helpen in te schatten. Tijdens dat onderzoek kan de verdachte tevens worden gevraagd waarom hij ervan uitging dat er toestemming was, zonder dat het de bedoeling is de bewijslast om te keren. Hoewel het een goede zaak is dat het wets­ ontwerp op het slachtoffer toegespitst blijft, komt het er voor de heer Boukili op aan een andere benadering te kiezen, het onderzoek anders aan te sturen en bij dat onderzoek op de verdachte te focussen. Voor het overige stelt de heer Boukili vast dat de tekst doelbewust (gender-)neutraal is opgesteld en de werkelijkheid dus niet weerspiegelt. Als het om de feiten gaat, zijn de slachtoffers veelal vrouwen en de daders veelal mannen. Wat het begrip “toestemming” betreft, gaat de tekst volgens de spreker in de goede richting. Toch vindt hij dat erin zou moeten gepreciseerd dat de toestemming niet alleen vrij maar ook uitdrukkelijk moet zijn, dat wil zeggen dat de toestemming duidelijk tot uiting moet zijn gebracht. Hij roept ertoe op een voorbeeld te nemen aan Mme Bury estime que beaucoup de choses restent à faire. Elle insiste sur sa volonté de collaborer à la rédaction des textes et espère que l’opposition sera également écoutée si des propositions constructives sont déposées. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) regrette la méthode de travail utilisée par le ministre pour ce projet. Il ressort des auditions que ce texte n’a pas fait l’objet d’une concertation suffisante avec les acteurs du terrain avant d’être déposé au parlement et n’est donc pas suffisam­ ment abouti. Ceci est d’autant plus regrettable que cette matière requiert précisément une bonne connaissance du terrain et donc une large consultation. M. Boukili estime que le projet comporte certaines lacunes. Le droit à une assistance juridique dès la première audition n’est pas garanti pour la victime alors qu’il l’est pour l’auteur. Or il ressort des auditions que la présence d’un avocat dès la première audition permettrait d’éviter des inconsistances dans les déclarations de la victime qui souvent mènent à une absence de condamnation. De même, pour M. Boukili le texte devrait prévoir la possibilité d’imposer au suspect de se soumettre à un examen psychologique par un service spécialisé. Ces examens permettent d’évaluer si le suspect dit la vérité mais aussi de se faire une idée de leur imagerie mentale, de leur passé, de leur mode opératoire, autant d’éléments qui permettent de mieux évaluer le risque pour la société que représente l’individu. Cet examen permettra aussi de demander au suspect pourquoi il pensait qu’il y avait consentement, sans pour autant renverser la charge de la preuve. Même s’il est positif que le texte reste axé sur la victime, il faut pour M. Boukili d’approche, changer l’orientation de l’enquête et accorder plus d’importance au suspect dans l’enquête. Par ailleurs, M. Boukili constate que le texte a été volontairement formulé dans des termes neutres (non genrés) et ne reflète donc pas la réalité. Dans les faits la majorité des victimes sont des femmes, et la majorité des auteurs des hommes. Quant à la notion de consentement, l’orateur salue l’évolution que le texte représente. Il estime cependant que le texte devrait préciser que le consentement, outre le fait qu’il doit être volontaire, doit aussi être explicite, c’est-à-dire clairement exprimé. Il invite en cela à suivre l’exemple du droit espagnol qui a coulé en force de loi 2141/006 DOC 55 26 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het Spaanse recht, dat wetskracht heeft verleend aan het beginsel “alleen een ja is ja”. Aan de andere kant stelt de heer Boukili dat de tekst niet aan het vermoeden van onschuld raakt en de onderzoeksrechter een zekere bewegingsvrijheid laat, wat een goede zaak is. De heer Boukili zal amendementen indienen om voor al die punten van kritiek oplossingen aan te reiken. In dit verband wordt verwezen naar de artikelsgewijze bespreking. Over het algemeen is de spreker ingenomen met deze belangrijke hervorming, die de goede richting uitgaat. Hij benadrukt evenwel hoezeer dit debat een middelenkwestie is. Het louter wijzigen van het wettelijk raamwerk zal niets uithalen als tegelijkertijd niet wordt voorzien in de nodige personele, financiële en materiële middelen voor de toepassing ervan. De spreker brengt in herinnering dat momenteel in Brussel slechts drie magistraten zaken van seksueel geweld behandelen. De heer Boukili pleit voor een systeem met referentie­ rechters. Welke middelen zal de minister vrijmaken om dit beleid ter bestrijding van seksueel geweld ten uitvoer te kunnen leggen? De heer Khalil Aouasti (PS) vestigt de aandacht op het belang van het wetsontwerp, waarvan het thema thans brandend actueel is. Hij herinnert eraan dat verkrachting en seksuele agressie, waarvan voor het overgrote deel vrouwen het slachtoffer zijn, misdrijven zijn die nog al te vaak niet worden vervolgd en lange tijd taboe zijn geweest in de Belgische samenleving. Pas sinds kort durven vrouwen meer vrijuit te spreken, wat de spreker toejuicht. Voorts stelt de heer Aouasti vast dat het wetsontwerp het pad van de moraal verlaat en meer in de richting van het recht opschuift, wat uitermate positief is. Verkrachting wordt niet langer beschouwd als een misdaad tegen de familiale orde maar als een misdaad “zonder meer”. De spreker geeft evenwel grif toe dat het wetsontwerp niet perfect is en bovendien politieke keuzes maakt, in het bijzonder aangaande het begrip “toestemming” en alles wat prostitutie en pooierschap aangaat. De heer Aouasti vindt het een brug te ver te stellen dat de tekst werd ingediend zonder overleg met de sector. De regering is bij de voorbereiding ervan wel degelijk te rade gegaan bij de verenigingen die actief zijn in het veld. Dat verklaart tevens de overwegend positieve ba­ lans die de gastsprekers tijdens de hoorzittingen ervan hebben opgemaakt. Vervolgens gaat de spreker nader in op het begrip “toestemming”. Het betreft een heikel punt, dat zich op le principe selon lequel “seul un oui est oui”. M. Boukili estime d’autre part que le texte laisse intacte la présomp­ tion d’innocence et laisse une marge de manœuvre au juge d’instruction, ce qui est positif. M. Boukili annonce le dépôt d’amendements visant à apporter des solutions à ces différentes critiques. Il est renvoyé à cet égard à la discussion des articles. De façon plus générale, l’orateur salue cette importante réforme, qui va dans le bon sens. Il souligne cependant à quel point la question des moyens est centrale dans ce débat. La simple modification du cadre légal ne sera pas suivie d’effet si les moyens humains, financiers, matériels nécessaires à son application ne sont pas mis sur la table. L’orateur rappelle qu’à l’heure actuelle à Bruxelles, seuls trois magistrats sont affectés à la question des violences sexuelles. M. Boukili plaide pour la mise en place d’un système de juge référent. Quels sont les moyens que le ministre entend dégager pour accompagner cette politique de lutte les violences sexuelles? M. Khalil Aouasti (PS) souligne l’importance du projet de loi, fortement ancré dans l’actualité Il rappelle que les viols et agressions sexuelles, dont les femmes sont majoritairement les victimes, restent des infractions lar­ gement non poursuivies et ont longtemps été un tabou dans la société belge. Ce n’est que très récemment que l’on a pu assister à une libération de la parole des femmes, ce dont l’orateur se réjouit. M. Aouasti constate également que le texte s’éloigne de la notion de morale pour glisser vers le domaine du droit, ce qui est très positif. Le viol n’est plus conçu comme un crime contre l’ordre des familles mais comme un crime “tout court”. L’orateur concède cependant volontiers que le projet n’est pas parfait et réalise en outre des choix politiques, en particulier sur les notions de consentement, et sur les questions de la prostitution et du proxénétisme. M. Aouasti estime que l’on ne peut affirmer que le texte aurait été déposé sans concertation avec le secteur. Le gouvernement a bel et bien préparé le travail avec les associations actives sur le terrain, ce qui explique également le bilan globalement positif dressé par les invités au cours des auditions. L’orateur revient ensuite sur la notion de consentement. Il s’agit d’un sujet difficile car se situant à la frontière entre 27 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het raakvlak bevindt tussen het recht van het slachtoffer om als dusdanig te worden erkend, en het vermoeden van onschuld ten aanzien van de dader. Het wetsontwerp wil het slachtoffer beter beschermen door te voorzien in een onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toe­ stemming in welbepaalde omstandigheden, die limitatief worden opgesomd. Vele verenigingen waren opgetogen over deze benadering. Dat neemt niet weg dat het ter zake ontworpen artikel misschien nog nader moet worden uitgewerkt. Hij herinnert eraan dat het strafrecht strikt moet worden geïnterpreteerd en dat een exhaustieve lijst wellicht geen ideale oplossing is. Slachtoffers van een verkrachting die evenwel in andere dan de beschreven omstandigheden heeft plaatsgevonden, zouden daardoor geen aanspraak op die bescherming kunnen maken. De spreker vraagt zich af of het niet beter is het begrip “toestemming” algemeen te definiëren in de tekst. Het lijdt geen twijfel dat de wetgever duidelijk moet zijn, maar tegelijkertijd moet hij vertrouwen stellen in het gerecht en de beoordelingsbevoegdheid van de rechter vrijwaren. Wat de seksuele meerderjarigheid betreft, benadrukt de heer Aouasti dat die onmogelijk volstrekt objectief kan worden bepaald. Dat begrip zal altijd deels willekeurig zijn en dus uit een politieke keuze voortvloeien. De sociale realiteit mag niet over het hoofd worden gezien: uit de cijfers blijkt dat sommige adolescenten vandaag seksuele betrekkingen hebben vanaf hun veertiende; met die werkelijkheid moet rekening worden gehouden. Het is daarom nog niet de bedoeling alle seksuele betrekkingen op die leeftijd te bevorderen of er een vrijgeleide voor te geven. De spreker benadrukt dat we te maken hebben met een ketting waarvan het recht de laatste schakel is. Seksuele opvoeding en preventie zijn de eerste schakels en in dat opzicht primordiaal. Deze tekst speelt pas op het einde van de keten, wanneer de handeling al heeft plaatsgehad. Momenteel stelt de tekst dat toestemming niet mogelijk is onder de leeftijd van 16 jaar, behoudens tussen 14 en 16 jaar, mits het leeftijdsverschil tussen de partners kleiner is dan twee jaar. Zoals de tekst thans is gesteld, heeft hij evenwel tot gevolg dat elke seksuele betrekking met toestemming tussen twee minderjarigen die ouder zijn dan 14, automatisch als verkrachting wordt gekwa­ lificeerd als het leeftijdsverschil tussen beiden groter is dan twee jaar. Zulks is niet het opzet en dus moet het wetsontwerp op dat punt worden bijgestuurd. Bovendien bevat het wetsontwerp een incoherentie, vermits tussen twee partners waarvan het leeftijdsverschil niet groter is dan twee jaar (nog steeds in de leeftijdsgroep 14- 16 jaar), wel seksuele betrekkingen mogelijk zijn maar geen seksuele getinte correspondentie. Vervolgens gaat de heer Aouasti in op het prosti­ tutievraagstuk. Hoewel de spreker de achterliggende d’une part le droit de la victime à être reconnue comme telle et d’autre par la présomption d’innocence dont bénéficie l’auteur. Le projet a pour objectif de renforcer la protection de la victime en introduisant une présomption irréfragable d’absence de consentement dans certaines circonstances, énumérées de façon limitative. Cette approche a été saluée par de nombreuses associations. Mais il faut peut-être encore affiner cet article en projet. Il rappelle que le droit pénal est de stricte interprétation et qu’une liste exhaustive n’est donc sans doute pas la solution idéale. Des victimes ayant subi un viol mais dans des circonstances autres que celles décrites ne pourraient se prévaloir de cette protection. L’orateur se demande s’il ne serait pas préférable d’introduire dans le texte une définition générale du consentement. Le législateur, s’il doit être clair, doit aussi faire confiance à la Justice et préserver le pouvoir d’appréciation du juge. Concernant la majorité sexuelle, M. Aouasti souligne qu’il est impossible de la fixer de manière totalement objective. Cette notion contiendra toujours une part arbitraire et résulte donc d’un choix politique. Il faut être conscient des réalités sociales: les chiffres montrent que certains adolescents ont aujourd’hui dès 14 ans des rela­ tions sexuelles et cette réalité doit être prise en compte. Il ne s’agit pas pour autant de promouvoir ou même de donner un blanc-seing à toutes relations sexuelles à cet âge. L’orateur insiste sur le fait que nous sommes en présence d’une chaîne dont le droit ne constitue que le dernier maillon. L’éducation sexuelle, la prévention sont en début de chaîne et sont primordiales. Le présent texte n’arrive qu’en fin de course quand l’acte a déjà eu lieu. A l’heure actuelle, le texte établit qu’il n’y a pas de consentement possible en dessous de l’âge de 16 ans, sauf entre 14 et 16 si l’écart d’âge entre les partenaires est de moins de deux ans. Toutefois le texte dans sa rédaction actuelle a pour conséquence la qualification automatique en viol de toute relation consentie entre deux mineurs d’âge de plus de 14 ans si cette limite de deux ans de différence d’âge est dépassée. Tel n’est pas l’objectif et le projet doit donc être corrigé sur ce point. En outre le projet contient une incohérence puisque les relations sexuelles sont possibles entre deux par­ tenaires n’ayant pas plus de deux ans de différences (toujours dans cette tranche de 14-16 ans) mais pas la correspondance à caractère sexuel. M Aouasti revient ensuite sur la question de la pros­ titution. Saluant le projet sur les principes qu’il pose, 2141/006 DOC 55 28 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E beginselen van het wetsontwerp steunt, vindt hij dat het moet worden bijgestuurd om de rechtszekerheid te waarborgen. De tekst stelt prostitutiereclame voor eigen doeleinden niet langer strafbaar, waarmee een einde wordt gemaakt aan een hypocriete situatie. Voorts wordt het vraagstuk van het tippelen geregeld, in overeenstemming met de praktijk. De heer Aouasti wijst erop dat zowel Espace P als Utsopi steun hebben betuigd voor het wetsontwerp, in het bijzonder voor het feit dat wordt beoogd het verbod op de uitbating van een prostitutie-etablissement op te heffen, alsook omdat het ervoor zou zorgen dat de sekswerkers die hun activiteit vrij uitoefenen, zich zouden kunnen verenigen om veiligheids- en zichtbaarheidsredenen, maar ook om bijvoorbeeld een beroep te kunnen doen op boekhoudkundige diensten. Daarentegen is het wel de bedoeling pooierschap te blijven beteugelen, teneinde zij die zich gedwongen prostitueren, te beschermen en te helpen. De hoorzittingen hebben bepaalde leemten in de voorliggende hervorming aan het licht gebracht. De toegang tot sociale rechten voor sekswerkers, alsook de kwestie van de ondergeschiktheid in de arbeidscon­ tracten, worden bijvoorbeeld niet geregeld; ze maken evenwel geen deel uit van het strafrecht. Bovendien moet men opletten dat de door de slachtof­ fers van mensenhandel genoten bescherming wegens dit wetsontwerp niet verzwakt en moeten zo nodig wijzigingen worden doorgevoerd. De spreker verwijst naar de tijdens de hoorzittingen opgeworpen vragen. Voorts moeten nog besprekingen worden gevoerd over de strafmaat, in het bijzonder voor voyeurisme en exhibitionisme. Tot slot verzoekt het lid de minister om de samen­ werking met de deelstaten op het vlak van opleiding en preventie voort te zetten, alsook om de slachtofferopvang te verbeteren. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) beklemtoont dat de huidige bespreking plaatsgrijpt in bijzondere maatschappelijke omstandigheden, aangezien talrijke aanklachten van seksueel geweld in de actualiteit komen; het lid verwijst in dat verband naar het vrouwencollectief balance ton bar. Het wetsontwerp beoogt dus die pijnlijke werkelijkheid aan te pakken. Mevrouw Hugon uit dan ook haar tevredenheid over deze belangrijke hervorming; de dringendheid ervan lijdt geen twijfel. l’orateur estime qu’il doit être revu afin de garantir la sécurité juridique. Le texte dépénalise la publicité de la prostitution pour soi-même, mettant ainsi fin à une hypocrisie. Il règle la question du racolage, en conformité avec la pratique. M Aouasti rappelle que tant Espace P que Utsopi ont salué le projet de loi notamment en ce qu’il lève l’interdiction de tenir une maison de prostitution, et per­ mettrait à des travailleurs du sexe, exerçant librement, de s’associer pour des raisons de sécurité, visibilité mais aussi par exemple pour pouvoir faire appel à des services comptables. Le texte maintient par contre la répression du proxé­ nétisme afin de protéger et aider les personnes qui exercent sous la contrainte. Les auditons ont mis en lumière certaines lacunes de la présente réforme. L’accès aux droits sociaux des travailleurs du sexe, ainsi que la question du lien de subordination dans les contrats de travail ne sont par exemple pas réglés, mais ne ressortent pas du droit pénal. D’autre part, il convient de rester attentif à ne pas diminuer par le biais de ce texte la protection dont béné­ ficient les victimes de la traite des êtres humains, et de modifier le texte si nécessaire. L’orateur renvoie aux questions soulevées lors des auditions. En outre, des discussions devront encore être menées sur le taux des peines, notamment pour les infractions de voyeurisme, et exhibitionnisme. Enfin, l’orateur invite le ministre à poursuivre le travail de collaboration avec les entités fédérées pour les volets éducation et prévention, et pour améliorer l’accueil des victimes. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne que cette discussion s’inscrit dans un contexte social particulier, où l’actualité est marquée par de nombreuses dénon­ ciations de faits de violence sexuelle (Mme Hugon évoque le mouvement “balance ton bar”). Il s’agit d’une réalité douloureuse que le texte prend à bras le corps. Mme Hugon salue dès lors cette réforme importante et dont le caractère urgent ne peut être mis en doute. 29 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster benadrukt dat het kunstmatig overkomt de desbetreffende misdrijven te bespreken zonder de onderliggende genderdiscriminatie te vermelden. Die misdrijven maken deel uit van een spectrum van geweld jegens vrouwen. Zulks wordt duidelijk vermeld in het verdrag van Istanbul. Het lid voegt daaraan toe dat het wetsontwerp trouwens slechts een deel van het antwoord op dat verschijnsel is. De strafrechtelijke reactie komt op het einde van de gebeurtenissenreeks en is eigenlijk de vaststelling van een mislukking. Uit studies blijkt bovendien dat strafrechtelijke maatregelen de slachtoffers zelden voldoening schenken. Hogere straffen hebben geen positieve weerslag op de recidive en dus evenmin op de bescherming van de samenleving. Die aspecten moeten voor ogen worden gehouden, want het doel moet zijn om de slachtoffers te helpen en het aantal misdrijven terug te dringen. De strafrechtelijke reactie moet deel uitmaken van een breder beleid ter bestrijding van het seksueel geweld. De spreekster is verheugd dat in de parlementaire documenten wordt vermeld dat de desbetreffende mis­ drijven als misdrijven jegens personen zouden worden beschouwd, in plaats van als misdrijven tegen de morele orde of tegen de gezinsvrede. Achter die terminologie­ wijziging schuilt de inbreng van een nieuwe kijk op het verschijnsel. Mevrouw Hugon voegt daaraan toe dat uit de hoorzittingen is gebleken dat sommige andere termen eveneens zouden mogen worden aangepast, bijvoorbeeld de bewoordingen “perfide” of “seksueel misbruik”. Overigens hebben de hoorzittingen aan het licht gebracht dat het wetsvoorstel algemeen goed wordt onthaald, maar dat niettemin aanpassingen nodig zijn. Mevrouw Hugon benadrukt dat de wet duidelijk moet zijn; het is niet de bedoeling dat het Strafwetboek een handboek voor seksuele voorlichting wordt, maar het moet bevattelijk zijn en door iedereen kunnen worden begrepen. De burgers hebben niet altijd gemakkelijk toegang tot de rechtspraak en tot de interpretatie van de vigerende wetgeving. Het stemt de spreekster derhalve tevreden dat bepaalde begrippen worden ingevoerd en verduidelijkt, bijvoorbeeld toestemming en incest. De vermelding van incest in het Strafwetboek maakt de erkenning mogelijk van een realiteit waarmee velen te maken krijgen. Het lid stelt verheugd vast dat het wetsontwerp ertoe strekt alternatieven voor gevangenisstraffen in te stellen. Die straffen zijn beter geschikt dan gevangenisstraffen om de daders terug op het rechte pad te brengen en dus de samenleving in haar geheel te beschermen. L’oratrice insiste sur le fait qu’il est artificiel de parler de ces infractions sans évoquer les discriminations de genre sous-jacentes. Ces infractions s’inscrivent dans un continuum de violences faites aux femmes. La Convention d’Istanbul l’acte clairement. Elle ajoute que le projet ne constitue par ailleurs qu’une partie de la réponse à ce phénomène. La réponse pénale intervient en bout de chaîne et constitue en réalité un constat d’échec. Les études montrent en outre que la réponse pénale donne rarement satisfaction aux victimes. Des peines augmentées n’ont pas d’impact positif sur la récidive et donc sur la protection de la société. Il convient de garder ces éléments en tête, car l’objectif poursuivi doit être d’aider les victimes et de diminuer le nombre des infractions. La réponse pénale doit s’inscrire dans une politique plus large de lutte contre les violences sexuelles. L’oratrice se réjouit que le texte acte que ces infrac­ tions constituent bel et bien des infractions contre les personnes et non contre l’ordre moral ou l’ordre des familles. Derrière ce changement de terminologie c’est une nouvelle vision du phénomène qui est ici introduite. Mme Hugon ajoute que certains autres termes pourraient être adaptés (comme les termes “perfide” ou “abus sexuel”), comme les auditions l’ont démontré. Par ailleurs, les auditions ont démontré que si le texte est globalement bien accueilli, des adaptations étaient encore nécessaires. Mme Hugon insiste sur la nécessaire clarté des textes: sans devenir un manuel d’éducation sexuelle, le Code pénal doit être lisible et compréhensible par tous. Les citoyens n’ont pas toujours facilement accès à la juris­ prudence et aux interprétations des textes en vigueur. L’oratrice salue dès lors l’introduction et la clarification de certaines notions comme celles du consentement et de l’inceste. L’introduction de l’inceste dans le code pénal permet de reconnaître une réalité qui touche beaucoup de monde. L’intervenante constate que le texte introduit des peines alternatives à la prison, ce dont elle se réjouit. Ces peines permettent davantage que la prison de réhabiliter les auteurs et donc de protéger la société dans son ensemble. 2141/006 DOC 55 30 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid betreft, wijst mevrouw Hugon erop dat het Strafwetboek niet dient om waardeoordelen uit te vaardigen, maar om de slachtoffers te beschermen. De adolescenten moeten hun beleving in verband kunnen brengen met de bepalingen in het Strafwetboek. De seksualiteit van de jongeren moet niet vanuit een bestraffende of nega­ tieve zienswijze worden benaderd, alsof seksualiteit op zich gevaar zou inhouden. Volgens cijfers van Sensoa heeft 25 % van de jongeren op de leeftijd van 15 jaar al seksuele betrekkingen gehad. De keuze van de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid in het wetsontwerp strookt dus met de werkelijkheid, hoewel dit een arbitraire politieke keuze blijft. Mevrouw Hugon vermeldt het gynaecologisch en obstetrisch geweld. Zij herinnert eraan dat de Senaat daaromtrent een informatieverslag voorbereidt. Het betreft een geheel nieuwe gewelddimensie, die slecht bekend is maar thans aan het licht wordt gebracht. Dat aspect komt in het voorliggende wetsontwerp nog niet aan bod, maar er moeten wel al mogelijkheden worden geschapen om er later rekening mee te houden. Met betrekking tot prostitutie heeft mevrouw Hugon heel uiteenlopende reacties vanwege de gehoorde spre­ kers genoteerd. Opnieuw wordt in het op stapel staande Strafwetboek geen waardeoordeel uitgevaardigd. Het is de bedoeling alle sekswerkers te beschermen, zowel zij die hun activiteit vrij uitoefenen, als zij die daartoe worden gedwongen. De hoorzittingen hebben aan het licht gebracht dat het wetsontwerp in zekere mate tekortschiet wanneer sprake is van misbruik van prostitutie, alsook met betrekking tot de link tussen dat misdrijf en de misdrijven in verband met mensenhandel. Daarnaast werd in twijfel getrokken of die bepalingen stroken met onze internationale ver­ plichtingen. De procureurs-generaal hebben dan weer een risico voor de lopende onderzoeken aangekaart. Tot slot zijn vragen gerezen aangaande de toepassing van de Europese detacherings- en dienstenrichtlijnen op de sekswerkers en op de gevolgen die daaruit voortvloeien. Al die vraagstukken moeten worden opgehelderd en er moeten oplossingen voor worden gevonden. Mevrouw Sophie Rohonyi (Défi) betreurt dat de minis­ ter ervoor heeft gekozen deze hervorming af te splitsen van de algehele hervorming van het Strafwetboek en van het Wetboek van strafvordering. Zij haalt mevrouw Tulkens aan en wijst erop dat alle misdrijven prioritair moeten worden aangepakt, maar dat het echte knelpunt schuilt in de vervolging ervan en dus in de tenuitvoerlegging van het strafrecht. Opdat de burgers opnieuw vertrouwen in het gerecht zouden Concernant l’âge de la majorité sexuelle, Mme Hugon rappelle que le rôle du code pénal n’est pas de poser des jugements de valeur mais de protéger les victimes. Les adolescents doivent pouvoir relier leur vécu avec les dispositions du code pénal. Le sexualité des jeunes ne doit pas être abordée avec un biais punitif ou négatif, comme si elle était en elle-même porteuse d’un dan­ ger. Selon les chiffres de Sensoa, à 15 ans, 25 % des jeunes ont déjà eu des relations sexuelles. Le choix de l’âge de la majorité sexuelle posé par le texte est donc en phase avec la réalité, même s’il reste un choix politique arbitraire. Mme Hugon évoque la question des violences gyné­ cologiques et obstétricales. Elle rappelle qu’un rapport d’information est en cours de préparation au Sénat. C’est tout un nouveau champ de violence, largement méconnu, qui est aujourd’hui en train de se révéler. Si le présent texte ne l’aborde pas encore, il doit laisser la porte ouverte afin de permettre son appréhension par la suite. En ce qui concerne la prostitution, Mme Hugon note que les personnes auditionnées ont réagi dans des sens très divers. A nouveau le code ne pose pas de jugement de valeur. L’objectif est d’accroître la protection de tous les travailleurs du sexe, tant ceux qui exercent librement que ceux qui exercent sous la contrainte. Les auditions ont mis en avant certaines faiblesses du texte quand il aborde la notion d’abus de prostitution, et dans le lien entre cette infraction et celles relatives à la traite des êtres humaines. De même, la conformité de ces dispositions avec nos engagements internationaux a été mise en doute. Les Procureurs Généraux ont quant à eux évoqué un risque pour les enquêtes en cours. Enfin, des questions se posent concernant l’application des directives européennes détachement et service aux travailleurs du sexe, et les conséquences qui en découlent. Il convient de clarifier toutes ces questions et de d’y apporter des solutions. Mme Sophie Rohonyi (Défi) regrette le choix posé par le ministre consistant à scinder cette réforme de la réforme globale du code pénal et du code d’instruction criminelle. Citant Mme Tulkens, elle rappelle que toutes les infractions doivent être des priorités, le réel problème étant leur poursuite et donc la mise en œuvre du droit pénal. Pour que les citoyens reprennent confiance en la Justice, il faut s’assurer que les plaintes sont suivies 31 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E krijgen, moet ervoor worden gezorgd dat gevolg wordt gegeven de klachten en moet de voorspelbaarheid van de procedure worden verbeterd. Thans dienen veel slachtoffers geen klacht in, omdat zij denken dat zulks nergens toe dient. Bij slechts één op tien verkrachtingen wordt een klacht ingediend; dit komt omdat de betrok­ kene zich schaamt, een schuldgevoel heeft, bang is, loyauteit jegens de dader toont, zichzelf niet als een slachtoffer ziet, weinig vertrouwen heeft in de politie en in het gerecht, of omdat de afloop van een gerechtelijke procedure onvoorspelbaar is. En dienen slachtoffers dan toch een klacht in, dan wordt het dossier in de helft van de gevallen (53 %) geseponeerd, doorgaans wegens gebrek aan bewijs (63 %). Er moet dus daadwerkelijk aandacht worden besteed aan de hervorming van het Wetboek van strafvordering. In dat kader moeten knopen worden doorgehakt betreffende onder meer de verplichte bijstand aan de slachtoffers door een advocaat van bij indiening van de klacht, het in aanmerking nemen van traumatische stress – een via MRI objectiveerbaar ver­ schijnsel – als bewijs of de verplichte psychologische onderzoeken van de daders. Het voelt bovendien kunstmatig aan om seksuele misdrijven los te zien van de algemene principes van het strafrecht. Er bestaat hierdoor een reëel risico dat dit ten koste gaat van de samenhang van het geheel. De spreekster haalt het probleem van de straffen aan: hoe kan men er zeker van zijn dat de herziene straffen waarin de voorliggende tekst voorziet, nog zullen spo­ ren met de straffen die in de rest van het Strafwetboek zijn opgenomen? Het is eveneens vreemd om hier van seksuele misdaden te gewagen, op een moment dat het onderscheid tussen misdaad, wanbedrijf en overtreding in vraag wordt gesteld. De spreekster maant tot voorzichtigheid aan en vraagt dat men in dit dossier de nodige tijd zou nemen voor analyse en reflectie. De behoeften van de slachtoffers maar ook van alle spelers in het veld moeten primeren. Het zou jammer zijn, mocht men overhaast te werk gaan om een trofee te kunnen binnenhalen waarmee men op 8 maart (Vrouwendag) kan uitpakken. Mevrouw Rohonyi wijst op de punten van kritiek, suggesties en opmerkin­ gen die tijdens de hoorzittingen en in de schriftelijke adviezen zijn geformuleerd en waaruit blijkt dat de tekst absoluut nog niet voldragen is. Ze hoopt dat de tekst nog zal kunnen evolueren. De spreekster is blij met de duidelijke politieke wil om het Strafwetboek te vernieuwen en het aan te passen aan de werkelijkheid van vandaag. Het is positief dat men het heeft over de aantasting van personen, veel­ eer dan over de aantasting van de goede zeden. Dit wetsontwerp is des te belangrijker gezien de omvang van het verschijnsel. d’effets et renforcer la prévisibilité de la procédure. Aujourd’hui de nombreuses victimes ne portent pas plainte parce qu’elles pensent que cela ne sert à rien. Seuls 10 % des viols font l’objet de plaintes, en raison d’un sentiment de honte, de culpabilité, de peur, de loyauté envers l’auteur, de non-reconnaissance de soi en tant que victime, de confiance limitée dans la police et les autorités judiciaires, ou de l’imprévisibilité de l’issue d’une procédure judiciaire. Et lorsque les victimes portent plainte, une fois sur deux (53 %) le dossier est classé sans suite, le plus souvent pour manque de preuve (63 %). Il convient donc d’accorder une réelle attention à la réforme du code d’instruction criminelle. C’est dans ce cadre que devraient être tranchées les questions telles que celles de l’assistance obligatoire des victimes par un avocat dès la plainte, la prise en compte du stress traumatique, phénomène objectivable par IRM, comme moyen de preuve ou des examens psychologiques obligatoires pour les auteurs. Par ailleurs, il est artificiel de séparer les infractions à caractère sexuel des principes généraux du droit pénal. Le risque de porter atteinte à la cohérence de l’ensemble est réel. L’oratrice évoque la question des peines: comment s’assurer que les peines revues pré­ vues par le présent texte seront encore en phase avec celles qui seront incluses dans le reste du code pénal? Il est également étrange de parler ici de crimes sexuels alors que la distinction entre crime, délit et contravention est remise en cause. L’oratrice appelle à la prudence: il faut dans ce dossier prendre le temps de l’analyse et de la réflexion. Les besoins des victimes mais aussi de l’ensemble des acteurs de terrain doivent prévaloir. Il serait regrettable d’agir dans la précipitation afin de pouvoir remporter un trophée à mettre en avant lors de la journée du 8 mars. Mme Rohonyi rappelle les critiques, suggestions et remarques formulées lors des auditions et dans les avis écrits, dont il ressort que le texte est loin d’être abouti. Elle espère qu’il pourra encore évoluer. L’oratrice salue la volonté politique affichée de dé­ poussiérer le code pénal et de l’adapter aux réalités actuelles. Il est positif de parler d’atteinte aux personnes plutôt qu’aux bonnes mœurs. Ce projet est d’autant plus important au regard de l’ampleur du phénomène. 2141/006 DOC 55 32 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster beklemtoont dat uit de hoorzittingen is gebleken dat het wetsontwerp nog moet worden bijgestuurd om te voorkomen dat de tekst, in plaats van de slachtoffers te beschermen, het omgekeerde effect heeft, zoals in het geval van de slachtoffers van mensenhandel of de minderjarigen. Mevrouw Rohonyi betreurt dat vooraf geen overleg met de feministische verenigingen is gepleegd; de cijfers tonen immers aan dat de meerderheid van de slachtoffers vrouw is en dat mannen de meerderheid van de daders uitmaken. Ook de sekswerkers werden niet geconsulteerd, hoewel het deel met betrekking tot prostitutie hen in de eerste plaats aanbelangt. Wat de instemming betreft, wijst mevrouw Rohonyi erop dat ze mede-indienster is van een wetsvoorstel aangaande dit onderwerp. Beoogd wordt een duidelijke definitie van toestemming te geven, niet alleen voor de magistraten, maar ook voor de samenleving, opdat men zou kunnen loskomen van de vooroordelen: wanneer een vrouw niet duidelijk neen zegt of zich op een bepaalde manier kleedt, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat zij met seksuele handelingen instemt. Ze herinnert eraan dat het wetsontwerp een aantal omstandigheden beschrijft waarin men een afwezigheid van instemming veronderstelt. De gastsprekers hebben gewezen op de moeilijkheden die ontstaan doordat de in de tekst opgenomen lijst van omstandigheden uitputtend is. Mevrouw Rohonyi vindt het belangrijk dat de afwezigheid van instemming uit een geheel van elementen kan worden afgeleid en niet enkel uit de staat van beïnvloeding van de betrokkene, overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens. Men moet de rechter hierbij nog steeds een beoordelingsbevoegdheid laten. Het vermoeden van onschuld moet eveneens worden behouden: het mag bijgevolg enkel de bedoeling zijn om het leveren van bewijzen te vergemakkelijken en niet om de bewijslast om te keren. Het wetsontwerp roept nog meer vragen op; zo gaat het uit van de afwezigheid van instemming wanneer de persoon zich bevindt in een kwetsbare toestand naar aanleiding van, inzonderheid, een fysiek of mentaal gebrek. Mevrouw Rohonyi vraagt zich af welke impact deze bepaling zal hebben op de seksverzorgers en op de personen die vrijelijk een beroep op hen doen. De spreekster herinnert eraan dat de minister in het verleden op mondelinge vragen hierover naar de bevoegdheid van de deelstaten heeft verwezen. Uit de hoorzittingen blijkt dat het federale niveau wel degelijk bevoegd is Elle souligne que les auditions ont mis en évidence la nécessité de revoir le projet pour éviter que ce dernier, en voulant protéger, n’ait en réalité l’effet inverse sur certaines personnes, comme par exemple les victimes de la traite des êtres humains ou encore les mineurs d’âge. Mme Rohonyi regrette le manque de concertation en amont avec les associations féministes, alors que les chiffres démontrent que la majorité des victimes sont des femmes, et la majorité des auteurs des hommes. De même, les travailleurs du sexe n’ont pas été consultés alors que le volet prostitution les concerne au premier plan. Revenant sur le consentement, Mme Rohonyi rappelle avoir co-signé une proposition de loi à ce sujet. L’objectif étant de donner une définition claire du consentement, non seulement pour les magistrats, mais aussi pour la société, pour qu’elle sorte des préjugés selon lesquels, par exemple, lorsqu’une femme ne dit pas clairement non, ou parce qu’elle s’habille de telle manière, cela ne veut pas pour autant dire qu’elle consent à des actes sexuels. Elle rappelle que le projet de loi décrit une série de circonstances dans lesquelles l’absence de consente­ ment est présumée. Les personnes auditionnées ont mis en évidence les difficultés posées par la liste des circonstances telle que reprise actuellement dans le texte, en raison de son caractère exhaustif. Il importe pour Mme Rohonyi que l’absence de consentement puisse se déduire d’un ensemble d’éléments et non du seul état d’influence de la personne concernée, et ce conformément à la jurisprudence de la Cour européenne des Droits de l’Homme. Le pouvoir d’appréciation du juge doit être préservé. La présomption d’innocence doit également être pré­ servée: il ne peut donc s’agir que de faciliter la preuve et non de renverser la charge de la preuve. Le projet pose en outre question car il présume l’ab­ sence de consentement quand la personne est dans un état de vulnérabilité dû notamment à une déficience physique ou mentale. Mme Rohonyi s’interroge sur l’impact de cette disposition pour les assistants sexuels et les personnes qui font librement appel à eux. L’oratrice rappelle que le ministre a par le passé répondu à des questions orales à ce sujet en renvoyant à la compé­ tence des entités fédérées. Il ressort des auditions que le Fédéral est bien compétent pour fixer un cadre de travail pour les assistants sexuels, et qui protège contre 33 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voor het vaststellen van een werkkader voor de seks­ verzorgers, dat bescherming biedt tegen personen met slechte bedoelingen die zich achter die activiteiten zouden verschuilen. De spreekster komt terug op de heikele kwestie van de seksuele meerderjarigheid. Ze hamert op de noodzaak om rekening te houden met de leefwereld van jongeren en met de evolutie van de zeden, zonder evenwel de meest kwetsbaren in de kou te laten staan. Volgens me­ vrouw Rohonyi dreigt de tekst in de huidige formulering de jongeren die echt met seksuele daden instemmen, te bestraffen. Het valt bovendien niet uit te sluiten dat de entourage van de jongeren tegen hun liefdesrelatie gekant is en de tekst misbruikt. De tekst, waarin het begrip “aanranding van de eerbaarheid” wordt geschrapt, stelt bovendien een zwart-wit-situatie in: er is sprake van ofwel instemming, ofwel verkrachting. Volgens de spreekster moet de tekst op dit punt worden geamendeerd. Mevrouw Rohonyi verwelkomt de evolutie waarvan de tekst getuigt met betrekking tot voyeurisme en de verspreiding van beelden. Wat verkrachting betreft, wijst ze erop dat de gehoorde personen voor meer gediversifieerde straffen hebben gepleit, zoals probatiestraffen en een contactverbod. De spreekster betreurt dat de tekst niets vermeldt over gynaecologisch en obstetrisch geweld. De opname van verzwaarde misdrijven, met zwaardere straffen, juicht ze dan weer wel toe. Het is zeer goed dat incest als misdrijf in het strafrecht wordt opgenomen. Mevrouw Rohonyi verwijst naar het wetsvoorstel dat ze ter zake heeft ingediend. Ze heeft wel vragen bij het onderscheid dat men hierbij maakt naargelang het slachtoffer minderjarig of meerderjarig is. Incest wordt niet langer als incest gekwalificeerd maar als “niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen”: wat is hiervoor de reden? Wat de straffen betreft, hebben de gehoorde perso­ nen gewezen op een gebrek aan samenhang tussen de straffen onderling (tussen de straffen voor kinderporno, voyeurisme of exhibitionisme jegens een minderjarige bijvoorbeeld). Van zijn kant heeft het CAB (Centre d’Appui Bruxellois ASBL) erop aangedrongen dat het gemoti­ veerd advies van een gespecialiseerde dienst bij de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten verplicht moet kunnen zijn; in de huidige tekst is dit advies louter facultatief. les personnes malintentionnées qui se cacheraient derrière cette activité. L’oratrice revient sur la question délicate de la majorité sexuelle. Elle insiste sur la nécessité de tenir compte du vécu des jeunes et de l’évolution de mœurs, tout en protégeant les plus vulnérables. Pour Mme Rohonyi le texte tel qu’il est actuellement formulé risque de pénaliser des jeunes réellement consentants. Une instrumentalisa­ tion par l’entourage défavorable à la relation amoureuse n’est en outre pas à exclure. De plus, comme le texte supprime la notion d’attentat à la pudeur, il établit une situation totalement binaire: soit il y a consentement, soit il y a viol. L’oratrice estime que le texte doit être amendé. Mme Rohonyi accueille favorablement les évolutions introduites sur la question du voyeurisme et de la dif­ fusion d’images. Concernant le viol, elle rappelle que les personnes auditionnées ont plaidé pour des peines plus diversifiées, comme par exemple des mesures de probation ou une interdiction de contact. L’oratrice regrette que le texte n’aborde pas la question des violences gynécologiques et obstétricales. Elle salue la présence d’infractions aggravées, avec des peines plus lourdes. La criminalisation de l’inceste est une très bonne chose. Mme Rohonyi rappelle la proposition de loi qu’elle avait déposée à cet égard. Elle s’interroge cependant sur la distinction introduite selon que la victime soit ou non mineure. L’inceste n’est plus qualifié d’inceste mais de d’acte à caractère sexuel intrafamilial non consensuel: pour quelle raison? En ce qui concerne les peines, les personnes audi­ tionnées ont mis en évidence un manque de cohérence des peines entre elles (entre la pédopornographie, le voyeurisme ou l’exhibitionnisme face à un mineur par exemple). Le CAB a quant à lui insisté sur le fait que l’avis motivé d’un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels doit pouvoir être obligatoire et non facultatif comme le prévoit le texte. 2141/006 DOC 55 34 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Nog met betrekking tot prostitutie juicht de spreekster het toe dat men een einde wil maken aan de heersende hypocrisie en de sekswerkers uit de clandestiniteit wil halen en beschermen tegen alle risico’s die met die clandestiniteit gepaard gaan. Het sociaal statuut van de sekswerker blijft echter de grote afwezige in het ont­ werp. De vrees dat de bescherming van de slachtoffers van mensenhandel door de hervorming in het gedrang komt, is reëel aangezien het begrip “misbruik van pros­ titutie” niet duidelijk is. Mevrouw Rohonyi verwijst naar de opmerkingen van de procureurs-generaal. Heeft de minister overlegd met de staatssecretaris voor Asiel en Migratie? De spreekster herinnert eraan dat de gehoorde personen de wetgever hebben uitgenodigd om terug te grijpen naar een coherente terminologie die ook elders gebruikt wordt, in het bijzonder in de instrumenten van het internationale recht. Men heeft eveneens gewezen op de moeilijkheden die de bepalingen ter beteugeling van kinderhandel doen ontstaan, wegens de wijziging van de regeling inzake kinderprostitutie. Tot slot hebben de hoorzittingen aangetoond dat het voorgestelde model het Nederlandse model benadert; men beweert nochtans dat dat model een aanzuigeffect heeft gecreëerd waarbij georganiseerde criminele bendes, die zich met seksuele uitbuiting inlaten, hun voordeel doen. Nederland stelt dit model opnieuw in vraag en denkt in het bijzonder aan een verhoging van de leeftijd vanaf wanneer men aan prostitutie kan doen (momenteel vanaf 18 jaar). Wat ten slotte de reclame voor prostitutie betreft, valt heel moeilijk na te gaan of iemand voor eigen rekening reclame maakt. Hoe zullen de politiediensten kunnen controleren of de prostitutie vrij is van elke inmenging of beïnvloeding? Mevrouw Nathalie Gilson (MR) is ingenomen met dit wetsontwerp dat de wetgeving ter zake opnieuw up-to- date zou maken. Ze staat ten volle achter de werkwijze waarbij los van de meer algemene hervorming van het Strafwetboek voortgang wordt gemaakt met de hervor­ ming van het seksueel strafrecht. De hervorming van het Strafwetboek is een kolossale onderneming die tijd vergt, terwijl het probleem van seksueel geweld dringend moet worden aangepakt. De definitie van de toestemming is een belangrijke stap in de goede richting. De recent opgekomen bewe­ ging “balance ton bar” toont aan dat er nood is aan een dergelijke definitie. De uitspraak “wie zwijgt, stemt toe” heeft geen bestaansrecht meer. De toestemming moet expliciet zijn. Aangaande die toestemming moet voortaan ook rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat het slachtoffer bepaalde stoffen die het oordeelsvermo­ gen aantasten heeft toegediend gekregen of te lijden had van een shockeffect. Mevrouw Gilson blijft echter Revenant sur la question de la prostitution, l’oratrice salue l’objectif de mettre fin à l’hypocrisie actuelle et de sortir les travailleurs du sexe de la clandestinité qui les expose à toute une série de risques. Le statut social des travailleurs du sexe reste cependant cruellement absent. La crainte que la réforme porte atteinte à la protection des victimes de traite des êtres humains est réelle, la notion d’abus de prostitution n’étant pas claire. Mme Rohonyi renvoie aux remarques des Procureurs Généraux. Le ministre s’est-il concerté avec le secré­ taire d’État à l’Asile et la Migration? L’oratrice rappelle que les personnes auditionnées ont invité le législateur à revenir à une terminologie connue et cohérente par rapport à celle utilisée par ailleurs, notamment dans les instruments de droit international. Des problèmes ont également été mis en évidence dans les dispositions qui concernent la répression du trafic d’enfants, en raison de la modification du régime de prostitution des mineurs. Enfin, les auditions ont mis en lumière que le modèle proposé est proche de celui des Pays-Bas pourtant suspecté d’avoir créé un appel d’air au profit de bandes criminelles organisées, se livrant à de l’exploitation du sexe. Ce modèle est remis en cause aux Pays-Bas où l’on réfléchit notamment au rehaussement de l’âge à partir duquel l’on peut se livrer à la prostitution (18 ans actuellement). Enfin concernant la publicité de la prostitution, il est très difficile de vérifier qu’une personne fait de la publi­ cité pour son propre compte. Comment les services de police pourront-ils vérifier que la prostitution est libre de toute ingérence et de toute influence? Mme Nathalie Gilson (MR) salue un projet qui actua­ lise la matière. Elle soutient pleinement la démarche qui consiste à avancer sur la réforme du droit pénal sexuel indépendamment de la réforme plus globale du code pénal. Cette dernière constitue une entreprise gigan­ tesque qui demande du temps alors qu’il est urgent de s’attaquer au phénomène des violences sexuelles. La définition du consentement constitue une avancée majeure. Le récent mouvement “balance ton bar” a démontré la nécessité d’une telle définition. La maxime “qui ne dit mot consent” n’a plus lieu d’être. Le consente­ ment doit être explicite. Les cas dans lesquels la victime a absorbé des substances qui altèrent son jugement, ou l’effet de sidération peuvent désormais être pris en compte. Mme Gilson se dit cependant vigilante: la pré­ somption d’innocence doit absolument être préservée et la charge de la preuve ne peut être renversée. L’inverse 35 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E waakzaam: het vermoeden van onschuld moet absoluut worden behouden en de bewijslast mag niet worden omgekeerd, anders zouden de intieme relaties tussen individuen alleen maar worden bemoeilijkt. De spreek­ ster ziet het wetsontwerp als een heel positieve zaak. Mevrouw Gilson brengt de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid ter sprake. Die wordt vastgelegd op zestien jaar, wat in de feiten overeenstemt met de gemid­ delde leeftijd van de eerste seksuele betrekkingen. De spreekster is ook te vinden voor een uitzonderingsbepa­ ling voor seksuele betrekkingen tussen de leeftijd van veertien en zestien jaar; dergelijke betrekkingen maken immers deel uit van de ontdekking van de seksualiteit. Toch vraagt ze zich af of die bepaling niet te strikt is ge­ formuleerd. Tijdens de hoorzittingen hebben de sprekers erop gewezen dat het maximale leeftijdsverschil van twee jaar wellicht ontoereikend is, gelet op het onweerlegbare karakter van het vermoeden: de rechters zouden aldus verplicht zijn iemand te vervolgen en te veroordelen voor verkrachting zodra het leeftijdsverschil meer dan twee jaar bedraagt, ook al stemmen beide partners in werkelijkheid toe. De spreekster is tevreden dat het wetsontwerp een bepaling met betrekking tot incest bevat. Ze wijst er echter op dat een kind zijn hele leven lang het kind van zijn ouders blijft en vraagt zich derhalve af of het onder­ scheid dat op basis van de leeftijd van het slachtoffer zou worden gemaakt wel relevant is. Dat aandachtspunt rechtvaardigt echter niet dat die bepalingen uit het wets­ ontwerp zouden worden weggelaten. De spreekster wijst erop dat het Belgische strafrech­ telijke arsenaal thans niet de prostitutie, maar het pooi­ erschap bestraft. De spreekster is voorstander van het toekennen van een status en van sociale bescherming voor de sekswerkers die hun activiteit geheel uit vrije wil uitoefenen. Indien de sekswerker niet toestemt, is er ofwel sprake van misbruik of van mensenhandel. De strekking van de ontworpen bepaling, die verwijst naar het feit dat men een abnormaal voordeel uit de prostitutie haalt, roept echter vragen op. Klopt de tijdens de hoorzit­ tingen geuite bewering dat indien men de sekswerker een sociale status wil toekennen, men tegelijk een status toekent aan de pooier die geen misbruik zou maken van de prostitutie? Zo ja, is dat dan de te volgen aanpak? Stroken die bepalingen met de internationale verplich­ tingen die voortvloeien uit bijvoorbeeld de Conventie van New York? Mevrouw Gilson vraagt zich ook af of de legalisering van de activiteit van de pooier die daar geen abnormaal voordeel uit haalt, niet tot gevolg zou hebben dat het ingewikkelder wordt om bewijzen van feiten van men­ senhandel te verzamelen. In hoeverre kan het bestaan ne ferait que compliquer les relations intimes entre les individus. Le projet est jugé très positif. Mme Gilson revient sur l’âge de la majorité sexuelle. Celle-ci est fixée à 16 ans, ce qui correspond dans les faits à l’âge moyen des premières relations sexuelles. L’oratrice se dit également favorable à la disposition qui prévoit une exception pour les relations sexuelles entre l’âge de 14 et 16 ans, dans un processus de découverte de la sexualité. Elle s’interroge cependant sur la formulation peut-être trop stricte de cette disposition. Les personnes auditionnées ont ainsi estimé que la limite fixée à deux ans de différence d’âge était sans doute trop faible, au vu du caractère irréfragable de la présomption: les juges seraient ainsi tenus de poursuivre et condamner pour viol si l’écart est supérieur à deux ans, même lorsque les partenaires sont en réalité consentant. L’oratrice se réjouit de l’introduction d’une disposition relative à l’inceste. Elle rappelle cependant qu’un enfant reste l’enfant de ses parents toute sa vie et s’interroge dès lors sur la pertinence de la distinction introduite selon l’âge de la victime. Cet élément n’est cependant pas de nature à justifier que l’on supprime ces dispo­ sitions du projet. L’oratrice rappelle que notre arsenal pénal ne réprime aujourd’hui pas la prostitution mais le proxénétisme. Elle se dit favorable à l’octroi d’un statut et d’une protection sociale aux travailleurs du sexe qui exercent de leur plein gré. Quand le travailleur n’est pas consentant, il y a soit abus, soit traite des êtres humains. La ratio legis de la disposition en projet qui fait référence au fait de retirer un profit anomal de la prostitution pose cependant question. Est-il exact comme cela a été soutenu lors des auditions que en voulant octroyer un statut social au travailleur du sexe, l’on octroie un statut au proxénète qui n’abuserait pas de la prostitution? Dans l’affirmative, est-ce là la voie à choisir? Ces dispositions sont-elles conformes nos obligations internationales comme la Convention de New York? Mme Gilson se demande également si la légalisation de l’activité de proxénète dans le cas où celui-ci ne retire pas un avantage anormal de l’activité, ne rendra pas plus complexe la collecte de preuves de faits de traite des êtres humains? Dans quelle mesure la présence 2141/006 DOC 55 36 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van een arbeidsovereenkomst die aan de wettelijke voor­ waarden beantwoordt (waaruit bijvoorbeeld blijkt dat de pooier minder dan 50 % van het tarief van de prostituee krijgt), waarborgen dat er geen sprake is van dwang? De spreekster haalt het voorbeeld aan van vrouwen die werken met een overeenkomst als masseuse of hostess, maar bij wie een groot verloop wordt vastgesteld en die maar heel kort in België blijven, wat dus verdacht lijkt. Mevrouw Gilson vraagt zich af of men niet beter een ander model kan bedenken, waarbij de sekswerkers die hun activiteit geheel uit vrije wil uitoefenen een sociale status zouden krijgen zonder dat het pooierschap daarom uit het strafrecht zou worden gehaald. In zijn huidige vorm zou het wetsontwerp het werk van de politie en de parketten om mensenhandel tegen te gaan, alleen maar ingewikkelder maken. De heer Koen Geens (CD&V) wenst momenteel niet in te gaan op de technische kwesties. Hij zal hierop terugkomen bij de artikelsgewijze bespreking. Hij wenst in de algemene bespreking te wwaarschuwen voor 2 aspecten: 1) Dit wetsontwerp is naar Belgische maatstaven buitengewoon streng qua strafmaat. De samenleving verwacht dit van ons, maar we zien op dit ogenblik niet de verhouding tussen deze strafmaten en de strafmaten die zullen voorbehouden zijn met andere misdrijven in het nieuwe Strafwetboek; 2) Die strafmaten veronderstellen in vele gevallen een assisenprocedure. Het opleggen van zware strafmaten zonder ze te vervolgen omdat we nog steeds met de assisenprocedure zitten, zou getuigen van een grote hypocrisie. Dit is voor een stuk “verstoppertje spelen”. Spreker blijft hopen dat de Kamer hierover nog eens wil nadenken. De strafbaarstelling zal ons sterk bezighouden. Dit heeft te maken met het legaliteitsbeginsel. Elke misdrijf moet correct omschreven worden alvorens het kan be­ straft worden. Bij de nieuwe strafbaarstellingen rijst de vraag welke nieuwe strafbaarstellingen “morgen” nodig zullen zijn met de nieuwe technologieën omdat men tot een gesofisticeerdere vorm van virtuele seksualiteit komt. Dit is natuurlijk onvermijdelijk, alleen leidt het tot een overdreven reglementering. De straffen moeten door de wet bepaald zijn. Het is een goede zaak dat het ontwerp in een aantal aanvul­ lende straffen voorziet, onder meer op het gebied van het contactverbod. De heer Geens mist de “gedwongen behandeling” in het ontwerp. Hij toont zich hier voorstander van. Als men d’un contrat de travail, répondant aux conditions légales (dont il ressort par exemple que le proxénète touche moins de 50 % du prix de la passe) donne-t-il toutes les assurances d’une absence de contrainte? L’oratrice cite l’exemple des personnes qui travaillent aujourd’hui avec des contrats de masseuses ou hôtesses, mais chez qui on constate un grand roulement de personnel, restant très peu de temps en Belgique et qui apparaît donc comme suspect. Mme Gilson se demande s’il ne serait pas préférable de conceptualiser un autre modèle dans lequel l’on pourrait donner un statut social au travailleur du sexe exerçant de leur plein gré sans dépénaliser le proxénétisme. Le projet ne peut avoir pour effet de compliquer le travail de la police et des parquet dans la lutte contre la traite des êtres humains. M. Koen Geens (CD&V) ne souhaite pas aborder les questions techniques à ce stade. Il y reviendra au cours de la discussion des articles. L’intervenant souhaite mettre en garde au sujet de deux points dans le cadre de la discussion générale: 1) Le projet de loi à l’examen est, au regard des normes belges, extraordinairement sévère en ce qui concerne les peines. C’est ce que la société attend, mais on n’aperçoit pas aujourd’hui le rapport entre ces peines et les peines prévues pour d’autres infractions dans le nouveau Code pénal; 2) Ces peines supposent une procédure en assises dans nombre de cas. Infliger de lourdes peines sans les poursuivre au motif qu’une procédure en assises est toujours prévue témoignerait d’une grande hypocrisie. Cela reviendrait partiellement à “se cacher”. L’intervenant continue à espérer que la Chambre reconsidérera cette question. L’incrimination prendra beaucoup de temps en raison du principe de légalité. Toute infraction doit être correcte­ ment définie avant de pouvoir être punie. S’agissant des nouvelles incriminations, la question se pose de savoir quelles nouvelles incriminations seront nécessaires “demain”, compte tenu des nouvelles technologies ,car une forme sophistiquée de sexualité virtuelle émerge. Ce sera naturellement inévitable mais cela entraînera un excès de réglementation. Les peines doivent être prévues par la loi. Il est posi­ tif que le projet prévoie des peines complémentaires, notamment en ce qui concerne l’interdiction de contact. M. Geens regrette l’absence du “traitement obligatoire” dans le projet de loi, auquel il est favorable. S’il n’est 37 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mensen niet kan onderwerpen aan bepaalde therapieën, is het ook heel moeilijk om hen op termijn vrij te laten. Het probleem met het dubbele legaliteitsbeginsel is dat er weinig wordt gezegd over de proportionaliteit tussen strafbaarstelling en de straf. Er is de hoop dat de billijkheid, de gematigdheid of de gestrengheid van de rechter de knoop zal doorhakken. Men legt vandaag straffen op zonder dat men precies weet waarom men ze oplegt. Men rekent voor de motivering op de rechter. Wat is de functie van de straf? De straf beoogt voor een stuk een vergelding naar het slachtoffer en de samenleving toe. Preventie is belangrijk. Wie zal er morgen in de scholen uitleggen waarom het leeftijdsverschil van 2 jaar belangrijk is en wat er strafbaar is? We moeten een preventieve waarde aan de straffen geven. Het voorkomen van de recidive is een ander element van de preventie. Wat het “vermoeden van onschuld van de dader” en de “noodzaak tot vergelding van het slachtoffer” betreft, is de link tussen deze twee zaken niet enkel de straf en de schadeloosstelling, maar ook welke vormen van be­ wijs toegelaten zijn. Dit soort misdrijven is slechts op te sporen en vast te stellen als men op het gebied van het bewijs het strafrechtssysteem met een aantal belangrijke instrumenten bedeelt en men het hier maatschappelijk over eens is. Soms zou bewijs wat coulanter moeten zijn (spreker verwijst naar toestemming). Bewijsvoering is een belangrijk sluitstuk voor een hervorming zoals deze. Denk maar aan camera’s en DNA. We moeten ervoor zorgen dat we niet al te zeer het voordeel geven aan het vermoeden van onschuld. B. Antwoorden van de vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee De vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee wenst eerst enkele inleidende beschouwingen mee te geven. De deskundigen, die door de vorige minister van Justitie zijn aangesteld, hebben sinds midden 2015 hard gewerkt aan de hervorming. Het is niet juist als men stelt dat deze hervorming snel en op een drafje wordt doorgevoerd. Het is een werkstuk dat de zittingsperiode overschrijdt. Dit nuanceert de discussie tussen meerder­ heid en oppositie. De discussie is tijdens hoorzittingen gevoerd met de actoren van het maatschappelijke mid­ denveld en met instanties zoals Child Focus, de Hoge Raad Justitie, de Kinderrechtencommissaris, het College pas possible de soumettre les intéressés à certaines thérapies, il sera également très difficile de les libérer à terme. Le problème du double principe de légalité est que peu de choses sont prévues au sujet de la proportion­ nalité entre l’incrimination et la peine. Il faut espérer que l’équité, la modération ou la sévérité du juge permettra de trancher cette question. Des peines sont actuellement infligées sans savoir exactement pourquoi. On compte sur le juge pour motiver la décision. Quelle est la fonction d’une peine? La peine vise en partie une réparation au bénéfice de la victime et de la société. La prévention est un élément capital. Qui expliquera demain dans les écoles pourquoi la différence d’âge de deux ans est importante et quels sont les comportements punissables? Il faut veiller à ce que les peines aient un caractère préventif. La prévention de la récidive fait également partie de la prévention. Quant à la “présomption d’innocence de l’auteur” et au “besoin de réparation de la victime”, le lien entre ces deux éléments se situe non seulement au niveau de la peine et de l’indemnisation, mais aussi au niveau des formes de preuve autorisées. Les infractions de ce type ne peuvent être détectées et établies que si le système de justice pénale est doté d’un certain nombre d’instruments importants pour la recherche de la preuve et s’il existe une assise sociétale en la matière. Il conviendrait, dans certains cas, d’être plus flexible en matière de preuves (l’intervenant fait référence au consentement). La preuve est un élément essentiel d’une réforme comme celle-ci. Il suffit de penser aux caméras et à l’ADN. Nous devons veiller à ne pas donner trop de poids à la présomption d’innocence. B. Réponses du vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord Le vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord tient d’abord à formuler quelques réflexions introductives. Les experts nommés par le précédent ministre de la Justice ont travaillé d’arrache-pied sur la réforme depuis mi-2015. L’affirmation selon laquelle cette réforme a été menée à la hussarde est incorrecte. Il s’agit de travaux qui se sont étalés sur plus d’une législature. Cela nuance la discussion entre la majorité et l’opposition. Le débat a été mené au cours d’auditions avec des acteurs de la société civile et des organismes tels que Child Focus, le Conseil supérieur de la Justice, le Commissaire aux droits de l’enfant, le Collège des procureurs généraux, 2141/006 DOC 55 38 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van Procureurs-Generaal, enz… Het is bijgevolg nor­ maal dat er soms tegengestelde meningen naar voren treden. Het komt aan de politiek toe om hierover finaal beslissingen te nemen. Deze discussie behoeft geen uitstel. Het seksuele strafrecht is een thema dat de samenleving voortdurend beroert. De regering heeft niet gewacht op de schanda­ len in Gent en Brussel om deze aangelegenheid aan te pakken. Deze regering heeft vanaf de eerste dag deze aangelegenheid als een prioriteit beschouwd. Er is hard gewerkt aan deze hervorming. De wet van 1867 was im­ mers voorbijgestreefd. Er moesten belangrijke correcties worden aangebracht. De golf van seksueel geweld is niet nieuw. Er wordt vandaag wel meer aandacht aan besteed en er worden meer aangiftes gedaan. We moeten meer doen dan enkel een wet goedkeuren. We moeten meer doen aan opvang van slachtoffers. In Antwerpen, Roeselare en Charleroi zijn onlangs centra opgericht. Er moet meer worden vervolgd. Het is inderdaad zo dat slechts 14 % van de aangiften tot een veroordeling leidt. We moeten er vanuit justitieel oogpunt alles aan doen om te vervolgen en de pakkans te verhogen. De minister verwijst naar het project “Code 37” dat in Antwerpen is opgestart. Het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC), het parket Antwerpen en de recht­ bank van eerste aanleg Antwerpen slagen er met een nieuwe wetenschappelijk onderbouwde onderzoeks­ strategie in om twee keer zoveel verkrachtingsdossiers op te lossen. Die aanpak hebben ze de voorbije 3 jaar samen ontwikkeld. De innovatieve aanpak van zeden­ feiten, ook wel bekend onder de naam code 37, werpt zijn vruchten af. Er zijn drie categorieën: Er zijn de aangiften die een onbekende dader betreffen. Daarnaast zijn er de gevallen waar het gaat om een zedenfeit met een verdachte die het seksueel contact betwist. Tot slot zijn er de dossiers waarbij niet het seksueel contact maar wel de toestem­ ming worden betwist. Dankzij het project code 37 is het aantal veroordelingen spectaculair gestegen. In de eerste categorie van 11 % naar 36 %. In de tweede categorie van 20 % naar 36 % en in de derde categorie van 11 % naar 24 %. De minister van Justitie zal de onderzoeksstrategie uitbreiden naar andere parketten om de hoge sepone­ ringsgraad voor seksueel geweld terug te dringen. etc. Il est donc normal que des opinions opposées aient parfois été exprimées. C’est aux responsables politiques qu’il appartient de prendre les décisions finales. Il n’est pas nécessaire de reporter cette discussion. Le thème du droit pénal sexuel agite continuellement la société. Le gouvernement n’a pas attendu les scan­ dales de Gand et de Bruxelles pour s’attaquer à cette question. Le gouvernement actuel a jugé ce thème prioritaire dès le premier jour. Il a préparé cette réforme avec opiniâtreté. La loi de 1867 était en effet dépassée. Des corrections importantes ont dû être apportées. La vague des violences sexuelles n’est pas neuve. On y accorde toutefois davantage d’attention aujourd’hui et les plaintes sont plus nombreuses. Il ne faut pas se contenter d’adopter une loi. Nous devons en faire plus pour l’accueil des victimes. Des centres ont récemment été ouverts à Anvers, Roulers et Charleroi. Il faut poursuivre davantage les auteurs. En effet, seules 14 % des plaintes aboutissent à une condamnation. Nous devons faire tout ce qui est possible d’un point de vue judiciaire pour poursuivre et augmenter les chances d’appréhender les auteurs. Le ministre évoque le projet “code 37” lancé à Anvers. L’Institut national de criminalistique et de criminologie (INCC), le parquet d’Anvers et le tribunal de première instance d’Anvers parviennent aujourd’hui à résoudre deux fois plus de dossiers de viol grâce à une nouvelle stratégie d’enquête fondée sur des données scienti­ fiques. Ils ont développé cette stratégie ensemble ces trois dernières années. Cette approche innovante des faits de mœurs, également connue sous le nom de “code 37”, porte ses fruits. On peut distinguer trois catégories: les dossiers dans lesquels l’auteur est inconnu, les affaires de mœurs dans lesquelles le suspect conteste le contact sexuel, et enfin les dossiers dans lesquels la contestation porte non pas sur le contact sexuel, mais bien sur le consentement. Le nombre de condamnations a augmenté de façon spectaculaire grâce au projet code 37. Il est passé de 11 % à 36 % pour la première catégorie, de 20 % à 36 % pour la deuxième et de 11 % à 24 % pour la troisième. Le ministre de la Justice a l’intention d’étendre cette stratégie d’enquête à d’autres parquets afin de réduire le taux élevé de classements sans suite dans les dossiers de violences sexuelles. 39 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister wenst het ook te hebben over het audio­ visuele verhoor voor minderjarigen dat ook zal worden uitgebreid naar andere kwetsbare meerderjarigen. In speciale ruimtes zal men dit verhoor voltrekken ingeval van seksuele misdrijven. Men zal hier systematisch toe overgaan omdat het slachtoffer in dit geval eenmaal zijn verhaal moet doen waardoor men het rechtstreeks contact tussen slachtoffer en dader voorkomt. Als een verdachte met dergelijke beelden wordt geconfronteerd, zal hij sneller overgaan tot bekentenis van zijn daden, zo is gebleken. De minister verwijst naar de zedenhond die sperma­ sporen kan lokaliseren en zo de politie kan helpen bij onderzoeken naar verkrachting. Hiervoor werd inspiratie gehaald uit de praktijk in Nederland en Noorwegen. Er wordt eveneens geïnvesteerd in meer personeel. Voor Code 37 zouden 5 extra personen worden aan­ genomen en er worden in de parketten 15 criminologen personen aangenomen die zich uitsluitend bezighouden met onderzoek naar seksueel geweld en een rol zullen spelen bij dader profilering. Op het Brusselse parket werd onlangs bevestigd dat er op drie jaar tijd een verdubbeling is van het aantal aangiftes. Het aantal “dark numbers” lijkt te zakken. De mensen realiseren zich wel dat het iets uithaalt om feiten te melden. Ook de bekendheid van de zorgcentra is verbeterd. In Brussel zijn er 3 referendarissen voltijds belast met het onderzoek naar feiten van seksueel geweld. Onder voormalig minister van Justitie Geens is voorzien in opleidingen voor magistraten. Meer dan 1700 magis­ traten hebben ondertussen deze opleiding gevolgd. Er worden daarnaast bijzondere opleidingen gepland. De minister van Binnenlandse Zaken stelt ook opleiding in uitzicht ten behoeve van de zedeninspecteurs. De wet bepaalt de waarden die we belangrijk vin­ den. Door het inpassen van het seksueel strafrecht in Titel II van het Strafwetboek geven we aan dat we deze aangelegenheid als zeer belangrijk beschouwen en het misdrijven betreft die effectief moeten vervolgd en bestraft worden. De minister beklemtoont dat we keuzes zullen moeten maken op het gebied van toestemming, seksuele meer­ derjarigheid, prostitutie enz… Het is aan dit Parlement om deze keuzes te maken. We kunnen bepaalde vraag­ stukken niet voor ons uit schuiven. Le ministre évoque ensuite l’interrogatoire audiovisuel des mineurs, qui sera également étendu à certains groupes de majeurs vulnérables. En cas d’infraction sexuelle, cet interrogatoire sera systématiquement orga­ nisé dans des salles spécialement aménagées afin que la victime ne soit obligée de faire son récit qu’une seule fois. On évitera ainsi le contact direct entre la victime et l’auteur. Il a été démontré que lorsqu’un suspect est confronté à de telles images, il avoue plus rapidement ses actes. Le ministre évoque ensuite les chiens spécialisés dans les affaires de mœurs, qui sont capables de localiser des traces de sperme et peuvent ainsi aider la police dans les enquêtes de viol. Cette démarche s’inspire de pratiques en cours aux Pays-Bas et en Norvège. Des investissements en personnel sont également prévus. Il a été décidé d’engager cinq personnes sup­ plémentaires pour les dossiers code 37 et de recruter, au sein des parquets, quinze criminologues qui seront chargés de se consacrer exclusivement aux enquêtes sur les violences sexuelles et qui joueront un rôle dans le profilage des auteurs. Le parquet de Bruxelles a récemment confirmé que le nombre de plaintes a doublé en trois ans. Le nombre de cas non connus semble diminuer. La population a pris conscience du fait qu’il est utile de signaler les infractions. Les centres de soins sont aujourd’hui éga­ lement mieux connus. À Bruxelles, trois référendaires sont chargés d’enquêter à temps plein sur les faits de violence sexuelle. Des formations destinées aux magistrats ont été mises en place sous le mandat de l’ancien ministre de la Justice Koen Geens. Depuis lors, plus de 1 700 magis­ trats ont suivi ces formations. Des formations spéciales sont également prévues. La ministre de l’Intérieur a par ailleurs organisé des formations pour les inspecteurs spécialisés dans les affaires de mœurs. La loi définit les valeurs que nous jugeons importantes. En intégrant le droit pénal sexuel dans le titre II du Code pénal, nous soulignons que cette matière revêt pour nous un intérêt capital et qu’il s’agit d’infractions qui doivent être poursuivies et punies effectivement. Le ministre indique qu’il faudra opérer des choix en ce qui concerne le consentement, la majorité sexuelle, la prostitution, etc. C’est au Parlement qu’il appartient de faire ces choix. Certaines questions ne peuvent pas être remises à plus tard. 2141/006 DOC 55 40 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De ontwerptekst is inderdaad voor verbetering vatbaar, zo erkent de minister. De minister verwelkomt gefun­ deerde amendementen van meerderheid of oppositie. Vervolgens gaat de minister over tot het beantwoorden van de verschillende vragen. M.b.t. het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering betreffende het DNA-onderzoek bij seksueel geweld van Valérie Van Peel. De minister is dit voorstel genegen. Het Openbaar Ministerie heeft een aantal bedenkingen geformuleerd. Deze bezwaren zul­ len verder worden onderzocht. De doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk een consequente aanwending van het DNA-onderzoek in dossiers inzake seksuele misdrijven, verdient alle steun. De opmerkingen van mevrouw De Wit aangaande de timing van het nieuwe Strafwetboek en “cherry picking”: De kritiek werd geuit als zou de regering een risico nemen door het seksueel strafrecht te lichten uit het nieuwe Strafwetboek. De minister beklemtoont dat er geen risico bestaat dat het nieuwe Strafwetboek wordt uitgesteld. De interkabinettenwerkgroepen (IKW’s) zijn volop lopende. Momenteel is men bezig met boek 2. De regering wenst beide boeken samen te behandelen in de Ministerraad. De timing behelst een verzending naar het Parlement in 2022, waar het debat ten gronde kan verlopen. Strafmaat is specifiek voor de feiten seksueel straf­ recht en dit doen we binnen het huidig systeem, dus met behoud van het bestaand systeem van de correctionali­ sering. Met het nieuw Strafwetboek zullen we uiteraard de correctionalisering afschaffen en de strafmaten in die optiek aanpassen. Net zoals we niet raken aan verjaring, raken we nl. ook niet aan systeem correctionalisering, omdat dit de problematiek van het seksueel strafrecht overstijgt. Er zullen dus inderdaad nog wijzigingen zijn als we het nieuwe Strafwetboek zullen bespreken. Er werden enkel zaken gedaan specifiek voor het seksueel strafecht, geen zaken die direct ook van toepas­ sing zijn op andere hoofdstukken uit het Strafwetboek. Vb. Opgelegde behandeling kon niet worden ingevoerd in het nieuw seksueel strafrecht enkel voor seksuele delinquenten, want er is ook nood aan opgelegde be­ handeling voor bv. drugsfeiten. Deze oefening nemen we mee in de besprekingen van het nieuwe Strafwetboek. Le ministre reconnaît que le projet de texte pourrait être amélioré. Tout amendement bien étayé présenté par la majorité ou l’opposition sera le bienvenu. Le ministre répond ensuite aux différentes questions. Le ministre indique qu’il est favorable à la proposition de loi de Mme Valérie Van Peel modifiant le Code d’ins­ truction criminelle en ce qui concerne l’analyse ADN en cas de violences sexuelles. Le ministère public a for­ mulé à ce propos des objections qui feront l’objet d’un examen plus approfondi. L’objectif de la proposition de loi, qui est d’utiliser de façon cohérente l’analyse ADN dans les dossiers d’infractions sexuelles, mérite d’être entièrement soutenu. Les observations de Mme De Wit sur le calendrier du nouveau Code pénal et le “cherry picking”: Des critiques ont été exprimées concernant le risque que prendrait le gouvernement en retirant le droit pénal sexuel du nouveau Code pénal. Le ministre souligne qu’il n’y a aucun risque que le nouveau Code pénal soit reporté. Les groupes de travail intercabinets (GTI) fonctionnent à plein régime. Le livre 2 est en cours d’éla­ boration. Le gouvernement entend traiter les deux livres conjointement au Conseil des ministres. Le calendrier prévoit un dépôt au Parlement en 2022. Le débat sur le fond pourra alors y être entamé. Le taux de la peine est spécifique aux faits relevant du droit pénal sexuel et il est fixé dans le cadre du sys­ tème actuel, c’est-à-dire en conservant le système de la correctionnalisation existant. Avec le nouveau Code pénal, la correctionnalisation sera bien sûr supprimée et les peines seront adaptées en conséquence. De même que le gouvernement ne modifie pas la prescription, il ne touche pas non plus au système de la correctionnalisation, car cela va au-delà de la problé­ matique du droit pénal sexuel. Il y aura donc effectivement encore d’autres modifi­ cations lors de l’examen du nouveau Code pénal. Seuls les aspects spécifiques au droit pénal sexuel ont été traités, et non ceux qui s’appliquent également et directement à d’autres chapitres du Code pénal. Par exemple, le traitement imposé ne pouvait pas être introduit dans le nouveau droit pénal sexuel uniquement pour les délinquants sexuels, car il est également néces­ saire de prévoir un traitement imposé pour les faits liés à la drogue, par exemple. Cet exercice fera partie des discussions relatives au nouveau Code pénal. 41 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De hervorming van het seksueel strafrecht is inder­ daad de opstap naar een globale hervorming van het Strafwetboek. Er werd m.a.w. niet aan cherry picking gedaan. Het betreft weloverwogen keuzes van de experts volgens het principe dat alles wat specifiek seksueel strafrecht is nu al kan aangepakt worden, maar binnen de algemene principes van het oude strafwetboek. Er zijn bv. enkel de verzwarende factoren als nieuw element toegevoegd, omdat men dit kan beperken tot enkel het seksueel strafrecht. Het gaat dus om welbewuste keuzes die met de steun van de experts zijn gemaakt. De regering heeft gepoogd een zo helder mogelijke definitie van toestemming te geven. Uiteraard moet de rechter in elke individuele situatie oordelen of er toestem­ ming was of niet. Als er suggesties zijn om de definitie van toestemming nog te verbeteren, staat de minister hier zeker voor open. De bewijslast wordt niet omgekeerd. De rechter moet “de vrije wil” in het licht van de omstandigheden steeds beoordelen. Er wordt geen afbreuk gedaan aan het “in dubio pro reo”-principe; in geval van twijfel moet vrijspraak volgen. Dit is eigen aan het strafrecht. Men mag niet raken aan het vermoeden van onschuld. Sommigen pleiten voor een “onachtzaamheidsmis­ drijf”, of zelfs voor een omkering van de bewijslast. Dit gaat te ver, aldus de minister. Experts zijn daar heel duidelijk over. We kunnen de algemene principes ook niet wijzigen voor het seksueel strafrecht alleen. In de toestemmingspremisse, die in de definitie be­ sloten is, wordt de zorgvuldigheidsnorm impliciet reeds in acht genomen. Dit blijkt ook uit de nota van de des­ kundigen. De betrokkene hoorde in de beschreven gevallen (bewusteloosheid, dronkenschap) te weten dat het slachtoffer niet toestemde of kon toestemmen in de seksuele handeling en er komt meer verantwoordelijk­ heid te liggen bij degene die het contact is begonnen. De druk wordt verhoogd bij de verdachte. Een delicaat evenwicht is dus gevonden. De regering heeft ervoor gekozen om inzake de strafmaat een vertaalslag te maken van het huidige Strafwetboek. Vermogensdelicten mag men niet meer op een zwaar­ dere wijze kwalificeren als delicten die zich richten La réforme du droit pénal sexuel est en effet une première étape vers une réforme globale du Code pénal. En d’autres termes, il n’y a pas eu de “cherry picking”. Il s’agit de choix mûrement réfléchis par les experts, selon le principe que tout ce qui est spécifique au droit pénal sexuel peut déjà être abordé, mais dans le cadre des principes généraux de l’ancien Code pénal. Par exemple, seuls les facteurs aggravants ont été ajoutés en tant que nouvel élément, car cette matière peut se limiter au seul droit pénal sexuel. Il s’agit donc de choix délibérés qui ont été faits avec le soutien des experts. Le gouvernement a essayé de donner la définition la plus claire possible du consentement. Bien entendu, il appartient au juge de décider dans chaque situation individuelle s’il y avait consentement ou non. Si des membres ont des suggestions pour améliorer la défi­ nition du consentement, le ministre est certainement ouvert à celles-ci. La charge de la preuve n’est pas renversée. Le juge doit toujours évaluer le “libre arbitre” à la lumière des circonstances. Il n’est pas dérogé au principe “in dubio pro reo”; le doute doit entraîner l’acquittement. Cette règle est inhérente au droit pénal. La présomption d’innocence doit être préservée. D’aucuns plaident pour un “délit de négligence”, ou même pour un renversement de la charge de la preuve. Pour le ministre, cela va trop loin. Les experts sont très clairs à ce sujet. Nous ne pouvons pas non plus modifier les principes généraux pour le seul droit pénal sexuel. Le prérequis du consentement, qui est repris dans la définition, comprend déjà implicitement la norme de prudence. Cette interprétation ressort également de la note des experts. Dans les cas décrits (inconscience, ivresse), la personne concernée devait savoir que la victime ne consentait pas ou ne pouvait pas consentir à l’acte sexuel, et un plus grande responsabilité pèse sur la personne qui a initié le contact. La pression est accrue sur le suspect. Un équilibre délicat a ainsi été trouvé. En ce qui concerne le taux de la peine, le gouverne­ ment a choisi de transposer le Code pénal actuel. Les délits patrimoniaux ne peuvent plus être qualifiés de manière plus sévère comme des délits perpétrés contre 2141/006 DOC 55 42 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E tegen de persoon. Dit past niet meer in de overtuiging van deze tijd. Waar nodig werden de strafmaten wel degelijk ver­ strengd d.w.z. met telkens een trap verhoogd in ver­ gelijking met het huidige strafwetboek. De strafmaten zijn niet met 2 of meer trappen verhoogd. Dit zou im­ mers incoherentie met het huidig strafwetboek kunnen veroorzaken doordat we het nieuw seksueel strafrecht daarin integreren. Maar er is bereidheid van de minister om de straf­ maten te bekijken en het debat te voeren. Vb. bezit kinderporno in het huidige strafwetboek is max. 1 jaar naar max. 3 jaar in het nieuw seksueel strafrecht. Er is bereidheid om dit op te trekken naar 5 jaar, zodat het op gelijke hoogte komt te staan met het basismisdrijf voyeurisme, waar de basis strafmaat gelijk gebleven is. Inzake de seksuele minderjarigheid. Het voorbeeld van het contact tussen de scoutsleider en het lid van de scouts levert een interessant debat op. In het ontwerp staat momenteel dat er een gezagsrelatie moet zijn. Er is de suggestie van de experts om het woord “misbruik” i.p.v. het “gebruik” van de gezagsrelatie te hanteren om een en ander te beperken. Dit is dus nog een stap verder. Zo kan men vermijden dat iemand die een relatie heeft met een scoutsleider en zich nadien zou aansluiten bij de scoutsclub verplicht zou worden deze relatie te verbreken omdat er an sich een gezagsrelatie bestaat. De minister is bereid om de notie “misbruik” in plaats van “gebruik” te hanteren en de discussie te voeren in het Parlement. Daarnaast is er het leeftijdsverschil. De keuze van de regering voor 2 jaar leeftijdsverschil is een politieke keuze om te vermijden dat iemand van 14 – 15 jaar nooit een relatie zou hebben met een meerderjarige. Dit doet men door het te beperken tot twee jaar leeftijdsverschil. Het is een compromis dat bereikt is binnen de regering. Het is aan de partijen in dit Parlement om bij de artikels­ gewijze bespreking aan te geven wat hun marges zijn. De minister heeft in dit verband goed geluisterd naar collega Gilson. Over de opmerkingen inzake “prostitutie”. De minister vindt dat het gedoogbeleid leidt tot willekeur en van hypocrisie getuigt. Nu gedogen we, er zijn enkel lokale onderzoeken door bepaalde parketten. Er is willekeur in het vervolgbeleid. Het gedoogbeleid leidt ertoe dat in vele gevallen pooiers niet worden vervolgd. la personne. Cela ne correspond plus aux convictions de notre époque. Lorsque cela s’est avéré nécessaire, les taux de la peine ont effectivement été renforcés, c’est-à-dire aug­ mentés d’un cran à chaque fois par rapport au Code pénal actuel. Ces taux n’ont pas été augmentés de deux échelons ou plus. Cela pourrait en effet entraîner une incohérence avec le Code pénal actuel, car c’est dans celui-ci que nous intégrons le nouveau droit pénal sexuel. Le ministre est toutefois disposé à examiner les taux de la peine et à ouvrir le débat. La peine sanctionnant la possession de matériel pédopornographique, par exemple, est d’un an maximum dans le Code pénal actuel et de trois ans maximum dans le nouveau droit pénal sexuel. Le ministre consentirait à porter cette peine à cinq ans, afin qu’elle soit sur un pied d’égalité avec l’infraction de base qu’est le voyeurisme, dont le taux de la peine de base est resté inchangé. En ce qui concerne la minorité sexuelle, l’exemple du contact entre le chef scout et le scout donne lieu à un débat intéressant. Le projet prévoit actuellement qu’il doit exister une relation d’autorité. Les experts suggèrent d’utiliser le mot “abus” au lieu d’ “utilisation” de la relation d’autorité pour limiter les risques. Il s’agit donc d’une étape supplémentaire. L’on peut ainsi évi­ ter qu’une personne qui entretient une relation avec un chef scout et qui rejoindrait ensuite l’unité scoute soit obligée de rompre cette relation parce qu’il existe une relation d’autorité. Le ministre est prêt à utiliser la notion d’ “abus” au lieu d’ “utilisation” et à mener cette discussion au Parlement. Un autre élément est la différence d’âge. Le choix du gouvernement en faveur d’une différence d’âge de deux ans est un choix politique pour éviter qu’une personne de 14-15 ans n’ait jamais de relation avec un majeur. C’est dans cette optique que la différence d’âge est limitée à deux ans. Il s’agit d’un compromis atteint au sein du gouvernement. Il appartient aux partis de ce Parlement de faire part de leurs marges au cours de la discussion des articles. À cet égard, le ministre a écouté attentivement Mme Gilson. Concernant les observations relatives à la “prostitution”, le ministre estime que la politique de tolérance conduit à l’arbitraire et témoigne d’une certaine hypocrisie. Pour l’heure, nous tolérons, et seuls certains parquets mènent des enquêtes locales. La politique des poursuites revêt un caractère arbitraire. La politique de tolérance est telle que, dans de nombreux cas, les proxénètes ne sont pas poursuivis. 43 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De regering heeft een keuze gemaakt voor duidelijk­ heid. Het goede wordt van het kwade onderscheiden. Wat we willen doen, is wat we aanvaardbaar vinden (vrijwillig sekswerk) decriminaliseren en wat we niet aanvaardbaar vinden (misbruik en mensenhandel) gaan we wel vervolgen. Utsopi, de vereniging van de sekswerkers, heeft zeer uitdrukkelijk de regering gefeliciteerd met deze aanpak. De sekswerkers hebben tijdens de coronacrisis geen statuut kunnen inroepen bij gebrek aan een deftig statuut. Er zijn andere verenigingen die twijfels hebben over de aanpak en een meer abolutionistisch beleid voorstaan, zoals in Zweden. Anderen hebben hun twijfels geuit omdat ze denken dat de mensenhandel hierdoor minder zou kunnen worden vervolgd. Op de keuze van de decriminalisering van het vrijwillig sekswerk wordt niet meer teruggekomen. De regering zal deze keuze bestendigen. Door deze maatregel zal de regering een strenger beleid voorstaan dan onder de huidige situatie. De tekst voegt een nieuw hoofdstuk “misbruik van prostitutie” in. Hierbij kan verwezen worden naar arti­ kel 433quater/1 pooierschap. Het gedoogbeleid dat nu bestaat, zal in de toekomst moeten worden vervolgd. Het is dan aan het parket om dit te doen. Een sekswerker, die niet langer de job vrijwillig kan uitoefenen en misbruikt wordt, kan hiervan in de toekomst in alle vertrouwen aan­ gifte doen bij de politie. Vandaag is de situatie zo dat een sekswerker in geval van aangifte bij de politie het risico loopt om te worden vervolgd. Daardoor werden er quasi geen aangiftes gedaan. Onder de nieuwe regeling zal de aangifte kunnen doorgaan. We gaan net makkelijker aan bewijsgaring kunnen doen want het slachtoffer zal zich vlotter durven kenbaar maken als slachtoffer omdat hij/zij zich nu geen zorgen meer moet maken dat hij/zij een illegaal beroep aan het uitoefenen was. Het strafrecht heeft zich niet te moeien met morele overwegingen. Het is niet aan de wetgever om inzake het strafrecht te oordelen of iets al dan niet moreel ver­ werpelijk is. De wetgever moet oordelen of het schadelijk is of niet. Daarom moeten we volop de kaart trekken van de decriminalisering. Naast de decriminalisering moeten er ook nog an­ dere keuzes worden gemaakt. Er is verwezen naar het initiatief van minister Dermagne om de nietigheid op te heffen van arbeidsovereenkomsten. Daarnaast voert de regering besprekingen over het uitwerken van een sociaalrechtelijk statuut, en dit in overleg met Utsopi, de vereniging van sekswerkers. Hierbij wordt gekeken of er Le gouvernement a fait le choix de la clarté. Le bon est distingué du mauvais. Ce que nous voulons faire, c’est décriminaliser ce que nous trouvons acceptable (le travail du sexe volontaire) et, en revanche, poursuivre ce que nous ne trouvons pas acceptable (les abus et la traite d’êtres humains). L’association des travailleurs du sexe Utsopi a félicité très explicitement le gouvernement pour cette solution. Faute de statut convenable, les travailleurs du sexe n’ont pas pu faire valoir leur statut au cours de la crise du coronavirus. D’autres associations ont des doutes au sujet de cette solution et prônent une politique plus “abolitionniste” comme en Suède. D’autres encore ont exprimé leurs doutes, estimant que la traite des êtres humains pourrait dès lors être moins poursuivie. Le choix de la décriminalisation du travail du sexe volontaire n’a plus été remis en question. Le gouver­ nement maintiendra ce choix. En prenant cette mesure, le gouvernement préconisera une politique plus stricte que dans la situation actuelle. Le texte ajoute un nouveau chapitre intitulé “De l’abus de la prostitution”. Il peut être renvoyé à cet égard à l’article 433quater/1 intitulé “Le proxénétisme”. La poli­ tique de tolérance actuellement en vigueur devra être poursuivie à l’avenir. Il appartiendra au parquet de le faire. Tout travailleur du sexe qui ne pourra plus exercer son métier sur une base volontaire et qui sera victime d’abus pourra dénoncer cette situation en toute confiance à la police à l’avenir. Actuellement, un travailleur du sexe qui fait une dénonciation à la police court le risque d’être poursuivi, si bien que pratiquement aucun fait n’est dénoncé. La nouvelle réglementation permettra de procéder à la dénonciation. Les preuves pourront justement être collectées plus facilement car la victime osera se manifester plus rapidement en tant que telle car elle ne devra plus s’inquiéter du fait qu’elle exerce une profession illégale. Le droit pénal ne doit pas s’encombrer de considéra­ tions morales. Il n’appartient pas au législateur de dire en droit pénal si un acte est moralement condamnable ou pas. Le législateur doit déterminer s’il est nuisible ou pas. Il faut dès lors pleinement jouer la carte de la décriminalisation. Outre la décriminalisation, d’autres choix doivent être opérés. Il est renvoyé à l’initiative du ministre Dermagne de lever la nullité des contrats de travail. Qui plus est, le gouvernement mène des discussions au sujet de l’éla­ boration d’un statut en droit social, et ce en concertation avec l’association des travailleurs du sexe Utsopi. Il est examiné à cet égard si un statut distinct en droit social 2141/006 DOC 55 44 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wel nood is aan een apart sociaalrechtelijk statuut. Het opstellen van een statuut zal inderdaad niet alle misbruik wegnemen, maar is wel belangrijk voor die sekswerkers die zich vrijwillig prostitueren. De regering zal de slachtoffers van mensenhandel beter opvangen want de scope van de centra voor mensenhandel wordt uitgebreid naar de opvang van slachtoffers van misbruik van prostitutie. Ook zij zul­ len dus in de toekomst begeleiding kunnen krijgen van deze drie centra waardoor we mensen die uit de prostitutie willen stappen of die misbruikt worden beter zullen kunnen opvangen en bijstaan. De middelen van de centra worden verhoogd. Men gaat er dus op alle vlakken op vooruit! Het College van procureurs-Generaal heeft gepleit voor het opnieuw invoeren van artikel 380 van het Strafwetboek en niet voor het schrappen ervan. De minister is van mening dat er net voor een verbete­ ring wordt gezorgd door artikel 380 van het Strafwetboek te schrappen, zodat sekswerk gedecriminaliseerd wordt en er rechten kunnen worden opgebouwd voor sekswer­ kers. Het bestaand artikel 380 van het Strafwetboek wordt vandaag bovendien ofwel niet, ofwel gefragmenteerd toegepast. De regering zegt “stop tegen het gedoog­ beleid” en schrapt het artikel. De regering is bereid om het artikel 433quater/1 van het Strafwetboek nog te verbeteren, zodat er geen overlap met mensenhandel mogelijk is. Alles wat “dwang” en “controle” betreft, moet vallen onder de bepalingen van “mensenhandel”. Er ligt een amendement klaar om het artikel misbruik van prostitutie sterk in te korten zodat alles wat “dwang” en “controle” is, onder de bepalingen van mensenhandel kan vallen. De keuze die worden gemaakt zullen zowel de slacht­ offers van mensenhandel, als de slachtoffers beter beschermen. Wat de opmerkingen inzake de memorie van toelich­ ting betreft, merkt de minister op dat de besprekingen in de commissie integraal deel uitmaken van de parle­ mentaire documenten. Zij vullen het initieel ingediende wetsontwerp met memorie van toelichting daardoor aan. Er zal voor de punten, aangestipt door mevrouw De Wit, worden gezorgd voor een helder verslag dat de memorie van toelichting nog verbetert. Dat zal gebeuren bij de artikelsgewijze bespreking. est bien nécessaire. L’élaboration d’un statut n’éliminera en effet pas tous les abus, mais il importe en revanche pour les travailleurs du sexe qui se prostituent sur une base volontaire. Le gouvernement améliorera la prise en charge des victimes de la traite des êtres humains. En effet, l’action des centres pour les victimes de la traite des êtres humains est étendue à la prise en charge des victimes de l’abus de prostitution. Ces victimes pourront ainsi également bénéficier à l’avenir d’un accompagnement dans ces trois centres, ce qui permettra d’améliorer la prise en charge et l’assistance des personnes qui souhaitent quitter la prostitution ou qui sont victimes d’abus. Les moyens des centres seront augmentés. Des avancées seront ainsi réalisées dans tous les domaines! Le Collège des procureurs généraux a demandé que l’article 380 du Code pénal soit rétabli et non supprimé. Le ministre estime quant à lui qu’une amélioration est apportée en supprimant l’article 380 du Code pénal afin que le travail du sexe soit décriminalisé et que des droits puissent être constitués par les travailleurs du sexe. De plus, l’article 380 du Code pénal est actuellement soit non appliqué, soit appliqué de façon fragmentaire. Le gouvernement dit “stop à la politique de tolérance” et abroge cet article. Le gouvernement est disposé à encore améliorer l’article 433quater/1 du Code pénal afin qu’aucun chevau­ chement ne soit possible avec la traite des êtres humains. Tout ce qui concerne la “contrainte” et le “contrôle” doit relever des dispositions relatives à la “traite des êtres humains”. Un amendement tendant à abréger considé­ rablement l’article relatif à l’abus de prostitution est prêt. Il permettra que tout ce qui concerne la “contrainte” et le “contrôle” puisse relever des dispositions relatives à la traite des êtres humains. Les choix opérés permettront de mieux protéger tant les victimes de la traite des êtres humains que les autres victimes. En ce qui concerne les observations relatives à l’exposé des motifs, le ministre fait observer que les discussions menées en commission font intégralement partie des documents parlementaires. Elles complètent dès lors le projet de loi initialement déposé avec l’exposé des motifs. S’agissant des points évoqués par Mme De Wit, un rapport clair permettra d’améliorer l’exposé des motifs. Ces clarifications pourront être apportées lors de la discussion des articles. 45 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister verwijst voorts ook naar het laatste woord van de experts waar zij heel duidelijk hebben vermeld waarom er geen afzonderlijke strafbaarstellingen no­ dig zijn voor bv. “dickpicks”, “sextortion”, het bezit van intieme beelden…De minister sluit zich bij deze goed onderbouwde argumentatie van de experts aan. De aanpassing van de wetgeving rond het seksueel strafrecht is één zaak en de vervolging van seksuele misdrijven in de praktijk is een andere zaak. De rege­ ring voert deze strijd op verschillende andere fronten. De zorgcentra bewijzen dat men de aangiftes omhoog kan krijgen (aanpak “dark number”). Er is een betere opvang van de slachtoffers. De verhoging van het aantal zedenzaken heeft te maken met een hogere aangiftebe­ reidheid door de oprichting van de zorgcentra. Dit toont aan dat het beleid zijn resultaten oplevert. De regering werkt ook aan daderprofilering door middel van de ontwikkeling van de VICLAS-databank, een actualisering van de samenwerkingsakkoorden inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik. Er wordt voorzien in de mogelijkheid tot het verkrijgen van een gemotiveerd advies van de diensten gespecialiseerd in de behandeling van daders van seksueel misbruik. Inzake de uitwisseling van seksuele beelden. Het klopt dat er een rechtvaardigingsgrond is ingevoerd voor minderjarigen boven de 16 jaar (maar jonger dan 18 jaar/ minderjarig) met andere woorden “sexting” is toegelaten boven de leeftijd van 16 jaar. Zij kunnen onderling met toestemming beelden uitwisselen. Ook hier is er een eventueel amendement (voorlopig nr. 11) klaar om in te gaan op de vraag van Child focus om ervoor te zorgen dat er geen misdrijf boven de leeftijd van 14 jaar is, indien het leeftijdsverschil maximum 2 jaar is. Zo kunnen peers tussen de leeftijd van 14 jaar en 16 jaar ook seksuele beelden met elkaar uitwisselen zolang dit past binnen hun seksuele ontwikkeling. Ze mogen immers ook seks hebben met elkaar. De terbeschikkingstelling blijft inderdaad bestaan, aangezien dit ruimer wordt toegepast dan enkel voor het seksueel strafrecht. De algemene discussie rond de terbeschikkingstelling zal gevoerd worden in het kader van het nieuwe Strafwetboek. Dit zal eventueel vervangen worden door “de verlengde opvolging”. De minister heeft geluisterd naar de opmerking van het OVB en is bereid om het nieuw woord “perfide” te vervangen naar het bestaand begrip “kwaadwillig opzet of uit winstbejag”. Le ministre renvoie en outre aux derniers propos des experts, qui ont très clairement indiqué pourquoi aucune incrimination distincte n’était nécessaire, par exemple, pour les “dickpicks”, la “sextortion” et la détention d’images intimes… Le ministre se rallie à cette argumentation bien étayée des experts. La modification de la législation relative au droit pénal sexuel est une chose distincte des poursuites des infrac­ tions sexuelles en pratique. Le gouvernement mène ce combat sur plusieurs autres fronts. Les centres de soins prouvent qu’il est possible d’accroître le nombre de signalements (réduction du nombre de cas non connus). La prise en charge des victimes est améliorée. L’augmentation du nombre d’affaires de mœurs est liée à une propension accrue à les dénoncer grâce à la mise en place de centres de soins, ce qui démontre que la politique produit ses effets. Le gouvernement œuvre également au profilage des auteurs en développant la banque de données VICLAS, grâce à une actualisation des accords de coopération en matière de guidance et de traitement des auteurs d’infractions à caractère sexuel. La possibilité est prévue d’obtenir un avis motivé des services spécialisés dans le traitement des auteurs d’infractions à caractère sexuel. S’agissant de l’échange d’images à caractère sexuel, il est exact qu’une cause de justification légale est introduite pour les mineurs de plus de 16 ans (mais de moins de 18 ans), c’est-à-dire que le “sexting” sera autorisé au- delà de l’âge de 16 ans. Ces jeunes pourront échanger entre eux des images de manière consensuelle. Un amendement éventuel (portant provisoirement le n° 11) est également prêt à cet effet afin de donner suite à la demande de Child focus de veiller à ce qu’il n’y ait pas d’infraction au-delà de 14 ans, si la différence d’âge est de deux ans au maximum. Les jeunes de 14 à 16 ans pourront ainsi également échanger des images à carac­ tère sexuel pour autant que cette pratique s’inscrive dans leur développement sexuel. Ils peuvent en effet également avoir des relations sexuelles. La mise à disposition reste en effet maintenue dès lors que celle-ci est appliquée plus largement que dans le seul cadre du droit pénal sexuel. La discussion géné­ rale relative à la mise à disposition sera menée dans le cadre du nouveau Code pénal. Elle sera éventuellement remplacée par le “suivi prolongé”. Le ministre a écouté l’observation de l’OVB et il est disposé à remplacer le nouveau mot “perfidie” par la notion existante de “l’intention méchante ou du but lucratif”. 2141/006 DOC 55 46 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De experts hebben reeds aangeduid dat de lezing van de nieuwe bepalingen in alle redelijkheid moet ge­ beuren. Een selfie bij de kapper/ontbloten hoofddoek zal niet onder de definitie ontbloot persoon bij het misdrijf voyeurisme moeten worden begrepen. In verband met de opmerkingen van de heer Boukili wijst de minister op het grondige werk van de deskun­ digen en op de talrijke adviezen die men ter zake heeft ontvangen. Bovendien werden sinds het begin van de parlementaire voorbereiding van de tekst meer dan dertig organisaties en instellingen gehoord. De minister geeft aan open te staan voor debat en voor amendementen, of die nu door de meerderheid of de oppositie worden ingediend. De minister is niettemin van oordeel dat de tijd is gekomen om voortgang te maken en knopen door te hakken. Wat de formulering van de strafbaarstellingen betreft, wordt naar genderneutraliteit gestreefd. Het nieuwe seksueel strafrecht beoogt de gelijkheid tussen man­ nen en vrouwen. De minister is van oordeel dat het Strafwetboek neutraal moet zijn. Om dat aspect van het vraagstuk echter nader te onderzoeken, is de minister van plan in het raam van de alomvattende hervorming van het Strafwetboek het advies van de deskundigen van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen in te winnen. Als antwoord op de vragen over het recht op een advocaat vanaf het eerste verhoor benadrukt de minister dat dit aspect niet onder het materieel strafrecht valt. Procedureaspecten mogen niet worden behandeld in een wetsontwerp inzake materieel seksueel strafrecht. De minister is van oordeel dat uit de huidige formu­ lering van het wetsontwerp hoe dan ook al blijkt dat de toestemming uitdrukkelijk moet zijn. Het wetsontwerp strekt er immers toe te bepalen dat de “toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gegeven”; het begrip “uitdrukkelijke toestemming” zit daarin vervat. Tevens met betrekking tot de toestemming brengt de minister vervolgens de opmerking van de heer Aouasti ter sprake, waarbij hij aangeeft die opmerking volledig te begrijpen. De seksuele betrekkingen tussen minder­ jarigen in de leeftijdsgroep van veertien tot zestien jaar vormen een delicaat vraagstuk. Aangezien het om een strafrechtelijke kwestie gaat, moet een evenwichtige oplossing worden uitgewerkt. Wat prostitutie betreft, is de minister bereid te spreken over een herformulering van het ontworpen artikel 433quater/1. Les experts ont déjà indiqué que les nouvelles dispo­ sitions devront être lues raisonnablement. Faire un selfie chez le coiffeur/ôter le voile de la tête ne devra pas être inclus dans la définition de la personne dénudée dans le cadre de l’infraction de voyeurisme. En ce qui concerne les remarques de M. Boukili, le ministre rappelle le travail approfondi effectué par les experts, ainsi que les nombreux avis reçus sur le texte. Plus de 30 organisations et institutions ont en outre été auditionnées depuis le début du travail parlementaire. Le ministre se dit ouvert à la discussion ainsi qu’à des amendements, qu’ils soient déposés par la majorité, ou par l’opposition. Le ministre estime cependant qu’il est maintenant temps d’avancer et de trancher. Quant à la formulation des incriminations, l’on vise en effet la neutralité de genre. Le nouveau droit pénal sexuel vise l’égalité entre les hommes et les femmes. Pour le ministre le code pénal se doit d’être neutre. Le ministre prévoit cependant de consulter des experts de l’Institut pour l’Egalité des Femmes et des Hommes dans le cadre de la réforme globale du code pénal, afin de creuser cet aspect de la question. Répondant aux questions sur le droit à un avocat dès la première audition, le ministre souligne que ce point ne relève pas du droit pénal matériel. Les questions relatives aux procédures ne peuvent être traitées dans un projet de loi de droit pénal sexuel matériel. Pour le ministre, il ressort déjà du texte tel qu’actuel­ lement formulé que le consentement doit être explicite. Le texte stipule en effet que “le consentement suppose que celui-ci a été donné librement.”, ce qui comprend la notion de consentement explicite. Toujours concernant le consentement, le ministre aborde ensuite la remarque de M. Aouasti, qu’il af­ firme comprendre totalement. La question des relations sexuelles entre mineurs dans la tranche d’âge 14-16 ans est délicate. Il convient de trouver une solution équilibrée car il s’agit de droit pénal. Sur la prostitution, le ministre se dit prêt à débattre d’une reformulation de l’article 433quater/1, en projet. 47 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Met betrekking tot de vragen van mevrouw Hugon, die de terminologische problemen onder de aandacht heeft gebracht, antwoordt de minister dat alles zal worden gecontroleerd door de deskundigen die eventueel de subtiliteiten in de vertaling onder de loep zullen nemen. Zo is er de vaststelling dat in het Verdrag van Istanbul de term “niet-toegestemd” wordt gebruikt in plaats van “niet-consensueel”, zoals in het wetsontwerp. Samen met de deskundigen zal worden onderzocht waarom de terminologie van het wetsontwerp niet is afgestemd op die van het Verdrag. De minister antwoordt vervolgens op de opmerkin­ gen over de conformiteit van het wetsontwerp met het internationaal recht. België heeft op 22 juni 1965 het Verdrag van New York geratificeerd. Het betreft een oud Verdrag, uit 1950. Tijdens de voorbereiding van het wetsontwerp werd het Verdrag van New York onderzocht, met name de artikelen 1, 2 en 6 ervan. Het wetsontwerp is niet strijdig met artikel 1, voor zover het wetsontwerp niet beoogt pooierschap te legaliseren. Overeenkomstig het nieuwe artikel 433quater/1 blijft pooierschap te allen tijde strafbaar. Pooierschap kan ook worden beschouwd als een vorm van uitbuiting en kan als dusdanig worden bestraft onder de delictsom­ schrijving “mensenhandel”. Artikel 2 van het Verdrag betreft het verbod op het houden van een huis van ontucht. Dat artikel moet worden gelezen in samenhang met de onderliggende doelstelling van het Verdrag, die duidelijk tot uiting komt in de oorspronkelijke titel: Verdrag ter bestrijding van de handel in personen en van de exploitatie van de pros­ titutie van anderen. Het Verdrag beoogt de prostitutie van anderen tegen te gaan en, derhalve, de uitbuiting en het misbruik te bestrijden. Artikel 6 betreft het verbod op regelingen die bepa­ len dat wie zich prostitueert zich moet inschrijven in daartoe bestemde registers of in het bezit moet zijn van bijzondere documenten. Zulks maakt geen deel uit van het wetsontwerp. Dat strekt er niet toe prostitutie onderhevig te maken aan strikte voorwaarden, zoals registers of bijzondere papieren. Een sekswerker moet worden beschouwd als een gewone werknemer. Dit wetsontwerp is niet strijdig met artikel 6. De minister acht het wetsontwerp dus in overeenstem­ ming met de geest van het Verdrag. De strijd tegen alle vormen van uitbuiting en van misbruik wordt voortgezet. Vervolgens gaat de minister in op de vragen van mevrouw Rohonyi betreffende de algemene hervorming Revenant sur les questions de Mme Hugon, qui met­ tait en avant des problèmes de terminologie, le ministre répond qu’une vérification sera effectuée avec les experts pour éventuellement examiner des subtilités de traduc­ tion. L’on note par exemple que la Convention d’Istanbul utilise les termes “non consenti” et pas “non consensuel”, comme le projet de loi. Les raisons pour lesquelles les termes du projet et ceux de la Convention ne sont pas alignés seront examinées avec les experts. Le ministre répond ensuite aux remarques sur la conformité du texte au droit international. La Belgique a ratifié le 22 juin 1965 la Convention de New York. Il s’agit d’une vieille convention datant 1950. Pendant le travail sur le projet de loi, la Convention de New York a été analysée, et plus spécifiquement ses articles 1er , 2 et 6. Le projet de loi n’est pas contraire à l’article 1er dans la mesure où le projet ne légalise pas le proxénétisme. Le proxénétisme reste en tout temps punissable confor­ mément au nouvel article 433quater/1. Le proxéné­ tisme peut également être considéré comme une forme d’exploitation et donc être puni sous la qualification de traite des êtres humains. L’article 2 de la Convention traite de l’interdiction de tenir une maison de débauche. L’article doit être lu en fonction de l’objectif sous-jacent de la Convention, qui ressort clairement du titre original: Convention pour la répression de la traite des êtres humains et de l’exploi­ tation de la prostitution d’autrui. La convention vise à lutter contre la prostitution d’autrui et donc à combattre l’exploitation et les abus. L’article 6 concerne l’interdiction des dispositions qui prévoient que les personnes se livrant à la prostitution sont tenues de s’inscrire dans des registres spéciaux ou d’être en possession de documents spéciaux. Cela ne fait pas partie du projet de loi. Il ne s’agit pas de sou­ mettre la prostitution à des conditions strictes telles que des registres ou des papiers spéciaux. Un travailleur du sexe doit être considéré comme un travailleur normal. Le présent projet de loi n’est pas contraire à l’article 6. Pour le ministre, le projet de loi est donc conforme à la philosophie de la Convention. L’on continue à lutter contre toutes les formes d’exploitation et d’abus. Le ministre revient ensuite sur les questions de Mme Rohonyi, relatives à la réforme générale du code 2141/006 DOC 55 48 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van het Strafwetboek. Hij verduidelijkt dat helemaal niet wordt beoogd de categorie “misdaad” te schrappen, maar dat voortaan zal worden gesproken van misdrijven van niveau 7 en van niveau 8. De minister vindt niet dat de verenigingen te weinig werden geraadpleegd en wijst erop dat tijdens de hoor­ zittingen tal van gastsprekers werden gehoord. Inzake de seksuele assistentie bij personen met een handicap verduidelijkt de minister dat de strafbaarstel­ ling van die activiteit het voornaamste probleem is dat tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Dit wetsontwerp beoogt dat probleem weg te werken, hetgeen al een grote stap vooruit is. Het is thans aan de gemeenschappen om ook binnen hun bevoegdheden de nodige maatregelen te treffen. Betreffende het alcoholgehalte in het bloed waarboven van toestemming geen sprake wordt geacht te zijn, verwijst de minister naar de memorie van toelichting, die duidelijk is. Het zal erop aankomen de feiten te beoordelen. De vrije wil van het slachtoffer moet zijn aangetast. Het louter onder invloed zijn van een bepaalde substantie volstaat niet om van een niet-consensuele handeling te kunnen spreken. Voorts klopt het dat de lijst van de omstandigheden waarin geen sprake van toestemming wordt geacht te zijn, thans uitputtend is. Dat probleem zou kunnen worden weggewerkt door bij amendement de woorden “met name” toe te voegen. De minister acht het verschil tussen incest en niet- consensuele intrafamiliale seksuele handelingen duidelijk. Incest betreft alleen de minderjarigen. Als er minderjari­ gen in het spel zijn, is de handeling dus altijd strafbaar, met of zonder de “toestemming” van het slachtoffer. Bij meerderjarigen betreft het niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen. Dergelijke feiten zijn dan alleen strafbaar indien er geen toestemming is. De minister is van oordeel dat eenieder een mening mag hebben over de wenselijkheid of de zedelijkheid van dergelijke handelingen, maar seksuele handelingen tussen meer­ derjarigen strafbaar stellen zou geen goed idee zijn. Hij benadrukt echter dat indien die seksuele handelingen begonnen toen het slachtoffer nog minderjarig was en na de meerderjarigheid werden voortgezet, er inderdaad sprake is van incest en van sowieso strafbare feiten. De minister wijst erop dat mevrouw Rohonyi Nederland als voorbeeld geeft, waar 60 % van de prostituees in werkelijkheid het slachtoffer van mensenhandel zou zijn. De minister vraagt waar die cijfers vandaan komen. pénal. Il précise qu’il n’est pas question de supprimer la catégorie “crime” mais que l’on parlera désormais d’infraction de niveau 7 et de niveau 8. En ce qui concerne le manque de consultation des associations, le ministre ne partage pas cette vision et rappelle que de nombreux intervenants ont été entendus lors des auditions. Répondant aux questions relatives aux assistants sexuels pour les personnes handicapés, le ministre précise que le principal problème relevant des compé­ tences de l’autorité fédérale est l’incrimination de cette activité. Ce problème est résolu ave le présent texte, ce qui constitue déjà un grand pas en avant. Il appartient maintenant aux Communautés d’intervenir dans leur sphère de compétence. Concernant le seuil d’alcoolémie à partir duquel l’absence de consentement est présumée, le ministre renvoie à l’exposé des motifs, qui est clair. C’est une question d’appréciation des faits. Il doit être question d’une atteinte à la libre volonté de la victime. Le simple fait d’être sous l’influence d’une substance ne suffit pas pour pouvoir parler d’un acte non consenti. Il est par ailleurs exact que la liste des circonstances dans lesquelles l’absence de consentement est pré­ sumée est à l’heure actuelle limitative. Ce problème pourrait être résolu en ajoutant les mots “notamment” par amendement. Quant à la différence entre l’inceste et les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels, elle est claire pour le ministre. L’inceste concerne uniquement les mineurs. En ce qui concerne, les mineurs l’inceste est toujours punissable, qu’il ait été commis avec ou sans le “consentement” de la victime. Dans le cas de personnes majeures, l’on parlera de relations intrafa­ miliales non consensuelles. Les faits ne sont dans ce cas-là punissables qu’en l’absence de consentement. Pour le ministre, si chacun peut avoir sa propre opinion sur l’opportunité ou le caractère moral de telles relations, criminaliser des actes sexuels entre majeurs ne serait pas une bonne idée. Il souligne toutefois que si ces relations ont commencé au moment où la victime était encore mineure et continuent après sa majorité, l’on est bien en présence de faits d’inceste, punissables. Le ministre note que Mme Rohonyi avance l’exemple des Pays-Bas, où 60 % des femmes prostituées seraient en réalité victimes de la traite des êtres humains. Le ministre s’interroge sur l’origine de ces chiffres. 49 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister licht toe dat de legalisatie in Nederland heeft geleid tot een te streng juridisch kader, waarop de sekswerkers niet konden inspelen. Dientengevolge vervallen ze opnieuw in de illegaliteit, met een groter risico om het slachtoffer te worden van mensenhandel of van uitbuiting. De minister vindt de opbouw van een vertrouwensrelatie met de sekswerkers een goede manier om mensenhandel op te sporen. De strafbaarstelling van de hele sector zal niet tot resultaten leiden. Met dit wetsontwerp wordt niet beoogd te criminaliseren of te legaliseren, maar wel uit de strafrechtelijke sfeer te halen. Zodoende wordt de sector toegankelijker voor de welzijnswerkers. Een legaal werkende sekswerker zal bij misbruik of uitbuiting minder bang zijn om naar de politie te stappen. Die activiteiten uit de strafrechtelijke sfeer halen zorgt voor een duidelijk juridisch kader met minimale voorwaarden waarop kan worden toegezien. Misbruik zal sneller aan het licht komen; hetzelfde geldt voor de gevallen van uitbuiting en van mensenhandel. De minister verduidelijkt dat dit het Nieuw-Zeelandse model is en dat daar inderdaad een goede verstandhouding en samenwerking tussen de politie en de sekswerkers tot stand werd gebracht. In antwoord op de opmerkingen van mevrouw Gilson benadrukt de minister dat het wetsontwerp pooier­ schap absoluut niet uit de strafrechtelijke sfeer beoogt te halen. Beoogd wordt inderdaad artikel 380 van het Strafwetboek af te schaffen, maar pooierschap blijft strafbaar op grond van het nieuwe artikel 433quater/1. Voor de gevallen van misbruik van prostitutie wordt voorzien in nieuwe sancties. De bewering dat elke arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer-sekswerker per definitie pooierschap is, klopt niet. Indien een sekswerker in de toekomst een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst sluit, zonder dat er sprake is van misbruik of van uitbuiting, en alles volgens de regels van het arbeidsrecht verloopt, zullen die feiten niet als pooierschap kunnen worden aangemerkt: het betreft de vrije keuze van de sekswerker om seksuele diensten aan te bieden. Wat dan wel onder pooierschap valt, wordt duidelijk omschreven in het nieuwe hoofdstuk over het misbruik van prostitutie. In wezen gaat het erom dat misbruik wordt gemaakt van de sekswerkers; zij moeten een groot deel van hun inkomen afgeven of hun werk leidt tot abnormale voordelen voor een ander. Daar is bijvoorbeeld sprake van als zij zelf voor grote kosten moeten opdraaien, met name voor het beddengoed. De minister is bereid het artikel nog duidelijker op te stellen en een duidelijk onderscheid te maken met de bepalingen inzake de mensenhandel. Hij staat volledig open voor de sug­ gesties van de leden. Le ministre explique qu’aux Pays-Bas, la légalisation a entraîné la mise en place d’un cadre juridique trop strict, cadre auquel les travailleurs du sexe n’étaient pas en mesure de répondre. De ce fait, ceux-ci se retrouvent à nouveau dans l’illégalité et sont plus susceptibles d’être victimes de la traite des êtres humains, ou d’exploitation. Pour le ministre, un bon moyen de détecter la traite des êtres humains consiste à établir une relation de confiance avec les travailleurs du sexe. Ce n’est pas en criminalisant le secteur que l’on y parviendra. Le présent projet ne va ni criminaliser ni légaliser mais dépénaliser. En dépénalisant, le secteur sera plus accessible aux travailleurs sociaux. Un travailleur du sexe qui travaille légalement aura moins peur de se rendre à la police en cas d’abus ou d’exploitation. La dépénalisation assure un cadre juridique clair avec des conditions minimales qui pourront être contrôlées. Les abus seront détectés plus rapidement, de même que les cas d’exploitation et de traite des êtres humains. Le ministre précise que tel est le modèle mis en place en Nouvelle Zélande et que l’on constate effectivement une bonne relation et collaboration entre la police et les travailleurs du sexe. Répondant aux remarques de Mme Gilson, le ministre insiste sur le fait que le projet ne dépénalise absolument pas le proxénétisme. Si l’article 380 du code pénal est aboli, le proxénétisme reste punissable sur la base du nouvel article 433quater/1. De nouvelles sanctions sont prévues pour les cas d’abus de prostitution. Il est inexact d’affirmer que tout contrat conclu entre un employeur et un employé-travailleur du sexe constitue par définition du proxénétisme. A l’avenir, si un travailleur du sexe conclut un contrat de travail juridiquement valable, sans qu’il soit question d’abus ni d’exploitation, et que tout se déroule selon les règles du droit du travail, ces faits ne pourront être qualifiés de proxénétisme: il s’agit là du libre choix du travailleur du sexe de proposer des services sexuels. Le proxénétisme est quant à lui clairement défini dans le nouveau chapitre relatif à l’abus de la prostitution. En substance, il s’agit de profiter des travailleurs du sexe en percevant une partie substantielle de leurs revenus ou en obtenant des avantages anormaux grâce à leur travail. Par exemple faire payer des frais importants, notamment pour la literie. Le ministre se dit prêt à défi­ nir cet article encore plus clairement et à y insérer une distinction claire par rapport aux dispositions relatives à la traite des êtres humains. Il dit être pleinement ouvert aux suggestions des membres à cet égard. 2141/006 DOC 55 50 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat het betoog van de heer Geens betreft, merkt de minister op dat de bedoeling van de herziening van de strafmaten tweeledig is: Men wenst de straffen in lijn te brengen met de rest van het Strafwetboek, maar dan aangepast aan het belang dat we eraan hechten. Zo kan het voor niemand dat diefstal van een gsm zwaarder kan bestraft worden dan seksuele delicten. Maar omdat we ook vinden dat zware straffen niet de ultieme doelstelling mogen zijn, maar dat we de rechter breed mogelijkheden moeten geven om te oordelen op maat van het dossier dat voorligt, voorzien we ook ex­ pliciet in alternatieve maatregelen bij seksuele delicten. Op die manier komen we tot een combinatie van beide doelstellingen zijnde, een duidelijk signaal geven dat we als maatschappij seksuele misdrijven verschrikkelijk vinden en één van de zware misdrijven vinden waar dus ook strenge straffen tegenover staan en onze overtuiging dat strenge straffen niet zaligmakend zijn en we moeten toelaten dat de rechter straffen op maat kan uitspreken. Beide elementen zitten erin vervat. Strafrecht is recht dat op maat moet worden toegepast. De rechter moet de mogelijkheid worden gegeven om het brede pakket aan maatregelen te kunnen nemen. C. Réplieken Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst naar de ver­ klaring van de minister aangaande de opmerkingen rond prostitutie waarbij Utsopi hem gefeliciteerd heeft. Niettemin is er kritiek van Utsopi geweest. Luidens hun een verklaring stellen zij: “De hamvraag is of deze hervorming voldoende verandering zal brengen; de eerste versie was beter waarbij geen uitsluiting was van reclame (…). De voorliggende tekst creëert verwarring (…)”. Utsopi geeft dus ook kritiek. Het verschil werd in vorige tekst duidelijker afgelijnd. Het artikel over “pooier­ schap” is voor Utsopi problematisch (verwarring tussen misbruik en mensenhandel). De vraag stel zich of men in dat geval nog kan spreken van decriminalisering. Dit is kritiek waarbij men tijdens deze bespreking aan de slag kan gaan. Mevrouw De Wit verheugt er zich over dat de minister het voorstel van mevrouw Van Peel verder wenst te be­ kijken. Het is ook belangrijk dat er, naast wetgeving, ook ruimte is voor een aanpak van een aantal andere zaken. En ce qui concerne l’intervention de M. Geens, le ministre souligne que l’objectif de la révision des taux des peines est double. Le premier objectif est d’aligner les peines sur le reste des peines du Code pénal, mais en les adaptant à l’importance que nous leur accordons. Par exemple, personne n’accepterait que le vol d’un GSM puisse être puni plus sévèrement qu’une infraction sexuelle. Toutefois, dès lors que nous estimons aussi que des peines sévères ne doivent pas être une fin en soi mais que nous devons offrir au juge une grande latitude pour se prononcer au cas par cas, nous prévoyons aussi explicitement des mesures alternatives pour les auteurs d’infractions sexuelles. De cette manière, nous parviendrons à concilier les deux objectifs: envoyer un signal clair montrant que notre société juge les infractions sexuelles épouvantables et les considère comme l’une des infractions graves qui doivent donc être punies sévèrement, et souligner notre conviction que les peines sévères ne sont pas la panacée et que nous devons permettre au juge de prononcer des peines au cas par cas. Ces deux éléments figurent dans le projet de loi à l’examen. Le droit pénal est un droit qui doit être appli­ qué au cas par cas. Le juge doit avoir la possibilité de prendre un large éventail de mesures. C. Répliques Mme Sophie De Wit (N-VA) renvoie aux déclarations du ministre au sujet des observations relatives à la prostitution, pour lesquelles Utsopi l’a félicité. Toutefois, Utsopi a formulé des critiques en indiquant ce qui suit dans sa déclaration: “La question essentielle est de savoir si cette réforme apportera suffisamment de chan­ gement; la première version était meilleure et n’interdisait pas la publicité […]. Le texte à l’examen est source de confusion […]” (traduction). Utsopi formule donc aussi des critiques. La différence apparaissait plus clairement dans le texte précédent. Utsopi juge l’article sur le proxénétisme problématique (confusion entre abus et traite des êtres humains). La question se pose de savoir si l’on peut encore parler de décriminalisation dans ce cas. Il s’agit d’une critique pouvant servir de base de travail dans le cadre de cette discussion. Mme De Wit se réjouit que le ministre souhaite exa­ miner plus en détail la proposition de Mme Van Peel. Il importe également qu’en parallèle à la législation, il existe aussi une latitude suffisante pour s’attaquer à certains autres problèmes. 51 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Aangaande cherry picking vraagt spreekster zich af waarom de minister de drempels inzake werkstraf, probatie, wetgevend toezicht wijzigt. Zij stelt zich hier vragen bij. Voor het overige noteert mevrouw De Wit dat er mogelijkheden tot amendering zijn en zij wacht de ver­ dere besprekingen af. De opmerkingen van de experts moeten grondig in aanmerking worden genomen. Dit kan uitgediept worden bij de artikelsgewijze bespreking. Ook bij de meerderheidspartijen zijn er nog veel vragen, aldus spreekster. Zal de minister eerst binnen de meer­ derheid amendementen uitwerken? Hoe zal de minister tewerk gaan? Een gestructureerde werkwijze dringt zich op, zeker in deze coronaperiode. Amendementen zouden in elk geval tijdig moeten worden bezorgd. De minister van Justitie antwoordt dat hij een uitge­ breide nota ontvangen heeft van Utsopi, de drie centra mensenhandel en de hulpverenigingen. Op basis daarvan werden zes amendementen rond de bepalingen van misbruik van prostitutie opgesteld. In de eerste versie van de experten is het correct dat er geen sprake was van bepalingen inzake misbruik van prostitutie. De bepalingen art. 380 SWB e.v. werden ge­ schrapt, aangezien dit voor de experten allemaal onder mensenhandel diende te ressorteren. Het college van procureurs-generaal was hier absoluut niet mee akkoord en om die reden werd beslist om een hoofdstuk rond misbruik van prostitutie in te voeren. Het wetsontwerp zoals het nu voorligt, is een compro­ mis tussen hetgeen de vereniging van sekswerkers wou en hetgeen het college van procureurs-generaal wou. De regering heeft gehoor gegeven aan het voorstel en de uitgebreide nota. Deze documenten werden aan de regering bezorgd en op basis daarvan werden reeds amendementen opgesteld. En ce qui concerne le picorage sélectif (cherry pic­ king), l’intervenante se demande pourquoi le ministre modifie les seuils existant en matière de peine de travail, de probation et de surveillance législative. Elle se pose des questions à cet égard. Pour le reste, Mme De Wit souligne qu’il existe des possibilités d’amendement et qu’elle attend la poursuite des discussions. Les observations des experts doivent être prises en compte sérieusement. Elles pourraient être examinées plus en détail lors de la discussion des articles. L’intervenante estime que les partis de la majorité auront eux aussi encore beaucoup de questions. Le ministre élaborera-t-il d’abord des amendements au sein de la majorité? Comment le ministre procédera-t-il? Il convient d’adopter une méthode de travail structurée, surtout en cette période de crise du coronavirus. Il conviendra en tout cas de transmettre les amendements à temps. Le ministre de la Justice répond qu’il a reçu une note détaillée d’Utsopi, des trois centres d’accueil pour les victimes de traite d’êtres humains et des associations d’aide aux victimes. Six amendements concernant les dispositions relatives à l’abus de la prostitution ont été rédigés sur la base de cette note. Il est exact que la première version du texte des experts ne mentionnait aucune disposition relative à l’abus de la prostitution. Les dispositions visées aux articles 380 et suivants du Code pénal ont été supprimées dès lors que les experts ont estimé qu’elles devaient relever de la traite des êtres humains. Or, dès lors que le collège des procureurs généraux était totalement opposé à cet avis, il a été décidé d’insérer un chapitre relatif à l’abus de la prostitution. Le projet de loi à l’examen est un compromis entre les souhaits de l’association des travailleurs du sexe et ceux du collège des procureurs généraux. Le gouvernement a fait droit à la proposition et à la note détaillée. Ces documents ont été transmis au gou­ vernement et des amendements ont déjà été élaborés sur cette base. 2141/006 DOC 55 52 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E IV. — ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN TITEL 1 Voorafgaande bepaling Art. 1 Dit artikel bevat de grondwettelijke bevoegdheids- grondslag. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 1 wordt eenparig aangenomen. TITEL 2 Wijzigingen van de bepalingen van het Strafwetboek betreffende de seksuele misdrijven HOOFDSTUK 1 Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden Art. 2 Dit artikel betreft de invoeging in van een hoofd­ stuk I/1 in boek 2, titel VIII, van het Strafwetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 2 wordt eenparig aangenomen. Art. 3 Dit artikel betreft de invoeging in van een afdeling 1 in boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, van hetzelfde Wetboek. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 51(partim) en het aldus geamen­ deerde artikel 3 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. IV. — DISCUSSION DES ARTICLES ET VOTES TITRE 1ER Disposition préliminaire Article 1er Cet article fixe le fondement constitutionnel de la compétence. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 1er est adopté à l’unanimité. TITRE 2 Modifications des dispositions du Code pénal relatives aux infractions sexuelles CHAPITRE 1ER Les infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodétermination sexuelle et aux bonnes mœurs Art. 2 Cet article concerne l’insertion d’un chapitre I/1 dans le livre 2, titre VIII, du Code pénal. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 2 est adopté à l’unanimité. Art. 3 Cet article concerne l’insertion d’une section 1re dans le livre 2, titre VIII, du chapitre I/1 du même Code. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 51 (partim) et l’article 3, tel qu’amen­ dé, sont successivement adoptés à l’unanimité. 53 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 4 Dit artikel betreft de invoeging in van een onderafde­ ling 1 in boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, afdeling 1, van het hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 4 wordt eenparig aangenomen. Art. 5 Dit artikel voegt in hetzelfde Wetboek een arti­ kel 417/5 in en betreft de definitie van toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 1 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het tweede en het derde lid te wijzigen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende­ ment nr. 22 (DOC 55 2141/002) in, dat strekt tot de ver­ vanging van de eerste twee zinnen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende­ ment nr. 21 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het tweede lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 24 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 32 (DOC 55 2141/003) in, tot vervanging van het tweede en het derde lid. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 63 (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde woor­ den in het tweede en het derde lid. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 25 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in het derde lid bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 26 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Art. 4 Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 1re dans le livre 2, titre VIII, du chapitre I/1, section 1re, du même Code. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 4 est adopté à l’unanimité. Art. 5 Cet article insère dans le même Code un article 417/5 et porte sur la définition du consentement à propos du droit à l’autodétermination sexuelle. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 1 (DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications aux alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende­ ment n° 22 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer les deux premières phrases. Il est renvoyé à la justification. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende­ ment n° 21 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer l’alinéa 2. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 24 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 32 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer les alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 63 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots aux alinéas 2 et 3. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 25 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots à l’alinéa 3. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 26 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. 2141/006 DOC 55 54 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Vanessa Matz (cdH) is ermee ingenomen dat de meerderheid zich aansluit bij de oppositie inzake de definitie van “toestemming” en in het bijzonder wat de vermeldingen “onder meer” en “dwang” betreft. Hoe zit het overigens met de toestemming als het om personen met een handicap gaat? Hoe kan dat begrip “toestemming” concreet worden gemaakt wanneer het gaat om betrekkingen tussen twee personen met een geestelijke beperking? Quid met het vraagstuk van sekszorg? En wat bovendien met mogelijk misbruik en met seksuele en affectieve betrekkingen voor personen met een handicap? De minister van Justitie stelt vast dat diverse amende­ menten van de meerderheid en van de oppositie dezelfde richting uitgaan, zoals de toevoeging van het element “dwang” in het tweede lid. Het gaat hier zowel over fysieke als over psychologische dwang, zoals duidelijk blijkt uit de verantwoording van amendement nr. 63. Er is ook de invoeging van het woord “met name” in het tweede lid. De minister stelt de commissie dan ook voor om amendement nr. 63 aan te nemen dat deze voorstel­ len in zich verenigt. De amendementen nrs. 22 en 24 gaan volgens de minister evenwel de verkeerde richting uit, in de zin dat ze de omkering van de bewijslast betreffen terwijl steeds dient te worden uitgegaan van het vermoeden van on­ schuld. De dader moet niet bewijzen dat er sprake is van toestemming. Het is ook moeilijk te bepalen uit welke handelingen de expliciete toestemming moet worden afgeleid. Daarom is het beter om uit te gaan van de concrete omstandigheden van de zaak zoals ook wordt verwoord in het artikel dat stelt dat de toestemming wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak. Ook houdt amendement nr. 24 in dat partners die gehuwd zijn of een relatie hebben steeds voorafgaandelijk aan seksuele handelingen hun wederzijdse toestem­ ming moeten geven. Dit gaat volgens hem te ver. De amendementen nrs. 1 en 21 gaan dezelfde richting uit. De minister verduidelijkt voorts dat het tweede lid van artikel 5 limitatief moet worden geïnterpreteerd. Wat amendement nr. 26 betreft, verduidelijkt de minister dat de voorwaarde van de aantasting van de vrije wil noodzakelijk is teneinde vreemde situaties te vermijden. Hij pleit er dan ook voor om dit amendement niet aan te nemen. Wat het voorstel van mevrouw De Wit betreft (amen­ dement nr. 32) om de woorden “ten nadele van” te vervangen, stipt hij evenwel aan dat deze woorden ook het seksueel misbruik omvatten dat vanop afstand wordt Mme Vanessa Matz (cdH) se dit heureuse que la majorité rejoigne l’opposition sur la définition du consen­ tement, en particulier les mentions de “notamment” et de “contrainte”. Par ailleurs, qu’en est-il du consentement pour les personnes handicapées? Comment matérialiser cette notion de consentement lorsqu’il s’agit de relations entre deux personnes handicapées mentales? Quid de la question de l’assistance sexuelle? En outre, quid de la question de l’abus éventuel et de la question des relations sexuelles et affectives pour les personnes handicapées? Le ministre de la Justice constate que plusieurs amendements déposés par la majorité et l’opposition vont dans le même sens, comme l’ajout de l’élément “de contrainte” à l’alinéa 2. Il s’agit de la contrainte physique et psychologique, comme le montre clairement la justifi­ cation de l’amendement n° 63. Il y a également l’insertion du mot “notamment” dans l’alinéa 2. Le ministre propose donc à la commission d’adopter l’amendement n° 63 qui reprend ces propositions. Les amendements nos 22 et 24 vont toutefois, selon le ministre, dans la mauvaise direction en ce qu’ils concernent le renversement de la charge de la preuve alors qu’il faut toujours partir de la présomption d’inno­ cence. L’auteur n’a pas à prouver qu’il y avait consente­ ment. Il est également difficile de déterminer à partir de quels actes il convient de déduire un consentement expli­ cite. Il est donc plus approprié de se fonder sur les circons­ tances concrètes de l’affaire, comme le formule l’article, qui précise que le consentement est évalué à la lumière des circonstances de l’affaire. L’amendement n° 24 im­ plique également que les partenaires mariés ou qui ont une relation doivent toujours donner leur consentement mutuel avant tout acte sexuel. Selon lui, cela va trop loin. Les amendements nos 1 et 21 vont dans le même sens. Le ministre précise par ailleurs que l’alinéa 2 de l’article 5 doit être interprété de manière limitative. Pour ce qui est de l’amendement n° 26, le ministre précise que la condition de l’altération du libre arbitre est nécessaire si l’on veut éviter des situations bizarres. Il plaide également en faveur du rejet de cet amendement. S’agissant de la proposition de Mme De Wit (amen­ dement n° 32) de remplacer les mots “au préjudice de”, il souligne toutefois que ces mots englobent également l’abus sexuel commis à distance. Sa proposition de 55 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gepleegd. Haar voorstel om het woord “aanranding” weg te laten, lijkt hem een interessante piste die hij zal voorleggen aan de experten. In het bijzonder over de opmerking van mevrouw Matz over de personen met een verstandelijke beperking verduidelijkt de minister dat de lichamelijke of geeste­ lijke beperking van dien aard moet zijn dat de vrije wil is aangetast. Opdat ook zij een gewone relatie kunnen aangaan, is het belangrijk om de voorwaarde “waar­ door de vrije wil is aangetast” te behouden. Er zijn veel personen met een verstandelijke beperking die weldegelijk in staat zijn om hun toestemming te geven. Het is maar als de situatie dermate erg is dat de vrije wil is aangetast dat er geen toestemming kan zijn. De vrije wil wordt beoordeeld in het kader van de concrete omstandigheden van de zaak. Ook voor de sekswerker die met gehandicapten werkt, is dit heel belangrijk in combinatie met de decriminalisering van sekswerk. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) is opgetogen dat de meerderheid achter de eisen van bepaalde door de commissie gehoorde sprekers staat om te preciseren dat de lijst van omstandigheden waarbij er geen toestem­ ming is, niet exhaustief is. Niettemin is zij verbaasd over het antwoord van de minister met betrekking tot amendement nr. 24, dat volgens de minister een omkering van de bewijslast zou inhouden, zodat de dader zou moeten bewijzen dat het slachtoffer uitdrukkelijk heeft toegestemd. Welnu, het betrof hier een eis van AVOCATS.be, een vereniging die nochtans heel erg begaan is het met vraagstuk van de rechten van verdediging. Voorts herinnert zij aan het bestaan van het probleem van verkrachting binnen een echtpaar. Het kader van een huwelijksrelatie houdt immers niet automatisch toe­ stemming in. In weerwil van die feitelijke en rechtelijke toestand moet er sprake kunnen zijn van een uitdruk­ kelijke toestemming. Aangaande amendement nr. 26 betreft de enige voorgestelde wijziging het feit in een toestand van kwets­ baarheid te voorzien die uit de geestelijke of lichamelijke beperking voortvloeit. Het doel is dat de betrokken personen, wanneer de toestand van hun beperking niet van dien aard is dat zij kwetsbaar zijn, toestemming kunnen geven en recht kunnen hebben op een vrije en bevredigende seksualiteit. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is tevreden dat de minister overweegt om het woord “aanranding” weg te laten. Inzake de wens van de minister om de woorden “ten nadele van” te behouden, wijst zij erop dat in de supprimer le mot “agression” lui semble une piste inté­ ressante qu’il soumettra aux experts. En particulier, en ce qui concerne la remarque de Mme Matz sur les personnes atteintes d’une déficience mentale, le ministre précise que la déficience physique ou mentale doit être telle qu’elle altère le libre arbitre. Pour qu’elles puissent elles aussi s’engager dans une relation normale, il est important de conserver la condi­ tion “altérant le libre arbitre”. De nombreuses personnes atteintes d’une déficience intellectuelle sont capables de donner leur consentement. Ce n’est que lorsque la situation est mauvaise au point d’altérer le libre arbitre qu’il ne peut y avoir de consentement. Le libre arbitre s’apprécie dans le contexte des circonstances concrètes de l’affaire. Cela est également très important pour les travailleurs du sexe qui travaillent avec des personnes handicapées, en liaison avec la dépénalisation du travail du sexe. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) se réjouit que la majo­ rité soutienne les revendications émises par certains orateurs entendus par la commission, afin de préciser que la liste pour laquelle il n’y a pas de consentement n’est pas exhaustive. Cependant, elle s’étonne de la réponse du ministre concernant l’amendement n° 24, qui impliquerait un ren­ versement de la charge de la preuve selon le ministre, de sorte que l’auteur devrait prouver que la victime a donné son accord exprès. Or, c’était une demande d’AVOCATS.be, qui est pourtant très à cheval sur la question des droits de la défense. Par ailleurs, elle rappelle l’existence de la problé­ matique du viol entre époux. Ce n’est pas parce qu’on se trouve dans le cadre d’une relation maritale qu’il y a pour autant nécessairement consentement. Malgré cette situation de fait et de droit, il faut pouvoir avoir un consentement exprès. Concernant l’amendement n° 26, la seule modifica­ tion proposée concerne le fait de prévoir une situation de vulnérabilité découlant de la déficience mentale ou physique. Le but est de permettre à ces personnes, lorsque leur état de déficience ne les rend pas vulné­ rables, de donner leur consentement et d’avoir droit à une sexualité libre et épanouie. Mme Sophie De Wit (N-VA) se réjouit que le ministre envisage de supprimer le mot “agression”. En ce qui concerne le souhait du ministre de conserver les mots “au préjudice “, elle a fait remarquer que ces mots ne 2141/006 DOC 55 56 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E basismisdrijven nergens deze woorden worden gebruikt doch wel de woorden “op” of de woorden “met behulp van”. De woorden “ten nadele van” zijn immers ander begrip. Zij stelt dan ook de vraag of het behoud van deze woorden geen verdere gevolgen kan hebben. Elk woord is hier belangrijk. Wat het derde lid (voorbeelden van de aantasting van de vrije wil) betreft, pleit zij, net als de OVB, ervoor om deze opsomming, ook al is het niet-limitatief, weg te laten. Voorbeelden horen immers niet thuis in een wettekst maar in de memorie van toelichting. In zijn antwoorden heeft de minister evenwel net gesteld dat tweede lid limitatief is. Als dit het geval is dan zetten de woorden “andere strafbare gedraging” de deuren wagenwijd open. Om misverstanden te vermijden, is het belangrijk om dit dan ook uit te klaren. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) herinnert eraan dat sommige deskundigen de mening toegedaan zijn dat de woorden “onder meer” in de beide delen van de bepaling moeten worden opgenomen. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) benadrukt dat zijn amendementen ertoe strekken dat de rechter over de nodige bewegingsvrijheid beschikt om over alle noodza­ kelijke elementen te kunnen beschikken. Het betreft dus geen omkering van de bewijslast. Deze amendementen beogen de zaken juist duidelijker te stellen. De minister antwoordt aan mevrouw Rohonyi dat haar amendement de bewijslast verzwaart, wat niet wenselijk is. Het principe van het vermoeden van onschuld moet worden bewaakt. Haar voorstel staat ook een normaal seksueel leven in de weg. Haar amendement geeft zelfs de indruk dat er een spoor van toestemming moet zijn, wat echt te ver gaat. Wat de bemerking van mevrouw De Wit betreft, ver­ duidelijkt hij dat het tweede lid uitdrukkelijk stelt dat er in elk geval geen toestemming is bij de opgesomde ge­ dragingen, die dan ook limitatief is. De andere strafbare gedragingen worden gedefinieerd in het Strafwetboek. Het derde lid is een exhaustieve opsomming en dus niet-limitatief. Voor het overige verwijst hij naar zijn eerdere antwoorden. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 81 in dat een nieuwe definitie van toestemming voorstelt (DOC 55 2141/005). De hoofdindienster overloopt de verantwoording van haar amendement. Amendement nr. 1 wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. sont utilisés nulle part dans les infractions de base, mais plutôt les mots “sur” ou “avec l’aide de”. Les mots “au préjudice “sont en en effet un concept différent. Elle demande dès lors si le maintien de ces mots ne peut pas avoir d’autres conséquences. Chaque mot ici est important. En ce qui concerne l’alinéa 3 (exemples d’altération du libre arbitre), elle plaide, comme l’OVB, pour la sup­ pression de cette énumération, même si elle n’est pas exhaustive. Des exemples n’ont en effet pas leur place dans un texte législatif mais dans l’exposé des motifs. Or, dans ses réponses, le ministre vient de déclarer que le l’alinéa 2 est limitatif. Si c’est le cas, alors les mots “un autre comportement punissable” ouvrent toutes grandes les portes. Pour éviter tout malentendu, il est important de clarifier ce point. Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que, selon certains experts, le mot “notamment” doit figurer dans les deux parties de la disposition. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) souligne que ses amendements visent à ce que le juge ait une marge de manœuvre pour disposer de tous les éléments néces­ saires. On ne se trouve donc pas dans une inversion de la charge de la preuve. Ces amendements visent justement à rendre les choses plus précises. Le ministre répond à Mme Rohonyi que son amen­ dement alourdit la charge de la preuve, ce qui n’est pas souhaitable. Le principe de la présomption d’innocence doit être préservé. Sa proposition fait également obs­ tacle à une vie sexuelle normale. Son amendement donne même l’impression qu’il doit y avoir une trace de consentement, ce qui va vraiment trop loin. S’agissant de la remarque de Mme De Wit, il précise que l’alinéa 2 indique expressément qu’en tout état de cause, il n’y a pas de consentement dans le cas des comportements énumérés, d’où le caractère limitatif. Les autres comportements punissables sont définis dans le Code pénal. L’alinéa 3 est une énumération exhaustive et n’est donc pas limitatif. Pour le reste, il renvoie à ses réponses précédentes. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n° 81, qui propose une nouvelle définition du consentement (DOC 55 2141/005). L’auteure principale en parcourt la justification. L’amendement n° 1 est rejeté par 10 voix contre 2 et 3 abstentions. 57 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Amendement nr. 22 wordt verworpen met 14 stem­ men tegen 1. Amendement nr. 21 wordt verworpen met 10 tegen 5 stemmen. Amendement nr. 24 wordt verworpen met 13 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 32 wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 81 wordt eenparig aangenomen. Amendement nr. 63 wordt ingetrokken. De amendementen nrs. 25 en 26 worden achtereen­ volgens verworpen met 10 stemmen en 4 onthoudingen. Het aldus geamendeerde artikel 5 wordt eenparig aangenomen. Art. 6 Dit artikel strekt tot invoeging van een arti­ kel 473/6 in hetzelfde Wetboek. Het betreft de seksuele meerderjarigheid. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 2 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt in § 2 bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 29 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in § 2 een zin in te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 27 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 28 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt in § 3 een zin in te voegen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 33 (DOC 55 2141/003) in, tot vervanging van de §§ 2 en 3. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De keuze over de seksuele meerderjarigheid is een politieke keuze. De hoorzittingen hebben evenwel aan­ getoond dat wat voorligt te strikt is en niet overeenstemt L’amendement n° 22 est rejeté par 14 voix contre une. L’amendement n° 21 est rejeté par 10 voix contre 5. L’amendement n° 24 est rejeté par 13 voix et une abstention. L’amendement n° 32 est rejeté par 10 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n° 81 est adopté à l’unanimité. L’amendement n° 63 est retiré. Les amendements nos 25 et 26 sont successivement rejetés par 10 voix et 4 abstentions. L’article 5, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité. Art. 6 Cet article vise à insérer un article 473/6 dans le même Code. Il concerne la majorité sexuelle. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 2 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots au paragraphe 2. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 29 (DOC 55 2141/003) qui vise à insérer une phrase au paragraphe 2. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 27 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 28 (DOC 55 2141/003) qui vise à insérer une phrase au paragraphe 3. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 33 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer les paragraphes 2 et 3. Il est renvoyé à la justification. Le choix de la majorité sexuelle est un choix politique. Cependant, les auditions ont montré que ce le texte à l’examen est trop strict et ne correspond pas à la réalité. 2141/006 DOC 55 58 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E met de realiteit. Zij geeft het voorbeeld van een 15-ja­ rige die een relatie heeft met een 18-jarige scoutslei­ der, wat volgens de bepalingen van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp strafbaar is. De maximale toegestane leeftijdsverschil van 2 jaar voor de categorie van 14- tot 16-jarigen is eigenlijk te beperkend. Net zoals de voorwaarde dat er onder 18 jaar geen sprake kan zijn van een gezagsrelatie. Derhalve pleit zij bij wege van haar amendement nr. 33, dat het voorstel van de experten herneemt, voor een grotere soepelheid. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) is van oordeel dat amendement nr. 33 problematisch kan zijn in ver­ band met het bewijs; men zou het misbruik van de gezagspositie immers moeten kunnen bewijzen, wat heel moeilijk is. Met deze werkelijkheid moet rekening worden gehouden, temeer omdat de voorbeelden die mevrouw De Wit aanhaalt, doorgaans niet tot een ge­ rechtelijke procedure leiden. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) vraagt met betrek­ king tot dit artikel of het om een door het slachtoffer dan wel door de samenleving in haar geheel erkende positie gaat. Dit dient te worden uitgeklaard. Het wetsontwerp zegt niets over gynaecologisch en verloskundig geweld, maar kunnen ook die vormen door deze bepaling worden beoogd? De minister merkt op dat de meerderheidspartijen nog geen definitief standpunt hebben ingenomen over de maximale toegestane leeftijdsverschil van 2 jaar. Hij verduidelijkt dat de notie “erkende positie” de ter­ minologie is die wordt gebruikt in de Richtlijn 2011/93/ EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 de­ cember 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad (artikel 3, punt 5). Deze bepaling viseert ook het gynaecologisch ge­ weld. Er werd derhalve niet gekozen voor een aparte strafbaarstelling. De minister begrijpt de redenering achter amende­ ment nr. 28 maar meent dat de zaken aldus bijzonder ingewikkeld worden gemaakt. De boodschap moet eenvoudig en duidelijk zijn: vanaf 16 jaar is er sowieso seksuele meerderjarigheid, onder 16 jaar kan er geen toe­ stemming worden gegeven, behalve tussen 14- en 16-ja­ rigen onderling. Het toevoegen van de zinsnede “tenzij de dader het tegendeel kan bewijzen” legt de bewijslast bij de beklaagde wat moeilijk te verzoenen is met het vermoeden van onschuld. Ook amendement nr. 29 legt de bewijslast bij de dader. Elle donne l’exemple d’un jeune de 15 ans ayant une relation avec un chef scout de 18 ans, ce qui est punis­ sable selon les dispositions du projet de loi à l’examen. La différence d’âge maximale autorisée de 2 ans pour la catégorie des 14 à 16 ans est en fait trop restrictive. Tout comme la condition selon laquelle il ne peut y avoir de relation d’autorité en dessous de 18 ans. C’est pourquoi, par le biais de son amendement n° 33, qui reprend la proposition des experts, elle plaide pour une plus grande souplesse. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) considère que cet amen­ dement n° 33 pourrait poser un problème de preuve, car il faudrait prouver l’abus de la position d’autorité, ce qui est très difficile. Il faut prendre cette réalité en consi­ dération, d’autant plus que les exemples mentionnés par Mme De Wit n’aboutissent pas en général à des procédures judiciaires. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) demande, concernant cet article, s’il s’agit de la position reconnue par la vic­ time, ou par la société dans son ensemble. Cela mérite une clarification. En outre, les violences gynécologiques ou obstétri­ cales – absentes du projet de loi – peuvent-elles être visées par cette disposition? Le ministre note que les partis de la majorité n’ont pas encore pris définitivement position sur la différence d’âge maximale autorisée de 2 ans. Il précise que la notion de “position reconnue “est la terminologie utilisée dans la directive 2011/93/ UE du Parlement européen et du Conseil du 13 dé­ cembre 2011 relative à la lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi que la pédo­ pornographie et remplaçant la décision-cadre 2004/68/ JAI du Conseil (article 3, point 5). Cette disposition vise également les violences gyné­ cologiques. Une incrimination distincte n’a dès lors pas été retenue. Le ministre comprend le raisonnement qui sous-tend l’amendement n° 28, mais estime qu’il rend les choses très compliquées. Le message doit être simple et clair: à partir de 16 ans il y a en tout état de cause la majorité sexuelle, en dessous de 16 ans aucun consentement ne peut être donné sauf entre les jeunes âgés de 14 à 16 ans entre eux. L’ajout de la phrase “sauf preuve contraire apportée par l’auteur “fait peser la charge de la preuve sur le prévenu, ce qui est difficile à concilier avec la présomption d’innocence. L’amendement n° 29 fait également peser la charge de la preuve sur le l’auteur. 59 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreker geeft vervolgens het voorbeeld van een 50-jarige leerkracht die een relatie aangaat met een 17-jarige student, wat volgens het ter bespreking voorliggende wetsontwerp mogelijk is zolang er geen gebruik wordt gemaakt van de gezags- en vertrouwens­ relatie om seksuele daden te stellen. Het woord “gebruik” is volgens de minister een mooi compromis tussen het louter hebben van gezag en het misbruik van gezag (zie ontworpen artikel 6, § 3). Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat wat dit laatste betreft, het aspect van de leeftijd essentiëler is. Wat de bemerking van de heer Boukili betreft, is zij van oordeel dat er geen strafbare gedragingen in de wet mogen worden ingeschreven als ervan uit wordt gegaan dat ze toch niet zullen worden vervolgd. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 84 in waarmee wordt voorgesteld om in artikel 417/6 van het wetsontwerp een rechtvaardigingsgrond in te voe­ gen die specifiek betrekking heeft op minderjarigen die consensuele seksuele betrekkingen hebben en die een leeftijdsverschil van meer dan drie jaar hebben (DOC 55 2141/005). Het is mevrouw Sophie De Wit (N-VA) niet duidelijk wat de meerwaarde van deze aanvulling is, tenzij hier­ mee de relatie tussen een 14-jarige en een 17,5-jarige wordt opgevangen? Is het in voorkomend geval evenwel niet eenvoudiger om alles op te nemen in een enkele duidelijke bepaling? De aanvulling overlapt immers met paragraaf 2, eerste lid. Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) beaamt dat de toevoeging, die rekening houdt met amendement nr. 2, inderdaad een relatie met wederzijdse toestemming tussen een 14-jarige en een 17-jarige (zijnde nog net geen 18 jaar) betreft. De minister legt uit dat het hier gaat om een recht­ vaardigingsgrond die enkel speelt voor minderjarigen, in deze is de geboortedatum van belang en niet alleen het geboortejaar. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) leidt hieruit af dat ie­ mand van 15 jaar en 11 maanden een relatie kan hebben met iemand van 18 jaar en 11 maanden. Deze bepaling zal evenwel volgens haar met een gebruiksaanwijzing en opgesomde mogelijkheden moeten gepaard gaan. Het is in ieder geval een gemiste kans om de problematiek minder complex te maken. Er is ook nog het probleem van de 17-jarige die een relatie heeft met een 18-jarige scoutsleider en waarbij dus sprake is van een gezagsrelatie. Le ministre donne ensuite l’exemple d’un enseignant de 50 ans qui engage une relation avec un étudiant de 17 ans, ce qui, selon le projet de loi à l’examen, est possible tant que la relation d’autorité et de confiance n’est pas utilisée dans le but de pousser l’autre à se livrer à des actes sexuels. Selon le ministre, le mot “utiliser” est un bon compromis entre le simple fait de disposer d’une autorité et le fait d’abuser de cette autorité (voir l’article 6, § 3, en projet). Mme Sophie De Wit (N-VA) estime qu’en cette matière, l’aspect de l’âge est plus essentiel. En ce qui concerne l’observation de M. Boukili, elle estime qu’il ne faut pas inscrire dans la loi des comportements passibles de poursuites pénales si l’on part du principe que leurs auteurs ne seront de toute façon pas poursuivis. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n° 84, qui propose d’insérer, dans l’article 417/6 du projet de loi, une cause de justification qui concerne spécifiquement les mineurs d’âge qui ont des relations sexuelles consenties et qui ont une différence d’âge de plus de trois ans (DOC 55 2141/005). Mme Sophie De Wit (N-VA) ne voit pas bien quelle est la plus-value de cet ajout, à moins qu’il ne vise la relation entre un mineur de 14 ans et un de 17,5 ans ? Si tel est le cas, n’est-il toutefois pas plus simple de tout reprendre dans une disposition unique claire ? Cet ajout fait en effet double emploi avec le paragraphe 2, alinéa 1er. Mme Katja Gabriëls (Open Vld) confirme que l’ajout, qui tient compte de l’amendement n° 2, concerne en effet une relation consentante entre un jeune de 14 ans et un adolescent de 17 ans (n’ayant tout juste pas encore 18 ans). Le ministre explique qu’il s’agit d’une cause de justifi­ cation qui concerne spécifiquement les mineurs d’âge ; dans ce cas, la date de naissance est importante et pas seulement l’année de naissance. Mme Sophie De Wit (N-VA) en déduit qu’une personne âgée de 15 ans et 11 mois peut avoir une relation avec une personne âgée de 18 ans et 11 mois. Selon elle, cette disposition devra toutefois s’ accompagner d’un mode d’emploi et d’une énumération des possibilités. Dans tous les cas, c’est une occasion manquée de rendre la problématique moins complexe. Il y a aussi le problème du jeune de 17 ans qui a une relation avec un chef scout de 18 ans et où il y a donc une relation d’autorité. 2141/006 DOC 55 60 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister is van oordeel dat het kader duidelijk is. Wat het laatste betreft, legt hij uit dat het louter hebben van een gezagsrelatie een dergelijke relatie niet strafbaar maakt maar wel het gebruik van die gezagsrelatie. Het is aan de rechtspraak om dit laatste te duiden. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt vast dat de meer­ derheid zich alvast schaart achter haar amendement nr. 2. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vindt dat paragraaf 1 enerzijds en paragraaf 2 anderzijds een vreemd signaal geven. Wat met de rechtvaardigingsgrond als het gaat over de primaire “sexting” (doorsturen van naaktfoto’s)? De minister verduidelijkt dat primaire “sexting” onder leeftijdsgenoten, boven 16 jaar, is toegelaten. Onder 16 jaar niet, jonge mensen zijn er zich immers niet altijd van bewust dat die beelden blijven. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) besluit dat overeen­ komstig de rechtvaardigingsgrond een 14-jarige wel kan instemmen met een relatie met een andere minderjarige doch dat primaire “sexting” tussen hen niet mogelijk is. Dit is een keuze die haar toch wat bevreemdend overkomt en waarschijnlijk het resultaat is van een compromis. Zij blijft er bij dat de zaken aldus nodeloos complex worden gemaakt. De amendementen nrs. 2 en 84 worden achtereen­ volgens aangenomen met 11 stemmen tegen 1 en 3 onthoudingen. De amendementen nrs. 29 en 28 worden achtereen­ volgens verworpen met 15 stemmen. Amendement nr. 27 wordt verworpen met 14 stem­ men tegen 1. Amendement nr. 33 wordt verworpen met 12 tegen 3 stemmen. Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen. Art. 7 Dit artikel betreft de invoeging in van een onderafde­ ling 2 in boek 2, titel VIII, hoofdstuk I/1, afdeling 1, van het hetzelfde Wetboek. Artikel 7 wordt eenparig aangenomen. Le ministre estime que le cadre est clair. Concernant le dernier point, il explique que ce n’est pas le simple fait d’avoir une relation d’autorité qui rend cette relation punissable mais l’utilisation de cette autorité. Il appartient à la jurisprudence d’interpréter cette question. Mme Vanessa Matz (cdH) note que la majorité soutient en tout cas son amendement n° 2. Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que le paragraphe 1er, d’une part, et le paragraphe 2, d’autre part, donnent un signal étrange. Qu’en est-il de la cause de justification lorsqu’il s’agit du “sexting” primaire (envoi de photogra­ phies dénudées) ? Le ministre précise que le «sexting» primaire entre personnes du même âge, âgées de plus de 16 ans, est autorisé. Pas en-dessous de l’âge de 16 ans, car les jeunes ne sont pas toujours conscients que ces images demeurent. Mme Sophie De Wit (N-VA) conclut qu’en vertu de la cause de justification, un jeune de 14 ans peut consentir à une relation avec un autre mineur, mais que le «sexting» primaire entre eux n’est pas possible. Ce choix, qui lui semble plutôt étrange, est probablement le résultat d’un compromis. Elle soutient que cela complique inutilement les choses. Les amendements nos 2 et 84 sont successivement adoptés par 11 voix contre une et 3 abstentions. Les amendements nos 29 et 28 sont successivement rejetés par 15 voix. L’amendement n° 27 est rejeté par 14 voix contre une. L’amendement n° 33 est rejeté par 12 voix contre 3. L’article 6, tel qu’amendé, est adopté par 11 voix contre 4. Art. 7 Cet article concerne l’insertion d’une sous-sec­ tion 2 dans le livre 2, titre VIII, chapitre I/1, section 1re, du même Code. L’article 7 est adopté à l’unanimité. 61 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 8 Dit artikel voegt in hetzelfde Wetboek een arti­ kel 417/7 in en betreft de aantasting van de seksuele integriteit. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 31 in (DOC 55 2141/003), teneinde de woorden “van zes maanden” te vervangen door de woorden “van één jaar”. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 34 (DOC 55 2141/003) in, ter vervanging van het eerste lid. Het amendement neemt een tekstaanpas­ sing van de OVB over teneinde duidelijk te maken bij wie de toestemming dient te liggen. Professor Stevens heeft in deze context ook gepleit voor een eventuele bijkomende strafbaarstelling van de “dickpics”. De keuze werd gemaakt om dit niet te doen. Volgens professor Rozie valt deze gedraging onder belaging. Dit betekent evenwel dat in de globale hervorming van het Strafwetboek, de belaging moet worden uitgebreid naar elektronische belaging teneinde ook dit te kunnen aanpakken, zo niet zullen er lacunes blijven. Zij vraagt de minister dan ook voor een duidelijke stellingname in deze. De minister verduidelijkt dat van zodra binnen de wettelijke strafvork de oplegging van 1 jaar gevangenis­ straf mogelijk is (in casu 5 jaar) voorlopige hechtenis mogelijk is. Het amendement van mevrouw Rohonyi is derhalve niet nodig om een voorlopige hechtenis mogelijk te maken. Amendement nr. 34 zal worden voorgelegd aan de experten. Wat de “dickpics” betreft, is er evenwel geen sprake van een lacune bij de aanneming van de ter bespreking voorliggende tekst. Volgens sommigen is dit geen vorm van belaging omdat een repetitief karakter is vereist. Evenwel is er voor elektronische belaging (artikel 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 op de elektroni­ sche communicatie) nooit een repetitief karakter nodig geweest. Er is volgens de experten dan ook absoluut geen nood aan de creatie van een nieuwe strafbaar­ stelling. Dit zou tot meer discussies kunnen leiden (bijvoorbeeld: is het de lex specialis-regeling dan wel een geval van samenloop?). In het kader van de globale hervorming van het Strafwetboek wordt voorgesteld om een nieuwe definitie te geven aan belaging (en dus de elektronische belaging te integreren in de definitie van gemeenrechtelijke belaging): Belaging is het wetens en willens ernstig verstoren van de rust van een persoon, zelfs al is het eenmalig of bestaat het uit een enkele Art. 8 Cet article insère dans le même Code un ar­ ticle 417/7 qui concerne l’atteinte à l’intégrité sexuelle. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) présente l’amende­ ment n° 31 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer les mots “de six mois” par les mots “d’un an”. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende­ ment n° 34 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer le premier alinéa. L’amendement reprend une modification du texte telle qu’elle est proposée par l’OVB afin d’indiquer clairement qui doit donner son consentement. Le professeur Stevens avait également plaidé, dans ce contexte, en faveur d’une éventuelle incrimination supplé­ mentaire des “dickpics” (photos de pénis non sollicitées et non consenties). Il a finalement été décidé de ne pas le faire. Selon le professeur Rozie, ce comportement relève du harcèlement. Cela signifie toutefois que, dans le cadre de la réforme globale du Code pénal, le harcèlement devrait être étendu au harcèlement électronique, sans quoi il y aura des lacunes. L’intervenante demande donc au ministre de prendre clairement position à ce sujet. Le ministre précise que dès que la fourchette légale permet une peine d’emprisonnement d’un an (dans le cas présent, il s’agit de cinq ans), la détention provisoire est possible. L’amendement de Mme Rohonyi n’est donc pas nécessaire pour rendre possible la détention provisoire. L’amendement n° 34 sera soumis aux experts. En ce qui concerne les “dickpics”, le ministre estime que l’adoption du texte à l’examen n’entraînera aucune lacune. Selon certains, il ne s’agit pas d’une forme de harcèlement au motif que le harcèlement devrait avoir un caractère répétitif. Or, pour le harcèlement électro­ nique (article 145, § 3bis, de la loi du 13 juin 2005 sur les communications électroniques), le caractère répétitif n’a jamais été requis. Selon les experts, il n’est donc absolument pas nécessaire de créer une nouvelle incri­ mination. Une telle incrimination pourrait d’ailleurs donner lieu à d’autres discussions encore (par exemple, s’agit-il de la règle du lex specialis ou d’un cas de concours?) Dans le cadre de la réforme globale du Code pénal, il est proposé de donner une nouvelle définition du harcè­ lement (et donc d’intégrer le harcèlement électronique dans la définition du harcèlement de droit commun): le harcèlement consiste à, sciemment et volontairement, perturber la tranquillité d’une personne, même s’il s’agit 2141/006 DOC 55 62 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E handeling, terwijl men wist of had moeten weten dat men door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. Wanneer de belaging erop gericht is een niet-consensuele seksuele handeling te stellen op de persoon van het slachtoffer, is er in het kader van de globale hervorming van het Strafwetboek in een nieuwe verzwarende omstandigheid voorzien. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat om lacunes te vermijden vandaag in het ter bespreking voorliggende wetsontwerp een expliciete keuze moet worden gemaakt. De minister verwijst naar de memorie van toelich­ ting waar zijn standpunt in afwachting van het nieuw Strafwetboek wordt verduidelijkt. Daarnaast zijn er ook de artikelen 442bis van het Strafwetboek en 145, § 3bis, van de wet van 13 juni 2005 op de elektronische com­ municatie die in een strafbaarstelling voorzien. Amendement nr. 31 wordt verworpen met 10 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Amendement nr. 34 en het aldus geamendeerde artikel 8 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 8/1 (nieuw) Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 3 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een nieuw ar­ tikel 8/1. Het amendement beoogt dat het wetsontwerp ook betrekking zou hebben op alle handelingen die de seksuele integriteit vanop afstand zouden schenden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De minister antwoordt dat amendement nr. 3 niet nodig is. Immers, voor het misdrijf van aantasting van de sek­ suele integriteit is, net zoals dit vandaag het geval is voor de aanranding van de eerbaarheid, een rechtstreekse aanraking door de dader niet nodig. Het slachtoffer vanop afstand verplichten om seksuele handelingen te stellen, valt vandaag al onder de strafbaarstelling aan­ tasting van de seksuele integriteit. Hij verwijst in deze voorts naar het arrest van het Hof van Cassatie van 6 oktober 2004 alsook naar dat van het hof van beroep te Luik van 30 maart 2004. Het voorgestelde amendement zou het perverse effect kunnen hebben dat het misdrijf van aantasting van de seksuele integriteit op afstand niet strafbaar is wanneer het slachtoffer meerderjarig is of niet lijdt aan een lichamelijke of geestelijke handicap of stoornis. Amendement nr. 3 wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. d’une seule fois ou que cela résulte d’un seul acte, alors qu’on savait ou aurait dû savoir qu’on affecterait grave­ ment, par ce comportement, la tranquillité de la personne visée. Lorsque le harcèlement vise à commettre un acte sexuel non consenti sur la personne de la victime, une nouvelle circonstance aggravante est prévue dans le cadre de la réforme globale du Code pénal. Mme Sophie De Wit (N-VA) estime qu’afin d’éviter des lacunes, un choix explicite devrait être fait aujourd’hui à cet égard dans le projet de loi à l’examen. Le ministre renvoie à l’exposé des motifs, dans lequel il précise quelle est sa position dans l’attente du nouveau Code pénal. Par ailleurs, les articles 442bis du Code pénal et 145, § 3bis, de la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques prévoient également une incrimination. L’amendement n° 31 est rejeté par 10 voix contre une et 4 abstentions. L’amendement n° 34 et l’article 8, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 8/1 (nouveau) Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 3 (DOC 55 2141/002), qui vise à insérer un nouvel article 8/1. L’amendement vise à intégrer tout ce qui atteint à l’inté­ grité sexuelle à distance dans le projet. Il est renvoyé à la justification. Le ministre répond que l’amendement n° 3 n’est pas nécessaire. En effet, pour l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle, comme c’est aujourd’hui le cas pour l’attentat à la pudeur, un contact direct de l’agresseur n’est pas requis. Le fait d’obliger la victime à accomplir des actes sexuels à distance relève d’ores et déjà de l’incrimination d’atteinte à l’intégrité sexuelle. À cet égard, le ministre renvoie en outre à l’arrêt de la Cour de cassation du 6 octobre 2004 ainsi qu’à celui de la cour d’appel de Liège du 30 mars 2004. L’amendement proposé pourrait avoir des effets pervers en ce sens que l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle à distance ne serait plus punissable lorsque la victime est majeure ou qu’elle ne souffre pas d’une déficience ou d’un handicap mental ou physique. L’amendement n° 3 est rejeté par 10 voix contre 2 et 3 abstentions. 63 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 9 Dit artikel beoogt de invoeging van een artikel 417/8 in hetzelfde Wetboek en betreft het voyeurisme. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 30 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt woor­ den te vervangen, met als doel de reikwijdte van de strafbaarstelling van voyeurisme te beperken, opdat een en ander niet van toepassing zou zijn op onbedoelde situaties, bijvoorbeeld het maken van een foto van het ontblote hoofd van een gesluierde persoon. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 58 (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) sluit zich aan bij de bezorgdheid die mevrouw Rohonyi verwoordt in haar amendement nr. 30 over de ruime definitie van ontblote persoon. Wat met een vrouw die gesluierd door het leven gaat, bij een kappersbezoek de sluier afneemt en door een selfie van een medeklant ongesluierd op de selfie wordt getoond? Zij pleit er dan ook voor om hier meer duidelijkheid te brengen. Het gebrek aan toestemming moet weldegelijk betrekking hebben op de verboden handeling. Tijdens de hoorzitting hebben ook meerdere geno­ digden het voorstel gedaan om de strafbaarstelling uit te breiden naar de realistische “fake nudes” (deepnudes). Mevrouw Katleen Bury (VB) steunt het voorstel van mevrouw Rohonyi maar meent het eerder aangewezen om dit te verduidelijken in de bespreking dan op te nemen in de wettekst. Het is volgens haar ook niet duidelijk of de volledig gemanipuleerde beelden (deep nudes) al dan niet vallen onder voyeurisme. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) komt terug op amendement nr. 30. De bedoeling van de voorliggende bepaling is de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene in acht te nemen en ervoor te zorgen dat zonder diens toestemming geen beelden worden verspreid die hij of zij als een schending van zijn of haar eerbaarheid zou beschouwen. De spreker meent dat men moet opletten dat het debat niet verschuift, want het aangehaalde aspect hoort hier volgens hem niet thuis. De heer Boukili stelt voor om het debat te blijven focussen op het seksueel geweld. De heer Ben Segers (Vooruit) is tevreden met de inschrijving van ontblote persoon in de strafbaarstelling. Art. 9 Cet article concerne l’insertion de l’article 417/8 dans le même Code et traite du voyeurisme. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) présente l’amende­ ment n° 30 (DOC 55 2141/003), qui vise à remplacer des mots en vue de réduire la portée de l’incrimination de voyeurisme afin qu’elle ne couvre pas des situations non désirées comme par exemple la prise en photo de la tête dénudée d’une personne voilée. Il est renvoyé à la justification. M. Khalil Aouasti et consorts présentent l’amende­ ment n° 58 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) se rallie à la préoccupation de Mme Rohonyi formulée dans son amendement n° 30 au sujet de la définition vaste de la personne dénudée. Qu’en est-il d’une femme qui vit voilée, qui ôte le voile dans un salon de coiffure et apparaît dévoilée sur un selfie pris par une autre cliente? Elle prône dès lors d’apporter plus de précisions à cet égard. L’absence de consentement doit bel et bien porter sur l’acte interdit. Lors de l’audition, plusieurs orateurs invités ont égale­ ment proposé d’étendre l’incrimination aux “fake nudes” (deepnudes) réalistes. Mme Katleen Bury (VB) soutient la proposition de Mme Rohonyi mais estime qu’il s’indique de préciser ce point dans la discussion plutôt que de l’insérer dans le texte de loi. Elle considère qu’il n’apparaît pas non plus clairement si les images totalement truquées relèvent ou non (deep nudes) du voyeurisme. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) revient sur l’amende­ ment n° 30. L’objectif de cette disposition est que la vie privée d’une personne soit respectée et qu’on ne dévoile pas des images qu’elle juge comme une atteinte à sa pudeur, sans son consentement. Il faut faire attention à ce que le débat ne glisse pas, car ce sujet n’a pas sa place ici à son sens. Il propose d’en rester au débat des violences sexuelles. M. Ben Segers (Vooruit) se félicite que la “personne dénudée” soit inscrite dans l’incrimination. Les experts 2141/006 DOC 55 64 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De experten hebben aangegeven dat de strafbepaling in alle redelijkheid moet worden geïnterpreteerd. De omschrijving kan evenwel aanleiding geven tot sub­ jectieve interpretaties, zeker bij bedekking omwille van religieuze en cultuurgevoelige redenen (bijv. wat met foto’s die worden gedeeld in een publieke sauna, wat met foto’s op een naaktstrand, wat met foto’s in lingerie, van personen die normaal volledig bedekt door het leven gaan?). De spreker vestigt de aandacht op de verdeelde rechtspraak hierover. Volledig gemanipuleerde beelden (deepnudes) vallen volgens sommigen niet onder de strafbaarstelling van voyeurisme omdat dit samenvalt met de toestemming van de persoon. Uit artikel 383bis van het Strafwetboek (kindermisbruikmateriaal) blijkt evenwel duidelijk dat het hieronder wel valt. De vraag stelt zich evenwel of “deepnudes” ook strafbaar zijn op basis van het misdrijf voyeurisme wanneer het over meerderjarigen gaat? De minister steunt amendement nr. 58. Wat amen­ dement nr. 30 betreft, verduidelijkt hij dat volgens de Commissie tot hervorming van het strafrecht de definitie van ontbloot persoon niet problematisch is. Aanvullend op de memorie van toelichting wijst hij erop dat strafbepalin­ gen in alle redelijkheid moeten worden geïnterpreteerd. Een strafbepaling moet ook worden geïnterpreteerd in het licht van de doelstellingen van de wetgever. Voyeurisme staat in het hoofdstuk van het seksueel strafrecht. De casussen van het afdoen van de hoofddoek bij de kap­ per, waarna een selfie wordt genomen van deze persoon zonder hoofddoek, kan dan ook moeilijk als voyeurisme worden bestempeld. Het kijken/nemen van beeldfoto’s onder de rokken (creep foto’s) valt onder de bepaling van het misdrijf voyeurisme, wat ook zeer duidelijk wordt gesteld in de memorie van toelichting. Het is de bedoeling om de definitie van voyeurisme zo ruim mogelijk te houden. Aangezien voyeurisme het aspect toestemming veronderstelt, vallen volledig gema­ nipuleerde beelden niet onder het toepassingsgebied van voyeurisme. De toestemming kan immers niet worden gegeven. Voor gedeeltelijk gemanipuleerde beelden is er volgens de experten geen bezwaar om dit strafbaar te stellen. Dit zal afhangen van het concrete geval. Het is dan aan de rechtspraak om een uitspraak te vellen. Wat de door de heer Ben Segers aangehaalde voor­ beelden betreft, is het correct dat de rechtspraak verdeeld is. Daarom werd de meest afwijkende rechtspraak op­ gelijst in de memorie van toelichting om te duiden waar het absoluut niet kan dat het niet om voyeurisme zou gaan (bijvoorbeeld uitspraak inzake het filmen onder de ont indiqué que la disposition pénale doit être interpré­ tée en toute logique. La définition peut toutefois donner lieu à des interprétations subjectives, a fortiori en ce qui concerne les couvre-chefs portés pour des motifs reli­ gieux et culturels (par exemple, qu’en est-il des photos qui sont partagées dans un sauna public, des photos sur une plage de naturistes, des photos en lingerie de personnes qui normalement vivent entièrement vêtues?). L’intervenant attire l’attention sur la jurisprudence par­ tagée à cet égard. D’aucuns estiment que les images totalement tru­ quées (deep nudes) ne relèvent pas de l’incrimination de voyeurisme car cela correspond au consentement de la personne. Il ressort toutefois clairement de l’article 383bis du Code pénal (matériel pédopornographique) qu’elles en relèvent bel et bien. La question se pose toutefois est de savoir si les “deepnudes” sont également punissables sur la base de l’infraction de voyeurisme s’il s’agit de majeurs? Le ministre soutient l’amendement n° 58. Concernant l’amendement n° 30, il précise que la Commission de réforme du droit pénal estime que la définition de la personne dénudée n’est pas problématique. Pour com­ pléter l’exposé des motifs, il signale que les dispositions pénales doivent être interprétées en toute logique. Une disposition pénale doit également être interprétée à la lumière des objectifs du législateur. Le voyeurisme figure dans le chapitre relatif au droit pénal sexuel. Il est dès lors difficile de qualifier de voyeurisme les cas dans lesquels une personne ôte son voile chez le coiffeur et ensuite est photographiée sans voile sur un selfie. Regarder ou prendre des photographies sous les jupes (creepshots) relève de la disposition relative à l’infraction de voyeurisme, ce qui est également très clairement indiqué dans l’exposé des motifs. Le but est de maintenir une définition la plus large possible du voyeurisme. Dès lors que le voyeurisme implique l’aspect du consentement, les images complè­ tement truquées ne relèvent pas du champ d’application du voyeurisme. Le consentement ne peut en effet pas être donné. S’agissant des images partiellement truquées, les experts considèrent que leur incrimination n’appelle aucune objection. Cela dépendra du cas concret. Il appartient à la jurisprudence de prononcer un jugement. S’agissant des exemples évoqués par M. Ben Segers, il est correct d’indiquer que la jurisprudence est parta­ gée. La liste de la jurisprudence la plus divergente a été dressée dans l’exposé des motifs afin de préciser où il n’est absolument pas possible qu’il ne s’agisse pas de voyeurisme (le jugement concernant la réalisation 65 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E rokken, rechtbank te Veurne). Het is bijzonder moeilijk om een sluitende definitie te geven over voyeurisme. Er wordt daarom bij de legistieke werkzaamheden rond de definitie en strafbaarstelling van voyeurisme toe­ passing gemaakt van de techniek van de plausibiliteit: deze moet voor zoveel mogelijk mensen en op zoveel mogelijk omstandigheden van toepassing zijn, maar het is onmogelijk om alle gevallen sluitend in de definitie te dekken. Vandaar ook de uitgebreide verduidelijking in de memorie van toelichting. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) komt terug op de “deepnudes” en wijst erop dat de rechtbank alleen maar kan interpreteren. Het is aan de wetgever om strafbaar te stellen. Zij roept de minister op om dit nader te kijken. De minister herhaalt dat de experten duidelijk hebben gesteld dat gedeeltelijk gemanipuleerde beelden vallen onder het toepassingsgebied van de strafbepaling van voyeurisme. De vraag wat dan dient te worden verstaan onder gedeeltelijk behoort toe aan de rechtspraak. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 82 in dat de definitie van ontbloot persoon minder ruim maakt (DOC 55 2141/005). Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat over­ eenkomstig de verantwoording van het amendement dit artikel ook van toepassing zal zijn op gedeeltelijke “deepnudes” doch niet op de volledige. De incriminatie op zich wordt ook niet aangepast. Het lid had graag de reden van deze keuze vernomen alsook onder welke strafbepaling de volledige “deepnudes”, zonder toestem­ ming, dan vallen. De minister geeft, wat dit punt betreft, lezing van de door de leden van de Commissie tot hervorming van het strafrecht overgezonden nota: “De vraag is gerezen of afbeeldingen via computerprogramma’s waarbij de ge­ adresseerde niet ziet dat het gemanipuleerde beelden zijn (cf. “deepfake”) onder het toepassingsgebied van voyeurisme vallen. Antwoord: wanneer het om volledig gemanipuleerde beelden gaat, lijkt dit niet onder het toepassingsgebied van voyeurisme te vallen, omdat de strafbaarstelling van voyeurisme – anders dan de strafbaarstelling van vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen – gekoppeld wordt aan de toestemming van een bepaald persoon. Bij gedeeltelijk gemanipuleerde beelden, lijkt er geen bezwaar te zijn.”. Wat de volledige “deepfake” of “deepnude” betreft, zijnde de volledig gemanipuleerde beelden, herinnert de minister eraan dat de echte persoon niet wordt herkend. de films sous les jupes du tribunal de Furnes). Il est particulièrement difficile de donner une définition ex­ haustive du voyeurisme. La technique de la plausibilité est dès lors appliquée dans les travaux de légistique concernant la définition et l’incrimination de voyeurisme. Celle-ci doit s’appliquer à un maximum de personnes et de circonstances, mais il est impossible de couvrir tous les cas de manière exhaustive dans la définition. Une précision détaillée figure dès lors également dans l’exposé des motifs. Mme Sophie De Wit (N-VA) revient sur la question des “deepnudes”. L’intervenante rappelle que le tribunal a seulement le pouvoir d’interpréter. C’est au législateur qu’il appartient d’incriminer des comportements. Elle demande au ministre de se pencher plus avant sur la question. Le ministre répète que les experts ont indiqué claire­ ment que les images partiellement manipulées relèvent du champ d’application de l’incrimination de voyeurisme. C’est aux cours et tribunaux qu’il incombe d’apprécier ce qu’il y a lieu d’entendre par “partiellement”. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n° 82 qui restreint la définition de la personne dénudée (DOC 55 2141/005). Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer qu’au regard de la justification de l’amendement, cet article sera éga­ lement applicable aux “deepnudes” partiels, mais pas aux “deepnudes” intégraux. L’incrimination en tant que telle n’est pas non plus adaptée. La membre s’enquiert des raisons de ce choix et demande de quelle disposition pénale relèvent dans ce cas les “deepnudes” intégraux, sans consentement. Concernant ce point précis, le ministre donne lecture de la note transmise par les membres de la Commission de réforme du droit pénal: “La question s’est posée de savoir si les images mani­ pulées au moyen de programmes informatiques pour lesquelles le destinataire ne s’aperçoit pas de la mani­ pulation (cf. “deepfakes”) relèvent du champ d’applica­ tion du voyeurisme. Réponse: lorsqu’il s’agit d’images entièrement manipulées, les faits ne semblent pas relever du voyeurisme dans la mesure où l’incrimination du voyeurisme – contrairement à l’incrimination de la production ou de la diffusion d’images d’abus sexuel d’un mineur – est liée au consentement d’une personne particulière. Dans le cas d’images partiellement manipu­ lées, il ne semble pas y avoir d’objection.”. (traduction) Quant aux “deepfakes” ou aux “deepnudes” inté­ graux, c’est-à-dire des images entièrement manipulées, le ministre souligne que la personne réelle n’est pas 2141/006 DOC 55 66 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Er kan hier dus ook geen toestemming worden gegeven of geweigerd. Amendement nr. 30 wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen. Amendement nr. 58 wordt aangenomen met 14 stem­ men en 1 onthouding. Amendement nr. 82 wordt aangenomen met 12 stem­ men tegen 1 en 3 onthoudingen. Het aldus geamendeerde artikel 9 wordt eenparig aangenomen. Art. 10 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/9 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 59 (DOC 55 2141/004) in, dat beoogt een technische ver­ betering aan te brengen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) betreurt ook hier het gebrek aan duiding in de memorie van toelichting. Het gaat hier wellicht over “sextortion” dat volgens professor Rozie onder de strafbaarstelling afpersing kan vallen ofwel onder dit artikel. Die keuze moet worden gemaakt. Het ontworpen artikel 417.49 bevat de rechtvaardi­ gingsgrond. Een minderjarige kan geen toestemming geven tenzij in bepaalde gevallen van “sexting”, in het kader van experimenteel gedrag. Dit artikel kan evenwel daarop een impact hebben. De minister antwoordt dat er geen nood is aan de invoering van een nieuwe strafbaarstelling “sextortion” dat een uiting van afpersing is. De lege ferenda wordt deze hypothese voorzien in de strafbaarstelling afpersing waarbij de situatie wordt opgenomen van het verkrijgen van een ongeoorloofd voordeel, met andere woorden “sextortion” en seksuele afpersing zijn wel degelijk strafbaar. De amendementen nrs. 51(partim), 59 en het aldus geamendeerde artikel 10 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. reconnue. Par conséquent, aucun consentement ne peut être donné ni refusé ici non plus. L’amendement n° 30 est rejeté par 11 voix contre 4. L’amendement n° 58 est adopté par 14 voix et une abstention. L’amendement n° 82 est adopté par 12 voix contre une et 3 abstentions. L’article 9, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité. Art. 10 Cet article vise à insérer un article 417/9 dans le même Code. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende­ ment n° 59 (DOC 55 2141/004) qui vise une correction technique. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) déplore ici aussi le manque de clarté de l’exposé des motifs. Il s’agit probablement de la “sextorsion” qui, selon le professeur Rozie, peut relever soit de l’incrimination de l’extorsion soit de cet article. Il faut opérer un choix à cet égard. L’article 417.49 proposé comporte une cause de justifi­ cation. Un mineur ne peut pas donner son consentement sauf dans certains cas de “sexting”, dans le cadre d’une expérimentation sexuelle. Cet article pourrait toutefois avoir un impact en la matière. Le ministre répond qu’il n’est pas nécessaire d’instaurer une nouvelle incrimination de “sextorsion”, car il s’agit d’une forme d’extorsion. Cette hypothèse est prévue de lege ferenda dans l’incrimination d’extorsion, qui vise la situation dans laquelle l’auteur obtient un avantage illicite. En d’autres termes, la “sextorsion” et l’extorsion sexuelle sont bien punissables. Les amendements nos 51 (partim) et 59 et l’article 10, ainsi modifié, sont successivement adoptés à l’unanimité. 67 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 11 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/10 in hetzelfde Wetboek en betreft de perfide niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 35 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt niet langer gebruik te maken van het woord “perfide”. Zij merkt op dat haar amendementen nrs. 36 tot 46 hetzelfde doel nastreven. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat gelijkaardig is aan dat van mevrouw De Wit. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) geeft aan dat in de Franse tekst van het amendement een technische verbetering moet worden aangebracht; vóór de woor­ den “une intention méchante ou dans un but lucratif” moet namelijk het woord “avec” worden ingevoegd. De minister en de commissie stemmen in met deze louter taalkundige verbetering. Amendmement nr. 35 wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen. De amendementen nrs. 51(partim), 52(partim) en het aldus geamendeerde artikel 11 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 12 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/11 in hetzelfde Wetboek en betreft de verkrachting. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat de “oude” wet in deze voorziet in een aantal uitzonderingen zoals tongzoenen en instrumenten van de tandarts in de mond. Zij gaat ervan uit dat deze interpretatie niet wordt gewijzigd. Tijdens de hoorzittingen heeft professor Catherine Van de Heyning de vraag gesteld of de opdracht tot ver­ krachting ook niet zou moeten worden toegevoegd aan de strafbaarstelling. Professor Rozie heeft hierop gesteld dat de opdrachtgever ook een dader is. Het lid kan zich Art. 11 Cet article vise à insérer un article 417/10 dans le même Code. Il concerne la diffusion non consensuelle perfide d’images et d’enregistrements à caractère sexuel. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 35 (DOC 55 2141/003) qui vise à ne plus faire usage du mot “perfide”. Elle signale que ses amende­ ments nos 36 à 43 ont le même objet. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amende­ ment n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui est similaire à celui de Mme De Wit. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne qu’une correction technique doit être apportée à l’amendement: le mot “avec” doit être ajouté devant les mots “une inten­ tion méchante ou dans un but lucratif”. Le ministre et la commission marquent leur accord avec cette correction purement légistique. L’amendement n° 35 est rejeté par 11 voix contre 4. Les amendements nos 51 (partim) et 52 (partim) et l’article 11, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 12 Cet article vise à insérer dans le même Code un article 417/11 relatif au viol. Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que l’“ancienne” loi prévoit en la matière plusieurs exceptions telles que le baiser avec la langue et l’introduction d’instruments dans la bouche par le dentiste. Elle suppose que cette interprétation ne sera pas modifiée. Lors des auditions, le professeur Catherine Van de Heyning a posé la question de savoir si le fait de commanditer un viol ne devrait pas également être ajouté à cette incrimination. Le professeur Rozie a répondu que le commanditaire doit également être considéré comme 2141/006 DOC 55 68 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hierbij aansluiten doch meent dat dit dan duidelijk moet worden vermeld in de parlementaire voorbereidingen. Het lid merkt op dat de minister de strafmaat verhoogt, wat een goede zaak is. In het nieuwe Strafwetboek zal de correctionalisering verdwijnen maar dat is nog niet voor vandaag. De minister institutionaliseert nu eigenlijk de automatische correctionalisering. Zij verwijst in deze naar de oplossing voorgesteld in haar voorstel tot her­ ziening van artikel 150 van de Grondwet, teneinde de juryrechtspraak voor seksuele misdaden af te schaffen (DOC 55 2100/001). Doordat de minister nu evenwel een voorafname doet op de algemene hervorming van het Strafwetboek en er nog altijd correctionalisering is, wordt zijn poging om de strafmaat te verhogen door de automatische cor­ rectionalisering (moet anders worden behandeld voor assisen), tenietgedaan. Zij neemt aan dat dit niet de bedoeling van de minister is. De minister verwijst naar de memorie van toelichting waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat tongzoenen en de andere uitzonderingen in de oude wet niet als ver­ krachting kunnen worden gekwalificeerd. Hij bevestigt voorts dat het geven van de opdracht tot verkrachting valt onder mededaderschap. Wat de strafmaat betreft, merkt hij op dat de maxi­ mumstraf in de feiten weldegelijk wordt verdubbeld. Hij stelt voor om de discussie over artikel 150 van de Grondwet te voeren in de daartoe bevoegde commis­ sie. Bij de bespreking van het nieuwe Strafwetboek zal sowieso de techniek van de correctionalisering grondig worden herbekeken. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) beaamt dat het gaat over een ander debat. Wanneer evenwel deze ernstige feiten automatisch worden gecorrectionaliseerd om ze niet voor assisen te brengen dan lijkt het logischer om daar gewoon kort spel mee te maken en, als de geesten nog niet rijp zijn om assisen af te schaffen, het uit de lijst waarvoor assisen bevoegd is te halen. Dit werd ook gedaan voor drukpersmidrijven in het kader van racisme en xenofobie. Ook verkrachting is volgens haar belangrijk genoeg om hetzelfde te doen. Mevrouw Katleen Bury (VB) herinnert de minister aan de vraag van professor Catherine Van de Heyning of livestream seksueel misbruik al dan niet onder de kwalificatie verkrachting valt. un auteur. La membre peut souscrire à ce point de vue, mais elle estime que cela devrait être clairement indiqué dans les travaux préparatoires. L’intervenante constate que le ministre augmente le taux de la peine, ce qui est une bonne chose. Le nou­ veau Code pénal supprimera la correctionnalisation, mais ce n’est pas pour tout de suite. Le ministre est en réalité en train d’institutionnaliser la correctionnalisa­ tion automatique. L’intervenante renvoie à cet égard à la solution figurant dans sa proposition de révision de l’article 150 de la Constitution en vue de supprimer le jury pour les crimes sexuels (DOC 55 2100/001). Mais comme le ministre anticipe sur la réforme géné­ rale du Code pénal alors que la correctionnalisation existe encore, sa tentative d’augmenter le taux de la peine par la correctionnalisation automatique (sans quoi le dossier devrait être traité par la cour d’assises) est anéantie. L’intervenante suppose que telle n’est pas l’intention du ministre. Le ministre renvoie à l’exposé des motifs, qui indique explicitement que le baiser avec la langue et les autres exceptions figurant dans l’ancienne loi ne peuvent pas être qualifiés de viol. Il confirme par ailleurs que le fait de commanditer un viol relève de la notion de participation comme coauteur. En ce qui concerne la peine, le ministre souligne que la peine maximum est doublée dans les faits. Il propose que la discussion sur l’article 150 de la Constitution soit menée au sein de la commission compétente. La technique de la correctionnalisation sera en tout état de cause reconsidérée de façon approfondie lors de la discussion consacrée au nouveau Code pénal. Mme Sophie De Wit (N-VA) reconnaît qu’il s’agit d’un autre débat. Pour autant, lorsque ces faits graves sont automatiquement correctionnalisés pour éviter de les porter devant les assises, il semble plus logique de couper court et, si les mentalités ne sont pas encore mûres pour supprimer la Cour d’assises, de les retirer de la liste des infractions dont la cour peut être saisie. Cela a également été fait pour les délits de presse dans le cadre du racisme et de la xénophobie. L’intervenante estime que le viol est également suffisamment important pour faire de même. Mme Katleen Bury (VB) rappelle au ministre la question adressée par la professeure Catherine Van de Heyning de savoir si les abus sexuels en live-streaming tombent ou non sous la qualification du viol. 69 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Ben Segers (Vooruit) wenst te vernemen of opgedrongen zelfpenetratie valt onder de notie verkrach­ ting. Verwijzend naar de memorie van toelichting inzake “stealthing” merkt hij op dat professor Stevens tijdens de hoorzitting heeft opgeworpen dat ook vrouwen kunnen veinzen gebruik te maken van een vrouwencondoom. Kan de minister dit verduidelijken? De minister antwoordt dat opgedrongen penetratie wel degelijk strafbaar is dankzij de toevoeging aan de huidige definitie van de woorden “met behulp van een persoon”. Hij beaamt voorts dat “stealthing” betrekking heeft op zowel mannen als vrouwen. Artikel 12 wordt eenparig aangenomen. Art. 13 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling “Verzwaarde misdrijven” in afdeling 1 van artikel 3 van hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 13 wordt eenparig aangenomen. Art. 14 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/12 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen met de dood tot gevolg. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, waarmee wordt beoogd bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 49 (partim) en het aldus geamen­ deerde artikel 14 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 15 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/13 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen voorafgegaan door of gepaard gaand met foltering, opsluiting of zwaar geweld. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. M. Ben Segers (Vooruit) demande si l’autopénétration forcée relève de la notion de viol. Renvoyant à l’exposé des motifs à propos du “stealthing”, il fait observer que durant les auditions, le professeur Stevens a objecté que les femmes peuvent, elles aussi, feindre d’utiliser un préservatif féminin. Le ministre pourrait-il clarifier ce point? Le ministre répond que la pénétration forcée est bel et bien punissable grâce à l’ajout, dans la définition actuelle, des mots “ou avec l’aide d’une personne”. Il admet en outre que le “stealthing” touche les hommes comme les femmes. L’article 12 est adopté à l’unanimité. Art. 13 Cet article vise à insérer une sous-section 3 intitu­ lée “Des infractions aggravées” dans la section 1re de l’article 3 du même Code. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 13 est adopté à l’unanimité. Art. 14 Cet article vise à insérer un article 417/12 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels ayant entraîné la mort. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 49 (partim) et l’article 14 tel qu’amen­ dé sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 15 Cet article vise à insérer un article 417/13 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels précédés ou accompagnés de torture, de séquestration ou de violence grave. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. 2141/006 DOC 55 70 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Amendement nr. 49 (partim) en het aldus geamen­ deerde artikel 16 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 16 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/14 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen gepleegd onder bedreiging van een wapen of op een wapen gelijkend voorwerp of na toediening van weerloos makende stoffen. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, met het oog op de ver­ vanging van bepaalde woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 53 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt de woorden “weer­ loos makende stoffen” te vervangen door de woorden “weerloos makende of remmingsverlagende stoffen”. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wenst te verne­ men op welke manier dit dan in het Nederlands wordt geformuleerd. Deze bepaling gaat over een dader die onder dwang weerloosmakende middelen geeft aan het slachtoffer met het oog op het misbruiken van dit slachtoffer. Hij moet dit proactief doen, wat moet worden nagegaan door de strafrechter. Overeenkomstig de memorie van toelichting kan het gaan over alcohol. De bepaling voorziet enkel in de hypothese dat de dader toedient of laat toedienen. Dus wanneer het slachtoffer zelf bewust stoffen inneemt, is de bepaling niet van toepassing. Maar alcohol kan ook kwetsbaar maken, evenwel is dan niet deze incriminatie van toepassing maar wel de verzwaarde incriminatie kwetsbare toestand (ontworpen artikel 417/15). Is dit correct? Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt of het niet raad­ zaam zou zijn om op de toegediende alcohol een pro­ mille voorop te stellen? Wat als het slachtoffer zelf de weerloosmakende stof inneemt? De minister stipt aan dat het amendement 53 enkel betrekking heeft op de Franse tekst. De redenering van mevrouw De Wit is correct. Hij verwijst voorts naar de memorie van toelichting waarin wordt gesteld dat alcohol ook als een weerloosmakende stof kan worden beschouwd. Dit zal steeds in concreto moeten worden nagegaan door de strafrechter. De L’amendement n° 49 (partim) et l’article 16 ainsi modifié sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 16 Cet article vise à insérer un article 417/14 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis sous la menace d’une arme ou d’un objet qui y ressemble ou après administration de substances inhibitives. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amende­ ment n° 53 (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer les mots “substances inhibitives” par les mots “substances inhibitives ou désinhibitives” dans le texte français. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) demande quelle sera alors la formulation dans le texte néerlandais. Cette disposition concerne l’auteur des faits qui force la victime à prendre des substances inhibitives pour abuser d’elle. Il doit le faire de manière proactive, un élément sur lequel le juge pénal devra se prononcer. L’exposé des motifs indique que l’alcool sera aussi considéré comme une substance inhibitive. Cette disposition ne prévoit que l’hypothèse où l’auteur des faits administre ou fait administrer la substance. Cela signifie dès lors qu’elle ne s’appliquera pas si la victime a ingéré volon­ tairement la substance. Mais si l’alcool peut aussi rendre vulnérable, ce n’est toutefois pas cette incrimination qui s’appliquera dans ce cas, mais l’incrimination plus grave relative à une situation de vulnérabilité (article 417/5 en projet). Est-ce correct? Mme Katleen Bury (VB) demande s’il ne serait pas judicieux de fixer un seuil d’alcoolémie pour l’alcool servi? Quid si la victime ingère elle-même la substance inhibitive? Le ministre indique que l’amendement n° 53 ne concerne que le texte français. Le raisonnement de Mme De Wit est correct. Il renvoie ensuite à l’exposé des motifs, qui indiquent que l’alcool peut également être considéré comme une substance inhibitive. Le juge pénal devra toujours se prononcer au cas par cas. La disposition concerne uniquement 71 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bepaling viseert alleen de hypothese dat de dader de weerloosmakende stof toedient/laat toedienen en niet de hypothese dat het slachtoffer zelf met kennis van zaken de weerloosmakende stof heeft opgenomen. Dit neemt niet weg dat het slachtoffer in die hypothese mogelijks als kwetsbaar slachtoffer kan worden aangemerkt. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de pro­ blematiek van alcohol en kwetsbaarheid in de praktijk tot tal van discussies aanleiding zal geven. De amendementen nrs. 49 (partim), 53 en het aldus geamendeerde artikel 16 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 17 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/15 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen gepleegd op een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 36 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat deze bepaling de niet-consensuele handelingen op een kwets­ baar persoon betreft. Zij stelt vast dat bij voorgaande verzwaarde misdrijven geen onderscheid in de strafmaat wordt gemaakt tussen aantasting van de seksuele integriteit en verkrachting. Vanaf dit artikel gebeurt dat wel. Vanwaar dat onderscheid? Voorts merkt zij op dat wat over dit artikel in de memorie van toelichting staat eigenlijk thuishoort bij artikel 18. En dit is geen alleen­ staand geval. Vanaf hier is de memorie van toelichting dan ook een rommeltje. l’hypothèse où l’auteur des faits administre/fait administrer la substance inhibitive, et pas l’hypothèse où la victime a elle-même ingéré la substance en connaissance de cause. Cela n’empêchera pas que, dans cette dernière hypothèse, la victime soit considérée comme une victime vulnérable. Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne que la pro­ blématique de l’alcool et de la vulnérabilité entraînera d’innombrables discussions dans la pratique. Les amendements nos 49 (partim) et 53 et l’article 16 tel qu’amendé sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 17 Cet article vise à insérer un article 417/15 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis sur une personne dans une situation de vulnérabilité. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 36 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots au quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) note que cette disposition concerne les actes non consensuels sur une personne vulnérable. Elle constate que pour les infractions aggra­ vées précédentes, aucune distinction n’était faite dans le degré de la peine entre l’atteinte à l’intégrité sexuelle et le viol. À partir de cet article, c’est le cas. Pourquoi cette distinction? Elle note également que le commentaire de cet article dans l’exposé des motifs correspond en fait à l’article 18. Et ce n’est pas un cas isolé. À partir d’ici, l’exposé des motifs est un fouillis. 2141/006 DOC 55 72 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister antwoordt dat wat de laatste bemerking betreft een menselijke fout mogelijk is. Hij verduidelijkt dat de strafmaat telkens met één trap wordt verhoogd bij het misdrijf verkrachting. Bij een kwetsbaar persoon leidt dit er inderdaad toe dat de strafmaat 20 tot 30 jaar wordt en na toediening van weerloosmakende stof­ fen 15 tot 20 jaar. Het artikel “onder bedreiging van een wapen” bestaat reeds in het huidig Strafwetboek en daaraan worden nu de weerloosmakende stoffen toegevoegd; het is dus een vertaalslag van de huidige strafmaat met één trap omhoog. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vindt het niet altijd logisch maar het zijn keuzes die worden gemaakt. Uit de straf die wordt opgelegd, wordt vaak afgeleid wat de samenleving het ergst vindt. Is kwetsbare toestand dan erger dan onder bedreiging van een wapen? De minister antwoordt dat dan de huidige strafmaat van bedreiging van een wapen plots met twee strafmaten omhoog zou gaan, wat niet de bedoeling is. Het zou ook inconsistentie kunnen veroorzaken met het huidig Strafwetboek. Bij het begin van de werkzaamheden werd de bewuste keuze gemaakt dat niet met 2 strafmaten zou worden verhoogd. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan­ gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 36 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), 52 (partim) en 85 (partim) en het aldus geamendeer­ de artikel 17 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 18 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/16 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen gepleegd op een minderjarige die geen volle zestien jaar oud is. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 37 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Le ministre répond qu’en ce qui concerne la dernière remarque, une erreur humaine est possible. Il précise que le degré de la peine est toujours augmenté d’un cran pour le crime de viol. Dans le cas d’une personne vulnérable, cela a effectivement pour effet de porter la peine de 20 à 30 ans et, après l’administration de substances inhibitives, de 15 à 20 ans. L’article “sous la menace d’une arme” existe déjà dans le Code pénal actuel, auquel s’ajoutent désormais les substances inhibitives; il s’agit donc d’une traduction des sanctions actuelles en les augmentant d’un cran. Mme Sophie De Wit (N-VA) pense que ce n’est pas toujours logique, mais ce sont des choix qui sont faits. La peine qui est infligée reflète souvent ce que la société trouve le plus grave. Une situation de vulnérabilité est- elle pire que d’être sous la menace d’une arme? Le ministre répond que cela signifierait que la peine actuelle pour avoir menacé avec une arme augmenterait soudainement de deux degrés de peine, ce qui n’est pas l’intention. Elle pourrait également entraîner une incohérence avec le Code pénal actuel. Au début des travaux, on a délibérément choisi de ne pas augmenter la sanction de deux degrés de peine. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur” par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 36 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim), 52 (par­ tim) et 85 (partim) et l’article 17 tel qu’amendé sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 18 Cet article vise à insérer un article 417/16 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis sur un mineur âgé de moins de seize ans accomplis. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 37 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots au quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. 73 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat in de memorie van toelichting de uitleg over dit artikel in artikel 17 staat. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan­ gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 37 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 52 (partim) en 85 (partim) en het aldus geamendeerde artikel 18 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 19 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/17 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen gepleegd op een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 38 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen in het vierde streepje. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat dit artikel gaat over de niet-consensuele seksuele handelingen gepleegd op een minderjarige boven de volle leeftijd van 16 jaar en herinnert de minister aan de eerdere discussie over de woorden “met behulp van” en vraagt om ook dit voor te leggen aan de experten. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que, dans l’exposé des motifs, le commentaire de cet article figure sous l’article 17. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur” par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 37 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 52 (partim) et 85 (partim) et l’article 18 tel qu’amendé sont successi­ vement adoptés à l’unanimité. Art. 19 Cet article tend à insérer un article 417/17 dans le même Code. Il porte sur les actes à caractère sexuel non consensuels commis sur un mineur de plus de seize ans accomplis. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 38 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer des mots au quatrième tiret. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que cet article vise les actes à caractère sexuel non consensuels commis sur un mineur de plus de seize ans accomplis et rappelle au ministre la discussion précédente à pro­ pos des mots “à l’aide d’un mineur”, puis demande de soumettre également ce point aux experts. 2141/006 DOC 55 74 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Deze bepaling betreft de verhoging van de strafmaat van 5 tot 10 jaar naar 10 tot 15 jaar voor zowel voyeurisme als aanranding van de eerbaarheid, en van 10 tot 15 jaar naar 15 tot 20 jaar voor verkrachting. De vraag stelt zich evenwel of dit voor voyeurisme en verspreiding van seksueel getinte beelden niet een heel strenge straf is voor een praktijk die onder jongeren wel vaker blijkt voor te komen? De minister beaamt de eerste kwestie te zullen voor­ leggen aan de experten. Hij verduidelijkt voorts dat voor de laatste kwestie een amendement voorhanden is om de strafbaarstelling gelijk te trekken. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan­ gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 38 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), 52 (partim) en 85 (partim) worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 19 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 20 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/18 in hetzelfde Wetboek en betreft incest. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 39 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt wij­ zingen aan te brengen in het tweede lid alsook het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Dit amendement strekt naast de vervanging van het woord “perfide” ook tot de uitbreiding van de bepaling tot de pleegouder, het pleegkind en de bloedverwanten van de ouders. Het lid stelt vast dat overeenkomstig dit artikel incest als verzwarende omstandigheid een autonome incrimi­ natie wordt. Zij zal bij de bespreking van artikel 21 dieper ingaan op het volgens haar onduidelijk onderscheid tus­ sen incest en niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen. Zij merkt terzijde op dat ook hier enkel sprake is van het woord “op” (een minderjarige) en niet “met behulp Cette disposition vise le passage de la peine de 5 à 10 ans à 10 à 15 ans pour le voyeurisme comme pour l’attentat à la pudeur, et de 10 à 15 ans à 15 à 20 ans pour le viol. La question se pose toutefois de savoir s’il ne s’agit pas d’une peine très sévère pour le voyeurisme et la diffusion d’images à caractère sexuel, et donc pour une pratique qui apparaît assez courante chez les jeunes? Le ministre accepte de soumettre la première question aux experts. Il indique ensuite, en réponse à la dernière question, qu’un amendement a été prévu pour égaliser les peines. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur” par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 38 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim), 52 (partim) et 85 (partim) sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 19 ainsi amendé est adopté par 12 voix et 4 abstentions. Art. 20 Cet article vise à insérer un article 417/18 dans le même Code. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 39 (DOC 55 2141/003) qui vise à apporter des modifications dans l’alinéa 2 et à remplacer l’alinéa 3. Il est renvoyé à la justification. L’amendement à l’examen tend non seulement à remplacer le mot “perfide”, mais aussi à étendre la disposition visée au parent d’accueil, à l’enfant placé et aux parents des parents d’accueils. La membre indique qu’en vertu de l’article à l’examen, l’inceste, en tant que circonstance aggravante, entraîne une incrimination autonome. Elle indique qu’elle appro­ fondira, au cours de de la discussion de l’article 21, la distinction insuffisamment claire, selon elle, entre l’inceste et les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels. Elle fait observer au passage que, dans cet article également, il n’est question que d’actes commis “sur” 75 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van” en herinnert aan de kritiek van de OVB over de bewoordingen van deze strafbaarstelling. Zij roept de minister dan ook op om dit nog eens te bekijken. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) betreurt dat de volwassen slachtoffers van incest worden beschouwd als slachtoffers van niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen. De HRJ heeft dat tijdens de hoorzittingen eveneens bekritiseerd. Ook de volwassen slachtoffers van incest moeten gerechtigheid krijgen. Twee zaken die thans in de artikelen 20 en 21 met elkaar worden verhaspeld, moeten van elkaar worden gescheiden. Ten eerste moet er een artikel beschik­ baar zijn dat geweld door de partner behandelt, en ten tweede moet incest strafbaar worden gesteld, ongeacht de leeftijd van het slachtoffer. De minister verduidelijkt dat inzake adoptie, de me­ morie van toelichting duidelijk stelt dat onder bloed­ verwanten ook de adoptanten, de geadopteerde en de bloedverwanten van de adoptant worden begrepen. Hij zal evenwel nagaan of het niet raadzaam is om dit ook in de wet op te nemen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de coherentie. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden “op” te vervan­ gen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 39 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 52 (partim) en 85 (partim) worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 20 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 21 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/19 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele intra­ familiale seksuele handelingen. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 4 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt in het artikel wij­ zigingen aan te brengen, teneinde ook dit soort, jegens (un mineur) et non “à l’aide” d’un mineur et rappelle les critiques de l’OVB à propos de la formulation de cette incrimination. Elle appelle dès lors le ministre à la reconsidérer. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) regrette que les adultes victimes d’inceste soient considérés comme des victimes d’actes sexuels intrafamiliaux non-consensuels. Le CSJ l’a aussi critiqué lors des auditions. Il faut que les victimes adultes d’inceste trouvent également justice. Il faut séparer deux choses qui sont actuellement mélangées dans les articles 20 et 21. D’une part, il faut disposer d’un article qui évoque la violence du parte­ naire. D’autre part, il faut criminaliser l’inceste, quelque soit l’âge de la victime. Le ministre précise qu’en matière d’adoption, l’exposé des motifs indique clairement que, par parent, il convient aussi d’entendre l’adoptant, l’adopté et les parents de l’adoptant. Toutefois, il examinera s’il ne serait pas judicieux de le préciser aussi dans la loi. Il convient en effet de faire preuve de cohérence à cet égard. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur” par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 39 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 52 (partim) et 85 (partim) sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 20 tel qu’amendé est adopté par 12 voix et 4 abstentions. Art. 21 Cet article vise à insérer un article 417/19 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 4 (DOC 55 2141/002) tendant à apporter des modifications à l’article en vue de qualifier d’inceste aussi ce type de 2141/006 DOC 55 76 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E meerderjarigen gepleegde feiten als incest te kwalificeren. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 40 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt be­ paalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 50 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft een poging gedaan om het verschil te zoeken tussen artikel 20 en artikel 21 dat de niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen betreft. Bij incest moet het altijd gaan over een minderjarige, er werd ook gekozen voor de opgaande lijn, bloedaan­ verwanten in de zijlijn, tot de derde graad en er is de notie “soortgelijke positie”. Bij intrafamiliaal seksueel geweld wordt de neerdalende lijn toegevoegd en is er niet de voorwaarde dat het slachtoffer minderjarig moet zijn. Het onderscheid tussen beide is belangrijk omdat de strafmaat bij incest hoger is. Een vader die zijn meerderjarige dochter verkracht, maakt geen incest uit maar intrafamiliaal seksueel ge­ weld. Een oom die een minderjarig neefje (derde graad) verkracht, is incest. Maar een neef, die meerderjarig is, en zijn minderjarig nichtje verkracht (vierde graad), maakt dan geen incest uit. Tenzij deze situatie onder de notie “soortgelijke positie” wordt geïnterpreteerd. Het kan evenwel ook geen intrafamiliaal seksueel geweld zijn want daar wordt de derde graad in aanmerking genomen. faits commis à l’égard de personnes majeures. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende­ ment n° 40 (DOC 55 2141/003) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 50 (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) a tenté de trouver la dif­ férence entre l’article 20 et l’article 21 qui concerne les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels. Dans le cadre de l’inceste, la victime doit toujours être mineure d’âge, le choix s’est aussi porté sur la ligne ascendante et les parents en ligne collatérale, jusqu’au troisième degré, et la notion de “position similaire” a été instaurée. Dans le cadre des actes à caractère sexuel intrafamiliaux, la ligne descendante a été ajoutée et la victime ne doit pas obligatoirement être mineure d’âge. La distinction entre ces deux notions importe dès lors que la peine est plus lourde en cas d’inceste. Cela signifie qu’un père qui viole sa fille majeure ne commet pas d’inceste mais un acte de violence intra­ familiale à caractère sexuel et qu’un oncle qui viole son neveu mineur d’âge (troisième degré) commet un inceste. Mais cela signifie alors qu’un neveu majeur qui viole sa nièce mineure (quatrième degré) ne commet pas d’inceste, à moins que cette situation soit interpré­ tée comme relevant de la notion de “position similaire”. Dans le cas présent, il ne peut toutefois pas non plus être question d’acte de violence intrafamiliale à caractère sexuel dès lors que c’est le troisième degré qui a été retenu à cet égard. 77 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het lid geeft nog de volgende voorbeelden inzake de neergaande en de opgaande lijn: een vader verkracht zijn minderjarige zoon wat incest uitmaakt waarop een straf van 20 tot 30 jaar staat. Een zoon verkracht zijn moeder dat intrafamiliaal seksueel geweld uitmaakt en wordt gestraft met 15 tot 20 jaar. Het onderscheid tussen incest en niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen is volgens haar niet altijd duidelijk, zal in de praktijk tot eigenaardige situaties aanleiding geven en heeft naar de strafmaat toe ernstige consequenties. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) stelt een technische vraag over amendement nr. 4. Daarin wordt voorgesteld om het opschrift van artikel 21 te wijzigen in “Incest je­ gens een meerderjarige”. Betekent dat niet dat seksueel geweld binnen een intieme relatie eveneens als incest zal worden beschouwd? Dat artikel stelt namelijk in uitzicht dat ook de door een partner gepleegde niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen als dusdanig wor­ den beschouwd. Zouden niet alle aangelegenheden in verband met incest moeten worden samengebracht in artikel 20? Artikel 21 zou dan betrekking kunnen hebben op seksueel geweld binnen een intieme relatie. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst erop dat haar initiële wetsvoorstel een onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming onder de leeftijd van achttien jaar beoogde. Voor personen ouder dan achttien jaar zou dat onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming niet langer gelden. Veel sprekers hebben benadrukt dat het belangrijk is bepaalde gewelddaden ook boven de leeftijd van achttien jaar te blijven kwalificeren als incest, ook al beginnen die daden vaak vóór de leeftijd van achttien jaar. Onder meer SOS inceste had het over situaties waarbij incestueuze handelingen een aanvang nemen na de leeftijd van achttien jaar. De spreekster benadrukt het initiatief van de minister, die een taboe heeft doorbroken en zegt waar het op staat. Dat is een gigantische stap voorwaarts. Men moet de inspanning nu voltooien en dus ook wat boven de leeftijd van achttien jaar gebeurt als incest bestempelen. Dat was een vraag van veel verenigingen, waaronder SOS Inceste. Wat de vragen van de heer Boukili betreft, vraagt de spreekster zich af of huwelijksbetrekkingen zonder toestemming onder de gelding van een ander artikel zouden kunnen vallen, zoals dat in verband met de aantasting van de lichamelijke integriteit. Kan er een afzonderlijk artikel over incest komen en daarnaast een specifiek artikel over geweld binnen het huwelijk worden behouden? La membre cite encore les exemples suivants en ce qui concerne la ligne ascendante et descendante: un père qui viole son fils mineur, ce qui constitue un inceste, risque 20 à 30 ans d’emprisonnement, mais un fils qui viole sa mère, ce qui constitue un acte de violence intrafamiliale à caractère sexuel, risque 15 à 20 ans d’emprisonnement. L’intervenante estime que la distinction entre l’inceste et l’acte de violence intrafamiliale à caractère sexuel n’est pas toujours claire, qu’elle débouchera sur des situations étranges en pratique et qu’elle a de lourdes conséquences du point de vue de la peine. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) pose une question technique sur l’amendement n° 4. Celui-ci propose de modifier l’intitulé de l’article 21 en “inceste à l’égard d’une personne majeure”. Cela ne signifie-t-il pas que la violence sexuelle au sein d’une relation intime sera également considérée comme un inceste? En effet, cet article prévoit que les actes à caractère sexuel intrafa­ miliaux non consensuels comprennent ceux commis par un partenaire. Ne faudrait-il pas regrouper toutes les questions relatives à l’inceste dans l’article 20? L’article 21 pourrait lui alors viser les violences sexuelles au sein d’une relation intime. Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que sa proposition de loi initiale prévoyait une présomption irréfragable de non consentement en dessous de 18 ans. Au-delà de 18 ans, il n’y avait plus cette présomption irréfragable de non-consentement. Beaucoup d’intervenants ont souligné qu’il était important de continuer à qualifier d’inceste au-delà de 18 ans, même si les actes de vio­ lence commencent souvent avant 18 ans. SOS inceste notamment a mentionné des situations dans lesquelles les actes incestueux commençaient après 18 ans. L’oratrice souligne l’initiative du ministre qui a brisé un tabou et qui dit les choses telles qu’elles sont. C’est un pas immense. Il faut pouvoir aller jusqu’au bout de l’exercice et donc qualifier d’inceste ce qui se passe au-delà de 18 ans. C’était une demande de beaucoup d’associations, notamment SOS Inceste. Concernant les questions de M. Boukili, l’oratrice se demande si les relations conjugales non consenties pourraient tomber sous le spectre d’un autre article comme l’atteinte à l’intégrité physique. Peut-on faire un seul article sur l’inceste et conserver un article spécifique pour les violences conjugales? 2141/006 DOC 55 78 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Er kunnen zich ook bepaalde situaties voordoen waarbij wel sprake is van toestemming. Mevrouw Matz neemt het voorbeeld van een stiefvader en een achttien­ jarige stiefdochter. Er kan ook in verschillende straffen worden voorzien. In elk geval moet incest als dusdanig kunnen worden gekwalificeerd, teneinde de slachtoffers te erkennen en opdat de daders beseffen dat ze voor hun schandelijke handelingen kunnen worden gestraft. De heer Khalil Aouasti (PS) wijst erop dat, wat de kwalificatie van incest voor volwassenen betreft, de beleidskeuze werd gemaakt om te voorzien in een onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming voor minderjarigen. Bij een relatie tussen meerderjarigen lijkt het moeilijk te voorzien in een dergelijke onweerlegbaar vermoeden. Hoe zit het bijvoorbeeld met de relatie tus­ sen stiefzussen en stiefbroers (een relatie in de derde graad)? Het zou betekenen dat twee volwassenen die elkaar binnen een nieuw samengesteld gezin hebben leren kennen, zouden worden gestraft. De belangrijke vraag is gerezen hoe het dan zit met iemand die zich in een situatie van incest bevond toen hij minderjarig was, maar van wie die situatie pas bij de volwassen leeftijd aan het licht is gekomen. Ook een dergelijke situatie moet aan regels worden onderworpen. De heer Aouasti benadrukt het hier nagestreefde evenwicht, namelijk het zoeken naar een andere kwa­ lificatie. Het is een stap voorwaarts die rekening houdt met verschillende parameters en die het mogelijk maakt een antwoord te bieden op een hele reeks bestaande situaties. Wat het wettelijke aspect betreft, is het moei­ lijk om twee identieke termen te gebruiken voor twee realiteiten die dicht bij elkaar kunnen liggen, maar van elkaar kunnen verschillen. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) verduidelijkt dat ze in haar wetsvoorstel wel degelijk een onderscheid maakt tussen het onweerlegbaar vermoeden onder de leeftijd van achttien jaar en het klassieke vermoeden boven die leeftijd. Wat de toestemming in het algemeen betreft, bevat het Strafwetboek ook onweerlegbare vermoedens en vermoedens die niet onweerlegbaar zijn. Er moet met alle situaties rekening worden gehouden. Waarom wordt die logica niet doorgezet? In welk opzicht zou dit consensuele betrekkingen strafbaar kunnen stellen? Dit wetsontwerp maakt in zijn huidige vorm al op tal van vlakken een onderscheid. Men mag het doel niet voor­ bijschieten. Het is louter een kwestie van samenhang. Het is noch een politieke, noch een filosofische kwestie. Il peut exister aussi certaines situations consenties. Mme Matz prend l’exemple entre un beau-père et une belle-fille de 18 ans. On peut aussi prévoir des peines différentes. En tout cas, il faut pouvoir qualifier l’inceste pour ce qu’il est, ceci en vue d’une reconnaissance des victimes et aussi pour que les auteurs sachent qu’ils peuvent être incriminés pour les actes odieux qu’ils posent. M. Khalil Aouasti (PS) indique, concernant le fait de qualifier l’inceste pour les adultes, que le choix politique a été fait de prévoir une présomption irréfragable de non consentement pour les mineurs. Lorsqu’on est dans une relation entre majeurs, il parait compliqué de prévoir une telle présomption irréfragable. Quid par exemple de la relation entre belles-sœurs et beaux-frères (relation du 3e degré)? On pénaliserait deux personnes adultes qui se sont rencontrées, adultes, dans le cadre d’une telle recomposition familiale. La question importante a été soulevée de la situation, révélée au moment où la personne devient adulte, où elle se trouvait dans une situation d’inceste lorsqu’elle était mineure. Il faut aussi ici régler ce type de situation. M. Aouasti souligne l’équilibre qui a été choisi ici qui est de trouver une autre qualification. C’est une avancée qui prend en compte différents paramètres et qui permet de répondre à toute une série de situations existantes. Sur le plan légal, il est difficile de mettre des termes identiques sur deux réalités qui peuvent se rejoindre certes mais qui peuvent être différentes. Mme Vanessa Matz (cdH) précise que son texte fait bien une différence entre la présomption irréfragable en-dessous de 18 ans et la présomption classique au-delà. Sur la question du consentement en général, dans le Code pénal, il y a aussi des présomptions irré­ fragables et d’autres qui ne le sont pas. On doit tenir compte de toutes les situations. Pourquoi ne pousse-t- on pas l’exercice jusqu’au bout? En quoi cela risque-t-il d’incriminer des relations consensuelles? Ce projet de loi fait déjà toute une série de distinctions actuellement. Il ne faut pas louper l’objectif. C’est uniquement une question de cohérence. La question n’est ni politique, ni philosophique. 79 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister herinnert eraan dat de HRJ geen voor­ stander is van een aparte strafbaarstelling voor incest. Dit advies werd evenwel niet gevolgd. Het is inderdaad zo dat er bij de strafbaarstelling incest wordt gekozen voor een onderscheid tussen minderjarigheid en meerderjarigheid. Een relatie tussen een meerderjarige broer en zus kan misschien moreel verwerpelijk zijn, maar is daarom niet strafbaar. In deze is toestemming van belang. Het voorbeeld van de vader die zijn meerderjarige dochter verkracht, is geen incest maar verkrachting, be­ halve als de verkrachting al plaatsvond als minderjarige en dus incest was, dan blijft het incest. De door mevrouw De Wit gegeven voorbeelden van neef en nicht, de derde versus de vierde graad zijn eveneens correct. De derde graad is de vooropgestelde grens. Verder dan de derde graad zou heel ver gaan. Maar als er geen toestemming is (of de betrokkene is te jong) dan betreft het uiteraard wel verkrachting. Incest strekt zich dus uit tot de derde graad, wat overeenkomt met het Burgerlijk Wetboek (inzake de bepalingen wan­ neer een huwelijk niet mogelijk is), en dus tot de oom, de tante, de nicht en de neef, maar inderdaad niet tot de nicht van de kozijn (de dochter van iemands oom of tante). Deze stelling stemt overeen met de maatschap­ pelijke opinie: als je niet met elkaar kunt trouwen, kun je ook geen seksuele betrekkingen hebben. Als een 50-jarige vader een relatie begint met een 19-jarige en er naderhand mee huwt. En deze laatste een relatie begint met de meerderjarige zoon van haar echtgenoot dan zou er sprake zijn van incest zijn. Dit gaat volgens de minister te ver. Vandaar dat bij meerderjarigen de notie “toestemming” van belang is en als voorwaarde wordt ingeschreven. Bij verkrachting verzwaard met intrafamiliaal geweld is toestemming mogelijk en is er bij toestemming geen misdrijf. De minister herinnert eraan dat dit nieuw seksueel strafrecht is gebaseerd op de notie “toestemming”. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst erop dat de vraag om wetgevend op te treden inzake incest van de Hoge Raad voor de Justitie komt. Daar werd dus gevolg aan gegeven, wat een goede zaak is. De deskundigen die aan de oorsprong van de ontwerphervorming liggen, achtten dit daarentegen niet noodzakelijk. Le ministre rappelle que le CSJ n’est pas favorable à l’instauration d’une incrimination distincte pour l’inceste. Toutefois, cet avis n’a pas été suivi. Il est exact qu’il a été choisi d’opérer une distinction entre la minorité et la majorité dans le cadre de l’incri­ mination de l’inceste. C’est pourquoi une relation entre un frère et une sœur majeurs n’est pas punissable, même si elle est peut-être moralement répréhensible. Le consentement importe toutefois à cet égard. L’exemple du père qui viole sa fille majeure ne constitue pas un inceste mais un viol, sauf s’il avait déjà violé sa fille lorsqu’elle était mineure, auquel cas il s’agissait et il s’agit toujours d’actes d’inceste. Les exemples cités par Mme De Wit concernant le neveu et la nièce, le troisième contre le quatrième degré, sont également corrects. Le troisième degré est la limite proposée, aller au-delà serait excessif. Mais en l’absence de consentement (ou lorsque la personne impliquée est trop jeune), il sera effectivement question de viol. La portée de la notion d’inceste s’étendra donc jusqu’au troisième degré, ce qui correspond à ce que prévoit le Code civil (les dispositions précisant les cas où un mariage n’est pas possible), et donc jusqu’à l’oncle, la tante, le neveu et la nièce, mais pas au cousin (la fille/ le fils de l’oncle ou de la tante). Ce choix correspond d’ailleurs à l’opinion de la société selon laquelle les personnes qui ne peuvent pas se marier entre elles ne peuvent pas non plus avoir des rapports sexuels. Si un père de cinquante ans entame une relation avec une femme de dix-neuf ans, qu’ils se marient, puis que la femme entame une relation avec le fils majeur de son époux, il serait question d’inceste. Le ministre estime que cela irait trop loin. C’est pourquoi la notion de consentement est importante pour les majeurs et a été instaurée comme condition. Il peut y avoir consentement en cas de viol aggravé par des actes de violence intrafamiliale et il n’y a pas d’infraction en cas de consentement. Le ministre rappelle que le nouveau droit pénal sexuel repose sur la notion de consentement. Mme Vanessa Matz (cdH) rappelle que c’est le Conseil supérieur de la Justice qui avait demandé de légiférer sur l’inceste. Cela a été fait, ce qui est très bien. Les experts à l’origine du projet de réforme par contre l’estimaient non nécessaire. 2141/006 DOC 55 80 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voorts is het zo dat alles om de toestemming draait. Indien die toestemming vrij wordt gegeven, waarom zou er dan sprake zijn van incest? Het gaat hier echter om situaties waarbij de betrokkenen ouder zijn dan acht­ tien jaar en waarin er geen sprake is van toestemming. Indien die toestemming vrij wordt gegeven, waarom zou er dan sprake zijn van incest? Waarom een hande­ ling bestraffen als zijnde een geval van incest, indien de toestemming werd gegeven? Indien geen toestemming werd gegeven en de betrokkenen ouder zijn dan acht­ tien jaar, dan heet zoiets incest. Dezelfde redenering gaat op voor verkrachting. Zodra twee volwassenen zich vermaken, is er geen sprake van verkrachting. Dat is wel het geval indien er geen toestemming werd gegeven. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat de expli­ ciete keuze werd gemaakt om van incest een afzonderlijk misdrijf te maken. Evenwel door niet met verzwarende omstandigheden te werken, heeft zij de indruk dat het eerder meer problemen zal creëren. Zij begrijpt dat wordt afgestemd op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek maar merkt op dat de minister dan ook in het ontworpen artikel 26, waar de vierde graad opeens een verzwarende omstandigheid uitmaakt, consequent moet zijn. De tweespalt tussen de artikelen 20 en 21 baar haar zorgen. De praktijk zal uitwijzen of haar bezorgdheid terecht is. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) wijst op een andere vooruitgang van artikel 21, waarbij de gewezen partners kunnen behoren tot de partners die intrafamiliaal ge­ weld kunnen plegen. Het is zeer belangrijk om inzake dat geweld ook rekening te houden met de relaties die voorbij zijn. De heer Boukili heeft gevraagd of geweld tussen partners of gewezen partners niet zou moeten worden opgenomen in een ander artikel dan dat over de andere vormen van intrafamiliaal geweld. De spreekster stelt dat die vraag inderdaad kan worden gesteld. Amendement nr. 4 wordt verworpen met 14 stemmen en 2 onthoudingen. Amendement nr. 40 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 50, 51(partim), en 52 (partim) worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Par ailleurs, toute la question est celle du consente­ ment. S’il est donné librement, pourquoi la question de l’inceste se poserait-elle? Ce qui doit être visé ici, ce sont les situations non consenties, au-delà de 18 ans. Si le consentement est donné librement, pourquoi la question de l’inceste se poserait-elle? Pourquoi incrimi­ ner d’inceste des choses qui ont été consenties? Dans les cas où ce n’est pas consenti, et au-delà de 18 ans, cela s’appelle de l’inceste. Le raisonnement est identique pour le viol. Dès que deux adultes se plaisent, il n’y a pas viol. Il y a viol s’il n’y a pas de consentement. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate qu’il a été choisi explicitement de faire de l’inceste une infraction distincte. Toutefois, en l’absence de circonstance aggravante, l’intervenante a l’impression que cette infraction sera plutôt source de davantage de problèmes. Si elle comprend la volonté de s’aligner sur les dis­ positions du Code civil, elle souligne néanmoins que le ministre doit aussi faire preuve de cohérence dans l’article 26 en projet, où le quatrième degré constitue soudainement une circonstance aggravante. Cette contradiction entre les articles 20 et 21 l’inquiète. La pratique montrera si ses inquiétudes étaient fondées. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) souligne une autre avancée de l’article 21, qui intègre dans la sphère des partenaires susceptibles de commettre des violences intrafamiliales les ex- partenaires. C’est très important de prendre en compte aussi les relations qui ont pris fin dans la compréhension de ses violences. M. Boukili demandait si les violences intrafamiliales entre partenaires ou ex-partenaires ne devraient pas être prévues dans un article séparé des autres violences intrafamiliales. L’oratrice souligne que cette question peut se poser en effet. L’amendement n° 4 est rejeté par 14 voix et 2 abstentions. L’amendement n° 40 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 50, 51 (partim) et 52 (partim) sont successivement adoptés à l’unanimité. 81 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het aldus geamendeerde artikel 21 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 22 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/20 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele sek­ suele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 41 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 41 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52 (partim) en het aldus geamendeerde artikel 22 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 23 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/21 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele seksu­ ele handelingen gepleegd door een persoon die zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt ten aanzien van het slachtoffer. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 42 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. L’article 21 tel qu’amendé est adopté par 12 voix et 4 abstentions. Art. 22 Cet article vise à insérer un article 417/21 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis avec un mobile discriminatoire. Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende­ ment n° 41 (DOC 55 2141/003) tendant à modifier des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 41 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et 52 (partim) et l’article 22 tel qu’amendé sont successi­ vement adoptés à l’unanimité. Art. 23 Cet article vise à insérer un article 417/22 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis par une personne qui se trouve en position d’autorité ou de confiance par rapport à la victime. Mme Sophie De Wit (N-VA) présente l’amende­ ment n° 42 (DOC 55 2141/003) tendant à modifier des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. 2141/006 DOC 55 82 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, teneinde bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat er ook hier een overlapping zal zijn met de vorige incriminaties. Amendement nr. 42 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52 (partim) en het aldus geamendeerde artikel 23 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 24 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/22 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-consensuele seksu­ ele handelingen gepleegd met de hulp of in aanwezigheid van een of meer personen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 43 (DOC 55 2141/003) in, tot wijziging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 52 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) acht de verzwarende omstandigheid bij groepsverkrachting terecht. Het is haar evenwel niet duidelijk waarom dit ook het geval is bij de verspreiding van beelden. Immers, verspreiding van beelden gebeurt altijd in groep of door meerdere personen. De minister legt uit dat dit kadert in een streven naar coherentie. De aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme, niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnamen, perfide niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnamen en verkrachting zijn de basismisdrijven, waaraan een strafverzwaring wordt toegevoegd bij hulp of aanwezigheid van een of meer personen die effectief aanwezig zijn. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne que dans ce cas précis aussi, il y aura un chevauchement avec les incriminations précédentes. L’amendement n° 42 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et 52 (partim) et l’article 23 tel qu’amendé sont successi­ vement adoptés à l’unanimité. Art. 24 Cet article vise à insérer un article 417/23 dans le même Code et concerne les actes à caractère sexuel non consensuels commis avec l’aide ou en présence d’une ou de plusieurs personnes. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 43 (DOC 55 2141/003) qui vise à modifier des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 52 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que la circons­ tance aggravante en cas de viol collectif est justifiée. Elle ne comprend toutefois pas clairement pourquoi il en va de même en ce qui concerne la diffusion d’images. La diffusion d’images est en effet toujours réalisée en groupe ou par plusieurs personnes. Le ministre explique que cela s’inscrit dans une re­ cherche de cohérence. L’atteinte à l’intégrité sexuelle, le voyeurisme, la diffusion non consensuelle d’images et d’enregistrements à caractère sexuel, la diffusion non consensuelle perfide d’images et d’enregistrements à caractère sexuel et le viol sont les infractions de base pour lesquelles un alourdissement de la peine est ajouté si une ou plusieurs personnes y ont prêté leur concours ou sont présentes et ce effectivement. 83 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Verspreiding van beelden door allerlei andere personen vallen niet onder het toepassingsgebied van dit artikel. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de verzwarende factoren niet op elk basismisdrijf van toe­ passing kunnen zijn. Zo kan een soa nooit het gevolg zijn van voyeurisme. Amendement nr. 43 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. De amendementen nrs. 49 (partim), 51 (partim), en 52 (partim) en het aldus geamendeerde artikel 24 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 25 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 4 “Algemene bepaling”. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 25 wordt eenparig aangenomen. Art. 26 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/23 in hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 49 (partim) (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaal­ de woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat de verzwarende factoren geen evident concept zijn. Dit komt waarschijnlijk omdat het wordt gehaald uit het nieuw toekomstig Strafwetboek en hier zomaar wordt ingepast. Ook de Raad van State heeft dit aangekaart. Voor een goed begrip: de verzwarende omstandigheid bepaalt de uitgangsstraf en verhoogt die. De verzwarende factoren zijn factoren die de rechter kan meenemen zonder dat hij een hogere uitgangsstraf kan nemen. Dit heeft te maken met de trappenschaal die in het nieuwe toekomstige Strafwetboek zal worden ingevoerd. In theorie valt het onderscheid tussen verzwarende factoren en verzwarende omstandigheden wel te be­ grijpen, maar de toepassing ervan in de praktijk kan toch ingewikkeld worden, temeer omdat sommige ver­ zwarende factoren (gedeeltelijk) zullen overlappen La diffusion d’images par toutes sortes de personnes autres que celles précitées ne relève pas du champ d’application de cet article. Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que les fac­ teurs aggravants ne peuvent pas s’appliquer à chaque infraction de base. Une MST ne peut ainsi jamais résulter du voyeurisme. L’amendement n° 43 est rejeté par 11 voix contre 5. Les amendements nos 49 (partim), 51 (partim) et 52 (partim) et l’article 24 ainsi amendé sont successi­ vement adoptés à l’unanimité. Art. 25 Cet article vise à insérer une sous-section 4 intitulée “Disposition générale”. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 25 est adopté à l’unanimité. Art. 26 Cet article vise à insérer l’article 417/23 dans le même Code et concerne les facteurs aggravants. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 49 (partim) (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) considère que les fac­ teurs aggravants ne constituent pas un concept clair. Le manque de clarté résulte probablement du fait que le futur nouveau Code pénal est cité et tout simplement inséré en l’espèce. Le Conseil d’État a également abordé ce point. Par souci de clarté, il est précisé que la circonstance aggravante détermine la peine applicable et l’alourdit. Les facteurs aggravants sont les facteurs que le juge peut prendre en compte sans pouvoir prendre une peine applicable plus élevée. Cela découle de l’approche graduelle qui sera introduite dans le futur nouveau Code pénal. Bien que la distinction entre les facteurs aggravants et les circonstances aggravantes soit effectivement compréhensible en théorie, son application dans la pratique pourra tout de même être complexe, à plus forte raison que certains facteurs aggravants chevaucheront 2141/006 DOC 55 84 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E met verzwarende omstandigheden. Bovendien wordt gesproken over aanverwantschap tot de vierde graad, terwijl dit in het bestaande straf- en burgerlijk recht en elders in het wetsontwerp, slechts tot de derde graad gaat. De OVB heeft daarom ook om de weglating van dit artikel gevraagd. Deze afwijking moet dan ook worden geduid. Idem voor de leeftijdsgrens op 10 jaar, die ook nergens anders in wetsontwerp wordt gebruikt. Dit is wederom een voorbeeld van hoe het uitlichten van het seksueel strafrecht uit het globale Strafwetboek de zaken bemoeilijkt. Mevrouw Katleen Bury (VB) meent, net als de Raad van State en de OVB, dat verduidelijking nodig is. Aangezien deze bepaling enkel zorgt voor onduidelijkheid pleit zij voor de weglating ervan. De minister beaamt dat het hier over een nieuw con­ cept gaat. Het wetsontwerp voorziet voor de verzwarende fac­ toren geen verhoging van de straf, maar geeft enkel een indicatie aan de rechter dat hij rekening dient te houden met de omstandigheden binnen eenzelfde strafvork. Wanneer hij een straf bepaalt, bijvoorbeeld bij een misdrijf ingegeven door culturele en religieuze drijfveren, kiest hij de hoogte ervan binnen de wettelijke vork van het maximum en het minimum van de straf. Hoewel hij binnen de vooropgestelde strafvork blijft, zal de keuze van de straf en de strafmaat moeten worden gemotiveerd in het licht van de verzwarende factoren, zijnde de culturele en religieuze drijfveren. De rechter dient zijn strafkeuze altijd uitdrukkelijk te motiveren en niet enkel wanneer die strafkeuze wordt opgeworpen door de raadslieden in hun conclusies. Dit nieuwe concept wordt ingevoerd als een opstap naar het nieuwe Strafwetboek. Hetzelfde wordt niet gedaan met de terbeschik­ kingstelling, omdat deze rechtsfiguur al bestaat in het Strafwetboek, bijvoorbeeld voor terrorisme. Het nu invoeren voor seksuele misdrijven zou impliceren dat deze rechtsfiguur moet worden gewijzigd in het huidige Strafwetboek, wat de zaken complex zou maken. De verzwarende omstandigheid betekent een trap omhoog in de trappenschaal van straffen en binnen de trap omhoog kunnen er ook verzwarende factoren zijn. Beide kunnen dus worden gecombineerd. De leeftijdsgrens van 10 jaar komt uit het huidig Strafwetboek en dient derhalve te worden behouden. (partiellement) des circonstances aggravantes. Il est en outre question d’alliance jusqu’au quatrième degré, tandis qu’il ne s’agit d’alliance que jusqu’au troisième degré dans le droit pénal et civil existant ainsi qu’ailleurs dans le projet de loi. L’OVB a dès lors également demandé de supprimer cet article. Il convient dès lors de préciser cette divergence. Il en va de même pour la limite d’âge de 10 ans, qui n’est également utilisée nulle part ailleurs dans le projet de loi. Ce qui précède illustre de nouveau à quel point tirer le droit pénal sexuel du Code pénal global complique les choses. Mme Katleen Bury (VB) estime, à l’instar du Conseil d’État et de l’OVB, qu’une clarification est nécessaire. Elle prône la suppression de cette disposition dès lors qu’elle n’induit que des imprécisions. Le ministre reconnaît qu’il s’agit d’un nouveau concept en l’espèce. Le projet de loi ne prévoit pas d’augmentation de la peine en ce qui concerne les facteurs aggravants, mais indique uniquement au juge qu’il doit tenir compte des circonstances dans une même fourchette pénale. Lorsqu’il détermine une peine, par exemple en cas d’infraction dictée par des motifs culturels et religieux, il choisit sa hauteur dans une fourchette légale de la peine maximale et de la peine minimale. Bien qu’il reste dans la fourchette pénale préconisée, le choix de la peine et du taux de la peine devra être motivé à la lumière des facteurs aggravants, à savoir les motifs culturels et reli­ gieux. Le juge doit toujours motiver expressément son choix de peine et ce non seulement si ce choix de peine est invoqué par les conseillers dans leurs conclusions. Ce nouveau concept est introduit comme une premier pas vers le nouveau Code pénal. Il n’en va pas de même avec la mise à disposition car cette figure juridique existe déjà dans le Code pénal, pour le terrorisme par exemple. L’introduire pour les infractions sexuelles impliquerait que cette figure juri­ dique doit être modifiée dans le Code pénal actuel, ce qui induirait une complication. La circonstance aggravante représente un échelon supérieur dans l’approche graduelle des peines et cet échelon supérieur peut également comprendre des facteurs aggravants. Il est ainsi possible de combiner les deux notions. Il convient dès lors de maintenir la limite d’âge de 10 ans qui provient du Code pénal actuel. 85 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De aanverwantschap tot de vierde graad is een po­ litieke keuze. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat inzake de terbeschikkingstelling de minister hiertoe wel overgaat inzake het beroepsgeheim en de verjaring. Hij doet als het ware aan “cherry picking”. De minister geeft het voorbeeld van een misdrijf gepleegd omwille van culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde eer. Zij wijst in dit verband op de overlapping met artikel 22 (discrimine­ rende drijfveer). Het lid begrijpt dat de rechter hiervoor kiest om te kunnen diversifiëren naargelang de feiten. Hij zal evenwel binnen de strafvork ook nu al hiermee rekening houden. Volgens haar dient in elk geval de aanhef (de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte ervan) van artikel 26 te worden gewijzigd. Immers, de factor kan enkel impact hebben op de zwaarte van de straf en niet zozeer op de keuze ervan. De keuze van de straf wordt immers al bepaald door de verzwarende omstandigheid. Als de keuze van de straf zou gaan over een al dan niet alternatieve bestraffing lijkt het haar voorts vreemd om rekening te houden met verzwarende factoren. Die fac­ toren zijn vaak net redenen om geen gunstmaatregel toe te kennen. De aanhef van het artikel stemt volgens haar dan ook niet overeen met hetgeen de minister wil bereiken. De minister verduidelijkt dat niet-consensuele seksu­ ele handelingen gepleegd vanuit een discriminerende drijfveer een verzwaard misdrijf uitmaken en niet gelijk staan met verzwarende factoren, zijnde uit culturele drijfveren, gewoonte, religie of eer. Wat de aanhef betreft, wijst hij erop dat er in bepaalde gevallen ook maatregelen, die niet noodzakelijk de klassieke straffen zijn, kunnen worden uitgesproken. De rechter in kwestie heeft dan de keuze. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat het dan moet worden geïnterpreteerd als zijnde het niet-toekennen van een alternatieve straf. Immers, met verzwarende factoren worden geen gunstmaatregelen gemotiveerd. De minister beaamt dat een verzwarende factor een reden kan zijn om een gunstmaatregel niet toe te kennen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 83 in (DOC 55 2141/005). De hoofdindienster overloopt de verantwoording van het amendement. L’alliance jusqu’au quatrième degré est un choix politique. Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer, en ce qui concerne la mise à disposition, que le ministre procède bel et bien de la sorte en matière de secret professionnel et de prescription. Il fait pour ainsi dire une sélection. Le ministre évoque l’exemple d’une infraction commise au nom de la culture, de la coutume, de la tradition, de la religion ou du prétendu “honneur”. L’intervenante renvoie à cet égard au chevauchement avec l’article 22 (mobile discriminatoire). La membre comprend que le juge choisit de pouvoir diversifier selon les faits. Il devra toutefois déjà en tenir compte à présent dans la fourchette de peines. Elle estime que le préambule de l’article 26 (le choix de la peine ou de la mesure et son intensité) doit en tout état de cause être modifié. Le facteur ne peut en effet avoir un impact que sur l’intensité de la peine et pas tellement sur son choix, le choix de la peine étant déjà déterminé par la circonstance aggravante. Si le choix de la peine concerne une peine alternative ou non, il lui semble en outre curieux de tenir compte de facteurs aggravants. Ces facteurs constituent souvent précisément la raison de ne pas accorder une mesure de faveur. Elle estime que le préambule de l’article ne correspond pas avec l’objectif que le ministre poursuit. Le ministre précise que les actes à caractère sexuel non consensuels avec un mobile discriminatoire consti­ tuent une infraction aggravée et ne s’apparentent pas avec des facteurs aggravants, à savoir des mobiles culturels, la coutume, la religion ou de l’honneur. S’agissant du préambule, il souligne que, dans certains cas, des mesures, qui ne sont pas nécessairement les peines classiques, peuvent également être prononcées. Le juge en question a le choix. Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que cela doit alors être interprété comme le fait de ne pas accorder une peine alternative. On ne justifie en effet pas des mesures de faveur sur la base de circonstances aggravantes. Le ministre convient en effet qu’un facteur aggra­ vant peut constituer un motif pour ne pas accorder une mesure de faveur. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n° 83 (DOC 55 2141/005). L’auteure principale en parcourt la justification. 2141/006 DOC 55 86 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister verduidelijkt dat het amendement aldus tegemoetkomt aan een bekommernis van mevrouw De Wit. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is tevreden met de aanpassing van de graad maar wijst erop dat er nog een aantal discrepanties blijven bestaan (zie de gegeven voorbeelden bij de bespreking van artikel 21). En het verschil tussen intrafamiliaal geweld enerzijds en incest anderzijds is naar strafmaat toe toch relevant. Zij herhaalt voorts dat de leeftijdsgrens van 10 jaar die wordt gebruikt bij de verzwarende factoren en die nergens anders in het wetsontwerp voorkomt hier terugkomt. Zij begrijpt dat keuzes moeten worden gemaakt, maar toch. De minister antwoordt dat de wetgever op een bepaald ogenblik grenzen moet trekken. De amendementen nrs. 83 en 49 (partim) worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 26 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 27 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 2 “Seksuele uitbuiting” bij artikel 2, hoofdstuk I/1. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 27 wordt eenparig aangenomen. Art. 28 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 1 “Seksuele uitbuiting van minderjarigen” bij artikel 27 in hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 28 wordt eenparig aangenomen. Art. 28/1 (nieuw) Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 5 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een nieuw artikel 28/1. Dit artikel beoogt een artikel 417/23/1 in te voegen, dat zou bepalen dat een minderjarige nooit wordt geacht uit vrije wil ermee te hebben ingestemd seksueel te worden uitgebuit. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Le ministre précise que l’amendement répond ainsi à une préoccupation de Mme De Wit. Mme Sophie De Wit (N-VA) est satisfaite de l’adaptation du degré, mais souligne que certaines de discordances subsistent (voir les exemples donnés lors de la discus­ sion de l’article 21). Et la différence entre la violence intrafamiliale, d’une part, et l’inceste, d’autre part, est tout de même pertinente pour ce qui est du taux de la peine. Elle rappelle également que la limite d’âge de 10 ans, qui est utilisée pour les facteurs aggravants et qui n’apparaît nulle part ailleurs dans le projet de loi, réapparaît ici. Elle comprend que des choix doivent être faits, mais quand même. Le ministre répond qu’à un moment donné, le légis­ lateur doit mettre des limites. Les amendements nos 83 et 49 (partim) sont succes­ sivement adoptés à l’unanimité. L’article 26, tel qu’amendé, est adopté par 12 voix et 4 abstentions. Art. 27 Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 2 in­ titulée “Exploitation sexuelle” dans l’article 2, chapitre I/1. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 27 est adopté à l’unanimité. Art. 28 Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 1re intitulée “De l’exploitation sexuelle de mineurs” dans l’article 27 du même Code. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 28 est adopté à l’unanimité. Art. 28/1 (nouveau) Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 5 (DOC 55 2141/002), qui vise à insérer un nouvel ar­ ticle 28/1. Cet article insère un article 417/23/1 prévoyant qu’un mineur d’âge n’est jamais réputé avoir donné son consentement librement aux fins de son exploitation sexuelle. Il est renvoyé à la justification. 87 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister begrijpt de intentie van het amendement maar antwoordt dat niemand akkoord kan gaan met uitbuiting. Het zou dan ook onlogisch zijn om dat hier toe te voegen. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) is van oordeel dat de toevoeging niet overbodig is. Er wordt al een onderscheid gemaakt in straf naargelang de betrokkene bij het misdrijf tussen de 16 en de 18 jaar of jonger dan 16 jaar oud is. Dat is niet te begrijpen. Die bepaling aan het begin van het hoofdstuk is nodig, teneinde erop te wijzen dat nooit van toestemming sprake kan zijn. Amendement nr. 5 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 29 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/24 in hetzelfde Wetboek en betreft het benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 64 (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) betreurt de beperkte toelichting over “grooming” in de memorie van toe­ lichting. De uitleg is bovendien ook verwarrend. Er is sprake van “grooming” zowel als autonoom misdrijf als van verzwarende factor (DOC 55 2141/001, blz. 55). Als autonoom misdrijf moet er een voorstel tot ontmoeting komen en de betrokkene moet handelingen stellen om die ontmoeting te kunnen (zie amendement nr. 64) be­ reiken. Maar voor “grooming” als verzwarende factor is benadering voldoende en is een voorstel tot ontmoeting niet meer vereist. Het komt haar dan ook voor dat de verzwarende factor eerder een poging tot “grooming” is. Kan de minister dit duiden? De minister legt uit dat “grooming” verboden is bij alle minderjarigen jonger dan 18 jaar. Het zou te ver gaan om dit ook strafbaar te stellen ten aanzien van meerderjarigen. Waar ligt immers dan de grens met het flirten. Als er sprake is van overlast, kan altijd worden teruggevallen op de strafbaarstelling van belaging. Het misdrijf verduidelijkt dat het benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden een verzwaard misdrijf en derhalve een autonoom misdrijf is. Het au­ tonoom misdrijf van “grooming” is voltooid wanneer het voorstel tot ontmoeting wordt geformuleerd en wordt gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke Le ministre comprend l’intention de l’amendement mais répond que personne ne peut consentir à sa propre exploitation. Il serait donc illogique de l’ajouter ici. Mme Vanessa Matz (cdH) est d’avis que cela n’est pas superflu. Il y a déjà des différences de peine suivant que les infractions aient lieu entre 16 et 18 ans ou en dessous de 16 ans. Cela n’est pas compréhensible. Il faut cette disposition chapeau au-dessus du chapitre, qui rappelle qu’il ne peut jamais y avoir de consentement. L’amendement n° 5 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. Art. 29 Cet article concerne l’insertion de l’article 417/24 dans le même Code et concerne l’approche d’un mineur à des fins sexuelles. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n° 64 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) regrette le peu d’ex­ plications sur la notion de “grooming” dans l’exposé des motifs. L’explication prête en outre à confusion. II est fait référence au grooming à la fois comme une infraction autonome et comme un facteur aggravant (DOC 55 2141/001, p. 55). Pour une infraction auto­ nome, il doit y avoir une proposition de rencontre et l’intéressé doit poser des actes afin de provoquer cette rencontre (voir l’amendement n° 64). Tandis que pour le grooming comme facteur aggravant, l’approximation est suffisante et une proposition de rencontre n’est plus requise. L’intervenante a donc le sentiment que le facteur aggravant est plutôt une tentative de grooming. Le ministre peut-il clarifier ce point? Le ministre explique que le “grooming” est interdit à l’égard de tous les mineurs de moins de 18 ans. Ce serait aller trop loin d’incriminer également le grooming pour les adultes. Où se situe, en effet, la limite du flirt? S’il est question de nuisance, on pourra toujours se rabattre sur l’incrimination du harcèlement. L’infraction précise que le fait d’approcher un mineur à des fins sexuelles est une infraction aggravée et, par conséquent, une infraction autonome. L’infraction auto­ nome de “grooming” est réalisée lorsque la proposition de rencontre est formulée et est suivie d’actes matériels pouvant conduire à une telle rencontre, conformément 2141/006 DOC 55 88 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ontmoeting, overeenkomstig amendement nr. 64, kunnen leiden. Dus “grooming” is verboden bij alle minderjarigen jonger dan 18 jaar. “Grooming” als verzwarende factor betreft artikel 26 (vijfde gedachtestreepje “het misdrijf werd gepleegd op een minderjarige beneden de volle leeftijd van zes­ tien jaar en is voorafgegaan door een benadering van een minderjarige vanwege de dader”). In dit verband wordt geen gewag gemaakt van “een voorstel tot ontmoeting”, doch wel van een “benadering” van het slachtoffer door de dader en dit om het onderscheid tussen verzwaard misdrijf en verzwarende factor te duiden. Er is ook wel degelijk een verschil tussen een voorstel tot ontmoeting doen (dat is een optie, je kan ontmoeten maar het is niet zeker dat je ook effectief een ontmoeting zal hebben) daar waar benadering een effectieve hande­ ling is. Onder “benadering” moet worden begrepen het effectief benaderen en voorbereiden van de minderjarige om zijn vertrouwen te winnen teneinde vervolgens te kun­ nen overgaan tot het plegen van een seksueel misdrijf. Wanneer het slachtoffer jonger dan 16 jaar is dan is er ook nog eens een verzwarende factor bij het verzwaard misdrijf “grooming”. Dit is de samenloop. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat het feit dat de toelichtingen in de memorie van toelichting niet altijd bij het juiste artikel staan de zaken er niet duide­ lijker op maken. Amendement nr. 64 en het aldus geamendeerde artikel 29 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 30 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 2 “Ontucht tegenover minderjarigen en kinderprostitutie” in afdeling 2 bij artikel 27 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 54 (DOC 55 2141/004) in, tot wijziging van artikel 30. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 54 en het aldus geamendeerde artikel 30 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 31 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/25 in hetzelfde Wetboek en betreft het bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontucht of prostitutie. à l’amendement n° 64. Le grooming est donc interdit à l’égard de tous les mineurs de moins de 18 ans. Le grooming comme facteur aggravant est traité à l’article 26, 5°: “l’infraction a été commise sur un mineur de moins de seize ans accomplis et a été précédée par une approche de ce mineur par l’auteur”. Dans ce contexte, il n’est pas question d’une “proposition de rencontre”, mais plutôt d’une “approche” de la victime par l’auteur, et ce afin de clarifier la distinction entre infraction aggravée et facteur aggravant. Il y a bel et bien une différence entre faire une pro­ position de rencontre (c’est une option: la possibilité d’une rencontre est engagée mais il n’est pas certain qu’elle aura effectivement lieu) et une “approche”, qui est un acte effectif. Le terme “approche” doit être compris comme le fait d’approcher effectivement le mineur afin de gagner sa confiance dans le but pouvoir commettre par la suite une infraction sexuelle. Si la victime est âgée de moins de 16 ans, il existe également un facteur aggravant associé à l’infraction aggravée de grooming. Il s’agit alors d’un concours. Mme Sophie De Wit (N-VA) fait observer que le fait que les explications contenues dans l’exposé des motifs ne renvoient pas toujours vers le bon article ne rend pas les choses plus claires. L’amendement n° 64 et l’article 29, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 30 Cet article concerne l’insertion d’une sous-section 2 in­ titulée “De la débauche de mineurs et de la prostitution enfantine” dans la section 2 du même Code, insérée par l’article 27. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 54 (DOC 55 2141/004), qui vise à modifier l’article 30. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 54 et l’article 30, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 31 Cet article vise à insérer l’article 417/25 dans le même Code et concerne l’incitation d’un mineur à la débauche ou à la prostitution. 89 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 55 (DOC 55 2141/004) in, tot vervanging van bepaalde woorden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 55 en het aldus geamendeerde artikel 31 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 32 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/26 in hetzelfde Wetboek en betreft het bewegen van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar tot het plegen van ontucht of prostitutie. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 6 (DOC 55 2141/002) in, tot vervanging van het tweede lid, met het oog op de verruiming van de straffen teneinde wie tussen 16 tot 18 jaar oud is zo goed mogelijk te beschermen. Een en ander strekt ertoe ter zake geen onderscheid meer te maken tussen de minderjarigen jonger dan 16 jaar en wie tussen 16 en 18 jaar oud is. Seksuele uitbuiting van minderjarigen is verboden. Er wordt verwezen naar de verantwoording. In bijkomende orde bij amendement nr. 6 dient mevrouw Vanessa Matz (cdH) amendement nr. 7 (DOC 55 2141/002) in, tot weglating van het artikel. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De minister merkt op dat reeds vandaag in het Strafwetboek minderjarigen worden opgedeeld in leeftijdscategorieën. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) antwoordt dat het bestaande onderscheid in het huidige Strafwetboek de wetgever er niet van mag weerhouden te streven naar verbetering, daar zich thans de gelegenheid voordoet om nog meer te moderniseren. Kordate bepalingen die voor alle minderjarigen de zaken op dezelfde manier regelen, zijn nodig. Amendement nr. 6 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Amendement nr. 7 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 32 wordt eenparig aangenomen. Art. 33 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/27 in hetzelfde Wetboek en betreft het werven van een min­ derjarige voor ontucht of prostitutie. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 55 (DOC 55 2141/004), qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 55 et l’article 31, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 32 Cet article vise à insérer l’article 417/26 dans le même Code et concerne l’incitation d’un mineur de moins de seize ans accomplis à la débauche ou à la prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 6 (DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer l’alinéa 2 en vue d’élargir les peines afin de permettre la meilleure protection possible des adolescents entre 16 et 18 ans. Il ne faut plus faire de différence entre les mineurs de moins de 16 ans et ceux entre 16 et 18 ans à cet égard. Toute exploitation sexuelle de mineurs est interdite. Il est renvoyé à la justification. En ordre subsidiaire, Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 7 (DOC 55 2141/002), qui vise à supprimer l’article, en ordre subsidiaire à l’amen­ dement n° 6. Il est renvoyé à la justification. Le ministre fait observer qu’aujourd’hui déjà, dans le Code pénal, les mineurs sont divisés en catégories d’âge. Mme Vanessa Matz (cdH) réplique que ce n’est pas parce que la différence existe dans le code pénal actuel qu’on ne peut pas chercher à améliorer les choses, étant donné qu’on a la chance ici de pouvoir moder­ niser davantage. Il faut des dispositions fortes réglant les choses de la même manière pour tous les mineurs. L’amendement n° 6 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’amendement n° 7 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. L’article 32, tel qu’amendé, est adopté à l’unanimité. Art. 33 Cet article vise à insérer l’article 417/27 dans le même Code et concerne le recrutement d’un mineur à des fins de débauche ou de prostitution. 2141/006 DOC 55 90 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 8 (DOC 55 2141/002) in, tot vervanging van het tweede lid. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 56 (DOC 55 2141/004) in, tot weglating van de woorden “zelfs met zijn toestemming”. Het komt er immers op aan elke mogelijkheid op grond waarvan een minderjarige op enigerlei wijze zou kunnen toestemmen met zijn eigen seksuele uitbuiting uit de tekst weg te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Hugon voegt eraan toe dat, naar haar oor­ deel, uit de hoge strafmaten waarin wordt voorzien blijkt dat dergelijk gedrag geenszins wordt geduld. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wil elke verwarring met de seksuele meerderjarigheid wegnemen. Daarom beoogt ze de straffen te verruimen, om de rechter in de mogelijkheid te stellen de straf zo goed mogelijk af te stemmen, naargelang van de omstandigheden van de zaak. Het is jammer dat inzake de seksuele uitbuiting van minderjarigen in de memorie van toelichting wordt verwe­ zen naar het Verdrag van Lanzarote en naar de seksuele meerderjarigheid. Dat onderscheid tussen 16 en 18 jaar dient in dit verband niet te worden gemaakt. Amendement nr. 8 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Amendement nr. 56 wordt eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 33 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 34 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/28 in hetzelfde Wetboek en betreft het werven van een min­ derjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar voor ontucht of prostitutie. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 9 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 9 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 1 en 3 onthoudingen. Artikel 34 wordt eenparig aangenomen. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 8 (DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer l’alinéa 2. Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts présentent l’amen­ dement n° 56 (DOC 55 2141/004), qui vise à supprimer les mots “même de son consentement”. En effet, il faut supprimer du texte toute possibilité pour un mineur de pouvoir consentir d’une quelconque manière à sa propre exploitation sexuelle. Il est renvoyé à la justification. Mme Hugon ajoute qu’à son sens, les taux importants de peine prévus ne témoignent d’aucune tolérance par rapport à ces comportements. Mme Vanessa Matz (cdH) souhaite enlever toute confusion avec l’âge de la majorité sexuelle. C’est la raison pour laquelle elle veut proposer des peines relati­ vement larges à disposition du juge. Il est regrettable que l’exposé des motifs prenne pour référence la Convention de Lanzarote et la majorité sexuelle pour ce qui concerne l’exploitation sexuelle des mineurs. Cette distinction entre 16 et 18 ans n’a pas lieu d’être dans ce contexte. L’amendement n° 8 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’amendement n° 56 est adopté à l’unanimité. L’article 33, tel qu’amendé, est adopté par 13 voix et 3 abstentions. Art. 34 Cet article vise à insérer l’article 417/28 dans le même Code et concerne le recrutement d’un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 9 (DOC 55 2141/002), qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 9 est rejeté par 12 voix contre une et 3 abstentions. L’article 34 est adopté à l’unanimité. 91 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 35 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/29 in hetzelfde Wetboek en betreft het houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 10 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 10 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Artikel 35 wordt eenparig aangenomen. Art. 36 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/30 in hetzelfde Wetboek en betreft het houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar ontucht of prostitutie pleegt. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 11 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 11 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 36 wordt eenparig aangenomen. Art. 37 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/31 in hetzelfde Wetboek en betreft het ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 12 (DOC 55 2141/002) in, dat beoogt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat in de memorie van toelichting (DOC 55 2141/001, blz. 76) uitdrukkelijk de opzetvereiste wordt vooropgesteld. Zij leidt uit de bewoordingen ook af dat het oogmerk om abnormaal profijt te halen wordt verlaten. Is dit correct? Het lid merkt terzijde op dat ook in deze problematiek van prostitutie de duiding in de memorie van toelichting niet altijd overeenstemt met de plaats van de artikelen in de wettekst. Art. 35 Cet article vise à insérer l’article 417/29 dans le même Code et concerne la tenue d’une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amende­ ment n° 10 (DOC 55 2141/002), qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 10 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’article 35 est adopté à l’unanimité. Art. 36 Cet article vise à insérer l’article 417/30 dans le même Code et concerne la tenue d’une maison de débauche ou de prostitution où un mineur de moins de seize ans accomplis se livre à la débauche ou à la prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 11 (DOC 55 2141/002), qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 11 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. L’article 36 est adopté à l’unanimité. Art. 37 Cet article vise à insérer un article 417/31 dans le même Code et concerne la mise à la disposition d’un mineur d’un local à des fins de débauche ou de prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 12 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’exposé des motifs (DOC 55 2141/001, p. 76) énonce expressé­ ment le critère d’intentionnalité. Elle déduit également du libellé que l’intention d’obtenir un profit anormal est abandonnée. Est-ce correct? En passant, la membre note que, dans cette problématique de la prostitution aussi, le commentaire de l’exposé des motifs ne correspond pas toujours à la place des articles dans le texte légal. 2141/006 DOC 55 92 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister beaamt dat de memorie van toelichting soms complex is maar dat bij een goede lezing ervan alles duidelijk is. Hij verduidelijkt dat het verboden is om gelijk wel voordeel te halen uit de prostitutie van een minderjarige. Amendement nr. 12 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Artikel 37 wordt eenparig aangenomen. Art. 38 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/32 in hetzelfde Wetboek en betreft het ter beschikking stel­ len van een ruimte aan een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar met het oog op ontucht of prostitutie. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 13 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 13 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 38 wordt eenparig aangenomen. Art. 39 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/33 in hetzelfde Wetboek en betreft de exploitatie van de on­ tucht of prostitutie van een minderjarige. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat niet wordt uitgelegd wat verstaan dient te worden onder exploitatie of uitbuiting. Er wordt verder ook geen duiding gegeven in de memorie van toelichting. Artikel 39 wordt eenparig aangenomen. Art. 40 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/34 in hetzelfde Wetboek en betreft de exploitatie van de ontucht of prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 40 wordt eenparig aangenomen. Le ministre convient que l’exposé des motifs est par­ fois complexe, mais qu’avec une bonne lecture, tout est clair. Il précise qu’il est interdit de tirer un quelconque profit de la prostitution d’un mineur. L’amendement n° 12 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’article 37 est adopté à l’unanimité. Art. 38 Cet article vise à insérer un article 417/32 dans le même Code et concerne la mise à disposition d’un local à un mineur de moins de seize ans accomplis à des fins de débauche ou de prostitution. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 13 (DOC 55 2141/002) qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 13 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. L’article 38 est adopté à l’unanimité. Art. 39 Cet article vise à insérer un article 417/33 dans le même Code et concerne l’exploitation de la débauche ou de la prostitution d’un mineur. Mme Sophie De Wit (N-VA) note qu’il n’est pas expliqué ce qu’il faut entendre par exploitation. Aucune explication n’est donnée dans non plus dans l’exposé des motifs. L’article 39 est adopté à l’unanimité. Art. 40 Cet article vise à insérer un article 417/32 dans le même Code et concerne l’exploitation de la débauche ou de la prostitution d’un mineur de moins de seize ans accomplis. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 40 est adopté à l’unanimité. 93 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 41 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/35 in hetzelfde Wetboek en betreft het verkrijgen van de on­ tucht of de prostitutie van een minderjarige. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 14 (DOC 55 2141/002) in, dat beoogt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 14 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Artikel 41 wordt eenparig aangenomen. Art. 42 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/36 in hetzelfde Wetboek en betreft het verkrijgen van de on­ tucht of de prostitutie van een minderjarige beneden de volle leeftijd van zestien jaar. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 19 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het artikel weg te laten. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 19 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Artikel 42 wordt eenparig aangenomen. Art. 43 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/37 in hetzelfde Wetboek en betreft de organisatie van ontucht of prostitutie van een minderjarige in vereniging. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 15 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan te brengen in het tweede lid. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 15 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Artikel 43 wordt eenparig aangenomen. Art. 44 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/38 in hetzelfde Wetboek en betreft het bijwonen van ontucht of prostitutie van een minderjarige. Art. 41 Cet article vise à insérer un article 417/35 dans le même Code et concerne l’obtention de la débauche ou de la prostitution d’un mineur. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 14 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 14 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’article 41 est adopté à l’unanimité. Art. 42 Cet article vise à insérer un article 417/36 dans le même Code et concerne l’obtention de la débauche ou de la prostitution d’un mineur de moins de seize ans. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 19 (DOC 55 2141/002) qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 19 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’article 42 est adopté à l’unanimité. Art. 43 Cet article vise à insérer un article 417/37 dans le même Code et concerne l’organisation de la débauche ou de la prostitution d’un mineur en association. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 15 (DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications dans l’alinéa 2. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 15 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’article 43 est adopté à l’unanimité. Art. 44 Cet article vise à insérer un article 417/38 dans le même Code et concerne le fait d’assister à la débauche ou à la prostitution d’un mineur. 2141/006 DOC 55 94 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) begrijpt uit de me­ morie van toelichting (DOC 55 2141/001, blz. 76) dat hieronder ook het welbewust bijwonen van pornografi­ sche voorstellingen waaraan het kind deelneemt in de zin van artikel 4.5 van de Europese richtlijn 2011/93/ EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinder­ pornografie, ressorteert. Artikel 44 wordt eenparig aangenomen. Art. 45 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/39 in hetzelfde Wetboek en betreft het reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 45 wordt eenparig aangenomen. Art. 46 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/40 in hetzelfde Wetboek en betreft het verzwaard reclame maken voor ontucht en prostitutie van een minderjarige. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 46 wordt eenparig aangenomen. Art. 47 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/41 in hetzelfde Wetboek en betreft het aanzetten tot het plegen van ontucht of exploitatie van de prostitutie van een min­ derjarige in het openbaar of door enige reclamemiddel. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) vraagt om verduidelijking met betrekking tot de misdrijven die in de artikelen 30 tot 47 worden bedoeld. In de me­ morie van toelichting (blz. 57-58) staat het volgende: “Naar aanleiding van de opmerking van het College van procureurs-generaal omtrent de vraag of de min­ derjarigheid als constitutief element van het misdrijf dient te worden beschouwd (eind bladzijde 20 en begin van bladzijde 21 van het advies van het College van procureurs-generaal) dient duidelijk te worden gesteld dat de bewijslast niet wordt omgekeerd en dat het feit dat het slachtoffer minderjarig is, volstaat om het strafbare feit vast te stellen; er is geen sprake van omkering van de bewijslast.”. Kan de minister dat bevestigen? Mme Sophie De Wit (N-VA) déduit de l’exposé des motifs (DOC 55 2141/001, p. 76), que cela concerne éga­ lement le fait d’assister en connaissance de cause à des spectacles pornographiques impliquant la participation d’un enfant, comme le prévoit l’article 4.5 de la direc­ tive européenne 2011/93/UE du 13 décembre 2011 relative à la lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi que la pédopornographie. L’article 44 est adopté à l’unanimité. Art. 45 Cet article vise à insérer un article 417/39 dans le même Code et concerne la publicité pour la débauche et la prostitution d’un mineur. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 45 est adopté à l’unanimité. Art. 46 Cet article vise à insérer un article 417/40 dans le même Code et concerne la publicité aggravée pour la débauche ou la prostitution d’un mineur. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 46 est adopté à l’unanimité. Art. 47 Cet article vise à insérer un article 417/41 dans le même Code et concerne l’incitation à la débauche ou à l’exploitation de la prostitution d’un mineur en public ou par un moyen quelconque de publicité. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) demande une clarification en ce qui concerne les infractions visées de l’article 30 à l’article 47. Dans l’exposé des motifs (p. 57- 58), il est indiqué que “suite à la remarque du collège des procureurs généraux au sujet de la minorité en tant qu’élément constitutif de l’infraction (fin page 20 et début page 21 de l’avis du collège des PG). Il faut préciser qu’on ne renverse pas la charge de la preuve et que le fait que la victime soit mineure suffit à établir l’infraction, il n’y a pas de renversement de la charge de la preuve.”. Le ministre peut-il reconfirmer cela? 95 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister bevestigt dit. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat de toelichting over dit artikel in de memorie van toelichting onder een afdeling staat. Zij stelt vast dat ook hier de definitie een herhaling van het opschrift van het artikel betreft. De minister legt uit dat het om een bewuste keuze van de experten gaat en aldus een vertaalslag wordt gemaakt van het huidig Strafwetboek. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) kan hier begrip voor opbrengen. Artikel 47 wordt eenparig aangenomen. Art. 48 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/42 in hetzelfde Wetboek en betreft de verbeurdverklaring van het instrument van het misdrijf. Mevrouw Katleen Bury (VB) verwijst in deze naar de door de Raad van State voorgestelde tekstcorrectie. Verwijzend naar een opmerking van de OVB besluit zij dat een eigenaar die niet op de hoogte was zijn woning verbeurd kan zien worden verklaard (verruimde verbeurdverklaring). De minister antwoordt dat de tekst tegemoetkomt aan de opmerking van de Raad van State. Het betreft hier inderdaad de toepassing van de ver­ ruimde verbeurdverklaring overeenkomstig artikel 42qua­ ter van het Strafwetboek. De persoon die daadwerkelijk eigenaar is van het huis kan zich steeds tegen deze verbeurdverklaring verzetten. Dit uiteraard alles onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw. Artikel 48 wordt eenparig aangenomen. Art. 49 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafdeling 3 “Beelden van seksueel misbruik van minderjarigen” bij artikel 25 van hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 49 wordt eenparig aangenomen. Le ministre confirme. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que le commen­ taire de cet article dans l’exposé des motifs est placé sous une section. Elle note qu’ici aussi, la définition est une répétition de l’intitulé de l’article. Le ministre explique qu’il s’agit d’un choix délibéré de la part des experts et donc d’une transposition du Code pénal actuel. Mme Sophie De Wit (N-VA) dit pouvoir le comprendre. L’article 47 est adopté à l’unanimité. Art. 48 Cet article vise à insérer un article 417/42 dans le même Code et concerne la confiscation de l’instrument de l’infraction. Mme Katleen Bury (VB) renvoie ici à la correction pro­ posée par le Conseil d’État. Se référant à une remarque de l’OVB, elle conclut qu’un propriétaire qui n’était pas au courant peut voir son logement confisqué (confis­ cation élargie). Le ministre répond que le texte rencontre l’observation du Conseil d’État. Il s’agit bien de l’application de la confiscation élar­ gie conformément à l’article 42quater du Code pénal. La personne qui est effectivement propriétaire de la maison peut toujours s’opposer à cette confiscation. Tout ceci, bien entendu, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. L’article 48 est adopté à l’unanimité. Art. 49 Cet article vise à insérer une sous-section 3 “Des images d’abus sexuels de mineurs” dans l’article 25 du même Code. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 49 est adopté à l’unanimité. 2141/006 DOC 55 96 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 50 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/43 in hetzelfde Wetboek en betreft de definitie van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat deze definitie alle minderjarigen betreft. Zij begrijpt uit de me­ morie van toelichting dat het hier een lex specialis betreft en dat bij overlapping deze bepaling de voorrang heeft. De minister legt uit dat hier de definitie van de wet van 31 mei 2016 tot verdere uitvoering van de Europese verplichtingen op het vlak van seksuele uitbuiting van kinderen, kinderpornografie, mensenhandel en hulp­ verlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, wordt gebruikt. De definitie is er gekomen op uitdrukkelijke vraag van Child Focus, want nu zijn jongeren soms strafbaar op grond van bezit van kinder­ porno terwijl ze in een wederzijdse seksuele relatie zitten. Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt meer duiding over de notie primaire seksuele doeleinden. De minister legt uit dat primaire “sexting” gaat over het doorsturen van beelden naar elkaar, wat toegelaten is onder leeftijdsgenoten (tussen 16 en 18 jaar). Secundaire “sexting” betreft het doorsturen van beelden naar derden, wat verboden is. Primaire seksuele doeleinden duidt op het feit dat dit niet uit winstbejag gebeurt, maar louter voor eigen lusten. De minister verwijst in dit verband ook naar voormelde wet van 31 mei 2016. Artikel 50 wordt eenparig aangenomen. Art. 51 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/44 in hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of versprei­ den van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 51 wordt eenparig aangenomen. Art. 52 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/45 in hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of ver­ spreiden van beelden van seksueel misbruik van min­ derjarigen in vereniging. Art. 50 Cet article vise l’insertion de l’article 417/43 dans le même Code et concerne la définition d’images d’abus sexuels de mineurs. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que cette défini­ tion concerne tous les mineurs. Elle déduit de l’exposé des motifs qu’il s’agit d’une lex specialis et qu’en cas de chevauchement, la disposition à l’examen prime. Le ministre explique que c’est la définition de la loi du 31 mai 2016 complétant la mise en œuvre des obli­ gations européennes en matière d’exploitation sexuelle des enfants, de pédopornographie, de traite des êtres humains et d’aide à l’entrée, au transit et au séjour irré­ guliers qui est utilisée en l’espèce. Cette définition a été élaborée à la demande expresse de Child Focus, car à l’heure actuelle, des jeunes sont parfois punissables pour détention de matériel pédopornographique alors qu’ils sont dans une relation sexuelle réciproque. Mme Katleen Bury (VB) demande plus de précisions sur la notion de finalité sexuelle primaire. Le ministre explique que le “sexting” primaire consiste à s’envoyer des images, ce qui est autorisé entre per­ sonnes du même âge (entre 16 et 18 ans). Le “sexting” secondaire concerne la transmission d’images à des tiers, ce qui est interdit. La finalité sexuelle primaire précise que le les faits ne visent pas un but lucratif, mais le simple plaisir per­ sonnel. À cet égard, le ministre renvoie également à la loi précitée du 31 mai 2016. L’article 50 est adopté à l’unanimité. Art. 51 Cet article vise l’insertion de l’article 417/44 dans le même Code et concerne la production ou la diffusion d’images d’abus sexuel d’un mineur. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 51 est adopté à l’unanimité. Art. 52 Cet article vise l’insertion de l’article 417/45 dans le même Code et concerne la production ou la diffusion d’images d’abus sexuel de mineurs en association. 97 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E M. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 60 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt woorden te ver­ vangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 60 en het aldus geamendeerde artikel 52 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 53 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/46 in hetzelfde Wetboek en betreft het bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 65 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt woorden te ver­ vangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 65 en het aldus geamendeerde artikel 53 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 54 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/47 in hetzelfde Wetboek en betreft het zich toegang verschaffen tot beelden van seksueel misbruik van minderjarigen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wenst te vernemen of men bij het klikken op een link die toegang geeft tot beelden maar als men er verder niet naar kijkt ook onder het toepassingsgebied van dit artikel valt? Wat moet juist worden verstaan onder de woorden “zich toegang verschaffen”? De minister verduidelijkt dat er opzetvereiste moet zijn; iemand moet ook een klacht hebben ingediend. De rechter zal uiteraard in alle redelijkheid hierover oordelen. Artikel 54 wordt eenparig aangenomen. Art. 55 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/48 in hetzelfde Wetboek en betreft de rechtvaardigingsgrond inzake het rechtens ontvangen, analyseren en overzenden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 66 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt het vierde ge­ dachtestreepje van het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende­ ment n° 60 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 60 et l’article 52, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 53 Cet article vise l’insertion de l’article 417/46 dans le même Code et concerne la détention et l’acquisition d’images d’abus sexuels de mineurs. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 65 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 65 et l’article 53, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 54 Cet article vise l’insertion de l’article 417/47 dans le même Code et concerne l’accès à des images d’abus sexuels de mineurs. Mme Sophie De Wit (N-VA) demande si le fait de cliquer sur un lien qui donne accès à des images mais sans les examiner plus avant relève également du champ d’application de cet article. Que faut-il comprendre exactement par le mot “accéder”? Le ministre précise que l’intentionnalité doit être présente; une personne doit également avoir porté plainte. Il appartiendra bien entendu au juge d’apprécier raisonnablement la situation. L’article 54 est adopté à l’unanimité. Art. 55 Cet article vise l’insertion de l’article 417/48 dans le même Code et concerne la cause de justification concer­ nant la réception de droit, l’analyse et la transmission d’images d’abus sexuels de mineurs. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 66 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer le quatrième tiret du troisième alinéa. Il est renvoyé à la justification. 2141/006 DOC 55 98 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat Child Focus tijdens de hoorzittingen heeft aangekaart dat het in de praktijk te lang duurt eer beelden offline of ontoegankelijk worden gemaakt. Child Focus zou daarom graag zelf providers kunnen contacteren. Worden hiertoe initiatieven genomen? Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich bij deze vraag aan. De minister kondigt aan dat in december 2021 hier­ over een overleg met Child Focus staat gepland. Het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen kan hier gelet op de goede contacten met onder andere Facebook en Google een belangrijke schakel spelen. Amendement nr. 66 en het aldus geamendeerde artikel 55 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 56 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/49 in hetzelfde Wetboek en betreft de rechtvaardigingsgrond inzake het consensueel maken, bezitten en onderling delen van seksuele beelden en opnames. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 61 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden in het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 57 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan te brengen in het derde lid. Dit amendement wordt vervol­ gens ingetrokken en vervangen door amendement nr. 67 (DOC 55 2141/004), dat tot doel heeft bepaalde woorden in het derde lid te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat primaire “sexting” enkel is toegelaten boven 16 jaar. Wat evenwel met categorie tussen 14- tot 16-jarigen? Het lid is van oordeel dat de leeftijd in deze rechtvaardigingsgrond moet worden aangepast aan de seksuele meerderjarigheid. De minister legt uit dat in de huidige stand van het wetsontwerp dit inderdaad nog verboden is voor de leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar, maar toegelaten is voor de leeftijdscategorie van 16 tot 18 jaar. De 14- tot 16-jarigen zijn zich vaak ook niet bewust van het risico van het blijven bestaan van deze beelden. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) rappelle que, lors des auditions, Child Focus a soulevé le fait que, dans la pratique, il se passe trop de temps avant que les images soient mises hors ligne ou rendues inaccessibles. Child Focus souhaiterait donc pouvoir contacter lui-même les fournisseurs d’accès. Des initiatives sont-elles prises à cette fin? Mme Katleen Bury (VB) se rallie à cette question. Le ministre annonce qu’une concertation est prévue avec Child Focus à ce sujet en décembre 2021. L’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes peut jouer un rôle d’interface utile à cet égard, compte tenu de ses bonnes relations avec Facebook et Google, entre autres. L’amendement n° 66 et l’article 55, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 56 Cet article vise l’insertion de l’article 417/49 dans le même Code et concerne la cause de justification concernant la réalisation consensuelle, la possession et la transmission mutuelle d’images et d’enregistrements à caractère sexuel. M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende­ ment n° 61 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots à l’alinéa 3. En effet, Il est renvoyé à la justification. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 57 (DOC 55 2141/004) qui vise à apporter des modifications à l’alinéa 3. Cet amendement est ensuite retiré et remplacé par l’amendement n° 67 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots à l’alinéa 3. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) note que le “sexting” primaire n’est autorisé qu’à partir de 16 ans. Mais qu’en est-il de la catégorie des 14-16 ans? La membre consi­ dère que l’âge doit être adapté à la majorité sexuelle dans cette cause de justification. Le ministre explique que, dans l’état actuel du projet de loi, cette pratique reste en effet interdite pour la tranche d’âge des 14-16 ans, mais autorisée pour les 16-18 ans. Les 14-16 ans n’ont souvent pas conscience des risques que représente la pérennité de ces images. 99 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) antwoordt dat ook na 16 jaar er nog impact kan zijn. Amendement nr. 57 wordt ingetrokken. De amendementen nrs. 61 en 67 worden achtereen­ volgens en eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 56 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 57 Dit artikel strekt tot invoeging van een onderafde­ ling 4 “Algemene bepaling” in afdeling 2, ingevoegd bij artikel 27 van hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 57 wordt eenparig aangenomen. Art. 58 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/50 in hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 16 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt wijzigingen aan te brengen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 16 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Artikel 58 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 59 Dit artikel strekt tot invoeging van een afdeling 3 “Openbare zedenschennis” in hoofdstuk I/1, ingevoegd bij artikel 2. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 59 wordt eenparig aangenomen. Art. 60 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/51 in hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of ver­ spreiden van boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard. Mme Sophie De Wit (N-VA) répond qu’après 16 ans également, les conséquences restent importantes. L’amendement n° 57 est retiré. Les amendements nos 61 et 67 sont successivement adoptés à l’unanimité. L’article 56, ainsi modifié, est adopté par 13 voix et 3 abstentions. Art. 57 Cet article vise l’insertion d’une sous-section 4 “Disposition générale” dans la section 2 du même Code, insérée par l’article 27. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 57 est adopté à l’unanimité. Art. 58 Cet article vise l’insertion de l’article 417/50 dans le même Code et concerne les facteurs aggravants. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 16 (DOC 55 2141/002) qui vise à apporter des modifications. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 16 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. L’article 58 est adopté par 13 voix et 3 abstentions. Art. 59 Cet article vise l’insertion d’une section 3 “De l’outrage public aux bonnes mœurs” dans le chapitre Ier/1, inséré par l’article 2. Il ne donne lieu à aucune observation. L’article 59 est adopté à l’unanimité. Art. 60 Cet article vise à insérer un article 417/51 dans le même Code et concerne la production ou la diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent. 2141/006 DOC 55 100 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst erop dat naar aanleiding van een artikel in de Juristenkrant over wat ten aanzien van BDSM-porno nu al dan niet kan, enige commotie is ontstaan. Belangrijk is te weten wat bij een normaal en redelijk persoon onder de notie “extreem” kan vallen. Hoe moet dit evenwel worden beoordeeld? Professor Rozie heeft gesteld dat het hier niet over een verstrenging gaat maar eerder over een inperking; terugkeren naar de huidige situatie zou impliceren dat meer feiten worden gedoogd. Het lid meent dat deze uitleg niet helemaal aan de commotie tegemoetkomt. De strafbaarstelling blijft ook vaag. Kan de minister dit verduidelijken? De minister legt uit dat deze bepaling geen implicaties heeft voor de handelingen als dusdanig van meerder­ jarigen in een privécontext. Als hieraan überhaupt iets zou worden gewijzigd dan dient dit te gebeuren via de strafbaarstellingen slagen en verwondingen. Voorliggend artikel betreft het vervaardigen of verspreiden van bood­ schappen (= beelden) van extreem pornografische of gewelddadige aard in het openbaar. Extreem is wanneer een normaal redelijke persoon daarvan traumatische gevolgen kan ondervinden. Extreem pornografisch materiaal is bijvoorbeeld “rape porn”. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herinnert eraan dat de seksuele autonomie de insteek van dit wetsontwerp is. Dit artikel houdt alvast hierop een beperking in. Artikel 60 wordt aangenomen met 13 stemmen en 3 onthoudingen. Art. 61 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/52 in hetzelfde Wetboek en betreft het vervaardigen of versprei­ den van boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard gepleegd tegenover een minderjarige of een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 61 wordt eenparig aangenomen. Art. 62 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/53 in hetzelfde Wetboek en betreft exhibitionisme. De heer Khalil Aouasti c.s. dient amendement nr. 62 (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne qu’un article paru dans le Juristenkrant sur ce qui est autorisé ou non en matière de pornographie BDSM a fait polémique. Il est important de savoir ce qu’une personne normale et raisonnable considérerait comme “extrême”. Mais comment en juger? Le professeur Rozie a fait valoir qu’il ne s’agissait pas d’un durcissement mais plutôt d’une limitation; revenir à la situation actuelle impliquerait de tolérer davantage de faits. La membre estime que cette explication ne répond pas entièrement à la polémique. L’incrimination reste également vague. Le ministre peut-il clarifier ce point? Le ministre explique que cette disposition n’a aucune incidence sur les actes en tant que tels des personnes majeures dans un contexte privé. Si l’on devait changer quoi que ce soit à cet égard, il faudrait le faire par le biais de l’incrimination des coups et blessures. L’article à l’examen concerne la production ou la diffusion de messages (= images) à caractère extrêmement por­ nographique ou violent en public. On parle d’extrême lorsqu’une personne normale et raisonnable pourrait subir des conséquences traumatisantes. Un exemple de matériel pornographique extrême est le “rape porn”. Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que l’autonomie sexuelle est l’angle d’approche du projet de loi à l’exa­ men. Cet article contient déjà une restriction à ce sujet. L’article 60 est adopté par 13 voix et 3 abstentions. Art. 61 Cet article vise à insérer un article 417/52 dans le même Code et concerne la production ou la diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent dirigés contre un mineur ou une personne dans une situation de vulnérabilité. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 61 est adopté à l’unanimité. Art. 62 Cet article vise à insérer un article 417/53 dans le même Code et concerne l’exhibitionnisme. M. Khalil Aouasti et consorts déposent l’amende­ ment n° 62 (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. 101 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Amendement nr. 62 en het aldus geamendeerde artikel 62 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 63 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/54 in hetzelfde Wetboek en betreft exhibitionisme in aanwe­ zigheid van een minderjarige of een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat hier de kwetsbare toestand wordt gedefinieerd. De OVB acht het niet gerechtvaardigd dat zwangerschap leidt tot strafverzwaring. Een zwangerschap is een gezegende toestand maar is zeker niet in alle gevallen een kwets­ bare toestand. De minister antwoordt dat het hier over een overname gaat van het huidig Strafwetboek. De rechter zal in het licht van de concrete omstandigheden in het dossier oordelen of de zwangerschap al dan niet een kwetsbare toestand is. Artikel 63 wordt eenparig aangenomen. Art. 63/1 (nieuw) Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 68 in tot invoeging van een nieuw artikel 417/54/1 in hetzelfde Wetboek. Het beoogt, teneinde problemen die zich in de praktijk voordoen te vermijden, te verduidelij­ ken dat borstvoeding geven in een openbare of publiek toegankelijke ruimte geenszins een openbare schennis van de goede zeden is en dat bovendien eenieder die vrouwen belet, probeert te beletten, verbiedt of probeert te verbieden om in die omstandigheden borstvoeding te geven, zich aan strafrechtelijke sancties blootstelt. De minister verduidelijkt dat borstvoeding niet onder de incriminatie van exhibitionisme valt. Het voldoet immers niet aan een constitutief bestanddeel ervan, zijnde om te voldoen aan bepaalde seksuele driften, en hoort dan ook niet thuis in het seksueel strafrecht. Het verhinderen van het geven van borstvoeding hoort à fortiori ook niet thuis in het seksueel strafrecht. Hij acht het daarom raadzaam om tijdens de bespreking van het nieuw Strafwetboek dieper op deze problematiek in te gaan. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) heeft begrip voor het standpunt van de minister maar het is net omdat deze problematiek voor problemen aanleiding geeft dat het L’amendement n° 62 et l’article 62, tel qu’amendé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 63 Cet article vise à insérer un article 417/54 dans le même Code et concerne l’exhibitionnisme en présence d’un mineur ou d’une personne dans une situation de vulnérabilité. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que la situa­ tion de vulnérabilité est définie. L’OVB estime qu’il est injustifié que la grossesse entraîne une aggravation de la peine. Une grossesse est un état béni, mais ce n’est certainement pas un état vulnérable dans tous les cas. Le ministre répond qu’il s’agit d’une reprise du Code pénal actuel. Le juge appréciera, à la lumière des circons­ tances concrètes de l’affaire, si la grossesse constitue ou non un état vulnérable. L’article 63 est adopté à l’unanimité. Art. 63/1 (nouveau) Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n° 68 tendant à insérer un article 417/54/1 dans le même Code. L’amendement à l’examen tend à préciser, en vue d’éviter les problèmes qui se posent dans la pratique, que le fait d’allaiter dans un espace public ou accessible au public ne constitue en aucun cas un outrage public aux bonnes mœurs et tend à prévoir, en outre, des sanctions pénales à l’encontre de toute personne qui empêcherait, tenterait d’empêcher, interdirait ou tenterait d’interdire à une femme d’allaiter dans ces conditions. Le ministre précise que l’allaitement ne relève pas de l’incrimination d’exhibitionnisme dès lors que cet acte ne présente pas l’un des éléments constitutifs de cette infraction, à savoir l’assouvissement de certaines pulsions sexuelles. En conséquence, cet acte n’a pas sa place dans le droit pénal sexuel. Le fait d’empêcher une mère d’allaiter n’a donc a fortiori pas non plus sa place dans le droit pénal sexuel. C’est pourquoi le ministre estime qu’il serait plus judicieux d’examiner cette question plus en détail au cours des discussions sur le nouveau Code pénal. Mme Vanessa Matz (cdH) comprend le point de vue du ministre, mais elle estime que c’est précisément parce que cette problématique est source de problèmes 2141/006 DOC 55 102 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een goede zaak zou zijn om dit in het seksueel strafrecht duidelijk te maken. De minister merkt op dat in de memorie van toelichting duidelijk wordt gemaakt dat door de toevoeging “met het oogmerk de eigen seksuele driften” de hypothese van wildplassen wordt uitgesloten (DOC 55 2141/001, blz. 66). Hetzelfde geldt ook voor het geven van borstvoeding op een openbare plaats. In het Strafwetboek worden voorts alleen gedragingen die strafbaar zijn, opgenomen. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) verduidelijkt dat de Genderwet bepaalt dat de criteria bevalling, zwanger­ schap en moederschap worden gelijkgesteld aan het criterium geslacht. Een minder gunstige behandeling van een vrouw die verband houdt met haar bevalling, zwangerschap en moederschap is bijgevolg een directe discriminatie op grond van geslacht. Sinds de wet van 4 februari 2020 tot wijziging van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen wat het discriminatieverbod op vaderschap of meemoederschap betreft, valt ook borstvoeding onder de Genderwet. Amendement nr. 68 wordt verworpen met 14 stemmen tegen 1 en 1 onthouding. Art. 64 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/55 in hetzelfde Wetboek en betreft de verzwarende factoren. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 64 wordt aangenomen met 12 stemmen en 4 onthoudingen. Art. 65 Dit artikel strekt tot invoeging van een afdeling 4 lui­ dende “Gemeenschappelijke bepalingen” in hetzelfde Wetboek. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 65 wordt eenparig aangenomen. Art. 66 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/56 in hetzelfde Wetboek en betreft de weigering tot verlening qu’il serait judicieux d’apporter cette précision dans le droit pénal sexuel. Le ministre souligne que l’exposé des motifs indique clairement que l’ajout du membre de phrase “en vue d’assouvir ses propres pulsions sexuelles” exclut l’hypo­ thèse de considérer le fait d’uriner sur la voie publique comme un acte d’exhibitionnisme (DOC 55 2141/001, p. 66). Il en ira de même pour le fait d’allaiter dans un lieu public. Par ailleurs, seuls les comportements passibles de sanctions sont inscrits dans le Code pénal. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) précise que la loi “genre” dispose qu’une distinction fondée sur l’accou­ chement, la grossesse et la maternité est assimilée à une distinction fondée sur le sexe. En conséquence, le fait de réserver un traitement moins favorable à une femme en raison de son accouchement, de sa grossesse ou de sa maternité constitue une discrimination directe fondée sur le sexe. De plus, l’allaitement relève désormais aussi du champ d’application de la loi “genre” depuis la loi du 4 février 2020 modifiant, en ce qui concerne l’interdiction de discrimination relative à la paternité ou à la co-maternité, la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes. L’amendement n° 68 est rejeté par 14 voix contre une et une abstention. Art. 64 Cet article vise à insérer un article 417/55 dans le même Code et concerne les facteurs aggravants. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 64 est adopté par 12 voix et 4 abstentions. Art. 65 Cet article vise à insérer, dans le même Code, une section 4 intitulée “Dispositions communes”. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 65 est adopté à l’unanimité. Art. 66 Cet article vise à insérer un article 417/56 dans le même Code et concerne le refus de prêter son concours 103 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van technische medewerking aan de verwijdering van bepaalde seksueel getinte en extreem gewelddadige beelden. Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 51 (partim) (DOC 55 2141/004) in, dat ertoe strekt bepaalde woorden te vervangen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) merkt op dat in de memorie van toelichting de uitleg over de artikelen 66 en volgende te vinden is bij artikel 74. Amendement nr. 51(partim) en het aldus geamen­ deerde artikel 66 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 67 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/57 in hetzelfde Wetboek en betreft de sluiting van de inrichting. Mevrouw Katleen Bury (VB) wenst naar aanleiding van het advies van de Raad van State meer duiding te verkrijgen over de link met het gepleegde misdrijf. De minister legt uit dat een dergelijke maatregel ook ten aanzien van het sekswerk moet kunnen worden genomen. Artikel 67 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 68 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/58 in hetzelfde Wetboek en betreft het verblijfs-, plaats- of contactverbod. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 68 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 69 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/59 in hetzelfde Wetboek en betreft de specifieke verboden en ontzettingen. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amende­ ment nr. 85 (partim) in, dat ertoe strekt om de woorden technique à la suppression de certaines images à carac­ tère sexuel ou à caractère extrêmement violent. Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amen­ dement n° 51 (partim) (DOC 55 2141/004) qui vise à remplacer des mots. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) note que, dans l’exposé des motifs, l’explication des articles 66 et suivants se trouve à l’article 74. L’amendement n° 51 (partim) et l’article 66, tel qu’amen­ dé, sont successivement adoptés à l’unanimité. Art. 67 Cet article vise à insérer un article 417/57 dans le même Code et concerne la fermeture de l’établissement. Mme Katleen Bury (VB) souhaite, suite à l’avis du Conseil d’État, obtenir plus de précisions sur le lien avec l’infraction commise. Le ministre explique qu’une telle mesure doit pouvoir être prise également à l’égard du travail du sexe. L’article 67 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 68 Cet article vise à insérer un article 417/58 dans le même Code et concerne l’interdiction de résidence, de lieu ou de contact. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 68 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 69 Cet article vise à insérer un article 417/59 dans le même Code et concerne les interdictions spécifiques et déchéances. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 85 (partim) qui vise à remplacer les mots “sur” 2141/006 DOC 55 104 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “op” te vervangen door de woorden “ten nadele van” (DOC 55 2141/005). Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 85(partim) wordt eenparig aangenomen. Het aldus geamendeerde artikel 69 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 70 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/60 in hetzelfde Wetboek en betreft de niet-naleving van een straf bestaande uit een verbod. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 70 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 71 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/61 in hetzelfde Wetboek en betreft de samenloop. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat hier opnieuw een voorafname wordt gemaakt op de toe­ komstige algemene hervorming van het Strafwetboek. Artikel 71 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 72 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/62 in hetzelfde Wetboek en betreft de overzending van de rechterlijke beslissing. Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 72 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 73 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/63 in hetzelfde Wetboek en betreft de bescherming van de identiteit van het slachtoffer. De heer Ben Segers (Vooruit) merkt op dat teneinde secundaire victimisatie tegen te gaan deze bepaling par les mots “au préjudice de” (DOC 55 2141/005). Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 85 (partim) est adopté à l’unanimité. L’article 69, tel qu’amendé, est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 70 Cet article vise à insérer un article 417/60 dans le même Code et concerne le non-respect d’une peine consistant en une interdiction. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 70 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 71 Cet article vise à insérer un article 417/61 dans le même Code et concerne le concours. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’on anticipe une fois de plus la future réforme générale du Code pénal. L’article 71 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 72 Cet article vise à insérer un article 417/62 dans le même Code et concerne la transmission d’une décision judiciaire. Cet article ne donne lieu à aucune observation. L’article 72 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 73 Cet article vise à insérer dans le même Code un article 417/63 concernant la protection de l’identité de la victime. M. Ben Segers (Vooruit) souligne que le professeur Catherine Van de Heyning estime que cette disposition 105 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E volgens professor Catherine Van de Heyning rekening moet houden met de evoluties van digitale wereld. De spreker vraagt of deze opmerking zal worden meegeno­ men bij de algemene hervorming van het Strafwetboek. De minister bevestigt dit. Artikel 73 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Art. 74 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 417/64 in hetzelfde Wetboek en betreft het advies van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 44 (DOC 55 2141/003) in, dat ertoe strekt arti­ kel 417/64 te vervangen teneinde het gemotiveerd advies van de dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten verplicht te maken, behoudens andersluidende gemotiveerde beslissing. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende­ ment nr. 20 (DOC 55 2141/002) in, dat ertoe strekt het tweede lid te vervangen teneinde het gemotiveerd advies van de dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten verplicht te maken. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De minister beaamt dat vandaag dit advies faculta­ tief is. Soms is een advies immers niet opportuun en betekent het vragen ervan een verspilling van mensen, middelen en tijd. Het wijzigen van dit artikel zou ook een impact hebben op de gemeenschappen. Er dient immers voorafgaandelijk overleg te worden gepleegd, wat niet is gebeurd. De minister heeft er evenwel alle vertrouwen in dat de rechter het nodige zal doen. Er zijn ook geen indicaties dat er te weinig adviezen worden gevraagd. De minister vraagt de commissie om de tekst op dit punt niet te wijzigen. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) dient amende­ ment nr. 86 in dat beoogt om opnieuw, zoals aanbevolen door het Centre d’Appui bruxellois en de Hoge Raad voor de Justitie, te bepalen dat een met redenen omkleed advies van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten moet worden ingewonnen door het openbaar ministerie of de rechter bij wie de zedenzaak aanhangig werd gemaakt (DOC 55 2141/005). doit tenir compte des évolutions du monde numérique afin d’éviter une victimisation secondaire. L’intervenant demande si cette observation sera prise en considération dans le cadre de la réforme générale du Code pénal. Le ministre répond par l’affirmative. L’article 73 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 74 Cet article vise à insérer dans le même Code un article 417/64 qui prévoit l’avis d’un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 44 (DOC 55 2141/003) qui vise à remplacer l’article 417/64 en vue de rendre l’avis du service spé­ cialisé dans la guidance ou le traitement de délinquants sexuels obligatoire, sauf dérogation par décision motivée. M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende­ ment n° 20 (DOC 55 2141/002) qui vise à remplacer l’alinéa 2 en vue de rendre l’avis du service spécialisé dans la guidance ou le traitement de délinquants sexuels obligatoire. Il est renvoyé à la justification. Le ministre confirme que cet avis est aujourd’hui facul­ tatif. En effet, il n’est pas toujours opportun de recueillir un avis. Cela peut parfois entraîner une perte de temps et un gaspillage de moyens humains et financiers. La modification de cet article aurait également un impact sur les communautés. En effet, une concertation préalable doit être menée, ce qui n’a pas été le cas. Le ministre est toutefois convaincu que le juge fera le nécessaire. Rien n’indique par ailleurs que trop peu d’avis sont recueillis. Le ministre demande à la commission de ne pas modifier le texte sur ce point. Mme Sophie Rohonyi (DéFi) présente l’amende­ ment n° 86 tendant à réinstaurer l’obligation de requérir un avis motivé d’un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels, pour le minis­ tère public ou le juge saisi d’une infraction en matière de mœurs, comme le préconisent le Centre d’Appui bruxellois et le Conseil Supérieur de la Justice (DOC 55 2141/005). 2141/006 DOC 55 106 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister is van oordeel dat aangezien de proble­ matiek van adviesvraag ook betrekking heeft op andere incriminaties (bijv. daders van terroristische misdrijven), het aangewezen is om dit aan te kaarten bij de bespreking van het nieuw Strafwetboek. In afwachting pleit hij in deze voor een facultatief advies. Het is aan de rechter om over de opportuniteit ervan te oordelen. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) merkt op dat ze­ denzaken toch wel een bijzonder karakter hebben. De vraag is nu net of de rechter in zijn dossier over voldoende elementen beschikt om te kunnen oordelen of het advies van een gespecialiseerde dienst in een welbepaalde zaak al dan niet opportuun is. Het ware dan ook aangewezen mocht de rechter vanaf het begin over zo’n advies beschikken. Op die manier kan hij aan strafdiversificatie doen en al naargelang het geval de meest geschikte straf, therapeutische begeleiding dan wel een gevangenisstraf, opleggen. Een dergelijke handelswijze zal ook de re-integratie ten goede komen. De minister vraagt om vertrouwen te hebben in de magistratuur. Amendement nr. 44 wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. De amendementen nrs. 86 en 20 worden achtereen­ volgens verworpen 11 tegen 5 stemmen. Artikel 74 wordt aangenomen met 15 stemmen en 1 onthouding. Le ministre estime que puisque la problématique de la demande d’avis vise également d’autres incriminations (concernant par exemple les auteurs d’infractions terro­ ristes), il conviendrait de l’indiquer lors de la discussion du nouveau Code pénal. En attendant, il préconise en l’occurrence que l’avis soit facultatif. Il incombera au juge d’en évaluer l’opportunité. Mme Sophie Rohonyi (DéFi) fait observer que les affaires de mœurs sont néanmoins d’une nature parti­ culière. La question est justement de savoir si le juge disposera de suffisamment d’éléments dans son dossier pour pouvoir évaluer l’opportunité de l’avis d’un service spécialisé dans le cadre d’une affaire en particulier. Il serait dès lors préférable que le juge puisse disposer d’emblée de cet avis, ce qui lui permettra de diversifier les peines et d’infliger la peine la plus appropriée en fonction du cas, à savoir un accompagnement thérapeu­ tique ou une peine d’emprisonnement. Cette pratique favoriserait également la réinsertion. Le ministre demande de faire confiance à la magistrature. L’amendement n° 44 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. Les amendements nos 86 et 20 sont successivement rejetés par 11 voix contre 5. L’article 74 est adopté par 15 voix et une abstention. 107 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 2 Prostitutie van een meerderjarige Art. 75 Dit artikel strekt tot de invoeging van een hoofstuk IIIbis/1, luidende “Misbruik van prostitutie” in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt dat het wetsont­ werp ernaar streeft overlapping van bepalingen inzake prostitutiemisdrijven enerzijds en mensenhandel ander­ zijds te vermijden; daarnaast beoogt het eveneens een aantal misdrijven te decriminaliseren. Dit doet echter afbreuk aan de overzichtelijkheid en het is onduidelijk wat al dan niet strafbaar is. Bovendien blijven er, ondanks de ingrepen, toch nog overlappingen bestaan. Dit was trouwens ook een bezorgdheid van het College van procureurs-generaal. Kan de minister aanduiden wat precies gelegaliseerd wordt? Hoe zit het bijvoorbeeld met personen die een rendez-vous huis met vitrine uit­ baten: is dat nog verder strafbaar is of niet? Dergelijke kwalificatie heeft zeer belangrijke gevolgen. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) wijst op het belang van dit onderdeel, dat trouwens al tot drie keer toe werd aangepast. Weliswaar is er de vraag van een belangrijk deel van de sekswerkers dat zij een sociaalrechterlijk statuut zouden kunnen genieten maar anderzijds vergt dit een ingreep in het strafrecht waardoor de positie van slachtoffers van uitbuiting verder wordt verzwakt. De minister moet klare wijn schenken: indien hij inderdaad het pooierschap verder wil strafbaar stellen, dan volstaat de voorgestelde definitie ervan niet – zoals trouwens ook de procureurs-generaal hebben aangegeven. Hierdoor beschikt het parket niet over voldoende mogelijkheden om pooierschap en uitbuiting afdoende aan te pakken. Bovendien strookt deze definitie niet met onze interna­ tionale verplichtingen, onder meer overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1949 inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van prostitutie van anderen. Het komt er dus op aan de definitie van pooierschap scherp te stellen, zodat de slachtoffers afdoende beschermd worden en tevens wordt tegemoet gekomen aan de vraag naar een sociaal statuut voor sekswerkers. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) verzet zich tegen de bewoordingen in de definitie van pooierschap in artikel 76 ‘buiten de gevallen die de wet bepaalt’: de memorie van toelichting verwijst hiervoor naar een toekomstige speci­ fieke wet, wat uiteindelijk de mogelijkheid zou scheppen om pooierschap op zich te legaliseren – iets wat volledig CHAPITRE 2 La prostitution d’un majeur Art. 75 Cet article prévoit l’insertion, dans le même Code, d’un chapitre IIIbis/1 intitulé “De l’abus de la prostitution”. Selon Mme Sophie De Wit (N-VA), le projet de loi vise à éviter le chevauchement entre, d’une part, les dispositions qui concernent les infractions liées à la prostitution, et, d’autre part, les dispositions relatives à la traite d’êtres humains; le projet vise en outre à dépénaliser un certain nombre d’infractions. Cette approche nuit toutefois à la clarté du propos, si bien que ce qui est punissable ou ne l’est pas n’apparaît pas clairement. En outre, en dépit des modifications apportées, des chevauchements sub­ sistent. C’était d’ailleurs également une préoccupation du Collège des procureurs généraux. Le ministre peut-il indiquer précisément ce qui est légalisé? Qu’en est-il par exemple des personnes qui exploitent une maison de rendez-vous avec vitrine? Est-ce toujours punissable ou non? Cette qualification a des conséquences très importantes. Mme Vanessa Matz (CDH) souligne l’importance de cette section du projet, qui a d’ailleurs déjà été modifiée à trois reprises. Il est vrai qu’une partie importante des travailleurs du sexe réclame un statut social, mais d’un autre côté, cela nécessite, sur le plan du droit pénal, une intervention qui affaiblit encore davantage la position des victimes d’exploitation. Le ministre doit être clair: s’il veut effectivement continuer à incriminer le proxénétisme, la définition proposée n’est pas suffisante - comme l’ont d’ailleurs indiqué les procureurs généraux. Cette défi­ nition ne donne assez de possibilités au parquet pour lutter efficacement contre le proxénétisme et l’exploi­ tation. En outre, cette définition n’est pas conforme à nos obligations internationales, notamment au regard de la Convention des Nations unies de 1949 pour la répression de la traite des êtres humains et de l’exploi­ tation de la prostitution d’autrui. Il conviendrait dès lors de renforcer la définition du proxénétisme, de manière à offrir une protection adéquate aux victimes, tout en répondant à la demande de statut social émanant des travailleurs du sexe. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) s’oppose à la formulation de la définition du proxénétisme proposée à l’article 76 “hors les cas prévus par la loi”: l’exposé des motifs ren­ voie à une future loi spécifique à ce sujet, ce qui créerait finalement la possibilité de légaliser le proxénétisme en soi - ce qui serait totalement contraire à nos obligations 2141/006 DOC 55 108 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E indruist tegen onze verplichtingen overeenkomstig internationale verdragen, zoals ook aangehaald door het College van procureurs-generaal en de Stichting Samilia. Ook de notie ‘het nastreven van een abnormaal economisch voordeel of elk ander abnormaal voordeel ‘ (art. 79) is onwerkbaar, iets wat trouwens nu al blijkt uit de moeizame vervolging van onroerend pooierschap (verhuur van lokalen voor prostitutiedoeleinden). Mevrouw Katleen Bury (VB) sluit zich hierbij aan: de definitie zwakt de notie van pooierschap af, het ware veel beter geweest om alle gevallen van pooierschap exhaustief in de definitie op te nemen en geen ruimte te laten voor vaagheid. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vreest dat de in amendement nr. 79 voorgestelde wijziging sekswerkers in de schijnzelfstandigheid zal doen belanden, aangezien de definitie geen ruimte laat voor een gezagsrelatie wat een statuut van werknemer uitsluit. De minister stelt dat het huidige artikel 380 van het Strafwetboek, dat elke derde partij criminaliseert, seks­ werkers afhankelijk maakt van willekeur. Dit maakt bijvoorbeeld een boekhouder, een bank of een advo­ caat van een sekswerker strafbaar en dit leidt tot veel rechtsonzekerheid. Vandaar de schrapping van dit ar­ tikel. Voorts heeft het College van procureurs-generaal inderdaad de noodzaak benadrukt om elke overlapping tussen incriminatie van mensenhandel en seksueel strafrecht te vermijden. Bovendien sluit een vervolging op basis van art. 380 de kwalificatie ‘mensenhandel’ uit. Dat is ook het nadeel van de bewoordingen van amendement nr. 69. Anderzijds bestaat er natuurlijk wel misbruik van prostitutie. Het wetsontwerp poogt deze nuance te vatten. Het risico op misbruik is voor sekswerkers tevens groter in een gezagsrelatie dan als zelfstandige, waar een grotere mate van vrijheid bestaat (cf. de vier fundamentele vrijheden van sekswerkers vermeld in de toelichting bij amendement nr. 79). Daarom sluit het wetsontwerp een gezagsrelatie uit, ‘behalve in de gevallen die de wet bepaalt’. Dit laatste zal verfijnd worden in een latere wet; in afwachting blijft de huidige wet vanzelfsprekend gelden. Wat betreft rendez-vous huizen, dit is een zeer ruim begrip en de vraag rijst wat strafbaar is. Indien het om louter verhuur gaat aan sekswerkers, is dit niet langer strafbaar. Bij uitbating geldt een onderscheid: indien het om louter zelfstandige sekswerkers gaat, dan kan dit; indien het daarentegen om een georganiseerde prostitutie gaat met uitbating door een werkgever of door iemand die geen sekswerker is, dan blijft dit strafbaar. Overigens en vertu des traités internationaux, comme l’ont égale­ ment évoqué le Collège des procureurs généraux et la Fondation Samilia. De même, la notion de recherche d’un “avantage anormal économique ou [de] tout autre avantage anormal” (article 79) est inapplicable, ce qui ressort déjà de la difficulté de poursuivre le proxénétisme immobilier (location de locaux à des fins de prostitution). Mme Katleen Bury (VB) souscrit au point de vue de l’intervenante précédente: la définition proposée affaiblit la notion de proxénétisme. Il aurait été préférable d’inclure dans la définition tous les cas de proxénétisme et de ne laisser aucune place à l’imprécision. Mme Sophie De Wit (N-VA) craint que la modification proposée dans l’amendement n° 79 n’ait pour effet de pousser les travailleurs du sexe vers le statut de “faux indépendant”, étant donné que la définition ne laisse aucune place à une relation d’autorité, ce qui exclut le statut de travailleur salarié. Le ministre explique que l’actuel article 380 du Code pénal, qui criminalise toute tierce partie, rend les travail­ leurs du sexe dépendants de l’arbitraire. C’est ainsi par exemple qu’un comptable, une banque ou un avocat d’un travailleur du sexe est punissable, ce qui génère une grande insécurité juridique. D’où la suppression de cet article. Par ailleurs, le Collège des procureurs généraux a effectivement souligné la nécessité d’éviter tout chevauchement entre l’incrimination de la traite d’êtres humains et le droit pénal sexuel. En outre, toute poursuite fondée sur l’article 380 exclut la qualification de “traite d’êtres humains”. C’est également l’inconvé­ nient de la formulation de l’amendement n° 69. D’autre part, il est évident que l’abus de la prostitution existe. Le projet de loi s’efforce de rendre compte de cette nuance. Pour les travailleurs du sexe, le risque d’abus est plus grand dans le cadre d’une relation d’autorité qu’en tant qu’indépendant, cadre dans lequel il existe un plus grand degré de liberté (voir les quatre libertés fondamentales des travailleurs du sexe mentionnées dans la justification de l’amendement n° 79). C’est la raison pour laquelle le projet de loi exclut une relation d’autorité, “sauf dans les cas prévus par la loi”, ce qui sera précisé dans une loi ultérieure. Entre-temps, la loi actuelle reste bien entendu en vigueur. Quant aux maisons de rendez-vous, il s’agit d’un concept très large et la question se pose de savoir ce qui est punissable. S’il s’agit simplement de les louer à des travailleurs du sexe, ce n’est plus punissable. Une distinction s’applique à l’exploitation: si elle ne concerne que des travailleurs du sexe indépendants, elle est auto­ risée; si, en revanche, il s’agit de prostitution organisée avec exploitation par un employeur ou par une personne 109 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E viseert ‘het bekomen van een voordeel’ uiteraard niet de derden met wie een sekswerker op normale wijze samenwerkt en wat niet de organisatie van prostitutie betreft (bv. boekhouder of verhuurder). Amendement nr. 69 van mevrouw Matz behoudt de ongewenste overlapping met mensenhandel en verhindert ook de samenwerking van zelfstandige sekswerkers op één plaats doordat het verhuur met het oog op prostitutie door een derde strafbaar stelt. Het amendement nr. 69 is niet coherent. Het wetsontwerp is helemaal niet in strijd met het Verdrag van New York van 1950, aangezien pooierschap strafbaar blijft en het ook voldet aan de geest van dit Verdrag, dat streeft naar het bannen van mensenhandel en uitbuiting. Vaak wordt het betreffende artikel 2 van dat Verdrag trouwens te eng geïnterpreteerd. De minister merkt verder op dat een federale magis­ traat bevoegd voor mensenhandel, zijn tevredenheid over voorliggend wetsontwerp heeft uitgedrukt omdat het een duidelijk onderscheid maakt tussen mensen­ handel en sekswerkers, ten gunste van slachtoffers van mensenhandel. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) wijst op de tegenspraak in het eerste streepje, dat de organisatie van prostitutie strafbaar stelt, ‘behalve in de gevallen die de wet bepaalt’; aangezien die wet er echter nog niet is, zijn die gevallen uiteraard onbekend. Dit leidt tot grote onduidelijkheid en is een schending van het legaliteitsprincipe – wat er ook in de toelichting mag staan. Ook de bewoordingen in het eerste streepje zijn onduidelijk: wat is ‘organise­ ren’, hoe ver reikt ‘een voordeel’? Wie bijvoorbeeld een huis inricht met een vitrine en achterliggende kamers, organiseert toch duidelijk prostitutie van een ander en valt dus onder deze strafbepaling? De heer Koen Geens (CD&V) stelt dat de decrimi­ nalisering bevrijdend is voor sekswerkers. Het huidige gedoogbeleid biedt anderzijds echter wel een zekere veiligheid en vandaar de toevoeging ‘in de gevallen die de wet bepaalt’, zodat sekswerkers er kunnen op vertrouwen dat ze in de toekomst, na decriminalisering, binnen een ander, duidelijk, kader zullen kunnen werken dan het huidige. De heer Khalil Aouasti (PS) ziet in de uiteenzetting van mevrouw De Wit geen tegenspraak met het voorstel van de meerderheid. Op heden bestaat er een gedoogbeleid tegenover sekswerkers maar dit betekent geen erkenning qui n’est pas un travailleur du sexe, elle reste punis­ sable. Du reste, le fait de “retirer un avantage” n’inclut évidemment pas les tiers avec lesquels un travailleur du sexe coopère de manière normale et qui ne sont pas impliqués dans l’organisation de la prostitution (par exemple, un comptable ou un propriétaire). L’amendement n° 69 de Mme Matz conserve le che­ vauchement indésirable avec la traite des êtres humains et empêche également que les personnes qui se pros­ tituent sous statut d’indépendant coopèrent en un seul endroit en incriminant la location par un tiers à des fins de prostitution. L’amendement n° 69 n’est pas cohérent. Le projet de loi n’est absolument pas contraire à la Convention de New York de 1950, étant donné que le proxénétisme reste punissable, et il est en outre conforme à l’esprit de cette Convention, qui vise à bannir la traite et l’exploitation des êtres humains. L’article 2 de cette Convention est en effet souvent interprété de manière trop restrictive. Le ministre note en outre que le magistrat fédéral en charge de la traite des êtres humains a exprimé sa satisfaction à l’égard du projet de loi à l’examen, dans la mesure où il établit une distinction claire entre la traite des êtres humains et les travailleurs du sexe, en faveur des victimes de la traite des êtres humains. Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne une contradic­ tion dans le premier tiret, qui rend l’organisation de la prostitution punissable, “sauf dans les cas prévus par la loi;”; or, comme il n’existe pas encore de loi de ce type, ces cas sont bien sûr inconnus. Cela génère une grande ambiguïté et viole le principe de légalité - quoi que puisse mentionner l’exposé des motifs. La formulation du premier tiret n’est pas claire non plus: que signifie “organiser”, jusqu’où va “un avantage”? Par exemple, quelqu’un qui aménage une maison avec une vitrine et des chambres à l’arrière organise clairement la prosti­ tution d’autrui: tombe-t-elle donc sous le coup de cette disposition pénale? M. Koen Geens (CD&V) soutient que la décriminalisa­ tion est libératrice pour les travailleurs du sexe. L’actuelle politique de tolérance offre toutefois une certaine sécurité, d’où l’ajout de la mention “dans les cas prévus par la loi”, afin que les travailleurs du sexe puissent être sûrs qu’à l’avenir, après la décriminalisation, ils pourront travailler dans un cadre clair et différent de celui qui existe actuellement. M. Khalil Aouasti (PS) ne voit pas, dans l’exposé de Mme De Wit, de contradiction avec la proposition de la majorité. Actuellement, il existe une politique de tolérance à l’égard des travailleurs du sexe, mais cela ne signifie 2141/006 DOC 55 110 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van hun sociaal statuut. De nieuwe regeling moet toe­ laten dat personen die dat wensen, zich als zelfstandig sekswerker vestigen; tegelijk moet men echter verzekeren dat sekswerkers in een gezagsrelatie toch de nodige sociaalrechterlijke bescherming kunnen genieten, zelfs als hun tewerkstelling uit hoofde van de activiteit van de werkgever, onwettig zou zijn. Wat betreft het organiseren van de prostitutie van een ander, dit is quasi gelijklopend met het huidige artikel 380 § 1 4° van het Strafwetboek, dat echter niet voorziet in ‘behalve in de gevallen die de wet bepaalt’; dit moet net toelaten een sluitend wettelijk kader te creëren waarbinnen sekswerkers in de toekomst hun werk kunnen organiseren al dan niet zelfstandig of in dienstverband. De bewoordingen van het oorspron­ kelijke ontwerp werden in de amendementen gewijzigd teneinde te vermijden dat er overlapping zou zij met de wetgeving inzake mensenhandel en de slachtoffers ervan daardoor minder bescherming zouden genieten. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) merkt op dat de VN- overeenkomst van 1949 ter bestrijding van de handel in mensen en van de exploitatie van eens anders prostitutie duidelijk is en alle vormen van souteneurschap strafbaar stelt, zelfs indien die persoon toestemt; het wetsontwerp maakt dit echter afhankelijk van een nog nader te be­ palen wettelijk kader, wat tot rechtsonzekerheid leidt. Voorts blijft ook de notie ‘abnormaal economisch of gelijk welk ander abnormaal voordeel uit het aanbieden van seksuele diensten’ onduidelijk. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt dat er, ondanks de amendementen, nog zoveel onzekerheid bestaat omtrent de aangekondigde specifieke wet die de uit­ zonderingsgevallen zal bepalen, wat het onmogelijk maakt om nu te kunnen beslissen over wat voorligt. Er moet eerst zekerheid zijn dat deze bepalingen de vervolging van prostitutie-uitbatingen nog afdoende mogelijk maken. Zou het dan niet beter zijn om de be­ handeling van dit hoofdstuk te bevriezen in afwachting van de aangekondigde specifieke wet? Momenteel kan hierover niet met de noodzakelijke kennis van zaken geoordeeld worden. Bijkomend vraagt mevrouw Matz om over de amendementen nrs. 71 tot 75, 79 en 80 het College van procureurs-generaal te raadplegen evenals de verenigingen die begaan zijn met mensenhandel, inz. Samilia. Dit is redelijk, aangezien de inhoud van de amendementen tijdens de hoorzittingen vanzelfsprekend nog niet gekend was. De heer Ben Segers (Vooruit) stelt dat de amende­ menten nrs. 71 tot 75, 79 en 80 een grote verbetering uitmaken van het oorspronkelijke wetsontwerp en een noodzakelijke beperking uitmaken van de overlapping met mensenhandel. De nieuwe teksten nemen het belang van de sekswerker als uitgangspunt en aanvaarden dit pas que leur statut social est reconnu. La nouvelle réglementation doit permettre à ceux qui le souhaitent de s’établir comme travailleurs du sexe indépendants; dans le même temps, il convient toutefois de veiller à ce que les travailleurs du sexe qui se trouvent dans une relation d’autorité puissent continuer à bénéficier de la protection sociale nécessaire, même si leur emploi est illégal en raison de l’activité de l’employeur. Quant à l’organisation de la prostitution d’une autre personne, elle est presque identique à l’actuel article 380, § 1er, 4°, du Code pénal, qui ne prévoit toutefois pas la men­ tion “sauf dans les cas prévus par la loi”; celle-ci vise précisément à créer un cadre juridique exhaustif dans lequel les travailleurs du sexe pourront organiser leur travail à l’avenir, qu’ils soient indépendants ou salariés. La formulation du projet initial a été modifié dans les amendements afin d’éviter tout chevauchement avec la législation relative à la traite des êtres humains, et donc de ne pas réduire la protection de ses victimes. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) note que la Convention des Nations unies de 1949 pour la répression de la traite des êtres humains et de l’exploitation de la prostitution d’autrui incrimine clairement toute forme de proxénétisme, même si la personne est consentante; cependant, le projet de loi soumet cette activité à un cadre juridique qui reste à définir, ce qui crée une insécurité juridique. En outre, la notion d’ “avantage anormal économique ou tout autre avantage anormal” reste également floue. Mme Vanessa Matz (cdH) indique que, malgré les amendements, la même incertitude entoure la loi spé­ cifique annoncée qui déterminera les exceptions, ce qui empêche de statuer sur les dispositions actuellement à l’examen. Il faut d’abord avoir la certitude que ces dispositions permettent toujours de poursuivre effica­ cement l’exploitation de la prostitution. Ne serait-il pas préférable de geler la discussion de ce chapitre dans l’attente de la loi spécifique annoncée? Pour l’instant, il n’est pas possible de se prononcer en connaissance de cause. Mme Matz demande par ailleurs de consulter le Collège des procureurs sur les amendements 71 à 75, 79 et 80, ainsi que les associations actives dans le domaine de la traite des êtres humains, en particulier Samilia. C’est une requête raisonnable, car le contenu des amendements n’était évidemment pas encore connu lors des auditions. M. Ben Segers (Vooruit) indique que les amendements nos 71 à 75, 79 et 80 améliorent grandement le projet de loi initial et limitent à juste titre le chevauchement avec la traite d’êtres humains. Les nouveaux textes prennent pour point de départ les intérêts des travailleurs du sexe et acceptent également cette activité comme une 111 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ook als een normale activiteit waarvoor weliswaar gelet op de risico’s wel specifieke regels moeten gelden. De aangekondigde specifieke wet moet de organisatie van sekswerk verder in detail regelen en moet snel realiteit worden. De nieuwe regeling betekent een grote stap vooruit voor zelfstandige sekswerkers die zullen kun­ nen genieten van volwaardige juridische bescherming. Kan de minister toelichten hoe hij de eerste-lijndiensten (inspectie, politie…) zal betrekken bij de inwerkingtreding van de nieuwe wet, opdat er continuïteit in hun optreden zou zijn? Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) stelt dat amen­ dement nr. 79 een aanzienlijke verbetering betekent tegenover de oorsprongelijke tekst van art. 76 van het wetsontwerp; het maakt een duidelijk onderscheid tussen misdrijven van prostitutie en van mensenhandel en leidt tot een betere juridische bescherming van sekswerkers. Het amendement laat een ruime toepassing toe en de aangekondigde specifieke wet zal toelaten aan de sekswerkers een specifiek sociaalrechterlijk statuut op maat toe te kennen wat een einde zal maken aan hun huidige precaire situatie. Mevrouw Nathalie Gilson (MR) wijst erop dat wat haar fractie betreft de activiteit van sekswerker idealiter een zelfstandig statuut vereist. Dit biedt echter minder sociaalrechterlijke bescherming dan dat van een loontrek­ kende. Vandaar dat de MR-fractie al jaren ijvert voor een opwaardering van het zelfstandigenstatuut. In België is niet prostitutie maar pooierschap strafbaar. In de mate dat pooiers optreden als werkgever is er tegenover hen een zekere mate van tolerantie. De uitzonderingen in de aangekondigde specieke wet moeten minimaal zijn en strikt gecontroleerd worden; de minister moet hiertoe de nodige middelen voorzien voor politie en parketten opdat een loontrekkende van dezelfde mate van zelf­ beschikking zou kunnen genieten als een zelfstandige. Bijkomend moet men in overleg met de gewesten de nodige bijkomende middelen voorzien opdat personen die uit de prostitutie wensen te stappen dit ook daad­ werkelijk zouden kunnen doen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) verwijst naar de tussenkomst van de heer Segers: de overlapping met mensenhandel zal stellig niet volledig verdwijnen met de nieuwe wet. Dan blijft ook de vraag of ‘huur’, moet aangemerkt worden als een gewoon voordeel of als een abnormaal voordeel? Ondanks de toelichting van amendement nr. 79 blijft dit een vaag gegeven. Moet er niet in beide streepjes van art. 76 sprake zijn van een abnormaal voordeel? activité normale, qui doit certes être soumise à des règles spécifiques compte tenu des risques. La loi spécifique annoncée doit réglementer plus en détail l’organisation du travail du sexe et doit rapidement devenir une réalité. La nouvelle réglementation constituera un grand pas en avant pour les travailleurs du sexe indépendants, qui pourront bénéficier d’une protection juridique à part entière. Le ministre peut-il expliquer comment il va associer les services de première ligne (inspection, police…) à la mise en œuvre de la nouvelle loi, afin qu’il y ait une continuité dans leurs actions? Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) indique que l’amen­ dement n° 79 constitue une amélioration notable par rapport au texte initial de l’article 76 du projet de loi; il opère une distinction claire entre les infractions de prostitution et de traite d’êtres humains et conduit à une meilleure protection juridique des travailleurs du sexe. L’amendement permet une application large et la loi spé­ cifique annoncée permettra d’accorder aux travailleurs du sexe un statut social spécifique sur mesure, ce qui mettra fin à leur situation précaire actuelle. Mme Nathalie Gilson (MR) souligne que, pour son groupe, l’activité de travailleur du sexe nécessite idéale­ ment un statut d’indépendant. Celui-ci offre cependant une moins grande protection en matière de droits sociaux que celui de salarié. C’est pourquoi le groupe MR œuvre depuis des années en faveur d’une revalorisation du statut d’indépendant. En Belgique, ce n’est pas la prostitution mais le proxénétisme qui est punissable. Dans la mesure où les proxénètes agissent comme des employeurs, il existe un certain degré de tolérance à leur égard. Les exceptions dans la loi spéciale annoncée doivent être minimales et strictement contrôlées; le ministre doit prévoir à cette fin les moyens nécessaires pour la police et les parquets afin qu’un salarié puisse jouir du même degré d’autodétermination qu’un indépendant. En outre, en concertation avec les régions, il convient de prévoir les moyens supplémentaires nécessaires pour que les personnes qui souhaitent sortir de la prostitution puissent effectivement le faire. Mme Sophie De Wit (N-VA) se réfère à l’intervention de M. Segers: le chevauchement avec la traite d’êtres humains ne disparaîtra certainement pas complètement avec la nouvelle loi. La question se pose également de savoir si le “loyer” doit être considéré comme un avantage normal ou anormal? Malgré la justification de l’amendement n° 79, cet élément reste vague. Ne doit-il pas être question d’un avantage anormal dans les deux tirets de l’article 76? 2141/006 DOC 55 112 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De minister wijst erop dat dit toelaat dat er een werk­ gever-werknemerrelatie kan ontstaan in het kader van sekswerk (eerste streepje, ‘normaal’); het abnormale voordeel in het tweede streepje verwijst naar misbruik waarbij bijvoorbeeld een huis wordt verhuurd voor een excessieve prijs, of waarbij een boekhouder zich in natura laat betalen door de sekswerker. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) repliceert dat de vaagheid blijft bestaan en dat er veel te veel toelichting vereist is. Daarom vraagt mevrouw De Wit hierover alsnog een schriftelijk advies te vragen aan het College van procureurs-generaal. De aankondiging van een specifieke wet die uitzonderingen moet omschrijven, is geen goede wetgeving. Het zou veel beter zijn alles in één pakket aan te pakken ofwel de inwerkingtreding van dit hoofdstuk op te schorten tot de inwerkingtreding van die specifieke wet. De minister is het daar niet mee eens, het gaat hier om de bescherming van de rechten van sekswerkers die steeds tussen de mazen van het net vallen. De nood hieraan bleek trouwens ook uit de persoonlijke getuige­ nissen van sekswerkers. Het voorliggende wetsontwerp is een stap vooruit voor zelfstandige sekswerkers; wat betreft loontrekkenden blijft voorlopig alles bij het oude, in afwachting van de aangekondigde specifieke wet die de voorwaarden zal bepalen. Dit wordt een belangrijk parlementair debat waarbij de vrijheden en rechten van sekswerkers centraal zullen staan. Dit wetsontwerp maakt komaf met het hypocriete gedoogbeleid en laat toe dat het parket kordaat kan optreden tegen zowel prostitutie als mensenhandel, dankzij het duidelijke onderscheid tussen beide gemaakt. Overigens is de formulering ‘behalve in de gevallen die de wet bepaalt’ niet zo uitzonderlijk als hier door sommigen beweerd wordt, zo zijn er legio bepalingen in het Strafwetboek. De minister hoopt de specifieke wet klaar te hebben tegen de zomer 2022; deze wet zal meer omvatten dan louter strafbepalingen en vergt dus een multidisciplinaire aanpak. Wat betreft de vraag van mevrouw De Wit over de inrichting van een huis voor prostitutie, merkt de minister op dat het oogmerk is om de activiteiten van derden die niet tot doel hebben prostitutie te organiseren, niet te criminaliseren. De voorliggende materie is inderdaad zeer complex omdat sekswerk een complexe activiteit is die een bijzondere wettelijke aanpak vergt. De voorliggende amendementen getuigen er trouwens van dat er terdege Le ministre souligne que cela permet de créer une relation employeur-employé dans le cadre du travail du sexe (premier tiret, “normal”); l’avantage anormal du deuxième tiret concerne l’abus lorsque, par exemple, un logement est loué à un prix excessif ou lorsqu’un comp­ table se fait payer en nature par le travailleur du sexe. Mme Sophie De Wit (N-VA) répond que le flou demeure et que cela requiert beaucoup trop de commentaires. C’est pourquoi Mme De Wit demande que l’on demande l’avis écrit du Collège des procureurs généraux sur ce point. L’annonce d’une loi spécifique qui doit définir les exceptions n’est pas une bonne façon de légiférer. Il serait beaucoup plus judicieux de tout traiter en une seule fois ou de suspendre l’entrée en vigueur de ce chapitre jusqu’à l’entrée en vigueur de cette loi spécifique. Le ministre ne partage pas cet avis, la question ici est de protéger les droits des travailleurs du sexe qui continuent de passer entre les mailles du filet. Cette nécessité est d’ailleurs également apparue lors des témoignages personnels des travailleurs du sexe. Le projet de loi à l’examen constitue une avancée pour les travailleurs du sexe indépendants; pour les salariés, tout reste inchangé pour le moment, en attendant la loi spé­ cifique annoncée qui fixera les conditions. Il s’agira d’un débat parlementaire important dans lequel les libertés et les droits des travailleurs du sexe occuperont une place centrale. Ce projet de loi met fin à une politique de tolérance empreinte d’hypocrisie et permettra au parquet d’intervenir fermement tant contre la prostitution que contre la traite d’êtres humains, grâce à la distinction clairement établie entre les deux. D’ailleurs, la formule “sauf dans les cas prévus par la loi” n’est pas aussi exceptionnelle que certains le prétendent; on la trouve à moult reprises dans le Code pénal. Le ministre espère pouvoir finaliser cette loi spécifique d’ici à l’été 2022; cette loi ne comprendra pas seule­ ment des dispositions pénales et nécessitera donc une approche pluridisciplinaire. En ce qui concerne la question de Mme De Wit rela­ tive à l’aménagement d’une maison de prostitution, le ministre souligne que l’objectif n’est pas de criminaliser les activités de tiers qui n’ont pas pour objet d’organiser la prostitution. La matière à l’examen est effectivement d’une grande complexité, car le travail du sexe est une activité complexe qui requiert une approche légale particulière. Il ressort du reste des amendements à l’examen que les avis rendus 113 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E rekening werd gehouden met de adviezen gegeven tijdens de hoorzittingen. Nogmaals een advies vragen is dan ook overbodig. Er kan ook geen sprake van zijn hoofdstuk 2 uit het wetsontwerp te tillen , aangezien dat zelfstandige sekswerkers in de kou zou laten staan. De eerste lijnsdiensten werden nauw bij de voorbe­ reiding van het wetsontwerp betrokken. De minister heeft zich er ook toe verbonden om de centra voor mensenhandel financieel bij te staan om sekswerkers te begeleiden die uit het beroep willen stappen. De periodes van lockdown hebben overigens overduidelijk aangetoond dat het bestaande gedoogbeleid uiterst nefast is voor de sekswerkers. Mevrouw Katleen Bury (VB) stelt vast dat de teksten nog steeds onduidelijk zijn en niet rijp zijn om gestemd te worden. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) benadrukt dat haar fractie de werkzaamheden geenszins wil vertragen en evenmin tornen aan het statuut van zelfstandige werk­ nemers. Overigens blijft onduidelijk in welke mate de voorliggende tekst sekswerkers onder zelfstandig statuut beter zou beschermen dan nu al het geval is. Vandaar de noodzaak om de tekst te bevriezen in afwachting van de aangekondigde specifieke wet teneinde tegemoet te komen aan de noodzaak van een statuut verschillend van dat van zelfstandige en tevens ter bescherming van de slachtoffers van misbruik. Het is onduidelijk hoe dat met voorliggende tekst het geval zou zijn. Dat het College van procureurs-generaal politieke uitspraken zou doen, klopt niet; het komt erop aan te weten of het parket misbruiken nog kan vervolgen of niet met de bepalingen van het voorliggende wetsontwerp, zodat de slachtoffers beschermd zijn. Vandaar de noodzaak van een schriftelijk advies. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dringt eveneens aan op een advies van het College van procureurs-generaal, wat perfect mogelijk is in afwachting van de tweede lezing. Het huidige wetsontwerp mag dan al een voor­ uitgang betekenen voor sekswerkers onder zelfstandig statuut maar dit gaat tegelijk ten koste van alle andere slachtoffers van misbruik. Het komt erop aan een globale oplossing te bereiken. De minister wijst erop dat het wetsontwerp ook voor zelfstandigen wel degelijk zaken verandert doordat derden die met hen samenwerken niet langer op basis van artikel 380 SW gecriminaliseerd worden. Het College van procureurs-generaal heeft destijds inderdaad gepleit voor het behoud van art. 380 SW en ze werden daarin niet gevolgd. Op dat punt is er intussen lors des auditions ont été dûment pris en compte. Il est donc inutile de demander de nouveaux avis. Il n’est pas non plus question de supprimer le chapitre 2 du projet de loi, car cela reviendrait à abandonner les travailleurs du sexe indépendants à leur sort. Les services de première ligne ont été étroitement associés à la préparation du projet de loi à l’examen. Le ministre s’est par ailleurs engagé à fournir aux centres d’assistance aux victimes de traite des êtres humains une aide financière destinée à accompagner les travail­ leurs du sexe qui souhaitent quitter la profession. Les périodes de confinement ont montré très clairement que la politique de tolérance existante est extrêmement néfaste pour les travailleurs du sexe. Mme Katleen Bury (VB) constate que les textes manquent toujours de clarté et qu’ils ne sont pas suffi­ samment mûrs pour être votés. Mme Vanessa Matz (cdH) souligne que son groupe n’a nullement l’intention de ralentir les travaux ni de toucher au statut des travailleurs indépendants. D’ailleurs, on ne voit toujours pas clairement dans quelle mesure le texte actuel protégerait mieux les travailleurs du sexe sous le statut d’indépendant qu’ils ne le sont déjà. D’où la nécessité de geler le texte en attendant la loi spécifique annoncée, afin de répondre à la nécessité d’un statut différent de celui des indépendants et aussi de protéger les victimes d’abus. La membre ne perçoit pas claire­ ment comment cela pourrait être le cas avec le texte à l’examen. Il est inexact d’affirmer que les déclarations du Collège des procureurs généraux seraient d’ordre politique; il convient de savoir si le parquet peut encore poursuivre ou non les abus au regard des dispositions du projet de loi à l’examen, afin que les victimes soient protégées. D’où la nécessité d’un avis écrit. Mme Sophie De Wit (N-VA) insiste également pour obtenir un avis du Collège des procureurs généraux, ce qui est parfaitement possible en attendant la deuxième lecture. Le projet de loi actuel représente peut-être un progrès pour les travailleurs du sexe sous statut indépendant, mais il le fait au détriment de toutes les autres victimes d’abus. Il est important de parvenir à une solution globale. Le ministre souligne que le projet de loi change éga­ lement la donne pour les indépendants, puisque les tiers qui coopèrent avec eux ne sont plus incriminés sur la base de l’article 380 de la loi. À l’époque, le Conseil des procureurs généraux a effectivement plaidé en faveur du maintien de l’article 380 du Code pénal, et il n’a pas été suivi. Rien n’ayant changé 2141/006 DOC 55 114 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E niets veranderd en hen nogmaals bevragen heeft der­ halve geen zin aangezien zij hun standpunt niet zullen wijzigen. Overigens werden ook de parketten betrokken en deze zijn positief. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) herhaalt dat men­ senhandel en prostitutie in één geheel moeten worden aangepakt wenst men lacunes te vermijden. Het verzoek van mevrouw Sophie De Wit (N-VA) om over de amendementen nrs. 71 tot 75, 79 en 80 het advies van het College van procureurs-generaal in te winnen, wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. Artikel 75 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stem­ men en 1 onthouding. Art. 76 Dit artikel strekt tot de invoeging van artikel 433quater in hetzelfde Wetboek en gaat over het pooierschap. Voor de bespreking van dit artikel wordt verwezen naar de bespreking van artikel 75. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 69 in (DOC 55 2141/004) dat ertoe strekt het ontwor­ pen artikel 433quater/1 te vervangen. Het lid overloopt de verantwoording van haar amendement. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 79 in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 433quater/1, het eerste lid te vervangen. Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) overloopt de verantwoording van haar amendement. Amendement nr. 69 wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 en 4 onthoudingen. Amendement nr. 79 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Het aldus geamendeerde artikel 76 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Art. 77 Dit artikel strekt tot de invoeging van artikel 433qua­ ter/2 in hetzelfde Wetboek en betreft het reclame maken voor prostitutie. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 74 in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt In het voorge­ stelde artikel 433quater/2, § 2, eerste lid te vervangen. entre-temps sur ce point, il est inutile de l’interroger à nouveau puisqu’ils ne changeront pas leur position. Par ailleurs, les parquets ont également été associés, et ils accueillent positivement la modification. Mme Sophie De Wit (N-VA) rappelle que la traite des êtres humains et la prostitution doivent être traitées simultanément si l’on veut éviter d’éventuelles lacunes. La demande de Mme Sophie De Wit (N-VA) visant à recueillir l’avis du Collège des procureurs généraux sur les amendements nos 71 à 75, 79 et 80, est rejetée par 11 voix contre 5. L’article 75 est adopté par 11 voix contre 4 et une abstention. Art. 76 Cet article vise l’insertion de l’article 43quater dans le même Code et concerne le proxénétisme. Pour la discussion de cet article, il est renvoyé à la discussion de l’article 75. Mme Vanessa Matz (cdH) présente l’amendement n°69 (DOC 55 2141/004) tendant à remplacer l’article 433qua­ ter/1, proposé. La membre en parcourt la justification. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n°79 (DOC 55 2141/005) tendant à remplacer l’article 433quater/1, alinéa 1er, proposé. Mme Katja Gabriëls (Open Vld) en parcourt la justification. L’amendement n°69 est rejeté par 11 voix contre une et 4 abstentions. L’amendement n°79 est adopté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’article 76, ainsi modifié, est adopté par 11 voix contre 4 et une abstention. Art. 77 Cet article, qui concerne la publicité pour la prostitution, vise à insérer un article 433quater/2 dans le même Code. Mme Katja Gabriëls et consorts présentent l’amen­ dement n°74 (DOC 55 2141/005) tendant à remplacer l’article 433quater/2, § 2, alinéa 1er, proposé. Mme Katja 115 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) geeft lezing van de verantwoording van haar amendement. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat deze amendering een inhoudelijke verbetering is; de uitzonde­ ringen op het reclameverbod worden gepreciseerd wat tegemoet komt aan een aantal opmerkingen gemaakt tijdens de hoorzittingen. Mevrouw De Wit vraagt zich af of de beperking tot reclame via een internet platform, betekent dat straatprostitutie dan ook verboden wordt aangezien dit als een niet toegelaten vorm van publiciteit zou kunnen worden beschouwd? Mevrouw Vanessa Matz (cdH) vraagt wat precies bedoeld wordt met de bewoordingen “behoudens in de gevallen die de wet bepaalt”? De minister verduidelijkt dat straatprostitutie nog steeds onder de Gemeentewet valt; gemeenten kunnen straatprostitutie nog steeds verbieden wegens strijdig met de openbare orde. De bewoordingen ‘behoudens in de gevallen die de wet bepaalt’ verwijzen naar artikel 76, eerste streepje waar dezelfde uitzondering wordt voorzien in gevallen van sekswerk in dienstverband. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) blijft van oordeel dat de toepassing van de drie cumulatieve voorwaarden om reclame te voeren een probleem zou kunnen vormen voor straatprostitutie, aangezien dit uit de aard van de activiteit zelf als publiciteit moet worden beschouwd. Mevrouw Katleen Bury (VB) stelt dat het amendement niet tegemoet komt aan de bezwaren geuit door de po­ litie tijdens de hoorzittingen, omdat reclame via internet niet toelaat te controleren wie achter de de advertenties schuilgaat, inz. wanneer prostitutie plaatsvindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats en er geen concrete aanwijzing is van misbruik of uitbuiting. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) meent dat de derde cumulatieve voorwaarde weinig geloofwaardig is, aan­ gezien de aanbieders van dergelijke internet platformen hierdoor een ruime eigen interpretatiemarge krijgen en het bovendien de netwerken zelf zijn die deze reclame voeren. Bovendien laat men dit reclameverbod alweer afhangen van voorwaarden die nog niet gekend zijn. De minister repliceert dat dit amendement tegemoet­ komt aan de vraag van de vereniging van sekswerkers en de centra voor slachtoffers van mensenhandel omdat er een waarborg is tegen misbruiken aangezien aanbieders van internet platformen deze actief moeten opsporen en Gabriëls (Open Vld) donne lecture de la justification de son amendement. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’amende­ ment à l’examen apporte une amélioration de fond dès lors qu’il tend à préciser les exceptions à l’interdiction de publicité, ce qui donne suite à plusieurs observations formulées au cours des auditions. Toutefois, Mme De Wit se demande si la limitation de la publicité autorisée à la publicité effectuée au moyen d’une plateforme internet signifie par conséquent que la prostitution de rue sera interdite, dès lors qu’elle pourrait être considérée comme une forme illicite de publicité. Mme Vanessa Matz (cdH) demande ce que l’on entend exactement par l’expression “sauf lorsque la loi le prévoit”. Le ministre précise que la prostitution de rue relève toujours du champ d’application de la loi communale, les communes étant toujours habilitées à interdire la prostitution de rue au motif qu’elle est contraire à l’ordre public. L’expression “sauf lorsque la loi le prévoit” ren­ voie à l’article 76, premier tiret, où la même exception est prévue pour les travailleurs du sexe engagés sur la base d’un contrat de travail. Mme Sophie De Wit (N-VA) demeure persuadée que l’application de trois conditions cumulatives permettant de faire de la publicité pourrait s’avérer problématique pour la prostitution de rue, dès lors que cette forme de prostitution doit être considérée, par essence, comme de la publicité. Mme Katleen Bury (VB) indique que l’amendement à l’examen ne répond pas aux inquiétudes exprimées par la police lors des auditions, dès lors que la publicité sur Internet ne permettra pas de vérifier qui se cache derrière les annonces, en particulier lorsque la prostitution a lieu dans un lieu non accessible au public et qu’il n’existe pas d’indication concrète d’abus ou d’exploitation. Mme Vanessa Matz (cdH) estime que la troisième condition cumulative est peu crédible, dès lors qu’elle laisse aux fournisseurs de ces plateformes en ligne une grande marge d’interprétation personnelle et que, de plus, ce sont les réseaux eux-mêmes qui font cette publicité. En outre, cette interdiction de publicité est une nouvelle fois subordonnée à des conditions qui ne sont pas encore connues. Le ministre répond que l’amendement à l’examen répond à la demande de l’association des travailleurs du sexe et des centres pour les victimes de la traite des êtres humains, puisqu’il constitue une garantie contre les abus dès lors que les fournisseurs de plateformes internet 2141/006 DOC 55 116 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E aangeven – een werkwijze die trouwens in de praktijk reeds gangbaar is. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) meent dat artikel 77 onduidelijk geformuleerd is en interne tegenspraak bevat; er valt niet uit te maken of het uitsluitend reclame via internet platformen betreft of ook andere publiciteits­ vormen. De toelichting van het amendement verwijst trouwens naar reclamemateriaal op de openbare weg, wat veel ruimer is. De minister repliceert dat het advies van de raad van State hierover ongetwijfeld klaarheid zal scheppen. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) dient amendement nr. 87 in (DOC 55 2141/005) dat ertoe strekt het ontwor­ pen artikel 433quater/2, § 2, aan te vullen. Zij overloopt vervolgens de verantwoording van haar amendement. Amendement nr. 74 wordt aangenomen met met 14 stemmen en 2 onthoudingen. Amendement nr. 87 wordt verworpen met 11 tegen 2 stemmen en 3 onthoudingen. Het aldus geamendeerde artikel 77 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Art. 78 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua­ ter/3 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 75 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 78. Het ligt in de bedoeling de woorden “exploitatie van de prostitutie van een meerderjarige” te vervangen door de woorden “het zich prostitueren als meerderjarige”. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 75 wordt aangenomen met 15 stem­ men en 1 onthouding. Art. 79 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua­ ter/4 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 70 (DOC 55 2141/004) in, tot weglating van artikel 79. Er wordt verwezen naar de verantwoording. devront les rechercher et les dénoncer activement, une méthode de travail qui est déjà courante en pratique. Mme Sophie De Wit (N-VA) estime que l’article 77 n’est pas formulé clairement et qu’il contient une contra­ diction interne. En effet, on ne sait pas si cela concerne exclusivement la publicité effectuée au travers de pla­ teformes en ligne ou également d’autres formes de publicité. Par ailleurs, la justification de l’amendement renvoie au matériel publicitaire sur la voie publique, ce qui est beaucoup plus large. Le ministre réplique que l’avis du Conseil d’État fera sans aucun doute la clarté à ce sujet. Mme Sophie Rohonyi (DéFi) présente l’amende­ ment n° 87 (DOC 55 2141/005) tendant à compléter l’article 433quater/2, § 2, en projet. Elle parcourt ensuite la justification de son amendement. L’amendement n° 74 est adopté par 14 voix et 2 abstentions. L’amendement n° 87 est rejeté par 11 voix contre 2 et 3 abstentions. L’article 77, ainsi modifié, est adopté par 11 voix contre 4 et une abstention. Art. 78 Cet article tend à insérer un article 433quater/3 dans le même Code. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 75 (DOC 55 2141/005) qui tend à remplacer l’article en vue de supprimer les mots “exploitation de la prostitution d’un adulte” et de les remplacer par “inciter un majeur à se prostituer”. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 75 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 79 Cet article tend à insérer un article 433quater/4 dans le même Code. Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 70 (DOC 55 2141/004) qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. 117 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 72 (DOC 55 2141/005) in, tot weglating van artikel 79. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 70 wordt verworpen met 11 te­ gen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 72 wordt aangenomen met 15 stem­ men en 1 onthouding. Art. 80 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua­ ter/5 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 71 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 80, teneinde een duidelijk onderscheid te maken met de bepalingen inzake mensenhandel. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 88 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 80, teneinde er uitdrukkelijk het begrip “men­ senhandel” in op te nemen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van oordeel dat de bewoordingen van amendement nr. 71 en de ver­ antwoording ervan nog steeds een overlapping met de mensenhandel bevatten. De minister stipt aan dat het niet de bedoeling is alle overlappingen uit te sluiten, maar wel ze zoveel mogelijk te beperken. Het is belangrijk de kwetsbaarheid van het slachtoffer voor verzwaard misbruik van prostitutie als verzwarende omstandigheid te behouden, want er kun­ nen gevallen zijn waar zulks niet onder mensenhandel valt. Die moeten kunnen worden bestraft. Amendement nr. 71 wordt aangenomen met 12 te­ gen 3 stemmen en 1 onthouding. Bijgevolg komt amendement nr. 88 te vervallen. Art. 81 Dit artikel strekt tot invoeging van een artikel 433qua­ ter/6 in hetzelfde Wetboek. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 73 (DOC 55 2141/005) in, tot weglating van artikel 81, teneinde Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 72 (DOC 55 2141/005) qui tend à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 70 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n° 72 est adopté par 15 voix et une abstention. Art. 80 Cet article tend à insérer un article 433quater/5 dans le même Code. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 71 (DOC 55 2141/005) qui tend à rempla­ cer l’article en vue de le démarquer des dispositions concernant la traite des êtres humains. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 88 (DOC 55 2141/005) qui vise à remplacer l’article pour y insérer explicitement la notion de traite des êtres humains. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie De Wit (N-VA) considère que les termes repris dans l’amendement n° 71 et la justification contiennent toujours un chevauchement avec la traite des êtres humains. Le ministre rappelle que l’intention est de limiter les cas de chevauchements, pas de tous les exclure. Il est important de maintenir comme circonstance aggravante la vulnérabilité de la victime pour l’abus aggravé de la prostitution, car il peut y avoir des cas sans que cela ne constitue de la traite des êtres humains. Cela doit pouvoir être puni. L’amendement n° 71 est adopté par 12 voix contre 3 et une abstention. Par conséquent, l’amendement n° 88 est sans objet. Art. 81 Cet article tend à insérer un article 433quater/6 dans le même Code. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 73 (DOC 55 2141/005) qui tend à supprimer 2141/006 DOC 55 118 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de overlapping met mensenhandel zoveel mogelijk te beperken. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) dient amende­ ment nr. 89 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van het artikel, teneinde er uitdrukkelijk het begrip “men­ senhandel” in op te nemen. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 73 wordt aangenomen met 15 stem­ men en 1 onthouding. Bijgevolg vervalt amendement nr. 89. Art. 82 tot 84 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 82 tot 84 worden achtereenvolgens aangenomen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Art. 84/1 (nieuw) Mevrouw Claire Hugon c.s. dient amendement nr. 80 (DOC 55 2141/005) in, tot invoeging van een artikel 84/1, teneinde te voorzien in een periodieke evaluatie van de toepassing van de nieuwe bepalingen inzake prostitutie twee jaar na de inwerkingtreding ervan, en vervolgens om de vier jaar. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) hoopt dat de beloofde wet er zal zijn tegen de eerste evaluatie in 2023, zo niet is die bepaling zinloos. De minister wijst erop dat hij ter zake snel voortgang zal maken. Amendement nr. 80 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van andere bepalingen van het Strafwetboek Art. 85 en 86 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 85 en 86 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. l’article en vue de limiter autant que possible le chevau­ chement avec la traite des êtres humains. Il est renvoyé à la justification. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) dépose l’amende­ ment n° 89 (DOC 55 2141/005) qui vise à remplacer l’article pour y insérer explicitement la notion de traite des êtres humains. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 73 est adopté par 15 voix et une abstention. Par conséquent, l’amendement n° 89 est sans objet. Art. 82 à 84 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 82 à 84 sont successivement adoptés par 11 voix contre 4 et une abstention. Art. 84/1 (nouveau) Mme Claire Hugon et consorts déposent l’amende­ ment n° 80 (DOC 55 2141/005) qui tend à insérer un article 84/1 en vue d’introduire une évaluation périodique de l’application des nouvelles dispositions relatives à la prostitution, après 2 ans à dater de leur entrée en vigueur, puis tous les quatre ans. Mme Sophie De Wit (N-VA) espère que la loi promise sera disponible d’ici la première évaluation en 2023, ou sinon cela ne servira à rien. Le ministre indique qu’il avancera rapidement sur le sujet. L’amendement n° 80 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 3 Modifications d’autres dispositions du Code pénal Art. 85 et 86 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 85 et 86 sont successivement adoptés à l’unanimité. 119 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 87 Dit artikel strekt ertoe de bepalingen onder 1° en 2° van het artikel 37ter, § 1, derde lid, op te heffen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 45 (DOC 2141/003) in, dat ertoe strekt arti­ kel 87 weg te laten. De artikelen 87, 88 en 89 hebben immers tot gevolg dat de alternatieve straffen in de vorm van het elektronisch toezicht, de werkstraf en de autonome probatiestraf niet meer uitgesloten worden voor bepaalde seksuele misdrijven. Deze artikelen lopen bijgevolg vooruit op de toekomstige omvattende hervorming van het strafrecht en horen om die reden niet thuis in het voorliggende wetsontwerp. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 76 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 87. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 78. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) stelt vast dat de verantwoording van amendement nr. 78 (zie hieronder) onder meer het volgende vermeldt: “De afschaffing van de uitsluiting is een belangrijke wijziging die verder gaat dan het kader van het seksuele strafrecht. Daarom wordt voorgesteld te wachten op de hervorming van het Strafwetboek om de lijst van uitsluitingen van alternatieve straffen aan te passen. Het amendement voorziet dus in de herinvoering van de uitsluitingen, behalve voor het misdrijf verkrachting.” De spreekster vindt dat niet logisch. Waarom worden de uitsluitingen opnieuw inge­ steld, behalve voor verkrachting? Werd daarover met de deelstaten overlegd teneinde over voldoende capaciteit te beschikken? De spreekster gaat ten slotte uit van het principe dat een verkrachter die onder elektronisch toezicht werd geplaatst, zich tijdens de strafuitvoering niet mag bevinden binnen een bepaalde geografische perimeter rond de plaats van de verkrachting heeft plaatsgevonden. Mevrouw Katleen Bury (VB) begrijpt evenmin de redenering die inzake verkrachting wordt gevolgd. De minister geeft aan dat die uitsluitingen in de initiële tekst voor alle soorten van seksuele misdrijven wer­ den geschrapt. Voor al die misdrijven kon met andere woorden in een alternatieve straf worden voorzien. Die schrapping ging echter te ver, aangezien voor een aantal andere zware misdrijven geen alternatieve straf­ fen kunnen worden opgelegd. Waarom behoudt men die schrapping dan wel voor verkrachting? De reden hiervoor moet worden gezocht in de strekking van dit wetsontwerp; het strekt er immers niet louter toe te voorzien in zwaardere straffen, maar tevens in straf­ fen op maat. Aldus werd ervoor gekozen te bepalen Art. 87 Cet article vise à abroger les 1° et 2° de l’article 37ter, § 1er, alinéa 3. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 45 (DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article. En effet, les articles 87, 88 et 89 ont pour conséquence que les peines alternatives de la surveillance électronique, la peine de travail et la peine de probation autonome ne seront plus exclues pour certaines infractions à caractère sexuel. Ces articles anticipent donc la future réforme globale du droit pénal et n’ont donc pas leur place dans le présent projet de loi. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 76 (DOC 55 2141/005) qui tend à rem­ placer cet article. Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 78. Mme Sophie De Wit (N-VA) constate que l’amende­ ment n° 78 (voir ci-dessous) indique que “la suppres­ sion de l’exclusion est une modification importante qui dépasse le cadre du droit pénal sexuel. C’est la raison pour laquelle il est proposé d’attendre la réforme du Code pénal pour adapter la liste des exclusions des peines alternatives. L’amendement prévoit donc de réintroduire les exclusions sauf pour l’infraction relative a viol.”. L’oratrice ne comprend pas la logique. Quelle est la motivation de réintroduire les exclusions sauf pour le viol? Cela a-t-il été concerté avec les entités fédérées pour veiller à avoir suffisamment de capacité? Enfin, l’intervenante part du principe qu’un violeur qui se voit infliger une peine de surveillance électronique ne pourra prester sa peine dans le périmètre géographique où le viol a été commis. Mme Katleen Bury (VB) ne comprend pas non plus le raisonnement suivi concernant le viol. Le ministre indique que le texte d’origine supprimait ces exclusions pour tous les types d’infractions sexuelles. En d’autres termes, une peine alternative était possible pour toutes ces infractions. Cependant, cette suppression allait trop loin, étant donné qu’une série d’autres infrac­ tions graves sont soumises à cette exclusion de peines alternatives. Pourquoi maintient-on cette suppression pour le viol? La raison vient de la philosophie de ce projet de loi, qui ne vise pas seulement à prévoir des peines plus lourdes, mais aussi à permettre des peines sur mesure. Le choix a donc été fait de permettre les peines alternatives pour l’infraction de viol. Le ministre 2141/006 DOC 55 120 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dat alternatieve straffen kunnen worden opgelegd ter bestraffing van het misdrijf verkrachting. De minister geeft het voorbeeld van een jongeman van 21 jaar die een meisje van 18 jaar penetreert, in de veronderstelling dat zij daarmee instemt. Gesteld dat hij zijn wangedrag onmiddellijk erkent en bovendien een blanco strafregister heeft, moet hij dan naar de gevangenis worden gestuurd, of moet hij veeleer tot een autonome probatiestraf worden veroordeeld om hem bewust te maken van de ernst van zijn daden? Voor het overige wordt de huidige wet op de probatie behouden. Voor zware seksuele misdrijven zoals verkrachting met verzwarende omstandigheden of misbruik van minderjarigen blijven alternatieve straffen bijgevolg uitgesloten. Er zijn in dat verband informele contacten met de deelstaten geweest. De minister verwijst naar de aan de gang zijnde actualisering van het samenwerkingsakkoord inzake de begeleiding en behandeling van daders van seksueel misbruik. De minister wijst er overigens op dat de Raad van State geen opmerking over die uitsluiting had gemaakt. Ook die wijziging via amendement zal aan de Raad van State worden voorgelegd. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) beklemtoont dat om­ zichtigheid inzake het misdrijf verkrachting geboden is en dat samenwerking met de deelstaten in dezen zeer belangrijk is. De minister wijst erop dat wordt uitgegaan van de ba­ sismisdrijven; voor al die misdrijven kon een alternatieve straf worden opgelegd, behalve dan voor verkrachting. Er is bijgevolg gestreefd naar een betere samenhang door de schrapping van de uitsluiting voor het basismisdrijf verkrachting te behouden. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) is van mening dat verkrachting een zwaar misdrijf blijft; er is dus een reden om verkrachting van de alternatieve straffen uit te sluiten. Dat is een beleidskeuze. De minister herinnert eraan dat de strafvork voor verkrachtingsmisdrijven tegelijk wordt uitgebreid. De maximumstraf gaat van 5 jaar naar 10 jaar, rekening hou­ dend met de verwijzing naar de correctionele rechtbank. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) vreest dat dit zulks in de praktijk anders zal verlopen. Amendement nr. 45 wordt verworpen met 11 tegen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 76 wordt aangenomen met 12 stem­ men tegen 1 en 3 onthoudingen. prend l’exemple d’un jeune de 21 ans qui pénètre une fille de 18 ans, pensant disposer de son consentement. S’il reconnait immédiatement ses tords et dispose en outre d’un casier judiciaire vierge, faut-il l’envoyer en prison, ou plutôt prononcer par exemple une peine de probation autonome pour qu’il prenne conscience de la gravité de ses actes? Pour le reste, la loi actuelle sur la probation est maintenue. Pour les crimes sexuels lourds comme le viol aggravé ou l’abus de mineur, les peines alternatives restent donc exclues. Des contacts informels ont eu lieu avec les entités fédérées à cet égard. Il réfère à l’actualisation en cours de l’accord de coopération concernant le traitement et l’accompagnement d’auteurs d’abus sexuels. En outre, le ministre rappelle que le Conseil d’État n’avait pas fait de remarque par rapport à cette exclusion. Cette modification par amendement sera à nouveau soumise au Conseil d’État. Mme Sophie De Wit (N-VA) souligne qu’il faut faire preuve de prudence en ce qui concerne l’infraction de viol et que la coopération avec les entités fédérées est essentielle à cet égard. Le ministre rappelle qu’on raisonne par rapport aux infractions de base. Celles-ci permettaient toutes la prononciation d’une peine alternative, sauf le viol. On a donc cherché une meilleure cohérence en maintenant la suppression de l’exclusion pour l’infraction de base de viol. Mme Sophie De Wit (N-VA) considère qu’un viol reste une infraction grave. Il y a donc une raison pour l’exclure de la peine alternative. C’est une question de choix politique. Le ministre rappelle que la fourchette de peines est élargie dans le même temps en ce qui concerne le viol. La peine maximale passe de 5 à 10 ans, en tenant compte du système de la correctionnalisation. Mme Sophie De Wit (N-VA) craint que cela ne se déroule pas de cette manière dans les faits. L’amendement n° 45 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n° 76 est adopté par 12 voix contre une et 3 abstentions. 121 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 88 Dit artikel strekt ertoe de bepalingen onder 2° en 3° van het artikel 37quinquies, § 1, tweede lid, op te heffen. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 46 (DOC 2141/003) in, tot weglating van het artikel. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 45. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 77 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van artikel 88. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 78. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 87. Amendement nr. 46 wordt verworpen met 11 te­ gen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 77 wordt aangenomen met 12 stem­ men tegen 1 en 3 onthoudingen. Art. 89 Dit artikel strekt tot opheffing van het bepaalde on­ der 2 en 3 van artikel 37quinquies, § 1, tweede lid. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 47 (DOC 2141/003) in, dat ertoe strekt arti­ kel 89 weg te laten. Er wordt verwezen naar de verant­ woording van amendement nr. 45. Mevrouw Katja Gabriëls c.s. dient amendement nr. 78 (DOC 55 2141/005) in, tot vervanging van dit artikel. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Er wordt verwezen naar de bespreking van artikel 87. Amendement nr. 47 wordt verworpen met 11 te­ gen 4 stemmen en 1 onthouding. Amendement nr. 78 wordt aangenomen met 12 stem­ men tegen 1 en 3 onthoudingen. Art. 90 tot 95 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 90 tot 95 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. Art. 88 Cet article tend à abroger les 2° et 3° de l’article 37quin­ quies, § 1er, alinéa 2. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amende­ ment n° 46 (DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article. Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 45. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amen­ dement n° 77 (DOC 55 2141/005) qui tend à rem­ placer cet article. Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 78. Il est renvoyé à la discussion de l’article 87. L’amendement n° 46 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n° 77 est adopté par 12 voix contre une et 3 abstentions. Art. 89 Cet article tend à abroger les 2° et 3° de l’article 37quin­ quies, § 1er, alinéa 2. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 47 (DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article. Il est ren­ voyé à la justification de l’amendement n° 45. Mme Katja Gabriëls et consorts déposent l’amende­ ment n° 78 (DOC 55 2141/005) qui tend à remplacer cet article. Il est renvoyé à la justification. Il est renvoyé à la discussion de l’article 87. L’amendement n° 47 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’amendement n° 78 est adopté par 12 voix contre une et 3 abstentions. Art. 90 à 95 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 90 à 95 sont successivement adoptés à l’unanimité. 2141/006 DOC 55 122 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 3 Wijzigingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering Art. 96 tot 98 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 96 tot 98 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. TITEL 4 Wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering Art. 99 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 99 wordt eenparig aangenomen. Art. 99/1 (nieuw) De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) dient amende­ ment nr. 23 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een artikel 99/1, teneinde § 1 van artikel 47bis te vervangen. Het is de bedoeling te waarborgen dat de slachtoffers van bij het eerste verhoor recht hebben op juridische bijstand. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 23 wordt verworpen met 11 tegen 5 stemmen. Art. 100 tot 105 Over deze artikelen worden geen opmerkingen gemaakt. De artikelen 100 tot 105 worden achtereenvolgens en eenparig aangenomen. TITRE 3 Modifications du Titre Préliminaire du Code de procédure pénale Art. 96 à 98 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 96 à 98 sont successivement adoptés à l’unanimité. TITRE 4 Modifications du Code d’Instruction criminelle Art. 99 Cet article ne fait l’objet d’aucun commentaire. L’article 99 est adopté à l’unanimité. Art. 99/1 (nouveau) M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) dépose l’amende­ ment n° 23 (DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un article 99/1 en vue de remplacer le paragraphe 1er de l’article 47bis. Il vise à garantir aux victimes le droit à l’assistance juridique dès la première audition. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 23 est rejeté par 11 voix contre 5. Art. 100 à 105 Ces articles ne font l’objet d’aucun commentaire. Les articles 100 à 105 sont successivement adoptés à l’unanimité. 123 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 5 Wijziging van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie Art. 106 Dit artikel strekt tot wijziging van artikel 8, § 1, eer­ ste lid, van de wet van 29 juni 1964, teneinde de volgende woorden op te heffen: “Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, kunnen de vonnisgerechten”. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) dient amende­ ment nr. 48 (DOC 55 2141/003) in, tot weglating van dit artikel. Het ligt in de bedoeling te bepalen dat een veroordeling uit het verleden niet langer belet dat een straf met probatie-uitstel kan worden opgelegd, zoals dat thans wél het geval is. Er wordt verwezen naar de verantwoording. De spreekster is niet tegen alternatieve straffen, maar deze bepaling gaat de reikwijdte van het voorliggende wetsontwerp ver te buiten. Dit aspect moet worden besproken in het ruimere kader van de herziening van het strafrecht. De minister geeft toe dat die bepaling inderdaad niet alleen de seksuele misdrijven betreft, maar dat niettemin voor die optie werd gekozen omdat de deskundigen inzake de hervorming van het Strafwetboek er sterk voorstander van zijn. Volgens hen is dit nodig om straf­ fen op maat mogelijk te maken. Zelfs in geval van recidive kan een alternatieve straf in bepaalde gevallen immers doeltreffender blijken dan een gevangenisstraf. De minister heeft er dus voor gekozen zich ter zake niet te beperken tot het seksueel strafrecht. Amendement nr. 48 wordt verworpen met 11 te­ gen 4 stemmen en 1 onthouding. Artikel 106 wordt aangenomen met 11 tegen 4 stem­ men en 1 onthouding. TITEL 5/1 (NIEUW) Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 17 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een titel 5/1, TITRE 5 Modification de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation Art. 106 Cet article vise à modifier l’article 8, § 1er, alinéa 1er de la loi du 29 juin 1964 en vue de supprimer les mots “Lorsque le condamné n’a pas encouru antérieure­ ment de condamnation à une peine criminelle ou à un emprisonnement principal de plus de trois ans ou à une peine équivalente prise en compte conformément à l’article 99bis du Code pénal”. Mme Sophie De Wit (N-VA) dépose l’amendement n° 48 (DOC 2141/003) qui vise à supprimer l’article, en vue de réintroduire la condition selon laquelle une personne ne peut pas être condamnée à une peine avec sursis s’il est question d’antécédents judiciaires. Il est renvoyé à la justification. L’oratrice n’est pas contre le principe des peines alternatives, mais cette disposition va beaucoup plus loin que la discussion du présent projet de loi. Cela doit se discuter dans le cadre plus large de la réforme du droit pénal. Le ministre indique que cette option a été choisie car, s’il est vrai qu’elle est plus large que les seules infractions sexuelles, elle a été fortement soutenue par les experts de la réforme du code pénal. C’était nécessaire selon eux afin de permettre des peines sur mesure. En effet, même en cas de récidive, une peine alter­ native peut s’avérer dans certaines situations aussi plus effective qu’une peine d’emprisonnement. Le choix du ministre est de ne pas se limiter au droit pénal sexuel sur cette question. L’amendement n° 48 est rejeté par 11 voix contre 4 et une abstention. L’article 106 est adopté par 11 voix contre 4 et une abstention. TITRE 5/1 (NOUVEAU) Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 17 (DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un titre 5/1 nouveau 2141/006 DOC 55 124 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Wijzigingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten”. Er wordt verwezen naar de verantwoording. Amendement nr. 17 wordt verworpen met 11 stemmen en 5 onthoudingen. Art. 106/1 (nieuw) Mevrouw Vanessa Matz (cdH) dient amendement nr. 18 (DOC 55 2141/002) in, tot invoeging van een artikel 106/1. Beoogd wordt artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 aan te vullen. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 17. De spreekster wijst erop dat dit voorstel tijdens de hoorzittingen werd geformuleerd. Beoogd wordt de nie­ tigheid van de overeenkomst wegens strijdigheid met de openbare orde en met de goede zeden te voorkomen. Zodoende kunnen de sekswerkers hun rechten doen gelden en kan de nietigheid niet worden tegengeworpen. De minister benadrukt dat een wetsontwerp tot aan­ passing van het arbeidsrecht in de maak is, teneinde met name dit punt te regelen. De nodige aanpassingen zullen dus via dat wetsontwerp tot stand komen. Amendement nr. 18 wordt verworpen met 11 stemmen en 5 onthoudingen. TITEL 6 Slotbepaling Art. 107 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 107 wordt eenparig aangenomen. ‘Modification de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail”. Il est renvoyé à la justification. L’amendement n° 17 est rejeté par 11 voix et 5 abstentions. Art. 106/1 (nouveau) Mme Vanessa Matz (cdH) dépose l’amendement n° 18 (DOC 55 2141/002) qui vise à insérer un article 106/1 nou­ veau complétant l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978. Il est renvoyé à la justification de l’amendement n° 17. L’oratrice rappelle que cette proposition a été faite lors des auditions. L’intention est d’éviter de permettre la nullité du contrat pour contrariété à l’ordre public et aux bonnes mœurs. Cela permet aux travailleurs du sexe de faire valoir leurs droits et de ne pas se voir opposer la nullité. Le ministre souligne qu’un projet de loi est en cours pour adapter le droit du travail afin de régler notamment ce point. Cela sera donc fait via ce biais. L’amendement n° 18 est rejeté par 11 voix et 5 abstentions. TITRE 6 Disposition finale Art. 107 Cet article ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 107 est adopté à l’unanimité. 125 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E TITEL 7 Opheffingsbepalingen en bepaling betreffende de inwerkingtreding HOOFDSTUK 1 Opheffingsbepalingen Art. 108 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 108 wordt eenparig aangenomen. HOOFDSTUK 2 Bepaling betreffende de inwerkingtreding Art. 109 Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Artikel 109 wordt eenparig aangenomen. V. — CORRECTIES IN DE MEMORIE VAN TOELICHTING Naar aanleiding van de opmerkingen van me­ vrouw Sophie De Wit (N-VA) betreffende fouten in de memorie van toelichting verduidelijkt de minister dat die moet worden gecorrigeerd als volgt: — het vijfde lid op bladzijde 7 (“In haar algemene opmerkingen”) moet worden ingevoegd na het eerste lid op bladzijde 89 (onder de artikelen 84 tot 105); — op bladzijde 7 moet de tekst die begint met het zesde lid (“In punt 4.2. oordeelt de Raad van State”) en die op bladzijde 8 eindigt met het vierde lid (“In haar advies (nr. 5)”), worden ingevoegd op bladzijde 10, na het tweede lid; — het gehele punt III (“De leeftijd waarop de minderja­ rige kan worden geacht in staat te zijn om uit vrije wil toe te stemmen met seksuele handelingen”) moet worden ingevoegd na punt IV (“Herdefiniëren en uniformiseren van de toestemmingspremisse met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht”); — het gehele punt VI (“Wijzigingen aan de bepalin­ gen inzake “aanranding van de eerbaarheid” (voortaan TITRE 7 Dispositions abrogatoires, disposition relative à l’entrée en vigueur CHAPITRE 1ER Dispositions abrogatoires Art. 108 Cet article ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 108 est adopté à l’unanimité. CHAPITRE 2 Disposition relative à l’entrée en vigueur Art. 109 Cet article ne donne lieu à aucun commentaire. L’article 109 est adopté à l’unanimité. V. — CORRECTIONS À L’EXPOSÉ DES MOTIFS Suite aux remarques de Mme Sophie De Wit (N-VA) concernant des erreurs dans l’exposé des motifs, le ministre précise qu’il doit être corrigé de la manière suivante: — le 5ème alinéa de la page 7 (“Dans ses observa­ tions générales”) doit être déplacé après le 1er alinéa de la page 89 (sous les articles 84 à 105); — à la page 7, le texte qui commence par le 6ème alinéa (“Au point 4.2., le Conseil d’État”) et qui se termine à la page 8 avec le 4ème alinéa (“Dans son avis (n° 5)”) doit se situer à la page 10 après le second alinéa; — tout le point III (L’âge auquel le mineur peut être considéré comme étant en état de consentir librement à des actes à caractère sexuel) doit venir après le point IV (Redéfinition et uniformisation du prérequis du consente­ ment concernant le droit à l’autodétermination sexuelle); — tout le point VI (Modifications de la disposition relative à l’“attentat à la pudeur” (désormais “atteinte à 2141/006 DOC 55 126 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “aantasting van de seksuele integriteit”)”) moet naar boven worden verplaatst; na het laatste lid op bladzijde 22; — punt VII (“Wijzigingen aan de bepaling inzake verkrachting”) moet in zijn geheel naar boven worden verplaatst en worden ingevoegd na het vierde lid op bladzijde 24; — het voorlaatste lid op bladzijde 38 moet worden ingevoegd onder punt e) op bladzijde 39; — het lid net boven punt f) op bladzijde 39 moet hoger worden geplaatst en worden ingevoegd onder punt e); — op bladzijde 54, artikelen 28 en 29, eerste lid, worden de woorden “seksueel meerderjarig” vervangen door het woord “meerderjarig”; — het derde lid op bladzijde 61 moet naar beneden worden verplaatst en worden ingevoegd op bladzijde 64, boven titel XI; — punt XII (“Afstemmen prostitutiemisdrijven op de strafbepalingen van mensenhandel en decriminalise­ ring van bepaalde strafbare misdrijven gerelateerd aan het aanzetten tot ontucht”) op bladzijde 68 moet lager worden geplaatst en worden ingevoegd boven punt XIV (“Geen onnodige strafbaarstellingen introduceren”) op bladzijde 87; — het derde en vierde lid op bladzijde 76 moeten wor­ den ingevoegd na de artikelen 30 tot en met 47 (blz. 55); — de tekst die begint bij het tweede lid op bladzij­ de 82 en die gaat tot en met het zesde lid op bladzijde 83, moet worden ingevoegd na het tweede lid op bladzijde 89; — op bladzijde 78 moet de tekst die begint bij het tweede lid en die op bladzijde 82 eindigt met het eer­ ste lid, moet op bladzijde 89 worden ingevoegd na het eerste lid, onder de artikelen 84 tot 105. Op verzoek van mevrouw Sophie De Wit (N-VA) zal de commissie met toepassing van artikel 83.1 van het Reglement tot een tweede lezing overgaan. De com­ missie wenst daartoe over een nota van de Juridische Dienst te beschikken. l’intégrité sexuelle”) doit être remonté plus haut; après le dernier alinéa de la page 22; — tout le point VII (Modifications à la disposition rela­ tive au viol) doit être remonté plus haut; après le 4ème alinéa de la page 24; — l’avant dernier alinéa de la page 38 doit être inséré plus bas; sous le point e) de la page 39; — l’alinéa juste au-dessus du point f) de la page 39 doit aller plus haut sous le point e); — à la page 54, art. 28 et 29, alinéa 1er, les mots “majorité sexuelle” doivent être remplacés par les mots “majorité”; — le 3ème alinéa de la page 61 doit être déplacé vers la bas; à la page 64 au-dessus du titre XI; — le point XII (Harmonisation des infractions liées à la prostitution sur les dispositions pénales relatives à la traite des êtres humains et dépénalisation de certaines infractions liées à l’incitation à la débauche) qui se trouve à la page 68 doit être placé plus bas; au-dessus du point XIV (Ne pas introduire des incriminations inutiles) qui se trouve à la page 87; — les alinéas 3 et 4 de la page 76 doivent se trouver sous les articles 30 à 47 (p. 55); — le texte qui commence par l’alinéa 2 de la page 82 et qui va jusqu’à l’alinéa 6 de la page 83 doit se situer à la page 89 après le second alinéa; — à la page 78, le texte qui commence avec le 2ème alinéa et qui se termine à la page 82 avec le premier alinéa doit se trouver à la page 89 après le premier alinéa (sous les articles 84 à 105). À la demande de Mme Sophie De Wit (N-VA), la com­ mission procédera à une deuxième lecture en application de l’article 83.1 du Règlement. La commission souhaite disposer, à cette fin, d’une note du Service juridique. 127 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De commissie beslist eveneens om met toepassing van artikel 98.2 van het Reglement de Kamervoorzitster te verzoeken om over de artikelen aangenomen in eerste lezing het advies van de Raad van State in te winnen (termijn: 30 dagen). De rapporteurs, De voorzitster, Claire HUGON Christoph D’HAESE Kristien VAN VAERENBERGH La commission décide en outre de demander à la Présidente de la Chambre, en application de l’ar­ ticle 98.2 du Règlement, de demander un avis du Conseil d’État sur les articles adoptés en première lecture (délai de 30 jours). Les rapporteurs, La présidente, Claire HUGON Christoph D’HAESE Kristien VAN VAERENBERGH 2141/006 DOC 55 128 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 129 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E BIJLAGEN A. Hoorzitting van 28 september 2021 met de dames Lily Bruyère en Astrid Bedoret vertegenwoordigsters van SOS Inceste, mevrouw Saskia Kerkhofs en de heer Tom Bauwens, vertegenwoordigers van de Orde van Vlaamse Balies, mevrouw Miriam Ben Jattou, voorzitster van Femmes de droit – Droits des femmes. 1. Procedure Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitster nodigt de sprekers uit om deze vragen te beantwoorden. De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen. 2. Uiteenzetttingen a. Uiteenzetting van de dames Lily Bruyère en Astrid Bedoret, vertegenwoordigsters van SOS Inceste De twee genodigde spreeksters antwoorden ontken­ nend op de twee voorafgaande vragen van de voorzitster. Mevrouw Lily Bruyère stelt kort de vereniging SOS Inceste voor, die bestaat uit een multidisciplinair team. De vereniging biedt ondersteuning aan jongeren en volwassenen, vrouwen en mannen, die met intrafamiliaal seksueel geweld te maken hebben of hebben gekre­ gen. De dienstverlening aan de slachtoffers van incest omvat: opvang verschaffen, een luisterend oor bieden, informatie verstrekken, alsook voorzien in begeleiding en in ondersteuning ten aanzien van de vele problemen waarmee de slachtoffers te maken krijgen. Volgens een in 2014 uitgebracht rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft wereld­ wijd 20 % van de vrouwen en 5 à 10 % van de mannen als kind met seksueel geweld te maken gehad. Die aanrandingen van minderjarigen betreffen zeer vaak ANNEXES A. Audition du 28 septembre 2021 de Mmes Lily Bruyère et Astrid Bedoret, représentantes de SOS Inceste, Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom Bauwens, représentants de l’Orde van Vlaamse Balies, et Mme Miriam Ben Jattou, présidente de “Femmes de droit – Droits des femmes”. 1. Procédure Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la commission de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du Règlement de la Chambre: “En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion, et le cas échéant, par quelle instance.”. Le président invite les orateurs à entamer leurs expo­ sés respectifs en répondant à ces questions. Les orateurs invités répondent successivement par la négative aux questions précitées. 2. Exposés a. Exposé de Mmes Lily Bruyère et Astrid Bedoret, représentantes de SOS Inceste Les deux oratrices répondent négativement aux deux questions préalables de la présidente. Mme Lily Bruyère présente brièvement l’association SOS Inceste composée d’une équipe pluridisciplinaire. L’association propose un accompagnement des per­ sonnes, adolescents et adultes, femmes et hommes, confrontées ou ayant été confrontées à des violences sexuelles intrafamiliales. Les services offerts aux victimes d’inceste sont l’accueil, l’écoute, l’information, l’accom­ pagnement et le soutien face aux multiples difficultés que les victimes rencontrent. Selon un rapport de l’Organisation mondiale de la santé (OMS) rendu public en 2014, 20 % des femmes et 5 à 10 % des hommes dans le monde ont subi des violences sexuelles pendant leur enfance. Ces agressions sur mineur sont très souvent liées à l’inceste. Dans 70 % 2141/006 DOC 55 130 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E incest. In 70 % van de gevallen waarin het slachtoffer jonger is dan 6 jaar, gaat het om incest. Volgens hetzelfde rapport is de dader in 96 % van de gevallen een man. In 94 % van de gevallen wordt het seksueel geweld door een naast familielid gepleegd. Zo wordt een op twee kindslachtoffers door een gezinslid aangerand. In België zijn geen statistische gegevens over incest beschikbaar. Onder “incest” wordt verstaan: de handelingen van seksuele aard jegens een minderjarige, gepleegd door een bloed- of aanverwant in rechte opgaande lijn, door een bloed- of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad, of door ieder ander persoon die een soortgelijke positie bekleedt in het gezin van de voormelde personen. Onder bloedverwant worden ook de adoptant, de geadopteerde en de bloedverwanten van de adoptant verstaan. Als voorbeeld van wat incest omvat, doet me­ vrouw Bruyère het verhaal van Cathy, een vrouw die model staat voor het typische incestslachtoffer. Op 23-jarige leeftijd klopt ze aan bij SOS Inceste Belgique. Ze heeft een afspraak gemaakt op advies van haar gynaecologe en van een psychologe die beiden in een team voor gezinsplanning werken. Cathy heeft zich in eerste instantie tot die dienst gewend om medische zorg te krijgen. Ze heeft ernstige gynaecologische problemen die haar beletten te functi­ oneren en te leven. Haar partner heeft haar “toegestaan een arts te raadplegen” laat ze zich ontvallen tegen de gynaecologe, zolang de behandeling maar niet te lang duurt en niet veel kost. Haar houding doet bij de zorgverstrekkers vragen rijzen. Ze praat weinig, lijkt afwezig, haar gelaatsuitdrukking is droevig en verstard; een beetje zoals een wassen pop, uitdrukkingsloos, innerlijk uitgedoofd. Ze is de hele tijd bang, alsof iemand haar voortdurend volgt; ze is in een staat van constante verhoogde waakzaamheid. Aangezien ze allesbehalve loslippig is jegens de gynaecologe en de psychologe, wordt na meerdere gesprekken beslist haar door te verwijzen naar een vereniging die gespe­ cialiseerd is in intrafamiliaal seksueel geweld. Zo komt ze terecht bij SOS Inceste, een benaming die haar niet bevalt, maar Cathy wil die zorgzame zorg­ verstrekkers niet tegenspreken. Ze lijken zich oprecht zorgen te maken om haar, niet alleen over haar fysieke gezondheid, maar vooral over haar psychische gesteld­ heid. Ze heeft een gesprek met de voorzitster van de vereniging, mevrouw Zoé Milher, stichtend lid van de vereniging en zelf het slachtoffer van mishandeling en van incest. Zij stelt Cathy voor andere vrouwen te ont­ moeten die ook slachtoffers en/of overlevenden zijn van des cas, lorsque la victime a moins de 6 ans, l’agression est incestueuse. Selon le même rapport, dans 96 % des cas, l’agresseur est un homme. Dans 94 % des situations, c’est un proche qui commet l’agression sexuelle. Ainsi, un enfant victime sur deux est agressé par un membre de sa famille. Il n’y a pas de données statistiques en Belgique concernant l’inceste. On entend par “inceste” les actes à caractère sexuel commis sur un mineur, par un parent ou allié ascendant en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collaté­ rale jusqu’au troisième degré ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées. Par parent, on entend également l’adoptant, l’adopté et les parents de l’adoptant. Pour illustrer ce qu’est l’inceste, Mme Bruyère conte l’histoire de Cathy, une victime-type de l’inceste. Âgée de 23 ans, celle-ci se présente dans le service SOS Inceste Belgique. Elle a pris rendez-vous suivant les conseils de sa gynécologue et d’une psychologue qui travaillent toutes les deux au sein dans une équipe d’un planning familial. Cathy s’est rendue dans un premier temps dans ce service afin de recevoir des soins médicaux. Elle souffre d’importants problèmes gynécologiques qui l’empêchent de fonctionner, de vivre. C’est son compagnon qui lui a “permis de venir consulter un médecin” lâchera-t-elle à la gynécologue, du moment que les soins ne durent pas trop longtemps et ne coûtent pas cher. Son attitude interpelle les soignants, elle parle peu, semble absente, son visage est triste, figé: un peu comme celui d’une poupée de cire, sans expression, éteinte de l’intérieur. Elle a tout le temps peur, comme si quelqu’un la suivait en permanence, elle est en état d’hyper vigilance constante. Au terme de plusieurs entretiens, et au vu du peu qui est confié au médecin gynécologue et à la psychologue…, la décision est prise de l’envoyer dans une association qui s’occupe de violences sexuelles intrafamiliales. Elle arrive à SOS Inceste, mot qui ne lui parle pas mais Cathy ne veut pas contredire ces intervenants si bienveillants qui semblent s’inquiéter pour elle, non seulement de sa santé physique et surtout de son état psychique. Elle rencontre la présidente de l’associa­ tion, Zoé Milher, membre fondatrice de l’association et survivante de maltraitances et d’inceste. Celle-ci lui propose de rencontrer d’autres femmes victimes et/ ou survivantes de violences sexuelles au sein de leur famille. Cathy accepte, elle a toujours peur, mais elle 131 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E seksueel geweld binnen hun gezin. Hoewel Cathy nog steeds bang is, gaat ze in op de uitnodiging. Ze wil zich graag beter in haar vel en in haar hoofd voelen. Haar partner begint haar te ruw te behandelen, te bedreigen, te slaan; hij speelt vreemde spelletjes met anderen, dwingt haar betrekkingen te hebben met vrouwen, met mannen, dingen te doen die ze niet wil doen, en het gaat van kwaad naar erger. In die context vraagt Cathy zich af wat ze te verliezen heeft, zolang ze maar terug thuis is wanneer haar partner wil dat ze thuis is, anders zal ze er weer van langs krijgen. Mevrouw Bruyère gaat door met het vertellen van Cathy’s verhaal; ze neemt deel aan een praatgroep. Cathy luistert er naar de getuigenissen: de ene werd verkracht door haar vader, de andere door haar grootvader, bij een derde was het haar oom enzovoort. Cathy geeft te kennen dat er bij haar geen sprake is van incest. Haar aanrander was wel samen met haar moeder. Hij heeft haar broer en zus van jongs af opgevoed, hij heeft voor alles gezorgd, zorgde ervoor dat Cathy naar een “bijzon­ dere” school voor probleemkinderen kon, omdat ze niet kon volgen op school. Uiteindelijk kwam Cathy terecht in een maatwerkbedrijf, waar een opvoeder haar vertelde dat ze daar niet op haar plaats was. Volgens Cathy heeft haar aanrander voor haar gezorgd. Het klopt wel dat hij gewelddadig was en nog steeds is, dat hij altijd al geen “neen” wilde horen, dat hij haar soms opsluit als ze niet doet wat hij wil… De andere deelneemsters luisteren in shock, zijn ontzet. Ze merken op dat het wel degelijk om incest gaat, dat bovendien nog steeds aan de gang is. Ze dringen erop aan dat Cathy aangifte doet bij de politie. Cathy antwoordt bevestigend, maar geeft tevens aan dat ze niet weet wat te doen. Ze is bang. Hij is de persoon die voor haar zorgt, terwijl haar moeder haar heeft laten stikken en haar haat. Haar stiefvader vertelt haar dat ze niets betekent en dat ze zonder hem niets waard is. En bovendien: wie zal haar geloven? Ze heeft ermee ingestemd om met hem mee te gaan. De teams van SOS Inceste zullen later vernemen dat Cathy’s moeder, naar wie wordt verwezen als “Nicole”, en de stiefvader die “Xavier” wordt genoemd, zich jarenlang schuldig hebben gemaakt aan talloze verkrachtingen en aanrandingen van de eerbaarheid van de drie kinderen van Nicole en van andere personen. Als zorgverleners die met die situatie moesten omgaan, hebben de medewerkers van SOS Inceste strategieën moeten uitwerken om twee grote problemen het hoofd te bieden: de verjaringstermijn (die destijds vijf jaar bedroeg) en de toestemming van het slachtoffer. Daardoor moest snel worden gehandeld en moesten bewijzen worden gevonden waarmee kon worden aangetoond dat Cathy overduidelijk in de greep was van een ander persoon en dat zij daarmee niet instemde. accepte. Elle aimerait aller mieux dans son corps et dans sa tête et son compagnon commence à trop la malme­ ner, la menacer, la battre, joue à des jeux bizarres avec d’autres personnes, l’oblige à avoir des relations avec des femmes, des hommes, à faire des choses qu’elle n’a pas envie de faire et c’est de pire en pire. Dans ces conditions, Cathy se demande ce qu’elle a à perdre, du moment qu’elle est rentrée à l’heure exigée par celui avec qui elle vit sinon, elle va encore “ramasser”. Mme Bruyère poursuit le récit de Cathy en relatant le groupe de parole qui commence. Cathy écoute les témoignages: l’une a été violée par son père, l’autre son grand-père, une troisième c’est son oncle… Cathy affirme que dans son cas, ce n’est pas de l’inceste. Certes son agresseur était en couple avec sa mère. Il a élevé le frère et la sœur depuis que leur plus jeune âge, il s’est occupé de tout, de faire entrer Cathy dans une école dite spéciale, pour les enfants en difficultés, parce qu’elle n’arrivait pas à suivre à l’école pour atterrir dans un atelier protégé où un éducateur lui a affirmé qu’elle n’était pas sa place… Selon les dires de Cathy, son agresseur s’est occupé d’elle et c’est vrai qu’il était et est encore violent et qu’il a toujours détesté qu’on lui dise “non”, parfois il l’a séquestre quand elle ne fait pas ce qu’il veut… Les autres participantes sont sous le choc, dans l’effroi et lui renvoient… “Mais enfin, c’est de l’inceste que tu vis. Et en plus cela continue…, il faut que tu portes plainte à la police!”. Oui, répond Cathy, mais elle ne sait pas quoi faire, elle a peur…c’est lui qui s’occupe d’elle, sa mère la rejette, la déteste… Son beau-père lui dit qu’elle est nulle et que sans lui elle n’est rien et puis, qui va la croire? Elle était d’accord de partir avec lui… Les équipes de SOS Inceste apprendront par la suite que la mère de Cathy, qu’ils nommeront Nicole, et le beau-père qu’ils appelleront Xavier se sont rendus coupables de nombreux viols et attentats à la pudeur sur les trois enfants de Nicole et sur d’autres personnes pendant plusieurs années. En tant qu’intervenants ayant en charge cette situation, les intervenants de SOS Inceste ont dû élaborer des stratégies pour faire face à deux problèmes majeurs: le délai de prescription fixé à cinq ans à l’époque et le consentement de la victime. Cela impliquait des actions rapides et la recherche de preuves qui pouvaient montrer que Cathy vivait une situation d’emprise caractérisée et n’était pas consentante. 2141/006 DOC 55 132 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In een tijd dat de politie nog niet hervormd was, heb­ ben de rijkswachters, de twee advocaten die op de zaak werden gezet en de veldwerkers van SOS Inceste samengewerkt met Cathy, die haar uiterste best moest doen om zich te herinneren waar bijvoorbeeld dit of geen bewijsstuk zich bevond, in opperste discretie. Die inspanningen hebben het slachtoffer nog tot een andere vorm van geweld gedwongen: ze moest haar eigen advocaat zijn. In die context kon ze onmogelijk de tijd nemen die nodig was om te herstellen. Er moest snel worden opgetreden, anders dreigden bewijsstuk­ ken te verdwijnen. Mevrouw Bruyère geeft aan dat, mocht de wet inzake de toestemming toen al zijn hervormd, het niet nodig was geweest Cathy in de slachtofferrol te duwen op grond van de juridische en gerechtelijke vereisten van destijds. Xavier wordt uiteindelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar; de eenheid van opzet werd ingeroepen. Telkens wanneer Xavier een aanvraag indiende om vrijgelaten te worden, werd Cathy door angst overvallen omdat ze vreesde dat hij naast haar zou komen wonen. Meermaals kwam ze in financiële problemen door te verhuizen. Xavier is in de gevange­ nis overleden. Cathy werd daarvan niet op de hoogte gebracht, omdat ze geen deel uitmaakte van zijn gezin. Cathy heeft lange tijd therapie gevolgd en passende medische zorg gekregen, waardoor ze er langzaamaan weer bovenop kon komen. Mevrouw Bruyère preciseert dat Cathy’s verhaal een aaneenschakeling vormt van feiten gespreid over een tijdspanne van twintig jaar begeleiding. Incest is een “complex” trauma. De psychologische gevolgen van incestueuze verkrachting zijn niet de­ zelfde als die van een eenmalige aanranding, die tot uiting komen in een posttraumatische stressstoornis. Incestueuze verkrachtingen leiden doorgaans tot li­ chamelijke, gedragsmatige en complexe stoornissen. Het betreft langdurige en herhaaldelijk terugkerende trauma’s die worden opgelopen in de context van een relatie waarbij de een de ander in zijn greep heeft. De door die verkrachtingen teweeggebrachte gewelddadige inbraken in de psyche veroorzaken een shocktoestand. Deze blokkeert elke mentale voorstelling en verhindert elke mogelijkheid om de emotionele responsreacties in de hand te houden. Daardoor zijn de slachtoffers niet bij machte het uit te schreeuwen of “neen” te zeggen op het moment dat ze worden aangerand, en dat wordt hen naderhand verweten. Hoe jonger het slachtoffer, hoe heftiger de shock. Het emotionele circuit valt uit en creëert een toestand van emotionele en lichamelijke verdoving. Dat ver­ schijnsel leidt vervolgens tot traumatische dissociatie, À cette époque qui précède la réforme des polices, les gendarmes, les deux avocats qui s’occupaient de cette affaire et les acteurs de terrain de SOS Inceste ont travaillé en collaboration avec Cathy qui devait faire l’énorme effort de se rappeler où se trouvait telle pièce à conviction, par exemple, dans la discrétion la plus totale. Des efforts qui ont obligé la victime à subir une autre forme de violence qui est celle d’être son propre avocat. Dans ce cadre il était impossible de respecter le délai nécessaire à son rétablissement. Il fallait agir vite sans quoi les éléments de preuve risquaient de disparaître. Si la réforme de la loi sur le consentement existait à ce moment-là, Mme Bruyère pense qu’ils auraient pu éviter une sur-victimisation à Cathy liée aux exigences juridiques et judicaires de l’époque. Monsieur Xavier sera condamné à 10 ans de prison. L’unité d’intention ayant été invoquée. Chaque fois que Monsieur Xavier demandait de sortir de prison, la panique s’emparait de Cathy par peur qu’il ne vienne s’installer à côté de chez elle. Elle s’est mise plusieurs fois dans des difficultés financières en déménageant. Monsieur Xavier mourra en prison. Cathy ne sera pas prévenue car elle ne faisait pas partie de sa famille. Cathy a suivi une longue thé­ rapie et des soins médicaux appropriés lui permettant petit à petit de se reconstruire. Mme Bruyère précise que l’histoire de Cathy s’égrène sur vingt années d’accompagnement. L’inceste est un traumatisme dit complexe. Les consé­ quences psychologiques des viols par inceste ne sont pas ceux d’une agression unique qui se manifeste par le trouble de stress post traumatique. Les viols incestueux induisent, de manière générale des troubles physiques, des troubles du comportement et des troubles complexes. Ce sont des traumatismes qui s’inscrivent dans une relation d’emprise et qui se prolongent et se répètent dans le temps. Les effractions psychiques créées par ces viols provoquent un état de sidération. Celui-ci bloque toute représentation mentale, empêche toute possibilité de contrôler les réponses émotionnelles. C’est ce qui fera que l’on reproche aux victimes de ne pas avoir pu crier ou dire “non” au moment de l’agression. Plus la victime sera jeune, plus la sidération sera importante. Le circuit émotionnel disjoncte et crée un état d’anes­ thésie émotionnelle et physique. Ce phénomène va entraî­ ner une dissociation traumatique qui est un trouble de la 133 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een bewustzijnsstoornis. Dat proces wekt een gevoel op van onwerkelijkheid, vreemdheid, afwezigheid ten opzichte van zichzelf… enigszins alsof het slachtoffer een toeschouwer is van de gebeurtenissen. Het gedis­ socieerde slachtoffer blijft dus vrijwel onverschillig voor zijn of haar lijden of zelfs voor de fysieke pijn die hij of zij mogelijkerwijs voelt. Dergelijke trauma’s kunnen leiden tot volledig of gedeeltelijk geheugenverlies, en kunnen de reconstructie van de feiten sterk bemoeilijken, ter­ wijl zulks nodig is om een klacht in te dienen. Heel dat psychische proces legt de wil van het slachtoffer lam. Incestslachtoffers hebben soms de neiging te herhalen en te reproduceren wat zij te verduren hebben gekregen wanneer tot de incestueuze daad werd overgegaan. Zulks is vooral het geval als zij hun leed nog niet onder woorden hebben kunnen brengen. Aldus raken som­ mige slachtoffers in de greep van intimiderende, alsook verbaal of fysiek gewelddadige mensen. Bij prostitutie en seksuele uitbuiting in het algemeen, bijvoorbeeld in de pornografie, is die herhaling mogelijk. Het kleine meisje of jongetje dat door de incestueuze agressor met snoepjes of geld is “beloond”, is echt gekneed om in de prostitutie terecht te komen. Het is geen toeval dat de mensen die zich prostitueren, in veel gevallen als kind seksueel werden misbruikt. De slachtoffers bevinden zich in dezelfde verhouding van dominantie van zijn of haar pooier of eenieder die hem of haar uitbuit, zoals zijn of haar aanvaller(s) vroeger. In Frankrijk heeft 80 % à 95 % van de prostitu(é)es een voorgeschiedenis van seksueel geweld. De herhaling kan ook tot uiting komen in directe agressie. In dat geval identificeert de betrokkene zich met de agressor. Om het posttraumatische proces bij volwassenen te begrijpen, moet eerst worden uitgelegd wat er gebeurt met een kind dat het slachtoffer is van incest. Seksueel en/of incestueus geweld begint vaak al op zeer jonge leeftijd. Het kind wordt ondergedompeld in een sfeer waarin handelingen worden gesteld waarvan het de betekenis niet begrijpt. De dader dringt binnen in zijn of haar psyche en lichaam. Het kind is verbijsterd en kan niet onder woorden brengen wat hem of haar is over­ komen. Het komt terecht in een shocktoestand en kan niet anders dan voldoen aan de seksuele begeerte van de volwassene. De ijkpunten en het ouderlijk concept vallen weg. Om het trauma te overleven, ontwikkelt het kind aller­ hande strategieën, met name het aanpassingssyndroom, het ontwikkelen van een gespleten persoonlijkheid, verdringing van de werkelijkheid, dissociatie of nog minimalisering van de feiten. conscience. Ce processus va entraîner une sensation d’irréalité, d’étrangeté, d’absence à soi-même…un peu comme si la victime était spectatrice des évènements. La victime dissociée reste donc quasi indifférente à sa souffrance ou même à la douleur physique qu’elle peut ressentir. Pareils traumatismes peuvent entraîner une amnésie totale ou partielle et rendre très difficile la restitution des faits nécessaire au dépôt de plainte. Tout ce processus psychique va annihiler la volonté de la victime. Les personnes qui ont été victimes de l’inceste ont parfois tendance à répéter et à reproduire ce qui a été subi dans certains passages à l’acte surtout si elles, ou ils, n’ont pas encore pu verbaliser leur souffrance. C’est ainsi que certaines victimes se retrouvent sous emprise de personnes harceleuses, violentes, verbale­ ment ou physiquement. Le terrain de la prostitution et de l’exploitation sexuelle en général, dans la pornographie, par exemple, permet cette répétition. La petite fille ou le petit garçon que l’agresseur incestueux a “récompensé” en donnant des bonbons ou de l’argent est un véritable apprentissage à la mise en situation de la prostitution. Ce n’est pas par hasard que l’on retrouve chez les personnes en situation de prostitution un grand nombre d’anciennes victimes de violences sexuelles dans l’en­ fance. La victime se trouve dans le même rapport de domination avec son proxénète ou toute personne qui l’exploite, comme le faisaient son ou ses agresseurs dans le passé. En France, on recensait entre 80 % et 95 % d’antécédents de violences sexuelles chez les personnes prostituées originaires du pays. La répétition peut également se retrouver dans l’agression directe… On parlera alors d’identification à l’agresseur. Afin de comprendre le processus post-traumatique chez l’adulte, il faut d’abord expliquer ce qui se déroule chez l’enfant victime d’inceste. Les violences sexuelles et/ou l’inceste débute souvent à un très jeune âge. L’enfant est submergé par une ambiance et des actes dont il ne comprend pas la signification. Il y a effraction de son psychisme et de son corps. C’est l’effroi: il ne peut mettre des mots sur ce qui lui arrive. Il est plongé dans un état de sidération, réduit à répondre au désir sexuel de l’adulte. Les repères et les représentations parentales s’effondrent. Pour survivre au traumatisme, l’enfant va élaborer toutes sortes de stratégies: notamment le syndrome d’adaptation, la mise en place de clivages, la scotomi­ sation de la réalité, la dissociation ou encore la minimi­ sation des faits. 2141/006 DOC 55 134 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Vervolgens haalt mevrouw Bruyère uitspraken aan van volwassenen die het slachtoffer zijn geworden van incest. De betrokkenen stelden dat wat zij hebben meegemaakt, niet beperkt blijft tot een of meer seksuele handeling(en) binnen de familie met als verzwarende omstandigheid dat ze werd(en) gepleegd door een bloed- of aanverwant in de opgaande lijn. In dat verband wijst de spreekster erop dat de dader niet alleen binnendringt in het lichaam, maar ook in de geest en in de psyche, en zulks gedurende een lange periode van het leven van het slachtoffer. Mevrouw Bruyère voegt eraan toe dat incest gevolgen heeft op opvoedkundig vlak, aangezien het kind wordt opgevoed om zich te onderwerpen, om zichzelf te be­ schouwen als een object (en dus niet als een persoon) dat moet voldoen aan het verlangen van de ander. In dit verband gaat het tevens om een depersonalisatie, een samensmelting/vermenging, een loyaliteitsconflict, een opvoeding tot het verzwijgen van wat er echt gebeurt, een aantasting van het vertrouwen in de anderen en in de samenleving, een ontmenselijkingsproces, een dodelijke herhaling en eindeloos geweld, evenals een confrontatie met verachtelijkheid. In bepaalde families rust daarenboven geen verbod op incest, maar gebeurt het gebruik doorgegeven van generatie op generatie. Als de incest aan het licht komt, wordt het slachtoffer doorgaans verstoten en buitengesloten. De betrokkene heeft geen familie meer. Om al die redenen is er nood aan een symbolische derde – met name de wet –, die incest uitdrukkelijk en krachtig verbiedt. Mevrouw Astrid Bedoret wijst erop dat de dames Lily Bruyère en Janine Deckers, namens de vzw SOS Inceste in 2008 voor het eerst in een hoorzitting erop hebben aangedrongen te bewerkstelligen dat de bestanddelen van incest niet kunnen verjaren en dat incest in het Strafwetboek wordt opgenomen. Inmiddels hebben de spreeksters en hun teams re­ flectienota’s opgesteld, hun standpunten meegedeeld en deelgenomen aan andere hoorzittingen in de commissie voor Justitie van de Kamer en in het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Er hebben individuele ontmoetingen met de volksvertegenwoordigers plaats­ gevonden. Er zijn colloquia georganiseerd om incest in het Strafwetboek op te nemen en om zulks als een specifiek strafrechtelijk misdrijf te omschrijven. Volgens de spreeksters is dit een plechtig en ge­ denkwaardig moment, aangezien zij eindelijk het ge­ voel hebben te worden gehoord: artikel 418/18 van het wetsontwerp stelt in uitzicht dat incest tot de verzwaarde misdrijven zal worden gerekend. Namens degenen wier stem zij vertolken, danken zij de parlementsleden omdat het taboe wordt doorbroken. Het wetsontwerp beoogt Mme Bruyère cite ensuite des paroles d’adultes ayant été victimes d’inceste: “Ce que nous avons subi, en effet, ne se limite pas à un acte ou à des acte(s) sexuel(s) intrafamilial(aux) avec la circonstance aggravante qu’il est commis par un ascendant”. L’oratrice relève à ce propos qu’il n’y a pas seulement effraction du corps, mais effraction de l’esprit, de la psyché et ce pour une longue période de leur vie. Mme Bruyère ajoute que l’inceste a des conséquences du point de vue éducatif, c’est une éducation à la soumission. Une éducation à se vivre comme un objet et non comme un sujet et à répondre au désir de l’autre. C’est aussi une déperson­ nalisation, une fusion/confusion, un conflit de loyauté, une éducation au double discours, une altération de la confiance dans les autres et dans la société, un pro­ cessus de déshumanisation, une répétition mortifère et un continuum des violences, une rencontre avec l’indignité et l’inceste est aussi une absence de l’interdit de l’inceste dans certaines familles et ce de manière transgénérationnelle. Quand l’inceste est révélé, la victime est généralement ostracisée, exclue. Elle n’a plus de famille. C’est pour toutes ces raisons que nous avons besoin d’un tiers symbolique, la loi, qui signifie de manière explicite et forte l’interdit de l’inceste. Mme Astrid Bedoret rappelle qu’en 2008, pour la première fois, Mme Lily Bruyère et Mme Janine Deckers, pour l’ASBL SOS Inceste, tentaient de se faire entendre dans le cadre d’une audition quant à la nécessité de prévoir l’imprescriptibilité des faits constitutifs de l’inceste et quant à la nécessité d’inscrire l’inceste dans le Code pénal. Entretemps, les oratrices et leurs équipes ont établi des notes de réflexion, communiqué leurs points de vue et participé à d’autres auditions, en commission de la justice de la Chambre et au Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale. Des rencontres individuelles avec les députés ont eu lieu. Des colloques ont été organisés afin d’intégrer l’inceste dans le Code pénal et de la définir comme une infraction pénale spécifique. Selon elles, l’instant est solennel et mémorable puisque les oratrices estiment enfin avoir été entendues: le projet de loi, sous l’article 418/18, définit l’inceste sous le titre des infractions aggravées. Au nom de ceux et celles dont elles portent la voix, elles remercient les parlementaires car le tabou est brisé. L’inceste est défini dans le projet de loi comme un acte à caractère sexuel 135 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E incest te omschrijven als een seksuele daad die door een naaste verwant op een minderjarige wordt gepleegd. Terecht wordt ervan uitgegaan dat het slachtoffer niet heeft ingestemd met de incest; die ontstentenis van toestemming is onweerlegbaar. Het verbod op incest moest duidelijk worden gesteld om er een onbetwistbaar verbod van te maken. Er moest worden gesteld dat een kind nooit de toestemming kan geven voor een seksuele handeling met vader, moeder, grootvader, grootmoeder, oom, tante, broer of zus als partner. Voor elke andere seksuele handeling jegens een meerderjarige of gepleegd door andere familieleden, alsmede voor eenieder die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, zal het gebruik van de definitie van het begrip “toestemming” de slachtoffers helpen om het bestaan van een strafrechtelijk misdrijf te doen gelden, in casu een van de misdrijven die als een basismisdrijf worden aangemerkt. Artikel 417/5 van het wetsontwerp beoogt te bepalen dat de toestemming moet worden geuit. Doet het slachtoffer dat niet, dan stemt het niet toe. Voor de spreekster is dat een heuse kentering. Verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit gelden als bewezen feiten wanneer het slachtoffer zwijgt omdat het bang is, zich niet durft te verdedigen, slaapt of bewusteloos is. Verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit zijn bewezen wanneer het slachtoffer niet bij machte is zijn of haar toestemming te uiten omdat het onder invloed is van alcohol, verdovende middelen of psychotrope stoffen, dan wel omdat het lichamelijke of mentaal zwak is, waardoor het zich van de gestelde handeling geen rekenschap kan geven of niet kan beslissen om aan die handeling deel te nemen. Mevrouw Bedoret bevestigt dat die definitie nauwkeurig genoeg is en dat de spreeksters van SOS Inceste zich daarin kunnen vinden. In het wetsontwerp wordt aangegeven dat die definitie van toestemming neerkomt op een definitie van “toe­ stemming inzake het seksueel zelfbeschikkingsrecht”. Met dat concept “seksueel zelfbeschikkingsrecht” wordt verwezen naar het recht van eenieder om controle te hebben over het eigen seksuele leven. Het betreft het vermogen en de mogelijkheid om keuzes te maken, wars van de invloed van externe factoren. In het licht van bepaalde misdrijven die zijn opgenomen in deze ontworpen nieuwe strafrechtelijke bepalingen, vraagt de spreekster zich af of het begrip “toestemming” niet beter zou worden verruimd tot het respect van de per­ soonlijke levenssfeer, en inzonderheid tot het respect voor de seksuele intimiteit. In dat verband verwijst zij naar voyeurisme en het verspreiden van beelden, zijnde misdrijven die geen betrekking hebben op het stellen commis sur un mineur par un parent proche. L’absence de consentement à l’inceste est présumée et à juste titre, cette absence de consentement est irréfragable. Il fallait énoncer clairement l’interdit de l’inceste pour en faire un interdit contestable. Il fallait énoncer qu’un enfant ne peut jamais consentir à un acte sexuel avec pour partenaire son père, sa mère, son grand-père, sa grand-mère, son oncle, sa tante, son frère ou sa sœur. Pour tout autre acte à caractère sexuel commis sur un majeur ou commis par d’autres membres de la famille ainsi que pour tous ceux qui étaient âgés de 18 ans, l’utilisation de la définition du consentement aidera les victimes à faire valoir l’existence d’une infraction pénale, une de celles définies sous le titre des infractions de base. Tel que défini dans le projet de loi sous l’article 417/5, le consentement doit être exprimé. Si la victime ne s’exprime pas, elle ne consent pas. Pour l’oratrice, il s’agit d’une véritable révolution. Le viol et l’atteinte à l’intégrité sexuelle sont établis lorsque la victime se tait parce qu’elle a peur, parce qu’elle n’ose pas se défendre, parce qu’elle dort ou parce qu’elle est inconsciente. Le viol et l’atteinte à l’intégrité sexuelle sont établis lorsque la victime n’est pas en mesure d’exprimer son consentement parce qu’elle est sous l’influence de l’alcool, de stupéfiants, de psychotropes ou parce qu’elle est atteinte d’une fragilité physique ou mentale qui ne lui permet pas de se rendre compte de l’acte réalisé ou de décider de participer à cet acte. Mme Bedoret confirme que cette définition est suffisamment précise et convient aux intervenants de SOS Inceste. Il est dit dans le projet de loi que cette définition du consentement est une définition du “consentement à l’autodétermination sexuelle”. Ce concept de l’autodé­ termination sexuelle se réfère au droit de toute personne à exercer un contrôle sur sa vie sexuelle. C’est la capa­ cité et la possibilité de pouvoir exercer des choix sans l’influence d’agents externes. Cependant, l’oratrice estime que lorsqu’on pense à certaines infractions reprises dans ce nouveau projet de droit pénal, elle se demande s’il ne faudrait pas élargir la notion de consentement au respect de la vie privée et plus particulièrement au respect de l’intimité sexuelle. Elle cite les infractions de voyeurisme et de diffusion d’images ne portant pas sur la réalisation d’un acte sexuel. Évoquer pour ces infrac­ tions un consentement à l’autodétermination sexuelle ne lui semble dès lors pas approprié. Évoquer pour ces 2141/006 DOC 55 136 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van een seksuele handeling. Voor die misdrijven is het volgens haar dan ook beter niet te verwijzen naar de toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschik­ kingsrecht, maar wel naar de toestemming met betrekking tot het respect voor de persoonlijke levenssfeer en de seksuele intimiteit. Volgens mevrouw Bedoret moet het wetsontwerp de verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames als een misdrijf aanmerken in de gevallen waarin voor de seksuele activiteit ter zake geen toestemming werd gegeven. Ook in dezen meent SOS Inceste dat de verspreiding ervan moet worden verboden en strafbaar moet zijn. Met betrekking tot de in onderafdeling 3 van het wetsontwerp opgelijste misdrijven stelt mevrouw Bedoret voor de term “seksueel misbruik” niet meer te gebruiken, aangezien die de lading (helemaal) niet meer dekt. Die term wordt inderdaad gebruikt in andere teksten, onder meer in het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (Verdrag van Lanzarote), die dateert van 25 oktober 2007. De vertegenwoordigster van SOS Inceste werpt echter op dat het woord “misbruiken” de betekenis heeft van “slecht, overmatig gebruiken”. Met betrekking tot een persoon betekent “misbruiken” “een persoon overmatig gebruiken”. Bij seksueel misbruik kan onder geen beding ervan uit worden gegaan dat het misdrijf bestaat het overmatig stellen van geoorloofd gedrag, aangezien niet de buitensporigheid strafbaar is, maar wel het gebruik zelf. Derhalve moet de voorkeur worden gegeven aan het begrip “seksueel geweld of seksuele agressie”, veeleer dan aan het begrip “seksueel misbruik”, en aan “agressor” in plaats van “misbruiker”. Tot slot zijn mevrouw Bedoret en haar teams tevreden dat artikel 417/58 in het wetsontwerp wordt ingevoegd. Op basis van dit artikel kan de rechter immers een verblijfsverbod opleggen. Dit is een vooruitgang die de incestslachtoffers bijzonder ten goede zal komen. Mevrouw Lily Bruyère beschrijft enkele gevolgen van incest: slaapstoornissen, eetstoornissen (anorexia, boulimie), enuresis en encoprese, depressie, gedrags­ stoornissen (alopecia, compulsieve zelfbevrediging enzovoort), een gewijzigde perceptie van de werkelijk­ heid, permanente vermoeidheid, chronische pijn, een groeistilstand, slechte schoolresultaten, problemen met de seksuele identiteit, doodsverachting enzovoort. Het betreft een niet-limitatieve oplijsting. Al deze symptomen worden beïnvloed door de iden­ titeitscontext voorafgaand aan het trauma. De geschie­ denis – over generaties heen – van personen die deel infractions un consentement au respect de la vie privée et à l’intimité sexuelle lui paraît adéquat. Mme Bedoret estime aussi qu’il faut ajouter, dans le projet de loi, une infraction au sujet de la diffusion d’images et d’enregistrements à caractère sexuel lorsque l’activité sexuelle présente dans ces images et enregis­ trements n’est pas consentie. Dans ce cas aussi, SOS Inceste estime que cette diffusion doit être interdite et constituer une infraction pénale. Quant aux infractions visées sous la sous-section 3 du projet de loi, Mme Bedoret voudrait qu’on évite d’utiliser le terme “abus sexuel” parce qu’il n’est pas, ou plus du tout, approprié. Certes, ce terme est utilisé dans d’autres textes et notamment dans la Convention du Conseil de l’Europe sur la protection des enfants contre l’exploita­ tion et les abus sexuels (Convention de Lanzarote) qui date du 25 octobre 2007 mais la responsable de SOS Inceste argue que le terme “abuser” signifie: user mal, avec excès. S’agissant d’une personne, il consiste à profiter avec exagération d’une personne. Dans le cas de l’abus sexuel, il ne peut être question de considé­ rer que l’infraction consiste dans l’exagération d’un comportement autorisé car ce n’est pas l’excès qui est punissable, mais l’usage lui-même. Il convient dès lors de privilégier le terme “violence ou agression sexuelle” à “abus sexuel” et le terme “agresseur” à “abuseur”. Enfin, Mme Bedoret et ses équipes approuvent l’inser­ tion de l’article 417/58 dans le projet de loi qui concerne la possibilité pour le juge de prononcer une interdiction de résidence. C’est une avancée très favorable aux victimes d’inceste. Mme Lily Bruyère décrit quelques conséquences de l’inceste: des troubles du sommeil, des troubles alimentaires (anorexie, boulimie), de l’énurésie et de l’encoprésie, de la dépression, des troubles du compor­ tement (l’alopécie, l’activité auto-érotique compulsive…), une altération de la perception de la réalité, un état de fatigue persistant, des douleurs chroniques, un arrêt de croissance, des échecs scolaires…, des difficultés identitaires au niveau sexuel, des comportements orda­ liques… Cette liste est non exhaustive. Tous ces symptômes sont fonction d’un contexte identitaire qui existe avant le traumatisme. L’histoire transgénérationnelle des individus qui font partie de la 137 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uitmaken van de familie, alsook hun onderlinge banden, zijn elementen die een invloed hebben op hoe ze rea­ geren als individu. Om die reden moet men voorzichtig zijn en mogen die symptomen niet automatisch worden gelinkt aan seksueel geweld. Tijdens de adolescentie kunnen de symptomen erger worden en worden aangevuurd door een laag zelfbeeld, een hevige woede, alsook door schuld- en schaamte­ gevoelens. Tijdens die periode wordt vastgesteld dat de betrokkenen van huis weglopen, aan zelfverminking, allerlei vormen van verslaving ontwikkelen en zelfmoord­ pogingen ondernemen. Sommigen worden delinquent en/of stappen in de prostitutie. Het slachtoffer start zijn/haar volwassen leven in overlevingsmodus. Bijna altijd spelen er schaamte- en schuldgevoelens. Het posttraumatische geheugenverlies en de verdringing van het seksueel geweld zijn processen die het slachtoffer weliswaar in staat stellen te overleven, maar die evenzeer kunnen beletten dat de feiten aan het licht komen. Bij de verwerking van het trauma kan het slachtoffer de feiten ook minimaliseren, ontkennen en een gespleten persoonlijkheid ontwikkelen; dit zijn verdedigingsmechanismen. Er kan depressie of psychi­ sche decompensatie optreden. Affectieve en seksuele problemen komen vaak voor. Het slachtoffer kan zijn/haar hele leven lang last hebben van psychische gevolgen en zware gezondheidsproblemen, zoals stressgerelateerde hypertensie, spijsverteringsproblemen en -ziekten, seksueel overdraagbare zieketen, genitale letsels en letsels aan de urinewegen, die soms onomkeerbaar zijn. Incest is een echt volksgezondheidsprobleem dat dringend en op alle vlakken (maatschappelijk, medisch, juridisch, educatief enzovoort) moet worden aangepakt. Het seksueel geweld moet ter discussie worden ge­ steld; inzicht in die problematiek is vereist. Alle actoren in het veld moeten ervan bewust worden gemaakt. Er moet worden ingezet op preventie en seksueel mis­ bruikte kinderen moeten vroegtijdig worden geholpen, om aldus de helse spiraal van seksuele mishandeling en geweld proberen te doorbreken. Het is van cruciaal belang dat het verbod op incest wordt opgenomen in het Strafwetboek. Incestslachtoffers moeten passende zorg krijgen en in veiligheid worden gebracht. De slachtoffers moeten worden geholpen en begeleid bij hun herstel door hen juridisch te erkennen. Aldus kunnen zij hun verleden helen en hun waardigheid terugvinden. famille, les rapports que ceux-ci entretiennent les uns avec les autres constituent des éléments qui viennent influencer les réactions des individus. C’est la raison pour laquelle il faut être prudent et ne pas établir d’automatisme entre la survenue de ces symptômes et l’existence de violences sexuelles. Durant l’adolescence, les symptômes peuvent s’accen­ tuer et être renforcés par une faible estime de soi, une forte colère, des sentiments de culpabilité et de honte. C’est durant cette période que l’on peut assister à des passages à l’acte tels que des fugues, de l’automutilation, des addictions diverses et des tentatives de suicide. Certaines personnes pourront prendre le chemin de la délinquance et /ou de la prostitution. Ce sera en état de survie que la personne victime aborde sa vie d’adulte. Les sentiments de honte et de culpabilité sont presque toujours présents. L’amnésie post-traumatique et le refoulement concernant les vio­ lences sexuelles sont des processus qui permettent à la victime de survivre, mais pourront empêcher la révélation des faits passés. La minimisation des faits, le clivage et le déni sont également des processus défensifs utilisés par la victime face au traumatisme. La dépression, des décompensations psychiques peuvent se déclencher. Des difficultés affectives et sexuelles sont fréquentes. Des séquelles physiques, de graves problèmes de santé peuvent se manifester tout au long de la vie: de l’hypertension liée à des problèmes de stress, des troubles et des maladies du système digestif, des maladies sexuellement transmissibles, des lésions génitales et du système urinaire, parfois irréversibles. L’inceste est un véritable problème de santé publique qu’il est urgent de prendre en compte dans toutes ses dimensions (sociale, médicale, juridique, éducative…). S’interroger, comprendre, sensibiliser tous les acteurs de terrain sur les questions de violences sexuelles. Prévenir, intervenir de manière précoce auprès des enfants victimes de sévices sexuels, afin de tenter d’enrayer la spirale infernale des maltraitances et des violences sexuelles et nommer l’interdit de l’inceste dans le code pénal, est fondamental. Apporter des soins appropriés aux victimes de l’inceste et les mettre en sécurité. Aider et accompagner les victimes dans leur reconstruction en les reconnaissant sur le plan de la justice, c’est faire en sorte qu’elles et ils restaurent leur histoire et recouvrent leur dignité. 2141/006 DOC 55 138 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Tussen al die onderling met elkaar verbonden pro­ blematieken moeten bruggen worden gebouwd met het oog op reflectie en interventie; alle vormen van geweld houden immers onderling verband en overlappen elkaar. Met het oog op een menselijke, humanistische en rechtvaardiger samenleving waarin men ernaar streeft eenieder met waardigheid en respect te behandelen, moeten incest, pornografie, prostitutie, alle vormen van seksuele uitbuiting en de commerciële uitbuiting van het lichaam worden tegengegaan en verboden. b. Uiteenzetting van mevrouw Saskia Kerkhofs en de heer Tom Bauwens, vertegenwoordigers van de Orde van Vlaamse Balies Mevrouw Saskia Kerkhofs en de heer Tom Bauwens overlopen de krachtlijnen van de schriftelijke nota van de OVB die de commissieleden ter beschikking werd gesteld. Mevrouw Saskia Kerkhofs stipt aan dat het wetsontwerp is opgebouwd rond vijf basismisdrijven: aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme, al dan niet perfide niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames, en verkrachting. Daarop volgen de verzwaarde misdrijven. Het gaat daarbij steeds om zogenaamde niet-consensuele seksuele handelingen die een verzwaarde straf verdienen door de eigenschappen van het slachtoffer of de positie waarin het zich bevindt. De artikelen overlopen vervolgens telkens ieder (relevant) basismisdrijf met de aangepaste, verzwaarde strafmaat. De OVB erkent dat deze werkwijze een heldere op­ bouw creëert, maar stelt vast dat die niet overal even logisch en accuraat is uitgewerkt. Het begrip seksuele handelingen Bij de verzwaarde misdrijven in de ontworpen artike­ len 14 tot 24 wordt steeds gewag gemaakt van seksu­ ele handelingen. Dat impliceert dat voyeurisme en de (perfide) verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames als seksuele handelingen op zichzelf worden beschouwd. De memorie van toelichting bevestigt dat alle basismisdrijven niet-consensuele seksuele hande­ lingen viseren. De vraag is of dit conceptueel wel correct is, zeker wat betreft de verspreiding van beelden. Die beelden moeten uiteraard seksueel getint zijn, maar het misdrijf op zich, de verspreiding, is vaak op zich geen seksuele handeling. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan de naaktfoto’s van enkele bekende Vlamingen die eerder dit jaar de ronde deden. Établir des ponts de réflexion et d’intervention entre toutes ces problématiques qui sont liées entre elles car toutes les violences se tiennent et se recoupent. Dans une société qu’on souhaite humaine et humaniste et plus juste, dans laquelle on aspire à ce que chacun et chacune soient traité avec dignité et respect, l’inceste, la pornographie, la prostitution et toutes les formes d’exploitation sexuelles, la marchandisation des corps devraient être combattus et proscrits. b. Exposé de de Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom Bauwens, représentants de l’Orde van Vlaamse Balies Mme Saskia Kerkhofs et M. Tom Bauwens passent en revue les lignes directrices de la note écrite de l’OVB mise à la disposition des membres de la commission. Mme Saskia Kerkhofs souligne que le projet de loi s’articule autour de cinq infractions de base, à savoir l’atteinte à l’intégrité sexuelle, le voyeurisme, la diffusion non consensuelle d’images et d’enregistrements à carac­ tère sexuel et le viol, et les infractions aggravées. Il s’agit toujours d’actes à caractère sexuel non consensuels qui justifient une peine aggravée en raison des caractéris­ tiques de leur victime ou de la position dans laquelle elle se trouve. Les articles du projet de loi traitent ensuite de chaque infraction de base (pertinente) séparément et indiquent la peine aggravée correspondante. L’OVB reconnaît que la structure ainsi mise en place est claire mais observe qu’elle n’a pas été systématiquement élaborée avec la même logique et la même précision. La notion d’actes à caractère sexuel Parmi les infractions aggravées visées dans les ar­ ticles 14 à 24 en projet, il est toujours fait mention d’actes à caractère sexuel. Cela implique que le voyeurisme et la diffusion (perfide) d’images à caractère sexuel sont considérés comme des actes à caractère sexuel en tant que tels. L’exposé des motifs confirme que toutes les infractions de base visent des actes à caractère sexuel non consensuels. La question se pose de savoir si c’est bien correct au niveau conceptuel, principalement en ce qui concerne la diffusion d’images. Ces images doivent évidemment avoir un caractère sexuel, mais l’infraction en tant que telle, à savoir la diffusion, ne constitue souvent pas un acte à caractère sexuel en soi. On peut penser par exemple aux photos de nus de quelques personnalités flamandes, qui ont fait le tour de la toile plus tôt dans l’année. 139 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In het verlengde daarvan zou men zelfs kunnen stellen dat de huidige formulering verwarrend is. De spreekster neemt artikel 18 als voorbeeld. De tekst zou kunnen impliceren dat de verspreiding van beelden betrekking moet hebben op de seksuele daden die worden gepleegd op de minderjarige, en niet enkel op het feit dat die min­ derjarige persoon bijvoorbeeld naakt is. Hetzelfde kan worden gezegd bij artikel 20. Men zou kunnen stellen dat voyeurisme hier enkel gaat om het observeren van incestueuze seksuele handelingen (bijvoorbeeld tussen vader en dochter) in plaats van het observeren van een in het artikel vermelde bloed- of aanverwant die ontbloot is of een consensuele seksuele daad stelt. Om deze voornamelijk wetgevingstechnische re­ denen vraagt de OVB dat de wetgever de nodige aanpassingen doorvoert. Zij stelt voor de “niet-con­ sensuele seksuele handelingen” in de ontworpen artike­ len 17 tot 19 en 22 tot 24 te vervangen door “de basismis­ drijven zoals bepaald in de artikelen 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek (…)”. Ter willekeurige illustratie zou dit voor artikel 18 het volgende betekenen: “De basismis­ drijven zoals bepaald in de artikelen 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd op een minderjarige die geen volle zestien jaar oud is, worden als volgt bestraft: (…).”. De ontworpen artikelen 20 en 21 inzake incest en niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen zijn licht anders geformuleerd omdat zij de begrippen eerst nog definiëren. Zij hebben daarom een andere aanpassing nodig. Artikel 21, eerste lid, kan als volgt worden gewij­ zigd: “De basismisdrijven zoals bepaald in de artike­ len 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd door een bloedverwant of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, door een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad, door een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen, worden als volgt bestraft: (…).”. In aansluiting bij de uiteenzetting van de vorige spreekster, meent de spreekster dat de introductie en definitie van de term incest in artikel 20 echter extra aandacht verdienen. Ook hier brengt het wetsontwerp alle basismisdrijven onder deze term en viseert het bij de bestraffing dus ook voyeurisme en verspreiding van beelden. Incest wordt traditioneel nochtans gedefinieerd als geslachtsgemeenschap en lijkt in elke interpretatie minstens betrekking te hebben op concrete seksuele handelingen op het slachtoffer. De OVB voorziet in drie mogelijke oplossingen voor het ontworpen artikel 20: Dans le même ordre d’idées, on pourrait même consi­ dérer que la formulation actuelle prête à confusion. L’oratrice illustre ses propos avec l’article 18. Le texte pourrait impliquer que la diffusion d’images doit porter sur les actes à caractère sexuel qui sont commis sur le mineur, et non seulement sur le fait que cette personne mineure est, par exemple, nue. On peut étendre ce rai­ sonnement à l’article 20. On pourrait considérer que le voyeurisme consiste en l’espèce seulement à observer des actes à caractère sexuel incestueux (par exemple entre père et fille), plutôt qu’à observer un parent ou allié mentionné dans l’article qui est dénudé ou qui pose un acte à caractère sexuel consensuel. Pour ces motifs essentiellement d’ordre légis­ tique, l’OVB demande que le législateur apporte les adaptations nécessaires. Il propose de remplacer les “actes à caractère sexuel non consensuels” dans les articles 17 à 19 et 22 à 24, en projet, par les “infractions de base telles que visées dans les articles 417/7 à 417/11 du Code pénal (…)”. À titre d’illustration, l’article 18 serait alors rédigé comme suit: “Les infractions de base telles que visées dans les articles 417/7 à 417/11 du Code pénal commises sur un mineur âgé de moins de seize ans accomplis sont punis comme suit: (…).”. Les articles 20 et 21, en projet, concernant l’inceste et les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consen­ suels sont formulés légèrement différemment parce qu’ils commencent par une définition des notions. Ils nécessitent par conséquent une autre adaptation. L’article 21, alinéa 1er, peut être modifié comme suit: “Les infractions de base telles que visées dans les articles 417/7 à 417/11 du Code pénal commises par un parent ou allié ascendants ou descendants en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu’au troisième degré, par un partenaire ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées sont punis comme suit: (…).”. Dans le prolongement de l’exposé de l’oratrice précé­ dente, l’oratrice estime que l’introduction et la définition du terme “inceste” à l’article 20 méritent cependant qu’on leur accorde plus d’attention. Là encore, le projet de loi regroupe sous ce terme toutes les infractions de base et, sur le plan des sanctions, vise donc également le voyeurisme et la diffusion d’images. Cependant, l’inceste est traditionnellement défini comme un rapport sexuel et, quelle que soit l’interprétation, il semble se référer au moins à des actes sexuels concrets commis sur la victime. L’OVB prévoit trois solutions possibles pour l’ar­ ticle 20 en projet: 2141/006 DOC 55 140 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De term incest behouden en erg ruim definiëren, zodat ook voyeurisme en de verspreiding van seksueel getinte beelden hieronder vallen: “Onder incest wordt begrepen de basismisdrijven zoals bepaald in de artike­ len 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd op een minderjarige (…)”. De juridische interpretatie wijkt daarmee echter sterk af van de klassieke definitie van incest en is daardoor niet bevorderlijk. De term incest behouden, maar de basismisdrijven voyeurisme en (perfide) verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames uit het artikel halen, naar analogie met de artikelen 14 tot 16. De term incest niet expliciet introduceren, en zich te beperken tot: “De basismisdrijven zoals bepaald in de artikelen 417/7 tot 417/11 van het Strafwetboek gepleegd op een minderjarige door een bloedverwant of aanver­ want in de rechte opgaande lijn, door een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen, worden als volgt bestraft: (…).”. De OVB merkt op dat de artikelen 20 en 21 de term gezin gebruiken zonder definitie. Zij vindt deze term beperkend, zeker aangezien incest vaak niet in een klassieke “gezinsconstellatie” plaatsvindt. Een duidelijke definiëring, ministens in de memorie van toelichting, is dan ook vereist. Proportionele strafmaat en relevantie van het verzwarende karakter Het bepalen van de strafmaat voor basis- en verzwaar­ de misdrijven behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de wetgever. De OVB acht het echter wel noodzakelijk dat de gekozen strafmaat bij de verschillende verzwaarde misdrijven proportioneel is en op evenredige wijze is afgestemd op die bij de basismisdrijven. De OVB betwijfelt of dit steeds het geval is. Zo stelt zij bijvoorbeeld vast dat voyeurisme bij ieder verzwa­ rend misdrijf een strafmaat van 10 tot 15 jaar of zelfs van 15 tot 20 jaar krijgt. De OVB acht dit sowieso een disproportioneel zware straf voor de ruime definitie die door het wetsontwerp aan voyeurisme wordt gegeven, en vraagt zich ook af of dergelijke feiten (steeds) een even hoge strafmaat verdienen als gevallen van aantasting van de seksuele integriteit. In verhouding tot andere straffen wordt het gebrek aan evenredigheid alleen maar zichtbaarder. Voyeurisme met verzwarende omstandigheden krijgt een even zware of Conserver le terme “inceste” et le définir de manière très large pour inclure le voyeurisme et la diffusion d’images à caractère sexuel: “On entend par “inceste” les infractions de base visées aux articles 417/7 à 417/11 du Code pénal, commises sur un mineur (…)”. Cependant, l’interprétation juridique sera alors très différente de la définition classique de l’inceste, ce qui n’est pas souhaitable. Conserver le terme “inceste” mais retirer de l’article les infractions de base que sont le voyeurisme et la diffusion (perfide) d’images et d’enregistrements à caractère sexuel, par analogie avec les articles 14 à 16. Ne pas introduire explicitement le terme “inceste” et se limiter à ce qui suit: “Les infractions de base visées aux articles 417/7 à 417/11 du Code pénal, commises sur un mineur par un parent ou allié ascendants en ligne directe, par un parent ou allié en ligne collatérale jusqu’au troisième degré, ou toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées, sont punies comme suit:”. L’OVB fait remarquer que les articles 20 et 21 utilisent le terme “famille” sans le définir. Il trouve ce terme res­ trictif, d’autant plus que l’inceste ne se déroule souvent pas dans une “constellation familiale” classique. Une définition claire, au moins dans l’exposé des motifs, est donc nécessaire. Proportionnalité du niveau des peines et pertinence du caractère aggravant Le législateur a une compétence exclusive pour déter­ miner le niveau des peines pour les infractions de base et les infractions aggravées. Toutefois, l’OVB estime nécessaire que le niveau des peines choisies pour les différentes infractions aggravées soit proportionnel et aligné proportionnellement sur le niveau des peines choisies pour les infractions de base. L’OVB doute que ce soit toujours le cas. Ainsi, l’Ordre constate par exemple que le voyeurisme donne lieu, à chaque infraction aggravante, à une peine allant de 10 à 15 ans d’emprisonnement, voire de 15 à 20 ans. L’OVB estime en tout état de cause qu’il s’agit d’une peine disproportionnellement lourde au regard de la définition large que le projet de loi donne du voyeurisme et se demande également si de tels faits méritent (tou­ jours) un taux de peine aussi élevé qu’en cas d’atteinte à l’intégrité sexuelle. Par rapport à d’autres sanctions, le manque de pro­ portionnalité n’en est que plus visible. Le voyeurisme avec circonstances aggravantes est passible d’une 141 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zelfs zwaardere strafmaat dan een verkrachting zonder verzwarende omstandigheden. Zonder de perversiteit van voyeurisme te minimaliseren, zou iemand die een ontbloot persoon zonder diens toestemming observeert omdat die een vermeende band zou hebben met een persoon ten aanzien van wie de dader vijandigheid koes­ tert wegens politieke overtuiging, een gevangenisstraf van 10 tot 15 jaar krijgen. Om dit in perspectief te plaatsen: exhibitionisme in aanwezigheid van een minderjarige zal worden bestraft met 6 maanden tot 3 jaar, het bezitten en verwerven van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen met 1 tot 3 jaar, en zelfs het vervaardigen of verspreiden van dergelijke beelden is beperkt tot een gevangenisstraf van 5 tot 10 jaar. De OVB vraagt de wetgever daarom met aandrang om de verschillende strafmaten aan elkaar af te toetsen. Daar komt nog eens bij dat sommige verzwaarde misdrijven bezwaarlijk een verzwarend karakter hebben. Op basis van artikel 17 zijn de misdrijven gepleegd op personen van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van leeftijd of zwangerschap duidelijk was, verzwarende misdrijven. Zwangerschap is ongetwijfeld een kwetsbare toestand en een verzwarende omstandigheid bij aan­ tasting van de seksuele integriteit of bij verkrachting, maar is dat ook het geval bij voyeurisme? Nochtans zou dat (aanzienlijk) zwaarder worden gestraft dan een verkrachting zonder verzwarende omstandigheden. Hetzelfde geldt voor de leeftijd. De ontworpen arti­ kelen 18 en 19 regelen de niet-consensuele seksuele handelingen op minderjarigen die respectievelijk niet en wel de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt. Vermits min­ derjarigen reeds door deze specifieke bepalingen extra worden beschermd, vraagt de OVB zich af of leeftijd nog een relevante kwetsbaarheidsfactor is die moet worden vermeld in artikel 17, opnieuw in het bijzonder voor voyeu­ risme en de verspreiding van seksueel getinte beelden. Zij ziet immers geen reden om hier een onderscheid te maken tussen een 20-jarig en een 60-jarig slachtoffer. Een laatste voorbeeld om het verzwarende karakter van sommige misdrijven in perspectief te plaatsen, heeft betrekking op artikel 24. De hulp of aanwezigheid van andere personen neemt uiteraard verzwarende proporties aan bij verkrachting, maar de OVB ziet niet hoe de verspreiding van seksueel getinte beelden een (dermate) verzwarend misdrijf kan zijn louter omwille van de betrokkenheid van één of meer personen bij dat feit op zich. peine tout aussi lourde, voire plus lourde, qu’un viol sans circonstances aggravantes. Sans vouloir minimiser la perversité du voyeurisme, quelqu’un qui observe une personne dénudée sans son consentement parce que celle-ci aurait un prétendu lien avec une personne à l’égard de laquelle l’auteur éprouverait de l’hostilité pour des raisons de conviction politique serait passible d’une peine d’emprisonnement de 10 à 15 ans. Pour mettre ce point en perspective: l’exhibitionnisme en présence d’un mineur sera puni d’un emprisonnement de six mois à trois ans, la détention et l’acquisition d’images d’abus sexuels de mineurs seront punies d’un emprisonnement de un à trois ans et même la production ou la diffusion de telles images sont passibles d’une peine d’emprison­ nement n’allant pas au-delà de cinq à dix ans. L’OVB demande donc instamment au législateur de mettre en regard les différents taux de peine. À cela s’ajoute encore le fait que certaines infractions aggravantes ont difficilement un caractère aggravant. En vertu de l’article 17, les infractions commises sur des personnes dont la situation de vulnérabilité en raison de leur âge ou d’un état de grossesse était manifeste constituent des infractions aggravantes. Une grossesse constitue incontestablement une situation de vulnéra­ bilité et une circonstance aggravante en cas d’atteinte à l’intégrité sexuelle ou en cas de viol, mais cela est-il également vrai dans le cas du voyeurisme? Or, celui-ci serait puni (beaucoup) plus lourdement qu’un viol sans circonstances aggravantes. La même observation vaut pour l’âge. Les ar­ ticles 18 et 19 en projet régissent les actes sexuels non consensuels commis sur des mineurs, respectivement de moins de 16 ans ou qui ont atteint l’âge de 16 ans accomplis. Les mineurs bénéficiant déjà d’une protection supplémentaire en raison de ces dispositions spécifiques, l’OVB se demande si l’âge est encore un facteur de vul­ nérabilité pertinent qui doit être mentionné à l’article 17, de nouveau notamment dans le cas du voyeurisme et de la diffusion d’images à caractère sexuel. L’Ordre ne voit en effet aucune raison d’opérer, en l’espèce, une distinction entre une victime âgée de 20 ans et une victime qui en a 60. Un dernier exemple pour mettre en perspective le caractère aggravant de certaines infractions concerne l’article 24. L’assistance ou la présence d’autres per­ sonnes prend évidemment des proportions aggravantes en cas de viol, mais l’OVB ne voit pas comment la diffusion d’images à caractère sexuel peut constituer une infraction aggravante du seul fait de la participation d’une ou plusieurs personnes à l’acte lui-même. 2141/006 DOC 55 142 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Tom Bauwens benadrukt dat iemand die een ontbloot persoon zonder diens toestemming observeert omwille van diens politieke overtuiging een gevange­ nisstraf kan oplopen van 10 tot 15 jaar. Een persoon die pedofiele beelden vervaardigt, kan daarentegen een gevangenisstraf oplopen van 5 tot 10 jaar. Dit kan volgens de OVB niet de bedoeling zijn. De situatie is vandaag al zo en leidt tot schrijnende toestanden die maatschappelijk gezien niet correct zijn. De straffen moeten op elkaar worden afgestemd. Terzelfdertijd moet de vraag worden gesteld of voyeurisme op zich met een verzwarende omstandigheid, waarvan de definitie ruim is opgevat, wel een gevangenisstraf van 15 tot 20 jaar vereist. De zaken moeten volgens de spreker tot hun juiste proporties worden herleid. Er worden in het wetsontwerp veel inspanningen ge­ leverd om op een coherente wijze veel feiten te viseren en te definiëren. Bij het formuleren van de strafmaten is de logica evenwel soms zoek. De spreker kan zich niet vinden in de oproep van mevrouw Bedoret om binnen het straffenarsenaal dat de rechter ter beschikking staat, ook in een plaatsver­ bod te voorzien. Iemand die het slachtoffer is van een bepaalde graad van seksuele handelingen, die effectief een plaatsverbod zou willen en die vandaag in Luik woont, zal aldus een vonnis verkrijgen dat voorziet in een plaatsverbod wat Luik betreft. Als de dader evenwel na 5 jaar vrijkomt, is het best mogelijk dat het slachtoffer niet meer in Luik woonachtig is. Het is eerder aangewe­ zen op het ogenblik dat het risico van integratie opnieuw bestaat te oordelen overeenkomstig de wens van het slachtoffer en de actuele situatie. Hij pleit er dan ook voor om in het Strafwetboek geen straffen op te nemen die in de strafuitvoering thuishoren. Met betrekking tot het ontworpen artikel 5 van het wetsontwerp merkt de spreker op dat de OVB voor­ stander is van de striktere herdefiniëring van het begrip toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschik­ kingsrecht. Desalniettemin zijn er enkele opmerkingen bij de voorgestelde definitie te maken. De spreker geeft het voorbeeld van de notie “waardoor de vrije wil is aan­ getast”. De aangehaalde oorzaken laten erg veel ruimte tot casuïstiek. Noties zoals angst of invloed van alcohol zijn uiterst subjectieve toestanden of gevoelens die de deur openzetten voor discussie. De OVB begrijpt dat de indieners zo veel mogelijk situaties willen dekken die de vrije wil kunnen aantasten, maar vraagt zich af of dit niet net tot een beperking van de toepassingsvoorwaarden kan leiden. Er kan derhalve worden overwogen om op niet-limitatieve wijze een aantal situaties aan te merken in de memorie van toelichting (zoals deze thans vervat zijn in het artikel), maar om de bepaling zelf kernachtig te beperken tot: “Toestemming is er evenmin wanneer M. Tom Bauwens souligne qu’une personne qui observe une personne dénudée sans son consentement en raison de ses convictions politiques peut encourir une peine de prison de 10 à 15 ans. Une personne qui produit des images pédophiles, en revanche, encourt une peine de prison de 5 à 10 ans. Selon l’OVB, tel ne saurait être l’objectif. Tel est pourtant le cas aujourd’hui et cela conduit à des situations pénibles qui ne sont pas socialement correctes. Les peines doivent être harmoni­ sées. En même temps, il faut se demander si le voyeu­ risme en lui-même, avec une circonstance aggravante interprétée de manière large, mérite une peine de prison de 15 à 20 ans. Selon l’orateur, les choses doivent être ramenées à leurs justes proportions. Dans le projet de loi, beaucoup d’efforts ont été faits pour viser et définir de nombreux faits de manière cohé­ rente. Cependant, la logique fait parfois défaut lorsqu’il s’agit de formuler les peines. L’orateur ne souscrit pas à la demande de Mme Bedoret d’inclure une interdiction de lieu dans l’éventail des sanc­ tions mis à la disposition du magistrat. En effet, la victime de certains faits sexuels, qui souhaite effectivement une interdiction de lieu et qui habite Liège aujourd’hui, rece­ vra un jugement prévoyant une interdiction de lieu pour ce qui concerne Liège. Toutefois, si l’auteur est libéré après cinq ans, il est possible que la victime n’habite plus à Liège. Il convient plutôt de statuer en fonction des souhaits de la victime et de la situation actuelle au moment où existe de nouveau le risque d’intégration. L’orateur plaide dès lors pour ne pas faire figurer dans le Code pénal des peines qui relèvent de l’exécution de la peine. S’agissant de l’article 5 du projet de loi à l’examen, l’orateur souligne que l’OVB est favorable à la redéfinition plus stricte de la notion de consentement dans l’exercice du droit à l’autodétermination sexuelle. Néanmoins, il convient de formuler certaines observations à propos de la définition proposée. L’orateur prend l’exemple de la notion “d’altération du libre arbitre”. Les motifs avan­ cés laissent énormément de marge à la casuistique, des notions comme la peur ou l’influence de l’alcool constituant des états ou des sentiments extrêmement subjectifs qui ouvrent la porte aux discussions. Si l’OVB comprend que les auteurs du projet de loi à l’examen entendent couvrir le plus grand nombre possible de situations pouvant altérer le libre arbitre, il se demande néanmoins si cette volonté ne débouchera pas justement sur une limitation des conditions d’application de ladite notion. On pourrait dès lors envisager de mentionner de manière non exhaustive plusieurs situations dans l’exposé des motifs (comme celles-ci figurent en l’état 143 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de seksuele handeling is gepleegd op iemand die in een kwetsbare toestand verkeert waardoor de vrije wil is aangetast”. De OVB pleit ervoor de strafbepalingen zelf tot hun essentie te herleiden. Onder het ontworpen artikel 8 wordt de aantasting van de seksuele integriteit gedefinieerd als het stellen van een seksuele handeling op een persoon. De OVB meent dat de draagwijdte van het begrip handeling in de memorie van toelichting moet worden afgelijnd. Viseert men daarbij ook (vunzige) gebaren, woorden, nafluiten enzovoort? Voorts pleit de OVB voor een andere formulering van de aantasting van de seksuele integriteit in het eerste lid. Het zinsdeel “die daar niet in toestemt” kan in de huidige opbouw voor verwarring zorgen. Uit de memorie van toelichting volgt dat het niet alleen kan gaan om niet-consensuele handelingen die op de persoon van het slachtoffer worden gepleegd, maar ook om de niet-consensuele seksuele handelingen die door het slachtoffer verplicht op de persoon van de dader of van een derde worden gepleegd (bijvoorbeeld opgedragen worden zich te masturberen). Ten slotte kan het ook dat de dader een derde verplicht seksuele handelingen op het slachtoffer te verrichten. De memorie besluit op dit punt dat de derde moet worden beschouwd als een persoon die een seksuele handeling stelt die daar niet in toestemt. Op basis daarvan stelt de OVB voor het ontworpen artikel 8, eerste lid, duidelijker te formuleren als volgt: “Aantasting van de seksuele integriteit is: — het stellen van een seksuele handeling op een persoon die daar niet in toestemt, al dan niet met behulp van een derde persoon die daar niet in toestemt, dan wel — het laten stellen van een seksuele handeling door een persoon die daar niet in toestemt.” Onder het ontworpen artikel 9 wordt voyeurisme ge­ definieerd. Het artikel, zoals thans opgesteld in ruime zin, impliceert dat ook foto’s genomen van personen die gesluierd door het leven wensen te gaan, doch het haar hebben ontbloot, onder de strafbaarstelling kunnen vallen. Indien dit een bewuste keuze van de wetgever is, acht de OVB het aangewezen dit ook zo aan te geven in de memorie van toelichting. Indien de wetgever dergelijke situaties, die in essentie niet onder de maatschappelijke benadering van voyeurisme vallen, wenst uit te sluiten, moet het artikel beperkter worden geformuleerd. dans l’article), mais de faire preuve de concision en limitant la disposition en elle-même à la formulation sui­ vante: “Il n’y a pas davantage de consentement lorsque l’acte à caractère sexuel a été commis sur une personne en situation de vulnérabilité qui altère son libre arbitre”. L’OVB plaide pour que la formulation des dispositions pénales proprement dites soient ramenées à l’essentiel. L’article 8 du projet de loi à l’examen définit l’atteinte à l’intégrité sexuelle comme l’accomplissement d’un acte sexuel sur une personne. L’OVB estime que la portée de la notion d’acte devrait être précisée dans l’exposé des motifs. En effet, vise-t-on également les gestes, propos, sifflements, etc. (obscènes) dans ce cadre? Ensuite, l’OVB plaide pour une reformulation de la notion d’atteinte à l’intégrité sexuelle figurant dans l’alinéa 1er, le membre de phrase “qui n’y consent pas” pouvant être source de confusion dans la construction actuelle de l’article. Il ressort de l’exposé des motifs qu’une atteinte à l’intégrité physique vise non seulement les actes à caractère sexuel non consensuels qui sont commis sur la personne de la victime, mais également les actes à caractère sexuel non consensuels imposés à la victime sur la personne de l’auteur ou d’un tiers (par exemple, l’ordre de se masturber). Enfin, l’auteur peut aussi obliger un tiers à accomplir des actes sexuels sur la victime. L’exposé des motifs conclut que, dans ce cas précis, le tiers doit être considéré comme une personne qui commet un acte à caractère sexuel qu’il n’a pas consenti. Sur la base de ces éléments, l’OVB propose de clarifier l’article 8 en projet en le formulant comme suit: “L’atteinte à l’intégrité sexuelle consiste: — à accomplir un acte à caractère sexuel sur une personne qui n’y consent pas, avec ou sans l’aide d’un tiers qui n’y consent pas, ou — à faire exécuter un acte à caractère sexuel par une personne qui n’y consent pas.” La notion de voyeurisme est définie à l’article 9 en projet. Dans sa formulation large actuelle, l’article im­ plique que le fait de prendre en photo des personnes qui souhaitent vivre voilées, mais qui ont dénudé leurs cheveux, peut également tomber sous l’incrimination. S’il s’agit d’un choix délibéré du législateur, l’OVB estime qu’il convient de l’indiquer dans l’exposé des motifs. Si le législateur souhaite exclure ces situations qui, par essence, ne relèvent pas de l’approche sociale du voyeurisme, l’article doit être formulé de manière plus restrictive. 2141/006 DOC 55 144 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het verschil in benadering tussen de ontworpen arti­ kelen 9 en 10 is bovendien weinig coherent. Mevrouw Saskia Kerkhofs geeft het voorbeeld van het nemen van een selfie voor Instagram bij de kapper waarbij in de achtergrond ook het beeld van een nor­ maliter gesluierde vrouw, doch nu ongesluierd, wordt vastgelegd. Ook deze handeling valt onder het toepas­ singsgebied van het ontworpen artikel 9. De heer Tom Bauwens stelt met enige verbazing vast dat de term “perfide” voor het eerst in het Belgisch straf­ recht, in het ontworpen artikel 11, wordt geïntroduceerd, naar de gelijknamige Franse term. Volgens Van Dale betekent perfide “trouweloos” of “verraderlijk”, termen die de notie niet dekken. In essentie lijkt het gebruik van de term overbodig nu het artikel zelf de lading dekt, na­ melijk handelen met kwaadwillig opzet of uit winstbejag. De term komt diverse malen terug (steeds bij de verzwaarde misdrijven). De OVB acht het aangewezen deze overal te schrappen en te vertrekken van noties die in het strafrecht wél een juridische draagwijdte en betekenis hebben, met name “kwaadwillig opzet of uit winstbejag”. Het ontworpen artikel 22 neemt de verzwarende dis­ criminatiegronden van het huidige artikel 377bis van het Strafwetboek over en innoveert deze op enkele punten. De vernieuwde lijst is een kopie van artikel 78 uit het ontwerp van nieuw Strafwetboek, dat een overkoepelende bepaling wil zijn voor alle in het wetboek omschreven misdrijven. Vermits het seksueel strafrecht vroegtijdig en afzonderlijk wordt vernieuwd, moeten de geüpdatete discriminerende drijfveren worden opgesomd in het onderhavige artikel. Als gevolg hiervan ontstaat een ongefundeerde dis­ crepantie tussen de discriminatiegronden voor seksuele misdrijven en die voor andere misdrijven in het huidige Strafwetboek. Dit is zeker het geval voor het laatste lid, waarbij het toepassingsgebied van het verzwarende bestanddeel wordt uitgebreid tot feiten waarin één van de drijfveren van de dader erin bestaat dat het slachtoffer een (vermeende) band heeft met een persoon ten aanzien van wie hij haat, misprijzen of vijandigheid koestert wegens één of meer van de opgesomde discriminatiegronden. Bovendien betekent de volledige overname van alle discriminerende drijfveren uit het overkoepelende artikel voor het nieuwe Strafwetboek dat sommige van de opge­ somde discriminatiegronden weinig tot geen relevantie hebben in het seksueel strafrecht. Een verkrachting uit La différence d’approche entre les articles 9 et 10 en projet est de surcroît peu cohérente. Mme Saskia Kerkhofs donne l’exemple de la prise d’un selfie pour Instagram chez le coiffeur, où l’image d’une femme normalement voilée, mais non voilée à ce moment, est également capturée en arrière-plan. Cet acte relève également du champ d’application de l’article 9 en projet. M. Tom Bauwens constate avec une certaine sur­ prise que le terme néerlandais “perfide” est introduit pour la première fois dans le droit pénal belge, dans l’article 11 en projet, en regard du terme français simi­ laire. Selon Van Dale, perfide signifie “trouweloos” (“traître, félon”) ou “verraderlijk” (“traître”), des termes qui ne correspondent pas exactement à la notion. En fait, l’utilisation de ce terme semble superflue dès lors que l’article lui-même explicite la notion, à savoir agir avec une intention méchante ou dans un but lucratif. Le terme revient à plusieurs reprises (toujours pour les infractions aggravées). Pour l’OVB, il s’indique de supprimer ce terme partout et de partir de notions qui ont une portée juridique et une signification en droit pénal, à savoir “avec une intention méchante ou dans un but lucratif”. L’article 22 en projet reprend les motifs de discrimi­ nation aggravants de l’actuel article 377bis du Code pénal et innove sur plusieurs points à leur égard. La liste révisée reproduit l’article 78 du projet de nouveau Code pénal, qui entend être une disposition générale incluant toutes les infractions décrites dans le Code. Dès lors que le droit pénal sexuel est révisé anticipativement et séparément, les mobiles discriminatoires actualisés doivent être énumérés dans l’article à l’examen. Cela crée dès lors une différence non fondée entre les motifs de discrimination pour les infractions sexuelles et les motifs de discrimination concernant d’autres infractions prévues dans le Code pénal actuel. C’est certainement le cas pour le dernier alinéa, où le champ d’application de la circonstance aggravante est élargi aux faits dans lesquels l’un des mobiles de l’auteur réside dans le fait que la victime a un lien (ou un lien présumé) avec une personne à l’égard de laquelle il nourrit de la haine, du mépris ou de l’hostilité en raison d’un ou de plusieurs des motifs de discrimination énumérés. En outre, la reprise intégrale de tous les mobiles dis­ criminatoires de l’article général précité signifie pour le nouveau Code pénal que certains des motifs de discri­ mination énumérés ne sont guère voire pas pertinents à l’égard du droit pénal sexuel. À ce jour, il y a, parmi 145 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E misprijzen van een persoon wegens diens syndicale overtuiging maakt vooralsnog een minderheid van de seksuele geweldsdelicten uit... Deze opmerkingen zijn ook relevant voor de ontworpen artikelen 58 en 64, zij het dat de drijfveren daar enkel een verzwarende factor zouden zijn waarmee de rechter rekening zou moeten houden (zie ook artikel 26). Mevrouw Saskia Kerkhofs merkt op dat de OVB sterk gekant is tegen het ontworpen artikel 26. Ten eerste kan en zal de rechter altijd met individuele situaties rekening houden. De wetgever kan ervoor opteren om aan bepaalde omstandigheden direct een hogere strafmaat te koppelen, maar wanneer hij dit niet doet, behoort de beoordeling tot de appreciatiemarge van de rechterlijke macht. Ten tweede wordt opgemerkt dat er plots sprake is van bloed- en aanverwantschap tot in de vierde graad. De memorie van toelichting argumenteert nochtans dat men bij de diverse intrafamiliale misdrijven bewust kiest voor de derde graad. Deze keuze wijkt af van alle benaderingen in het strafrecht en het burgerlijk recht en zou derhalve moeten worden geduid. Hetzelfde geldt ten slotte voor de leeftijd beneden tien jaar, waarmee de rechter ook plots rekening moet houden. Deze leeftijdsgrens wordt nergens elders in de wet gehanteerd. Om deze redenen meent de OVB dat dit artikel in zijn huidige vorm uit het wetsontwerp zou moeten worden verwijderd. Deze opmerkingen zijn ook (gedeeltelijk) van toepas­ sing op de artikelen 58 en 64, die eveneens zouden moeten worden geschrapt. Inzake femicide heeft de OVB het er principieel moeilijk mee dat een moord op een vrouw zwaarder zou worden bestraft dan een moord op een man. Dit druist niet alleen in tegen alle termen van gelijkheid en maatschappij, daarenboven zijn heden ten dage de termen “man” en “vrouw” achterhaald. Wat met personen in transitie? Een dergelijke wettelijke bepaling zou haar doel voorbijschie­ ten omdat veel situaties uit de boot vallen. De heer Tom Bauwens begrijpt dat men vanuit een politieke positie bepaalde signalen wil geven. Maar een strafwet is er om repressief op te treden en niet om een signaal te geven. Wat de ontworpen artikelen 30 tot 47 betreft, stipt de spreker aan dat (behoudens vergissing) het begrip les délits de violence à caractère sexuel, peu de viols commis par mépris à l’égard d’une personne en raison de ses convictions syndicales... Ces observations sont également pertinentes à l’égard des articles 58 et 64 en projet, si ce n’est que les mobiles ne seraient dans ce cas qu’un facteur aggravant dans ces articles dont le juge devrait tenir compte (voir éga­ lement l’article 26). Mme Saskia Kerkhofs fait observer que l’OVB est fermement opposé à l’article 26 en projet. Premièrement, le juge peut toujours et il tiendra toujours compte des situations individuelles. Le législateur peut choisir d’asso­ cier directement des peines plus lourdes à certaines circonstances mais s’il ne le fait pas, l’évaluation relèvera de la marge d’appréciation du pouvoir judiciaire. Deuxièmement, il est signalé qu’il est soudainement question d’un lien de parenté ou d’alliance jusqu’au quatrième degré. Or, l’exposé des motifs indique que le troisième degré est sciemment choisi en ce qui concerne les diverses infractions intrafamiliales. Ce choix déroge à toutes les approches dans le droit pénal et le droit civil et devrait dès lors être précisé. Enfin, il en va de même pour la limite d’âge de moins de dix ans dont le juge devra aussi subitement tenir compte. Cette limite d’âge n’est appliquée nulle part ailleurs dans la loi. C’est pourquoi l’OVB estime que, sous sa forme actuelle, cet article devrait être supprimé du projet de loi. Ces observations s’appliquent également (en par­ tie) aux articles 58 et 64, qui devraient également être supprimés. En ce qui concerne le féminicide, l’OVB peut difficile­ ment accepter, par principe, que le meurtre d’une femme soit plus lourdement puni que le meurtre d’un homme. Outre que c’est contraire à tous les principes d’égalité et de société, les mots “homme” et “femme” sont aujourd’hui dépassés. Qu’adviendra-t-il des transsexuels? Cette disposition légale manquerait son objectif car nombre de situations ne seraient pas prises en compte. M. Tom Bauwens comprend que l’on veuille envoyer certains signaux pour des raisons politiques, mais observe que la loi pénale a pour but d’intervenir de manière répressive et non d’envoyer des signaux. En ce qui concerne les articles 30 à 47 en projet, l’ora­ teur souligne que, sauf erreur, la notion de “débauche” 2141/006 DOC 55 146 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “ontucht” nergens wordt gedefinieerd. A. De Nauw schrijft hierover dat ontucht een ruimere betekenis heeft dan prostitutie en dat de rechtspraak niet steeds eensluidend is bij de interpretatie van dit begrip. Zo wordt de duur­ zame relatie of het samenwonen van een minderjarige ouder dan zestien jaar met een leeftijdsgenoot of met een meerderjarige niet altijd als ontuchtig gekwalifi­ ceerd. Recent werd een moeder die toeliet dat haar veertienjarige dochter seksuele betrekkingen had met haar meerderjarige vriend, dan weer schuldig geacht aan het opwekken, begunstigen of vergemakkelijken van ontucht in de zin van artikel 379, tweede lid, van het Strafwetboek1. Om te voorkomen dat rechters op dit vlak een te grote beoordelingsvrijheid krijgen, hetgeen op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel, vindt de OVB dat het begrip ontucht in de wet moet worden verduidelijkt. Wat het ontworpen artikel 50 betreft, vraagt de OVB het begrip “primair” te verduidelijken in de context van “primaire seksuele doeleinden”. In de memorie van toelichting wordt enkel toegelicht wat wordt bedoeld met primaire sexting. In het bijzonder wat het ontworpen artikel 95 betreft: in artikel 458bis van het Strafwetboek zullen de oude artikelen met betrekking tot zedenfeiten worden vervangen door de nieuwe. Die bepaling stelt dat eenieder die over een beroepsgeheim beschikt en kennis heeft van welbe­ paalde misdrijven, dit in bepaalde omstandigheden toch ter kennis kan brengen van de procureur des Konings. Bij arrest nr. 127/2013 van 26 september 2013 heeft het Grondwettelijk Hof artikel 6 van de wet van 30 no­ vember 2011, dat artikel 458bis van het Strafwetboek had ingevoegd, vernietigd in zoverre het van toepassing is op de advocaat die houder is van vertrouwelijke informatie van zijn cliënt wanneer die informatie mogelijkerwijs incriminerend is voor die cliënt. De OVB beveelt aan deze belangrijke nuance op te nemen in de memorie van toelichting. Tot slot merkt de spreker op dat op 19 juli 2021 het langverwachte wetsontwerp houdende wijzigingen aan het Strafwetboek met betrekking tot het seksueel strafrecht (DOC 55 2141/001) werd ingediend. Het wetsontwerp beoogt het seksueel strafrecht te moderniseren. De wij­ zigingen die in de loop der jaren in het Strafwetboek zijn doorgevoerd, zijn namelijk fragmentarisch en inconsistent. 1 A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Wolters Kluwer, 2020, nr. 250. n’est définie nulle part. A. De Nauw écrit à ce propos que le mot “débauche” a un sens qui va au-delà de la prostitution et que la jurisprudence n’est pas toujours unanime au sujet de l’interprétation de cette notion. La relation durable ou la cohabitation d’un mineur de plus de seize ans avec une personne du même âge ou avec un majeur n’est pas toujours considérée comme une forme de débauche. Récemment, une mère ayant autorisé sa fille de quatorze ans à avoir des rapports sexuels avec son ami majeur a cependant été jugée coupable d’avoir excité, de favorisé ou facilité la débauche au sens de l’article 379, alinéa 2, du Code pénal.1 Pour éviter de donner aux juges un trop grand pou­ voir d’appréciation en ce domaine, ce qui est contraire au principe de légalité, l’OVB estime que la notion de “débauche” doit être précisée dans la loi. En ce qui concerne l’article 50 proposé, l’OVB demande une clarification du terme “principalement” dans l’expres­ sion “à des fins principalement sexuelles”. L’exposé des motifs explicite seulement ce que l’on entend par “sexting primaire”. Tout particulièrement en ce qui concerne l’ar­ ticle 95 proposé. À l’article 458bis du Code pénal, les anciens articles relatifs aux faits de mœurs seront remplacés par les nouveaux. Cette disposition prévoit que toute personne qui est dépositaire d’un secret professionnel et a de ce fait connaissance de certaines infractions, peut, dans certaines circonstances, le porter à la connaissance du procureur du Roi. Par son arrêt n° 127/2013 du 26 septembre 2013, la Cour constitutionnelle a annulé l’article 6 de la loi du 30 novembre 2011, qui avait inséré l’article 458bis du Code pénal, en ce qu’il s’applique à l’avocat déposi­ taire de confidences de son client, auteur de l’infraction qui a été commise au sens de cet article, lorsque ces informations sont susceptibles d’incriminer ce client. L’OVB recommande d’intégrer cette importante nuance dans l’exposé des motifs. Enfin, l’orateur note que le projet de loi tant attendu modifiant le Code pénal en ce qui concerne le droit pénal sexuel a été déposé le 19 juillet 2021 (DOC 55 2141/001). Ce projet de loi vise à moderniser le droit pénal sexuel. Les modifications qui ont été apportées au Code pénal au fil des ans sont fragmentaires et incohérentes. 1 A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Malines, Wolters Kluwer, 2020, nr. 250. 147 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De OVB juicht dit initiatief toe, maar heeft niettemin een aantal grote en minder grote bezwaren en opmer­ kingen. Zij hoopt dat het wetsontwerp met de hulp van de geformuleerde artikelsgewijze commentaar voort kan worden verfijnd. Het ter bespreking voorliggende wetsontwerp bouwt voort op de werkzaamheden van de commissie voor de hervorming van het strafrecht, die tijdens de vorige zit­ tingsperiode werd opgericht om een nieuw Strafwetboek op te stellen. Het is een aangepaste versie van het daarin voorgestelde Boek 2, Titel 2, Hoofdstuk 3, ge­ titeld “Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden” (DOC 55 0417/001). De OVB voorzag die tekst eerder al van advies. In afwachting van de afwerking, de goedkeuring en de inwerkingtreding van het nieuw Strafwetboek werd beslist het seksueel strafrecht alvast in het huidig Strafwetboek op te nemen. Hoewel de OVB deze keuze begrijpt, hoopt zij dat de beslissing niet impliceert dat de grotere hervorming voor onbepaalde duur wordt uitge­ steld. De broodnodige modernisering van niet enkel het volledige strafrecht, maar ook van het strafprocesrecht, laat immers al veel te lang op zich wachten. c. Uiteenzetting van mevrouw Miriam Ben Jattou, voorzitster van Femmes de droit – Droits des femmes Mevrouw Miriam Ben Jattou onderstreept de rol van woorden en van woordgebruik. Zo komt in de Franse tekst van het wetsontwerp zeer vaak het woord abus (misbruik) voor. De courante betekenis van dat woord is duidelijk, maar in dit wetsontwerp primeert de juridische betekenis ervan. Ter herinnering: het woord abus (mis­ bruik) verwijst naar een buitensporig gebruik van een recht dat ertoe heeft geleid dat andermans rechten zijn geschonden. Het woord abus (misbruik) komt van het Latijnse abusus: overdadig gebruik van een recht of van een gewoonte. Wanneer in dezen dus wordt gesproken van seksueel misbruik, houdt dit uit juridisch oogpunt in dat misbruik wordt gemaakt van een recht dat men heeft. Mevrouw Ben Jattou voegt hier nog aan toe dat de Belgische wetgever de term “seksueel misbruik” uit het Strafwetboek heeft gehouden; zij hoopt dat dit in de toekomst niet verandert. Als reden daarvoor voert zij aan dat niemand recht heeft op andermans lichaam. Nooit kan men op iemand een seksueel recht doen gelden, zelfs niet binnen een echtpaar en zelfs niet als volwas­ sene. Van een seksueel recht op kinderen kan uiteraard nog minder sprake zijn. Boven de term abus sexuel (seksueel misbruik) verkiest de spreekster begrippen als violence sexuelle (seksueel geweld) en infraction sexuelle (seksueel misdrijf). L’OVB se réjouit de cette initiative tout en formulant quelques objections et remarques, certaines majeures et d’autres moins. Il espère qu’avec l’aide du commentaire des articles, le projet de loi pourra être affiné. Le projet de loi à l’examen s’appuie sur les travaux de la Commission de réforme du droit pénal constituée sous la précédente législature en vue de l’élaboration d’un nouveau Code pénal. Il s’agit d’une version adap­ tée du Livre 2, Titre 2, Chapitre 3, proposé, intitulé “Les infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle ou au droit à l’autodétermination sexuelle et aux bonnes mœurs” (DOC 55 0417/001). L’OVB a déjà donné son avis sur ce texte. En attendant la finalisation, l’adoption et l’entrée en vigueur du nouveau Code pénal, il a été décidé d’insérer le droit pénal sexuel dans le Code pénal actuel. Bien que l’OVB comprenne ce choix, il espère que cette décision n’implique pas le report sine die de la grande réforme. En effet, la modernisation tant attendue non seulement du droit pénal dans son ensemble, mais aussi du droit de la procédure pénale, n’a que trop tardé. c. Exposé de Mme Miriam Ben Jattou, présidente de Femmes de droit – Droits des femmes Mme Miriam Ben Jattou insiste sur le rôle rempli par les mots et leur usage. C’est ainsi qu’elle relève qu’à plusieurs reprises dans le projet de loi, intervient le mot “abus”. Compris dans son sens populaire, c’est cependant son acceptation juridique qui prime s’il intervient dans ce projet de loi. Pour rappel, le mot “abus” se réfère à l’usage excessif d’un droit ayant eu pour conséquence l’atteinte aux droits d’autrui. Le mot abus vient du mot latin abusus, user à l’extrême d’un droit ou d’un usage. En l’occurrence, quand on parle d’abus sexuels, ça induit juridiquement, qu’on abuse d’un droit qu’on a. Mme Ben Jattou ajoute que le législateur belge a évité que le terme “abus sexuel” se retrouve dans le Code pénal et elle espère que ce sera encore le cas dans le futur. Elle argumente en affirmant que personne n’a de droit sur le corps d’autrui. On n’a jamais de droit sexuel sur quelqu’un, même quand on est marié, même quand on est adulte. On a évidemment encore moins de droit sexuel sur des enfants. À ces termes d’abus sexuels, l’oratrice préfère les termes “violences sexuelles” ou “infractions sexuelles”. 2141/006 DOC 55 148 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat dan weer het begrip majorité sexuelle (seksu­ ele meerderjarigheid) betreft, is mevrouw Ben Jattou van mening dat dit begrip thans niet bestaat in België. Nergens in het Strafwetboek wordt gesproken van “sek­ suele meerderjarigheid”, maar wel van een vermoeden van afwezigheid aan instemming. Mevrouw Ben Jattou vindt het veeleer een goede zaak dat geen gewag wordt gemaakt van seksuele meerderjarigheid; een adolescent is immers helemaal geen volwassene. De adolescentie is een periode in het leven waarin men bijzonder kwetsbaar is. In verband met het begrip “sek­ suele meerderjarigheid” vestigt de spreekster echter de aandacht van de wetgever op het feit dat in de memorie van toelichting, wat de artikelen 28 en 29 aangaat, naar die seksuele meerderjarigheid wordt verwezen, terwijl de woorden “seksuele meerderjarigheid” niet als dusdanig worden gehanteerd in de tekst van het wetsontwerp zelf; daar wordt gesproken van afwezigheid van toestem­ ming (artikelen 5 en 6), of nog van een vermoeden van niet-toestemming. Het wetsontwerp voorziet niet in een specifieke be­ handelingsstraf voor seksdelinquenten of ‑misdadigers omdat andere plegers van andere geweldvormen anders zouden worden behandeld mocht een en ander beperkt blijven tot louter plegers van seksdelicten. Mevrouw Ben Jattou staat hier enigszins van te kijken omdat men het over een heel specifieke vorm van geweld heeft. Hoewel zij niet gelooft dat de gevangenis de enige uitweg is, blijft opsluiting nog altijd bovenaan staan in de verschillende soorten straffen. Het is dus heel belangrijk symbolisch belangrijke straffen uit te spreken om duidelijk te blijven maken dat seksueel geweld verboden is. Artikel 69 voorziet in een hele reeks van ontzettingen als sanctie, behalve in de ontzetting uit het ouderlijk ge­ zag. Een ouder die seksueel geweld op zijn kind pleegt, kan vandaag echter worden veroordeeld, maar toch zijn ouderlijk gezag behouden. Mevrouw Ben Jattou noemt het geval van een tienjarig meisje van wie de vader, die tot een gevangenisstraf van twee jaar was veroordeeld, na het uitzitten van zijn straf heeft gerecidiveerd. Dat viel te voorspellen. De spreekster vindt het al even onaan­ vaardbaar dat een vader die wegens seksueel geweld op een kind is veroordeeld, het recht blijft hebben om te beslissen of het kind al dan niet naar een psycholoog mag gaan. Aangezien hij niet uit zijn ouderlijk gezag is ontzet, kan hij immers macht over zijn kind blijven uit­ oefenen en met name het kind de toegang tot bepaalde medische zorg ontzeggen. Gelet op die gevallen die zij in haar beroepspraktijk heeft waargenomen, is mevrouw Ben Jattou van oor­ deel dat definitief kan worden beslist de ouders uit het ouderlijk gezag te ontzetten wanneer zij niet in staat zijn de seksuele integriteit van hun kinderen te eerbiedigen. Revenant sur la notion de majorité sexuelle, Mme Ben Jattou estime qu’aujourd’hui, cette notion n’existe pas en Belgique. Le Code pénal ne parle absolument jamais de majorité sexuelle, on parle plutôt de présomptions d’absence de consentement. Mme Ben Jattou estime qu’éviter de parler de majorité sexuelle est plutôt posi­ tif car être adolescent est bien différent d’être adulte. L’adolescence est une période de la vie particulièrement fragile. Par contre, par rapport à cette notion de majorité sexuelle, l’oratrice attire l’attention du législateur sur le fait qu’aux articles 28 et 29 de la proposition de loi, on fait référence à cette majorité sexuelle, alors même que les mots “majorité sexuelle” ne sont pas repris en tant que tels dans le texte où on parle d’absence de consen­ tement aux l’articles 5 et 6 ou encore d’une présomption de non-consentement. Le projet de loi ne propose pas de peine de traitement spécifique aux délinquants ou criminels sexuels, en raison du fait que, si c’était réservé aux seuls auteurs sexuels, ce serait une discrimination par rapport aux autres auteurs d’autres formes de violence. À ce propos, Mme Ben Jattou est assez perplexe parce qu’on est en train de parler d’une forme de violence bien particulière. Si elle ne pense pas que la prison soit la seule issue, celle-ci reste le sommet dans les différents types de sanctions et qu’il est dès lors essentiel de condamner à des peines symboliquement importantes pour rappeler l’interdit des violences sexuelles. L’article 69 prévoit toute une série de peines de dé­ chéances sauf la déchéance de l’autorité parentale. Or, quand un parent est violent sexuellement avec son enfant, aujourd’hui, ce parent peut être condamné et garder son autorité parentale. Mme Ben Jattou cite le cas d’une enfant de 10 ans dont le père, condamné à deux ans de prison, a récidivé à sa sortie de prison. C’est un fait qui était prévisible. L’oratrice trouve tout aussi inadmissible qu’un père, condamné pour violence sexuelle sur un enfant continue à avoir le droit de décider si l’enfant a le droit, ou pas, d’aller voir un psychologue car il n’a pas été déchu de son autorité parentale et peut continuer à avoir un pouvoir sur son enfant, et notamment à lui interdire l’accès à certains soins médicaux. Face à ces cas observés dans sa propre pratique professionnelle, Mme Ben Jattou pense qu’on pour­ rait décider définitivement de déchoir de leur autorité parentale les parents incapables de respecter l’intégrité sexuelle de leurs enfants. 149 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Ben Jattou gaat vervolgens in op het deel inzake de hervorming van het Strafwetboek dat betrek­ king heeft op de aantasting van de seksuele integriteit, op voyeurisme, op de niet-consensuele en ook perfide verspreiding van beelden en op verkrachting. Het cho­ queert haar dat in de omschrijving van verkrachting en van aanranding van de eerbaarheid – voortaan “aan­ tasting van de seksuele integriteit” – woorden worden gehanteerd als “wetens en willens”, alsook variaties daarvan die doelen op “opzettelijkheid” en “kennis van zaken”. Variaties van die toevoegingen zijn opgenomen in de definitie van verkrachting en van aantasting van de seksuele integriteit. In dat verband wil de spreekster nadrukkelijk in herinnering brengen dat verkrachting in het Strafwetboek wordt gedefinieerd als “elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, op een persoon die daar niet in toestemt”. Als daar nu elke met kennis van zaken en bewust gepleegde penetratie aan wordt toegevoegd, betekent dit ook dat bijkomende bewijselementen moeten worden aange­ voerd. De spreekster herinnert eraan dat “algemeen opzet” volgens het strafrecht inhoudt dat bij de pleger van het misdrijf sprake moet zijn van de wil een daad te stellen die tegen de wet indruist. Zulks behoort tot de definitie van een strafbaar feit. Wanneer het algemeen opzet echter specifiek aan het misdrijf wordt toegevoegd, wordt het een “bijzonder opzet”. In voorkomend geval zou het slachtoffer niet alleen de afwezigheid van toe­ stemming moeten bewijzen – wat al moeilijk is –, maar ook het feit dat de betrokken persoon de daad wetens en willens heeft gepleegd. Mevrouw Ben Jattou is dan ook opgelucht dat die toevoegingen werden verwijderd. Zij benadrukt dat voortaan niet langer zal worden gesproken van “aanranding van de eerbaarheid”, maar van “aantasting van de seksuele integriteit”. Niettemin verbaast het haar dat het begrip “redelijk persoon” wordt ingevoerd om uit te maken of het al dan niet om een seksuele handeling gaat. Als niet het slachtoffer redelijk is, zou dus iemand van buitenaf de situatie moeten kun­ nen beoordelen wat het slachtoffer ervaart. Dat houdt volgens de spreekster geen steek. De laatste paragraaf in de memorie van toelichting over de aantasting van de seksuele integriteit bevat de volgende stelling:“Het te veel willen accentueren van de gelijkheid tussen man en vrouw kan mogelijks in de toekomst leiden tot een nieuwe ongelijkheid.”. De spreekster wil begrijpen waar die stelling vandaan komt en wat ze inhoudt. Mevrouw Ben Jattou vindt het een goede zaak dat het incestverbod eindelijk in het Strafwetboek wordt opgenomen; incest is immers niet louter een verkrach­ ting, maar maakt deel uit van een voor het slachtoffer bijzonder gewelddadige en schadelijke context. Toch Dans la partie de la réforme du Code pénal qui porte sur l’atteinte à l’intégrité sexuelle, le voyeurisme, la diffusion non consensuelle, voire perfide, d’images et viol, Mme Ben Jattou se dit choquée de voir apparaître, dans la définition du viol et de l’attentat à la pudeur appelé désormais atteinte à l’intégrité sexuelle, les mots “volontairement et sciemment”, “volontairement et consciemment”, “volontairement et en toute connais­ sance de cause” “délibérément et en toute connaissance de cause”. Plusieurs versions de ces ajouts ont été introduites dans la définition du viol et de l’atteinte à l’intégrité sexuelle. À ce sujet, l’oratrice tient à rappeler que le viol est défini comme étant toute pénétration de quelque nature que ce soit, par quelque moyen que ce soit, sur une personne qui n’y consent pas. Or, ajouter toute pénétration faite en connaissance de cause et délibérément, vient ajouter l’obligation d’apporter des éléments de preuves supplémentaires. L’oratrice rappelle qu’en matière de droit pénal, le dol général implique qu’il faut une volonté de pratiquer un acte qui est contraire à la loi dans le chef de l’auteur de l’infraction. Ça fait partie de la définition-même d’une infraction pénale. Mais quand on vient le rajouter spécifiquement dans l’infraction, ça devient un dol spécial. En l’occurrence, la victime devrait prouver non seulement l’absence de consentement, ce qui est déjà difficile, mais aussi le fait que la personne l’ait fait volontairement et consciemment. Mme Ben Jattou se félicite dès lors que ces ajouts aient été supprimés. Elle souligne qu’on parlera dorénavant d’atteinte à l’intégrité sexuelle et non plus d’attentat à la pudeur. Cependant, elle marque son étonnement à l’introduction de la notion de “personne raisonnable” pour déterminer s’il s’agit d’un acte sexuel ou non. Si ce n’est pas la victime qui est raisonnable, comment peut-on expliquer que quelqu’un d’extérieur à la situation puisse juger ce qui est ressenti par la victime? Le dernier paragraphe de l’exposé des motifs reprend des affirmations telles que “trop vouloir mettre l’accent sur l’égalité entre les hommes et les femmes pourrait à l’avenir générer involontairement une nouvelle inégalité”. L’oratrice aimerait comprendre d’où sort cette affirmation et ce qu’elle implique. Si Mme Ben Jattou se réjouit de voir enfin apparaître l’interdit de l’inceste dans le Code pénal car l’inceste n’est pas un simple viol mais fait partie d’un contexte particulièrement violent et délétère pour la victime, elle regrette cependant que la définition de l’inceste soit liée 2141/006 DOC 55 150 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E betreurt zij dat de definitie van “incest” aan de minder­ jarigheid van het slachtoffer wordt gelinkt. Hoe oud een slachtoffer ook is, hij of zij is immers altijd het kind van zijn of haar ouder. Ook op zijn of haar achttiende en later blijft die persoon in de ouder-kindrelatie de positie van “kind” bekleden. Bovendien houdt incest verband met de diverse seksuele misdrijven waarin het Strafwetboek voorziet, en dus niet alleen met verkrachting of met aanranding van de eerbaarheid. Voyeurisme en de verspreiding van beelden maken immers deel uit van het zogeheten “continuüm” van de vormen van seksueel geweld, in voorkomend geval van het “continuüm” van incest. Voor de spreekster is het dus belangrijk dat hier niet aan wordt geraakt. Artikel 5 bevat de omschrijving van het begrip “toe­ stemming”. De uitdrukking “wie zwijgt, stemt toe” zou in beginsel overboord worden gegooid. Een slachtoffer dat zich niet verzet omdat hij/zij verlamd is door de agressie die hij/zij ondergaat, zal niet worden beschouwd als ie­ mand die zijn toestemming heeft gegeven. Mevrouw Ben Jattou hoopt ook dat de rechtspraak die mogelijkheid in acht zal nemen. Te vaak wordt de fout immers bij het slachtoffer gelegd (“Hoe was u gekleed? Had u gedron­ ken? Was u alleen? Hebt u duidelijk nee gezegd?”). Bovendien wordt opgemerkt dat wie onder invloed was van alcohol of drugs of aan het slapen was, niet langer zal worden beschouwd als iemand die zijn toe­ stemming heeft gegeven. Voorts zou worden bepaald dat het aanvaarden van een seksuele daad niet betekent dat men ook instemt met alle daaropvolgende daden. De toestemming kan dus op elk moment worden in­ getrokken. Mevrouw Ben Jattou is ingenomen met de verduidelijkingen; die zouden de reeds bestaande en noodzakelijke, maar ontoereikende regels versterken. Mevrouw Ben Jattou staat ook achter het onweer­ legbare vermoeden van afwezigheid van toestemming voor alle minderjarigen bij incest of wanneer de dader zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt dan wel een bijzondere invloed op het slachtoffer heeft. Ze voegt er echter aan toe dat dit onweerlegbare vermoe­ den van afwezigheid van toestemming niet alleen tot de minderjarigen had kunnen worden uitgebreid, maar tot alle slachtoffers. Voortaan zou voor min 14-jarigen een onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestem­ ming voor elke seksuele handeling gelden. Wie tussen veertien en zestien jaar oud is, zou toestemming kunnen geven, maar dan alleen indien het leeftijdsverschil niet meer dan twee jaar bedraagt. Mevrouw Ben Jattou had echter liever gezien dat dit vermoeden ook zou gelden voor de zestien- tot achttienjarigen; die leeftijdsgroep blijft immers vrij fragiel. à la minorité de la victime. En effet, quel que soit l’âge de la victime, elle est toujours un/une enfant par rapport à son parent. Même quand elle atteint et dépasse l’âge de 18 ans, elle reste dans une position d’enfant au sein de la relation parent-enfant. Par ailleurs, l’inceste touche aux différentes infractions sexuelles prévues dans le Code pénal et pas uniquement le viol ou l’attentat à la pudeur. En effet, le voyeurisme ou la diffusion d’images font partie de ce qu’on appelle le continuum des violences sexuelles et en l’occurrence du continuum de l’inceste. Il lui semble donc essentiel de maintenir les choses en l’état. L’article 5 définit la notion de consentement. L’expression “qui ne dit mot consent” sera, en principe, éliminée de la pratique. En effet, une victime qui ne se débat pas car elle est paralysée à cause de l’agression qu’elle vit ne sera pas considérée comme consentante. Mme Ben Jattou espère aussi que la jurisprudence tien­ dra compte de cette possibilité car trop souvent, la faute est remise sur la victime (“Comment étais-tu habillée? Avais-tu bu? Étais-tu seule? As-tu clairement dit non?”). De plus, il est noté que si la personne est sous influence de l’alcool, de la drogue, qu’elle dort, elle ne sera pas non plus considérée comme consentante. Il est égale­ ment stipulé qu’accepter un acte sexuel ne veut pas dire accepter tous les actes qui suivent. Le consentement peut donc être retiré à tout instant. Mme ben Jattou salue ces précisions qui viennent renforcer ce qui existe déjà et qui était nécessaire mais insuffisant. Mme Ben Jattou approuve également la présomption irréfragable d’absence de consentement pour tous les mineurs lorsqu’il s’agit d’inceste, lorsque l’auteur a posi­ tion d’autorité, position de confiance ou une influence particulière sur la victime. Elle ajoute cependant que cette présomption irréfragable d’absence de consen­ tement aurait pu être étendue, pas seulement aux mi­ neurs, mais à l’ensemble des victimes. En l’occurrence, avant 14 ans, il y a une présomption irréfragable d’absence de consentement pour tout acte sexuel. Quand on a entre 14 et 16 ans, on peut consentir. Mais uniquement si la différence d’âge est de maximum 2 ans. Cependant, Mme Ben Jattou aurait préféré que cette présomption s’applique aussi aux 16 à 18 ans qui est une tranche d’âge qui reste assez fragile. 151 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Volgens de spreekster mogen die bepalingen uiteraard niet beletten dat de minderjarigen een vrij en consensu­ eel seksueel leven kunnen leiden waarin ruimte is voor ontdekking, verlangen en verkenning. In de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op het feit dat slachtoffers van seksueel geweld soms niet reageren omdat ze als het ware verlamd zijn. Naar die vorm van shock (“sidération”) werd belangrijk onderzoek verricht, meer bepaald door Muriel Salmona in Frankrijk. Helaas wordt daar in de memorie van toelichting, die door juristen zal worden gelezen en geanalyseerd, niet naar verwezen. Dat had een kans kunnen bieden tot omkering van de bewijslast. Wanneer het slachtoffer en het parket vol­ doende elementen van een misdrijf kunnen voorleggen, zou de dader moeten bewijzen dat er sprake was van toestemming. De spreekster wijst erop dat die omkering van de bewijslast onder meer in de Verenigde Staten wordt toegepast en ook reeds geldt bij seksuele intimidatie op het werk. Men mag niet vergeten dat indien wordt aangenomen dat de beschuldigde onschuldig is tot het tegendeel is bewezen, zulks aangeeft dat het slachtoffer liegt tot het tegendeel is bewezen. Uit onderzoek blijkt echter dat 98 % van de aangiftes van verkrachtingen gegrond zijn. In de huidige regeling is echter sprake van secundaire victimisering: de betrokkene is niet alleen het slachtof­ fer van seksuele agressie, maar wordt daarenboven beschouwd als een leugenaar of een manipulator zolang hij/zij onvoldoende bewijzen aanlevert. Zulks legt een nog groter gewicht op de schouders van het slachtoffer. Mevrouw Ben Jattou is het eens met mevrouw Bedoret inzake het vermoeden van afwezigheid van toestemming bij de verspreiding van beelden van seksueel geweld. Wat het begrip “sektarische indoctrinatie” betreft, wijst de spreekster erop dat de lijst waarin de hervorming zou voorzien, niet exhaustief is en uitgaat van de aan­ name dat de toestemming in alle vrijheid moet worden gegeven; door sektarische beïnvloeding kan die vrije toestemming echter niet worden gewaarborgd. De spreekster wijst ook op het feit dat in de memorie van toelichting belang wordt gehecht aan de opleiding van de politie, de magistratuur en de advocatuur op het vlak van seksueel geweld. Een door de minister van Justitie voorgezeten colloquium waarop de leden van de magistratuur waren uitgenodigd, ging over het ouder­ verstotingssyndroom. Dat syndroom, dat op geen enkele wetenschappelijke basis berust, wordt aangewend om de verklaringen van de slachtoffers van seksueel geweld en inzonderheid van incest in diskrediet te brengen. Selon l’oratrice, ces dispositions ne doivent pas empê­ cher évidemment que les mineurs peuvent avoir une vie sexuelle libre, consentie, de découverte, d’envie, d’exploration. L’exposé des motifs mentionne le fait de ne pas réagir, d’être figé face à une violence sexuelle. Ce qu’on nomme la “sidération” n’apparaît pas alors que les juristes vont lire et analyser cet exposé des motifs. Des travaux éminents qui ont été menés, notamment par Muriel Salmona en France parlent de la sidération. Ça aurait pu être l’occasion d’opérer à un renver­ sement de la charge de la preuve. Lorsque la victime et le parquet amènent suffisamment d’éléments d’une infraction, c’est l’auteur qui doit prouver qu’il y avait consentement. L’oratrice avance que ce renversement de la charge de la preuve est notamment appliqué aux États-Unis comme cela se fait déjà en matière de harcèlement sexuel au travail. Pour rappel, si on part du principe que l’accusé est innocent jusqu’à preuve du contraire, cela signifie que la victime ment jusqu’à preuve du contraire. Cependant, des études démontrent que 98 % des déclarations de viol sont fondées. Or, avec le système qui existe actuellement, on re­ marque un phénomène de victimisation secondaire: en plus d’être victime de l’agression sexuelle, la victime est considérée comme menteuse ou manipulatrice tant qu’elle n’apporte pas assez de preuves, ce qui fait peser un poids encore plus important sur ses épaules. Mme Ben Jattou rejoint les propos de Mme Bedoret concernant la présomption d’absence de consentement à propos de la diffusion d’images de violences sexuelles. Sur la notion d’endoctrinement sectaire, l’oratrice relève que la liste prévue dans la réforme n’est pas exhaustive et part du postulat que le consentement doit être donné librement et l’influence sectaire ne garantit pas un libre consentement. Dans l’exposé des motifs, l’oratrice pointe aussi l’importance accordée à la formation de la police, de la magistrature et du barreau sur les violences sexuelles. Un colloque auquel ont été conviés les membres de la magistrature a été présidé par le ministre de la Justice et qui concernait le syndrome d’aliénation parentale. Ce syndrome d’aliénation parentale, qui n’a aucun fondement scientifique, vise à discréditer la parole des victimes de violences sexuelles et en particulier d’inceste. 2141/006 DOC 55 152 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Daarom hoopt mevrouw Ben Jattou dat de oplei­ dingen ten behoeve van de politie, de magistratuur en de advocatuur wel degelijk over seksueel geweld zul­ len gaan en de medewerkers van die diensten inzicht zullen bijbrengen over dergelijk geweld en de psycho- medisch-sociale gevolgen ervan. Ook hoopt ze dat men zal ophouden met het verdedigen en aanwenden van bepaalde theorieën die tegen de belangen van de slachtoffers ingaan en waarvoor niet de minste weten­ schappelijke basis bestaat. Voorts hoopt de spreekster dat men ten aanzien van al die beroepsbeoefenaars zal erkennen dat België het verkeerde pad heeft gevolgd door hen opleidingen aan te bieden over onderworpen die ontzettend problematisch zijn. Ze hoopt dat de fouten uit het verleden zullen worden rechtgezet. Mevrouw Ben Jattou betreurt dat verbaal seksueel geweld uit het hoofdstuk over seksueel geweld werd gelicht, terwijl dergelijk geweld nochtans deel uitmaakt van het continuüm van geweld. Daarbij aansluitend vindt ze het vrij jammer dat me­ disch geweld niet als seksueel geweld wordt gezien. Wanneer een vrouw vaginaal zonder toestemming wordt getoucheerd – ook al is dat om medische redenen – zal zij zulks als een verkrachting ervaren en moet die han­ deling bijgevolg ook als dusdanig worden veroordeeld. Dit geldt des te meer omdat de wet betreffende de rechten van de patiënt van 2002 in geen enkele sanctie voorziet; er moet in dat geval dus een beroep worden gedaan op het gemeenrecht, wat betekent dat men moet bewijzen dat er sprake was van een fout (bijvoorbeeld het feit dat geen toestemming werd gevraagd), schade en een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade. Bijgevolg zal het slachtoffer veel meer bewijselementen moeten aandragen dan louter het feit dat haar toestem­ ming niet werd gevraagd. Volgens de spreekster is de overgrote meerderheid van de artsen integer en doen ze hun werk gewetensvol en voor de goede redenen. Helaas is dat niet altijd het geval. Het medisch stelsel is bovendien heel geweld­ dadig, zowel voor de patiënten als het zorgpersoneel. Het zou dus meer dan welgekomen zijn mocht dit ver­ bod op de aantasting van de seksuele integriteit – ook door artsen ten aanzien van hun patiënten – in de wet worden herhaald. Wat intrafamiliaal geweld betreft, vindt mevrouw Ben Jattou bepaalde aspecten van de hervorming zorgwek­ kend. Zo verwijst ze naar het in de memorie van toelich­ ting meermaals aangehaalde voorbeeld van de leden van een gezin die zich samen ontbloot in de badkamer bevinden. Volgens de spreekster is dat een slecht ge­ kozen voorbeeld. Ofwel moet men in de memorie van En fonction de quoi, Mme Ben Jattou espère que les formations à destination de la police, de la magistrature et du barreau seront effectivement menées par rapport aux violences sexuelles et permettront aux personnes qui travaillent dans ces services de comprendre ce que sont les violences sexuelles. Et les conséquences psy­ cho-médico-sociales des violences sexuelles, mais aussi qu’on arrêtera de défendre et de valoriser des théories anti-victimaires qui n’ont aucun fondement scientifique et qu’on puisse informer tous ces professionnels sur le fait que la Belgique s’est trompée, qu’on leur a proposé des formations sur des sujets qui sont profondément problématiques et qu’on revient sur les erreurs qu’on a commises pour les corriger. Mme Ben Jattou regrette que les violences sexuelles verbales aient été retirées de la partie violence sexuelle alors qu’elles font partie du continuum des violences. De la même manière, elle trouve assez dommage d’avoir exclu les violences médicales du champ des violences sexuelles. Quand une femme subit un toucher vaginal non consenti, même si ce toucher vaginal est d’ordre médical, elle le vivra comme un viol et ça devrait être condamné comme un viol. D’autant plus que la loi relative aux droits des patients de 2002 n’est assortie d’aucune sanction et donc il va falloir revenir au droit commun, c’est-à-dire prouver qu’il y a une faute (le non-respect du consentement, par exemple), un dommage et un lien de causalité entre la faute et le dommage. Cela va demander à la victime beaucoup plus d’éléments de preuve que simplement le fait qu’on n’ait pas respecté son consentement. Si l’oratrice pense que l’immense majorité des méde­ cins sont des gens bien qui font leur travail conscien­ cieusement et qui le font pour des bonnes raisons. Malheureusement, ce n’est pas toujours le cas et le système médical est hautement violent aussi bien pour les patients que pour les soignants et que rappeler cet interdit de l’atteinte à l’intégrité sexuelle, y compris de la part des médecins sur leurs patients, aurait été plus que bienvenu. À propos des violences intrafamiliales, Mme Ben Jattou relève plusieurs points d’inquiétude dans la réforme. Ainsi, elle relève l’exemple qui revient à plu­ sieurs reprises dans l’exposé des motifs de ce qui se passe dans une salle de bain, quand des membres d’une même famille sont dénudés ensemble. Elle estime cet exemple malheureux parce que soit on estime que dans 153 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toelichting alle gevallen vermelden en moet men een hele reeks voorbeelden geven (een baby verschonen, een wonde verzorgen enzovoort), ofwel wordt geen enkel geval vermeld. Wanneer zulks tot het normale gezinsleven behoort, is er immers geen vuiltje aan de lucht. In disfunctionele gezinnen kan naakt samenzijn in de badkamer echter heel problematisch zijn. Alles hangt af van de omstandigheden. Wat de aandoeningen betreft, stelt mevrouw Ben Jattou tevreden vast dat bij de bepaling van de schade voortaan rekening wordt gehouden met psychologische en psychiatrische aandoeningen. Met betrekking tot de seksuele uitbuiting van minder­ jarigen wijst mevrouw Ben Jattou erop dat Engelstalige termen worden gebruikt die niet worden vertaald en evenmin worden toegelicht. Opnieuw wordt de term “seksueel misbruik” aangewend; andermaal wordt in dat verband de courante betekenis gehanteerd, die veronderstelt dat afkeuring moet worden geuit. Is op de beelden nog sprake van seksueel misbruik wanneer het kind daarmee lijkt in te stemmen? In dat geval gaat het om kinderporno, maar betreft het dan nog beelden van seksueel misbruik? Is iedereen het eens over de definitie van seksueel misbruik, een definitie die overigens niet in het Strafwetboek is opgenomen? Er is geen sprake van beelden, verkrachting of aantasting van de seksuele integriteit, maar van beelden van seksueel misbruik. De spreekster herhaalt dat de term “seksueel misbruik” niet strafrechtelijk is gedefinieerd. Wil men dan precies die term gebruiken, met alle onsamenhangendheden en interpretatieproblemen die daaruit kunnen voortvloeien? In dat geval geeft de spreekster de voorkeur aan de be­ woordingen “kinderporno”, “pornografie met kinderen” of nog “beelden van seksuele situaties met minderjarigen”. Wat de straffen betreft, betoogt mevrouw Ben Jattou dat het desbetreffende gedeelte van het wetsontwerp meerdere tegenstrijdigheden bevat. Zij gaat dieper in op enkele voorbeelden van de toepassing van de straffen en stelt vast dat een volwassene die een video bekijkt van een 10-jarig kind dat wordt verkracht zonder voor die opname een vergoeding te krijgen, een gevangenis­ straf van 20 jaar kan worden opgelegd, terwijl voor dat feit een gevangenisstraf van 5 jaar van toepassing is wanneer hetzelfde kind een vergoeding heeft ontvan­ gen. Is dat wel degelijk een vergissing? Voorts kan een volwassene 5 jaar gevangenisstraf krijgen wanneer hij een kind benadert om het als sekswerker in te huren, maar wordt de strafmaat bepaald op 30 jaar wanneer hij een kind benadert om het te verkrachten, zonder het te betalen. Mevrouw Ben Jattou stelt dus vast dat de strafmaat zesmaal lager is voor een volwassene die weliswaar een misdrijf pleegt, maar met het voornemen l’exposé des motifs, il faut citer tous les cas et alors on doit recourir à beaucoup d’exemples, notamment, quand on change les couches de son bébé, quand on soigne une blessure, etc. Ou alors on estime qu’il ne faut pas tout citer parce qu’effectivement, quand ça relève de la vie familiale normale, tout va bien alors que dans des familles dysfonctionnelles, se retrouver nus dans la même salle de bain, ça peut être très problématique. Tout est une question de circonstances. Concernant les maladies, Mme Ben Jattou exprime sa satisfaction de constater que les maladies d’ordre psychologique et psychiatrique, sont désormais prises en compte dans l’évaluation du dommage. Concernant l’exploitation sexuelle de mineurs, Mme Ben Jattou relève que l’utilisation des termes anglophones n’est ni traduite, ni explicitée. Le terme d’abus sexuel est à nouveau utilisé et c’est à nouveau au sens populaire du terme, sous–entendant qu’il faut qu’il y ait des signes de désapprobation. Si l’enfant a l’air consentant, est-ce que ce sont encore des images d’abus sexuels? C’est de la pédopornographie, mais est-ce que ce sont encore des images d’abus sexuel? Est-ce que tout le monde est d’accord sur la définition d’abus sexuels, définition qui n’apparait pas dans le Code pénal, par ailleurs? Il ne s’agit pas de parler d’image, de viol ou d’atteinte à l’intégrité sexuelle. Il s’agit de parler d’images d’abus sexuels. L’oratrice répète que le terme d’abus sexuel n’est pas défini au sens pénal du terme. Est-ce donc le terme qu’on veut introduire là avec toutes les incohérences et les problèmes d’interprétation que cela peut entraîner? L’oratrice préfère alors l’utilisation des termes de pédopornographie ou pornographie concernant les enfants ou encore d’images de situations sexuelles de mineurs. À propos des peines, Mme Ben Jattou démontre plusieurs contradictions dans cette partie du texte. Détaillant quelques exemples d’applications des peines, elle constate que si un adulte regarde une vidéo d’un enfant de 10 ans qui est violé en n’ayant pas été rému­ néré pour cette scène, cet adulte risque 20 ans de prison, tandis que si le même enfant a été rémunéré, l’adulte spectateur risque 5 années de prison. S’agit-il bien d’une erreur? En outre, un adulte qui approche un enfant dans le but de louer ses services de prostitué, risque 5 ans de prison tandis que s’il approche un enfant dans le but de le violer sans le rémunérer, la peine est fixée à 30 ans. En d’autres termes, Mme Ben Jattou remarque que si l’adulte commet un méfait mais avec l’intention de payer pour services rendus, la peine ris­ quée est divisée par 6. Alors que toutes les infractions commises lors de ces faits entrent dans les infractions reprises dans les autres parties de la réforme (viol, 2141/006 DOC 55 154 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E te betalen voor de “bewezen diensten”, hoewel alle mis­ drijven die bij die feiten worden gepleegd deel uitmaken van de in de andere onderdelen van in de hervorming opgenomen misdrijven (verkrachting, voyeurisme en­ zovoort). Mevrouw Ben Jattou is verbaasd dat dezelfde ernstige feiten kennelijk iets minder ernstig worden wanneer de dader ervoor heeft betaald. Dat is immers het omgekeerde van de aanvankelijke boodschap die men wou uitdragen. Tot slot is mevrouw Ben Jattou verbaasd over de analyse van de weerslag van de op stapel staande wet op de gendergelijkheid. In die analyse staat onder meer immers te lezen dat het voorontwerp van wet betrek­ king heeft op een onbekend percentage mannen en vrouwen. De spreekster stelt dat over dat welbepaalde aspect veel studies bestaan en dat daaruit blijkt dat de overweldigende meerderheid van de slachtoffers vrou­ wen zijn, terwijl de meeste daders mannen zijn. Zelfs wanneer mannen alsnog het slachtoffer zijn, wordt het geweld meestal gepleegd door andere mannen. Volgens ramingen van de WHO en Unicef zou 20 tot 24 % van de meisjes en 5 tot 11 % van de jongens vóór de leeftijd van 18 jaar worden geconfronteerd met seksueel geweld, in de meeste gevallen incest. Die bronnen zijn voldoende ernstig om rekening mee te houden. Voorts stelt mevrouw Ben Jattou vast dat wordt ver­ meld dat deze wet geen weerslag op de gezondheid zal hebben. Zij spoort de leden aan de studie te le­ zen die in 2017 werd uitgevoerd door de vereniging Mémoire Traumatique et Victimologie, in het bijzonder door mevrouw Muriel Salmona, en die dieper ingaat op de weerslag van seksueel geweld op de gezondheid van de slachtoffers. Die studie brengt aan het licht hoezeer het seksueel geweld impact heeft op de gezondheid van de slachtoffers; hun levensverwachting kan met wel 20 jaar dalen omdat zij vaker kampen met obesitas, kanker en hormoonstoornissen. Mevrouw Ben Jattou wijst erop dat ook de sociale zekerheid een hoge prijs betaalt voor seksueel geweld. Indien het voorliggende wetsontwerp wordt aangenomen, zal binnen de sociale zekerheid veel kunnen worden bespaard. Tot slot komt mevrouw Ben Jattou terug op de alomvat­ tende hervorming van het Strafwetboek, waarbij het de bedoeling zou zijn dat alle daden van seksueel geweld niet langer zouden worden beschouwd als misdaden, maar als wanbedrijven. In de memorie van toelichting wordt effectief de term “delinquenten” gebezigd, in plaats van “criminelen”. Behalve in geval van moord en foltering zouden door die hervorming alle seksuele mis­ drijven wanbedrijven worden; seksuele misdaden jegens kinderen zouden dus seksuele wanbedrijven jegens kinderen worden. Die term doet haar denken aan een voyeurisme…). Mme Ben Jattou s’étonne de constater que de mêmes faits graves le deviennent moins quand l’auteur a payé pour. C’est donc l’inverse du message initialement prévu. Enfin, Mme Ben Jattou s’étonne à la lecture de l’analyse de l’impact de cette loi sur l’égalité hommes-femmes. En effet, on peut notamment lire que le pourcentage d’hommes et de femmes visées par l’avant-projet n’est pas connu. L’oratrice avance que beaucoup d’études sur ce champ précis existent et montrent que l’immense majorité des victimes sont des femmes. Et l’écrasante majorité des auteurs sont des hommes. Et même quand ce sont des hommes qui sont victimes, ils sont dans l’écrasante majorité des cas victimes de ces violences par d’autres hommes. L’OMS et l’UNICEF estiment que 20 à 24 % des filles et 5 à 11 % des garçons subiront des violences sexuelles avant l’âge de 18 ans, dont la plupart seront des violences incestueuses. Ce sont là des sources assez sérieuses pour être prises en compte. Par ailleurs, Mme Ben Jattou note qu’on affirme qu’il n’y aura pas d’impact de cette loi sur la santé. Elle invite les membres à lire l’étude menée en 2017 par l’association Mémoire Traumatique et Victimologie et principalement menée par Muriel Salmona, sur l’impact des violences sexuelles sur la santé des victimes. On y apprend à quel point les violences sexuelles ont un impact sur la santé des victimes qui peuvent perdre jusqu’à 20 ans d’espérance de vie: obésité, cancer, troubles hormonaux sont plus présents chez ces victimes. Argumentant sur le coût, Mme Ben Jattou affirme que ces violences sexuelles coûtent énormément à la sécurité sociale. Si la loi en discussion ce jour est votée, les économies dans le secteur de la sécurité sociale seront importantes. En conclusion, Mme Ben Jattou revient sur la réforme globale du Code pénal dans laquelle l’ensemble des vio­ lences sexuelles ne seraient plus désormais considérées comme des crimes, mais comme des délits. On retrouve effectivement les termes de délinquants à la place de criminels dans l’exposé des motifs. Dans cette réforme, l’ensemble des infractions sexuelles deviendrait des délits sans en cas de meurtre et de torture, cela ferait glisser la pédocriminalité vers de la pédodélinquance. Ce terme lui fait penser à un adolescent qui commet un larcin dans une supérette. C’est pourquoi Mme Ben 155 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E jongere die een kleinigheid jat in een kruidenierszaak. Daarom dringt mevrouw Ben Jattou nogmaals aan op het gebruik van de juiste woorden ter zake. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) benadrukt het belang van het horen van de betrokken organisaties in het kader van deze bespreking, maar betreurt dat zij pas nu hun stem in deze belangrijke problematiek kun­ nen laten horen. De ongelijkheid tussen vrouwen en mannen bestaat nog steeds. Vrouwen zijn ook het vaakst slachtoffer van seksuele misdrijven. Haar fractie neemt deze problema­ tiek dan ook zeer ter harte. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) merkt op dat de diverse spreeksters hebben aangedrongen op het ge­ bruik van de juiste bewoordingen in het wetsontwerp. Mevrouw Rohonyi steunt dat verzoek en geeft aan dat correct woordgebruik van belang is voor het signaal dat het Strafwetboek de samenleving geeft, maar ook gewoon omdat zulks rechtszekerheid creëert voor het slachtoffer en voor de dader van de feiten. Mevrouw Rohonyi richt zich tot mevrouw Ben Jattou en gaat in op de seksuele meerderjarigheid. De leeftijdsgrens is geëvolueerd en blijft vrij arbitrair. Adolescenten die momenteel een relatie met wederzijdse toestemming hebben, zouden ten gevolge van die wijziging in de illegaliteit kunnen verzeilen. Wat denkt mevrouw Ben Jattou daarvan? Met de hervorming van het Strafwetboek wordt beoogd dat het onmogelijk wordt toestemming te geven wanneer de daad mogelijk werd gemaakt door “een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige”. Vinden de spreeksters dat duidelijk ge­ noeg? Lijken die begrippen niet te ruim opgevat? Het lid stelt SOS Inceste vragen over de door die organisatie voorgestelde omschrijving van incest. Het wetsontwerp is erop gericht alleen met minderjarigen gepleegde seksuele handelingen te omschrijven als incest, met uitsluiting van de met meerderjarigen gepleegde seksu­ ele handelingen, die als “niet-consensuele intrafamiliale seksuele handelingen” worden omschreven. Zo zou een jonge vrouw van 18 jaar die wordt lastiggevallen door haar stiefvader, bijvoorbeeld niet worden erkend als incestslachtoffer. Hebben de spreeksters op deze hoorzitting een probleem met deze kwalificatie van de feiten? Zijn de spreeksters het eens met de diverse termen om de handelingen te benoemen, of menen zij dat het begrip “incest” voor al die gevallen moet worden gebruikt? Jattou réitère sa remarque sur l’utilisation de mots justes dans ces matières. 3. Échange de vues a. Questions et observations des membres Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) souligne l’impor­ tance d’entendre les organisations concernées dans le cadre de cette discussion, mais regrette que ce ne soit que maintenant qu’elles puissent faire entendre leur voix sur cette question importante. L’inégalité entre les femmes et les hommes est toujours d’actualité. Les femmes sont également les victimes les plus fréquentes des infractions sexuelles. Son groupe prend donc cette problématique très au sérieux. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) relève l’insistance des différentes intervenantes sur la juste utilisation des mots dans le projet de loi. En appuyant cette sollicita­ tion, Mme Rohonyi note qu’utiliser les bons mots a de l’importance pour le signal qu’envoie le Code pénal à la société mais aussi tout simplement pour une ques­ tion de sécurité juridique pour la victime et l’auteur des faits. S’adressant à Mme Ben Jattou, Mme Rohonyi revient sur la question de la majorité sexuelle. La limite d’âge a évolué et reste assez arbitraire. Aujourd’hui, des adolescents sont dans une relation consentante et ils pourraient se retrouver dans l’illégalité suite à ce changement. Qu’en pense Mme Ben Jattou? La réforme du Code pénal prévoit qu’il est impossible de donner son consentement quand l’acte a été rendu possible en raison “d’une position reconnue de confiance, d’auto­ rité ou d’influence sur le mineur”. Est-ce que cela est suffisamment clair pour les intervenantes? Est-ce que ces notions n’apparaissent pas trop larges? La députée interroge SOS Inceste sur sa définition de l’inceste. Le projet de loi ne qualifie d’inceste que les actes sexuels commis sur des mineurs d’âge, à l’exclusion des actes sexuels commis sur des majeurs, ces derniers étant qualifiés d’“actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels”. Par exemple, une jeune fille de 18 ans violentée par son beau-père ne serait pas reconnue comme étant victime d’inceste. Est-ce que cette version de qualifications des faits pose un problème éventuel aux intervenants de l’audition? Est-ce que les oratrices reconnaissent les différentes terminologies pour déter­ miner les actes ou bien est-ce que la notion d’inceste doit impérativement regrouper tous ces cas? 2141/006 DOC 55 156 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Incest moet in het Strafwetboek worden opgenomen omdat zulks ervoor zou zorgen dat het verschijnsel be­ ter in cijfers kan worden gevat. Het lid merkt op dat de spreeksters hebben gewezen op dat algemene gebrek aan statistieken om cijfers te kleven op het geweld jegens vrouwen. Zal dankzij de voormelde incestkwalificatie het verschijnsel in cijfers kunnen worden gevat, waardoor dus gerichtere maatregelen kunnen worden genomen om de slachtoffers te kunnen waarschuwen en beschermen? Het lid richt zich vervolgens tot de vertegenwoordigers van de Orde van Vlaamse balies. Met betrekking tot de getuigenis over Cathy, waarin sprake is van angst om iemand aan te geven, bijvoorbeeld een stiefvader, om­ dat die ook voor het slachtoffer zorgt en de vaderfiguur vervangt, wil zij weten of zij niet van oordeel zijn dat de omkering van de bewijslast de rechten van verdediging zou schenden. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) gaat in op verschil­ lende punten, waaronder het continuüm van geweld. Met betrekking tot de minderjarigheid plaatst ook zij vraagtekens bij het verschil in behandeling naargelang van de leeftijdscategorie van het slachtoffer. Volgens haar hangt dit samen met de bepaling van de leeftijd waarop de seksuele meerderjarigheid ingaat. De rege­ ring beoogde te stellen dat de seksuele meerderjarig­ heid moet worden vastgelegd op 16 jaar, maar dan wel in alle gevallen, ongeacht of al dan niet sprake is van aanranding. Mevrouw Matz roept de hulp in van de spreeksters om een en ander onderling af te stemmen. Volgens haar mag de op 16 jaar vastgelegde seksuele meerderjarigheid niet kunnen worden ingeroepen ter afzwakking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een dader in geval van prostitutie of in andere gevallen waarin een 16- tot 18-jarig slachtoffer geen toestem­ ming heeft gegeven. Het mag niet zover komen dat de aanranding van een seksueel meerderjarige als minder erg wordt beschouwd. Het lid vraagt of de kwalificatie “incest” ook na de leeftijd van 18 jaar wordt gehanteerd. Kent SOS Inceste gevallen van incest die na de leeftijd van 18 jaar zijn begonnen, en niet de logische voortzetting waren van incest die plaatsvond voordat het slachtoffer de leeftijd van 18 jaar had bereikt? Aanvankelijk werd voorzien in de mogelijkheid om ook na de leeftijd van 18 jaar de kwalificatie “incest” te hanteren. De mogelijkheid dat bij een slachtoffer ouder dan 18 jaar sprake kan zijn van afwezigheid van toestemming, werd echter afgevoerd. Met de wijzigingen aan het Strafwetboek wordt onder meer beoogd het overzicht van de straffen coherenter te maken. Mevrouw Ben Jattou heeft dienaangaande op onsamenhangendheden gewezen. Hebben andere spreeksters nog onsamenhangendheden opgemerkt? Het Quant à la nécessité d’inscrire l’inceste dans le Code pénal, cette inscription permettrait de quantifier davantage un phénomène. La députée relève que les intervenantes ont parlé de ce manque de statistiques de manière générale pour quantifier la violence faites aux femmes. Est-ce que cette incrimination de l’inceste permettra de quantifier et donc d’adopter mesures plus ciblées pour prévenir et protéger les victimes? Ensuite, s’adressant aux représentants de l’Ordre des Barreaux flamands, la députée voudrait savoir par rapport au témoignage de Cathy qui évoque la peur de dénoncer une personne, un beau-père par exemple, parce qu’il s’en occupe, parce qu’il remplace la figure paternelle si ces représentants ne considèrent pas que le renversement de la charge de la preuve atteindrait les droits de la défense? Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur différents points dont cet aspect de continuum de violence. Par rapport à la minorité d’âge, la députée s’interroge aussi sur ces différences de traitement en fonction de la tranche d’âge de la victime. Selon elle, cela touche à la détermination de l’âge de la majorité sexuelle. Le gouvernement a voulu dire que la majorité sexuelle était à fixer à 16 ans mais dans tous les cas de figures, en cas d’agression ou non. Mme Matz appelle les intervenantes à l’aide pour réconcilier ces notions. Selon elle, il ne faut pas qu’on invoque la majorité sexuelle fixée à 16 ans pour atténuer la responsabilité pénale d’un auteur en cas de prostitution ou dans d’autres cas quand la victime qui a entre 16 et 18 ans n’est pas consentante. Il ne faudrait pas qu’on en vienne à considérer qu’il est moins grave d’agresser quelqu’un qui a atteint l’âge de la majorité sexuelle. À propos de l’inceste, la députée s’interroge sur le fait de parler d’inceste au-delà de 18 ans. Est-ce que SOS Inceste a connu des cas d’inceste qui ont débuté après 18 ans? Et qui ne sont pas la suite logique d’inceste pratiqué avant que la victime n’atteigne cet âge de 18 ans? L’option de parler d’inceste au-delà de ces 18 ans était bien prévue au départ. Par contre, l’absence de consentement au-delà de 18 ans est une option qui a été écartée. Un des buts du Code pénal est d’amener plus de cohérence dans le relevé des peines. Mme Ben Jattou a relevé des incohérences à ce sujet. Est-ce que d’autres oratrices ont relevé d’autres incohérences tout cela dans le but de rendre lisible les peines qui se retrouveront dans 157 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ligt in de bedoeling de straffen in het nieuwe Strafwetboek bevattelijk te maken. Niet alleen de woordkeuze is be­ langrijk; ook de straffen moeten samenhangend zijn. Ook mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) is van oordeel dat de zaken correct benoemen essentieel is. Incest raakt zoveel mensen; dan mag inderdaad een woord worden gehanteerd dat duidelijker of beter gekozen is. Dat geen gewag wordt gemaakt van de verlammende shocktoestand, het probleem inzake de term “misbruik”, of nog het ontbreken van bepaalde vertalingen zijn opmerkingen die wel degelijk werden genoteerd. De heer Bauwens vindt de in het wetsont­ werp opgenomen lijst uitputtend, maar mevrouw Hugon deelt die mening niet. Het lid dringt erop aan dat ook in de wettekst concrete en treffende voorbeelden worden opgenomen, al blijft het allerbelangrijkste uiteraard te achterhalen of er al dan niet sprake is van toestemming die in vrijheid werd gegeven. Met betrekking tot het misdrijf “voyeurisme” wijst het lid erop dat zij samen met een ander lid een tekst heeft inge­ diend waarin wordt verduidelijkt wat dat misdrijf precies omvat en welke lichaamsdelen daarbij betrokken zijn. Inzake de omschrijving van de persoon die “voldoende redelijk” is om te beoordelen of een handeling al dan niet seksueel van aard is, geeft de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan dat rekening kan worden gehouden met de subjectiviteit van het slachtoffer, met name ter beoordeling van de schending van artikel 3 inzake de onterende of onmen­ selijke behandeling. Vindt mevrouw Ben Jattou dat het verstandig zou zijn zich op die rechtspraak te baseren? De impactanalyse inzake de gendergelijkheid heeft ook het lid van de Ecolo-Groen-fractie verbaasd. Volgens haar strookt die helemaal niet met de visie van de staats­ secretaris voor Gendergelijkheid. Het lid voegt eraan toe dat de cijfers van die studies wel degelijk gekend zijn en dat inzake dergelijk geweld geen sprake is van gelijkheid. Ze voegt eraan toe dat de volksvertegen­ woordigers hopen dat die wet daadwerkelijk positieve gevolgen zal hebben voor de gezondheid, het werk en de gendergelijkheid. Het lid sluit zich aan bij de analyse van mevrouw Ben Jattou over medisch geweld. Ze zal zich verdiepen in het probleem. Tot slot vraagt het lid of er niet voor zou moeten worden gezorgd dat indieners van een klacht ernstig worden ge­ nomen en als geloofwaardig worden beschouwd. Het lid meent dat het geenszins tegenstrijdig is eensdeels uit te gaan van het vermoeden van onschuld van de persoon le Code pénal. Si les mots sont importants, la cohérence des peines doit être aussi considérée. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) estime aussi que bien nommer les choses est primordial. Nommer l’inceste qui touche autant de personne peut effectivement passer par un mot qui soit plus clair ou mieux choisi. L’absence de l’état de sidération, la problématique liée au terme “abus” ou encore l’absence de certains traductions sont des remarques qui ont bien été enregistrées. M. Bauwens estime que la liste reprise dans le projet de loi comme étant exhaustive alors que Mme Hugon ne la voit pas de cette manière. La députée insiste pour que des exemples concrets et frappants soient aussi présents dans ce texte de loi même si le plus important reste de savoir si consentement librement donné il y a eu ou pas. La députée s’enquiert de l’infraction de voyeurisme et signale qu’un texte déposé avec son collègue qui précise l’infraction de voyeurisme détaillant les parties du corps considérées. À propos de la définition de la personne suffisamment raisonnable pour évaluer quand un acte est sexuel ou ne l’est pas, la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme permet de prendre en compte la subjectivité de la victime, notamment pour évaluer la violation de l’article 3 sur les traitements dégradants ou inhumains. Est-ce que Mme Ben Jattou pense qu’il serait judicieux de se baser sur cette jurisprudence? L’analyse d’impact sur l’égalité homme-femme a également provoqué l’étonnement de la députée Ecolo- Groen et elle pense que cela ne reflète certainement pas la vision de la secrétaire d’État à l’égalité des genres. La députée ajoute que les chiffres issus des études sont bien connus et on ne parle pas d’égalité face à ce type de violences. Elle ajoute que les députés espèrent que cette loi aura effectivement un impact positif sur la santé, le travail et l’égalité des genres. La députée souscrit à l’analyse faite par Mme Ben Jattou à propos des violences médicales. Elle se pen­ chera sur ce problème. Pour conclure, la députée demande s’il ne faudrait pas faire en sorte que les personnes qui portent plaintes soient prises au sérieux et reçues comme quelqu’un de crédible. La députée estime qu’il n’y a pas de contradic­ tions dans le fait d’accorder la présomption d’innocence 2141/006 DOC 55 158 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die wordt beschuldigd, en anderdeels geloof te hechten aan het verhaal van het slachtoffer. De heer Ben Segers (Vooruit) wenst dieper in te gaan op de problematiek van de toegang tot de advocaat voor sekswerkers, al dan niet in het kader van uitbuiting. Inzake de decriminalisering van sekswerkers is het de bedoeling te komen tot een duidelijker onderscheid tus­ sen het reguliere circuit enerzijds en het irreguliere circuit anderzijds, met deze nuance dat ook in het reguliere circuit situaties van uitbuiting kunnen voorkomen. Het duidelijker onderscheid moet het evenwel mogelijk maken des te harder op te treden tegen het irreguliere circuit. De toegang tot een advocaat is in dezen dan ook uitermate belangrijk. Het lid wenst van de vertegenwoordigers van de OVB te vernemen welke drempels er zijn voor de tegemoetkomingen in de gerechtskosten. Verwacht de OVB een impact door deze decriminalisering van het sekswerk? Hoe zal de OVB hierop inspelen? Wat verwacht de OVB in dezen van het beleid? Heeft de OVB nog verdere bedenkingen ter zake? De heer Khalil Aouasti (PS) deelt de frustratie dat dit wetsontwerp in zekere zin te laat komt, aangezien incest veel slachtoffers raakt, maar anderzijds ook te vroeg komt, gezien de toekomstige structuur van een nieuw Strafwetboek waaraan thans wordt gewerkt en dat een aantal misdrijven veel strakker afbakent, met regelingen die wel eens niet meer zouden kunnen ver­ anderen. De opmerkingen betreffende de verschuiving van “misdaden” naar “wanbedrijven” houden verband met die toekomstige structuur. Het lid heeft met aandacht kennisgenomen van de opmerkingen betreffende de memorie van toelichting, die niet meer kan worden gewijzigd. Op de tekst van het wetsontwerp kunnen echter wél nog amendementen worden ingediend. Zo worden begrippen zoals “seksu­ ele meerderjarigheid” wel opgenomen in de memorie van toelichting, maar niet in het wetsontwerp. Het lid wil toekomstige frustraties over het uitblijven van wijzigingen voorkomen, met name in de memorie van toelichting. Het is immers op grond daarvan en van alle parlementaire besprekingen dienaangaande dat de aan te nemen tekst zal worden geïnterpreteerd. De heer Aouasti zou niet willen dat de verschillende sprekers zomaar hun bezigheden hervatten en erin berusten dat ze werden gehoord, maar dat er niet naar hen werd geluisterd. In dat verband moeten ze weten dat de parlementaire wer­ king vereist dat bepaalde teksten onveranderd blijven. Met betrekking tot de toestemming en de in het wets­ ontwerp opgelijste en toegelichte situaties waarin het vermoeden van afwezigheid van toestemming auto­ matisch geldt, verzoekt het lid de heer Tom Bauwens zijn redenering te verduidelijken. Als beginsel geldt dat à la personne accusée et d’accorder également du crédit au récit de la victime. M. Ben Segers (Vooruit) souhaite examiner plus avant la question de l’accès à un avocat pour les travailleurs du sexe, que ce soit dans un contexte d’exploitation ou non. En ce qui concerne la décriminalisation des travailleurs du sexe, l’intention est d’établir une distinc­ tion plus claire entre le circuit régulier, d’une part, et le circuit irrégulier, d’autre part. Avec cette nuance que des situations d’exploitation peuvent également se produire dans le circuit régulier. Cette distinction plus claire devrait toutefois permettre de prendre des mesures plus fermes à l’encontre du circuit irrégulier. L’accès à un avocat est donc extrêmement important dans ce cas. Le membre demande aux représentants de l’OVB quels sont les seuils pour les interventions dans les frais de justice. L’OVB attend-il un impact de cette décriminalisation du travail sexuel? Comment l’OVB va-t-il réagir à cette évolution? Qu’attend l’OVB de la politique à cet égard? L’OVB a-t-il d’autres remarques sur cette question? M. Khalil Aouasti (PS) partage cette frustration de voir arriver ce projet de loi d’une certaine manière trop tard puisque l’inceste touche beaucoup de victimes, mais trop tôt par rapport à l’arborescence future d’un nouveau Code pénal qui est en gestation et qui place des séries d’infractions dans des cadres beaucoup plus rigides avec des mécaniques qui pourraient ne plus évoluer. Les remarques portant sur le glissement des crimes vers les délits sont liées à cette future arborescence. Le député a bien entendu les remarques portant sur l’exposé des motifs qui n’est plus modifiable alors que des amendements sur le texte du projet de loi sont, eux, tout à fait envisageables. C’est ainsi que des notions telles que majorité sexuelle reprises dans l’exposé des motifs ne sont pas citées dans le projet. Le député veut éviter que des frustrations surviennent à l’avenir sur l’absence de changements, notamment dans l’exposé des motifs alors que ce dernier et l’ensemble des débats parlementaires à ce sujet serviront à interpréter le texte qui sera voté. M. Aouasti voudrait que les différents intervenants ne retournent pas à leurs affaires en affir­ mant qu’on les a entendus mais pas écoutés alors que c’est la mécanique parlementaire qui exige que certains textes restent figés. Sur la question du consentement et les énumérations de situations de présomption automatique d’absence de consentement, situations détaillées dans la proposition, le membre demande à M. Tom Bauwens de préciser son raisonnement. On part du principe que le droit pénal est 159 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het strafrecht restrictief is: indien bepaalde stellingen niet in de tekst zijn opgenomen, kan daaruit geen auto­ matisch vermoeden van afwezigheid van toestemming voortvloeien. De heer Bauwens stelt voor die lijst van die situaties te wijzigen en gewag te maken van een “kwetsbare toestand”, die mettertijd kan evolueren. Indien dat wel degelijk de redenering is van de heer Bauwens, meent de heer Aouasti dat het betere de vijand is van het goede en dat men het best behoedzaam omspringt met die lijst van situaties waarin het vermoeden van afwezigheid van toestemming automatisch geldt. Inzake het misdrijf betreffende de verspreiding van beelden en het bijkomende misdrijf dat de seksuele handelingen zonder toestemming hebben plaatsgevon­ den, vraagt de spreker of dat bijkomende misdrijf wel nodig is. Wordt niet beter gesproken van samenlopende misdrijven, zoals een verkrachting en de verspreiding van beelden zonder toestemming? De spreker komt terug op het begrip “incest”. Hij denkt dat die tweevoudige definitie is ontstaan omdat er bij incest hoe dan ook afwezigheid van toestemming is. Bij het andere misdrijf houdt men rekening met het feit dat al dan niet toestemming kan worden verleend; om die reden wordt die daad niet langer als incest gekwalificeerd, maar als een niet-consensuele intrafamiliale seksuele handeling. Incest wordt dus gekenmerkt door het feit dat het niet mogelijk is om al dan niet toe te stemmen. Het klopt dat bewoordingen symbolisch belang hebben, maar beide soorten handelingen vinden plaats in verschillende situaties, en daarom verschilt ook de terminologie. Wat de straffen betreft, werd de strafmaat voor kinder­ porno gewoon overgenomen, terwijl het wetsontwerp in het geval van voyeurisme beoogt – wegens de onderlig­ gende redenering in verband met intrafamiliale banden – twee minimumstraffen in te stellen voor misdrijven die soms even ernstig zijn. Er moet een beleidskeuze worden gemaakt met betrekking tot de verhoging of het behoud van de minimumstraffen. Wat naaktheid binnen het gezin betreft, meent de heer Aouasti te begrijpen dat de spreeksters het toegevoegde lid willen weglaten en willen teruggrijpen naar de in artikel 371/1 van het Strafwetboek vermelde definitie, dan wel een andere omschrijving van voyeu­ risme willen uitwerken met betrekking tot de intieme sfeer binnen de gezinnen. Wat de behandeling als straf betreft, streeft de PS- fractie ernaar in een dergelijke straf te kunnen voorzien in de gevallen waarin opsluiting niet de oplossing is. Zulks maakt deel uit van het regeerakkoord. restrictif, si des hypothèses ne sont pas présentes dans le texte, elles ne pourraient pas entrainer une présomption automatique d’absence de consentement. M. Bauwens propose de modifier la liste de ces situations et de par­ ler de vulnérabilité qui peut évoluer dans le temps. Si c’est bien le raisonnement poursuivi par M. Bauwens, M. Aouasti pense que le mieux et l’ennemi du bien et il s’agit de faire attention à la liste de ces situations de présomption automatique d’absence de consentement. Concernant l’infraction relative aux images et l’infrac­ tion supplémentaire quand la relation sexuelle n’est pas consentie, il se demande si cette infraction complémen­ taire est nécessaire. Ne vaut-il pas mieux dire que l’on se retrouve dans un concours d’infractions qui pourraient être un viol et la diffusion non consentie d’images? Revenant sur la notion d’inceste, l’orateur pense que cette double définition est survenue parce que dans le cas de l’inceste, il y a automatiquement absence de consentement. L’autre infraction prend en compte la possibilité de consentir ou de ne pas consentir et c’est pourquoi cet acte n’est plus qualifié d’inceste mais d’acte à caractère sexuel intrafamilial non consensuel. L’inceste est alors défini aussi par cette absence de faculté de consentir ou non. Certes, la symbolique des mots est importante mais, dans ces deux types d’actes, il y a deux réalités différentes et c’est pourquoi la terminologie est différente. À propos des peines, dans le cadre de la pédopor­ nographie, les seuils de peines ont tout simplement été repris tandis que dans le cadre du voyeurisme, le texte qui a une orientation sur la logique intrafamiliale crée deux seuils de peines pour des infractions qui sont parfois aussi graves l’une que l’autre. Il y a un choix politique à opérer dans l’augmentation ou la conservation des seuils de peines. Concernant la nudité au sein de la famille, si l’orateur comprend les intervenantes, il est question de supprimer l’alinéa qui a été ajouté et d’en revenir à la définition reprise à l’article 371/1 du Code pénal ou d’aller vers une autre définition du voyeurisme par rapport à l’intimité au sein des familles. En ce qui concerne la peine de traitement, l’ambition du groupe PS est d’intégrer la peine de traitement dans des cas où l’enfermement n’est pas la solution. Cela fait partie de l’accord de gouvernement. 2141/006 DOC 55 160 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Verwijzend naar de opmerking van de heer Bauwens inzake het plaatsverbod wenst mevrouw Katleen Bury (VB) te vernemen of het toch niet veiliger zou zijn, mocht dit plaatsverbod ook al bij de strafbepalingen worden opgenomen. Een dergelijke handelswijze zal volgens haar de slachtoffers alleen maar ten goede komen. Mevrouw Nathalie Gilson (MR) vraagt aan me­ vrouw Ben Jattou of zij wenst dat incestueuze betrek­ kingen tussen meerderjarigen moeten worden gecrimi­ naliseerd. Kent SOS Inceste gevallen van incestueuze relaties die na de leeftijd van 18 jaar van start zijn gegaan? Het lid benadrukt dat de betrokkenen tevreden zijn dat incest in het Strafwetboek zal worden opgenomen. Volgens mevrouw Gilson is prostitutie nauwelijks aan bod is gekomen. Mevrouw Bruyère heeft studies aangehaald waaruit blijkt dat in de praktijk een correlatie bestaat tussen het feit dat men als kind seksueel werd misbruikt en het feit dat men later in de prostitutie belandt. Mevrouw Gilson wil weten waar die info vandaan komt, want wanneer men weet dat 80 % van de prostituées als kind of puber seksueel geweld moest ondergaan, kan men zich afvragen in welke mate een sekswerk(st) er bewust voor prostitutie kiest. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op de omkering van de bewijslast. Het lage aantal valse ver­ klaringen betreffende de toestemming zou niet aanzetten tot verzoeken om omkering van de bewijslast, louter voor die 5 %. Hoe kan een evenwicht worden bereikt waarbij toestemming duidelijk wordt omschreven, terwijl het vermoeden van onschuld behouden blijft, aangezien de toestemming een instrument zou kunnen zijn om met slechte bedoelingen de verrichter van een seksuele handeling te bedreigen? Naar dat evenwicht wordt al meerdere maanden gezocht. b. Antwoorden van de genodigden en replieken Mevrouw Astrid Bedoret antwoordt dat de toestem­ mingskwestie echt wel een grote bekommering is. De huidige omschrijving van toestemming voorziet in een gedeelde bewijslast: het slachtoffer probeert aan te tonen dat het geen toestemming heeft geuit, terwijl de verdachte tracht te bewijzen dat het slachtoffer dat wel heeft gedaan. Om een evenwicht te vinden, zullen de magistraten bewust moeten worden gemaakt van de geloofwaardigheid van de slachtoffers. Mevrouw Bedoret wijst erop dat het verzamelen van materieel bewijs niet eenvoudig is, in het bijzonder in geval van incest. Vaak krijgt de beschuldigde het voordeel van de twijfel. Meer dan twintig jaar lang is SOS Inceste de pleitbe­ zorger geweest van de opvatting dat incest ook jegens meerderjarigen kan worden gepleegd. Die stelling wordt Concernant l’observation de M. Bauwens relative à l’interdiction de lieu, Mme Katleen Bury (VB) souhaite savoir s’il ne serait pas plus sûr d’intégrer également cette interdiction de lieu dans les dispositions pénales. Elle estime que cette intégration ne pourrait que servir les intérêts des victimes. Mme Nathalie Gilson (MR) demande à Mme Ben Jattou si elle souhaite la criminalisation des relations incestueuses entre personnes majeures. Est-ce que SOS Inceste a rencontré des cas de relations incestueuses qui ont démarré après l’âge de 18 ans? La députée souligne la satisfaction des parties à voir l’inceste entrer dans le Code pénal. Elle estime que l’on a parlé très peu de la prostitution. Dans la pratique, Mme Bruyère citait des études montrant la corrélation entre des situations d’abus en tant qu’enfant et la pratique de la prostitution. Mme Gilson voudrait connaitre ces sources car si une personne prostituée a fait le choix de son activité, on peut se demander si son choix est délibéré si 80 % des prostituées ont subi des violences sexuelles dans leur enfance ou adolescence. Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur le renversement de la charge de la preuve. Le faible pourcentage des fausses déclarations à propos du consentement ne nous inciterait pas à demander le renversement de la charge de la preuve pour ces 5 %. Comment peut-on arriver à un équilibre en ayant une définition claire du consentement et la préservation de présomption d’innocence alors que le consentement pourrait servir d’outil pour menacer, pour une raison délictueuse, l’auteur d’un acte sexuel? Ce point d’équilibre est recherché depuis plusieurs mois. b. Réponses des invités et répliques Mme Astrid Bedoret répond que la question du consen­ tement est une préoccupation majeure. Tel qu’il est défini aujourd’hui, le consentement fait en sorte que la charge de la preuve doit être partagée: la victime va tenter d’établir qu’elle n’a pas exprimé un consentement alors que le prévenu va tenter de prouver que la victime a exprimé ce consentement. Trouver le point d’équilibre va nécessiter de sensibiliser les magistrats sur la cré­ dibilité des victimes. Mme Bedoret évoque la difficulté de trouver des preuves matérielles, spécialement dans les cas d’inceste. Souvent, le doute profite à l’accusé. Pendant plus de vingt ans, SOS Inceste a défendu l’idée que l’inceste concerne aussi des personnes majeures. Beaucoup d’obstacles se sont dressés face à 161 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E niet zomaar aangenomen en stoot onder meer op de kri­ tiek dat een meerderjarige bekwaam is zijn toestemming te uiten. Mevrouw Bedoret wil dat thema stapsgewijs aanpakken. Zij wil de opname van de term “incest” in het Strafwetboek niet in het gedrang brengen, aangezien er al plannen zijn om dat begrip te verruimen tot meerder­ jarigen. SOS Inceste ziet dat veel ouders hun kinderen vanaf de leeftijd van 16 jaar beginnen aan te randen, thans de leeftijd vanaf dewelke de afwezigheid van toestemming moet worden bewezen. Mevrouw Bedoret wijst erop dat wij tot aan de dood het kind van onze ouders blijven, dus veel langer dan het moment waarop wij burgerlijk meerderjarig worden. Met betrekking tot de lijst van situaties waarin men ervan uit kan gaan dat er geen toestemming is, stelt mevrouw Bedoret dat zij die opsomming persoonlijk nooit heeft beschouwd als een uitputtende lijst van dergelijke situaties. Zij ziet dus het probleem niet. Ze stelt voor die lijst in die zin aan te passen dat het duidelijk is dat ze weliswaar enkele situaties, maar niet alle situaties omvat. Mevrouw Lily Bruyère bevestigt dat bij incest de greep van de ouders op de kinderen niet stopt op de achttiende verjaardag. Het is inderdaad niet de bedoeling de opname van incest in het Strafwetboek op de helling te zetten, want het is een grote stap vooruit. De macht van de dader, de shock en alle reeds opgesomde gevolgen van incest stoppen niet als bij wonder wanneer het slacht­ offer 18 jaar wordt. De slachtoffers moeten jarenlang worden behandeld en verzorgd, alsook hun agressor in de ogen kijken. In dat verband is het ook van belang te worden erkend als slachtoffer, in het bijzonder om te voorkomen dat andere mogelijke slachtoffers binnen eenzelfde gezin hetzelfde lot dreigen te ondergaan. Wat de prostitutie betreft, heeft mevrouw Bruyère erop gewezen dat het geweld jegens kinderen en ado­ lescenten nooit stopt. Wanneer de slachtoffers ouder zijn, krijgen zij in de prostitutie met geweld te maken of laten ze zich uitbuiten in pornofilms. Die slachtoffers worden sekswerker, geen beroep als een ander. Zij onderschatten zichzelf en zolang zij geen medische ondersteuning krijgen, blijven zij steken in die vicieuze cirkel van geweld. De samenleving stemt daar in zekere zin mee in. Mevrouw Bruyère verwijst voorts naar de seksue­ le-hulpverlening. Als opvoedster bij mensen met een beperking zou zij weigeren een beroep te doen op seksuele-hulpverleners uit het prostitutiemilieu. Volgens mevrouw Bruyère heeft een seksuele-hulpverlener statistisch gezien waarschijnlijk seksueel geweld en mishandeling ondergaan. Als sociaal werker doet men dus een beroep op iemand die getraumatiseerd is door cette demande dont notamment le fait qu’une personne majeure est capable d’exprimer son consentement. Mme Bedoret veut travailler par étape sur cette ques­ tion. Elle ne veut pas compromettre l’insertion du mot inceste dans le Code pénal parce qu’on voudrait déjà l’étendre aux personnes majeures. SOS Inceste rencontre beaucoup de parents qui commencent à violenter leurs enfants à partir de l’âge de 16 ans qui est l’âge actuel où il faut prouver l’absence de consentement. Mme Bedoret rappelle que nous restons enfant de nos parents jusqu’à la mort et donc bien au-delà de la majorité civile. À propos de la liste des situations où l’on peut consi­ dérer qu’il n’y a pas de consentement, Mme Bedoret affirme qu’elle ne l’a jamais personnellement comprise comme étant une liste exhaustive de ces situations. Elle ne perçoit donc pas la difficulté et propose d’aménager cette liste de manière à ce qu’on comprenne bien que les situations qui y sont décrites ne sont pas toutes les situations mais bien quelques-unes d’entre-elles. Mme Lily Bruyère confirme que l’emprise des parents sur les enfants dans des cas d’incestes ne cesse pas à 18 ans. L’idée est effectivement de ne pas compro­ mettre cette avancée majeure de faire entrer l’inceste dans le Code pénal. L’emprise, la sidération et toutes les conséquences de l’inceste énumérées précédem­ ment ne cessent pas miraculeusement quand la victime atteint l’âge de 18 ans. Les victimes doivent être prises en charge et être soignées durant de longues années et être confrontées à leur agresseur. À ce niveau, l’important est aussi d’être reconnu en tant que victime, notamment pour éviter que d’autres victimes potentielles au sein d’une même famille ne soient menacées. Concernant la prostitution, Mme Bruyère a évoqué la répétition des violences faites aux victimes enfants et adolescentes. Une fois plus âgées, elles répètent ces violences en étant dans des situations de prostitution ou bien exploitées dans des films à caractère pornogra­ phique. Ces victimes entrent en prostitution, qui n’est pas un métier comme un autre. Elles se sous-estiment et tant qu’elles ne sont pas médicalement prises en charge poursuivent dans ce continuum de violences. La société cautionne cela d’une certaine manière. Mme Bruyère évoque aussi l’assistance sexuelle. En tant qu’éducatrice dans un milieu de handicapés, elle refuserait de faire appel à des assistances sexuelles issues des milieux de prostitution. Selon Mme Bruyère, une assistante sexuelle a, au regard des chiffres, pro­ bablement subi des violences sexuelles et des maltrai­ tances. En tant que travailleur social, on recourt à une personne traumatisée par les violences qu’on met en 2141/006 DOC 55 162 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geweld en brengt men die betrokkene in contact met een gehandicapte persoon die daar niet noodzakelijk om vraagt. Mevrouw Bruyère had graag gezien dat men het verband legt tussen die diverse situaties. Mevrouw Saskia Kerkhofs legt uit dat de OVB het ter bespreking voorliggende wetsontwerp op een neutrale wijze heeft geanalyseerd. Er werd gekeken naar de logica, het evenwicht van de tekst, de coherentie en de duidelijkheid. Advocaten staan immers zowel daders als slachtoffers bij. Het is uit dat oogpunt dat de OVB de bedenking heeft gemaakt over de toepassingsvoorwaarden die worden ingevoegd in de kwalificatie van incest, met name de verspreiding van beelden en voyeurisme. De OVB velt geen oordeel, maar maakt alleen attent op de gevolgen van de gemaakte keuzes. Het hoofddoel van de kwali­ ficatie is de bescherming van de minderjarige persoon in intrafamiliale context. Het risico van een aangepraat trauma bij een kind dat volgens de wetenschap op lange termijn dezelfde effecten teweegbrengt als een effectief beleefd trauma, dient te worden voorkomen. Met betrekking tot de decriminalisering van het seks­ werk onderstreept zij het belang van de definitie van ontucht. De problematiek van de toegang tot een ad­ vocaat staat volgens haar los van de decriminalisering. Voor slachtoffers van welk misdrijf ook is er enerzijds de toegang tot de tweedelijnsbijstand en anderzijds de rechtstreekse toegang tot een advocaat. De meeste mensen kunnen ook een beroep doen op een rechts­ bijstandsverzekering, met dien verstande dat soms bij­ voorbeeld morele schade wordt uitgesloten. Een aantal slachtoffers blijft evenwel in de kou staan en hieraan dient te worden gewerkt. De heer Tom Bauwens komt terug op artikel 5 van het wetsontwerp en geeft aan dat het duidelijk is dat toestemming er niet is als er geweld wordt gepleegd, en evenmin wanneer de seksuele handeling is gepleegd op iemand die in een kwetsbare toestand verkeert, waardoor diens vrije wil is aangetast. Volgens de spreker heeft de opsomming in de wetsbepaling van de oorzaken die de vrije wil aantasten, echter geen enkele meerwaarde; die opsomming trekt integendeel de discussie open en laat erg veel ruimte tot casuïstiek. Een advocaat zal in een proces dan ook wetenschappelijke studies onder de aandacht brengen waaruit bijvoorbeeld blijkt dat extasy en cocaïne ter zake geen impact hebben. Hij roept de wetgever op zich bij de zaak te houden. Het is de bedoeling dat een rechter vrij kan oordelen. Het vermoeden van onschuld kan niet worden uitge­ schakeld. De bewijslast kan niet worden omgekeerd. De wetgever van zijn kant kan wel door op een bepaalde contact avec une personne handicapée qui n’est pas nécessairement demandeuse. Mme Bruyère demande d’établir des ponts entre ces différentes situations. Mme Saskia Kerkhofs indique que l’Orde van Vlaamse Balies (OVB) a analysé le projet de loi à l’examen en toute neutralité. Son analyse a porté sur la logique, l’équilibre du texte, la cohérence et la lisibilité. En effet, les avocats assistent aussi bien les auteurs que les victimes. C’est à partir de cette analyse que l’OVB a formulé ses observations à propos des conditions d’application insérées dans la qualification de l’inceste, notamment la diffusion des images et le voyeurisme. L’OVB ne porte pas de jugement, mais attire simplement l’attention sur les conséquences des choix opérés. La qualification vise principalement à protéger le mineur dans un contexte intrafamilial. Il convient d’éviter le risque lié à la narration du traumatisme chez l’enfant, qui, d’après les connais­ sances scientifiques disponibles, produit les mêmes effets à long terme qu’un traumatisme effectivement vécu. En ce qui concerne la décriminalisation du travail du sexe, l’oratrice souligne l’importance de la définition de la débauche. Elle estime que le problème de l’accès à un avocat n’est pas lié à la décriminalisation. En ce qui concerne les victimes de toute infraction, il convient de distinguer l’accès à l’aide de deuxième ligne, d’une part, de l’accès direct à un avocat, d’autre part. La plupart des personnes peuvent également faire appel à une assurance protection juridique, étant entendu que cette dernière exclut parfois le préjudice moral, par exemple. Cependant, plusieurs victimes sont laissées pour compte et il convient d’y remédier. M. Tom Bauwens revient sur l’article 5 du projet de loi et précise que l’absence de consentement est clairement établie en cas de violences et qu’elle l’est tout autant lorsque l’acte à caractère sexuel a été commis au préju­ dice d’une personne qui se trouve dans une situation de vulnérabilité qui altère son libre arbitre. L’orateur estime que l’énumération des causes altérant le libre arbitre dans la disposition légale n’apporte toutefois aucune plus-value et élargit au contraire le débat, laissant bien trop de marge à la casuistique. En cas de procès, tout avocat invoquera dès lors des études scientifiques démontrant, par exemple, que l’ecstasy ou la cocaïne n’a aucune incidence en la matière. L’orateur appelle le législateur à se cantonner à l’essentiel, estimant que le juge doit pouvoir statuer librement. Il ne peut être porté atteinte à la présomption d’inno­ cence. La charge de la preuve ne peut pas être renversée. Toutefois, le législateur peut néanmoins veiller à éviter 163 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E manier artikelen te omschrijven, ervoor zorgen dat dis­ cussies worden voorkomen. Alleen op die manier kunnen veroordelingen door het EHRM worden voorkomen. Er zijn in de ons omringende Europese landen op het vlak van het seksueel strafrecht wetswijzigingen geweest die naderhand moesten worden aangepast omdat werd afgestevend op een omkering van de bewijslast. De spreker merkt op dat in de realiteit het aan de dader is bepaalde zaken te bewijzen. In een strafzaak moet niet het slachtoffer, maar het openbaar ministerie de feiten bewijzen. Het openbaar ministerie moet al tijdens het onderzoek zijn werk doen; de spreker stelt evenwel vast dat dit door een gebrek aan middelen niet altijd het geval is. Om de een of andere stelling te ondersteunen, wordt er voorts ook langs alle kanten met cijfers en percenta­ ges over seksuele delinquentie gegoocheld. De spreker merkt op dat alleen de cijfers verstrekt door het NICC niet ter discussie staan. Die cijfers mogen volgens de heer Bauwens evenwel niet dienen als argument om het vermoeden van onschuld om te draaien. Inzake de problematiek van de seksuele minderjarig­ heid, de leeftijdsgrenzen en de vereiste van een leef­ tijdsverschil tussen minderjarigen, bedenkt de spreker dat hij in zijn jeugd zelf in een “misdadige” situatie heeft verkeerd. Het is dan ook geen gemakkelijke problema­ tiek. Hij stelt vast dat sommigen bij deze problematiek ook die van de prostitutie betrekken, wat evenwel van een totaal andere orde is. Hij pleit er dan ook voor deze twee problematieken niet met elkaar in debat te brengen; het zijn immers twee totaal verschillende concepten. Er is volgens de heer Bauwens geen samenloop van misdrijven, toch niet op de manier zoals een vorige spre­ ker het heeft uitgelegd. Er is immers een groot verschil in de strafmaat. De spreker acht het geenszins logisch dat de strafmaat voor voyeurisme tot 20 jaar kan gaan, terwijl seksuele handelingen met kinderen worden bestraft met een straf van 5 tot 10 jaar. De spreker pleit dan ook voor een zekere coherentie. Persoonlijk verwacht hij dat politici de moed hebben om te erkennen dat ze destijds, naar aanleiding van een arrest van het Hof Van Cassatie en de nieuwsberichten ter zake, steekvlamwetgeving heb­ ben ingevoerd. Een aanpassing was destijds inderdaad vereist. Zoveel jaren later worden de straffen echter op een rij gezet en komen discrepanties aan het licht die redelijkerwijze niet kunnen worden verklaard. Hij roept de politici dan ook op om collectief hun politieke ver­ antwoordelijkheid op te nemen en in het licht van het nieuwe Strafwetboek de excessen die er in de ene of andere zin zijn, weg te werken. certaines discussions en formulant les articles d’une certaine manière. C’est la seule façon de pouvoir éviter des condamnations par la CEDH. Dans les pays euro­ péens qui nous entourent, des modifications législatives en matière de droit pénal sexuel ont dû être modifiées après leur adoption car elles allaient dans le sens du renversement de la charge de la preuve. L’orateur fait observer que dans la pratique, il incombe à l’auteur de prouver certaines choses. Dans les affaires pénales, ce n’est pas la victime mais bien le ministère public qui doit prouver les faits. Le ministère public est déjà tenu d’effectuer son travail au cours de l’enquête. L’orateur constate que, faute de moyens, ce n’est toutefois pas toujours le cas. Pour soutenir l’une ou l’autre thèse, des chiffres et des pourcentages relatifs à la délinquance sexuelle peuvent également être invoqués de toutes parts. L’orateur fait observer que seuls les chiffres fournis par l’INCC sont indiscutables. M. Bauwens estime que ces chiffres ne peuvent cependant pas servir d’argument pour justifier le renversement de la présomption d’innocence. En ce qui concerne la problématique de la minorité sexuelle, les limites d’âge et l’exigence relative à la différence d’âge entre mineurs, l’orateur indique qu’il s’est lui-même trouvé, dans sa jeunesse, dans une situation “délictueuse”. Cette problématique n’est donc pas simple. Il constate que d’aucuns associent égale­ ment cette problématique à celle de la prostitution, qui relève toutefois d’une autre catégorie. Il préconise donc de ne pas enchevêtrer ces deux problématiques dans le même débat, car il s’agit de deux notions totalement différentes. Selon M. Bauwens, il n’est pas question de concours d’infractions, du moins pas dans les termes évoqués par un orateur précédent. Il existe en effet de grandes différences en ce qui concerne les peines. L’intervenant estime illogique que la peine pour voyeu­ risme puisse aller jusqu’à 20 ans, alors que les actes sexuels commis sur des enfants sont punis d’une peine de 5 à 10 ans. L’intervenant plaide donc pour une certaine cohérence. À titre personnel, il attend des politiques qu’ils aient le courage de reconnaître qu’à l’époque, à la suite d’un arrêt de la Cour de cassation et des reportages diffusés à ce sujet, ils ont instauré une législation au lance-flammes. Un changement s’imposait en effet à l’époque. Mais, tant d’années plus tard, lorsque l’on met les peines côte à côte, on constate des divergences qui ne peuvent être raisonnablement expliquées. Il appelle donc les politiques à assumer collectivement leur res­ ponsabilité politique et, dans le cadre du nouveau Code pénal, à éliminer les excès qui s’y trouvent dans un sens ou dans l’autre. 2141/006 DOC 55 164 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat de opmerking van seksuele misdrijven in de medische sector betreft, roept hij de politici op om niet opnieuw tot situationele wetgeving te komen, terwijl het net de bedoeling van de expertencommissie van het nieuwe Strafwetboek is om te komen tot een kernwet­ boek. Hij roept de aanwezigen ertoe op vertrouwen te hebben in de rechtspraak. Inzake “het belang van de woorden” vraagt de spreker niet te vervallen in symbolisme. Waarom bijvoorbeeld bij voyeurisme als verzwarende omstandigheid zwan­ gerschap opnemen? Volgens het lid is zulks daar niet op zijn plaats. Mevrouw Astrid Bedoret komt terug op de verwij­ dering. Ze kan zich vinden in de bepaling ter zake in zoverre de verwijdering als een straf wordt opgevat. De heer Bauwens wil echter dat verwijdering nadere strafuitvoeringsregel blijft. Die bepaling zou nochtans een wezenlijke verandering teweeg kunnen brengen. De heer Tom Bauwens verduidelijkt dat een straf onmiddellijk na de uitspraak wordt uitgevoerd; dat zou eveneens het geval zijn wanneer de verwijdering als een straf wordt opgevat. De dader zit in de gevangenis; de verwijderingsmaatregel wordt effectief uitgevoerd zolang hij gedetineerd is. Wanneer hij wordt vrijgelaten, werd de verwijderingsstraf bijgevolg wel degelijk uitge­ voerd. Wat is in dat geval dan de meerwaarde van de verwijderingsbepaling? Mevrouw Astrid Bedoret wijst erop dat niet alle ver­ oordeelden in de gevangenis belanden. In de huidige stand van zaken kan een rechter een agressor geen contactverbod jegens zijn slachtoffer opleggen. Indien een dader aan een gevangenisstraf ontkomt, kan het slachtoffer niet worden gewaarborgd dat het in veilig­ heid is. De heer Tom Bauwens bevestigt dat aan een probatie- uitstel voorwaarden kunnen worden gekoppeld. Mevrouw Saskia Kerkhofs steunt het betoog van de heer Bauwens en voegt eraan toe dat een rechter de dader het verbod kan opleggen om in de buurt van zijn slachtoffer te komen of naast een school te gaan wonen. Bij probatie-uitstel worden die voorwaarden vaak bijkomend opgelegd. Mevrouw Miriam Ben Jattou komt terug op het leef­ tijdsverschil van twee jaar voor relaties tussen minder­ jarigen. Die limiet is inderdaad willekeurig; het is moeilijk ter zake een standpunt in te nemen. Volgens haar is een leeftijdsverschil van twee jaar aanvaardbaar; het mag echter niet meer dan vijf jaar bedragen. En ce qui concerne l’observation relative aux infrac­ tions sexuelles dans le secteur médical, il demande aux politiques de ne pas instaurer à nouveau une législation situationnelle alors que la commission d’experts du nouveau Code pénal a précisément l’intention d’élaborer un code de base. Il demande aux personnes présentes d’avoir confiance dans la justice. Sur la question de “l’importance des mots”, l’interve­ nant demande de ne pas tomber dans le symbolisme. Pourquoi, par exemple, inclure la grossesse comme circonstance aggravante pour le voyeurisme? Selon le membre, cela n’a pas sa place ici. Mme Astrid Bedoret revient sur l’éloignement. Elle est favorable à cette disposition d’éloignement si elle est considérée comme une peine. Or, M. Bauwens voudrait que cela reste une modalité de l’exécution de la peine. Cependant, cette disposition pourrait amener un changement fondamental. M. Tom Bauwens précise que quand l’éloignement est considéré comme étant une peine, dès que l’arrêt est prononcé, la peine est exécutée. L’auteur des faits est en prison et donc la mesure d’éloignement est effective lorsqu’il est en prison. Dès qu’il sort de cette dernière, la peine d’éloignement a donc bien été exécutée. Quel est l’avantage de la disposition d’éloignement dans ce cas? Mme Astrid Bedoret rappelle que tous les condamnés ne passent pas par la case “prison”. Aujourd’hui, une interdiction de contact entre l’agresseur et la victime ne peut pas être prononcée par un juge. Si quelqu’un échappe à la prison, on ne permet pas à la victime de garantir qu’elle va vivre en sécurité. M. Tom Bauwens affirme que des conditions peuvent être assorties à un sursis probatoire. Mme Saskia Kerkhofs appuie la démonstration de M. Bauwens en ajoutant qu’un juge interdit d’approcher la victime ou de se domicilier à côté d’une école. Ces conditions sont souvent complémentaires à ces sursis. Mme Miriam Ben Jattou répond à propos de la limite d’âge fixée à deux ans dans le cadre de relations. Cette limite est effectivement arbitraire et il est difficile de se positionner. Elle pense que deux ans est correct mais qu’il ne faut pas aller au-delà de cinq ans. 165 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Aangaande de definitie van incest schaart mevrouw Ben Jattou zich achter het betoog van de heer Aouasti dat incest altijd een afwezigheid van toestemming veron­ derstelt; het betreft een niet-consensuele handeling. Volgens mevrouw Ben Jattou is het een fabeltje dat er zoiets als consensuele incest zou bestaan, zelfs in het geval van + 18-jarigen. Er is altijd geweld mee gemoeid. Waarom spreekt men bij gevallen van incest die na de leeftijd van 18 jaar beginnen, over “intrafamiliaal geweld” in plaats van over “incest”? Voor het therapeutische herstel van de slachtoffers is die erkenning van belang. Wat de definitie van toestemming betreft, voegt me­ vrouw Ben Jattou eraan toe dat niet zozeer de hoe­ veelheden alcohol of drugs belangrijk zijn, maar wel de toestand van kwetsbaarheid waarin men zich, afhankelijk van persoon tot persoon, al bij een “lage” dosis alcohol kan bevinden. Het komt de rechter toe de toestand van kwetsbaarheid te bewijzen. De spreekster stelt voor aan de lijst met situaties waarin men ervan uit kan gaan dat er geen toestemming is, gewoon te doen voorafgaan door de woorden “onder meer”, om duidelijk te maken dat het een niet-uitputtende opsomming betreft. Zodra de geloofwaardigheid van het slachtoffer is aangetoond en alle bewijselementen aanwezig zijn, mag er volgens mevrouw Ben Jattou geen twijfel zijn, want zulks speelt in de kaart van de beschuldigde. Indien men echter ruimte wil laten voor twijfel, moet men de magistraten zo opleiden dat ze geen enkele twijfel heb­ ben. De spreekster geeft aan dat men het beeld dat alle seksuele delinquenten monsters zijn, moet bijstellen. Het gros van de seksuele delinquenten zijn schitterende echtgenoten, leraren, collega’s en zeer goede schrijvers… Dat doet echter niets af aan het feit dat het seksuele delinquenten zijn. Mevrouw Ben Jattou denkt dat men af moet van het beeld dat men van seksuele delinquenten heeft; op die manier zou men ook het probleem van de twijfel kunnen oplossen. Wat de coherentie van de strafmaat betreft, pleit me­ vrouw Ben Jattou ervoor de strafmaat voor misdrijven inzake kinderporno opwaarts bij te stellen. De thans uitgesproken straffen lijken haar onvoldoende. Met betrekking tot de samenloop van de misdrijven van verkrachting en verspreiding van niet-consensuele beelden geeft mevrouw Ben Jattou het voorbeeld van iemand die beelden doorstuurt die met toestemming lijken te zijn gemaakt, terwijl het slachtoffer geen toestemming heeft gegeven en het in feite om een verkrachting gaat. De verspreider wordt in dat geval even zwaar gestraft Pour ce qui est de la définition de l’inceste, Mme Ben Jattou appuie la démonstration de M. Aouasti affir­ mant que l’inceste suppose toujours une absence de consentement. On parlera d’acte non-consensuel. En pratique, Mme Ben Jattou affirme que l’inceste consenti est un leurre, même dans le cas de personnes de plus de 18 ans. Il y a toujours violence. Si des incestes démarrent après 18 ans, pourquoi ne les nomme-t-on pas “inceste” au lieu de “violences intrafamiliales”? Pour la réparation thérapeutique des victimes, ce type de reconnaissance est important. Sur la définition du consentement, Mme Ben Jattou ajoute que ce n’est pas tellement les quantités d’alcool ou de drogues qui sont importantes mais bien l’état de vulnérabilité qui peut commencer, selon les per­ sonnes, avec des doses d’alcool considérées comme faibles. Il appartient au juge de démontrer la situation de vulnérabilité. À propos de la liste des situations où l’on peut consi­ dérer qu’il n’y a pas de consentement et de son exhaus­ tivité, l’oratrice suggère d’ajouter simplement le mot “notamment” avant l’énumération de ces situations rendant ainsi le caractère non-exhaustif évident. Mme Ben Jattou estime qu’à partir du moment où la crédibilité de la victime est apportée et où tous les éléments de preuve sont présents, le doute ne devrait pas prévaloir car le doute va profiter à l’accusé. Si on veut cependant que le doute reste une option, il faut former les magistrats de telle manière à ce qu’ils n’aient aucun doute. L’oratrice estime qu’il faut sortir de l’image que les criminels sexuels sont tous des monstres. La majorité des criminels sexuels sont d’excellents maris, d’excellents professeurs, d’excellents collègues de travail et de très bons auteurs de bouquins… Cela n’empêche cependant pas que ce sont des criminels sexuels. Mme Ben Jattou pense qu’il faut déconstruire l’image que l’on a d’un criminel sexuel car cela pourrait résoudre la question du doute. Pour répondre à la question relative à la cohérence des peines, Mme Ben Jattou milite pour qu’on revoie à la hausse les peines liées à la pédopornographie. Les peines actuellement prononcées lui paraissent insuffisantes. À propos du concours entre le viol et la diffusion d’images non consensuelles, Mme Ben Jattou évoque la transmission par quelqu’un d’images qui ont l’air d’être consensuelles alors qu’il n’y avait pas de consentement de la victime et qu’il s’agissait d’un viol, on condamnera ce transmetteur avec des peines aussi lourdes que celles appliquées au violeur. Si on ne sait pas qu’il s’agit d’un 2141/006 DOC 55 166 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E als de verkrachter. Indien men niet weet dat het om een verkrachting gaat en indien de beelden niet bij afwezig­ heid van toestemming lijken te zijn gemaakt, geldt een specifieke strafbaarstelling. De heer Bauwens mag dan wel terecht aangeven dat het parket de bewijzen moet aanleveren, maar volgens mevrouw Ben Jattou zijn het in de praktijk de slachtof­ fers die de bewijzen aandragen die vervolgens door het parket worden gebruikt. Mevrouw Ben Jattou zou het appreciëren dat de politie en de magistraten veel meer middelen krijgen om bewijslast te verzamelen, maar uit de praktijk blijkt dat de slachtoffers die bewijzen moeten leveren. Mevrouw Ben Jattou is het niet eens met me­ vrouw Kerkhofs’ betoog met betrekking tot het oudervers­ totingssyndroom. Ze acht die theorieën, die internationaal niet worden erkend, hoegenaamd niet wetenschappelijk bewezen. Inzake medisch geweld begrijpt mevrouw Ben Jattou tot slot dat men deze gevallen niet als dusdanig in het Strafwetboek mag opnemen. Niettemin vraagt ze zich af waarom men ze specifiek uit het voorliggende wets­ ontwerp zou moeten weren. Het is vooral belangrijk dat men dergelijke kwesties niet uit de weg gaat. viol et que les images n’ont pas l’air d’être non consen­ suelles, intervient alors une incrimination spécifique. Si M. Bauwens a raison d’affirmer que c’est le parquet qui doit apporter les preuves, Mme Ben Jattou rappelle que, pratiquement, ce sont les victimes qui apportent les preuves qu’utilisera le parquet. Mme Ben Jattou précise qu’elle apprécierait que les moyens de la police et des magistrats soient fortement étendus pour aller chercher ces preuves, mais, dans la pratique, ce sont les victimes qui doivent apporter ces preuves. Mme Ben Jattou n’est pas d’accord avec la démonstra­ tion d’aliénation parentale présentée par Mme Kerkhofs. Elle estime ces théories totalement infondées sur le plan scientifique et elles ne sont pas reconnues internationalement. Enfin, à propos des violences médicales, si Mme Ben Jattou comprend qu’il ne faut pas les inclure telles quelles dans le Code pénal, elle se demande pourquoi il faudrait les exclure spécifiquement du projet ici présent. Il s’agit surtout de ne pas éluder ces questions. 167 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E B. Hoorzitting van 19 oktober 2021 met mevrouw Sandrine Cnapelinckx en de heer Charles-Eric Clesse, respectievelijk managing director en bestuurslid van de stichting Samilia, met mevrouw Sarah De Hovre en de heer Christian Meulders, vertegenwoordigers van PPag-Asa/Payoke/Sürya, met mevrouw Sylvie Lausberg, voorzitster van de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB), met mevrouw Liesbet Stevens, hoogleraar aan de KU Leuven en adjunct-directrice van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM), alsook met mevrouw Herlindis Moestermans, vertegenwoordigster van de Vrouwenraad (ochtendzitting) 1. Procedure Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitster verzoekt de gastsprekers om deze vragen te beantwoorden. Alle gastsprekers antwoorden achtereenvolgens ontkennend op elke vraag. 2. Inleidende uiteenzettingen a. Uiteenzetting van mevrouw Sandrine Cnapelinckx en de heer Charles-Eric Clesse, respectievelijk managing director en bestuurslid van de stichting Samilia De heer Charles-Eric Clesse, bestuurslid van de stichting Samilia, stelt vast dat het voorliggende wetsont­ werp niet strookt met bepaalde internationale verdragen. Hij merkt op dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het de bedoeling is ervoor te zorgen dat de Belgische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de rechtspraak en met de internationale verdragen. In tegenspraak daarmee wordt echter geen melding gemaakt van de Overeenkomst ter bestrijding van de handel in mensen en van de exploitatie van eens anders prostitutie (VN, New York 1950). Die overeen­ komst werd geratificeerd door België en verbiedt elke B. Audition du 19 octobre 2021 de Mme Sandrine Cnapelinckx, managing director, et M. Charles- Eric Clesse, membre du conseil d’administration, Fondation Samilia; Mme Sarah De Hovre et M. Christian Meulders, représentants de Pag-Asa/ Payoke/Sürya; Mme Sylvie Lausberg, présidente du Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB); Mme Liesbet Stevens, professeure à la KU Leuven et directrice adjointe de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) et de Mme Herlindis Moestermans, représentante du “Vrouwenraad” (réunion du matin) 1. Procédure Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la Commission de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du règlement de la Chambre: “En cas d’auditions […] il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion, et le cas échéant, par quelle instance.”. La présidente invite les orateurs à répondre à ces questions. Les orateurs invités répondent successivement aux questions par la négative. 2. Exposés introductifs a. Exposé de de Mme Sandrine Cnapelinckx, managing director, et M. Charles-Eric Clesse, membre du conseil d’administration, Fondation Samilia M. Charles-Eric Clesse constate que le projet de loi discuté ne respecte pas certaines conventions interna­ tionales. Il souligne la contradiction entre un texte qui, dès l’exposé des motivations, poursuit l’objectif de placer la Belgique en situation de conformité avec la jurispru­ dence et les conventions internationales, tout en omet­ tant d’emblée de citer la Convention pour la répression de la traite des êtres humains et de l’exploitation de la prostitution d’autrui (New York, ONU, 1950), ratifiée par la Belgique, qui prohibe toute forme de prostitution, qu’elle qu’en soit la forme. L’intervenant constate l’importante différence avec des pays comme l’Allemagne, la Suisse 2141/006 DOC 55 168 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vorm van prostitutie. De spreker stelt een groot verschil vast met landen die vaak als voorbeeld worden aange­ haald, zoals Duitsland, Zwitserland of Nederland, die de overeenkomst van New York niet hebben geratificeerd. Volgens de spreker is het voorliggende wetsont­ werp ook strijdig met andere internationale verdragen, zoals het Verdrag inzake de uitbanning van alle vor­ men van discriminatie van vrouwen. Dat verdrag werd in 1979 aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, werd in 1985 door België geratificeerd en verplicht de ondertekenende landen ertoe alle nodige maatregelen te treffen om prostitutie uit te bannen. De heer Clesse wijst er voorts op dat het voorliggende wetsontwerp niet strookt met het in 2013 door België geratificeerde Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik (het Verdrag van Lanzarote), dat een beschermingsplicht jegens de kinderen omvat. De spreker geeft aan dat het begrip toestemming complex is wanneer een land de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid dusdanig bepaalt dat kinderprostitutie de facto wordt uitgesloten, wetende dat een minderjarige nooit toestemming kan verlenen. Volgens het in het jaar 2000 te Palermo geratificeerde Aanvullend Protocol inzake de preventie, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrou­ wenhandel en kinderhandel, bij het Verdrag van de Verenigde Naties tegen transnationale georganiseerde misdaad, moet ook een situatie waarin jegens het kind op geen enkele wijze gebruik wordt gemaakt van licha­ melijke of geestelijke dwang, worden beschouwd als mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, zo stelt de heer Clesse. De spreker meent dat het voorlig­ gende wetsontwerp ook strijdig is met die bepaling uit het internationale recht. Mevrouw Sandrine Cnapelinckx, managing director van de stichting Samilia, betreurt dat in het wetsontwerp een onderscheid wordt gemaakt tussen minderjarigen jonger en ouder dan zestien jaar. Volgens de spreekster leidt dat onderscheid tot een radicale wijziging van de elementen die het misdrijf jegens minderjarigen ouder dan zestien jaar vormen. Het morele aspect van het misdrijf en het feit dat men een fout begaat door een minderjarige ouder dan zestien jaar aan te zetten tot prostitutie, wordt dus uitgebreid met de vereiste dat sprake moet zijn van algemeen opzet, en zelfs van bijzonder opzet, wanneer met het oog op die doelstelling een ruimte ter beschikking wordt gesteld. De spreekster merkt bovendien op dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat ten ou les Pays-Bas, souvent cités en exemple, qui eux n’ont pas ratifié cette convention de New York. Pour l’orateur, le texte étudié est également en contra­ diction avec d’autres conventions internationales. C’est le cas de la Convention sur l’élimination de toute forme de discrimination à l’égard des femmes, adoptée par l’Assemblée générale des Nations Unies en 1979 et ratifiée par la Belgique en 1985, qui impose aux États signataires de prendre toutes les mesures nécessaires afin d’éliminer la pratique de la prostitution. M. Clesse évoque encore la contradiction entre le projet étudié et la Convention du Conseil de l’Europe sur la protection des enfants contre l’exploitation et les abus sexuels (Convention de Lanzarote), ratifiée par la Belgique en 2013, qui impose de protéger l’enfant. L’intervenant fait part de la complexité de la notion de consentement lorsqu’un État détermine l’âge de la majorité sexuelle qui exclut de facto la prostitution enfan­ tine à laquelle un mineur ne saurait jamais consentir. Selon M. Clesse, le Protocole additionnel à la Convention des Nations Unies contre la criminalité transnationale organisée visant à prévenir, réprimer et punir la traite des personnes, en particulier des femmes et des enfants, ratifié à Palerme en 2000, qualifie de traite à des fins d’exploitation sexuelle une situation dans laquelle il n’est fait appel à aucun moyen de coercition physique ou mental à l’encontre de l’enfant. Selon l’orateur, cette disposition du droit international peut également être opposée au texte actuellement en discussion. Mme Sandrine Cnapelinckx regrette la distinction opérée dans le projet de loi entre les mineurs de plus ou moins de seize ans. Selon l’intervenante, cette diffé­ renciation modifie radicalement les éléments constitutifs de l’infraction à l’encontre des mineurs de seize ans ou plus. L’élément moral ou fautif de l’infraction, à savoir le recrutement d’un mineur de plus de seize ans à des fins de prostitution, est donc alourdi par l’exigence d’un dol général, voire d’un dol spécial en cas de mise à disposition d’un local à cette fin. En outre, l’oratrice relève que l’exposé des motifs stipule que des adapta­ tions substantielles sont introduites par rapport au texte initial alors que cette modification n’est en rien motivée. Mme Cnapelinckx fait référence aux travaux préparatoires 169 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E opzichte van de aanvankelijke formulering wezenlijke aanpassingen werden aangebracht, maar dat die wijziging geenszins wordt gemotiveerd. Mevrouw Cnapelinckx verwijst naar de parlementaire voorbereiding van het vervallen wetsvoorstel van 13 maart 2019 tot hervorming van onder meer boek 1 van het Strafwetboek. Daarin wordt namelijk een onderscheid gemaakt tus­ sen de diverse graden van laakbaar gedrag in verband met het misdrijf en wordt verduidelijkt dat het algemeen opzet jegens minderjarigen van zestien jaar of ouder erin bestaat dat de dader van de feiten willens en wetens de strafbare daden pleegt. Concreet moeten het slachtoffer of het openbaar ministerie kunnen aantonen dat de dader er wel degelijk van op de hoogte was dat het slachtoffer minderjarig was. Volgens de spreekster leidt die situ­ atie in de feiten tot een volstrekte straffeloosheid voor de mensenhandelaars, zodra het slachtoffer de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, terwijl de tekst een vlot­ ter aan te tonen schuldbestanddeel in aanmerking had kunnen nemen, zoals het “ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Mevrouw Cnapelinckx herinnert er ook aan dat de in het wetsontwerp opgenomen mogelijkheid dat een minderjarige van zestien jaar of ouder toestemming kan geven, strijdig is met de internationale verdragen, want die stellen voortaan dat een minderjarige in geen enkel geval kan instemmen met eender welke vorm van seksuele uitbuiting. Zij stelt daarenboven vast dat de voorliggende tekst een ondergraving vormt van het huidige stelsel, dat alle minderjarigen beschermt tegen elke vorm van seksuele uitbuiting. De spreekster verduidelijkt dat de artikelen 417/28, 29, 33 en 34, betreffende het werven van minderjarigen en de exploitatie van de ontucht of van de prostitutie van minderjarigen ouder of jonger dan zestien jaar, qua strafbaarstelling in feite een onderscheid creëren tussen de prostitutie en de seksuele uitbuiting van die minderjarigen. Mevrouw Cnapelinckx is van oordeel dat ook dat aspect volledig in tegenspraak is met de internationale verdragen inzake de rechten van het kind. Tot slot vindt de spreekster het jammer dat de invoeging van het oogmerk “de bevrediging van andermans drif­ ten” niet nodig werd geacht, daar dat bijzonder opzet gemakkelijker kan worden bewezen dan het algemeen opzet dat door de nieuwe ter bespreking voorliggende tekst wordt ingevoerd. De heer Charles-Eric Clesse gaat in op het “abnor­ maal profijt”. Hoewel dat begrip grondwettelijk wordt bekrachtigd via artikel 433 van het Strafwetboek en via de arresten van het Grondwettelijk Hof, blijft de juridische toepassing ervan erg moeilijk. De spreker benadrukt dat de rechter soeverein zal moeten beslissen of er sprake de la proposition de loi non votée du 13 mars 2019 portant réforme, notamment, du Livre Ier du Code pénal. Ceux-ci distinguent différents degrés d’éléments fautifs liés à l’infraction et précisent que le dol général, pour les mineurs de seize ans ou plus, consiste en la volonté délibérée en toute connaissance de cause de l’auteur des faits d’adopter le comportement incriminé. Concrètement, la victime ou le ministère public doivent pouvoir prouver que l’auteur était bien au courant du fait que la victime était mineure. Selon l’oratrice, cette situation implique de facto une impunité totale pour les trafiquants une fois que la victime a atteint l’âge de seize ans, alors que le texte aurait pu retenir un élément fautif plus léger à démontrer comme le “défaut grave de prévoyance et de précaution”. Mme Cnapelinckx rappelle également que la notion de consentement d’un mineur de seize ans ou plus est introduite dans le texte, en opposition aux textes des conventions internationales qui considèrent désormais qu’un mineur ne peut en aucun cas consentir à toute forme d’exploitation sexuelle. Elle constate encore que le texte étudié démantèle le régime actuel qui protège tous les mineurs de toute forme d’exploitation à des fins sexuels. L’intervenante précise que les articles 417-28, 29, 33 et 34, relatifs au recrutement de mineurs et à l’exploi­ tation de la débauche ou de la prostitution de mineurs de plus ou moins de seize ans, érigent en fait la prostitution de ceux-ci en infraction distincte de l’exploitation sexuelle. Mme Cnapelinckx considère que cette situation est également en totale contradiction avec les conventions internationales relatives aux droits de l’enfant. L’oratrice termine en regrettant la qualification de non-utilité de la notion de satisfaction des passions d’autrui, alors que ce dol spécial s’avère davantage aisé à prouver que le dol général introduit par le nouveau texte en discussion. M. Charles-Eric Clesse revient sur la notion de profit anormal. Selon lui, si l’expression est validée constitu­ tionnellement par l’article 433 du code pénal et par des arrêts de la Cour constitutionnelle, elle n’en reste pas moins très compliquée à mettre en œuvre juridiquement. L’orateur souligne que c’est le juge qui sera amené 2141/006 DOC 55 170 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E is van “abnormaal profijt”, daar in de wet niet wordt ver­ duidelijkt wat daaronder moet worden verstaan en daar de omschrijving ervan per definitie onmogelijk is. Voorts vreest de spreker dat als gevolg van die interpretatie­ moeilijkheden de openbare aanklager van vervolging zal afzien, daar de vaststelling van de elementen die de strafbaarstelling vormen, niet de nodige hefboom biedt om vervolging in te stellen tegen de pooiers die met hun activiteiten “abnormaal geachte winsten” boeken. Voorts verbaast het de heer Clesse dat de nieuwe bepalingen bedoeld in artikel 433quater/5 zeker gevallen van mensenhandel betreffen, terwijl dat nieuwe artikel erg op de vorige versie van artikel 433quinquies lijkt. De spreker is van oordeel dat een vervolging door de openbare aanklager op grond van de nieuwe versie in plaats van op grond van artikel 433quinquies ertoe zal leiden dat de gespecialiseerde vzw’s geen hulp mogen bieden aan een slachtoffer dat geen aanspraak maakt op de door de Europese richtlijnen verleende rechten. De spreker vindt het ook jammer dat het sociaal sta­ tuut van de sekswerker niet aan bod komt, terwijl die activiteit door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in arresten van het Hof van Cassatie in België als een beroepsbezigheid wordt er­ kend. Indien dienaangaande inderdaad een wetsontwerp wordt voorbereid door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, roept de spreker ertoe op de beide wetsontwerpen met elkaar te verbinden. De heer Clesse gaat vervolgens in op twee belangrijke wetswijzigingen die moeten worden doorgevoerd om de prostituees te beschermen: — een wijziging van artikel 14 van de wet van 3 juli 1978. Daarin wordt bepaald dat de nietigheid van de overeenkomst niet kan worden ingeroepen ten aan­ zien van de rechten van de prostituees; — voor de zelfstandige prostituees, een uitbreiding van de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, door gebruik te maken van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, teneinde toegang te verlenen tot een volledige sociale dekking. Tot slot uit de spreker zijn bezorgdheid over de moge­ lijke maatschappelijke aanvaarding van een zogenaamde lightversie van uitbuiting, wanneer men van oordeel is dat er geen sprake is van “abnormaal profijt”. Volgens de heer Clesse bestaat het risico dat de Europese richtlijnen betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten zouden kunnen worden toegepast. In de praktijk kan à décider souverainement si la qualification de profit anormal est de mise car la notion n’est pas précisée dans la loi et est d’ailleurs par définition indescriptible. L’intervenant craint d’ailleurs que la difficulté de l’interpré­ tation entraîne une absence de poursuite par le ministère public, tant la détermination des éléments constitutifs de l’incrimination risque d’empêcher la poursuite des proxénètes qui dégagent des profits jugés anormaux de leurs activités. En outre, M. Clesse s’étonne que les nouvelles dis­ positions visées par l’article 433quater/5 concernent certainement des cas de traite des êtres humains alors que ce nouvel article est fort proche de la version précé­ dente de l’article 433quinquies. L’orateur estime qu’une poursuite du ministère public sur la base de la nouvelle version, plutôt que sur celle de l’article 433quinquies, empêchera une victime, dépourvue des droits conférés par les directives européennes, d’être aidée par les ASBL spécialisées. L’intervenant regrette encore que le statut social du travailleur du sexe ne soit pas abordé, alors que cette activité est reconnue comme un emploi par la jurispru­ dence de la Cour de justice de l’Union européenne et par des arrêts de la Cour de cassation en Belgique. Si un projet de loi à ce sujet est bien à l’étude auprès du SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, l’orateur lance un appel à la mixité des deux projets. M. Clesse poursuit par l’évocation de deux modifi­ cations législatives importantes à mener à bien pour protéger les prostituées: — une modification de l’article 14 de la loi du 3 juil­ let 1978 qui précise que la nullité de contrat ne peut être opposée aux prostituées; — pour les prostituées indépendantes, une extension de l’application de la loi du 27 juin 1969 sur la sécurité sociale, par le truchement de l’article 3 de l’arrêté royal du 28 novembre 1969, afin de permettre l’accès à une couverture sociale complète. Pour terminer, l’intervenant exprime ses craintes en cas d’acceptation sociétale d’une exploitation light dès lors que l’on estime qu’il n’y a pas de profit anor­ mal enregistré. M. Clesse souligne le risque de voir les directives européennes relatives aux services et détachements appliquées. Dans les faits, l’impossibilité de vérification de leur statut d’indépendante, ou d’une exploitation préalable dans leur pays d’origine, peut 171 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de onmogelijkheid om het statuut van zelfstandige of een voorafgaande uitbuiting in het land van herkomst te verifiëren, de totstandkoming van een systeem van uitbuiting met legale terbeschikkingstelling van buiten­ landse prostituees in België in de hand werken. Mevrouw Sandrine Cnapelinckx benadrukt tot slot dat de tekst in zijn huidige vorm tot situaties kan lei­ den waarbij honderden meisjes uit het oosten die het slachtoffer van mensenhandelnetwerken zijn en die in “puticlubs”, dat wil zeggen megabordelen, verblijven die als kosthuis worden gebruikt, uiteraard zonder enige sociale dekking, worden uitgebuit, zoals het geval is in de streek rond La Jonquera in Spanje. b. Uiteenzetting van mevrouw Sarah De Hovre, vertegenwoordigster van Pag-Asa/Payoke/Sürya Mevrouw Sarah De Hovre herneemt uit de schriftelijke nota die aan de commissie werd overgezonden de volgende krachtlijnen en verwijst voor het overige naar de betreffende nota. De kernvraag bij lezing van het ter bespreking voorlig­ gende wetsontwerp luidt als volgt: welke gevolgen zullen de voorgestelde aanpassingen hebben op de strijd tegen mensenhandel, de slachtoffers en hun toegang tot de bijzondere beschermingsprocedure en hulpverlening? De definitie van mensenhandel wordt duidelijk opgeno­ men in de huidige artikelen 433quinquies en 433septies van het Strafwetboek (verzwarende omstandigheden). Mensenhandel omvat een handeling (het werven, ver­ voeren, overbrengen, huisvesten van een persoon) en een doel (die persoon financieel en materieel uitbuiten). Het maakt daarbij niet uit of het slachtoffer heeft toege­ stemd noch of de uitbuiter gebruik heeft gemaakt van dwang, bedreiging of geweld. Deze factoren worden wel als verzwarende omstandigheden beschouwd. In het licht van deze definitie wordt duidelijk dat de nieuwe artikelen in wetsontwerp DOC 2141/001 verwar­ ring zullen veroorzaken. De begeleidingscentra voor slachtoffers van mensen­ handel helpen elk jaar meer dan vijfhonderd mensen op weg naar een nieuw en beter leven. De slachtoffers heb­ ben enkel toegang tot deze beschermingsprocedure op basis van een erkenning door politie en parket. Als politie en parket bepaalde feiten niet langer als mensenhandel kwalificeren maar als misbruik van prostitutie, zullen de slachtoffers niet worden ingelicht en geen toegang krijgen tot de bijzondere beschermingsprocedure. favoriser la mise en place d’un système d’exploitation de prostituées étrangères légalement détachées en Belgique. Mme Sandrine Cnapelinckx conclut en insistant sur le fait que le texte, dans sa forme actuelle, peut permettre des situations où des centaines de filles de l’est victimes de réseaux de traite et, séjournant dans des “puti-clubs”, à savoir des méga-bordels occupés comme des pen­ sions, soient exploitées et ce, bien évidemment, sans aucune couverture sociale comme c’est le cas dans la région de La Jonquera située en Espagne. b. Exposé de Mme Sarah De Hovre, représentante de Pag-Asa/Payoke/Sürya Mme Sarah De Hovre reprend les lignes directrices suivantes de la note écrite transmise à la commission, et renvoie, pour le surplus, à ladite note. La question principale qui se pose, à la lecture du projet de loi à l’examen, est la suivante: Quelles conséquences les modifications proposées auront-elles à l’égard de la lutte contre la traite des êtres humains, des victimes et de leur accès à la procédure de protection particulière et à l’assistance? La traite des êtres humains est clairement définie dans les articles 433quinquies et 433septies en vigueur du Code pénal (circonstances aggravantes). La traite des êtres humains découle d’un acte (recruter, transporter, transférer, héberger une personne) et poursuit un objectif (exploitation financière et matérielle de cette personne). Il importe peu, à cet égard, que la victime ait donné son consentement ou que l’exploiteur ait utilisé la contrainte, la menace ou la force. Toutefois, ces facteurs sont consi­ dérés comme des circonstances aggravantes. Compte tenu de cette définition, il est clair que les nouveaux articles du projet de loi DOC 2141/001 seront source de confusion. Chaque année, les centres d’accompagnement des victimes de la traite des êtres humains aident plus de cinq cents personnes à trouver une nouvelle voie et à accéder à une vie meilleure. Les victimes n’ont accès à cette procédure de protection que sur la base d’une reconnaissance par la police et le parquet. Si la police et le parquet ne qualifient plus certains faits d’actes de traite des êtres humains mais bien d’abus de la prostitution, leurs victimes n’en seront pas informées et n’auront pas accès à la procédure de protection particulière. 2141/006 DOC 55 172 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster dringt daarom aan op heldere wette­ lijke regeling die vrijwillige meerderjarige sekswerkers ertoe in staat stelt hun werk legaal en veilig te kunnen uitvoeren. De nieuwe wetgeving moet echter een zeer duidelijke grens trekken tussen vrijwillig sekswerk en mensenhandel, zodat terreinwerkers en betrokkenen niet in verwarring komen en slachtoffers snel naar hulp­ organisaties worden doorverwezen. Nieuwe misdrijven definiëren waarbij veel ruimte is voor uiteenlopende interpretatie kan erg nefaste gevolgen hebben voor de slachtoffers, aangezien zij in de gecre­ ëerde grijze zone bescherming dreigen mis te lopen. In het huidige artikel 433quater 1,4, 5 en 6 is het voor de spreekster niet duidelijk wat het verschil is tussen mensenhandel en misbruik van prostitutie. De memorie van toelichting legt de nadruk op het feit dat misbruik van prostitutie tot doel heeft om zich te verrijken terwijl mensenhandel tot doel zou hebben om controle te verwerven. Waarom wordt het doel van mensenhandel daartoe beperkt en worden de overige hogerop ver­ noemde doelen achterwege gelaten? In de bestaande tweedeling volstaat voor misbruik van prostitutie een algemeen opzet, terwijl mensenhandel vereist dat er een specifiek doel wordt nagestreefd. Hoe wordt dat onderscheid in de praktijk gemaakt? De tweedeling zal weinig gevolgen hebben voor het vervolgingsbeleid aangezien vervolging altijd mogelijk zal zijn. De uitbuiter zal kunnen worden vervolgd hetzij op basis van het nieuwe artikel 433quater hetzij op basis van het bestaande artikel 433quinquies. Voor de slachtoffers betekent de keuze van het artikel op basis waarvan de dader wordt vervolgd echter zeer veel. In het ene geval hebben zij namelijk geen recht op de beschermingsprocedure, in het andere wel. Hoewel Belgische slachtoffers soms terechtkunnen bij andere hulpverleningsorganisaties, zal de impact voor buitenlandse slachtoffers des te groter zijn, aangezien zij ook het risico lopen geen toegang te hebben tot verblijfs­ documenten in het kader van de beschermingsprocedure. Misbruik van prostitutie zoals omschreven het voor­ liggende ontwerp vertoont te veel gelijkenissen met mensenhandel zoals het zich in de realiteit voordoet en zou moeten worden geherformuleerd om verkeerde interpretatie te vermijden. Concreet zorgen de zinsne­ den “dwingen commerciële diensten te verlenen” en “actie ondernemen om het verlaten van de prostitutie te verhinderen” voor verwarring. Het stellen van die L’oratrice plaide dès lors avec insistance en faveur d’une réglementation légale claire qui permette aux travailleurs du sexe majeurs et consentants d’exercer leur activité en toute légalité et sécurité. Cette nouvelle législation devra toutefois tracer une frontière très claire entre le travail sexuel consenti et la traite des êtres humains afin que les choses soient claires pour les personnes présentes sur le terrain et pour les intéressés, et que les victimes soient rapidement orientées vers les organisations d’aide. La définition de nouvelles infractions peut avoir des conséquences très néfastes pour les victimes lorsqu’elle accorde une grande marge d’interprétation, car les victimes risquent alors de perdre leur protection dans la zone d’incertitude ainsi créée. Dans l’actuel article 433quater 1, 4, 5 et 6, l’oratrice ne perçoit pas clairement la différence entre la traite des êtres humains et l’abus de la prostitution. L’exposé des motifs met l’accent sur le fait que l’abus de la prostitution vise l’enrichissement alors que la traite des êtres humains viserait la prise de contrôle. Pourquoi l’objectif de la traite des êtres humains se limite-t-il à cette seule finalité, et pourquoi les autres objectifs précités sont-ils omis? Dans la dichotomie existante, l’intention générale suffit pour établir l’abus de la prostitution, alors que la traite des êtres humains requiert un objectif spécifique. Comment cette distinction sera-t-elle opérée en pratique? La dichotomie n’aura que peu d’effet sur la politique en matière de poursuites car les poursuites seront tou­ jours possibles. L’exploitant pourra être poursuivi soit sur la base du nouvel article 433quater, soit sur la base de l’article 433quinquies existant. Pour les victimes, en revanche, le choix de l’article en vertu duquel l’auteur sera poursuivi sera lourd de conséquences. En effet, dans un cas, elles n’auront pas droit à la procédure de protection, alors que, dans l’autre cas, elles y auront droit. Si les victimes belges peuvent parfois se tourner vers d’autres organisations d’aide, l’impact sera encore plus grand pour les victimes étrangères, car elles courront également le risque de ne pas avoir accès aux documents de séjour dans le cadre de la procédure de protection. L’abus de la prostitution décrit dans le projet à l’exa­ men présente trop de similitudes avec la traite des êtres humains telle qu’elle se présente sur le terrain. Sa description devrait dès lors être reformulée pour éviter toute interprétation erronée. Concrètement, les mots “contraindre à fournir des services commerciaux” et “prendre des mesures pour empêcher ou rendre plus difficile l’abandon de la prostitution” prêtent à confusion. 173 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E acties impliceert dat de dader controle heeft over het slachtoffer, waardoor de acties als mensenhandel te kwalificeren zijn. Hetzelfde geldt voor het ontworpen artikel 433quin­ quies/5 (verzwaard misbruik van prostitutie), dat bijna synoniem is van mensenhandel en dient te worden geschrapt. Quid met slachtoffers van misbruik van prostitutie indien de huidige tweedeling wordt aangehouden? Is het de bedoeling dat zij ook toegang krijgen tot de bescher­ mingsprocedure voor slachtoffers van mensenhandel? Ook wat prostitutie van minderjarigen betreft, rijst met betrekking tot de ontworpen artikelen 417/27, 28, 33 en 34 de vraag wat het verschil met mensenhandel is. Nogmaals zou een tweedeling leiden tot nefaste ge­ volgen voor de slachtoffers. Welke impact zou dit hebben op de detectie en de aanmelding van slachtoffers van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, in het bijzonder van slachtoffers van tienerpooiers of loverboys? Het is vandaag al moeilijk genoeg om jeugdinstellingen ervan te overtuigen dat minderjarige meisjes die zich prostitueren slachtoffer zijn van mensenhandel. Als pros­ titutie van minderjarigen niet langer als mensenhandel wordt geduid, verergert dat probleem. De spreekster besluit dat Belgische multidisciplinaire aanpak in de strijd tegen mensenhandel de zorg voor het slachtoffer al meer dan 25 jaar centraal stelt. Dat moet zo blijven. Wetgeving die er enkel op gericht is om daders te vervolgen terwijl slachtoffers hun rechten niet kunnen doen gelden, staat haaks op de Belgische basisfilosofie. Alle slachtoffers van mensenhandel met oog op seksuele uitbuiting moeten toegang krijgen tot de bijzondere beschermingsprocedure en gespecialiseerde hulpverlening. c. Uiteenzetting van mevrouw Sylvie Lausberg, voorzitster van de Conseil des Femmes Francophones de Belgique Mevrouw Sylvie Lausberg wijst erop dat het van belang is dat de wetgeving neutraal wordt verwoord, teneinde alle discriminatie te voorkomen. Al even belangrijk is het dat de vooropgestelde doelstellingen worden waargemaakt, meer bepaald de bestrijding van het seksueel geweld, want dat is een probleem dat almaar groter wordt. De spreekster benadrukt om te beginnen dat in elk geval rekening moet worden gehouden met het feit dat der­ gelijk geweld voornamelijk jegens vrouwen, meisjes en kinderen wordt gepleegd en dat het vraagstuk derhalve Dès lors que ces actes impliquent que leur auteur exerce un contrôle sur la victime, ils peuvent être qualifiés de traite des êtres humains. Ce raisonnement s’applique également à l’ar­ ticle 433quinquies/5 en projet (abus aggravé de la prostitution), qui est quasiment synonyme de traite des êtres humains et qui doit être supprimé. Quid des victimes d’abus de la prostitution si la dicho­ tomie actuelle est maintenue? L’objectif est-il que ces victimes bénéficient également de la procédure de pro­ tection pour les victimes de la traite des êtres humains? La question de la différence avec la traite des êtres humains se pose également à l’égard de la prostitution des mineurs visée aux articles 417/27, 28, 33 et 34 en projet. Dans ce cas également, la dichotomie aurait des conséquences néfastes pour les victimes. Quel impact aurait-elle sur la détection et le signalement des victimes de la traite des êtres humains en vue d’une exploitation sexuelle, en particulier des victimes des proxénètes d’adolescents ou des loverboys? Il est actuellement déjà suffisamment difficile de convaincre les institutions de protection de la jeunesse que les filles mineures qui se prostituent sont victimes de traite des êtres humains. Si la prostitution de mineurs n’est plus qualifiée de traite des êtres humains, ce problème sera aggravé. L’intervenante conclut en affirmant que depuis déjà plus de vingt-cinq ans, l’approche multidisciplinaire belge de la lutte contre la traite des êtres humains place la vic­ time au centre de ses préoccupations. Il serait contraire à la philosophie fondamentale de la Belgique d’adopter une législation qui viserait seulement à poursuivre les auteurs et ne permettrait pas aux victimes de faire valoir leurs droits. Toutes les victimes de la traite des êtres humains en vue d’une exploitation sexuelle doivent avoir accès à la procédure de protection particulière et à l’aide spécialisée. c. Exposé de Mme Sylvie Lausberg, présidente du Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB) Mme Sylvie Lausberg rappelle l’importance de la neutralité de la formulation de la loi afin d’éviter toute discrimination mais également l’obligation d’atteindre les objectifs avancés, ici notamment la lutte contre le fléau en expansion que constituent les violences sexuelles. L’oratrice souligne d’emblée toute l’importance de la prise en compte du fait que ces violences sont essen­ tiellement commises à l’encontre des femmes, des filles et des enfants et insiste sur la nécessité d’une approche genrée de la question car le droit participe à 2141/006 DOC 55 174 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gendergebaseerd moet worden benaderd. Het recht draagt er immers toe bij dat dwang en overheersend gedrag blijven bestaan, terwijl het de bedoeling is dat het wordt gesanctioneerd. Mevrouw Lausberg vindt dat het wetsontwerp moet bijdragen tot de waarborging van het grondwettelijk beginsel inzake gelijkheid van mannen en vrouwen en tegelijk ervoor moet zorgen dat de lichamelijke en geestelijke integriteit van elke burger verzekerd is. Op basis van studies van Amnesty International en van SOS Viol stelt de deskundige dat een vijfde van de vrouwen aangeeft te zijn verkracht. Het is derhalve cruciaal om een centrale plaats toe te kennen aan de beleving van die vrouwen en meisjes van alle leeftijden en uit uiteen­ lopende sociale klassen, alsook om rekening te houden met de rechtstreekse gevolgen van dat geweld voor de betrokkenen, maar ook voor hun gezinnen en voor de samenleving in het algemeen. Mevrouw Lausberg geeft aan dat de Conseil des Femmes Francophones de Belgique een bijdrage wil leveren met betrekking tot drie aspecten in de debatten omtrent dit heikele maatschappelijk vraagstuk. 1) De seksuele misdrijven De spreekster is verheugd dat het wetsontwerp op het vlak van de omschrijving van het begrip “toestemming” meerdere stappen vooruit omvat. Er wordt een nieuwe positieve benadering ingeluid, met meer ruimte voor het verhaal van de slachtoffers, voor de omstandigheden en voor de tijdslijn van het gebeurde. Zij is voorts tevre­ den dat het begrip “incest” in het Strafwetboek wordt opgenomen, want daarmee wordt tegemoetgekomen aan een oude eis van de CFFB. Weliswaar lost de wetgever dat verwoestende probleem niet op, maar hij kan wel stimuleren dat geesten rijpen met betrekking tot een probleem dat in ons land tot dusver niet altijd bijtijds wordt opgespoord, ondanks de aanbevelingen van de WHO. Mevrouw Lausberg vestigt vervolgens de aandacht op enkele meer omstreden aspecten van het aan het seksueel geweld gewijde onderdeel van het wetsontwerp. Zo werd het begrip “dwang” in het kader van de de­ finitie van toestemming niet in de thans voorliggende versie van het wetsontwerp opgenomen, hoewel het wordt vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek. De spreekster merkt op dat die weglating van het begrip “dwang” allesbehalve onschuldig is en eigenlijk niet wordt verantwoord in de memorie van toelichting. Ze wijst op het belang en het nut van dat begrip; de wetgever wilde dat heel breed invullen en beschouwt geweld als een lichamelijke dwang, en bedreiging als een geestelijke la perpétuation de comportements de contrainte et de domination qu’il s’agit de sanctionner. Pour l’intervenante, le projet du législateur doit contri­ buer à garantir le principe constitutionnel de l’égalité entre les hommes et les femmes mais également assurer l’intégrité physique et psychique de chaque citoyen. Se référant à des études d’Amnesty International et de SOS Viol, l’experte constate qu’une femme sur cinq déclare avoir subi un viol. Il est donc essentiel de placer au cœur du débat le vécu de ces femmes et filles, de tous âges et de milieux sociaux variés, tout en tenant compte des conséquences directes de ces pratiques violentes sur les personnes mais aussi sur les familles et la société en général. Mme Lausberg précise que le Conseil des Femmes Francophones de Belgique souhaite contribuer à trois points dans les débats concernant une question socié­ tale majeure. 1) Les infractions sexuelles L’intervenante se réjouit de plusieurs avancées conte­ nue dans le projet de loi en ce qui concerne la définition de consentement qui offre une nouvelle approche positive en laissant davantage de place à la parole des victimes, aux circonstances et à la temporalité des faits. L’oratrice se montre également satisfaite de l’intégration de la notion d’inceste dans le code pénal, revendication de longue date du CFFB. S’il ne résoud pas ce problème dévastateur, le législateur peut néanmoins favoriser l’évolution des mentalités au sujet d’une problématique dont la détection précoce reste lacunaire en Belgique, malgré des recommandations de l’OMS. Mme Lausberg poursuit en attirant l’attention sur quelques aspects plus discutables du texte dans la partie consacrée aux agressions sexuelles. Ainsi, la notion de contrainte dans le cadre de la définition du consentement, bien que présente dans l’article 375 du Code pénal, n’est pas intégrée au texte discuté tel qu’en l’état. Pour l’oratrice, cette suppression de la notion de contrainte qui n’est pas directement justi­ fiée dans l’exposé des motifs est tout sauf anodine. Elle relève le caractère intéressant et utile de ce concept par nature très large, comme souhaité par le législateur qui considère la violence comme contrainte physique et la menace comme contrainte psychologique. L’intervenante 175 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dwang. De spreekster vraagt om het begrip “dwang” zijn centrale plaats in de wetgeving terug te geven, teneinde rekening te kunnen houden met in de Belgische en internationale rechtspraak aan bod komende uiteenlo­ pende omstandigheden. Mevrouw Lausberg meent dat de positieve benadering van het begrip “toestemming” moet worden aangevuld met nadere toepassingsregels die rekening houden met de genderdimensie van het seksueel geweld. Volgens haar zou de opname van het begrip “dwang” het mogelijk maken de uitdrukkelijke doelstelling van het wetsontwerp waar te maken, namelijk een betere opvang van de slachtoffers en de bestraffing van de geweldplegers. De spreekster gaat vervolgens in op de erkenning van seksuele handelingen in de specifieke context van gynaecologisch en obstetrisch geweld. Hoewel dergelijke praktijken door talrijke getuigenissen aan het licht zijn gebracht en op grond van een wet uit 2002 elk onder­ zoek de vrije toestemming van de patiënte vereist, bevat die wet uit 2002 geen enkele strafrechtelijke sanctie in geval van afwezigheid van toestemming. Bovendien is een gynaecologische en obstetrische handeling per definitie een gewelddaad indien er geen toestemming voor wordt gegeven, maar heeft het slachtoffer ervan slechts heel beperkte mogelijkheden om de schending van de seksuele integriteit te doen erkennen door het gerecht. Het klopt dat elke seksuele handeling zonder toestemming op grond van het Strafwetboek verboden is en dat de vaststelling ervan wordt bepaald door twee factoren, namelijk de seksuele aard of de seksuele be­ doeling van die daad. De spreekster beklemtoont dat het gynaecologisch en obstetrisch onderzoek in wezen de vrouwelijke geslachtsorganen betreft en dat wel de­ gelijk in acht moet worden genomen dat een dergelijk onderzoek niet louter een medische handeling is, maar als geweld kan worden beschouwd wanneer geen voor­ afgaande toestemming werd verleend en de patiënte zich geïntimideerd en kwetsbaar voelt door het gezag van de arts. Mevrouw Lausberg wijst erop dat het wetsontwerp beoogt de seksuele integriteit te beschermen en dat er derhalve geen enkele objectieve reden bestaat om die vorm van geweld buiten de toepassingssfeer van het begrip “verkrachting” te laten. De spreekster wijst op onsamenhangendheid in het wetsontwerp, aangezien handelingen binnen een medische context worden uit­ gesloten, zoals wordt vermeld op bladzijde 29 van de memorie van toelichting; zulks leidt tot de onwerkzaam­ heid van de verzwarende factor dat het geweld uitgaat van een arts of een gezondheidsprofessional. 2) Prostitutie Mevrouw Lausberg betreurt dat de zaken geblokkeerd lijken op het vlak van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen ten aanzien van prostitutie, alsook wat demande le rétablissement de cette notion phare de contrainte dans la loi afin de permettre de tenir compte de circonstances variées, comme les jurisprudences belge et internationales ont pu l’établir. Pour Mme Lausberg, l’approche positive du consentement doit être complétée par des modalités d’application tenant compte de la dimension genrée des violences sexuelles. Selon elle, l’intégration de la notion de contrainte devrait permettre d’atteindre l’objectif explicite du texte, à savoir une meilleure prise en charge des victimes et la sanction des agresseurs. L’intervenante poursuit par le problème de la recon­ naissance d’actes à caractère sexuel en situation spé­ cifique de violences gynécologiques et obstétrical. Bien que mis en lumière par de nombreux témoignages et si une loi de 2002 requiert que tout examen se déroule avec le consentement libre de la patiente, cette loi de 2002 n’est assortie d’aucune sanction pénale en cas de non-consentement. De plus, la victime d’un acte gynécologique et obstétrical, par définition violent si non consenti, ne dispose que d’un recours très limité pour faire reconnaître par la Justice l’atteinte à son intégrité sexuelle. Bien sûr, le code pénal interdit tout acte à caractère sexuel non consenti et ce type d’acte peut être déterminé de deux manières: par la nature sexuelle ou par l’intention sexuelle de l’acte. L’oratrice insiste sur le fait que l’examen gynécologique et obstétrical vise par essence les organes sexuels féminins et qu’il y a bien lieu de considérer qu’un tel examen peut, au-delà de l’acte médical, être considéré comme une agression dès lors qu’il n’y a pas de consentement préalable et que la patiente se sent agressée dans une situation de vulné­ rabilité face à l’autorité d’un médecin. Mme Lausberg rappelle que l’objectif du projet de réforme est bien de protéger l’intégrité sexuelle et qu’il n’y a donc aucune raison objective d’exclure ces violences du champ d’application de viol. L’oratrice relève une incohérence du texte qui exclut des actes commis dans le cadre médical, comme suggéré dans l’exposé des motifs de la page 29, rendant inopérant le facteur aggravant issu de la fonction de médecin ou de professionnel de la santé. 2) La problématique de la prostitution Mme Lausberg regrette l’impasse constatée au sujet des inégalités entre les hommes et les femmes face à la prostitution comme dans tous les cas relevant de 2141/006 DOC 55 176 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E alle gevallen betreft waarbij de seksuele geaardheid en identiteit op verwerping of wantrouwen vanwege de samenleving stoten. De spreekster herinnert eraan hoezeer het van belang is dat dit vraagstuk genderge­ baseerd wordt benaderd en benadrukt dat de weer­ slag bij vrouwen duidelijk ernstiger is, want zij worden meer getroffen door seksuele uitbuiting, omdat zij zich statistisch vaker in kwetsbare situaties bevinden. De spreekster gelooft niet in de zogezegde verdiensten van zelfbeschikking inzake prostitutie. Volgens haar zou die zienswijze in dat geval moeten worden onderbouwd door de vaststelling dat evenveel mannen als vrouwen dergelijke activiteiten beoefenen, hetgeen absoluut niet het geval is. Mevrouw Lausberg betreurt dergelijke uitlatingen, want zij zorgen er mede voor dat collectief wordt aanvaardt dat het vrouwenlichaam kan worden beschouwd als een verhandelbaar voorwerp dat de mannen seksueel kan bevredigen. De spreekster stoelt haar stelling op cijfers uit een studie van de Fédération Wallonie-Bruxelles, volgens welke 23 000 mensen in de prostitutie zouden zitten, van wie 80 % vrouwen, 15 % transseksuelen en 5 % mannen. Uit die studie blijkt voorts dat in de leeftijdscategorie van 20 tot 50 jaar één actieve vrouw op honderd zich prostitueert en dat 70 % van de sekswerkers met posttraumatische stress kampt. In het verslag wordt tevens beklemtoond dat vrouwelijke prostituees vaker slecht worden behandeld en vaker het slachtoffer zijn van allerhande geweld. De spreekster stelt met nadruk dat dit beroep duidelijk gendergebonden is en geenszins mag worden beschouwd als een activiteit als een andere die evenzeer mannen als vrouwen zou aantrekken. Mevrouw Lausberg is van oordeel dat de keuze voor die activiteit meestal als het laatste redmiddel wordt gezien om geld te verdienen. De spreekster benadrukt dat die beslissing in het streven naar een inkomen vaak de laatste stap is na een leven vol discriminatie, temeer daar in België twee op de drie mensen in armoede vrouwen zijn. De spreekster verduidelijkt dat de be­ langrijkste beweegreden voor mensenhandel in Europa inderdaad de seksuele uitbuiting is (in 62 % van de ge­ vallen, zo blijkt uit de cijfers van Eurostat), terwijl 96 % van de slachtoffers van grensoverschrijdende seksuele uitbuiting vrouwen zijn. Ondanks de internationale en Europese inspanningen worden dus vooral vrouwen, maar ook kinderen, getroffen door die toename van seksuele slavernij. Mevrouw Lausberg vestigt er de aandacht op dat het Europees Parlement nadrukkelijk wijst op de sterke samenhang tussen de mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting en de zogenaamde seksindustrie. Die woordkeuze is voorts betreurenswaardig, daar ze de inherent gewelddadige aard minimaliseert. l’orientation et l’identité sexuelles sujettes à une répro­ bation ou une méfiance de la société. L’interlocutrice rappelle toute l’importance d’une approche genrée de cette problématique et souligne l’impact nettement plus important chez les femmes, davantage touchées par des situations d’exploitation sexuelle car statistiquement plus précarisées. L’oratrice réfute les prétendus mérites de l’auto-détermination en ce qui concerne la prostitution. Selon elle, cette vision des choses devrait alors être cor­ roborée par la constatation d’un nombre égal d’hommes et de femmes pratiquant ces activités, ce qui est loin d’être le cas. Mme Lausberg regrette ce discours qui participe à l’acceptation collective du fait que le corps des femmes puissent être considéré comme un objet commercialisable permettant de satisfaire sexuellement les hommes. L’intervenante appuie ses propos par les chiffres d’une étude de la Fédération Wallonie-Bruxelles selon lesquels sur 23 000 personnes qui se prostituent, 80 % sont des femmes, 15 % des transsexuels et 5 % des hommes. Il en ressort également qu’au sein de la tranche d’âge des 20-50 ans, une femme active sur cent se prostitue et que 70 % des personnes prostituées souffrent d’un stress post-traumatique. Le rapport souligne en outre que les femmes prostituées sont également souvent victimes de mauvais traitements et violences de différentes natures. L’oratrice insiste sur le fait que ce métier est clairement genré et ne constitue en rien une activité comme une autre qui attirerait autant les hommes que les femmes. Pour Mme Lausberg, le choix de cette activité est généralement dicté par un souci de profiter d’un dernier recours permettant de gagner de l’argent. L’intervenante souligne que cette recherche de revenus est alors souvent le résultat de discriminations accumulées tout au long du parcours de vie, d’autant qu’en Belgique les femmes représentent deux personnes sur trois en situation de pauvreté. L’oratrice précise que, selon Eurostat, c’est bien l’exploitation sexuelle qui, à raison de 62 %, constitue le motif principal de la traite des êtres humains en Europe alors que 96 % des victimes de l’exploitation sexuelle transfrontalière sont des femmes. Celles-ci, ainsi que des enfants, sont donc majoritairement concernées par la recrudescence de cet esclavage sexuel, malgré les efforts fournis aux niveaux international et européen. Mme Lausberg fait remarquer que les travaux du Parlement européen soulignent les liens étroits entre la traite des êtres humains à des fins d’exploitation sexuelle et ce qu’il dénomme l’industrie du sexe, regrettable sémantique visant à en minimiser le caractère intrinsè­ quement violent. 177 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster is ermee ingenomen dat de regering beoogt de sekswerkers een statuut te geven en beoogt hun activiteiten in België te decriminaliseren. De CFFB en andere belanghebbenden plaatsen echter vraagte­ kens bij de gevolgen van die wetgeving voor de concrete situatie van wie in de prostitutie zit. Mevrouw Lausberg hekelt het voornemen om prostitutie te liberaliseren en er een commerciële – zij het te reguleren – activiteit van te maken die onder de persoonlijke vrijheid valt. Zij is van oordeel dat de voorgestelde krijtlijnen om uitbuiting tegen te gaan niet zullen opwegen tegen de vinding­ rijkheid en de macht van de mensenhandelaars en de pooiers, wier praktijken hebben aangetoond dat zij erg bedreven zijn in het omzeilen van de wet, die dusver nochtans veel beperkender was. Vervolgens licht de spreekster twee voorbeelden toe waaruit de beperkingen van de beoogde hervorming blijken. Ze gaat ook in op de risico’s van die hervorming voor de slachtoffers van seksuele uitbuiting, hetgeen in tegenspraak is met de nagestreefde doelstellingen. — De moeilijke toepasbaarheid en het ontbreken van duidelijke krijtlijnen of van middelen om de reclame te controleren, teneinde zich ervan te vergewissen dat iemand zich niet voor eigen rekening prostitueert. De spreekster acht dat instrument ruim onvoldoende om te waarborgen dat de prostitutie inderdaad niet het gevolg is van een invloed, inmenging, dwang of macht. — Mevrouw Lausberg vindt het onderscheid tussen een “normaal” en “abnormaal” voordeel verkregen door de exploitatie van prostitutie ook een probleem. Zij is van oordeel dat niemand anders dan wie zich prostitueert enigerlei profijt of voordeel zou mogen halen uit het verlenen van seksuele diensten. Die juridische vaagheid laat de interpretatie en de beoordeling volledig aan de rechter over, terwijl in de opleiding van de rechters de algemene probleemstelling van prostitutie en de fysieke, seksuele, psychische en economische vrouwenmishan­ deling onvoldoende aan bod komen. Nog in dat verband vindt de spreekster dat de zittende rechters een gepaste opleiding zouden moeten krijgen over geweld tegen vrou­ wen, prostitutie, seksuele uitbuiting en mensenhandel en dat die thema’s ook in de opleidingen tot rechter zouden moeten worden opgenomen. De spreekster roept op tot meer inzicht in en kennis van, bijvoorbeeld, de maffiame­ chanismen waar enorme bedragen mee gemoeid zijn, waardoor het mogelijk wordt om met kennis van zaken te oordelen in een voortdurend veranderende nationale en internationale context. Tot slot is mevrouw Lausberg van oordeel dat deze hervorming pooierschap legaliseert, maar dat onder het mom van een statuut en sociale bescherming het L’intervenante salue la volonté du gouvernement de vouloir doter les travailleurs du sexe d’un statut et de vouloir décriminaliser leurs activités dans notre pays. Cependant, le CFFB et d’autres intervenants se ques­ tionnent au sujet de l’impact de cette législation sur la situation concrète de personnes en situation de prosti­ tution. Mme Lausberg dénonce la volonté de libéraliser l’activité de prostitution et d’en faire un acte commercial, à encadrer, relevant de la liberté individuelle. Pour elle, la faiblesse des balises proposées dans le but de faire échec à l’exploitation ne tiendront pas le coup face à l’ingéniosité et le pouvoir des trafiquants et proxénètes dont les pratiques ont démontré toutes les facultés à contourner le cadre de la loi, jusqu’ici pourtant davantage restrictive. L’oratrice développe ensuite deux exemples démontrant les limites du projet de réforme ainsi que les risques que celui-ci fait courir aux victimes de l’exploitation sexuelle, en contradiction avec les objectifs annoncés. — La complexité d’application et l’absence de balises claires ou de moyens de contrôle de la publicité afin de s’assurer que la personne ne se prostitue pas pour son propre compte. L’oratrice estime cet outil largement insuffisant pour garantir et vérifier que l’acte de prosti­ tution soit bien dégagé de toute influence, ingérence, contrainte ou domination. — La prise en considération de la distinction entre les notions d’avantage normal ou anormal procuré par l’exploitation de la prostitution constitue également un problème selon Mme Lausberg, pour qui nul autre indi­ vidu ne devrait tirer un quelconque profit ou avantage de services sexuels prestés par une personne. Ce flou juridique risque bien de laisser au juge toute la capacité d’interprétation et d’appréciation, alors que le monde judiciaire reste peu formé à la problématique générale de la prostitution et des violences faites aux femmes, qu’elles soient physiques, sexuelles, psychiques ou encore économiques. À ce sujet, l’intervenante juge que des formations consacrées aux violences à l’encontre des femmes, à la prostitution, à l’exploitation sexuelle et à la traite des êtres humains devraient judicieuse­ ment garantir une formation adressées au personnel en place et également intégrées aux cursus de formation. L’oratrice appelle à une meilleure maîtrise et connais­ sance, par exemple, des mécanismes mafieux brassant des sommes astronomiques, permettant ainsi de juger en toute connaissance de cause en fonction d’un contexte national et international en constante mutation. Pour conclure sur ce sujet, Mme Lausberg estime que cette réforme légalise le proxénétisme en aban­ donnant l’immense majorité des personnes prostituées 2141/006 DOC 55 178 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E lot van de overgrote meerderheid van de prostituees in de handen van de mensenhandelaars en de pooiers wordt gelegd. Qua sociale bescherming zijn de spreekster en de CFFB verbaasd dat geen rekening werd gehouden met het advies van de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen (nr. 156, van 10 december 2020) betreffende de sociale rechten van personen die zich prostitueren. Daarin worden de verschillende procedures toegelicht om sociale bescherming te verkrijgen. Op grond van de ter bespreking voorliggende tekst zou, onder bepaalde voorwaarden waarvan de ineffici­ ëntie werd aangetoond, de pooier buiten schot blijven ingeval het misdrijf “uitbuiting” wordt vastgesteld. Als deskundige met terreinkennis bestempelt de spreekster deze regeling als wishful thinking en stelt ze dat voor misdadigers en andere uitbuiters een mooie toekomst is weggelegd. Mevrouw Lausberg deelt mee dat de deskundigen in het veld algemeen een sterke toename van het aantal geprostitueerde minderjarigen vaststellen. In het ver­ slag van een werkgroep van de Franse regering wordt melding gemaakt van een stijging met 70 % in vijf jaar tijd. Ze waarschuwt dan ook dat het aanbieden van het lichaam als koopwaar ook de jongsten treft, migranten of niet. De spreekster acht de legalisatie van prostitutie geen aanvaardbare oplossing. Ze stelt dat die net zal leiden tot meer misstanden omdat het aanbod meer vraag in de hand zal werken. Mevrouw Lausberg vindt het vraagstuk complex. Ze is van oordeel dat de voor­ gestelde hervorming een grondigere analyse vereist. Daarbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de Europese aanbevelingen, betreffende de seksu­ ele uitbuiting en prostitutie bijvoorbeeld, alsook met de gevolgen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. 3) Een genderaanpak Mevrouw Lausberg stelt de gelijkheid tussen mannen en vrouwen aan de orde. Ze benadrukt de tegenstrijdig­ heid tussen deze hervorming en het federaal plan Gender mainstreaming, dat slechts vier maanden geleden werd aangenomen en dat bepaalt dat het overheidsbeleid een genderdimensie moet omvatten. Het verbaast de spreekster vooral dat niet is ingegaan op de respectieve situaties van mannen en vrouwen op het gebied van het seksueel strafrecht. Ondanks alle goede bedoelingen blijkt voorts uit de impactanalyse van de tekst dat men niet weet op hoeveel percent mannen en vrouwen het voorontwerp betrekking heeft. aux trafiquants et proxénètes, sous couvert d’offrir un statut et une protection sociale. Au sujet du volet protection sociale, l’intervenante et le CFFB s’étonnent de la non prise en considération de l’avis du Conseil de l’Égalité des chances entre les Hommes et les Femmes (n° 156, 10 décembre 2020) relatif aux droits sociaux des personnes prostituées et qui détaille les différentes procédures activables pour bénéficier d’une couverture sociale. Pour la spécialiste de terrain, absoudre le proxénète, comme le prévoit le texte en discussion, de toute infraction d’exploitation sous réserve de conditions, dont l’ineffica­ cité a été démontrée, relève de vœux pieux et garantit de beaux jours aux délinquants et autres exploiteurs. Mme Lausberg fait part de l’unanimité des profes­ sionnels de terrain pour constater une augmentation de la prostitution des mineurs, chiffrée à 70 % en cinq ans dans le rapport d’un groupe de travail gouvernemental français. Elle alerte donc sur le fait que la marchandisation des corps n’épargne pas les plus jeunes, qu’ils soient migrants ou pas. Pour l’intervenante, la légalisation de la prostitution ne constitue pas une solution acceptable mais ouvre au contraire à tous les abus car l’offre stimule la demande. Mme Lausberg juge la question complexe et estime que la réforme proposée mérite une analyse plus approfondie, tenant compte, entre autres, des recom­ mandations européennes, comme celles qui étudient l’exploitation sexuelle et la prostitution ainsi que leurs conséquences sur l’égalité des hommes et des femmes. 3) Une approche genrée Mme Lausberg soulève la question de l’égalité entre les hommes et les femmes. Elle souligne la contradiction entre cette réforme et le plan fédéral Gender mainstrea­ ming, adopté voici à peine quatre mois, et selon lequel les politiques gouvernementales se doivent d’intégrer la dimension de genre. L’oratrice manifeste un étonnement particulier à pro­ pos de l’absence d’identification de différences entre les situations respectives des hommes et de femmes en matière de droit pénal sexuel. De plus, malgré de belles résolutions, l’analyse d’impact du texte indique que le pourcentage d’hommes et de femmes visés par l’avant-projet n’est pas connu. 179 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Derhalve vindt de spreekster het ter bespreking voorlig­ gende wetsontwerp een gemiste kans om de samenleving stappen vooruit te doen zetten en het strafarsenaal bij de tijd te brengen. In schril contrast met de statistische instrumenten en de betogen van de deskundigen wordt in het wetsontwerp geen rekening gehouden met de onevenredige gevolgen voor de voornaamste slachtof­ fers van genderongelijkheid en seksueel geweld: de vrouwen en de meisjes. Mevrouw Lausberg is van oordeel dat als de hervorming van meet af aan voorbijgaat aan het feit dat dergelijk geweld een specifieke impact heeft op vrouwen en min­ derjarigen, het doel onvermijdelijk zal worden gemist en de pooiers de boodschap krijgen dat ze ongestoord hun gang kunnen gaan. Erger nog, de hervorming zal dan essentieel tekortschieten: de slachtoffers binnen een rechtsstaat wordt geen afdoende bescherming gebo­ den. De specialiste vindt dat als het genderaspect niet expliciet in het Strafwetboek kan worden opgenomen, moet worden gewerkt met andere specifieke instrumen­ ten (strafprocesrecht, recherche, rondzendbrieven van het College van Procureurs-generaal, proefprojecten), teneinde met die specifieke situaties rekening te kunnen houden. Tegelijkertijd moet de overheid ertoe worden opgeroepen de mogelijke beperkingen en leemtes van deze hervorming weg te werken. Tot besluit vraagt mevrouw Lausberg welk samenle­ vingsmodel men aan de toekomstige generaties beoogt door te geven. Ze benadrukt dat de liberalisering van de prostitutie gevaren inhoudt, daar de jongeren een model wordt geboden om een seksuele dienst te ko­ pen. De spreekster vindt het jammer dat het ambigue gedeelte van de hervorming, betreffende de seksuele meerderjarigheid, tegelijkertijd een tegengestelde en beperkende boodschap uitdraagt naar de jongeren: seksuele betrekkingen worden in de eerste plaats als misdrijven omschreven. De spreekster vindt die straf­ baarstelling van de seksualiteit van de jongeren onzin. d. Uiteenzetting van mevrouw Liesbet Stevens, professor aan de KU Leuven en adjunct-directeur van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) Mevrouw Liesbet Stevens geeft aan dat de minis­ ter van Justitie al advies over het wetsontwerp heeft ingewonnen. Met de voorgestelde hervorming wordt het seksueel strafrecht eindelijk aangepast aan de 21e eeuw. Het IGVM bereidt een uitgebreidere nota voor. Pour l’intervenante, le projet discuté constitue une occasion manquée de faire évoluer la société et de moderniser l’arsenal pénal. En contradiction avec les outils statistiques et les propos d’experts, celui-ci ne tient pas compte de l’impact disproportionné qu’il engendre sur les principales victimes des inégalités de genre et de violences sexuelles: les femmes et les filles. Mme Lausberg estime que si la réforme refuse d’em­ blée de reconnaître l’impact spécifique de ces violences sur les femmes et les mineurs, elle manquera imman­ quablement son objectif et enverra un message de laisser-faire aux proxénètes. Pire, elle manquera alors à son élémentaire devoir de protection des victimes au sein d’un État de droit. La spécialiste est d’avis que si le code pénal ne peut intégrer de manière explicite la notion de genre, il conviendra de le compléter par d’autres instruments spécifiques (droit de procédure pénale, police criminelle, circulaires des procureurs généraux, mise en place de projets pilotes) qui doivent permettre de tenir compte de ces situations particulières, tout en réclamant toute l’attention des pouvoirs publics pour pallier les potentielles limites et lacunes de cette réforme. Mme Lausberg conclut en posant la question du modèle de société à transmettre aux générations futures. Elle dégage le danger de la libéralisation de la prostitution qui offre aux jeunes un modèle d’achat d’un service sexuel. L’intervenante déplore le fait, qu’en même temps, le volet ambigu consacré à la majorité sexuelle de la réforme transmette un message opposé et restrictif aux jeunes pour qui les relations sexuelles sont d’abord présentées comme des infractions. Pour l’oratrice, cette criminalisa­ tion de la sexualité des jeunes constitue un non-sens. d. Exposé de Mme Liesbet Stevens, professeure à la KU Leuven et directrice adjointe de l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) Mme Liesbet Stevens signale que le ministre de la Justice a déjà demandé un avis sur le projet de loi à l’examen. La réforme proposée permettra enfin d’adap­ ter le droit pénal sexuel au XXIe siècle. L’IEFH prépare actuellement une note plus détaillée à ce sujet. 2141/006 DOC 55 180 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1. Toestemming De spreekster juicht toe dat het begrip “toestemming” in het wetsontwerp terdege wordt verduidelijkt. Zij heeft evenwel een paar kritische opmerkingen. Met betrekking tot intoxicatie luidt de memorie van toelichting “dat de betwiste omstandigheid (bijvoorbeeld invloed van alcohol) van die aard moet zijn geweest dat de vrije wil is aangetast. Het louter onder invloed zijn van een bepaalde substantie volstaat dus niet om van een niet-consensuele seksuele handeling te kunnen spreken”. In voorbeelden uit de rechtspraktijk gaat het tot nu toe vooral om gevallen waarin er sprake is van een zeer ernstige intoxicatie (bijvoorbeeld black-outs of niet meer zelfstandig kunnen stappen). Niettemin kan ook een veel lagere intoxicatiegraad uitmonden in kwetsbaarheid van het slachtoffer waardoor dat geen volwaardige toestemming kan geven voor het stellen van een seksuele handeling. Bijzonder positief is de verduidelijking met betrekking tot het fenomeen stealthing, waarbij een man zonder toestemming van de partner zijn condoom afdoet en de geslachtsgemeenschap verderzet, aldus de memorie van toelichting. Onder geslachtsgemeenschap wordt meestal vaginale penetratie verstaan. Stealthing omvat echter elke vorm van seksuele penetratie en eveneens het aanvangen van seksuele penetratie zonder condoom wanneer met de sekspartner werd afgesproken dat een condoom zou worden gebruikt. Tot slot dient te worden opgemerkt dat ook vrouwen kunnen veinzen gebruik te maken van een (vrouwen)condoom. Tot slot wijst het IGVM erop dat er nog steeds veel aandacht gaat naar het gedrag van het slachtoffer, niet zozeer naar het gedrag van de verdachte. Het Instituut pleit ervoor om stelselmatig over te gaan tot psychologisch onderzoek van de verdachte, diens voorgeschiedenis en diens modus operandi. In de algemene toelichting van het wetsontwerp (DOC 55 2141/001, blz. 20) staat de volgende passage: “Een volledige omkering van de bewijslast in die zin dat niet-toestemming steeds wordt vermoed bij seksuele handelingen en de voorafgaande toestemming moet kunnen worden bewezen door de verdachte, lijkt een brug te ver te zijn. Men kan bijvoorbeeld moeilijk verwachten dat de toestemming schriftelijk wordt genotuleerd of dat getuigen de verbaal verkregen toestemming attesteren vooraleer er seksuele contacten worden aangevat.”. Deze formulering is een nauwelijks verholen poging om met een absurde overdrijving een discussie onmogelijk te maken die wel degelijk mag worden gevoerd, met name de invoering van een seksuele zorgvuldigheidsnorm 1. Consentement L’oratrice se félicite que la notion de “consentement” soit clarifiée comme il se doit dans le projet de loi à l’examen. Elle formule toutefois quelques observations critiques. En ce qui concerne l’intoxication, l’exposé des motifs indique “que la circonstance litigieuse (par exemple, l’influence de l’alcool) doit avoir été de nature à altérer le libre arbitre. Il ne suffit donc pas d’avoir simplement été sous l’influence d’une certaine substance pour pou­ voir parler d’acte à caractère sexuel non consensuel”. Dans les exemples issus de la jurisprudence, il s’agit jusqu’à présent surtout de cas d’intoxication très grave (exemples: perte de connaissance ou incapacité de marcher sans assistance). Or, un degré d’intoxication beaucoup plus faible peut également rendre la victime vulnérable, celle-ci n’étant dès lors pas en mesure de véritablement consentir à un acte à caractère sexuel. L’oratrice se félicite tout particulièrement de la clarifi­ cation du phénomène du stealthing, décrit dans l’exposé des motifs comme étant une situation dans laquelle un homme retire son préservatif sans le consentement de son partenaire et poursuit le rapport sexuel. Par rapport sexuel, on entend généralement une pénétration vagi­ nale, mais le stealthing inclut toute forme de pénétration sexuelle, et également l’engagement d’une pénétration sexuelle sans préservatif alors qu’il avait été convenu avec le partenaire sexuel qu’un préservatif serait utilisé. Enfin, l’oratrice fait observer que les femmes peuvent également feindre d’utiliser un préservatif (féminin). Pour conclure, l’IEFH souligne qu’une grande attention est toujours accordée au comportement de la victime tandis que l’attention accordée à l’inculpé est nettement moindre. L’Institut préconise de procéder systématique­ ment à un examen psychologique de l’inculpé, ainsi qu’à l’analyse de ses antécédents et de son mode opératoire. L’exposé général du projet de loi à l’examen (DOC 55 2141/001, p. 20) contient le passage suivant: “Un renversement complet de la charge de la preuve, dans le sens où le non-consentement est toujours présumé en cas d’actes à caractère sexuel et où le consentement préalable doit pouvoir être prouvé par le suspect, semble aller trop loin. À titre d’exemple, on peut difficilement s’attendre à ce que le consentement soit consigné par écrit ou que des témoins confirment que le consente­ ment a été obtenu verbalement avant que des contacts sexuels commencent.”. Cette formulation constitue une tentative à peine déguisée, en exagérant de manière absurde, de rendre impossible une discussion qui doit néanmoins pouvoir être menée, à savoir l’introduction 181 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E naar analogie met het concept onvrijwillige slagen en verwondingen. Leeftijd Het IGVM heeft het in deze context graag over de term “seksuele handelingsbekwaamheid” omdat “meerder­ jarigheid” onterecht de indruk wekt dat er een leeftijd is waarop in seksuele context alles mag. Het wetsontwerp bevestigt 16 jaar als minimumleeftijd voor seksuele handelingsbekwaamheid. Het is goed dat er een uit­ zondering wordt ingevoerd voor 14- en 15-jarigen die bij een maximaal leeftijdsverschil van twee jaar seksuele handelingen mogen hebben met leeftijdsgenoten. Het gaat hierbij ontegensprekelijk niet over niet-consensuele handelingen. De spreekster pleit voorzichtig voor de optrekking van het maximale leeftijdsverschil van twee naar drie jaar. Die leeftijdsvork biedt meer ruimte voor de normale seksuele ontwikkeling van tieners. De memorie van toelichting is op pagina 13 nog niet aangepast, aangezien het daar nog steeds een onweer­ legbaar vermoeden wordt gedacht dat minderjarigen onder de 16 jaar niet uit vrije wil kunnen toestemmen. Die formulering strookt niet met de rest van de ontwerptekst. 2. Misdrijven Aantasting van de seksuele integriteit Het misdrijf “aanranding van de eerbaarheid” wordt hernoemd tot aantasting van de seksuele integriteit en zou worden bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar. De minimumstraf dient tot 1 jaar te worden ver­ hoogd. Ten eerste omvat het misdrijf een ruim spectrum aan gedragingen die de integriteit van het slachtoffer kunnen schaden, gaande van lichte misdrijven naar gedwongen masturbatie. Ten tweede maakt een mini­ mumstraf van 1 jaar voorlopige hechtenis, contactverbod en probatiemaatregelen mogelijk. Dickpics In Nederland is het mogelijk om strafrechtelijk op te treden tegen het versturen van seksuele beelden naar iemand die daar geen boodschap aan heeft. België zou dat voorbeeld moeten volgen. Momenteel lijkt de bescher­ ming van de seksuele integriteit van het slachtoffer in België namelijk ondergeschikt te zijn aan de bescherming van de “openbare zedelijkheid” van de samenleving. Dit lijkt in strijd te zijn met het fundamentele uitgangspunt van de hervorming van dit onderdeel van het seksueel strafrecht, namelijk het seksueel zelfbeschikkingsrecht. d’une obligation de précaution sexuelle par analogie avec le concept de coups et blessures involontaires. Âge Dans ce contexte, l’IEFH préfère utiliser le terme de “capacité sexuelle”, car la “majorité” donne le sentiment, à tort, que, dans le contexte sexuel, tout est permis à partir d’un certain âge. Le projet de loi à l’examen confirme que l’âge minimum pour la capacité sexuelle est fixé à 16 ans. Il est positif qu’une exception soit insérée afin que les adolescents âgés de 14 ou 15 ans puissent poser un acte à caractère sexuel avec d’autres adolescents, si la différence d’âge n’est pas supérieure à deux ans. Cette exception ne vise incontestablement pas les actes non consensuels. L’oratrice préconise avec prudence de faire passer la différence d’âge maximale de deux à trois ans. Cette différence d’âge offrira une plus grande marge pour le développement sexuel normal des adolescents. La page 13 de l’exposé des motifs n’a pas encore été modifiée, puisque le fait que les mineurs d’âge de moins de seize ans ne peuvent pas consentir librement est toujours considéré comme une présomption irréfra­ gable. Cette formulation ne se concilie pas avec le reste du projet de texte. 2. Infractions L’atteinte à l’intégrité sexuelle L’infraction “l’attentat à la pudeur” est requalifiée d’atteinte à l’intégrité sexuelle et serait punie d’une peine d’emprisonnement de 6 mois à 5 ans. Il convient de relever la peine minimale à un an. Premièrement, cette infraction couvre un large éventail de comportements qui peuvent porter atteinte à l’intégrité de la victime, allant d’infractions mineures à la masturbation forcée. Deuxièmement, une peine minimum d’un an permettra la détention préventive, l’interdiction de contact et les mesures de probation. L’envoi non demandé d’images d’organes génitaux (Dickpics) Aux Pays-Bas, il est possible d’agir au niveau pénal contre l’envoi d’images sexuelles à toute personne qui n’est pas intéressée. La Belgique devrait suivre cet exemple. En Belgique, la protection de l’intégrité sexuelle de la victime semble actuellement subordon­ née notamment à la protection de la “moralité publique” de la société. Ce principe semble contraire au postulat de départ de la réforme de cette partie du droit pénal sexuel, à savoir le droit à l’autodétermination sexuelle. 2141/006 DOC 55 182 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De voorkeur van het IGVM gaat uit naar de invoering van een geheel nieuwe strafbaarstelling die uitgaat van de bescherming van de seksuele integriteit van de ontvanger van het beeld. Voyeurisme Deepfake pornography of deepnudes is een steeds vaker voorkomende praktijk waarbij een persoon ge­ loofwaardig naakt wordt afgebeeld op met computer­ programma’s gemanipuleerde afbeeldingen, ook al zijn er in werkelijkheid geen naaktafbeeldingen van deze persoon. Deepnudes schenden de seksuele integriteit van de afgebeelde persoon, die dezelfde gevolgen zal ondervinden van een slachtoffer van zogenaamd “ge­ woon” voyeurisme en niet-consensuele verspreiding van intieme beelden. Er dient te worden verduidelijkt dat deepnudes een vorm van strafbaar voyeurisme vormen. Voor de formu­ lering van de strafbaarstelling van zulke beelden kan inspiratie worden gezocht bij de definitie van seksuele misbruikbeelden van minderjarigen, waarin wel een verwijzing werd opgenomen naar het maken van realisti­ sche afbeeldingen van een niet-bestaande minderjarige. Sextorsion Het IGVM ontvangt steeds meer meldingen van geval­ len van sextorsion. Daders dreigen met het verspreiden van intieme beelden om geld, bijkomende foto’s, sek­ suele handelingen of stilzwijgen van het slachtoffer te verkrijgen. Het IGVM staat momenteel een slachtoffer bij dat door de dader werd afgeperst om nieuwe seksuele handelingen te stellen. Doordat sextorsion op dit ogenblik geen zelfstandig misdrijf is, kan het enkel via omwegen en in zeer spe­ cifieke gevallen worden beteugeld, bijvoorbeeld als een vorm van afpersing of als een begin van uitvoering van aanranding van de eerbaarheid. Het is dan ook aanbevolen om een aparte strafbaarstelling in het sek­ sueel strafrecht op te nemen, zodat de politie gericht kan optreden. Niet-consensueel bezit van intieme beelden Bij niet-consensueel bezit van intieme beelden wist de dader of had de dader moeten weten dat de afgebeelde persoon niet wil dat de beelden (nog) in zijn bezit zijn. In tegenstelling tot in Nederland is het niet-consensueel bezit van intieme foto’s voor meerderjarigen vooralsnog niet strafbaar in België. Opnieuw zou het een duidelijk signaal zijn om dit fenomeen toch strafbaar te stellen. L’IEFH accorde la préférence à l’introduction d’une toute nouvelle incrimination fondée sur la protection de l’intégrité sexuelle du destinataire de l’image. Voyeurisme La création de fausses images pornographiques (deepfake pornography ou deepnudes) est une pratique de plus en plus fréquente qui consiste à créer une repré­ sentation crédible d’une personne nue à partir d’images manipulées à l’aide d’un logiciel, même s’il n’existe en réalité aucune image de cette personne nue. La création de telles images viole l’intégrité sexuelle de la personne représentée, qui subira les mêmes conséquences que la victime de voyeurisme “classique” et de diffusion non consensuelle d’images intimes. Il convient de préciser que la création de fausses images pornographiques (deepnudes) constitue une forme punissable de voyeurisme. La formulation de l’incrimination de ce type d’images peut s’inspirer de la définition des images d’abus sexuels de mineurs, qui contient quant à elle une référence à la création d’images réalistes représentant un mineur qui n’existe pas. L’extorsion sexuelle L’IEFH reçoit de plus en plus de signalements de cas d’extorsion sexuelle (sextorsion). Les auteurs menacent de diffuser des images intimes pour obtenir de l’argent, des photos supplémentaires, l’accomplissement d’actes à caractère sexuel ou le silence de la victime. L’IEFH assiste actuellement une victime qui a été incitée, sous la menace d’extorsion, à accomplir de nouveaux actes sexuels. Etant donné que l’extorsion sexuelle ne constitue pas une infraction autonome, elle ne peut être réprimée qu’au travers de moyens détournés et dans des cas très spécifiques, par exemple, en tant que forme d’extorsion ou en tant que commencement d’exécution d’un attentat à la pudeur. Il se recommanderait dès lors de prévoir une incrimination distincte dans le droit pénal sexuel, afin de permettre une intervention ciblée de la police. La détention non consensuelle d’images intimes En cas de détention non consensuelle d’images intimes, l’auteur savait ou aurait dû savoir que la per­ sonne représentée ne consentait pas à ce qu’il conserve les images en sa possession. Contrairement à ce qui est le cas aux Pays-Bas, la détention non consensuelle d’images intimes n’est pas encore punissable en Belgique. L’incrimination de ce phénomène constituerait à nouveau 183 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het is meteen een bijkomend middel om sextorsion te bestrijden. 3. Verzwarende omstandigheden Voyeurisme en (perfide) niet-consensuele verspreiding Momenteel worden voyeurisme en (perfide) niet- consensuele verspreiding van intieme beelden uitgeslo­ ten van de toepassing van verschillende verzwarende omstandigheden, omdat er niet altijd een interactie is tussen dader en slachtoffer. Deze redenering gaat niet goed op aangezien de verzwarende omstandigheden veelal zijn gebaseerd op de gevolgen voor het slachtof­ fer, waar niet altijd een dergelijke interactie voor nodig is. Om die reden mogen voyeursisme en de (perfide) niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames niet worden uitgesloten van de verzwarende omstandigheden “met de dood tot gevolg”, “door of gepaard gaande met foltering, opsluiting of zwaar geweld” en “onder bedreiging van een wapen of op een wapen gelijkend voorwerp of na toediening van weerloos makende stoffen”. Filmen van de feiten Het komt steeds vaker voor dat daders of mededaders de seksuele misdrijven filmen terwijl ze worden gepleegd en de beelden nadien delen. Hoewel het delen al straf­ baar is, pleit de spreekster voor het invoeren van een verzwarende omstandigheid voor het filmen zelf. Een Gents meisje van 14 heeft zich naar aanleiding van een dergelijke situatie van het leven beroofd. Foltering, opsluiting of zwaar geweld De tijdelijke ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid staat niet gelijk aan de ernst van of agressie waarmee niet-consensuele seksuele han­ delingen werden gepleegd. De tijdsgebonden invulling gebruikt de veerkracht van het slachtoffer om te bepalen hoe ernstig het misdrijf was. Is de grens van vier maanden niet te hoog? Als een slachtoffer na twee maanden opnieuw aan de slag kan, is de verzwarende omstandigheid niet van toepassing. Uit onderzoek blijkt dat één slachtoffer op twintig raakt zwanger als gevolg van een verkrachting. Het feit dat een persoon raakt zwanger wordt of een soa oploopt door een seksueel misdrijf wordt momenteel vermeld bij de kwetsbare toestand van het slachtoffer maar hoort eerder bij de strafverzwaring door foltering, opsluiting of zwaar geweld aangezien het hier gaat om gevolgen, un signal clair. Il s’agirait d’un moyen supplémentaire de lutter contre l’extorsion sexuelle. 3. Circonstances aggravantes Le voyeurisme et la diffusion non consensuelle (perfide) Actuellement, le voyeurisme et la diffusion non consen­ suelle (perfide) d’images intimes sont exclus de l’appli­ cation de différentes circonstances aggravantes, parce qu’il n’existe pas toujours une interaction entre l’auteur et la victime. Ce raisonnement n’est pas pertinent, dès lors que les circonstances aggravantes sont généralement basées sur les conséquences pour la victime, ce qui ne nécessite pas toujours pareille interaction. Pour ces raisons, le voyeurisme et la diffusion non consensuelle (perfide) d’images et d’enregistrements à caractère sexuel ne doivent pas être exclus des circonstances aggravantes “ayant entraîné la mort”, “précédés ou accompagnés de torture, de séquestration ou de violence grave” et “sous la menace d’une arme ou d’un objet qui y ressemble ou après administration de substances inhibitives”. Le filmage des faits Il est de plus en plus fréquent que les auteurs ou les coauteurs filment les infractions à caractère sexuel en train de se commettre et qu’ils partagent les images par la suite. Bien que le partage soit déjà punissable, l’oratrice plaide en faveur de l’introduction d’une circonstance aggravante pour le filmage proprement dit. Une jeune fille gantoise de 14 ans a mis fin à ses jours après avoir été victime d’une telle situation. La torture, la séquestration ou la violence grave L’incapacité temporaire de travail personnel n’est pas représentative de la gravité des actes à caractère sexuel non consensuels ou de la violence avec laquelle ils ont été commis. La définition limitée dans le temps se fonde sur la résilience de la victime pour déterminer la gravité de l’infraction. La limite de quatre mois n’est-elle pas trop élevée? Si une victime peut reprendre le travail après deux mois, la circonstance aggravante ne sera pas applicable. Des études ont révélé qu’une victime sur vingt est tombée enceinte à la suite d’un viol. Le fait que la vic­ time soit enceinte ou contracte une MST à la suite d’une infraction sexuelle est actuellement mentionné comme circonstance aggravante en raison de la vulnérabilité de la victime mais relève plutôt de l’alourdissement de la peine pour torture, séquestration ou violence grave 2141/006 DOC 55 184 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E eerder dan om de toestand van het slachtoffer op het moment van de feiten. Culturele drijfveren, gewoontes, tradities, religie of de zogenaamde “eer” Het Instituut pleit ervoor dat de huidige verzwarende factoren culturele drijfveren, gewoontes, tradities, reli­ gie en de zogenaamde “eer” worden opgenomen als verzwarende omstandigheden. Het betreft hier een technische formuleringskwestie. Op grond van geslacht In de rechtspraktijk heerst veel verwarring over de concrete invulling van de verzwarende omstandigheid op grond van geslacht. Er wordt verkeerdelijk uitgegaan van de stelling dat mannelijke heteroseksuele daders die vrouwelijke slachtoffers maken, dit louter doen op basis van hun seksuele geaardheid en dat er bijgevolg zogezegd geen sprake kan zijn van strafverzwaring op grond van geslacht. Het behoud van deze interpretatie van de verzwarende omstandigheid zou impliceren dat de strafverzwaring enkel van toepassing kan zijn op een homoseksuele man die een seksueel misdrijf pleegt op een vrouw. Een dergelijke interpretatie holt de verzwa­ rende omstandigheid de facto volledig uit. 4. Seksuele uitbuiting van minderjarigen In de definitie van grooming moet het woord “kunnen” worden ingevoerd: “… handelingen die tot een dergelijke ontmoeting kunnen leiden”. Voor de strafbaarheid van grooming is het immers niet noodzakelijk dat er wer­ kelijk een ontmoeting plaatsvindt. Het fenomeen moet bovendien ook strafbaar worden gesteld bij meerderjarige slachtoffers. In het voorliggende ontwerp is grooming zowel online als offline strafbaar, terwijl in het huidige strafrecht enkel de online vorm bij minderjarige slachtoffers strafbaar is. Er moet ook een discussie zijn over het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen in geval van meerderjarigen. De spreekster pleit voor het opnieuw invoeren van het misbruik van ICT-hulpmiddelen als strafverzwarende factor. 5. Openbare zedenschennis Al dan niet extreme porno Beelden die als strijdig met de goede zeden worden beschouwd, worden niet langer geviseerd door het voorliggende wetsontwerp. De spreekster heeft be­ grip voor die logica. In dit deel wordt echter niet langer dès lors qu’il s’agit de conséquences, plutôt que d’un élément de la situation de la victime au moment des faits. La culture, la coutume, la tradition, la religion ou le prétendu “honneur” L’Institut préconise d’inscrire les actuels facteurs aggravants que sont la culture, la coutume, la tradition, la religion et le prétendu “honneur” dans les circons­ tances aggravantes. Il s’agit en l’espèce d’une question de formulation technique. Sur la base du sexe Il existe beaucoup de confusion, dans la pratique juridique, sur l’interprétation concrète de la circonstance aggravante “sur la base du sexe”. On part à tort du pos­ tulat que les auteurs hétérosexuels masculins qui s’en prennent à des victimes féminines, le font purement et simplement sur la base de leur orientation sexuelle et qu’il ne peut dès lors soi-disant pas être question d’alour­ dissement de la peine sur la base du sexe. Le maintien de cette interprétation de la circonstance aggravante impliquerait que l’alourdissement de la peine ne peut s’appliquer qu’à un homme homosexuel qui commet une infraction sexuelle sur une femme. Pareille interprétation vide de facto la circonstance aggravante entièrement de sa substance. 4. Exploitation sexuelle de mineurs Dans la définition du “grooming”, il convient d’insérer le mot “pouvant”: “… d’actes matériels pouvant conduire à ladite rencontre”. Pour l’incrimination du “grooming”, il n’est en effet pas nécessaire que la rencontre ait effec­ tivement lieu. Le phénomène doit en outre aussi être érigé en infraction lorsque les victimes sont majeures. Le projet de loi à l’examen incrimine le “grooming” en ligne comme hors ligne, alors que le droit pénal actuel n’incrimine que sa version en ligne auprès de victimes mineures. Il convient en outre d’examiner l’opportunité de pénaliser les actes préparatoires dans le cas de majeurs. L’oratrice préconise de réintroduire l’abus de ressources TIC en tant que facteur aggravant. 5. Outrage public aux bonnes mœurs Pornographie extrême ou non Les images considérées comme contraires aux bonnes mœurs ne sont plus visées par le projet de loi à l’exa­ men. L’oratrice peut comprendre cette logique. Cette partie ne renvoie toutefois plus au consentement de la 185 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gerefereerd aan de toestemming van de persoon die de beelden ontvangt of aan diens minderjarigheid. Zodoende is het tonen van gewone seksuele beelden aan minderjarige niet strafbaar, in tegenstelling tot het vervaardigen of verspreiden van boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard. Op het tonen van zulke materialen aan een minderjarige berust een stafverzwaring, terwijl het tonen van bijvoorbeeld een seksfilm aan een minderjarige niet langer strafbaar zou zijn. De parlementsleden moeten deze tegenstelling bestuderen. Exhibitionisme Er moet discussie worden gevoerd over exhibitionisme, zijnde “zich met het oogmerk de eigen seksuele driften te voldoen opdringen aan andermans zicht van de ei­ gen ontblote geslachtsdelen of van een seksuele daad in een openbare plaats”, aangezien toestemming het gedeelde uitgangspunt is. In bovengenoemde definitie lijken de stellers van het ontwerp toch terug te keren naar de notie van maatschappelijke eerbaarheid. Een streaker die over een voetbalveld rent, lijkt de spreker echter minder problematisch dan een persoon die zich exhibitioneert in een besloten ruimte ten aanzien van een andere persoon die daar niet van gediend is. 6. Gemeenschappelijke bepalingen Momenteel kunnen het openbaar ministerie of de rechter bij wie de zaak aanhangig werd gemaakt, met het oog op het opleggen van de meest geschikte straf, het gemotiveerd advies van een gespecialiseerde dienst inwinnen. Het IGVM pleit ervoor om het inwinnen van dat advies te verplichten omdat het psychologisch on­ derzoek van de dader in elke stap van de gerechtelijke afhandeling belangrijk is. Het verplicht inwinnen van een advies houdt niet noodzakelijk in dat elke seksuele delinquent verplicht moet worden behandeld of begeleid noch dat er geen differentiatie mogelijk is. Het advies maakt het mogelijk voor de rechter om de straf te doen aansluiten op de dader en diens risiconiveau. Risicotaxatie en risicoma­ nagement zouden bovendien bij alle seksuele misdrijven moeten worden toegepast. Het IGVM deelt de bezorgdheid over de praktische weerslag van de prostitutiehervorming. Er is weinig discussie over het streefdoel maar de vraag blijft of het wetsontwerp dat streefdoel efficiënt nastreeft. Het wets­ ontwerp verwijst naar de situatie in Nieuw-Zeeland, waar elke partij het belang van goede banden tussen politie en sekswerkers onderschrijft. Sekswerkers stappen in Nieuw-Zeeland ook daadwerkelijk naar de politie als ze personne recevant les images ni à sa minorité. Dès lors, montrer des images sexuelles ordinaires à un mineur ne sera pas punissable, contrairement à la production ou à la diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent. Montrer ce matériel à un mineur entraînera un alourdissement de la peine, alors que lui montrer un film à caractère sexuel, par exemple, ne serait plus punissable. Les membres du Parlement devraient se pencher sur cette contradiction. Exhibitionnisme L’exhibitionnisme, qui consiste à “imposer à la vue d’autrui ses propres organes génitaux dénudés ou un acte à caractère sexuel dans un lieu public, dans le but d’assouvir ses propres pulsions sexuelles”, doit faire l’objet d’une discussion, car le consentement consti­ tue le postulat partagé. Dans la définition reproduite ci-dessus, les auteurs semblent revenir à la notion de pudeur sociale. Or, selon l’oratrice, un exhibitionniste qui traverse un terrain de football semble moins problé­ matique qu’une personne qui s’exhibe dans un espace fermé devant une autre personne qui n’a rien demandé. 6. Dispositions communes Actuellement, le ministère public ou le juge saisi peut demander l’avis motivé d’un service spécialisé en vue de prononcer la sanction la plus appropriée. L’IEFH préconise d’imposer l’obtention de cet avis, estimant que l’examen psychologique de l’auteur est important à chaque étape de la procédure judiciaire. Imposer la demande d’un avis ne signifie pas néces­ sairement que chaque délinquant sexuel devra être traité ou accompagné, ni qu’aucune différenciation n’est possible. L’avis permettra au juge d’adapter la sanction à l’auteur et à son niveau de risque. En outre, l’évalua­ tion et la gestion des risques doivent être appliquées à toutes les infractions sexuelles. L’IEFH partage les préoccupations relatives aux conséquences pratiques de la réforme de l’approche de la prostitution. Si l’objectif visé n’est guère discutable, on peut se demander si le projet de loi poursuit efficacement cet objectif. Le projet de loi renvoie à la situation de la Nouvelle-Zélande, où tous s’accordent sur l’importance de bonnes relations entre la police et les travailleurs du sexe. En Nouvelle-Zélande, les travailleurs du sexe 2141/006 DOC 55 186 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E slachtoffer worden van seksueel geweld. In België staan de zaken er anders voor. Tot slot dringt de spreekster erop aan dat het Parlement de hervorming na doorvoering op alle vlakken goed evalueert. De omkadering zal mee uitmaken of het strafrecht met deze hervorming werkelijk de 21e eeuw binnentreedt. e. Uiteenzetting van mevrouw Herlindis Moestermans, vertegenwoordigster van de Vrouwenraad Mevrouw Herlindis Moestermans verschaft toelich­ ting over de bekommernissen en suggesties van de Vrouwenraad. Tijdsgeest en internationale regelgeving De stellers van het wetsontwerp verwijzen naar inter­ nationale verdragen en rechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad voor de Justitie. De spreekster voegt daar het VN-vrouwenrechtenverdrag en relevante aanbevelingen van het CEDAW-comité aan toe. Wat prostitutie tegen meerderjarigen betreft, wordt er niet verwezen naar relevante internationale verdragen, enkel naar pro-decriminaliseringliteratuur en de Nieuw- Zeelandse wetgeving. De memorie van toelichting moet ook aandacht hebben voor verdragen. Genderneutrale en gendergerelateerde benadering Genderneutraliteit hanteren wegens de premisse van accuraatheid omdat er te veel focus op de gelijk­ heid tussen man en vrouw zou komen te liggen, kan tot nieuwe ongelijkheid leiden volgens het wetsontwerp. De indieners verwijzen daarvoor naar een uitspraak van het EHRM, dat het geslacht van transgenders erkent maar die uitspraak werd wel later rechtgezet door het EHRM aangezien transgender geen geslacht is maar een genderidentiteit. De Vrouwenraad stelt ook voor om “transgender personen” in plaats van “transgenders” als begrip in het wetsontwerp te gebruiken. Het ontbreekt in het wetsontwerp aan een gender­ gerelateerde benadering van geweld, voornamelijk op vrouwen, nochtans een rode draad van het Verdrag van Istanbul. Ook transgender, queer en intersekse personen maken meer geweld mee dan cisgendermannen. In de bij het wetsontwerp bijgevoegde geïntegreerde impactanalyse staat dat het wetsontwerp een positieve impact zou hebben op de gelijkheid tussen vrouwen en s’adressent donc effectivement à la police lorsqu’ils sont victimes de violences sexuelles. Les choses sont différentes en Belgique. Enfin, l’oratrice exhorte le Parlement à évaluer correc­ tement tous les aspects de la réforme au lendemain de sa mise en œuvre. Ce suivi contribuera à déterminer si le droit pénal est véritablement entré dans le XXIe siècle, grâce à cette réforme. e. Exposé de Mme Herlindis Moestermans, représentante du Vrouwenraad Mme Herlindis Moestermans donne des précisions au sujet des préoccupations et des suggestions du Vrouwenraad. Esprit du temps et réglementation internationale Les auteurs du projet de loi renvoient aux conventions internationales et à la jurisprudence du Conseil d’État et du Conseil supérieur de la Justice. L’oratrice y ajoute la Convention des Nations Unies sur les droits des femmes et les recommandations pertinentes du Comité CEDAW. En ce qui concerne la prostitution des majeurs, il n’est pas renvoyé à des conventions internationales pertinentes, mais uniquement à la littérature en faveur de la décriminalisation et à la législation néozélandaise. L’exposé des motifs doit également prêter attention aux conventions. Approche genrée ou non Utiliser la neutralité de genre sous prétexte de préci­ sion car l’accent serait excessivement mis sur l’égalité homme-femme peut conduire, selon le projet de loi à l’examen, à une nouvelle inégalité. À cet égard, les auteurs renvoient à un arrêt de la CEDH, qui a reconnu le sexe de transgenres mais la CEDH a cependant rectifié cet arrêt par la suite dès lors que le transgen­ dérisme n’est pas un sexe mais une identité de genre. Le Vrouwenraad propose également d’utiliser les mots “personnes transgenres” plutôt que le mot “transgenres” dans le projet de loi. Une approche genrée de la violence, principalement celle à l’égard femmes, laquelle constitue pourtant un fil rouge de la Convention d’Istanbul, fait défaut dans le projet de loi. Les personnes transgenres, queers et intersexes sont également davantage confrontées à la violence que les hommes cisgenres. Il est indiqué dans l’analyse d’impact intégrée jointe au projet de loi que celui-ci aurait un impact positif sur l’égalité entre les femmes et les hommes, bien que 187 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mannen, al wordt die bewering niet gestaafd met bewij­ zen. De genderimpactanalyse is dus niet naar behoren gemaakt en moet worden overgedaan. Dataverzameling moet geoptimaliseerd en gepubli­ ceerd worden: zicht krijgen op het aantal vrouwelijke en mannelijke slachtoffers en hun genderidentiteit en -expressie, per seksueel delict; idem voor de daders en dit in de politionele criminaliteitsstatistieken en de gerechtelijke statistieken. De spreekster verwijst tot slot naar wetenschappelijk onderzoek zoals de recente studie van de UGent naar seksueel geweld in België (UN-MENAMAIS, Understanding the Mechanisms, Nature, Magnitude & Impact of Sexual Violence in Belgium (2017-2021). Onderzoeksproject gefinancierd door BELSPO en gecoördineerd door UGent). Toestemming en bewijslast De definitie van toestemming is correct aangepast, maar de bewijslast blijft nog steeds bij het slachtoffer. Dat heeft te maken met het vermoeden van onschuld, het adagium in ons strafrecht. De bewijslast bij de dader is geen optie volgens het wetsontwerp: niet-toestemming wordt steeds vermoed bij seksuele handelingen en de voorafgaande toestemming moet kunnen worden be­ wezen; omkering van de bewijslast zou strijdig zijn met de rechten van verdediging. Maar wat met het moreel element van het strafbaar feit? Voor een aantal misdrijven voert het wetsontwerp een wettelijke verankering in van het algemeen opzet/ wetens en willens voor reeks misdrijven (art. 417/8, 9, 10, 12, 26, 27, 30, 34, 36, 39, 40, 42, 45, 47, 48, 51, 56, 64; art. 433quater/1). In de rechtsleer zijn er momenteel grosso modo twee visies (want nu is er geen wettelijke verankering van het algemeen opzet): — Volgens de eerste strekking, gehanteerd in het voorliggende wetsontwerp, is het noodzakelijk dat de dader met algemeen opzet/de kennis en de wil (wetens willens) heeft om de verboden handeling te plegen. Het is aan de burgerlijke partij en aan de openbaar aankla­ ger om met alle middelen het bestaan van het vereiste moreel bestanddeel aan te tonen. Slachtoffers onder­ vinden echter vaak moeilijkheden om bewijsmateriaal te verzamelen, zeker als ze pas jaren later aangifte doen van de feiten. Ze moeten bewijzen dat ze niet hebben toegestemd en aantonen dat de daders wetens en wil­ lens hebben gehandeld. — Volgens de tweede strekking: wanneer de wet­ gever het moreel element van een strafbaar feit niet uitdrukkelijk of impliciet heeft gedefinieerd, volstaat het dat het strafbare feit vrijwillig en welbewust is gepleegd om schuld te doen ontstaan. In dit geval is het aan de cette affirmation ne soit pas étayée par des preuves. L’analyse d’impact quant au genre n’a dès lors pas été correctement réalisée et doit être recommencée. Il convient d’optimaliser et de publier la collecte de données pour connaître le nombre de victimes féminines et masculines ainsi que leur identité et expression de genre, par infraction sexuelle; idem pour les auteurs dans le cadre des statistiques policières relatives à la crimina­ lité et dans les statistiques judiciaires. L’oratrice renvoie enfin à la recherche scientifique, telle que l’étude récente de l’UGent relative aux violences sexuelles en Belgique (UN-MENAMAIS, Understanding the Mechanisms, Nature, Magnitude & Impact of Sexual Violence in Belgium (2017-2021). Projet de recherche financé par BELSPO et coordonné par l’UGent). Consentement et charge de la preuve La définition du consentement a été adaptée correc­ tement, mais la charge de la preuve incombe encore à la victime, en raison de la présomption d’innocence, adage de notre droit pénal. Le projet de loi indique que la charge de la preuve ne peut incomber à l’auteur: le non-consentement est toujours présumé en cas d’actes sexuels et le consentement préalable doit pouvoir être démontré; le renversement de la charge de la preuve serait contraire aux droits de la défense. Cependant, quid de l’élément moral du fait punissable? Pour certaines infractions, le projet de loi inscrit dans la loi un dol général/en connaissance de cause (art. 417/8, 9, 10, 12, 26, 27, 30, 34, 36, 39, 40, 42, 45, 47, 48, 51, 56, 64; art. 433quater/1). La doctrine distingue actuellement grosso modo deux visions (faute d’ancrage légal du dol général à ce jour): — Selon le premier courant, sur lequel est basé le projet de loi à l’examen, il est nécessaire que l’auteur ait la connaissance nécessaire et la volonté (délibérée) de commettre l’acte interdit. Il appartient à la partie civile et au procureur de prouver par tous les moyens l’existence de l’élément moral requis. Les victimes éprouvent toutefois souvent des difficultés à réunir des preuves, a fortiori si elles ne déclarent les faits qu’après des années. Elles doivent prouver qu’elles n’ont pas consenti et montrer que les auteurs ont agi sciemment et volontairement. — Selon le deuxième courant, lorsque le législateur n’a pas expressément ou implicitement défini l’élément moral d’un fait punissable, il suffit que le fait punissable ait été commis volontairement et sciemment pour faire naître la culpabilité. Dans ce cas, il appartient à l’auteur 2141/006 DOC 55 188 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dader om zich te verantwoorden om het vermoeden van schuld te weerleggen. Deze visie zou ook in het wetsontwerp kunnen worden geïntegreerd. GREVIO, de expertencommissie die gelinkt is aan het Verdrag van Istanbul, is in een evaluatierapport over Zweden positief over de invoering van de misdrijven van verkrachting en seksueel misbruik door nalatigheid. De dader wordt strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld voor het stellen van seksuele handelingen zonder vooraf over te gaan tot een redelijke verificatie van toestemming van het slachtoffer. De Vrouwenraad doet de aanbeveling om tijdens het onderzoek naar de feiten automatisch aan de dader te vragen uit welke handeling of woorden hij/zij de toe­ stemming heeft afgeleid. Wanneer de dader die vraag niet kan beantwoorden, moet dat een element zijn in de beoordeling. Politie en magistraten moeten hierover worden opgeleid. In het wetsontwerp staat dat er moet worden nagegaan dat de dader geen omstandigheden van dwang heeft gecreëerd of heeft geprofiteerd van de aanwezigheid van dergelijke omstandigheden. Het is evenwel niet duidelijk wie die controle moet uitvoeren. Het wetsontwerp stelt voorwaarden die de bewijslast voor slachtoffers verzwaren, waardoor het moeilijker wordt om hen te beschermen en daders te veroorde­ len. Als voorbeeld geldt de bepaling over de persoon in een gezags- of vertrouwenspositie, waarin staat dat zulke personen daadwerkelijk gebruik moeten hebben gemaakt van hun positie vooraleer ze een strafbaar feit hebben gesteld. Kan de positie van gezag, vertrouwen of invloed van de dader op zich niet volstaan om het bestaan van het strafbaar feit vast te stellen? Ook bij misbruik van personen die kwetsbaar zijn, kan de dader worden vervolgd als de situatie van kwets­ baarheid duidelijk is en wanneer de dader ervan op de hoogte was. Hoe kan het slachtoffer bewijzen dat zulks het geval was? Er kan worden bepaald dat dergelijke omstandigheden noodzakelijkerwijs elke toestemming van het slachtoffer uitsluiten. Minderjarigen en sexting De Vrouwenraad is tevreden met de bepalingen rond minderjarigen en sexting in het wetsontwerp. Sexting maakt deel uit van de seksuele ontwikkeling van jongeren. De vraag blijft wel hoe slachtoffers kunnen bewijzen dat ze niet met sexting hebben ingestemd. De Vrouwenraad beveelt daarom aan om in een structurele omkadering de se justifier pour réfuter la présomption de culpabilité. Ce point de vue pourrait également être intégré dans le projet de loi. Dans un rapport d’évaluation, le GREVIO, le groupe d’experts lié à la Convention d’Istanbul, se montre très positif vis-à-vis de la Suède au sujet de l’introduction des infractions de viol et d’abus sexuel par négligence. L’auteur est tenu pénalement responsable s’il a commis des actes sexuels sans procéder au pré­ alable à une vérification raisonnable du consentement de la victime. Le Vrouwenraad recommande de demander automa­ tiquement à l’auteur, au cours de l’examen des faits, de quel acte ou de quels mots il/elle a déduit le consen­ tement. Si l’auteur n’est pas en mesure de répondre à cette question, cela doit constituer un élément de l’évaluation. La police et les magistrats doivent être formés à cet égard. Il est indiqué dans le projet de loi qu’il convient de vérifier si l’auteur n’a pas créé de circonstances de contrainte ou a profité de la présence de telles circons­ tances. Il n’apparaît toutefois pas clairement qui devra réaliser ce contrôle. Dès lors que le projet de loi à l’examen fixe des condi­ tions qui alourdissent la charge de la preuve incombant aux victimes, il sera plus difficile de les protéger et de condamner les auteurs des faits. Songeons par exemple à la disposition relative aux personnes qui se trouvent en position d’autorité ou de confiance, qui énonce que ces personnes doivent effectivement avoir utilisé leur position pour commettre un fait punissable. La seule position d’autorité, de confiance ou d’influence de l’auteur des faits ne pourrait-elle pas suffire pour établir l’existence du fait punissable? En cas d’abus commis sur des personnes vulnérables, l’auteur de ces abus pourra également être poursuivi si la situation de vulnérabilité est claire et s’il avait connais­ sance de l’existence de cette situation. Comment la victime pourra-t-elle prouver que tel était bien le cas? On pourrait disposer que de telles situations excluent de facto tout consentement de la part de la victime. Les mineurs d’âge et le sexting Le Vrouwenraad se réjouit des dispositions prévues par le projet de loi à l’examen en ce qui concerne les mineurs d’âge et le sexting. S’il est vrai que le sexting fait partie du processus de développement sexuel des jeunes, la question reste néanmoins de savoir comment les victimes pourront prouver qu’elles n’ont pas consenti 189 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E en middelen te voorzien (door de gemeenschappen) zoals op Vlaams niveau wordt aangeboden door Sensoa. Boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard In dit verband moeten enkele begrippen worden verduidelijkt. — Slaat “extreem” op “pornografisch” en op “gewelddadig”? — Het misdrijf valt onder openbare zedenschennis. Wordt dan enkel de openbaarheid geviseerd? — In de memorie van toelichting worden een aantal delicten zoals wraakporno en bestialiteiten opgenomen. Moeten daar nog andere vormen aan worden toegevoegd, zoals wurgporno? — Over welke dragers gaat het? Reëel beeldmateriaal, animatie of geschreven tekst? — Hoe kunnen rechters inschatten welke beelden traumatiserend of psychisch schadelijk zijn? Incest De spreekster juicht toe dat incest in plaats van ver­ zwarende omstandigheid een strafbaar feit wordt en zodoende zwaarder bestraft, alsook dat het begrip wordt opengetrokken. Het lijkt echter problematisch dat er een leeftijdsgrens van 16 jaar wordt gehanteerd. Bij incest begonnen op jonge leeftijd en bestendiging na seksuele meerderjarigheid kan er volgens de stel­ lers van het wetsontwerp geen sprake zijn van geldige toestemming, maar zij schrijven ook strengere regels voor inzake de toestemmingsvereiste voor jongeren tussen 16 en 18 jaar. Zullen deze jongeren moeten bewijzen dat ze niet hebben toegestemd? Is het haalbaar om incest strafbaar te stellen ongeacht de leeftijd van het slachtoffer? Zo wordt de focus meer gelegd op de aard van de relatie. Er is buitenlandse wetgeving die deze richting uitgaat. au sexting. C’est pourquoi le Vrouwenraad recommande que les Communautés prévoient un encadrement et des moyens structurels tel que celui offert au niveau flamand par Sensoa. Messages à caractère extrêmement pornographique ou violent À cet égard, il convient de préciser certaines notions: — L’adverbe “extrêmement” porte-t-il à la fois sur l’adjectif “pornographique” et sur l’adjectif “violent”? — Cette infraction constitue un outrage public aux bonnes mœurs. Le projet de loi à l’examen ne vise-t-il alors que les outrages publics? — L’exposé des motifs énumère plusieurs délits comme le revenge porn et la zoophilie. Conviendrait-il d’y ajouter d’autres formes, comme la pornographie montrant des scènes de strangulation? — Quels sont les supports visés? Les images réelles, les images d’animation ou les textes écrits? — Comment le juge pourra-t-il évaluer si des images produisent ou non des effets traumatisants ou d’autres conséquences dommageables sur le plan psychique? Inceste L’oratrice se réjouit que l’inceste soit considéré non plus comme une circonstance aggravante mais comme un fait punissable et qu’il soit dès lors puni plus sévè­ rement. Si elle se réjouit aussi de l’élargissement de la notion d’inceste, il lui semble toutefois problématique d’utiliser une limite d’âge fixée à seize ans. Si les auteurs du projet de loi à l’examen estiment que, dans les cas où l’abus sexuel incestueux a commencé à un jeune âge et se poursuit après que la victime a atteint la majorité sexuelle, il ne peut pas être ques­ tion de consentement valable, ils prévoient néanmoins aussi des règles plus strictes en matière d’obligation de consentement pour les jeunes entre seize et dix-huit ans. Ces jeunes devront-ils apporter la preuve qu’ils n’ont pas donné leur consentement? Serait-il envisageable d’incriminer l’inceste sans tenir compte de l’âge des victimes? Cela permettrait de mettre davantage l’accent sur la nature de la relation entre l’auteur des faits et la victime. Il existe des lois qui vont dans ce sens à l’étranger. 2141/006 DOC 55 190 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Bestraffing en bemiddeling De voorgestelde strafverzwaringen zijn goed nieuws. Voor alle niet-consensuele handelingen wordt geen straf verminderd ten opzichte van het huidige Strafwetboek. Het wetsontwerp maakt alle alternatieve straffen voor seksuele misdrijven mogelijk omdat bestraffing de grenzen van de proportionaliteit niet mag overschrijden. Anders ontstaat er immers het gevaar dat het tegenovergestelde resultaat wordt bereikt. Over welke alternatieve straffen gaat het? In het hui­ dige strafrecht worden een aantal alternatieve straffen uitgesloten van het werkingsveld. De voorkeur van de stellers van het wetsontwerp gaat uit naar probatie en de begeleiding en behandeling van daders. Op deze thema’s wordt echter niet verder ingegaan aangezien ze deel zullen uitmaken van de algemene hervorming van het Strafwetboek. Toch pleit de Vrouwenraad voor een correct evenwicht tussen straf- en begeleidingsmaatre­ gelen. Artikel 16 van het Verdrag van Istanbul verplicht de overheid ertoe om daderbegeleidingsprogramma’s uit te werken. Wat bemiddeling betreft, wijst de spreekster op arti­ kel 48 van het Verdrag van Istanbul. Nu is er een teneur naar het verplichten tot bemiddeling, terwijl dat artikel stelt dat slachtoffers de garantie moeten krijgen dat hun vrije en geïnformeerde toestemming met bemiddeling noodzakelijk is. Bemiddeling kan voor de Vrouwenraad enkel mits garantie voor slachtoffers van hun vrije en geïnformeerde toestemming, gecombineerd met verant­ woordelijkheidstraining voor daders en met risicotaxaties. Positie van de slachtoffers Het Strafwetboek is te veel vanuit het perspectief van de dader opgesteld. Hoe kan het slachtoffer centraler staan in de uitwerking van het strafrecht? De geldboetes die aan daders worden opgelegd, lig­ gen nogal laag. Deskundigen onderzoeken welke letsels slachtoffers hebben opgelopen maar een begroting van de schade wordt vaak niet uitgevoerd. De vraag blijft ook wat in het seksueel strafrecht als billijke geldvergoeding wordt beschouwd. Zodra de procedure is ingeleid, beschikt het slachtoffer over een aantal instrumenten om informatie te vergaren. Er zijn onvoldoende maatregelen voor personen met een beperking. Hoewel slachtoffers spreekrecht hebben, vormt dit geen officieel aspect van de procedure. De piste van het spreekrecht moet volgens de Vrouwenraad Répression et médiation Le durcissement proposé des peines constitue une bonne nouvelle. Aucun acte non consensuel ne donnera lieu à une peine plus clémente que les peines prévues actuellement par le Code pénal. Le projet de loi à l’examen permettra d’infliger toutes les peines alternatives aux auteurs d’infractions sexuelles dès lors que la répression doit rester proportionnelle, sans quoi le risque est en effet d’obtenir le résultat opposé au résultat escompté. De quelles peines alternatives est-il question? Le droit pénal actuel exclut plusieurs peines alternatives dans la pratique. Les auteurs ont une préférence pour la probation ainsi que pour l’accompagnement et le traitement des auteurs. Ces thématiques ne sont toutefois pas dévelop­ pées plus en détail dès lors qu’elles feront partie de la réforme globale du Code pénal. Le Vrouwenraad plaide toutefois pour qu’un équilibre raisonnable soit trouvé entre les sanctions et les mesures d’accompagnement. L’article 16 de la Convention d’Istanbul prévoit l’obliga­ tion, pour les États parties, d’élaborer des programmes d’accompagnement des auteurs de violence. S’agissant de la médiation, l’oratrice renvoie à l’ar­ ticle 48 de la Convention d’Istanbul. L’idée est aujourd’hui de prévoir une obligation de participer à une médiation, mais ledit article 48 dispose que les victimes de violences doivent avoir la garantie que leur consentement libre et informé est nécessaire pour pouvoir commencer une médiation. Le Vrouwenraad estime que la médiation n’est envisageable que si les victimes ont la garantie que leur consentement sera libre et informé, en com­ binaison avec la formation des auteurs en matière de responsabilité et l’évaluation des risques. Le statut des victimes Le Code pénal est trop souvent rédigé du point de vue de l’auteur. Comment pourrait-on accorder une place plus centrale à la victime dans le cadre de l’élaboration du droit pénal? Les amendes infligées aux auteurs sont relativement faibles. Les experts déterminent les lésions subies par les victimes mais souvent, aucune estimation du préjudice n’est réalisée. La question reste par ailleurs de savoir ce que le droit pénal sexuel considère comme une juste indemnisation financière. Dès que la procédure a été engagée, la victime dispose d’une série d’instruments pour recueillir des informations. Les mesures prévues pour les personnes handicapées sont insuffisantes. Bien que les victimes aient droit à la parole, il ne s’agit pas d’un aspect officiel de la procédure. Le Vrouwenraad estime qu’il convient d’étudier la piste 191 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E onderzocht worden; een holistische benadering met hulpverlening tijdens onderzoek en zittingen; een aan­ klampende omkadering. Ook de wet Salduz, die niet voorziet in de aanwezigheid van een advocaat bij het verhoor, blijft een pijnpunt. Prostitutie van minderjarigen De Vrouwenraad vreest dat prostitutie van jongeren wordt vergemakkelijkt, aangezien het hun taak of die van de openbare aanklager zal zijn om te bewijzen dat de pooier of de klant op de hoogte was van hun minder­ jarigheid. Het VN-Kinderrechtenverdrag definieert een kind duidelijk als elke persoon onder de 18 jaar. Prostitutie van meerderjarigen De in het wetsontwerp opgenomen definitie van pooi­ erschap lijkt strijdig met het overeenkomstenrecht. De traditionele leer van de wilsgebreken kan worden aan­ gevuld met de bijzondere context van wervingspraktijken door expliciet te benoemen dat misleiding tot het verlenen van seksuele commerciële diensten ook valt onder de definitie van pooierschap. Biedt het wetsontwerp een voldoende sterk mandaat voor de vervolging van derden die de uitbuitende werk­ zaamheden van pooierschap faciliteren? Faciliterende derden viseren in de ontwerptekst kan nuttig zijn voor het oprollen van grote criminele netwerken die stroman­ nen inzetten. Het “afstaan van een deel van de inkomsten” wordt in het wetsontwerp te vaag geformuleerd. De spreekster stelt de notie “disproportioneel groot deel” voor. De Vrouwenraad vraagt bovendien een structureel kader voor uitstapprogramma’s uit de prostitutie. Reclame maken voor prostitutie is krachtens het wets­ ontwerp strafbaar. Aangezien het een kwetsbare sector betreft, vinden we het belangrijk dat ook de aanbieders van platformen waar reclame kan worden gemaakt (zoals Redlights, Afspraakjes.com, ...) een zekere verantwoorde­ lijkheid krijgen om dit tegen te gaan. Strikte voorwaarden (zoals het vragen van identiteitsdocumenten) bieden niet de juiste oplossing. Minder bonafide spelers op de markt zouden zich “aan de letter van de wet kunnen houden”, zonder ook echt op te treden in situaties van uitbuiting. Het lijkt ons daarom beter om “redelijke inspanningen” als criterium in de wet in te schrijven. du droit à la parole; une approche holistique associée à une aide au cours de l’enquête et des audiences; un encadrement proactif. La loi Salduz, qui ne prévoit pas la présence d’un avocat lors de l’audition, reste égale­ ment problématique. La prostitution des mineurs Le Vrouwenraad craint que la prostitution des jeunes ne soit facilitée, dès lors qu’il incombera aux mineurs ou au ministère public de prouver que le proxénète ou le client était informé de leur minorité. La Convention des Nations Unies relative aux droits de l’enfant définit un enfant comme étant tout être humain âgé de moins de dix-huit ans. La prostitution des majeurs La définition du proxénétisme énoncée dans le projet de loi semble contraire au droit des contrats. La doc­ trine classique des vices de consentement pourrait être complétée par le contexte particulier des pratiques de recrutement en mentionnant explicitement que le fait de tromper quelqu’un pour lui faire fournir des services sexuels commerciaux relève également de la définition du proxénétisme. Le projet de loi octroie-t-il un mandat suffisamment fort pour la poursuite de tiers qui facilitent les activités de proxénétisme à des fins d’exploitation? Il peut être utile de viser les tiers facilitateurs dans le projet de texte pour démanteler de grands réseaux criminels qui recourent à des hommes de paille. La “cession d’une partie des recettes” est décrite trop vaguement dans le projet de loi à l’examen. L’oratrice propose la notion de “partie disproportionnellement grande”. Le Conseil des Femmes Francophones de Belgique demande en outre la mise en place d’un cadre structurel pour les programmes de sortie de la prostitution. Selon le projet de loi, la publicité pour la prostitution est punissable. Étant donné qu’il s’agit d’un secteur vulné­ rable, nous estimons qu’il importe que les gestionnaires de plateforme sur lesquelles des publicités peuvent être diffusées (par exemple, Redlights, Afspraakjes.com, … soient responsabilisés pour empêcher ce type de publi­ cité. Des conditions strictes (prévoyant par exemple, de demander de présenter des documents d’identité) ne constituent pas une bonne solution. Certains acteurs peu honnêtes du marché pourraient s’en tenir à une interpré­ tation stricte de la loi, sans véritablement intervenir en cas d’exploitation. C’est pourquoi il nous semble préférable d’inscrire le critère d’“efforts raisonnables” dans la loi. 2141/006 DOC 55 192 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat de omschrijving van seksuele uitbuiting betreft als het abnormaal economisch voordeel of enig ander abnormaal voordeel trachten te halen uit de prostitutie van de betrokkene, vraagt de spreekster of rechters over voldoende tools beschikken om hierover te oor­ delen. Ook de bewijslast van het slachtoffer blijft een moeilijke kwestie. Bij de bespreking van het verzwaard misbruik van prostitutie verwijzen de stellers van het wetsontwerp naar de kwetsbare toestand waarin een meerderjarige verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire ad­ ministratieve toestand. In de praktijk kan het gaan om personen zonder papieren, een vorm van mensenhandel. De Vrouwenraad vreest voor de gevolgen als slachtof­ fers geen toegang meer krijgen tot ondersteuning en bescherming door de in mensenhandel gespecialiseerde opvangcentra en tot het recht op verblijf. Het ontworpen artikel 433quater/7 geeft de rechter de mogelijkheid om de inrichting waarin de uitbuiting plaatsvond, te sluiten, met uitzondering van de inrichting waar werkzaamheden worden verricht tot een opdracht van openbare dienstverlening. Wat betekent dat laatste? De leden moeten alle bepalingen aftoetsen aan in­ ternationaal relevante verdragen. Slotopmerking Het is zinvol om een multidisciplinair expertisecen­ trum seksueel geweld op te richten dat alle kennis en gegevens verzamelt. In eerste instantie is dat belangrijk voor parketten, rechters en hulpverlening. Misschien kan het expertisecentrum worden ingebed in het IGVM, vermits dat instituut nu al de Zorgcentra na Seksueel Geweld coördineert? Het centrum kan zich buigen over wetenschappelijk gevalideerde risicotaxatie-instrumenten en over vormingen voor politie, magistraten en juristen, in samenwerking met de betrokken actoren en met aandacht voor de genderdimensie. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft kennisgenomen van de verschillende en interessante standpunten, al dan niet voorstander van het ter bespreking voorlig­ gende wetsontwerp. Die adviezen zijn vaak erg volledig, technisch en onderbouwd; zij moeten grondig worden onderzocht, teneinde de rechtszekerheid en het welsla­ gen van de hervorming te waarborgen. En ce qui concerne la définition de l’exploitation sexuelle comme étant le fait de rechercher un avantage anormal économique ou tout autre avantage anormal de la prostitution de l’intéressé, l’oratrice demande si les juges disposent de suffisamment d’outils pour prendre une décision à ce sujet. La question de la charge de la preuve de la victime reste également délicate. Dans la discussion relative à l’abus aggravé de la prostitution, les auteurs renvoient à la situation de vul­ nérabilité dans laquelle se trouve une personne en raison de sa situation administrative illégale ou précaire. Il peut s’agir en pratique de personnes sans papier, ce qui constitue une forme de traite des êtres humains. Le Conseil des Femmes s’inquiète de ce qui arrivera si les victimes n’ont plus accès au soutien et à la protection offerts par les centres d’accueil spécialisés dans la traite des êtres humains et au droit de séjour. L’article 433quater/4 permet au juge d’ordonner la fermeture de l’établissement où l’exploitation a eu lieu, à l’exception de l’établissement où sont exercées des activités qui relèvent d’une mission de service public. Quel type d’établissement cette exception vise-t-elle précisément? Les membres doivent évaluer toutes les dispositions à la lumière des traités internationaux pertinents. Observation finale Il serait judicieux de créer un centre d’expertise multi­ disciplinaire en matière de violence sexuelle qui rassem­ blerait l’ensemble des connaissances et des données. Cela importerait d’abord pour les parquets, les juges et les services d’aide. Ce centre d’expertise pourrait éventuellement être institué au sein de l’IEFH, étant donné que cet institut coordonne déjà les Centres de Prise en charge des victimes de Violences Sexuelles. Ce centre pourrait s’intéresser aux instruments d’évaluation des risques validés scientifiquement et proposer des formations pour la police, les magistrats et les juristes, en collaboration avec les acteurs concernés, tout en étant attentif à la dimension du genre. 3. Échange de vues a. Questions et interventions des membres Mme Sophie De Wit (N-VA) a pris acte des différentes et intéressantes voix favorables ou pas au projet discuté. Ces avis sont souvent très complets, techniques et touffus et appellent à un important travail de réflexion de fond, afin de garantir la sécurité juridique et la réussite de la réforme. 193 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster vraagt mevrouw Stevens in hoeverre de nieuwe tekst en het oude Strafwetboek op elkaar aansluiten. Ze wijst erop dat de stemming in de Kamer over een nieuw Strafwetboek aan het einde van de vorige zittingsperiode niet kon plaatsvinden. Derhalve vraagt mevrouw De Wit in hoeverre nieuwe strafcategorieën die bepaalde elementen wijzigen, met name de afschaffing van de doorverwijzing naar de correctionele rechtbank en de zwaardere straffen, gevolgen hebben voor het op elkaar aansluiten van de nieuwe tekst en het oude Strafwetboek. Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) vindt het jammer dat de verenigingen en het middenveld niet van bij het begin werden betrokken bij het denkwerk, omdat dit thema een ernstige en alomvattende benadering vereist. De spreekster benadrukt het ontbreken van een impactanalyse, wat erop wijst dat bij de aanpak van dit probleem sprake is van een gebrek aan respect en aandacht voor de vrouwen. Voorts roept de spreekster op tot de toewijzing van aanzienlijke middelen om de situatie van de vrouwen in het veld te verbeteren. Mevrouw Vindevoghel vraagt mevrouw Stevens om toelichting en voorstellen inzake de seksuele voorzorgs­ maatregelen en vooral inzake de bewijslast, met name de fysieke, die te zwaar lijkt voor het slachtoffer en die vaak een veroordeling in de weg staat. Het lid wenst voorts meer toelichting, alsook het advies van de deskundige, over de manier waarop de Scandinavische landen te werk gaan, daar zij vaak als voorbeeld worden aangehaald door de feministische or­ ganisaties. Tevens vraagt de spreekster mevrouw Stevens om verduidelijking betreffende het grotere belang dat aan de dader moet worden toegekend, via een psycho­ logische analyse of andere middelen. Mevrouw Vindevoghel komt terug op het voorstel van mevrouw Moestermans om een kenniscentrum over seksueel geweld op te richten. De spreekster wil meer details over dat interessante idee, dat ervoor zou kun­ nen zorgen dat de organisaties in het veld meer worden betrokken bij de begeleiding en de ondersteuning van de slachtoffers. Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) beklemtoont het belang van dit wetsontwerp, zowel in de ogen van de regeringsmeerderheid, als in die van alle partijen, want die werden ruim bij de besprekingen betrokken. Zij is verheugd dat de debatten worden opengetrokken en dat diverse adviezen over de voorliggende thema’s zijn geformuleerd. De spreekster vraagt echter om de deskundigen die de minister hebben bijgestaan bij de opstelling van het wetsontwerp toe te voegen aan de S’adressant à Mme Stevens, l’intervenante soulève le problème de l’articulation entre ce nouveau texte et l’ancien code pénal. Elle rappelle que le vote d’un nouveau code pénal n’a pu intervenir à la Chambre à la fin de la précédente législature. Dès lors, pour Mme De Wit, si de nouvelles catégories de peines modifient des éléments, notamment la suppression de la correctionnalisation et l’accroissement des peines, qu’en est-il de l’impact de ces décisions sur l’articulation avec l’ancien code pénal? Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) regrette le manque d’intégration des associations et organisations de la société civile dès le début de la réflexion qui néces­ site une approche sérieuse et complète. L’intervenante souligne l’absence d’analyse d’impact qui est révélateur d’un manque de respect et de prise en considération du problème vis à vis des femmes. L’oratrice appelle en outre à l’octroi d’importants moyens permettant d’améliorer la situation des femmes sur le terrain. Mme Vindevoghel souhaite obtenir des éclaircisse­ ments et des propositions de la part de Mme Stevens au sujet des notions de précaution sexuelle et surtout à propos de la charge de la preuve, notamment phy­ sique, qui semble trop importante pour la victime et qui empêche souvent une condamnation. La membre demande également d’avantage d’infor­ mations et l’avis de l’expert à propos de l’approche sur la question des pays scandinaves, souvent montrés en exemple par les organisations féministes. L’oratrice souhaite encore obtenir une clarification de la part de Mme Stevens au sujet de l’importance accrue à porter à l’auteur, par une analyse psychologique ou d’autres moyens. Mme Vindevoghel revient sur les propos de Mme Moestermans qui propose la création d’un centre d’expertise des violences sexuelles. L’intervenante souhaite davantage de détails à propos de cette idée intéressante qui peut permettre d’impliquer les organi­ sations de terrain dans l’accompagnement et le soutien des victimes. Mme Katja Gabriëls (Open Vld) souligne l’importance de ce projet de loi pour la majorité mais aussi pour l’ensemble des partis largement impliqués dans les discussions. Elle juge positivement la globalisation des débats et la contribution d’avis différents sur les sujets abordés. L’intervenante demande toutefois à ajouter les experts qui ont œuvré à la rédaction du projet avec le ministre à la liste des personnes à auditionner, afin que ceux-ci puissent expliquer leurs positions et s’exprimer à 2141/006 DOC 55 194 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E lijst van te horen sprekers, opdat zij hun standpunten zouden kunnen toelichten en hun mening zouden kun­ nen geven voor de vandaag geformuleerde voorstellen. Zulks lijkt het lid cruciaal om de commissieleden in staat te stellen een en ander volledig geïnformeerd te kunnen interpreteren en bespreken. Mevrouw Gabriëls wijst erop dat, in tegenstelling tot wat zou kunnen worden opgemaakt uit sommige verklaringen van de sprekers, de onderliggende bedoelingen en de concrete doelstellingen duidelijk worden vermeld in het regeerakkoord; het is namelijk zaak de slachtoffers te beschermen, evenals de sekswerkers, door hen rechten en een statuut te geven. Indien wordt geopteerd voor strafbaarstelling, is correcte bescherming onmogelijk aldus het lid. Mevrouw Gabriëls is het volstrekt oneens met bepaalde uitlatingen en opiniebijdragen vanwege vertegenwoordi­ gers van de stichting Samilia; met die overdreven bewe­ ringen wordt namelijk gesuggereerd dat het voorliggende wetsontwerp het pad effent voor decriminalisering van pooierschap en voor de aanvaarding van prostitutie van minderjarigen. Het lid wijst op twee bepalingen waartus­ sen een onderscheid moet worden gemaakt, namelijk artikel 433 quater/1, waarmee pooierschap strafbaar wordt gesteld, en artikel 433 quater/4, dat het misbruik van prostitutie betreft. De spreekster meent voorts dat het niet correct is om te beweren dat het wetsontwerp beoogt de bewijslast om te keren, zoals zij heeft gelezen. Het klopt niet dat het slachtoffer voortaan moet bewijzen dat de dader wist dat het slachtoffer op het moment van de feiten minderjarig was. Mevrouw Gabriëls acht die juridische redenering fout, want de leeftijd is een openbaar gegeven dat nooit moet worden bewezen. Voorts omvat het wetsontwerp niets dat het slachtoffer er op enige wijze toe zou verplichten te bewijzen dat de dader het voornemen had de misdaad of het wanbedrijf te plegen. De spreekster vraagt zich af of sommige sprekers correct geïnformeerd zijn, dan wel bewust valse informatie verspreiden. Dat brengt haar ertoe haar verzoek te herhalen om een hoorzitting te houden met de deskundigen die aan de basis lagen van de opstelling van het nieuwe seksuele strafrecht. Mevrouw Gabriëls wil verduidelijking krijgen over het verzoek van de verenigingen om het oude artikel 480 te behouden; op grond van dat artikel zou heel de sector strafbaar blijven en zou geen onderscheid worden ge­ maakt tussen uitbuiting en de eigenlijke prostitutie. Zij heeft vragen aangaande de bezwaren tegen elke vorm van zelf uitgebate etablissementen en de zienswijze van de deskundigen en van de vertegenwoordigers propos des propositions du jour. Cela semble essentiel à l’oratrice, dans l’optique d’une interprétation et d’un traitement en toute connaissance de cause de la part des membres de la commission. Mme Gabriëls rappelle que, contrairement à ce que peuvent laisser croire certaines déclarations du jour, l’accord de gouvernement précise clairement les intentions et objectifs du projet, soit la protection des victimes et la garantie de la protection des travailleurs du sexe tout en leur attribuant des droits et un statut. Selon l’oratrice, on ne peut protéger correctement si on poursuit dans la voie de la criminalisation. Mme Gabriëls s’insurge contre certains propos et articles d’opinion de représentants de la fondation Samilia jugés excessifs en faisant croire que le projet de loi discuté ouvre la voie à une décriminalisation des proxénètes et à une acceptation de la prostitution des mineurs. La membre rappelle l’existence de deux dis­ positions à différencier, l’article 433quater/1 qui prévoit la pénalisation du proxénétisme, sans parler d’avantage anormal, et l’article 433quater/4 qui concerne les abus de la prostitution. L’oratrice estime également qu’il n’est pas correct, comme elle a pu le lire, de mettre en avant une inversion de la charge de la preuve causée par ce projet. Il n’est selon elle pas correct d’avancer que ce sera désormais à la victime de prouver que l’auteur savait que ladite victime était mineure au moment des faits. Pour Mme Gabriëls, ce raisonnement juridique est erroné car l’âge est une donnée publique qui ne doit jamais être prouvée. De même, rien dans le projet ne va dans le sens d’une obligation pour la victime de prouver que l’auteur avait l’intention de commettre le crime ou le délit. L’oratrice s’interroge à propos d’un problème de mise à disposition de l’information correcte ou d’une volonté délibérée de désinformation dans le chef de certains intervenants. Elle en profite pour réitérer sa demande d’audition des experts à la base de la rédaction du projet de nouveau code pénal sexuel. Mme Gabriëls souhaite obtenir des éclaircissements au sujet de la volonté des associations de conserver l’ancien article 480 qui continue à criminaliser l’ensemble du secteur et ne fait pas de différence entre l’exploitation et la prostitution en elle-même. Elle s’interroge au sujet de l’opposition formulée par rapport à l’exploitation de toute forme d’exploitation d’établissements en autoges­ tion et de la vision des experts et représentants des 195 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de verenigingen in het veld met betrekking tot de oplossing voor de knelpunten inzake het statuut en de sociale rechten van de sekswerkers. Tot slot verwijst de spreekster nogmaals naar de in de memorie van toelichting van het voorliggende wets­ ontwerp aangehaalde werkwijzen in andere landen, evenals naar de verwijzingen naar talrijke internationale organisaties, zoals de WHO, die zich inzetten voor de decriminalisering van het beroep van sekswerker. Mevrouw Nathalie Gilson (MR) benadrukt dat de hoorzittingen belangrijke en interessante informatie op­ leveren en aanzetten tot een heel diepgaande analyse, teneinde goed te vatten welke nuttige aanpassingen eventueel zouden kunnen worden aangebracht in het wetsontwerp. Volgens de sprekers moet ervoor worden gezorgd dat geen ongewenste neveneffecten ontstaan die het werk van politie en gerecht met het oog op de bestrijding van de uitbuiting van mensen zou ondermijnen. Kritiek is uiteraard geoorloofd, maar het lid wijst erop dat de regering bovenal en terecht het voornemen heeft de strijd aan te binden met de mensenhandel en met het seksueel geweld jegens vrouwen. Mevrouw Gilson benadrukt dat consensus heerst met betrekking tot de verwerving van sociale en juridische rechten voor mensen in de prostitutie. Het lid merkt op dat een deskundige in zijn uiteen­ zetting de ethisch relevante bedenking heeft gemaakt dat een derde in geen geval enig voordeel mag halen uit de vrijwillige terbeschikkingstelling van een lichaam voor de meest intieme doeleinden. De spreekster zou ter zake de onderbouwde adviezen van de deskundigen en van de verenigingsvertegenwoordigers willen krijgen. Mevrouw Gilson merkt op dat de harde werkelijkheid de complexiteit van dit thema in de verf zet en stelt dat in de ideale wereld prostitutie zou moeten verdwijnen. De spreekster vraagt de deskundigen naar hun aanbe­ velingen over de wijze waarop een zo goed mogelijke sociale bescherming voor de sekswerkers vorm zou moeten krijgen. Moet zulks al dan niet uitsluitend via een zelfstandigenstatuut gebeuren, dus zonder dat een arbeidsovereenkomst mogelijk is, omdat aldus in zekere zin een intrinsieke ondergeschiktheidsverhouding tussen de werknemer en de werkgever zou ontstaan? Mevrouw Vanessa Matz (cdH) interpelleert me­ vrouw Lausberg aangaande het begrip “dwang”; bij een restrictievere interpretatie van dwang zouden ma­ gistraten mogelijks geen rekening meer kunnen hou­ den met een aantal situaties die net in de definitie van “toestemming” zijn opgenomen. De spreekster zou graag over cijfermateriaal met betrekking tot vrijwillige prostitutie in ons land kunnen beschikken. Ze acht die associations de terrain quant à la résolution du problème du statut et des droits sociaux des travailleurs du sexe. L’intervenante termine en rappelant les références aux pratiques d’autres pays dans les exposés des motifs du texte débattu qui évoque également de nombreuses organisations internationales, comme l’OMS, qui se battent en faveur d’une décriminalisation de la profession de travailleur du sexe. Mme Nathalie Gilson (MR) insiste sur l’importance et l’intérêt des contenus des auditions qui appellent une analyse très approfondie afin de bien cerner ce qui peut être utile à une éventuelle modification du texte. Selon l’intervenante, il convient de s’assurer de l’absence d’effets pervers qui contrecarreraient le travail policier et judiciaire contre l’exploitation des êtres humains. Même si des critiques sont légitimes, la membre rappelle que la protection des victimes et la lutte contre la traite des êtres humains et les violences sexuelles faites aux femmes constituent l’intention première et louable du gouvernement. Mme Gilson souligne le consensus à propos de l’acquisition de droits sociaux et juridiques pour les personnes en situation de prostitution. La membre relève l’intervention d’un expert qui a du sens au niveau éthique en avançant l’idée qu’une tierce personne ne peut en aucun cas tirer un avan­ tage quelconque de la mise à disposition d’un corps, à titre volontaire, dans ce qu’il a de plus intime. L’oratrice souhaite obtenir les avis éclairés des experts et repré­ sentants des associations à ce sujet. Mme Gilson fait part de la complexité de la théma­ tique face à la dure réalité tout en émettant le souhait de voir disparaitre la prostitution dans un monde idéal. L’intervenante interpelle les experts quant à leurs recom­ mandations au sujet de la forme préconisée de mise en place d’une couverture sociale optimale destinée aux travailleurs du sexe, à développer uniquement ou pas sous la forme d’un statut d’indépendant, en écartant ainsi la possibilité d’un contrat de travail et donc d’une sorte de relation intrinsèque de subordination entre employé et employeur. Mme Vanessa Matz (cdH) interpelle Mme Lausberg au sujet d’une interprétation plus restrictive de la notion de contrainte qui pourrait empêcher les magistrats de tenir compte d’un certain nombre de situations dans la définition même du consentement. L’intervenante souhaite obtenir des données chiffrées quantifiables à propos de la prostitution consentie et volontaire dans notre pays. Pour l’oratrice, ces chiffres sont nécessaires car ils 2141/006 DOC 55 196 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E cijfers noodzakelijk, aangezien die aan de basis liggen van een aantal bepalingen en zeker aangezien bepaalde verenigingen het percentage situaties waarin toestem­ ming werd gegeven op 85 % schatten, terwijl andere net het omgekeerde beweren. Mevrouw Matz richt zich tot de stichting Samilia en vraagt of die oplossingen kan formuleren voor de mo­ gelijke hiaten in de tekst met betrekking tot de seksuele uitbuiting van minderjarigen. Moet men in gevallen van prostitutie vóór de leeftijd van 18 jaar altijd uitgaan van afwezigheid van toestemming? Het lid stelt vast dat de straf verschilt naargelang de betrokken jongeren tussen 16 en 18 jaar, dan wel minder dan 16 jaar oud zijn. Is het raadzaam ervan uit te gaan dat prostitutie bij minderjarigen van ouder dan 16 jaar minder erg is dan vóór die leeftijd? De spreekster komt terug op het statuut van de per­ soon die zich prostitueert en op het cijfer van 15 % van de gevallen waarbij dit met toestemming zou gebeuren, daarbij abstractie makend van het feit of de prostitutie al dan niet door een economische noodzaak is ingege­ ven. Mevrouw Matz zou graag een verduidelijking van de heer Clesse krijgen aangaande de mogelijkheid om de nietigheid van de overeenkomst op te heffen en aangaande de alternatieven die een zelfstandigensta­ tuut kan bieden. Ze beseft dat het onderwerp gevoelig ligt, want men zou weleens het volledige systeem aan het wankelen kunnen brengen in het zoeken naar een antwoord op een legitieme vraag naar het verwerven van een sociaal en medisch statuut. Tot slot vraagt de spreekster verduidelijkingen over hoe men op juridisch vlak een gezond evenwicht kan bereiken tussen de noodzakelijke bescherming van een grote meerderheid van de slachtoffers van mensenhandel of seksuele uitbuiting en de mogelijkheid om de sekswerkers een sociaal statuut te geven. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) zou het nuttig vinden om over precieze notities te beschikken om de uitgebreide bijdragen van de sprekers met wat afstand kunnen bekijken. De spreekster meent begrepen te hebben dat de voorliggende tekst, inclusief de memorie van toelich­ ting, prostitutie van minderjarigen sowieso verbiedt en onwettig maakt. De spreekster had over dit onderwerp verduidelijkingen van de deskundigen willen krijgen. Mevrouw Hugon vraagt of men weet heeft van stu­ dies en voorbeelden van wetgeving in het buitenland die aantonen welke impact een grondwetswijziging met betrekking tot prostitutie en pooierschap heeft op men­ senhandel. Beschikt men over andere en volledigere observaties dan die uit het veldwerk? motivent une série de dispositions, alors que certaines associations évoquent 85 % de situations consenties et d’autres l’inverse. Mme Matz s’adresse à la fondation Samilia au sujet des solutions à apporter pour contrer de possibles failles par rapport à l’exploitation sexuelle des mineurs. L’absence de consentement à la prostitution d’un mineur avant 18 ans est-elle à privilégier? Pour la membre, on constate un différence de peine entre un jeune entre 16 et 18 ans et un autre de moins de 16 ans. Est-il judicieux de consi­ dérer que la prostitution d’un mineur serait moins grave après 16 ans plutôt qu’avant cet âge? L’intervenante revient sur le statut de la personne en situation de prostitution et le chiffre de 15 % de personnes estimées libres de consentement, sans tenir compte de la contrainte économique. Mme Matz souhaite obtenir un éclaircissement de M. Clesse quant à la possibilité de levée de la nullité de contrat et aux alternatives offertes par un statut d’indépendant. Elle estime le sujet délicat car que c’est l’ensemble d’un système que l’on peut fragiliser pour répondre à une demande légitime d’acquisition de statut social et médical. L’oratrice ter­ mine en demandant des éclaircissements quant à la méthode juridique qui permettrait d’atteindre un sain équilibre entre la nécessaire protection d’une grande majorité de victimes de traite ou d’exploitation et, dans le même temps, la possibilité d’offrir un statut social aux travailleurs du sexe. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) signale l’utilité d’obtenir des notes précises permettant de prendre du recul par rapport aux riches interventions. L’intervenante déclare avoir compris que le texte débattu, dès l’exposé des motifs, interdit et exclut d’office la prostitution des mineurs. Elle souhaite des éclaircis­ sements des experts à ce sujet. Mme Hugon s’interroge au sujet de l’existence d’études et d’exemples de législations étrangères qui démontre­ raient un impact d’une modification de la constitution au sujet de la prostitution et du proxénétisme sur la traite des êtres humains. Dispose-t-on d’observations autres et plus complètes que celles issues du travail de terrain? 197 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster had van de heer Clesse graag verdui­ delijkingen gekregen met betrekking tot de evolutie in de wetgeving waarbij men ten aanzien van personen die zich prostitueren, niet langer de nietigheid van de overkomst zou kunnen inroepen. Naar verluidt heeft minister Dermagne daarover een tekst voor eerste lezing aan de regering voorgelegd. Ten aanzien van mevrouw Lausberg acht me­ vrouw Hugon het nodig te herhalen dat dwang in ieder geval toestemming uitsluit. Tot slot vraagt de spreekster de deskundigen of ze hun advies en bemerkingen kunnen geven met betrekking tot “de referentie van de redelijke persoon” die het al dan niet seksuele karakter van een handeling kan inschatten en of ze voorbeelden kunnen geven van gedrag dat op basis van de memorie van toelichting van het ontwerp mogelijk als afwijkend kan worden beschouwd. Mevrouw Laurence Zanchetta (PS) had graag van de heer Clesse de bevestiging gekregen dat pooierschap als een misdrijf wordt beschouwd, waardoor het wel degelijk een onwettig karakter krijgt en tot de nietigheid van de arbeidsovereenkomsten van de sekswerkers leidt. Die interpretatie indachtig, wijst de spreekster erop dat de depenalisering van bepaald gedrag teneinde de rechtszekerheid van die werknemers te verzekeren, de basisdoelstelling van de voorliggende hervorming is. Mevrouw Zanchetta beklemtoont de noodzaak om die juridische wijzigingen met een hervorming van de sociale wetgeving gepaard te doen gaan; ze stelt immers even­ eens vast dat sekswerkers om verscheidene redenen moeilijkheden ervaren om een zelfstandigenstatuut te verwerven. De spreekster acht het nuttig dat personen die zich prostitueren, hulp krijgen bij het verwerven van dit statuut of van dat van loontrekkende, teneinde hun een zo groot mogelijke bescherming te bieden. Volgens mevrouw Zanchetta opent de voorliggende hervorming perspectieven in die zin dat de opvatting dat pooierschap een misdrijf is, met wettelijke uitzonderingen gepaard kan gaan. Het lid vraagt zich af welke overheid bevoegd zal zijn om die bijzondere activiteit te reguleren (de Federale Staat, de gewesten of gemeenten) en welke vorm die regulering zal aannemen (vzw, coöperatieve, bedrijf enzovoort). Mevrouw Zanchetta had graag van de vertegen­ woordigers van Pag-Asa gehoord welke noden een in het veld actieve vereniging heeft om slachtoffers van mensenhandel te kunnen opvangen. De spreekster gaat in op de vragen aan dezelfde vertegenwoordigers van Pag-Asa over de verschillen Faisant écho à une information indiquant que le ministre Dermagne a fait passer un texte sur le sujet en première lecture au gouvernement, l’intervenante souhaite des éclaircissements de M. Clesse au sujet de l’évolution législative qui permettrait de ne plus pouvoir opposer la nullité de contrat aux personnes prostituées. Mme Hugon interpelle Mme Lausberg à propos de la nécessité de la répétition du fait que la contrainte exclut dans tous les cas le consentement. L’oratrice termine en demandant l’avis et les commen­ taires des experts à propos de la personne raisonnable de référence qui puisse apprécier le caractère sexuel ou pas d’une pratique et au sujet d’exemples de com­ portements pouvant potentiellement être perçus comme déviants par l’exposé des motifs du projet. Mme Laurence Zanchetta (PS) souhaite obtenir la confirmation de M. Clesse à propos du libellé de l’infrac­ tion de proxénétisme qui aboutit bien à un caractère illicite et à la nullité des contrats de travail des travail­ leurs du sexe. En tenant compte de cette interprétation, l’oratrice souligne que la dépénalisation de certains comportements afin d’assurer la sécurité juridique de ces travailleurs constitue un objectif de base de la réforme ici étudiée. Mme Zanchetta souligne la nécessité d’accompagner ces modifications juridiques par une réforme sociale car elle constate aussi les difficultés d’accès, pour différentes raisons, au statut d’indépendant pour les travailleurs du sexe. L’intervenante estime utile d’aider à obtenir ce statut ou celui de salarié afin de protéger au maximum les personnes en situation de prostitution. Mme Zanchetta juge que cette réforme ouvre certaines perspectives puisque l’infraction de proxénétisme peut potentiellement faire l’objet d’exceptions prévues par la loi. La membre se pose la question de l’autorité habi­ litée à encadrer cette activité particulière (État fédéral, régions ou communes) et de la forme possible de cet encadrement (ASBL, coopérative, société, …). Mme Zanchetta souhaite connaître l’avis des repré­ sentants de Pag-Asa au sujet des besoins nécessaires à une association de terrain dans le domaine de l’accueil des victimes de la traite des êtres humains. L’intervenante revient sur l’interrogation des mêmes représentants de Pag-Asa au sujet de différences entre 2141/006 DOC 55 198 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E tussen de artikelen van het wetsontwerp inzake het misbruik van prostitutie van minderjarigen en andere artikelen betreffende mensenhandel. De spreekster vindt dit onderscheid verantwoord, met het oog op het gemakkelijker maken van de bewijslast. Ze vraagt echter ideeën en voorstellen om die bewijslast daadwerkelijk te vergemakkelijken, en wenst te vernemen of men vindt dat op het gebied van de hulp aan slachtoffers van misbruik van prostitutie de bevoegdheden van een vereniging zoals Pag-Asa zouden moeten worden uitgebreid. De heer Ben Segers (Vooruit) vraagt mevrouw Stevens om een verduidelijking over de bepalingen betreffende porno. Hij wijst er voorts op dat de decriminalisering van de sekswerkers naar zijn oordeel een goede zaak is, maar dat de tekst moet worden verduidelijkt opdat zulks onder goede omstandigheden kan plaatsvinden. De spreker vraagt wat dezelfde deskundige vindt van artikel 76. In de memorie van toelichting wordt immers verwezen naar een correcte overeenkomst met de werkgever, maar daar is nergens anders in de tekst sprake van. Het lid wijst erop dat het pooierschap seksuele diensten omvat, maar maakt die situatie op grond van de huidige tekst de opstelling van een arbeidsovereenkomst de facto onmogelijk? Het pooierschap is verboden, behalve in de gevallen waarin de wet voorziet, en een kader wordt aangekondigd maar dit bestaat nog niet. Vindt de deskundige dat bij gebrek aan het aangekondigde kader een arbeidsovereenkomst al dan niet kan worden aanvaard? Zou een reeds geldende arbeidsovereenkomst ter discussie worden gesteld? De heer Segers vindt dat ter zake geen krijtlijnen kunnen worden uitgezet zoals bij een ander beroep en dat veel flankerende maatregelen nodig zijn. Hij plaatst ook vraagtekens bij de termijn voor dit kader en bij de concrete noden inzake voorlichtingscampagnes tegen dat het zover is. De spreker stelt mevrouw De Hovre vragen over het opzetten van essentiële opleidingen ten behoeve van de politie en de magistraten vooraleer de nieuwe tekst in de praktijk wordt toegepast. Hij acht die ondersteuning essentieel, met name om gemakkelijker het onderscheid te kunnen maken tussen het misbruik van prostitutie en mensenhandel. De heer Segers vraagt de deskundigen naar de ge­ volgen voor de openbare orde van de door de minister beoogde afschaffing van de gedoogzones. Hij vraagt hoe thans reeds waarneembare verschijnselen, zoals een verschuiving van de praktijken naar de privésfeer en een risico dat bepaalde activiteiten door onwettig verblijvende onderdanen van derde landen zullen worden verricht, binnen de perken kunnen worden gehouden. De spreker vraagt toelichting over de evolutie van de des articles du projet relevant de l’abus de prostitution de mineurs et d’autres, concernant la traite des êtres humains. Si pour l’oratrice cette distinction est justifiée par l’objectif de facilitation de la charge de la preuve, elle souhaite connaître des idées et propositions permettant de faciliter celle-ci et un avis au sujet de l’intérêt d’une extension des compétences d’une association comme Pag-Asa dans le domaine du soutien des victimes d’abus de la prostitution. M. Ben Segers (Vooruit) demande une clarification à Mme Stevens à propos des dispositions relatives au porno. Il poursuit en signalant qu’à son sens, la décrimi­ nalisation des travailleurs du sexe est une bonne chose mais il convient de préciser le texte afin que cela se passe dans de bonnes conditions. L’orateur demande l’avis du même expert au sujet de l’article 76 car si l’exposé des motifs fait référence à la notion de convention correcte avec l’employeur, il n’en est rien ailleurs. Le membre constate que le proxénétisme implique des services sexuels mais cette situation rend-t-elle de facto impos­ sible la rédaction d’une convention de travail selon le texte actuel? Si le proxénétisme est interdit, sauf dans les cas prévus par la loi, un cadre est annoncé mais n’existe pas encore. La lecture de l’expert va-t-elle dans le sens d’une acceptation ou pas d’un contrat de travail en l’absence du cadre prévu? Un contrat de travail déjà effectif serait-il remis en cause? Selon M. Segers, il ne s’agit pas d’encadrer un emploi comme les autres et cela nécessite de nombreuses mesures d’accompagnement. Il s’interroge également quant au délai de mise en place de ce cadre et des besoins concrets en termes de campagnes d’information d’ici là. L’intervenant interroge Mme De Hovre à propos de la mise en route d’essentielles formations à l’attention des services de police et des magistrats d’ici la mise en pratique du nouveau texte. Ce support lui semble essentiel, notamment pour faciliter la distinction entre les abus de prostitution et la traite des êtres humains. M. Segers questionne les experts au sujet des consé­ quences pour l’ordre public de la disparition des zones d’acceptation prévue par le ministre. Il s’interroge sur la manière de contrôler des phénomènes déjà percep­ tibles, comme un déplacement des pratiques vers la sphère privée et un risque de glissement de l’activité vers les personnes illégales. L’intervenant souhaite des éclaircissements à propos de l’évolution des pratiques de police et l’éventualité de la suppression de certaines 199 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E politiepraktijken en de mogelijke afschaffing van bepaalde controletechnieken, terwijl tot nog toe onwettige situaties zouden kunnen worden geregulariseerd. De heer Segers vraagt voorts in hoeverre de klant ervan op de hoogte kan worden gebracht dat de seks­ werker wettig aan het werk is, mochten de gedoogzones verdwijnen. Het lid verwijst naar het voorbeeld van het Antwerpse café ‘T Keteltje en vraagt of een dergelijke situatie, waarbij een uitbater op de hoogte is van men­ senhandel, op grond van de nieuwe tekst nog steeds tot een strafrechtelijke sanctie zou leiden en of de des­ kundigen zulks wenselijk achten. De spreker vraagt de deskundigen of zij een volledig artikel over het pooierschap nodig achten. Hij vindt dat dit de zaken ingewikkeld maakt en vraagt of niet beter bepaalde bestaande artikelen kunnen worden aangepast. De heer Segers vraagt mevrouw De Hovre wat zij vindt van de in te zetten beschermingsmogelijkheden en of zij kan voorspellen in hoeverre die mogelijkheden in de toekomst zullen moeten worden ingezet, daar hij dienaangaande niets terugvindt in het wetsontwerp. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) vindt het jammer dat de verenigingen in het veld niet bij de voorbereidende werkzaamheden van het wetsontwerp werden betrok­ ken en dat de op het gebied van prostitutie werkzame organisaties niet gelijktijdig konden worden gehoord. De spreekster wijst erop dat de OVB twijfels heeft bij de meerwaarde van de overdreven opsomming in de bepaling inzake de toestemming. Het lid vraagt wat de deskundigen vinden van een mogelijk risico op een tegengesteld effect, mocht de verdediging – indien er bijvoorbeeld geen extreem hoog alcoholgehalte in het bloed werd vastgesteld – aanvoeren dat het slachtof­ fer wist wat het deed. Staan zij achter de suggestie van mevrouw Lausberg inzake de heropname van het aspect “dwang”? Mevrouw Rohonyi wijst erop dat het wetsontwerp het algemeen opzet beoogt te verankeren als moreel element van de misdrijven, hetgeen de beschuldiging van een als te goeder trouw beschouwde dader zou voorkomen. Ze vraagt de deskundigen hoe de Scandinavische landen dit aanpakken. Daar wordt voorzien in de mogelijkheid om bepaalde geweldplegers te veroordelen indien zij zich niet terdege van de leeftijd en van de toestemming van het slachtoffer hebben vergewist. De spreekster wijst erop dat veel deskundigen de voor­ gestelde twee jaar verschil ter bepaling van de seksuele meerderjarigheid willekeurig vinden. Mevrouw Stevens is voorstander van de inaanmerkingneming van een groter techniques de contrôle alors que des situations jusqu’ici irrégulières pourraient être régularisées. M. Segers poursuit par la question de la mise au courant du client du caractère régulier de la situation du travailleur du sexe dans le cas de la disparition des zones d’acceptation. Le membre évoque l’exemple du café anversois ‘T Keteltje et souhaite savoir si une telle situation d’un exploitant au courant d’une traite des êtres humaines entrainerait toujours une sanction pénale avec le nouveau texte et si cela semble souhaitable aux experts. L’orateur demande l’avis des intervenants quant à la nécessité d’un article complet consacré au proxénétisme. Cette situation complique les choses selon lui et il serait peut-être opportun d’adapter certains articles existants. M. Segers interpelle Mme De Hovre au sujet de l’éva­ luation de la capacité de protection à mettre en place et de la possibilité d’une prévision de cette capacité à l’avenir, alors qu’il n’en perçoit aucune trace de mise en place dans le projet. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) regrette que les asso­ ciations de terrain n’aient pas été intégrées au travail préparatoire du projet de loi et que les organisations œuvrant dans le domaine de la prostitution n’aient pu être entendues simultanément. L’intervenante relève que l’OVB doute de la valeur ajoutée de l’énumération excessive au niveau de la disposition relative au consentement. La membre sou­ haite obtenir l’avis des experts à propos d’un risque de contre-productivité avancé dans des cas où la défense, en l’absence d’un taux d’alcoolémie excessif par exemple, pourrait se retrancher derrière le fait que la victime savait ce qu’elle faisait. La suggestion de Mme Lausberg de réintégrer la notion de contrainte est-elle partagée? Mme Rohonyi constate que le projet de loi consacre la volonté d’ériger le dol général en élément moral des infractions, ce qui éviterait l’incrimination pour un auteur estimé de bonne foi. Elle questionne les experts concer­ nant les pratiques de pays nordiques qui prévoient la possibilité de condamner certains acteurs de violences qui se seraient montrés négligents en ne s’assurant pas de l’âge et du consentement de la victime. L’intervenante fait remarquer que la différence de deux ans proposée pour déterminer la majorité sexuelle appa­ rait arbitraire à de nombreux experts. Si Mme Stevens plaide pour la prise en compte d’une plus importante 2141/006 DOC 55 200 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E leeftijdsverschil – drie jaar, vier jaar of meer – maar de spreekster vraagt welke risico’s seksueel gedrag van jongeren met niet-leeftijdsgenoten inhoudt. Het lid wijst erop dat volgens de tekst geen sprake kan zijn van toestemming indien de handelingen, in hoofde van de dader, mogelijk werden gemaakt door een gezags-, vertrouwens- of invloedspositie ten op­ zichte van de minderjarige. Is dat niet te ruim? Wie kan dan die gezagspositie erkennen? Mevrouw Rohonyi vraagt wat de deskundigen vinden van de door die begrippen geboden rechtszekerheid en van het feit dat er in die gevallen automatisch geen sprake kan zijn van toestemming. De sprekers halen eveneens gynaecologisch en ob­ stetrisch geweld aan, hoewel dit niet in het ontwerp is opgenomen. De spreekster vraagt zich bijgevolg af of het niet nuttig is hierover met de artsenverenigingen en de orde van artsen een gedachtewisseling te houden; die zou onder andere kunnen gaan over de middelen waarmee en de plaatsen waarop men dit type geweld kan bestraffen. Moeten de juridische instrumenten waarmee strijd tegen dat geweld kan worden geleverd, in een specifieke strafwet worden opgenomen of moeten ze in het gemeenrecht worden geïntegreerd? Wat prostitutie betreft, vindt mevrouw Rohonyi dat het begrip “abnormaal voordeel” voor problemen zorgt. Ze zou graag over concrete voorbeelden beschikken zodat ze zich een idee kan vormen van de complexiteit van de tenuitvoerlegging van dat begrip. Ook het begrip “misbruik van prostitutie” levert, wat de bewijslast betreft, problemen op. De spreekster stelt vast dat dit concept niet in de internationale teksten voorkomt; dat is wel zo voor het begrip “mensenhandel”, dat in talrijke internationale verdragen wordt erkend. De spreekster zou graag een bevestiging krijgen dat er inderdaad op het internationale niveau een verschil in erkenning van die twee begrippen is. Mevrouw Rohonyi wijst op de vragen die de term “ver­ zwaard misbruik van prostitutie” oproept; men spreekt van “verzwaard misbruik van prostitutie” wanneer de persoon zich in een (maatschappelijk) kwetsbare situatie bevindt. Het lid heeft de indruk dat men in het ontwerp een duidelijk onderscheid wil maken tussen vrijwillige en gedwongen prostitutie. Kunnen de deskundigen ermee instemmen dat personen die zich prostitueren, dat niet noodzakelijk doen omdat ze zich in een precaire situatie bevinden? Kan men er niet van uitgaan dat het overgrote deel van de personen die zich prostitueren, hiertoe door de omstandigheden worden gedwongen, hetzij omdat ze lid zijn van een netwerk, hetzij omdat ze zich in een différence d’âge – trois, quatre ans ou plus – l’oratrice s’interroge sur le risque d’exposition de jeunes à des comportements sexuels non pratiqués avec des ado­ lescents de leur âge. La membre constate que le texte prévoit l’impossibilité d’accorder son consentement dans les cas où l’acte a été rendu possible, dans le chef de l’auteur, par une position d’autorité, de confiance ou d’influence sur le mineur. Cette notion n’est-elle pas trop large? Qui peut alors reconnaître cette position d’autorité? Mme Rohonyi interroge les experts quant à la sécurité juridique offerte par ces notions et sur l’opportunité d’exclusion d’office du consentement dans ces cas. Si le sujet des violences gynécologiques et obsté­ tricales est absent du projet, il est néanmoins relevé par les intervenants. L’oratrice s’interroge dès lors sur l’opportunité de mener une réflexion, de concert avec les associations et l’ordre des médecins, qui porte, entre autres, sur les moyens et les lieux permettant de pénaliser ce type de violences. Les outils juridiques de lutte contre celles-ci doivent-ils faire l’objet d’une loi pénale spécifique ou être intégrés au droit commun? Au sujet de la thématique de la prostitution, Mme Rohonyi estime que la notion d’avantage anormal se révèle problématique. Elle souhaite connaître des exemples concrets qui permettent de se faire une idée de la complexité de la mise en œuvre de cette notion. Pour l’intervenante, la notion d’abus de la prostitution pose également problème, au niveau de la charge de la preuve. Elle constate que ce concept est absent des textes internationaux, au contraire de la notion de traite des êtres humains, reconnue dans de nombreuses conventions internationales. L’oratrice souhaite obtenir confirmation de cette différence de reconnaissance conceptuelle au niveau international. Mme Rohonyi évoque la question soulevée par la notion d’abus de prostitution aggravé, lorsque la per­ sonne se trouve en situation de vulnérabilité, notamment sociale. La membre exprime l’impression d’une volonté du projet de vouloir effectuer une distinction nette entre prostitution volontaire et prostitution forcée. Les experts sont-ils d’avis que l’on peut considérer que les personnes qui se prostituent ne le font pas d’office en raison d’une situation précaire? Ne peut-on pas considérer que les personnes qui se prostituent le font en très grande majo­ rité forcées par les circonstances, soit par un réseau, soit en raison d’une situation très précaire, et qu’avec le projet de loi, ces personnes précaires seront moins 201 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zeer kwetsbare situatie bevinden? Dreigen die kwetsbare personen niet minder beschermd te worden aangezien ze het feit dat er misbruik van hun kwetsbaarheid wordt gemaakt, zullen moeten bewijzen? De spreekster is bang dat ontelbare advertenties zoals Richmeetbeautiful aan de wet zullen voldoen, terwijl minderjarigenprostitutie vooral via sociale net­ werken – TikTok in het bijzonder – een hoge vlucht neemt. Mevrouw Rohonyi vraagt de heer Clesse of hij het fenomeen waarbij jonge meisjes via sociale netwerken worden geronseld, kan kwantificeren en of hij een schets kan geven van het type hindernissen waarmee de politie en het gerecht bij de preventie en sanctionering van dergelijke situaties te maken krijgen. Moet men volgens de deskundigen advertenties die op prostitutie gericht zijn, nog meer reglementeren of volledig verbieden? Mevrouw Rohonyi stelt vast dat van overheidswege gesubsidieerde verenigingen ijveren voor de kwaliteit van de geestelijke en seksuele gezondheid van perso­ nen met een handicap. Het lid vraagt zich af op welke manier men voor die praktijken in een kader kan voor­ zien dat tegelijk voorkomt dat personen met oneerlijke bedoelingen er gebruik van maken om hun activiteiten te vermommen als seksuele bijstand, terwijl hun bedrijf eigenlijk teert op de seksuele uitbuiting van derden. Hoe kan men zich ervan vergewissen dat personen met een geestelijke beperking wel degelijk hun toestemming heb­ ben gegeven? Moet in een afwijking worden voorzien wanneer het gaat om bijvoorbeeld seksuele bijstand om medische redenen? Hoe kunnen voor die “dienst” mensen worden gevonden – wat nu al heel moeilijk is – als reclame verboden is? Mevrouw Els Van Hoof (CD&V) merkt op dat men met het wetsontwerp een bijkomende bescherming wil bieden aan minderjarige sekswerkers op wie de verzwarende bepalingen van misbruik van prostitutie en van abnormale voordelen van prostitutie niet van toepassing zijn. De spreekster stelt voor om die begrippen te verduidelijken en daarbij uit te sluiten dat ze op uiteenlopende wijzen kunnen worden geïnterpreteerd; op die manier kunnen mensenhandelaars geen voordeel halen uit de beoogde bescherming. De spreekster vraagt zich bovendien af of een seksuele dienst kan worden beschouwd als het te baat nemen van een abnormaal voordeel. De spreekster meent dat men in het buitenland de manier waarop België de hulp aan slachtoffers van mensenhandel aanpakt, als voorbeeld neemt en dat men moet voorkomen dat de voorliggende hervorming afbreuk doet aan onze goede naam op dat vlak. Het lid zou willen weten of er naast het Nieuw-Zeelandse mo­ del, waarop het wetsontwerp is gebaseerd, nog an­ dere modellen tot voorbeeld kunnen strekken. Ze is protégées en ce qu’elles devront prouver l’abus de leur situation de vulnérabilité? L’intervenante fait part de sa crainte de voir légaliser de nombreuses publicités comme Richmeetbeautiful, en sachant que la prostitution des mineurs a explosé, notamment via les réseaux sociaux et notamment TikTok. Mme Rohonyi interpelle Mr Clesse au sujet d’une quan­ tification du phénomène de recrutement de jeunes filles par les réseaux sociaux et du type d’obstacles rencon­ trés par la police et la justice dans la prévention et la sanction de ces situations. De l’avis de l’expert, faut-il réglementer davantage ou interdire complètement la publicité à des fins de prostitution? Mme Rohonyi constate que des associations subsi­ diées par les pouvoirs publics œuvrent à la qualité de la santé mentale et sexuelle de personnes handicapées. La membre s’interroge sur la manière de donner un cadre à ces pratiques en évitant que des trafiquants ne profitent de cette réglementation pour faire passer leurs activités pour de l’assistance sexuelle camouflant ainsi une entreprise d’exploitation sexuelle d’autrui. Comment s’assurer du consentement des personnes en situation de déficience mentale? Doit-on prévoir des dérogations quand l’assistance sexuelle est réalisée à des fins médi­ cales par exemple? Comment recruter des personnes pour assurer ce “service”, ce qui est déjà très difficile aujourd’hui, si la publicité est interdite? Mme Els Van Hoof (CD&V) fait remarquer que le projet de loi a pour objectif d’accorder une protection supplémentaire aux travailleurs du sexe mineurs qui ne tombent pas sous les dispositions aggravantes d’abus de prostitution et de bénéfice d’avantages anormaux de la prostitution. L’intervenante appelle à préciser ces notions, en évitant les différentes possibilités d’interprétations, afin d’éviter que des trafiquants d’êtres humains ne puissent profiter de cette protection envisagée. L’oratrice s’interroge en outre au sujet de la possibilité de prise en compte d’une prestation sexuelle en tant que prise de bénéfice d’avantage anormal. L’oratrice estime que la gestion belge de l’aide aux victimes de la traite des êtres humains est montrée en exemple à l’étranger et il convient d’éviter que la pré­ sente réforme y porte atteinte. Le projet de loi s’inspire du modèle néo-zélandais et la membre souhaite savoir si d’autres modèles peuvent éventuellement servir d’exemples dans ce domaine et si d’autres études d’impact peuvent inspirer le législateur belge afin de 2141/006 DOC 55 202 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E eveneens geïnteresseerd in andere impactstudies die de Belgische wetgever kunnen inspireren in zijn streven naar een hervorming van de wetgeving op het sekswerk die geen gevolgen zou hebben voor de aanpak van de mensenhandel. Mevrouw Van Hoof had ook graag verduidelijkingen gekregen met betrekking tot de seksuele zelfbeschikking waarnaar mevrouw Stevens verwijst. Ze stelt vast dat het mogelijk is zijn toestemming te geven wanneer men tussen de 14 en 16 jaar oud is, gesteld dat het leeftijds­ verschil met de partner niet meer dan 2 jaar bedraagt. Achten de experten het verstandig om naar een meer getrapte oplossing te zoeken, teneinde beter rekening te houden met de wil en het vermogen tot zelfbeschikking van de minderjarigen? Mevrouw Katleen Bury (VB) vraagt zich af of er een oplossing voor het prostitutieprobleem bestaat, naast een algeheel verbod op iedere vorm van reclame ervoor. Ze vraagt aan de experten of er andere denksporen zijn waarmee wordt belet dat pooiers vrijuit gaan. De spreekster vraagt aan professor Stevens om het begrip “seksuele zorgvuldigheid” te verduidelijken en uit te leggen. Mevrouw Bury komt terug op het idee om het versturen van afbeeldingen van geslachtsorganen strafbaar te maken; beoogt men hiermee enkel feiten van exhibitionisme of ook om het even welk beeld dat men van het Internet plukt? In het laatste geval zouden dit weleens tot een wildgroei aan rechtsgedingen kun­ nen leiden. Het lid vraagt mevrouw Moestermans om verduidelij­ king en informatie aangaande de verwijzing tijdens haar betoog naar het begrip “nalatigheid” bij de toepassing van de bewijslast in Zweden. Mevrouw Bury wijst erop dat het Verdrag van Istanbul bemiddeling zoveel mogelijk uitsluit en therapie voor de dader vooropstelt. Zijn de experten gewonnen voor het uitsluiten van elke vorm van bemiddeling tussen dader en slachtoffer of zien ze meer heil in therapie voor de dader van de feiten? Tot slot betreurt de spreekster dat er van bij het begin van de procedure geen advocaat op het verhoor van het slachtoffer aanwezig is. Dat is volgens mevrouw Bury des te erger wanneer men weet dat de dader of de verdachte kan rekenen op de steun van een raadsman; het slachtoffer echter kan enkel op gratis bijstand een beroep doen wanneer het parket de zaak voor de cor­ rectionele rechtbank heeft gebracht, op een moment dat men al veel gerechtelijke handelingen heeft gesteld. veiller à éviter des conséquences d’une réforme de la législation du travail du sexe sur la gestion de la traite des êtres humains. Mme Van Hoof souhaite également des éclair­ cissements au sujet de l’auto-disposition sexuelle à laquelle Mme Stevens fait référence. Elle constate qu’entre 14 et 16 ans il est possible de donner son consentement pour peu qu’il n’y ait pas plus de deux ans d’écart avec son partenaire. Les experts estiment-ils judicieux de trouver une solution plus progressive afin de mieux tenir compte de la volonté et de la capacité d’auto-disposition des mineurs? Mme Katleen Bury (VB) se demande s’il existe une solution au problème de la prostitution à part la sup­ pression pure et simple de toute forme de publicité. Elle questionne les experts à propos d’autres pistes qui per­ mettent d’éviter que les proxénètes ne restent impunis. L’intervenante demande au professeur Stevens de clarifier et de développer la notion de précaution sexuelle. Mme Bury revient sur l’idée de rendre punissable l’en­ voi d’images de sexes et souhaite savoir si cela vise uniquement les faits d’exhibitionnisme ou également n’importe quelle image tirée d’internet, auquel cas on risque d’assister à une explosion des actions judiciaires. Faisant suite aux propos de Mme Moestermans, la membre demande une clarification et des informations concernant la référence à la notion de négligence dans l’application de la charge de la preuve en Suède. Mme Bury signale que la Convention d’Istanbul exclut la médiation tant que possible pour favoriser la théra­ pie de l’auteur. Les experts sont-ils plutôt partisans de l’exclusion de toute médiation entre auteur et victime ou sont-ils davantage favorables à une thérapie de l’auteur des faits? L’intervenante termine en regrettant l’absence d’un avocat lors de l’audition de la victime, dès le début de la procédure. C’est selon Mme Bury d’autant plus discrimi­ natoire que l’auteur ou le suspect profite de l’appui d’un conseil, au contraire de la victime, qui ne bénéficie de l’assistance gratuite que si le parquet a renvoyé l’affaire devant le tribunal correctionnel, alors que de nombreux actes judicaires ont déjà été posés. Les experts sont- ils d’avis d’appliquer le système pro deo ou de plutôt 203 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Zijn de experten voorstander van het toepassen van het pro-deosysteem of zouden ze die bijstand liever in de burgerlijke-aansprakelijkheidsverzekering geïntegreerd zien? b. Antwoorden van de sprekers en replieken M. Charles-Eric Clesse ontkent stellig dat Samilia nep­ nieuws heeft verspreid. De spreker heeft het wetsontwerp correct gelezen, in tegenstelling tot mevrouw Gabriëls die te vuur en te zwaard een ontwerp van een lid van haar eigen partij verdedigt. De ontworpen artikelen 433quater/1 en 433qua­ ter/4 stellen beide het pooierschap strafbaar maar hanteren uiteenlopende formuleringen: enerzijds het pooierschap als zodanig, anderzijds het nastreven van een abnormaal voordeel. In artikel 433quater/1 wordt verboden om een meerderjarige ertoe aan te zetten of te dwingen commerciële seksuele diensten te verlenen of te blijven verlenen, of een meerderjarige ertoe aan te zetten of te dwingen om een deel of het geheel van de inkomsten uit deze diensten af te staan – het gaat met andere woorden om een abnormaal voordeel zoals bedoeld in artikel 433quater/4. Het verbaast de spreker dat er wordt gesproken over het legaliseren van prostitutie, terwijl prostitutie al decen­ nia niet meer strafbaar is. Pooiers daarentegen worden vervolgd wanneer ze aan uitbuiting doen. Sociaal statuut van sekswerkers De goede zeden zijn in de tijd en in de ruimte veran­ derlijk. Omdat prostitutie ingaat tegen de huidige goede zeden, is elke arbeidsovereenkomst met als doelstelling prostitutie automatisch nietig, zelfs als de overeenkomst ook geoorloofde doelstellingen bevat. Wat de kwestie betreft of sekswerkers zelfstandigen dan wel loontrekkenden zijn, stipt de spreker aan dat overeenkomstig het Belgisch recht het niet mogelijk is om een arbeidscontract aan iemand op te dringen, maar evenmin om iemand te verbieden om een contract aan te gaan. Een van de mogelijke oplossingen is volgens de spreker dan ook om ze allebei toe te laten. Het is moeilijk om cijfergegevens in te zamelen aan­ gezien er geen studies zijn gevoerd waaruit duidelijk zou blijken hoeveel procent van de betreffende vrouwen al dan niet uit vrije wil de prostitutie is ingegaan. Over vrouwen die vrijwillig willen bijverdienen door zich te prostitue­ ren, kan men evenwel ook opwerpen dat ze financieel kwetsbaar zijn en dus geen andere keuze hebben. In dit favoriser l’intégration de cette assistance dans le cadre de l’assurance familiale? b. Réponses des intervenants et répliques M. Charles-Eric Clesse réfute catégoriquement l’allé­ gation selon laquelle Samilia a diffusé des fausses informations. L’orateur a lu correctement le projet de loi, contrairement à Mme Gabriëls qui défend bec et ongles un projet d’un membre de son parti. Les articles 433quater/1 et 433quater/4 en projet érigent tous deux le proxénétisme en infraction, mais utilisent des formulations différentes: d’une part, le proxénétisme en tant que tel et, d’autre part, la recherche d’un avantage anormal. L’article 433quater/1 interdit d’inciter ou contraindre un majeur à fournir ou à conti­ nuer de fournir des services sexuels commerciaux ou d’inciter ou contraindre un majeur à renoncer à une partie ou à la totalité des revenus de ces services – il s’agit, en d’autres termes, d’un avantage anormal visé à l’article 433quater/4. L’intervenant s’étonne qu’il soit question de la léga­ lisation de la prostitution, alors que celle-ci n’est plus punissable depuis déjà des décennies. Les proxénètes, en revanche, sont poursuivis en cas d’exploitation. Statut social des travailleurs du sexe Les bonnes mœurs évoluent dans le temps et dans l’espace. Dès lors que la prostitution est contraire aux bonnes mœurs actuelles, tout contrat de travail ayant pour finalité la prostitution est automatiquement nul, même si le contrat contient également des objectifs légitimes. Concernant la question de savoir si les travailleurs du sexe sont indépendants ou salariés, l’orateur souligne qu’en vertu du droit belge, il est impossible d’imposer un contrat de travail à une personne, mais qu’il est tout autant impossible d’interdire à quelqu’un d’accepter un contrat. L’une des solutions possibles, selon l’orateur, consiste dès lors à autoriser ces deux situations. La collecte de données chiffrées s’avère difficile, dès lors qu’il n’existe aucune étude qui indiquerait clairement le pourcentage des femmes concernées qui se sont prostituées librement. Quant aux femmes qui souhaitent volontairement obtenir des revenus complémentaires en se prostituant, on peut cependant également objec­ ter qu’elles sont financièrement vulnérables et n’ont 2141/006 DOC 55 204 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geval vallen ze onder artikel 433quinquies dat verbiedt om misbruik te maken van de iemands kwetsbaarheid. De spreker stelt voor om artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten te wijzigen. Het artikel schrijft voor dat de nietigheid van de overeenkomst niet kan worden ingeroepen ten aanzien van de rechten van werknemer wanneer arbeid wordt verricht in de speelzalen. Het doelpubliek van speelzalen lijdt er namelijk altijd verlies. Vandaar ook allerlei koninklijke besluiten die trekkingen en kraskaarten legaal maken. Op vergelijkbare wijze zou kunnen worden bepaald dat de nietigheid van een prostitutiecontract niet kan worden ingeroepen door de pooier. Het Arbeidshof van Bergen en de Arbeidsrechtbank van Luik hebben het verzoek van sekswerkers die hun verschuldigde bezoldiging opeisten, afgewezen vanwege de nietigheid van de overeenkomst. Dit is dus een reëel probleem. Er zijn ook enorm veel zelfstandige sekswerkers. Men zou dan ook in een nieuwe uitbreiding van de sociale zekerheid moeten voorzien door de bescherming voor werknemers uit breiden naar zelfstandigen. Er wordt dus ingezet op de arbeidsovereenkomst, want er zullen altijd sekswerkers met een arbeidsover­ eenkomst zijn, maar ook op de versteviging van het sociaal statuut van zelfstandigen. Impact van prostitutie en pooierschap op mensenhandel Voorafgaand merkt de spreker op dat aangemeld zijn bij de sociale zekerheid – wat sekswerkers overigens al kunnen doen, zij het niet met die functieomschrijving – mensenhandel niet automatisch uitsluit. Artikel 433quin­ quies, 3°, van het Strafwetboek viseert de uitbuiting van werk of diensten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het is moeilijk om in te schatten welke impact het uit de strafrechtelijke sfeer halen van pooierschap zal hebben op de mensenhandel. Samilia legt momenteel de laatste hand aan een vergelijkend onderzoek. De wetgeving in de Noordse landen bestaat eruit om prostitutie en zo­ doende ook mensenhandel te verbergen. Door klanten te verbieden een beroep te doen op de diensten van sekswerkers hebben de Scandinavische wetgevers het probleem louter verplaatst. De zogenaamde loveboats uit de jaren 80 zijn terug: ze varen uit naar internationale wateren waar geen nationale wetgeving meer geldt. donc pas d’autre choix. Dans ce cas, elles relèvent de l’article 433quinquies qui interdit d’abuser de la situation de vulnérabilité d’une personne. L’orateur propose de modifier l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail. Cet article dispose que la nullité du contrat ne peut être opposée aux droits du travailleur lorsque des presta­ tions de travail sont fournies dans les salles de jeu. Le groupe cible des salles de jeu subit en effet toujours des pertes. C’est pourquoi il existe toutes sortes d’arrêtés royaux qui légalisent les tirages et les cartes à gratter. Par analogie, la loi pourrait prévoir que le proxénète ne peut pas invoquer la nullité d’un contrat de prostitution. La cour du travail de Mons et le tribunal du travail de Liège ont rejeté une demande de travailleurs du sexe qui exigeaient la rémunération qui leur était due en raison de la nullité du contrat en cause. Il s’agit dès lors d’un réel problème. En outre, une multitude de travailleurs du sexe étant indépendants, il conviendrait de prévoir une nouvelle extension de la sécurité sociale qui étendrait la protection dont bénéficient les travailleurs salariés aux travailleurs indépendants. On mise dès lors sur le contrat de travail, car il y aura toujours des travailleurs du sexe liés par un contrat de travail, mais également sur le renforcement du statut social des travailleurs indépendants. Impact de la prostitution et du proxénétisme sur la traite des êtres humains L’orateur fait observer au préalable que le fait d’être déclaré à la sécurité sociale – ce que les travailleurs du sexe peuvent d’ailleurs déjà faire, fût-ce sans description de fonction – n’exclut pas automatiquement la traite des êtres humains. L’article 433quinquies, 3°, du Code pénal vise l’exploitation du travail ou de services, dans des conditions contraires à la dignité humaine. Il est difficile d’évaluer quel sera l’impact du retrait du proxénétisme de la sphère pénale sur la traite des êtres humains. Samilia finalise actuellement une étude comparative. La législation des pays nordiques vise à cacher la prostitution et, ce faisant, la traite des êtres humains également. Les législateurs scandinaves ont simplement déplacé le problème en interdisant aux clients de faire appel aux services des travailleurs du sexe. Les “loveboats” des années 80 sont de retour. Ceux-ci naviguent dans les eaux internationales, où aucune législation nationale n’est plus d’application. 205 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Franse politiediensten daarentegen maken er absoluut geen prioriteit van om klanten te bestraffen. Enkel in Orange en Parijs zijn (onbeduidend weinig) processen- verbaal opgesteld. Pooierschap bestraffen, zorgt er dus alleen voor dat het probleem verhuist. Pooierschap dat geen abnormaal voordeel genereert noch delen van de inkomsten van de sekswerkers inpalmt, uit de straf­ rechtelijke sfeer halen, zou uitmonden in een officieel pooierschap. Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten en Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstel­ ling worden dan ook van toepassing. Er is heel weinig rechtspraak voorhanden over de re­ latie tussen pooierschap en onroerend goed. De spreker vermeldt ter illustratie een arrest van het Antwerpse hof van beroep uit 1999 waarin de uitbater van een bordeel aan elke prostituee 350 euro per week en per shift vroeg. De verdachte stelde dat hij veel geld moest uitgeven aan onderhoudskosten en dat de maximale bezettingsgraad van zijn inrichting niet werd bereikt. Het Hof verwierp die argumentatie omdat de verdachte er niet toe in staat was om een koopakte, boekhouding en factuur voor onderhoudswerken voor te leggen. Quid wanneer hij die documenten wel had kunnen voorleggen? Het is lastig om het abnormaal voordeel te kwantificeren. Arresten van het Grondwettelijk Hof wijzen uit dat het abnormaal voordeel niet wordt bepaald op basis van de omzet, maar het is niet duidelijk op basis waarvan dan wel. Elk geval moet bijgevolg apart worden bestudeerd. Zijn er voldoende middelen beschikbaar om loverboys, die op het internet meisjes met een gebrek aan affectie uitzoeken, op te sporen? De afdeling mensenhandel van de federale gerechtelijke politie van Charleroi heeft twee weken geleden haar werking stopgezet wegens gebrek aan personeel, terwijl mensenhandel een federale prioriteit is. In Bergen bestaat de afdeling nog uit twee medewerkers die tegelijkertijd in een andere afdeling werken, in Doornik gaat het om vier medewerkers. Justitie kan te weinig optreden door die schrijnende personeels­ tekorten bij de gerechtelijke politie. Het voorliggende wetsontwerp zal de zaken nog ingewikkelder maken. De depenalisering van pooierschap dreigt verwarring te zaaien op vlak van slachtofferbescherming en de bestrijding van mensenhandel, waardoor justitie niet langer zal willen vervolgen aangezien justitie steeds moet kunnen bewijzen dat er een misdrijf is gepleegd. De onafhankelijke Group of Experts on Action against Trafficking in Human Beings (GRETA) licht België mo­ menteel voor de derde keer door. GRETA zou zich zorgen kunnen maken over het feit dat de federale overheid een wetsontwerp bestudeert dat ingaat tegen het EVRM en En revanche, les services de police français n’ont absolument pas pour priorité de sanctionner les clients. Seuls les services de police d’Orange et de Paris ont dressé des procès-verbaux (en nombre insignifiant). Punir le proxénétisme ne fait donc que déplacer le problème. Retirer de la sphère pénale le proxénétisme qui ne génère pas un avantage anormal et qui ne prélève pas une par­ tie des revenus des travailleurs du sexe aboutirait à un proxénétisme officiel. La directive 2006/123/CE relative aux services et la directive 96/71/CE concernant le déta­ chement de travailleurs seraient dès lors d’application. Il existe très peu de jurisprudence sur la relation entre le proxénétisme et l’immobilier. Pour illustrer son propos, l’orateur mentionne un arrêt de la cour d’appel d’Anvers de 1999 concernant un exploitant d’une mai­ son close qui demandait à chaque prostituée 350 euros par semaine et par roulement. Le prévenu a fait valoir qu’il devait dépenser des sommes importantes en frais d’entretien et que le taux d’occupation maximal de son établissement n’avait pas été atteint. La cour a rejeté cette argumentation étant donné que le prévenu n’a pas été en mesure de présenter un acte d’acquisition, une comptabilité, ni une facture pour les travaux d’entretien. Quid s’il avait toutefois pu présenter ces documents? L’avantage anormal est difficile à quantifier. Des arrêts de la Cour constitutionnelle indiquent que l’avantage anor­ mal n’est pas déterminé sur la base du chiffre d’affaires, mais ne précisent pas sur quelle base il est déterminé. Chaque cas doit dès lors être apprécié séparément. Dispose-t-on de suffisamment de moyens pour repé­ rer les loverboys, qui sélectionnent des jeunes filles en manque d’affection sur internet? Il y a deux semaines, la section traite des êtres humains de la police judiciaire fédérale de Charleroi a cessé ses activités à cause d’un manque de personnel, alors que la traite des êtres humains est une priorité fédérale. À Mons, la section ne compte plus que deux collaborateurs qui travaillent également dans une autre section et à Tournai, on parle de quatre collaborateurs. La Justice ne peut pas intervenir suffisamment à cause de ces manques criants de personnel au sein de la police judiciaire. Le projet de loi à l’examen compliquera encore les choses. La dépénalisation du proxénétisme risque de semer la confusion au niveau de la protection des victimes et de la lutte contre la traite des êtres humains, de sorte que la justice ne voudra plus poursuivre parce qu’elle devra toujours être en mesure de prouver qu’une infraction a été commise. Le Groupe indépendant d’experts sur la lutte contre la traite des êtres humains (GRETA) effectue actuellement sa troisième visite d’évaluation en Belgique. Le GRETA pourrait s’inquiéter du fait que les autorités fédérales examinent un projet de loi qui va à l’encontre de la CEDH 2141/006 DOC 55 206 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel. Mevrouw Sandrine Cnapelinckx beaamt de nood­ zaak om aan te geven dat een minderjarige nooit kan instemmen met prostitutie. Prostitutie van minderjarigen bestaat overigens niet: het gaat steevast over de seksuele uitbuiting van minderjarigen. Het is duidelijk dat de stellers van het wetsontwerp niet op de hoogte zijn van vraagstukken in de mensen­ handel, noch op juridisch niveau, noch wat de prakti­ sche gevolgen betreft. Grooming is mensenhandel. De spreekster begrijpt niet waarom er een apart misdrijf van wordt gemaakt. Het kan verstandig zijn om in de tekst gedetailleerder te vermelden welk misdrijf zou moeten worden vervolgd. Toch gaat het sowieso om mensen­ handel aangezien artikel 443quinquies niet vereist dat het misdrijf daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Waarom bevat het ontworpen artikel 417/27 de zins­ snede “zelfs met zijn toestemming” aangezien er geen sprake kan zijn van toestemming? Zulke semantische verschuivingen zijn problematisch. Wat het algemeen opzet betreft, bevat het wetsont­ werp een wijziging van het Boek 1, waarmee men de gradaties binnen de morele elementen van een misdrijf, schuldbestanddelen genoemd, wil vastleggen. Er zijn vier gradaties. De hoogste daarvan is het bijzonder opzet. Het algemeen opzet, namelijk wetens en willens een strafbaar gedrag stellen, komt op de tweede plaats. De memorie van toelichting gaat in het kader van de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting uit van het algemeen opzet. Het zonder rechtvaardiging aannemen van het strafbaar gestelde gedrag dat de uiting is van het niet nakomen van de algemene verplichting tot waakzaamheid waartoe de dader gehouden is, komt als moreel element op de derde plaats. Wat de seksuele uitbuiting van minderjarigen betreft, vraagt de spreekster zich af waarom men werkt met een verzwarende omstandigheid, terwijl er op zich al sprake zou kunnen zijn van een misdrijf op grond van een loutere analyse van de feiten. Waarom wordt er een kunstmatig onderscheid ge­ maakt tussen minderjarigen jonger en ouder dan 16? Internationaal wordt dit onderscheid niet gemaakt. Voor misdrijven tegen minderjarigen boven de 16 jaar oud wordt het algemeen opzet vereist. Het voorliggende et de la Convention du Conseil de l’Europe sur la lutte contre la traite des êtres humains. Mme Sandrine Cnapelinckx reconnaît qu’il est néces­ saire d’indiquer qu’aucun mineur d’âge ne pourra jamais consentir à se prostituer. La prostitution de mineurs n’existe d’ailleurs pas: il s’agit toujours d’exploitation sexuelle de mineurs. Il est clair que les auteurs du projet de loi à l’examen ne sont pas au fait de certains aspects liés à la traite des êtres humains, tant au niveau juridique qu’en ce qui concerne ses conséquences pratiques. Le groo­ ming étant de la traite d’êtres humains, l’oratrice ne comprend pas pourquoi le projet de loi à l’examen en fait une infraction à part entière. Il pourrait être judicieux d’indiquer plus en détail dans le texte quelles sont les infractions qui devraient être poursuivies. Quoi qu’il en soit, il s’agira de traite d’êtres humains dès lors que l’article 443quinquies n’exige pas que l’infraction ait été effectivement commise. Pourquoi l’article 417/27 en projet comporte-t-il le membre de phrase “même de son consentement” dès lors qu’il ne peut pas être question de consentement? Des glissements sémantiques de cette nature sont problématiques. Concernant la question du dol général, le projet de loi contient une modification du Livre 1 qui vise à établir les différents degrés d’éléments moral de l’infraction, dits éléments fautifs. Il y a quatre degrés. Il y a premièrement une intention spéciale. Le second degré, c’est le dol général, soit la volonté délibérée en conséquence de cause d’adopter le comportement incriminé. C’est ce que prévoit l’exposé des motifs en matière de protection des mineurs contre l’exploitation sexuelle. Le troisième degré, c’est l’adoption sans justification du comportement incriminé traduisant un manquement à l’obligation générale de vigilance à laquelle l’auteur est tenu. L’oratrice se demande pourquoi, en ce qui concerne l’exploitation sexuelle des mineurs, on a aggravé ce qui aurait pu constituer une infraction en recourant simplement à une analyse au niveau des circonstances de l’espèce. Pourquoi établit-on une distinction artificielle entre les mineurs de moins de seize ans et ceux de plus de seize ans? Les législations étrangères n’opèrent pas cette distinction. Pour les infractions commises sur des mineurs de plus de seize ans, le dol général sera requis. 207 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wetsontwerp verzwakt zodoende de bescherming waar­ van deze mensen krachtens internationaal recht zouden moeten genieten. De ontwerptekst legt heel wat bijkomende beperkingen op aan het maken van reclame maar laat een persoon wel toe om de eigen seksuele diensten te adverteren. Het is de taak van het Parlement om vast te leggen wat al dan niet gepast is. Door een algemeen gebrek aan werkingsmiddelen zijn maar liefst negen op de tien reclameaankondigingen in prostitutiebuurten vormen van mensenhandel. Het gaat duidelijk om mensen die geen reclame maken voor hun eigen diensten, aangezien er op elk biljet hetzelfde telefoonnummer staat en de afspraakplaats om de twee weken verandert. De politie kan deze reclameboodschap­ pen niet eens onderzoeken. De spreekster zal de commissie in samenwerking met de heer Clesse nog een schriftelijke nota bezorgen. Mevrouw Sarah De Hovre zal de commissie nog een schriftelijke nota bezorgen. Er dient te worden benadrukt dat niet elke persoon die zich prostitueert, slachtoffer is van mensenhandel. Vrijwillige sekswerkers moeten hun werk legaal en veilig kunnen uitvoeren, terwijl slachtoffers van uitbuiting als dusdanig horen te worden erkend en toegang moeten krijgen tot bescherming en hulpverlening. Het voorliggende wetsontwerp heeft geen betrekking op de organisatie van sekswerk noch op het statuut van sekswerkers. De wetgever moet goed nadenken over de keuze tussen arbeidsovereenkomst en zelfstandi­ genstatuut. De centra in de strijd tegen mensenhandel hebben daarbij geen voorkeur. Voor de slachtoffers van mensenhandel maakt de keuze immers niets uit. Sommige slachtoffers van mensenhandel met het oog op economische uitbuiting hebben een arbeidsovereen­ komst, anderen zijn zelfstandigen, nog anderen hebben geen enkel statuut. Er moet dus zo weinig mogelijk ruimte zijn voor uiteenlopende interpretaties in de wetgeving. Mensenhandel met het oog op economische uitbuiting wordt momenteel gedefinieerd als “aan het werk stellen in omstandigheden strijdig met de menselijke waardig­ heid”. Een bepaalde situatie wordt in het ene arrondis­ sement daardoor als mensenhandel vervolgd en in het andere niet. Dat is nefast voor de rechtszekerheid van de slachtoffers. De spreekster vreest dat slachtoffers van mensenhandel met seksuele uitbuiting en slachtoffers van misbruik van prostitutie hetzelfde zal overkomen. De Cela signifie que le projet de loi à l’examen affaiblira la protection dont ces mineurs devraient bénéficier en application du droit international. Le projet de loi à l’examen prévoit de nombreuses limi­ tations supplémentaires pour la publicité mais permettra néanmoins à quiconque de faire de la publicité pour ses propres services sexuels. Il appartient au Parlement de déterminer ce qui est convenable ou non. Un manque général de moyens de fonctionnement fait que pas moins de neuf publicités sur dix affichées dans les quartiers de prostitution constituent des formes de traite d’êtres humains. Il s’agit clairement d’individus qui ne font pas de publicité pour leurs services propres, dès lors que le même numéro de téléphone figure sur chaque publicité et que le lieu de rendez-vous change toutes les deux semaines. La police ne peut même pas enquêter sur ces messages publicitaires. L’oratrice rédigera, en collaboration avec M. Clesse, une note écrite qu’elle transmettra à la commission. Mme Sarah De Hovre précise qu’elle transmettra encore une note écrite à la commission. Il convient de souligner que toute personne qui se prostitue n’est pas victime de traite d’êtres humains. Les travailleurs du sexe volontaires doivent pouvoir effectuer leur travail en toute légalité et en toute sécurité, tandis que les victimes d’exploitation doivent être reconnues comme telles et avoir accès à la protection et à l’aide. Le projet de loi à l’examen ne porte pas sur l’organi­ sation du travail du sexe ni sur le statut des travailleurs de ce secteur. Le législateur doit bien réfléchir quant au choix entre contrat de travail et statut d’indépendant. Les centres actifs dans la lutte contre la traite d’êtres humains n’ont pas de préférence en la matière. En effet, cela ne fait pas de différence pour les victimes de traite d’êtres humains. Certaines victimes de traite d’êtres humains en vue d’une exploitation économique ont un contrat de travail, d’autres sont indépendantes, d’autres encore n’ont pas le moindre statut. La législation doit donc laisser le moins de place possible aux interpréta­ tions divergentes. La traite d’êtres humains en vue d’une exploitation économique est actuellement définie comme “mettre au travail dans des conditions contraires à la dignité humaine”. Il en résulte qu’une situation déterminée fait l’objet, dans un arrondissement, d’une poursuite pour traite d’êtres humains, mais pas dans un autre arrondis­ sement. Cela porte préjudice à la sécurité juridique des victimes. L’oratrice craint que les victimes de traite d’êtres humains avec exploitation sexuelle et les victimes d’abus 2141/006 DOC 55 208 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vraag om in het kader van mensenhandel de bewijslast te verlichten houdt daar rechtstreeks verband mee. Magistraten en rechters volgen al verplichte opleidin­ gen over seksueel geweld. Die verplichting zou moeten worden uitgebreid naar opleidingen over mensenhandel. Het nieuwe statuut wordt in april doorgevoerd. Het wordt moeilijk om alle terreinspelers op tijd op te leiden maar met voldoende middelen is alles mogelijk. De in mensenhandel gespecialiseerde hulpcentra willen hun mandaat uitbreiden naar slachtoffers van misbruik van prostitutie zolang daarvoor meer middelen worden uitgetrokken. Bovendien dient erover te worden gewaakt dat de procedure rond mensenhandel dan niet zal worden uitgehold. Wat pooierschap betreft, begrijpt de spreekster dat de wetgever het nieuwe misdrijf misbruik van prostitutie in het leven roept om bepaalde situaties te vervolgen. De huidige formulering van de artikelen is echter niet duidelijk genoeg om dergelijke situaties nauwkeurig te beschrijven en te bestraffen. Mensenhandel is een prioriteit van het nationaal vei­ ligheidsplan. De afdeling mensenhandel van de federale politie telt vandaag echter nog maar vijftien medewer­ kers. De sociale inspectie RSZ Brussel bestaat uit drie medewerkers in plaats van de aangekondigde tien. De situatie is even schrijnend bij het parket. Het is hoog tijd dat er op het terrein middelen worden uitgetrokken om mensenhandel echt prioritair aan te pakken. Mevrouw Sylvie Lausberg deelt mee een geschreven nota met gedetailleerde antwoorden aan de commissie bezorgen. De spreekster antwoordt dat de in de bepaling opge­ nomen lijst met de mogelijke omstandigheden waarin toestemming ontbreekt, niet-exhaustief is, zoals de memorie van toelichting aangeeft, en dat ze evenmin cumulatief is: door dwang opnieuw in die lijst op te nemen zou daarentegen met méér situaties rekening kunnen worden gehouden, waardoor de definitie ook doelma­ tiger zou zijn. De definitie van “dwang” is in se breed en de door de spreekster aangehaalde voorbeelden zijn afkomstig uit artikel 483 van het Strafwetboek, dat de begrippen “geweld” en “bedreiging” definieert. Het concept dwang omvat namelijk alle vormen van fysieke en psychologische dwang. Het aandeel vrijwillige sekswerkers is moeilijk vast te stellen aangezien de sector voor een deel clandestien is. Er worden wel internationale evaluaties gemaakt die de la prostitution subissent le même sort. La demande d’alléger la charge de la preuve dans le cadre de la traite d’êtres humains est étroitement liée à cette crainte. Les magistrats et les juges sont déjà tenus de suivre des formations sur la violence sexuelle. Cette obligation devrait être étendue à des formations sur la traite d’êtres humains. Le nouveau statut entre en application en avril. Il sera difficile de former tous les acteurs de terrain à temps, mais tout est possible avec des moyens suffisants. Les centres d’aide spécialisés dans la traite d’êtres humains sont disposés à étendre leur mandat aux victimes d’abus de la prostitution, à condition que davantage de moyens soient dégagés pour cette catégorie. Il convient par ailleurs de veiller à ce que la procédure appliquée pour la traite d’êtres humains ne soit alors pas érodée. En ce qui concerne le proxénétisme, l’oratrice com­ prend que le législateur crée le nouveau délit d’abus de la prostitution afin de poursuivre certaines situations. Toutefois, la formulation actuelle des articles n’est pas suffisamment claire pour décrire précisément de telles situations et les sanctionner. La traite des êtres humains est une priorité du plan national de sécurité. Cependant, la section Traite des êtres humains de la police fédérale ne compte aujourd’hui que quinze collaborateurs. L’inspection sociale de l’ONSS de Bruxelles compte trois collaborateurs au lieu des dix annoncés. La situation est tout aussi désolante au parquet. Il est grand temps que des ressources soient allouées sur le terrain pour s’attaquer réellement à la traite des êtres humains en priorité. Mme Sylvie Lausberg annonce qu’une note écrite contenant des réponses détaillées sera transmise à la commission. L’oratrice répond que la liste des hypothèses d’absence de consentement prévue par la disposition n’est pas exhaustive, comme indiqué par l’exposé des motifs, et elle n’est pas davantage cumulative: le rétablissement de la contrainte dans cette liste permettrait au contraire de tenir compte de davantage de situations et donc une définition plus effective. La définition de la contrainte est par essence large, et les illustrations qu’elle en a don­ nées sont celles tirées de l’article 483 du Code pénal, qui définit la violence et les menaces. Le concept de contrainte inclut toutes les formes de contrainte physique et psychologique. La proportion de travailleurs du sexe volontaires est difficile à déterminer, car le secteur est pour partie clandestin. Cependant, les évaluations internationales 209 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het aandeel van gedwongen prostitutie altijd tussen de 80 % en 90 % inschatten. De CFFB heeft gesproken met vrouwen die in het Eros Center in Seraing zouden gaan werken. In eerste instantie verklaarden zij voor hun beroep te hebben gekozen maar naarmate de gesprek­ ken vorderden, kwam uit dat velen materieel of psycho­ sociaal kwetsbaar stonden en dus tot prostitutie waren gedwongen. De spreekster schat in dat slechts 5 % van de sekswerkers vrijwillig voor prostitutie kiest. Wat seksuele meerderjarigheid betreft, stelden de deskundigen die hun mening hebben gegeven over het voorgaande wetsontwerp van de heer Koen Geens allemaal dat het wenselijk was om een leeftijdsvork van vijf jaar toe te laten in plaats van de huidige twee jaar. De spreekster treedt hen daarin bij. De Orde der artsen is op de hoogte van gynaecolo­ gisch geweld en moet zich over dit probleem buigen. De CFFB doet aan bewustmaking bij de colleges van geneesheren, bijvoorbeeld laatst nog in UMC Sint-Pieter. In Frankrijk heeft de CFFB onderzoek gedaan naar gynaecologisch en obstetrisch geweld. De CFFB acht reclame maken voor prostitutie een aanval op de integriteit van de persoon maar het blijft een politieke keuze om zulke reclame al dan niet toe te laten. Mevrouw Liesbet Stevens bevestigt dat het nieuwe Strafwetboek lange tijd naast het oude zal bestaan. Alle misdrijven die minder zwaar worden bestraft, zul­ len van toepassing blijven tot de verjaring niet meer van toepassing is, en feiten op minderjarigen verjaren niet. Grote uitdagingen kondigen zich dus aan. In de rechtspraktijk zullen sowieso veel vragen over deze hervorming ontstaan. Als er redelijke twijfel is over de vraag of de dader wist dat het slachtoffer niet toestemde, moet momen­ teel in dubio pro reo de vrijspraak volgen. De invoering van een seksuele zorgvuldigheidsnorm zou mogelijk zijn dankzij het strafbaar maken van verkrachtingen of aantastingen van de seksuele integriteit wanneer de dader had moeten weten dat hij geen toestemming had en geen voorzorgen heeft genomen om zich daarvan te vergewissen. De vraag rond de verhouding tussen de niet-consen­ suele verspreiding van seksuele beelden (wraakporno) en de seksuele misbruikbeelden van minderjarigen (kin­ derporno) is zeer technisch van aard. De spreekster zal er schriftelijk op antwoorden en vraagt het Parlement om per leeftijdscategorie precies te bepalen wat strafbaar wordt gesteld en wat niet. Jonge mensen integreren de estiment toujours que la part de la prostitution forcée se situe entre 80 et 90 %. Le CFFB s’est entretenu avec des femmes qui allaient travailler dans l’Eros Center de Seraing. Au départ, elles déclaraient qu’elles avaient choisi leur profession, mais au fil des conversations, il est apparu que nombre d’entre elles étaient vulnérables sur le plan matériel ou psychosocial et avaient donc été contraintes de se prostituer. L’oratrice estime que seuls 5 % des travailleurs du sexe optent volontairement pour la prostitution. En ce qui concerne la majorité sexuelle, les experts ayant donné leur avis sur le projet de loi précédent de M. Koen Geens ont tous indiqué qu’il était souhaitable d’autoriser une fourchette d’âge de cinq ans au lieu des deux ans actuels. L’oratrice partage leur avis. L’Ordre des médecins est informé des violences gynécologiques et doit se pencher sur ce problème. Le CFFB fait de la sensibilisation dans les collèges de médecins, par exemple récemment au CHU Saint-Pierre. En France, le CFFB a mené des recherches sur les violences gynécologiques et obstétricales. Le CFFB considère la publicité pour la prostitution comme une atteinte à l’intégrité de la personne, mais le choix d’autoriser ou non cette publicité reste une décision politique. Mme Liesbet Stevens confirme que le nouveau Code pénal coexistera pendant longtemps avec l’ancien. Toutes les infractions punissables d’une peine plus légère continueront de s’appliquer jusqu’à l’expiration du délai de prescription, et les faits commis sur des mineurs ne se prescrivent pas. Des défis majeurs nous attendent donc. En tout état de cause, cette réforme soulèvera de nombreuses questions dans la pratique juridique. S’il existe un doute raisonnable sur le fait que l’auteur savait que la victime n’était pas consentante, l’acquitte­ ment doit actuellement être prononcé in dubio pro reo. L’introduction d’une obligation de précaution sexuelle serait possible grâce à l’incrimination du viol ou de l’atteinte à l’intégrité sexuelle lorsque l’auteur aurait dû savoir qu’il n’avait pas le consentement et n’a pris aucune précaution pour s’en assurer. La question de la relation entre la diffusion non consen­ suelle d’images sexuelles (revenge porn) et les images d’abus sexuels de mineurs (pédopornographie) est très technique. L’oratrice y répondra par écrit et demande au Parlement de définir précisément par catégorie d’âge ce qui doit être punissable et ce qui ne l’est pas. Les jeunes intègrent les outils numériques d’aujourd’hui dans leur 2141/006 DOC 55 210 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E huidige digitale hulpmiddelen namelijk in hun seksleven. Hoe moet het strafrecht omgaan met die werkelijkheid? In heel Europa woedt een gepolariseerd debat over de studies naar prostitutie. Aan de ene kant staan Nederland en Duitsland, aan de andere kant Zweden en Frankrijk. De studies worden zelf echter ook gecontesteerd. Geen enkel systeem behaalt zomaar de vooropgestelde doel­ stellingen. In Zweden zou wel een effect zijn vastgesteld op het maatschappelijk denken over gelijkheid van vrouwen en mannen in de seksuele sfeer. Er is geen enkel onderzoek naar het leeftijdsverschil dat een specifieke leeftijdsvork zal voorstellen. Ergens moet de arbitraire grens worden getrokken waarna men enkel kan hopen dat de parketmagistraten de bepalingen met voldoende gezond verstand toepassen. Met het oog op het verschil van vijf jaar dat wordt voorgesteld door specialisten is twee jaar te weinig. Pedagogen kunnen daar beter over oordelen. In andere Europese landen valt evenmin inspiratie te halen aangezien de seksuele meerderjarigheid in verschillende landen ingaat op 12, 13, 14, 15 of 16 jaar. Aan mevrouw Van Hoof legt de spreekster uit dat gevallen met jongeren van minder dan 16 jaar oud die mogelijks geen toestemming hebben gegeven, moeten worden opgenomen in de bepalingen van niet- consensuele handelingen. Het behoort nu al tot de rechtspraktijk om sowieso naar de bedreigingen en naar de concrete context van het slachtoffer te kijken. Het klopt dat het voorliggende ontwerp niets bepaalt over seksuele betrekkingen tussen een 17-jarige en bijvoorbeeld een 57-jarige. Het strafrecht kan zich dus niet buigen over consensuele seksuele handelingen tussen deze mensen. Het is zinvol om lessen te trekken uit de seksuele dienstverlening voor o.a. personen met een beperking. Het herhaaldelijk sturen van dickpics kan als stalking worden geïnterpreteerd. De praktijk wijst wel uit dat één keer een dickpic krijgen niet als stalking kan worden beschouwd. Mevrouw Herlindis Moestermans verwijst in de eerste plaats naar haar overgezonden nota die uitgebreider is dan wat zij tijdens deze hoorzitting heeft gezegd. Wat het verzamelen van bewijsmateriaal betreft, is er een belangrijke taak weggelegd voor de Zorgcentra na Seksueel Geweld die dringend allemaal operationeel zouden moeten zijn. vie sexuelle. Comment le droit pénal doit-il prendre en compte cette réalité? Dans toute l’Europe, les études sur la prostitution font l’objet de vifs débats polarisés. D’un côté se trouvent les Pays-Bas et l’Allemagne, de l’autre la Suède et la France. Cependant, les études elles-mêmes sont éga­ lement contestées. Aucun système n’atteint vraiment les objectifs fixés. En Suède, on aurait constaté un effet sur la réflexion de la société à propos de l’égalité des sexes dans la sphère sexuelle. Il n’existe pas d’étude sur la différence d’âge que présentera une fourchette d’âge spécifique. Il faut tracer quelque part une ligne arbitraire, et ensuite croiser les doigts pour que les magistrats du parquet appliquent les dispositions avec suffisamment de bon sens. Compte tenu de la différence de cinq ans proposée par les spé­ cialistes, deux ans, c’est trop peu. Les pédagogues sont mieux placés pour en juger. Il n’est pas non plus possible de s’inspirer des autres pays européens, dès lors que la majorité sexuelle est fixée à 12, 13, 14, 15 ou 16 ans selon les pays. L’oratrice explique à Mme Van Hoof que les cas impliquant des jeunes de moins de seize ans qui n’ont peut-être pas donné leur consentement doivent être inclus dans les dispositions relatives aux actes non consensuels. L’examen des menaces et du contexte concret de la victime fait de toute façon déjà partie de la pratique juridique. Il est vrai que le projet de loi à l’examen ne dispose rien en ce qui concerne d’éven­ tuels rapports sexuels entre un jeune de dix-sept ans et, par exemple, un individu de cinquante-sept ans. Le droit pénal ne peut donc pas traiter des actes sexuels consensuels entre ces personnes. Il serait judicieux de tirer des leçons des services sexuels proposés aux personnes handicapées, notamment. L’envoi répété de dickpics peut être assimilé à du harcèlement. La pratique a toutefois montré que le fait de recevoir une fois une dickpic ne peut pas être considéré comme du harcèlement. Mme Herlindis Moestermans renvoie d’abord à la note qu’elle a transmise, qui est plus détaillée que ses déclarations faites durant cette audition. En ce qui concerne la collecte de preuves, une mission importante sera confiée aux centres de prise en charge des violences sexuelles, qui devraient tous être rendus opérationnels de toute urgence. 211 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Naar aanleiding van het voorliggende wetsontwerp heeft de Vrouwenraad op korte termijn zijn leden geraad­ pleegd. Uit die consultatieronde kwam het voorstel naar voren om een expertisecentrum op te richten waar ook advocaten behoefte aan hebben. Het voorstel is echter nog niet uitgewerkt. De Vrouwenraad vraagt om ook de verantwoordelijk­ heden van de daders in overweging te nemen. Hierover valt in de verslagen van GREVIO al informatie te vinden aan de hand van Scandinavische voorbeelden. De Vrouwenraad eist al jaren dat het slachtoffer tij­ dens het eerste verhoor door een advocaat wordt bijge­ staan. Daartoe moet de wet Salduz worden aangepast. Momenteel gebeurt het te vaak dat de advocaten van de daders van de gelegenheid gebruikmaken om tijdens het verhoor de geloofwaardigheid van het slachtoffer te ondermijnen. Tot slot benadrukt de spreekster dat opleiding van politie nodig is wat voorzichtigheid bij het formuleren van de klacht betreft. Dans le cadre de l’examen du projet de loi à l’examen, le Vrouwenraad a procédé à une consultation rapide de ses membres. Celle-ci a débouché sur la proposition de créer un centre d’expertise dont les avocats ont également besoin. Toutefois, cette proposition n’a pas encore été concrétisée. Le Vrouwenraad demande que les responsabilités des auteurs soient également prises en compte. Les rapports du GREVIO contiennent déjà des informations à ce sujet, basées sur des exemples scandinaves. Depuis des années, le Vrouwenraad demande que les victimes soient assistées d’un avocat lors de leur première audition. Il convient de modifier la loi Salduz à cette fin. Il arrive aujourd’hui trop souvent que les avocats des auteurs profitent de l’occasion pour saper la crédibilité de la victime pendant l’audition. Enfin, l’oratrice souligne la nécessité de la formation des agents de police à l’égard des précautions à prendre lors de la formulation des plaintes. 2141/006 DOC 55 212 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E C. Hoorzitting van 19 oktober 2021 met mevrouw Isabelle Wattier, professor aan de UCLouvain; mevrouw Catherine Van de Heyning, professor aan de UAntwerpen en de heer Olivier Bastyns, assistent aan de ULB (namiddagvergadering) 1. Procedure Mevrouw Kristien Van Vaerenbergh, voorzitster van de commissie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “2bis. Bij hoorzittingen […] wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermel­ den of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitster nodigt de sprekers uit om deze vragen te beantwoorden. De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen. 2. Uiteenzettingen a. Uiteenzetting van mevrouw Isabelle Wattier, wetenschappelijk medewerkster aan de UCLouvain Mevrouw Isabelle Wattier is van mening dat bepaalde verbeteringen nodig zijn om een grotere samenhang tot stand te brengen; meer bepaald roept zij op tot een debat over de seksuele meerderjarigheid en, breder, over de seksuele misdrijven. In de periode dat de spreekster met wijlen professor Christophe Adam heeft samengewerkt, heeft zij het verband tussen seksualiteit en strafrecht onderzocht. In het raam van die werkzaamheden heeft zij zich gebogen over de door meerderjarigen gepleegde seksuele misdrijven en over de behandeling van seks­ delinquenten. Naar aanleiding van het in 2005 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens uitgesproken arrest K.A. en A.D. tegen België heeft de spreekster de sadomasochistische praktijken nader onderzocht vanuit de invalshoek van de toestemming en de wettigheid. De seksuele praktijken die met sadomasochisme samengaan, zijn sterk aan codes gebonden. De ex­ perte geeft aan dat de sadomasochistische code een privécode is en dat sadomasochistische praktijken niet strafbaar zijn, overeenkomstig voormeld arrest en voor zover die code en meer bepaald het safeword (een C. Audition du 19 octobre 2021 de Mme Isabelle Wattier, professeure à l’UCLouvain, Mme Catherine Van de Heyning, professeure à l’UAntwerpen et M. Olivier Bastyns, assistant à l’ULB (réunion de l’après-midi) 1. Procédure Mme Kristien Van Vaerenbergh, présidente de la commission de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du Règlement de la Chambre: “2bis. En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion et, le cas échéant, par quelle instance.”. La présidente invite les orateurs à entamer leurs exposés respectifs en répondant à ces questions. Les orateurs invités répondent successivement par la négative aux questions posées. 2. Exposés a. Exposé de Mme Isabelle Wattier, collaboratrice scientifique à l’UCLouvain Estimant que certaines révisions sont nécessaires pour tendre vers plus de cohérence, Mme Isabelle Wattier appelle à la tenue d’un débat sur la majorité sexuelle et, plus largement, sur les infractions sexuelles. Lors d’une collaboration avec feu le professeur Christophe Adam, l’intervenante a examiné le rapport entre la sexualité et le droit pénal. Dans le cadre de ce travail, elle s’est penchée sur les infractions sexuelles commises par des personnes majeures ainsi que sur le traitement des délinquants sexuels. À l’occasion de l’arrêt K.A. et A.D. contre Belgique, rendu par la Cour européenne des droits de l’homme en 2005, l’oratrice a analysé les pratiques sadomasochistes sous l’angle du consente­ ment et de la légalité. Les pratiques sexuelles issues du sadomasochisme sont très codifiées. L’experte explique que le code sado­ masochiste est un code privé et que, conformément à l’arrêt précité, dès lors qu’il est respecté, en particulier le safeword (mot de sécurité, par exemple le terme “non”), ces pratiques ne sont punissables ni au titre de 213 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E veiligheidswoord, bijvoorbeeld “neen”) in acht zijn ge­ nomen. Ze kunnen dus noch als opzettelijke slagen en verwondingen, noch als aanzetten tot ontucht jegens meerderjarigen strafbaar worden gesteld, en wel op grond van de individuele vrijheid – waar de seksuele vrijheid een bestanddeel van is –, en vanwege het recht op de eerbiediging van het privéleven. Mevrouw Wattier heeft er moeite mee dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens twee zaken in zekere zin op gelijke voet plaatst: enerzijds de sadomaso­ chistische code, anderzijds de regelgeving inzake de geneeskunst en de regels inzake sportbeoefening, waar opzettelijke slagen en verwondingen mogelijk zijn voor zover zulks in overeenstemming is met de medische reglementering c.q. de regels van de sportbeoefening. Volgens voormeld arrest zijn sadomasochistische praktijken niet strafbaar zolang de code in acht wordt genomen. Nochtans beoogt artikel 60 van het wetsont­ werp het vervaardigen en verspreiden, met welk middel ook, van boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard strafbaar te stellen als misdrijf van openbare zedenschennis. Volgens de spreekster zijn bepaalde punten van het wetsontwerp voor discussie vatbaar. In dat verband formuleert zij enkele concrete voorstellen en correcties. Wat de algemene kwaliteit van de ontworpen artikelen aangaat, legt zij de vinger op een gebrek aan nauwkeu­ righeid, met name wat woordenschat, stijl en zinsbouw betreft. Hoewel de teksten door een tweetalige com­ missie zijn behandeld, gelooft de spreekster niet dat het om een vertaalprobleem gaat. Over het algemeen stellen onderzoekers vast dat de taalkundige kwaliteit van de wetteksten erop achteruitgaat; nochtans dienen die tekst duidelijk en voor iedereen bevattelijk te zijn. Met betrekking tot de term “Code pénal sexuel” (sek­ sueel strafrecht) is de spreekster van mening dat beter zou worden gesproken van “Code des infractions à ca­ ractère sexuel” (Wetboek van seksmisdrijven, vertaling). De eerste naam houdt immers de verwarring in stand tussen de regulering van seksuele praktijken (die niet in een strafwetboek is opgenomen) en de strafbaarstelling van misbruik en van seksuele uitbuiting. Volgens de experte moet ook het begrip “droit à l’autodétermination sexuelle” (seksueel zelfbeschik­ kingsrecht) taalkundig worden bijgestuurd. Volgens haar houdt dat begrip immers geen steek en is er verwarring tussen de rechten en de individuele vrijheden, zoals de seksuele vrijheid. Wat is het verschil tussen seksuele zelfbeschikking en seksuele autonomie? Geen, want het gaat om synoniemen. En is er een verschil tussen seksuele vrijheid en seksuele autonomie? Wellicht niet. coups et blessures volontaires ni au titre d’incitation de la débauche de majeurs, et ce, au nom de la liberté individuelle, dont la liberté sexuelle est une composante, et en raison du droit au respect de la vie privée. Mme Wattier s’interroge sur le fait que la Cour euro­ péenne des droits de l’homme met, en quelque sorte, sur un pied d’égalité, d’une part, le code sadomasochiste et, d’autre part, la réglementation relative à l’exercice de l’art de guérir et les règles liées aux pratiques sportives, qui autorisent les coups et blessures intentionnels pour autant que cela se fasse dans le respect de la réglementation médicale et des règles relatives aux pratiques sportives. D’après l’arrêt précité, les pratiques sadomasochistes ne sont pas punissables dès lors que leur code est respecté. Toutefois, l’article 60 du projet de loi incrimine la production et la diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent, par quelque moyen que ce soit au titre d’infractions d’outrage public aux bonnes mœurs. Aux yeux de l’oratrice, certains points du projet de loi sont discutables. À ce propos, elle formule une série de propositions et de corrections possibles. En ce qui concerne la qualité globale des articles du texte de loi, elle pointe du doigt un manque de rigueur, notamment au niveau du vocabulaire, du style et de la syntaxe. Bien que la commission ayant travaillé sur ces textes soit bilingue, elle ne pense pas qu’il s’agisse d’un problème de traduction. De manière générale, les chercheurs constatent une baisse de la qualité littéraire des textes de loi, qui doivent pourtant être clairs et accessibles à tous. En ce qui concerne le Code pénal sexuel, l’interve­ nante estime qu’il devrait être renommé en “Code des infractions à caractère sexuel”. En effet, le premier titre entretient la confusion entre, d’une part, la régulation des pratiques sexuelles (qui ne fait pas l’objet d’un code pénal) et, d’autre part, la pénalisation des abus et de l’exploitation sexuelle. Aux yeux de l’experte, le “droit à l’autodétermination sexuelle” devrait également être modifié sur le plan lin­ guistique. En effet, elle estime que cette notion comporte un non-sens et qu’il y a une confusion entre les droits et les libertés individuelles telles que la liberté sexuelle. Qu’est-ce qui distingue l’autodétermination sexuelle de l’autonomie sexuelle? Absolument rien, ce sont des synonymes. De même, qu’est-ce qui distingue la liberté sexuelle de l’autonomie sexuelle? Vraisemblablement rien. 2141/006 DOC 55 214 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Wattier stelt voor het begrip “droit à l’autodétermination sexuelle” (seksueel zelfbeschik­ kingsrecht) te vervangen door het begrip “droit à la liberté sexuelle” (recht op seksuele vrijheid, vertaling). Met be­ trekking tot de zelfbeschikking voegt zij er nog aan toe dat niemand van een ander (hetero-) een zelfbeschikking kan eisen: ofwel beschikt de persoon zelf, ofwel niet. De zelfbeschikking kan nooit afkomstig zijn van een derde. Daarom roept zij de volksvertegenwoordigers ertoe op het door haar te log bevonden opschrift van hoofdstuk 1 “Misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksuele zelfbeschikkingsrecht en de goede zeden” te vervangen door “Misdrijven tegen de seksuele integriteit” (vertaling); zij voegt hieraan toe dat seksuele autonomie voortvloeit uit seksuele vrijheid. Tevens stelt de spreekster voor in hoofdstuk 1 twee afdelingen onder te brengen: één met betrekking tot de aantasting van de seksuele integriteit en een ander met betrekking tot de aantasting van de geestelijke integriteit. Zij merkt op dat extreem pornografische boodschappen alsook (seksueel) exhibitionisme een aantasting van de psychische seksuele integriteit uitmaken. Zij voegt eraan toe dat het misdrijf van het vervaardigen of verspreiden van extreem gewelddadige boodschappen zou kunnen worden ondergebracht in de tweede afdeling. Tevens suggereert zij om het misdrijf inzake extreem geweld­ dadige boodschappen over te hevelen naar het hoofd­ stuk in het nieuwe Strafwetboek over de aantasting van de integriteit van personen dat ook betrekking heeft op de psychologische integriteit. De definitie van het begrip “consentement” (toestem­ ming) kan mevrouw Wattier niet bekoren. Zij wijst op de erin vervatte tautologie en betekenisloosheid en citeert de eerste woorden van de definitie: “Le consen­ tement suppose que celui-ci ait été donné librement.” (Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gege­ ven.). Vooreerst geeft de spreekster aan dat een definitie niet kan worden ingeleid door het werkwoord “supposer que” (veronderstellen dat). Vervolgens gaat zij in op het aanwijzend voornaamwoord “celui-ci” (deze), wat tot de volgende zin leidt: “le consentement suppose que le consentement” (toestemming veronderstelt dat toestem­ ming). Bovendien preciseert zij dat de term “librement” (uit vrije wil) niet hoeft te worden toegevoegd. Er moet immers een onderscheid worden gemaakt tussen het uitdrukken van een veruitwendigde wil (ofwel de externe wil: “ik verleen mondeling of schriftelijk toestemming”, al valt zulks moeilijk toe te passen in het kader van een intieme relatie) en de interne wil (dat wil zeggen de vrije wil, het geweten). De spreekster had deze opmerking overigens al ge­ formuleerd in 2019, toen de hervorming van het Wetboek uit de doeken werd gedaan onder auspiciën van de Mme Wattier propose de remplacer “droit à l’auto­ détermination sexuelle” par “droit à la liberté sexuelle”. Par rapport à l’autodétermination, elle ajoute qu’une personne ne peut revendiquer d’un autre (hétéro-) de s’auto-determiner: soit elle s’autodétermine soit elle ne le fait pas. Un tiers ne pourra jamais autodéterminer cette personne. Elle invite ainsi les députés à modifier l’intitulé du chapitre Ier “Infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodétermination sexuelle et aux bonnes mœurs”, qu’elle juge trop lourd et inutile, en “Infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle” et ajoute que l’autonomie sexuelle découle de la liberté sexuelle. L’intervenante propose également de créer deux sections dans le chapitre Ier: la première portant sur les atteintes à l’intégrité sexuelle et la seconde sur les atteintes à l’intégrité mentale. Elle note que les messages extrêmement pornographiques aussi bien que l’exhibi­ tionnisme (sexuel) constituent une atteinte à l’intégrité sexuelle psychique. Elle ajoute que la deuxième section pourrait contenir l’infraction constituée par la production ou la diffusion de messages extrêmement violents. Elle suggère également de déplacer l’infraction relative aux messages extrêmement violents dans le chapitre du nouveau Code pénal consacré aux atteintes à l’intégrité des personnes qui vise aussi l’intégrité psychologique. Mme Wattier n’est pas satisfaite de la définition de la notion de consentement. Soulignant son côté tautologique et son manque de sens, elle cite le début de la définition: “Le consentement suppose que celui-ci ait été donné librement.” Pour commencer, elle précise que le verbe “supposer que” n’annonce pas une définition. Ensuite, elle revient sur le pronom démonstratif “celui-ci”, qui donne le sens suivant: “le consentement suppose que le consentement”. En outre, elle précise qu’il n’est pas nécessaire d’ajouter le terme “librement”. En effet, il faut distinguer l’expression de la volonté extériorisée (soit la volonté externe: “j’émets un consentement verbalement ou par écrit, ce qui est toutefois difficilement applicable dans le domaine des relations intimes”) et la volonté interne (c’est-à-dire le libre arbitre, le for intérieur). L’intervenante avait d’ailleurs déjà formulé cette re­ marque en 2019, lors de la présentation de la réforme du Code sous l’égide de l’Université Saint-Louis. Elle 215 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Université Saint-Louis. Vervolgens doet zij een voorstel voor een nieuwe definitie van het begrip “consentement” (toestemming): “Le consentement en matière sexuelle est l’assentiment à l’acte sexuel entrepris tel qu’il a été entrepris”. (Toestemming in een seksuele aangelegen­ heid is de goedkeuring van de seksuele handeling zoals die is gesteld, vertaling.) Zij adviseert om de definitie te vervolledigen met de volgende zin: “Il n’y a pas de consentement dans les cas suivants notamment: …” (Er is geen toestemming in de niet-limitatieve situaties waarbij de toestemming ontbreekt), vertaling. Wat de omschrijving van de term “voyeurisme” be­ treft, oppert de spreekster om de woorden “terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt, waar deze in redelijkheid kan verwachten dat zijn persoonlijke levens­ sfeer niet zal worden geschonden” te vervangen door de woorden “terwijl die persoon zich in omstandigheden bevindt waarin men redelijkerwijs mag verwachten dat men niet zichtbaar is”. Wat de bewoordingen “waar deze in redelijkheid kan verwachten” betreft, verduidelijkt de deskundige dat als uitgangspunt niet het standpunt van de betrokkene moet worden genomen, maar dat van de gemiddelde burger. Zij stelt voorts voor de bewoordingen “seksueel getinte beelden en opnames” te vervangen door de bewoordingen “seksueel getinte inhoud”. Verkrachting wordt in het wetsontwerp omschreven als “elke wetens en willens gestelde daad die bestaat of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toe­ stemt”, maar die formulering is volgens de spreekster niet adequaat. Zij stelt daarentegen dat een daad die mede bestaat uit een seksuele penetratie als seksuele penetratie moet worden beschouwd, ongeacht of het anale, orale, vaginale of objectseks betreft. Misschien wilden de stellers van het wetsontwerp het hebben over penetraties die “onvolkomen” waren, onder meer om anatomische redenen (bijvoorbeeld in geval van verkrachting van een baby), teneinde ook rekening te houden met de daden vóór, tijdens of na de seksuele penetratie in de eigenlijke zin van het woord. Mevrouw Wattier stelt dan ook de volgende omschrij­ ving voor: “Verkrachting is elke seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toestemt. De seksueel geladen daden bij die verkrach­ ting worden gelijkgesteld met en gekwalificeerd zoals die verkrachting.”. De spreekster gaat vervolgens in op de wijze waarop seksuele zaken aanhangig worden gemaakt, meer be­ paald op de gevallen waarin sprake is van penetratie maar waar degene die penetreert het slachtoffer is van fait ensuite une proposition relative à la définition du consentement, à savoir: “Le consentement en matière sexuelle est l’assentiment à l’acte sexuel entrepris tel qu’il a été entrepris”. Elle conseille d’ajouter à la suite de la définition la phrase suivante: “Il n’y a pas de consente­ ment dans les cas suivants notamment en reprenant les hypothèses non limitatives d’absence de consentement”. En ce qui concerne la définition du terme “voyeurisme”, l’oratrice suggère de remplacer la partie: “alors que cette personne… des circonstances où elle peut raisonnable­ ment considérer qu’il ne sera pas porté atteinte à sa vie privée” par “alors que cette personne se trouve dans des circonstances où l’on peut raisonnablement considérer qu’elle se trouve à l’abri des regards”. À propos de la partie “elle peut raisonnablement considérer”, l’experte précise que ce n’est pas le point de vue de la personne en cause qu’il faut considérer, mais bien celui de l’homme moyen. Elle propose également de remplacer les termes “d’images et enregistrements à caractère sexuel” par “des contenus à caractère sexuel”. S’agissant de la définition du viol, la formulation utili­ sée dans le projet de loi n’est pas adéquate: “on entend par viol tout acte qui consiste en ou se compose d’une pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque moyen que ce soit, commis sur une personne ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas”. Elle note cependant qu’un acte qui se compose d’une pénétration sexuelle est une pénétration sexuelle qu’elle soit anale, orale, vaginale ou objectale. Peut-être les auteurs ont-ils voulu parler des péné­ trations “incomplètes”, notamment pour des raisons anatomiques (par exemple, le viol d’un nouveau-né) afin de prendre en considération les actes antérieurs, conco­ mitants ou postérieurs à la pénétration sexuelle sensu stricto. Pour sa part, Mme Wattier propose la définition suivante: “On entend par viol toute pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque moyen que ce soit, commis sur une personne ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas. Sont assimilés et qualifiables de viols les actes à caractère sexuel concomitants à ce viol”. L’oratrice aborde ensuite le sort des saisines sexuelles, qu’elle décrit comme les cas où il y a pénétration, mais que l’auteur de la pénétration est victime de l’infraction (par exemple un mineur). Ce mineur sera contraint 2141/006 DOC 55 216 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het misdrijf (bijvoorbeeld een minderjarige). Die min­ derjarige wordt gedwongen een vrouw of een man te penetreren. Indien de betrokkene jonger dan 16 is, is hij te jong om toestemming te verlenen. Momenteel wordt dat feit gekwalificeerd als aanranding van de eerbaarheid. Wanneer een man de penis van een andere man oraal stimuleert zonder toestemming van laatstgenoemde, is dat feit niet minder ernstig dan een verkrachting. Bijgevolg zou mevrouw Wattier willen dat bij de aan­ hangigmakingen van seksuele zaken stelselmatig de kwalificatie “verkrachting” wordt gehanteerd wanneer sprake is van penetratie, zelfs wanneer de penetrerende niet de dader van het misdrijf is. Zij benadrukt dat ook de begeleidende handelingen die geen penetratie zijn, onder de door haar voorgestelde definitie van “verkrachting” zouden moeten vallen. Wat de strafverzwaring in geval van toediening van weerloos makende stoffen betreft, stelt de spreekster voor om ook de sterk stimulerende stoffen te vermelden. De verkrachting kan plaatsgrijpen wegens overdreven verbruik dat werd aangemoedigd. De toediening van stimulerende middelen lijkt mevrouw Wattier even ernstig als die van weerloos makende middelen. Met betrekking tot grooming (kinderlokking), met an­ dere woorden het voorstellen van ontmoetingen met het oog op seks, zelfs wanneer de seksuele betrekking niet plaatsvindt, meent de spreekster dat deze wetswijziging een goede gelegenheid zou zijn om de oorspronkelijke omschrijving aan te passen; de woorden “gevolgd door materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting leiden”, zouden dus moeten worden vervangen door de woorden “gevolgd door materiële handelingen die wijzen op het voornemen van de dader om de minderjarige daadwerkelijk te ontmoeten”. Zulks zou twijfel wegne­ men, aangezien in een rechtsstaat de ontmoeting niet noodzakelijk plaats zou moeten vinden om iemand te kunnen straffen wegens grooming. Het zou volstaan dat materiele handelingen wijzen op het voornemen van de betrokkene om de minderjarige te ontmoeten (bijvoorbeeld de reservatie van een trein- of bioscoopticket). Indien absoluut een ontmoeting en misbruik nodig zou zijn, zou zulks erop neerkomen dat grooming wordt verbonden met verkrachting of met een seksuele handeling zonder toestemming. De spreekster vindt de formulering “houden van een huis van ontucht of prostitutie waar een minderjarige ontucht of prostitutie pleegt” een vreselijke tautologie. Zij wijst echter op een interessant aspect, namelijk dat men wil verduidelijken dat de dader niet noodzakelijk diegene is die het etablissement beheert of bezit. Mevrouw Wattier beveelt dan ook aan de omschrijving te verduidelijken de pénétrer une femme ou un homme. S’il a moins de 16 ans, il n’a donc pas l’âge du consentement. Pour le moment, ce fait est qualifié d’attentat à la pudeur. Lorsqu’un homme pratique une fellation sur un autre homme sans le consentement de ce dernier, le fait n’est pas moins grave qu’un viol. Par conséquent, Mme Wattier souhaiterait que les saisines sexuelles soient d’office considérées comme des viols, dès lors qu’il y a péné­ tration, et ce, même si l’auteur de la pénétration n’est pas celui de l’infraction. Elle souligne que la définition qu’elle propose du viol vise “les actes concomitants qui ne sont pas les pénétrations”. S’agissant de l’aggravation de la peine due à l’admi­ nistration de substances inhibitives, l’oratrice propose d’ajouter les substances “désinhibitives” fortes. Le viol a pu avoir lieu en raison d’une consommation exagé­ rée qui a été encouragée. Qu’il s’agisse de l’usage de substances inhibitives ou “désinhibitives”, les deux lui semblent aussi graves l’un que l’autre. En ce qui concerne le grooming (pédopiégage), c’est- à-dire les propositions de rencontre dans un but sexuel, même si la relation sexuelle n’a pas lieu, l’oratrice estime que c’est l’occasion de modifier la définition d’origine, en remplaçant la formulation “acte matériel conduisant à ladite rencontre” par “acte matériel témoignant de l’intention de l’auteur de rencontrer effectivement la personne mineure”. Cela permet de lever le doute. Dans l’état de droit, la rencontre ne doit pas nécessairement avoir lieu pour punir quelqu’un de grooming. Il suffirait ainsi qu’il y ait des actes matériels (par exemple la réservation d’un billet de train ou de cinéma) manifes­ tant l’intention de la personne de rencontrer le mineur. S’il fallait nécessairement qu’il y ait une rencontre et un abus, cela reviendrait à associer le grooming au viol ou à un acte sexuel à caractère non consensuel. L’intervenante compare la définition de la “tenue d’une maison de débauche ou de prostitution où un mineur se livre à la débauche ou à la prostitution” à un monstre de tautologie. Elle note toutefois un point intéressant, à savoir la volonté de préciser que l’auteur ne doit pas nécessairement être celui qui a la gérance ou la propriété de l’établissement. Mme Wattier recommande également 217 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door het volgende toe te voegen: “ongeacht de hoeda­ nigheid van diegene die de plaats gewoonlijk beheert”. Volgens de spreekster kan het begrip “openbare zedenschennis” meerdere vormen aannemen. Het zou dus dienstig zijn dat aspect meer uit te diepen in de parlementaire stukken. Dat begrip is vrij abstract, maar heel omvattend en dekt meerdere aspecten die systematisch zouden kunnen worden besproken, meer bepaald de aspecten inzake strafrechtelijk beleid, fat­ soen en ethiek. De goede zeden maken deel uit van de morele openbare orde. Het openbare aspect, in het bijzonder in geval van openbare zedenschennis, betreft binnen het strafrecht inzake seksuele zeden niet alleen een heel specifieke categorie van misdrijven (reclame voor ontucht of prosti­ tutie door een minderjarige), maar ook de publieke aard, dus de zeden van het publiek, het publieke kader van de schennis en het risico op verspreiding onder het publiek. Wat de seksuele meerderjarigheid betreft, meent me­ vrouw Wattier dat het wetsontwerp er slechts toe strekt te bevestigen wat al bestond, namelijk dat men vanaf de leeftijd van zestien jaar seksueel meerderjarig is. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van het wetsontwerp om een einde te maken aan de tweevoudige leeftijdsgrens om in de ogen van het gerecht geldig toestemming te geven voor seks, want dat tweevoudig vermoeden brengt de burgers – en in het bijzonder de jongeren – in de war. De spreekster vindt niet dat er een anomalie bestond, maar zij erkent dat dit aspect duidelijkheid ontbeerde. Niettemin blijven twee leeftijdsdrempels van toepas­ sing, namelijk zestien jaar (seksuele meerderjarigheid van rechtswege) en veertien jaar (geldige toestemming indien het leeftijdsverschil tussen de partners hoogstens twee jaar bedraagt, voor zover er geen ongeoorloofde bloed- of morele banden met de minderjarige zijn). De gekozen drempels zijn steeds arbitrair. De werkelijk­ heid is specifiek en concreet, terwijl het recht algemeen en abstract is. Over de leeftijdsgrens moet niet worden beslist door een jurist. Het verdient de voorkeur een redelijke grens in te stellen op basis van de studies van in de jeugdzaken gespecialiseerde onderzoekers en actoren. Men moet echter opletten voor interactie tussen normaal en genormeerd gedrag. Normaal gedrag heeft betrekking op wat maatschappelijk, statistisch of medisch normaal is, terwijl genormeerd gedrag op juridische regels berust. Er heerst een gevaarlijke tendens om de juridische norm de inhoud te geven van de sociale norm. Indien men de wet wil afstemmen op de maatschap­ pelijke praktijken, zou het nergens meer toe dienen de préciser la définition en y ajoutant la formule suivante: “la qualité statutaire du gestionnaire habituel des lieux est indifférente”. Aux yeux de l’intervenante, la notion d’outrages publics aux bonnes mœurs est multiforme. Il serait opportun d’y apporter plus de contenu dans les documents par­ lementaires. Ce concept assez abstrait, mais très riche, comporte plusieurs dimensions qui pourraient être systématisées, notamment les dimensions de politique criminelle, de moralité et d’éthique. La catégorie des bonnes mœurs relève de l’ordre public moral. Quant à l’élément public, en droit pénal des mœurs sexuelles, en particulier en cas d’outrage aux bonnes mœurs, il vise, outre une catégorie en soi d’infractions (la publicité pour la débauche et la prostitution d’un mineur), le caractère public au sens de mœurs du corps public, le cadre (public) de l’outrage ainsi que le risque de propagation dans le public. À propos de la majorité sexuelle, Mme Wattier estime que le projet de loi ne fait que confirmer ce qui existait déjà: la pleine majorité sexuelle est atteinte à l’âge de 16 ans. Le projet de loi entend explicitement mettre fin au double seuil d’âge de validité du consentement en justice en matière sexuelle, double jeu de présomption qui génère de la confusion auprès des citoyens, en particulier les jeunes. Pour l’intervenante, il n’y avait pas d’anomalie, mais elle reconnaît que cela manquait de clarté. Il n’en demeure pas moins qu’il reste deux seuils d’âge à prendre en considération: 16 ans (majorité sexuelle de plein droit) et 14 ans (validité du consente­ ment si 2 ans d’écart maximum entre les partenaires et sous réserve du défaut d’ascendance familiale ou morale vis-à-vis de la personne mineure). Les seuils fixés sont toujours arbitraires. La réalité est singulière et concrète, le droit est général et abstrait. La limite d’âge ne doit pas être tranchée par un juriste. Il est préférable de se pencher sur les études de chercheurs et les acteurs spécialisés dans le secteur de la jeunesse pour fixer une limite raisonnable. Attention toutefois à la porosité entre la normalité et la normativité. La normalité vise la normalité sociale, statistique ou médicale. La normativité, ce sont les normes juridiques. Il y a une tendance dangereuse à donner à la norme juridique le contenu de la norme sociale. Si la loi doit s’aligner sur les pratiques sociales, cela ne servirait plus à rien d’adopter des lois. Il y a une légitimité à dire que, bien qu’une pratique soit courante, 2141/006 DOC 55 218 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wetten aan te nemen. Het is gerechtvaardigd te stellen dat, hoewel een praktijk courant is, zoals de close-up of sexting, de wet in het licht van de waarden die men wil verdedigen tegen die schadelijke praktijk kan ingaan. Niettemin moet men zich niet stelselmatig laten leiden door de maatschappelijke normen, want die zijn niet altijd bijzonder aanbevelenswaardig. b. Uiteenzetting van mevrouw Catherine Van de Heyning, professor aan de UAntwerpen Mevrouw Catherine Van de Heyning verduidelijkt als professor verbonden te zijn aan de UAntwerpen. Daarnaast is ze ook substituut-procureur des Konings te Mechelen met specialisatie in cybercrime. Ze benadrukt dat ze in deze hoorzitting spreekt als academica, maar dat het toch een positief element is dat ze haar ervaring en specialisatie in online zedenfeiten kan meenemen. Ze zal in haar betoog enkele artikels uit het voorliggende wetsontwerp betreffende online zedenmisdrijven in de diepte behandelen. De spreekster signaleert daarbij dat heel wat seksuele misdrijven in onze tijd een digitaal aspect krijgen, maar de vraag rijst daarbij of de wettelijke kwalificaties die eerder vanuit een fysieke realiteit werden opgesteld wel overeenstemmen met de gepleegde feiten. Nochtans is het zo dat digitale seksuele misdrijven een even grote impact kunnen hebben op slachtoffers. Mevrouw Van de Heyning geeft bij wijze van introductie nog mee dat ze tevreden is dat er een heuse quantum leap wordt ge­ maakt in het wetsontwerp door de focus te verschuiven van het morele aspect naar de zelfbeschikking, en ze spreekt daarbij de hoop uit dat dit coherent zal worden doorgetrokken in het wetsontwerp in zijn geheel. Mevrouw Van de Heyning herneemt uit haar aan de commissie overgezonden tekst de volgende krachtlijnen: Voyeurisme: deepnude applicaties De professor behandelt eerst het fenomeen van de deepnudes, die men als een soort van seksueel fake news zou kunnen beschouwen. Het zijn applicaties die bestaande beelden van mensen kunnen doen lijken alsof ze naakt zijn of seksuele handelingen verrichten. Deze beelden worden dan vaak gebruikt om mensen af te persen. In het nieuwe wetsontwerp valt dit onder de kwalificatie voyeurisme (huidig artikel 371/1, lid 1; nieuw artikel 417/8), waarbij nog altijd wordt uitgegaan van een fysieke realiteit (beeld- of geluidsopnames van iets reëel). Mevrouw Van de Heyning beveelt aan om ook afbeeldingen die doen geloven dat het realistische opnames zijn op te nemen in het wetsontwerp. Dit kan par exemple le close-up, le sexting, la loi peut aller à contre-courant de cette pratique néfaste au regard des valeurs que l’on entend défendre. Néanmoins, il ne faut pas systématiquement s’aligner sur les normes sociales, car elles ne sont pas toujours très recommandables. b. Exposé de Mme Catherine Van de Heyning, professeure à l’UAntwerpen Mme Catherine Van de Heyning précise qu’en sa qualité de professeure, elle est rattachée à l’UAntwer­ pen. Elle est en outre substitut du procureur du Roi de Malines, spécialisée en cybercriminalité. Elle souligne qu’elle s’exprime en sa qualité de professeure universitaire dans le cadre de cette audition, mais qu’il est néanmoins positif qu’elle puisse faire appel à son expérience et à son expertise en matière de délits de mœurs commis en ligne. Au cours de son exposé, elle examinera en détail certains articles du projet de loi à l’examen qui concernent des délits de mœurs commis en ligne. À cet égard, l’oratrice signale qu’à notre époque, bon nombre d’infractions sexuelles revêtent un aspect numérique, mais la question qui se pose en la matière est de savoir si les qualifications légales élaborées davantage à partir d’une réalité physique correspondent effectivement avec les faits qui ont été commis. Force est toutefois de constater que les infractions sexuelles numériques sont tout aussi lourdes de conséquences pour les victimes. Mme Van de Heyning indique, en guise d’introduction, qu’elle se réjouit du véritable bond en avant que permet le projet de loi en déplaçant l’accent de l’aspect moral à l’autodétermination, et elle espère que cette évolution sera appliquée de manière cohérente à l’ensemble du projet de loi. Mme Van de Heyning extrait du texte qu’elle a transmis à la commission les lignes de force suivantes: Voyeurisme: applications DeepNude La professeure aborde d’abord le phénomène DeepNude, que l’on pourrait considérer comme une sorte de fake news à caractère sexuel. Il s’agit d’applications qui peuvent, sur la base d’images réelles, déshabiller les personnes qu’elles représentent ou faire croire qu’elles se livrent à des actes sexuels. Ces images sont souvent utilisées comme moyen de chantage. Dans le nouveau projet de loi, ce type d’application est qualifié de voyeurisme (actuel article 371/1, alinéa 1er; nouvel ar­ ticle 417/8), partant encore toujours d’une réalité physique (enregistrements visuels ou audios de quelque chose de réel). Mme Van de Heyning recommande d’inclure également dans le projet de loi les images qui font croire 219 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door de focus te leggen op de realiteitszin en de notie “opname” te wijzigen in de notie “beelden”. Hierdoor worden dan ook de deepnudes en daaraan gerelateerde afpersingen afgedekt. Seksueel misbruik van beelden: de “ontblote persoon” Aansluitend bespreekt mevrouw Van de Heyning de notie “ontblote persoon” en het fenomeen van upskirting, het opnemen van beelden onder een jurk of rok. Vanuit de juridische praktijk dat sommige rechters vinden dat upskirting niet valt binnen de kwalificatie “ontblote persoon”, wordt in het voorliggende wetsontwerp een uitdrukkelijke definitie van een ontblote persoon opge­ nomen, namelijk “een persoon die zonder toestemming of buiten zijn medeweten een deel van zijn lichaam toont dat verhuld zou zijn gebleven indien die persoon had geweten dat hij werd geobserveerd of dat er een beeld- of geluidsopname van hem werd gemaakt”. Professor Van de Heyning signaleert dat de voorge­ stelde definitie nog steeds problematisch is. De woorden “zonder toestemming” en “buiten zijn medeweten” kunnen volgens haar beter worden weggelaten omdat de toe­ stemming eerder slaat op het misdrijf dan op het ontbloot zijn, en dat zit reeds vervat in het verbod op voyeurisme en niet-consensuele verspreiding. Problematisch is vol­ gens haar vooral dat deze definitie zou kunnen worden aangewend voor ontbloting om niet-seksuele redenen. Ze geeft daarbij als voorbeeld religieuze (bijvoorbeeld een hoofddoek) of esthetische redenen om een bepaald lichaamsdeel te verbergen. Om deze redenen stelt professor Van de Heyning voor terug te keren naar de definitie van “ontblote persoon” zoals die werd voorgelegd in het wetsontwerp van 2016: “een persoon die een deel van zijn lichaam laat zien dat, op grond van de huidige maatschappelijke normen, bedekt zou zijn gebleven indien de persoon had geweten dat hij werd bespied of gefilmd zonder diens toestemming” (wetsontwerp tot wijziging van het strafwetboek wat de strafbaarstelling van de aanranding van de eerbaarheid betreft, DOC 54 0699/003, blz. 5). Een andere en even valabele mogelijkheid is de toevoeging van een beschrijvende opsomming van lichaamsdelen aan het artikel. Online verkrachting en aanranding van de eerbaarheid: livestream seksueel misbruik Professor Van de Heyning behandelt vervolgens ver­ krachting via live stream. Ze stelt vast dat het traditionele sekstoerisme afneemt maar wordt vervangen door het qu’il s’agit d’enregistrements réalistes. C’est possible en mettant l’accent sur le réalisme et en remplaçant la notion d’ “enregistrements” par la notion d’“images”. Ainsi, l’article inclura également les DeepNude et les manœuvres de chantage qu’elles engendrent; Images détournées à des fins sexuelles: la “personne dénudée” Mme Van de Heyning enchaîne avec la notion de “personne dénudée” et le phénomène d’upskirting, le fait de photographier ou de filmer sous une robe ou une jupe. Partant de la pratique juridique selon laquelle certains juges estiment que l’upskirting ne relève pas de la qualification de “personne dénudée”, une définition explicite de la notion de personne dénudée sera inscrite dans le projet de loi à l’examen, à savoir: “la personne qui, sans son consentement ou à son insu, exhibe une partie de son corps, laquelle aurait été gardée cachée si cette personne avait su qu’elle était observée ou faisait l’objet d’un enregistrement visuel ou sonore.”. La professeure Van de Heyning signale que la défi­ nition proposée demeure problématique. Elle estime que les mots “sans son consentement” et “à son insu” devraient être supprimés parce que le consentement porte davantage sur l’infraction que sur le fait d’être dénudé et que celui-ci figure déjà dans l’interdiction de voyeurisme et de diffusion non consensuelle. Elle estime que cela pose surtout un problème dès lors que cette définition pourrait être utilisée pour un dénudement pour des raisons non sexuelles. Ainsi, une certaine partie du corps pourrait être cachée pour des raisons religieuses (un foulard par exemple) ou esthétiques. C’est pourquoi Mme Van de Heyning propose de revenir à la définition de “personne dénudée” telle que proposée dans le projet de loi de 2016: “la personne qui exhibe une partie de son corps qui, sur base des normes sociales actuelles et de la conscience collective de la pudeur, aurait été gardée couverte si la personne avait su qu’elle était épiée ou filmée sans son autorisa­ tion. (Proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne l’incrimination de l’attentat à la pudeur , DOC 54 0699/003, p. 5). Une autre possibilité tout aussi valable consiste à insérer une énumération descriptive des parties du corps dans l’article. Viol et attentat à la pudeur en ligne: abus sexuels en live-streaming La professeure Van de Heyning aborde ensuite le viol en live-streaming. Elle constate que le tourisme sexuel classique est en baisse, mais qu’il est remplacé 2141/006 DOC 55 220 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E veel problematischere fenomeen van een opdrachtgever die betaalt voor verkrachting en misbruik van kinderen in het buitenland. Het is moeilijk de bestaande wettelijke bepalingen hier op toe te passen en de beelden blijven ook niet bewaard, waardoor er niet kan worden vervolgd voor het bezit van kinderpornografisch materiaal. De spreekster benadrukt dat men vooral de verkrach­ ting wil bestraffen, eerder dan het louter bekijken van beelden. Ze verwijst naar de wetgeving in Frankrijk waarbij niet enkel de feiten van verkrachting, maar ook het geven van de opdracht wordt gelibelleerd als verkrachting. Ze geeft daarbij ook aan dat het traditionele sekstoerisme volgens het Wetboek van strafvordering niet valt onder het territorialiteitsbeginsel. Belgen die seksuele misdrijven plegen in het buitenland zijn strafbaar. Ze pleit ervoor om, zoals de Franse wetgever reeds heeft gedaan, ook het geven van de opdracht tot verkrachting op te nemen in het Wetboek van strafvordering in de lijst van misdrijven die in het buitenland zijn gepleegd (artikel 10 ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering). Sextortion Aansluitend daarbij bespreekt professor Van de Heyning het fenomeen sextortion, afpersing door mid­ del van het verspreiden van naaktbeelden of seksuele activiteit. Soms gaat het om werkelijk bestaande en authentieke beelden, soms om deepnudes, en soms zijn er gewoon geen beelden gemaakt. De juridische bestraffing kan problematisch zijn ofwel omdat er geen beelden zijn verspreid, ofwel omdat de afperser geen geld vraagt, maar wel nieuwe beelden, en dat wordt niet afgedekt door de bepaling “afpersing” volgens ar­ tikel 470 van het Strafwetboek. Ook het begrip “begin van uitvoering” kan hier problematisch zijn wanneer er geen beelden zijn of wanneer het gaat om deepnudes. Professor Van de Heyning reikt twee mogelijke op­ lossingen aan. Men zou kunnen het voorbeeld volgen van de Nederlandse wetgever, die het afpersen met het doel gegevens en beelden te verkrijgen, strafbaar stelt. Deze oplossing valt echter buiten het bestek van het voorliggende wetsontwerp. Een andere, en meer haalbare oplossing, bestaat erin om het begrip sextor­ tion strafbaar te maken door het expliciet in te schrijven in de bepaling van niet-consensuele verspreiding van naaktbeelden onder dwang, of door het gelijk te stellen met het begin van uitvoering. Online prostitutie en aanzetten tot ontucht Het wetsontwerp voorziet in een decriminalisering van de prostitutie. Professor Van de Heyning spreekt par le phénomène beaucoup plus problématique d’un commanditaire qui paie pour le viol et l’abus d’enfants à l’étranger. Il est difficile d’appliquer les dispositions légales existantes à ce phénomène et les images ne sont pas non plus conservées, de sorte qu’il n’est pas possible d’engager des poursuites pour détention de matériel pédopornographique. L’oratrice souligne que l’on veut surtout sanctionner le viol, plutôt que le fait de regarder simplement des images. Elle évoque la législation française, laquelle considère non seulement les faits de viol, mais aussi le fait de donner ordre comme des viols. Elle rappelle également que, selon le Code d’instruction criminelle, le tourisme sexuel classique ne tombe pas sous l’application du principe de territorialité. Les ressortissants belges qui commettent des infractions sexuelles à l’étranger sont passibles de sanctions. Elle plaide pour que, suivant l’exemple du législateur français, le fait de donner l’ordre de violer soit également inscrit dans le Code d’instruc­ tion criminelle, dans la liste des infractions commises à l’étranger (article 10ter du Titre préliminaire du Code de procédure pénale). Sextorsion Dans la foulée, la professeure Van de Heyning aborde le phénomène de sextorsion, l’extorsion par la diffusion d’images de nudité ou d’activité sexuelle. Parfois, les images sont réelles et authentiques, parfois ce sont des deepnudes, et parfois il n’y a tout simplement pas d’images du tout. La sanction juridique peut être pro­ blématique soit parce qu’aucune image n’a été diffusée, soit parce que l’extorqueur ne demande pas d’argent mais de nouvelles images, ce qui n’est pas couvert par la notion d’”extorsion” au sens de l’article 470 du Code pénal. Le concept de “commencement d’exécution” peut également poser problème lorsqu’il n’y a pas d’images ou lorsqu’il s’agit de deepnudes. La professeure Van de Heyning propose deux solutions possibles. L’une d’elles consiste à suivre l’exemple du législateur néerlandais, qui incrimine l’extorsion dans le but d’obtenir des données et des images. Toutefois, cette solution n’entre pas dans le cadre du projet de loi à l’examen. Une autre solution, plus réalisable, consis­ terait à incriminer la notion de sextorsion en l’incluant explicitement dans la disposition relative à la diffusion non consensuelle d’images de nudité sous la contrainte, ou en l’assimilant au commencement d’exécution. Prostitution en ligne et incitation à la débauche Le projet de loi prévoit la décriminalisation de la prostitution. La professeure Van de Heyning ne se 221 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zich niet uit over de politieke kant van de zaak, maar is wel van mening dat de moderne onlinevormen van prostitutie makkelijker minderjarigen bereiken en vindt het voorstel onvoldoende rijp om nu al te worden gestemd. Ze pleit voor het inschrijven van meer wetgevende flan­ kerende maatregelen aangaande reclame, vestiging en sociaalrechtelijke maatregelen teneinde sociaal zwakke en kwetsbare personen beter te kunnen beschermen. Ze wijst daarbij op het reële risico van glamourisering van prostitutie. Doxing van slachtoffers van seksueel misbruik Art. 417/63 Bescherming identiteit slachtoffer Professor Van de Heyning hekelt dat de bewoordingen in dit artikel enigszins ouderwets aandoen en onvolledig zijn. Artikel 417/63 garandeert de bescherming van de identiteit van slachtoffers van zedenfeiten teneinde te voorkomen dat deze slachtoffers een secundaire victi­ misatie ondergaan, ook wel genoemd doxing. Ze pleit ervoor om de bewoordingen in het artikel aan te passen naar “het verspreiden van beelden, geluidsfragmenten of gegevens waardoor het slachtoffer van een seksueel misdrijf identificeerbaar of lokaliseerbaar is.”. Art. 417/51 (en 417/52) Het vervaardigen of verspreiden van boodschappen van extreem pornografische of gewelddadige aard (gepleegd tegenover een minderjarige of een persoon die in een kwetsbare toestand verkeert) Tot slot van haar betoog verwijst professor Van de Heyning naar enkele artikels die handelen over het vervaardigen of verspreiden van boodschappen van extreem pornografische aard. Ze sluit zich aan bij de andere experten aangaande de te brede en onduidelijke formulering van de kwalificatie, en het afwijken van het uitgangspunt van toestemming. Er wordt gerefereerd aan een “normale” persoon, maar spreekster wijst erop dat dit inzake seksualiteit moeilijk te definiëren is. Er moet dus beter worden geformuleerd wat men juist wil gaan bestrijden, en dat zijn vaak feiten die nu al strafbaar zijn. De oplossing ligt volgens haar niet in het strafrecht, maar wel in hoe wordt omgegaan met de aansprakelijk­ heid van online dienstverleners om strafbare beelden te verspreiden. Het verantwoordelijk maken van die online dienstverleners komt sowieso ook op de agenda van het Parlement bij de invoering van de Digital Services Act door de EU-lidstaten. c. Uiteenzetting van de heer Olivier Bastyns, assistent aan de ULB De heer Olivier Bastyns maakt meerdere opmerkingen betreffende bepaalde aspecten van het wetsontwerp, waarin reële en aanzienlijke stappen vooruit worden prononce pas sur l’aspect politique de la question, mais estime que les formes en ligne modernes de prostitu­ tion atteignent plus facilement les mineurs et considère que la proposition n’est pas suffisamment mûre pour être d’ores et déjà votée. Elle préconise la prise de davantage de mesures législatives d’accompagnement sur la publicité, l’établissement et les mesures de droit social afin de mieux protéger les personnes socialement faibles et vulnérables. Elle pointe du doigt le risque réel de glamourisation de la prostitution. Doxing des victimes d’abus sexuels Art. 417/63 Protection de l’identité de la victime La professeure Van de Heyning critique le fait que la formulation de cet article est quelque peu démodée et incomplète. L’article 417/63 garantit la protection de l’identité des victimes de faits de mœurs afin d’éviter que ces victimes ne subissent une victimisation secon­ daire, également connue sous le nom de doxing. Elle demande que le libellé de l’article soit modifié comme suit: “la diffusion d’images, de messages sonores ou de données permettant d’identifier ou de localiser la victime d’une infraction sexuelle”. Art. 417/51 (et 417/52) La production ou la diffusion de messages à caractère extrêmement pornographique ou violent (dirigés contre un mineur ou une personne dans une situation de vulnérabilité ) En conclusion de son intervention, la professeure Van de Heyning se réfère à quelques articles qui traitent de la production ou de la distribution de messages à caractère extrêmement pornographique. Elle rejoint les autres experts concernant la formulation trop large et peu claire de la qualification, et la dérogation au principe de consentement. Il est fait référence à une personne “normale”, mais l’oratrice souligne la difficulté de définir cette notion en matière de sexualité. Il convient donc de mieux formuler ce que l’on veut combattre, et il s’agit souvent de faits qui sont déjà punissables. Selon elle, la solution ne réside pas dans le droit pénal, mais dans la manière de traiter la responsabilité des fournis­ seurs de services en ligne dans la diffusion d’images punissables. La responsabilisation des fournisseurs de services en ligne viendra de toute façon à l’ordre du jour du Parlement, lorsque les États membres de l’UE introduiront le Digital Services Act. c. Exposé de M. Olivier Bastyns, assistant à l’ULB M. Olivier Bastyns formule une série d’observations portant sur certains aspects du projet de loi, qui pré­ sente des avancées réelles et importantes. Le droit 2141/006 DOC 55 222 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gezet. Het seksueel strafrecht moet inderdaad een goede afspiegeling zijn van de normen van de huidige samenleving. Anderzijds mogen er geen louter repres­ sieve en moraliserende bedoelingen aan ten grondslag liggen. In diens algemene toelichting verduidelijkt de minister van Justitie voorts dat het wetsontwerp ertoe moet strekken de rechtspraak efficiënter te maken (men leze: eenvoudiger en samenhangender). De spreker gaat in op de straffen. Sommige zaken worden zwaarder bestraft. Voor de verkrachting van wie in een kwetsbare situatie verkeert, zou de straf verdub­ belen. De dader wordt tot dusver bestraft met opsluiting van 15 tot 20 jaar. Krachtens artikel 417/15 zal de dader voortaan worden bestraft met opsluiting van 20 tot 30 jaar. Die straf wordt dus dezelfde als die voor verkrachting met de dood tot gevolg, zonder het oogmerk dat de verkrachting de dood tot gevolg zou hebben. De beslissing om de seksuele misdrijven in een nieuwe titel onder te brengen en niet meer over de orde der familie te spreken is een verstandige keuze en is in overeen­ stemming met de leer en de rechtspraak. Qua leeftijd blijkt het huidige Belgische rechtsstelsel een juridisch moeilijk te verantwoorden bijzonderheid te bevatten betreffende de leeftijd waaronder een minderjarige niet in staat is zijn toestemming te geven voor handelingen van seksuele aard: indien een minderjarige niet de volle leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en de handeling met toestemming plaatsvindt, spreekt men van aanranding van de eerbaarheid; indien de minderjarige jonger is dan 14 jaar, gaat het over verkrachting. De heer Bastyns ziet hier een terminologisch probleem: een penetratie wordt als aanranding van de eerbaarheid beschouwd, terwijl net dat het essentiële element is van de definitie van verkrachting. De in het wetsontwerp vervatte idee om één vaste leeftijdsgrens vast te stel­ len, is dan ook zinvol. De regering neigt evenwel naar een op het eerste gezicht meer repressieve aanpak: de seksuele handeling met penetratie van een minderjarige of met de hulp van een minderjarige jonger dan de volle leeftijd van zestien jaar wordt voortaan als verkrachting beschouwd, daar de minderjarige jonger dan zestien jaar niet uit vrije wil kan toestemmen en zulks een onweer­ legbaar vermoeden is. De spreker voegt er evenwel aan toe dat de Raad van State zich afvraagt of de wetgever bij de keuze om de leeftijdsgrens op 16 jaar vast te leggen, wel alle relevante elementen in overweging heeft genomen. De Raad van State verzoekt om die beslissing te verantwoorden. Uit maatschappelijke ontwikkelingen en wetenschappe­ lijk onderzoek zou blijken dat de minderjarigen uit de pénal sexuel doit effectivement refléter les normes de la société actuelle. En revanche, il ne doit pas être sous-tendu par une volonté uniquement répressive et moralisatrice. Dans son exposé général, le ministre de la Justice précise d’ailleurs que le but du projet doit être de rendre la justice plus efficace, en d’autres termes, plus simple et plus cohérente. L’orateur se penche sur la question des peines, dont certaines sont aggravées. S’agissant du viol sur une personne se trouvant dans une situation de vulnérabilité, la sanction est passée du simple au double. Auparavant, l’auteur des faits était puni d’une peine de dix à quinze ans de réclusion. En vertu de l’article 417/15, il serait dorénavant puni d’une peine de réclusion de 20 à 30 ans. Cette peine équivaut donc à celle infligée pour le viol avec la circonstance que la mort de la personne sans intention de la donner a été la conséquence du viol. La décision de placer les infractions sexuelles dans un nouveau titre et de ne plus parler de l’ordre des familles est un choix judicieux et conforme à la doctrine et la jurisprudence. S’agissant de l’âge, la situation actuelle du système judiciaire belge révèle une particularité dif­ ficilement justifiable en droit quant à l’âge en dessous duquel un mineur n’est pas capable de donner son consentement à des actes à caractère sexuel: si un mineur a moins de 16 ans et que l’acte est consenti, il s’agit d’un attentat à la pudeur, mais il s’agit d’un viol s’il a moins de 14 ans. Selon M. Bastyns, le problème est d’ordre termino­ logique: on qualifie d’attentat à la pudeur un acte de pénétration, qui est pourtant l’élément essentiel de la définition du viol. La proposition du projet loi de fixer une seule limite d’âge déterminée a donc tout son sens. Le gouvernement tend cependant vers une approche plus répressive: à première vue, il considère dorénavant l’acte sexuel commis avec pénétration sur un mineur ou à l’aide d’un mineur de moins de seize ans accomplis comme un viol dès lors que le mineur de moins de seize ans ne peut consentir librement et qu’il s’agit d’une présomption irréfragable. L’intervenant ajoute toutefois que le Conseil d’État se demande si le législateur a pris en considération l’ensemble des éléments pertinents pour le choix de la limite fixée à 16 ans. Le Conseil d’État souhaiterait obtenir une justification de cette décision. L’évolution sociale et la recherche scientifique semblent montrer que, de nos jours et dans la plupart des cas, les mineurs 223 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E leeftijdscategorie van 14 tot 16 jaar thans veelal bewust handelen en hun seksuele grenzen kunnen aangeven. Hoewel de keuze van de leeftijd waaraan dit vermoe­ den van niet-toestemming is verbonden dus veeleer een maatschappelijke dan een juridische keuze uit­ drukt, vestigt de heer Bastyns er de aandacht op dat moet worden onderzocht wat de mogelijke praktische gevolgen zijn en wijst hij erop dat de in overweging te nemen situaties betrekkingen tussen een minderjarige en een meerderjarige, alsook betrekkingen tussen twee minderjarigen kunnen omvatten. Gelet op artikel 6 van het voorontwerp van wet zou een meerderjarige die met toestemming een seksuele relatie met penetratie heeft met een minderjarige jonger dan zestien jaar, zich schuldig maken aan verkrachting. Hetzelfde zou gelden voor een minderjarige in een dergelijke relatie met een andere minderjarige. Juridisch zou het openbaar ministerie de minderjarige via seponering van rechtsvervolging kunnen ontslaan. Mocht de zaak evenwel voor de rechtbank komen, indien niet tot seponering wordt beslist of bij burgerlijke par­ tijstelling, dan kan de rechter niet anders dan de dader schuldig verklaren aan verkrachting. De Raad van State heeft er heel terecht op gewezen dat artikel 18 van het Verdrag van 25 oktober 2007 van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik de verplichting oplegt om in effectieve bescherming te voorzien tegen seksueel misbruik bij minderjarigen. De Raad wijst evenwel op de niet-toepassing van het artikel indien het gaat om vrijwillige seksuele handelingen tussen minderjarigen. Zou het niet objectiever zijn te stellen dat minderjarigen niet uit vrije wil kunnen instemmen indien de partner meerderjarig is? Is dat vermoeden van niet-toestemming voorts nodig daar de wet ertoe strekt minderjarigen te beschermen tegen een relatie die met toestemming lijkt plaats te vinden, maar die in werkelijkheid kan worden beschouwd als aangezet, uitgelokt, geleid of gecontro­ leerd? Bovendien bepaalt artikel 417/6, § 3, 2°, reeds dat een minderjarige nooit wordt geacht uit vrije wil zijn toestemming te kunnen geven indien de handeling mogelijk wordt gemaakt doordat de dader gebruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, van gezag of van invloed ten aanzien van de minderjarige. Voorts stelt de spreker voor om manipulatie als mogelijke beweegreden op te nemen. Zonder de toestemming te definiëren verduidelijkt artikel 5 van het wetsontwerp dat deze uit vrije wil moet zijn gegeven, dat dit wordt beoordeeld in het licht van de omstandigheden van de zaak, dat de toestemming niet kan worden afgeleid uit de loutere ontstentenis van qui se situent dans la tranche d’âge de quatorze à seize ans agissent de manière consciente et peuvent indiquer leurs limites sexuelles. Si le choix de l’âge auquel est rattachée cette pré­ somption de non-consentement exprime un choix sociétal plus que juridique, M. Bastyns attire toutefois l’attention sur l’importance d’examiner les possibles répercus­ sions sur le plan pratique et rappelle que les situations à envisager peuvent concerner des relations entre un mineur et un majeur, ainsi que des relations entre deux mineurs d’âge. Au vu de l’article 6 de l’avant-projet de loi, une personne majeure qui entretiendrait une relation sexuelle consentie avec pénétration avec un mineur de moins de seize ans serait coupable de viol. Il en serait de même pour un mineur entretenant une telle relation avec un autre mineur. Sur le plan juridique, le mineur pourrait bénéficier d’un classement sans suite du ministère public. En revanche, si un tribunal devait être saisi, en l’absence d’un tel classement ou à la suite d’une constitution de partie civile, il ne pourrait que déclarer l’auteur coupable de viol. Le Conseil d’État a très justement rappelé que si l’article 18 de la Convention du 25 octobre 2007 du Conseil de l’Europe sur la protection des enfants contre l’exploitation et les abus sexuels impose l’obligation de prévoir une protection effective contre les abus sexuels à l’égard de mineurs, il ne doit toutefois pas être appliqué lorsqu’il s’agit d’actes à caractère sexuel volontaires entre mineurs. Ne serait-il pas plus objectif de considérer que les mineurs ne peuvent pas consentir librement si le par­ tenaire est une personne majeure? Par ailleurs, cette présomption de non-consentement est-elle nécessaire dès lors que le but de la loi est de protéger les mineurs contre une relation apparaissant consentie, mais pou­ vant, en réalité, être considérée comme incitée, induite, dirigée ou contrôlée et que l’article 417/6, § 3, 2°, prévoit déjà qu’un mineur n’est jamais réputé avoir la possibi­ lité d’exprimer librement son consentement si l’acte a été rendu possible en raison, dans le chef de l’auteur, d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur? Il est à noter que l’orateur propose également d’inclure la manipulation dans les causes possibles. Sans définir le consentement, l’article 5 du projet de loi précise qu’il doit avoir été donné librement, qu’il est apprécié au regard des circonstances de l’affaire, qu’il ne peut être déduit de la simple absence de résistance de la victime et qu’il peut être retiré à tout moment avant 2141/006 DOC 55 224 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verweer van het slachtoffer en dat de toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik voor of tijdens de seksuele handeling. Met andere woorden, de dader kan in geen geval de toestemming veronderstellen. Die opsomming neemt genoegen met de overname van een sinds jaren vaststaande rechtspraak. Het lijkt inderdaad belangrijk om die toestemming te benadrukken, maar zoals terecht in de memorie van toelichting wordt gesteld mag dit niet leiden tot een volledige omkering van de bewijslast in die zin dat de voorafgaande toestemming vooraf schriftelijk moet worden verkregen. De rechtbanken krijgen zelden te maken met zaken waar iemand die manifest schuldig is aan verkrachting moet worden vrijgesproken vanwege een juridische leemte met betrekking tot het begrip “toestemming”. Het probleem heeft dus veeleer te maken met de be­ wijslast dan met de wettelijke definitie. Het is dus uiterst belangrijk dat de rechter aangaande dat begrip een beoordelingsbevoegdheid behoudt. Met betrekking tot die toestemming behandelt het tweede lid de aspecten die een afwezigheid van toe­ stemming impliceren en beoogt het ook elke “andere strafbare gedraging”. Het derde lid bevat een lange lijst, waardoor de uitingen van de afwezigheid van toe­ stemming een begrensd karakter lijken te hebben. De heer Bastyns raadt aan het derde lid achterwege te laten en het tweede lid aan te vullen met de woorden “of die mogelijk werd gemaakt door een lichamelijk of mentaal gebrek dat de vrije wil aantast.”. De verkrachting wordt in artikel 12 van het wetsont­ werp gedefinieerd als “elke gestelde daad die bestaat of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toe­ stemt.”. Verkrachting is het zwaarste seksueel misdrijf. De spreker vraagt waarom bij de opsomming van de misdrijven de verkrachting pas wordt genoemd na de misdrijven tegen de seksuele integriteit, voyeurisme, de niet-consensuele verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames. Hij wijst ook nadrukkelijk op een wijziging: voortaan zullen een man die een minderjarige een fellatio toedient of een vrouw die zich door een minderjarige laat penetreren schuldig worden bevonden aan verkrachting en niet langer aan aanranding van de eerbaarheid. Het begrip verkrachting is aan verandering onder­ hevig. De seksuele penetratie stemt overeen met wat doorgaans wordt verstaan onder seksuele activiteit. De spreker merkt op dat dat begrip ook afhangt van de be­ oordeling van de rechter, die rekening zal houden met de veranderende normen rond seksueel gedrag. Hij voegt ou pendant l’acte à caractère sexuel. En d’autres termes, l’auteur ne peut en aucun cas présumer le consente­ ment. Cette énumération se contente de reprendre une jurisprudence constante depuis des années. S’il apparaît important d’insister sur la notion de consentement, il ne faut pas que celui-ci aboutisse, comme relevé très juste­ ment dans l’exposé des motifs, à un renversement de la charge de la preuve et à la nécessité de faire consigner le consentement par écrit avant toute relation sexuelle. Les tribunaux sont rarement confrontés à des cas où ils se voient obligés d’acquitter une personne manifes­ tement coupable de viol en raison d’un vide juridique au niveau de la notion de consentement. Le problème se situe donc davantage au niveau de la preuve que de la définition légale. L’importance de laisser un pouvoir d’appréciation au juge quant à cette notion de consen­ tement prend ici tout son sens. S’agissant du consentement, l’alinéa 2 reprend les éléments impliquant une absence de consentement et vise aussi “tout autre comportement punissable”. Quant à l’alinéa 3, il comporte une longue liste, qui semble conférer un caractère limitatif aux manifestations de l’absence de consentement. M. Bastyns recommande de ne pas conserver l’alinéa 3 et de compléter l’alinéa 2 par la mention “ou qui a été rendu possible en raison d’une déficience physique ou mentale altérant le libre arbitre”. En ce qui concerne le viol, l’article 12 du projet de loi définit le viol comme “tout acte qui consiste en ou se compose d’une pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque moyen que ce soit, commis sur une personne ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas”. Le viol est l’infraction sexuelle la plus grave. L’intervenant se demande pourquoi, dans l’énumération des infractions, le viol figure après les infractions d’atteinte à l’intégrité sexuelle, de voyeurisme, de diffusion non consensuelle d’images et d’enregistrements à caractère sexuel. Il sou­ ligne également une modification: à présent, un homme prodiguant une fellation à un mineur ou une femme se faisant pénétrer par un mineur sera coupable de viol et non plus d’attentat à la pudeur. Le viol est une notion évolutive. Quant à l’acte de pénétration sexuelle, il correspond à ce que l’on entend généralement par activité sexuelle. L’intervenant note que cette notion dépend aussi de l’appréciation du juge, qui prendra en considération l’évolution des normes en matière de comportement sexuel. À cet égard, il 225 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E er in dat verband aan toe dat het van wezenlijk belang is dat de rechter over een beoordelingsbevoegdheid kan beschikken aangaande een begrip dat van nature veranderlijk is. In die zin is de controverse rond de “opgedrongen tongkus” in de aanloop naar de wet van 18 juli 1989 ver­ helderend. Ook in het huidige wetsontwerp en de memorie van toelichting wordt de opgedrongen tongkus nog steeds niet als een verkrachting beschouwd. De deskundige vindt echter dat een gedwongen tongkus neerkomt op een penetratie van een orgaan dat als ontvanger van een seksuele daad kan dienen en dat die tongkus door de persoon die hem ondergaat als een verkrachting kan worden beschouwd. Aangaande de mogelijke straffen voor een seksueel misdrijf is de heer Bastyns van oordeel dat de artike­ len 87, 88 en 89 van het wetsontwerp een stap in de goede richting vormen; ze bieden de mogelijkheid een werkstraf, een autonome probatiestraf of een straf onder elektronisch toezicht op te leggen. Vroeger waren er enkele onsamenhangendheden: er kon meer bepaald een werkstraf worden opgelegd voor een misdrijf van aanranding van de eerbaarheid ten aanzien van een minderjarige (zonder verzwarende omstandigheden), maar niet voor openbare zedenschennis ten aanzien van een minderjarige. De deskundige staat ook achter de in artikel 106 be­ oogde wijziging, waardoor een rechter een uitstel zou kunnen toekennen zelfs indien de betrokkene eerder werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van meer dan drie jaar. Die wijziging zou de rechter meer beweegruimte bieden. De heer Bastyns beveelt tevens aan te voorzien in de mogelijkheid uitstel toe te kennen voor straffen van meer dan vijf jaar. Artikel 20 van het wetsontwerp strekt tot invoeging van het misdrijf van incest, dat thans wordt bestraft als verzwarende omstandigheid. Doorgaans wordt de term “incest” begrepen als de aanwezigheid van betrekkingen tussen verwanten in rechte lijn of in zijlijn, ongeacht of die meerderjarig of minderjarig zijn; hier heeft de wet­ gever er evenwel voor gekozen incest slechts juridisch te definiëren als seksuele handelingen die worden gepleegd op een minderjarige, met uitzondering van elk meerderjarig slachtoffer. Volgens de heer Bastyns leidt dit tot verwarring en dreigt dit het criterium van de voorspelbaarheid in het strafrecht op losse schroeven te zetten. Voorts is het zo dat de woorden “ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen” ook betrekking hebben op de kinderen van de plusvader of de plusmoeder, zoals aangegeven in de memorie van toelichting. Hoe zit het dan echter met de toekomst van een relatie die een ajoute qu’il est essentiel de laisser au juge un pouvoir d’appréciation quant à une notion par nature évolutive. En ce sens, la controverse du “baiser colombin”, qui existait déjà lors des travaux préparatoires de la loi du 18 juillet 1989, est révélatrice. Aujourd’hui encore, le projet de loi et l’exposé des motifs indiquent que le baiser colombin n’est pas un viol. Pour sa part, l’expert estime qu’un baiser lingual forcé constitue un acte de pénétration d’un organe pouvant servir de réceptacle à un acte sexuel et qu’il peut être considéré comme un viol par la personne qui le subit. Quant aux peines possibles en cas d’infraction à caractère sexuel, M. Bastyns estime que les articles 87, 88 et 89 du projet de loi constituent une avancée positive, car ils permettent la détermination d’une peine de travail, d’une peine de probation autonome ou d’une peine de surveillance électronique. Auparavant, il y avait quelques incohérences, notamment le fait qu’une peine de travail puisse être accordée pour une infraction d’attentat à la pudeur commis sur mineur (sans circonstances aggra­ vantes), mais pas pour un outrage public aux bonnes mœurs commis sur un mineur. L’expert approuve également la modification prévue par l’article 106 permettant au juge d’accorder une mesure de sursis même en cas d’antécédent consistant en un emprisonnement de plus de trois ans. Cette modification laisse une plus grande marge de manœuvre au juge. M. Bastyns conseille également de prévoir la possibi­ lité d’accorder le sursis pour les peines supérieures à cinq ans. L’article 20 du projet de loi introduit l’infraction d’in­ ceste, qui est aujourd’hui sanctionnée en tant que cir­ constance aggravante. Si l’acception commune de ce terme comprend l’existence de relations entre parents en ligne directe ou collatérale, qu’ils soient majeurs ou mineurs, le législateur a choisi de ne définir juridi­ quement l’inceste que comme des actes à caractère sexuel commis sur un mineur, à l’exception de toute victime majeure. M. Bastyns estime que cela prête à confusion et que cela risque de mettre à mal le critère de prévisibilité du droit pénal. Par ailleurs, si les termes “toute autre personne occupant une position similaire au sein de la famille des personnes précitées” incluent les enfants du beau-père ou de la belle-mère, comme indiqué dans l’exposé des motifs, qu’en est-il de l’avenir de la relation qu’un mineur entretiendrait avec un autre mineur et dont les parents, apprenant à se connaître par le biais de leurs enfants, décident d’entamer une 2141/006 DOC 55 226 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E minderjarige aangaat met een andere minderjarige van wie de ouders, die elkaar via de kinderen hebben leren kennen, beslissen om een affectieve en seksuele relatie aan te gaan? Zou die minderjarige dan kunnen worden vervolgd voor incest? De deskundige bekritiseert die bepaling, door te benadrukken dat tussen voormelde partners geen enkele bloedverwantschap bestaat. Artikel 26 van het wetsontwerp bevat het begrip “ver­ zwarende factoren”. Volgens de Raad van State is de strekking van die bepaling onvoldoende duidelijk. Bovendien vindt de deskundige die bepaling niet zinvol, aangezien het begrip “verzwarende omstandigheden” al bestaat. Thans is het zo dat wanneer een rechter over een hem voorgelegd misdrijf moet oordelen (waarbij hij eventueel ook verzwarende omstandigheden in aanmer­ king neemt), hij een bepaalde straf met een minimale en een maximale strafmaat kan opleggen. Om de effectieve straf te bepalen moet hij de “persoonlijkheidsaspecten” in overweging nemen. De deskundige leidt uit de bepaling af dat de rechter eerst zal moeten nagaan of er sprake is van verzwarende factoren. Indien zulks het geval is, zal hij daarmee rekening moeten houden bij het vastleggen van de straf. Zodra de rechter een verzwarende factor in aanmerking neemt, zal hij de minimumstraf niet langer kunnen uitspreken; hij zal met die factor immers rekening moeten houden om de strafmaat te bepalen. Teneinde het soevereine oordeel van de rechter met betrekking tot de keuze van de straf te vrijwaren, stelt de heer Bastyns de volgende formulering voor: “Bij het maken van de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan voor feiten die niet-consensuele seksuele handelingen uitmaken, houdt de rechter rekening met de persoonlijkheidsaspecten van de beklaagde en met de door hem relevant geachte omstandigheden die eigen zijn aan de zaak, waarbij hij tegelijk bijzondere aandacht kan schenken aan de vol­ gende aspecten: …”. De deskundige beveelt aan deze zin te laten volgen door de lijst die in het wetsontwerp is opgenomen. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) heeft uit het betoog van professor Liesbet Stevens in een eerdere hoorzit­ ting gehoord dat zogenaamde dickpics volgens de voorliggende tekst niet strafbaar zouden zijn, en dat dat best zou worden aangepast. Het lid vraagt hierover de mening van de sprekers. Het lid heeft voor de sprekers ook een vraag betref­ fende de seksuele meerderjarigheid. Zij stelt daarbij dat er een verschil is tussen het uitvoeren van fysieke relation affective et sexuelle? Le mineur pourrait-il être poursuivi pour inceste? Soulignant l’absence de tout lien de sang entre les deux partenaires susvisés, l’expert critique cette disposition. L’article 26 du projet de loi prévoit la notion de “facteurs aggravants”. Le Conseil d’État estime que la portée de cette disposition manque de clarté. En outre, l’expert ne la trouve pas utile, puisque la notion de circonstances aggravantes existe déjà. Actuellement, lorsqu’il a déter­ miné l’infraction qui lui est soumise (éventuellement après application de circonstances aggravantes), le juge se trouve face à une peine comprenant un minimum et un maximum. Il lui revient alors de prendre en considération les “éléments de personnalité” pour déterminer la peine effective à infliger. À la lecture de la disposition, l’expert estime que le juge devra d’abord vérifier s’il existe des facteurs aggravants. Si c’est le cas, il devra en tenir compte dans l’appréciation de la peine qu’il déterminera. Dès lors qu’il aura retenu un facteur aggravant, le juge ne pourra pas condamner au minimum de la peine puisqu’il sera obligé de tenir compte de ce facteur dans la sévérité de la peine. Pour conserver l’appréciation souveraine du juge quant au choix de la peine, M. Bastyns propose la formulation suivante: “Lors du choix de la peine ou de la mesure et de la sévérité de celle-ci, pour des faits constitutifs d’actes à caractère sexuel, le juge tient compte des éléments de personnalité propres au prévenu et des circonstances propres à la cause qu’il estime pertinent, tout en pouvant accorder une attention particulière aux éléments suivants: …”. Il conseille de reprendre, à la suite de cette phrase, la liste figurant dans le projet de loi. 3. Échange de vues a. Questions et observations des membres Mme Sophie De Wit (N-VA) a retenu de l’intervention de la professeure Liesbet Stevens lors d’une audition précédente que les “dickpics” ne seraient pas punis­ sables selon le texte à l’examen, et qu’il serait préférable de modifier ce point. La membre demande l’avis des orateurs sur cette question. La membre souhaite également interroger les orateurs à propos de la majorité sexuelle. Elle précise qu’il y a une différence entre la pratique d’activités physiques et 227 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E activiteiten en het experimenteren met sexting dat bij jongere kinderen al kan voorkomen. Ze is er zich van bewust dat ook sexting reële risico’s inhoudt, maar dat de impact toch niet helemaal dezelfde is als de fysieke activiteit. Ze wil graag weten of de sprekers vinden dat een verschillende leeftijdsgrens voor handelingen vanop afstand en fysieke handelingen wenselijk is. De heer Ben Segers (Vooruit) heeft enkele concrete vragen voor professor Van de Heyning. Hij wil graag weten of er voldoende aandacht is in het wetsontwerp voor kwetsbare personen andere dan minderjarigen. Een tweede vraag gaat over het leeftijdsverschil voor seksuele meerderjarigheid. Hij wil graag vernemen hoe professor Van de Heyning de praktische impact ziet van deze invoering op mogelijk misnoegde ouders en misnoegde ex-partners. Het lid komt terug op de decriminalisering van seks­ werk en verwijst daarbij naar het pleidooi van professor Van de Heyning om flankerende maatregelen in te voeren vooraleer de decriminalisering van prostitutie te stem­ men. Hij wil van haar graag weten welke maatregelen ze daarbij vooral bedoelt. Mevrouw Katleen Bury (VB) wil de experten ook graag twee aspecten voorleggen uit het eerdere betoog van professor Liesbet Stevens die signaleerde dat dickpics niet strafwaardig zijn in het ter bespreking voorliggende wetsontwerp. Spreekster vraagt zich af hoe dit dan straf­ baar kan worden gesteld. Kan het worden bekeken vanuit het standpunt van de dader, dus als exhibitionisme, of via de digitale dienstverleners? In dat laatste geval zal dit wel tot een zeer grote werklast leiden bij de recht­ banken. Ze vraagt zich af of niet eerder de kwalificatie “belaging” kan worden gebruikt. Een tweede vraag gaat over de seksuele meer­ derjarigheid, meer bepaald de uitzondering voor 14- en 15-jarigen. Professor Liesbet Stevens wou graag de discussie openen over de verhoging van het toegestane leeftijdsverschil van 2 jaar waarbij ze ervoor pleitte om dit te laten afhangen van het gezond verstand van de magistraten. Mevrouw Bury wil van de genodigden graag weten of zij weet hebben van de bestaande regeling in de buurlanden of studies hierover. Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) vertolkt een bekommernis van de vrouwenbeweging. Ze verwijst naar de kwestie van de te hoge bewijslast van de kant van het slachtoffer, meer bepaald in geval van seksueel geweld l’expérimentation du sexting, qui peut déjà s’observer chez de jeunes enfants. Elle est consciente que le sexting présente également des risques réels, mais que l’impact n’est pas tout à fait le même que celui de l’activité phy­ sique. Elle aimerait savoir si les orateurs pensent qu’il est souhaitable de prévoir des limites d’âge différentes pour les actes à distance et pour les actes physiques. M. Ben Segers (Vooruit) pose plusieurs questions concrètes à la professeure Van de Heyning. Il lui demande si le projet de loi à l’examen accorde une attention suffisante aux personnes vulnérables autres que les mineurs d’âge. Une deuxième question concerne la différence d’âge en matière de majorité sexuelle. Il souhaiterait savoir comment la professeure Van de Heyning envisage les conséquences pratiques de l’instauration de cette règle pour les parents et les ex-partenaires potentiellement mécontents. Le membre revient sur la décriminalisation du travail du sexe et renvoie à cet égard à l’appel de la profes­ seure Van de Heyning pour l’instauration de mesures d’accompagnement avant le vote de la décriminalisation de la prostitution. Il lui demande quelles sont les mesures principales qu’elle envisage à cet égard. Mme Katleen Bury (VB) souhaiterait également pré­ senter aux experts deux aspects de l’exposé fait précé­ demment par la professeure Liesbet Stevens, qui a fait observer que l’envoi de dickpics ne constitue pas une infraction punissable dans le projet de loi à l’examen. L’intervenante se demande comment cette pratique pourrait alors être incriminée. Pourrait-on l’envisager du point de vue de l’auteur, et donc comme de l’exhi­ bitionnisme, ou via les fournisseurs de services numé­ riques? Dans ce dernier cas, cela entraînera toutefois une charge de travail très lourde pour les tribunaux. Elle se demande s’il ne serait pas préférable d’utiliser le terme de “harcèlement”. Une deuxième question concerne la majorité sexuelle, plus précisément l’exception prévue pour les jeunes de quatorze et de quinze ans. La professeure Liesbet Stevens aurait souhaité ouvrir le débat sur l’augmenta­ tion de la différence d’âge autorisée de deux ans, tout en plaidant pour que cette question soit laissée au bon sens des magistrats. Mme Bury demande aux invités s’ils ont connaissance de l’existence, à l’étranger, de réglementations ou d’études à ce sujet. Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) exprime une préoccupation du mouvement féministe en renvoyant à la question de la charge de la preuve trop élevée qui incombera aux victimes, plus particulièrement en cas 2141/006 DOC 55 228 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E door daders in een machtspositie en pooierschap. Ze wil graag van de genodigden vernemen of zij dezelfde mening zijn toegedaan. Een tweede vraag betreft de mogelijkheid van het invoeren van de notie “seksueel geweld door nalatig­ heid” en “seksuele zorgvuldigheid”. Kan dit een antwoord bieden op de te hoge bewijslast van de kant van het slachtoffer? Zijn er eventueel andere mogelijkheden om deze bewijslast te verminderen? Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) verwijst naar een artikel uit de Juristenkrant van de hand van de heer Jogchum Vrielinck en mevrouw Sofie Royer over extreem pornografische en gewelddadige bood­ schappen. Ze heeft begrepen dat de sprekers in de hoorzitting dezelfde mening zijn toegedaan en dat dit geen in het strafrecht op te nemen kwestie moet zijn. Ze wil graag van de genodigden verduidelijking of dat inderdaad hun mening is. Het lid herneemt ook de vraag van mevrouw Vindevoghel betreffende de bewijslast en de mogelijk­ heid die bewijslast te verminderen door een notie “sek­ sueel geweld door nalatigheid’ in het leven te roepen, naar het voorbeeld van de wetgeving in Zweden, waarbij de nalatigheid dan slaat op het niet voldoende ernstig nemen van klachten. Hierdoor zou het aantal aangiften kunnen toenemen. Mevrouw Hugon wil graag van de genodigden vernemen wat hun mening daarover is. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) stelt vast dat er een evolutie bezig is van relatieve verzwaring van de straffen voor zedendelicten. Ze wijst erop dat het verzwaren van straffen een makkelijke politieke beslissing is die door een bepaald deel van de bevolking wordt geapprecieerd. In dit wetsontwerp zijn echter geen bijkomende maat­ regelen opgenomen zoals medische, psychische en psychiatrische begeleiding, en ze wil graag de mening van de heer Bastyns daarover vernemen. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) verwijst naar de oproep van mevrouw Wattier om een invulling te geven aan het begrip “openbare zedenschennis”, wat enkel in het wetsontwerp is blijven staan binnen de context van revenge porn en exhibitionisme. Ze vraagt zich af of door het wegvallen van deze kwalificatie het risico niet bestaat dat er geen bescherming kan worden aangeboden aan individuen die zich blootgeven, bijvoorbeeld in de context van een studentendoop, wanneer niet duidelijk is in welke mate de dwang een rol speelt. Het lid wenst ook graag te vernemen of het niet zinvol is om de verplichting in te voeren voor het gemotiveerd advies dat kan ingewonnen worden bij diensten gespe­ cialiseerd in begeleiding of behandeling van seksuele d’actes de violence sexuelle commis par des individus en position de pouvoir et en cas de proxénétisme. Elle demande aux invités s’ils partagent la même opinion. Une deuxième question concerne la possibilité d’intro­ duire la notion de “violence sexuelle par négligence” et de “précaution sexuelle”. Ces notions pourraient-elles apporter une réponse à la charge de la preuve trop élevée incombant aux victimes? Existerait-il d’autres possibilités pour réduire cette charge de la preuve? Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) renvoie à un article de la revue de Juristenkrant rédigé par M. Jogchum Vrielinck et Mme Sofie Royer au sujet des images à caractère extrêmement pornographique ou violent. Elle a compris que les orateurs auditionnés partagent la même opinion et que cet aspect ne devrait pas relever du droit pénal. L’intervenante demande aux invités de préciser si tel est effectivement leur opinion. La membre reprend aussi la question de Mme Vindevoghel concernant la charge de la preuve et la possibilité de réduire cette charge en instaurant, comme dans la législation suédoise, la notion de “vio­ lences sexuelles par négligence”, la négligence portant alors sur le fait de ne pas avoir pris des plaintes suf­ fisamment au sérieux. Cette incrimination permettrait d’augmenter le nombre de dénonciations. Mme Hugon souhaiterait connaître l’opinion des invités à cet égard. Mme Vanessa Matz (cdH) constate une évolution en faveur d’un durcissement relatif des peines pour les délits de mœurs. Elle indique que le durcissement des peines constitue une décision politique aisée qui est appréciée par une certaine frange de la population. Toutefois, le projet de loi à l’examen ne prévoit aucune mesure complémentaire, comme un accompagnement médical, psychologique et psychiatrique, et l’intervenante souhaiterait connaître l’opinion de M. Bastyns à ce propos. Mme Sophie Rohonyi (DéFi) renvoie à l’appel de Mme Wattier visant à préciser la notion d’“outrage public aux bonnes mœurs”, qui, dans le projet de loi à l’examen, reste limitée au contexte du revenge porn et de l’exhibi­ tionnisme. L’intervenante se demande si la suppression de cette qualification ne risque pas de ne plus permettre de protéger des personnes qui affichent leur nudité, par exemple dans le cadre d’un baptême estudiantin, dans les situations où l’on ignore la mesure dans laquelle la contrainte a joué un rôle. La membre demande aussi s’il ne serait pas judicieux de prévoir une obligation de demander l’avis motivé des services spécialisés dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels plutôt que de prévoir, comme 229 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E delinquenten in plaats van enkel de voorliggende mo­ gelijkheid tot het inwinnen van advies. b. Antwoorden van de genodigden en replieken Mevrouw Isabelle Wattier waarschuwt ervoor het aantal kwalificaties niet te doen toenemen. Fenomenen als dickpics en sextortion worden reeds afgedekt in bestaande wetgeving. Ze pleit ervoor om te vertrekken vanuit één ankerpunt, met name het beschermen van de seksuele integriteit, en van daaruit vertakkingen te maken naar voorkomende concrete fenomenen. In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi be­ treffende de kwalificatie openbare zedenschennis ver­ duidelijkt professor Wattier dat de verschillende artikels over openbare zedenschennis tot doel hadden de mo­ rele en mentale integriteit te bewaren en dat het in de huidige context meer over de fysieke integriteit gaat. Artikel 385 van het Strafwetboek dat exhibitionisme afdekt is daardoor wel overeind gebleven. Betreffende de problematiek van studentendopen benadrukt professor Wattier dat dit gaat om verleende toestemming. Die problematiek moet door middel van opvoeding en sensibilisering worden opgelost en niet in het strafrecht, want anders wordt iedereen verantwoor­ delijk gemaakt voor het gedrag van enkele individuen, wat niet houdbaar is. Mevrouw Catherine Van de Heyning beantwoordt eerst de vragen over de al dan niet strafbaarheid van het sturen van dickpics. Dit valt niet altijd onder “belaging”. Hoewel het buiten het bestek van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp valt, kan de wet van 13 juni 2005 betreffende elektronische communicatie hier wel worden toegepast om een dickpic strafbaar te stellen. Verwijzend naar de vraag van mevrouw De Wit be­ treffende de leeftijdsgrenzen voor sexting antwoordt professor Van de Heyning dat er in het wetsontwerp een bewust onderscheid wordt gemaakt tussen de seksuele activiteit enerzijds (16, of 14 jaar indien er maximum 2 jaar verschil is tussen de partners) en anderzijds alles wat met de niet-consensuele verspreiding van beelden te maken heeft (18 jaar). Ze pleit ervoor dit zo te behouden, met uitzondering van consensuele sexting binnen een relatie, omdat er anders problemen dreigen te ontstaan in de bestrijding van kinderpornografisch materiaal. Wanneer het dan gaat om consensuele sexting bin­ nen een relatie kan dan eventueel wel de leeftijd worden verlaagd. De spreekster verdedigt de bestaande leeftijds­ grens van 14 jaar binnen de minderjarigheid als redelijk. Ze wijst erop dat sexting op jongere leeftijd binnen een consensuele relatie valt binnen het jeugddelinquentierecht c’est le cas dans le projet de loi à l’examen, la possibilité de le demander. b. Réponses des orateurs invités et répliques Mme Isabelle Wattier met en garde contre l’augmenta­ tion du nombre de qualifications. La législation existante inclut déjà les phénomènes tels que les dickpics et la sextortion. Elle prône de se fixer un objectif, la protection de l’intégrité sexuelle, et d’y rattacher les phénomènes concrets qui surviennent. La professeure Wattier répond à la question de Mme Rohonyi concernant la qualification d’outrages publics aux bonnes mœurs en précisant que les diffé­ rents articles y afférents visaient à préserver l’intégrité morale et mentale et qu’il s’agit davantage de l’intégrité physique dans le contexte actuel. L’article 385 du Code pénal portant sur l’exhibitionnisme a dès lors bien été maintenu. S’agissant de la problématique des baptêmes estudian­ tins, la professeure Wattier souligne qu’il s’agit d’activités consenties. Il faut remédier à cette problématique par le biais de l’éducation et de la sensibilisation et non dans le droit pénal, sinon tout le monde sera tenu responsable du comportement de quelques individus, ce qui n’est pas défendable. Mme Catherine Van de Heyning répond d’abord aux questions concernant l’incrimination éventuelle de l’envoi de dickpics, qui ne relève pas toujours du “harcèlement”. Bien qu’elle ne relève pas du champ d’application du projet de loi à l’examen, la loi du 13 juin 2005 relative aux communications électroniques pourrait être appliquée en l’espèce pour incriminer les dickpics. Renvoyant à la question de Mme De Wit à propos des limites d’âge applicables au sexting, la professeure Van de Heyning répond qu’une distinction est délibé­ rément établie, dans le projet de loi, entre l’activité sexuelle (16 ans, ou 14 ans si la différence d’âge entre les partenaires n’excède pas 2 ans), d’une part, et tout ce qui a trait à la diffusion non consensuelle d’images (18 ans), d’autre part. Elle préconise de conserver ces limites d’âge, sauf pour le sexting consensuel au sein d’une relation, sans quoi des problèmes risquent de se poser dans la lutte contre le matériel pédopornographique. En ce qui concerne le sexting consensuel dans le cadre d’une relation, l’âge pourrait éventuellement bien être abaissé. L’oratrice défend la limite d’âge actuelle de 14 ans, chez les mineurs, et estime qu’elle est raison­ nable. Elle signale que le sexting à un âge plus précoce relève du droit en matière de délinquance juvénile et que 2141/006 DOC 55 230 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E en dat de consequenties dus ook anders zijn. Professor Van de Heyning concludeert dat er zich dus niet meteen een probleem stelt zoals mevrouw De Wit suggereerde en juicht toe dat de aanpak van consensuele sexting bij minderjarigen in het wetsontwerp is opgenomen. Mevrouw Katleen Bury had een vraag in verband met het leeftijdsverschil in seksuele meerderjarigheid voor 14-jarigen. Professor Van de Heyning pleit ervoor om dit oordeel zeker niet te laten afhangen van individuele magistraten maar vraagt dat de wetgever dit eenduidig zou bepalen. Ze wijst erop dat het gaat om onverjaarbare misdrijven die iemand een leven lang met een stigma kunnen opzadelen. Professor Van de Heyning haalt voorbeelden uit het buitenland aan en vangt dit probleem op door middel van het concept “toestemming”, waarbij de context van leeftijd en kwetsbaarheid wordt meegenomen, net zoals in het ter bespreking voorliggende wetsontwerp. Criminologisch onderzoek heeft aangetoond dat in geval van groot leeftijdsverschil tussen de partners, de jongste partner sneller tot seksuele activiteit overgaat dan leeftijdsgenoten. Dit verschil wordt verwaarloosbaar vanaf de leeftijd van 14 jaar en is statistisch onbestaande vanaf de leeftijd van 16. En dat sluit aan bij de tekst van het wetsontwerp. Spreekster wijst erop dat leeftijden in de digitale context ook zeer moeilijk te verifiëren zijn. In antwoord op de vraag van de heer Segers wijst pro­ fessor Van de Heyning erop dat bij louter decriminalisering van de prostitutie enkel nog bescherming wordt geboden ten aanzien van wat in de strafwet is opgenomen. Enkel minderjarigen zullen dan nog worden beschermd doch niet de kwetsbare personen. De spreekster is van mening dat zelfs in geval van decriminalisering er nog controle moet kunnen gebeuren wanneer er sprake is van een zakelijke samenwerking. Ze verwijst naar het voorbeeld van Duitsland waar een aanmeldingsplicht geldt en een regelmatige controle op fysiek, psychologisch en sociaal welzijn verplicht is. En zelfs dan nog blijft er onvermijdelijk een illegaal circuit actief. De professor spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van decriminalisering, maar vindt wel dat de maatschappij zich moet buigen over wat de consequenties en de neveneffecten kunnen zijn. De omkadering is dus volgens haar zeker nodig. Mevrouw Van de Heyning geeft aan dat ze zich gro­ tendeels kan vinden in het artikel in de Juristenkrant van de hand van de heer Vrielinck en mevrouw Royer over extreem gewelddadige en pornografische boodschap­ pen. De omschrijvingen zijn zo breed, vaag en open geformuleerd dat de legaliteit van het strafrecht in het gedrang komt. les conséquences sont dès lors également différentes. La professeure Van de Heyning conclut en indiquant que cela ne pose donc pas vraiment de problème, contraire­ ment à ce qu’a suggéré Mme De Wit, et se réjouit que le traitement du sexting consensuel chez les mineurs soit intégré dans le projet de loi. En ce qui concerne la majorité sexuelle des jeunes de 14 ans, Mme Katleen Bury pose une question à propos de la différence d’âge. La professeure Van de Heyning préconise que cette question ne soit absolument pas laissée à l’appréciation des magistrats individuels mais demande de légiférer clairement à cet égard. Elle souligne qu’il s’agit d’infractions imprescriptibles susceptibles de stigmatiser une personne à vie. La professeure Van de Heyning évoque des exemples venant de l’étranger et aborde ce problème à partir du concept de “consentement”, qui inclut les éléments de l’âge et de la vulnérabilité, comme dans le projet de loi à l’examen. La recherche criminologique a montré que lorsque la différence d’âge est grande entre les parte­ naires, le plus jeunes des partenaires devient sexuel­ lement actif plus rapidement que les personnes de son âge. Cette différence devient négligeable à partir de l’âge de 14 ans et elle est statistiquement inexistante à partir de l’âge de 16 ans, ce qui rejoint le texte du projet de loi. L’oratrice souligne qu’il est également très difficile de vérifier les âges dans le contexte numérique. En réponse à la question de M. Segers, la professeure Van de Heyning souligne qu’en cas de décriminalisation pure et simple de la prostitution, la protection se bornera à ce que prévoit la loi pénale. Seuls les mineurs seront encore protégés mais plus les personnes vulnérables. L’intervenante estime que, même en cas de décriminali­ sation, il faudra encore pouvoir procéder à des contrôles s’il est question d’une collaboration professionnelle. Elle renvoie à l’exemple de l’Allemagne, où une obligation de déclaration est d’application et où un contrôle régulier du bien-être physique, psychologique et social est obli­ gatoire. Mais même là, un circuit illégal reste néanmoins inévitablement actif. La professeure ne s’exprime pas au sujet de l’opportunité de la décriminalisation, mais estime que la société doit toutefois se pencher sur ses conséquences et ses effets secondaires éventuels. Elle estime que l’encadrement est dès lors certainement nécessaire. Mme Van de Heyning indique qu’elle est large­ ment d’accord avec l’article du Juristenkrant écrit par M. Vrielinck et Mme Royer à propos des messages extrêmement violents et pornographiques. La formula­ tion des définitions est tellement large, vague et ouverte qu’elle menace la légalité du droit pénal. 231 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Met betrekking tot de straffen wil zij voorts benadrukken dat met medische begeleiding seksuele delinquenten zeer goed behandelbaar zijn met een zeer lage recidi­ vegraad. De behandeling kan evenwel niet altijd worden gegeven wegens het taboe en de bestraffingssfeer die er rond hangt. Zij pleit dan ook voor meer behandeling in plaats van zwaardere straffen. Net als zijn collega’s wijst de heer Olivier Bastyns erop dat het begrip “leeftijdsverschil” door de wetgever moet worden bepaald. Volgens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp bestaat er een wetenschappelijke consensus over het feit dat sommige jongeren vanaf de leeftijd van 14 tot 16 jaar seksuele relaties hebben en dat ze perfect weten wat ze doen. In de memorie van toelichting vermeldt men vervolgens dat de leeftijd voor de seksuele meerderjarigheid op 16 jaar ligt. De leeftijd voor seksuele meerderjarigheid is geëvolueerd. In het verleden bereikte men de seksuele meerderjarigheid op 10 jaar, vervolgens op 14 jaar en nog later op 16 jaar, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen de aan­ randing van de eerbaarheid en verkrachting. Vandaag stelt men voor om de seksuele meerderjarigheid zonder onderscheid op 16 jaar vast te leggen. Via het begrip “seksuele meerderjarigheid” kan men bepalen of er sprake is van feiten waarbij een meer­ derjarige zich aan een minderjarige heeft vergrepen. België heeft ervoor geopteerd om een leeftijd te bepalen waaronder het niet mogelijk is toestemming te geven in plaats van het te hebben over seksuele meerderjarig­ heid. Bijgevolg praat men niet alleen over relaties tus­ sen een minderjarige en een meerderjarige maar ook over relaties tussen minderjarigen. Vandaag is het zo dat de jeugdrechtbank bepaalde minderjarigen vervolgt omdat ze toegestemde relaties met andere minderja­ rigen hebben gehad. Over het algemeen hebben die minderjarigen zich ook schuldig gemaakt aan andere inbreuken, waaraan het seksuele misdrijf wordt toege­ voegd. De zaak wordt verwezen en de rechter kan niet anders dan oordelen dat de betrokken minderjarige zich aan verkrachting schuldig heeft gemaakt. Het openbaar ministerie kan het dossier seponeren, maar doet dat niet altijd; in dat geval worden de toegestemde relaties tussen minderjarigen soms ambtshalve als verkrachting gekwalificeerd. De spreker denkt inzonderheid aan het geval waarin een procureur des Konings zou beslissen om het dossier niet te seponeren, of aan dat waarin er een burgerlijke-partijstelling is. De Raad van State is inzake leeftijd zeer duidelijk geweest. Als er volgens het wetsontwerp een leeftijds­ verschil van twee jaar moet zijn, vraagt de heer Bastyns zicht af hoe de parlementsleden ten overstaan van de Raad van State denken te kunnen rechtvaardigen dat een En ce qui concerne les peines, elle tient en outre à souligner qu’un accompagnement médical permet de très bien traiter les délinquants sexuels et d’obtenir un taux de récidive très faible. Le traitement ne peut toutefois pas toujours être administré en raison du tabou et de l’atmosphère de punition qui entourent cette matière. Elle plaide donc pour davantage de traitement, au lieu de peines plus lourdes. Comme l’ont dit ses collègues, M. Olivier Bastyns indique que la notion d’âge dépend du législateur. D’après l’exposé des motifs du projet de loi, il existe un consen­ sus scientifique sur le fait que, dès l’âge de 14-16 ans, certains jeunes ont des relations sexuelles et savent parfaitement ce qu’ils font. Dans l’exposé des motifs, il est ensuite indiqué que l’âge de la majorité sexuelle est fixé à 16 ans. Cette notion a connu une évolution. Dans le passé, on l’atteignait à dix ans. Ensuite, elle est passée à 14 ans avant d’être fixée à 16 ans, avec une distinction relative à l’atteinte à la pudeur et au viol. Aujourd’hui, il est proposé de fixer la majorité sexuelle à 16 ans sans faire de distinction. La majorité sexuelle permet de déterminer s’il est question de faits commis par un majeur sur un mineur. La Belgique a choisi de considérer qu’il faut parler d’un âge en dessous duquel il n’est pas possible de consentir et non de majorité sexuelle. De ce fait, on parle non seu­ lement de relations entre un mineur et un majeur, mais aussi de relations entre mineurs. Aujourd’hui, le tribunal de la jeunesse poursuit certains mineurs parce qu’ils ont eu des relations consenties avec d’autres mineurs. Généralement, ces mineurs ont aussi commis d’autres infractions auxquelles est jointe l’infraction sexuelle. La cause est renvoyée et le juge n’a d’autre choix que de dire que le mineur en question a commis un viol. Le ministère public peut classer le dossier sans suite, mais ce n’est pas toujours le cas et les relations consenties entre mineurs sont parfois considérées d’office comme des viols. L’orateur pense notamment au cas où un pro­ cureur du Roi déciderait de ne pas classer le dossier sans suite ou encore au cas de figure où une partie civile déciderait de déposer une constitution de partie civile. Le Conseil d’État a été très clair en ce qui concerne l’âge. S’agissant de la notion des deux ans d’écart prévue dans le projet de loi, M. Bastyns se demande comment les députés comptent justifier au Conseil d’État le fait qu’un mineur de 15 ans peut avoir des relations 2141/006 DOC 55 232 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E minderjarige van 15 jaar een seksuele relatie met een andere minderjarig van 17 jaar mag hebben, maar dat laatstgenoemde een verkrachter wordt wanneer hij 17 jaar en 1 maand oud is. Volgens de spreker is zeggen dat een minderjarige geen relatie met een meerderjarige mag hebben, het enige objectieve onderscheid dat wettelijk en redelijkerwijs kan worden gerechtvaardigd. Hij raadt in dat verband aan om de term “manipulatie” aan het artikel 417/6, § 3, 2°, toe te voegen. Dat artikel voorziet er reeds in dat een minderjarige nooit wordt geacht over de mogelijkheid te beschikken om zijn toestemming vrij uit te drukken, indien de handeling mogelijk werd gemaakt doordat de dader een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed jegens de minderjarige inneemt. Volgens de heer Bastyns zullen de begrippen “toestem­ ming” en “bewijslast” altijd gevoelig liggen. De Hoge Raad voor de Justitie heeft de mogelijkheid gesuggereerd om de bewijslast om te keren; de spreker vindt dat verbijs­ terend, want aan bepaalde principes van het strafrecht kan volgens hem niet worden getornd. Verwijzend naar de memorie van toelichting, brengt hij in herinnering dat de vermeende verkrachter geen vermoeden kan hebben van de toestemming van de persoon met wie hij een relatie heeft. In zedenzaken moet de rechter een specifiekere aanpak hanteren. Aangezien er zelden getuigen of beelden voorhanden zijn, moet de rechter op de verklaringen van het slachtoffer afgaan. Bij het onderzoek van die verklaringen en inzonderheid wanneer die coherent zijn, kan hij oordelen dat er geen enkele reden is om de verklaringen van het slachtoffer in twijfel te trekken, dat het slachtoffer geen enkele reden had om de verdachte iets ten laste te leggen enzovoort. De spreker beklemtoont vervolgens een element dat in de tekst van het wetsontwerp is opgenomen en dat al op het niveau van de rechtspraak bestond, name­ lijk dat de toestemming niet noodzakelijk kan worden afgeleid uit het feit dat het slachtoffer geen weerstand heeft geboden. De bewijslast staat in dezen centraal en kan niet worden geregeld door een vermoeden van niet-toestemming te forceren, wat een totale omkering van de bewijslast tot gevolg zou hebben. De heer Bastyns schaart zich achter professor Van de Heyning, wat de zeer lange verjaringstermijnen van ze­ denfeiten betreft. Hij neemt als voorbeeld verkrachtingen in een partnerrelatie, die vaker voorkomen dan men denkt. Indien het paar na een aantal jaren uiteengaat en één van de partners zegt dat hij door de vroegere partner werd verkracht, hoe zal de andere die beschuldiging kunnen aanvechten? Hoe zal hij kunnen bewijzen dat er geen verkrachting is geweest? Het begrip toestemming is inderdaad een zeer gevoelig begrip maar niettemin van wezenlijk belang. Volgens de expert is het veeleer een kwestie van bewijslast dan van terminologie. Er moet sexuelles avec un autre mineur de 17 ans, mais que ce second mineur devient un violeur à partir du jour où il a 17 ans et 1 mois. Selon l’orateur, la seule distinction objective qui puisse être légalement et raisonnablement justifiée serait de dire qu’un mineur ne peut pas avoir de relation avec un majeur. À ce propos, il recommande d’ajouter le terme “manipulation” à l’article 417/6, § 3, 2°, qui prévoit déjà qu’un mineur n’est jamais réputé avoir la possibilité d’exprimer librement son consentement si l’acte a été rendu possible en raison, dans le chef de l’auteur, d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur. Quant à la notion de consentement et la charge de la preuve, M. Bastyns explique que cette question sera toujours sensible. Le Conseil supérieur de la Justice a envisagé la possibilité de renverser la charge de la preuve, ce qui a terrifié l’orateur, qui estime que certains prin­ cipes sont fondamentaux en droit pénal. Citant l’exposé des motifs, il rappelle que le présumé violeur ne peut pas présumer du consentement de la personne avec laquelle il a une relation. En matière de mœurs, le juge doit adopter une approche plus spécifique. Disposant rarement de témoins ou d’images, le juge doit prendre en considération les déclarations de la victime. À l’exa­ men de celles-ci, en particulier si elles sont constantes, il peut estimer qu’il n’y a aucune raison de remettre en cause les propos de la victime, que cette dernière n’avait aucune raison d’en vouloir au prévenu, etc. L’intervenant souligne ensuite un élément repris dans le texte du projet de loi et qui existait déjà au niveau de la jurisprudence: le fait que l’absence de résistance de la part de la victime n’implique pas nécessairement qu’elle a donné son consentement. La question de la charge de la preuve est centrale et ne peut pas être réglée en essayant d’aboutir à une situation de présomption de non-consentement, qui résulterait en un renversement total de la charge de la preuve. S’agissant des délais de prescription en matière de mœurs, M. Bastyns rejoint le professeur Van de Heyning sur le fait qu’ils sont très longs. Il prend l’exemple du viol dans des situations de couple; un fait qui n’est pas rare. Si le couple se sépare au bout de quelques années et que l’un des deux partenaires dit qu’il a été violé par son ancien compagnon, comment l’autre pourra-t-il contester cette accusation? Comment pourra-t-il établir qu’il n’y a pas eu de viol? Très délicate, la notion de consentement est pourtant fondamentale. Selon l’expert, elle est plus centrée sur la question de la charge de la preuve que sur une question de terminologie. Si le consentement 233 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E absoluut sprake zijn van toestemming en afwezigheid van weerstand is zeker onvoldoende om toestemming te vermoeden, maar moet die toestemming daarom expliciet zijn? Dit zou moeilijk in de praktijk te brengen zijn en de spreker maakt zich zorgen om de mogelijke uitwassen ervan en de ermee gepaard gaande rechtsgedingen. De expert stelt vast dat de opgelegde straffen steeds strenger zijn. Is het verstandig om van een opsluiting van 10 tot 15 jaar naar een opsluiting van 20 tot 30 jaar te gaan? De expert meent dat de rechtbanken de straf­ duur evenwel niet zullen verdubbelen. De gevangenis onttrekt inderdaad bepaalde personen aan de samen­ leving om andere personen te beschermen maar reikt zeker geen wonderoplossing aan. In bepaalde situaties is het echter de enige haalbare optie. De spreker komt terug op de opvolging van veroordeelde personen en op hoe belangrijk het is dat men die opvolging met hun instemming organiseert. Het komt voor dat men de veroordeelde aan een verplichte psychologische en psychiatrische opvolging onderwerpt maar die hebben slechts weinig zin indien de betrokkene geen zin heeft om eraan mee te werken. Het is inderdaad zeer moeilijk om met iemand in een ontkenningsfase te werken en de resultaten zijn dan ook zo goed als nihil. Bovendien is de ene beklaagde de andere niet. Men zou bijgevolg elke straf aan de beklaagde moeten aanpassen; vandaar het belang om aan de rechter een ruime beoordelings­ bevoegdheid toe te kennen. Verkrachting kan zich in talrijke, onderling zeer verscheidene situaties voordoen. Een aantal jaren geleden hebben twee van verkrachting verdachte jongeren een opschorting van de uitspraak genoten, waartegen het parket geen beroep heeft aan­ getekend: hoewel de verkrachting was vastgesteld, bleek die maatregel gezien de omstandigheden meer aanbevolen dan een gevangenisstraf. Hoewel de bewijslast in dezen een centraal thema is, gaat Mevrouw Isabelle Wattier niet helemaal akkoord met de heer Bastyns. Ze is er geen voorstander van om de term “toestemming” te wijzigen, maar wel dat de definitie ervan nauwkeuriger en duidelijker wordt geformuleerd. De heer Koen Geens (CD&V) stelt zich vragen over de kwestie van de bestraffing. Hij mist in de discussie een wetenschappelijke onderbouwing van een juiste strafmaat en de onderlinge verhouding tussen strafmaten. Dat is volgens hem de cruciale vraag. De maatschappij vraagt om strenge straffen en in verband daarmee vraagt de heer Geens zich af wat er zou gebeuren indien de correctionalisering zou verdwijnen. De heer Olivier Bastyns verduidelijkt geen voorstander te zijn van het opschorten van de correctionalisering en bereid te zijn tot een grondig debat over strafmaten en bestraffing in het algemeen, maar hij wijst er wel op doit absolument exister et ne peut certainement pas se présumer sur la base d’une absence de résistance, doit-il pour autant être exprès? Ce serait difficile à réaliser et l’orateur s’inquiète des possibles dérives et situations qui pourraient se présenter devant les tribunaux. En ce qui concerne les peines infligées, l’expert constate qu’elles sont de plus en plus sévères. Est-il de bon compte de passer d’une réclusion de 10 à 15 ans à une réclusion de 20 à 30 ans? L’expert estime que les tribunaux ne doubleront pas pour autant la durée des peines. Si la prison permet d’écarter certaines personnes pour en protéger d’autres, ce n’est toutefois pas la pana­ cée. Dans certaines situations, c’est toutefois le seul choix envisageable. L’intervenant revient sur le suivi des personnes condamnées et sur l’importance d’organiser ce suivi avec leur accord. Si des suivis psychologiques ou psychiatriques peuvent être imposés, ils ne présentent que peu d’intérêt si la personne n’a pas la volonté de s’y soumettre. En effet, il est très difficile de travailler avec quelqu’un qui est dans le déni et les résultats sont pratiquement nuls. En outre, un prévenu n’est pas l’autre. Chaque peine devrait donc être adaptée en fonction du prévenu, raison pour laquelle il est important de laisser un large choix d’appréciation au juge. Le viol comporte de nombreuses situations possibles et très éloignées les unes des autres. Il y a quelques années, une décision de justice avait accordé la suspension du prononcé à deux jeunes prévenus pour un fait de viol. Le parquet n’avait pas fait appel: bien que le viol soit établi, vu les circonstances de la cause, cette mesure apparaissait plus adéquate qu’une peine de prison. Si la question de la charge de la preuve est bien centrale, Mme Isabelle Wattier n’est cependant pas entièrement d’accord avec M. Bastyns. Elle ne souhaite pas que le terme “consentement” soit modifié mais bien que sa définition soit plus précise et davantage éclairante. M. Koen Geens (CD&V) s’interroge sur la question des sanctions. Il regrette que la discussion ne repose pas sur une base scientifique qui permette de définir une juste peine et la relation entre les peines. Selon lui, cette question est cruciale. La société exige des peines sévères et, à cet égard, M. Geens se demande ce qui se passerait si la correctionnalisation venait à disparaître. M. Olivier Bastyns précise qu’il n’est pas favorable à la suspension de la correctionnalisation et qu’il est prêt à participer à un débat approfondi sur les peines et les sanctions en général, mais rappelle qu’il appartient au 2141/006 DOC 55 234 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dat het aan de wetgever toekomt om de vork te bepalen waartussen de strafmaat valt, en aan de magistraat om een gemotiveerde straf te bepalen binnen die vork. Hij wijst op het belang van de mogelijkheid van alternatieve bestraffing en juicht toe dat deze in dit wetsontwerp zijn opgenomen. Mevrouw Catherine Van de Heyning vindt dat dit debat eerder past in het algemeen debat over het nieuwe Strafwetboek. Ze vindt dat de coherentie van de bestraffing binnen het geheel van het Strafwetboek problematisch is, maar dat dit deels zal worden recht­ getrokken in het nieuwe ontwerp van Strafwetboek. Ze volgt de heer Geens in zijn kritiek over de bestraffing maar wanneer het aankomt op strafuitvoering zijn er veel andere elementen die in ogenschouw worden ge­ nomen. De spreekster waarschuwt er wel voor dat door aparte stemmingen over delen van het Strafwetboek er veel complex juridisch rekenwerk zal nodig zijn om de strafmaten correct te bepalen. législateur de déterminer la fourchette dans laquelle la peine se situe, et au magistrat de fixer une peine motivée à l’intérieur de cette fourchette. Il souligne l’importance de la possibilité de sanctions alternatives et se félicite de leur inscription dans le projet de loi à l’examen. Mme Catherine Van de Heyning pense que ce débat s’inscrit plutôt dans le cadre du débat général sur le nouveau Code pénal. Elle estime que la cohérence des peines dans l’ensemble du Code pénal est probléma­ tique, mais que ce problème sera partiellement corrigé dans le nouveau projet de Code pénal. Elle comprend les critiques de M. Geens à l’égard des sanctions, mais au moment de l’exécution de la peine, beaucoup d’autres éléments sont pris en compte. L’orateur craint toutefois que de nombreux calculs juridiques complexes soient nécessaires pour fixer correctement les peines en cas de votes séparés sur les parties du Code pénal. 235 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E D. Hoorzitting van 26 oktober 2021 met mevrouw Julia Day, vertegenwoordigster van Sensoa; mevrouw Laïs Djone, co-voorzitster, en de heer Daan Bauwens, vertegenwoordigers van UTSOPI; mevrouw Mireia Crespo, directrice van de vzw Isala; mevrouw Isabelle Jaramillo, vertegenwoordigster van Espace P; mevrouw Veronique De Keyser, voorzitster van “Centre d’Action Laïque ASBL”; mevrouw Karine Minnen, politiecommissaris, diensthoofd zeden, politiezone Brussel Hoofdstad Elsene, en mevrouw Maria De Sterck, korpschef, politiezone Hamme- Waasmunster (ochtendvergadering) 1. Procedure Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i. van de com­ missie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitster a.i. nodigt de sprekers uit om deze vragen te beantwoorden. De vertegenwoordigers van UTSOPI delen mee geconsulteerd te zijn geworden voor het opmaken van het wetsontwerp. De overige genodigde sprekers ant­ woorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen. 2. Uiteenzettingen a .   U i t e e nze t t i n g m ev r o u w J u l i a D ay, vertegenwoordigster van Sensoa Mevrouw Julia Day herneemt uit de schriftelijk nota die aan de commissie werd overgezonden de volgende krachtlijnen. Het Vlaamse expertisecentrum seksuele gezondheid Sensoa bestaat uit werkgroepen die zich op verschil­ lende thema’s toespitsen, bijvoorbeeld volwassenen, jongeren, mannen die seks hebben met mannen of HIV. De spreekster is lid van de werkgroep rond seksueel grensoverschrijdend gedrag, die voornamelijk inzet op preventie. Het team geeft opleidingen aan professionals en biedt beleidsondersteuning aan organisaties. Bovendien verschaft Sensoa informatie aan het brede publiek via de websites allesoverseks.be en sensoa.be of via openbare D. Audition du 26 octobre 2021 de Mme Julia Day, représentante de Sensoa; Mme Laïs Djone, coprésidente, et M. Daan Bauwens, représentants d’UTSOPI; Mme Mireia Crespo, directrice de l’ASBL Isala; Mme Isabelle Jaramillo, représentante d’Espace P; mme Véronique De Keyser, présidente du Centre d’Action Laïque ASBL; Mme Karine Minnen, commissaire de police, chef du service mœurs, zone de police Bruxelles-Ixelles, et Mme Maria De Sterck, chef de corps, zone de police Hamme-Waasmunster (séance du matin) 1. Procédure Mme Katja Gabriëls, présidente a.i. de la commis­ sion de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis du Règlement de la Chambre: “2bis. En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion, et le cas échéant, par quelle instance.” La présidente invite les orateurs à entamer leurs exposés respectifs en répondant à ces questions. Les représentants d’UTSOPI annoncent avoir été consultés pour l’élaboration du projet de loi. Les autres orateurs invités répondent successivement aux questions par la négative. 2. Exposés a. Exposé de Mme Julia Day, représentante de Sensoa Mme Julia Day rappelle les grandes lignes suivantes de la note écrite qui a été envoyée à la commission. Sensoa, le centre flamand d’expertise sur la santé sexuelle, se compose de groupes de travail axés sur différents thèmes, par exemple les adultes, les jeunes, les hommes qui ont des rapports sexuels avec des hommes ou le VIH. L’oratrice est membre du groupe de travail sur les comportements sexuels transgres­ sifs, qui se concentre principalement sur la prévention. L’équipe propose des formations aux professionnels et offre un appui à la politique pour les organisations. En outre, Sensoa diffuse des informations vers le grand 2141/006 DOC 55 236 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E campagnes zoals de recente #WijGrijpenIn-campagne. Ten slotte doet Sensoa aan methodiekontwikkeling en implementatie. Tot voorbeeld dient het vlaggensysteem dat helpt in te schatten of gedrag al dan niet grensover­ schrijdend is. Ondertussen is dit systeem ook in het Frans beschikbaar. Sensoa verwelkomt het voorliggende wetsontwerp. Verschillende van de voorgestelde aanpassingen zijn op vlak van preventie een stap vooruit. Het begrip toestem­ ming krijgt een duidelijkere plaats binnen het strafrecht en de definities van verkrachting en aantasting van de seksuele integriteit worden aangepast. De spreekster betreurt dat de auteurs niet veel aan­ dacht schenken aan het machtselement. De mogelijk zwakkere positie van het slachtoffer wordt weliswaar in rekening gebracht, maar de huidige formulering viseert enkel gevallen waarin de dader bewust misbruik maakt van zijn machtspositie. In de praktijk volstaat louter het bestaan van een machtsverhouding vaak al. De rol van preventie en seksuele voorlichting mag ook in deze kwestie niet worden vergeten. Seksuele meerderjarigheid Seks is een breder begrip dan vaginale penetratie en omvat alle seksuele handelingen, inclusief zoenen, strelen en experimenteren. Sensoa wordt vaak aangesproken door instellingen die vaststellen dat een jongere seksueel actief wil zijn. De opvoeders praten over grenzen, wensen en anticon­ ceptie, maar niet weten of ze de jongere mogen toelaten om seksueel actief te zijn. Volgens de huidige strafwet zijn de instellingen aansprakelijk. Ze laten immers een misdrijf toe als de jongeren nog geen 16 zijn en zodoende volgens de wet nog geen toestemming kunnen geven. De andere oplossing is echter de facto om de jongeren naar de bosjes te verwijzen. Voorts ontwikkelen de instellingen om deze reden vaak geen beleid rond seksualiteit. Veel organisaties hebben de juiste insteek, al verschuilen sommige zich achter de huidige situatie. Ook ouders worstelen met bovenstaand dilemma: ze weten niet hoe ze moeten reageren als hun 15-jarige kind seks wil hebben. De huidige wetgeving strookt niet met de normale seksuele ontwikkeling van jongeren. public par le biais de ses sites Internet allesoverseks. be et sensoa.be ou par des campagnes publiques telles que la récente campagne #WijGrijpenIn. Enfin, Sensoa travaille au développement et à la mise en œuvre de méthodologies, comme le système des drapeaux, qui permet d’évaluer si un comportement est transgressif ou non. Ce système à présent également disponible en français. Sensoa accueille favorablement le projet de loi à l’exa­ men. Plusieurs des adaptations proposées représentent un pas en avant sur le plan de la prévention. La notion de consentement occupe une place plus claire dans le droit pénal, et les définitions du viol et de l’atteinte à l’intégrité sexuelle sont adaptées. L’oratrice déplore que les auteurs n’accordent pas une grande attention au facteur du pouvoir. L’éventuelle position de faiblesse de la victime est prise en compte, mais la formulation actuelle ne concerne que les situa­ tions où l’auteur de l’infraction abuse délibérément de sa position de pouvoir. Dans la pratique, la simple existence d’un rapport de pouvoir est souvent suffisante. Le rôle de la prévention et de l’éducation sexuelle ne doit pas non plus être oublié dans cette problématique. La majorité sexuelle La notion de “sexe” est plus large que la pénétration vaginale et comprend toutes les pratiques sexuelles, y compris les baisers, les caresses et les expérimentations. Sensoa est souvent sollicitée par des institutions qui constatent qu’un jeune veut être sexuellement actif. Les éducateurs parlent de limites, de désirs et de contracep­ tion, mais ne savent pas s’ils peuvent autoriser le jeune à être sexuellement actif. En vertu du droit pénal actuel, les institutions sont responsables. Elles permettraient en effet une infraction si les jeunes n’ont pas encore 16 ans et ne sont donc pas encore en mesure de consentir selon la loi. L’autre solution serait de facto de contraindre les jeunes à la dissimulation. Pour cette raison, les institutions n’élaborent souvent pas de politiques en matière de sexualité. De nombreuses organisations ont la bonne approche, mais certaines se retranchent derrière la situation actuelle. Les parents sont également confrontés même dilemme: ils ne savent pas comment réagir lorsque leur enfant de 15 ans veut avoir des relations sexuelles. La législation actuelle n’est pas en phase avec le développement sexuel normal des jeunes. 237 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Leeftijdsgrens Het is goed om een leeftijdsgrens te stellen, maar de spreekster benadrukt dat jongeren moeten worden beschermd, niet bestraft. Ze moeten op tijd de nodige informatie krijgen over seksualiteit en veilig kunnen experimenteren. Met het oog op de psychologische en seksuele ontwikkeling van jongeren is Sensoa echter voorstander van een verschil van drie tot vijf jaar. In het voorliggende wetsontwerp wordt duidelijk gefor­ muleerd dat minderjarigen onder de 16 niet uit vrije wil kunnen toestemmen. Er wordt dus a priori aangenomen dat jongeren geen toestemming kunnen geven, ongeacht aan wie ze die toestemming geven. Daarmee viseert de wetgeving volwassenen en oudere jongeren die geen misbruik mogen maken van kinderen en jongere kinderen. De spreekster stelt voor om de formulering om te draaien: volwassenen kunnen geen toestemming ont­ vangen van kinderen en jongeren. De verantwoordelijk­ heid ligt namelijk bij de persoon die grenzen dient te respecteren en niet bij het mogelijke slachtoffer. De auteurs schrijven in de memorie van toelichting duidelijk dat het niet de bedoeling is om jongeren te verbieden te experimenteren. In de letter van de wet wordt die benaderingswijze echter niet goed weerspie­ geld. Rechtsgebruikers lezen de letter en niet de geest van de wet. Quid met twee 13-jarigen die samen experimenteren? Consensuele sexting tussen jongeren De spreekster juicht toe dat de voorgestelde wetswij­ ziging sexting tussen minderjarigen boven de 16 jaar uit de wet op kinderporno haalt. Professionals geven kinderen nog te vaak de bood­ schap dat het strafbaar is om foto’s van zichzelf naar anderen te sturen. Zij zouden de focus beter leggen op toestemming, het verbod om foto’s zonder toestemming verder door te sturen, het verbod om anderen onder druk te zetten en het verbod om anderen ongewenst met foto’s van zichzelf te belagen. Er wordt te weinig onderscheid gemaakt tussen normaal seksueel gedrag dat online plaatsvindt en online seksueel geweld. De ontradende boodschap werkt niet: 17 % van de 16- tot 18-jarigen deed de voorbije twee maanden aan sexting. Bovendien legt deze boodschap de schuld bij het slachtoffer als een foto dan toch ongewenst wordt doorgestuurd. Slachtoffers zoeken door schuldgevoel Limite d’âge Il est bon de fixer une limite d’âge, mais l’oratrice souligne que les jeunes doivent être protégés, et non punis. Ils doivent recevoir au bon moment les informations nécessaires sur la sexualité et pouvoir expérimenter en toute sécurité. Compte tenu du développement psycho­ logique et sexuel des jeunes, Sensoa soutient toutefois une différence de trois à cinq ans. Le projet de loi à l’examen stipule clairement que les mineurs de moins de 16 ans ne peuvent pas valablement consentir de leur plein gré. Il est donc supposé a priori que les jeunes ne peuvent pas consentir, quelle que soit la personne à qui ils donnent ce consentement. La législation cible ainsi les adultes et les jeunes plus âgés qui ne peuvent abuser des enfants et des jeunes enfants. L’oratrice suggère d’inverser la formulation: les adultes ne peuvent pas recevoir le consentement des enfants et des jeunes. La responsabilité incombe en effet à la personne qui doit respecter les limites et non à la victime potentielle. Les auteurs écrivent clairement dans l’exposé des motifs que l’intention n’est pas d’interdire aux jeunes d’expérimenter. La lettre de la loi ne reflète toutefois pas correctement cette approche. Or les usagers du droit lisent la lettre et non l’esprit de la loi. Quid de deux jeunes de 13 ans qui expérimentent ensemble? Sexting consensuel entre jeunes L’oratrice se félicite du fait que la modification légis­ lative proposée retire de la loi sur la pédopornographie les sextos entre mineurs de plus de 16 ans. Les professionnels disent encore trop souvent aux enfants qu’envoyer des photos d’eux-mêmes à des tiers est punissable. Mieux vaudrait qu’ils se concentrent sur le consentement, sur l’interdiction de transmettre des photos sans consentement, sur l’interdiction de faire pression sur les autres et sur l’interdiction de bombarder les autres de photos de soi non sollicitées. La distinction n’est pas suffisamment établie entre un comportement sexuel normal qui se déroule en ligne et la violence sexuelle en ligne. Le message dissuasif ne fait pas mouche: 17 % des jeunes de 16 à 18 ans ont échangé des sextos au cours des deux derniers mois. En outre, le message rejette la faute sur la victime si une photo est malgré tout diffu­ sée à son insu. Il arrive qu’un sentiment de culpabilité 2141/006 DOC 55 238 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E soms geen hulp, met rampzalige gevolgen van dien. Bovendien is het onlogisch om seks toe te laten vanaf 16 jaar maar het sturen of bezitten van seksueel getinte foto’s strafbaar te stellen. In het algemeen is Sensoa zeer tevreden met de toevoeging van dit artikel. De spreekster vraagt echter om het expliciet te koppelen aan de wetgeving rond seksuele meerderjarigheid om onlogische verschillen in de toekomst te vermijden. Magistraten en politiemensen moeten beter worden geïnformeerd over sexting tussen jongeren. Daarom is Sensoa vragende partij van een omzendbrief. Tot slot toont de genodigde een video waarin een moeder getuigt over haar ervaringen. Haar zoon heeft zelfmoord gepleegd als gevolg van cyberpesten na de publicatie van naaktbeelden. Toen zij het verhaal voor­ legde aan de politie, zei die dat haar zoon beter had moeten weten. Als ordediensten zo’n signaal uitsturen, zullen slachtoffers nooit op zoek gaan naar hulp. De wet mag de conversatie rond toestemming, wensen en grenzen niet afremmen en zodoende preventie in de weg staan. Voor het overige sluit Sensoa zich aan bij de standpunten van de Vlaamse Jeugdraad en UTSOPI. b. Uiteenzettingen van mevrouw Laïs Djone, covoorzitster, en de heer Daan Bauwens, vertegenwoordigers van UTSOPI Mevrouw Laïs Djone en de heer Daan Bauwens zijn verantwoordelijk voor politieke representatie bij de vzw UTSOPI, de enige Belgische organisatie voor en door sekswerkers. De tweetalige vzw heeft takken in Brussel en Vlaanderen, telt 99 leden en staat in direct contact met ongeveer 400 sekswerkers. Het directe bereik van UTSOPI bevindt zich zo tussen de één op tien (volgens een recente schatting van de heer Stef Adriaenssens van de KU Leuven) of één op zeventig (volgens de schatting van de federale politie uit 2015). Via intense samenwerking met de hulporganisaties Violett, Espace P, Alias en Boysproject staat de vzw onrechtstreeks in contact met enkele duizenden sekswerkers, die infor­ matie krijgen over hun rechten en UTSOPI op de hoogte houden van hun situatie. Tijdens de COVID-19-pandemie moest de sector sluiten. Duizenden sekswerkers vielen buiten de sociale zekerheid door de onduidelijkheid van hun sociaal statuut. Het failliet van het Belgisch gedoogbeleid werd daarmee duidelijk. Bij de start van de eerste lockdown ging UTSOPI op zoek naar manieren waarop sekswerkers aan hulp empêche les victimes de demander de l’aide, avec les conséquences désastreuses qu’on imagine. En outre, il est illogique d’autoriser les relations sexuelles dès l’âge de 16 ans mais d’ériger en infraction l’envoi ou la possession de photos à connotation sexuelle. Dans l’ensemble, Sensoa est très satisfaite de l’ajout de cet article. L’oratrice demande toutefois qu’il soit explicitement lié à la législation sur la majorité sexuelle afin d’éviter des divergences illogiques à l’avenir. Les magistrats et les policiers devraient être mieux informés sur le sexting entre jeunes. Sensoa est dès lors demandeuse d’une circulaire. L’invitée montre, pour conclure, une vidéo dans laquelle une mère apporte son témoignage: son fils s’est suicidé à la suite de cyberharcèlement après la publication d’images dénudées. Lorsqu’elle a fait part de la situation à la police, on lui a répondu que son fils aurait dû réfléchir. Si les forces de l’ordre envoient un tel message, jamais les victimes n’iront chercher de l’aide. La loi ne peut freiner le dialogue sur le consentement, les souhaits et les limites et ainsi entraver la préven­ tion. Pour le reste, Sensoa se rallie aux points de vue du Vlaamse Jeugdraad (Conseil de la Jeunesse de la Communauté flamande) et d’UTSOPI. b. Exposés de Mme Laïs Djone, coprésidente, et de M. Daan Bauwens, représentants d’UTSOPI Mme Laïs Djone et M. Daan Bauwens sont respon­ sables de la représentation politique de l’ASBL UTSOPI, la seule organisation belge pour et par les travailleurs du sexe. Cette ASBL bilingue a des antennes à Bruxelles et en Flandre, compte 99 membres et est en contact direct avec environ 400 travailleurs du sexe. La portée directe d’UTSOPI se situe entre un sur dix (selon une estimation récente de M. Stef Adriaenssens de la KU Leuven) et un sur septante (selon l’estimation de 2015 de la police fédérale). Grâce à une étroite collaboration avec les organisations d’aide Violett, Espace P, Alias et Boysproject, l’ASBL est indirectement en contact avec plusieurs milliers de travailleurs du sexe, qui reçoivent des informations sur leurs droits et tiennent UTSOPI au courant de leur situation. Pendant la pandémie de COVID-19, le secteur a dû fermer. Des milliers de travailleurs du sexe sont restés hors du système de sécurité sociale en raison du flou qui entoure leur statut social. L’échec de la politique de tolérance belge est devenu patent. Au début du premier confinement, UTSOPI a recherché des moyens permettant 239 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E konden raken in de bestaande systemen en statuten. De vzw zocht contact met kabinetten om onduidelijkheden uit de weg te ruimen, ijverde voor de heropening van de sector en zat samen met de hulporganisaties aan tafel met virologen en kabinetten om protocollen uit te schrijven. Er werd 35 000 euro opgehaald via crowdfunding. Het geld werd uitgedeeld aan ongeveer 300 sekswerkers die helemaal zonder inkomen vielen. Bovendien deelde UTSOPI 1200 maaltijden uit in de Brusselse Noordwijk, waar de kwetsbaarste sekswerkers leven. Tijdens die periode telde het personeelsbestand van de vzw vier medewerkers. Zonder de vrijwillige en tomeloze inzet van tientallen sekswerkers waren de hulpacties nooit even succesvol geweest. Intens overleg met ministeriële kabinetten Justitie en Gelijke Kansen leidde tot de politieke wil om deze situatie recht te zetten. Voor het eerst werd sekswerkers als eerste om advies gevraagd. Op deze manier gaat de werkelijkheid voor op een alarmistisch slachtof­ ferdiscours dat geen rekening houdt met nuance, dat de wetgeving sinds 1950 overheerst en sekswerkers structureel discrimineert. Huidige situatie Sekswerk is op zich niet verboden. Toch is de Belgische wetgeving erop gericht om het uitvoeren van de activiteit zo goed als onmogelijk te maken. De omkadering is gecriminaliseerd volgens de strategie van het abolitio­ nisme, waarvan de meest nadelige effecten uiteindelijk voor rekening zijn van de sekswerkers. De hoop is dat sekswerkers uit zichzelf op zoek gaan naar een andere manier om rond te komen. In de huidige de wet staat omschreven dat “iedereen die eens anders ontucht of prostitutie exploiteert” ver­ volgbaar is. Zelfstandige sekswerkers ondervinden de grootste moeite om hun baan professioneel te omka­ deren. Banken, verzekeraars, advocaten, boekhouders en websiteontwikkelaars weigeren met hen in zee te gaan. Ze kunnen nergens een plek huren om hun acti­ viteit uit te oefenen. Geen enkele beroepsziekte zal in aanmerking komen voor steun, aangezien de activiteit niet officieel bestaat. Onder het gedoogbeleid kunnen steden en gemeenten in het belang van de veiligheid of openbare orde regels opstellen over zichtbaar sekswerk. Sommige steden en gemeenten leggen minimale eisen vast waaraan panden moeten voldoen of hoeveel van zulke panden op hun grondgebied zijn toegelaten. De regels verschillen van aux travailleurs du sexe de recevoir de l’aide dans le cadre des systèmes et des statuts en place. L’ASBL a contacté les cabinets pour éclaircir les imprécisions, a œuvré pour la réouverture du secteur et, avec les orga­ nisations d’aide, s’est mise autour de la table avec les virologues et les cabinets pour rédiger des protocoles. 35 000 euros ont été récoltés par crowdfunding. Ce montant a été distribué à environ 300 travailleurs du sexe qui se sont retrouvés sans le moindre revenu. En outre, UTSOPI a distribué 1 200 repas dans le quartier Nord de Bruxelles, où vivent les travailleurs du sexe les plus vulnérables. Au cours de cette période, l’ASBL comptait quatre membres du personnel. Sans les efforts bénévoles et le dévouement permanent de dizaines de travailleurs du sexe, les actions d’aide n’auraient jamais pu porter leurs fruits. Des concertations intenses avec les cabinets ministé­ riels de la Justice et de l’Égalité des chances ont abouti à la volonté politique de rectifier cette situation. Pour la première fois, les travailleurs du sexe ont été les premiers consultés. Ainsi, la réalité prend le pas sur un discours victimaire alarmiste qui ignore les nuances, domine la législation depuis 1950 et discrimine structurellement les travailleurs du sexe. Situation actuelle Le travail du sexe n’est pas interdit en soi. La légis­ lation belge est toutefois conçue pour rendre l’exercice de l’activité pratiquement impossible. L’encadrement est criminalisé en vertu de la stratégie de l’abolitionnisme, dont les effets les plus néfastes sont au final supportés par les travailleurs du sexe, dans l’espoir que ceux-ci partent spontanément à la recherche d’une autre manière de joindre les deux bouts. La loi actuelle stipule que “quiconque aura exploité la débauche ou la prostitution d’autrui” est passible de poursuites. Les travailleurs du sexe indépendants éprouvent les plus grandes difficultés à encadrer leur activité de manière professionnelle. Les banques, les assureurs, les avocats, les comptables et les déve­ loppeurs de sites Internet refusent leur clientèle. Ils sont dans l’impossibilité de louer un lieu pour exercer leur activité. Aucune maladie professionnelle ne pourra bénéficier d’un soutien, puisque l’activité n’existe pas officiellement. En vertu de la politique de tolérance, les villes et les communes peuvent réglementer le travail du sexe visible dans l’intérêt de la sécurité ou de l’ordre public. Certaines villes et communes fixent les exigences mini­ males auxquelles les bâtiments doivent répondre ou le nombre de bâtiments de ce type autorisés sur leur 2141/006 DOC 55 240 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gemeente tot gemeente. Sommige gemeenten hebben geen reglement. Dit heeft tot gevolg dat arbeidsomstan­ digheden ook binnen een subsector als sekswerk in de ramen sterk kan verschillen. De situatie in Brusselse Noordwijk, waar andere reglementen en radicaal verschil­ lende arbeids- en veiligheidsomstandigheden gelden aan weerskanten van de Linnéstraat, is tekenend. Gemeenten kunnen ook bepalen onder welke statuten sekswerkers mogen werken. Sommige gemeenten ver­ plichten eigenaars van panden ertoe om horecacontracten af te sluiten met sekswerkers. Vaak is er echter geen verband tussen het aantal gepresteerde uren door de sekswerker en het vermelde aantal uren hun de loonfi­ che. In andere gemeenten gelden geen regels en wordt zwartwerk gedoogd. Als sekswerkers daardoor geen of te weinig loonfiches kunnen voorleggen, kunnen ze geen appartement huren, geen woonlening aangaan en heb­ ben ze geen recht op een vervangingsinkomen bij ziekte of werkloosheid. Vaak bouwen sekswerkers daardoor weinig pensioenrechten op. Ze blijven dan uit noodzaak werken tot ver voorbij de pensioengerechtigde leeftijd. Sekswerkers kunnen hun job niet uitoefenen zoals andere werknemers of zelfstandigen. Het gebrek aan wettelijk kader creëert willekeur, versnippering, zwakke sociale bescherming en rechtsonzekerheid. Zolang de uitbating gecriminaliseerd is maar wordt gedoogd, kunnen er geen minimumvoorwaarden rond arbeidsomstandig­ heden, veiligheid en gezondheid worden afgedwongen. Hoe reguleert men een sector die niet mag bestaan? Voorts kunnen sekswerkers niet terugvallen op een sluitend wettelijk kader van sociale en arbeidsrechtelijke bescherming, terwijl er wel belasting wordt geheven op hun activiteit. De stelling dat sekswerk volledig gede­ criminaliseerd is, klopt dus niet. Decriminalisering moet van toepassing zijn op het aanbod, de aankoop en de organisatie van seksuele diensten, zoals ook Amnesty International, Médecins du Monde en Human Rights Watch vinden. Het debat vertrekt te vaak van de verkeerde logica dat meer rechten voor sekswerkers ten koste gaan van de bescherming voor slachtoffers van mensenhandel. De decriminalisering die UTSOPI voorstaat, is bedacht om beide groepen meer bescherming te geven. Er bestaan geen impactstudies die aantonen dat decriminalisering mensenhandel in de hand werkt. De territoire. Les règles diffèrent d’une commune à l’autre. Certaines n’appliquent aucune réglementation. Les conditions de travail peuvent de ce fait varier considéra­ blement au sein d’un sous-secteur, comme le travail en vitrine. La situation dans le quartier Nord de Bruxelles, où des réglementations et des conditions de travail et de sécurité radicalement différentes s’appliquent des deux côtés de la rue Linné, est révélatrice. Les communes peuvent également déterminer sous quels statuts les travailleurs du sexe sont autorisés à travailler. Certaines communes contraignent les proprié­ taires d’immeubles à signer des contrats horeca avec des travailleurs du sexe. Or il n’y a souvent aucune corrélation entre le nombre d’heures prestées par le travailleur du sexe et le nombre d’heures indiqué sur la fiche de paie. Dans d’autres communes, il n’y a pas de règles et le travail au noir est toléré. Si, de ce fait, les travailleurs du sexe ne peuvent présenter aucune, ou trop peu, de fiches de paie, ils ne peuvent pas louer un appartement ou contracter un crédit hypothécaire, et n’ont aucun droit à un revenu de remplacement en cas de maladie ou de chômage. Par conséquent, les travailleurs du sexe se constituent souvent peu de droits de pension. Ils se voient alors contraints à travailler par nécessité bien au-delà de l’âge de la retraite. Les travailleurs du sexe ne peuvent pas exercer leur métier comme d’autres salariés ou indépendants. L’absence de cadre légal est source d’arbitraire, de morcellement, d’une protection sociale faible et d’insé­ curité juridique. Tant que l’exploitation est criminalisée mais tolérée, il est impossible d’imposer les conditions minimales de conditions de travail, de sécurité et de santé. Comment réglementer un secteur qui n’a pas le droit d’exister? En outre, les travailleurs du sexe ne peuvent compter sur un cadre juridique cohérent de protection sociale et de droit du travail, alors qu’un impôt est prélevé sur leur activité. Il est donc incorrect d’affirmer que le travail du sexe est totalement dépénalisé. La dépénalisation doit s’appliquer à l’offre, l’achat et l’organisation de ser­ vices sexuels, comme le pensent également Amnesty International, Médecins du Monde et Human Rights Watch. Le débat part trop souvent de la conviction erronée que l’amélioration des droits des travailleurs du sexe se ferait au détriment de la protection des victimes de la traite des êtres humains. La dépénalisation prônée par UTSOPI a été conçue pour mieux protéger les deux groupes. Il n’existe aucune étude d’impact démontrant que la dépénalisation encouragerait la traite des êtres humains. 241 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E oorzaak-gevolgrelatie is nooit aangetoond. Uit cijfers van de VN zou blijken dat 95 % van de sekswerkers niet vrijwillig voor het werk heeft gekozen. Die cijfers zijn echter nergens terug te vinden. De sprekers vragen de parlementsleden om bronnen op intellectueel correcte wijze te vermelden indien er amendementen zouden worden ingediend waarin naar die zogenaamde VN- cijfers wordt verwezen. Anderen stellen dat Zweden het na te volgen gidsland is omdat sekswerk er verboden is, wat leidt tot meer gendergelijkheid in de seksuele sfeer. Zweden schendt de fundamentele mensenrechten van sekswerkers echter systematisch in de strijd voor meer zogenaamde gendergelijkheid. Opmerkingen bij het wetsontwerp UTSOPI was tevredener met de eerste versie van de tekst, waarin geen sprake was van een reclameverbod en elke vorm van seksuele uitbuiting rechtstreeks als mensenhandel kwalificeerbaar was. In de voorliggende tekst ontstaat verwarring door de voorgestelde overlap tussen mensenhandel en uitbuiting van prostitutie, terwijl het net de bedoeling was om het verschil tussen beide misdrijven duidelijk af te lijnen. Het artikel 433quater/1 over pooierschap is problema­ tisch. Niet alleen schept het nefaste verwarring tussen misbruik en mensenhandel, het criminaliseert breed om vervolgens enkele uitzonderingen toe te laten. Is er dan nog sprake van decriminalisering? Zelfs zonder artikel 433quater/1 blijft uitbating op de strafrechtelijke radar staan vanwege de bepalingen over mensenhan­ del. De verwarring tussen misbruik en mensenhandel bestaat overigens al in het huidige artikel 380. Ook zonder dit artikel blijft pooierschap strafbaar onder artikel 433quinquies. Tegelijk wordt pooierschap strikt gedefinieerd en niet langer gezien als elke derde partij die geld ontvangt dat met sekswerk verdiend is. Banken, verzekeraars en boekhouders hoeven dus niet langer te vrezen. Tot slot laat het artikel ruimte voor een strikte regelgeving en een raamwerk voor werken in loondienst. De toepassing van artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten – de niet-inroepbaarheid van de nietigheid van een overeenkomst – is door minister van Economie en Werk Pierre-Yves Dermagne al in een wetsontwerp opgenomen. De uitbreiding van artikel 3 van het koninklijk besluit van 1969 – de uitbreiding van de sociale zekerheid voor werknemers tot zelfstandigen – zal op tafel worden gelegd. UTSOPI staat klaar om dit werk aan te vatten. La relation de cause à effet n’a jamais été établie. Selon les chiffres de l’ONU, 95 % des travailleurs du sexe n’auraient pas choisi volontairement d’exercer cette activité. Ces chiffres sont toutefois introuvables. Les orateurs invitent les membres du parlement à citer leurs sources de manière intellectuellement correcte si des amendements faisant référence à ces prétendus chiffres de l’ONU sont déposés. D’autres soutiennent que la Suède est le modèle à suivre car le travail du sexe y est interdit, ce qui conduit à une plus grande égalité des genres dans la sphère sexuelle. Le pays viole cependant systématiquement les droits humains fondamentaux des travailleurs du sexe dans sa lutte pour une soi-disant plus grande égalité des genres. Remarques concernant le projet de loi UTSOPI était davantage satisfaite de la première version du texte, qui ne mentionnait pas d’interdiction de publicité et qualifiait directement de traite des êtres humains toute forme d’exploitation sexuelle. Dans le texte à l’examen, le chevauchement entre la traite des êtres humains et l’exploitation de la prostitution est source de confusion, alors que l’intention était précisément de déli­ miter clairement la distinction entre les deux infractions. L’article 433quater/1 sur le proxénétisme est probléma­ tique. Non seulement il crée une confusion pernicieuse entre les abus et la traite des êtres humains, mais il criminalise largement pour autoriser ensuite quelques exceptions. Est-il alors encore question de dépénalisa­ tion? Même sans l’article 433quater/1, l’exploitation reste sur le radar pénal en raison des dispositions relatives à la traite des êtres humains. La confusion entre abus et traite des êtres humains est déjà présente dans l’actuel article 380. Même sans cet article, le proxénétisme reste punissable en vertu de l’article 433quinquies. Dans le même temps, le proxénétisme est strictement défini et n’est plus considéré comme une tierce partie recevant l’argent gagné grâce au travail du sexe. Les banques, les assureurs et les comptables n’ont donc plus rien à craindre. Enfin, l’article laisse la place à une réglementation stricte et à un texte-cadre pour le travail salarié. L’application de l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail – l’inoppo­ sabilité de la nullité du contrat – a déjà été incluse dans un projet de loi du ministre de l’Économie et du Travail Pierre-Yves Dermagne. L’extension de l’article 3 de l’arrêté royal de 1969 – l’extension de la sécurité sociale des seuls salariés aux indépendants – sera mise sur la table. UTSOPI est prête à s’atteler à cette tâche. 2141/006 DOC 55 242 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Daarbij dient rekening te worden gehouden met de vier vrijheden van sekswerkers. Het betreft noodza­ kelijke uitzonderingen op de ondergeschiktheid van de werknemer in een arbeidsovereenkomst. De vier vrijheden zijn gedefinieerd door de Nederlandse denk­ tank Sekswerkexpertise, waarvan UTSTOPI het enige buitenlandse lid is. Ze zijn een toetssteen voor misbruik of uitbuiting en luiden als volgt: 1. Iedereen mag een ander als seksuele partner wei­ geren. Wanneer iemand wordt gedwongen tot seks met een bepaalde persoon, geldt dat als seksueel geweld. 2. Iedereen kan bepaalde seksuele handelingen wei­ geren. Wanneer dit niet kan, is er sprake van seksuele intimidatie. 3. Iedereen mag een seksuele relatie onderbreken of afbreken. 4. Iedereen mag voorwaarden stellen aan seksualiteit, bijvoorbeeld een vaste relatie of onderhoud van kinderen die eruit geboren worden. Het ontworpen artikel 433quater/2 verbiedt reclame, tenzij de sekswerker reclame maakt voor zichzelf. In een voorafgaande hoorzitting werd de vraag gesteld wat er moet worden gedaan om pooiers geen vrij spel meer te geven met valse annonces. Het antwoord op die vraag luidt: reclame niet verbieden, want door het verbod verliest de handhaving het sterkste middel dat nu ter beschikking is om mensenhandel te bestrijden. Het reclameverbod kan in zijn huidige formulering leiden tot dezelfde situatie als die in de Verenigde Staten in 2018 na de goedkeuring van wetgeving gericht op de bestrij­ ding van mensenhandel op internet. Het Amerikaanse ministerie van Justitie schrijft in een recent evaluatierap­ port dat het moeilijker is geworden om mensenhandel te bestrijden sinds de advertentiewebsites krachtens de nieuwe wetgeving offline zijn gehaald. Voordat de wetten in werking traden, verliep de samenwerking tussen de gerechtelijke politie en websites goed, waar­ door mensenhandel beter kon worden bestreden. Deze samenwerking bestaat momenteel ook in België. In verband met reclame werd vorige week gesteld dat negen op tien van de annonces op advertentieplatform voor sekswerk RedLights gevallen van mensenhandel zijn. Dat is incorrect. Volgens de contactpersonen van UTSOPI bij de politie vertonen negen op tien annonces aanwijzingen die verder onderzoek vereisen. Zonder de Pour ce faire, les quatre libertés des travailleurs du sexe doivent être prises en compte. Il s’agit d’excep­ tions nécessaires à la subordination du salarié dans un contrat de travail. Les quatre libertés ont été définies par le groupe de réflexion néerlandais Sekswerkexpertise, dont UTSOPI est le seul membre étranger. Pierres de touche en matière d’abus ou d’exploitation, ils sont les suivants: 1. Quiconque peut refuser une autre personne comme partenaire sexuel. Toute contrainte à avoir des relations sexuelles avec une personne donnée est considérée comme une violence sexuelle. 2. Quiconque peut refuser certains actes sexuels. Lorsque cela n’est pas possible, il s’agit d’intimidation sexuelle. 3. Quiconque peut interrompre ou mettre fin à une relation sexuelle. 4. Quiconque peut fixer des conditions à une relation sexuelle, par exemple dans le cadre d’une relation stable ou encore l’entretien des enfants qui en sont issus. L’article 433quater/2, en projet, interdit la publicité, sauf si le travailleur du sexe fait de la publicité pour lui- même. Lors d’une audition préalable, la question des mesures à prendre pour empêcher les proxénètes à avoir davantage de marge de manœuvre via de fausses annonces a été soulevée. La réponse à cette question est la suivante: la publicité ne doit pas être interdite, car cela signifierait que l’application de la loi perdrait l’outil le plus puissant actuellement disponible pour lutter contre la traite des êtres humains. L’interdiction de publicité, dans sa formulation actuelle, pourrait conduire à la même situation qu’aux États-Unis en 2018 à la suite de l’adoption de la législation visant à lutter contre la traite des êtres humains sur Internet. Le ministère américain de la Justice a indiqué dans un récent rapport d’évaluation qu’il était devenu plus diffi­ cile de lutter contre la traite des êtres humains depuis que les sites d’annonces ont été mis hors ligne dans le cadre de la nouvelle législation. Avant l’entrée en vigueur de la loi, la collaboration entre la police judiciaire et les sites Internet était étroite, ce qui permettait de lutter plus efficacement contre la traite des êtres humains. Cette collaboration existe actuellement aussi en Belgique. En ce qui concerne la publicité, il a été affirmé la semaine dernière que neuf annonces sur dix publiées sur RedLights, la plateforme de publicité pour le travail du sexe, sont des cas de traite des êtres humains. Ce n’est pas exact. Selon les personnes de contact d’UTSOPI au sein de la police, neuf annonces sur dix présentent des 243 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E medewerking van reclameplatforms eventuele gevallen van mensenhandel nooit aan het licht komen. In het ontworpen artikel 433quinquies/4 wordt het ab­ normaal voordeel als volgt gedefinieerd: “een voordeel is abnormaal wanneer het indruist tegen de gewone gang van zaken, de gevestigde regels of gewoonten of tegen wat in dergelijke gevallen gebruikelijk is.” De sprekers wijzen erop dat het zeer moeilijk is om vast te stellen wat de gewone gang van zaken is in een sector die aan geen enkele regelgeving is onderwerpen. Dergelijke vraagstukken kunnen worden opgelost door een paritair comité voor sekswerk in het leven te roepen. Conclusie Deze hervorming maakt een raamwerk mogelijk met geldige contracten tussen sekswerkers en werkgevers, met alle sociale rechten die een arbeidscontract inhoudt. Beperkingen voor zelfstandige sekswerkers vallen weg. Alles wat kan worden vermarkt, wordt vermarkt; ook als het om het lichaam van de vrouw gaat, en onafhankelijk of het legaal of illegaal gebeurt. Als tweehonderd jaar kapitalisme iets hebben uitgewezen, is het wel dat sociale en arbeidsrechten de enige barrière zijn tegen uitbuiting. Sekswerk dient dus te worden onderworpen aan het arbeids- en socialezekerheidsrecht. Het is ontoelaatbaar om vrouwen die zich in de kwetsbaarste situaties op de arbeidsmarkt bevinden, uit te sluiten van sociale rechten. Meer rechten leiden tot meer keuzes. De sprekers zullen de commissie een uitgebreidere schriftelijke nota bezorgen. c. Uiteenzetting van mevrouw Mireia Crespo, directrice van vzw Isala Mevrouw Mireia Crespo stelt de activiteiten van vzw Isala voor, een vereniging die in België in het veld actief is en rechtstreeks steun verleent aan mensen in de pros­ titutie. De vereniging bestaat uit een klein team van twee werknemers dat kan rekenen op aanzienlijke steun van vrijwilligers. Vzw Isala organiseert ontmoetingen in het veld, opvang in een collectieve foyer en begeleiding bij het uitstapproces uit de prostitutie van vrouwen die een andere beroepsactiviteit en een normaal leven willen. De spreekster uit haar bezorgdheid over de nieuwe definitie van het begrip “pooierschap” die het wetsont­ werp beoogt, alsook over het feit dat dit wetsontwerp het pooierschap uit het strafrecht wil halen en bepaalde indications qui requièrent une enquête plus approfondie. Sans la collaboration des plateformes publicitaires, les éventuels cas de traite des êtres humains ne seraient jamais mis en lumière. L’article 433quinquies/4, en projet, stipule qu’un avantage est anormal lorsqu’il est contraire à l’ordre habituel des choses, aux règles ou aux usages établis ou avec ce qui est d’usage dans des cas semblables. Les intervenants soulignent qu’il est très difficile d’établir ce qui constitue l’ordre habituel des choses dans un secteur qui n’est soumis à aucune réglementation. De telles questions peuvent être résolues en créant une commission paritaire sur le travail du sexe. Conclusion Cette réforme permet la mise en place un cadre, avec des contrats valables entre les travailleurs du sexe et les employeurs, avec tous les droits sociaux qu’implique un contrat de travail. Les restrictions imposées aux travail­ leurs du sexe indépendants sont supprimées. Tout ce qui peut être commercialisé le sera, y compris le corps des femmes, légalement ou non. Si deux cents ans de capitalisme ont prouvé quelque chose, c’est que les droits sociaux et du travail sont la seule barrière contre l’exploitation. Le travail du sexe doit donc être soumis au droit du travail et au droit de la sécurité sociale. Il est inadmissible d’exclure des droits sociaux les femmes qui se trouvent dans les situations les plus vulnérables sur le marché du travail. Davantage de droits permet davantage de choix. Les orateurs fourniront à la commission une note écrite plus détaillée. c. Exposé de Mme Mireia Crespo, directrice de l’asbl Isala Mme Mireia Crespo présente les activités de l’asso­ ciation Isala qui œuvre sur le terrain, en soutien direct aux personnes en situation de prostitution en Belgique. La petite équipe de deux salariés est appuyée par un important engagement de bénévoles et l’association réalise un travail de rencontres sur le terrain, d’accueil dans un foyer collectif et d’accompagnement lors du processus de sortie de la prostitution de femmes qui souhaitent retrouver une activité professionnelle et une vie normale. L’intervenante fait part de sa préoccupation au sujet de la redéfinition et de la dépénalisation de la notion de proxénétisme par un projet de loi qui ne considére­ rait plus certaines situations comme relevant de cette 2141/006 DOC 55 244 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E situaties niet langer als een aspect ervan zou beschou­ wen. De spreekster vreest dat indien dit wetsontwerp wordt aangenomen, het moeilijk zal worden te bewijzen dat bepaalde situaties van geweld en uitbuiting verband houden met prostitutie. Om een pooier te veroordelen, zou volgens mevrouw Crespo in de toekomst het vol­ gende moeten worden bewezen: — dat hij het slachtoffer tot prostitutie heeft aangezet of gedwongen of dat hij maatregelen heeft genomen om te verhinderen dat zij uit de prostitutie zou stappen. De deskundige merkt op dat de begrippen “aanzetten tot” en “dwang” thans louter verzwarende omstandigheden zijn die geen deel uitmaken van het basismisdrijf; — dat hij heeft gestreefd naar een abnormaal voordeel, wat juridisch gezien een vaag en onzeker concept is. De spreekster benadrukt dat dat begrip tot alle feiten van pooierschap zou worden uitgebreid, terwijl het huidige Strafwetboek dit enkel toepast op het vastgoedaspect van het pooierschap. Mevrouw Crespo stelt vast dat België met dit wetsont­ werp dreigt in te gaan tegen de internationale conventies en verdragen dat het heeft geratificeerd, zoals het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en be­ strijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag Van Istanbul van 2011), het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen (1979) en het Verdrag ter bestrijding van mensenhandel en van de exploitatie van de prostitutie van anderen (1949). Bovendien is de deskundige bezorgd dat het wets­ ontwerp niet tegemoetkomt aan de wezenlijke nood aan bescherming van de mensen in het veld. Voor een slachtoffer van seksuele uitbuiting lijkt het immers moeilijk, en zelfs onmogelijk, te bewijzen dat er sprake was van aanzetting of dwang; dit geldt des te meer wanneer moet worden aangetoond dat de verdachte van pooierschap een voordeel heeft nagestreefd dat als abnormaal kan worden beschouwd. Mevrouw Crespo benadrukt het juridisch falen van dit begrip, dat in 1995 in het Strafwetboek werd opgenomen om het gebruik van vastgoed voor prostitutiedoeleinden (verhuur van kamers, ramen, Eros center) tegen te gaan. De spreekster geeft aan dat hoewel het geweten is in welke gebouwen aan prostitutie wordt gedaan en het abnormaal voordeel dui­ delijk is, er in werkelijkheid niets tegen wordt ondernomen en het Strafwetboek in de feiten dus ten uitvoer wordt gelegd. De spreekster wijst op de enorme winsten die de verhuur van een raam in Brussel oplevert: ongeveer 250 euro per dag per prostituee, wat neerkomt op een maandelijkse huuropbrengst van ongeveer 7 500 euro per maand en per uitgebuite vrouw. Aangezien gemiddeld activité. Pour l’oratrice, certaines situations de violence et d’exploitation liées à la prostitution seraient désormais difficiles à prouver suite au vote du projet de loi étudié. En effet, selon Mme Crespo, condamner un proxénète nécessitera de pouvoir prouver que celui-ci: — a incité ou contraint la victime à entrer en prostitu­ tion ou qu’il a pris des mesures pour empêcher celle-ci de quitter cette situation de prostitution. L’expert fait remarquer qu’actuellement ces notions d’incitation et de contrainte sont uniquement des facteurs aggravants qui ne font pas partie de l’infraction de base; — a recherché un avantage anormal, concept juridi­ quement flou et peu sûr. L’intervenante souligne que cette notion est élargie à l’ensemble des faits de proxénétisme alors que le code pénal actuel l’applique uniquement à la partie immobilière du proxénétisme. Mme Crespo constate que, par ce projet de loi, la Belgique risque bien de se retrouver en porte-à-faux par rapport aux conventions et traités internationaux ratifiés par notre pays, comme la Convention du Conseil de l’Europe sur la prévention et la lutte contre la violence à égard des femmes et la violence domestique (Convention d’Istanbul en 2011), la Convention des Nations Unies sur l’élimination de toutes les formes de violence à l’égard des femmes (1979) et la Convention des Nations Unies pour la répression de la traite des êtres humains et de l’exploitation de la prostitution d’autrui (1949). L’expert s’inquiète en outre du fait que le projet ne réponde pas au besoin essentiel de protection des personnes rencontrées sur le terrain. Il semble en effet difficile ou impossible à une victime d’exploitation sexuelle de prouver qu’il y a eu incitation ou contrainte et encore moins que la personne soupçonnée de proxénétisme ait recherché un avantage estimé comme anormal. Mme Crespo souligne le constat d’échec juridique de cette dernière notion, introduite en 1995 dans le code pénal dans le but de combattre le proxénétisme immo­ bilier (location de chambres, vitrines, Eros center). Pour l’intervenante, si les bâtiments où la prostitution est organisée sont bien connus et que l’avantage anormal est évident, rien n’est vraiment entrepris et le code pénal n’est donc pas appliqué dans les faits. L’oratrice démontre les énormes profits engendrés par la location d’une vitrine bruxelloise qui rapporte environ 250 euros par jour et par prostituée, soit un loyer de plus ou moins 7 500 euros par mois et par femme exploitée. En tenant compte du fait qu’une vitrine accueille en moyenne quatre femmes par jour, ce sont donc 300 000 euros par an et par vitrine qui tombent dans l’escarcelle du propriétaire. 245 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vier vrouwen per dag achter een raam zitten, brengt de verhuur voor de eigenaar dus jaarlijks 300 000 euro per raam op. Mevrouw Crespo beveelt de commissieleden aan het advies van specialisten inzake de wetgeving op de handelshuur in te winnen om in te zien dat het wetsontwerp in het voordeel dreigt te zijn van de eige­ naars van gebouwen waar ramen worden verhuurd en die vrouwen zullen kunnen blijven uitbuiten in legale bordelen. Volgens de spreekster hebben de pooiers zich aangepast aan de wetgeving en hebben ze ervoor gezorgd dat het moeilijker wordt dwang, geweld of be­ dreigingen te bewijzen. De vertegenwoordigster van de vereniging in het veld is tot de vaststelling gekomen dat alle vrouwen die ze heeft ontmoet op een of andere manier in een situatie verkeren waarin ze geen keuze hebben, een situatie van onzekerheid, geweld, bedreigingen, trauma’s en een laag zelfbeeld. Ze wijst op de centrale rol van de familie: door een kwetsbare financiële situatie of bedreigingen ten aanzien van de familie of uit vrees voor schaamte is het des te moeilijker om een situatie van dwang of niet-toestemming te melden of aan te klagen. Mevrouw Crespo is van oordeel dat het begrip “afwezigheid van toestemming” geen rekening houdt met het web van invloed, afhankelijkheid of economische dwang waarin die mensen vastzitten. De spreekster stelt vast dat de meeste betrokkenen behoren tot de meest gemarginaliseerde en kwetsbare groepen, namelijk vrouwelijke migranten en mensen zonder papieren die afkomstig zijn uit heel arme lan­ den, in materiële nood verkeren (geen inkomen, geen gezonde woning) en die de landstalen niet spreken, lezen of schrijven. De vereniging helpt veel mensen van Oost-Europese etnische of taalminderheden (zoals respectievelijk de Roma of de Bulgaarse Turkstaligen), of die afkomstig zijn van arme regio’s zoals Nigeria, Marokko of Albanië en die vaak dezelfde migratietra­ jecten hebben doorgemaakt. Mevrouw Crespo stelt vast dat hun traject wordt gekenmerkt door diverse vormen van geweld. Incest, verkrachting en gedwongen huwelijken zorgen ervoor dat de betrokkenen niet zomaar in de prostitutie verzeilen, maar dat zulks het logische uitvloeisel is van een heel leven van geweld. Ook bedreigingen, beledigingen, fysieke agressie of herhaalde ongewenste seksuele betrekkingen vormen een geheel van gewelddaden die alomtegenwoordig zijn in de prostitutie, maar waarmee volgens de heersende maatschappelijke visie is inge­ stemd, omdat er een gelduitwisseling bij te pas komt. De spreekster beklemtoont dat een en ander grote gevolgen heeft voor de fysieke en geestelijke gezond­ heid van de betrokkenen: gewichtsverlies, chronische Mme Crespo conseille aux membres de la commission de consulter des spécialistes de la loi sur les baux commerciaux afin de comprendre que le projet de loi risque bien de bénéficier aux propriétaires d’immeubles à vitrines qui pourront continuer à exploiter des femmes dans des bordels légaux. Pour l’oratrice, les proxénètes se sont adaptés aux lois et ont compliqué la possibilité de prouver la coercition, les violences ou les menaces. La représentante de l’association de terrain dresse le constat d’une situation de non-choix, de précarité, de violences, de menaces, de traumatismes et de manque d’estime de soi qui, d’une manière ou d’une autre, touche toutes les femmes rencontrées. Elle relève le rôle central de la famille qui, par une situation financière précaire, par des menaces qui pèsent sur elle ou par la crainte de la honte à son encontre, fait qu’il est compliqué de signaler et de dénoncer une situation de contrainte ou de non-consentement. Mme Crespo estime que cette dernière notion ne tient pas compte des mécanismes d’emprise, de dépendance ou de contrainte économique dans lesquels ces personnes se trouvent. L’intervenante constate que la majorité des personnes rencontrées font partie des groupes sociaux les plus marginalisés et précarisés: des femmes migrantes, sans- papiers, originaires de pays très pauvres, en situation de détresse matérielle (sans revenu, sans logement salubre) et ne sachant parler, lire ou écrire dans les langues nationales belges. L’association vient en aide à de nombreuses personnes d’Europe de l’Est, issues de minorités ethniques, comme les Roms, de minorités linguistiques, comme les turcophones de Bulgarie, ou en provenance de régions pauvres, comme le Nigéria, le Maroc ou l’Albanie, qui ont souvent partagé les mêmes parcours migratoires. Mme Crespo identifie une violence de différents types jalonnant leur parcours. Inceste, viol, mariage forcé font que l’entrée en prostitution n’est pas le fruit d’un accident mais se situe dans la suite d’une logique de violence tout au long de l’itinéraire de vie. De même, menaces, insultes, agressions physiques ou rapports sexuels répé­ tés et non désirés constituent un ensemble de violences omniprésentes dans la prostitution mais que la société considère comme consenties car de l’argent est échangé. L’oratrice souligne les importantes conséquences sur la santé physique et mentale des personnes concernées: perte de poids, douleurs chroniques, grossesse non désirée, angoisse, syndrome de stress post-traumatique et troubles psychiques constituent quelques-unes des 2141/006 DOC 55 246 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E pijn, ongewenste zwangerschap, angst, posttraumatisch stresssyndroom en psychische stoornissen zijn enkele voorbeelden van de gevolgen van de prostitutieactiviteit door vrouwen van wie de gezondheid sowieso aanleiding geeft tot grote bezorgdheid. De spreekster meent dat de niet-erkenning van de wezenlijk gewelddadige aard van prostitutie, belet dat men zich bewust wordt van de gevolgen op het leven van de betrokkenen, maar ook verhindert dat rekening wordt gehouden met de patri­ archale aard van het geweld, aangezien 90 % van de mensen in de prostitutie vrouwen zijn en de overgrote meerderheid van de klanten mannen. De vertegenwoordigster van de vzw Isala merkt op dat volgens politieramingen uit 2012 in ons land 23 000 mensen actief zijn in de prostitutie en dat 85 % van hen wordt uitgebuit. Zij stelt dat de wetgever de plicht heeft die sekswerkers te beschermen en te erkennen dat zij slachtoffers zijn. Mevrouw Crespo benadrukt dat die vaststellingen worden gedeeld door een internationaal netwerk van veldwerkersverenigingen waarvan de vzw Isala deel uitmaakt en dat actief is in Libanon, Zuid-Amerika, Canada en India. Heel wat studies bevestigen de gege­ vens inzake het profiel en de gezondheidstoestand van de slachtoffers, het stelselmatige gebruik van geweld en de verbanden tussen prostitutie en mensenhandel. Volgens de spreekster heeft onderzoek bovendien het falen aangetoond van regulerend beleid in landen die het pooierschap uit het strafrecht hebben gehaald (zoals Duitsland, Nederland of Nieuw-Zeeland). De deskundige meent dat die keuzes de straffeloosheid van de pooiers nog aanzwengelen, veeleer dan de slachtoffers beter beschermen. De spreekster merkt op dat de betrokkenen werk willen vinden en over een wettige-verblijfstitel willen beschikken waardoor zij als slachtoffer kunnen worden erkend; dat streven staat centraal bij de evaluatie van de internationale wetten ter zake. Mevrouw Crespo meent dat het voorliggende wets­ ontwerp niet tegemoetkomt aan de behoeften van de vrouwen die waardig uit de prostitutie willen stappen en daarbij steun en een verblijfstitel zouden krijgen. Volgens haar zal het er integendeel toe leiden dat de vrouwen en meisjes die het slachtoffer zijn van seksuele uitbuiting en van mensenhandel geen juridische bescherming zullen genieten. Door de prostitutie al dan niet aan te pakken, rekening houdend met de gendergelijkheid, zet ons land volgens de spreekster een heel maatschappelijk project op het spel. Het is zaak de prostitutie aan te pakken vanuit de vrouwenrechten, aangezien die activiteit en de gevolgen ervan ook een weerslag hebben op alle vrouwen in de samenleving. conséquences de l’activité prostitutionnelle pour des femmes dont la santé représente toujours un sujet de préoccupation majeur. L’intervenante estime que ne pas reconnaître le caractère intrinsèquement violent de la prostitution empêche de prendre conscience des conséquences observées sur la vie de ces personnes mais aussi de tenir compte du caractère patriarcal de ces violences puisque 90 % des personnes prostituées sont des femmes et que l’écrasante majorité des clients sont des hommes. La représentante d’Isala signale que, selon des chiffres de 2012, la police considère que 23 000 personnes sont actives dans le domaine de la prostitution en Belgique, dont 85 % en situation d’exploitation. Elle estime que le législateur se doit de protéger ces travailleurs du sexe qui doivent être reconnus comme victimes. Mme Crespo insiste sur le fait que ces constats sont partagés par un réseau international d’associations de terrain dont fait partie l’ASBL Isala (au Liban, en Amérique du sud, au Canada et en Inde). De nombreuses études viennent confirmer les données relevées à propos du profil et de l’état de santé des victimes, du système de violence mis en place ou des liens entre prostitution et traite des êtres humains. En outre, l’oratrice précise que des enquêtes démontrent l’échec de politiques réglementaristes dans des pays qui ont dépénalisé le proxénétisme comme l’Allemagne, les Pays-Bas ou la Nouvelle-Zélande. Pour l’expert, ces choix renforcent l’impunité des proxénètes plutôt que de favoriser la protection des victimes. L’intervenante précise que la volonté de ces personnes de trouver un travail et de bénéficier d’un titre de séjour légal, permettant d’être reconnue en tant que victime, constitue un élément central de l’évaluation de ces lois au niveau international. Mme Crespo juge que ce projet de loi ne répond pas aux besoins de femmes qui veulent sortir de la prostitution dignement, en bénéficiant d’aides et d’un statut de résidence dans le pays. L’oratrice estime au contraire qu’il privera de protection juridique les femmes et filles victimes d’exploitation sexuelle et de traite des êtres humains. Pour l’intervenante, en s’attaquant, ou pas, à la pros­ titution en tenant compte de l’égalité entre les hommes et les femmes, la Belgique met en jeu tout un projet de société. Il est essentiel de s’atteler à la question de la prostitution au regard du droit des femmes car cette activité et ses conséquences ont également des impli­ cations pour toutes les femmes de la société. 247 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E d. Uiteenzetting van mevrouw Isabelle Jaramillo, vertegenwoordigster van Espace P Mevrouw Isabelle Jaramillo werkt sinds meer dan 20 jaar in het veld, namelijk bij de Brusselse tak van de vereniging Espace P. Die vzw werkt al dertig jaar aan sociale acties in het veld, alsook aan een programma voor gezondheidspromotie, opsporingstests en specifieke vaccinatie voor sekswerkers. De spreekster geeft aan dat de vereniging regelmatig door de overheid wordt aangezocht in te schatten welk percentage van de be­ trokkenen tot prostitutie wordt gedwongen dan wel het slachtoffer is van mensenhandel. De spreekster stelt dat prostitutie duidelijk verschil­ lende vormen kan aannemen, die diverse situaties weerspiegelen. Zij stelt vast dat een grote meerderheid van de sekswerkers aangeeft vrij hun eigen keuze te maken en dit doen om te ontsnappen aan sociaaleco­ nomische kwetsbaarheid of aan een situatie die ze als erger en gevaarlijker dan prostitutie beschouwen, zoals verstoting door hun familie, dakloos zijn, partnergeweld ondergaan, een gedwongen huwelijk moeten aangaan of lijden onder een tekort aan verslavende middelen. Die betrokkenen stemmen er dus mee in en oefenen het beroep uit zonder dat daar fysieke dwang bij komt kijken. Mevrouw Jaramillo nuanceert de interpretatie van de door andere verenigingen aangehaalde cijfers en betreurt dat de informatie ter zake niet helemaal correct is. Wanneer men 80 tot 90 % van de sekswerkers als slachtoffers van mensenhandel beschouwt, gaat men er volgens haar ten onrechte van uit dat iedereen die in de sector actief is en afkomstig is uit Subsaharaans Afrika, Zuid-Amerika of Oost-Europa, de facto het slachtoffer is van mensenhandel. De spreekster meent dat het heel moeilijk en zelfs onmogelijk is in te schatten hoeveel mensen het slachtoffer zijn van mensenhandelaars die hen seksueel willen uitbuiten. Mevrouw Jaramillo vindt dat met het voorliggende wetsontwerp grote stappen vooruit worden gezet, maar dat er toch nog schemerzones en leemten zijn. Positieve ontwikkeling 1. De deskundige stelt dat het wetsontwerp beoogt sociale grondrechten toe te kennen aan de sekswerkers, zonder stigmatisering of discriminatie. De spreekster stelt vast dat heel wat betrokkenen zich groeperen in bars, privéwoningen, huizenblokken of massagesalons, om niet in hun eentje te moeten werken op straat, bij een klant of thuis. In het veld leidt zulks tot ongerijmde situaties op het vlak van sociaal recht. Zo wordt een sekswerkster in een bar aan rijksweg nr. 4 te Gembloux doorgaans aangegeven met een arbeidsovereenkomst als serveer­ ster, hetgeen niet overeenstemt met haar daadwerkelijke d. Exposé de Mme Isabelle Jaramillo, représentante d’Espace P Mme Isabelle Jaramillo signale travailler sur le ter­ rain depuis plus de vingt ans, à l’antenne bruxelloise de l’association Espace P. Cette ASBL œuvre, depuis trente ans, au développement d’une action sociale de terrain et à un programme de promotion de la santé, de dépistage et de vaccination spécifiques à l’attention des travailleurs du sexe. L’oratrice précise que l’association est régulièrement sollicitée par les pouvoirs publics pour évaluer les pourcentages de personnes actives dans le domaine, forcées ou victimes de traite des êtres humains. L’intervenante estime qu’il existe clairement différents types de prostitution reflétant des réalités multiples et variées. Elle constate qu’une grande majorité des tra­ vailleurs du sexe déclare être libre de son propre choix afin d’échapper à un état de précarité socio-économique ou à une situation considérée comme plus grave et dangereuse que la prostitution: rejet de la famille, sans logement, victime de violence conjugale, mariage forcé ou un état de manque lié à une assuétude. La plupart de ces personnes sont donc consentantes et exercent en dehors de toute contrainte physique. Mme Jaramillo nuance l’interprétation des chiffres d’autres associations et regrette une certaine désinformation à ce sujet. Selon elle, considérer que 80 à 90 % des travailleurs du sexe sont victimes de traite des êtres humains, c’est estimer, à tort, que toutes les personnes issues d’Afrique subsa­ harienne, d’Amérique du Sud ou des pays de l’Est de l’Europe, actives dans le domaine, sont de facto victimes de la traite. Pour l’oratrice, il est très compliqué, voir impossible, d’estimer le nombre de personnes victimes de trafiquants à des fins d’exploitation sexuelle. Mme Jaramillo juge que le projet de loi discuté contient d’importantes avancées mais que des zones d’ombre et des lacunes subsistent. Des progrès 1. L’expert estime que le texte accorde des droits sociaux fondamentaux aux travailleurs du sexe, sans stigmatisation ni discrimination. L’oratrice constate que ceux-ci sont nombreux à choisir de se regrouper, dans des bars, maisons privées, carrées ou salons de mas­ sage, afin d’éviter de se retrouver seuls en rue, chez le client ou à domicile. Sur le terrain, cette situation génère des excès en matière de droit social. À titre d’exemple, une travailleuse du sexe active dans un bar sur la Route nationale 4 à Gembloux est en général déclarée avec un contrat de travail de serveuse qui ne correspond pas à 2141/006 DOC 55 248 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E activiteit, noch met het aantal gepresteerde uren. Volgens de spreekster belet zulks dat de betrokkene aanspraak kan maken op een sociale en juridische bescherming die strookt met haar daadwerkelijke activiteit, zoals toegang tot passende arbeidsgeneeskunde of de mogelijkheid om een werkgever voor het gerecht te dagen, hetgeen heikel is omdat die werkgever makkelijk kan aanvoeren dat de activiteit strijdig is met de goede zeden, waardoor de arbeidsovereenkomst nietig moet worden verklaard. 2. Mevrouw Jaramillo denkt dat de opheffing van het indienstnemingsverbod het mogelijk zal maken een hele resem van activiteiten uit de clandestiniteit te halen en aldus te reglementeren en te professionaliseren. De gezondheidscrisis heeft immers aangetoond dat overleg met die sector mogelijk is, meer bepaald met betrekking tot het opleggen en het in acht nemen van regels inzake werking, hygiëne en stedenbouw. De spreekster stelt vast dat in juni 2020, bij de hervatting van de activiteiten na de gezondheidscrisis, de werkgevers van de Aarschotstraat en de Kaaienwijk in Brussel het gezondheidsprotocol hebben uitgehangen, gel en maskers hebben verdeeld en dat de moderatoren van contactsites informatie over de beschermingsmaatregelen hebben verstrekt. Volgens mevrouw Jaramillo blijkt uit de ervaring in het veld dat de sector vragende partij is voor een duidelijk wettelijk kader en dat een voorlichtingscampagne welkom zou zijn, teneinde de werkgevers en werkgeefsters van de desbetreffende etablissementen duidelijk te maken wat wel en wat niet legaal is. Zij stipt aan dat informatiever­ strekking en bewustmaking inzake de rechten en plichten op het vlak van sekswerk 20 % van de activiteiten van Espace P vormen. 3. De deskundige meent dat de opheffing van het verbod op straatprostitutie het geweld jegens de seks­ werkers zal doen afnemen en het veel makkelijker zal maken een klacht in te dienen indien zulks nodig is. De ervaring leert immers dat meer gewelddaden plaats­ vinden wanneer de betrokkenen zelf in overtreding zijn, aangezien dat de indiening van een klacht doorgaans belet. Zulks werd vast gesteld tijdens de tweede stop­ zetting van de activiteiten (tussen oktober 2020 en juni 2021); in die periode was er immers veel agressie in de privésalons, maar werden weinig klachten ingediend. Wanneer prostitutie wordt verboden en strafbaar wordt gesteld, heeft dat volgens mevrouw Jaramillo tot gevolg dat de sekswerkers in verspreide slagorde werken, alsook dat ze onzichtbaar én kwetsbaarder worden. 4. De spreekster acht het logisch en coherent dat het verbod op reclame wordt opgeheven; veel gemeenten zorgen er immers voor dat prostitutie niet zichtbaar aanwezig is in de openbare ruimte. Zij meent dat de samenleving de prostituées niet mag opleggen zich te verbergen zonder de mogelijkheid zich op het internet son activité réelle ni au nombre d’heures prestées. Pour l’intervenante, cette situation empêche la personne de bénéficier d’une protection sociale et juridique adaptée à son activité réelle, comme l’accès à une médecine du travail appropriée ou une possibilité d’action en justice compliquée face à un employeur qui peut facilement dénoncer une activité contraire aux bonnes mœurs et causer dès lors la nullité du contrat de travail. 2. Pour Mme Jaramillo, la levée de l’interdiction d’em­ bauche va permettre à toute une sphère d’activités de sortir de la clandestinité et d’être ainsi réglementée et professionnalisée. En effet, la crise sanitaire a démon­ tré qu’une concertation est possible avec ce secteur, notamment par l’imposition et le respect de règles de fonctionnement, d’hygiène et d’urbanisme. L’oratrice constate que lors de la reprise de l’activité suite à la crise sanitaire, en juin 2020, les patrons de la rue d’Aerschot et du quartier Yser à Bruxelles ont affiché le protocole sanitaire, distribué du gel et des masques, alors que les modérateurs de sites de rencontres ont informé à propos des gestes barrières. Selon l’intervenante, l’expérience de terrain démontre que le secteur est demandeur d’un cadre légal clair et qu’un travail d’information est envi­ sageable afin de préciser aux patrons et patronnes de ces établissements ce qui est légal ou pas. Elle précise que, chez Espace P, les actions d’information et de sensibilisation au sujet des droits et devoirs en matière de travail du sexe constituent 20 % des interventions. 3. L’expert est d’avis que la levée de l’interdiction de racolage réduira les violences à l’encontre des travailleurs du sexe et facilitera grandement le dépôt d’une plainte en cas de besoin. En effet, l’expérience démontre que les actes de violence augmentent quand les personnes sont elles-mêmes en situation d’infraction, ce qui empêche en général le dépôt d’une plainte. Cette situation a été constatée lors du second arrêt de l’activité (entre octobre 2020 et juin 2021) durant lequel de nombreuses agres­ sions ont été enregistrées dans les salons privés, avec peu de plaintes à la clé. Pour Mme Jaramillo, interdire et criminaliser la prostitution, c’est disperser, rendre invisible et accentuer la vulnérabilité des travailleurs du sexe. 4. L’intervenante estime logique et cohérente la levée de l’interdiction de la publicité alors que de nombreuses communes empêchent toute visibilité de la prostitution dans l’espace public. Selon elle, la société ne peut imposer aux prostituées de se cacher sans se faire connaître sur internet et la reconnaissance de l’activité 249 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E kenbaar te maken. De erkenning van de activiteit als beroep opent de deur voor reclame ervoor. De spreekster beklemtoont dat diverse verenigingen, waaronder Amnesty International, Dokters van de Wereld België, Médecins du Monde France en UNAIDS bepleiten prostitutie en de hele organisatie ervan uit het Strafwetboek te halen. 5. Volgens mevrouw Jaramillo wijst het wetsontwerp erop dat de wetgever wil streven naar een inclusievere samenleving, aangezien het sociaal recht en het ar­ beidsrecht op het sekswerk van toepassing zouden zijn. Zij meent dat het een grote stap vooruit is dat men zich niet laat leiden door de vrees dat heel wat kwetsbare vrouwen sekswerkster zouden worden of door ons moreel oordeel, maar dat men aanvaardt dat de betrokkenen worden erkend en ontsnappen aan een clandestien bestaan, alsook aan sociale uitsluiting. De deskundige stelt dat men, door straatprostitutie niet langer als misdrijf te beschouwen, reclame niet langer te verbieden en de plekken waar aan prostitutie wordt gedaan te legaliseren, kiest voor de inclusie van duizenden mensen die een bestaan hebben opgebouwd op grond van een beroep aan de rand van de samenleving, en die alleen maar dezelfde rechten en plichten als de andere burgers willen krijgen. Schemerzones en redenen tot vrees 1. Mevrouw Jaramillo geeft uiting aan de vrees dat personen die het slachtoffer zijn van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting, zullen worden behandeld als een “gewoon” slachtoffer van misbruik van prostitutie. Wanneer de politie en het gerecht, maar ook de potentiële slachtoffers zelf die twee statussen dooreen gebruiken, kan zulks negatief uitpakken inzake de toegang van die laatsten tot bepaalde rechten. De spreekster stelt voor alles wat momenteel onder artikel 433quinquies van het Strafwetboek ressorteert, samen met alle andere vormen van misbruik van prostitutie, te vatten onder de noemer van “misdrijf van mensenhandel”, met name een slachtoffer werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en opvangen, de controle over het slachtoffer nemen of overdragen met het oog op diens uitbuiting, een persoon met list aanzetten tot prostitutie, een klant ertoe verplich­ ten een seksuele handeling te stellen of de sekswerker een klant opdringen, een minderjarige aanwerven met een arbeidsovereenkomst om sekswerk te verrichten, de seksuele uitbuiting van een minderjarige faciliteren, klant zijn van een minderjarige sekswerker en als werk­ gever of als eigenaar een abnormaal voordeel halen uit de prostitutie van derden. Anderdeels meent mevrouw Jaramillo dat men bij de erkenning van de activiteit van sekswerkers de betrokkenen de mogelijkheid moet la­ ten om voor de arbeidsrechtbank een klacht tegen een werkgever in te dienen wanneer die het arbeidsrecht of het sociaal recht schendt. Ze stelt vast dat ook andere comme métier ouvre la porte à la publicité de celui-ci. L’oratrice souligne que diverses associations comme Amnesty International, Médecins du Monde Belgique et France ou ONUSIDA prônent la sortie du code pénal de l’activité de prostitution et de tout ce qui l’organise. 5. Mme Jaramillo estime que l’ouverture du travail du sexe au champ du droit social et du droit du travail exprime dans la loi la volonté de construire une société plus inclusive. Elle considère qu’il s’agit d’une avancée majeure que d’accepter que ces personnes soient reconnues et échappent à la clandestinité et à l’exclusion sociale, plutôt que de nous laisser guider par la peur de voir de nombreuses femmes en situation de vulné­ rabilité rejoindre les rangs des travailleuses du sexe ou par notre jugement moral. Pour l’expert, supprimer le délit de racolage et l’interdiction de la publicité, tout en légalisant les lieux d’activité, c’est faire le choix d’inclure des milliers de personnes qui se sont construites dans une activité professionnelle à la marge de la société et qui ne demandent qu’à bénéficier des mêmes droits et devoirs que les autres citoyens. Des zones d’ombre et des craintes 1. Mme Jaramillo souligne la crainte de voir des per­ sonnes victimes de la traite des êtres humains à des fins d’exploitation sexuelle être traitées comme de simples victimes d’abus de prostitution. Cette confusion entre ces deux statuts, tant dans le chef de la police et de la justice que chez les victimes potentielles elles-mêmes, peut avoir des conséquences négatives en termes d’accès aux droits. L’intervenante suggère de regrouper sous le même délit de traite des êtres humains tout ce qui relève actuellement de l’article 433quinquies du code pénal avec tous les autres abus de prostitution, à savoir: recruter, transporter, transférer, héberger, accueillir une victime, prendre ou transférer le contrôle exercé sur elle dans un but d’exploitation , utiliser la ruse pour amener quelqu’un à se prostituer, imposer à un client une pra­ tique sexuelle ou une prise de la passe au travailleur du sexe, embaucher un mineur dans le cadre d’un contrat de travail du sexe, faciliter l’exploitation sexuelle d’un mineur, être client d’un travailleur du sexe mineur et le fait de tirer un avantage anormal de la prostitution d’autrui dans le chef de l’employeur ou du propriétaire. D’autre part, dans un contexte de reconnaissance de l’activité des travailleurs du sexe, Mme Jaramillo estime qu’il convient de laisser la possibilité à ces personnes de porter plainte contre un employeur devant un tri­ bunal du travail en cas d’infraction dans le domaine du droit du travail ou du droit social. Elle constate que d’autres secteurs professionnels sont également sujets 2141/006 DOC 55 250 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E beroepssectoren zich aan uitbuiting schuldig maken: Uber, de textielsector, de bouwsector, de horeca enzovoort. Dat de werknemers in die sectoren worden uitgebuit, belet echter niet dat ze rechten krijgen. De spreekster heeft vragen bij het feit dat enkel de uitbuiting van vrouwen in de prostitutie een issue lijkt, zelfs in die mate dat het beroep niet kan worden erkend. 2. Mevrouw Jaramillo vindt dat de voorliggende tekst het begrip “abnormaal voordeel” onvoldoende afbakent ten behoeve van de rechter, die het moet kunnen definiëren en bewijzen. Ze stelt voor met de sector te overleggen om een grensbedrag te bepalen dat dagelijks aan de werkgever moet worden gestort. 3. De spreekster betreurt dat ze moeilijk precies kan inschatten hoe deze hervorming moet worden bekendge­ maakt en ondersteund. Met de intrekking van artikel 380 van het Strafwetboek mag de wetgever zich aan felle verwijten van het middenveld verwachten dat de prostitutie wordt gebanaliseerd. Ze adviseert de wetgever dan ook in de intentienota en in elke communicatie ter zake te verduidelijken dat met de hervorming wordt beoogd de sekswerkers uit de clandestiniteit te halen, hun specifieke rechten te geven, een einde te maken aan hun sociale uitsluiting en aan de huidige morele veroordeling, die hen nog kwetsbaarder maakt. 4. De deskundige vraagt zich af hoe de gemeentelijke bevoegdheden inzake de aanpak van de prostitutie zullen evolueren. Tot dusver zijn de gemeenten belast met de openbare orde en met de handhaving inzake de aantas­ ting van de goede zeden, dus met de prostitutieactiviteit op hun grondgebied, waarbij ze de facto uiteenlopende benaderingen en reglementeringen hanteren. Ter illustratie verwijst de spreekster naar drie Brusselse gemeenten die ter zake een zeer uiteenlopende aanpak hanteren: * in Brussel-Stad is straatprostitutie op straffe van een politieboete verboden; de politie verwijst door naar het parket, dat echter niet vervolgt; * in Sint-Joost-ten-Node geldt een regeling waarbij het verboden is seksueel getinte voorwerpen vanachter het raam te tonen; zeven uur vóór en na de organisatie van een wijkactiviteit is raamprostitutie verboden; * in Schaarbeek eist de gemeente een conformiteitsat­ test voor de ruimten waarin aan prostitutie wordt gedaan en is onderverhuur verboden. De etablissementen in de Aarschotstraat zijn wel erkend als prostitutiesalon, maar zijn aangegeven als drankgelegenheid en ressorteren dus onder het horecastatuut. à l’exploitation: Uber, le textile, le bâtiment, l’Horeca, … Cette situation n’empêche pas les travailleurs d’obtenir des droits en tant que travailleurs sous prétexte qu’ils sont exploités. L’oratrice s’interroge sur le fait que seule l’exploitation des femmes dans la prostitution semble déranger au point de constituer un obstacle à toute professionnalisation de l’activité. 2. Mme Jaramillo trouve que l’on ne cerne pas clai­ rement à ce stade ce qui permettra au juge de définir et de prouver la notion de profit anormal. Elle propose que des concertations professionnelles soient organisées afin de fixer une somme limite à verser chaque jour à l’employeur. 3. L’intervenante regrette de ne pas avoir d’idée précise du travail de communication qui est sensé entourer et appuyer cette réforme. Le retrait de l’article 380 du code pénal risque d’entraîner de nombreuses accusations de banalisation de la prostitution au sein de la société civile. Elle recommande donc au législateur de préciser dans la note d’intention et dans toute communication que le but de la réforme est de sortir les travailleurs du sexe de la clandestinité, de leur donner des droits spécifiques, de mettre fin à l’exclusion sociale et au jugement moral actuel qui les fragilise encore plus. 4. L’expert se questionne à propos de l’évolution à venir des compétences communales en matière de gestion de la prostitution. A ce jour, les communes sont en charge de l’ordre public et du domaine de l’atteinte aux bonnes mœurs, donc de l’activité de la prostitution sur leur territoire, avec de facto des approches et régle­ mentations différentes. A titre d’exemple, trois communes bruxelloises ont des conduites bien différentes sur la question: * à Bruxelles-ville, le racolage est interdit sous couvert d’une amende de police qui renvoie au parquet, lequel ne poursuit pas; * à Saint-Josse-ten-Noode, une réglementation concerne une interdiction de montrer des objets à ca­ ractère sexuel en vitrine et une obligation de fermeture des vitrines sept heures avant et après l’organisation d’une activité de quartier; * à Schaerbeek, la commune exige un certificat de mise en conformité des locaux et interdit toute sous-location. Les établissements rue d’Aerschot sont reconnus comme salons de prostitution mais inscrits comme débits de boissons et donc dépendants du statut Horeca. 251 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Jaramillo merkt op dat bepaalde gemeenten zelfs nauwelijks moeite doen om te verbergen dat ze geen sekswerkers met een migratieachtergrond moeten, terwijl de private prostitutieruimten elders systematisch worden gesloten; op die manier verplaatst de prostitu­ tieactiviteit zich van de ene gemeente naar de andere en gaat ze ondergronds. De spreekster vindt het gebrek aan communicatie en aan onderlinge afstemming van het gemeentebeleid ter zake betreurenswaardig; in de praktijk heeft zulks negatieve gevolgen. In Athus (provincie Luxemburg) bestaat een regle­ ment dat elke prostitutieactiviteit in de openbare ruimte verbiedt; het wordt echter niet in acht genomen, en bij gebrek aan middelen wordt het evenmin gehandhaafd, noch is zulks een prioriteit. In de strijd tegen huisjesmel­ kers heeft de gemeente een reglement uitgevaardigd dat bepaalt dat een taks van 800 euro per kamer wordt opgelegd aan de eigenaars die personen huisvesten die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven. De spreekster stelt vast dat het in die gemeente vooral gaat om migranten, al dan niet ingezetenen van de Europese Unie, die een toeristenvisum aanvragen; om zich te kunnen inschrijven in de gemeente moeten ze binnen drie maanden werk vinden op de reguliere arbeidsmarkt en de nodige documenten kunnen voorleggen (bijlage 19). In de feiten krijgt de ASBL Espace P te maken met overijverig gemeentepersoneel en verkeert de vereniging bovendien in onzekerheid over het standpunt van de waarnemende burgemeester, die momenteel over de dringende zaken gaat. Dit is dus een complexe toestand die vaak de sociale en de medische opvolging van de betrokkenen in het gedrang brengt. Mevrouw Jaramillo vindt het bijgevolg belangrijk te weten of de gemeenten in de toekomst nog steeds over het recht zullen beschik­ ken om prostitutie op hun grondgebied te verbieden. Lacunes 1. Volgens de deskundige ontbreekt het aan een bud­ gettair akkoord dat de nodige extra middelen waarborgt om mensenhandel voor seksuele uitbuiting en toekomstige gevallen van misbruik van prostitutie efficiënt tegen te gaan. De spreekster is van oordeel dat men absoluut middelen moeten vrijmaken om de situatie in het veld te onderzoeken en de prostitutielocaties te bezoeken indien men van de bestrijding van mensenhandel voor seksuele uitbuiting werkelijk een maatschappelijk speer­ punt wil maken, nu bepaalde diensten worden gesloten of samengesmolten. 2. Mevrouw Jaramillo is van oordeel dat er nood is aan een ingrijpende en aanvullende specifieke aanpas­ sing van het sociaal recht en het arbeidsrecht inzake het sekswerk. Ze heeft bijvoorbeeld vragen bij de mo­ gelijkheid om arbeidsovereenkomsten nietig te verklaren Mme Jaramillo fait remarquer que dans certaines communes, les travailleurs du sexe migrants font l’objet d’un ostracisme à peine déguisé alors qu’ailleurs, les lieux de prostitution privés sont systématiquement fer­ més, ce qui entraîne des déplacements de l’activité d’un territoire communal à un autre et une clandestinisation de la prostitution. L’oratrice estime que le manque de communication et d’harmonisation des politiques entre les communes est regrettable et a des conséquences négatives sur le terrain. À Athus, en province du Luxembourg, une réglemen­ tation interdit toute activité de prostitution dans l’espace public mais l’application de ce règlement n’est pas respectée, faute de moyens, et ne constitue pas une priorité. Pour lutter contre les marchands de sommeil, la commune a mis en place une règlementation qui impose une taxe de 800 euros par chambre aux propriétaires qui hébergent des personnes non-inscrites au registre de la population. L’intervenante constate que l’on y rencontre essentiellement des personnes migrantes, ressortissantes ou non de l’Union européenne, à la recherche d’un visa touristique alors que s’enregistrer à la commune nécessite de trouver un travail régulier dans les trois mois et d’obtenir des papiers (annexe 19). Dans les faits, l’ASBL Espace P est confrontée au zèle du personnel communal et même à l’incertitude quant au positionnement du bourgmestre faisant fonction qui traite actuellement les affaires urgentes.Les situations et réalités sont donc complexes et fragilisent souvent le travail de suivi social et médical. Mme Jaramillo estime qu’il est donc important de savoir si les communes conserveront à l’avenir le droit d’interdire la prostitution sur leur territoire. Des lacunes 1. L’expert juge qu’il manque un accord budgétaire qui garantisse les moyens supplémentaires néces­ saires pour lutter efficacement contre la traite des êtres humains à des fins d’exploitation sexuelle et les futurs abus de prostitution. L’oratrice estime qu’il est essentiel de dégager des moyens pour les enquêtes de terrain et les visites des lieux de prostitution si on souhaite que la lutte contre la traite à des fins d’exploitation sexuelle soit une réelle priorité sociétale, à l’heure où l’on ferme ou fusionne certains services. 2. Mme Jaramillo juge qu’il manque une importante et complémentaire adaptation spécifique du droit social et du droit du travail au travail du sexe. Elle s’interroge par exemple sur la possibilité de voir les contrats de travail être frappés de nullité en cas de pratique jugée 2141/006 DOC 55 252 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E indien wordt geoordeeld dat de praktijken indruisen tegen de goede zeden. De spreekster wijst erop dat men in de prostitutie kan verzeilen als gevolg van een specifieke crisissituatie waarbij iemand zijn houvast is verloren (macht over een individu, trauma’s enzovoort) of zijn werk of woning is kwijtgespeeld. Ze vraagt zich af welke mogelijkheid de sekswerker zou hebben om uit de prostitutie te stappen wanneer de betrokkene dat wil, zonder vooropzeg en zonder vrees om een even­ tueel recht op werkloosheidsuitkeringen te verliezen. In dezelfde zin lijkt het de deskundige belangrijk de toegang tot het zelfstandigenstatuut te vergemakkelijken door de verplichting af te schaffen dat een basiskennis bedrijfsbeheer moet worden aangetoond. 3. Volgens mevrouw Jaramillo is het absoluut nood­ zakelijk te voorzien in duidelijke voorwaarden inzake de exploitatie van prostitutielocaties om de macht in te perken van de maffiabendes die in het milieu actief zijn. In de praktijk gebeurt het immers vaak dat de uitbaters stromannen zijn, terwijl achter de schermen maffiabendes of gewetenloze personen kapitalen inves­ teren en witwassen zonder dat hun naam opduikt in de arbeidsovereenkomsten, en die met een groot deel van de rijkelijke winsten gaan lopen. Tot slot en als antwoord op bepaalde feministische verenigingen weigert de vertegenwoordigster van Espace P erin mee te gaan dat de strijd voor de waarden van gelijkheid en respect tussen mannen en vrouwen ten koste zou gaan van de veiligheid en/of het welzijn van de mensen in de prostitutie en de slachtoffers van men­ senhandel in het veld. Mevrouw Jaramillo vindt dat vrouwenemancipatie geen strijd is die ten koste van de sekswerksters mag worden gevoerd, maar waarvoor samen met hen moet worden geijverd; in dat verband moeten zij een rechtmatige stem krijgen. e. Uiteenzetting van mevrouw Véronique De Keyser, voorzitster van het Centre d’Action Laïque ASBL (CAL) Mevrouw Véronique De Keyser geeft aan dat zij het woord voert als vertegenwoordigster van het CAL, maar zich tegelijk baseert op haar ervaring als emeritus hoogleraar in de psychologie aan de ULG en als voor­ zitster van het Internationaal Wetenschappelijk Comité van de leerstoel over seksueel geweld jegens meisjes en vrouwen. De spreekster stelt vooreerst vast dat de cijferge­ gevens over dit onderwerp heel uiteenlopend zijn. Ze verwijst naar een aantal bedenkingen uit een werk over seksueel geweld van Muriel Salmona, een gerenom­ meerde Franse psychiater die een vereniging rond victimologie leidt en in Frankrijk heeft deelgenomen aan de belangrijkste onderzoeken naar dit onderwerp. Op contraire aux bonnes mœurs. L’intervenante constate que l’entrée dans la prostitution peut avoir lieu dans un contexte particulier de crise, de perte de repères (emprise d’un individu, traumatisme, …), de perte d’un emploi ou d’un logement. Elle s’interroge concernant la possibilité qui sera laissée au travailleur du sexe de quitter la prostitution quand il le souhaite, sans prévis, sans crainte de perdre un éventuel droit au chômage. Dans le même registre, il apparait important à l’expert que l’accès au statut d’indépendant soit facilité par la suppression de l’obligation de prouver des connaissances de base en gestion. 3. Mme Jaramillo est d’avis qu’il est indispensable de prévoir des conditions d’accès précises à la gestion de lieux de prostitution pour limiter l’emprise des mafias œuvrant dans le milieu. Sur le terrain, il est en effet fréquent que les gérants soient des hommes de paille alors que des mafias ou personnes peu scrupuleuses investissent et blanchissent des capitaux dans l’ombre, sans intervenir dans les contrats de travail, et récupèrent une grande part de plantureux bénéfices. En conclusion et en réponse à certaines associations féministes, la représentante d’Espace P refuse que le combat pour les valeurs d’égalité et de respect entre les hommes et les femmes se fasse au détriment de la sécurité et/ou du bien-être des personnes en situation de prostitution et des victimes de la traite des êtres humains sur le terrain. Mme Jaramillo estime que la lutte pour l’émancipation des femmes ne doit pas se faire sur le dos des travailleuses du sexe mais à leur côté, avec elles, tout en légitimant leur parole. e. Exposé de Mme Véronique De Keyser, présidente du Centre d’Action Laïque ASBL Mme Véronique De Keyser souligne qu’elle s’exprime en tant que représentante du CAL, tout en profitant de son expérience de professeur émérite de psychologie de l’ULG et de présidente du Comité scientifique inter­ national de la chaire sur les violences sexuelles à l’égard des filles et des femmes. L’intervenante constate d’emblée la diversité des données chiffrées sur le sujet du jour. Elle tire quelques réflexions d’un ouvrage sur la violence sexuelle de la psychiatre, Muriel Salmona, spécialiste française de référence qui dirige une association de victimologie et a participé aux grandes enquêtes de son pays dans ce domaine. Sur base de ces recherches, l’oratrice dresse 253 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E basis van die onderzoeken komt de spreekster tot de vaststelling dat seksueel geweld in alle geledingen van de maatschappij aanwezig is en meestal wordt gepleegd door mannen uit de dichte kring van het slachtoffer (bij meerderjarige slachtoffers in 90 % van de gevallen; bij minderjarige slachtoffers in 94 % van de gevallen). Ze wijst er daarenboven op dat in Frankrijk 94 000 meer­ derjarige vrouwen en 16 000 meerderjarige mannen het slachtoffer zijn geworden van verkrachting of poging tot verkrachting. De spreekster wijst vervolgens op de enorme toe­ name van het aantal gevallen van pedocriminaliteit op het internet, waarvan de slachtoffers almaar jonger zijn; in 90 % van de gevallen zijn ze tussen drie en dertien jaar oud. Terwijl in 2014 een miljoen dergelijke foto’s en video’s werden geteld, ging het in 2018 om 45 miljoen en in 2019 om 70 miljoen. Mevrouw De Keyser stelt tevens vast dat minder dan 10 % van de slachtoffers van verkrachting klacht indient, terwijl minder dan 1 % van de verkrachters wordt veroordeeld voor feiten waarvoor het soms moeilijk is om het bewijs te leveren. Volgens de spreekster is verkrachting het misdrijf dat de grootste straffeloos­ heid geniet en waarvan volstrekt wordt weggekeken. Verkrachting gebeurt hoofdzakelijk binnen het – vaak heel geïdealiseerde – gezin en vindt plaats in alle soci­ aaleconomische kringen. De deskundige is ingenomen met een wetsontwerp dat het mogelijk maakt taboes te doorbreken en dergelijke onderwerpen te bespreken. Mevrouw De Keyser vraagt zich evenwel af of het tegemoet zal kunnen komen aan heel wat bijzondere situaties. De spreekster gaat in op de uiteenzetting van mevrouw Crespo en benadrukt dat de symptomatologie van seksueel geweld belangrijk is. Die is thans welbekend en zou ervoor kunnen zorgen dat het slachtoffer onmiddellijk de gepaste zorg krijgt. De spreekster vindt het jammer dat in het wetsontwerp niets staat over het gebruik van de jongste wetenschap­ pelijke ontwikkelingen inzake de opsporing van de sporen van seksueel geweld die niet fysiek waarneembaar zijn, maar die erg zware gevolgen hebben en iemands leven verwoesten. Mevrouw De Keyser roept op tot een alomvattende aanpak van het vraagstuk, met aandacht voor de as­ pecten volksgezondheid, gerecht en bewustmaking van de publieke opinie. Ze is van oordeel dat een grote inspanning nodig is qua preventie, slachtofferhulp, straf­ baarstelling en opleiding van alle betrokken spelers, om het probleem echt in zijn geheel te kunnen aanpakken. De spreekster benadrukt nog dat het wetsontwerp al­ leen doeltreffend kan zijn indien ook andere onderdelen le constat de violences sexuelles présentes dans tous les milieux sociaux et la plupart du temps commises par des hommes, issus du cercle rapproché de la victime (à raison de 90 % pour les victimes majeures et de 94 % pour les mineures). Elle relève en outre qu’en France, ce sont 94 000 femmes et 16 000 hommes majeurs qui ont ainsi subi des viols ou tentatives de viols. L’oratrice évoque ensuite l’explosion de la pédocrimi­ nalité sur internet et impliquant des enfants et des filles de plus en plus jeunes, de trois à treize ans, dans 90 % des cas. On est ainsi passé d’un million de photos et vidéos identifiées comme telles en 2014, à 45 millions en 2018 et à 70 millions en 2019! Mme De Keyser constate également que moins de 10 % des victimes de viols portent plainte alors que moins de 1 % des violeurs sont condamnés pour des actes nécessitant une démonstration de preuve parfois complexe à recueillir. Pour l’oratrice, le viol est un crime qui bénéficie de la plus grande impunité et bénéficie d’un déni total. Il se produit principalement dans un cercle familial, souvent fort idéalisé, et au sein de tous les milieux socio-économiques. L’expert se félicite d’un projet qui permette de briser des tabous et de parler de ces problématiques. Mme De Keyser se questionne cependant sur la capacité du texte à répondre à de nombreuses situations particulières. Revenant sur les propos de Mme Crespo, elle sou­ ligne tout l’intérêt de la symptomatologie des violences sexuelles, aujourd’hui bien connue et qui pourrait per­ mettre à la victime de bénéficier immédiatement d’une prise en charge. L’oratrice regrette de ne trouver aucune trace dans le projet de loi de l’exploitation des derniers développements scientifiques à propos de la détection des traces d’agressions sexuelles, autres que physiques mais très destructrices et ruinant la vie de personnes. Mme De Keyser souhaite une approche globalisante au sujet d’une problématique impliquant la santé publique, la justice et la sensibilisation de l’opinion publique. Elle estime qu’un important travail est nécessaire dans les domaines de la prévention, de la prise en charge des victimes, de la pénalisation et de la formation de tous les acteurs concernés, afin d’obtenir un impact réel sur la problématique dans son entièreté. L’intervenante souligne encore que le projet de loi ne peut être rendu 2141/006 DOC 55 254 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E worden uitgewerkt en meegenomen in de denkoefening van andere beleidsniveaus en assemblees. De deskundige benadrukt dat het CAL opkomt voor het recht op een vrije, bevredigende en niet strafbaar gestelde seksualiteit voor eenieder, ongeacht of men kind, adolescent, persoon met een handicap, volwas­ sene enzovoort is. Mevrouw De Keyser heeft echter de indruk dat de huidige versie van het wetsontwerp seksualiteit enigszins strafbaar stelt. Volgens haar geldt dit met name voor de adolescenten, wegens de door de wetgever gekozen leeftijdsgrenzen. Ze denkt dat er zeer veel gevallen zullen opduiken van verkrachting die er eigenlijk geen is, door de regel dat iemand jon­ ger dan de volle leeftijd van zestien jaar geacht wordt geen toestemming te kunnen geven. De spreekster licht haar punt toe aan de hand van het in de media gekomen banale liefdesverhaal tussen twee jongeren van respectievelijk 13 en 16 jaar, dat tot een jaar gevan­ genisstraf wegens verkrachting heeft geleid. Mevrouw De Keyser stelt voor het leeftijdsverschil op te trekken, bijvoorbeeld naar vier of vijf jaar, om te voorkomen dat een natuurlijke seksualiteitsbeleving strafbaar wordt gesteld, terwijl die beleving te verkiezen is boven een kunstmatige eerste kennismaking met seksualiteit dan wel of via kinderpornografische beelden die circuleren op het internet. Voorts vindt ze het jammer dat krachtens het wetsontwerp mensen met een mentale handicap en een verminderde wilsbeschikking evenmin hun toe­ stemming kunnen geven, terwijl ook zij hun seksualiteit moeten kunnen beleven. De spreekster is van oordeel dat de tekst moet worden herwerkt en dat men goed voor ogen moet houden dat het de bedoeling is de seksuele misdrijven aan te pakken, en tegelijk te voorkomen dat seksualiteit strafbaar wordt gesteld. Aangezien men thans beter weet welke pathologieën zich kunnen voordoen en er meer inzicht in heeft, is mevrouw De Keyser voorstandster van een langere verjaringstermijn. Uit studies blijkt dat traumatisch ge­ heugenverlies tot lang na een seksuele gewelddaad kan aanhouden, vooral bij herhaalde feiten, en dat het hele psychisch functioneren erdoor kan worden aangetast, met een reflex om de traumatische herinnering weg te duwen. De spreekster geeft aan dat zulks een tijdlang kan duren, aangezien de herinnering – door sociale en soms familiale druk – in bepaalde gevallen pas weer bovenkomt wanneer het slachtoffer de gepaste zorg krijgt, met een luisterend oor en in vertrouwen. Mevrouw De Keyser is er fel tegen gekant dat incest met iemand ouder dan de volle leeftijd van 18 jaar wordt geacht met toestemming te hebben plaatsgevonden. De deskundige is van oordeel dat seksuele handelingen binnen een gezin nooit onverhoeds worden gesteld, efficace que si d’autres volets sont développés et inté­ grés à la réflexion à d’autres niveaux de pouvoirs et dans d’autres assemblées. L’experte souligne que le CAL défend le droit à une sexualité libre, épanouissante et non criminalisée pour tout un chacun, que l’on soit enfant, adolescent, han­ dicapé, adulte, … Or, Mme De Keyser fait part de son impression d’une certaine criminalisation de la sexualité telle qu’énoncée par le projet de loi. C’est le cas, lui semble-t-il, à propos des adolescents, en raison des limites d’âge choisies par le législateur. Elle estime que des cas de faux viols vont être très fréquents à cause de la règle selon laquelle la notion de consentement n’est pas considérée comme valable avant l’âge de seize ans. L’oratrice appuie son propos par l’exemple relaté par la presse d’une banale amourette entre deux jeunes de 13 et 16 ans qui entraîne une peine d’un an pour viol. Mme De Keyser suggère d’augmenter l’écart d’âge, en le portant à quatre ou cinq ans par exemple, afin d’éviter de criminaliser une sexualité naturelle et davantage souhaitable qu’une initiation artificielle ou à travers des images pédopornographiques qui circulent sur internet. De même, elle regrette que, selon le texte, un handicapé mental dont le libre arbitre est altéré n’ait pas de capacité de consentement valable alors que la sexualité doit pouvoir s’exprimer chez lui aussi. L’intervenante juge qu’il convient de remanier le texte et de bien garder l’objectif de viser les crimes sexuels tout en évitant de criminaliser la sexualité. Mme De Keyser exprime son souhait de voir le délai de prescription prolongé en fonction de pathologies mieux connues et appréhendées aujourd’hui. Selon des études, une amnésie traumatique peut perdurer longtemps après une agression sexuelle, surtout si celle-ci est répétée, et entraîner une altération de tout le fonctionnement psychique, tout en causant un réflexe de sauvegarde de la mémoire traumatique. L’oratrice estime que cela peut prendre du temps car suite à la pression sociale et parfois familiale, ce n’est que quand la victime est prise en charge que le souvenir revient, dans un contexte d’écoute et de confiance. Mme De Keyser fait part de sa vive opposition au fait que l’inceste puisse être considéré comme un consen­ tement valable à partir de 18 ans. Pour l’expert, il n’y a jamais d’acte survenant brutalement au sein d’une famille qui n’ait été précédé d’un climat pathogène ou 255 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E maar dat zij steeds worden voorafgegaan door een pa­ thogeen of erotisch klimaat, of zelfs door aanrakingen. Het CAL verzoekt de regeling ter zake te herzien, want indien een jong meisje op 18-jarige leeftijd zwicht, is dat geenszins toeval maar vaak het resultaat van een langdurige morele marteling. De spreekster is ingenomen met de krachtige be­ woordingen waarmee het wetsontwerp de uitbuiting van minderjarigen wil aanpakken. Volgens de spreekster is er op dat vlak veel werk aan de winkel, gelet op de enorme toename van kinderpornografie op het internet, de opmars van secundaire sexting (het doorsturen van beelden van adolescenten naar derden) of op het aantal groepsverkrachtingen onder jongeren. Ze stelt vast dat ter zake ook sprake is van georganiseerde misdaad. Die moet weliswaar worden bestraft, maar de gevangenis zal de meeste van die jongeren niet genezen. Mevrouw De Keyser is er stellig van overtuigd dat meer moet worden ingezet op seksuele en emotionele opvoeding. Met meer preventieve inspanningen zullen doeltreffender resultaten worden behaald dan met strafsancties. De deskundige is ingenomen met het werk van de actoren in het veld en benadrukt dat ze de door de ver­ tegenwoordigster van de vzw Isala voorgestane ideeën onderschrijft. De spreekster vindt dat de sekswerkers moeten worden beschermd. Zij werken vaak in erg moei­ lijke, zo niet onmogelijke omstandigheden. De spreekster vindt het jammer dat de kwetsbare situatie en de geldige toestemming niet langer in het wetsontwerp worden vermeld. Mevrouw De Keyser verwijst van een Luikse getuige die vaststelde dat iemand zich prostitueerde in ruil voor drugs of dat bepaalde studentes via prostitutie uit hun kwetsbare situatie willen geraken. De spreekster vindt dat weliswaar in betere levensomstandigheden moet worden voorzien, alsook in bescherming voor mensen in de prostitutie, maar zulks mag geen kunstgreep zijn die de sociale ongelijkheden verhult, zoals gebeurde met de wet op de kinderarbeid aan het einde van de 19e eeuw. Er moet dan ook worden aangegeven dat dit geen baan is zoals een andere, daar het een beroep betreft met een onaanvaardbaar risico. Volgens de spreekster moet het gezondheidsaspect ernstig moet worden on­ derzocht op basis van statistieken. Als prostitutie een baan wordt zoals alle andere, impliceert zulks tevens dat de Europese dienstenmarkt zal worden opengesteld. Mevrouw De Keyser geeft aan dat een groter aanbod in Duitsland heeft geleid tot een lagere prijs per klant. De diensten hebben evenwel ook een enorme gedaante­ verandering doorgemaakt, waarbij de lokale prostituees werden verdrongen door jongere meisjes en jongens. Tot slot verzoekt de spreekster met aandrang het wetsontwerp in een ruimer perspectief te plaatsen. Ze vraagt te overwegen de prostitutie uit een economisch érotique, voir d’attouchements. Le CAL souhaite que l’on revoie cet élément car si une jeune fille cède à 18 ans, ce n’est en rien un accident mais souvent le fruit d’une longue torture morale. L’intervenante salue l’approche volontariste du texte à propos de l’exploitation des mineurs. L’oratrice estime qu’il y a beaucoup à faire dans le domaine suite à l’explosion de la pédopornographie sur internet, au phénomène en pleine croissance du sexting secondaire, la diffusion de photos d’adolescents au-delà du destinataire ou de cas de viols collectifs chez les jeunes. Elle constate qu’il existe également une criminalité organisée dans le domaine qu’il faut pénaliser mais que la prison ne va pas guérir la plupart de ces jeunes. Mme De Keyser exprime avec force sa conviction de la nécessité de davantage compter sur l’éducation à la sexualité et à la vie affective par un important travail de prévention qui permet d’œuvrer plus efficacement que par la sanction pénale. L’expert salue le travail des acteurs de terrain et souligne un rapprochement avec les idées défendues par la représentante de l’ASBL Isala. L’oratrice estime qu’il convient de protéger les travailleurs du sexe dont les conditions de travail sont très difficiles voir impos­ sibles. Elle regrette que la situation de vulnérabilité ne soit plus évoquée dans le texte ainsi que la validité de la notion de consentement. Mme De Keyser fait part de l’expérience d’un témoin liégeois qui constate une prostitution exercée dans le but d’acquérir des doses de drogue ou pratiquée par des étudiantes souhaitant sortir de la précarité de leur situation. L’intervenante estime qu’il faut certes fournir de meilleures conditions d’existence et protéger les personnes en situation de prostitution mais cette action ne peut constituer une solution artificielle qui occulte les inégalités sociales, à l’image de la loi sur le travail des enfants à la fin du 19e siècle. Il convient donc d’estimer qu’il ne s’agit en rien d’un travail comme un autre car cette activité à risque n’est pas acceptable. L’oratrice juge qu’il faut sérieusement étudier l’aspect sanitaire sur base de statistiques. Elle signale que faire de la prostitution un travail comme un autre implique aussi l’ouverture des services du marché européen. Mme De Keyser sou­ ligne le fait qu’en Allemagne, une offre plus importante a entraîné une chute du prix de la passe mais aussi un renouvellement massif des services et un roulement de personnes prostituées, garçons et filles, plus jeunes, au détriment de prostituées locales marginalisées. Pour conclure, l’intervenante plaide avec force pour que le projet de loi s’inscrive dans une perspective plus large et elle souhaite une prise en considération 2141/006 DOC 55 256 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E oogpunt te bestuderen en te benaderen. Hoewel elk standpunt ter zake zeker van belang is en het tot een uitgebalanceerd akkoord kan komen, meent mevrouw De Keyser dat zaken als de natuur, het lichaam, het leven of de gezondheid ver van het ongebreidelde kapitalisme moeten worden gehouden. f. Uiteenzettingen van mevrouw Karine Minnen, politiecommissaris, diensthoofd zeden, politiezone Brussel Hoofdstad Elsene, en mevrouw Maria De Sterck, korpschef, politiezone Hamme-Waasmunster Mevrouw Maria De Sterck benadrukt dat de geïnte­ greerde politie veel belang hecht aan de goede afwikkeling van onderzoeken na aangifte van een seksueel misdrijf. Het slachtoffer dient optimaal te worden geïnformeerd en beschermd. De integratie van verschillende disciplines van hulpverlening moet helpen om secundair slachtoffer­ schap tegen te gaan (Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019, blz. 58). Seksuele misdrijven en intrafamiliaal geweld blijven prioriteiten in het toekomstige veiligheidsplan. Aanpak van seksueel geweld jegens minderjarige slachtoffers In de naweeën van de zaak-Dutroux werd het audio­ visueel verhoor van minderjarigen (TAM-verhoor) gere­ geld bij de ministeriële omzendbrief van 16 juli 2001. Dit type verhoor werd sindsdien verder uitgebouwd. Op de dag van de hoorzitting wordt overigens een update van deze omzendbrief bekendgemaakt, krachtens dewelke het verhoor van slachtoffers wordt uitgebreid naar het verhoor van kwetsbare personen. Jaarlijks worden er ongeveer vijfduizend TAM-verhoren afgenomen, het merendeel in zedendossiers. De techniek is ontwikkeld om rekening te houden met het ontwikkelingsniveau van het kind en om secundaire victimisering te vermijden. Tijdens de coronapandemie steeg het aantal dossiers inzake misbruik op het internet en sociale media. Een verdere samenwerking met Child Focus om deze beel­ den van minderjarigen te laten verwijderen, is cruciaal. Hetzelfde geldt voor de beelden van wraakporno, die de federale politiediensten in samenwerking met het Instituut voor Gelijke Kansen kunnen laten verwijderen wanneer er klacht wordt ingediend. Aanpak van seksueel geweld jegens meerderjarige slachtoffers Door de ratificering van het Verdrag van Istanbul heeft België zich ertoe verbonden referentiecentra voor slachtoffers van seksueel geweld op te richten. In de Zorgcentra na Seksueel Geweld worden slachtoffers op een holistische manier benaderd. Er is sprake van een multidisciplinaire aanpak die alle actoren met elkaar in d’une étude et approche de la prostitution sur un plan économique. Si chaque position sur la question a un intérêt certain et si elle perçoit la possibilité d’aboutir à un accord équilibré, Mme De Keyser estime que des éléments comme la nature, le corps, la vie ou la santé doivent toujours échapper à un capitalisme débridé. f. Exposés de Mme Karine Minnen, commissaire de police, chef du service mœurs, zone de police Bruxelles- Ixelles, et Mme Maria De Sterck, chef de corps, zone de police de Hamme-Waasmunster Mme Maria De Sterck souligne que la police intégrée attache une grande importance au bon déroulement des enquêtes à la suite de la dénonciation d’un délit sexuel. La victime doit être informée et protégée au mieux. L’intégration des différentes disciplines d’assis­ tance devrait permettre de lutter contre la victimisation secondaire (Plan national de sécurité 2016-2019, p. 58). Les délits sexuels et les violences intrafamiliales restent des priorités dans le futur plan de sécurité. Approche des violences sexuelles impliquant des victimes mineures À la suite de l’affaire Dutroux, l’audition audiovisuelle des mineurs (audition TAM) a été réglée par la circulaire ministérielle du 16 juillet 2001. Ce type d’audition a depuis été développé. Le jour de l’audition, une mise à jour de cette circulaire sera publiée; elle prévoit que l’audition des victimes sera étendue à l’audition des personnes vulnérables. Environ cinq mille auditions TAM sont effectuées chaque année, la plupart dans des affaires de mœurs. La technique a été conçue pour prendre en compte le niveau de développement de l’enfant et pour éviter une victimisation secondaire. Pendant la pandémie de coronavirus, le nombre de dossiers d’abus commis sur Internet et sur les médias sociaux a augmenté. La poursuite de la collaboration avec Child Focus pour faire supprimer ces images de mineurs est cruciale. Il en va de même pour les images de revenge porn, que les services de la police fédérale, en collaboration avec l’Institut pour l’égalité des chances, peuvent faire supprimer en cas de dépôt de plainte. Approche des violences sexuelles impliquant des victimes majeures En ratifiant la Convention d’Istanbul, la Belgique s’est engagée à créer des centres de référence pour les victimes de violence sexuelle. Dans les Centres de prise en charge des victimes de violence sexuelle, les victimes sont traitées de manière holistique. Il s’agit d’une approche multidisciplinaire qui met en contact 257 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verbinding brengt. De centra zijn gehuisvest in zieken­ huizen die voldoen aan de normen omtrent medische en psychosociale ondersteuning. Het is de bedoeling dat België tegen begin 2023 tien centra telt die zodanig zijn gespreid dat elk slachtoffer binnen het uur in een centrum kan aankloppen. Wanneer een slachtoffer zich aanbiedt in een der­ gelijk centrum worden er altijd sporen afgenomen, ook al beslist het slachtoffer om nog geen aangifte te doen. De afgenomen sporen worden tot zes maanden lang bewaard. Beslist het slachtoffer in deze tijdspanne alsnog aangifte te doen, dan kan de politie de sporen in beslag nemen. De zedeninspecteur komt in actie wanneer een slacht­ offer besluit toch klacht in te dienen, wanneer het slacht­ offer zich rechtstreeks aanmeldt in een zorgcentrum of wanneer het een slachtoffer van acute zedenfeiten betreft (verkrachting of aanranding van de eerbaarheid met geweld, minder dan zeven dagen geleden) dat via de politie in het zorgcentrum terechtkomt. De opleiding kan vergeleken worden met een light versie van de TAM-opleiding (audiovisueel verhoor van minderjarige slachtoffers). De zedeninspecteurs beperken zich tot het verhoor van meerderjarige slachtoffers van zedenfeiten. Het verhoor van minderjarige slachtoffers van kwetsbare personen wordt nog altijd afgenomen door leden van een TAM-netwerk. Per zorgcentrum vormen de zedeninspecteurs een permanentiepool waarin zij per twee 24 uur van wacht zijn. Gemiddeld zijn ze twee dagen per maand van wacht naast hun activiteit in een andere politiedienst. Doordat zedeninspecteurs zich vrijwillig voor de taak opgeven, zijn ze gemotiveerd. Bovendien worden ze grondig geselecteerd. Er wordt bijvoorbeeld gepeild naar het eventuele geloof in “rape myths” en naar een juist functieprofiel voor medewerkers die respectvol met slachtoffers kunnen omgaan. De opleiding voor zeden­ inspecteurs bereidt voor op het deskundig verhoren van zedenslachtoffers en op belangrijke aspecten met betrek­ king tot dossieropbouw. Er wordt ook ingespeeld op de nieuwe vormen van seksueel misbruik op sociale media. Het verhoor van slachtoffers die zich aanmelden in een zorgcentrum wordt gefilmd. Terwijl de ene zeden­ inspecteur het verhoor afneemt, typt de andere het verhoor uit. Op die manier kunnen de opnames worden gebruikt in latere fases van het onderzoek. Het slachtoffer hoeft maar één verhoor te ondergaan, wat secundaire victimisering vermindert. tous les acteurs. Les centres sont hébergés dans des hôpitaux qui répondent aux normes en matière de soutien médical et psychosocial. Pour début 2023, la Belgique devrait disposer de dix centres, répartis de telle sorte que chaque victime puisse se rendre dans un centre en une heure. Lorsqu’une victime se présente dans un tel centre, des prélèvements sont toujours effectués, même si la victime décide ne pas encore faire de déposition. Les prélèvements recueillis sont conservés pendant six mois au maximum. Si la victime décide de faire une déposition durant cette période, la police peut saisir ces prélèvements. Les inspecteurs/mœurs interviennent lorsqu’une victime décide de porter plainte malgré tout, lorsqu’elle se présente directement dans un centre de prise en charge, ou lorsque c’est une victime de faits de mœurs aggravés (viol ou attentat à la pudeur commis avec vio­ lences, datant de moins de 7 jours) qui arrive au centre de prise en charge via la police. Cette formation peut être comparée à une version allégée de la formation TAM (audition audiovisuelle des mineurs victimes). Les inspecteurs/mœurs se limitent à l’audition des adultes victimes d’abus sexuels. L’audition des victimes mineures et des personnes vulnérables est toujours effectuée par les membres d’un réseau TAM.  Ces inspecteurs forment, pour chaque centre de prise en charge, un pool de permanence où deux inspecteurs sont de service 24 heures sur 24. En moyenne, ils sont de garde deux jours par mois en plus de leur activité dans un autre service de police. Ils sont motivés, car il s’agit d’inspecteurs de la police des mœurs qui se portent volontaires pour cette tâche. Ils sont en outre rigoureusement sélectionnés. Leur éventuelle croyance dans les “mythes du viol” est sondée, ainsi qu’un profil de fonction adéquat pour des collabo­ rateurs à même de traiter les victimes avec respect. La formation des inspecteurs de la police des mœurs les prépare à l’audition adéquate des victimes de faits de mœurs et aux aspects importants de la constitution d’un dossier. Elle aborde également les nouvelles formes d’abus sexuels sur les médias sociaux. L’audition des victimes qui se présentent dans un centre de prise en charge est filmée. Pendant qu’un inspecteur de la police des mœurs mène l’audition, l’autre en tape le contenu. De cette façon, les enregistrements peuvent être utilisés dans les phases ultérieures de l’enquête. La victime ne doit subir qu’une seule audition, ce qui réduit la victimisation secondaire. 2141/006 DOC 55 258 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Een bijkomend voordeel is dat de zedeninspecteurs dikwijls verschillende politieachtergronden hebben, waardoor de aandacht voor zedenslachtoffers wijd wordt verspreid binnen de politiediensten. Over specialisten beschikken effent de weg om ook slachtoffers van niet- acute zedenfeiten professioneel te benaderen. De basis van een kwaliteitsvol dossier wordt gevormd door een goed afgenomen verhoor en een gedegen spo­ renafname. In combinatie met doorgedreven onderzoek zullen het aantal veroordelingen in zedendossiers en zodoende het vertrouwen in de politie stijgen. Verdachten De technieken om verdachten van zedenfeiten te verhoren, kunnen nog beter. Doordat talloze mensen bevriezen wanneer ze slachtoffer worden van seksueel geweld, worden er vaak weinig sporen van dat geweld aangetroffen. De verdachten weten echter dat er sper­ masporen zullen worden gevonden, waarop zij zich beroepen op het argument van wederzijdse toestemming. Voorts moet er meer worden geïnvesteerd in bepaalde onderzoekstechnieken zoals daderprofielen en het Violent Crime Linkage Analysis System (de ViCLAS-databank) en polygrafie. Ook in de strijd tegen kinderpornografie moet beter gebruik worden gemaakt van nieuwe techno­ logieën waarbij beelden kunnen worden geanalyseerd met behulp van kunstmatige intelligentie. Pijnpunten in de voorstellen Veroordeelden van zedenfeiten plegen na strafeinde geregeld recidive. Deze daders hebben weinig schuldin­ zicht en verkiezen hun straf uit te zitten zonder da­ derbegeleiding. Daarom dringt de spreekster aan op een verplichte risicotaxatie van elke veroordeelde van zedenfeiten en op een verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank wanneer er sprake is van een hoog risico op recidive. In het wetsontwerp is er enkel in strafbaarstelling voorzien voor het benaderen van een minderjarige voor seksuele doeleinden. In de praktijk doet hetzelfde sce­ nario zich regelmatig voor bij meerderjarige kwetsbare personen. Een uitbreiding van grooming naar meerder­ jarigen zou bijgevolg een meerwaarde zijn. De aantasting van de seksuele integriteit zou krachtens het voorliggende wetsontwerp worden bestraft met een gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar. De spreekster pleit voor een minimumstraf van 1 jaar. Hierdoor kunnen daders van kleinere feiten die desondanks een grote Un avantage supplémentaire est que les inspecteurs de la police des mœurs ont souvent des antécédents divers au sein de la police, de sorte que l’attention portée aux victimes de faits de mœurs est largement répartie au sein des services de police. Disposer de spécialistes pave la voie à une approche professionnelle des victimes de faits de mœurs non aggravés. La base d’un dossier de qualité implique une audition bien menée et des prélèvements minutieux. Conjugué à des enquêtes approfondies, le nombre de condamnations dans les affaires de mœurs augmentera, et avec lui la confiance en la police. Suspects Les techniques d’audition des suspects de faits de mœurs peuvent être encore améliorées. Comme beau­ coup de victimes de violences sexuelles sont en état de sidération au moment des faits, les traces de ces violences sont souvent minces. Bien que les suspects sachent que des traces de sperme seront trouvées, ils invoquent l’argument du consentement mutuel. Il faudrait par ailleurs investir davantage dans certaines techniques d’enquête telles que le profilage des auteurs et le système Viclas (Violent Crime Linkage Analysis System) ainsi que le polygraphe. Dans le cadre de la lutte contre la pédopornographie également, il convient de mieux utiliser les nouvelles technologies permettant d’analyser les images à l’aide de l’intelligence artificielle. Points problématiques dans les propositions Les personnes condamnées dans des affaires de mœurs récidivent fréquemment à l’issue de leur peine. Elles n’ont guère de sentiment de culpabilité et préfèrent purger leur peine sans accompagnement des auteurs. L’oratrice en appelle dès lors à une analyse obligatoire des risques pour toute personne condamnée pour des faits de mœurs ainsi qu’à une mise à la disposition du tribunal de l’application des peines lorsqu’il est question d’un risque élevé de récidive. Le projet de loi ne prévoit que l’incrimination de l’ap­ proche d’un mineur à des fins sexuelles. Dans la pratique, le même scénario se produit régulièrement envers des personnes majeures vulnérables. L’extension du groo­ ming aux majeurs serait dès lors une addition précieuse. Selon le projet à l’examen, l’atteinte à l’intégrité sexuelle serait passible d’une peine d’emprisonnement de 6 mois à 5 ans. L’oratrice préconise une peine minimale d’un an. Cela permettrait aux auteurs de faits moins graves ayant néanmoins un impact important sur la victime d’être 259 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E impact hebben op het slachtoffer worden voorgeleid bij de onderzoeksrechter, die verplichte daderbegeleiding of een contactverbod kan opleggen. De spreekster pleit ervoor om sextortion, het drei­ gen met het verspreiden van seksuele beelden die het slachtoffer eerder vrijwillig had gedeeld, apart strafbaar te stellen. Veroordeelde daders verhuizen regelmatig naar het buitenland als het hen in België te warm onder de voe­ ten wordt. Wanneer ze naar het buitenland verhuizen, dient deze informatie te worden overgezonden aan de overheden van het nieuwe verblijfsland. De politiedien­ sten zijn voorstander van een Europese regelgeving. De spreekster wijst op een goede praktijk uit Ierland. In het artikel 458bis staat dat eenieder zedenmisdrijven kan melden aan de procureur des Konings wanneer er aanwijzingen zijn dat minderjarigen gevaar lopen. Deze formulering is te vrijblijvend: er moet een meldingsplicht worden ingevoerd. Mensen zonder papieren lopen een groter risico om slachtoffer van zedenfeiten te worden. Door hun precair statuut is de kans dat zij aangifte doen vrijwel onbestaande. Er zou een clausule moeten worden ingevoerd die bepaalt dat slachtoffers van huiselijk of seksueel geweld niet kunnen worden uitgewezen zolang de procedure loopt. De politie moet deze mensen soms in hechtenis nemen omdat ze geen geldige papieren hebben, in plaats van hun slachtofferbegeleiding te kunnen bieden. Dat is een aberrante situatie. Mevrouw Karine Minnen heeft eenentwintig jaar ervaring in de sectie zeden van de lokale politie. Elke zaak is uniek; elk slachtoffer heeft andere gevoelens ten aanzien van de verdachten, de politie en justitie. Iedere onderzoeker die zich met dit thema bezig­ houdt, beseft algauw dat de betekenis van belangrijke begrippen als moraliteit, eer en fatsoen voor interpretatie vatbaar is. Door misdrijven tegen de seksuele integriteit, het seksueel zelfbeschikkingsrecht en goede zeden op te nemen in de misdrijven tegen de persoon, wordt de dubbelzinnigheid gedeeltelijk weggenomen en neemt de rechtszekerheid toe. Niettemin kan er een wereld van verschil bestaan tussen de wettelijke definitie van een misdrijf als ver­ krachting en de interpretatie die het brede publiek geeft aan de term “verkrachting”. Een van de taken van de politie bestaat uit het verstrekken van informatie, vaak zeer laat in het proces, tijdens het verhoor. Op seksueel traduits devant le juge d’instruction, qui peut imposer des mesures telles qu’un accompagnement obligatoire des auteurs ou une interdiction de contact. L’oratrice fait valoir que la sextorsion, soit le fait de menacer de diffuser des images à caractère sexuel que la victime avait préalablement partagées volontairement, devrait constituer une infraction distincte. Les auteurs condamnés partent régulièrement à l’étranger lorsque les choses commencent à devenir trop compliquées pour eux en Belgique. Lorsqu’ils déménagent à l’étranger, ces informations doivent être transmises aux autorités du nouveau pays de résidence. Les services de police sont favorables à un règlement européen. L’oratrice en réfère à une bonne pratique appliquée en Irlande. L’article 458bis stipule que toute personne peut signa­ ler les faits de mœurs au procureur du Roi en présence d’indications que des mineurs sont en danger. Cette formulation est trop peu contraignante: il convient de stipuler une obligation de signalement. Les personnes sans papiers risquent davantage d’être victimes de faits de mœurs. Or, en raison de la précarité de leur statut, les chances qu’elles les déclarent sont pratiquement inexistantes. Il convient d’introduire une clause stipulant que les victimes de violences domes­ tiques ou sexuelles ne peuvent être expulsées pendant la durée de la procédure. La police doit parfois mettre ces personnes en détention faute de papiers valables, au lieu de leur proposer une aide aux victimes. Cette situation est aberrante. Mme Karine Minnen compte vingt-et-un ans d’expé­ rience dans la section mœurs de la police locale. Chaque cas est unique; chaque victime a des sentiments différents envers les suspects, la police et la justice. Chaque enquêteur traitant de cette thématique réalise rapidement que la signification de notions importantes telles que la moralité, l’honneur et la décence est ouverte à interprétation. L’inclusion des infractions portant atteinte à l’intégrité sexuelle, au droit à l’autodétermination sexuelle et aux bonnes mœurs dans les infractions contre les personnes lève une partie de l’ambiguïté et augmente la sécurité juridique. Il peut toutefois y avoir un monde de différence entre la définition légale d’une infraction telle que le viol et la manière dont le grand public interprète le terme de “viol”. L’une des tâches de la police consiste à fournir des informations, souvent très tard dans le processus, lors de l’audition. Il existe encore un certain tabou autour 2141/006 DOC 55 260 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E misbruik en prostitutie rust nog steeds een zeker taboe dat slachtoffers ervan weerhoudt om klacht in te dienen. De spreekster prijst de definitie van het begrip “toe­ stemming”. Gebrek aan toestemming staat helaas nog vaak centraal in strafzaken. De meeste zedendelicten worden buiten het zicht gepleegd, wat materieel bewijs schaars maakt. Bewijzen dat er geen sprake is van instemming is niet eenvoudig en alleen een kwalitatief verhoor van zowel het slachtoffer als de verdachte kan het verschil maken. Hoewel het slachtoffer soms tijd nodig heeft om het misbruik te verwerken, wordt het onderzoek moeilijker naarmate het slachtoffer later klacht indient. Er moet worden geïnvesteerd in politieopleiding op dit vlak. Audiovisuele verhoren zijn een stap in de goede richting, maar vergen tijd en capaciteit. Ze hebben al­ leen zin wanneer de opnames door alle actoren in de politie-justitieketen worden bekeken. De veralgemening van de leeftijd waarop een min­ derjarige uit vrije wil toestemming kan geven voor alle seksuele handelingen is een stap in de richting van harmonisatie. Het is goed dat er uitzonderingen worden gemaakt voor incest en prostitutie. Harmonisatie van bepalingen “Aanranding van de eerbaarheid” verandert in “aan­ tasting van de seksuele integriteit”. Op deze wijziging na is het echter moeilijk om een evenwicht te vinden tussen strafbare handelingen ondubbelzinnig definiëren en een beoordelingsmarge overlaten aan de rechter. De technologische vooruitgang en maatschappelijke ontwikkelingen op vlak van seksualiteit confronteren slachtoffers regelmatig met een juridische leemte. De spreekster juicht de toevoeging van de begrippen “verkrachting op afstand” en “zeden binnen het gezin voor volwassen slachtoffers” toe. De toevoeging van het toedienen van remmende stoffen als verzwarende omstandigheid is ook een goede zaak, net als het in overweging nemen van de aanwezigheid van een min­ derjarige op het ogenblik van de feiten. Seksuele uitbuiting en prostitutie Meer dan seksuele misdrijven zijn seksuele uitbui­ ting en prostitutie steeds clandestiener geworden. Dat heeft te maken met de modus operandi van bepaalde criminele organisaties, met de COVID-19-crisis en met technologische ontwikkelingen. Openbare vormen van prostitutie maken plaats voor meer verborgen vormen in Air bnb’s en appartementen­ hotels. Terwijl regelmatige controles van sekswerkers des abus sexuels et de la prostitution, qui empêche les victimes de porter plainte. L’oratrice salue la définition du terme de “consente­ ment”. Malheureusement, l’absence de consentement est encore souvent au cœur des affaires pénales. La plupart des délits de mœurs sont commis à l’abri des regards, ce qui rend les preuves matérielles rares. Prouver l’absence de consentement n’est pas aisé et seule une audition qualitative de la victime et de l’accusé peut faire la différence. Bien que la victime ait parfois besoin de temps pour digérer l’abus, plus elle dépose sa plainte tard, plus l’enquête est difficile. Il convient d’investir dans la formation de la police dans ce domaine. Les auditions audiovisuelles sont un pas dans la bonne direction, mais elles demandent du temps et des capaci­ tés. Elles n’ont de sens que si les enregistrements sont visionnés par tous les acteurs de la chaîne police-justice. La généralisation de l’âge auquel un mineur peut librement consentir à tous les actes sexuels est un pas vers l’harmonisation. Prévoir des exceptions pour l’inceste et la prostitution est une bonne mesure. Harmonisation des dispositions “Attentat à la pudeur” devient “atteinte à l’intégrité sexuelle”. Hors de cette modification, il est toutefois difficile de trouver un équilibre entre une définition sans ambiguïté des actes répréhensibles et la possibilité de laisser un pouvoir d’appréciation au juge. Les progrès technologiques et les évolutions sociétales dans le domaine de la sexualité confrontent régulièrement les victimes à un vide juridique. L’oratrice se réjouit de l’ajout des notions de “viol à distance” et de faits de mœurs au sein de la famille pour des victimes adultes. L’ajout de l’administration de substances inhibitives comme circonstance aggravante est également à saluer, de même que la prise en compte de la présence d’un mineur au moment des faits. Exploitation sexuelle et prostitution Plus que les délits sexuels, l’exploitation sexuelle et la prostitution sont devenues de plus en plus clandestines, en raison du modus operandi de certaines organisations criminelles, de la crise du COVID-19 et des développe­ ments technologiques. Les formes publiques de la prostitution cèdent la place à des formes plus cachées, dans des Airbnb et des appart-hôtels. Alors que les contrôles réguliers 261 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het vroeger mogelijk maakten om contact te leggen en zodoende uitbuiting, precair verblijf, mensenhandel of prostitutie door minderjarigen op te sporen, moet de politie zich nu een weg banen tussen duizenden onlineadvertenties. Het verheugt de spreekster dat het wetsontwerp erin voorziet dat alle vormen van seksuele uitbuiting van minderjarigen betrekking hebben op alle minderjarigen ongeacht leeftijd en dat de minderjarigheid van het slachtoffer al volstaat om het strafbare feit vast te stel­ len. Met deze veranderingen kan de politie efficiënter optreden tegen loverboys. Vrijwillige prostitutie is niet strafbaar, maar de middelen wel, ook al laat het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie een ruime tolerantie toe. Sekswerkers, hun partners en verwante sectoren verkeren dus nog altijd in rechtsonzekerheid. De strafbaarheid van verschillende vormen van steun aan sekswerk wordt bepaald door de begrippen “misbruik” en “abnormaal winstbejag”. De onzekerheid waarin veel sekswerkers verkeren, zou moeten afnemen naarmate de verschillende vormen van ondersteuning beter worden beschermd. Daarvoor zijn wel financiële middelen nodig. Het aanbieden van de eigen seksuele diensten door middel van reclame wordt in het wetsontwerp toegestaan, maar hoe kan een websitebeheerder er zeker van zijn dat de mensen die de advertenties plaatsen, zich niet achter een andere identiteit verschuilen of dat er geen minderjarigen bij betrokken zijn? Wat is de wettelijke basis voor politiecontroles naar aanleiding van sekswerk dat plaatsvindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats en voor politiecontroles naar aanleiding van een advertentie die geen concrete aanwijzingen van misbruik of uitbuiting vertoont? 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Khalil Aouasti (PS) uit de vrees dat de definities van de begrippen “mensenhandel” en “verzwaard mis­ bruik van prostitutie” mogelijkerwijs nauw bij elkaar zullen aanleunen. De spreker vraagt zich af of er verwarring zou kunnen ontstaan omtrent de manier waarop deze of gene inbreuk kan worden behandeld, waarbij verzwaard mis­ bruik van prostitutie dus de voorkeur zou kunnen krijgen boven mensenhandel. In een dergelijke situatie dreigen dan alle aan die tenlastelegging verbonden garanties teloor te gaan en zouden veel mensen weleens in een des travailleurs du sexe permettaient autrefois d’établir un contact et donc de détecter l’exploitation, le séjour illégal, la traite des êtres humains ou la prostitution de mineurs, la police doit désormais se frayer un chemin à travers des milliers d’annonces en ligne. L’oratrice se réjouit que le projet de loi prévoie que toutes les formes d’exploitation sexuelle des mineurs concernent tous les mineurs, quel que soit leur âge, et que la minorité de la victime suffise à établir l’infraction. Grâce à ces changements, la police peut agir plus effi­ cacement contre les loverboys. La prostitution volontaire n’est pas punissable, mais les moyens le sont, même si la politique du ministère public en matière de poursuites permet une large marge de tolérance. Les travailleurs du sexe, leurs partenaires et les secteurs connexes ne bénéficient donc toujours pas d’une sécurité juridique. L’incrimination des différentes formes de soutien au travail du sexe est déterminée par les concepts d’“abus” et de “but lucratif anormal”. L’insécurité dans laquelle se trouvent de nombreux travailleurs du sexe devrait décroître à mesure que les différentes formes de sou­ tien sont mieux protégées. Ceci requiert toutefois des moyens financiers. Offrir ses propres services sexuels par le biais d’une annonce est autorisé dans le projet de loi, mais comment un administrateur de site Internet peut-il être sûr que les personnes qui placent les annonces ne se cachent pas derrière une autre identité ou qu’aucun mineur n’est impliqué? Quelle est la base légale des contrôles de police dans le cadre d’un travail du sexe qui se déroule dans un lieu non accessible au public, et des contrôles de police dans le cadre d’une annonce qui ne présente aucun indice concret d’abus ou d’exploitation? 3. Échange de vues a. Questions et observations des membres M. Khalil Aouasti (PS) fait part de la crainte qu’il puisse exister une proximité de définitions en matière de traite des êtres humains et d’abus aggravés de prostitution. L’orateur se questionne sur la possibilité de confusion dans la manière dont une infraction ou l’autre puisse être traitée et que l’on puisse donc privilégier l’abus aggravé de prostitution au détriment de l’infraction de traite. Cette situation risquerait alors de voir ainsi s’écrouler l’ensemble des garanties liées à cette pré­ vention et d’entraîner la possibilité d’une précarisation 2141/006 DOC 55 262 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E precaire toestand terecht kunnen komen. Het lid vraagt de deskundigen of het wenselijk is beide strafbare feiten samen te voegen, dan wel artikel 433quinquies van het Strafwetboek betreffende mensenhandel te handhaven. De heer Aouasti constateert dat de prostitutiearbeid hier wordt benaderd in het kader van een tekst over het strafrecht, terwijl dat vraagstuk zou moeten worden opge­ nomen in een bredere reflectie in andere parlementaire fora. Het lid wenst van de deskundigen te vernemen of de prostitutie volgens hen met de bestudeerde tekst kan worden gedepenaliseerd, alsook of het opportuun is te werken met teksten zoals artikel 14 van de wet van 1978 en artikel 3 van het koninklijk besluit van 1999 als het gaat om de aangelegenheden betreffende de openstel­ ling van de sociale zekerheid. Volgens de spreker noopt deze eerste fase van de hervorming van het strafrecht tot de herziening van nog andere teksten, meer bepaald op sociaal gebied. De spreker heeft vragen voor mevrouw De Keyser over met een meerderjarige gepleegde incest. Hij herinnert eraan dat van toestemming nooit sprake is bij met een minder- of meerderjarige gepleegde incest. Niettemin beklemtoont de heer Aouasti dat consensuele relaties en seksuele betrekkingen tussen meerderjarigen kunnen voorkomen in gevallen waarin de graad van verwantschap een situatie van incest impliceert. Volgens de spreker zijn die twee realiteiten kennelijk moeilijk verenigbaar in één enkele, complexe definitie. De heer Aouasti komt terug op het bewijsvraagstuk inzake verkrachting. Het lid wil weten of mevrouw De Keyser het wenselijk acht de instrumenten die automatisch in werking treden bij zedenzaken waarbij minderjarigen zijn betrokken (geloofwaardigheidsonderzoeken van het slachtoffer en psychologische onderzoeken lastens de vermeende daders), ambtshalve uit te breiden tot de zedenzaken in verband met meerderjarigen. Aangaande de seksuele meerderjarigheid wijst de heer Aouasti erop dat het wetsontwerp seksuele betrekkingen tussen jongeren beoogt toe te staan, met dien verstande dat een leeftijdsverschil van twee jaar wordt toegepast, terwijl het wanbedrijf “aanranding van de eerbaarheid”, dat juridisch gesproken geen zin heeft, wordt geschrapt. Hij wil weten wat de deskundigen ervan vinden dat het ene wanbedrijf wordt afgeschaft en dat, zodra die willekeurige termijn wordt overschreden, er een ander wordt gepleegd waarbij sprake is van strafverzwaring. De spreker verzoekt te verduidelijken of het begrip “toestemming” in het wetsontwerp als een evoluerend gegeven moet worden beschouwd of integendeel res­ trictief dient te worden geïnterpreteerd. Hij vraagt de de nombreuses personnes. L’intervenant questionne les experts à propos de l’opportunité d’une fusion des deux infractions ou du maintien de l’article 433quinquies du code pénal concernant la traite des êtres humains. M. Aouasti constate que le travail prostitutionnel est ici abordé dans le cadre d’un texte de droit pénal alors que la problématique mériterait d’être intégrée à d’autres réflexions plus larges dans d’autres enceintes parlemen­ taires. Le membre souhaite obtenir l’avis des experts à propos de la capacité du texte étudié à dépénaliser le travail de prostitution et de l’opportunité de travailler sur des textes comme l’article 14 de la loi de 1978 et l’article 3 de l’arrêté royal de 1999, sur les questions d’ouverture de la sécurité sociale. Pour l’orateur, cette première étape de réforme du champ pénal appelle d’autres révisions de textes dans le domaine social. L’intervenant interpelle Mme De Keyser au sujet de la question de l’inceste sur majeur. Il rappelle qu’il n’existe jamais de consentement dans le cas d’un acte d’inceste commis vis-à-vis d’un mineur ou d’un majeur. L’orateur souligne toutefois qu’il peut arriver que des relations consensuelles et des relations sexuelles soient consen­ ties entre majeurs dans des cas où le degré de parenté implique une situation d’inceste. Il apparait compliqué à l’intervenant de concilier ces deux réalités dans une seule définition complexe à rédiger. M. Aouasti revient sur la question de la preuve en matière de viol. Le membre souhaite connaître l’avis de Mme De Keyser au sujet de l’opportunité d’élargir d’office aux affaires de mœurs concernant des majeurs les outils mis automatiquement en place dans le cadre d’affaires de mœurs impliquant des mineurs (examens de crédibilité de la victime et examens psychologiques à charge des présumés auteurs). Au sujet de la question de la majorité sexuelle, M. Aouasti relève que le projet de loi autorise des rela­ tions sexuelles entre jeunes en appliquant un écart de deux ans, tout en supprimant l’infraction d’attentat à la pudeur qui n’a pas de sens juridique. Il souhaite obtenir l’avis des experts sur cette suppression d’une infraction et de la commission d’une autre, avec aggravation de la peine, dès que l’on dépasse ce délai arbitraire. Le membre demande des éclaircissements sur le caractère évolutif ou l’ interprétation restrictive de la question du consentement dans le projet. Il interroge les experts sur l’option d’une ouverture au développement 263 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E deskundigen of het een optie is een en ander mee met de rechtspraak te laten evolueren – wat potentieel gunstiger is voor de slachtoffers –, dan wel of er hoort te worden gekozen voor een gesloten voorbeeldstellingskader. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) neemt nota van het struikelblok met betrekking tot het prostitutievraagstuk en juicht toe dat de verenigingen bereid zijn zich uit te spreken zonder moreel oordeel en met de bescherming van de slachtoffers voor ogen. De spreekster vraagt zich af of het mogelijk is twee zeer legitieme verzoeken van de sekswerkers met elkaar te verzoenen door hun een statuut, sociale bescherming en erkenning te verlenen, en tegelijkertijd afstand te nemen van dogma’s door in te spelen op de noodzaak om zeer kwetsbare perso­ nen te beschermen. Volgens het lid reikt de geplande hervorming geen statuut aan, maar leidt ze veeleer tot een depenalisering, met het risico dat de sekswerkers die niet vrijwillig in de prostitutiesector werden gerekru­ teerd kwetsbaarder worden. Mevrouw Matz vraagt zich af of het wenselijk is het Strafwetboek te wijzigen om tegemoet te komen aan het legitieme verzoek om een statuut te verkrijgen. Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) komt terug op de leeftijd van 16 jaar vanaf wanneer toestemming kan worden verleend, aangevuld met een soort afwijking vanaf 14 jaar. Zij stipt aan dat Sensoa en de CAL erop hebben gewezen dat het van belang is de seksualiteit van jongeren op een positievere manier te benaderen met inachtneming de nodige beschermingen, in plaats vanuit een negatieve of beschuldigende invalshoek. Het lid is ervoor gewonnen om de logica om te keren door bij voorkeur uit te gaan van een situatie waarin bij de eerste seksuele ervaringen toestemming is verleend. Zij vraagt de deskundigen of het wenselijk is de leeftijd waarop toestemming kan worden verleend te verlagen tot 14 jaar, zij het met richtsnoeren tussen de leeftijd van 14 en 16 jaar alsook rekening houdend met een leeftijdsverschil van twee jaar of meer. De spreekster wijst erop dat Sensoa het wetsontwerp vaag vindt wanneer er sprake is van een machts- of invloedspositie in de context van het begrip “toestem­ ming”; de kwetsbare positie van het slachtoffer zorgt vaak voor een verkeerde interpretatie. De spreekster vraagt de deskundigen of het zinvol is de begrippen “hiërar­ chische macht”, “vertrouwen”, “gezag” en “invloed” op te nemen in artikel 5 van het wetsontwerp. In hetzelfde verband wil mevrouw Hugon meer duidelijkheid over het begrip “erkende positie” van vertrouwen, gezag en invloed en over het belang van de toevoeging van dat concept aan het wetsontwerp, teneinde elke vorm van toestemming binnen het gezin onmogelijk te maken en incest bij meerderjarigen te verbieden. jurisprudentiel, potentiellement plus favorable aux vic­ times, ou sur le choix d’un cadre fermé d’exemplification. Mme Vanessa Matz (cdH) constate le point d’achoppe­ ment sur la question de la prostitution et salue la volonté des associations de s’exprimer sans jugement moral et dans un souci de protection des victimes. L’intervenante s’interroge sur la possibilité de réconcilier deux demandes bien légitimes des travailleurs du sexe, en octroyant à la fois à ceux-ci un statut, une protection sociale et une reconnaissance, tout en sortant des dogmes en répondant au besoin de protection de personnes très vulnérables. Pour la membre, la réforme envisagée n’apporte aucun statut mais mène plutôt à une dépénalisation, au risque de fragiliser les travailleurs du texte qui ne se situent pas dans une logique d’engagement volontaire dans le secteur de la prostitution. Mme Matz se questionne sur l’opportunité de modifier le code pénal pour accéder à une légitime demande de statut. Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) revient sur la ques­ tion de l’âge du consentement à partir de 16 ans, com­ plétée par une sorte de dérogation à partir de 14 ans. Elle relève que Sensoa et le CAL ont signalé l’intérêt d’aborder la sexualité des jeunes sous un jour davantage positif, avec les protections nécessaires, plutôt que dans une optique négative ou culpabilisante. La membre se montre favorable à une inversion de la logique en privilé­ giant une situation de consentement lors des premières expériences sexuelles. Elle interroge les experts au sujet de l’opportunité de descendre cette majorité à 14 ans, avec des balises entre 14 et 16 ans, en tenant compte d’une différence d’âge de deux ans ou plus. L’intervenante souligne que l’association Sensoa relève le flou du texte en matière de relation de pouvoir ou d’influence au niveau de la notion de consentement, parfois vicié en raison d’une position de vulnérabilité d la victime. Elle questionne les experts au sujet de l’intérêt d’introduire la notion de pouvoir hiérarchique, de confiance, d’autorité et d’influence dans l’article 5 du projet de loi. Dans le même domaine, Mme Hugon souhaite obtenir des précisions par rapport à la notion de “position reconnue” de confiance, d’autorité et d’influence et de l’intérêt de l’ajout de ce concept afin de rendre impossible tout consentement au sein du cercle familial et d’interdire l’inceste pour les majeurs. 2141/006 DOC 55 264 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het lid stelt vast dat mevrouw De Keyser adviseert de verjaringstermijn te herzien. De spreekster is dit idee weinig genegen, omdat ze betwijfelt of het strafrechtelijk stelsel wel over de capaciteit beschikt om de erkenning en de tenlasteneming na vele jaren te blijven waarborgen. Ze benadrukt dat het voor het gerecht na verloop van tijd moeilijk zal worden de bewijzen te verzamelen en het woord van de slachtoffers in aanmerking te nemen. Mevrouw Hugon verwijst naar de mogelijkheid om een beroep te doen op andere instellingen voor de opvang en de begeleiding van slachtoffers die de agressie tegen hen hebben verdrongen of die eenvoudigweg niet de kans hebben gehad zich tijdig over hun lijden uit te spreken. De spreekster gaat nader in op de verklaringen van mevrouw De Keyser over het belang van een alomvat­ tende aanpak van het vraagstuk en kondigt aan dat de staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit binnenkort een interfederaal actieplan voor de aanpak van gendergerelateerd geweld zal voorleg­ gen dat tot doel heeft met betrekking tot dit thema alle beleidsniveaus op één lijn te krijgen. Mevrouw Hugon betreurt het gebrek aan nauwkeurig­ heid in artikel 417-59 betreffende het recht om de toe­ stemming tot het verspreiden van persoonlijke beelden in te trekken; het is misschien verstandig dit recht in het wetsontwerp op te nemen. Het lid benadrukt dat er niet één maar meerdere vor­ men van prostitutie bestaan. De spreekster is voorstand­ ster van het toekennen van meer rechten en bescherming voor alle sekswerkers zonder dat de betrokkene wordt gestigmatiseerd, fragieler gemaakt of geminacht. Ze vindt het vanzelfsprekend belangrijk dat er begeleiding komt op het vlak van sociaal recht en dat elke vorm van uitbuiting wordt aangepakt. De spreekster wijst erop dat het belangrijk is dat prostitutie, omschreven als een activiteit “gericht op het leveren van commerciële seksuele diensten”, nauwkeurig wordt gedefinieerd om onvoorziene neveneffecten te voorkomen. Mevrouw Hugon vraagt mevrouw Crespo om verdui­ delijking over het begrip “abnormaal voordeel” bij het evalueren van de huurwaarde in een huurovereenkomst die afhangt van de waarde van de buurt. Het lid stelt een gebrek aan nauwkeurigheid vast met betrekking tot de toestemming bij prostitutie, die in het tweede hoofdstuk van het wetsontwerp aan bod komt. Indien de activiteit bestaat in het leveren van commerciële seksuele diensten, waarbij automatisch sprake is van toestemming, rijst de vraag hoe in een betaalde relatie kan worden vastgesteld dat een daad niet consensu­ eel is. Het is volgens de spreekster niet denkbeeldig dat zulks niet als verkrachting maar als oplichting zou La membre constate que Mme De Keyser conseille de revoir le délai de prescription. L’oratrice se montre peu favorable à cette idée car elle doute de la capacité du système pénal de se montrer en mesure d’assurer la reconnaissance et la prise en charge nécessaires après de longues années. Elle souligne que le temps passant, il sera compliqué pour la Justice de recueillir des preuves et prendre en considération la parole des victimes. Mme Hugon évoque la piste d’autres institutions qui pourraient prendre en charge des victimes qui ont refoulé leur agression ou qui n’ont simplement pas eu l’occasion d’exprimer à temps leur souffrance. L’oratrice revient sur les propos de Mme De Keyser au sujet de l’importance d’une approche globalisante de la problématique et signale que la secrétaire d’État à l’Égalité des genres, à l’Égalité des chances et à la Diversité va prochainement présenter un plan d’action interfédéral de lutte contre les violences de genre appelé à coordonner tous les niveaux de pouvoirs sur cette thématique. Mme Hugon regrette l’absence de précision dans l’article 417-56 concernant le droit de retirer son consen­ tement à la diffusion d’images personnelles qu’il serait peut-être judicieux d’intégrer au projet de loi. La membre souligne qu’il n’existe pas une mais des prostitutions. L’oratrice est favorable à l’octroi de davan­ tage de droits et de protections pour tous les travailleurs du sexe, sans stigmatisation, fragilisation ou déconsi­ dération. Elle rappelle l’évidence de l’importance d’un accompagnement en matière de droit social et de lutte contre toutes les formes d’exploitation. L’intervenante constate l’importance de préciser la définition de la prostitution décrite comme une activité qui “vise à fournir des services sexuels commerciaux”, afin d’éviter des effets collatéraux non prévus. Mme Hugon demande quelques précisions à Mme Crespo à propos de l’influence sur la notion d’intérêt anormal d’une évaluation de la valeur locative d’un bail dépendant de la valeur du quartier. La membre constate l’absence de précision au sujet du consentement en matière de prostitution dans le second chapitre du projet. Si l’activité consiste en la fourniture de services sexuels commerciaux, englobant automatiquement le consentement, comment percevoir un acte non consenti durant une relation tarifée? Il n’est, selon l’oratrice, pas imaginable que cela soit considéré comme une arnaque et non un viol. Elle suggère d’inté­ grer au texte les quatre libertés des travailleurs du sexe, 265 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E worden gezien. Ze stelt voor de vier vrijheden van de sekswerksters die door de vereniging UTSOPI werden genoemd, in het wetsontwerp op te nemen als noodza­ kelijke uitzonderingen op de ondergeschiktheidsrelatie in een overeenkomst tussen werkgever en werknemer. De spreekster benadrukt dat het mogelijk is het be­ grip kwetsbaarheid in verband met situaties van macht, economische dwang of administratief statuut als regel in te stellen, aangezien het volgens haar van cruciaal belang is dat met de verschillende realiteiten rekening wordt gehouden. Tot slot beklemtoont mevrouw Hugon dat nog heel wat werk moet worden verricht om de sociaaleconomische ongelijkheden weg te werken en administratieve status­ sen toe te kennen, teneinde echt te kunnen spreken van vrije toestemming in het licht van bepaalde aspecten van dwang; de overheden hebben de plicht een en ander uit te klaren. Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) gaat in op de leeftijd vanaf wanneer men geacht wordt uit vrije wil te kunnen toestemmen met seksuele betrekkingen. Ze bedankt de dames Day en De Keyser om erop te hebben gewezen dat de wet in de eerste plaats moet beogen de jongeren in hun seksualiteit te beschermen en er niet toe mag strek­ ken hen te bestraffen. De spreekster vraagt toelichting over het mogelijk optrekken van het leeftijdsverschil, van drie naar vijf jaar, waartoe mevrouw Day oproept. Wil dat zeggen een leeftijdsverschil tussen de drie en de vijf jaar dan wel een leeftijdsverschil van drie jaar in bepaalde gevallen en van vijf jaar in andere? Mevrouw Rohonyi vraagt of een minderjarige bij een leeftijdsverschil van vijf jaar niet sowieso in een kwetsbare toestand verkeert en onder invloed van de oudere partner staat. De spreekster gaat in op de gevolgen van een beleid om prostitutie te reguleren. De vertegenwoordigers van UTSOPI hebben aangegeven dat er in de praktijk grote verschillen bestaan tussen politiezones of gemeentes, bijvoorbeeld tussen Sint-Joost-ten-Node en Schaarbeek. Het lid vraagt of het wenselijk zou zijn wetgevingen plaatselijk op elkaar af te stemmen, daar zulks een open vraag lijkt te blijven. Ze benadrukt dat de ontoereikende omschrijving van “pooierschap” eenparig jammer wordt gevonden. Die definitie moet worden verduidelijkt, met het oog op een beter onderscheid tussen seksuele uitbuiting en vrijwillige prostitutie. Mevrouw Rohonyi benadrukt dat het wetsontwerp beoogt reclame voor prostitutie te verbieden, behoudens een andere wet zulks toestaat, maar ook behoudens dit beperkt blijft tot het maken van reclame voor de eigen diensten van seksuele aard. Die bepaling speelt in op de tendens waarbij reclame almaar meer uitgaat mentionnées par l’association UTSOPI, comme des exceptions nécessaires à la relation de subordination dans un contrat employeur-employé. L’intervenante souligne la possibilité d’instaurer en règle la notion de vulnérabilité en lien avec les situa­ tions d’emprise, de contrainte économique ou de statut administratif car il lui semble essentiel de prendre en compte les différentes réalités. Mme Hugon termine en insistant sur l’important travail à mener afin de travailler sur la réduction des inégalités socio-économiques et l’octroi de statuts administratifs afin de parler de consentement libre en fonction d’élé­ ments de contrainte sur lesquels les pouvoirs publics ont le devoir de travailler. Mme Sophie Rohonyi (DéFI) revient sur la question de l’âge de la capacité de consentement à des rela­ tions sexuelles. Elle remercie Mme Day et Mme De Keyser d’avoir rappelé que la loi est d’abord là pour protéger les jeunes dans leur sexualité plutôt que pour les pénaliser. L’oratrice souhaite obtenir des précisions sur l’éventualité différence d’âge plus importante, de trois à cinq ans, plaidée par Mme Day. Cette formule implique-t-elle une différence entre trois et cinq ans ou plutôt de trois ans dans certains cas et de cinq ans dans d’autres? Mme Rohonyi se demande si, avec cinq ans d’écart, un mineur ne se retrouve pas d’office dans une situation de vulnérabilité et d’influence vis-à-vis de la personne plus âgée. L’intervenante s’intéresse aux conséquences d’une politique de réglementation de la prostitution. Les repré­ sentants d’UTSOPI ont fait remarquer les importantes différences de pratiques entre les zones de police ou d’une commune à une autre, comme entre Saint-Josse et Schaerbeek. La membre se questionne sur l’opportunité d’harmoniser des législations au niveau local alors que la question semble rester ouverte. Elle souligne qu’il existe une unanimité pour regretter l’inadéquation de la définition de proxénétisme qui est encore à préciser, afin de mieux distinguer les cas d’exploitation sexuelle des cas de prostitution volontaire. Mme Rohonyi souligne que le projet de loi interdit la publicité sauf si une autre loi l’autorise mais aussi lorsqu’elle est destinée aux services propres à caractère sexuel. Cette disposition répond à une situation qui voit de plus en plus de travailleurs du sexe se regrouper afin de se retrouver seul face au client. La membre désire 2141/006 DOC 55 266 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van meerdere sekswerkers samen, terwijl uiteindelijk slechts één van hen de klant ontvangt. Het lid vraagt in hoeverre reclame op het internet de sekswerkers helpt om onafhankelijk te blijven van een pooier, alsook in hoeverre die reclame duidelijkheid schept over de al dan niet aangeboden seksuele praktijken. De spreek­ ster vraagt de politie of een onderscheid kan worden gemaakt tussen reclame in opdracht van een zelfstandige prostituee en reclame ten bate van een pooier en diens netwerk. Aan de verenigingen Espace P en UTSOPI vraagt mevrouw Rohonyi of het toestaan van reclame op het internet er (soms kwetsbare) jongeren niet toe zal aanzetten zich te prostitueren om hun studie te betalen. In het verlengde daarvan vraagt ze of reclame om de aandacht te vestigen op de activiteiten van wie zich vrijwillig prostitueert, niet haaks staat op de nodige inspanningen om hulp te bieden aan wie in een netwerk werd gedwongen. De spreekster treedt het standpunt van mevrouw de Keyser bij over de seksuele assistentie en het belang van een verrijkend emotioneel en seksueel leven, ook voor mensen met een handicap. Dat oogpunt ontbreekt echter in het Strafwetboek. Derhalve vraagt het lid of het relevant is dit vraagstuk in het raam van de wijzigingen aan het Strafwetboek te onderzoeken, dan wel of het in het raam van een volwaardige volksgezondheidswet zou moeten worden onderzocht. De spreekster gaat in op het pleidooi van mevrouw De Keyser en zou de vertegenwoordigers van Sensoa willen horen over de mogelijke veralgemening van de verjaringstermijn, waardoor ook de seksuele misdrijven ten aanzien van volwassenen niet meer voor verjaring vatbaar zouden zijn. De vereniging wordt gevraagd in te schatten in hoeverre kan worden beoordeeld of een misdrijf ten aanzien van een meerderjarig slachtoffer vergelijkbare zware gevolgen heeft als dat ten aanzien van een minderjarig slachtoffer. Mevrouw Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) is ver­ wonderd dat het advies van de genodigden niet werd gevraagd bij het opstellen van het wetsontwerp. Er wordt te traag vooruitgang geboekt. Het lid beaamt dat enkel aanpassingen van het Strafwetboek onvoldoende zullen zijn. Er moet aandacht gaan naar preventie en de ongelijkheid in de samenle­ ving. Vrouwen zijn nog te vaak economisch afhankelijk van anderen. De meeste vrouwen die in de prostitutie terechtkomen, doen dat uit economische noodzaak. Zal het wetontwerp de problemen rond pooierschap, mensenhandel en misbruik in de sekswerksector van de baan helpen? connaître le rôle rempli par la publicité sur internet en terme de préservation d’indépendance pour une personne prostituée par rapport à un proxénète ou au niveau d’une clarification des pratiques sexuelles offertes ou pas. L’oratrice interpelle la police au sujet d’une possibilité de distinction entre une publicité publiée pour le compte d’une prostituée indépendante et non au profit d’un proxénète et de son réseau. Mme Rohonyi s’adresse ensuite aux associations Espace P et UTSOPI afin de savoir si l’autorisation de la publicité sur internet ne risque pas d’inciter des jeunes, parfois en situation précaire, à se prostituer pour financer leurs études. Dans un même domaine, elle se demande si la publicité en appui de personnes qui se prostituent volontairement ne risquent pas de réduire à néant les efforts nécessaires mis en place pour aider les personnes forcées au sein d’un réseau. L’intervenante confirme les propos de Mme de Keyser à propos de l’assistance sexuelle et de l’importance d’une vie affective et sexuelle épanouie, y compris pour les personnes handicapées. Cependant, cette notion est absente du code pénal et la membre s’interroge sur la pertinence de traiter cette question dans le cadre de la révision du code pénal ou plutôt dans une loi de santé publique à part entière. L’oratrice relève le plaidoyer de Mme De Keyser et souhaite écouter les représentants de Sensoa sur la question de la généralisation de l’imprescriptibilité des crimes sexuels aux majeurs. L’association est interpellée pour estimer la difficulté à estimer si le niveau de gravité du crime dont un majeur est victime est le même que dans le chef d’une victime mineure. Mme Maria Vindevoghel (PVDA-PTB) s’étonne que les invités n’aient pas été consultés lors de l’élaboration du projet de loi. Les progrès engrangés sont trop lents. La membre convient que de simples modifications du Code pénal ne seront pas suffisantes. Il faut prêter attention à la prévention et aux inégalités dans la société. Les femmes sont encore trop souvent économique­ ment dépendantes des autres. La plupart des femmes qui tombent dans la prostitution le font par nécessité économique. Le projet de loi contribuera-t-il à éliminer les problèmes de proxénétisme, de traite des êtres humains et d’abus dans le secteur du travail du sexe? 267 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw De Keyser legt het accent op een holistische aanpak van bewustmaken en voorkomen. Welke bepa­ lingen wil zij nog laten opnemen in het Strafwetboek? Er wordt steeds minder geïnvesteerd in onderwijs, nochtans een cruciale factor. Het is een prangend probleem dat veel slachtoffers geen klacht indienen. Veel vrouwen zijn bang dat er niets met hun klacht zal gebeuren of dat de politiediensten hen beschuldigend bekijken. Hoe verklaren de verte­ genwoordigers van de politiediensten dit verschijnsel? Er zijn maar drie Zorgcentra na Seksueel Geweld open. Het centrum in Brussel heeft nu al te weinig personeel. Quid met slachtoffers in andere regio’s? De meeste vrouwen moeten nog steeds naar de politie stappen. Zijn er voldoende financiële middelen? Hoe zit het met de opleiding? De vertegenwoordigers van de politie dringen aan op een minimumstraf van een jaar. Quid met daderthera­ pie? Hoe wordt recidive voorkomen? Louter bestraffen volstaat niet. De heer Ben Segers (Vooruit) stipt aan dat Sensoa drie tot vijf jaar leeftijdsverschil een veilige marge acht in het kader van seksuele meerderjarigheid. Professor Catherine Van De Heyning (UAntwerpen) voorspelde dat het verschil in leeftijd in de huidige formulering van het wetsontwerp problematisch zal zijn, bijvoorbeeld bij seksuele betrekkingen tussen iemand van 15 en ie­ mand van 17 plus één dag. Aangezien zulke zaken niet verjaren, kan er altijd klacht worden ingediend, ook vele jaren later door een ouder of een partner en mogelijk uit wraak of andere motieven. Sommigen werpen op dat het parket in zulke gevallen redelijk zal zijn, maar de wet is de wet. Deelt Sensoa de vrees dat rechters de letter van de wet zullen volgen? De spreker verneemt graag hoe het toekomstige artikel 433quater volgens de vertegenwoordigers van UTSOPI zal worden geïnterpreteerd. Het wetsontwerp biedt ruimte voor een strikt kader voor loontrekkenden, menen zij. Bedoelen zij daarbij ook de definitie van het pooierschap, zodat wat niet onder pooierschap valt, het voorwerp kan van een arbeidsovereenkomst kan uitmaken? Wordt het afsluiten van een arbeidsovereenkomst bemoeilijkt door te stellen dat aanzetten tot prostitutie onder pooierschap valt? Pooierschap omvat volgens het wetsontwerp ook het verhinderen dat een sekswerker Mme De Keyser met l’accent sur une approche holis­ tique de la sensibilisation et de la prévention. Quelles autres dispositions souhaite-t-elle voir reprises dans le Code pénal? Les investissements dans l’enseignement diminuent sans cesse, alors qu’il est pourtant un facteur crucial. Le fait que de nombreuses victimes ne portent pas plainte est un problème extrêmement préoccupant. De nombreuses femmes redoutent qu’il ne soit pas donné suite à leur plainte ou que la police les culpabilise. Comment les représentants des services de police expliquent-ils ce phénomène? Seuls trois Centres de prise en charge des victimes de violence sexuelle ont ouvert leurs portes. Celui de Bruxelles est déjà en sous-effectif. Quid des victimes dans d’autres régions? La plupart des femmes doivent encore s’adresser à la police. Les moyens financiers sont-ils suffisants? Qu’en est-il de la formation? Les représentants de la police demandent une peine minimale d’un an. Quid d’un suivi thérapeutique des auteurs? Comment éviter la récidive? La répression seule ne suffit pas. M. Ben Segers (Vooruit) rappelle que Sensoa consi­ dère qu’une différence d’âge de trois à cinq ans est une marge sûre dans le cadre de la majorité sexuelle. Le Pr Catherine Van De Heyning (UAntwerpen) a prédit que la différence d’âge dans la formulation actuelle du projet de loi serait problématique, par exemple dans le cas de relations sexuelles entre une personne de 15 ans et une personne âgée de 17 ans plus un jour. Comme la prescription ne s’applique pas pour ces affaires, une plainte peut toujours être déposée, même de nombreuses années plus tard, par un parent ou un partenaire et éventuellement par vengeance ou pour d’autres motifs. Certains rétorquent que le parquet se montrera raisonnable dans de tels cas, mais la loi reste la loi. Sensoa partage-t-elle la crainte que les juges suivent la lettre de la loi? L’intervenant souhaite avoir l’avis des représentants d’UTSOPI sur l’interprétation du futur article 433quater. Ils estiment que le projet de loi prévoit un encadrement strict des salariés. Entendent-ils également par là la définition du proxénétisme, de sorte que ce qui sort de cette définition puisse faire l’objet d’un contrat de travail? La conclusion d’un contrat de travail est-elle compli­ quée par l’assimilation à du proxénétisme de l’incitation à la prostitution? Selon le projet de loi, le proxénétisme consiste également à empêcher un travailleur du sexe de 2141/006 DOC 55 268 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vertrekt. Heeft dit gevolgen voor de arbeidsovereen­ komst? Quid met de opzegtermijn? Moeten sekswerkers hun opzeg presteren? Artikel 433quater verwijst naar een mogelijk wettelijk kader in de toekomst, maar het voorliggende wetsontwerp bepaalt dat kader nog niet. Wat als het kader nog niet bestaat bij een eventuele inwerkingtreding van het wetsontwerp? Pooierschap wordt momenteel gedefinieerd als het plegen van een aantal handelingen, buiten de gevallen die de wet bepaalt (DOC 55 2141/001, blz. 185-186). Hoe definiëren de genodigden die gevallen die buiten de wet vallen? In verband met mensenhandel en misbruik van pros­ titutie heeft het lid de volgende vragen voor de verte­ genwoordigers van de politie. Het is moeilijk om de toekomstige dynamiek van de gedoogzones te voorspellen. In een antwoord op een vraag van het lid zei minister van Justitie Vincent Van Quickenborne het volgende: “Het doel is om een situ­ atie te creëren waardoor sekswerkers veiliger kunnen werken en niet om red light districts te laten verdwij­ nen. Het is wel de bedoeling om gedoogzones te laten verdwijnen. In red light districts in grote steden worden sekswerkers bestuurlijk gecontroleerd door de politie om een zicht te hebben op wie waar werkt en om te controleren of de politiereglementen worden nageleefd. Hetzelfde geldt voor het controleren van privéplaatsen. Zulke controles brengen evenwel weinig zoden aan de dijk. Bij het decriminaliseren van het sekswerk hoeft de politie dergelijke controles niet meer uit te voeren.” De minister bepleit meer aandacht voor onlinecontroles. Uiteraard is de handhaving van het seksueel strafrecht van cruciaal belang. Delen de genodigde sprekers de inschatting van de minister? Welke dynamiek verwachten zij? Zal het voordeel van de bestuurlijke controles verdwijnen? Zou sekswerk nog meer worden versnipperd? Zal de strijd tegen misbruik nog meer online plaatsvinden als het wetsontwerp wordt goedgekeurd? Welke marge hebben de steden bij de interpretatie van hun bevoegdheden bij toepassing van het prosti­ tutiebeleid in de stedelijke prostitutiezones? Zullen de gedoogzones verdwijnen, of zullen gemeenten ook na de inwerkingtreding van de voorgestelde bepalingen nog marge hebben? Moeten de eerstelijnsdiensten zich in de toekomst rich­ ten op een ruimere groep van slachtoffers en zodoende quitter la profession. Ceci entraîne-t-il des conséquences pour le contrat de travail? Quid du délai de préavis? Les travailleurs du sexe sont-ils tenus de prester leur préavis? L’article 433quater fait référence à un éventuel cadre juridique dans l’avenir, mais le projet de loi à l’examen ne définit pas encore ce cadre. Que se passera-t-il si ce cadre n’existe pas encore lorsque le projet de loi entrera en vigueur? Le proxénétisme est actuellement défini comme la commission d’un ou de plusieurs actes, hors les cas prévus par la loi (DOC 55 2141/001, p. 185-186). Comment les invités définissent-ils les cas qui sortent de ce que la loi prévoit? En ce qui concerne la traite des êtres humains et l’abus de la prostitution, le membre pose les questions suivantes aux représentants de la police. Il est difficile de prévoir la dynamique future des zones de tolérance. En réponse à une question du membre, le ministre de la Justice Vincent Van Quickenborne déclare ce qui suit: “L’objectif est de créer une situation où les travailleurs du sexe peuvent travailler de manière plus sûre, et non de faire disparaître les “quartiers chauds”. Le but est toutefois de faire disparaître les zones de tolé­ rance. Dans les “quartiers chauds” des grandes villes, les travailleurs du sexe font l’objet d’une surveillance admi­ nistrative par la police afin d’avoir une vue d’ensemble de qui travaille où et de vérifier si les règlements de police sont respectés. Il en va de même pour le contrôle des lieux privés. Cependant, ces contrôles ne font guère avancer les choses. Avec la dépénalisation du travail du sexe, la police n’aura plus besoin d’effectuer de tels contrôles.” Le ministre plaide en faveur d’une attention accrue pour les contrôles en ligne. L’application du droit pénal sexuel est cruciale. Les orateurs invités partagent-ils l’évaluation du ministre? Quelle dynamique attendent-ils? L’avantage des contrôles administratifs va-t-il disparaître? Le travail du sexe deviendrait-il encore plus fragmenté? La lutte contre les abus se fera-t-elle encore davantage en ligne si le projet de loi est approuvé? Quelle est la marge de manœuvre des villes dans l’interprétation de leurs compétences pour l’application de la politique en matière de prostitution dans les zones urbaines de prostitution? Les zones de tolérance vont- elles disparaître ou les communes disposeront-elles encore d’une marge après l’entrée en vigueur des dispositions à l’examen? Les services de première ligne devraient-ils à l’avenir se concentrer sur un groupe plus large de victimes et 269 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hun werkingsmethode aanpassen, bijvoorbeeld door contracten te controleren? De vertegenwoordigster van vzw PAGASA verklaarde in een eerdere hoorzitting dat de opvangcentra voor slachtoffers van mensenhandel mogelijk een rol zullen spelen in de strijd tegen misbruik van prostitutie. Vinden de politievertegenwoordigers dat wenselijk? Momenteel focussen de eerstelijnsdiensten op vermoedelijke slachtof­ fers van mensenhandel, niet op slachtoffers van uitbuiting van prostitutie. Ze baseren zich op allerlei indicatoren en contextgegevens. Welke gevolgen zou de beoogde voorgestelde aanpassing hebben? Stel dat het ontwerp wordt aangenomen en in april in werking treedt. Zal het lukken om tegen dan de stan­ daardprocedures aan te passen en alle opleidingen achter de rug te hebben? Zullen alle eerstelijnsdiensten op de hoogte zijn van de nieuwe context? De politie zou zich bij advertenties waarin geen adres vermeld staat, voortaan voordoen als klant. Is het doel van die controles om het verblijf te controleren of om te controleren of de sekswerkers veilig en gezond zijn? Blijft dit soort controles mogelijk in de context van verdere decriminalisering? De vertegenwoordigers van UTSOPI vrezen dat het reclameverbod in zijn huidige formulering de handhaving zou kunnen beknotten. Delen de politievertegenwoor­ digers die vrees? Mevrouw Katleen Bury (VB) benadrukt dat het huidige maximale leeftijdsverschil van twee jaar onder de loep zal worden genomen. De vertegenwoordigster van Espace P gaf aan dat rechters niet de geschikte partij zijn om te bepalen wat een abnormale winst is. Volgens haar moeten externen instaan voor die beoordeling. Om welke externen gaat het? Het lid stelt vast dat er geen representatieve cijfers over prostitutie bestaan. Sommigen beweren dat 80 % gedwongen in de prostitutie zit, anderen spreken dat tegen. Cijfergegevens horen echter het uitgangspunt van elke discussie te vormen. Zijn er representatieve vergelijkende studies uit landen waarin prostitutie gere­ gulariseerd is en in landen waarin dat niet het geval is? Kan mevrouw De Sterck bijkomende uitleg over het gebruik van de leugendetector verschaffen? Er bestaat twijfel over de waarheidsgetrouwheid van het instrument. donc adapter leurs méthodes de travail, par exemple en contrôlant les contrats? La représentante de l’ASBL PAG-ASA a déclaré lors d’une audition précédente que les centres d’accueil pour les victimes de la traite des êtres humains pourraient jouer un rôle dans la lutte contre l’abus de la prostitution. Les représentants de la police l’estiment-ils souhai­ table? Actuellement, les services de première ligne se concentrent sur les victimes présumées de la traite des êtres humains, et non sur les victimes de l’exploitation de la prostitution. Ils s’appuient sur une variété d’indi­ cateurs et de données contextuelles. Quelles seraient les conséquences de l’adaptation proposée? Supposons que le projet soit adopté et entre en vigueur en avril. Sera-t-il possible d’adapter les procédures standard d’ici là et que toutes les formations aient été suivies? Tous les services de première ligne seront-ils informés du nouveau contexte? La police se ferait désormais passer pour des clients en répondant à des annonces qui ne comportent pas d’adresse. Ces contrôles ont-ils pour but de vérifier le séjour ou de vérifier si les travailleurs du sexe sont en sécurité et en bonne santé? Ce type de contrôle restera-t-il possible dans le cadre d’une nouvelle dépénalisation? Les représentants d’UTSOPI craignent que dans sa formulation actuelle, l’interdiction de la publicité ne freine l’application de la loi. Les représentants de la police partagent-ils cette crainte? Mme Katleen Bury (VB) souligne que l’actuelle dif­ férence d’âge maximale de deux ans sera examinée. La représentante d’Espace P a déclaré que les juges ne sont pas la partie appropriée pour déterminer ce qui constitue un bénéfice anormal. Selon elle, cette évalua­ tion devrait être réalisée par des parties externes. De quelles parties externes est-il question? La membre note qu’il n’existe pas de chiffres repré­ sentatifs sur la prostitution. Certains affirment que 80 % des travailleurs du sexe sont contraints de se prostituer, d’autres les contredisent. Des données chiffrées doivent pourtant constituer le point de départ de toute discussion. Existe-t-il des études comparatives représentatives des pays où la prostitution a été régularisée et des pays où elle ne l’a pas été? Mme De Sterck peut-elle fournir des explications supplémentaires sur l’utilisation du détecteur de men­ songes? Des doutes subsistent quant à la fiabilité de 2141/006 DOC 55 270 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Waaruit bestaan de goede praktijken uit Ierland waar de genodigde het over had? Het Vlaams Belang pleit al langer voor de verplichte risicotaxatie en verplichte terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, waarvan ook mevrouw Minnen voorstander is. Er bestaat geen consensus om van het meldingsrecht een meldingsplicht te maken. Voor minderjarigen in een precaire situatie is die meldingsplicht nochtans cruciaal. Hulpverleners verschuilen zich achter het beroepsge­ heim, getuige het verhaal van de “beul van Vilvoorde”, een vader die vreselijke misdaden op zijn kinderen had begaan. CLB’s waren daarvan op de hoogte maar omdat iedereen zweeg, hebben de kinderen jarenlang geleden. Mevrouw Nathalie Gilson (MR) vraagt hoe het zit met de strafbaarstelling van incest bij meerderjarigen en met de mogelijkheid om een bepaling op te nemen die zou voorzien in een vermoeden van misbruik van gezag of invloed door een ouder ten aanzien van een kind, ook indien dat kind meerderjarig is. Het lid vraagt de mening van de deskundigen over de onmogelijkheid om in te stemmen met seksuele betrekking vóór de leeftijd van zestien jaar, tenzij de jongeren tussen veertien en zestien jaar oud zijn en het leeftijdsverschil tussen hen niet hoger is dan twee jaar. De spreekster polst naar de eventuele uitbreiding van dat verschil tot drie of vier jaar en naar de aspecten waarmee rekening moet worden gehouden om die keuze te kunnen maken. Mevrouw Gilson wijst erop dat prostitutie, in tegenstel­ ling tot pooierschap, in België niet strafbaar is en dus ook niet wordt bestraft. Ze benadrukt dat er eensgezindheid is om alle personen die zich in een prostitutiesituatie bevinden een vorm van sociale bescherming te bieden. De spreekster is geraakt door de verklaringen van me­ vrouw Crespo, die de noodzaak onderstreept van een stelselmatige en alomvattende aanpak waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor de betrekkingen tussen mannen en vrouwen. In een ideale wereld zou het een goede zaak zijn, mocht men een einde kun­ nen maken aan prostitutie en aan het feit dat men het vrouwelijk lichaam als koopwaar behandelt, maar de werkelijkheid vraagt nu eenmaal een pragmatische aanpak. Volgens mevrouw Gilson is het noodzakelijk en wenselijk jongens en meisjes al zo jong mogelijk te betrekken bij bewustmakings- en educatieve initiatieven. De spreekster is van oordeel dat de status van werk­ nemer met een arbeidsovereenkomst voordeliger is dan de van zelfstandige om de persoon in een situatie cet instrument. En quoi consistent les bonnes pratiques de l’Irlande mentionnées par l’invitée? Le Vlaams Belang plaide depuis longtemps pour une évaluation obligatoire des risques et d’une mise obligatoire à la disposition du tribunal de l’application des peines, ce que Mme Minnen soutient également. Il n’y a pas de consensus pour que le droit de signaler devienne un devoir de signaler. Or, pour les mineurs en situation précaire, ce devoir de signalement est essentiel. Les services d’aide se retranchent derrière le secret professionnel, comme l’illustre l’histoire du “bourreau de Vilvorde”, un père qui avait commis des crimes atroces sur ses enfants. Les centres d’encadrement des élèves étaient au courant, mais personne n’a soufflé mot, et les enfants ont souffert pendant des années. Mme Nathalie Gilson (MR) pose la question de la criminalisation de l’inceste au niveau des majeurs et de la possibilité d’intégration d’une disposition qui pré­ voirait une présomption d’abus d’autorité ou d’influence de la part d’un parent vis-à-vis de son enfant, même si celui-ci est majeur. La membre demande l’avis des experts au sujet de l’impossibilité de consentement à des relations sexuelles avant 16 ans, sauf pour les jeunes entre 14 et 16 ans, à condition qu’il n’y ait pas plus de deux ans d’écart entre les deux adolescents. L’oratrice questionne à propos d’un élargissement potentiel à trois ou quatre ans et sur les éléments à considérer afin de déterminer ce choix. Mme Gilson rappelle que, contrairement au proxéné­ tisme, la prostitution n’est pas criminalisée et pénalisée dans notre pays. Elle souligne le consensus autour d’une protection sociale à fournir à toutes les personnes en situation de prostitution. L’intervenante est touchée par les propos de Mme Crespo qui insiste sur la nécessité d’une approche systémique et globalisante prenant en compte l’impact sur les relations entre les hommes et les femmes. Si, dans un monde idéal, la disparition de la prostitution et de la marchandisation du corps de la femme est souhaitable, il faut néanmoins agir avec pragmatisme face à la réalité. Pour Mme Gilson, des actions de sensibilisation et d’éducation des garçons, comme des filles, sont nécessaires et souhaitables, ce dès le plus jeune âge. L’oratrice estime qu’un statut de salarié sous contrat est plus avantageux qu’un statut d’indépendant pour assurer une protection sociale à la personne en situation 271 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van prostitutie sociale bescherming te bieden, ook al impliceert een arbeidsovereenkomst een band van on­ dergeschiktheid. Het wetsontwerp wil het in dat domein mogelijk maken dat iemand het statuut van werkgever krijgt, waardoor de activiteit van pooier de facto uit het strafrecht wordt gehaald, tenzij misbruik of abnormaal voordeel wordt vastgesteld. Het lid polst daarom bij de deskundigen of ze voorstellen hebben voor strategieën om een dergelijk abnormaal voordeel voor een pooier, werkgever of verhuurder op te sporen en vast te stellen. Mevrouw Gilson wijst op de vier regels die de vereniging UTSOPI heeft aangehaald en die op de arbeidsover­ eenkomst dienen te worden toegepast om bepaalde partners of seksuele handelingen te kunnen weigeren. De spreekster vraagt zich af of de voorkeur niet moet gaan naar de – sociaal weliswaar minder voordelige – status van zelfstandige door eventueel een status in het leven te roepen die aangepast is aan dat specifieke werk waarbij de werknemer het meest intieme van zichzelf ter beschikking stelt. De heer Christoph D’Haese (N-VA) verneemt graag wat de Ierse goede praktijken inhouden. Het is merkwaardig dat de politie pleit voor een mini­ mumstraf van 1 jaar om voorlopige hechtenis mogelijk te maken. Bovendien biedt die minimumstraf de on­ derzoeksrechter mogelijkheden om voorwaarden op te leggen. Heeft de politie dit doorgesproken met het parket? Er zijn al vergelijkbare debatten gevoerd rond andere strafbaarstellingen, zoals de strafbaarstelling van inklemming in vrachtwagens. Men heeft lange tijd vastgehouden aan 6 maanden om voorlopige hechte­ nis in de praktijk te voorkomen. Vrezen de genodigden geen tegenwerking van het parket? Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) voert het woord in eigen naam. Zijn er betrouwbare gegevens over pros­ titutie beschikbaar? Het is belangrijk om in dit gevoelige onderwerp correcte informatie te verspreiden. Als er geen cijfers zijn, moet dat ook duidelijk worden gezegd. b. Antwoorden van de genodigden en replieken Mevrouw Julia Day zal de commissie een schriftelijke nota met gedetailleerde antwoorden bezorgen. Jongeren kunnen al vanaf jonge leeftijd instemmen met seksuele handelingen die kaderen in hun seksuele ontwikkeling. De helft van de 12- en 13-jarigen heeft al een eerste keer gekust. Hoe vroeger toestemming wordt besproken, hoe beter. De spreekster herhaalt dat het huidige toegelaten leeftijdsverschil van twee jaar te krap is en pleit voor de prostitution, même si un contrat implique un lien de subordination. Le projet vise à autoriser une personne à accéder à un statut d’employeur dans ce domaine et donc, de facto, dépénaliser cette fonction de proxénète, sauf en cas de constatation d’abus ou de profit anormal. La membre questionne dès lors les experts sur des propositions de stratégies permettant de constater et détecter ce profit anormal, dans le chef d’un ou d’une proxénète, employeur ou bailleur. Mme Gilson rappelle les quatre règles, évoquée par l’association UTSOPI, à appliquer au contrat de travail afin de pouvoir refuser certains partenaires ou actes sexuels. L’intervenante se demande si un statut d’indépendant ne devrait pas être favorisé, bien que cette situation soit moins favo­ rable en termes d’avantages sociaux, par l’éventuelle mise en place d’un statut spécifique adapté à ce travail particulier qui implique la mise à disposition de ce que le travailleur a de plus intime. M. Christoph D’Haese (N-VA) souhaite savoir en quoi consistent les bonnes pratiques irlandaises. Il est curieux que la police préconise une peine mini­ male d’un an pour permettre la détention préventive. En outre, cette peine minimale offre la possibilité au juge d’instruction d’imposer des conditions. La police en a-t- elle discuté avec le parquet? Des débats similaires ont déjà eu lieu autour d’autres incriminations, comme celle de l’embarquement sans autorisation dans un camion. La durée de six mois a longtemps été conservée pour éviter la détention préventive dans la pratique. Les invités ne craignent-ils pas une obstruction du parquet? Mme Katja Gabriëls (Open Vld) prend la parole en son nom propre. Des données fiables sur la prostitution sont-elles disponibles? Il est important de diffuser des informations précises dans ce domaine sensible. S’il n’y a pas de chiffres disponibles, cela doit être clairement précisé. b. Réponses des invités et répliques Mme Julia Day fournira à la commission une note écrite reprenant des réponses détaillées. Très tôt, les jeunes peuvent consentir à des actes sexuels qui font partie de leur développement sexuel. La moitié des jeunes de 12 et 13 ans ont déjà connu leur premier baiser. Mieux vaut aborder le plus tôt possible la thématique du consentement. L’oratrice réaffirme que l’actuelle différence d’âge autorisée de deux ans est trop étroite et en appelle à 2141/006 DOC 55 272 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een optrekking naar drie tot vijf jaar. De leeftijdsvork zou ook stapsgewijs groter kunnen worden, zoals in Canada het geval is: twee jaar verschil tussen 12 en 14, drie jaar verschil tussen 13 en 16 enzovoort. De essentie moet blijven dat jongeren toestemming kunnen geven behalve in duidelijk gedefinieerde gevallen. De spreekster kan niet oordelen over de plaats die het concept “macht” moet hebben in de strafwetgeving. Zeker bij volwassenen mag er niet worden gesteld dat er automatisch geen geldige toestemming kan zijn in een machtsverhouding, al moet die altijd in rekening worden genomen. De heer Daan Bauwens antwoordt aan de heer Aouasti dat het oorspronkelijke doel van de wetgeving was om een duidelijk verschil te maken tussen sekswerk en criminele activiteiten en meerderjarige sekswerkers beter tegen misbruik te beschermen in gevallen die niet onder de bepaling rond mensenhandel zouden vallen. Alle vormen van seksuele uitbuiting zouden met andere woorden onder mensenhandel vallen. Enkel abnormaal voordeel, verzwaard abnormaal voordeel en abnormaal voordeel in bende zouden sekswerkers bijkomende bescherming bieden. Het College van procureurs-generaal heeft om de invoering van artikel 433quater/1 gevraagd, waarin aanzetten en dwingen tot prostitutie in de definitie van pooierschap zitten vervat. Die bepaling is problematisch, vinden ook de erkende centra tegen mensenhandel, omdat de bestaande overlap tussen artikel 380 en artikel 433quinquies blijft bestaan. Slachtoffers van mensenhandel vallen dus zowel onder misbruik als on­ der mensenhandel. Vallen ze onder de bepalingen rond misbruik, dan hebben ze geen recht op bescherming die slachtoffers van mensenhandel zouden moeten krijgen. Het feit dat de daders op twee manieren kunnen worden vervolgd, creëert rechtsonzekerheid. Volgens de centra tegen mensenhandel is zijn ook de artikelen 433quater/4, /5 en /6 problematisch, waarin de begrippen dwang en controle voorkomen. Deze begrippen horen thuis in bepalingen over mensenhandel. Voorts benadrukt de spreker dat decriminalisering niet volstaat als enige maatregel. Decriminalisering is een eerste stap die de weg vrijmaakt voor het reguleren van de sector, bijvoorbeeld door arbeidsrechtelijke statuten te hanteren. Er zijn legio redenen om minimale arbeids­ voorwaarden voor de sector te definiëren. Zowel slachtoffers van mensenhandel als vrijwillige sekswerkers verdienen betere bescherming. Een kader ce qu’elle soit portée à trois à cinq ans. La fourchette d’âge pourrait également être élargie progressivement, comme c’est le cas au Canada: deux ans de différence entre 12 et 14 ans, trois ans de différence entre 13 et 16 ans, et ainsi de suite. L’essentiel doit rester que les jeunes peuvent donner leur consentement sauf dans des cas clairement définis. L’oratrice ne peut pas juger de la place que la notion de “pouvoir” doit occuper dans la législation pénale. Pour les adultes, en particulier, il ne peut être automa­ tiquement question de consentement non valable en présence d’une relation de pouvoir, même si celle-ci doit toujours être prise en compte. M. Daan Bauwens répond à M. Aouasti que l’objec­ tif initial de la législation était d’établir une distinction claire entre le travail du sexe et les activités criminelles, et de mieux protéger les travailleurs du sexe majeurs contre les abus dans des cas qui ne relèveraient pas de la disposition relative à la traite des êtres humains. En d’autres termes, toutes les formes d’exploitation sexuelle relèveraient de la traite des êtres humains. Seuls l’avantage anormal, l’avantage anormal aggravé et l’avantage anormal en bande apporteraient une pro­ tection supplémentaire aux travailleurs du sexe. Le Collège des procureurs généraux a demandé l’introduction de l’article 433quater/1, qui inclut l’inci­ tation et la coercition à la prostitution dans la définition du proxénétisme. Cette disposition est problématique, selon les centres agréés de lutte contre la traite des êtres humains, car le chevauchement existant entre l’article 380 et l’article 433quinquies demeure. Les victimes de la traite des êtres humains relèvent donc à la fois de l’abus et de la traite. Si elles relèvent des dispositions relatives à l’abus, elles n’ont pas droit à la protection dont les victimes de la traite des êtres humains devraient bénéficier. Le fait que les auteurs puissent être poursuivis de deux manières crée une insécurité juridique. Selon les centres de lutte contre la traite des êtres humains, les articles 433quater/4, /5 et /6, dans lesquels apparaissent les notions de contrainte et de contrôle, sont également problématiques. Ces notions relèvent des dispositions relatives à la traite des êtres humains. En outre, l’orateur souligne que la dépénalisation seule n’est pas une mesure suffisante. La dépénalisation est une première étape qui ouvre la voie à une réglemen­ tation du secteur, par exemple en adoptant des statuts de droit du travail. Il existe une multitude de raisons de définir des conditions de travail minimales pour le secteur. Tant les victimes de la traite des êtres humains que les travailleurs du sexe volontaires méritent une meilleure 273 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E met minimale eisen zal duidelijkheid scheppen over wat al dan niet kan. Alles wat buiten het kader valt, is uitbuiting. Mevrouw Laïs Djone is van mening dat de vier vrij­ heden van de sekswerker die door UTSOPI naar voren werden geschoven, niet in het Strafwetboek zouden moeten worden opgenomen. Veeleer zouden ze deel moeten uitmaken van de werkzaamheden van een spe­ cifiek paritair comité met het oog op de totstandkoming van een specifiek arbeidsreglement dat de mogelijkheid moet bieden beter vat te krijgen op onregelmatigheden en situaties waarbij de arbeidsvoorwaarden niet worden nageleefd of waarbij er sprake is van mensenhandel en uitbuiting. De heer Daan Bauwens antwoordt aan mevrouw Rohonyi dat de verschillen tussen de reglementen van Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node zeer problematisch zijn. De voorstellen van UTSOPI zouden tot harmonisering leiden. Arbeidsrechtelijke kaders worden op federaal niveau besloten. Momenteel leggen gemeenten bij gebrek aan beter regels vast. Mevrouw Laïs Djone merkt op dat online-advertenties de sekswerker al de mogelijkheid bieden een eerste schifting van de potentiële klanten door te voeren, door de tarieven en uren aan te geven en te preciseren welke handelingen toegestaan zijn en welke niet. Volgens de deskundige beheren de meeste personen zelf hun ad­ vertenties, maar anderen laten dit liever tegen betaling aan iemand anders over. Een mogelijkheid bestaat erin minimumvoorwaarden op te leggen om de advertenties op gespecialiseerde websites voor volwassenen te kunnen controleren. Veel mensen zijn zich er immers niet altijd van bewust dat het inschakelen van een derde aanlei­ ding kan geven tot een abnormaal voordeel. Mevrouw Djone wijst erop dat het moeilijk is een onderscheid te maken tussen de advertenties die door de sekswerker zelf worden beheerd en die welke door een pooier of een netwerk van mensenhandel worden beheerd. Tot slot benadrukt de spreekster het nut van de ge­ specialiseerde platforms en websites waartoe de politie toegang heeft. Volgens haar bestaat het risico dat de sluiting van die gekende digitale tools zou leiden tot de oncontroleerbare situatie die men in de VS meemaakt en waarbij clandestiene netwerken en pooiers de zaken overnemen. De heer Daan Bauwens antwoordt aan de heer Segers dat de formulering “buiten de gevallen die de wet bepaalt” (art. 433quater/1) ruimte laat voor het uitwerken van een strikt kader. Alles wat in het kader valt, zou worden protection. Un cadre d’exigences minimales permettra de clarifier ce qui est possible et ce qui ne l’est pas. Tout ce qui sort de ce cadre sera de l’exploitation. Mme Laïs Djone est d’avis que les quatre libertés du travailleur du sexe relevées par UTSOPI ne devraient pas figurer dans le code pénal mais plutôt être intégrées aux travaux de mise en place d’une réglementation du travail spécifique par une commission paritaire particulière, dans le but de cerner les irrégularités et le non-respect des conditions de travail ou les situations de traite et d’exploitation. M. Daan Bauwens répond à Mme Rohonyi que les différences entre les règlements de Schaerbeek et de Saint-Josse-ten-Noode sont très problématiques. Les propositions d’UTSOPI conduiraient à une harmonisation. Les cadres du droit du travail sont décidés au niveau fédéral, or à l’heure actuelle, ce sont les communes qui tranchent faute de mieux. Mme Laïs Djone fait remarquer que les annonces en lignes constituent déjà une possibilité pour la per­ sonne prostituée de filtrer le futur client, en précisant les pratiques admises ou pas, les prix ou les horaires. Selon l’experte, de nombreuses personnes gèrent leurs annonces de manière autonome mais d’autres préfèrent payer quelqu’un pour le faire. La mise en place de condi­ tions minimales, dans le but de contrôler les annonces publiées sur les sites spécialisés pour adultes, constitue une piste car de nombreuses personnes ne se rendent pas toujours compte que l’aide demandée à un tiers peut relever d’un profil anormal. Mme Djone fait part de la difficulté de distinguer la proportion d’annonces gérées individuellement de celles qui sont gérées par un proxénète ou un réseau de traite des êtres humains. L’intervenante termine en soulignant l’utilité des pla­ teformes et sites spécialisés auxquels la police a accès. Pour elle, fermer ces outils numériques connus risque d’entraîner une situation non contrôlable, vécue aux USA, et la récupération par des réseaux et proxénètes clandestins. M. Daan Bauwens répond à M. Segers que la formu­ lation “hors les cas prévus par la loi” (art. 433quater/1) permet l’élaboration d’un cadre strict. Tout ce qui entre dans ce cadre serait autorisé; tout ce qui en sort serait 2141/006 DOC 55 274 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toegelaten; alles wat erbuiten valt, is als pooierschap te kwalificeren. Het overleg over de definitie van die “bepaalde gevallen” loopt. Er moeten verschillende hordes worden genomen om een paritair comité te installeren. Er zijn al wetsvoor­ stellen in de maak die een arbeidsrechtelijk kader voor sekswerk definiëren. Professor Gert Vermeulen heeft in 2018 in het vakblad Panopticon een zeer gedetailleerd raamwerk van arbeidstechnische bepalingen uitgewerkt. De logica bestaat uit het bereiken van een zo groot mo­ gelijke flexibilisering van het socialezekerheidsrecht om zodoende zoveel mogelijk factoren die clandestiniteit in de hand werken, uit de weg te ruimen. De verschillende cijfergegevens die de ronde doen, spreken elkaar tegen. Het komt erop aan om de bronnen te controleren. In 85 % van de gevallen zou prostitutie gedwongen zijn of zou er mensenhandel bij aan te pas komen, zo luidt het vaak. De Brusselse politie stelde daarentegen enkel dat 85 % van de pas aangekomen sekswerkers in de raambuurten van Brussel mogelijk slachtoffer is van mensenhandel. In die gevallen voert de politie controles uit. Veel impactstudies zijn door de academische wereld volledig onderuitgehaald. In 2018 heeft Lucy Platt in het vakblad PLOS Medicine een meta-analyse van 40 kwantitatieve en 94 kwalitatieve studies gepubliceerd. Uit haar analyse bleek dat een criminaliserend beleid leidt tot de verscherping van bestaande marginalisering. In gedecriminaliseerde contexten gingen de relaties met de politie, de toegang tot justitie en de onderhan­ delingspositie van sekswerkers ten opzichte van klanten erop vooruit. Deze vaststellingen komen overeen met de praktijkervaring van UTSOPI. In 2017 heeft Noord-Ierland in navolging van het Zweedse model sekswerk gecriminaliseerd. Het Noord- Ierse ministerie van Justitie heeft de situatie van 2014 vergeleken met die van 2018, waaruit blijkt dat er geen bewijs is dat de strafbaarstelling een neerwaartse druk op vraag of aanbod heeft gegenereerd. Sinds 2016 is daarentegen een stijging in antisociaal en gewelddadig gedrag vastgesteld. De hervorming heeft geleid tot toe­ genomen angst voor misdaad en er is geen bewijs dat de wetgeving een impact had op mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting. De nieuwe wetgeving heeft daarentegen bijgedragen tot een klimaat waarin sekswerkers zich gestigmatiseerd en gemarginaliseerd voelen. Mevrouw Mireia Crespo preciseert dat het cijfer van 85 % van de sekswerkers die zich in een situatie van sek­ suele uitbuiting bevinden, afkomstig is uit een verslag van de federale politie dat mevrouw Joëlle Milquet, toenmalig qualifié de proxénétisme. Les discussions sur la définition de ces “hors les cas prévus par la loi” sont en cours. Plusieurs écueils doivent être surmontés pour mettre en place une commission paritaire. Il existe déjà des projets de loi en préparation qui définissent un cadre de droit du travail pour le travail du sexe. Le Pr Gert Vermeulen a élaboré en 2018 un cadre très détaillé des dispositions relatives au travail dans la revue Panopticon. La logique consiste à atteindre la plus grande flexibilité possible dans le droit de la sécurité sociale afin d’élimi­ ner le maximum de facteurs favorisant la clandestinité. Les différentes données chiffrées qui circulent se contredisent. Il convient donc de vérifier les sources. Dans 85 % des cas, la prostitution serait forcée ou impli­ querait la traite des êtres humains, affirme-t-on souvent. La police bruxelloise, quant à elle, a seulement déclaré que 85 % des travailleurs du sexe nouvellement arrivés dans les quartiers à vitrines à Bruxelles pourraient être victimes de la traite des êtres humains. Dans ce cas, la police effectue des contrôles. De nombreuses études d’impact ont été complètement décrédibilisées par le monde universitaire. En 2018, Lucy Platt a publié une méta-analyse de 40 études quantitatives et 94 études qualitatives dans la revue PLOS Medicine. Son analyse a montré qu’une politique de criminalisation conduit à l’exacerbation de la marginalisation existante. Dans les contextes de dépénalisation, les relations avec la police, l’accès à la justice et le pouvoir de négociation des travailleurs du sexe vis-à-vis des clients se sont améliorés. Ces constats correspondent à l’expérience pratique d’UTSOPI. En 2017, l’Irlande du Nord a criminalisé le travail du sexe en suivant le modèle suédois. Le ministère de la Justice d’Irlande du Nord a comparé la situation de 2014 à celle de 2018, et cette comparaison n’a révélé aucune indication que la pénalisation ait généré une quelconque pression à la baisse sur la demande ou l’offre. En revanche, depuis 2016, une augmentation des comportements antisociaux et violents a été observée. La réforme a entraîné une augmentation de la peur de la criminalité, et rien ne prouve que la législation ait eu un impact sur le trafic à des fins d’exploitation sexuelle. Au contraire, la nouvelle législation a contribué à créer un climat dans lequel les travailleurs du sexe se sentent stigmatisés et marginalisés. Mme Mireia Crespo précise que le chiffre de 85 % de personnes prostituées en situation d’exploitation sexuelle émane d’un rapport de la police fédérale, mentionné par Mme Joëlle Milquet, alors Vice-Première 275 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen, heeft vermeld tijdens een conferentie in het Europees Parlement in december 2012. De des­ kundige beklemtoont dat het noodzakelijk is te beschik­ ken over een systeemonderzoek en een vergelijkende analyse met andere situaties en landen die eveneens voor reguleringswetten hebben gekozen. Zij beveelt aan om die officiële politie- of regeringsrapporten in te kijken; ze zijn voor iedereen toegankelijk. In Nederland bijvoorbeeld onthult de politie dat tussen 50 en 90 % van wie in de legale sekshandelsactiviteit werkzaam is, in werkelijkheid tot prostitutie wordt gedwongen. De spreekster concludeert daaruit dan ook dat de georga­ niseerde misdaad de controle over de gelegaliseerde seksindustriesector heeft behouden. Mevrouw Crespo verwerpt dit wetsontwerp en de daarin gehuldigde liberale benadering van de prostitu­ tie, die in dezen wordt omschreven als het aanbieden van seksuele diensten. De spreekster suggereert een meer systemische aanpak van het fenomeen en van de structuur die erachter schuilgaat en die uit vele actoren bestaat: de sekswerkers, profiteurs en uitbuiters, de pooiers en hun handlangers evenals de klanten (meestal mannen), die het systeem voeden. De spreekster komt terug op de beeldrijke en veel­ zeggende formulering van de definitie van het begrip prostitutie: “teneinde eens anders driften te voldoen”. Deze heeft op zijn minst de verdienste dat zij de bijzon­ dere aard weerspiegelt van de vraag die aan de basis ligt van de prostitutiemarkt en de mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting. Mevrouw Crespo betreurt dat het begrip “kwetsbaar­ heid” alleen als een verzwarende factor wordt beschouwd, terwijl de meeste betrokkenen wegens een kwetsbare of precaire situatie in de prostitutie zijn gestapt. Volgens de deskundige leert de ervaring dat in de VS, Canada, Australië of Nieuw-Zeeland de allochtone vrouwen en kinderen de eerste slachtoffers zijn van een fundamen­ teel patriarchaal, racistisch en kolonialistisch systeem. Volgens de spreekster vormt België geen uitzondering op die vaststellingen en houdt het recht op sociale ze­ kerheid daarom nog geen waarborg in voor een waardig en respectabel leven. De spreekster laat weten dat haar vereniging het ka­ binet van de minister van Justitie heeft geïnterpelleerd over het begrip “abnormaal voordeel”, dat volgens haar niet nauwkeurig genoeg en juridisch gezien te vaag lijkt. Luidens het antwoord kan van een abnormaal voordeel alleen sprake zijn indien een sekswerker die vrijwillig handelt, 60 % van de verkregen inkomsten aan een derde verschaft. Mevrouw Crespo verwijst naar het begrip “ab­ normaal voordeel” dat theoretisch in het vastgoedrecht ministre, ministre de l’Intérieur et de l’Égalité des chances, lors d’une conférence au Parlement européen en décembre 2012. L’expert insiste sur la nécessité de disposer d’une analyse systémique et comparative avec d’autres situations et pays qui ont également choisi des lois réglementaristes. Elle invite à découvrir ces rapports officiels de la police ou des gouvernements qui sont accessibles à toutes et tous. Aux Pays-Bas, par exemple, la police révèle qu’entre 50 et 90 % des personnes tra­ vaillant dans l’activité légale du commerce du sexe sont en réalité forcées de se prostituer. L’oratrice en conclut donc que le crime organisé a gardé le contrôle sur le secteur légalisé de l’industrie du sexe. Mme Crespo exprime son refus d’adhésion à ce projet de loi et à son approche libérale de la prostitution, ici défi­ nie comme une offre de services sexuels. L’intervenante suggère une approche davantage systémique de la question et d’une structure qui comprend des acteurs, les personnes prostituées, des profiteurs et exploiteurs, les proxénètes et leurs complices, et des clients, pour la plupart des hommes, qui alimentent le système. L’oratrice revient sur la formulation imagée et révéla­ trice de la définition de prostitution “pour satisfaire les passions d’autrui” qui a au moins le mérite de refléter le caractère particulier de la demande qui alimente le marché de la prostitution et la traite des êtres humains à des fins d’exploitation sexuelle. Mme Crespo regrette que la notion de vulnérabilité soit uniquement considérée comme un facteur aggravant alors que la majorité des personnes concernées sont entrées dans la prostitution en raison d’une situation de vulnérabilité ou de précarité. Selon l’expert, l’expérience montre qu’aux USA, au Canada, en Australie ou en Nouvelle-Zélande, ce sont des femmes et des enfants allochtones qui sont les premières victimes d’un système fondamentalement patriarcal, raciste et colonialiste. L’oratrice estime que la Belgique ne déroge pas à ces constatations et que le droit à la sécurité sociale ne garantit pas pour autant une vie digne et respectable. L’intervenante fait part d’une interpellation de son association auprès du cabinet du ministre de la Justice à propos de la notion d’avantage anormal qui lui semble manquer de précision et de rigueur juridique. Selon la réponse, il ne peut être question d’avantage anormal que si un travailleur du sexe, qui agit volontairement, fournit 60 % de ses revenus à une tierce personne. Mme Crespo fait référence à la notion d’avantage anormal théoriquement en vigueur en droit immobilier. En effet, 2141/006 DOC 55 276 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geldt. In geval van onenigheid tussen een eigenaar van een pand en diens huurder stelt de vrederechter immers vast wat de normale huurwaarde van het pand is. Die waarde berust op drie criteria: de ligging, de algemene staat van het gebouw en een vergelijking van de des­ betreffende huurprijs met de huurprijzen van de andere gebouwen met een gelijkwaardige bestemming. In geen enkel geval wordt dus verwezen naar het potentiële voordeel van de huurder op basis van het commerciële rendement van het goed. De spreekster beklemtoont dat, ofschoon alle huurprijzen in de Aarschotstraat buitensporig zijn, er geen abnormaal voordeel in overweging wordt genomen zolang de huurprijzen gelijkwaardig zijn. Dat begrip valt trouwens moeilijk te bewijzen, temeer daar de pooiers en mensenhandelaars een beroep doen op de beste juristen die ervoor ijveren om binnen het wetskader een maximaal voordeel mogelijk te maken. Mevrouw Crespo meent dat alle sekswerkers een zware tol zouden betalen, mocht dit wetsontwerp in zijn huidige redactie worden aangenomen. Voor elke wet of elk debat over de toekenning van rechten is volgens de spreekster een belangenevenwicht vereist dat zorgvuldig dient te worden afgewogen. De Nieuw-Zeelandse wetgeving, die voor het ter bespreking voorliggende wetsontwerp enigszins als voorbeeld dient, heeft bijgedragen bij tot de benadeling en discriminatie van wie op die statuten geen aanspraak kon of wou maken, en heeft tegelijkertijd de uitzetting van migranten in de hand gewerkt. In het licht van de Duitse wetgeving acht de deskundige het wenselijk zorgvuldig te bestuderen en in aanmerking te nemen welke soms vernederende situaties van onder­ geschiktheid kunnen worden veroorzaakt doordat een arbeidsovereenkomst wordt opgemaakt. Volgens de spreekster is het van essentieel belang de getuigenis­ sen van mensen die de prostitutie hebben verlaten in overweging te nemen, evenals de meningen van politieke gezagsdragers of van de verenigingen in het veld. Mevrouw Isabelle Jaramillo wil het debat over de verbetering van de situatie van de sekswerkers via een wijziging van het Strafwetboek tot zijn essentie terugbrengen. Ze herinnert eraan dat mensen niet al­ leen in de prostitutie het slachtoffer van uitbuiting en mensenhandel worden. Volgens de spreekster mag dit betreurenswaardige feit geenszins verhinderen dat men de maatschappelijke situatie verbetert van mensen die in de prostitutie werken zonder het slachtoffer van uitbuiting te zijn. Mevrouw Jaramillo meent dat men hier werk van moet blijven maken en tegelijkertijd meer middelen moet inzetten in de strijd tegen uitbuiting en mensenhandel. Hoewel er met betrekking tot die strijd een algemene consensus bestaat, moet men pragma­ tisch blijven en toestaan dat de sekswerkers voor hun activiteiten reclame maken zonder het risico te lopen en cas de désaccord entre un propriétaire d’immeuble et son locataire, le juge de paix établit la normalité de la valeur locative de l’immeuble. On se base alors sur trois critères: la localisation, l’état général du bâtiment ainsi qu’une comparaison du loyer en question avec les loyers des autres bâtiments à destination équivalente. En aucun cas il n’est donc fait référence au profit poten­ tiellement réalisé par le locataire sur base du rendement commercial du bien. L’oratrice souligne que si tous les loyers de la rue d’Aerschot sont démesurés, il n’y aura pas de prise en considération d’un avantage anormal à partir du moment où les loyers sont équivalents. Cette notion est d’ailleurs d’autant plus compliquée à prouver que les proxénètes et trafiquants font appel aux meilleurs juristes qui œuvrent à permettre un profit maximum dans le cadre de la loi. Mme Crespo est d’avis qu’un vote de ce projet de loi, tel qu’il est rédigé à ce jour, signifierait le support d’un lourd tribu pour l’ensemble des travailleurs du sexe. L’oratrice estime que pour chaque loi ou débat sur l’octroi de droits, il existe une balance d’intérêt qui nécessite une étude approfondie. La loi néo-zélandaise, qui sert un peu d’exemple au projet discuté, a contribué à pénaliser et discriminer les personnes ne pouvant ou ne souhaitant pas accéder à ces statuts tout en contribuant à favo­ riser l’expulsion de personnes migrantes. A la lumière de la loi allemande, l’expert estime qu’il convient de bien étudier et de prendre en compte la possibilité de conséquences de situations de subordination, parfois avilissantes, causées par l’établissement d’un contrat de travail. Pour l’intervenante, il est essentiel de prendre en considération les témoignages de personnes sorties de la prostitution, les avis de responsables politiques ou des associations de terrain. Mme Isabelle Jaramillo souhaite recentrer le débat sur l’amélioration de la situation des travailleurs du sexe à travers un nouveau texte du code pénal. Elle rappelle qu’il n’existe pas de personnes victimes d’exploitation et de traite des êtres humains uniquement dans le domaine de la prostitution. Selon l’oratrice, ce regrettable état de fait ne justifie en rien que l’on ne veille pas à amé­ liorer la situation sociale de personnes qui travaillent sans être victime d’exploitation. Mme Jaramillo estime qu’il convient d’avancer dans ce sens tout en donnant parallèlement davantage de moyens à la lutte contre l’exploitation et la traite. Si ce combat fait l’objet d’un consensus général, il faut rester pragmatique et autori­ ser les personnes prostituées à faire leur publicité sans être accusée de proxénétisme. L’intervenante termine par l’utilité d’une réflexion à mener également dans le 277 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van pooierschap te worden beschuldigd. De spreekster besluit haar betoog door te stellen dat het ook nuttig is over het technologische aspect van het thema na te denken, teneinde greep te krijgen op de misbruiken op de sociale netwerken. Mevrouw Maria De Sterck verduidelijkt dat er tijdens de audiovisuele TAM-verhoren geen verslag wordt uitgetypt. Doel is om de minderjarigen, die een lager cognitief vermogen bezitten en een beperkte woorden­ schat hebben, niet te beïnvloeden en suggestibiliteit uit te sluiten. Voorts lopen minderjarigen een verhoogd risico op contaminatie van verhalen. De voordelen van een TAM-verhoor doen zich ook voor bij de gefilmde verhoren van meerderjarigen die zedeninspecteurs uitvoeren met alle acute slachtoffers van seksueel geweld. Tijdens deze verhoren wordt non-verbaal gedrag wordt opgenomen, samen met het volledige verhaal zodat het slachtoffer dat maar één keer hoeft te doen. Het is onhaalbaar voor de politie om het audiovisueel verhoor over de hele lijn uit te voeren, maar het zal wel lukken om minderjarigen en kwetsbare personen op deze manier te verhoren. Een minderjarigenverhoor duurt gemiddeld één uur omdat langere verhoren te belastend zijn. Een verhoor van een uur uittypen neemt acht uur in beslag. Een ge­ filmd verhoor daarentegen biedt het voordeel van een opname en biedt het slachtoffer dezelfde veiligheid als audiovisuele verhoren. Gefilmde verhoren uitvoeren is haalbaar. Momenteel zijn de Zorgcentra na Seksueel Geweld van Luik, Brussel-Hoofdstad-Elsene en Oost-Vlaanderen operationeel. Antwerpen gaat in november van start, Charleroi eind november, West-Vlaanderen in maart 2022 en Vlaams-Brabant in juni 2022. Begin 2023 volgen Limburg, Luxemburg en Namen. De zorgcentra vergen veel middelen en capaciteit. Toch is de politie ervan overtuigd dat ze de enige manier zijn om het probleem aan te pakken en meer slachtoffers klacht te doen indienen. Tot nu toe is het vertrouwen in de politie immers een probleem. Het is aan het parket om te beslissen of een feit al dan niet verjaard is, maar zelfs als de feiten verjaard zijn, vraagt de politie aan de slachtoffers om toch klacht neer te leggen. Daders van seksuele misdrijven beperken zich immers vaak niet tot één slachtoffer. Het kan dat feiten gepleegd tegen een ander slachtoffer niet verjaard zijn. De geloofwaardigheid van slachtoffers gaat erop vooruit als de dader ook elders in het vizier komt. domaine technologique afin de contrôler les abus sur les réseaux sociaux. Mme Maria De Sterck précise que lors des auditions audiovisuelles TAM, aucun rapport n’est dactylographié. L’objectif est d’éviter d’influencer les mineurs, dont la capacité cognitive est moindre et le vocabulaire limité, et d’exclure toute suggestibilité. En outre, les mineurs courent un risque accru de contamination des récits. Les avantages d’une audition TAM sont également évidents dans les auditions filmées d’adultes que les inspecteurs de la police des mœurs mènent pour tous les cas urgents de violence sexuelle. Au cours de ces auditions, le comportement non verbal est enregistré ainsi que le récit complet, pour que la victime n’ait à le faire qu’une seule fois. Il est impossible à la police de généraliser totalement l’audition audiovisuelle, mais elle peut parvenir à auditionner les mineurs et les personnes vulnérables de cette manière. La durée moyenne d’une audition avec un mineur est d’une heure, les auditions plus longues étant trop pénibles. Huit heures sont nécessaires pour dactylo­ graphier une audition d’une heure. Une audition filmée, en revanche, présente l’avantage d’un enregistrement et offre à la victime la même sécurité que les auditions audiovisuelles. Ces auditions filmées sont réalisables. À l’heure actuelle, les Centres de prise en charge des victimes de violence sexuelle de Liège, Bruxelles- Ixelles et de Flandre orientale sont opérationnels. Celui d’Anvers ouvrira en novembre, celui de Charleroi fin novembre, celui de Flandre occidentale en mars 2022 et celui du Brabant flamand en juin 2022. Le Limbourg, le Luxembourg et Namur suivront début 2023. Les centres de prise en charge requièrent beaucoup de ressources et de capacité. La police est toutefois convaincue qu’ils sont le seul moyen de s’attaquer au problème et d’inciter davantage de victimes à porter plainte. Jusqu’à présent, la confiance en la police a en effet posé problème. C’est au parquet de décider si des faits sont ou non prescrits, mais même s’ils le sont, la police invite les victimes à déposer plainte. Souvent, les auteurs d’infrac­ tions sexuelles ne s’arrêtent en effet pas à une seule victime. Il est possible que des faits commis à l’encontre d’une autre victime ne soient pas prescrits. Si l’auteur des faits est également visé dans d’autres affaires, la crédibilité des victimes est renforcée. 2141/006 DOC 55 278 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De zedeninspecteurs moeten een doorgedreven opleiding volgen en politieambtenaren mogen minder­ jarige slachtoffers van zedenfeiten pas verhoren na een opleiding van een maand te hebben afgerond. Binnen de geïntegreerde politie is nog niet iedereen overtuigd van de noodzaak om respectvol met zedenslachtoffers om te gaan, terwijl omzendbrief GPI 58 de respectvolle behandeling van elk slachtoffer als een van de basis­ functionaliteiten van de politie omschrijft. De politie is voorstander van een risicomanagement­ systeem om recidive te voorkomen en dadertherapie mogelijk te maken. Helaas kunnen de hulpverleners die zich met dadertherapie bezighouden, de hoeveelheid werk niet aan. Ierse veroordeelden voor zedenfeiten worden re­ gelmatig opgevolgd. Als ze op reis gaan, moeten ze aangeven wanneer en waarheen. De overheden van het land van bestemming worden ingelicht over het verblijf op hun grondgebied van de veroordeelde in kwestie. Een dergelijke regeling kan in het raamwerk van de Algemene Verordening Gegevensbescherming passen mits er voldoende garanties worden ingebouwd voor de privacy van de verdachte. Canadees onderzoek schat de waarheidsgetrouwheid van de leugendetectortesten op 92 tot 96 %. In België mogen verdachten leugendetectortesten weigeren. De rechter mag die weigering niet in rekening brengen. Polygrafie mag niet het enige element à charge zijn en kan bovendien ook à décharge worden gebruikt. Er zijn dus voldoende garanties ingebouwd om polygrafie een plaats te bieden in het onderzoeksproces. Mevrouw Karine Minnen beklemtoont dat sekswer­ kers eveneens het slachtoffer van verkrachting en van seksuele agressie kunnen worden en dat de vrijheid om al dan niet met een seksuele handeling in te stemmen, ook hen aangaat. In een situatie waarin de sekswerker aanvankelijk heeft ingestemd met een bepaalde seksuele handeling maar niet met een andere, kan zeker van het misdrijf “verkrachting” – gekwalificeerd als misdaad – worden gesproken. De spreekster vindt het zeer belangrijk dat men een duidelijk onderscheid maakt tussen het feit dat men met de prostitutie-activiteit instemt, en het feit dat men wordt uitgebuit of het slachtoffer van mensenhandel is. Volgens haar zijn veel prostituees zich er niet van bewust dat ze het slachtoffer zijn van een vorm van uitbuiting, aangezien hun prostitutieactiviteit niet binnen een arbeidsrechtelijk kader en al evenmin binnen een andere rechtsvorm is georganiseerd. De spreekster spreekt zich niet uit over Les inspecteurs de la police des mœurs doivent suivre une formation approfondie et les fonctionnaires de police ne peuvent auditionner les victimes mineures de faits de mœurs qu’après avoir suivi une formation d’un mois. Au sein de la police intégrée, tout le monde n’est pas encore convaincu de la nécessité de traiter avec respect les victimes de faits de mœurs, alors que la circulaire GPI 58 décrit le traitement respectueux de chaque victime comme l’une des fonctions fondamen­ tales de la police. La police est favorable à un système de gestion des risques pour prévenir la récidive et permettre le suivi thérapeutique des auteurs. Malheureusement, les ser­ vices d’aide impliqués dans ce suivi thérapeutique sont dans l’incapacité de faire face à la quantité de travail. En Irlande, les condamnés pour des faits de mœurs font l’objet d’un suivi régulier. S’ils partent en voyage, ils doivent en signaler les dates et les lieux. Les autorités du pays de destination sont informées du séjour sur leur territoire de cette personne. Un tel arrangement peut s’inscrire dans le cadre du Règlement général sur la protection des données, à condition que des garanties suffisantes soient prévues pour le respect de la vie privée du suspect. Des études canadiennes ont évalué à à 92 à 96 % la fiabilité des tests au détecteur de mensonges. En Belgique, les suspects sont autorisés à refuser ce type de tests, mais le juge peut ne pas tenir compte de ce refus. Le polygraphe ne peut pas être le seul élément à charge et peut également être utilisé à décharge. Il existe donc des garanties suffisantes pour permettre au polygraphe d’avoir une place dans le processus d’enquête. Mme Karine Minnen souligne qu’un travailleur du sexe peut également être victime de viol et d’agression sexuelle et que la question de la liberté de consentement face à l’acte sexuel le concerne aussi. Une situation où un accord de départ portant sur un type de prestation sexuelle n’a pas été respecté peut certainement recou­ vrir une infraction de viol, considérée comme un crime. L’intervenante insiste sur l’importance de ne pas confondre le fait de consentir à l’activité de prostitution et le fait d’être exploité ou d’être victime de traite des êtres humains. Selon elle, on rencontre de nombreuses prostituées qui ne sont pas conscientes d’être victime d’une forme d’exploitation car celle-ci n’est pas réglée, ni dans un cadre de travail ni sous une autre forme. L’oratrice ne se prononce pas quant à la nécessité de fusionner l’infraction de traite avec celle de proxénétisme. 279 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de noodzaak om het misdrijf mensenhandel met het misdrijf pooierschap samen te voegen. Mevrouw Minnen acht het niettemin nodig dat men op de een of andere manier de vormen van ondersteuning aan prostitutie- activiteiten definieert teneinde te kunnen bepalen of er sprake is van het “misbruik van prostitutie” of “uitbuiting”. De deskundige deelt mee dat er in de politiesector veel vragen leven met betrekking tot de wettelijke grond­ slagen op basis waarvan de prostitutieactiviteit met de thans beschikbare politiesterkte nog kan worden gecon­ troleerd. De spreekster noemt een cijfer dat boekdelen spreekt over de omvang van het prostitutieverschijnsel in de zone Brussel-Elsene. Op basis van een scan van online-advertentiesites, die met behulp van artificiële intelligentie werd gerealiseerd, komt men aan niet minder dan duizend advertentiepublicaties per dag; voor één sekswerker kunnen evenwel verscheidene advertenties worden geplaatst. Mevrouw Minnen komt terug op de bijdrage van me­ vrouw Jaramillo en merkt op dat gespecialiseerde sites dan wel makkelijk te controleren zijn, maar dat dit niet geldt voor sociale netwerken zoals Snapchat, Telegram of Instagram. Die bieden zichtbaarheid en een platform aan clandestienere vormen van prostitutie, inzonderheid aan de prostitutie van kwetsbaardere sekswerkers, die daardoor veelal onder de radar blijven. Mme Minnen estime néanmoins qu’il faudra définir, d’une manière ou d’une autre, les notions de soutien qui peuvent être apportées à l’activité de prostitution, ce qui permettra de définir l’abus de prostitution ou l’exploitation. L’expert fait part d’un gros questionnement du secteur de la police par rapport aux bases légales qui permettront d’encore contrôler l’activité de prostitution en fonction de la capacité policière affectée. L’oratrice avance un chiffre révélateur de l’ampleur du phénomène de la prostitution dans la zone de Bruxelles/Ixelles. Sur base d’un scan de sites d’annonces en ligne, réalisé avec l’appui technologique de l’intelligence artificielle, on ne relève pas moins de mille publications d’annonces par jour, même si plusieurs annonces sont parfois postées pour un seul travailleur du sexe. Mme Minnen rebondit sur les propos de Mme Jaramillo en faisant remarquer que si les sites spécialisés sont aisément contrôlables, il n’en va pas de même pour les réseaux sociaux comme Snapchat, Telegram ou Instagram qui offrent une visibilité et une plateforme à des formes plus clandestines de prostitution, notamment pour les travailleurs du sexe plus vulnérables qui se rendent ainsi moins facilement détectables. 2141/006 DOC 55 280 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E E. Hoorzitting van 26 oktober 2021 met de heer Koen Dewulf, directeur, mevrouw Patricia Le Cocq en de heer Stef Janssens, vertegenwoordigers van Myria; de dames Hilde Melotte en Lucia Dreser, vertegenwoordigsters van de Hoge Raad voor de Justitie; de dames Caroline Debehault en Laure Letellier, vertegenwoordigsters van Fem&Law; mevrouw Heidi De Pauw, ceo, en mevrouw Héloïse du Roy, vertegenwoordigsters van Child Focus en de heer Hans Cools, vertegenwoordiger van de Vlaamse Jeugdraad (namiddagvergadering) 1. Procedure Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i. van de com­ missie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitster nodigt de sprekers uit deze vragen te beantwoorden. De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen. De vertegenwoordigers van Myria, van de Hoge Raad voor de Justitie en van Child Focus verduidelijken dat ze ter zake wel adviezen hebben gegeven, doch niet rechtstreeks werden betrokken bij de totstandkoming van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp. 2. Uiteenzetttingen a. Uiteenzettingen van de heer Koen Dewulf, directeur, mevrouw Patricia Le Cocq en de heer Stef Janssens, vertegenwoordigers van Myria De heer Koen Dewulf is directeur van Myria, het fede­ raal migratiecentrum. Myria is wettelijk gelast te waken over de grondrechten van vreemdelingen, de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel te bevorderen en de overheden te informeren over de aard en de omvang van migratiestromen. De spreker benadrukt dat Myria onafhankelijk functioneert en voor België optreedt als onafhankelijk nationaal rapporteur mensenhandel. E. Audition du 26 octobre 2021 de M. Koen Dewulf, directeur, Mme Patricia Le Cocq et M. Stef Janssens, représentants de Myria; Mmes Hilde Melotte et Lucia Dreser, représentantes du Conseil supérieur de la justice; Mmes Caroline Debehault et Laure Letellier, représentantes de Fem&Law; Mme Heidi De Pauw, CEO, et Mme Héloïse du Roy, représentantes de Child Focus et M. Hans Cools, représentant du Conseil flamand de la jeunesse (réunion de l’après-midi) 1. Procédure Mme Katja Gabriëls, présidente a.i. de la commission de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du Règlement de la Chambre: “En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion, et le cas échéant, par quelle instance.”. La présidente invite les orateurs à entamer leurs exposés respectifs en répondant à ces questions. La présidente invite les orateurs à entamer leurs exposés respectifs en répondant à ces questions. Les orateurs invités répondent successivement aux questions par la négative. Les représentants de Myria, du Conseil supérieur de la justice et de Child Focus précisent qu’ils ont remis des avis en la matière, mais qu’ils n’ont pas été directement associés à l’élaboration du projet de loi à l’examen. 2. Exposés a. Exposés de M. Koen Dewulf, directeur, Mme Patricia Le Cocq et M. Stef Janssens, représentants de Myria M. Koen Dewulf est directeur de Myria, le Centre fédéral Migration. Myria a pour missions légales de veiller au respect des droits fondamentaux des étran­ gers, de stimuler la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains et d’informer les autorités sur la nature et l’ampleur des flux migratoires. L’orateur souligne que Myria fonctionne de manière indépendante et intervient pour la Belgique en tant que rapporteur national indé­ pendant sur la traite des êtres humains. 281 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreker ziet in het ter bespreking voorliggende wetsontwerp mogelijkheden met betrekking tot het de-stigmatiseren van sekswerkers en van iedereen die daarbij betrokken is. Hij spreekt voorts de hoop uit dat het wetsontwerp bij aanneming zal leiden tot een oplossing voor het probleem dat rechtbanken niet altijd een materiële vergoeding uitkeren aan slachtoffers van mensenhandel. De heer Dewulf spreekt namens Myria zijn bezorgdheid uit over de kwestie van derdelanders die onwettig verblijven in België en werkzaam zijn in de prostitutie, meer bepaald met betrekking tot het wegvallen van de omkadering voor deze groep sekswerkers wan­ neer het wetsontwerp effectief zal worden aangenomen en geïmplementeerd. Mevrouw Patricia Le Cocq verduidelijkt dat Myria zich heeft toegespitst op de artikelen van het wetsontwerp die betrekking hebben op zijn bevoegdheden en expertise, namelijk de strijd tegen mensenhandel. De nota van Myria bevat juridische overwegingen en bedenkingen met betrekking tot het algemene beleid, alsook een analyse van de eventuele gevolgen van dit wetsontwerp voor de strijd tegen mensenhandel. Myria schaart zich achter het streven van de auteurs van het wetsontwerp om elke vormen van aanzetten tot en exploitatie van prostitutie van minderjarigen streng te bestraffen. De spreekster vestigt de aandacht op een positief aspect van het wetsontwerp, namelijk het feit dat het ter beschikking stellen van een ruimte aan een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie ook strafbaar zou zijn wanneer geen sprake is van een abnormaal voordeel. Betreffende het door het College van procureurs- generaal aangehaalde vraagstuk inzake de eventuele omkering van de bewijslast omtrent de minderjarigheid van het slachtoffer, kan volgens de spreekster uit de memorie van toelichting worden afgeleid dat de min­ derjarigheid van het slachtoffer zou volstaan om het strafbare feit vast te stellen. Myria heeft vragen bij het praktische onderscheid dat zou moeten worden gemaakt tussen de handel in minderjarigen als bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek en twee nieuwe bepalingen van het wetsontwerp, die ertoe strekken uitdrukkelijk te bepa­ len dat ze moeten worden toegepast onverminderd de in de bepalingen over de mensenhandel bedoelde gevallen, met name het werven van een minderjarige met het oog op ontucht of prostitutie als bedoeld in de artikelen 417/27 en 417/28, alsook de exploitatie van de ontucht of de prostitutie van een minderjarige als bedoeld in de nieuwe artikelen 417/33 en 417/34. L’orateur voit dans le projet de loi à l’examen la possi­ bilité de déstigmatiser les travailleurs du sexe et toutes personnes concernées. Il espère ensuite que le projet de loi, s’il est adopté, permettra de résoudre le problème lié au fait que les tribunaux n’accordent pas toujours une indemnisation matérielle aux victimes de la traite des êtres humains. Parlant au nom de Myria, M. Dewulf se dit préoccupé par la question des ressortissants de pays tiers qui séjournent illégalement en Belgique et sont actifs dans la prostitution, plus particulièrement en ce qui concerne la suppression de l’encadrement de ce groupe de travailleurs du sexe lorsque le projet de loi sera effectivement adopté et mis en œuvre. Mme Patricia Le Cocq précise que Myria s’est concen­ tré sur les articles du projet de loi qui portent sur ses compétences et son expertise, à savoir la lutte contre la traite d’êtres humains. Dans sa note, Myria a émis des considérations juridiques et des points de politique générale. Il y a également analysé l’incidence possible du projet de loi sur la lutte contre la traite d’êtres humains. Myria souscrit à la volonté des auteurs du projet de loi de punir fermement toute forme d’incitation et d’exploi­ tation de la prostitution des mineurs. L’intervenante souligne un point positif dans ce projet de loi, à savoir que la mise à disposition d’un local à un mineur à des fins de débauche ou de prostitution n’exigerait plus de profit anormal pour être punissable. En ce qui concerne la question, soulevée par le Collège des procureurs généraux et relative au possible renver­ sement de la charge de la preuve concernant l’état de minorité de la victime, l’oratrice estime que l’exposé des motifs précise utilement que le fait que la personne soit mineure suffirait à établir l’infraction. Myria s’interroge sur la distinction pratique à opé­ rer entre la traite d’un mineur d’âge, visée par l’ar­ ticle 433quinquies du Code pénal, et deux des nouvelles dispositions du projet de loi, qui mentionnent explicite­ ment leur application sans préjudice des cas visés par les dispositions sur la traite d’êtres humains, à savoir le recrutement d’un mineur à des fins de débauche ou de prostitution prévu par les articles 417/27 et 417/28 ainsi que l’exploitation de la débauche ou de la prostitution d’un mineur visée par les nouveaux articles 417/33 et 417/34. 2141/006 DOC 55 282 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De memorie van toelichting bevat enkele aanvullende nadere gegevens. Zo wordt verduidelijkt dat de voorkeur moet uitgaan naar vervolgingen op grond van mensen­ handel, teneinde de slachtoffers beter te beschermen. Myria stelt zich niettemin vragen over de praktische toepassing van dat beginsel en over het onderscheid dat tussen die verschillende bepalingen moet worden gemaakt, meer bepaald vanwege de toevoeging van de vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal slachtoffers bij die misdrijven. Zal die toevoeging de taak van de magistraten niet nog ingewikkelder maken? Zal dit geen gevolgen hebben voor de bescherming van de slachtoffers? Myria schaart zich tevens achter het streven van de auteurs van het wetsontwerp om elke vorm van mis­ bruik of exploitatie van prostitutie van meerderjarigen die niet onder de definitie van mensenhandel valt, te bestraffen. Niettemin wijst mevrouw Le Cocq erop dat Myria bedenkingen heeft bij bepaalde aspecten aan­ gaande de praktische toepassing. Het gaat daarbij in de eerste plaats om het begrip “abnormaal voordeel” in artikel 433quater/4 en het onderscheid dat dient te worden gemaakt tussen mensenhandel en verzwaard misbruik van prostitutie als bedoeld in het ontworpen artikel 433quater/5 van het wetsontwerp. De straffen zouden in bepaalde omstandigheden worden verzwaard. Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer sprake is van misbruik van kwetsbaarheid of het gebruik van dwang. Die verzwarende omstandighe­ den zijn gebaseerd op die van artikel 433septies over mensenhandel. Hoe moet men bij identieke verzwarende omstandigheden in de praktijk het onderscheid maken tussen die twee strafbaarstellingen? Mevrouw Le Cocq voegt eraan toe dat het onderscheid tussen mensenhandel en verzwaard misbruik van pros­ titutie niet zonder gevolgen is voor de slachtoffers. Door de feiten te kwalificeren als mensenhandel zouden de specifieke bepalingen van de artikelen 61/2 tot 61/5 van de vreemdelingenwet van 5 december 1980 en van de multidisciplinaire omzendbrief van 23 december 2016 op de slachtoffers van toepassing zijn. De spreekster wijst erop dat wanneer men vermoedt dat iemand het slachtoffer van mensenhandel is, die persoon in principe naar een gespecialiseerd opvangcentrum moet worden doorverwezen. Indien die persoon voldoet aan de drie vereiste voorwaarden (de contacten met de exploitanten verbreken, meewerken met het gerecht en zich door het gespecialiseerd opvangcentrum laten be­ geleiden) komt die persoon, indien het een vreemdeling is, in aanmerking voor een specifieke verblijfsvergunning en kan de betrokkene na afloop van de gerechtelijke procedure tegen de daders van de feiten definitief worden L’exposé des motifs fournit quelques détails complé­ mentaires. Par exemple, il précise qu’il s’agit de privilégier les poursuites sur la base de la traite d’êtres humains afin de mieux protéger les victimes. Myria s’interroge toutefois sur l’application pratique de ce principe et sur la distinction à établir entre ces différentes dispositions, notamment en raison de l’ajout de la multiplication de l’amende par le nombre de victimes dans ces infractions. Cet ajout ne risque-t-il pas de compliquer davantage la tâche des magistrats? N’aura-t-il pas une incidence sur la protection des victimes? Myria souscrit aussi au souhait exprimé par les auteurs du projet de loi de veiller à réprimer toute forme d’abus ou d’exploitation de la prostitution de personnes majeures qui ne tomberait pas sous la définition de la traite d’êtres humains. Néanmoins, Mme Le Cocq ajoute que Myria s’interroge sur certains points d’applications pratiques, à commencer par la notion d’avantage anormal figurant à l’article 433quater/4 et la distinction à opérer entre la traite d’êtres humains et l’abus aggravé de prostitution visé par l’article 433quater/5 du projet de loi. Les peines sont aggravées lorsque certaines cir­ constances sont présentes. L’intervenante cite, à titre d’exemple, l’abus de vulnérabilité ou l’usage de la contrainte. Ces circonstances aggravantes s’inspirent de celles reprises à l’article 433septies sur la traite d’êtres humains. Lorsque des circonstances aggravantes identiques sont présentes, comment opérer la distinction entre ces deux incriminations sur le terrain? Mme Le Cocq ajoute que la distinction entre la traite d’êtres humains et l’abus aggravé de la prostitution n’est pas sans conséquence pour les victimes. Qualifier les faits de traite d’êtres humains permettrait aux victimes de bénéficier des dispositions spécifiques prévues par les articles 61/2 à 61/5 de la loi du 15 décembre 1980 sur les étrangers et par la circulaire multidisciplinaire du 23 décembre 2016. Comme le rappelle l’oratrice, lorsqu’il est question d’une victime présumée de traite d’êtres humains, celle-ci doit, en principe, être orientée vers un centre d’accueil spécialisé. Si cette personne satisfait aux trois conditions nécessaires (à savoir rompre les contacts avec les exploi­ teurs, collaborer avec les autorités judiciaires, accepter d’être accompagnée par le centre d’accueil spécialisé), elle pourra, s’il s’agit d’une personne étrangère, bénéficier d’un titre de séjour spécifique, avec possibilité d’obtenir une régularisation définitive à l’issue de la procédure judiciaire contre les auteurs des faits. En revanche, si 283 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geregulariseerd. Indien de feiten daarentegen worden gekwalificeerd als verzwaard misbruik van prostitutie worden de slachtoffers niet ingedeeld in de categorie die aanspraak kan maken op die specifieke bepalingen. Daarnaast is mevrouw Le Cocq van oordeel dat die wijzigingen een vrij lange aanpassingsperiode zouden vergen voor de eerstelijnsdiensten en de magistraten. Zo zouden de databanken moeten worden aangepast. Myria stelt zich vragen bij het feit dat de wetgever de bepalingen ten gunste van de slachtoffers van mensen­ handel wil verruimen tot de slachtoffers van verzwaard misbruik van prostitutie, meer bepaald naar aanleiding van de verklaringen van de minister van Justitie in de pers over de uitbreiding van de bevoegdheden van de opvangcentra naar de slachtoffers van verzwaard misbruik van prostitutie. In welke mate zou een sekswerker die het slachtoffer is van verzwaard misbruik van prostitutie, in aanmerking kunnen komen voor de regelingen ten gunste van slachtoffers van mensenhandel? Die wijzi­ ging zou gevolgen hebben voor de capaciteit van de opvangcentra voor slachtoffers en voor de werklast van de eerstelijnsdiensten. Bovendien zouden de bestaande bepalingen (namelijk die van de vreemdelingenwet, de multidisciplinaire omzendbrief en het maatschappelijk doel van de opvangcentra) eveneens moeten worden aangepast. Ten slotte zou een dergelijke evolutie ook bijkomende middelen vergen en zou ook het advies van de Interdepartementale Coördinatiecel ter bestrijding van de mensensmokkel en mensenhandel moeten worden ingewonnen. De spreekster benadrukt de bezorgdheid van Myria over de mogelijke uitholling van het concept mensenhandel indien de wetgever de bescherming van de slachtof­ fers van mensenhandel zou willen uitbreiden naar de slachtoffers van verzwaard misbruik van prostitutie. De huidige regeling voor slachtoffers van mensenhandel is multidisciplinair. De vraag rijst of de inclusie van de slachtoffers van misbruik van prostitutie geen afbreuk dreigt te doen aan de specialisatie van die regeling. Dreigt een dergelijke situatie er op lange termijn niet toe te leiden dat de actoren in het veld en de beleid­ smakers de strijd tegen mensenhandel minder zullen gaan ondersteunen? Mevrouw Le Cocq deelt mee dat Myria voorstander is van de strafbaarstelling van elke vorm van reclame voor ontucht of prostitutie van minderjarigen. Voor meer­ derjarigen daarentegen wil het wetsontwerp reclame voor de verkoop van commerciële seksuele diensten verbieden behalve voor zijn eigen diensten, wat een stap verder gaat dan hetgeen waarin het voorontwerp van wet beoogde te voorzien. Volgens de spreekster zouden bepaalde politiediensten en magistraten voorstander les faits sont qualifiés d’abus aggravés de prostitution, les victimes n’entrent pas dans la catégorie permettant de bénéficier de ces dispositions spécifiques. Mme Le Cocq estime également que ces modifica­ tions demanderaient un temps d’adaptation assez long pour les services de première ligne et les magistrats. Il faudrait, par exemple, adapter les bases de données. Myria s’interroge sur la volonté du législateur d’étendre les dispositions en faveur des victimes de traite d’êtres humains aux victimes d’abus aggravés de prostitution, notamment à la suite des déclarations que le ministre de la Justice a faites à la presse à propos de l’extension des compétences des centres d’accueil aux victimes d’abus aggravés de prostitution. Dans quelle mesure un travailleur du sexe, victime d’abus aggravés de prosti­ tution, pourrait-il bénéficier des dispositions en faveur des victimes de traite d’êtres humains? Cette modifi­ cation aurait une incidence sur la capacité des centres d’accueil des victimes ainsi que sur la charge de travail des services de première ligne. En outre, les dispositions existantes (à savoir la loi sur les étrangers, la circulaire multidisciplinaire et l’objet social des centres d’accueil) devraient également être adaptées. Enfin, une telle évolution nécessiterait d’octroyer des moyens supplé­ mentaires et de consulter la Cellule interdépartementale de coordination contre la traite des êtres humains. L’intervenante souligne l’inquiétude de Myria à pro­ pos d’une possible érosion du concept de traite d’êtres humains si le législateur souhaite étendre la protection accordée aux victimes de traite d’êtres humains aux victimes d’abus aggravés de prostitution. Le système actuel pour les victimes de traite d’êtres humains est multidisciplinaire. Inclure les victimes d’abus de pros­ titution ne risque-t-il pas de diminuer la spécialisation de ce système? Sur le long terme, une telle situation ne risque-t-elle pas de réduire le soutien que les acteurs de terrain et le monde politique accordent à la lutte contre la traite d’êtres humains? Mme Le Cocq informe que Myria soutient l’incrimina­ tion de toute forme de publicité pour la débauche ou la prostitution de mineurs. Pour les majeurs, en revanche, le projet de loi entend interdire la publicité liée à la vente de services sexuels commerciaux sauf s’il s’agit de publicité pour ses propres services, ce qui est plus strict que ce que prévoyait l’avant-projet de loi. D’après l’intervenante, certains services de police et magistrats seraient favorables à la conclusion d’accords formels 2141/006 DOC 55 284 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zijn van het sluiten van formele akkoorden met de in­ ternetproviders. Zulks zou het opsporen van gevallen van mensenhandel vergemakkelijken. Het voorontwerp van wet had het mogelijk gemaakt dergelijke akkoorden te sluiten; door reclame via derden te verbieden, wordt daarentegen gevreesd dat dergelijke overeenkomsten niet mogelijk zullen zijn. De heer Stef Janssens gaat vervolgens dieper in op de mogelijke gevolgen van het wetsontwerp op het terrein, op het vlak van mensenhandel. De spreker waarschuwt dat de eventuele uitvoering van het wetsontwerp de inzet van veel meer middelen zal vergen. Het gaat dan om magistraten, eerstelijnsdiensten en de gespecialiseerde centra voor mensenhandel. Hij stelt echter vast dat net het tegenovergestelde het geval is en dat de middelen voor mensenhandel worden afgebouwd. Hij klaagt aan dat mensenhandel officieel een belangrijke prioriteit uitmaakt van het veiligheidsplan maar dat dit niet strookt met de werkelijkheid. Hij roept de volksvertegenwoordigers dan ook op om dit te onderzoeken en hetgeen is opgenomen in het regeerakkoord ook effectief uit te voeren. De heer Janssens stelt zich vragen bij de impact van het wetsontwerp op het bestrijdingsapparaat tegen de mensenhandel. De minister van Justitie verklaarde in de Kamer dat de sociale inspectiediensten een grotere rol zullen gaan spelen bij het toezicht op het sociaal statuut van sekswerkers. De spreker stelt zich daarbij de vraag of dit dan ook betekent dat de sociale inspectiediensten het toezicht op de arbeidscontracten van sekswerkers zullen uitvoeren en zich zullen moeten richten op on­ derzoeken in het kader van abnormale winsten door misbruik. Hij benadrukt dat de focus, de specialisatie en de aanpak van sociale inspectiediensten vooral gericht is op economische uitbuiting, en minder op seksuele uitbuiting. Er zal dus met andere woorden een redelijke aanpassingsperiode noodzakelijk zijn, met alweer een nood aan bijkomende middelen. De heer Janssens gaat tot besluit van zijn betoog in op de problemen van de derdelanders zonder ver­ blijfsvergunning en van de gedoogzones in steden. In sommige steden worden sekswerkers zonder ver­ blijfsdocumenten gedoogd omdat de lokale overheid prioriteit geeft aan de strijd tegen mensenhandel boven de controle op illegaal verblijf. Bij controles kijken de gespecialiseerde mensenhandeleenheden van de politie naar de indicatoren mensenhandel en trachten ze een vertrouwensband op te bouwen met de sekswerkers ongeacht hun verblijfsdocumenten. Hierdoor voelen de mogelijke slachtoffers zich niet opgejaagd en zullen ze ook bereid zijn om mee te werken met politie en justitie. Deze aanpak heeft als voordeel dat de ergste uitwassen van mensenhandel kunnen worden bestreden en heeft avec les fournisseurs d’accès à internet. Cela permettrait de faciliter la détection de cas de traite d’êtres humains. L’avant-projet de loi aurait permis la conclusion de tels accords. En revanche, en interdisant la publicité via des tiers, on peut craindre que la conclusion de tels accords ne soient pas possibles. M. Stef Janssens examine ensuite plus en détail les conséquences possibles du projet de loi sur le terrain, au niveau de la traite des êtres humains. L’orateur prévient que l’éventuelle mise en œuvre du projet de loi nécessitera le déploiement de beaucoup plus de moyens, c’est-à- dire de magistrats, de services de première ligne et de centres spécialisés dans la traite des êtres humains. Il constate cependant que c’est tout le contraire qui se produit et qu’on assiste à une réduction des moyens consacrés à la traite des êtres humains. Il dénonce le fait que la traite des êtres humains constitue officiellement une priorité importante du plan de sécurité, mais que cela ne correspond pas à la réalité. Il appelle donc les députés à examiner ce point et à exécuter effectivement ce qui est prévu dans l’accord de gouvernement. M. Janssens s’interroge sur l’impact du projet de loi sur le dispositif de lutte contre la traite des êtres humains. Le ministre de la Justice a déclaré à la Chambre que les services d’inspection sociale joueront un rôle plus important dans le contrôle du statut social des travailleurs du sexe. L’orateur se demande si cela signifie dès lors que les services d’inspection sociale contrôleront les contrats de travail des travailleurs du sexe et devront se concentrer sur les enquêtes relatives aux profits anormaux réalisés dans le cadre d’abus? Il souligne que la finalité, la spécialisation et l’approche des services d’inspection sociale sont essentiellement orientés vers l’exploitation économique, et moins vers l’exploitation sexuelle. En d’autres termes, une période raisonnable d’adaptation sera nécessaire, avec encore une fois la nécessité de déployer des moyens supplémentaires. Enfin, M. Janssens conclut son exposé en évoquant les problématiques des ressortissants de pays tiers sans permis de séjour et des zones de tolérance dans les villes. Dans certaines villes, des travailleurs du sexe sans papiers sont tolérés parce que les autorités locales font passer la lutte contre la traite des êtres humains avant le contrôle des personnes en séjour illégal. Lors des contrôles, les unités spécialisées de la police dans la lutte contre la traite des êtres humains recherchent des indicateurs de ce phénomène et tentent d’établir une relation de confiance avec les travailleurs du sexe, indépendamment de leurs documents de séjour. Par conséquent, les victimes potentielles ne se sentent pas traquées et seront également disposées à coopérer avec la police et la justice. Cette approche présente un 285 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E reeds tot veroordelingen geleid. Myria beveelt aan dat in het wetsontwerp zou worden opgenomen dat lokale autoriteiten deze pragmatische aanpak zouden kunnen blijven behouden, om te voorkomen dat onwettig verblij­ vende sekswerkers gedwongen in onveilige uitbuitings­ situaties terechtkomen. b. Uiteenzettingen van de dames Lucia Dreser en Hilde Melotte, vertegenwoordigsters van de Hoge Raad voor de Justitie Mevrouw Hilde Melotte is lid van de onderzoeks- en adviescommissie van de HRJ en heeft als advocate een grote expertise verworven binnen het seksueel strafrecht. Ze verklaart dat de HRJ de afgelopen jaren er een speerpunt van heeft gemaakt om seksueel geweld op de agenda te zetten door middel van het formuleren van aanbevelingen, waaronder de aanbeveling om het seksueel strafrecht te moderniseren. Dit is echter nog maar een begin, want zonder voldoen­ de gespecialiseerd personeel (magistraten, advocaten, politiemensen enzovoort) blijft de toepassing van de wet dode letter. In dit verband vermeldt mevrouw Melotte ook het nut van de zorgcentra die niet enkel drempelverlagend werken, maar ook bijdragen tot het samenstellen van degelijke dossiers. Andere pijlers die de spreekster onder de aandacht brengt zijn daderbegeleiding en slachtof­ ferhulp. Ze wijst ook op het belang van bewustmaking op de werkvloer, in het onderwijs, in het gezin enzovoort van wat als grensoverschrijdend moet worden beschouwd. Mevrouw Lucia Dreser is voorzitster van de Nederlandstalige benoemingscommissie en voorzitster van de werkgroep seksueel en familiaal geweld binnen de HRJ. Zij is ook actief als jeugd- en familierechter. Mevrouw Dreser geeft aan dat de HRJ zich kan vinden in de meeste elementen van het voorliggende wetsont­ werp; zij verwijst ook naar de adviezen die de HRJ de afgelopen jaren over de aanpak van seksueel geweld heeft verstrekt. Voor haar betoog verwijst zij naar de aan de com­ missie overgezonden tekst die is opgesteld vanuit de aanbevelingen die de HRJ de afgelopen jaren heeft verstrekt. Ze bespreekt vervolgens enkele punten ervan. Ontworpen artikel 417/64 van het Strafwetboek – met redenen omkleed advies Mevrouw Dreser is principieel voorstander van het ver­ plicht inwinnen van een met redenen omkleed advies bij een dienst gespecialiseerd in begeleiding of behandeling avantage: elle permet de lutter contre les pires dérives de la traite des êtres humains et a déjà donné lieu à des condamnations. Myria recommande que le projet de loi prévoie que les autorités locales puissent conserver cette approche pragmatique afin d’éviter que les travailleurs du sexe en séjour irrégulier soient contraints de se retrouver dans des situations d’exploitation dangereuses. b. Exposés de Mmes Lucia Dreser et Hilde Melotte, représentantes du Conseil supérieur de la justice Mme Hilde Melotte est membre de la Commission d’avis et d’enquête du CSJ et a acquis, en tant qu’avocate, une grande expertise dans le domaine du droit pénal sexuel. Elle explique que ces dernières années, le CSJ s’est fixé comme priorité de mettre la violence sexuelle à l’ordre du jour en formulant des recommandations, dont celle de moderniser le droit pénal sexuel. Ce n’est toutefois qu’un début, car sans person­ nel spécialisé suffisant (magistrats, avocats, policiers, etc.), l’application de la loi restera lettre morte. Dans ce contexte, Mme Melotte mentionne également l’utilité des centres de prise en charge qui non seulement facilitent l’accès aux soins, mais contribuent également à la consti­ tution de dossiers solides. Les autres piliers sur lesquels l’oratrice attire l’attention sont l’accompagnement des auteurs et l’aide aux victimes. Elle souligne également l’importance de sensibiliser sur le lieu de travail, dans l’enseignement, dans le cercle familial, etc. à ce qui doit être considéré comme transgressif. Mme Lucia Dreser est présidente de la Commission de nomination néerlandophone et présidente du groupe de travail sur la violence sexuelle et familiale au sein du CSJ. Elle est également active en tant que juge de la jeunesse et juge de la famille. Mme Dreser déclare que le CSJ approuve la plupart des éléments du projet de loi à l’examen. Elle renvoie également aux avis que le CSJ a remis ces dernières années sur la lutte contre la violence sexuelle. Pour son exposé, elle se réfère au texte transmis à la commission, qui a été rédigé sur la base des recom­ mandations formulées par le CSJ au cours des der­ nières années. Elle commente ensuite les quelques points suivants: Article 417/64, en projet, du Code pénal – avis motivé Mme Dreser est en principe favorable à l’obligation de demander l’avis motivé d’un service spécialisé dans l’accompagnement ou le traitement des délinquants 2141/006 DOC 55 286 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van seksuele delinquenten. In het voorliggende wetsont­ werp is daar geen verplichting toe. Eventueel kan daar met redenen van worden afgeweken. De spreekster benadrukt dat dit om een actueel advies dient te gaan opdat de rechter zich een zo breed mogelijk beeld van de dader zou kunnen vormen met het oog op een cor­ recte straftoemeting, waarin ook met de belangen van het slachtoffer rekening wordt gehouden. Ontworpen artikel 417/6 van het Strafwetboek – seksuele meerderjarigheid Mevrouw Dreser haalt aan dat de leeftijd van seksuele meerderjarigheid in het wetsontwerp op 16 jaar is gelegd, met een uitzondering voor 14-jarigen die toestemming kunnen geven indien het leeftijdsverschil niet meer dan twee jaar bedraagt. Deze formulering brengt door haar onduidelijkheid twee problemen met zich. Het is ener­ zijds onduidelijk hoe het leeftijdsverschil moet worden berekend. De spreekster geeft het voorbeeld van een meisje van 14 jaar en één dag dat een relatie heeft met een jongen van 16 jaar en 364 dagen. Anderzijds moet er ook aandacht zijn voor randsituaties, bijvoorbeeld in het geval van een meisje van 15 jaar dat een relatie heeft met een meerderjarige jongen die bij de start van de relatie nog niet meerderjarig was. Mevrouw Dreser vraagt dat het Parlement het debat zou voeren over het al dan niet overeenkomen van de voorgestelde regeling betreffende het leeftijdsverschil met de maatschappelijke realiteit, waarbij ze voorbeel­ den aanhaalt uit haar eigen praktijkervaring. Ze wijst erop dat in het voorontwerp een verschil in leeftijd van vijf jaar voor consensuele seksuele handelingen was vooropgesteld. Ontworpen artikel 417/5 van het Strafwetboek – toestemming De HRJ is zeer positief over de ruime definiëring van het begrip toestemming met betrekking tot het seksueel zelfbeschikkingsrecht. Mevrouw Dreser stelt wel voor om de kwetsbare toestand waarin iemand verkeert niet-limitatief te omschrijven door aan de opsomming in artikel 417/5, derde lid, de woorden “onder meer” toe te voegen. Bewijsmoeilijkheden Mevrouw Dreser wijst voorts op het belang van een adequaat onderzoek wanneer het gaat om seksuele misdrijven. Het eerste proces-verbaal is daarbij be­ langrijk en daarmee samenhangend de opleiding van politiemensen. De spreekster stelt voor na te denken sexuels. Le projet de loi à l’examen ne prévoit pas une telle obligation. Il serait éventuellement possible d’y déroger de manière motivée. L’oratrice souligne qu’il devrait s’agir d’un avis actualisé, pour que le juge puisse se faire une idée aussi complète que possible de l’auteur des faits, afin de déterminer une peine adéquate qui tient également compte des intérêts de la victime. Article 417/6, en projet, du Code pénal – majorité sexuelle Mme Dreser fait observer que dans le projet de loi, l’âge de la majorité sexuelle est fixé à 16 ans, avec une exception pour les jeunes de 14 ans qui peuvent donner leur consentement si la différence d’âge n’est pas supérieure à deux ans. En raison de son ambiguïté, cette formulation pose deux problèmes. D’une part, il est difficile de savoir comment se calcule la différence d’âge. L’oratrice prend l’exemple d’une fille de 14 ans et un jour, qui a une relation avec un garçon de 16 ans et 364 jours. D’autre part, il convient également de tenir compte des situations limites, comme celle d’une fille de 15 ans qui a une relation avec un garçon majeur qui n’était pas encore majeur au moment où la relation a commencé. Mme Dreser demande que le Parlement débatte de la question de savoir si la mesure proposée concer­ nant la différence d’âge correspond ou non à la réalité sociale. Les exemples qu’elle a cités sont tirés de sa propre expérience sur le terrain. Elle souligne que dans l’avant-projet, une différence d’âge de cinq ans était prévue pour les actes sexuels consensuels. Article 417/5, en projet, du Code pénal – consentement Le CSJ approuve tout à fait la définition large de la notion de consentement en matière de droit à l’auto­ détermination sexuelle. Mme Dreser suggère toutefois que la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve une personne soit définie de manière non limitative, par l’ajout du mot “notamment” dans l’énumération contenue à l’article 417/5, § 3. Difficultés de preuve Mme Dreser souligne également l’importance de mener une enquête appropriée lorsqu’il s’agit d’infrac­ tions sexuelles. Le premier procès-verbal est important à cet égard, et par conséquent la formation des policiers. L’oratrice propose d’envisager la possibilité de travailler 287 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E over de invoering van de mogelijkheid om te werken met gestandaardiseerde vragen of van een checklist, ten­ einde een kwaliteitsvolle bewijsvergaring te garanderen. Zij beveelt ook aan te onderzoeken of in gradaties voor het misdrijf “verkrachting” kan worden voorzien, zoals in Zweden het geval is. Het gaat immers om een zeer zwaar beladen begrip en door het invoeren van gradaties kan het stigma worden weggenomen, wat moet leiden tot meer bekentenissen of veroordelingen. De ontworpen artikelen 417/18 en 417/19 van het Strafwetboek – incest Het voorliggende wetsontwerp maakt een onder­ scheid tussen “incest” (artikel 417/18 Sw.) enerzijds en “niet‑consensuele intrafamiliale handelingen” anderzijds (artikel 417/19 Sw.). De HRJ vindt dit onderscheid niet volledig duidelijk. De vermelding in beide artikelen van het begrip “perfide verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames” leidt eveneens tot onduidelijkheid. De HRJ beveelt aan om in de strafwet in te schrijven dat hier mee wordt bedoeld de “verspreiding van seksueel getinte beelden en opnames met kwaadwillig opzet of uit winstbejag”. Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 190 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de behandeling van de zaak met gesloten deuren bij seksuele misdrijven (DOC 55 1148/001) Mevrouw Dreser merkt op dat overeenkomstig dit wetsvoorstel de behandeling met gesloten deuren in zedenzaken de regel wordt en de openbare behande­ ling de uitzondering. De Raad van State heeft hierover op 24 september 2021 een advies uitgebracht. De HRJ kan zich vinden in het wetsvoorstel, op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met de door de Raad van State voorgestelde aanpassing. Tot slot vraagt zij om inzake seksueel strafrecht te investeren in mensen en middelen, in deskundigen, in de opleiding van alle actoren, in de uitrol van de zorgcentra en ook in slachtofferbegeleiding en dader­ opvolging. De spreekster wijst erop dat zelfs de mooist geschreven wet zonder deze investeringen niet meer dan een symbool blijft. c. Uiteenzettingen van de dames Caroline Debehault en Laure Letellier, vertegenwoordigsters van Fem&L.A.W. Mevrouw Caroline Debehault geeft aan dat Fem&L.A.W. een vereniging is van vrouwelijke advocaten avec des questions standardisées ou une liste de contrôle afin de garantir la qualité de la collecte des preuves. Elle recommande également d’examiner la possibilité de prévoir des gradations pour le crime de “viol”, comme c’est le cas en Suède. Il s’agit en effet d’un concept très lourdement connoté et l’introduction de gradations permettrait de lever le stigmate, et donc d’augmenter le nombre d’aveux ou de condamnations. Les articles 417/18 et 417/19, en projet, du Code pénal – l’inceste Le projet de loi à l’examen fait une distinction entre, d’une part, “l’inceste” (article 417/19 du Code pénal) et, d’autre part, les “les actes à caractère sexuel intrafamiliaux non consensuels” (article 417/20 du Code pénal). Le CSJ estime que cette distinction n’est pas tout à fait claire. La mention dans ces deux articles de la notion de “diffusion perfide d’images et d’enregistrements à carac­ tère sexuel” est également source d’ambiguïté. Le CSJ recommande de préciser dans le Code pénal qu’est visée en l’occurrence la “diffusion avec une intention méchante ou dans un but lucratif d’images et d’enre­ gistrements à caractère sexuel” (de met kwaadwillige opzet of uit winstbejag…). Projet de loi modifiant l’article 190 du Code d’instruction criminelle en ce qui concerne le huis clos pour les infractions sexuelles (DOC 55 1148/001) Mme Dreser fait observer que cette proposition de loi prévoit, pour les affaires de mœurs, que le huis clos deviendrait la règle et le traitement en audience publique l’exception. Le Conseil d’État a émis un avis à ce propos le 24 septembre 2021. Le CSJ approuve la proposition de loi, pour autant qu’il soit tenu compte de l’adaptation suggérée par le Conseil d’État. Enfin, elle demande qu’en matière de droit pénal sexuel, l’on investisse dans du personnel, des moyens, des experts, dans la formation de tous les acteurs, dans le déploiement de centres de prise en charge, ainsi que dans l’accompagnement des victimes et le suivi des auteurs. L’oratrice souligne que sans ces investissements, même la loi la mieux écrite ne restera qu’un symbole. c. Exposés de Mmes Caroline Debehault et Laure Letellier, représentantes de Fem&Law Mme Caroline Debehault explique que Fem&Law est une association qui regroupe des femmes juristes 2141/006 DOC 55 288 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die in de praktijk en via hun onderzoek hebben vastge­ steld dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in België nog geen feit is. In dat verband heeft Fem&L.A.W. in 2020 het boek “Code commenté – Droits des femmes” uitgebracht. Vervolgens wijst de spreekster erop dat de mondelinge repliek van Fem&L.A.W. niet als uitputtend moet worden beschouwd; een uitvoerige schriftelijke uiteenzetting volgt. Fem&L.A.W. vindt het belangrijk allereerst in te gaan op het algemene strekking van het wetsontwerp. De spreekster geeft aan dat haar vereniging de erin ge­ maakte keuze inzake genderneutraliteit op het gebied van seksuele misdrijven volstrekt onverdedigbaar acht. Uit alle sociologische studies en beschikbare cijfers blijkt immers dat de overgrote meerderheid van die misdrijven genderspecifiek is. De keuze voor genderneutraliteit komt de zorgvuldigheid dus niet ten goede. Rekening houden met de werkelijkheid moet niet alleen worden ingegeven door het streven om de strafbaarstelling af te stemmen op de beleving van de rechtzoekenden, maar stelt België ook in staat zijn internationale verbin­ tenissen in acht te nemen, met name de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Verdrag van Istanbul. Zowel in de strekking van de wet als heel concreet in de strafbaarstellingen en de doelstellingen die worden gesteld aan de straffen die ermee gepaard gaan, moet rekening worden gehouden met de structurele en maatschappijgebonden aard van het geweld dat vrouwen – dermate vaak het slachtoffer van seksuele misdrijven – te beurt valt, alsook met het geweld jegens hun kinderen. In die zin volstaat de bij het wetsontwerp gevoegde impactanalyse absoluut niet, in die mate zelfs dat ze niet voldoet aan de vereisten van de wet gendermainstreaming van 12 januari 2007. Mevrouw Debehault voegt eraan toe dat het onjuist is aan te nemen dat er geen uitgesplitste cijfers naar geslacht zouden bestaan en dat het problematisch is dat het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen dienaangaande niet werd geraadpleegd. Die cijfers bestaan wel degelijk, al zij erop gewezen dat ze qua opmaak en uitvoerigheid voor verbetering vatbaar zijn. Voorts is het voor de vrouwenverenigingen en in het licht van de studies ter zake al te simplistisch, om niet te zeggen beledigend, dat de huidige omschrijving van verkrachting als discriminerend wordt gekwalifi­ ceerd. Fem&L.A.W. stelt dat een échte impactanalyse, met inaanmerkingneming van de genderdimensie, in de nieuwe strafbaarstelling van seksueel geweld een minimum minimorum zou zijn. Mevrouw Laure Letellier wijst erop dat haar vereniging vraagtekens plaatst bij de in het wetsontwerp en de wets­ voorstellen nagestreefde ambities. Dat doeltreffendheid als een van de doelstellingen wordt vooropgesteld, is ayant constaté, dans leur pratique et leurs recherches, que l’égalité entre les hommes et les femmes n’est pas encore effective en Belgique. C’est dans ce cadre que Fem&Law a publié l’ouvrage “Code commenté – droits des femmes” en 2020. Elle précise ensuite que la réponse orale de Fem&Law ne doit pas être perçue comme exhaustive et ajoute qu’une note écrite plus complète suivra. Pour commencer, il paraît crucial à Fem&Law de réagir à l’optique générale choisie dans ce projet de loi. L’oratrice ajoute qu’aux yeux de son association, la neutralité de genre qui y est choisie ne semble absolu­ ment pas défendable en matière d’infraction sexuelle. En effet, l’ensemble des études sociologiques et des chiffres disponibles montrent que l’immense majorité de ces infractions sont sexospécifiques. Il n’y a donc rien de précis à opter pour la neutralité. Prendre la réalité en compte ne relève pas seulement du souci de faire correspondre les incriminations à la situation vécue par les justiciables. Cela permet également de respecter nos obligations internationales, à savoir la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme et la convention d’Istanbul. Tant dans l’esprit de la loi que très concrète­ ment dans les incriminations et les objectifs qu’on fixe aux peines qui les accompagnent, il faut prendre en compte le caractère structurel et socialement construit des violences que subissent les femmes si largement majoritaires parmi les victimes d’infractions sexuelles ainsi que les violences subies par leurs enfants. En ce sens, l’analyse d’impact proposée en annexe du projet n’est absolument pas suffisante, au point de ne pas respecter le prescrit de la loi gender mainstreaming du 12 janvier 2007. Mme Debehault ajoute qu’il est erroné de considérer que les chiffres ventilés par sexe n’existeraient pas et il est problématique que l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes n’ait pas été consulté à cet égard. Ces chiffres existent, même s’ils devraient être mieux établis et plus détaillés. Il est par ailleurs réducteur, pour ne pas dire insultant pour les associations de femmes et à l’aune des études qui y sont consacrées, de qualifier de discriminatoire la définition actuelle du viol. Selon Fem&Law, une véritable analyse d’impact prenant en compte la dimension de genre dans l’incrimination renouvelée de violences sexuelles serait un minimum miniromum. Mme Laure Letellier indique que son association s’interroge sur l’ambition poursuivie dans le projet et les propositions de loi. L’efficacité, présentée comme l’un des objectifs, est évidemment cruciale. Les incriminations et 289 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E uiteraard essentieel. De huidige strafbaarstellingen en straffen zijn zeker voor verbetering vatbaar, maar het is vooral de tenuitvoerlegging ervan die te wensen over­ laat. De wetgeving verbeteren is één zaak, de gangbare praktijken veranderen is een andere. Om ervoor te zorgen dat de slachtoffers geen tweemaal worden “bestraft”, geeft de spreekster aan dat minstens een psycho-medische begeleiding en de bijstand door een advocaat (als uitbreiding van de Salduz-regeling) zou moeten worden gewaarborgd voor eenieder die klacht indient op grond van de in het wetsontwerp omschreven strafbaarstellingen. Fem&L.A.W. vindt het interessant dat wordt geopperd idee de alternatieve straffen te verruimen. De vereniging vindt het echter jammer dat te weinig aandacht wordt besteed aan de uitvoering van de straffen, alsook aan wat daar op burgerlijk vlak, met name familiaal, uit voortvloeit. De spreekster benadrukt in dezen dat moet worden toegezien op de bescherming van de slachtoffers. Wat de definitie van de toestemming betreft, acht de spreekster het cruciaal dat de toestemming het absolute recht op intrekking omvat. Ze vindt ook een aanvullende verduidelijking onontbeerlijk: bij elke seksuele handeling moet worden nagegaan of die wel met toestemming gebeurt. Mevrouw Letellier vindt voorts dat de opsomming van de gevallen van ontstentenis van toestemming niet als uitputtend zou mogen worden beschouwd. Zij advi­ seert er de woorden “onder meer” aan toe te voegen, opdat die opsomming nooit ten grondslag kan liggen aan een onweerlegbaar vermoeden van toestemming. Naast die opsomming zou ook een lijst moeten worden opgenomen met elementen op grond waarvan een weerlegbaar vermoeden van niet-toestemming geldt. In minstens twee situaties zou een dergelijk vermoeden kunnen gelden. Het eerste geval is de aantasting van de vrije wil als gevolg van een ernstige intoxicatie met een psychotrope stof (waaronder alcohol). Het tweede geval is de eerdere veroordeling van de dader wegens incest jegens het slachtoffer. In die gevallen zou het slachtoffer worden geacht niet uit vrije wil te kunnen toestemmen. Derhalve zou de dader dan moeten bewijzen dat de toestemming wel degelijk werd verkregen. Mevrouw Caroline Debehault vindt dat de omschrij­ ving van een seksuele handeling met verwijzing naar een redelijke persoon een ruime en met het strafrecht­ beginsel strijdige interpretatie mogelijk zou maken. Door die omschrijving zouden velerlei problematische gedragingen (bijvoorbeeld fetisjismen) kunnen worden uitgesloten. Fem&L.A.W. vindt dat bij seksuele misdrijven het oogmerk van de dader nooit voorrang zou mogen peines actuelles sont certes perfectibles, mais c’est avant tout leur mise en œuvre qui laisse à désirer. Améliorer les textes est une étape, changer les pratiques en est une autre. Pour protéger les victimes d’un phénomène de double peine, l’intervenante explique qu’il serait nécessaire d’au moins garantir un accompagnement psychomédical et le conseil d’un avocat (par extension du système Salduz aux victimes) à toute personne portant plainte pour les infractions définies dans le projet de loi. Fem&Law juge que l’idée d’élargir les peines alter­ natives est pertinente. L’association déplore toutefois le peu d’attention portée à l’exécution des peines ainsi qu’à leur prolongement en matière civile, notamment familiale. L’intervenante souligne ici l’importance de veiller à la protection des victimes. S’agissant de la définition du consentement, l’oratrice estime qu’il est crucial que la notion du consentement inclut le droit absolu à la rétraction. Elle estime également qu’une précision complémentaire est indispensable: le consentement doit être apprécié au moment de chaque acte sexuel. Mme Letellier ajoute que la liste d’hypothèses rela­ tives à l’absence de consentement ne devrait pas être considérée comme exhaustive. Elle conseille d’y ajouter le mot “notamment”, afin que cette liste ne puisse jamais fonder une présomption irréfragable de consentement. Outre cette liste, il serait également nécessaire d’inclure une liste d’éléments fondant une présomption simple de non-consentement. Au moins deux situations devraient être considérées comme fondant pareille présomption. Premièrement, l’altération du libre arbitre à la suite d’une intoxication grave de toute substance psychotrope (alcool inclus). Deuxièmement, la condamnation antérieure pour inceste de l’auteur envers la victime. Dans ces hypothèses, la victime serait réputée n’avoir pas eu la possibilité d’exprimer son consentement. Il appartiendrait dès lors à l’auteur de prouver que le consentement lui a bien été donné. Mme Caroline Debehault estime que définir un acte à caractère sexuel en référence à une personne rai­ sonnable ouvrirait la porte à une interprétation large et contraire au principe du droit pénal. Cette définition permettrait d’exclure de nombreux comportements pro­ blématiques (par exemple fétichismes). Fem&Law estime que l’intention de l’auteur ne devrait jamais primer sur d’autres considérations en matière d’infraction sexuelle. 2141/006 DOC 55 290 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E hebben op andere overwegingen. Het algemeen opzet kan daarbij niet van toepassing zijn. Voorts ware het passend ernstig rekening te houden met de beleving van het slachtoffer, in het licht van de interpretatie die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan vernederende behandelingen geeft. Het is geen probleem dat het misdrijf aantasting van de seksuele integriteit (thans: aanranding van de eerbaarheid) zou worden gekwalificeerd als een alge­ mene residuaire categorie. In dat verband is het echter van essentieel belang het criterium te verduidelijken op grond waarvan dat misdrijf geen verkrachting is, met name de penetratie. De spreekster wijst erop dat de Raad van State dezelfde opmerking heeft gemaakt. Bovendien moet het onderscheid tussen de straffen in die zin worden bijgestuurd dat de maximumstraf voor het misdrijf aantasting van de seksuele integriteit beter, zo niet volledig, is afgestemd op de minimumstraf voor het misdrijf verkrachting. De spreekster is van oordeel dat de rechtscolleges aldus over voldoende armslag zouden beschikken om passend rekening te houden met de verscheidenheid van de feiten die zij moeten beoordelen. Mevrouw Debehault geeft aan dat de eerste opmer­ kingen van Fem&L.A.W. voor het misdrijf incest gelden. Algemeen is het uitermate belangrijk dit vraagstuk niet genderneutraal te beschouwen; in het bijzonder zal die specifieke strafbaarstelling alleen volstaan indien ze gepaard gaat met maatregelen waaruit concrete procedurele en burgerrechtelijke gevolgen voortvloeien. Mevrouw Laure Letellier geeft aan dat Fem&L.A.W. de aandacht van de volksvertegenwoordigers wil vestigen op de centrale plaats die in het wetsontwerp aan de penetratie wordt toegekend. Zulks is een weerspiege­ ling van een bepaalde kijk op seksualiteit en relaties. De penetratie zou een verzwarend element of omstandig­ heid kunnen zijn zonder de androcentrische referentie te blijven van een samenleving die naar meer inclusie streeft. Het recht afstemmen op de beleving van de rechtzoekenden blijft in dezen de grote uitdaging. d. Uiteenzettingen van mevrouw Heidi De Pauw, ceo, en mevrouw Héloïse du Roy, vertegenwoordigsters van Child Focus Mevrouw Heidi De Pauw sluit zich aan bij de opvat­ ting van de vorige sprekers betreffende de nood aan investering in mensen, middelen en opleiding. Ze pleit daarbij voor een 360-gradenaanpak waarbij wordt ingezet op primaire preventie, strafuitvoering en de begeleiding van slachtoffers. Le dol général ne peut y être d’application. Une prise en compte sérieuse du ressenti de la victime, à la lumière de l’interprétation par la Cour européenne des droits de l’homme en matière de traitements dégradants, serait par ailleurs adéquate. Plus précisément, il n’est pas problématique que l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle (actuel atten­ tat à la pudeur) soit qualifiée de catégorie résiduelle générale. Toutefois, il est indispensable de préciser le critère qui la distingue du viol, à savoir la pénétration. L’oratrice ajoute que le Conseil d’État a formulé la même remarque. La distinction entre les peines doit, en outre, être corrigée de façon à ce que la peine maximale prévue pour l’infraction d’atteinte à l’intégrité sexuelle soit, si pas harmonisée, au moins davantage en rela­ tion avec le minimum prévu pour l’infraction de viol. De cette manière, l’intervenante estime que les juridictions disposeraient d’une marge de manœuvre suffisamment diversifiée pour que les faits dont elles ont à juger soient adéquatement pris en considération. Mme Debehault explique que les premiers com­ mentaires formulés par Fem&Law sont valables pour l’infraction d’inceste. En général, il est capital de ne pas dégenrer cette problématique et, en particulier, cette incrimination spécifique ne sera suffisante que si elle s’accompagne de mesures la rendant concrètement suivie d’effets procéduraux et civils. Mme Laure Letellier déclare que Fem&Law souhaite attirer l’attention des députés sur le fait que le carac­ tère central reconnu à la pénétration dans le projet de loi reflète une certaine vision de la sexualité et des relations. La pénétration pourrait être constitutive d’un événement aggravant ou d’une circonstance aggravante sans plus rester la référence androcentrée d’une société en recherche de plus d’inclusion. L’enjeu demeure ici de définir le droit en fonction du vécu des justifiables. d. Exposés de Mme Heidi De Pauw, CEO, et de Mme Héloïse du Roy, représentantes de Child Focus Mme Heidi De Pauw partage l’avis des intervenants précédents sur la nécessité d’investir dans des per­ sonnes, des moyens et la formation. Elle préconise une approche à 360 degrés, axée sur la prévention primaire, l’application des peines et le soutien aux victimes. 291 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Child Focus houdt zich niet enkel bezig met de ver­ dwijning van kinderen, maar ook met de strijd tegen seksuele uitbuiting van minderjarigen op operationeel en preventief vlak, zowel online als offline. Het gaat dan om fenomenen als grensoverschrijdende sexting, sextortion, grooming, het maken, bezitten, bekijken of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van kinderen, uitbuiting van minderjarigen in de prostitutie en de seksuele uitbuiting van minderjarigen in het kader van toerisme of op reis. Mevrouw De Pauw wijst erop dat Child Focus per­ manent bereikbaar is op de noodlijn 116 000 en dat het fungeert als Belgisch burgerlijk meldpunt voor beeld­ materiaal van seksueel misbruik van kinderen. Child Focus is een onafhankelijke organisatie en kan daardoor heel snel handelen. De spreekster benadrukt dat dit laatste absoluut noodzakelijk is om te kunnen inspelen op trends en tendensen in de huidige snel evoluerende maatschappij. Zij vestigt de aandacht van de leden erop dat Child Focus terminologieën gebruikt die afwijken van wat in de huidige strafwet is opgenomen. Omdat de terminologie uit de strafwet niet steeds de lading dekt en een vorm van victim blaming inhoudt, wordt bijvoorbeeld de notie “beelden van seksueel misbruik van kinderen” verkozen boven de notie “kinderporno” en “tienerpooiers” boven “loverboys”. Mevrouw De Pauw verduidelijkt dat Child Focus al langer dan vandaag vragende partij is om het seksueel strafrecht te hervormen en aan te passen aan de hui­ dige kennis en realiteit van bestaande fenomenen. De spreekster toont zich dan ook verheugd over verschil­ lende aspecten van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp en waardeert het vele werk dat er reeds in gestopt is. Child Focus staat positief tegenover de decrimina­ lisering van consensuele sexting, de wijziging van de seksuele meerderjarigheid en het vervangen van de term “kinderporno” door “beelden van seksueel misbruik van minderjarigen”. Als aandachtspunten vermeldt de spreekster voorts de gehanteerde terminologie inzake consensuele sexting, grooming en de notice and take­ down van internetdienstverleners. Mevrouw Héloïse du Roy gaat in op het werven van een minderjarige voor ontucht of prostitutie. Dienaangaande is zij ingenomen met het streven van de wetgever om de aandacht van de beroepsbeoefenaars erop te vestigen dat voorrang moet worden gegeven aan de vervolging wegens mensenhandel, met name door artikel 417/27 van Child Focus s’occupe non seulement de la disparition d’enfants, mais également de la lutte contre l’exploitation sexuelle des mineurs au niveau opérationnel et préventif, tant en ligne que hors ligne. Il s’agit de phénomènes tels que le sexting transgressif, le sextorsion, le grooming, la réalisation, la possession, la consultation ou la diffusion d’images d’abus sexuels d’enfants, l’exploitation de mineurs dans la prostitution et l’exploitation sexuelle de mineurs dans le cadre du tourisme ou des voyages. Mme De Pauw rappelle que Child Focus est joignable en permanence via le numéro d’urgence 116 000 et qu’il fait office de point de contact civil belge pour le signalement d’images d’abus sexuels d’enfants. Child Focus est une organisation indépendante et peut, de ce fait, intervenir très rapidement. L’oratrice souligne que ce dernier point est absolument nécessaire pour pouvoir répondre aux tendances de la société actuelle qui évolue rapidement. Elle attire l’attention des membres sur le fait que Child Focus utilise une terminologie qui diffère de celle utilisée dans le droit pénal actuel. Comme la termino­ logie du droit pénal ne recouvre pas toujours la réalité et implique une forme de culpabilisation de la victime, la notion d’“images d’abus sexuels d’enfants” est par exemple préférée à celle de “pédopornographie” et celle de “proxénètes d’adolescents” à “loverboys” Mme De Pauw précise que Child Focus demande depuis longtemps déjà une réforme du droit pénal sexuel et son adaptation aux connaissances actuelles et à la réalité des phénomènes existants. L’oratrice se félicite donc des différents aspects du projet de loi à l’examen et apprécie la quantité de travail qui y a déjà été consacrée. Child Focus est favorable à la décriminalisation du sex­ ting consensuel, au changement de la majorité sexuelle et au remplacement du terme “pédopornographie” par “images d’abus sexuels de mineurs”. Comme points d’attention, l’oratrice mentionne également la termino­ logie utilisée pour le sexting consensuel, le grooming et le notice and take down (notification et retrait) des fournisseurs de services internet. S’agissant du recrutement d’un mineur à des fins de prostitution ou de débauche, Mme Héloïse du Roy formule une remarque positive relative à la volonté du législateur d’attirer l’attention des praticiens sur la néces­ sité de privilégier les poursuites sur la base de la traite d’êtres humains, et ce, en ajoutant à l’article 417/27 du 2141/006 DOC 55 292 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het nieuwe Strafwetboek aan te vullen met de woorden “onverminderd de gevallen bedoeld in artikel 433quin­ quies “. Child Focus dringt er al jarenlang op aan de bewoordin­ gen “beelden van seksueel misbruik van minderjarigen” te gebruiken, veeleer dan de term “kinderpornografie”. In dit geval attendeert de spreekster de wetgever erop dat de term “kinderprostitutie” moet worden vervangen door de bewoordingen “uitbuiting van minderjarigen in de prostitutie”. Volgens Child Focus houdt de term “kinderprostitutie” afkeuring jegens het slachtoffer in, is dat woord geen weerspiegeling van de feiten en wordt de ernst ervan geminimaliseerd. De Stichting wil dat die bewoordingen worden gewijzigd in afdeling 2, onderafdeling 2, met als opschrift “Seksuele uitbuiting van minderjarigen”. De spreekster geeft aan dat Child Focus intens werk maakt van het sexting-probleem. Zij is opgetogen dat de memorie van toelichting van het nieuwe wetsontwerp duidelijk uitlegt dat een onderscheid moet worden ge­ maakt tussen primaire en secundaire sexting. Nemen we evenwel de in artikel 417/49 van het nieuwe Strafwetboek vervatte bepaling inzake “consensuele sexting” onder de loep, dan blijkt dat consensuele sexting alleen voor minderjarigen ouder dan 16 jaar uit het strafrecht wordt gehaald. Volgens Child Focus is dat in strijd met arti­ kel 417/6 van het nieuwe Strafwetboek betreffende de seksuele meerderjarigheid. Child Focus vindt dat als minderjarigen van 14 tot 16 jaar geacht worden vrijelijk toestemming te kunnen geven met inachtneming van een leeftijdsverschil van maximaal twee jaar, hetzelfde zou moeten gelden voor consensuele sexting. Mevrouw du Roy legt uit dat consensuele sexting één van de manie­ ren is om de eigen seksualiteit te ontdekken. Zij voegt eraan toe dat jongeren met sexting zouden doorgaan, zelfs al zou het verboden zijn. Vervolgens heeft de spreekster het over het wer­ ven van kinderen voor seksuele doeleinden, oftewel “grooming”. In dat verband beklemtoont zij dat zowel online- als offline-grooming in één en dezelfde bepaling zijn vervat, met name in artikel 417/24 van het nieuwe Strafwetboek. Volgens Child Focus is in dezen sprake van een tegenstrijdigheid tussen de formulering van dat artikel en het streven van de wetgever zoals dat in de memorie van toelichting aangegeven is: “Er moet evenwel geen daadwerkelijke ontmoeting zijn geweest. In navol­ ging van het advies van de Raad van State (…) wordt in de wettekst geschreven dat het gaat om “materiële handelingen die tot een dergelijke ontmoeting kunnen leiden”.”. Child Focus is van mening dat de woorden “die tot (…) leiden” moeten worden veranderd in “die tot (…) kunnen leiden”. nouveau Code pénal les termes “sans préjudice des cas visés à l’article 433quinquies”. Depuis plusieurs années, Child Focus plaide pour l’uti­ lisation des termes “images d’abus sexuels de mineurs” à la place de “pornographie infantile”. Dans le cas pré­ sent, l’intervenante attire l’attention du législateur sur la nécessité de remplacer les termes “prostitution infantile” par “exploitation de mineurs dans la prostitution”. Child Focus estime que la première formulation fait porter le blâme à la victime, ne reflète pas la réalité de la pro­ blématique et minimise la gravité du phénomène. La Fondation souhaiterait que ces termes soient modifiés à la section 2, sous-section 2, intitulée “De l’exploitation sexuelle de mineurs”. L’oratrice indique que Child Focus travaille beau­ coup sur la question du sexting. Elle salue le fait que l’exposé des motifs du nouveau projet de loi contienne une explication claire de la distinction à établir entre le sexting primaire et le sexting secondaire. Toutefois, il ressort de l’examen de la disposition relative au sexting consensuel, contenue à l’article 417/49 du nouveau Code pénal, que la décriminalisation du sexting consensuel n’a lieu que pour les mineurs de plus de 16 ans. Selon Child Focus, cela entre en contradiction avec l’article 417/6 du nouveau Code pénal sur la majorité sexuelle. Pour Child Focus, si on considère que des mineurs de 14 à 16 ans peuvent consentir librement, moyennant un écart d’âge de maximum deux ans, il devrait en aller de même pour le sexting consensuel. Mme du Roy explique que le sexting consensuel est une manière parmi d’autres de découvrir sa sexualité. Elle ajoute que les jeunes conti­ nueraient à pratiquer le sexting même si on l’interdisait. En ce qui concerne la sollicitation d’enfants à des fins sexuelles ou “grooming”, l’intervenante souligne le fait que le “grooming” en ligne et le “grooming” hors ligne sont repris dans une seule et même disposition, à savoir l’article 417/24 du nouveau Code pénal. Selon Child Focus, il y a ici une contradiction entre la formula­ tion de cet article et la volonté du législateur telle qu’elle est contenue dans l’exposé des motifs qui mentionne qu’une rencontre réelle n’est pas exigée. À la suite de l’avis du Conseil d’État, il est précisé dans le texte qu’il s’agit “d’actes matériels qui peuvent conduire à ladite rencontre”. Pour sa part, Child Focus estime qu’il fau­ drait modifier les termes “conduisant à” par “qui peuvent conduire à”. 293 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In verband met de “materiële handelingen” atten­ deert de spreekster de wetgever erop dat dit begrip in de memorie van toelichting niet te beperkend mag worden gedefinieerd. Bovendien voorziet de memorie van toelichting alleen in de mogelijkheid dat materiële handelingen tot een offline-ontmoeting leiden. In veel gevallen vindt de ontmoeting nochtans virtueel plaats. Mevrouw De Pauw verwijst naar het ontworpen arti­ kel 417/48 betreffende notice and takedown en verduide­ lijkt dat Child Focus reeds tijdens de vorige regeerperiode voorstellen ter zake heeft geformuleerd om de regelgeving zoals ze van kracht is sinds 2017 uit te breiden. Child Focus is sinds 2017 gemachtigd om beelden van sek­ sueel misbruik van kinderen te analyseren en digitale content door te geven aan de federale politie teneinde slachtoffers en daders te identificeren en te achterhalen waar de beelden werden opgenomen en van waar ze worden gehost. Wanneer de hosting in België gebeurt, zal de federale politie de service provider verzoeken de beelden onverwijld offline te halen of ontoegankelijk te maken. In de realiteit gebeurt het offline halen vrijwel niet, of te weinig, omdat de tussenschakel van de federale politie tijdrovend is. Child Focus vraagt daarom de uitbreiding van haar bevoegdheden om zelf contact te kunnen op­ nemen met service providers. De spreekster benadrukt dat dit steeds moet gebeuren met inachtneming van het geheim van het onderzoek en in samenwerking met de federale politie. Tot slot vermeldt mevrouw De Pauw nog enkele uit­ dagingen in het kader van de vernieuwing van het sek­ sueel strafrecht. Hoewel het buiten de reikwijdte van het voorliggende wetsontwerp ligt, vraagt ze dat de grote industriële spelers, de big tech, meer verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Het gaat dan ook over web providers en internet service providers die proactief hun content zouden moeten screenen en verdachte content meteen zouden moeten melden. De spreekster trekt daarbij de parallel met de offlinewereld, waar uitgevers ook verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de inhoud van de boeken die zij uitgeven. Mevrouw De Pauw verwijst in deze context naar een recent bericht uit de media van een Canadese vrouw die als 12-jarige werd misbruikt en wiens misbruikvideo’s nog steeds online te vinden zijn en nooit zullen verdwijnen. Tot slot rijst de vraag of het vernieuwde seksueel strafrecht aangepast is aan de toekomst. Child Focus stelt vast dat de meldingen van virtueel misbruik, en dat zijn strafbare feiten, toenemen. Daarnaast is er een toe­ name merkbaar van zogenaamde deepfakes. Dat is een techniek waarbij bestaande beelden van minderjarigen zeer waarheidsgetrouw worden bewerkt tot beelden met Quant aux “actes matériels”, l’intervenante attire l’attention du législateur sur la nécessité de ne pas définir cette notion de manière trop restrictive dans l’exposé des motifs. En outre, l’exposé des motifs n’envisage que la possibilité d’actes matériels menant à une rencontre hors ligne. Dans de nombreux cas, pourtant, la rencontre a lieu virtuellement. Mme De Pauw se réfère à l’article 417/48, en projet, relatif au notice and take down et précise que Child Focus a déjà formulé des propositions sur le sujet lors de la précédente législature afin d’étendre la réglementation telle qu’elle est d’application depuis 2017. Child Focus est autorisé depuis 2017 à analyser les images d’abus sexuels d’enfants et à en transmettre de contenu numé­ rique à la police fédérale afin d’identifier les victimes et les auteurs et de retrouver où les images ont été prises et où elles sont hébergées. Si l’hébergement a lieu en Belgique, la police fédérale demandera au fournisseur d’accès de retirer immédiatement les images ou de les rendre inaccessibles. Dans la réalité, le retrait n’arrive presque jamais, ou trop rarement, car l’intervention de la police fédérale prend beaucoup de temps. Child Focus demande donc une extension de ses pouvoirs, afin de pouvoir contacter lui-même les fournisseurs d’accès. L’oratrice souligne que cela doit toujours se faire dans le respect du secret de l’instruction et en collaboration avec la police fédérale. Enfin, Mme De Pauw mentionne encore quelques défis dans le cadre de la réforme du droit pénal sexuel. Bien que cela n’entre pas dans le cadre du projet de loi à l’examen, elle demande que les grands acteurs industriels, la big tech, puissent davantage être tenus responsables. Cela concerne dès lors les hébergeurs web et les fournisseurs de services internet, qui devraient vérifier leur contenu de manière proactive et signaler immédiatement tout contenu suspect. L’oratrice établit un parallèle avec le monde hors ligne, où les éditeurs peuvent également être tenus responsables du contenu des livres qu’ils publient. Dans ce contexte, Mme De Pauw renvoie à un reportage récemment publié dans les médias sur une Canadienne qui a été abusée à l’âge de 12 ans et dont les vidéos d’abus sont encore disponibles en ligne et ne disparaîtront jamais. Enfin, la question se pose de savoir si le droit pénal sexuel réformé est adapté à l’avenir. Child Focus constate que les signalements d’abus virtuels – qui sont des faits punissables – sont en augmentation. Il constate également une augmentation de ce que l’on appelle les deepfakes (hypertrucages). Il s’agit d’une technique permettant de transformer, tout en restant très près de la réalité, des 2141/006 DOC 55 294 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een pornografisch karakter. Nog een stap verder gaan de sex dolls, waarmee niet de klassieke sekspoppen worden bedoeld, maar wel artificial intelligence driven sex dolls. Dat zijn robots die je online kunt bestellen of die tegen betaling ter beschikking worden gesteld in bordelen. Op zich is daar geen probleem mee, maar het is mogelijk sex dolls te bestellen die zodanig aanpasbaar zijn dat ze als zeer waarheidsgetrouwe kopieën van minderja­ rigen kunnen doorgaan. Het is, noch in het oude, noch in het nieuwe seksueel strafrecht duidelijk of dit al dan niet vervolgbaar is in België. In het licht van deze snelle evoluties vraagt mevrouw De Pauw zich dan ook af of het nieuwe seksueel strafrecht ook wel future-proof is. e. Uiteenzetting van de heer Hans Cools, vertegen- woordiger van de Vlaamse Jeugdraad De heer Hans Cools legt uit dat de Vlaamse Jeugdraad een officieel adviesorgaan van de Vlaamse regering is. De “Ambrassade” is een organisatie die zich tot doel stelt de jeugd te informeren, het jeugdwerk te ondersteunen en het beleid te adviseren inzake jongerenthema’s. De Vlaamse Jeugdraad verleent adviezen vanuit een vast kwaliteitskader waarbij de focus ligt op input van jongeren en de jeugdzorg. Met betrekking tot dit advies was daarvoor te weinig tijd, waardoor de organisatie heeft teruggegrepen naar een advies uit 2013 dat nog steeds actueel is. Namens de Vlaamse Jeugdraad juicht de heer Cools de aanpassing van de leeftijd van de seksuele meer­ derjarigheid toe, maar wil daarbij wel de volgende twee aandachtspunten naar voren schuiven. In eerste instantie pleit hij ervoor de seksuele-meer­ derjarigheidskwestie te bekijken vanuit de normale seksuele ontwikkeling van jongeren. Hij erkent dat de wetgever de integriteit van jongeren voorop moet stel­ len, maar experimenteergedrag is eigen aan jongeren en de wetgever zou veeleer een kader moeten creë­ ren dat leeftijdsadequaat handelen mogelijk maakt. Consensuele seksuele handelingen tussen kinderen en/of jongeren moeten worden ondersteund en mogen zeker niet strafbaar worden gesteld. De spreker acht de voorliggende leeftijdsgrenzen eerder arbitrair en wijst op de onduidelijkheid die blijft over de precieze leeftijdsbepaling. Een tweede aandachtspunt betreft de onduidelijk­ heid inzake het begrip “seksuele handelingen”. Het is noodzakelijk dit begrip te verduidelijken of op te split­ sen in gradaties, eventueel gekoppeld aan een leeftijd. Een mogelijkheid zou kunnen zijn om penetratie op te images existantes de mineurs en images à caractère pornographique. Les sex dolls vont encore plus loin. Il ne s’agit pas des poupées sexuelles classiques, mais de poupées sexuelles dotées d’une intelligence artifi­ cielle. Ce sont des robots qui peuvent être commandés en ligne ou mis à disposition dans des maisons closes moyennant paiement. Elles ne posent aucun problème en soi, mais il est possible de commander des sex dolls qui sont à ce point adaptables qu’elles peuvent passer pour des copies très fidèles de mineurs. Ni l’ancien ni le nouveau droit pénal sexuel ne précise clairement si cette pratique peut être poursuivie ou non en Belgique. À la lumière de ces évolutions rapides, Mme De Pauw se demande donc si le nouveau droit pénal sexuel résistera bien à l’épreuve du temps. e. Exposé de M. Hans Cools, représentant du Conseil flamand de la jeunesse M. Hans Cools explique que le Conseil flamand de la jeunesse est un organe consultatif officiel du gouver­ nement flamand. L’“Ambrassade” est une organisation qui a pour but d’informer les jeunes, de soutenir les organismes qui les représentent et de conseiller les décideurs politiques sur les thèmes liés à la jeunesse. Le Conseil flamand de la jeunesse remet des avis à partir d’un cadre qualitatif stable où l’accent est mis sur la participation des jeunes et sur l’aide à la jeunesse. En ce qui concerne cet avis, le temps a manqué, de sorte que l’organisation se base sur un avis datant de 2013, qui est toujours d’actualité. S’exprimant au nom du Conseil flamand de la jeu­ nesse, M. Cools se réjouit de l’adaptation de l’âge de la majorité sexuelle, mais souhaite attirer l’attention sur les deux points suivants. Tout d’abord, il préconise d’examiner la question de la majorité sexuelle sous l’angle du développement sexuel normal des jeunes. Il reconnaît que le législateur doit privilégier l’intégrité des jeunes, mais l’expérimentation est inhérente à la jeunesse et le législateur devrait plutôt créer un cadre permettant des actes adaptés à l’âge. Les actes sexuels consensuels entre enfants et/ou jeunes doivent être encadrés et certainement pas criminalisés. L’orateur estime que les limites d’âge actuelles sont plutôt arbitraires et souligne l’ambiguïté qui subsiste quant à la détermination précise d’un âge. Le deuxième point d’attention concerne le manque de clarté à propos de la notion d’“actes sexuels”. Il est nécessaire de clarifier cette notion ou d’y introduire des gradations, éventuellement liées à un âge. Une possibilité pourrait consister à reprendre la pénétration 295 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E nemen als onderscheidend criterium bij het stellen van seksuele handelingen, waarbij de leeftijdsgrens voor seksuele handelingen zonder penetratie dan gerust lager kan zijn dan de leeftijd die nu wordt vooropgesteld. De heer Cools benadrukt het belang hiervan, niet al­ leen voor de begeleiders maar ook voor de jongeren zelf, die niet het gevoel mogen hebben dat ze strafbare feiten plegen, zelfs wanneer het gaat om handelingen eigen aan hun leeftijd. Hij verwijst daarbij ook naar het gevaar van victim blaming en het risico dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag zichzelf ter discussie gaan stellen. De spreker vestigt voorts de aandacht op het vlag­ gensysteem van Sensoa dat in een eerdere hoorzitting werd uiteengezet. Dit systeem gaat uit van de criteria “toestemming” en “wederzijdse toestemming”, maar zelfs in het huidige wetgevend kader zouden verschil­ lende seksuele handelingen die als leeftijdsadequaat worden beschouwd toch met een zwarte vlag worden geëvalueerd. De heer Cools sluit zich aan bij de oproep van Sensoa om de verantwoordelijkheid bij de volwas­ sene te leggen. Een volwassene kan nooit toestemming vragen, maar een minderjarige kan wel toestemming geven aan een gelijke. Ter afronding van zijn uiteenzetting haalt de heer Cools nog enkele opmerkingen aan. De Vlaamse Jeugdraad is verheugd dat ook voor sexting een wetgevend kader wordt gecreëerd waarbij consensuele sexting onder minderjarigen niet meer wordt gelijkgesteld met kinder­ porno. Hij spreekt de hoop uit dat de leeftijdsgrenzen voor sexting kunnen worden gekoppeld aan de leef­ tijdsgrens voor seksuele meerderjarigheid. Daarnaast onderstreept de heer Cools het belang van de vrijwilligers in het jeugdwerk en pleit hij ervoor om hen de nodige middelen en tools aan te reiken, alsook een kader om zaken bespreekbaar te maken. De spreker benadrukt ten slotte de grote nood, zowel in de vrije tijd als in het onderwijs, aan preventie en seksuele voorlichting; hij pleit voor blijvende investeringen in organisaties en scholen om dit mogelijk te maken. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden De heer Ben Segers (Vooruit) heeft in de uiteenzet­ ting van de heer Janssens van Myria gehoord dat er wordt geknipt in de middelen voor de bestrijding van mensenhandel. Hij wil dan ook graag meer gedetail­ leerd vernemen over welke referentiemagistraten en/of arbeidsauditeurs het in casu gaat. Kan het zijn dat het om een reorganisatie binnen de cel banditisme gaat of dat comme critère distinctif pour l’accomplissement d’actes sexuels. Dans ce cas, la limite d’âge pour les actes sexuels sans pénétration pourrait franchement être inférieure à celle qui est prévue actuellement. M. Cools souligne l’importance de cette démarche, non seulement pour les accompagnateurs, mais aussi pour les jeunes eux-mêmes, qui ne doivent pas avoir le sentiment de commettre des faits punissables, même lorsqu’il s’agit d’actes propres à leur âge. Il évoque également le risque de culpabilisation des victimes et le risque que les victimes de comportements transgressifs se remettent elles-mêmes en cause. L’orateur attire également l’attention sur le système de drapeaux de Sensoa, qui a été expliqué lors d’une précédente audition. Ce système est basé sur les cri­ tères de “consentement” et de “consentement mutuel”, mais même dans le cadre législatif actuel, plusieurs actes sexuels considérés comme en adéquation avec l’âge seraient toujours évalués avec un drapeau noir. M. Cools rejoint l’appel de Sensoa qui souhaite placer la responsabilité au niveau de l’adulte. Un adulte ne peut jamais demander un consentement, mais un mineur peut donner son consentement à un autre mineur. M. Cools formule encore quelques remarques pour terminer son exposé. Le Conseil flamand de la jeunesse se réjouit qu’un cadre législatif soit également créé pour le sexting, dans lequel le sexting consensuel entre mineurs ne serait plus assimilé à de la pédopornogra­ phie. Il espère que la limite d’âge pour le sexting pourra être alignée sur la majorité sexuelle. En outre, M. Cools souligne l’importance des bénévoles dans le travail d’accompagnement des jeunes et plaide pour qu’ils disposent des moyens et des outils nécessaires, ainsi que d’un cadre permettant de discuter de ces sujets. Enfin, l’orateur souligne le grand besoin de prévention et d’éducation sexuelle, tant au niveau des loisirs que de l’enseignement, et préconise des investissements permanents dans les organisations et les écoles pour rendre tout cela possible. 3. Échange de vues a. Questions et observations des membres M. Ben Segers (Vooruit) a entendu dans l’exposé de M. Janssens de Myria que les effectifs engagés dans la lutte contre la traite des êtres humains ont été réduits. Il souhaiterait donc savoir plus en détail de quels magistrats de référence et/ou auditeurs du travail il s’agit précisément. Se pourrait-il qu’il s’agisse d’une réorganisation au sein de la cellule banditisme, ou que 2141/006 DOC 55 296 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E er gewoon nog geen vervanging is voor op rust gestelde magistraten, of gaat het om een bewuste beleidskeuze? Het lid verwijst naar de eerdere uiteenzetting van vertegenwoordigers van de vzw Pagasa die ervoor hebben gepleit een cursus mensenhandel te verplichten voor referentiemagistraten, naar analogie met de reeds bestaande verplichte cursussen voor seksuele misdrijven. Zou het dan ook nuttig zijn om dit uit te breiden naar alle magistraten? De spreker acht dit zinvol omdat, zoals in het regeerakkoord bepaald, in de nodige middelen moet worden voorzien om de handhaving van het seksueel strafrecht te garanderen. Mevrouw Katleen Bury (VB) wijst erop dat enkele problematische formuleringen en onduidelijkheden in het wetsontwerp, zoals het leeftijdsverschil voor het bepalen van de seksuele meerderjarigheid en de kwalifi­ catie “perfide”, reeds in eerdere uiteenzettingen werden aangehaald. Ze spreekt dan ook de hoop uit dat dit nog zal worden aangepast. Mevrouw Bury wil graag van de vertegenwoordigers van de HRJ vernemen op welke manier juist de Zweedse wetgever, met de invoering van verschillende gradaties voor het begrip “verkrachting”, het aantal bekentenissen en veroordelingen in zedenzaken heeft verhoogd. Het lid meent dat deze denkpiste een onderzoek waard is. De spreekster is het voorstel van Child Focus om zelf internet service providers te kunnen dwingen om beelden offline te halen, genegen. Ze is ook van mening dat de aanschaf van sex dolls die op een minderjarige gemo­ delleerd zijn, in het strafrecht moet worden opgenomen. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) richt zich meer spe­ cifiek tot de gastsprekers die het over de kindertijd hebben gehad, inzonderheid tot Child Focus. Zij wenst te vernemen wat de Stichting vindt van de bepalingen inzake de prostitutie van minderjarigen, meer bepaald wat betreft de verschillen tussen de straffen. In zijn hui­ dige redactie wekt het wetsontwerp de indruk dat van enige tolerantie sprake is ten aanzien van de jongeren van 16 tot 18 jaar. Wanneer bijvoorbeeld een minderjarige van 16 tot 18 jaar zich prostitueert, lijkt dat minder ernstig dan wanneer het een minderjarige jonger dan 16 jaar betreft. Zulks wekt echter de indruk dat kinderprostitutie niet problematisch is en dat ze in lijn wordt gebracht met de seksuele meerderjarigheid. Het lid voegt eraan toe dat de meeste internationale verdragen kinderprostitutie verbieden. Ware het niet beter om met betrekking tot prostitutie in een algemene bepaling te voorzien die aangeeft dat onder de leeftijd van 18 jaar geen sprake kan zijn van toestemming? les magistrats mis à la retraite n’aient tout simplement pas encore été remplacés, ou qu’il s’agisse d’un choix politique délibéré? Le membre se réfère à l’exposé antérieur des repré­ sentants de l’ASBL Pagasa, qui préconisaient de rendre obligatoire un cours sur la traite des êtres humains pour les magistrats de référence, et ce à l’instar des cours obligatoires, qui existent déjà, sur les infractions sexuelles. Serait-il dès lors utile de l’étendre à tous les magistrats? L’orateur pense que ce serait judicieux, car, comme le prévoit l’accord de gouvernement, il convient de prévoir les moyens nécessaires pour garantir le res­ pect du droit pénal sexuel. Mme Katleen Bury (VB) souligne que quelques formu­ lations problématiques et ambiguïtés contenues dans le projet de loi, comme la différence d’âge pour déterminer la majorité sexuelle et la qualification de “perfide”, ont déjà été évoquées dans de précédents exposés. Elle espère donc qu’il y sera remédié. Mme Bury souhaiterait que les représentants du CSJ expliquent de quelle manière le législateur suédois, en introduisant différentes gradations dans la notion de “viol”, a réussi à augmenter le nombre d’aveux et de condamnations dans les affaires de mœurs. La membre estime que cette piste de réflexion mérite d’être examinée. L’oratrice salue la proposition de Child Focus de pouvoir obliger les fournisseurs de services internet à retirer des images en ligne. Elle estime également que l’achat de sex dolls représentant un mineur devrait être repris dans le droit pénal. S’adressant plus particulièrement aux représentants ayant parlé de l’enfance, en particulier Child Focus, Mme Vanessa Matz (cdH) souhaiterait connaître l’avis de la Fondation sur les dispositions relatives à la pros­ titution des mineurs, en particulier en ce qui concerne les différences au niveau des peines. Le texte tel qu’il est rédigé laisse penser qu’il y a une forme de tolérance lorsqu’il est question des jeunes de 16 à 18 ans. Par exemple, lorsqu’un mineur de 16 à 18 ans se prostitue, cela semble moins grave que lorsqu’il s’agit d’un mineur de moins de 16 ans. Toutefois, cela laisse à penser que la prostitution infantile ne constitue pas un problème et qu’on l’aligne sur la majorité sexuelle. La députée ajoute que la plupart des conventions internationales interdisent la prostitution infantile. En matière de prostitution, ne serait-il pas préférable d’avoir une disposition générale indiquant qu’il ne peut pas y avoir de consentement en dessous de 18 ans? 297 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De spreekster is geschokt door wat Child Focus over sexting heeft aangegeven. De Stichting mag dan wel een zekere tolerantie vanaf de leeftijd van 14 jaar aanbevelen en gewonnen zijn voor een afstemming op de seksuele meerderjarigheid, toch kan mevrouw Matz zich niet in die logica terugvinden. Het zou bijvoorbeeld bij niemand opkomen om moordenaars niet langer te straffen omdat moorden geen zeldzaamheid zijn. Het lid voegt eraan toe dat sexting schade aanricht op heel wat vlakken. Die praktijk kan een jongere kapotma­ ken. Veel mensen luiden daarover de noodklok. Welke aanvullende argumenten heeft Child Focus derhalve om te pleiten voor een zekere tolerantie ten aanzien van sexting? Tijdens de hoorzittingen is het mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) opgevallen dat herhaaldelijk werd aan­ gedrongen op een wijziging van de terminologie. Zelf zou zij de bewoordingen “niet-consensuele seksuele handelingen” willen veranderen in “seksuele handelin­ gen zonder toestemming”. Bij een “niet-consensuele seksuele handeling” gaat het niet om een ontstentenis van toestemming, maar veeleer om een ontstentenis van consensus. Ware het niet relevant “niet-consensueel” stelselmatig te vervangen door “zonder toestemming”? De spreekster is het eens met de leden van Fem&L.A.W. dat de lijst van omstandigheden die toe­ stemming uitsluiten, niet exhaustief mag zijn. Toevoeging van de woorden “onder meer” zou op een heel eenvou­ dige manier kunnen voorkomen dat de advocaten van de verdediging sommige omstandigheden proberen uit te sluiten. Met betrekking tot de lijst van elementen die ten grondslag zouden liggen aan een weerlegbaar vermoeden van niet-toestemming heeft Fem&L.A.W. twee omstandigheden vermeld, namelijk de aantasting van de wilsvrijheid ten gevolge van een intoxicatie en een eerdere veroordeling wegens incest. Zijn die twee omstandigheden de enige die de vereniging in aanmer­ king wil nemen? Vervolgens komt mevrouw Hugon terug op de kritiek die Fem&L.A.W. heeft geuit op de genderbenadering en op de impactanalyse. In dat verband bestempelt ook zij het document als pover. Zij voegt eraan toe dat het niet de realiteit, noch de visie van de Ecolo-Groenfractie weerspiegelt. Volgens Fem&L.A.W. mag de bedoeling van de dader niet prevaleren boven andere criteria en mag het alge­ meen opzet niet van toepassing zijn. Het lid zou daar dieper willen op ingaan. Volgens haar prevaleert bij sek­ suele misdrijven het algemeen opzet. Vindt Fem&L.A.W. dat dit moet veranderen? Zo ja, wat zou dan de juiste mate van morele toerekenbaarheid zijn? Is dan sprake La membre indique avoir été secouée par les propos de Child Focus concernant le sexting. Si la Fondation recommande une certaine tolérance à partir de 14 ans et est favorable à un alignement par rapport à la majo­ rité sexuelle, Mme Matz n’approuve pas cette logique. Par exemple, il ne viendrait à l’idée de personne de ne plus sanctionner les meurtriers sous prétexte que les homicides ne sont pas rares. L’oratrice ajoute que le sexting engendre de nom­ breux dégâts. Cette pratique peut détruire un jeune. De nombreuses personnes tirent la sonnette d’alarme à ce propos. De ce fait, quels sont les arguments supplé­ mentaires de Child Focus pour préconiser une certaine tolérance par rapport au sexting? Au fil des auditions, Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) a pris note d’une demande répétée de modifier la termi­ nologie. Pour sa part, la députée souhaiterait modifier les termes “actes sexuels non consensuels” en “actes sexuels non consentis”. Dans le cas d’un acte sexuel non consensuel, il n’y a pas une absence de consente­ ment, mais plutôt une absence de consensus. Serait-il pertinent de remplacer systématiquement les termes “non consensuel” par “non consenti”? La députée rejoint les membres de Fem&Law sur le fait que la liste de circonstances excluant le consentement ne doit pas être exhaustive. Ajouter le mot “notamment” permettrait, en toute simplicité, d’éviter que des avocats de la défense mènent des actions pour essayer d’exclure certaines circonstances. Quant à la liste d’éléments qui fondrait une présomption simple de non-consente­ ment, Fem&Law a donné deux circonstances, à savoir l’altération du libre arbitre à la suite d’une intoxication et une condamnation antérieure pour inceste. Ces deux circonstances sont-elles les seules que l’association souhaite viser? En ce qui concerne les critiques formulées par Fem&Law à propos de l’approche genrée et de l’ana­ lyse d’impact, Mme Hugon estime également que ce document est indigent. Elle ajoute qu’il ne reflète ni la réalité ni la vision du groupe Ecolo-Groen. D’après Fem&Law, l’intention de l’auteur ne peut pas primer sur d’autres critères et le dol général ne peut pas être applicable. La députée souhaiterait se pencher davantage sur ces questions. D’après elle, le dol général prévaut en matière d’infraction sexuelle. Fem&Law estime-t-elle que cela doit changer? Dans l’affirmative, quel serait le bon degré d’imputabilité 2141/006 DOC 55 298 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van een morele toerekenbaarheid van het type “strafbare fout”? De vertegenwoordigsters van de Hoge Raad voor de Justitie hebben voorgesteld een gradatie in te stellen. Zou die wijziging relevant zijn? Mevrouw Hugon verwijst naar Zweden, waar het begrip “verkrachting door nala­ tigheid” werd ingevoerd. In het licht daarvan wil het lid weten of het nuttig zou zijn een onderscheid te maken tussen verschillende soorten verkrachting. Met betrekking tot het verzoek van Child Focus ant­ woordt mevrouw Hugon dat de volksvertegenwoordigers geen aanpassingen in de memorie van toelichting kunnen aanbrengen. De nodige verduidelijkingen moeten worden verstrekt in de toelichting die tijdens de werkzaamheden van de commissie voor Justitie wordt verschaft. Wat deepfake betreft, meent het lid dat moet worden nagegaan of dat verschijnsel kan worden bestraft op grond van reeds bestaande bepalingen. Zou het een goede zaak zijn een verband te leggen tussen deepfake en identiteitsmisbruik, of zou het de voorkeur verdienen in een nieuw misdrijf te voorzien, specifiek voor dergelijk gedrag? Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFi) wil weten of de vertegenwoordiger van de Vlaamse Jeugdraad vooraf overleg heeft gepleegd met zijn Franstalige collega, aangezien die niet aan de hoorzitting kon deelnemen. Weerspiegelt de uiteenzetting van de heer Hans Cool ook het standpunt van het Forum des Jeunes? Treedt de heer Cool op als woordvoerder van alle jongeren in België? In dat verband benadrukt zij dat de gevoelig­ heden ten noorden van de taalgrens anders liggen dan die ten zuiden ervan, meer bepaald inzake seksuele meerderjarigheid. De heer Cool heeft de adolescentie omschreven als een periode waarin de jongeren hun seksualiteit ontdekken. Hij heeft beklemtoond dat men zijn seksualiteit anders beleeft op 14-, 16- of 17-jarige leeftijd. Het wetsontwerp beoogt het begrip “aanranding van de eerbaarheid” op te heffen en een binaire benadering te hanteren, waarbij ofwel sprake is van een situatie zonder toestemming en dus van verkrachting, ofwel van een situatie waarin wordt ingestemd met de seksuele betrekking. Is de heer Cool het eens met die benadering? Het lid heeft nota genomen van het verband tus­ sen de mensenhandel en de prostitutie in België. De vertegenwoordigers van Myria hebben benadrukt dat de netwerken kwetsbare mensen zonder wettelijke ver­ blijfstitel uitbuiten. Die netwerken maken misbruik van de angst van de betrokkenen om te worden gearresteerd en vervolgens te worden uitgewezen. Mevrouw Rohonyi voegt daaraan toe dat de stichting Samilia er tijdens de hoorzitting nadrukkelijk op heeft gewezen dat “misbruik morale? Faudrait-il parler d’une imputabilité morale de type faute infractionnelle? Les représentantes du Conseil supérieur de la justice ont proposé d’introduire une gradation. Cette modification serait-elle pertinente? Se référant à la Suède, qui a introduit la notion de “viol par négligence”, la députée souhaiterait savoir s’il serait utile de distinguer différents types de viol. En réponse à la demande de Child Focus, Mme Hugon précise que les députés ne peuvent pas modifier l’exposé des motifs. Les précisions nécessaires devront être apportées dans les explications données au cours des travaux de la commission de la Justice. S’agissant du deepfake (l’hypertrucage), la dépu­ tée estime qu’il serait nécessaire de voir si certaines dispositions déjà existantes permettraient de punir ce phénomène. Serait-il pertinent de relier le deepfake à l’usurpation d’identité ou serait-il préférable d’avoir une nouvelle infraction visant spécifiquement les comporte­ ments de ce type? Mme Sophie Rohonyi (DéFi) souhaiterait savoir si le représentant du Vlaamse Jeugdraad s’est préalablement concerté avec son homologue francophone, qui n’a pas pu assister à l’audition. L’exposé de M. Hans Cool est-il représentatif de l’avis du Forum des Jeunes? M. Cool porte-t-il la voix de tous les jeunes de Belgique? À ce propos, elle souligne que les sensibilités divergent au Nord et au Sud du pays, notamment en matière de majorité sexuelle. M. Cool a décrit l’adolescence comme une période durant laquelle les jeunes découvrent leur sexualité. Il a insisté sur le fait qu’on ne vit pas sa sexualité de la même manière à 14, 16 ou 17 ans. Le projet de loi sup­ prime la notion d’attentat à la pudeur et se tourne vers un système binaire: soit on se trouve dans une situation où il n’y a pas de consentement et où il y a donc viol soit on se trouve dans une situation où la relation sexuelle est consentie. M. Cool approuve-t-il ce système? La députée a bien pris note du lien entre la traite d’êtres humains et la prostitution en Belgique. Les représentantes de Myria ont insisté sur le fait que des réseaux exploitent les personnes vulnérables qui n’ont pas de titre de séjour légal. Les réseaux exploitent la peur qu’ont ces personnes de se faire arrêter et d’être ensuite expulsées du territoire. Mme Rohonyi ajoute que la Fondation Samilia a insisté, lors de son audition, sur la notion problématique d’abus de prostitution, qui risque 299 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van prostitutie” een begrip is dat problemen kan doen rijzen op het vlak van interpretatie en bewijslast. Zijn de vertegenwoordigers van Myria het ermee eens dat in dit verband beter gewag zou worden gemaakt van “mensenhandel”, aangezien dat begrip wordt erkend in heel wat internationale verdragen? Het lid gaat vervolgens in op de weerslag van het voorliggende wetsontwerp op het straffenarsenaal ter beteugeling van mensenhandel. Myria heeft im­ mers gewezen op een aanbeveling die ertoe zou strek­ ken dat de gemeenten met toepassing van het nieuwe Strafwetboek ruimte voor beoordeling behouden en zogenoemde gedoogzones in stand zouden kunnen houden, teneinde de sekswerkers in staat te stellen hun activiteit volstrekt legaal te beoefenen. Het lid meent dat zulks hypocriet zou zijn ten aanzien van de illegaal in ons land verblijvende betrokkenen, die bescherming behoeven. Mevrouw Rohonyi wil meer duidelijkheid over die aanbeveling en over de rol die de gemeenten zouden kunnen spelen. Zij voegt daaraan toe dat momenteel daadwerkelijk sprake is van een ongelijke behandeling naargelang van de gemeente waar men zich bevindt, en dus van de betrokken politiezone. Wat de omschrijving van toestemming betreft, noteert het lid dat de sprekers menen dat de lijst van omstan­ digheden die toestemming uitsluiten, niet-exhaustief mag zijn. Die lijst moet dus louter voorbeelden bevat­ ten, alsook de bewoordingen “meer bepaald” of “onder meer”. Met betrekking tot de bewijslast meent het lid dat een bepaalde graad van dronkenschap of van invloed van psychotrope middelen moet worden bepaald vanaf dewelke het slachtoffer niet langer in staat is toestem­ ming te verlenen. Op grond van het door de minister van Justitie voorgelegde wetsontwerp tot hervorming zou in elk geval geen sprake zijn van toestemming (en bijgevolg wel van verkrachting) wanneer de seksuele handeling is gepleegd ten nadele van iemand die kwetsbaar is wegens bewustzijnsverlies, slaap, angst of de invloed van alcohol of drugs. Nemen de diverse sprekers ge­ noegen daarmee? Mevrouw Katja Gabriëls, voorzitster a.i., deelt mee dat het Forum des jeunes zich voor deze hoorzitting heeft verontschuldigd, maar een schriftelijk advies zal geven. De heer Nabil Boukili (PVDA-PTB) heeft rechtskundige vragen voor Fem&L.A.W. en voor de Hoge Raad voor de Justitie. Het lid benadrukt dat aan heel wat klachten wegens seksueel geweld geen gevolg wordt gegeven bij gebrek aan afdoende bewijs. Wat zijn de voornaamste hinderpalen die het aantal veroordelingen beperken? Hoe kan die situatie worden bijgestuurd? Is het wetsontwerp een stap in de goede richting? de poser problème au niveau de l’interprétation et de la charge de la preuve. S’agissant de cette notion d’abus de la prostitution, les représentantes de Myria sont-elles d’accord avec le fait qu’il serait préférable de privilégier la notion de traite d’êtres humains, qui est reconnue par de nombreuses conventions internationales? L’intervenante se penche ensuite sur l’incidence du nouveau projet de loi sur le dispositif répressif en matière de traite d’êtres humains. Myria est, en effet, revenu sur une recommandation qui viserait à faire en sorte que, dans l’application du nouveau Code pénal, les communes conservent une marge d’appréciation et puissent maintenir des zones dites de tolérance pour permettre aux travailleurs du sexe d’exercer en toute légalité. La députée estime que ce serait hypocrite vis- à-vis des personnes en séjour illégal, qui ont besoin d’être protégées. Mme Rohonyi souhaiterait obtenir une clarification par rapport à cette recommandation et au rôle que pourraient jouer les communes. À ce propos, elle ajoute qu’il existe aujourd’hui une véritable inégalité de traitement selon la commune dans laquelle on se trouve et donc selon la zone de police concernée. S’agissant de la définition du consentement, la députée note que les intervenants estiment qu’il faudrait une liste non exhaustive de circonstances excluant le consente­ ment. Cette liste doit, au contraire, être exemplative et contenir les termes “notamment” ou “entre autres”. Quant à la charge de la preuve, la députée estime qu’il faudrait déterminer un certain niveau à partir duquel l’état d’ébriété ou l’influence de psychotropes fait que la victime n’est plus en mesure de formuler son consentement. D’après le projet de réforme du ministre de la Justice, il y aurait d’office absence de consentement et par extension viol, si l’acte à caractère sexuel a été commis au préjudice d’une personne en situation de vulnérabilité due à un état d’inconscience, de sommeil, de peur ou à l’influence de l’alcool ou de stupéfiants. Les différents intervenants estiment-ils cette solution satisfaisante? Mme Katja Gabriëls, présidente a.i., fait savoir que le Forum des jeunes s’est excusé pour cette audition, mais remettra un avis écrit. Les questions de M. Nabil Boukili (PVDA-PTB) sont d’ordre juridique et s’adressent à Fem&Law et au Conseil supérieur de la justice. Le député souligne le fait que de nombreuses plaintes pour violences sexuelles sont rejetées, car les preuves sont insuffisantes. Quels sont les principaux obstacles juridiques qui limitent le nombre de condamnations? Comment changer cette situation? Le projet de loi permettra-t-il d’avancer dans le bon sens? 2141/006 DOC 55 300 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat denken de diverse sprekers van het tijdens de vorige hoorzitting meermaals aan bod gekomen begrip “verkrachting door nalatigheid”. Zouden de delinquenten dankzij dat begrip makkelijker kunnen worden veroor­ deeld? Zou het in het voorliggende wetsontwerp moeten worden opgenomen? Eveneens verwijzend naar de vorige hoorzittingen wijst het lid erop dat dit wetsontwerp volgens de stichting Samilia in strijd zou zijn met internationale verdragen, zoals het Protocol van Palermo. Wat is het standpunt van de sprekers ter zake? Mevrouw Katja Gabriëls (Open Vld) komt terug op het voorstel van Child Focus om zelf internet service providers te kunnen dwingen beelden offline te halen, alsook het argument dat Child Focus dit sneller kan doen dan de federale politie. Mevrouw Gabriëls wil graag vernemen of er voorbeelden uit andere landen zijn waar niet enkel het openbaar ministerie, maar ook andere organisaties zoals Child Focus over die bevoegdheid beschikken. b. Antwoorden van de genodigden en replieken Mevrouw Laure Letellier beantwoordt de vragen in­ zake toestemming. Fem&L.A.W. meent inderdaad dat de invoeging van de woorden “meer bepaald” ervoor zou kunnen zorgen dat de lijst van omstandigheden waarin toestemming uitgesloten is, niet als uitputtend zou worden beschouwd. Met betrekking tot de lijst van elementen die ten grondslag liggen aan een weerlegbaar vermoeden van niet-instemming, meent de spreekster dat die uitputtend moet zijn, teneinde interpretatieverschillen te voorkomen. Zij voegt daaraan toe dat de beide door haar vermelde omstandigheden, namelijk de aantasting van de vrije wil ten gevolge van intoxicatie, alsook een eerdere veroordeling wegens incest, volgens Fem&L.A.W. van kapitaal belang zijn. Wat de te bepalen intoxicatiegraad en de bewijslast voor het slachtoffer betreft, stelt mevrouw Letellier dat het slachtoffer louter een materieel bewijs van de ernstige intoxicatie zou moeten leveren. Fem&L.A.W. benadrukt dat het van belang is de toestemming te beoordelen op het ogenblik van de seksuele handeling. Iemand die onder invloed verkeert, kan op het moment van de handeling niet langer toestemming verlenen. De spreekster meent dat het slachtoffer opvang zou moeten krijgen, zodra het het politiekantoor betreedt. Het is belangrijk onmiddellijk voor psychologische en medische steun te zorgen en de betrokkene de bijstand van een raadsman aan te bieden. Dat is een cruciale fase, want op dat ogenblik moeten de bewijzen wor­ den verzameld. Het slachtoffer moet daarover worden Que pensent les différents intervenants de la notion de viol par négligence, évoquée à plusieurs reprises lors de la précédente audience? Ce concept permettrait-il de condamner plus facilement les délinquants? Faudrait-il l’inclure dans le nouveau projet de loi? Toujours en se référant aux précédentes auditions, le député indique que la Fondation Samilia a fait valoir que ledit projet de loi est contraire aux accords inter­ nationaux tels que le protocole de Palerme. Quelle est opinion des intervenants à ce propos? Mme Katja Gabriëls (Open Vld) revient sur la propo­ sition faite par Child Focus, qui vise à contraindre les fournisseurs de services internet à retirer eux-mêmes des images en ligne, et sur l’argument de Child Focus selon lequel il peut le faire plus rapidement que la police fédérale. Mme Gabriëls aimerait savoir s’il existe des exemples dans d’autres pays où non seulement le ministère public, mais également d’autres organisations, comme Child Focus, disposent de ce pouvoir. b. Réponses des invités et répliques Mme Laure Letellier revient sur les questions liées au consentement. Fem&Law estime effectivement qu’insérer le terme “notamment” permettrait que la liste de circonstances excluant le consentement ne soit pas considérée comme exhaustive. Quant à la liste d’élé­ ments fondant une présomption simple de non-consen­ tement, elle doit être exhaustive afin d’éviter d’avoir des divergences d’interprétation. L’intervenante ajoute que les deux circonstances qu’elle a mentionnées, à savoir l’altération du libre arbitre à la suite d’une intoxication et une condamnation antérieure pour inceste paraissent essentielles aux yeux de Fem&Law. Concernant la question sur le degré d’intoxication à fixer et la charge de la preuve qui incombe à la vic­ time, cette dernière n’aurait qu’à apporter une preuve matérielle de l’intoxication grave. Fem&Law insiste sur l’importance d’apprécier le consentement au moment de l’acte sexuel. À partir du moment où une personne a eu une intoxication, elle n’est plus en mesure de donner son consentement au moment de l’acte. L’intervenante estime que la victime devrait être prise en charge dès qu’elle franchit la porte du commissariat. Il est important d’organiser immédiatement un encadre­ ment psychomédical et de lui faire bénéficier de l’aide d’un conseil juridique. C’est une étape cruciale, car c’est à ce moment-là que les preuves doivent être récoltées. La victime doit en être informée. Elle doit savoir qu’il 301 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geïnformeerd. Het moet weten dat het van belang is naar het ziekenhuis te gaan om stalen te doen nemen. Het moet worden begeleid, want de bewijzen verdwij­ nen bijzonder snel. De bewijzen moeten niet alleen door de vervolgende overheden worden vergaard; ook het slachtoffer moet bij de zaak worden betrokken en moet meewerken. Er moet worden voorkomen dat het slachtoffer de moed verliest, onder meer door de trage werking van het gerecht. Mevrouw Letellier denkt dat het aantal veroordelingen op die manier zou toenemen. Mevrouw Caroline Debehault gaat in op het algemeen opzet en op de strafbaarstelling van verkrachting. Met betrekking tot de veroordeling is het voornemen van de dader niet relevant, want het wordt niet vermeld in artikel 375 van het Strafwetboek. Bovendien wordt de toestemming van het slachtoffer min of meer vermoed. De spreekster beklemtoont voorts dat het gedrag van het slachtoffer vaak wordt gelaakt. Fem&L.A.W. heeft in het wetsontwerp een knelpunt in verband met het voornemen van de dader ontwaard. De spreekster heeft de indruk dat er geen probleem is wanneer de dader niet van oordeel is dat de handeling van seksuele aard is. Bovendien laat de omschrijving van seksuele handeling te wensen over. Bepaalde as­ pecten rijmen niet, en met het slachtoffer er wordt geen rekening gehouden. Mevrouw Debehault voegt eraan toe dat Fem&L.A.W. een schriftelijke nota zal bezorgen, waarin de vereniging een gedetailleerd antwoord zal verstrekken inzake de behandeling van de klachten, de bewijzen die de slachtof­ fers kunnen aandragen, de juridische hinderpalen voor een veroordeling en de strijdigheden met de internati­ onale overeenkomsten. De heer Koen Dewulf komt terug op de opmerking van mevrouw Rohonyi die het ontstaan van een nieuwe vorm van hypocrisie ten aanzien van derde landers zonder papieren vreest bij het opheffen van lokale gedoogzones voor sekswerkers in irregulier verblijf. De heer Dewulf verklaart dat bij het wegvallen van deze gedoogzones het veel duidelijker zal worden wie een gereglementeerd sekswerker is en wie niet, waardoor sekswerkers zonder verblijf nog meer in de clandestiniteit zullen worden ge­ duwd. Myria heeft zelf geen eigen expertise inzake de marktwerking van sekswerkers, maar het gaat om een plausibele hypothese. Een ander effect zou kunnen zijn dat door de toename van het aantal gereglementeerde sekswerkers er een marktverzadiging optreedt en de mensenhandel gewoon afzwakt. De spreker herhaalt nadrukkelijk dat Myria zelf deze hypothese niet durft te formuleren omdat het daarvoor niet over de nodige ex­ pertise beschikt, maar het kan wel stellen dat het bestaan van lokale gedoogzones ervoor zorgt dat sekswerkers in est important de se rendre à l’hôpital pour effectuer des prélèvements. Elle doit être accompagnée, car les preuves sont très volatiles. Les autorités poursuivantes ne sont pas les seules à devoir chercher des preuves. La victime doit être impliquée et collaborer. Il faut éviter qu’elle ne se décourage, notamment en raison de la longueur de la procédure judiciaire. De cette manière, Mme Letellier estime que le nombre de condamnations augmenterait. Mme Caroline Debehault se penche sur le dol général et l’incrimination de viol. Au niveau de la condamnation, il n’y a pas d’intention de l’auteur, car ce n’est pas repris dans l’article 375 du Code pénal. En outre, le consente­ ment de la victime est relativement présumé. L’oratrice souligne d’ailleurs que le comportement de la victime est souvent incriminé. S’agissant du projet de loi, Fem&Law a soulevé un problème lié à l’intention de l’auteur. L’intervenante a l’impression que si l’auteur ne considère pas que l’acte était sexuel, ce n’est pas problématique. En outre, la définition de l’acte sexuel laisse à désirer. Certains éléments ne vont pas ensemble et la victime n’est pas prise en considération. Mme Debehault ajoute que Fem&Law enverra une note écrite dans laquelle elle répondra en détail à propos du traitement des plaintes, des preuves que peuvent apporter les victimes, des obstacles juridiques à une condamnation et des contradictions avec les textes internationaux. M. Koen Dewulf revient sur la remarque de Mme Rohonyi qui craint l’apparition d’une nouvelle forme d’hypocrisie à l’égard des ressortssants de pays tiers sans papiers lors de la suppression des zones de tolérance locales pour les travailleurs du sexe en situation irrégulière. M. Dewulf déclare que lors de la suppression de ces zones de tolérance, il deviendra beaucoup plus évident de savoir qui est un travailleur du sexe réglementé et qui ne l’est pas, ce qui poussera encore plus les travailleurs du sexe sans droit de séjour dans la clandestinité. Myria n’a pas d’expertise propre sur le fonctionnement du marché des travailleurs du sexe, mais cette hypothèse est plausible. Une autre conséquence possible serait que l’augmentation du nombre de travailleurs du sexe réglementés engendre une saturation du marché et fasse régresser la traite des êtres humains. L’orateur rappelle explicitement que Myria n’ose pas formuler cette hypothèse lui-même, étant donné qu’il ne dispose pas de l’expertise nécessaire, 2141/006 DOC 55 302 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E illegaal verblijf beter zichtbaar zijn en dat mensenhandel makkelijker kan worden gedetecteerd. De heer Dewulf geeft, ook al is het gelet op de huidige pandemie niet evident om vergelijkingen te maken, de volgende cijfers mee: in 2020 was er een hoog aantal (235) initiële processen-verbaal bij de parketten, een hoge seponeringsgraad en met 36 eenheden een zeer laag aantal slachtoffers bij de drie zorgcentra. De regionale spreiding is zeer verscheiden, met een continue stijging in de gerechtelijke ressorten van Brussel en Antwerpen, een continue daling in het gerechtelijk ressort Gent, en een blijvend laag cijfer in de gerechtelijke ressorten van Bergen en Luik. De heer Stef Janssens verduidelijkt dat elke procu­ reur zelf de invulling geeft naargelang van de beperkte middelen die hij te zijner beschikking heeft. Wanneer de middelen schaarser worden, worden de keuzes scherper. Wanneer een referentiemagistraat tien ver­ schillende fenomenen moet opvolgen, kan men stellen dat hij eigenlijk geen echte referentiemagistraat meer is. Dit leidt onvermijdelijk tot een vermindering en zelfs tot een afbouw van bestaande specialisaties op bepaalde domeinen, met demotivering van de speurders tot gevolg. In het gerechtelijk arrondissement Hasselt heeft men gekozen voor andere prioriteiten, met name voor drugs­ gerelateerde criminaliteit en rondtrekkende daderbendes, wat gevolgen heeft voor de beschikbare aandacht voor dossiers inzake mensenhandel. In het verleden waren er in de provincie Limburg zeer veel dossiers mensenhandel omdat het nu eenmaal om de grensregio met Duitsland en Nederland gaat en waarbij de criminele organisaties steeds de zwakken plekken in het systeem zoeken tussen de verschillende landen. Omdat er momenteel evenwel geen echte referentiemagistraat voor mensenhandel is, worden deze dossiers niet prioritair behandeld. Het fenomeen mensenhandel op zich is daarmee echter niet verdwenen. Ook ten aanzien van het arbeidsauditoraat in dit arrondissement geldt hetzelfde probleem. De spreker schetst de situatie in de gerechtelijke arrondissementen van Brussel en Gent. In het arron­ dissement Gent was een zeer gedreven magistraat actief rond mensenhandel. Door haar vertrek naar het federale parket en de samensmelting tot één cel groot banditisme hebben de magistraten er te horen gekregen dat ze jaarlijks slechts maximaal een tweetal dossiers in verband met mensenhandel meer moch­ ten behandelen. In Brussel werd de prioriteit gegeven aan het onderzoek naar de terreuraanslagen en de mais il peut affirmer que l’existence de zones de tolé­ rance locales rend les travailleurs du sexe en séjour illégal plus visibles et la traite des êtres humains plus facile à détecter. M. Dewulf avance les chiffres suivants, même s’il n’est pas facile d’établir des comparaisons, compte tenu de la pandémie actuelle: en 2020, il y a eu un nombre élevé (235) de procès-verbaux initiaux transmis au parquet, un taux élevé de classements sans suite et un nombre très peu élevé de victimes (36 unités) dans les trois centres de prise en charge. La répartition varie fortement d’une région à l’autre, avec une augmentation continue dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d’Anvers, une diminution continue dans l’arrondissement judiciaire de Gand, et des chiffres durablement bas dans les arrondissements judiciaires de Mons et de Liège. M. Stef Janssens précise que chaque procureur donne sa propre interprétation en fonction des moyens limités dont il dispose. Lorsque les moyens deviennent plus rares, les possibilités de choix se réduisent. Lorsqu’un magistrat de référence doit suivre dix phénomènes différents, on ne peut plus dire qu’il est réellement un magistrat de référence. Cela conduit inévitablement à une diminution, voire un démantèlement des spéciali­ sations existantes dans certains domaines, avec une démotivation des enquêteurs à la clé. Dans l’arrondissement judiciaire de Hasselt, on a opté pour d’autres priorités, à savoir la criminalité liée à la drogue et les bandes criminelles itinérantes, ce qui n’est pas sans conséquence sur l’attention disponible pour les dossiers liés à la traite des êtres humains. Dans le passé, beaucoup de dossiers liés à la traite des êtres humains ont été ouverts dans la province du Limbourg, vu que celle-ci est une région frontalière avec l’Allemagne et les Pays-Bas et que les organisations criminelles cherchent toujours les points faibles du système entre les différents pays. Comme actuellement, elle ne dispose pas d’un véritable magistrat de référence pour la traite des êtres humains, ces dossiers ne sont pas prioritaires. Mais en soi, le phénomène de la traite des êtres humains n’a pas disparu. Dans cet arrondissement, l’auditorat du travail connaît le même problème. L’orateur expose la situation dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et de Gand. Dans l’arrondisse­ ment de Gand, un magistrat très motivé était actif dans le domaine de la traite des êtres humains. À la suite de son départ pour le parquet fédéral et de la fusion avec la cellule grand banditisme, les magistrats ont été informés qu’annuellement, ils ne pourraient plus traiter que maximum deux dossiers liés à la traite des êtres humains. À Bruxelles, la priorité a été donnée à l’enquête sur les attentats terroristes et les spécialistes 303 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E specialisten rond valse documenten die men daarvoor nodig had, waren werkzaam op de zaken rond men­ senhandel. Daarnaast hebben wij vernomen dat bij de Brusselse federale gerechtelijke politie mensenhandel ook geen echte prioriteit meer zou zijn wat een impact heeft op de Afrikacel die gespecialiseerd is in de sterk uitgewerkte internationale Nigeriaanse netwerken rond mensenhandel. Dit alles leidt tot demotivatie, waardoor de medewerkers met expertise zelf vragende partij zijn om te worden overgeplaatst. De heer Janssens pleit ervoor om in het kader van een parlementaire werkgroep mensenhandel bevoegde procureurs, eerstelijnsdiensten en politiediensten uit te nodigen om over hun activiteiten en problemen op het terrein te getuigen. Een dergelijk initiatief alleen al zou ertoe kunnen leiden dat magistraten hun prioriteiten gaan herzien. De spreker gaat ook kort in op het bestaan van de lokale gedoogzones voor illegale prostitutie, waarbij hij benadrukt dat zeer ervaren politiemensen met veel expertise op het terrein actief zijn en erin slagen om het vertrouwen van slachtoffers van mensenhandel te winnen. Dit heeft geleid tot de opstart van belangrijke dossiers mensenhandel met veroordelingen. Een zekere gedoogaanpak die garandeert dat de politiemensen blijvend controle kunnen uitvoeren op de indicatoren van mensenhandel en problemen kunnen detecteren omdat de sekswerkers zonder verblijfsdocumenten dan gemakkelijker zichtbaar bovengronds kunnen blijven werken. Het is daarbij een illusie te denken dat het reguleren van legale prostitutie een einde zal maken aan de illegale prostitutie. Het ondergronds duwen van sekswerkers zonder verblijfsdocumenten zal volgens hem de mensen die hier illegaal verblijven juist meer in kwetsbare posities dwingen die dan moeilijker te controleren zijn. De heer Janssens pleit er dan ook voor om het mogelijk te maken dat deze sekswerkers zonder verblijfsdocumenten toch bovengronds kunnen blijven werken. Mevrouw Patricia Le Cocq wijst erop dat het Instituut voor gerechtelijke opleiding regelmatig opleidingen voor magistraten organiseert onder leiding van het door de procureur-generaal van Luik geleide expertisenetwerk inzake mensenhandel. Die opleidingen worden gevolgd door de gerechtelijke stagiairs en de referentiemagis­ traten. Helaas worden die opleidingen niet jaarlijks georganiseerd. Bovendien benadrukt de spreekster het sterke verloop bij de magistraten. Wat de sensibilisering van de feitenrechters betreft, wijst de spreekster erop dat de magistraten niet altijd erg vertrouwd zijn met het misdrijf van mensenhandel, waardoor soms de vrijspraak wordt uitgesproken. des faux documents nécessaires à cette fin sont ceux qui travaillaient sur les dossiers de traite des êtres humains. Par ailleurs, nous avons appris que la police judiciaire fédérale de Bruxelles ne considère plus la traite des êtres humains comme une véritable priorité, ce qui a un impact sur la cellule Afrique, spécialisée dans les réseaux nigérians, à large portée internationale, de traite des êtres humains. Tout cela engendre une démotivation, de sorte que les collaborateurs spécialisés demandent eux-mêmes leur mutation. M. Janssens souhaiterait vivement que dans le cadre d’un groupe de travail parlementaire sur la traite des êtres humains, les procureurs compétents, les services de première ligne et les services de police soient invités à venir parler de leurs activités et des problèmes ren­ contrés sur le terrain. Une telle initiative pourrait déjà amener les magistrats à revoir leurs priorités. L’orateur évoque également brièvement l’existence des zones de tolérance locales pour la prostitution illé­ gale, en soulignant que des policiers disposant d’une grande expérience et d’une grande expertise sont actifs sur le terrain et réussissent à gagner la confiance des victimes de traite des êtres humains. Cela a donné lieu au démarrage d’importants dossiers de traite des êtres humains avec des condamnations à la clé. Une approche qui admet une tolérance garantit aux policiers qu’ils pourront en permanence contrôler les indicateurs de la traite des êtres humains et détecter les problèmes. Il est illusoire de penser que la régulation de la prostitu­ tion légale mettra fin à la prostitution illégale. Selon lui, le fait de pousser à la clandestinité des travailleurs du sexe sans documents de séjour mettra encore plus les personnes en séjour illégal dans des situations vulné­ rables, plus difficiles à contrôler. M. Janssens plaide dès lors pour qu’on laisse à ces travailleurs du sexe sans titres de séjour la possibilité de continuer à travailler de manière visible. Mme Patricia Le Cocq indique que l’Institut de for­ mation judiciaire organise régulièrement des formations pour les magistrats, sous la houlette du réseau d’exper­ tise relatif à la traite des êtres humains qui est dans les mains du procureur général de Liège. Les stagiaires judiciaires et les magistrats de référence prennent part à ces formations. Malheureusement, ces formations ne sont pas organisées chaque année. En outre, l’interve­ nante souligne l’importante rotation chez les magistrats. En ce qui concerne la sensibilisation des juges de fond, elle indique que les magistrats ne connaissent pas toujours très bien l’infraction liée à la traite des êtres humains, ce qui donne parfois lieu à des acquittements. 2141/006 DOC 55 304 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat vervolgingen voor verzwaard misbruik van pros­ titutie en mensenhandel betreft, is de spreekster het ermee eens dat voorrang moet worden gegeven aan vervolgingen op grond van mensenhandel. Het blijft echter de vraag hoe de vervolging van het nieuwe mis­ drijf verzwaard misbruik van prostitutie in de praktijk zal moeten worden geïmplementeerd. Mevrouw Heidi De Pauw verduidelijkt een en ander met betrekking tot de notice and take down-procedure. Sinds 2017 voert Child Focus analyses uit. Wanneer een beeld van seksueel misbruik van een kind wordt gemeld, volgen de analisten van Child Focus een heel complexe procedure. Alle beelden die aan Child Focus worden bezorgd, worden geverifieerd op basis van de databank van Interpol. Child Focus moet de beelden verwerken die nog niet bij Interpol gekend zijn. De Stichting onderzoekt vooreerst of de beelden wel degelijk in overeenstemming zijn met de Belgische wetgeving. Vervolgens analyseert ze het gebruikte internethostingbedrijf. Al die beelden worden aan de federale politie bezorgd, waar voorrang wordt gegeven aan de beelden die een band hebben met België in het algemeen of die in België worden gehost. Die werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het bestek van Richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ter be­ strijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad, die duidelijk bepaalt dat die beelden onmiddellijk moeten worden weggehaald of ontoegankelijk gemaakt. De spreekster voegt eraan toe dat ook het openbaar ministerie al die beelden ontvangt. Het is dan weer de taak van de fe­ derale politie contact op te nemen met de operatoren en de aanbieders van diensten. Child Focus controleert vervolgens of de beelden nog altijd toegankelijk zijn. De Stichting stelt in dat verband vast dat de procedure vanwege een capaciteitstekort vaak te langzaam is. De personen belast met de dossiers van mensenhandel leggen zich tevens toe op de dossiers met betrekking tot seksueel misbruik van kinderen. Zij moeten in de eerste plaats de daders opsporen en de slachtoffers identificeren; pas in derde instantie worden de beelden gewist. De spreekster verduidelijkt dat de beelden niet mogen worden gewist zolang een onderzoek loopt. Het is daarentegen wel belangrijk dat ze ontoegankelijk worden gemaakt. Wat deepfake betreft, is mevrouw De Pauw er zich terdege van bewust dat dergelijke praktijken op de ene of de andere manier moeten worden vervolgd. De spreekster benadrukt dat veel tijd en energie werd gestoken in een nieuw Strafwetboek en ze benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat die aspecten binnen vijf jaar niet achterhaald zijn vanwege de uiterst S’agissant des poursuites en matière d’abus aggravés de prostitution et de traite d’êtres humains, l’intervenante est d’accord sur le fait qu’il faut privilégier les poursuites sur la base de la traite d’êtres humains. Reste à savoir comment implémenter la nouvelle infraction d’abus aggravé de prostitution dans la pratique. Mme Heidi De Pauw apporte quelques précisions à propos de la procédure de notification et de retrait (notice and take down). Depuis 2017, Child Focus mène des analyses. En cas de signalement d’une image d’abus sexuel d’un enfant, les analystes de Child Focus suivent une procédure très complexe. Toutes les images qui sont communiquées à Child Focus sont vérifiées à partir de la base de données d’Interpol. Child Focus doit traiter les images qui ne sont pas encore connues d’Interpol. Pour commencer, la Fondation examine si les images respectent bel et bien la législation belge. Ensuite, elle analyse l’hébergeur internet utilisé. Toutes ces images sont transmises à la police fédérale, qui accorde la prio­ rité à celles ayant un lien avec la Belgique en général ou qui sont hébergées en Belgique. Ce travail est mené dans le cadre de la direc­ tive 2011/92/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 relative à la lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi que la pédopornographie et remplaçant la décision- cadre 2004/68/JAI du Conseil, qui stipule clairement que ces images doivent immédiatement être supprimées ou rendues inaccessibles. L’intervenante ajoute que le ministère public reçoit également toutes ces images. Pour sa part, la police fédérale doit contacter les opéra­ teurs et les fournisseurs de service. Child Focus vérifie ensuite si les images sont toujours accessibles. La Fondation constate à ce propos que la procédure est souvent trop lente, en raison d’un manque de capacité. Les personnes chargées des dossiers liés à la traite d’êtres humains s’occupent également de ceux liés aux abus sexuels d’enfants. Leur priorité est de détecter les auteurs et d’identifier les victimes; la suppression des images ne vient qu’en troisième lieu. Elle précise que les images ne doivent pas être supprimées si une enquête est en cours. En revanche, il est important de les rendre inaccessibles. S’agissant du deepfake, Mme De Pauw est bien consciente que ces pratiques doivent être poursuivies d’une façon ou d’une autre. L’intervenante a souligné le temps et l’énergie consacrés à l’élaboration d’un nou­ veau Code pénal et souhaite insister sur l’importance de s’assurer que ces éléments ne seront pas obsolètes d’ici à cinq ans, en raison de l’évolution technologique 305 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E snelle technologische evolutie. Het is belangrijk dat de nieuwe wetten de tand des tijds doorstaan. In verband met de zogenaamde sex dolls is de spreekster van oordeel dat zou moeten worden nagegaan of iemand die een dergelijke onderneming opricht, strafrechtelijk kan worden vervolgd op grond van de huidige regeling. Mevrouw Héloïse du Roy verwijst naar haar eerdere verklaringen en verduidelijkt dat die hoofdzakelijk betrek­ king hadden op consensuele sexting. Het gaat in dat geval om sexting binnen een vertrouwensrelatie en die minderjarigen de mogelijkheid biedt hun seksualiteit te verkennen. Sexting wordt echter problematisch wanneer die vertrouwensband wordt verbroken. Child Focus is overigens van oordeel dat niet-consensuele sexting als een misdrijf moet worden beschouwd, ongeacht de leeftijd van de minderjarige. Een belangrijk deel van het werk van Child Focus bestaat erin jongeren ervan bewust te maken dat sexting problematisch is indien de vertrouwensband verbroken is. Met haar verklaringen wou de spreekster de wetgever erop wijzen hoe belangrijk het is dat de logica van de de­ criminalisering van consensuele sexting wordt afgestemd op de bepaling inzake de seksuele meerderjarigheid. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) werpt op dat sexting in het begin doorgaans consensueel is; zo gaat het althans in negen op de tien gevallen. Op lange termijn is sexting echter soms niet langer consensueel. Mevrouw Heidi De Pauw wijst mevrouw Matz erop dat Child Focus heel wat problematische sexting-dossiers behandelt. Volgens haar klopt het door mevrouw Matz meegedeelde cijfer niet. De opvoeders maken veel werk van de bewustmaking van jongeren. De spreekster benadrukt dat consensuele sexting moet worden afgestemd op de seksuele meerderjarig­ heid. Het zou onlogisch zijn 14-jarige minderjarigen toe te staan seksuele betrekkingen te hebben, maar hen te verbieden om met onderlinge toestemming foto’s uit te wisselen. Algemeen benadrukt Child Focus het belang van sensibilisering en preventie met betrekking tot sexting. Het zijn overigens niet alleen minderjarigen die worden geconfronteerd met de problemen die voort­ vloeien uit sexting. Mevrouw Héloïse du Roy wijst erop dat Child Focus voorstander is van het voorstel voor een algemene bepaling die stelt dat bij prostitutie geen sprake kan zijn van toestemming bij min 18-jarigen. Ze voegt eraan toe dat de daders vaak schermen met het argument dat ze niet wisten dat het meisje minderjarig was. Door très rapide. Il est important de vérifier la pérennité des nouvelles lois. Quant aux poupées sexuelles (sex dolls), l’intervenante estime qu’il faudrait voir si le système actuel permet de donner des suites pénales lorsqu’une personne lance une entreprise de ce type. Mme Héloïse du Roy revient sur ses propos et précise qu’ils visaient essentiellement le sexting consensuel. Une forme de sexting qui se déroule dans le cadre d’une relation de confiance et qui permet aux mineurs d’explorer leur sexualité. Le sexting devient toutefois problématique lorsque le lien de confiance est rompu. Child Focus estime d’ailleurs que le sexting doit être criminalisé dès qu’il n’est plus consensuel, et ce, peu importe l’âge du mineur. Une part importante du travail mené par Child Focus consiste à sensibiliser les jeunes au fait que le sexting est problématique lorsque le lien de confiance est rompu. Ses propos visaient à attirer l’attention du législateur sur l’importance d’aligner la logique de la décriminali­ sation du sexting consensuel à la disposition relative à la majorité sexuelle. Mme Vanessa Matz (cdH) rétorque que le sexting est généralement consensuel lorsqu’il débute. Dans 9 cas sur 10, c’est ainsi que cela se passe. Toutefois, le sexting n’est parfois plus consensuel sur le long terme. Mme Heidi De Pauw indique à Mme Matz que Child Focus traite de nombreux dossiers de sexting problé­ matiques. Elle ne pense pas que le chiffre indiqué par la députée soit correct. Les éducateurs mènent un important travail de sensibilisation auprès des jeunes. L’oratrice insiste sur la nécessité d’aligner le sexting consensuel à la majorité sexuelle. Il serait illogique d’autoriser les mineurs de 14 ans à avoir des rapports sexuels, mais de leur interdire d’échanger des photos de façon consensuelle. De manière générale, Child Focus insiste sur l’importance de la sensibilisation et la prévention par rapport au sexting. Les mineurs ne sont d’ailleurs pas les seuls concernés par les problèmes issus du sexting. Mme Héloïse du Roy indique que Child Focus sou­ tient la proposition d’introduire une disposition générale précisant, qu’en matière de prostitution, il n’y a pas de consentement pour les moins de 18 ans. Elle ajoute que les auteurs se retranchent souvent derrière le fait qu’ils ignoraient que la jeune fille était mineure. Insérer une 2141/006 DOC 55 306 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een dergelijke bepaling in te voegen zou elke verwar­ ring kunnen worden voorkomen en zou ter zake meer helderheid kunnen worden geschapen. Mevrouw Lucia Dreser beantwoordt de vraag van mevrouw Bury over de aanpak in Zweden. In 2018 werd in dat land de wettelijke invulling van het begrip verkrach­ ting uitgebreid. Strafbaar is iemand die “gemeenschap heeft met iemand die niet uitdrukkelijk heeft aangegeven met die handeling in te stemmen”. Daarnaast werden de begrippen “nalatige verkrachting” en “nalatig seksueel misbruik” ingevoerd. Deze kwalificaties zorgen ervoor dat grensoverschrijdend gedrag kan worden bestraft zonder dat er een begin van intentie was om te verkrach­ ten. Hierdoor is het aantal aangiftes van verkrachting in Zweden gestegen. De spreekster verwijst voor het overige naar de aan de commissie overgezonden nota. In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi be­ treffende het verlenen van toestemming verduidelijkt de gastspreekster dat het ontworpen artikel 417/5, derde lid, van het Strafwetboek een limitatief aantal situaties defi­ nieert waarin geen toestemming kan worden gegeven. Dat is nu bijvoorbeeld al het geval voor alcoholische intoxicatie. In de rechtspraak wordt aanvaard dat wie onder invloed van alcohol is geen toestemming kan geven. De HRJ stelt voor om de limitatieve opsomming op te heffen omdat andere situaties zich altijd kunnen voordoen. De spreekster verwijst ook naar analoge rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de aanranding van de eerbaarheid en verkrachting, die stelt dat geweld of bedreiging als niet-limitatief moet worden begrepen. Betreffende de vraag van de heer Boukili over de bewijsproblematiek geeft mevrouw Hilde Melotte een antwoord waarbij ze put uit haar ervaring als advocate in zaken met seksueel geweld. Ze stelt vast dat dossiers vaak vastlopen. Dat komt omdat in de initiële processen- verbaal nogal korte verklaringen worden afgelegd en er pas later een vollediger proces-verbaal wordt opgesteld, wat soms leidt tot inconsequenties die in de rechtbank worden aangegrepen om de geloofwaardigheid van het slachtoffer onderuit te halen. Mevrouw Melotte vestigt daarom de aandacht op het belang van de zorgcentra seksueel geweld en pleit voor de uitrol ervan over heel België. In deze zorgcentra kunnen de verbalisanten specifieke vragen stellen en kunnen bij de slachtoffers vaststellingen worden gemaakt. Daarnaast is er ook nood aan een attitudewijziging bij politiemensen om niet enkel bij het slachtoffer te informeren naar het al dan niet hebben verleend van de toestemming, maar ook om aan de daders te vragen waaruit ze hebben ge­ meend deze toestemming te kunnen opmaken. Een derde aanbeveling van mevrouw Melotte betreft de nood aan telle disposition permettrait de supprimer toute équivoque et d’apporter plus de clarté sur ce point. Mme Lucia Dreser répond à la question de Mme Bury concernant l’approche pratiquée en Suède. En 2018, l’interprétation légale de la notion de “viol” a été élar­ gie. Est punissable toute personne qui “a des rapports sexuels avec une personne qui n’a pas expressément déclaré consentir à cet acte”. En outre, les notions de “viol par négligence” et d’“abus sexuel par négligence” ont été introduites. Ces qualifications permettent de sanctionner un comportement transgressif sans qu’il y ait un début d’intention de violer. Par conséquent, le nombre de déclarations de viol a augmenté en Suède. Pour le reste, l’oratrice renvoie à la note transmise à la commission. En réponse à la question de Mme Rohonyi concer­ nant l’octroi du consentement, l’invitée précise que l’article 417/5, § 3, en projet, du Code pénal définit un nombre limitatif de situations dans lesquelles aucun consentement ne peut être donné. C’est déjà le cas par exemple pour l’intoxication alcoolique. La jurisprudence admet que les personnes qui se trouvent sous l’emprise de l’alcool ne peuvent pas donner leur consentement. Le CSJ propose de supprimer l’énumération limitative, car d’autres situations peuvent toujours se produire. L’oratrice se réfère également à la jurisprudence analogue de la Cour de cassation en matière d’attentat à la pudeur et de viol, qui précise que la violence ou la menace doit être interprétée comme non limitative. À la question de M. Boukili sur la problématique de la preuve, Mme Hilde Melotte répond en s’appuyant sur son expérience d’avocate dans des affaires de violences sexuelles. Elle constate que les dossiers sont souvent bloqués. Cela vient du fait que les procès-verbaux initiaux contiennent des déclarations plutôt brèves et qu’un procès-verbal plus complet n’est établi que par la suite, ce qui entraîne parfois des incohérences qui sont utilisées au tribunal pour décrédibiliser la victime. Mme Melotte attire donc l’attention sur l’importance des centres de prise en charge des violences sexuelles et plaide pour leur déploiement dans toute la Belgique. Dans ces centres de prise en charge, les verbalisants peuvent poser des questions spécifiques et des consta­ tations peuvent être effectuées auprès des victimes. Il est nécessaire aussi que les policiers changent d’attitude et ne se contentent plus de demander à la victime si elle a donné son consentement ou non, mais demandent également aux auteurs ce qui les a fait penser qu’ils avaient ce consentement. Une troisième recommandation 307 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E deskundigheid bij magistraten en politiemensen omdat door de juiste deskundige aanpak veel gegevens kunnen worden verzameld. Omdat ze zo diepe en vergaande gevolgen kunnen hebben die slachtoffers raken in hun mens-zijn, heeft de HRJ er steeds voor gepleit deze misdrijven prioritair te behandelen. De heer Hans Cools van de Vlaamse Jeugdraad wenst kort te reageren op de opmerking van mevrouw Matz betreffende sexting bij jongeren. Hij sluit zich aan bij de houding van Child Focus en benadrukt dat de online- en offline-leefwereld van jongeren erg met elkaar verweven zijn. Sexting met onderlinge toestemming onder 16 jaar is leeftijdsadequaat gedrag dat behoort tot de leefwereld van jongeren. Net om het bespreekbaar te maken en ervoor te zorgen dat jongeren zelf naar de hulpverlening en vertrouwenspersonen stappen wanneer het uit de hand loopt, moet het volgens hem ook uit de criminaliteit worden gehaald. In antwoord op de vraag van mevrouw Rohonyi ver­ klaart de heer Cools dat de Vlaamse Jeugdraad tele­ fonisch heeft afgestemd met zijn Franstalige collega’s. Hij verwijst voorts naar de uiteenzetting ter zake van de voorzitster. de Mme Melotte concerne le besoin d’expertise chez les magistrats et les policiers, car une approche basée sur une bonne expertise permet de collecter beaucoup d’informations. Étant donné que ces infractions peuvent avoir des conséquences si lourdes et importantes qu’elles affectent les victimes dans leur humanité, le CSJ a toujours plaidé pour qu’elles soient traitées en priorité. M. Hans Cools du Conseil flamand de la jeunesse souhaite réagir brièvement à la remarque de Mme Matz sur le sexting chez les jeunes. Il soutient la position de Child Focus et souligne que les mondes en ligne et hors ligne des jeunes sont très étroitement liés. Le sexting avec consentement mutuel avant l’âge de 16 ans est un comportement approprié à l’âge, qui relève du mode de vie des jeunes. C’est précisément pour que le sujet puisse être discuté et pour que les jeunes eux-mêmes se tournent vers des conseillers et des personnes de confiance lorsque la situation dégénère qu’il estime qu’il faudrait également dépénaliser cette pratique. En réponse à la question de Mme Rohonyi, M. Cools déclare que le Conseil flamand de la jeunesse s’est entendu par téléphone avec ses collègues francophones. Il renvoie ensuite à l’intervention de la présidente sur cette question. 2141/006 DOC 55 308 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E F. Hoorzitting van 27 oktober 2021 met de heer lgnacio de la Serna, voorzitter van het College van procureurs-generaal, mevrouw Nadia Laouar, substituut-procureur-generaal te Luik, mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te Bergen, en de heer Maarten Sobrie, substituut-procureur- generaal te Antwerpen, vertegenwoordigers van het College van procureurs-generaal; mevrouw Jessica Bourlet, rechter-ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, vertegenwoordigster van het College van de hoven en rechtbanken; de heer Dimitri de Beco en mevrouw Delphine Paci, vertegenwoordigers van AVOCATS.BE Slotbeschouwingen van de  heer  Damien Vandermeersch en mevrouw Joëlle Rozie, leden van de Commissie voor de hervorming van het strafrecht 1. Procedure De heer Philippe Pivin, voorzitter a.i. van de commis­ sie voor Justitie, geeft lezing van artikel 28, 2bis, van het Kamerreglement: “Bij hoorzittingen (…) wordt sprekers gevraagd om bij het begin van de hoorzitting duidelijk te vermelden of ze: 1° in een andere hoedanigheid betrokken zijn of ge­ weest zijn bij initiatieven betreffende de voorliggende wetgeving, en 2° betaald worden voor de bijdrage aan de hoorzitting en in voorkomend geval door welke instantie.”. De voorzitter a.i. verzoekt de sprekers deze vragen te beantwoorden. De genodigde sprekers antwoorden achtereenvolgens ontkennend op de vragen. 2. Uiteenzetttingen a. Uiteenzettingen van de heer Ignacio de la Serna, voorzitter van het College van procureurs-generaal, van mevrouw Nadia Laouar, substituut-procureur-generaal te Luik, van mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te Bergen, en van de heer Maarten Sobrie, substituut- procureur-generaal te Antwerpen, vertegenwoordigers van het College van procureurs-generaal De heer Ignacio de la Serna, voorzitter van het College van procureurs-generaal, geeft aan dat de vertegenwoor­ digers van het College hoofdzakelijk zullen ingaan op de mensenhandel en op de afschaffing van het misdrijf van pooierschap, dat een groot probleem is. F.   Au d i t i o n d u   2 7   o c t o b r e   2 0 2 1   d e M. Ignacio de la Serna, président, Mme Nadia Laouar, substitut du procureur général à Liège, Mme Isabelle Algoet, avocat général à Mons et M. Maarten Sobrie, substitut du procureur général à Anvers, représentants du Collège des procureurs généraux; Mme Jessica Bourlet, juge et vice-présidente du tribunal de première instance d’Anvers, section Malines, représentante du Collège des cours et tribunaux; M. Dimitri de Beco et Mme Delphine Paci, représentants d’AVOCATS.BE Considérations finales de M. Damien Vandermeersch et Mme Joëlle Rozie, membres de la Commission de réforme du droit pénal 1. Procédure M. Philippe Pivin, président a.i. de la commission de la Justice, donne lecture de l’article 28, 2bis, du Règlement de la Chambre: “En cas d’auditions […], il est demandé aux orateurs de préciser explicitement au début de l’audition: 1° s’ils sont ou ont été associés à quelque autre titre que ce soit à des initiatives relatives à la législation à l’examen, et 2° s’ils sont rémunérés pour leur contribution à l’audi­ tion, et le cas échéant, par quelle instance.”. Le président a.i. invite les orateurs à répondre à ces questions. Les orateurs y répondent successivement par la négative. 2. Exposés a. Exposés de M. Ignacio de la Serna, président, Mme Nadia Laouar, substitut du procureur général à Liège, Mme Isabelle Algoet, avocat général à Mons, et M. Maarten Sobrie, substitut du procureur général à Anvers, représentants du Collège des procureurs généraux M. Ignacio de la Serna, président du Collège des procureurs généraux, indique que les représentants du Collège aborderont essentiellement la traite des êtres humains et la suppression de l’infraction de proxéné­ tisme, qui constitue un grand problème. 309 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te Bergen, stelt dat het gedeelte met betrekking tot het pooierschap in het algemeen, alsook de wisselwerking ervan met de misdrijven inzake misdrijven, niet met de nodige aandacht en zin voor nuance benaderd werd. In het hele wetsontwerp zijn hieraan immers slechts negen bladzijden gewijd. Nochtans gaat het om een bijzonder ingewikkelde situatie die genuanceerd moet worden benaderd en die onvermoede domino-effecten met zich brengt. Het College is van oordeel dat het wets­ ontwerp dit vraagstuk onvoldoende uitdiept. Bovendien kloppen enkele algemene uitgangspunten niet: zo wordt gesteld dat het pooierschapsmisdrijf niet langer be­ staansreden heeft omdat het misdrijf van mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting voorhanden is. In de praktijk speelt het begrip “pooierschap” evenwel een uitermate belangrijke rol bij onderzoeken. Een ander uitgangspunt van de indieners is dat de vergelijking met andere landen moet worden gemaakt. Nochtans worden zo appels met peren vergeleken; de rechtstoestand verschilt sterk van land tot land. Ten derde: in de omschrijving van de nieuwe pooi­ erschapsmisdrijven worden begrippen als pooierschap en mensenhandel met het oog op seksuele uitbuiting voortdurend door elkaar gehaald. Dat is een kwalijke zaak. Tot slot is het zonder meer een groot probleem dat nergens wordt verwezen naar de internationale verbin­ tenissen die België in acht moet nemen. De memorie van toelichting rept er met geen woord van dat België in 1965 is toegetreden tot het Verdrag van New York, dat een abolitionistische strekking heeft. Het is een dwaling te stellen dat prostitutie uit het strafrecht moet worden gehaald omdat zulks niet eens als misdrijf wordt gekwa­ lificeerd. De idee van het abolitionistische oogmerk is dat men moet afzien van maatregelen die een hang naar prostitutie in de hand kunnen werken. Er moet worden ingezet op preventie en reconversie. Het Verdrag van New York belet ons eender welke vorm van pooierschap te legaliseren. Het argument dat gemeentebesturen ver­ ordeningen met betrekking tot straat- en raamprostitutie uitvaardigen, hoort thuis in een ander debat. De vergelijking met Nieuw-Zeeland houdt geen steek aangezien dat land niet tot het Verdrag van New York toegetreden is. Bovendien wordt er in de memorie van toelichting niet aan herinnerd dat ons land van 1836 tot 1948 regulerend heeft opgetreden met betrekking tot de prostitutiehui­ zen. Daar is verandering in gekomen naar aanleiding van twee parlementaire onderzoekscommissies, op Mme Isabelle Algoet, avocat général à Mons, indique que le volet proxénétisme en général, et son interaction avec les infractions relatives à la traite, n’a pas bénéficié de toute l’attention et la nuance méritée. En effet, seules neuf pages abordent ces aspects dans le projet de loi. On vise pourtant une situation extrêmement complexe, qui doit être nuancée, et qui a des effets domino en cascade qu’on ne soupçonne pas. Pour le Collège, le projet de loi n’est pas suffisamment approfondi sur la question. En outre, quelques principes généraux de base sont erronés: par exemple, le fait de dire que l’infraction de proxénétisme perd sa raison d’être étant donné qu’on dispose de l’infraction de traite sexuelle. En pratique pourtant, la notion de proxénétisme est très importante dans le cadre des enquêtes. Un autre postulat de principe des auteurs est de faire des comparaisons avec d’autres pays. Cependant, cela revient à comparer des pommes et des poires. Les situations juridiques sont très différentes. Troisième élément: dans le libellé des nouvelles infractions relatives au proxénétisme, il y a une grande confusion des genres entre le proxénétisme et la traite sexuelle. C’est préjudiciable. Enfin, il y a un problème important: l’absence de mention des obligations internationales auxquelles sont tenues la Belgique. L’adhésion de la Belgique en 1965 à la Convention de New York est totalement absente de l’exposé des motifs. Celle-ci a une visée abolitionniste. C’est une hérésie de dire qu’il faut décriminaliser la prostitution, étant donné qu’elle ne constitue même pas une infraction. L’idée de la visée abolitionniste est qu’il faut s’abstenir de mesures pouvant susciter les vocations vers la prostitution. Il faut travailler sur la prévention et la reconversion. La Convention de New York nous empêche de légaliser toute forme de proxénétisme. L’argument consistant à dire que les autorités communales prennent des règlements concernant la prostitution de rue et les vitrines, relève d’un autre débat. La comparaison avec la Nouvelle-Zélande ne tient pas car celle-ci n’a pas adhéré à la Convention de New York. En outre, l’exposé des motifs ne rappelle pas que notre pays a été réglementariste de 1836 à 1948 en ce qui concerne les maisons de prostitution. Cela a fini par changer suite à deux commissions d’enquête parlementaire, au motif notamment qu’en favorisant les 2141/006 DOC 55 310 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E grond van onder meer het feit dat het bevorderen van prostitutiehuizen een voedingsbodem creëert waarop mensenhandelnetwerken kunnen gedijen. Tot slot moet men zich, alvorens alles om te gooien, terdege afvragen waar de grenzen van een regulerend systeem liggen. Nederland heeft in 2000 gereguleerd en botst nu op de grenzen van zijn eigen systeem. Het is zaak uitermate genuanceerd te werk te gaan. Volgens een Nederlandse procureur-generaal creëert de invoering van een statuut een aanzuigeffect voor georganiseerde misdaadbendes. Op die manier zijn de autoriteiten de grip op de prostitutiebuurt kwijtgespeeld. Met die gevaren moet rekening worden gehouden alvorens er met de grove borstel door te gaan. Nederland denkt er bijvoorbeeld aan de leeftijd waarop prostitutie mogelijk is, op te trekken. De heer Maarten Sobrie, substituut-procureur-generaal te Antwerpen, benadrukt dat in de gerechtelijke strijd tegen de mensenhandel de prostitutiemisdrijven nood­ zakelijk zijn. Het misdrijf mensenhandel heeft immers maar twee hoofdbestanddelen, met name de handeling en het doel, zijnde het uitbuiten van de prostitutie. In de meeste ons omringende landen zijn er echter drie hoofdbestanddelen; een middel wordt eraan toegevoegd. Onder “middel” wordt verstaan de dwang, het geweld dat wordt gepleegd om de feiten mogelijk te maken. Het misdrijf mensenhandel blijft afhankelijk van het misdrijf exploitatie van prostitutie of pooierschap. Het misdrijf “mensenhandel” naar Belgisch recht omvat dus meer dan wat op internationaal vlak wordt omschreven. De magistraten moeten echter opletten dat zij de aard van het begrip “mensenhandel” niet veranderen. Het moet worden voorkomen dat situaties die geen mensenhandel vormen, bij dat misdrijf worden ondergebracht. Als de wetgever de strafbepaling inzake prostitutie wijzigt of opheft, bemoeilijkt dit voor het openbaar mi­ nisterie en de politie de strijd tegen de mensenhandel, terwijl deze problematiek toch een nationale prioriteit van het strafrechtelijk beleid uitmaakt. Het belang van het behoud van de prostitutiemisdrijven kan worden aangetoond aan de hand van een aantal praktijkproblemen. Zo is er het probleem van bewijsvoering in dossiers van mensenhandel. Het misbruik dat volgt uit die han­ delingen is vaak moeilijk te bewijzen. Slachtoffers blijven zeer loyaal aan hun pooier en vaak kan uit hun verhoor alleen niet worden afgeleid dat er elementen zijn van mensenhandel. Vaak werken slachtoffers ook niet mee, maisons de prostitution, on forme un terreau qui alimente les réseaux de traite des êtres humains. Enfin, avant de vouloir tout révolutionner, il faudrait se renseigner réellement sur les limites d’un système réglementariste. Les Pays-Bas notamment ont réglementé en 2000 et se confrontent eux-mêmes aux limites de leur système. Il faut être très nuancé. Selon un procu­ reur général néerlandais, le fait de créer un statut crée une espèce d’appel d’air pour des bandes criminelles organisées. Cela a abouti à une perte de contrôle des autorités du quartier des prostituées. Il faut prendre en compte ces dangers avant de tout révolutionner. Les Pays-Bas envisagent ainsi de rehausser l’âge auquel la prostitution est possible. M. Maarten Sobrie, substitut du procureur général à Anvers, souligne que les infractions liées à la pros­ titution jouent un rôle essentiel dans la lutte judiciaire contre la traite d’êtres humains. L’infraction de traite à êtres humains ne repose en effet que sur deux éléments principaux, à savoir l’acte et le but – qui est d’exploiter la prostitution. Or, la plupart des pays qui nous entourent ajoutent un troisième élément: le moyen, c’est-à-dire la contrainte, la violence qui est exercée pour commettre les faits. L’infraction de traite d’êtres humains reste tributaire de l’infraction d’exploitation de la prostitution ou de proxénétisme L’infraction belge de traite des êtres humains est donc plus large que celle retenue dans les textes internationaux. Les magistrats doivent cependant être attentifs à ne pas dénaturer la notion de traite. Il faut éviter de faire entrer dans cette infraction des situations qui ne sont pas constitutives de traite. Si le législateur modifie ou supprime la disposition pénale relative à la prostitution, il sera plus difficile pour le ministère public et la police de lutter contre la traite des êtres humains, alors que cette problématique est tout de même une priorité de la politique pénale nationale. L’importance du maintien des infractions liées à la prostitution peut être démontrée à la lumière de certains problèmes pratiques. Par exemple, il y a le problème de l’administration de la preuve dans les dossiers de traite d’êtres humains. Les abus qui découlent de ces actes sont souvent diffi­ ciles à prouver. Les victimes restent très loyales envers leurs proxénètes et, souvent, on ne peut pas déduire de leur seule audition qu’il y a des éléments de traite 311 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E saboteren ze zelfs het onderzoek. Slachtoffers geven vaak ook niet aan het slachtoffer te zijn van mensenhandel. Mevrouw Isabelle Algoet voegt hieraan toe dat de slachtoffers in zaken van mensenhandel heel vaak loyaal blijven tegenover hun misbruiker. Zij willen zich niet laten helpen en rechtvaardigen de uitbuiting die zij ondergaan. Soms stellen zij zich zelfs uitermate agressief op ten aanzien van de politiediensten. Werken ze wél mee, dan worden ze door de andere meisjes aanzien als verraadsters. De heer Maarten Sobrie wijst nog op een ander pro­ bleem, met name dat slachtoffers meer en meer mobiel zijn en ze veelal niet verhoord kunnen worden omdat zij weg zijn. Een matig tot slecht verhoor kan leiden tot een veroordeling, maar geen verhoor tot helemaal geen veroordeling. De spreker verwijst vervolgens naar de Vlaamse serie “Matroesjka’s”, een serie over mensenhandel. Het gaat over taferelen die zich afspelen in de ja­ ren 1980 en 1990 en een beeld geven van een zeer zichtbare en gewelddadige vorm van mensenhandel. De laatste tien jaar is alles echter veel subtieler geworden. Uit de dader-slachtoffer-relatie spruit een win-win situ­ atie voort in de zin dat het slachtoffer naar België wordt gehaald en volgens onze normen wordt uitgebuit, doch volgens het slachtoffer zelf nog altijd beter af is dan in het land van herkomst waar werd geleefd in erbarmelijke omstandigheden. Voormelde problemen zijn legio in de opbouw van een dossier mensenhandel. Op gerechtelijk vlak zijn de prostitutiemisdrijven in de strijd tegen mensenhandel dan ook erg belangrijk. Ze geven de garantie dat tegen echt foute toestanden tot een gerechtelijk resultaat kan worden gekomen, zelfs als de bewijsvoering tekortschiet voor het misdrijf mensenhandel. Mevrouw Isabelle Algoet geeft een concreet voorbeeld van twee grootschalige pooiernetwerken met tientallen meisjes. Na twee jaar onderzoek, gevoerd op grond van het pooierschapsmisdrijf, hebben de speurders voor slechts vier meisjes een vorm van mensenhandel kunnen bewijzen. De spreekster geeft het voorbeeld van hoogst ver­ ontrustende telefoontaps in een zaak met meisjes in prostitutiehuizen. In de afgeluisterde gesprekken hebben twee zaakvoerders het onder elkaar over de verdeling van de meisjes en verwijzen ze naar die prostituees met woorden als “face de citron”, “fille immonde” en d’êtres humains. Les victimes sont souvent peu coopé­ ratives, voire sabotent l’enquête. En outre, les victimes ne signalent souvent pas qu’elles sont victimes de la traite d’êtres humains. Mme Isabelle Algoet ajoute que dans les dossiers de traite, les victimes restent souvent très loyales envers leurs abuseurs. Elles ne veulent pas se faire aider et justifient l’exploitation dont elles font l’objet. Elles sont parfois même très agressives vis-à-vis des services de police. Si elles collaborent, elles sont considérées comme des traitresses par les autres filles. M. Maarten Sobrie ajoute qu’un autre problème est que les victimes sont de plus en plus mobiles et qu’elles ne peuvent souvent pas être auditionnées parce qu’elles sont parties. Une audition de qualité moyenne, voire mauvaise peut déboucher sur une condamnation, mais pas d’audition sur aucune condamnation du tout. L’orateur évoque ensuite la série flamande “Matroesjka’s”, une série sur la traite des êtres hu­ mains. Il s’agit de scènes qui se déroulent dans les an­ nées 1980 et 1990 et qui mettent en scène une forme très visible et violente de traite des êtres humains. Au cours des dix dernières années, cependant, tout est devenu beaucoup plus subtil. Une situation gagnant-gagnant émerge de la relation auteur-victime dans le sens où la victime est amenée en Belgique et exploitée selon nos normes mais, aux yeux de la victime, elle est toujours mieux lotie que dans son pays d’origine où elle vivait dans des conditions misérables. Ces problèmes se rencontrent à la pelle lors de la constitution d’un dossier sur la traite des êtres humains. Sur le plan judiciaire, les infractions liées à la prostitution occupent dès lors une place très importante dans la lutte contre la traite des êtres humains. Elles garantissent de pouvoir aboutir à un résultat judiciaire face à des situa­ tions vraiment dramatiques, même si les preuves sont insuffisantes pour l’infraction de traite des êtres humains. Mme Isabelle Algoet donne un exemple concret. Il s’agissait de deux réseaux de proxénétisme lourds avec des dizaines de filles. Après deux ans d’enquête, sur base de l’infraction de proxénétisme, les enquêteurs sont parvenus à prouver une forme de traite pour 4 filles seulement. L’oratrice donne l’exemple d’écoutes téléphoniques très interpellantes dans un dossier concernant des filles dans des maisons de prostitution. Dans ces écoutes, deux associés parlent entre eux de la répartition des filles, en utilisant les termes de “face de citron”, de “fille immonde” ou de “poubelles” pour parler de ces 2141/006 DOC 55 312 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “poubelles”. Jammer genoeg kunnen die personen niet worden geïdentificeerd. In dit verband kan artikel 380, 1°, 2° en 4°, heel dienstig zijn. De twee jaren van onderzoek en van voorlopige hech­ tenis konden in dit dossier worden gerechtvaardigd op grond van het pooierschapsmisdrijf. Doorgaans volgen de bewijselementen voor mensenhandel immers later. Het pooierschapsmisdrijf is een basismisdrijf waarmee de speurders aan de slag kunnen gaan en andere mis­ drijven, zoals het voeren van een criminele organisatie of het witwassen van geld, op het spoor kunnen komen. Dergelijke onderzoeken zijn moeilijk en bijzonder tijd­ rovend. Dit basismisdrijf is dus heel belangrijk. Mocht bovendien de wet worden gewijzigd, dan moeten de lopende onderzoeken worden herbekeken in het licht van de nieuwe wet, wat hoogst ingewikkeld zal zijn. Zulks zal een sneeuwbaleffect op gang brengen waarop misschien nog niet is ingegaan. Artikel 380, 4°, is echt heel waardevol. In de memorie van toelichting staat te lezen dat het feit dat het slachtoffer zich niet aan de uitbuiting kan onttrekken, determinerend is; zulks gaat echter regelrecht in tegen elke rechtspraak waarop de speurders zich beroepen. Dat sluit geenszins aan bij de strekking van artikel 380, 4°, van het Strafwetboek. De heer Maarten Sobrie merkt op dat niet alleen de exploitatie van prostitutie maar ook het houden van een huis van ontucht een belangrijk misdrijf uitmaakt in de strijd tegen mensenhandel. Toen werd vastgesteld dat dergelijke huizen een broeihaard zijn voor misbruik, werd in 1948 het misdrijf ingevoerd. Niets wijst er echter op dat de situatie nu anders zou zijn. Integendeel, in de gemeenschappelijke Europese markt zal de legalisering van een huis van ontucht een lokroep zijn. De spreker gaat ervan uit dat dit ook vrij snel gekend zal zijn in Bulgaarse en Roemeense netwerken die via het vrij verkeer van personen en diensten en moge­ lijks via detachering vanuit Oost-Europa daar gebruik van zullen maken om zich op de Belgische markt te storten. Nederland is België daarin voorafgegaan. Uit Nederlandse studies is gebleken dat de legale markt er wordt ingepalmd door criminele netwerken en dat de controle erop verloren is gegaan. Door de legalisering van het misdrijf “houden van een huis van ontucht” zul­ len de parketten ook geen strafrechtelijk beleid meer kunnen voeren ten aanzien van deze etablissementen. Vandaag worden er systematische controles van bordelen gevoerd die vaak excessen van mensenhandel aan het licht brengen. Dergelijke controles doen de betrokkenen er ook aan herinneren dat er strafbepalingen spelen. Het openbaar ministerie houdt aldus de vinger aan de pols en maakt het mogelijk om een centraal beleid te sturen. Mocht deze strafbepaling worden opgeheven, dan staat prostituées. Malheureusement, il est impossible d’iden­ tifier ces personnes. Les articles 380, 1°, 2° et 4°, sont très utiles à cet égard. Les deux ans d’enquête et de détention préventive ont pu être justifiés dans ce dossier grâce à l’infraction de proxénétisme. En effet, les éléments de traite viennent souvent par la suite. Les infractions de proxénétisme sont des infractions de base qui permettent aux enquêteurs de travailler et de retenir d’autres infractions, comme l’organisation criminelle ou le blanchiment d’argent. Ces enquêtes sont difficiles et très chronophages. Cette infraction de base est donc essentielle. En outre, si la loi est modifiée, les enquêtes en cours devront être reconsidérées en fonction de la nouvelle loi, ce qui sera très compliqué. Cela aura un effet boule de neige qui n’a peut-être pas été examiné. L’article 380, 4°, est vraiment très précieux. La mention, dans l’exposé des motifs, selon laquelle le fait que la victime ne puisse échapper à sa situation d’exploitation est déterminant, va totalement à l’encontre de toutes les jurisprudences invoquées par les enquêteurs. Ce n’est pas du tout l’idée de l’article 380, 4° du Code pénal. M. Maarten Sobrie indique que non seulement l’exploi­ tation de la prostitution mais aussi la tenue d’une maison de débauche constituent une infraction importante dans la lutte contre la traite des êtres humains. Lorsqu’il a été établi que ces maisons constituaient un terrain propice aux abus, l’infraction a été introduite en 1948. Toutefois, rien ne permet de penser que la situation serait différente aujourd’hui. Au contraire, dans le mar­ ché commun européen, la légalisation d’une maison de débauche constituera un attrait. L’orateur part du principe que les réseaux bulgares et roumains seront rapidement informés de cette légalisation et qu’ils s’en serviront pour s’installer sur le marché belge en recourant à la libre circulation des personnes et des services, voire en détachant du personnel provenant de l’Europe de l’Est. À cet égard, les Pays-Bas ont devancé la Belgique. Il ressort d’études néerlandaises que des réseaux criminels se sont emparé du marché légal et que tout contrôle a disparu. Si l’infraction “tenue d’une maison de débauche” est légalisée, les parquets ne pourront plus mener de politique criminelle à l’encontre de ces établissements. Aujourd’hui, les maisons de prostitution font l’objet de contrôles systématiques qui révèlent souvent des abus relevant de la traite des êtres humains, et ces contrôles rappellent aux personnes concernées que des dispositions pénales s’appliquent. Le ministre public surveille donc cette problématique, ce qui permet d’élaborer une politique centrale. Si ces dispositions pénales devaient être abolies, rien ne les 313 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E er niets tegenover in de plaats. Deze problematiek op bestuurlijk niveau houden, met de burgemeester, zal leiden tot een lappendeken van visies, wat in de kaart speelt van diegenen die misbruik willen maken van de mogelijkheden die zich voordoen. Mevrouw Isabelle Algoet beklemtoont eveneens de noodzakelijke capaciteit om een eventuele explosie van het fenomeen het hoofd te kunnen bieden. De situatie is nijpend. Zo moest de afdeling Mensenhandel van de gerechtelijke politie in Charleroi worden gesloten door een gebrek aan personeel. In Doornik en Bergen zijn ze in theorie met tien, maar in werkelijkheid zijn ze slechts met zes; bovendien moeten zij niet alleen mensenhandel­ dossiers behandelen, maar zich ook in heel wat andere zaken verdiepen. Gent kampt met hetzelfde probleem. De heer Maarten Sobrie stipt aan dat in de memorie van toelichting wordt aangehaald dat de gemeentelijke reglementen ter zake van Antwerpen, Gent, Luik enzo­ voort contra legem zijn. Dit is volgens de spreker een foute aanname, aangezien de gemeenten op basis van de gemeentewet wel degelijk bevoegd zijn om, zodra de openbare orde wordt aangetast, de zichtbare aspecten van prostitutie te reglementeren. Het fenomeen wordt met deze regelementen beperkt tot bepaalde straten of het wordt uit de buurt van scholen gehouden. Prostitutie is an sich niet strafbaar; in die zin is er dan ook geen gedoogbeleid van de gemeenten. Iemand mag zichzelf prostitueren of zijn eigen bordeel uitbaten, zolang er niet iemand anders bij wordt betrokken. Die reglementen treden niet op het terrein van de huidige prostitutiemis­ drijven. Er is rechtspraak van het Hof van Cassatie, de Raad van State en de hoven en rechtbanken die heb­ ben geoordeeld dat deze reglementen, die vaak worden gezien als een gedoogbeleid, niet contra legem zijn. Mevrouw Isabelle Algoet gaat in op de formulering van de nieuwe artikelen in het wetsontwerp. Het opschrift “misbruik van prostitutie” doet op zich al een probleem rijzen. Het leidt tot verwarring, terwijl een dergelijke aangelegenheid net alle helderheid vereist. Bovendien wordt de rol van chauffeurs, boekhouders en verzeke­ raars benadrukt. Het College vraagt zich sceptisch af of die betrokkenen wel moeten worden vervolgd; zij zetten immers geenszins aan tot prostitutie. Een prostituee heeft volkomen het recht een boekhouder te raadplegen, net zoals zij het recht heeft een taxi te nemen. Een chauffeur zou daarentegen wel kunnen worden vervolgd in zeer specifieke gevallen, bijvoorbeeld wanneer de zoon van het hoofd van een prostitutienetwerk uit Brazilië is over­ gekomen om hier als vaste chauffeur van een criminele organisatie aan de slag te gaan. In dat geval kan men spreken van deelname aan exploitatie van prostitutie. remplacerait. La gestion de cette problématique au niveau administratif, en collaboration avec le bourgmestre, aboutira à un patchwork, ce qui avantagera ceux qui entendent abuser des possibilités qui se présentent. Mme Isabelle Algoet insiste aussi sur la capacité à gérer un risque d’explosion du phénomène. La situation est très difficile. La section TEH de la police judiciaire de Charleroi par exemple a dû être fermée par manque d’effectifs. À Tournai et Mons, ils sont 10 en théorie, mais en pratique ils ne sont que 6 pour s’occuper non seulement de traite mais aussi d’un tas d’autres choses. A Gand, le problème est identique. M. Maarten Sobrie souligne que l’exposé des motifs indique que les règlements communaux d’Anvers, de Gand, de Liège etc. sont contra legem en la matière. Selon l’orateur, cette interprétation est erronée, car, en vertu de la loi communale, les communes sont bien compétentes pour réglementer les aspects visibles de la prostitution dès que l’ordre public est troublé. Ces règlements cantonnent ce phénomène à certaines rues ou le tiennent à l’écart du quartier des écoles. La prostitution n’étant pas punissable en tant que telle, les communes ne mènent dès lors pas une politique de tolérance. Toute personne peut se prostituer ou exploiter sa maison de prostitution, tant qu’aucune autre personne n’est associée à cette activité. Ces règlements ne s’appliquent pas aux infractions actuelles liées à la prostitution. Il existe une jurisprudence de la Cour de cassation, du Conseil d’État et des cours et tribunaux selon laquelle ces règlements, qui sont souvent consi­ dérés comme des formes de politique de tolérance, ne sont pas contra legem. Mme Isabelle Algoet en vient à la formulation des nouveaux articles dans le projet de loi. L’intitulé “Abus de prostitution” est déjà problématique. Cela entraîne une confusion des genres, alors même qu’il s’agit d’un type de matière où il faut faire preuve d’une grand clarté. En outre, un focus est mis sur les chauffeurs, les comptables ou encore les assureurs. Le Collège est très sceptique quant à l’opportunité de poursuivre ce type de personnes. En effet, il ne s’agit nullement d’incitation à la prostitu­ tion. Une prostituée a parfaitement le droit d’aller voir un comptable, comme elle a le droit de prendre un taxi. Par contre, un chauffeur pourra être poursuivi dans des cas bien particuliers, par exemple dans le cas où le fils d’une dirigeante d’un réseau de prostitution est venu du Brésil pour devenir le chauffeur attitré de l’organisation criminelle. Il s’agit alors d’un acte de participation à l’exploitation de la prostitution. 2141/006 DOC 55 314 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Maarten Sobrie uit vervolgens kritiek op de formulering van het nieuwe artikel 433quater/1 van het Strafwetboek (het nastreven van een abnormaal voor­ deel door de prostitutie van een ander persoon) en stelt dat de formulering van het dwingen van een persoon om zich te prostitueren buiten de in de wet bepaalde gevallen niet adequaat is. Het zou immers betekenen dat gedwongen prostitutie wettelijk mogelijk wordt gemaakt. Het gebruik van de woorden “dwingen” en “verhinderen” is tegenstrijdig met het feit dat het misdrijf zelfs met toestemming van het slachtoffer kan plaatsvinden. De formulering zal dan ook alleen maar aanleiding geven tot problemen. Als er sprake is van “dwingen” en “ver­ hinderen”, dan gaat het over handelingen die thuishoren in het misdrijf mensenhandel. Ook in het nieuwe artikel 433quater/5 (verzwaard misbruik van prostitutie) worden deze woorden gebruikt, wat een dubbel gebruik inhoudt. Derhalve is het wenselijk deze woorden op te heffen in 433quater/1. Wat de artikelen 433quater/5 en /6 betreft, merkt de spreker op dat het gaat over verzwarende omstandighe­ den die als een zelfstandig misdrijf worden geformuleerd, wat zeer vreemd is voor de kwalificatie van de feiten en de strafvervolging. Artikel 433quater/1 betreft het aanzetten tot prostitutie en wordt uitgelegd aan de hand van de notie “publiciteit maken”. De vraag rijst dan ook of de bewoordingen van dat artikel dezelfde betekenis hebben als in arti­ kel 433quater/3 (het aanzetten tot het zich prostitueren). Worden de bewoordingen in voorkomend geval niet al te zeer beperkt? Mevrouw Isabelle Algoet gaat ook nader in op ar­ tikel 433quater/4, betreffende het nastreven van een “abnormaal voordeel”, wat een uiterst vaag begrip is. Die vaagheid komt enkel de pooier ten goede en maakt het heel moeilijk bewijzen aan te voeren. De speurders worden hiermee al geconfronteerd in het kader van vastgoed dat voor prostitutiedoeleinden wordt beheerd en waarbij moet worden bewezen dat een pand wordt verhuurd met de intentie er een abnormaal vermogens­ voordeel uit te halen. Op basis waarvan zal men dat abnormale voordeel bewijzen bij exploitatie van prostitutie? In een boek­ houdkundige balans kan men immers aangeven wat men wil. Het is heel moeilijk concreet te bewijzen dat die activiteiten een voordeel hebben kunnen opleveren. Hoe kan men uitzoeken wat er écht schuilgaat achter een fake boekhoudkundige balans? Ensuite, M. Maarten Sobrie critique la formulation du nouvel article 433quater/1 du Code pénal (concernant la recherche d’un avantage anormal par la prostitution d’une autre personne) et indique que la formulation de la contrainte d’une personne à se prostituer en dehors des cas prévus par la loi n’est pas adéquate dès lors qu’elle signifierait que la prostitution forcée serait légalement autorisée. L’utilisation des mots “contraindre” et “empê­ cher” est en contradiction avec le fait que cette infraction peut même être commise avec le consentement de la victime. Cette formulation ne constituera dès lors qu’une source de problèmes. Des mots comme “contraindre” et “empêcher” désignent des actes relevant d’infractions de traite des êtres humains. Ces mots sont également utilisés dans le nouvel article 433quater/5 (concernant l’abus aggravé de la prostitution), cette formulation étant à double sens. En conséquence, il serait souhaitable de supprimer ces mots à l’article 433quater/1. En ce qui concerne les articles 433quater/5 et /6, l’orateur souligne qu’il y est question de circonstances aggravantes formulées comme si elles constituaient une infraction à part entière, ce qui est très étrange pour la qualification des faits et les poursuites pénales. L’article 433quater/1 concerne l’incitation à la prostitu­ tion. Elle est définie à l’aide de la notion de publicité. La question se pose dès lors de savoir si la terminologie de cet article a le même sens que celle de l’article 433qua­ ter/3 (incitation à la prostitution). Le cas échéant, ces for­ mulations ne seraient-elles pas beaucoup trop restreintes? Mme Isabelle Algoet commente aussi l’article 433qua­ ter/4, concernant la recherche d’un avantage anormal. Il s’agit d’une notion extrêmement floue. Ce flou ne béné­ ficie qu’au proxénète et il rend la charge de la preuve très ardue. Les enquêteurs sont déjà confrontés à ce problème concernant le proxénétisme immobilier, où il faut établir que la location a été donnée dans l’intention de faire un avantage patrimonial anormal. Sur quoi va-t-on se baser pour établir cet avantage anormal en ce qui concerne l’exploitation de la pros­ titution? On peut faire dire ce qu’on veut à un bilan comptable. Il est très difficile d’établir concrètement ce que cela a pu générer comme avantage. Comment aller chercher la réalité des choses qui se cache derrière un bilan comptable de façade? 315 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Bovendien gaan de netwerken steeds subtieler te werk bij die exploitatie, waarbij ze streven naar een win-winsituatie. Indien het meisje een in haar ogen hoog inkomen heeft, zal ze niet willen meewerken. De inbreuken op artikel 380, 2° en artikel 380, 4°, staan centraal in de onderzoeken. De heer Maarten Sobrie stelt vast dat er een globale versterking is van de bescherming van minderjarigen, wat een goede zaak is. Hij wijst er evenwel op dat het ter beschikking stellen van een lokaal aan een minderjarige overeenkomstig de nieuwe bepalingen geen abnormaal profijt meer vereist. Er is ook de uitbreiding van de strafbaarstelling van het aanzetten tot prostitutie wat advertenties betreft. Er zijn ook de strafverzwaringen. Het komt evenwel vreemd over dat minderjarigen tot 17 jaar en 11 maanden goed worden beschermd, maar dat zij vanaf 18 jaar in een vacuüm terechtkomen, terwijl er niet zoveel is veranderd aan bijvoorbeeld de kwetsbaarheid van jonge meisjes. Op strafrechtelijk vlak wordt het dan moeilijker om in voorkomend geval onderzoeken naar menshandel te voeren. De spreker stipt aan dat het inzake het element min­ derjarigheid volgens het College van procureurs-generaal niet nodig is om de bewijslast om te keren, maar dat een verduidelijking op zijn plaats is. In de parlementaire stukken van de wet van 1995 werd duidelijk gesteld dat er geen onderscheid mag worden gemaakt tussen daders die op de hoogte waren van de leeftijd van de kinderen en daders die doen of ze het niet weten. Het College dringt er dan ook op aan dat dit in het kader van het ter bespreking voorleggende wetsontwerp duidelijk wordt herhaald. Tot slot vestigt de heer Sobrie de aandacht van de leden op de volgende incoherentie: de strafverzwaringen op de prostitutiemisdrijven ten aanzien van minderjarigen komen in een wanverhouding te staan tot de straffen op mensenhandel ten aanzien van minderjarigen, terwijl dit laatste een intrinsiek zwaarder misdrijf is. Ook wordt er in het wetsontwerp voor alle zedenmisdrijven ten aan­ zien van minderjarigen een systematisch onderscheid gemaakt tussen -16 jarigen en +16 jarigen terwijl het misdrijf mensenhandel op dit punt ongemoeid wordt gelaten; dat laatste is echter ook een zedenmisdrijf wanneer het over seksuele uitbuiting gaat. Mevrouw Nadia Laouar, substituut-procureur-generaal te Luik, looft het gedane werk, maar benadrukt dat er in het veld geen vraag was naar een herziening van het seksueel strafrecht. Het bestaande wettenarsenaal volstaat immers voor een doeltreffende aanpak van de vele mogelijke inbreuksituaties. Bovendien mag niet En outre, les réseaux évoluent vers une forme beau­ coup plus subtile d’exploitation avec du win-win. Si la fille a des revenus qui représentent beaucoup pour elle, elle ne va pas vouloir collaborer. Les infractions de l’article 380, 2° et de l’article 380, 4°, sont donc des notions clés dans le cadre des enquêtes. M. Maarten Sobrie constate un renforcement géné­ ral de la protection des mineurs, ce dont il se réjouit. Il souligne toutefois que selon les nouvelles disposi­ tions, l’intention de réaliser un profit anormal n’est plus requise lorsqu’un local est mis à la disposition d’un mineur. L’orateur évoque également l’élargissement de l’incrimination de l’incitation à la prostitution par voie d’annonces, ainsi que l’alourdissement des peines. Il lui paraît toutefois étrange que les mineurs soient bien protégés jusqu’à l’âge de 17 ans et 11 mois, mais qu’à partir de 18 ans, ils sortent du champ d’application, alors que peu de choses ont changé en ce qui concerne, par exemple, la vulnérabilité des jeunes filles. En termes de droit pénal, il devient alors plus difficile de mener des enquêtes sur la traite des êtres humains. L’orateur souligne qu’en ce qui concerne la question de la minorité, le Conseil des procureurs généraux estime qu’il n’est pas nécessaire de renverser la charge de la preuve mais qu’une clarification serait la bien­ venue. Les documents parlementaires relatifs à la loi de 1995 indiquent clairement qu’aucune distinction ne peut être faite entre les auteurs qui étaient conscients de l’âge des enfants et ceux qui font comme s’ils ne le savaient pas. Le Collège demande donc avec insistance que cet élément soit clairement répété dans le cadre du projet de loi à l’examen. Enfin, M. Sobrie attire l’attention des membres sur l’incohérence suivante: l’alourdissement des peines pour les infractions de prostitution à l’égard de mineurs est disproportionné par rapport aux peines infligées en cas de traite commise à l’encontre de victimes mineures, alors qu’il s’agit d’infractions intrinsèquement plus graves. De même, pour toutes les infractions à caractère sexuel commises contre des mineurs, le projet de loi fait une distinction systématique entre les moins de 16 ans et les plus de 16 ans, alors que, sur ce point, le projet ne vise pas l’infraction de traite des êtres humains, bien qu’il s’agisse également, dans le cas d’une exploitation sexuelle, d’une infraction à caractère sexuel. Mme Nadia Laouar, substitut du procureur général à Liège, salue le travail réalisé mais souligne qu’il n’y avait pas une demande du terrain de revoir notre droit pénal sexuel. L’arsenal juridique existant est en effet suffisant pour répondre efficacement à l’éventail des situations infractionnelles qui se présentent. Il ne faut 2141/006 DOC 55 316 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E worden vergeten dat gemeenrechtelijke inbreuken als belaging of afpersing een voldoende ruime strekking hebben om nieuwe verschijnselen aan te pakken. Die herziening houdt het risico in dat nieuwe begrippen worden ingevoerd die door de rechtspraak nog niet werden geïnterpreteerd. In die context zal de memorie van toelichting een heel belangrijk instrument zijn voor de rechters, terwijl de redactie ervan niet optimaal is. Het is een opsomming van copy-paste-fragmenten die op alomvattende wijze zou moeten worden herzien. Het begrip “aantasting van de seksuele integriteit” zou in de plaats komen van het huidige begrip “aanranding van de eerbaarheid”. Dat nieuwe begrip wordt als een restcategorie beschouwd, hoewel dat uiteindelijk minder geldt dan voor het huidige begrip van aanranding van de eerbaarheid, dat door de rechtspraak dusdanig is ingevuld dat ook nieuwe vormen van misbruik kunnen worden aangepakt. Bijgevolg zal elk nieuw verschijnsel dat opduikt duidelijker moeten worden benaderd, wat niet zonder gevaar is. Voorts is de toestemming feitelijk reeds een centraal begrip in ons seksueel strafrecht. De rechtspraak heeft begrippen als geweld, list, verrassing en bedreiging afgebakend. Het gerecht kan dus omgaan met al die situaties van seksuele handelingen waarvoor geen toestemming werd gegeven. Het probleem is niet zozeer de omschrijving van de inbreuken of van de toestemming, maar wel de bewijslast. Momenteel wordt 95 % van de zaken geseponeerd om technische redenen. De in uitzicht gestelde herziening zal daaraan niets veranderen. Het is uiteraard cruciaal dat het openbaar ministerie zeer nauwgezet onderzoek voert en met grote precisie de bewijselementen van alle aard verzamelt en aan­ wendt, maar men moet ook kunnen toegeven dat de moeilijkheid om de feiten te bewijzen inherent is aan de materie, want een en ander speelt zich per definitie meestal af in de verborgen sfeer. Door de toestemming uitdrukkelijk als kernbegrip in de wet te verankeren, stuurt men weliswaar een duidelijke boodschap uit, maar het strafrecht kan op zich geen mentaliteitsverandering teweegbrengen; dat is ook niet de doelstelling ervan. Er moet dus ook werk worden ge­ maakt van preventie en opvoeding. De spreekster heeft vragen bij het begrip “seksueel zelfbeschikkingsrecht”. Waar slaat dit precies op? Het strafrecht heeft niet tot doel de rechten te verankeren, maar grenzen af te bakenen. Het is de bedoeling een duidelijke boodschap uit te sturen, maar in de praktijk is die boodschap niet zo duidelijk. De definitie van toestemming is minder helder pas en outre oublier la portée d’infractions de droit commun comme le harcèlement ou l’extorsion, qui permettent d’appréhender de nouveaux phénomènes. Cette refonte présente le risque d’introduire de nouvelles notions qui n’ont pas encore été interprétées par la juris­ prudence. Dans ce contexte, l’exposé des motifs sera un élément très important pour les juges, alors que sa qualité de rédaction n’est pas optimale. Il présente une succession de copier-collers et il mériterait d’être revu de façon globale. La notion d’ “atteinte à l’intégrité sexuelle” remplacera la notion actuelle d’“attentat à la pudeur”. Cette nouvelle notion est envisagée comme une catégorie résiduaire, mais elle parait finalement moins résiduaire que la notion d’attentat à la pudeur actuelle, à laquelle la jurisprudence a donné des contours permettant la prise en compte de nouveaux phénomènes de comportements abusifs. Il faudra par conséquent mieux envisager chaque nouveau phénomène émergent, ce qui est dangereux. Par ailleurs, le consentement est déjà dans les faits une notion centrale de notre droit pénal sexuel. La juris­ prudence a donné des contours à des notions telles que la violence, la ruse, la surprise ou encore la menace. La justice est donc en mesure de répondre à toutes les situations d’actes sexuels non consentis. La difficulté se situe plutôt au niveau de la preuve et pas de la définition des infractions ou de celle du consentement. On en est d’ailleurs à un taux de 95 % de classements sans suite pour des motifs techniques. La révision proposée n’y changera rien. S’il est bien évidemment capital que le ministère public veille à mener des enquêtes rigoureuses, à recueillir et exploiter rigoureusement les éléments de preuve de toute nature, il faut pouvoir admettre également que la difficulté de rapporter la preuve est intrinsèque à la matière, à ce qui se passe par définition à l’abri des regards la plupart du temps. L’avantage de consacrer explicitement le consentement comme une notion cardinale est d’adresser un message clair aux personnes, cependant, le droit pénal ne peut pas à lui seul changer les mentalités et ce n’est pas son objectif. Il faut donc aussi un travail de prévention et d’éducation. L’oratrice s’interroge sur la notion de droit à l’autodétermination sexuelle. À quoi renvoie-t-elle exactement? Le droit pénal a pour vocation non pas de consacrer des droits mais bien de fixer des limites. Il y a une volonté d’adresser un message clair, mais le message n’est pas si clair en réalité. La définition du consentement n’est pas si claire que cela. On le 317 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dan het lijkt. Ze gaat uit van het eigenlijke begrip “toe­ stemming”, zonder evenwel te vermelden waarop die toestemming betrekking heeft. Men zou het misschien kunnen hebben over een vrijwillig gegeven instemming met een seksuele handeling, maar omdat het de bedoe­ ling is in hetzelfde hoofdstuk bepalingen op te nemen inzake voyeurisme en de verspreiding van beelden die door een voyeur werden gemaakt, is het moeilijk tot een synthese te komen van het voorwerp van die toestemming. De boodschap inzake de leeftijd van de seksuele meerderjarigheid is evenmin heel duidelijk: er zou een aanpassing komen voor minderjarigen van veertien tot zestien jaar en er is sprake van een leeftijdsverschil van maximaal twee jaar. Dat is weliswaar een heel bescher­ mende maatregel, maar de vraag rijst hoe dat verschil in de praktijk zal worden berekend. Bovendien zal dit tot gevolg hebben dat het seksueel gedrag van een aantal jongeren zal worden gecriminaliseerd. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het de bedoeling is alleen handelingen die misbruik vormen, strafbaar te stellen, maar de doelstelling om een duidelijke boodschap uit te sturen wordt in dat geval niet waargemaakt. Voorts mag niet uit het oog worden verloren dat het openbaar ministerie niet altijd de mogelijkheid heeft om de wen­ selijkheid van vervolging te beoordelen. Voorts zijn de begrippen van vertrouwen en invloed ten aanzien van de minderjarige heel ruim opgevat en moeilijk toepasbaar. Ook in dezen wordt een en ander er niet bepaald duidelijker op. Mevrouw Laouar gaat nader in op de mogelijkheid voor de minderjarige om zijn toestemming te geven voor de verspreiding en de afstemming van deze bepaling op die met betrekking tot kinderpornografie, die versprei­ ding van seksueel misbruik zou worden genoemd. De wet zou dus voortaan een alleen op kinderpornografie toepasselijke rechtvaardigingsgrond bevatten op basis waarvan de minderjarigen ouder dan zestien jaar met onderlinge toestemming hun seksuele handelingen zul­ len filmen en de opnames onderling zullen uitwisselen. Het onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestemming voor de verspreiding van voyeuristische beelden, dat thans geldt voor minderjarigen jonger dan achttien jaar, werd echter niet in de hervorming opgeno­ men. Er rijzen meerdere vragen waarop de uitgebreide uitleg in de memorie van toelichting geen antwoord biedt. De spreekster meent te begrijpen dat de algemene bepalingen inzake toestemming van toepassing zijn op deze inbreuk, die in dezelfde afdeling is opgenomen. Kan de minderjarige instemmen met de verspreiding van beelden vanaf de leeftijd van zestien jaar? Hoe zit het met minderjarigen tussen veertien en zestien jaar? Hoe zit het met de mogelijkheid voor minderjarigen om in te stemmen met de verspreiding naar derden? définit en partant de la notion même de consentement, et sans mentionner l’objet de ce consentement. On pourrait peut-être parler d’un accord librement donné sur un acte à caractère sexuel, mais vu la présence des dispositions relatives au voyeurisme et à la diffusion des images issues du voyeurisme dans le même chapitre, il est difficile de synthétiser l’objet de ce consentement. Le message n’est pas très clair non plus concernant l’âge de la majorité sexuelle: il y a un correctif pour les mineurs de 14 à 16 ans et une référence à une différence d’âge de maximum 2 ans. L’avantage, c’est que c’est très protecteur. L’inconvénient, outre la question de savoir comment cela va être calculé en pratique, est que cela va avoir pour effet de criminaliser le comportement sexuel d’un certain nombre de jeunes. L’exposé des motifs indique que l’objectif est de criminaliser uniquement les comportements abusifs mais dans ce cas on n’atteint pas l’objectif d’envoyer un message clair. Il convient par ailleurs de ne pas perdre de vue que le ministère public n’a pas toujours la possibilité de juger de l’opportunité des poursuites. Par ailleurs, les notions de confiance et d’influence à l’égard du mineur sont très larges et difficiles à appliquer. Ici aussi, on ne va pas clarifier les choses. Mme Laouar revient sur la possibilité pour le mineur de donner son consentement à la diffusion et l’articulation de cette disposition avec celles relatives à la pédopor­ nographie, qu’on appellera diffusion d’abus sexuels. On introduit donc une cause de justification, relativement à la pédopornographie uniquement, pour les mineurs de plus de 16 ans qui, de façon consentie, vont filmer leurs ébats et s’échanger les contenus. Cependant, on n’a pas repris la présomption irréfragable de non-consentement qui existe à l’heure actuelle en matière de diffusion des images issues du voyeurisme pour les mineurs de moins de 18 ans. Plusieurs questions se posent, auxquelles la lecture des longs développements de l’exposé des motifs n’apporte pas de réponse. Je crois comprendre que les dispositions générales relatives au consentement sont applicables aux dispositions relatives au voyeurisme, qui sont contenues dans la même section. Mais comment les comprendre? Le mineur peut-il consentir à la diffusion des images à partir de l’âge de 16 ans? Quid pour les mineurs entre 14 et 16 ans? Qu’en est-il de la possibilité pour les mineurs de consentir à la diffusion à des tiers? 2141/006 DOC 55 318 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het begrip “ontbloot” wordt heel ruim geïnterpreteerd; het zou uiteindelijk zelfs van toepassing zijn op het gezicht. De verwijzing naar het seksuele karakter van voyeurisme zou volledig verdwijnen. Al die aspecten zullen de zaken in de praktijk heel ingewikkeld maken. Wat incest betreft, is er een bereidheid de zaken bij naam te noemen. Niettemin wordt dat begrip voorbe­ houden voor minderjarige slachtoffers, waardoor de doelstelling misschien opnieuw wordt gemist. Mevrouw Laouar stelt ten slotte voor dat de persoon die tot penetratie wordt gedwongen zelf als slachtoffer van verkrachting kan worden gezien, wat in het huidige Strafwetboek niet het geval is. De spreekster vraagt zich af of er geen verwarring is tussen de termen “met behulp van een welbepaald persoon” en de termen “met de hulp van een persoon”. b. Uiteenzettingen van mevrouw Jessica Bourlet, rechter-ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Mechelen, vertegenwoordigster van het College van de hoven en rechtbanken Mevrouw Jessica Bourlet merkt op dat zij de bezorgd­ heden van het College van procureurs-generaal deelt. Zij overloopt vervolgens uit de schriftelijke nota die zij aan de commissie heeft bezorgd enkele krachtlijnen die voornamelijk betrekking hebben op de misdrijven van verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, aantas­ ting van de seksuele integriteit en de problematiek van afbeeldingen van minderjarigen. De spreekster merkt op dat op dit punt, alsook inzake de bepalingen van kin­ derporno, het ter bespreking voorliggende wetsontwerp getuigt van een moderne insteek. Het benadrukken van het seksueel zelfbeschikkingsrecht en de individuele seksuele autonomie getuigt van een modernere visie tegenover het huidige strafrecht. Het wetsontwerp zal de magistraten dan ook meer armslag geven bij de aanpak van seksuele misdrijven en biedt de mogelijkheid de slachtoffers beter te bejegenen. Ondanks het feit dat één op de drie vrouwen erva­ ring heeft met fysiek of seksueel geweld, zijn seksuele misdrijven en de aanpak daarvan lange tijd onderbelicht geweest. Zeer terecht is er hierin een kentering gekomen en staat de aanpak van seksuele misdrijven hoog op de agenda. Het feit dat thans beter de verwoestende gevolgen van seksuele misdrijven op slachtoffers (en hun omgeving) kunnen worden ingeschat, heeft al­ leen maar bijgedragen tot het bewustwordingsproces Une interprétation très large est donnée à la notion de “dénudé”, qui vaudrait finalement même pour le visage, sans plus aucune référence au caractère sexuel du voyeurisme. Tous ces éléments vont rendre les choses très com­ pliquées en pratique. Pour l’inceste, il y a une volonté de nommer les choses. Cependant, on réserve cette appellation aux victimes mineures, ce qui passe peut-être à nouveau à côté de l’objectif. Mme Laouar suggère enfin que la personne qui est contrainte de réaliser une pénétration puisse elle-même être considérée comme une victime de viol, ce qui n’est pas le cas dans le code pénal actuel. Elle se demande s’il n’y a pas d’ailleurs une confusion entre les termes “à l’aide de la personne de” et les termes “avec l’aide d’une personne”. b. Exposés de Mme Jessica Bourlet, juge et vice- présidente du tribunal de première instance d’Anvers, section Malines, représentante du Collège des cours et tribunaux Mme Jessica Bourlet fait observer qu’elle partage les préoccupations du Collège des procureurs généraux. Elle passe ensuite en revue quelques lignes de force de la note écrite qu’elle a remise à la commission, lignes de force qui concernent principalement les infractions de viol, d’attentat à la pudeur et d’atteinte à l’intégrité sexuelle, ainsi que la problématique des images de mineurs. L’oratrice fait observer que le projet de loi à l’examen témoigne d’une approche moderne à cet égard, de même qu’en ce qui concerne les dispositions relatives à la pédopornographie. L’accent qui est mis sur le droit à l’autodétermination sexuelle et l’autonomie sexuelle indi­ viduelle témoigne d’une vision plus moderne par rapport au droit pénal actuel. Le projet de loi procurera dès lors une plus grande marge de manœuvre aux magistrats en matière de lutte contre les infractions sexuelles et permettra d’améliorer l’assistances aux victimes. Bien qu’une femme sur trois ait été confrontée à la violence physique ou sexuelle, les infractions sexuelles et la lutte contre ces dernières ont longtemps été relé­ guées au second plan. Un revirement tout à fait justifié s’est produit à cet égard et la lutte contre les infractions sexuelles constitue désormais une priorité. Le fait qu’il est à présent possible de mieux évaluer les conséquences dévastatrices des infractions sexuelles sur les victimes (et leur entourage) n’a fait que contribuer au processus 319 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E inzake het belang van een accurate aanpak, ook in de juridische wereld. Echter dient te worden vastgesteld dat tot op vandaag de aangiftecijfers van seksuele misdrijven laag liggen (in regio’s met een zorgcentrum zijn er wel meer aangiftes). Hiervoor zijn meerdere factoren; naast schaamte, schuld en angst, loyauteit ten aanzien van de dader, het zichzelf niet erkennen als slachtoffer, een beperkt vertrouwen in de politie en de juridische instanties, speelt volgens de spreekster ook de onvoorspelbaarheid van de uitkomst van een juridische procedure mee in de hoge drempel voor slachtoffers van zedendelicten. Een beter strafrechtelijk kader, met onder meer een definitie van het begrip “toestemming”, biedt dan ook meer garanties voor een kwaliteitsvolle rechtspraak (met inbegrip van een betere bejegening van de slachtoffers). Mevrouw Bourlet verduidelijkt voorts dat zij zich in haar analyse van het ter bespreking voorliggende wetsontwerp vooral heeft gericht op de positieve accenten ervan. Wat betreft de misdrijven van de aantasting van de seksuele integriteit, voyeurisme, niet-consensuele ver­ spreiding van seksueel getinte beelden en opnames, en verkrachting, is zij tevreden met de plaats waar seksuele misdrijven in het Strafwetboek zullen worden opgenomen (ná opzettelijke levens- en geweldsdelicten, en vóór de onopzettelijke misdrijven). Aldus wordt het belang ervan aangegeven. Het bepalen van de leeftijd van seksuele meerderja­ righeid op 16 jaar is een verdedigbare keuze en biedt meer rechtszekerheid. Ook kan zij zich scharen achter het voorstel om in een tussencategorie te voorzien voor 14-16-jarigen bij een leeftijdsverschil van niet meer dan 2 jaar, behalve voor incest of een gezagsrelatie. De spreekster juicht ook de duidelijker omschrijving toe van de notie “toestemming” en de verduidelijking dat geen verzet niet betekent dat er toestemming is (het ont­ worpen artikel 417/5, artikel 5 van het wetsontwerp), wat overeenstemt met de rechtspraak van het EHRM en de aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld (30 april 2002). Een dergelijke handelswijze is belangrijk om ook een mentaliteitswijziging te bewerkstel­ ligen. Het bepalen dat een beoordeling in het licht van alle omstandigheden dient te gebeuren, geeft voldoende ruimte aan de rechtbank. Mevrouw Bourlet is er geen voorstander van om de bewijslast bij de beklaagde te leggen, want dit vergroot het risico op valse aangiftes. de prise de conscience de l’importance d’une approche précise, y compris dans le monde judiciaire. Force est toutefois de constater que les chiffres in­ diquent qu’à ce jour, peu d’infractions sexuelles sont dénoncées (les dénonciations sont toutefois plus nom­ breuses dans les régions comptant un centre de soins). Plusieurs facteurs expliquent ce phénomène. Selon l’oratrice, en plus de la honte, de la culpabilité, de la peur, de la loyauté vis-à-vis de l’auteur, du déni du statut de victime et d’une confiance limitée dans la police et les instances juridiques, le caractère imprévisible de l’issue d’une procédure juridique constitue un important obstacle supplémentaire que les victimes doivent surmonter pour dénoncer des faits de mœurs. Un meilleur cadre pénal, incluant une définition du terme “consentement”, offrirait donc davantage de garan­ ties pour une justice de qualité (y compris un meilleur accueil des victimes). Mme Bourlet précise ensuite que, dans son analyse du projet de loi à l’examen, elle a surtout mis l’accent sur ses points positifs. En ce qui concerne les infractions d’atteinte à l’intégrité sexuelle, de voyeurisme, de diffusion non consensuelle d’images et d’enregistrements à caractère sexuel et de viol, elle est satisfaite de la place qu’occuperont les infractions sexuelles dans le Code pénal (après les homicides et délits de violence volontaires, et avant les infractions involontaires). Cela indique leur importance. La fixation de l’âge de la majorité sexuelle à 16 ans est un choix défendable et offre une plus grande sécurité juridique. L’oratrice soutient également la proposition de prévoir une catégorie intermédiaire pour les jeunes de 14 à 16 ans dont la différence d’âge ne dépasse pas 2 ans, sauf en cas d’inceste ou de relation d’autorité. L’oratrice se félicite également de la définition plus claire de la notion de “consentement” et de la précision que l’absence de résistance ne signifie pas qu’il y a consentement (article 417/5 en projet, article 5 du pro­ jet de loi), ce qui est conforme à la jurisprudence de la CEDH et à la recommandation du Comité des ministres du Conseil de l’Europe sur la protection des femmes contre la violence (30 avril 2002). Agir de la sorte est également important pour faire évoluer les mentalités. La disposition selon laquelle une appréciation doit être faite au regard de toutes les circonstances donne au tribunal une marge de manœuvre suffisante. Mme Bourlet n’est pas favorable à ce que la charge de la preuve incombe au prévenu, car cela augmente le risque de fausses accusations. 2141/006 DOC 55 320 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het nieuwe referentiepunt voor aanranding van de eerbaarheid (nu “aantasting van de seksuele integriteit”) dat in plaats van “collectief bewustzijn”, een “redelijke persoon” wordt, is makkelijker en concreter in te vullen. Het vorige criterium was zeer vaag en niet meer aange­ past aan de maatschappelijke realiteit. Het is positief dat in het kader van het voyeurisme een definitie wordt gegeven aan de notie “ontblote persoon” (het ontworpen artikel 417/8, artikel 9 van het wetsontwerp). Dit betekent hopelijk het einde van de rechtsonzekerheid met betrekking tot “creepshots”. De bestraffing van seksuele delinquenten beroert de openbare opinie, wat uiteraard zeer begrijpelijk is. Strafrechters proberen altijd maatwerk af te leveren om­ dat plegers vaak een zeer verschillend profiel hebben, waardoor een gedifferentieerde aanpak in bestraffing is aangewezen. De daders zijn vaak bekenden van het slachtoffer, in een familiale context. Sommige plegers worden getriggerd door bepaalde situaties, bijvoorbeeld alcoholgebruik; het gaat dan over geïsoleerde gevallen. Er zijn ook plegers die werkelijk een seksuele proble­ matiek hebben, wat ook een andere bestraffing vereist. Verhoogde straffen bieden evenwel geen garantie op minder recidive (waarbij recidivecijfers niet mogen worden overschat): seksuele delinquenten dienen in sommige gevallen ook te worden aanzien als zieke personen die niet kunnen weerstaan aan een bepaalde drang. Therapie, straffen met probatie-uitstel waarbij ook rekening wordt gehouden met de beschermende factoren (zoals een stabiele gezins- en professionele situatie, ondersteuning van de entourage, een sociaal vangnet enzovoort) zijn erg belangrijk in het voorkomen van recidive, waarbij aan de plegers handvaten dienen te worden aangereikt hoe ze met lastige situaties dienen om te gaan. Een eventuele uitzondering daarop is verkrach­ ting in de context van een partner- of ex-partnerrelatie, omdat dit soms geen verband houdt met een seksuele problematiek. Een gevangenisstraf is inderdaad de ultieme remedie (ook omdat behandeling in de gevangenis zo goed als onmogelijk is) en alleen geschikt voor veelplegers/reci­ divisten die niet uit de eerder geboden kansen hebben geleerd (lees: die mogelijkheid tot therapie niet hebben aangegrepen). Het gebrek aan centra waar therapie kan worden gevolgd, de lacunes in het hulpverleningsaanbod (wachtlijsten), zeker voor mensen die naast een seksuele problematiek ook kampen met een autismespectrum­ stoornis, zijn evenwel een groot probleem. Le nouveau point de référence pour l’attentat à la pudeur (désormais “atteinte à l’intégrité sexuelle”), qui devient une “personne raisonnable” au lieu de la “conscience collective”, est plus facile à concrétiser. L’ancien critère était très vague et n’était plus adapté à la réalité sociale. Il est positif que dans le contexte du voyeurisme, le projet donne une définition de la notion de “personne dénudée” (article 417/9 en projet, article 9 du projet de loi). On peut dès lors espérer que cela mettra fin à l’insécurité juridique à propos des “creepshots”. La répression des délinquants sexuels est une question qui agite l’opinion publique, ce qui est tout à fait compré­ hensible. Les juges pénaux tentent toujours d’apporter des solutions sur mesure, car les délinquants ont sou­ vent un profil très différent. Il s’indique par conséquent d’adopter une approche différenciée de la sanction. Les auteurs sont souvent des connaissances de la victime, notamment dans le contexte familial. Chez certains, le passage à l’acte est déclenché par certaines situations comme, par exemple, la consommation d’alcool; il s’agit alors de cas isolés. Mais il existe également des auteurs qui ont vraiment un problème d’ordre sexuel, ce qui nécessite une sanction différente. L’alourdissement des peines ne garantit toutefois pas une diminution de la récidive (les taux de récidive ne devant pas être surestimés): dans certains cas, les délinquants sexuels doivent aussi être considérés comme des malades qui ne peuvent résister à certaines pulsions. Les thérapies et les peines avec sursis qui tiennent également compte des facteurs de protection (tels qu’une situation familiale et professionnelle stable, le soutien de l’entourage, un filet social de sécurité, etc.) sont très importantes dans la prévention de la récidive. Elles servent notamment à donner aux auteurs des outils qui doivent leur permettre de gérer certaines situations difficiles. Une éventuelle exception est le viol dans le contexte d’une relation avec un partenaire ou un ex- partenaire, parce qu’il n’y a parfois pas de lien avec un problème sexuel. Une peine d’emprisonnement constitue effectivement le dernier recours (notamment parce qu’un traitement en prison est pratiquement impossible) et ne convient qu’aux multirécidivistes qui n’ont pas su profiter des chances qui leur ont été offertes précédemment (autrement dit, qui n’ont pas saisi l’occasion de suivre une thérapie). Cela dit, le manque de centres où l’on peut suivre une thérapie et les lacunes au niveau de l’offre de prise en charge (listes d’attente) constituent un problème majeur, surtout pour les personnes qui, outre des problèmes sexuels, présentent également un trouble du spectre de l’autisme. 321 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het is een goede zaak dat, met het oog op maat­ werk, ook andere straffen zoals de werkstraf en ook de autonome probatiestraf eventueel kunnen worden opgelegd. De vraag rijst evenwel of de capaciteit van de justitiehuizen voldoende is; vaak zijn er nu al wachtlijsten. Wat het voorafgaand advies van een dienst gespeci­ aliseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten (het ontworpen 417/64, artikel 74 van het wetsontwerp; verslag overeenkomstig artikel 9bis van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel of de probatie) betreft, pleit de spreekster ervoor om hier geen verplichting van te maken. Dit advies is waardevol indien aan het gepleegde zedenfeit een sek­ suele problematiek ten grondslag ligt, maar dit geldt niet voor alle gevallen. Daarenboven is er ook een tekort aan psychiaters die een dergelijk advies kunnen opstellen, er is een overbevraging. Er dient ook rekening te worden gehouden met het feit dat de instantie die het advies geeft, later niet zelf de therapie kan geven. Wat haar overgezonden tekstuele opmerkingen be­ treft, vestigt mevrouw Bourlet de aandacht erop dat in een aantal artikelen de woorden “Erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de min­ derjarige” worden gebruikt. Wat haar betreft is evenwel het woord “erkend” hier overbodig. Voorts verwijst mevrouw Bourlet naar het in de overge­ zonden nota gegeven voorbeeld van probatievoorwaarden voor zedenmisdrijven die in het kader van een probatie- uitstel of probatie-opschorting worden opgelegd. Het betreft een voorbeeld van iemand die zich residentieel dient te behandelen. Een medicamenteuze behandeling kan als sterk aangeraden worden opgenomen in de probatievoorwaarden. Er zijn stemmen die stellen dat dit contra legem is, derhalve worden in dit verband de woorden “bij voorkeur” gebruikt. c. Uiteenzetting van de heer Dimitri de Beco en van mevrouw Delphine Paci, vertegenwoordigers van AVOCATS.BE 1. Algemene opmerkingen over het wetsontwerp Het wetsontwerp strekt ertoe het bestaande Strafwetboek te wijzigen “met betrekking tot het sek­ sueel strafrecht”. AVOCATS.BE vindt het een goede zaak dat de wet­ gever de bepalingen van het Strafwetboek aangaande C’est une bonne chose que, dans une optique de personnalisation, d’autres peines telles que la peine de travail et la peine de probation autonome puissent éventuellement être imposées. La question se pose toutefois de savoir si la capacité des maisons de justice est suffisante, sachant qu’il y a déjà souvent des listes d’attente. En ce qui concerne l’avis préalable d’un service spé­ cialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels (article 417/64 en projet, article 74 du projet de loi; avec établissement d’un rapport, conformément à l’article 9bis de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation ), l’oratrice préco­ nise de ne pas en faire une obligation. Ces avis sont précieux lorsqu’une problématique d’ordre sexuel est à l’origine du fait de mœurs commis, mais cela ne vaut pas dans tous les cas. De plus, il y a un manque de psychiatres capables de rendre de tels avis; la demande excède l’offre. Il faut également tenir compte du fait que l’instance qui rend l’avis ne peut pas ensuite administrer elle-même la thérapie. En ce qui concerne les observations qu’elle a trans­ mises par écrit, Mme Bourlet attire l’attention sur le fait que la formule “position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur un mineur” apparaît dans un certain nombre d’articles. À son avis, le mot “reconnue” est superflu dans ce contexte. Mme Bourlet évoque ensuite l’exemple, contenu dans la note qu’elle a envoyée, de conditions de probation pour faits de mœurs qui sont imposées dans le cadre d’un sursis probatoire ou d’une suspension probatoire. L’exemple en question concerne une personne qui doit suivre un traitement résidentiel. Un traitement médica­ menteux peut être inclus dans les conditions de probation au titre de démarche vivement recommandée. Certains estiment toutefois qu’il s’agit d’une pratique contra legem; c’est la raison pour laquelle, dans ce contexte, on utilise les mots “de préférence”. c. Exposé de M. Dimitri de Beco et de Mme Delphine Paci, représentants d’AVOCATS.BE 1. Remarques générales sur le projet de loi Le projet de loi a pour vocation de modifier le Code pénal actuel “en ce qui concerne le droit pénal sexuel”. AVOCATS.BE salue la volonté du législateur de réfor­ mer les dispositions du Code pénal concernant les 2141/006 DOC 55 322 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E feiten van aantasting van iemands seksuele integriteit wil hervormen om dergelijke feiten beter te kunnen aanpakken. Het lijdt immers geen twijfel dat zij tot zware trauma’s leiden, en het is goed dat almaar meer stemmen opgaan om dat soort van misdrijven grondiger aan te pakken. Voorts willen de indieners van het wetsontwerp terecht dat voor misdrijven van seksuele aard de nadruk voort­ aan komt te liggen op de erdoor veroorzaakte aantasting van de eigen seksuele autonomie en dus niet langer van de familiale orde of van de eer. Niettemin is AVOCATS.BE van mening dat deze hervorming zou moeten worden ingebed in het ontwerp van alomvattende hervorming van het Strafwetboek die thans nog steeds aan de gang is. AVOCATS.BE had zich geschaard achter de oprichting van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, “belast met het uitwerken van een oriëntatienota, die de hervorming van het Strafwetboek voorbereidt”, en had grotendeels ingestemd met het door die Commissie geformuleerde hervormingsvoorstel dat in 2019 is bekendgemaakt1. Een hervorming willen doorvoeren in twee tijden, dat wil zeggen door nu al een “nieuw seksueel Strafwetboek” uit te schrijven terwijl in de nabije toekomst wellicht de hervorming van het hele Strafwetboek wordt aangeno­ men, lijkt contraproductief te zijn en verwarring in de hand te werken. Zo wordt in de korte beschrijving van het ontwerp aangegeven dat, aangezien de hervorming van het Strafwetboek uitblijft, om “de nieuwe tekst aan te passen aan het oude Strafwetboek van 1967, diende te worden teruggekeerd naar de criminele straffen zoals ze tot op vandaag bestaan en er diende rekening te worden gehouden met de systematische correctionalisering van de correctionaliseerbare misdaden. Aangezien het onderscheid tussen verzwarende bestanddelen en verzwarende omstandigheden, zoals in de oorspronke­ lijke teksten van de Commissie tot hervorming van het strafrecht werd voorgesteld, onbekend is in ons huidig Strafwetboek, diende er te worden teruggekeerd naar het huidige begrip “verzwarende omstandigheden” (ver­ zwaring van het maximum van de straf, verzwaring van het minimum van de straf, of verzwaring van beide), en 1 J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH en J. DE HERDT, met medewerking van M. DEBAUCHE en M. TAEYMANS, “Naar een nieuw Strafwetboek? Het voorstel van de Commissie tot hervorming van het strafrecht”, Brugge, die Keure, 2019, 591 blz. faits d’atteinte à l’intégrité sexuelle des personnes, afin d’apporter une réponse plus adaptée à ceux-ci. Il est indéniable que de tels faits provoquent des trau­ matismes considérables et il est salutaire que de plus en plus de voix s’élèvent pour réclamer une meilleure prise en compte de ce type d’infractions. C’est également à raison que les auteurs du projet souhaitent que l’accent soit désormais mis, en matière d’infractions à caractère sexuel, sur l’atteinte qu’elles constituent à l’autonomie sexuelle individuelle et non plus à l’ordre familial ou l’honneur. Cependant, AVOCATS.BE estime que cette réforme devrait s’inscrire dans le projet de réforme global du Code pénal, toujours en cours. AVOCATS.BE avait accueilli favorablement la création de la commission de réforme du droit pénal “chargée d’élaborer une note d’orientation qui prépare la réforme du Code pénal et une proposition de réforme du Code pénal” et avait en grande partie approuvé la proposition de réforme formulée par cette commission et publiée en 20191. Vouloir procéder à une réforme en deux temps, en écrivant dès à présent un “nouveau Code pénal sexuel” alors que la réforme de l’ensemble du Code pénal devrait être adoptée dans un futur proche, parait contreproductif et source de confusions. Ainsi, le projet indique que compte-tenu de ce que la réforme du Code pénal se fait attendre, “pour adap­ ter le nouveau texte à l’ancien Code de 1867, il a fallu revenir aux peines criminelles antérieures et prendre en compte la correctionnalisation systématique des crimes correctionnalisables. Comme la distinction entre les éléments aggravants et les circonstances aggravantes, telle qu’elle est proposée dans les textes originaux de la Commission de réforme du droit pénal est inconnue dans notre Code actuel, il a fallu revenir à l’actuelle notion de circonstances aggravantes (aggravation du maximum de la peine, aggravation du minimum de la peine, voire aggravation des deux) et le texte en projet propose de retenir, à titre transitoire, des “facteurs aggravants” que le juge doit prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure et du taux de celle-ci.”. Il va 1 J. ROZIE, D. VANDERMEERSCH et J. DE HERDT, avec le concours de M. DEBAUCHE et M. TAEYMANS, Un nouveau Code pénal pour le futur. La proposition de la Commission de réforme du droit pénal, Dossier n° 27 de la Revue de droit pénal et de criminologie, Bruxelles, La Charte, 2019, 575 p. 323 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E in de ontworpen tekst wordt voorgesteld om, voorlopig, “verzwarende factoren” aan te reiken die de rechter in aanmerking moet nemen bij het maken van de keuze van de straf of maatregel en de zwaarte ervan.”. Het spreekt vanzelf dat een dergelijke werkwijze het Strafwetboek er niet bevattelijker op maakt, hoewel zulks het opzet van de wetgever is. De hervorming van het “seksueel strafrecht” zou echter vooral moeten worden ingebed in de meer omvattende reflectie omtrent de hervorming van het Strafwetboek. Zo ontbreekt in het wetsontwerp de straf van een opgelegde behandeling, terwijl een dergelijke straf deel uitmaakt van de voorstellen van de Commissie tot hervorming van het Strafwetboek en bijzonder zinvol is inzake misdrijven van seksuele aard. In dit verband geeft de memorie van toelichting aan dat deze “straf enkel voorbehouden voor de daders van seksuele misdrijven (…) ongetwijfeld een bron van ongerechtvaardigde dis­ criminatie [zou] zijn”, en verderop zelfs dat “de opgelegde behandeling integraal [moet] worden opgenomen in de ruimere discussie rond de beperkte strafrechtelijke verantwoordelijkheid en (…) dit bekeken [dient] te wor­ den in de ruimere hervorming van het strafrecht in haar geheel” (blz. 5). In de memorie van toelichting wordt eenzelfde op­ merking gemaakt aangaande de afschaffing dan wel de wijziging van de regels inzake de bijkomende straf van terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; ter zake wordt aangegeven dat dit “debat (…) nog [moet] plaatsvinden” (blz. 7). Die volstrekt gegronde opmerkingen gelden even­ wel voor de volledige hervorming van het “seksueel Strafwetboek”. Daarom is AVOCATS.BE van mening dat de indiening van dit wetsontwerp een voorbarig initiatief is en dat de voorgestelde hervorming beter kan worden opgenomen in de aanstaande alomvattende hervorming van het Strafwetboek. Niettemin wil AVOCATS.BE zijn advies over dit aldus ingediende wetsontwerp geven en zal het hieronder ingaan op de belangrijkste wijzigingen die in het wets­ ontwerp vervat zijn. 2. Definitie van “toestemming” Het wetsontwerp beoogt het begrip “toestemming” opnieuw te definiëren. Concreet wordt voorgesteld een artikel 417/5 in te voegen, luidende: de soi qu’un tel procédé ne favorise pas une meilleure lisibilité, pourtant voulue par le législateur, du Code pénal. Surtout, la réforme du “droit pénal sexuel” devrait impérativement s’inscrire dans la réflexion plus globale qui accompagne la réforme du Code pénal. La peine de traitement imposé, par exemple, est absente du projet alors qu’elle fait partie des propositions de la commission de réforme du Code pénal et qu’elle trouve particulièrement son sens en matière d’infrac­ tions à caractère sexuel. L’exposé des motifs explique à ce sujet que “Réserver cette peine aux seuls auteurs d’infractions sexuelles serait indubitablement source de discrimination non justifiée”. Il est même mentionné que “la peine de traitement imposé doit faire partie intégrante de la discussion plus large sur la responsabilité pénale atténuée et devrait être prise en compte dans la réforme plus large du droit pénal dans son ensemble” (p. 5). La même remarque est faite dans l’exposé des motifs concernant la suppression ou les modifications des règles régissant à la peine complémentaire de mise à disposition du tribunal de l’application des peines, au sujet desquels il est indiqué que “le débat doit encore avoir lieu” (p. 6). Ces remarques, tout à fait fondées, valent cependant pour l’ensemble de la réforme du “Code pénal sexuel” et AVOCATS.BE estime dès lors que le dépôt de ce projet constitue une initiative prématurée et qu’il serait préférable d’inscrire la réforme proposée dans la future réforme du Code pénal dans son ensemble. La commission tient néanmoins à faire part, par la présente, de son avis sur le projet tel qu’il a été déposé, et reviendra ci-après sur les principales modifications qu’il contient. 2. La définition du consentement Le projet de loi propose d’établir une nouvelle définition du consentement. Concrètement, le projet propose d’instaurer un ar­ ticle 417/5, rédigé comme suit: 2141/006 DOC 55 324 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Toestemming veronderstelt dat deze uit vrije wil is gegeven. Dit wordt beoordeeld in het licht van de omstandig­ heden van de zaak. De toestemming kan niet worden afgeleid uit de lou­ tere ontstentenis van verweer van het slachtoffer. De toestemming kan worden ingetrokken op elk ogenblik voor of tijdens de seksuele handeling. Toestemming is er in ieder geval niet indien de seksuele handeling het gevolg is van een aanranding, bedreiging, geweld, ver­ rassing, list of een andere strafbare gedraging. Toestemming is er evenmin wanneer de seksuele handeling is gepleegd ten nadele van iemand die in een kwetsbare toestand verkeert ten gevolge van bewuste­ loosheid, slaap, angst, invloed van alcohol, verdovende middelen, psychotrope stoffen of enige andere substan­ tie met een soortgelijke uitwerking, een ziekte of een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, waardoor de vrije wil is aangetast.”. Het kan vast en zeker geen kwaad eraan te herinneren dat, zoals de memorie van toelichting aangeeft, “het gebrek aan verweer van het slachtoffer niet noodzakelijk toestemming impliceert” (blz. 20). In de laatste paragraaf van artikel 417/5 worden be­ paalde omstandigheden opgenomen die het begaan van aantastingen van andermans seksuele integriteit heel vaak bevorderen of vergemakkelijken; AVOCATS.BE begrijpt dat zulks het mogelijk moet maken seksuele agressie te vervolgen, ook wanneer het slachtoffer gezien diens toestand geen weigering kenbaar heeft kunnen maken of zich niet tegen de ondergane seksuele handelingen heeft kunnen verweren. Niettemin heeft AVOCATS.BE ernstig bezwaar tegen de wijze waarop deze paragraaf is verwoord. Met de zinsnede “Toestemming is er evenmin wan­ neer (…)” dreigt men immers een vermoeden van niet- toestemming te scheppen zodra iemand onder invloed van alcohol of van een psychotrope stof verkeert. De ontstentenis van toestemming moet kunnen worden afgeleid uit een geheel van omstandigheden, en niet automatisch uit het loutere feit dat de betrokkene onder invloed verkeert. Zoals in de memorie van toelichting trouwens wordt aangegeven, blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de inzake seksueel misbruik vervolgende autoriteiten “Le consentement suppose que celui-ci a été donné librement. Ceci est apprécié au regard des circonstances de l’affaire. Le consentement ne peut pas être déduit de la simple absence de résistance de la victime. Le consentement peut être retiré à tout moment avant ou pendant l’acte à caractère sexuel. En tout état de cause, il n’y a pas de consentement si l’acte à caractère sexuel résulte d’une agression, d’une menace, de violence, d’une surprise, d’une ruse, ou d’un autre comportement punissable. Il n’y a pas davantage de consentement lorsque l’acte à caractère sexuel a été commis au préjudice d’une personne en situation de vulnérabilité due à un état d’inconscience, de sommeil, de peur, à l’influence de l’alcool, de stupéfiants, de substances psychotropes ou de toute autre substance ayant un effet similaire, à une maladie ou à une infirmité ou une déficience physique ou mentale, altérant le libre arbitre.”. Il est assurément utile de rappeler, comme le fait l’exposé des motifs, que “l’absence de résistance de la victime n’implique pas nécessairement son consen­ tement” (p. 20). AVOCATS.BE comprend par ailleurs que l’intégration, dans le dernier paragraphe de l’article 417/5, de certaines circonstances favorisant ou facilitant bien souvent la commission d’atteintes à l’intégrité sexuelle d’autrui, a pour objectif de permettre la poursuite d’agressions sexuelles y compris lorsque la victime n’a pas été en mesure d’exprimer un refus ou de résister aux actes sexuels subis, en raison de son état. AVOCATS.BE émet cependant de vives réserves quant à la formulation de ce paragraphe. En indiquant que “il n’y a pas davantage de consen­ tement lorsque (…)”, le risque est en effet la création d’une présomption de non-consentement dès qu’une personne aura été sous l’influence de l’alcool ou d’une substance psychotrope. L’absence de consentement doit pouvoir se déduire d’un ensemble de circonstances, et non de manière automatique du seul état d’influence de la personne concernée. Comme le rappelle d’ailleurs l’exposé des motifs, il résulte de la jurisprudence de la CEDH qu’en matière d’abus sexuels les autorités poursuivantes ont l’obligation d’examiner tous les faits et de statuer après 325 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verplicht zijn alle feiten te onderzoeken en uitspraak te doen na alle omstandigheden te hebben beoordeeld2. De verwijzing naar de aantasting van de vrije wil lijkt geen toereikende garantie te bieden tegen het gevaar dat een vermoeden van niet-toestemming wordt gecre­ ëerd, aangezien de “invloed van alcohol, verdovende middelen of psychotrope stoffen” onvermijdelijk de vrije wil minstens ten dele aantast. Zulks geldt des te meer in geval van “geestelijke on­ volwaardigheid”, de laatste hypothese die de ontworpen bepaling beoogt. Geestelijke onvolwaardigheid gaat heel vaak gepaard met een vermindering van de vrije wil. Een automatische afleiding van de ontstentenis van toestemming heeft de hoogst ongelukkige consequen­ tie – al poogt het wetsontwerp dit te weerleggen3 – dat mensen met een mentale beperking het vermogen wordt ontnomen in een seksuele relatie toe te stemmen en aldus in zekere zin er een te hebben. Een dergelijk vermoeden van niet-toestemming in het leven roepen komt er bovendien de facto op neer dat de bewijslast voor de onschuld bij de verdachte komt te liggen. Overigens verbaast het AVOCATS.BE ten zeerste in het wetsontwerp te lezen dat een “volledige omkering van de bewijslast in die zin dat niet-toestemming steeds wordt vermoed bij seksuele handelingen en de vooraf­ gaande toestemming moet kunnen worden bewezen door de verdachte, (…) een brug te ver [lijkt] te zijn”, alsof de inachtneming van het vermoeden van onschuld en de ermee gepaard gaande verplichting voor de vervolgende partij om de schuld van de verdachte te bewijzen, en niet omgekeerd, geen vanzelfsprekendheid zijn. Algemeen is AVOCATS.BE geen voorstander van de keuze om in die paragraaf een welbepaald aantal situaties op te nemen waaruit de afwezigheid van toestemming zou kunnen worden afgeleid. Het moet absoluut aan de rechters worden overge­ laten geval per geval te oordelen over de situaties die hun worden voorgelegd, zonder die situaties te vatten in definities die de rechters te weinig armslag bieden. 2 E.H.R.M., 4 december 2003, M.C. v. Bulgarije, §§ 165-166 en 180-181. Zie ook L. LAVRYSEN, “De vereiste van een grondig onderzoek onder artikel 3 EVRM” (noot onder E.H.R.M., 2 mei 2017, B.V. v. België), N.C., 2017, blz. 477; I. WATTIER, “L’attentat à la pudeur et le viol, in Les infractions. Volume 3. Les infractions contre l’ordre des familles, la moralité publique et les mineurs”, Brussel, Larcier, 2011, blz. 83. 3 “De toestemmingspremisse mag dus niet worden gelezen alsof voornoemde personen hun seksualiteit niet mogen beoefenen.” (blz. 17). s’être livrées à une appréciation de l’ensemble des circonstances2. La référence à l’altération du libre arbitre ne parait pas constituer une garantie suffisante contre ce risque de création d’une présomption de non-consentement, puisque par définition l’influence de l’alcool, de stupéfiants ou de substances psychotropes entraine une altération au moins partielle du libre arbitre. C’est encore plus le cas en cas de déficience men­ tale, dernière hypothèse visée par la disposition. Une déficience mentale entraine bien souvent une diminution du libre arbitre. En déduire de manière automatique une absence de consentement revient, de manière particulièrement malheureuse – même si le projet s’en défend3- à ôter aux malades mentaux la capacité de consentir à des relations sexuelles, et donc en quelque sorte d’en avoir. En outre, créer une telle présomption de non-consen­ tement revient, de facto, à faire porter au suspect la charge de la preuve de son innocence. AVOCATS.BE s’étonne d’ailleurs vivement de ce que le projet mentionne qu’“un renversement complet de la charge de la preuve, dans le sens où le non-consente­ ment est toujours présumé en cas d’actes à caractère sexuel et où le consentement préalable doit pouvoir être prouvé par le suspect, semble aller trop loin”, comme si le respect de la présomption d’innocence et l’obliga­ tion corollaire pour la partie poursuivante de prouver la culpabilité du suspect, et non l’inverse, n’étaient pas une évidence. De manière plus générale, AVOCATS.BE désap­ prouve le choix de viser dans ce paragraphe un nombre déterminé de situations dont se déduirait l’absence de consentement. Il faut impérativement laisser le soin aux juges d’appré­ cier les situations qui leurs sont soumises au cas par cas, sans les enfermer dans des définitions leur laissant trop peu de marge de manœuvre. 2 C.E.D.H., 4 décembre 2003, M.C. c. Bulgarie, §§ 165-166 et 180-181. Voir également L. LAVRYSEN, “De vereiste van een grondig onderzoek onder artikel 3 EVRM” (note sous C.E.D.H., 2 mai 2017, B.V. c. Belgique), N.C., 2017, p. 477; I. WATTIER, “L’attentat à la pudeur et le viol”, in Les infractions. Volume 3. Les infractions contre l’ordre des familles, la moralité publique et les mineurs, Bruxelles, Larcier, 2011, p. 83 3 p. 17: “Le prérequis du consentement ne peut donc pas être interprété comme si les personnes précitées ne pouvaient pas vivre leur sexualité”. 2141/006 DOC 55 326 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In de memorie van toelichting staat trouwens terecht dat een “opsomming van factoren waaruit de afwezigheid van toestemming juridisch kan worden afgeleid, (…) op het eerste gezicht niet nodig [is], aangezien hierin het gevaar schuilt onvolledig te zijn.”(blz. 16). AVOCATS.BE betreurt dat de indieners van het wetsontwerp uiteinde­ lijk geen rekening hebben gehouden met die relevante opmerking. AVOCATS.BE is daarom van oordeel dat die paragraaf zou moeten worden weggelaten. Zo niet zouden op zijn minst de woorden “Toestemming is er evenmin wanneer (…)” moeten worden vervangen door “De afwezigheid van toestemming kan onder meer worden afgeleid uit (…)”. 3. De leeftijd van de seksuele meerderjarigheid Het wetsontwerp strekt tot instelling van een onweer­ legbaar vermoeden van afwezigheid van toestemming van de minderjarige jonger dan zestien jaar (nieuw art. 417/6, § 1 van het Strafwetboek), met onder § 2 een versoepeling van dat vermoeden voor minderjarigen tussen veertien en zestien jaar. Tussen veertien en zestien jaar is toestemming moge­ lijk, zij het alleen indien sprake is van een relatie tussen twee personen van wie het leeftijdsverschil niet meer dan twee jaar bedraagt. Dit heeft tot gevolg dat de leeftijd van zestien jaar de minimumleeftijd is; onder die leeftijd kan een jongere niet instemmen met een seksuele relatie, tenzij het leeftijdsverschil tussen de desbetreffende jongeren niet meer dan twee jaar bedraagt. Kortom, een zestienjarige die seksuele betrekkingen heeft met een partner van veertien jaar is niet strafbaar. Indien hij op de dag waarop hij zeventien wordt opnieuw seksuele betrekkingen heeft met zijn partner die echter nog niet de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, dan pleegt die zeventienjarige ditmaal wel een inbreuk. Nochtans heeft de Commissie voor de herziening van het Strafwetboek de seksuele meerderjarigheid vastgelegd op veertien jaar, met beperkingen inzake de toestemming tussen veertien en zestien jaar (art. 131, derde lid en volgende) indien het leeftijdsverschil tus­ sen de dader en de minderjarige groter is dan vijf jaar of indien hij zich in een gezags- of vertrouwenspositie bevindt. AVOCATS.BE was voorstander van die oplos­ sing toen die tijdens de hoorzitting in het kader van de herziening van het Strafwetboek in de commissie voor Justitie werd voorgesteld, onder voorwaarde evenwel dat zou worden afgezien van de verwijzing naar het te vage begrip “gezags- of vertrouwenspositie”. L’exposé des motifs indique d’ailleurs à juste titre que “À première vue, une énumération de facteurs permettant de déduire juridiquement l’absence de consentement n’est pas nécessaire, au risque d’être incomplète.”(p. 16). AVOCATS.BE regrette que les auteurs du projet ne se soient finalement pas conformés à cette observation pertinente. AVOCATS.BE estime dès lors que ce paragraphe devrait être supprimé. À défaut, il y aurait lieu à tout le moins de remplacer les termes “Il n’y a pas davantage de consentement (…)” par “L’absence de consentement peut notamment se déduire de (…)”. 3. L’âge de la majorité sexuelle Le projet de loi instaure une présomption irréfragable de non consentement du mineur en dessous de 16 ans (nouvel art. 417/6, § 1er du Code pénal) avec, au § 2, un tempérament à cette présomption pour les mineurs âgés entre 14 et 16 ans. Entre 14 et 16 ans, le consentement est possible mais uniquement dans l’hypothèse d’une relation entre deux personnes présentant une différence d’âge de deux ans. Ceci a donc pour effet de faire de l’âge de 16 ans l’âge limite en dessous duquel il n’est pas possible pour un jeune de consentir à une relation sexuelle sauf dans l’hypothèse où les personnes concernées ont une différence d’âge de maximum deux ans. En clair, un jeune de 16 ans qui a une relation sexuelle avec un partenaire de 14 ans n’est pas punissable. Le jour où il atteint 17 ans, si son partenaire n’a pas encore atteint 15 ans et qu’ils ont à nouveau des relations sexuelles, le jeune de 17 ans commet cette fois une infraction. Pourtant la Commission de révision du Code pénal prévoyait, quant à elle, la majorité sexuelle à 14 ans avec des hypothèses de restriction du consentement entre 14 et 16 ans (art. 131, al. 3 et s.) si la différence d’âge entre l’auteur et le mineur excédait cinq ans ou s’il était dans une position d’autorité ou de confiance. AVOCATS.BE s’était montré favorable à cette solution, lors de son audition à la commission justice sur le projet de révision du Code pénal, sous réserve de la référence à la notion de “position d’autorité ou de confiance” trop floue et à laquelle il était demandé de renoncer. 327 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E AVOCATS.BE stelt vast en betreurt dat het wetsont­ werp geen of nauwelijks duiding geeft bij dat heel grote verschil tussen de gekozen oplossing en die welke door de Commissie voor de herziening van het Strafwetboek werd voorgesteld, en roept de wetgever op de denkoe­ fening uit te diepen. Voorts heeft AVOCATS.BE kennis genomen van het advies van de Ligue des Droits Humains, die pleit voor een weerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestemming tussen veertien en zestien jaar, behalve bij situaties waarin sprake is van incest of een invloeds­ positie. Volgens AVOCATS.BE is dit een interessante denkpiste, zij het met voorbehoud met betrekking tot het begrip “invloedspositie” (zie hierna). 4. Intrafamiliaal misbruik en invloedspositie Het wetsontwerp strekt tot toevoeging van een nieuw onweerlegbaar vermoeden van afwezigheid van toestem­ ming dat van toepassing zou zijn op alle minderjarigen, ook die van zestien jaar en ouder (nieuw art. 417/6 van het Strafwetboek). Het nieuwe art. 417/6, § 3, zou immers bepalen dat een minderjarige “nooit uit vrije wil [kan] toestemmen indien: 1° de dader een bloedverwant of aanverwant is in de rechte opgaande lijn of een adoptant of een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin of ongeacht welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die over die minderjarige gezag heeft, of 2° de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader ge­ bruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrou­ wen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige.”. AVOCATS.BE heeft geen opmerkingen bij de eerste uitsluitingsgrond voor de mogelijkheid tot vrijwillige toestemming door een minderjarige en is het eens met de keuze voor deze toevoeging in het Strafwetboek. De tweede uitsluitingsgrond, meer bepaald de for­ mulering ervan, doet daarentegen een probleem rijzen. In de memorie van toelichting staat te lezen dat in dezen wordt verwezen naar “een lid van het personeel van een onderwijsinstelling, een bedienaar van een eredienst, een voorganger in plechtigheden van een niet-confessionele levensbeschouwing, een arts of een andere gezondheidswerker, een persoon die de opvang verzorgt in een medisch-pedagogisch instituut, AVOCATS.BE constate et regrette que le projet ne s’explique pas ou à peine sur cet écart très important entre la solution retenue et celle qui avait été proposée par la commission de révision du Code pénal, et invite le législateur à pousser plus loin sa réflexion. AVOCATS.BE a par ailleurs pris connaissance de l’avis de la Ligue des Droits Humains, qui plaide pour une présomption réfragable de non consentement entre 14 et 16 ans, sauf pour les situations d’inceste et de positions d’influence. AVOCATS.BE estime qu’il s’agit là d’une piste de réflexion intéressante, avec une réserve néanmoins quant à la notion de “position d’influence” (cfr. infra). 4. Abus intrafamiliaux et position d’influence Le projet ajoute (nouvel art. 417/6 du Code pénal), une autre présomption irréfragable de non-consentement, applicable à tous les mineurs, même âgés de 16 ans ou plus. Le nouvel art. 417/6 prévoit en effet encore dans son paragraphe 3 qu’un mineur n’est” jamais réputé avoir la possibilité d’exprimer librement son consentement” si: “1° l’auteur est un parent ou un allié en ligne directe ascendante, ou un adoptant, ou un parent ou un allié en ligne collatérale jusqu’au troisième degré, ou toute autre personne qui occupe une position similaire au sein de la famille, ou toute personne cohabitant habituellement ou occasionnellement avec le mineur et qui a autorité sur lui, ou si 2° l’acte a été rendu possible en raison, dans le chef de l’auteur, d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur.”. La première cause d’exclusion à la possibilité de libre consentement par un mineur n’appelle aucune remarque de la part d’AVOCATS.BE, qui approuve le choix de cet ajout dans le Code. Par contre, la deuxième cause d’exclusion pose question, dans sa formulation. L’exposé des motifs indique qu’il est notamment fait référence ici à “un membre du personnel d’un établis­ sement d’enseignement, à un ministre d’un culte, à un guide de cérémonie d’une conception philosophique non confessionnelle, à un médecin ou à un autre professionnel de la santé, à une personne qui assure l’accueil dans un institut médicopédagogique, à un assistant social 2141/006 DOC 55 328 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E een maatschappelijk werker of een verantwoordelijke in het kader van een activiteit voor jongeren.” (blz. 13). Volgens het wetsontwerp kan een minderjarige – ook tussen zestien en achttien jaar – dus nooit vrijwillig in­ stemmen met een seksuele relatie met een persoon die tot die (niet-exhaustieve) categorie behoort. Men kan zich terecht afvragen of het raadzaam is dit vermoeden in de wet op te nemen, wetende dat er meer bepaald wordt gedoeld op animatoren van jongerenac­ tiviteiten die soms nochtans even oud of bijna even oud zijn als de jongeren voor wie ze activiteiten begeleiden. Er wordt weliswaar verduidelijkt dat de toestemming alleen is uitgesloten indien “de daad mogelijk is gemaakt door” die erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige, maar die bewoordingen zijn niet duidelijk genoeg en zullen volgens AVOCATS. BE moeilijk in de praktijk kunnen worden toegepast. Hoe kan immers worden bepaald of een seksuele relatie mogelijk werd gemaakt door het feit dat een partner een animator of een leerkracht van de andere was, en niet om andere redenen? AVOCATS.BE vraagt vooral dat men opnieuw zou nagaan of het raadzaam is dat vermoeden te behouden voor de leeftijdscategorie van zestien tot achttien jaar. Daarnaast is AVOCATS.BE van oordeel dat dit vermoeden op zijn minst anders zou moeten worden geformuleerd. AVOCATS.BE stelt trouwens vast dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat “ervoor [wordt] geopteerd zich te aligneren op de terminologie gehan­ teerd in het artikel 3.5 van de Europese richtlijn 2011/93/ EU van 13 december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinder­ pornografie”, met andere woorden “misbruik maken van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van het kind” (blz. 13). Die terminologie is nochtans niet in overeenstemming met het opschrift van het ontworpen artikel; er is een significant nuanceverschil. AVOCATS.BE is van oordeel dat de bepaling onder 2° wel degelijk zou moeten worden vervangen door de woorden “de dader heeft misbruik gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige”. ou à un responsable dans le cadre d’une activité pour jeunes” (p. 13). Selon le texte, un mineur – y compris âgé de 16 à 18 ans – n’est donc jamais réputé avoir la pos­ sibilité d’exprimer librement son consentement à une relation sexuelle avec une personne appartenant à cette catégorie (non exhaustive). Il est permis de se demander si l’instauration de cette présomption est opportune, sachant que sont donc notamment visés des animateurs d’activités pour jeunes, qui ont pourtant parfois le même âge ou presque que les jeunes qu’ils animent. Certes il est précisé que le consentement n’est exclu que lorsque “l’acte a été rendu possible en raison” de ladite position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur. Ces termes manquent cepen­ dant de clarté et seront selon AVOCATS.BE difficile à appliquer en pratique. Comment en effet déterminer si une relation sexuelle a été rendue possible en raison du fait qu’un partenaire était l’animateur ou l’enseignant de l’autre, et non pour d’autres raisons? À titre principal, AVOCATS.BE demande que l’oppor­ tunité du maintien de cette présomption à la catégorie d’âge de 16 à 18 ans soit réexaminée. À titre subsidiaire, AVOCATS.BE estime qu’elle devrait à tout le moins être formulée en d’autres termes. AVOCATS.BE constate d’ailleurs que l’exposé des motifs annonce que “l’option est prise de s’aligner sur la terminologie utilisée à l’article 3.5 de la directive euro­ péenne 2011/93/UE du 13 décembre 2011 relative à la lutte contre les abus sexuels et l’exploitation sexuelle des enfants, ainsi que la pédopornographie”, soit les termes “en abusant d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur un enfant” (p. 13). Cette terminologie n’est pourtant pas conforme au libellé de l’article en projet, et la nuance est significative. AVOCATS.BE estime qu’il y aurait effectivement lieu de remplacer le 2° par les termes “l’auteur a abusé d’une position reconnue de confiance, d’autorité ou d’influence sur le mineur”. 329 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 5. Aantasting van de seksuele integriteit Het bestaande misdrijf van aanranding van de eer­ baarheid zou worden vervangen door het misdrijf van aantasting van de seksuele integriteit, zoals beschreven in het nieuwe artikel 417/7. AVOCATS.BE had zich over de invoering van dit “nieuwe” misdrijf al uitgelaten in haar advies over het ontwerp van hervorming van boek 2 van het Strafwetboek; tot haar tevredenheid stelt zij vast dat, zoals zij had voorgesteld, de in de Franse tekst van dat ontwerp gehanteerde term “acte sexuel” werd vervangen door de term “acte à caractère sexuel”; aldus kunnen alle handelingen die momenteel het misdrijf van aanranding van de eerbaarheid uitmaken, beter worden gedekt. 6. Definitie van verkrachting Artikel 417/11 herdefinieert verkrachting als volgt: “Verkrachting is elke gestelde daad die bestaat of mede bestaat uit een seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toestemt. Dit misdrijf wordt bestraft met opsluiting van tien tot vijftien jaar.”. Ook in dezen vindt AVOCATS.BE het een goede zaak dat, zoals zij tijdens de hoorzitting over het ontwerp van hervorming van boek 2 van het Strafwetboek had bepleit, in de Franse tekst de woorden “entièrement ou partiellement” achterwege zijn gelaten omdat zij verwarring zaaien. 7. Strafverzwaring en verzwarende omstandigheden AVOCATS.BE stelt vast dat het wetsontwerp beoogt de maximumstraffen voor de seksuele misdrijven stel­ selmatig en fors op te trekken. Voor sommige misdrijven wordt de straf opgevoerd van een gevangenisstraf gaande van 6 maanden tot 5 jaar naar een straf van 15 tot 20 jaar opsluiting. AVOCATS.BE betreurt deze louter repressieve be­ nadering, die haaks staat op de bedoelingen die de Commissie tot hervorming van het Strafwetboek kenbaar had gemaakt. Zij roept de wetgever ertoe op zich nader te beraden over het nut van strafverzwaring wanneer het –overi­ gens terecht – de bedoeling was de veroordeling tot alternatieve straffen te bevorderen voor de gevallen waarin de gevangenisstraf niet echt noodzakelijk lijkt. 5. Atteinte à l’intégrité sexuelle Le délit actuel d’attentat à la pudeur est remplacé par le délit d’atteinte à l’intégrité sexuelle, décrit dans le nouvel article 417/7. AVOCATS.BE s’était déjà exprimé sur l’introduction de cette “nouvelle” infraction dans son avis sur le pro­ jet de réforme de livre 2 du Code pénal, et constate et approuve que le terme “acte sexuel” employé dans ce projet, a été remplacé comme elle le proposait par le terme “acte à caractère sexuel”, permettant de mieux recouvrir l’ensemble des actes pouvant constituer l’infraction – à l’heure actuelle – d’attentat à la pudeur. 6. Définition du viol Le viol est redéfini à l’art. 417/11 de la manière suivante: “On entend par viol tout acte qui consiste en ou se compose d’une pénétration sexuelle de quelque nature et par quelque moyen que ce soit, commis sur une per­ sonne ou avec l’aide d’une personne qui n’y consent pas. Cette infraction est punie de la réclusion de dix à quinze ans.”. AVOCATS.BE approuve à nouveau que, comme elle l’avait demandé à l’occasion de son audition relativement au projet de réforme du livre 2 du Code pénal, les termes “entièrement ou partiellement” sources de confusion, aient été abandonnés. 7. Aggravation des peines et circonstances aggravantes AVOCATS.BE constate que dans le projet les seuils des peines pour les infractions à caractère sexuel sont tous systématiquement et lourdement augmentés. Certaines infractions passent d’une peine de 6 mois à 5 ans d’emprisonnement, à une peine de 15 à 20 ans de réclusion. AVOCATS.BE regrette cette option purement répres­ sive, contraire aux intentions affichées par la commission de réforme du Code pénal. Elle invite le législateur à s’interroger plus avant sur l’utilité de l’alourdissement des peines, alors qu’à juste titre, l’intention affichée était de favoriser la condamnation à des peines alternatives dans les cas où l’emprisonne­ ment ne parait pas absolument nécessaire. Dans les cas 2141/006 DOC 55 330 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wanneer zulks wél het geval is, kunnen nu al, met de huidige strafmarges, voldoende zware straffen worden opgelegd; het is dus noodzakelijk noch nuttig die op te trekken. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden Mevrouw Vanessa Matz (cdH) gaat vooreerst in op het prostitutievraagstuk. Zij stelt vast dat het door haar ingediende wetsvoorstel ter zake sommige actoren in verwarring brengt, terwijl andere daarentegen vinden dat er dankzij dat voorstel eindelijk een statuut voor de sekswerkers kan komen. De hamvraag blijft evenwel hoeveel percent van de sekswerkers dat beroep vrij en met toestemming uitoefenen, en hoeveel percent van hen wordt uitgebuit. Sommigen beweren dat 85 % wordt uitgebuit en dat een versoepeling van de regels met betrekking tot de resterende 15 % alle sekswerkers zou benadelen. Anderen zijn dan weer de mening toegedaan dat 85 % het beroep vrij en met toestemming uitoefent en dat het dus belangrijk is dat zij aanspraak kunnen maken op sociale rechten. Beschikken de gastsprekers dienaangaande over statistieken, en wat denken zij van die percentages? Volgens de gastsprekers moeten de bestaande in­ strumenten worden gehandhaafd om de slachtoffers te beschermen en om te kunnen blijven vervolgen. Maar hoe kan dan op een interessante manier worden ingespeeld op de vraag naar een statuut van de sekswerkers die het beroep vrij en met toestemming uitoefenen? Wat verdient de voorkeur: een zelfstandigen- of een bedien­ denstatuut? Moet in dat laatste geval het Strafwetboek niet worden gewijzigd, zodat een sekswerker die voor de arbeidsrechtbank verschijnt zijn vordering niet nietig verklaard ziet op grond van de openbare orde en de goede zeden? Bovendien stelt de spreekster vast dat het wetsont­ werp in verschillende straffen voorziet naargelang de prostitutie betrekking heeft op minderjarigen jonger dan 16 jaar dan wel op minderjarigen tussen 16 en 18 jaar, alsof een situatie in het laatste geval minder ernstig zou zijn. Hoe staan de gastsprekers tegenover het idee van een onweerlegbaar vermoeden van niet-toestemming onder de 18 jaar? Moet het wetsontwerp niet in die zin via amendementen worden bijgestuurd, aangezien sommige verenigingen opwerpen dat prostitutie onder de 18 jaar onaanvaardbaar is in het licht van bepaalde internationale verdragen? In verband met de verspreiding van seksueel getinte beelden heeft Child Focus aangegeven dat er een ver­ soepeling moest komen in de lijn van de regeling inzake où il l’est, les fourchettes de peines actuelles permettent déjà des peines suffisamment lourdes, sans qu’il soit nécessaire ni utile de les augmenter. 3. Gedachtewisseling a. Vragen en opmerkingen van de leden Mme Vanessa Matz (cdH) aborde en premier lieu la question de la prostitution. Elle constate que, si certains acteurs sont troublés par la proposition, d’autres acteurs de terrain estiment au contraire que cette proposition permettrait enfin qu’il existe un statut pour les travailleurs du sexe. La question de départ demeure cependant de savoir quel pourcentage de personnes exerce ce travail de manière libre et consentante par rapport à celles qui sont exploitées. Certains affirment que 85 % sont exploités et qu’un assouplissement des règles qui viserait les 15 % restant fragiliserait l’ensemble des travailleurs du sexe, alors que d’autres estiment au contraire que 85 % exercent ce travail de manière libre et consentante et qu’il est dès lors important que ces personnes puissent bénéficier de droit sociaux. Les orateurs invités disposent-ils de statistiques en la matière et quelle est leur évaluation de ces pourcentages? Les orateurs invités ont souligné la nécessité de main­ tenir les dispositifs existants pour protéger les victimes et continuer à pouvoir poursuivre. Mais, comment répondre de manière intéressante à la demande des travailleurs du sexe qui exercent de manière libre et consentante, de disposer d’un statut? Faut-il privilégier un statut d’indépendant ou un statut d’employé? Dans ce dernier cas, faut-il modifier le Code pénal pour permettre que, devant un tribunal du travail, le travailleur ne se voit pas opposer la nullité de son action, sur la base de l’ordre public et des bonnes mœurs? L’intervenante constate en outre que le projet de loi prévoit des peines différentes selon que la prostitution concerne des mineurs âgés de moins de 16 ans ou âgés entre 16 et 18 ans, comme si la seconde situation était moins grave que la première. Quel est l’avis des orateurs invités sur l’idée d’instaurer une présomption irréfragable de non-consentement en-dessous de 18 ans? Ne fau­ drait-il pas amender le projet de loi dans ce sens, vu que certaines associations signalent que la prostitution en dessous de 18 ans n’est pas acceptable au regard d’un certain nombre de conventions internationales? Concernant la diffusion d’images à caractère sexuel, Child Focus a indiqué qu’il fallait assouplir en s’ali­ gnant sur le dispositif prévu en matière de majorité 331 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E seksuele meerderjarigheid, waarbij wat tussen de leeftijd van 14 en 16 jaar gebeurt dus niet langer strafbaar is. Dat standpunt verbaast mevrouw Matz, die aangeeft dat waar men aanvankelijk nog in het verspreiden van seksueel getinte beelden kan toestemmen, men zich vervolgens kan bedenken. Zij vraagt de gastsprekers dan ook opnieuw uit te leggen waarom het zo belangrijk is een ter zake ingrijpende regeling te handhaven. Wat incest betreft, geeft mevrouw Matz aan dat het door haar ter zake ingediende wetsvoorstel incest als strafrechtelijk misdrijf invoert, zelfs wanneer het slacht­ offer ouder is dan 18. Ook al vangt incest volgens de actoren in het veld doorgaans aan vóór die leeftijd, kan het zijn dat het misbruik pas na die leeftijd van start gaat. Bevestigen de gastsprekers dat het zinvol is te voorzien in het incestmisdrijf, ook als de incest na de leeftijd van 18 wordt gepleegd, en eenzelfde kwalificatie te hanteren, ongeacht of het slachtoffer ouder of jonger is dan 18? De heer Ben Segers (Vooruit) stelt dat zijn fractie veel belang hecht aan de strijd tegen de mensenhandel en tegen eender welke vorm van uitbuiting. Zijn vragen zullen in de eerste plaats bedoeld zijn voor het parket. Zijn eerste vraag betreft het bestaan van een zinvollere vorm van verdere decriminalisering van prostitutie. Hoe kan zulks worden ingevuld? Verzetten de sprekers zich tegen elke vorm waarbij het mogelijk wordt gemaakt dat een uitzendbureau een legale overeenkomst sluit met een sekswerker, of is een verdere decriminalisering wel mogelijk voor zover dit bijvoorbeeld tot zelfstandigen beperkt blijft? Vervolgens gaat de spreker in op het vervolgingsbeleid inzake mensenhandel. In vorige uiteenzettingen werd reeds uitgelegd dat op het terrein een verwarring kan ontstaan bij de interpretatie van de toepassing van de begrippen “misbruik van prostitutie” en “mensenhandel” met het oog op seksuele uitbuiting. Het is ook bekend dat de onderzoeken over mensenhandel complex zijn en dat het tijdrovend is het nodige bewijsmateriaal te verzamelen. Volgens sommige sprekers is het basis­ misdrijf “pooierschap” nodig om mensenhandel aan te pakken. De heer Segers vraagt of het ook zou kunnen dat er een dynamiek ontstaat waarbij het voor de parket­ ten gemakkelijker, efficiënter en sneller zal zijn om met succes bewijsmateriaal te verzamelen voor onderzoeken naar abnormaal profijt in het kader van misbruik van prostitutie dan bij onderzoeken inzake mensenhandel. In welke mate zou het gemakkelijker kunnen zijn voor magistraten om te opteren voor een tenlastelegging sexuelle et donc en ne pénalisant plus ce qui se fait entre 14 et 16 ans. Mme Matz est surprise par ce point de vue car elle estime que, même si la diffusion d’images à caractère sexuel a pu être consentie dans un premier temps, cela peut ne plus l’être par la suite. Elle souhaite­ rait dès lors que les orateurs invités réexpliquent l’intérêt de maintenir un dispositif fort à ce sujet. Concernant l’inceste, Mme Matz signale que sa pro­ position de loi en la matière prévoit l’instauration d’un crime d’inceste, même quand la victime est âgée de plus de 18 ans. Même si, d’après les acteurs de terrain, l’inceste commence généralement avant cet âge-là, il existe des cas où cela commence au-delà de cet âge. Est-ce que les orateurs invités confirment l’intérêt de prévoir l’instauration d’un crime d’inceste, même au-delà de l’âge de 18 ans, et de prévoir la même qualification, que la victime soit plus ou moins âgée que 18 ans? M. Ben Segers (Vooruit) déclare que, pour son groupe, la lutte contre la traite des êtres humains et toutes les formes d’exploitation est essentielle. Il indique que ses questions s’adressent en priorité au parquet. Sa première question concerne l’existence d’une forme plus sensée de décriminalisation accrue de la prostitution. Quels en seraient les contours? Les orateurs s’opposent-ils à toute forme permettant à une entreprise de travail intérimaire de conclure un contrat légal avec un travailleur du sexe ou une décriminalisation accrue est-elle possible pour autant qu’elle reste limitée aux indépendants par exemple? L’intervenant aborde ensuite la politique de poursuites en matière de traite d’êtres humains. Il a déjà été expliqué dans des exposés précédents qu’une confusion peut apparaître sur le terrain en ce qui concerne l’interprétation de l’application des notions d’ “abus de la prostitution” et de “traite d’êtres humains” à des fins d’exploitation sexuelle. On sait également que les enquêtes rela­ tives à la traite d’êtres humains sont complexes et qu’il faut en outre beaucoup de temps pour rassembler les preuves nécessaires. Certains orateurs estiment que le “proxénétisme” est l’infraction de base nécessaire pour s’attaquer à la traite d’êtres humains. M. Segers demande s’il pourrait aussi s’enclencher une dynamique permettant aux parquets de réunir des preuves avec plus de facilité, d’efficacité et de rapidité dans les enquêtes relatives au profit anormal dans le cadre de l’ “abus de la prostitution” que dans les enquêtes portant sur la “traite d’êtres humains”? Quelles sont les conséquences pour 2141/006 DOC 55 332 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “misbruik van prostitutie” in plaats van “mensenhandel”? Wat zijn de gevolgen voor de slachtoffers die normaliter moeten worden doorverwezen naar het slachtofferstatuut mensenhandel? Met betrekking tot publiciteit geeft de heer Segers aan dat de minister van Justitie op een van zijn monde­ linge vragen heeft geantwoord dat decriminalisering de contacten zou vergemakkelijken tussen de autoriteiten en de beheerders van de sites en dat het op die manier mogelijk zou zijn om met bepaalde providers en andere internetfora beter te screenen op uitbuitingssituaties. Het lid vraagt of, op basis van het ter bespreking voor­ liggende wetsontwerp, het nog mogelijk zal zijn om die protocolafspraken te maken, aangezien digitale reclame via derden toch verboden zal blijven omdat enkel het aanbieden van eigen diensten op een digitaal platform zal worden toegelaten. De heer Segers vraagt vervolgens of de toevoeging van het nieuwe concept “misbruik van prostitutie” een impact kan hebben op de werking van het bestrijdings­ apparaat inzake mensenhandel. Hij denkt bijvoorbeeld aan de sociale inspectiediensten die in het kader van controles van contracten van sekswerkers en abnor­ maal profijt een veel grotere rol zullen moeten spelen. Dit zal volgens hem mogelijks een grote aanpassing vergen van hun werking, bijkomende middelen alsook een overgangsperiode vereisen. Momenteel focussen de eerstelijnsdiensten zich op vermoedelijke slachtof­ fers van mensenhandel en baseren ze zich hierbij op indicatoren en contextgegevens. Moeten dan ook die indicatoren worden herzien en aangepast? Voorgaande sprekers hebben ook verwezen naar de mogelijkheid dat de werking van de gespecialiseerde centra inzake mensenhandel zou worden uitgebreid naar de slachtoffers van misbruik van prostitutie. Zou een dergelijke uitbreiding niet tot een uitholling van het slachtofferconcept “mensenhandel” kunnen leiden? Ten slotte vraagt de heer Segers om een stand van zaken wat betreft de rol van referentiemagistraten. Wordt hun rol in de strijd tegen mensenhandel niet afgezwakt doordat ze te veel andere prioriteiten krijgen en niet altijd genoeg middelen voorhanden hebben? Mevrouw Claire Hugon (Ecolo-Groen) brengt vooreerst de toestemming ter sprake. Ze is in de eerste plaats tevreden met het voorgestelde begrip “toestemming”; het heeft immers de verdienste dat de slachtoffers mak­ kelijker klacht zouden kunnen indienen, wat tot nu toe vaak uitermate moeilijk is omdat ze zich schamen en zich schuldig voelen. De spreekster stelt echter vast dat de les victimes auxquelles il faut normalement attribuer le statut de victime de traite d’êtres humains? S’agissant de la publicité, M. Segers indique que le ministre de la Justice a répondu à l’une de ses questions orales que la décriminalisation faciliterait les contacts entre les autorités et les gestionnaires de sites et qu’il serait ainsi possible de détecter plus efficacement les situations d’exploitation sur les forums internet avec l’aide de certains fournisseurs d’accès et d’autres acteurs. Le membre demande s’il sera encore possible de conclure ces protocoles d’accord sur la base du projet de loi à l’examen, dès lors que la publicité numérique par le biais de tiers restera tout de même interdite, parce qu’il sera uniquement autorisé d’offrir ses propres services sur une plateforme numérique. M. Segers demande ensuite si l’ajout du nouveau concept d’” abus de la prostitution” peut avoir un impact sur le fonctionnement du dispositif de lutte contre la traite d’êtres humains. Il songe par exemple aux services d’inspection sociale, qui devront jouer un rôle beaucoup plus important dans le cadre des contrôles des contrats des travailleurs du sexe et du profit anormal. L’intervenant estime qu’il est probable que ce rôle accru exigera un ajustement considérable de leur fonctionnement, des moyens supplémentaires ainsi qu’une période transitoire. Les services de première ligne se concentrent actuel­ lement sur les victimes présumées de la traite d’êtres humains et se basent à cet égard sur des indicateurs et des données contextuelles. Ces indicateurs doivent-ils dès lors être revus et adaptés? Des orateurs précédents ont également évoqué la possibilité d’étendre l’action des centres spécialisés en matière de traite d’êtres humains aux victimes de l’abus de la prostitution. Une telle extension ne pourrait-elle pas avoir pour effet de vider le concept de victime de la “traite d’êtres humains” de sa substance? M. Segers demande enfin un état des lieux concernant le rôle des magistrats de référence. Leur rôle dans la lutte contre la traite d’êtres humains n’est-il pas affaibli par le fait qu’un nombre excessif d’autres priorités leur sont imposées et qu’ils ne disposent pas toujours de moyens suffisants? Mme Claire Hugon (Ecolo-Groen) aborde, quant à elle, d’abord la question du consentement. Au premier abord, elle accueille favorablement la notion de consen­ tement qui est proposée car elle présente le mérite de faciliter le dépôt de plaintes par les victimes, alors qu’on sait que c’est souvent extrêmement difficile en raison des sentiments de honte et de culpabilité. Elle constate 333 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E meningen over die toestemming verdeeld zijn. Sommige verenigingen vrezen dat de voorgestelde hervorming de bewijslast voor de slachtoffers zal bemoeilijken, terwijl AVOCATS.BE van oordeel is dat die hervorming de bewijslast al te zeer bij de vermeende daders zou leg­ gen. Het College van procureurs-generaal is dan weer van mening dat die hervorming weinig zal veranderen en dat de bewijslast voor problemen zal blijven zorgen. Door die tegenstrijdige boodschappen is het niet van­ zelfsprekend tot een conclusie te komen. De spreekster stelt ook tegenstrijdigheden vast met betrekking tot de interpretatie van een persoon die gezag, vertrouwen of invloed uitoefent. Bepaalde verenigingen zijn van oordeel dat dit wetsontwerp tot gevolg zou heb­ ben dat de slachtoffers niet alleen de positie van gezag, vertrouwen of invloed moeten bewijzen, maar ook het misbruik dat van die positie wordt gemaakt, terwijl be­ paalde sprekers aanstippen dat het wetsontwerp in zijn huidige vorm alleen het bewijs van de positie van gezag, vertrouwen of invloed vereist en niet van het misbruik dat daarvan wordt gemaakt; zij bevelen derhalve aan uitdrukkelijk te bepalen dat ook het bewijs van misbruik moet worden geleverd. Wat de verzwaring van de strafmaat betreft, benadrukt mevrouw Hugon dat de huidige onbevattelijkheid een gevolg is van het feit dat men nog steeds werkt binnen het raam van het huidige Strafwetboek, terwijl men nochtans weet dat er binnenkort een nieuw strafstelsel zal worden voorgesteld. De spreekster brengt vervolgens de prostitutie en het pooierschap ter sprake en vraagt wat de precie­ ze strekking is van het Verdrag van New York en van artikel 380 van het Strafwetboek, die elke vorm van pooierschap bestraffen. Zou men bijvoorbeeld kunnen stellen dat de Staat zich schuldig maakt aan pooier­ schap wanneer de aangegeven inkomsten uit prostitutie worden belast, of wanneer bepaalde gemeenten een raambelasting heffen? Mevrouw Hugon vraagt of een ruimer opgevat misdrijf van pooierschap dan thans het geval is, de enige juri­ dische mogelijkheid zou zijn om mensenhandel tegen te gaan. Is het in dat verband juridisch gerechtvaardigd een misdrijf te behouden dat uitsluitend tot doel heeft een ander misdrijf te kunnen vastleggen? Werden de huidige en de toekomstige behoeften kwantitatief in kaart gebracht voor het geval het ruimere misdrijf van pooierschap van toepassing zou worden? Wat de formulering van artikel 433quater/1 van het Strafwetboek betreft, rijst de vraag of “aanzetten tot” cependant que les avis sont partagés sur cette question du consentement. Certaines associations estiment que la réforme proposée va alourdir la charge de la preuve pour les victimes alors que Avocats.be estime que cette réforme reportera la charge de la preuve de manière excessive sur les auteurs présumés, tandis que le Collège des procureurs généraux estime, quant à lui, que cette réforme ne changera pas grand-chose et qu’on restera avec des difficultés en matière de preuve. Face à ces messages contradictoires, il n’est pas évident d’aboutir à une conclusion. L’intervenante constate qu’il y a aussi des messages contradictoires concernant l’interprétation à donner à la notion de personne d’autorité, de confiance ou d’influence. Pour certaines associations, le texte actuel demande aux victimes de pouvoir prouver, non seulement la position d’autorité, de confiance ou d’influence, mais également l’abus qui est fait de cette position, alors que certains orateurs indiquent que, dans son état actuel, le texte ne requiert que la preuve de la position et non celle de l’abus de cette position, et recommandent de prévoir explicitement la preuve de l’abus. Concernant la question de l’aggravation des peines, Mme Hugon souligne que l’absence de lisibilité actuelle est liée au fait qu’on travaille toujours dans le cadre du Code pénal actuel, tout en sachant d’un nouveau système de peines sera proposé prochainement. L’intervenante revient ensuite sur la question de la prostitution et du proxénétisme et demande quelle est la portée exacte de la Convention de New York et de l’article 380 du Code pénal qui sanctionnent toute forme de proxénétisme. Pourrait-on, par exemple, considérer l’État comme coupable de proxénétisme, dès lors qu’il taxe les revenus de la prostitution lorsqu’ils sont déclarés ou que certaines communes taxent les carrés? Mme Hugon demande si le maintien d’une infraction de proxénétisme plus large que ce n’est le cas actuellement est la seule manière juridique de lutter contre la traite des êtres humains. À cet égard, est-il juridiquement légitime de maintenir une infraction dont le seul but est de pouvoir en déterminer une autre? Existe-t-il une quantification des besoins actuels et futurs au cas où l’infraction de proxénétisme plus large entrerait en vigueur? À propos de la formulation de l’article 433quater/1 du Code pénal, la notion d’incitation est-celle comprise de 2141/006 DOC 55 334 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E op dezelfde wijze dient te worden begrepen als bij het misdrijf van het aanzetten tot prostitutie. Moet in het hoofdstuk over prostitutie uitdrukkelijk het begrip “kwetsbaarheid” worden opgenomen, om soci­ aaleconomische redenen dan wel om redenen die het migratie- of het administratieve statuut betreffen? Zou een dergelijk begrip van pas komen om te oordelen of al dan niet sprake is van uitbuiting? De spreekster vindt ten slotte dat men oog moet heb­ ben voor het risico op conflicten tussen de toepasselijke juridische raamwerken inzake de lopende onderzoeken en procedures. Mevrouw Sophie De Wit (N-VA) peilt vooreerst naar het standpunt van het College van procureurs-generaal over het idee om te voorzien in afzonderlijke misdrijven en straffen voor zaken als sextortion of dick pics. Voorts stelt ze vast dat de legalisering van prostitutie tal van vragen en opmerkingen doet rijzen. Ze wil het standpunt van de sprekers kennen: kan men de huidige regelgeving beter ongewijzigd laten, of kan ze op be­ paalde punten worden aangepast? Hebben zij eventueel suggesties voor aanpassingen? Meer in het algemeen heeft mevrouw De Wit twijfels bij het feit dat men de hervorming van de strafwetgeving inzake seksuele misdrijven afzonderlijk aanpakt, terwijl thans tegelijk werk wordt gemaakt van een meer alom­ vattende hervorming van het Strafwetboek. Is het de bedoeling de strafwetgeving inzake seksuele misdrijven achteraf opnieuw in het nieuwe Strafwetboek in te voegen? Zo ja, dreigt zulks dan niet voor problemen te zorgen, aangezien dat nieuwe Strafwetboek op een heel andere leest dan het huidige Strafwetboek geschoeid zal zijn? Zo strekken de artikelen 85 tot 105 van het wetsont­ werp ertoe te bepalen dat het elektronisch toezicht, de werkstraf en de probatie kunnen worden opgelegd voor seksuele misdrijven, wat thans niet het geval is. Volgens de spreekster is zulks technisch gezien niet vanzelfsprekend. Ten gronde is mevrouw de Wit van oordeel dat het elektronisch toezicht, de werkstraf en de probatie niet zonder reden zijn uitgesloten voor seksuele delinquenten. Ze vraagt zich af of de opheffing van die uitsluiting voldoende zal kunnen worden opgevolgd door de zittende magistratuur om de veiligheid van de samenleving te waarborgen, temeer daar het niet langer verplicht zou zijn het advies van de gespecialiseerde diensten te vragen. la même manière que dans l’infraction d’incitation à la prostitution? Faudrait-il introduire explicitement dans le chapitre sur la prostitution, une notion de vulnérabilité, que ce soit pour des questions socio-économiques ou de statut migratoire ou administratif? Une telle notion aiderait-elle à apprécier s’il y a ou non exploitation? L’intervenante estime enfin qu’il faudra être attentif au risque de collision entre les cadres juridiques applicables concernant les enquêtes et procédures en cours. Mme Sophie De Wit (N-VA) demande d’abord quel est le point de vue du Collègue des Procureurs généraux concernant l’idée de prévoir des infractions et des peines séparées pour des phénomènes tels que la sextorsion ou la dick pic. Elle constate par ailleurs qu’il existe de nombreuses questions et remarques concernant la légalisation de la prostitution. Elle s’interroge sur le point de vue des orateurs: serait-il préférable de laisser telle quelle la réglementation actuelle ou certaines adaptations sont- elles possibles? Quelles sont éventuellement leurs suggestions d’adaptation? De manière plus générale, Mme De Wit émet des doutes sur la démarche qui consiste à traiter séparément la réforme de la législation pénale en matière d’infrac­ tions à caractère sexuel alors même qu’une réforme plus globale du Code pénal est en cours. Est-ce que l’idée sera ensuite de réintroduire la législation pénale en matière d’infractions à caractère sexuel dans le nouveau Code pénal? Si oui, cela ne risque-t-il pas de poser problème, compte tenu du fait que ce nouveau Code pénal sera basé sur une approche très différente du Code pénal actuel. Ainsi, dans les articles 85 à 105 du projet de loi, il est prévu que la surveillance électronique, le peine de travail d’intérêt général et la probation, ne seront plus exclues pour les infractions à caractère sexuel comme c’est le cas actuellement. Sur le plan technique, l’intervenante estime que ce n’est pas une évidence. Sur le fond, Mme De Wit estime que l’exclusion de la surveillance électronique, de la peine de travail d’intérêt général et de la probation, pour les délinquants sexuels avait sa raison d’être. Elle se demande si la suppression de cette exclusion pourra être suffisamment bien rattrapée au niveau des magistrats du siège pour garantir la sécurité de la société, d’autant plus que l’avis qui était demandé aux services spécialisés deviendra facultatif. 335 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw De Wit stelt zich ook vragen bij artikel 106 van het wetontwerp, dat ertoe strekt de antecedenten met betrekking tot het probatie-uitstel weg te laten. Ze wijst erop dat die bepaling een algemene strekking heeft die veel verder reikt dan het seksueel strafrecht en betrekking heeft op alle feiten. Ze wijst aldus op een tegenstrijdigheid, aangezien de indieners van het wets­ ontwerp voor bepaalde aspecten, zoals die welke door de Raad van State werden aangestipt (de terbeschik­ kingstelling, het beroepsgeheim en de verjaring van de straf) van oordeel zijn dat men niet mag vooruitlopen op wat in algemene zin zal worden beslist in het raam van de hervorming van het Strafwetboek, terwijl het wetsontwerp, wat andere aspecten betreft, ertoe strekt bepalingen in te voegen waarvan de gevolgen verder zullen reiken dan het seksueel strafrecht. AVOCATS. BE heeft zich hierover al uitgesproken, maar wat is het standpunt van de andere sprekers? Mevrouw Sophie Rohonyi (DéFI) benadrukt vooreerst dat het belangrijk is heldere en precieze begrippen te gebruiken, opdat zij die bescherming nodig hebben, zoals minderjarigen en slachtoffers van mensenhandel, ook daadwerkelijk worden beschermd. Wat de toestemming betreft, stelt de spreekster vast dat men het eens is over het feit dat een negatieve definitie van toestemming de beoordelingsbevoegdheid van de rechter op losse schroeven zet, ook al heeft men met een dergelijke negatieve definitie de beste bedoelingen. Mevrouw Rohonyi legt de link met de hashtag “Balance ton bar”, aangezien het wetsontwerp beoogt te bepalen dat er sprake is van verkrachting indien de seksuele handeling werd gepleegd jegens iemand die zich op dat moment in een kwetsbare situatie bevond, bijvoorbeeld door alcohol of drugs. Sommigen zouden nog een stap verder willen gaan door verkrachting met behulp van drugs als een autonoom misdrijf te beschouwen, zoals reeds het geval is in Australië of Zweden. Wat denken de genodigde sprekers hierover? De spreekster beklemtoont dat het risico bestaat dat valse verwachtingen worden gewekt bij de slachtoffers die beter beschermd willen worden. Het is immers niet alleen door in meer strafbare feiten en/of zwaardere straf­ fen te voorzien dat de slachtoffers beter zullen worden beschermd. Er is ook nog veel werk aan de winkel op opvoedingsvlak. Volgens sommigen zou ook het Wetboek van strafvordering moeten worden hervormd. In dat verband zijn er voorstellen geformuleerd in verband met het filmen van de verhoren, met de verplichte bijstand van een advocaat of nog met de inaanmerkingneming van een posttraumatische stressstoornis als wettelijk bewijsmiddel. Zijn ook de gastsprekers van mening Mme De Wit s’interroge aussi sur l’article 106 du projet de loi qui prévoir de supprimer les antécédents en ce qui concerne le sursis probatoire. Elle signale que cette disposition a une portée générale qui va bien au-delà du droit pénal sexuel mais concerne tous les faits. Elle souligne donc l’existence d’une contradiction car, pour certains éléments, tels que ceux pointés par le Conseil d’État (mise à disposition, secret professionnel et prescription de la peine), les auteurs du projets de loi estiment qu’il ne faut pas préjuger de ce qui sera décidé de manière générale dans le cadre de la réforme du Code pénal, alors que, pour d’autres éléments, le projet introduit des dispositions qui auront un impact au-delà du droit pénal sexuel. Avocats.be s’est déjà exprimé à ce sujet. Mais quel est le point de vue des autres orateurs? Mme Sophie Rohonyi (DéFI) souligne tout d’abord l’importance d’utiliser des termes clairs et précis afin que les personnes qui doivent être protégées, comme les mineurs et les victimes de traite des êtres humains, le soient effectivement. En ce qui concerne la question du consentement, l’intervenante constate qu’il y a une unanimité pour retenir qu’une définition négative du consentement ne permet pas de garder le pouvoir d’appréciation du juge, même si une telle définition négative est animée de bonnes intentions. Mme Rohonyi fait le lien avec le hashtag “Balance Ton Bar” puisque, dans le projet de loi, il y a viol si l’acte à caractère sexuel a été commis au préjudice d’une personne en situation de vulnérabilité, par exemple, parce qu’elle était sous l’emprise d’alcool ou de drogue. Certains voudraient aller plus loin en consi­ dérant le viol à l’aide de drogue comme une infraction autonome, comme c’est déjà le cas en Australie ou en Suède. Quel est l’avis des orateurs invités à ce sujet? L’intervenante souligne le risque de créer de fausses attentes dans le chef des victimes qui aspirent à être mieux protégées. En effet, ce n’est pas uniquement en prévoyant plus d’infractions et/ou des peines plus lourdes que les victimes seront mieux protégées. Il y a aussi tout un travail à effectuer en matière d’éducation. Selon certains, une réforme du Code d’instruction cri­ minelle serait aussi nécessaire. À cet égard, il y a des propositions concernant le fait de filmer les auditions, l’assistance obligatoire d’un avocat, ou encore la prise en compte du syndrome de stress post-traumatique en tant de moyen de preuve légal. Est-ce que les orateurs invités estiment aussi que le travail actuel de réforme 2141/006 DOC 55 336 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dat de huidige werkzaamheden tot hervorming van het Strafwetboek gepaard zouden moeten gaan met de hervorming van het Wetboek van strafvordering? Voorts komt mevrouw Rohonyi terug op de ondoeltref­ fendheid en zelfs de contraproductiviteit van uitermate langdurige gevangenisstraffen. De regering lijkt er zich bewust van te zijn geworden dat men zich meer moet richten op straffen die in detentiecentra of transitiehui­ zen worden uitgezeten. De spreekster onderstreept het belang van het werk van de steun- en opvangcentra voor seksuele delinquenten, die momenteel worden ondergefinancierd in verhouding tot hun werklast. In dat verband strekt het wetsontwerp ertoe te bepalen dat het niet langer verplicht, maar facultatief zal zijn een dienst gespecialiseerd in de begeleiding en de behandeling van seksuele delinquenten om een met redenen omkleed advies te vragen. Op die bepaling is zware kritiek geuit. Welk denken de verschillende sprekers daarvan? Ook de heer Khalil Aouasti (PS) komt terug op het begrip “toestemming”. In eerste instantie vraagt hij of “toestemming” niet eerst zou moeten worden omschreven als een duidelijk, vrij en met kennis van zake gegeven akkoord alvorens de omstandigheden te omschrijven waarin die toestemming wordt gegeven. Vervolgens vraagt hij zich af of het wel wenselijk is voorbeelden te geven. Aangezien het strafrecht strikt hoort te worden geïnterpreteerd, moet een voorbeeld ofwel heel precies zijn ofwel worden weggelaten. Bestaat niet het risico dat de rechter door die voorbeelden in een te beperkt raamwerk wordt gedwongen, dat hem geen ruimte laat om andere elementen in overweging te nemen? Kan men niet beter een algemene term gebruiken die naar die voorbeelden zou verwijzen? De in artikel 55 van het wetsontwerp in uitzicht gestelde rechtvaardigingsgrond voor al wie analyses van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen ontvangt, geldt alleen voor een bij koninklijk besluit erkende instantie. Zou die beperking niet moeten worden opgeheven, teneinde aldus te bewerkstelligen dat bijvoorbeeld de steuncentra, die niet bij koninklijk besluit zijn erkend, kun­ nen beschikken over dezelfde gegevens en informatie, zonder aangeklaagd dreigen te worden? Het misbedrijf van aanranding van de eerbaarheid zou verdwijnen. Wat in dat verband de toestemming betreft, zou een situatie waarin twee minderjarigen met een onderling leeftijdsverschil van meer dan twee jaar (bijvoorbeeld in de leeftijd van 17 en 14 jaar) seksuele betrekkingen met toestemming hebben, kunnen wor­ den gekwalificeerd als verkrachting, aangezien een minderjarige jonger dan 16 jaar geen toestemming kan verlenen. Zijn de sprekers het eens met die analyse? du Code pénal devrait être accompagné d’un travail de réforme du Code d’instruction criminelle? Mme Rohonyi revient aussi sur le caractère ineffi­ cace, voire contre-productif, des très longues peines de prison. Le gouvernement semble avoir pris conscience de la nécessité de s’orienter davantage vers des peines prestées dans des maisons de détention ou des maisons de transition. L’intervenante souligne l’importance du travail à réaliser par les centres d’appui et de prise en charge des délinquants sexuels qui sont actuellement sous-financés au regard de leur charge de travail. À ce propos, le projet de loi prévoit que l’avis motivé d’un service spécialisé dans la guidance et le traitement des délinquants sexuels ne sera plus obligatoire mais devien­ dra facultatif. Cette disposition a été fort critiquée. Quel est le point de vue des différents orateurs à ce sujet? M. Khalil Aouasti (PS) revient également sur la notion de consentement. Il demande d’abord s’il ne faudrait pas d’abord définir le consentement comme un accord clair, libre et éclairé, avant de définir les circonstances qui entourent le consentement. Il s’interroge ensuite sur l’opportunité des exemplifications. Dans la mesure où le droit pénal doit être de stricte interprétation, une exempli­ fication doit être stricte ou disparaître. L’exemplification ne risque-t-elle pas de contraindre le magistrat dans un cadre trop fermé qui ne l’autoriserait pas à considérer d’autres éléments? Ne faudrait-il pas mieux trouver un terme générique qui renverrait à cette exemplification? La cause de justification qui est introduite à l’ar­ ticle 55 du projet de loi pour ceux qui reçoivent des analyse d’images d’abus sexuels de mineurs est limitée à un organisme reconnu par arrêté royal. Ne faudrait-il pas supprimer cette limitation afin que, par exemple, les centres d’appui, qui ne sont pas reconnus par arrêté royal, puissent bénéficier des mêmes données et informations, et ne pas risquer une incrimination? Concernant la question du consentement, avec la dis­ parition de l’infraction d’attentat à la pudeur, une situation où deux mineurs ayant plus de deux ans d’écart (par exemple, 17 et 14 ans) auraient des relations sexuelles consenties, pourrait être qualifiée de viol puisqu’un mineur âgé de moins de 16 ans ne peut consentir. Les orateurs partagent-ils cette analyse? 337 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Worden het misdrijf van verzwaard misbruik van prostitutie en het misdrijf van mensenhandel niet door elkaar gehaald? Aangezien eerstgenoemd misdrijf mak­ kelijker te vervolgen is dan het tweede, rijst de vraag of de slachtoffers niet het risico lopen geen aanspraak te kunnen maken op de aan het misdrijf van mensenhandel verbonden waarborgen. Moet eventueel de omschrijving van het misdrijf van verzwaard misbruik van prostitutie worden herzien, of moet dat misdrijf gewoon worden geschrapt? Met betrekking tot de prostitutie geeft de heer Aouasti ten slotte aan dat hij zich kan vinden in het beleidsstand­ punt dat er via deze hervorming van het Strafwetboek naar wordt gestreefd de sekswerkers een sociaal statuut te verlenen, opdat zij sociale rechten kunnen opbouwen. Sommigen waarschuwen dat zulks wel eens strijdig zou kunnen zijn met de Europese Dienstenrichtlijn en de Europese Detacheringsrichtlijn. Gaan de sprekers daarmee akkoord? b. Antwoorden van de genodigden en replieken De heer Ignacio de la Serna komt terug op de situ­ atie bij de federale gerechtelijke politie, die kritiek is. Kennelijk heeft de regering beslist om daar andermaal te bezuinigen. Aangezien er heel wat (belangrijke) dos­ siers hangende zijn, begrijpt de spreker die besparingen niet. Om de zware en georganiseerde criminaliteit aan te pakken, is een sterke gerechtelijke politie nodig. De directeur van de gerechtelijke politie van Charleroi moest de afdeling Mensenhandel opdoeken door het gebrek aan speurders. Mevrouw Isabelle Algoet, advocaat-generaal te Bergen, gaat in op de mogelijkheid om de prostituees een statuut te verlenen. Juridisch gezien wordt zulks belet door het Verdrag van New York. Er bestaan ech­ ter tussenoplossingen die de betrokkenen een betere bescherming zouden kunnen bieden, zonder daarom alles op zijn kop te zetten. Het dark number is in dezen ter sprake gekomen. De spreekster vraagt zich af welk percentage van de prostituees een statuut wil verkrijgen. Dat black number moet op twee manieren worden bekeken. In bepaalde landen zijn er vrouwen die weliswaar een statuut heb­ ben, maar niettemin het slachtoffer zijn van misbruik en mensenhandel. Dat aspect vormt een deel van het black number. Een andere manier om een en ander te benaderen, bestaat erin zich af te vragen welk percen­ tage van de prostituees dat statuut daadwerkelijk zal aanvragen. Ook die vraag kan niet worden beantwoord. Een voorbeeld: toen dat statuut in Griekenland werd N’existe-t-il pas aussi une certaine confusion entre l’infraction d’abus aggravé de prostitution et celle de traite des êtres humains, avec le risque que, la première étant plus facile à poursuivre que la seconde, les victimes ne puissent pas bénéficier des garanties liées à l’infraction de traite des êtres humains? Faut-il éventuellement revoir la définition de l’infraction d’abus aggravé de prostitution ou tout simplement faire disparaître cette infraction? Enfin, concernant la prostitution, M. Aouasti déclare assumer le point de vue politique qui consiste à vouloir, à travers cette réforme du Code pénal, octroyer un statut social aux travailleurs du sexe afin qu’ils puissent béné­ ficier de droits sociaux. Certaines personnes mettent en garde contre un danger lié aux directives européenne “Services” et “Détachement”. Les orateurs perçoivent-ils également ce danger? b. Réponses des orateurs invités et répliques M. Ignacio de la Serna revient sur la situation de la police judiciaire fédérale, qui est critique. Il semble que le gouvernement ait décidé de faire de nouvelles économies notamment au niveau de la police judiciaire fédérale. Vu l’importance et le nombre de dossiers en cours, l’orateur ne comprend pas la politique envisagée. Pour s’attaquer à la criminalité grave et organisée, il faut une police judiciaire forte. Le directeur de la police judiciaire de Charleroi a été contraint de fermer la section Traite des êtres humains, à cause du manque d’enquêteurs. Mme Isabelle Algoet aborde les questions de la pos­ sibilité d’un statut pour les prostituées. Juridiquement, la Convention de New York y fait obstacle. Cependant, il existe des solutions intermédiaires de nature à amélio­ rer leur protection, sans pour autant tout révolutionner. Il a été question d’un chiffre noir. L’oratrice se demande quel est le pourcentage de prostituées qui souhaite obtenir un statut. Il faut envisager ce chiffre noir de deux manières. Dans certains pays, il existe des femmes qui disposent d’un statut mais qui sont néanmoins victimes d’abus et de traite. C’est une partie du chiffre noir. Autre façon de l’aborder: se demander quel est le pourcentage de prostituées qui demanderont effectivement ce statut. De nouveau, il est impossible de répondre à cette ques­ tion. À titre d’exemple: en Grèce, lorsque ce statut a été créé, on a constaté une proportion de 1 000 prostituées déclarées pour 20 000 à 30 000 qui ne le sont pas. En 2141/006 DOC 55 338 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ingesteld, is gebleken dat 1 000 prostituees zich hebben laten registreren, tegenover 20 000 à 30 000 dat niet hebben gedaan. In Duitsland is volgens de recentste cijfers waarover de spreekster beschikt, 60 % van de prostituees niet geregistreerd. Professor Vermeulen heeft gekozen voor een regu­ lerend beleid, maar in zijn artikels benadrukt hij dat er hoe dan ook altijd een black number zal blijven bestaan. Of we het nu willen of niet, prostitutie zal immers nooit een beroep als een ander zijn. Veel meisjes zullen altijd verkiezen onder de radar te blijven. Bovendien zijn veel meisjes in een economische-overlevingsmodus. Hoe kan in die context van hen worden gevraagd sociale bijdragen te betalen? Daarenboven komen veel meisjes uit het buitenland en blijven zij niet erg lang in België. Een statuut interesseert hen niet. De grootste behoed­ zaamheid blijft dan ook geboden. In de praktijk slagen sommige vrouwen erin een zelfstandigenstatuut te verwerven. Andere hebben een arbeidsovereenkomst in de horeca of als masseuse. De spreekster haalt een aantal tussenoplossingen aan waarvoor niet alles moet worden omgegooid. Een optie bestaat erin artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 betref­ fende de arbeidsovereenkomsten te wijzigen. Om de prostituee te beschermen, zou moeten worden bepaald dat strijdigheid met de openbare orde niet kan worden ingeroepen wanneer het in de feiten om prostitutie gaat. Voorts vermeldt de spreekster de Dienstenrichtlijn en de Detacheringsrichtlijn. Indien een statuut van sekswerker wordt gecreëerd met een detacherings- en dienstverle­ ningsmogelijkheid, dan zal volgens haar voor een veel grotere politie- en gerechtscapaciteit moeten worden gezorgd dan nu het geval is, daar zulks een aanzuig- effect zal hebben. Inzake het strafrechtelijk beleid wijzen het auditoraat en het parket de pooier steeds op de norm. Dienaangaande bestaat dus volledige transparantie. Vervolging is altijd mogelijk. De RSZ zou weliswaar een interessante rol kunnen spelen, maar het instellen van een statuut dreigt het brandpunt te doen verschuiven naar de prostituees die van het statuut geen gebruik hebben gemaakt. Dat risico duikt nu al op tijdens de multidisciplinaire onderzoeken. Het doelwit moet het pooierschap blijven. Men mag niet het verkeerde debat voeren. Aangaande de verruiming van de tenlasteneming door de centra tot slachtoffers/prostituees, wijst de spreekster op de verbintenissen van het Verdrag van New York. Hulp, preventie en tenlasteneming zijn immers van wezenlijk belang. Allemagne, selon les derniers chiffres en la possession de l’oratrice, 60 % des prostituées ne sont pas déclarées. Le professeur Vermeulen a fait le choix d’une politique règlementariste, mais, dans les articles qu’il a écrits, il souligne qu’il restera en tout état de cause un chiffre noir, car, qu’on le veuille ou non, la prostitution ne sera jamais un métier comme un autre. Un grand nombre de filles préféreront toujours rester sous le radar. En outre, pas mal de filles sont dans une logique de survie éco­ nomique. Comment leur demander dans ces conditions de payer des cotisations sociales? de plus, une grande partie sont étrangères et ne restent pas en Belgique très longtemps. Cela ne les intéresse pas d’avoir un statut. Il faut donc rester très prudent. En pratique, certaines femmes parviennent à avoir un statut d’indépendante. D’autres ont un contrat de travail horeca ou de masseuse. L’oratrice cite certaines solutions intermédiaires ne nécessitant pas de tout révolutionner. Une piste est la modification de l’article 14 de la loi du 3 juillet 1978 sur les contrats de travail. Il faudrait prévoir que la contrariété à l’ordre public ne peut pas être invoquée quand il s’agit en réalité de prostitution, pour protéger la prostituée. L’oratrice mentionne aussi les directives “Services” et “Détachement”. Si on crée un statut de travailleuse du sexe avec possibilité de détachement et de services, l’oratrice pense qu’il faudra prévoir une capacité policière et judiciaire beaucoup plus importante qu’actuellement car cela va créer un appel d’air. Dans les politiques criminelles, l’auditorat et le parquet rappellent toujours la norme au proxénète. La transpa­ rence est donc totale à ce niveau. Les poursuites sont toujours possibles. L’intervention de l’ONSS pourrait certes être inté­ ressante, cependant, la création d’un statut risque de déplacer le focus sur les prostituées qui n’ont pas utilisé le statut. Le danger apparait déjà lors des enquêtes multidisciplinaires. La cible doit rester le proxénète. Il ne faut pas se tromper de débat. Concernant l’élargissement de la prise en charge des centres vers les victimes prostituées, l’oratrice rappelle les obligations de la Convention de New York. L’aide, la prévention, la prise en charge, sont en effet essentielles. 339 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voorts verwijst mevrouw Algoet naar een arrest van 2016 van de Raad van State over de “raambelasting”. Zijn er nog andere middelen dan het misdrijf van pooi­ erschap om mensenhandel beter te kunnen tegengaan? De spreekster is daar niet van overtuigd. Er bestaat nu eenmaal geen wondermiddel. Er is hoe dan ook nood aan instrumenten om die vorm van menselijke uitbuiting te kunnen tegengaan. De heer Maarten Sobrie herhaalt dat volgens de huidige bewoordingen van het wetsontwerp er een overlapping is tussen het misdrijf “pooierschap” enerzijds en het misdrijf “mensenhandel” anderzijds. Wanneer de minst zware kwalificatie wordt gehanteerd, zullen alle beschermingsstatuten die aan het misdrijf “mensenhan­ del” zijn verbonden, verloren gaan voor de slachtoffers van mensenhandel. Er zijn vanzelfsprekend vele andere manieren om mensenhandel te bestrijden. De gerechtelijke overheid, die reactief optreedt, is maar een facet in deze strijd. Ook andere maatschappelijke actoren strijden tegen het fenomeen, zoals de lokale politie, de sociale inspectie, diverse verenigingen zoals Payoke, Child Focus enzovoort. De heer Sobrie is zelf 2 jaar referentiemagistraat ge­ weest bij het parket te Antwerpen en heeft ervaren dat als het stokt bij justitie, het overal stokt. Gerechtelijke vervolging kan een zekere dynamiek tot stand brengen. Misdrijven van mensenhandel moeten worden opge­ spoord, en in dezen is de positie van de parketmagis­ traat, die het strafrechtelijk beleid in zijn arrondissement organiseert en de betrokkenen engageert, cruciaal. De ter bespreking voorliggende wetswijzigingen ontnemen het parket zeer veel wapens in deze strijd. Mevrouw Nadia Laouar gaat andermaal in op het voyeurisme. De bepalingen inzake toestemming zijn van toepassing op dat begrip van voyeurisme en op de via voyeurisme verspreide beelden, ook al zijn die be­ palingen voor dat laatste begrip niet erg geschikt. Er is bovendien een tweede moeilijkheid: bij kinderpornografie zou de rechtvaardigingsgrond enkel betrekking hebben op de wederzijdse uitwisseling tussen instemmende minderjarigen ouder dan zestien. Hoe zit het dan met het maken van beelden door minderjarigen jonger dan zestien jaar? Kunnen zij instemmen, en komt dit niet neer op een misdrijf van kinderpornografie? Bovendien is het de vraag of zij kunnen instemmen met de verspreiding naar derden en, zo ja, vanaf welke leeftijd. Deze vraag verdient de nodige aandacht indien het om jongvolwas­ senen gaat. Par ailleurs, Mme Algoet fait référence à un arrêt du Conseil d’État sur la question des “taxes vitrines” en 2016. Y a-t-il un autre moyen que l’utilisation des infractions de proxénétisme pour mieux lutter contre la traite des êtres humains? L’oratrice n’en est pas convaincue. Il n’existe pas de solution miracle. Il faut en tout cas des moyens d’action permettant de lutter contre cette forme d’exploitation humaine. M. Maarten Sobrie répète que, selon la formulation actuelle du projet de loi, il existe un chevauchement des infractions de “proxénétisme”, d’une part, et de “traite d’êtres humains”, d’autre part. Si la qualification la moins sévère est utilisée, les victimes de la traite d’êtres humains perdront tous les statuts de protection liés à cette infraction. Il va sans dire qu’il existe de nombreuses autres manières de lutter contre la traite d’êtres humains. Les autorités judiciaires, qui agissent de manière réactive, ne constituent qu’une facette de cette lutte. D’autres acteurs de la société, tels que la police locale, l’inspection sociale, diverses associations, telles que Payoke, Child Focus, etc., luttent également contre ce phénomène. M. Sobrie a lui-même été magistrat de référence durant deux ans au parquet d’Anvers et a vécu la situation dans laquelle un blocage au niveau de la justice conduit à un blocage généralisé. Des poursuites judiciaires peuvent enclencher une certaine dynamique. Les infractions de traite d’êtres humains doivent être détectées et, à cet égard, le magistrat de parquet occupe une posi­ tion cruciale en organisant la politique pénale dans son arrondissement et en engageant les personnes concernées. Les modifications législatives à l’examen privent le parquet d’un nombre considérable d’armes dans cette lutte. Mme Nadia Laouar revient sur la question du voyeu­ risme. Les dispositions sur le consentement sont appli­ cables à cette notion de voyeurisme et de diffusion du voyeurisme, même si elles ne sont pas tout à fait adaptées à cette dernière notion. En outre, il y a une seconde difficulté: la pédopornographie envisage la cause de justification uniquement du point de vue de l’échange mutuel entre mineurs consentants de plus de 16 ans. Quid de la réalisation d’images par des mineurs de moins de 16 ans? Ont-ils la possibilité de consentir et cela ne constituera-t-il pas une infraction de pédopornographie? En outre, ont-ils la possibilité de consentir à la diffusion à des tiers, et si oui, à quel âge? Il faut faire attention à cette question en ce qui concerne les jeunes adolescents. 2141/006 DOC 55 340 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wat de toestemming betreft, schept het wetsontwerp nieuwe problemen. Waarom gaat het in de definitie van het misdrijf over het “slachtoffer”, terwijl elders in het wetboek gewag wordt gemaakt van de “persoon”? Evenzo is het begrip “aanranding” heel vaag. Het begrip “dwang” werd daarentegen weggelaten, wat zorgwekkend is gezien de rechtspraak die inzake dat begrip is ontstaan. Bovendien is er verwarring tussen de begrippen “kwetsbaarheid” en “aantasting van de vrije wil”. De spreekster leidt uit de memorie van toelichting af dat louter de aantasting van de vrije wil door het in­ nemen van bepaalde stoffen wordt bedoeld, maar het zou beter zijn dat te verduidelijken. Door de vaagheid van die begrippen kunnen dus enkele moeilijkheden rijzen; er wordt thans immers al in heel ruime mate rekening gehouden met de toestemming. Er is dus geen haast mee gemoeid om deze hervorming van het seksueel Strafwetboek vóór de rest van het Strafwetboek aan te nemen. Wat de aanpak van discriminatie en haatmisdrijven betreft, volgt het wetsontwerp in verregaande mate de aanbevelingen van de evaluatiecommissie, wat heel positief is. Niettemin lijkt het nuttig ook de daaraan ten grondslag liggende wetgeving aan te passen, teneinde te voorkomen verwarring te stichten met betrekking tot een materie die op zich al ingewikkeld is. Moet het Wetboek van strafvordering worden aangepast met betrekking tot de bejegening van de slachtoffers? De spreekster is van mening dat bovenal en in het bijzonder op het niveau van de magistraten de benadering van de slachtofferopvang nog moet worden verbeterd. Dat aspect komt aan bod in de verplichte gespecialiseerde opleiding die momenteel aan alle magistraten van het land wordt verstrekt. Men moet kunnen uitleggen waarom zaken om technische redenen worden geseponeerd. Wat het facultatieve karakter van het advies van de gespecialiseerde diensten betreft, is het inderdaad niet altijd nodig voor alle daders een behandeling met therapeutische begeleiding te overwegen. Dat advies is echter een manier om te bepalen of een dergelijke behandeling al dan niet moet worden overwogen. Het verplichte advies was in dat opzicht dus zinvol. Mevrouw Jessica Bourlet geeft ten behoeve van me­ vrouw De Wit aangaande de noodzaak van een aparte strafbaarstelling voor de misdrijven van sextortion en dick pics aan dat de huidige bepalingen van belaging (artikel 442bis van het Strafwetboek) en de specifieke wetsbepaling inzake elektronische overlast afdoende zijn om deze misdrijven te bestraffen. En matière de consentement, le texte en projet crée de nouvelles difficultés. Pourquoi parler de “victime” dans la définition de l’infraction alors que dans le reste du code on ne parle de “personne”? De même, la notion d’ “agression” est très vague. La notion de “contrainte” en revanche est retirée, ce qui est inquiétant par rapport à la jurisprudence qui s’est développée concernant cette notion. En outre, il y a confusion entre la notion de “vulnérabilité” et d’ “alté­ ration du libre arbitre”. L’oratrice comprend à la lecture de l’exposé des motifs qu’on vise uniquement le libre arbitre effectivement altéré par la prise de substances, mais ce serait mieux de le préciser. Le flou de cette série de notions risque donc de poser quelques difficultés or le consentement est déjà très largement pris en compte actuellement. Il n’y a donc pas d’urgence à adopter cette réforme du code pénal sexuel avant le reste du code pénal. En matière de lutte contre les discriminations et délits de haine, on se calque très fort sur des recommandations de la commission d’évaluation, ce qui est très positif. Cependant, il paraitrait utile d’adapter aussi les législa­ tions mères sur le sujet, pour ne pas risquer de créer la confusion dans une matière déjà complexe. Faut-il adapter le code d’instruction criminelle en ce qui concerne la prise en considération des victimes? L’oratrice est d’avis qu’il faut avant tout, notamment dans le chef des magistrats, améliorer encore la façon d’envi­ sager l’accueil des victimes. C’est un des aspects qui est appréhendé dans la formation spécialisée obligatoire qui est dispensée actuellement à tous les magistrats du pays. Il faut par exemple pouvoir expliquer le pourquoi d’une décision de classement sans suite pour motif technique. Sur le caractère facultatif de l’avis des services spé­ cialisés, il n’est en effet pas toujours nécessaire d’envi­ sager un traitement des mesures de suivi thérapeutique pour tous les auteurs. Cet avis est cependant une façon d’évaluer si oui ou non ce traitement doit être envisagé. Le caractère obligatoire de l’avis avait donc une utilité à ce point de vue. En ce qui concerne la nécessité de procéder à une incrimination distincte pour les infractions de sextortion et dick pics, Mme Jessica Bourlet répond à Mme De Wit que les dispositions actuelles relatives au harcèlement (article 442bis du Code pénal) et la disposition légale portant spécifiquement sur la nuisance électronique sont suffisantes pour sanctionner ces infractions. 341 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Ook al was daarin oorspronkelijk niet voorzien, is de spreekster voorstander van het uitbreiden van het bestraffingsaanbod voor zedenmisdrijven. Het is wel zo dat de straf van elektronisch toezicht in de praktijk door de rechters vrijwel nooit wordt opgelegd. Het gaat dus vooral over de autonome werkstraf die zou kunnen worden opgelegd voor zedenfeiten. Wat het minder strikt maken van de probatievoorwaar­ den betreft in die zin dat als in het verleden een hogere straf van 3 jaar gevangenisstraf werd verkregen, aan de betrokkene ook probatie-uitstel zou kunnen worden opgelegd, is mevrouw Bourlet van oordeel dat dit al­ leen is aangewezen voor zedenfeiten en niet voor alle misdrijven in het algemeen. Het gaat er bij zedenfeiten immers om dat een therapie kan worden opgelegd. Bij een in het verleden opgelopen hogere gevangenisstraf van 3 jaar valt immers de mogelijkheid van therapie weg en kan de strafrechter alleen een effectieve gevangenis­ straf opleggen, wat in heel wat zedendossiers niet de meest adequate bestraffing is. In de gerechtelijke onderzoeken over zedenfeiten wordt vaak door de onderzoeksrechters geanticipeerd en wordt aan een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten een verslag gevraagd. Derhalve beschikken de strafrechters vaak al over dit advies en vindt zij het derhalve niet noodza­ kelijk om het bij wet altijd verplicht te maken. Vaak is er ook een ernstig tekort aan dergelijke diensten om een dergelijk verslag op te maken. Soms gaat het om daders die geen seksuele problematiek hebben. Er is ook het bestaande artikel 9bis van de probatiewet, waarvan zij aanneemt dat dit niet wordt opgeheven, dat de rechter veel mogelijkheden geeft om een dergelijk voorafgaand advies te vragen. Het advies is zeker en vast nuttig. Wat de aparte regeling voor de slachtoffers zelf betreft, is de spreekster, net zoals mevrouw Laouar, voorstander van het uitbreiden van het aanbod aan zorgcentra voor slachtoffers van seksuele misdrijven. Het is nu ook al zo dat in alle dossiers waar minderjarigen slachtoffer zijn, de minderjarigen audiovisueel worden verhoord. De spreekster pleit ervoor zich eerder te focussen op de bejegening van slachtoffers door meer zorgcentra dan ervoor een aparte regeling in te schrijven. Inzake de vereiste van toestemming en in het bijzonder het ontworpen artikel 417/5, derde lid (artikel 5 van het wetsontwerp) dat de kwetsbare toestand die de vrije wil aantast betreft, is mevrouw Bourlet ervan uitgegaan dat de daarin vermelde omstandigheden eerder exemplatief Même si ce n’était initialement pas prévu, l’oratrice est favorable à l’élargissement des possibilités de sanction pour les attentats aux mœurs. Dans la pratique, la sanc­ tion de surveillance électronique n’est toutefois presque jamais utilisée par les juges. C’est donc principalement la peine de travail autonome qui pourrait être prononcée pour les faits de mœurs. En ce qui concerne l’intention de rendre les condi­ tions de probation moins strictes, en ce sens que si une peine supérieure de trois ans a été obtenue dans le passé, un sursis probatoire pourrait également être prononcé à l’encontre de l’intéressé, Mme Bourlet est d’avis que ce n’est indiqué que pour les faits de mœurs et non pour toutes les infractions en général. En effet, dans le cas de faits de mœurs, une thérapie peut être imposée. Cependant, si une peine d’emprisonnement supérieure de trois a déjà été prononcée dans le passé, la possibilité d’imposer une thérapie n’est plus d’appli­ cation et le juge pénal peut uniquement prononcer une peine d’emprisonnement effective, ce qui ne constitue pas la sanction la plus adéquate dans de nombreux dossiers de mœurs. Dans les instructions relatives aux faits de mœurs, les juges d’instruction anticipent souvent en demandant un rapport à un service spécialisé dans l’accompa­ gnement ou le traitement des délinquants sexuels. Par conséquent, les juges pénaux disposent souvent déjà de cet avis et l’oratrice estime qu’il n’est dès lors pas indispensable de le rendre légalement obligatoire dans tous les cas. En outre, il y a souvent un nombre insuffisant de services compétents pour établir un tel rapport. Parfois il s’agit d’auteurs qui ne présentent pas de problématique sexuelle. L’oratrice part également du principe que l’article 9bis de la loi sur la probation, qui donne au juge de nombreuses possibilités pour demander un tel avis préalable, ne sera pas abrogé. Il est incontestable que l’avis est utile. En ce qui concerne la réglementation distincte pour les victimes, l’oratrice est, à l’instar de Mme Laouar, en faveur d’un élargissement de l’offre de centres de soins pour les victimes d’infractions sexuelles. En pratique, on constate déjà aujourd’hui que dans tous les dossiers impliquant une victime mineure, celle-ci est entendue par visioconférence. L’oratrice plaide pour que l’on se concentre plutôt sur l’accompagnement des victimes en créant davantage de centres de soins, et non sur l’adoption d’une réglementation distincte. En ce qui concerne l’exigence de consentement et en particulier l’article 417/5, alinéa 3, en projet (article 5 du projet de loi), qui porte sur la situation de vulnérabilité qui altère le libre arbitre, Mme Bourlet suppose que les circonstances qui y sont mentionnées le sont plutôt à titre 2141/006 DOC 55 342 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zijn. Teneinde discussies te voorkomen, ware het dan ook aangewezen om dat als dusdanig ook te stellen in het artikel. De heer Dimitri de Beco benadrukt dat iedereen een andere, maar onderling aanvullende werkwijze hanteert. Zo gaan de verenigingen anders te werk dan AVOCATS. BE. De standpunten van de verenigingen zijn cruciaal en dragen ook bij tot de denkoefening van de advocaten. De moeilijkheid situeert zich vaak bij het indienen van een klacht; dat moet worden vergemakkelijkt. Veel vrouwen stappen naar een advocaat met de medede­ ling dat hun werd gezegd dat het geen zin heeft een klacht in te dienen. De advocaten proberen hen dan te overtuigen dat het belangrijk is toch klacht in te dienen, wat overigens vaak leidt tot een veroordeling van de dader. Hoe kan dat probleem worden opgelost? Door de slachtoffers in te lichten, hen beter op te vangen en ze aan te sporen een advocaat te raadplegen. Het heeft in dat opzicht misschien geen zin het wetsontwerp aan te passen. Wat bedoelt het parket met een seponering om tech­ nische redenen? Seponeert het parket zaken waarbij het overtuigd is dat er sprake is van verkrachting of aanranding van de eerbaarheid omdat de huidige wet geen veroordeling mogelijk maakt? Mevrouw Nadia Laouar antwoordt dat het vooral gaat om een gebrek aan bewijzen, wat als een technische reden wordt beschouwd. De heer Dimitri Beco vreest dat dit tot verwarring kan leiden, aangezien het gebrek aan bewijzen geen technisch probleem is, maar soms gewoon het gevolg is van het feit dat de verdachte onschuldig is. De spreker is ervan overtuigd dat het huidige Strafwetboek alle elementen bevat die de rechter nodig heeft om een veroordeling uit te spreken voor de situaties als bedoeld in de wet, zoals de invloed van verdovende middelen of alcohol dan wel bepaalde omstandigheden waarbij sprake is van misbruik van invloed. De rechters beschikken al jarenlang over de instrumenten om in dergelijke situaties te veroordelen. Zullen de slachtoffers sneller klacht indienen door die situaties toe te voegen aan het Strafwetboek? De spreker heeft hier geen antwoord op. Hij vraagt zich af of het wel de taak van het Strafwetboek is om een slachtoffer ertoe aan te zetten klacht in te dienen. Men zal er de statistieken op moeten naslaan. De advocaten hebben bijzondere aandacht voor het wetsontwerp, onder meer omdat zij er beroepshalve mee aan de slag moeten voor de hoven en rechtbanken. De semantiek heeft haar belang. De zinsnede “de daad is d’exemple. Afin d’éviter les discussions, il conviendrait d’apporter cette précision dans l’article. M. Dimitri de Beco souligne que les approches des uns et des autres sont différentes et complémentaires. Il y a notamment les associations d’une part et les juristes d’AVOCATS.be, d’autre part. Les avis des associations sont essentiels et permettent aussi de faire évoluer la réflexion des avocats. La difficulté réside souvent dans le dépôt de la plainte, qui doit donc être facilité. Beaucoup de femmes viennent voir les avocats en indiquant qu’on leur a dit que dépo­ ser plainte ne servait à rien. Les avocats tentent alors de les convaincre de l’intérêt de déposer plainte. Cela aboutit d’ailleurs régulièrement à une condamnation de l’auteur. Comment résoudre ce problème? Il faut les informer, travailler à l’accueil des victimes, les inciter à consulter un avocat. Changer le texte ne sera peut-être pas utile à cet effet. Que veut dire le parquet par un classement sans suite pour raisons techniques? Classe-t-il les dossiers, où il est convaincu qu’il y a viol ou attentat à la pudeur, parce que le texte actuel ne permettra pas une condamnation? Mme Nadia Laouar répond qu’il s’agit essentiellement de charges insuffisantes. Cela fait partie des motifs techniques. M. Dimitri de Beco considère que cela peut prêter à confusion, car l’absence de preuves n’est pas un problème technique mais résulte parfois de l’innocence du suspect. L’orateur est convaincu que le code pénal actuel contient tous les éléments nécessaires pour per­ mettre au juge de prononcer une condamnation pour les situations visées dans la loi, que ce soit l’influence de stupéfiants, l’alcool, certaines circonstances d’abus d’influence. Depuis des années, les juges disposent des outils pour condamner ce type de situation. Est-ce que le fait d’ajouter ces situations dans le code pénal va inciter les victimes à déposer plainte? L’orateur n’a pas la réponse. Il n’est pas convaincu qu’il relève du rôle du code pénal d’inciter une victime à déposer plainte. Il faudra voir ce que les statistiques en disent. Les avocats sont particulièrement attentifs au texte, notamment en raison du fait qu’ils sont des praticiens des cours et tribunaux. La sémantique a son importance. La phrase “l’acte a été rendu possible par” est trop 343 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E mogelijk gemaakt door” is te vaag. Volgens de spreker is de term “misbruik maken” duidelijker. Waarom wordt geen gebruik gemaakt van die term, die trouwens wordt gehanteerd in de Europese richtlijn waarnaar in de me­ morie van toelichting wordt verwezen? Het beginsel dat iemand in geval van twijfel dient te worden vrijgesproken, moet in ons land altijd voorop­ staan. In de memorie van toelichting wordt verrassend genoeg het volgende aangegeven: de “omkering van de bewijslast” en het feit dat de onschuld van de verdachte door hem “moet kunnen worden bewezen (…) lijkt een brug te ver te zijn” [onze cursivering, vert.]. Een en ander ligt nochtans voor de hand; waarom wordt dan het werk­ woord “lijken” gebezigd? Indien het wetsontwerp voorziet in een onweerlegbaar vermoeden en dus met andere woorden bepaalt dat, ongeacht de omstandigheden, van toestemming geen sprake kan zijn wegens de toestand van ten minste één van beide betrokkenen, dan moet in de tekst op zijn minst worden bepaald dat het slachtoffer zich in die toestand bevond, maar al evenzeer dat de andere persoon daarvan misbruik heeft gemaakt. Wij mogen niet in een situatie belanden waarin eenieder tegen de ander een klacht kan indienen. Mevrouw Rohonyi heeft verkrachting met behulp van verdovende middelen als autonoom misdrijf aan de orde gesteld. De toediening van stoffen is nu al een autonoom misdrijf indien zulks de dood heeft teweeggebracht of de gezondheid zwaar heeft geschaad (artikel 402 van het Strafwetboek). De spreker is er niet van overtuigd dat verkrachting met toediening van stoffen tot een autonoom misdrijf moet worden omgevormd. De verkrachting moet het basismisdrijf blijven, en de toediening van stoffen zou als een verzwarende omstandigheid van verkrachting kunnen gelden indien zulks die verkrachting daadwer­ kelijk verzwaart. Moet veeleer de toestemming dan de omstandigheden worden gedefinieerd? Het begrip “toestemming” valt zeer moeilijk te omschrijven. Waarop heeft dat begrip betrekking? Uiterste nauwkeurigheid is geboden. Het geven van voorbeelden vindt AVOCATS.BE ge­ vaarlijk. Nu al kunnen alle beoogde situaties door de rechters worden bestraft. Het moet aan de rechtspraak worden overgelaten om voor elk geval apart te beslissen. Ook al wordt de lijst als niet-exhaustief voorgesteld, toch zal iedereen zich eraan vastklampen. Een dergelijke lijst van voorbeelden hoort veeleer thuis in een memorie van toelichting. AVOCATS.BE acht het voorzichtiger om in het wets­ ontwerp aan te geven dat “de afwezigheid van toestem­ ming onder meer kan worden afgeleid uit”. De rechters moet enige armslag worden gelaten. vague. Pour l’orateur, le terme “abuser” est plus clair. Pourquoi ne pas reprendre ce terme, d’ailleurs utilisé dans la directive européenne à laquelle l’exposé des motifs se réfère? Le principe selon lequel on doit acquitter en cas de doute doit toujours prévaloir dans notre pays. L’exposé des motifs indique de manière surprenante que vou­ loir renverser la charge de la preuve et demander au suspect de prouver son innocence “semble” aller trop loin. C’est pourtant l’évidence même, pourquoi utiliser le verbe “semble”? Si le texte prévoit une présomption irréfragable, c’est-à-dire qu’il ne peut y avoir de consen­ tement, quelles que soient les circonstances, en raison de l’état d’au moins un des deux, il faut à tout le moins prévoir dans le texte que la victime était dans cet état mais aussi que l’autre personne en a abusé. Il ne faut pas en arriver à une situation où chacun pourrait déposer plainte contre l’autre. Mme Rohonyi a posé la question du viol à l’aide de drogues comme infraction autonome. L’administration de substances est déjà une infraction autonome si elle a entraîné la mort ou des altérations graves de la santé (article 402). L’orateur n’est pas convaincu qu’il faut faire du viol avec administration de substances une infrac­ tion autonome. Le viol doit rester l’infraction de base, et on pourrait imaginer de faire de l’administration de substances une circonstance aggravante du viol, si cela l’aggrave effectivement. Faut-il définir le consentement plutôt que les circons­ tances? Le consentement est très difficile à définir. Sur quoi porte-t-il? Il faudra être très précis. L’exemplification est dangereuse selon AVOCATS. be. Actuellement, toutes les situations visées peuvent déjà être sanctionnées par les juges. Il faut laisser la jurisprudence décider au cas par cas. Même si la liste est présentée comme étant non-exhaustive, tout le monde va cependant s’y raccrocher. Un tel type de liste d’exemples doit plutôt se retrouver dans un exposé des motifs. AVOCATS.be considère qu’il serait plus prudent d’indiquer dans le texte que “l’absence de consentement peut se déduire notamment de”. Il est indispensable de laisser une marge de manœuvre aux juges. 2141/006 DOC 55 344 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Mevrouw Delphine Paci komt terug op de alterna­ tieve straffen. In verreweg de meeste gevallen gaat het om misbruik door mensen die het slachtoffer kent, wat aanwijzingen verstrekt over de daders. Het is van groot belang gebruik te kunnen maken van gespecialiseerde expertise, onder meer van het Brussels steuncentrum, die zeer gedetailleerd is. Die expertise zal aanwijzingen kunnen verschaffen over wat er met de dader moet ge­ beuren. Door recidive tegen te gaan, gaat de openbare veiligheid erop vooruit. Zulks zal niet lukken zonder dat wordt voorzien in de mogelijkheid om de daders alternatieve straffen op te leggen, waardoor kan wor­ den bewerkstelligd dat zij de feiten erkennen. Dit is van essentieel belang voor het herstel van het slachtoffer. Gevangenisstraf daarentegen houdt het risico in dat het vooropgestelde doel volledig wordt gemist. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op haar vraag of het wenselijk is een bepaling toe te voegen over het onweerlegbare vermoeden van niet-toestemming als het gaat om prostitutie van minderjarigen. Mevrouw Isabelle Algoet antwoordt dat dit een discus­ sie voor de hoven en rechtbanken zou kunnen voorkomen. Zij is dan ook niet tegen een dergelijke toevoeging. Het Verdrag van Lanzarote stelt echter al zeer duidelijk een verbod in op elke vorm van prostitutie van minderjarigen jonger dan 18 jaar. In de formulering van de strafbare feiten inzake pooierschap van minderjarigen is dit een constitutief bestanddeel van het strafbare feit. Bij al­ les in verband met de exploitatie van prostitutie van minderjarigen, verwijst de term “minderjarige” naar wie jonger is dan 18 jaar. Mevrouw Vanessa Matz (cdH) komt terug op het betoog van de heer de la Serna over de mankracht van de politie. De minister van Binnenlandse Zaken beweert dat de lineaire besparing wordt gecompenseerd door extra budgetten. Wij zullen moeten afwachten welke informatie de begrotingsdocumenten ter zake opleveren. De heer Ignacio de la Serna geeft aan dat de com­ missaris-generaal zelf zich afvraagt hoe hij alle politie­ ambtenaren zal kunnen uitbetalen. Momenteel is de toestand echt niet al te best. 4. Slotbeschouwingen van de heer Damien Vandermeersch en mevrouw Joëlle Rozie, Commissie voor de hervorming van het strafrecht De heer Damien Vandermeersch wijst erop dat de parlementaire werkzaamheden nuttig zijn om een en ander te verduidelijken met het oog op de interpretatie van het recht, bijvoorbeeld betreffende het begrip “ver­ moeden” in het kader van prostitutie. Mme Delphine Paci revient sur la question des peines alternatives. Dans la grande majorité des cas, il s’agit d’abus par des gens que la victime connait, ce qui donne des indications concernant les auteurs. Il est très important de pouvoir s’aider d’expertises spécialisées, notamment du CAB, qui sont extrêmement fines. Cette expertise pourra donner des indications sur ce qu’il faut faire avec l’auteur. Lutter contre la récidive, c’est lutter pour plus de sécurité publique. Cela passera par la possibilité d’infliger aux auteurs des peines alternatives, ce qui permet notamment un travail de reconnaissance des faits par les auteurs. C’est essentiel pour le travail de reconstruction de la victime. La prison au contraire risque de louper complètement l’objectif escompté. Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur sa question concernant l’opportunité d’ajouter une disposition sur la présomption irréfragable de non-consentement pour la prostitution pour les mineurs. Mme Isabelle Algoet répond que cela permettrait d’éviter une discussion devant les cours et tribunaux. Elle n’est donc pas opposée à un tel ajout. Cependant, la convention de Lanzarote prévoit déjà très claire­ ment l’interdiction de toute forme de prostitution sur des mineurs de moins de 18 ans. Dans le libellé des infractions relatives au proxénétisme de mineurs, c’est un élément constitutif de l’infraction. Pour tout ce qui concerne l’exploitation de la prostitution de mineurs, le terme de mineur vise les moins de 18 ans. Mme Vanessa Matz (cdH) revient sur l’intervention de M. de la Serna concernant les effectifs policiers. La ministre de l’Intérieur prétend que la réduction linéaire est compensée par des budgets complémentaires qui sont fournis. Il faudra attendre de voir le détail des documents budgétaires. M. Ignacio de la Serna indique que c’est le commis­ saire général lui-même qui se demande comment il va pouvoir rémunérer tous les policiers. La situation n’est vraiment pas brillante actuellement. 4. Considérations finales de M.  Damien Vandermeersch et Mme Joëlle Rozie de la Commission de réforme du droit pénal M. Damien Vandermeersch rappelle l’utilité explicative des travaux parlementaires lorsqu’il s’agit d’interpréter le droit, comme par exemple au sujet de la présomption dans le cadre de la prostitution. 345 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In dit geval moet de strafbaarstelling van elke activiteit die verband houdt met de prostitutie van minderjarigen in die zin worden opgevat dat een minderjarige die zichzelf prostitueert, niet strafbaar is. Op de beleidskeuze wordt echter geen commentaar geleverd. Mevrouw Joëlle Rozie verklaart samen met de heer Damien Vandermeersch en de heer Jeroen De Herdt de pen te hebben vastgehouden voor de redactie van de initiële tekst maar zonder vergoeding hiervoor; de uitein­ delijke versie is echter het werk van de politieke adminis­ tratie, met vertegenwoordiging van alle regeringspartijen. De hervorming van het seksueel strafrecht werd reeds tijdens de vorige zittingsperiode onderzocht in het kader van de alomvattende hervorming van het Strafwetboek, maar werd jammer genoeg niet voltooid. Reflectie is anderzijds wel nuttig, omdat men dan rekening kan houden met commentaren en adviezen. Verrassend is dat sommigen inmiddels een ander standpunt hebben ingenomen. De besprekingen gaan vaak alle kanten uit, wat niet wegneemt dat de suggesties vaak zinvol zijn. Bezwaarlijk daarentegen zijn de manifest onjuiste verklaringen die werden afgelegd, vandaar de poging om thans de puntjes op de i te zetten. De vraag inzake de nood aan een hervorming van het seksueel strafrecht heeft een zeer verwonderlijke reactie van het College van procureurs-generaal uitgelokt, want niemand kan die nood nu nog ontkennen. Het is echter wel wenselijk de hervorming te beschou­ wen in de context van een alomvattende hervorming van het strafrecht, want het Strafwetboek dateert van 1867 en wordt gekenmerkt door een sterke Napoleontische in­ slag. België is overigens een van de zeldzame Europese landen dat nog zo’n oud wetboek hanteert. Was de visie van de spreekster aanvankelijk terughou­ dend ten aanzien van een hervorming van het seksueel strafrecht, dan is inmiddels wel de overtuiging gegroeid dat die eigenlijk prioritair is. Dit betekent echter niet dat de alomvattende hervorming van het strafrecht op de lange baan mag worden geschoven. De spreekster pleit voor een moderne en systematische aanpak. Indien bepaalde begrippen onbekend zijn of voor verwarring zorgen, is het belangrijk die uit te klaren. Over het schuldbestanddeel werden vreemde uitspra­ ken gedaan en heeft men beweerd dat de tekst vanuit het daderperspectief werd geschreven zonder oog voor de positie van het slachtoffer, wat niet het geval is. En l’espèce, l’incrimination de toute activité en relation avec la prostitution de mineurs d’âge doit être comprise ainsi que le mineur qui se prostitue lui-même n’est pas visé. Mais le choix politique ne sera pas commenté. Mme Joëlle Rozie précise qu’elle a assuré, avec M. Damien Vandermeersch et M. Jeroen De Herdt, la rédaction du texte initial à titre gratuit, mais que la version finale est une œuvre politique, à laquelle tous les partis de la majorité ont collaboré. La réforme du droit pénal sexuel a déjà été examinée pendant la législature précédente, dans le cadre de la réforme globale du Code pénal, mais elle n’a mal­ heureusement pas été achevée. Une réflexion est par ailleurs utile, parce qu’elle permet de tenir compte des commentaires et avis formulés. Il est étonnant de constater que dans l’intervalle, certains ont adopté une autre position. Les discussions vont souvent dans tous les sens, ce qui n’empêche pas que les suggestions sont souvent judicieuses. Par contre, les déclarations manifestement incorrectes sont plus gênantes, d’où la tentative de mettre aujourd’hui les points sur les i. La question de la nécessité d’une réforme du droit pénal sexuel a provoqué une réaction très étonnante du Collège des procureurs généraux, car personne ne peut aujourd’hui encore nier cette nécessité. Il conviendrait toutefois de considérer la réforme dans le contexte d’une réforme globale du droit pénal, car le Code pénal date de 1867 et est caractérisé par une tendance très napoléonienne. La Belgique est d’ailleurs un des rares pays européens qui utilisent encore un Code si ancien. Si l’oratrice était initialement réticente à l’idée d’une réforme du droit pénal sexuel, elle est maintenant convain­ cue que cette réforme doit constituer une priorité. Cela ne signifie toutefois pas que la réforme globale du droit pénal doit être renvoyée aux calendes grecques. L’oratrice plaide pour une approche moderne et systématique. Si certaines notions sont inconnues ou prêtent à confusion, il est important de les clarifier. Des déclarations étranges ont été faites à propos de l’élément fautif et on a affirmé que le texte avait été rédigé du point de vue de l’auteur des faits, sans tenir compte de la position de la victime, ce qui n’est pas le cas. 2141/006 DOC 55 346 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De heer Damien Vandermeersch wijst erop dat het ter bespreking voorliggende wetsontwerp in een andere con­ text en in een ander kader is geredigeerd. Desalniettemin is er nog hoop dat België een nieuw Strafwetboek zal aannemen; het is immers echt aan modernisering toe, inzonderheid ook wat het seksueel strafrecht betreft. Het is niet de bedoeling te veranderen om te veranderen, wel integendeel: het zou goed zijn de verworvenheden te behouden, onder meer de rechtspraak. Verandering is verantwoord indien zij een meerwaarde biedt; het komt de spreker niet toe te beoordelen of dat zo is. De analyse inzake de meerwaarde is de taak van de deskundigen die vertrouwd zijn met het onderwerp. Het debat over het schuldbestanddeel, het morele bestanddeel of het subjectieve bestanddeel was verras­ send, daar die begrippen ook in het strafrecht weliswaar niet eenvoudig zijn, maar wel dagelijks door de rechts­ colleges – inclusief het hoogste – worden toegepast. Het klopt dat de benaderingen in de rechtsleer kunnen verschillen, maar de redenering van het Hof van Cassatie aangaande de bewijsvoering lijkt toch constant te zijn. De vraag bij verkrachting is niet of ze al dan niet op­ zettelijk wordt gepleegd: verkrachting vindt immers altijd opzettelijk plaats. Het algemeen opzet speelt dus wel degelijk mee bij het onderscheid tussen de opzettelijke strafbare feiten (zoals de seksuele strafbare feiten) en de strafbare feiten die begaan kunnen worden door een gebrek aan vooruitziendheid of aan voorzorg. Gesteld dat een man in de trein struikelt en daarbij onvrijwillig de borst van een dame aanraakt terwijl hij op haar terechtkomt, dan is het materiële bestanddeel duidelijk: de reizigster heeft geen toestemming gege­ ven. Moet worden bewezen dat zulks niet opzettelijk is gebeurd, daar wordt vermoed dat de betrokkene het opzettelijk heeft gedaan? Die insteek is fout. Wél van cruciaal belang zijn daarentegen de toestemming (de definitie daarvan) en het bewijs van de toestemming. Het vermoeden is een techniek, bijvoorbeeld voor de leeftijd (objectief bestanddeel), waarbij ervan wordt uitgegaan dat onder de leeftijd van 14 jaar nooit sprake is van toestemming. In sommige gevallen beroept de dader zich echter op het feit dat hij niet wist dat het slachtoffer jonger was dan 14 jaar (het kennisbestanddeel; cf. het begrip “algemeen opzet”: bewust en opzettelijk hande­ len), maar als de betrokkene niet de moeite neemt om de leeftijd te verifiëren, heeft hij er soms wel enig idee van dat die leeftijd een probleem kan doen rijzen. Voor de dader geldt een verificatieplicht, om te voorkomen dat hij in de materiële positie van een dader terechtkomt. Indien de dader zijn verplichtingen niet nakomt, kan de omstandigheid hem ten laste worden gelegd. In die zin is het wetsontwerp volkomen in overeenstemming met M. Damien Vandermeersch rappelle que le texte à l’examen a été rédigé dans un contexte et un cadre différents. Il n’empêche que subsiste l’espoir de voir l’adoption d’un nouveau code pénal par la Belgique, car la modernisation est véritablement nécessaire, particu­ lièrement aussi en ce qui concerne le droit pénal sexuel. On ne veut pas de changement pour le changement, au contraire: il serait bon de conserver les acquis, notam­ ment de la jurisprudence. Le changement se justifie s’il apporte une plus-value dont l’appréciation ne relève pas de la compétence de l’orateur. L’examen de la plus-value est du domaine des experts qui connaissent le sujet. Le débat sur l’élément fautif, moral ou subjectif était surprenant, les notions n’étant pas simples en droit pénal, non plus, mais elles sont appliquées par les juridictions au quotidien, y compris par le plus haute. Certes, les approches doctrinales peuvent varier, mais le raisonnement de la Cour de cassation sur le plan de la preuve est constant, semble-t-il. Le problème dans le cadre du viol n’est pas de savoir s’il se commet volontairement ou non: le viol se comment toujours volontairement. Le dol général s’inscrit donc bien dans la distinction entre les infractions volontaires (telles les infractions sexuelles) et celles que l’on peut commettre par défaut de prévoyance ou de précaution. Si on prend le cas d’un homme qui trébuche dans le train et effleure involontairement le sein d’une dame en échouant sur elle, l’élément matériel est évident: la passagère n’est pas consentante. Faut-il prouver que l’on n’a pas fait cela exprès, car on serait présumé l’avoir fait exprès? Poser la question ainsi, c’est mal l’aborder. Sont essentiels en revanche, le consentement (sa définition) et la preuve du consentement. La présomption est une technique, par exemple pour l’âge (élément objectif) dont on considère qu’en dessous de 14 ans, il n’y a jamais de consentement. Or, l’auteur invoque parfois le fait qu’il ne savait pas que la victime avait moins de 14 ans (l’élément de la connaissance; cf. le dol général: agir sciemment et volontairement), mais s’il ne se soucie pas de vérifier l’âge, il a parfois une petite idée que cet âge est problématique. Le devoir de vérification existe dans le chef de l’auteur, pour ne pas se retrouver dans la situation matérielle d’un auteur. Si l’auteur néglige ses obligations, la circonstance lui est imputable. En ce sens, le texte est parfaitement conforme à la jurisprudence actuelle. L’erreur invincible subsiste: il s’agit par exemple de l’erreur commise de toute bonne foi, l’erreur que toute personne aurait commise, par 347 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de huidige rechtspraak. De onoverkomelijke dwaling blijft bestaan; daarbij gaat het bijvoorbeeld om de vergissing die te goeder trouw is begaan, de vergissing die eenieder zou hebben begaan, bijvoorbeeld die van iemand die wel tot de leeftijdscontrole zou zijn overgegaan, maar daarbij een vervalst identiteitsdocument heeft gecontroleerd. De positieve definitie van het begrip “toestemming” maakt een andere benadering mogelijk, ook al hebben definities hun beperkingen. De definitie tracht echter tegemoet te komen aan de in de praktijk rijzende bekom­ meringen, en het is van belang een en ander in de wet te verduidelijken – hetgeen tot kritiek leidt. In de rechtbanken valt trouwens vaak te horen dat de vermeende dader zich beroept op toestemming (“Ik was opgewonden en voor de rest was zij het ermee eens”). In de memorie van toelichting worden voorbeelden verstrekt, die ten behoeve van de helderheid in de tekst zijn opgenomen. Mevrouw Joëlle Rozie verklaart dat de oorspronkelijke definitie inzake de toestemmingspremisse veel korter was en geënt was op de definitie van het Joegoslaviëtribunaal. Enigszins tautologisch, maar dat is onvermijdelijk. De definitie werd dus na kritiek uitgebreid naar Zweeds voorbeeld. De gevallen in de wet zijn slechts voorbeel­ den die ter verduidelijking zijn bedoeld. In principe is de memorie van toelichting voldoende. Het verdwijnen van het woord “dwang” heeft voor onrust gezorgd, maar er is geen bezwaar om het opnieuw op te nemen naast de termen “aanranding”, “bedreiging” en dergelijke. De notie “kwetsbare toestand” moet helemaal niet limitatief worden opgevat. De spreekster is dus niet ge­ kant tegen de invoeging van de woorden “onder meer”. Men kan niet beweren dat ongewilde seksuele hande­ lingen in een sektarische omgeving buiten de reikwijdte van de wet vallen, integendeel: twijfel dat er geen toe­ stemming wordt gegeven, is niet mogelijk. Wat het schuldbestanddeel betreft, dient men zich te hoeden voor de omkering van de bewijslast. Een uitzonderingsprocedure voor seksuele delinquentie is uit den boze. Men moet immers oog hebben voor het zwijgrecht en het verbod op zelfincriminatie. De slachtofferrechten verdienen aandacht, maar men dient te beseffen dat valse aangiften een realiteit zijn. Een onachtzaamheidsmisdrijf zou te verregaand zijn. exemple la personne qui aurait procédé à la vérification de l’âge en ayant examiné une pièce d’identité falsifiée. La définition positive du consentement offre une autre approche, même si les définitions ont leurs limites. Cela étant, la définition tente de répondre aux inquiétudes de la pratique et il importe de préciser les choses dans la loi – ce qui amène des critiques. On entend d’ailleurs souvent dans les prétoires que l’auteur présumé invoque le consentement (“j’étais chaud et elle était d’accord pour le reste”). L’exposé des motifs présente des exemples, repris dans le texte pour la clarté. Mme Joëlle Rozie explique que la définition initiale du prérequis du consentement était bien plus courte et calquée sur la définition du Tribunal pénal international pour l’ex-Yougoslavie. Elle est quelque peu tautologique, mais c’est inévitable. Suite aux critiques formulées, la définition a donc été élargie en suivant l’exemple sué­ dois. Les cas qui figurent dans la loi ne sont que des exemples visant à clarifier la notion. En principe, l’exposé des motifs est suffisant. La disparition du mot “contrainte” a causé de l’inquié­ tude, mais rien n’empêche de le reprendre de nouveau à côté des termes “attentat”, “menace”, etc. La notion de “situation de vulnérabilité” ne doit pas du tout être interprétée de façon exhaustive. L’oratrice n’est donc pas contre l’insertion des mots “entre autres”. On ne peut pas affirmer que les actes à caractère sexuel non désirés qui se produisent dans un environ­ nement sectaire ne relèvent pas du champ d’applica­ tion de la loi: le doute quant au fait qu’il n’y a pas de consentement n’est pas possible. En ce qui concerne l’élément fautif, il convient d’éviter le renversement de la charge de la preuve. Une pro­ cédure d’exception pour la délinquance sexuelle est exclue. Il faut en effet tenir compte du droit au silence et de l’interdiction de l’auto-incrimination. Les droits des victimes méritent une attention par­ ticulière, mais il faut être conscient que les fausses déclarations sont une réalité. Une infraction commise par négligence serait trop extrême. 2141/006 DOC 55 348 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De invoering van een algemene zorgvuldigheidsnorm, zoals sommigen suggereren, is overbodig, want die zit al vervat in de definitie. Men denke aan kwetsbare personen, zoals personen in staat van dronkenschap die geen toestemming kunnen geven, zodat een gro­ tere verantwoordelijkheid op de initiatiefnemer van het seksueel contact rust. Aan de toestemmingspremisse kan een nieuwe paragraaf worden toegevoegd, die zich inspireert op artikel 372.2 van het Canadese Strafwetboek. Een bij­ komende paragraaf heeft beslist meerwaarde. Misbruik van gezag dient beperkend te worden ge­ ïnterpreteerd. De formulering werd wel aangepast na aanwijzingen van de administratie. De toestemming zorgt voor discussie, maar uit de hoor­ zittingen blijkt wel dat de marge van 2 jaar (14 à 16 jaar) te klein is, men had oorspronkelijk aan 5 jaar gedacht. Het antwoord op de vraag in verband met de bereke­ ning luidt overigens dat men de geboortedatum als referentiepunt dient te nemen. De leeftijdsgrens is wil­ lekeurig, net zoals met de meerderjarigheid. Pleegt men een week voor men 18 jaar wordt een misdrijf, is men niet toerekeningsvatbaar, op zijn 18 wel. Voor de rechtszekerheid kan men niet anders allicht dan duide­ lijke leeftijdsgrenzen hanteren. De spreekster verkoos de seksuele meerderjarigheid vanaf 14 jaar met een uitzonderingscategorie voor de 14- à 16-jarigen. Het is niet alleen coherent, maar ook meer in overeenstemming met de huidige maatschappelijke normen. De strafbaarstelling van voyeurisme en de definitie van “ontbloot persoon” veroorzaken commotie. Het af­ rukken van een hoofddoek of het nemen van een selfie bij de kapper waarbij een derde in beeld komt, werden eerder reeds als voorbeelden aangehaald. Men dient echter redelijk te blijven, er bestaat geen gevaar voor een verkeerde interpretatie. De hoogste rechtbanken – en dit is vaste rechtspraak – stellen dat strafbepalingen redelijk voorzienbaar moeten zijn en de interpretatie dient te stroken met de strekking van de wetgeving en de doelstellingen van de wetgever. De bepaling is duidelijk, de memorie van toelichting in principe ook. Men kan de memorie expliciteren door aan te geven dat het afrukken van een hoofddoek of het nemen van een selfie bij de kapper niet onder de bepalingen vallen. De vraag werd dan gesteld waarom men niet de termi­ nologie zou overnemen van het wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek wat betreft de omschrijving van voyeurisme (DOC 55 1854/001). Het komt de wetgever toe om een keuze te maken, maar ook het tweede voor­ stel kan tot interpretatieproblemen aanleiding geven. L’instauration d’une norme générale de prudence, comme suggéré par certains, est superflue, car elle est déjà comprise dans la définition. On pense aux personnes en situation de vulnérabilité, comme les personnes en état d’ébriété qui ne sont pas en mesure de donner leur consentement, de sorte qu’une plus grande responsabilité repose sur l’initiateur du contact sexuel. Un nouveau paragraphe, inspiré de l’article 372.2 du Code pénal canadien, peut être ajouté au prérequis du consentement. Un paragraphe supplémentaire aurait indéniablement une plus-value. L’abus d’autorité doit être interprété de façon restrictive. La formulation a néanmoins été adaptée en suivant les indications de l’administration. Le consentement donne lieu à des discussions, mais il ressort des auditions que la marge de deux ans (14 à 16 ans) est trop restreinte. On avait initialement pensé à cinq ans. Par ailleurs, la réponse à la question relative au calcul est qu’il convient de prendre la date de naissance comme référence. La limite d’âge est arbitraire, tout comme la majorité. Si on commet une infraction une semaine avant d’avoir 18 ans, on n’est pas responsable, mais à 18 ans bien. Pour la sécurité juridique, on ne peut évidemment pas faire autrement que d’appliquer des limites d’âge claires. L’oratrice préférait placer la majorité sexuelle à 14 ans, avec une catégorie d’exception pour les 14 à 16 ans. C’est non seulement plus cohérent, mais aussi plus conforme aux normes sociales actuelles. L’incrimination du voyeurisme et la définition de “per­ sonne dénudée” provoquent une certaine agitation. Le fait d’arracher un voile ou de prendre un selfie chez le coiffeur sur lequel figure un tiers, sont des situations qui ont déjà été invoquées comme exemples. Il faut toutefois rester raisonnables, il n’y a pas de risque de mauvaise interprétation. Les plus hautes juridictions – et c’est une jurisprudence constante – considèrent que les dispositions pénales doivent être raisonnablement prévisibles et que leur interprétation doit correspondre à l’esprit de la législation et aux objectif du législateur. La disposition est claire, l’exposé des motifs en principe aussi. On peut expliciter l’exposé en indiquant qu’arracher un voile ou prendre un selfie chez le coiffeur ne sont pas des situations visées par les dispositions. La question a ensuite été posée de savoir pourquoi on ne reprendrait pas la terminologie utilisée dans la proposition de loi modifiant le Code pénal en ce qui concerne la définition du voyeurisme (DOC 55 1854/001). Il appartient au législateur de faire un choix, mais la deuxième proposition peut, elle aussi, poser des pro­ blèmes d’interprétation. 349 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Men zou immers kunnen beschouwen dat het nemen van een foto van een pasgeboren naakte baby onder de definitie van voyeurisme valt, wat niet de bedoeling kan zijn. Fictieve beelden – gemanipuleerde beelden van een fictief persoon – die per mail aan een ander worden geadresseerd, kunnen ook moeilijk als hande­ lingen gekenmerkt door voyeurisme worden beschouwd, nu in die context toestemming niet mogelijk is. Anders is het gesteld met het vervaardigen of verspreiden van beelden van seksueel misbruik van minderjarigen, zoals Child Focus aangaf. De wet op de voorlopige hechtenis mag niet verkeerd worden gelezen: aanpassing van de minimale straffen is niet nodig. Die wet bepaalt alleen maar dat de feiten een correctionele straf van één jaar of meer tot gevolg kan hebben (in abstracto). De definitie van verkrachting dient eveneens correct te worden begrepen. Gedwongen zelfpenetratie valt wel degelijk onder het begrip “verkrachting”, wat ook expliciet in de memorie van toelichting wordt uitgelegd. De definitie zou volgens sommigen overigens aange­ past moeten worden, omdat de opdracht tot zelfpene­ tratie via live stream uitgesloten zou zijn: dit is niet het geval, omdat de opdrachtgever als dader zal worden beschouwd. Het betreft immers een zuiver geval van daderschap. Indien nieuwe verzwarende omstandigheden worden ingevoerd, zoals de suggestie van sommigen luidt – dit is een politieke kwestie –, dient de wetgever het propor­ tionaliteitsbeginsel in aanmerking te nemen. Het filmen van de feiten dient geen verzwarende omstandigheid uit te maken, omdat het meer een sa­ menloop uitmaakt met voyeurisme. De wettekst dient op het vlak van grooming of het benaderen van minderjarigen met seksuele doeleinden te worden verbeterd wegens een materiële fout. Het betreft inderdaad ook handelingen die tot een ontmoeting kunnen leiden, wat ook zo in de memorie van toelichting staat. Grooming toepassen op meerderjarigen is echter verregaand: de grens tussen flirten en strafbaar gedrag wordt dan wel bijzonder dun. De informatie in de media inzake het verspreiden van beelden van extreem pornografische aard en extreem gewelddadige aard is niet altijd accuraat. On pourrait en effet considérer que le fait de prendre une photo d’un nouveau-né nu entre dans le champ de la définition du voyeurisme, ce qui ne peut être l’intention du législateur. De même, des images fictives – images manipulées d’une personne fictive – envoyées par courrier électronique à une autre personne peuvent difficilement être considérées comme des actes de voyeurisme, dès lors que, dans ce cas, le consentement n’est pas possible. Il en va autrement de la production ou de la distribution d’images d’abus sexuels commis sur des mineurs, comme l’a souligné Child Focus. La loi sur la détention préventive ne doit pas être mal interprétée: il n’est pas nécessaire de modifier les peines minimales. Cette loi ne fait que disposer que les faits commis peuvent (in abstracto) entraîner une peine correctionnelle d’un an ou plus. Il convient également de bien comprendre la définition du viol. L’autopénétration forcée relève bel et bien de la notion de “viol”, ce qui est d’ailleurs indiqué explicitement dans l’exposé des motifs. D’aucuns estiment du reste que la définition devrait être modifiée, car elle exclut de son champ l’ordre d’auto­ pénétration lorsqu’il est donné en streaming direct. Or, ce n’est pas le cas, étant donné que le donneur d’ordre sera considéré comme l’auteur: c’est un cas évident de commission d’une infraction par un auteur. Si, comme le suggèrent certains, de nouvelles cir­ constances aggravantes sont introduites – il s’agit d’une question politique –, le législateur devra tenir compte du principe de proportionnalité. Filmer les faits ne devrait pas constituer une cir­ constance aggravante, car il s’agit plutôt, dans ce cas, d’un concours d’infractions, l’une d’entre elles étant le voyeurisme. Le texte de loi doit être amélioré en ce qui concerne la sollicitation ou l’approche de mineurs à des fins sexuelles (grooming), et ce, en raison d’une erreur matérielle. En effet, le grooming concerne aussi les actes qui peuvent conduire à une rencontre. C’est d’ailleurs mentionné comme tel dans l’exposé des motifs. L’application du grooming aux personnes majeures a cependant une portée considérable: la limite entre le flirt et un comportement délictueux devient alors très mince. Les informations données par les médias à propos de la diffusion d’images à caractère extrêmement por­ nographique ou violent ne sont pas toujours exactes. 2141/006 DOC 55 350 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Men suggereert dat de bepaling ook de bedoeling heeft om sadomasochistische handelingen strafbaar te stellen, wat niet juist is. Anderzijds klopt het niet dat SM nooit een misdrijf is. Het Hof van Cassatie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn zeer duidelijk: het blijft een misdrijf – namelijk toebrengen van opzettelijke slagen en verwondingen –, maar met een strafuitsluitende verschoningsgrond indien er toe­ stemming wordt verleend en indien de gezondheid niet wordt aangetast. Evenmin is het de bedoeling om meer zaken voor de rechter te brengen; er is wel een lacune in de wetgeving als het een onthoofdingsvideo betreft. Verwijzend naar artikel 383 van het Strafwetboek zou men vervolging kunnen instellen op basis van een letterlijke interpretatie wanneer het om naaktbeelden gaat die strijdig worden geacht met de goede zeden. Dit impliceert een verstrenging ten aanzien van de huidige situatie. “Extreem karakter” wordt gedefinieerd, al blijft het wel een open norm, maar het Strafwetboek staat er bol van. Voor het Grondwettelijk Hof vormt dat ook geen probleem; het wordt alleszins niet in strijd met het legaliteitsprincipe geacht. De Belgische tekst spiegelt zich overigens aan het Franse recht, en ook in Frankrijk hebben de rechters geen bezwaar. Of het bezit van verkrachtingsbeelden of beelden die bestialiteit vertolken strafbaar dient te worden gesteld, is een ander punt van discussie. Sommigen beweren verrassend genoeg van niet, de spreekster pleit voor een specifieke bepaling (m.n. het vervaardigen en het verspreiden van boodschappen van extreem pornogra­ fische of gewelddadige aard), maar het komt de politiek toe om te beslissen. Wil men zich alleen op artikel 383 van het Strafwetboek baseren, dan zal dit ongetwijfeld tot rechtsonzekerheid leiden. De vraag of er nood is aan nieuwe kwalificaties lokt heel wat reacties uit (cf. het niet-consensueel bezit van intieme beelden). Nieuwe kwalificaties zouden echter te ver leiden. Over het verspreiden van dick pics vielen voorheen een aantal onjuistheden te horen. Zo zou er nood zijn aan een strafbepaling, omdat dit niet zou vallen onder belaging, die een repetitief karakter vereist. Voor elek­ tronische belaging is op basis van de telecomwet geen repetitief karakter nodig. Het verspreiden van dick pics Certaines de ces informations laissent en effet entendre que cette disposition vise également à incriminer les actes sadomasochistes, ce qui n’est pas correct. À l’inverse, il est faux de dire que ces actes ne constituent jamais une infraction. La Cour de cassation et la Cour européenne des droits de l’homme sont très claires: le fait d’infliger délibérément des coups et des blessures reste une infraction, mais qui est assortie d’une cause d’excuse absolutoire si le consentement est donné et si la santé n’est pas affectée. L’idée n’est pas non plus de porter davantage d’af­ faires devant les tribunaux. En revanche, il existe une lacune dans la législation lorsqu’il s’agit de vidéos de décapitation. Évoquant l’article 383 du Code pénal, l’oratrice explique que des poursuites pourraient être engagées sur la base d’une interprétation littérale de cet article lorsqu’il s’agit d’images de nudité jugées contraires aux bonnes mœurs. Elle souligne que cela implique un durcissement par rapport à la situation actuelle. La notion de “caractère extrême” est certes définie, mais cela reste une norme ouverte. Ceci dit, le Code pénal en est rempli. Ce n’est d’ailleurs pas un problème pour la Cour constitutionnelle; en tout cas, ce n’est pas considéré comme contraire au principe de légalité. Le texte belge reflète du reste le droit français, et cette situation ne gêne pas non plus les juges français. La question de savoir si la possession d’images de viol ou d’images exprimant la bestialité doit être incriminée est un autre sujet de discussion. Certains affirment, de manière étonnante, que ce ne doit pas être le cas. De son côté, l’oratrice plaide en faveur d’une disposition spécifique (à savoir la production et la diffusion de messages de nature extrêmement pornographique ou violente), mais il appartient aux responsables politiques d’en décider. Quoi qu’il en soit, s’appuyer uniquement sur l’ar­ ticle 383 du Code pénal conduira sans nul doute à une insécurité juridique. La question de savoir si de nouvelles qualifications sont nécessaires suscite nombre de réactions (cf. la détention non consensuelle d’images intimes). De nou­ velles qualifications iraient toutefois trop loin. On a entendu par le passé des choses inexactes concernant la diffusion de dick pics. Une disposition pénale serait ainsi nécessaire parce que la diffusion de ces photos ne relèverait pas du harcèlement, lequel requiert un caractère répétitif. En ce qui concerne le harcèlement électronique, aucun caractère répétitif n’est 351 2141/006 DOC 55 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E is per definitie een handeling van elektronische belaging. Sommigen menen dat een repetitief karakter noodza­ kelijk is voor de gemeenrechtelijke belaging, maar dat blijkt niet uit de wet. Het Hof van Cassatie nuanceert de rechtspraak. De nood aan een alomvattende hervorming van het strafrecht laat zich ook in dezen voelen, om de gemeenrechtelijke belaging en de elektronische bela­ ging in eenzelfde bepaling onder te brengen, waarbij onderstreept wordt dat een enkele handeling voldoende is om van belaging te kunnen spreken. Een nieuwe strafbaarstelling voor dick pics is dus niet nodig. Sextortion (d.i. een geval van afpersing) behoeft evenmin een nieuwe strafbaarstelling. Sommigen be­ schouwen de definitie van afpersing als ontoereikend om het begrip sextortion te benaderen (men vraagt geen geld, maar nieuwe naaktbeelden). Daarom wordt de lege ferenda de strafbepaling van afpersing aangepakt, die in de kwalificatie van de handeling het ongeoorloofd voordeel opneemt. Het aansprakelijk stellen van de grote providers kan worden gesteund, maar een land als België kan al­ leen slechts weinig ondernemen. Dit wordt het best op Europees en internationaal niveau onderzocht. Het strafbaar stellen van incest tussen meerderjarigen is een politieke aangelegenheid. Vraag is dan echter wie dader en wie slachtoffer is. En hoe zit het met het seksueel zelfbeschikkingsrecht? De prostitutie zorgt voor polarisering. Indien mensen worden uitgebuit, kan dit onder de noemer mensen­ handel worden benaderd. Vooraleer een strafbepaling te creëren, dient men zich steeds af te vragen of een gedraging strafwaardig is. Een strafbepaling scheppen om een kwalificatie te bewijzen (met andere woorden ter ondersteuning van de bewijslast) kan niet worden aanvaard. Sekswerkers die hun activiteit uitoefenen zonder dwang te ondergaan en met volle instemming, verdienen bescherming (niet ten koste van slachtoffers van mensenhandel). Dit impliceert onder meer een sociaal statuut. Het standpunt van het College van procureurs- generaal is moeilijk te begrijpen wanneer enerzijds het Verdrag van New York wordt ingeroepen en anderzijds wordt ingestemd met een uitzondering op de nietig­ heid van het arbeidscontract. Kortom, sekswerkers én slachtoffers van mensenhandel verdienen bescherming. De spreekster is het dus niet helemaal eens met de bepalingen die op dat vlak voorliggen, maar het komt de politiek toe te oordelen en te beslissen. nécessaire sur la base de la loi sur les télécommunica­ tions. La diffusion de dick pics est par définition un acte relevant du harcèlement électronique. D’aucuns estiment qu’un caractère répétitif est nécessaire pour le harcèle­ ment de droit commun, ce qui ne ressort toutefois pas de la loi. La Cour de cassation nuance la jurisprudence. Le besoin d’une réforme globale du droit pénal se fait ressentir en l’espèce également, afin de reprendre dans une même disposition le harcèlement de droit commun et le harcèlement électronique, en soulignant qu’un seul acte suffit pour pouvoir parler de harcèlement. En d’autres termes, une nouvelle incrimination n’est pas nécessaire pour les dick pics. Le phénomène de sextorsion (à savoir un cas d’extor­ sion) ne nécessite pas non plus une nouvelle incrimination. Certains considèrent que la définition d’extorsion est insuffisante pour appréhender la notion de sextorsion (il ne s’agit pas d’une demande d’argent mais de nouvelles photos de nus). C’est pourquoi la disposition pénale de l’extorsion est utilisée de lege ferenda, disposition qui reprend l’avantage illégitime dans la qualification de l’acte. La mise en cause de la responsabilité des grands fournisseurs d’accès peut être soutenue, mais un pays tel que la Belgique ne peut entreprendre que peu de choses seul. Il est préférable que ce point soit examiné aux niveaux européen et international. L’incrimination de l’inceste entre majeurs constitue une question politique. Il reste toutefois à savoir en l’espèce qui est l’auteur et qui est la victime. En outre, qu’en est-il du droit à l’autodétermination sexuelle? La prostitution est une source de polarisation. Si des personnes sont exploitées, la question être envisagée au travers du prisme de la notion générale de traite d’êtres humains. Avant de créer une disposition pénale, il convient toujours de se demander si un comportement est punissable. Il n’est pas acceptable de créer une disposition pénale afin de prouver une qualification (en d’autres termes pour soutenir la charge de la preuve). Les travailleurs du sexe qui exercent leur activité sans subir de contrainte et avec leur entier consentement méritent d’être protégés (non aux dépens des victimes de la traite d’êtres humains). Cela implique notamment un statut social. Le point de vue du Collège des procureurs généraux est difficilement compréhensible, lorsque le Pacte de New York est invoqué, d’une part, et qu’une exception à la nullité du contrat de travail est consentie, d’autre part. En résumé, et les travailleurs du sexe et les victimes de la traite d’êtres humains méritent une protection. L’oratrice ne souscrit dès lors pas totalement aux dispositions à l’examen à cet égard, mais il appartient au monde politique de juger et de décider. 2141/006 DOC 55 352 C H A M B R E 4 e  S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2021 2022 K A M E R • 4 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De teksten werden oorspronkelijk in één taal geredi­ geerd, hetgeen soms voor terminologische onduidelijk­ heid zorgt in de vertaling, en dat is normaal. Wat niet duidelijk is, kan zeker nog worden uitgeklaard. De term “perfide” is misschien niet ideaal, maar vraag is dan door welke die kan worden vervangen zonder in een tautologie te vervallen (en dus de termen van een definitie zelf te gebruiken). De heer Damien Vandermeersch verzoekt wie niet gelukkig is met de terminologie voorstellen te doen. Les textes ont initialement été rédigés dans une seule langue, ce qui est parfois, comme on peut normalement s’y attendre, une source d’imprécision terminologique dans la traduction. Il sera certainement encore possible de remédier aux imprécisions. Le terme “perfide” n’est peut-être pas idéal, mais la question est de savoir par quel terme il pourrait être remplacé sans verser dans une tautologie (et ainsi utiliser les termes d’une définition proprement dite). M. Damien Vandermeersch invite ceux qui ne sont pas heureux de la terminologie à faire des propositions. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot