Inhoud
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
6770
DOC 502343/007
DOC 50 2343/007
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
18 maart 2003
18 mars 2003
Nr. 3 VAN DE HEER LETERME c.s.
Art. 119bis (nieuw)
In titel VI onder een Hoofdstuk 1bis met als op-
schrift «Wijziging van de wet van 12 juli 1976 be-
treffende het herstel van zekere schade veroorzaakt
aan private goederen door natuurrampen», een ar-
tikel 119bis invoegen, luidend als volgt :
«Art. 119bis. — Artikel 9, B, 1° van de wet van 12
juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade ver-
oorzaakt aan private goederen door natuurrampen,
wordt vervangen als volgt :
N° 3 DE MM. LETERME ET CONSORTS
Art. 119bis (nouveau)
Dans le titre VI, sous un chapitre Ierbis, intitulé
« Modification de la loi du 12 juillet 1976 relative à
la réparation de certains dommages causés à des
biens privés par des calamités naturelles », insérer
l’article 119bis, libellé comme suit :
« Art. 119bis. — L’article 9, B, 1°, de la loi du
12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dom-
mages causés à des biens privés par des calamités
naturelles, est remplacé par la disposition suivante :
PROJET
DE LOI-PROGRAMME
ONTWERP
VAN PROGRAMMAWET
Documents précédents :
Doc 50 2343/ (2002/2003) :
001 : Projet de loi-programme
002 : Annexe.
003 à 006 : Amendements.
Voorgaande documenten :
Doc 50 2343/ (2002/2003) :
001 : Ontwerp van programmawet.
002 : Bijlage.
003 tot 006 : Amendementen.
AMENDEMENTS
déposés en commission des Finances
et du Budget
AMENDEMENTEN
ingediend in de commissie voor de Financiën
en de Begroting
2
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
« 1° dans l’allocation d’une indemnité de réparation
calculée globalement pour l’ensemble des dommages
subis par un même sinistré, sur la base du montant
total net de ces dommages et suivant des taux varia-
bles par tranche de ce montant. Si la taxe sur la valeur
ajoutée n’est pas déductible dans le chef de l’ayant
droit pour l’activité dans laquelle les dommages ont
été subis, le montant est majoré d’un supplément égal
au montant multiplié par le taux de TVA applicable aux
biens perdus. Ces taux sont fixés par arrêté royal déli-
béré en Conseil des ministres ; ». ».
JUSTIFICATION
Dans la pratique, un assujetti soumis au régime forfaitaire
agricole recevra simultanément la décision d’indemnisation en
cas de calamité publique ou agricole. Les intéressés consta-
tent qu’en cas de calamité publique, la TVA, que l’assujetti pré-
cité ne peut généralement pas déduire, lui sera remboursée, ce
qui ne sera pas le cas en cas de calamité agricole.
L’agriculteur soumis au régime ordinaire de la TVA peut, en
principe, la déduire de sorte qu’elle ne constitue pas un coût
dans son chef. Dans la mesure où il est soumis au régime for-
faitaire agricole, l’exploitant agricole ne peut exercer le droit à
déduction des taxes ayant grevé les éléments constitutifs du
prix des opérations qu’il effectue. Cette TVA constitue un coût
que l’acheteur ou le preneur, qui est un assujetti ou une per-
sonne morale non assujettie (notamment l’État), rembourse
sous la forme d’une compensation forfaitaire (article 3 de l’ar-
rêté royal n° 22 du 15 septembre 1970 relatif au régime particu-
lier applicable aux exploitants agricoles en matière de taxe sur
la valeur ajoutée).
Le législateur n’a certainement pas eu l’intention, dans le
même sinistre, de permettre dans un cas de déduire la TVA et
dans l’autre, non. La réglementation en vigueur prévoit d’ailleurs,
en cas de calamité agricole, l’octroi d’une indemnité de répara-
tion calculée globalement pour l’ensemble des dégâts subis par
une même personne. Dans le droit fil de la réglementation rela-
tive à la TVA, il conviendrait que celle-ci soit également rem-
boursée en cas de calamité agricole.
N° 4 DE M LETERME ET CONSORTS
Art. 119ter (nouveau)
Insérer un article 119ter, libellé comme suit :
« Art. 119ter. — L’article 119bis s’applique aux cala-
mités agricoles qui sont survenues depuis le 1er jan-
vier 2000. ».
«1° in het toekennen van een herstelvergoeding glo-
baal berekend voor het geheel van de schade geleden
door eenzelfde getroffene, op basis van het netto to-
taal bedrag van deze schade en volgens percentages
veranderlijk per gedeelten van dit bedrag. Indien de
belasting over de toegevoegde waarde niet aftrekbaar
is in hoofde van de rechthebbende voor de activiteit
waarin schade is geleden, wordt het bedrag verhoogd
met een toeslag gelijk aan het bedrag vermenigvuldigd
met het BTW-tarief dat toepasselijk is op de gederfde
goederen. Deze percentages worden vastgesteld door
de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Mi-
nisterraad;».
VERANTWOORDING
In de praktijk zal een forfaitaire landbouwer in geval van een
algemene ramp en landbouwramp de vergoedingsbeslissing
gelijktijdig ontvangen. De betrokkenen stellen vast dat in geval
van algemene ramp de BTW, die de forfaitaire landbouwer niet
in aftrek kan brengen, aan hem wordt vergoed. Dit is niet het
geval bij een landbouwramp.
De landbouwer die is onderworpen aan de normale BTW-
regeling kan de BTW in principe in aftrek brengen waardoor
deze in zijn hoofde geen kost vormt. In de mate waarin hij is
onderworpen aan de forfaitaire landbouwregeling, mag de
landbouwondernemer het recht op aftrek van de BTW die drukt
op de onderscheiden bestanddelen van de prijs van de hande-
lingen die hij verricht, niet uitoefenen. Deze BTW vormt een kost,
die de koper of ontvanger, die een belastingplichtige of niet-
belastingplichtige rechtspersoon (o.a. de Staat) is, terugbetaalt
onder de vorm van een forfaitaire compensatie (artikel 3 van
KB nr. 22 van 15 september 1970 met betrekking tot de bijzon-
dere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over
de toegevoegde waarde).
Het kan moeilijk de bedoeling geweest zijn van de wetgever
om in hetzelfde schadegeval in het ene geval geen BTW toe te
kennen en in het andere geval wel. In de huidige regeling is er in
het geval van een landbouwramp trouwens sprake van de toe-
kenning van een herstelvergoeding globaal berekend voor het
geheel van de schade geleden door een zelfde betrokkene. In
dezelfde logica als die van de BTW-reglementering dient in ge-
val van een landbouwramp de BTW te worden gecompenseerd.
Nr. 4 VAN DE HEER LETERME c.s.
Art. 119ter (nieuw)
Een 119ter invoegen, luidend als volgt:
«Art. 119ter. — Artikel 119bis is van toepassing op
de landbouwrampen die zich voordeden vanaf 1 januari
2000.».
3
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
JUSTIFICATION
Le traitement des dossiers relatifs à la calamité agricole re-
connue comme telle à la suite des pluies abondantes d’octobre
et novembre 2000, a atteint sa vitesse de croisière. Il serait dès
lors souhaitable de tenir compte de la modification de la dispo-
sition lors de l’indemnisation.
N° 5 DE M. LETERME ET CONSORTS
Dans le titre V, insérer un Chapitre 2bis, conte-
nant les articles 107bis à 107sexies, et libellé comme
suit :
«Chapitre 2bis
Réduction d’impôt afférente aux prépensions et aux
autres revenus de remplacement
Art. 107bis. — L’article 34 de la loi du 10 août 2001
portant réforme de l’impôt des personnes physiques
est abrogé.
Art. 107ter. — À l’article 35 de la même loi sont
apportées les modifications suivantes :
A) les 5° et 6° de l’article 147 du Code des impôts
sur les revenus 1992 proposé sont supprimés;
B) le 7° de l’article 147 du Code des impôts sur les
revenus 1992 proposé est remplacé par la disposition
suivante :
7° lorsque le revenu net se compose exclusivement
d’allocations de chômage : 1 344,57 EUR;»
Art. 107quater. — À l’article 36 de la même loi sont
apportées les modifications suivantes :
A) au 1° de l’article 149 du CIR 92 proposé, le mot
«avant» est remplacé par le mot «après»;
B) au 2° de l’article 149 du CIR 92 proposé, le mot
«sans» est remplacé par le mot «après».
Art. 107quinquies. — L’article 37 de la même loi est
remplacé par la disposition suivante:
Art. 37. — L’article 150 de la même loi est remplacé
comme suit :
JUSTIFICATION
De dossiers van de erkende landbouwramp ingevolge de
overvloedige regenval van oktober en november 2000, zijn in
volle afwikkeling. Het is derhalve wenselijk dat bij de uitkering
rekening wordt gehouden met de gewijzigde bepaling.
Yves LETERME (CD&V)
Dirk PIETERS (CD&V)
Paul TANT (CD&V)
Nr. 5 VAN DE HEER LETERME c.s.
In titel V een Hoofdstuk 2bis invoegen dat de arti-
kelen 107bis tot 107sexies bevat, luidend als volgt :
«Hoofdstuk 2bis.
Belastingvermindering voor bruggepensioneerden en
andere vervangingsinkomsten
«Art. 107bis. — Artikel 34 van de wet van 10 augus-
tus 2001 houdende hervorming van de personen-
belasting wordt opgeheven.
Art. 107ter. — In artikel 35 van dezelfde wet wordt
het ontworpen artikel 147 van het Wetboek van de In-
komstenbelasting gewijzigd als volgt :
A) Het 5° en het 6° worden opgeheven;
B) Het 7° wordt vervangen als volgt :
«7° als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloos-
heidsuitkeringen bestaat : 1.344,57 EUR;».
Art. 107quater. — In artikel 36 van dezelfde wet wordt
het ontworpen artikel 149 gewijzigd als volgt :
A) in het 1° wordt het woord «vóór» vervangen door
het woord «na»;
B) in het 2° wordt het woord «zonder» vervangen
door het woord «na».
Art. 107quinquies. — Het artikel 37 van dezelfde
wet wordt vervangen als volgt :
«Art. 37. — Artikel 150 van hetzelfde Wetboek wordt
vervangen als volgt :
4
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
«Art. 150. — Lorsqu’une imposition commune est
établie, les réductions et les limites prévues par la pré-
sente sous-section, sont calculées par contribuable.».
Art. 107sexies. — À l’article 40 de la même loi, l’ar-
ticle 154, alinéa 2, proposé est abrogé.».
JUSTIFICATION
Dans le régime fiscal actuel, une pension de ménage est
imposée de la même manière que deux pensions qui, au total,
lui sont équivalentes. Ce ne sera plus le cas dès le prochain
exercice d’imposition, puisque la réforme de l’impôt des per-
sonnes physiques de 2001 ne tient plus compte du quotient
conjugal. De ce fait, le choix entre une pension de ménage et
une pension d’isolé n’offre plus le même résultat financier net.
L’article 149 proposé de la loi du 10 août 2001 préjudicie essen-
tiellement les pensions de ménage. L’amendement vise à main-
tenir le régime fiscal actuel et à corriger le décumul renforcé
dans le chef des ménages qui bénéficient d’un revenu de rem-
placement.
À partir de 2004, pas moins de trois systèmes différents de
prépension seront d’application. Les « prépensions ancien sys-
tème » , les « autres prépensions qui ont pris effet avant le 1er
janvier 2004 » et les « prépensions nouveau système».
Dans le cadre de la simplification administrative, il serait sou-
haitable de ne pas instaurer une nouvelle catégorie de
prépension.
Ces articles indiquent clairement qu’une nouvelle distinction
est établie entre les cohabitants mariés et les cohabitants de
fait, ce qui est contraire au principe constitutionnel d’égalité. Dans
le cadre de ce que l’on appelle l’État social actif, la réduction
d’impôt pour les « prépensions nouveau système » et les allo-
cations de chômage ne sera accordée qu’une seule fois par
ménage cohabitant marié ou légal, alors que les cohabitants de
fait pourront en bénéficier deux fois. Les mesures visant à pro-
mouvoir l’état social actif établissent donc une distinction injus-
tifiée et injustifiable entre les catégories précitées.
Tout aussi inconstitutionnelle est la différence de traitement
instaurée à l’égard des personnes qui, dans une même entre-
prise et dans le cadre d’une même convention collective de tra-
vail, reçoivent une même prépension, mais seront imposées
différemment selon que la prépension prend effet avant ou après
le 1er janvier 2004. La date à laquelle la prépension prend effet
dépend du délai de préavis, ce qui, en soi est un critère objectif,
mais ne justifie pas les différences de traitement au regard de
l’objectif recherché.
L’article 154, alinéa 2, en projet, du Code des impôts 1992
prévoit que les revenus nets doivent être additionnés lors du
calcul du seuil fixé par cet article. Le choix entre les diverses
formes de cohabitation est traité de manière différente sur le
«Art. 150. — Wanneer een gemeenschappelijke aan-
slag wordt gevestigd, worden de in deze onderafdeling
bepaalde verminderingen en grenzen berekend per
belastingplichtige.».
Art. 107sexies. — In artikel 40 van dezelfde wet, in
het ontworpen artikel 154, wordt het tweede lid opge-
heven.».
VERANTWOORDING
In de huidige fiscale regeling wordt een gezinspensioen ge-
lijk belast als de belasting op twee pensioenen die samen even
groot zijn als het gezinspensioen. Door de hervorming van de
personenbelasting van 2001 zal dit vanaf volgend aanslagjaar
niet langer het geval zijn doordat geen rekening wordt gehou-
den met het huwelijksquotiënt. Hierdoor levert de keuze tussen
een gezinspensioen of een pensioen voor alleenstaanden niet
langer hetzelfde netto financieel resultaat. Het ontworpen arti-
kel 149 van de wet van 10 augustus 2001 is voornamelijk in het
nadeel van de gezinspensioenen. Het amendement beoogt de
huidige fiscale regeling te behouden en de versterkte decumul
te verbeteren voor gezinnen die leven van een vervangingsin-
komen.
Vanaf 2004 zullen er niet minder dan 3 verschillende stelsels
van toepassing zijn voor de brugpensioenen. De «brug-
pensioenen oud stelsel», de «andere brugpensioenen die zijn
ingegaan vóór 1 januari 2004» en de «brugpensioenen nieuw
stelsel».
In het kader van de administratieve vereenvoudiging is het
wenselijk om geen nieuwe categorie in te voeren van brug-
pensioenen.
Deze artikelen geven duidelijk aan dat een nieuw verschil
tussen gehuwden en feitelijke samenwoners van kracht wordt,
hetgeen niet verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheids-
beginsel. De belastingvermindering voor de «brugpensioenen
nieuw stelsel» en de werkloosheidsuitkeringen zal, zogenaamd
in het kader van de actieve welvaartstaat, slechts één maal per
gehuwd of wettelijk samenwonend gezin worden verleend, ter-
wijl feitelijke samenwoners twee maal deze belasting-
vermindering kunnen genieten. De maatregelen ter bevordering
van de actieve welvaartstaat maken dus een onredelijk en niet
te motiveren onderscheid tussen voornoemde categorieën.
Even ongrondwettig is het verschil in behandeling van de
personen die in eenzelfde onderneming naar aanleiding van
eenzelfde collectieve arbeidsovereenkomst hetzelfde brug-
pensioen ontvangen maar verschillend zullen worden belast
naargelang het brugpensioen vóór of vanaf 1 januari 2004 in-
gaat. De datum waarop het brugpensioen ingaat, is afhankelijk
van de opzeggingstermijn. Op zich is dit een objectief criterium
maar niet de verschillende behandeling verantwoordt in even-
redigheid met het beoogde doel.
Door het ontworpen artikel 154, tweede lid, van het WIB 1992
moeten, bij de berekening van de drempel voorzien door dit ar-
tikel, de netto-inkomens worden samengevoegd. Hierdoor wordt
een keuze tussen de diverse samenlevingsvormen fiscaal ver-
5
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
plan fiscal : il défavorise les cohabitants mariés et légaux et fa-
vorise les cohabitants de fait. Le droit de la sécurité sociale n’éta-
blit pas cette distinction. Au regard du principe constitutionnel
d’égalité, il est difficile de justifier l’imposition différente de situa-
tions similaires.
N° 6 DU GOUVERNEMENT
Au titre V, insérer un chapitre 8, libellé comme
suit :
«Chapitre 8. Modification de la loi du 30 décembre
2002 portant diverses dispositions fiscales en matière
d’écotaxes et d’écoréductions
«Art. 114bis. — A l’article 369bis de la loi du 16
juillet 1993 visant à achever la structure fédérale de
l’Etat, modifié par la loi du 30 décembre 2002 portant
diverses dispositions fiscales en matière d’écotaxes
et d’écoréductions , le deuxième alinéa est supprimé.
Art. 114ter.— A l’article 370 de la même loi, rem-
placé par la loi du 7 mars 1996, sont apportées les
modifications suivantes :
A) le point 2° est remplacé comme suit :
«Les eaux, y compris les eaux minérales et les eaux
gazéifiées, additionnées de sucre ou d’autres édulco-
rants ou aromatisées, et d’autres boissons non alcoo-
liques relevant de la loi du 13 février 1995 relative au
régime d’accise des boissons non alcoolisées, ainsi
que les bières sans alcool, les vins sans alcool, les
produits intermédiaires sans alcool et les nectars de
fruits ;»;
B) le point 9° est supprimé.
Art. 114quater.— A l’article 371 de la même loi, mo-
difié par la loi du 30 décembre 2002, sont apportées
les modifications suivantes :
A) le point c) du paragraphe 2 et le point b) du para-
graphe 4 sont supprimés ;
B) le point 1° du paragraphe 3 est supprimé ;
schillend behandeld ten nadele van gehuwden en de wettelijk
samenwonenden. In het sociale zekerheidsrecht wordt dit on-
derscheid niet gemaakt. Een verschillende taxatie van gelijke
situaties is moeilijk te verantwoorden in het licht van het grond-
wettelijk gelijkheidsbeginsel.
Yves LETERME (CD&V)
Jo VANDEURZEN (CD&V)
Greta D’HONDT (CD&V)
Servais VERHERSTRAETEN (CD&V)
Nr. 6 VAN DE REGERING
In titel v een hoofdstuk 8 invoegen, luidend als
volgt :
«Hoofdstuk 8. Wijziging van de wet van 30 decem-
ber 2002 houdende fiscale bepalingen op het stuk van
milieutaksen en ecobonussen».
«Art. 114bis. —In het artikel 369bis van de wet van
16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staats-
structuur, gewijzigd door de wet van 30 december 2002
houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van
milieutaksen en ecobonussen, wordt het tweede lid op-
geheven.
Art. 114ter. —In het artikel 370 van dezelfde wet,
vervangen door de wet van 7 maart 1996, worden de
volgende wijzigingen aangebracht :
A) Punt 2 wordt als volgt vervangen :
«De waters, inbegrepen de minerale waters en de
gashoudende waters, aangevuld met suiker of andere
zoet- of smaakstoffen, en andere niet alcoholische dran-
ken, afkomstig uit de wet van 13 februari 1995 met
betrekking tot het accijnsstelsel van alcoholvrije dran-
ken, alsmede van alcoholvrije bieren, alcoholvrije wij-
nen, de alcoholvrije tussenproducten en de vruchten-
nectars;»;
B) punt 9° vervalt.
Art. 114quater. —In het artikel 371 van dezelfde wet,
gewijzigd door de wet van 30 december 2002, worden
de volgende wijzigingen aangebracht :
A) het punt c) van § 2 en het punt b) van § 4 verval-
len ;
B) het punt 1° van § 3 vervalt ;
6
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
Art. 114. — L’article 391 de la même loi, modifié par
la loi du 30 décembre 2002, est remplacé par la dispo-
sition suivante :
«Art. 391. § 1er. Les produits susceptibles d’être sou-
mis à une écotaxe peuvent être munis d’un signe dis-
tinctif faisant clairement apparaître qu’ils sont effecti-
vement soumis à l’écotaxe ainsi que le montant de cette
écotaxe, soit la cause de l’exonération de l’écotaxe ou
le montant de la consigne, afin d’assurer le contrôle
fiscal et d’informer le consommateur quant à la nature
du régime d’écotaxe applicable auxdits produits.
§ 2. Le ministre des Finances règle les modalités
d’application du présent article.».
Art. 114sexies.— La loi du 30 décembre 2002 por-
tant diverses dispositions fiscales en matière d’écotaxes
et d’écoréductions entre en vigueur le 1er avril 2003, à
l’exclusion des articles 1 à 9, 11 en tant qu’il insère un
paragraphe 1er à l’article 371 et 12 à 34 qui entreront
en vigueur le 1er juillet 2003.».
JUSTIFICATION
L’article 369bis a été inséré dans la loi du 16 juillet 1993 vi-
sant à achever la structure fédérale de l’Etat afin de mettre en
place la procédure d’enregistrement du nouveau régime de co-
tisation d’emballage. Dans la loi de base, cette procédure d’en-
registrement était organisée par l’arrêté ministériel du 11 sep-
tembre 1999 relatif au régime fiscal des produits soumis à
l’écotaxe et trouvait sa base légale dans la définition de la mise
à la consommation ressortissant de l’article 369, 11°, de la loi.
Par rapport à la version initiale de la loi, l’article 369bis préci-
sait que cette obligation ne visait plus toutes les personnes
mettant à la consommation des récipients pour boisson sur le
marché belge mais bien les seules personnes qui y placent soit
les boissons conditionnées dans des récipients réutilisables soit
des boissons conditionnées dans des récipients contenant des
matériaux recyclés selon un pourcentage à définir par le Roi.
Pour tenir compte des arguments développés par la Com-
mission européenne au sujet du projet de loi lui notifié selon
lesquels la commercialisation des produits concernés ne sera
en aucun cas tributaire de l’apposition d’un numéro d’enregis-
trement, il s’est avéré nécessaire d’apporter certaines adapta-
tions à cet article 369bis. En outre, la Commission a tenu à
rappeler que la directive 98/34/CE prévoit dans son article 1er,
paragraphe 11, alinéa 4, que constituent notamment des règles
techniques de facto les spécifications techniques ou d’autres
exigences ou les règles relatives aux services liées à des me-
sures fiscales ou financières qui affectent la consommation de
produits ou de services en encourageant le respect de ces spé-
Art. 114quinquies. —Artikel 391 van dezelfde wet,
gewijzigd door de wet van 30 december 2002, wordt
vervangen door de volgende bepaling :
«Art. 391 — § 1. De producten die voor een
milieutaks in aanmerking komen kunnen worden voor-
zien van een kenteken waaruit duidelijk blijkt ofwel dat
zij daadwerkelijk onderworpen zijn aan een milieutaks
en wat het bedrag van die milieutaks is, ofwel de reden
van de vrijstelling of het bedrag van het statiegeld, om
te zorgen voor het fiscaal toezicht en om de consu-
ment te informeren over de aard van de milieutaks-
regeling die op die producten van toepassing is.
§ 2. De minister van Financiën regelt de wijze van
uitvoering van dit artikel.».
Art. 114sexies. —De wet van 30 december 2002 hou-
dende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieu-
taksen en ecobonussen treedt in werking op 1 april
2003, met uitzondering van de artikelen 1 tot 9, 11
voor zover het een paragraaf invoegt in het artikel 371,
en 12 tot 34, die in werking treden op 1 juli 2003.
VERANTWOORDING
Artikel 369bis werd ingelast in de wet van 16 juli 1993 tot
vervollediging van de federale Staatsstructuur om de registratie-
procedure van het nieuw stelsel van verpakkingsbijdrage in te
voeren. In de basiswet werd die registratieprocedure ingericht
door ministerieel besluit van 11 september 1999 betreffende de
regeling van producten onderworpen aan milieutaks, en vond
haar wettelijke basis in de definitie van de in verbruikstelling
onder artikel 369, 11° van de wet.
In verhouding tot de oorspronkelijke versie van de wet, ver-
duidelijkte artikel 369bis dat die verplichting niet meer van toe-
passing was op elke persoon die overgaat tot het in verbruik
brengen van drankverpakkingen op de Belgische markt, maar
wel om personen die drank in verbruik brengen die hetzij ver-
pakt is in herbruikbare verpakkingen, hetzij verpakt is in ver-
pakkingen die herwonnen grondstoffen bevatten volgens een
door de Koning te bepalen percentage.
Om rekening te houden met de door de Europese Commis-
sie uiteengezette argumenten over het haar genotificeerd wets-
ontwerp volgens hetwelk het in de handel brengen van de be-
trokken producten in geen geval afhankelijk zal zijn van het
aanbrengen van een registratienummer, bleek het noodzakelijk
sommige aanpassingen aan dit artikel 369bis aan te brengen.
Overigens heeft de Commissie er aan gehouden te herinneren
dat de richtlijn 98/34/EG in artikel 1, paragraaf 11, 4e lid, bepaalt
wat met name de technische regels, de facto de technische
kenmerken zijn, of andere vereisten, of de regels in verband
met de diensten onderworpen aan fiscale of financiële regels
die het verbruik van de producten of diensten beïnvloeden door
7
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
de naleving aan te bevelen van die technische kenmerken of
van andere vereisten of regels in verband met diensten. Ze is
dus van mening dat het verplicht geworden aanbrengen van
het nummer niet bedoeld is om tot de naleving van een techni-
sche specificatie aan te sporen.
Om gunstig te antwoorden op de kritiek van de Commissie,
worden de paragrafen 2 en 3 van artikel 369bis opgeheven, en
vervalt de verplichting om het registratienummer op de etiket-
ten van de verpakking aan te brengen.
De verplichting om geregistreerd te zijn bij de administratie
blijft evenwel noodzakelijk om door die administratie erkend te
worden als een toestemming tot vrijstelling van de verpakkings-
bijdrage verleend wordt.
De tekst van artikel 371, § 3, 1°, sluit melk en producten op
basis van melk uit van de onderwerping aan de verpakkings-
bijdrage. De memorie van toelichting van die bepaling brengt
naar voor dat bij de beslissing tot volledige vrijstelling van melk
en melkproducten, met inbegrip van de producten op basis van
soja, rekening gehouden werd met het feit dat het geen drank
betreft, maar wel een noodzakelijk levensmiddel bij het prille
begin en bij de groei van kinderen.
Om die bepaling toepasselijk te maken, bleek het dus nodig
de in artikel 370, punt 9°, lijst te schrappen van de dranken,
waarin melk opgenomen was, in vloeibare toestand, niet ge-
concentreerd noch zonder toegevoegde suiker of andere zoet-
stoffen uit de code NC 04.01.
Bovendien, om te vermijden dat producten op basis van melk,
niet onderworpen aan de accijns volgens NC 22.02 onderwor-
pen zouden worden aan de verpakkingsbijdrage, rekening hou-
dende met het concept van deze verpakkingsbijdrage, werd
vastgesteld dat het punt 2° dat niet alcoholische dranken an-
dere dan water definieert, moest herschreven worden. Het paste
dus te verwijzen naar de definitie van deze producten opgeno-
men in de wet van 13 februari 1995 betreffende het accijns-
regime op niet alcoholische dranken.
Artikel 371 van de wet, zoals gewijzigd door de wet van 30
december 2002, stelt het bedrag van de verpakkingsbijdrage
vast, en ook de vrijstellingsmogelijkheden van die verpakkings-
bijdrage. Het stelt ook de voorwaarden vast om niet aan de
verpakkingsbijdrage onderworpen te worden in geval van her-
bruikbare verpakkingen, en die om vrijgesteld te worden, hetzij
voor de melkproducten, hetzij voor de verpakkingen bestaande
uit één van de grondstoffen bedoeld in bijlage 18, hetzij ten-
slotte voor de verpakkingen met een minimum hoeveelheid her-
wonnen grondstoffen.
Onder de voorwaarden vinden we de verplichting een duide-
lijk herkenbaar teken te dragen, met vermelding van hetzij statie-
geld, hetzij dat het gedeeltelijk vervaardigd is uit herwonnen
grondstoffen.
Gezien de opmerkingen die de Europese Commissie hier-
over geuit heeft, lijkt het dus nodig die voorwaarde te schrap-
pen.
Bovendien, vermits melk en de melkproducten niet be-
schouwd worden als drank, diende elke verwijzing naar die
cifications techniques ou autres exigences ou règles relatives
aux services. Elle pense donc que le marquage du numéro rendu
obligatoire ne vise pas à encourager le respect d’une spécifica-
tion technique.
Afin de répondre favorablement aux critiques de la Commis-
sion, les paragraphes 2 et 3 de l’article 369bis sont supprimés
et l’obligation d’apposer le numéro d’enregistrement sur les éti-
quettes des récipients tombe.
Toutefois, l’obligation d’être enregistrés auprès de l’adminis-
tration reste nécessaire afin d’être reconnu par cette adminis-
tration lorsqu’une autorisation d’exonération de la cotisation d’em-
ballage sera accordée.
Le texte de l’article 371, § 3, 1°, exclut le lait et les produits à
base de lait de la soumission à la cotisation d’emballage. L’ex-
posé des motifs de cette disposition fait apparaître qu’il a été
tenu compte dans la décision d’exonération totale du lait et des
produits à base de lait, y compris les produits à base de soja,
du fait qu’il ne s’agissait pas d’une boisson mais bien d’un ali-
ment nécessaire en début de vie et de croissance des enfants.
Afin de rendre applicable cette disposition, il s’avérait donc
nécessaire de supprimer de la liste des boissons reprises à
l’article 370 de la loi, le point 9° qui reprenait le lait, à l’état li-
quide, non concentré ni additionné de sucre ou d’autres édulco-
rants relevant du code NC 04.01.
En outre, afin d’éviter que des produits à base de lait et non
soumis à l’accise relevant du Code NC 22.02 ne soient soumis
à la cotisation d’emballage, compte tenu du concept de cette
cotisation d’emballage, il s’est avéré qu’il fallait réécrire le point
2° définissant les boissons non alcoolisées autres que l’eau. Il
convenait donc de faire référence à la définition de ces produits
reprise dans la loi du 13 février 1995 relative au régime d’accise
des boissons non alcoolisées.
L’article 371 de la loi, tel qu’il a été modifié par la loi du 30
décembre 2002, fixe le montant de la cotisation d’emballage ainsi
que les possibilités d’exonération de cette cotisation d’embal-
lage. Il fixe aussi les conditions pour ne pas être soumis à la
cotisation d’emballage dans le cas des récipients réutilisables
et celles pour être exonérés soit pour les produits du lait, soit
pour les récipients constitués par un des matériaux visés à l’an-
nexe 18, soit enfin pour les récipients constitués d’une quantité
minimale de matériaux recyclés.
Parmi les conditions on retrouve l’obligation de porter un si-
gne distinctif visible indiquant, soit qu’il est consigné et
réutilisable, soit qu’il est constitué partiellement de matériaux
recyclés.
Etant donné les griefs formulés à cet effet par la Commis-
sion européenne, il s’avère donc nécessaire de supprimer cette
condition.
En outre, puisque le lait et les produits du lait ne sont pas
considérés comme des boissons, toute référence à ces pro-
8
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
producten te verdwijnen uit de voorwaarden tot vrijstelling, ge-
zien ze dus niet aan de verpakkingsbijdrage onderworpen wer-
den.
Artikel 391 van de wet bepaalt de nadere regels voor de toe-
passing van de duidelijke kentekens op de door de wet bedoelde
producten.
Het bleek dus nodig, om rekening te houden met de wensen
die de Europese Commissie terzake geformuleerd heeft, om in
dit artikel 391 elke verwijzing te schrappen naar de verplichting
tot aanbrengen van het duidelijk kenteken op de vrijgestelde
verpakkingen, of die welke niet aan de verpakkingsbijdrage on-
derworpen zijn.
Vermits de minister van Economie belast was met het ne-
men van alle nuttige maatregelen voor de erkenning van het of
de onafhankelijke controleorganisme(n), bleek het nodig de in-
werkingtreding te bespoedigen van de artikelen 369bis, dat de
registratie van de vrijgestelde of niet onderworpen
belastingplichtige mogelijk maakt met het oog op zijn toelating,
en 371, §§ 2 en 3, dat volgens de na te leven voorwaarden
toelaat de niet onderwerping te bekomen in geval van her-
bruikbare verpakkingen, of de vrijstelling in geval van verpak-
kingen bedoeld in bijlage 18 of die gedeeltelijk herwonnen grond-
stoffen bevatten. De snelle inwerkingtreding van die bepalingen
maakt het de minister van Economie dus mogelijk de belast-
bare grondslag vast te stellen om het ministerieel besluit te ne-
men over de erkenning van onafhankelijke controleorganismen
op drankverpakkingen.
De toepassing van de wet tenslotte, die rekening houdt met
de verschillende vrijstellingsmogelijkheden, vergt een eerder
lange tijd, om de administratie der douane en accijnzen toe te
laten, op zicht van de haar voorgelegde certificaten, de vrijstel-
ling van de verpakkingsbijdrage toe te staan. Het onafhankelijk
controleorganisme zal dus, vanaf 1 april 2003, kunnen aanvan-
gen met de nodige verificaties voor de erkenning van de produ-
centen van drankverpakkingen. Om evenwel elk concurrentie-
probleem te vermijden, blijkt het nodig om de toelating tot
vrijstelling op hetzelfde ogenblik en aan alle economische act-
oren die er om gevraagd hebben te verlenen. De administratie
meent, op grond van de elementen waarover ze beschikt, dat
het volledig onderzoek van de dossiers en de opmaak van de
verschillende toelatingen ongeveer zes maand in beslag zal
nemen.
Daarom lijkt het verantwoord om de datum van inwerkingtre-
ding van het merendeel van de artikelen van de wet van 30
december 2002 uit te stellen, en de inwerkingtreding van de
artikelen 369bis en 371, §§ 2 en 3 op 1 april 2003 in te doen
gaan.
De minister van Financiën,
Didier REYNDERS
duits devait donc disparaître des possibilités d’exonération, étant
entendu qu’ils n’étaient donc pas soumis à la cotisation d’em-
ballage.
L’article 391 de la loi détermine les modalités d’application
des signes distinctifs sur les produits visés par la loi.
Il s’avérait donc nécessaire, pour tenir compte des griefs
formulés en la matière par la Commission européenne, de faire
disparaître de cet article 391 toute référence à l’obligation d’ap-
poser le signe distinctif pour les récipients exonérés ou non
soumis à la cotisation d’emballage.
Le ministre de l’Economie étant chargé de prendre toutes
les mesures utiles pour l’agrément de l’organisme ou les orga-
nismes de contrôle indépendants, il s’avérait nécessaire de faire
entrer en vigueur le plus rapidement possible les articles 369bis
permettant l’enregistrement du redevable exonéré ou non sou-
mis en vue de lui accorder son autorisation et 371, §§ 2 et 3,
permettant d’obtenir selon les conditions à respecter la non sou-
mission dans le cas du réutilisable ou l’exonération dans le cas
des emballages visés à l’annexe 18 ou contenant partiellement
des matériaux recyclés. L’entrée en vigueur rapide de ces dis-
positions permet donc d’asseoir la base légale nécessaire audit
Ministre de l’Economie afin de prendre l’arrêté ministériel por-
tant agrément d’organismes de contrôle indépendant en ce qui
concerne les emballages pour boissons.
Enfin, l’application de la loi tenant compte des différentes
possibilités d’exonération est tributaire d’un temps assez long
permettant à l’administration des douanes et accises d’accor-
der, au vu des certificats qui lui seront présentés, l’exonération
de la cotisation d’emballage. L’organisme de contrôle indépen-
dant pourra donc, à partir du 1er avril «2003, commencer les
vérifications nécessaires à la certification des producteurs d’em-
ballages pour boissons. Or, pour éviter tout problème de con-
currence, il s’avère nécessaire d’accorder en même temps et
au même moment, à tous les opérateurs économiques qui en
auront fait la demande, l’autorisation d’exonération de la cotisa-
tion d’emballage. L’administration, sur base des éléments en sa
possession estime que l’étude complète des dossiers et la ré-
daction des différentes autorisations, à besoin d’un délai d’envi-
ron six mois.
C’est la raison pour laquelle, il semble raisonnable de post-
poser l’entrée en vigueur de la plupart des articles de la loi du
30 décembre 2002 et de mettre en vigueur à partir du 1er avril
2003 l’article 369bis et 371,§ § 2 et 3.
Le ministre des Finances,
Didier REYNDERS
9
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 35.052/2
De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 13
maart 2003 door de Minister van Financiën verzocht hem, binnen
een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen
over amendemen-ten van de Regering bij het ontwerp van «pro-
gramma-wet» (Titel V : Financiën), heeft op 17 maart 2003 het
volgende advies gegeven :
Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoör-
dineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de
wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in
het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving
van het spoedeisende karakter ervan.
In het onderhavige geval luidt die motivering in de brief met
de adviesaanvraag aldus :
«(l’urgence est motivée par le fait que) ... les amendements
qui vous sont soumis doivent impérativement être déposés
devant les Chambres le mardi 18 mars 2003 ...».
*
* *
Overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoördi-
neerde wetten op de Raad van State, bepaalt de Raad van State,
afdeling wetgeving, zich tot het onderzoek van de rechtsgrond,
van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede
van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is vol-
daan.
*
* *
Gezien het zeer korte tijdsbestek waarover de Raad van
State beschikt en het aantal spoedeisende zaken waaromtrent
hij geadieerd is, beperkt de Raad zich tot de volgende opmer-
kingen.
1. De vraagstukken betreffende de grondwettigheid (gelijk-
heid voor de belasting) en de overeenstemming met het Euro-
pees recht die rezen naar aanleiding van de maatregelen die in
het vooruitzicht waren gesteld in het voorontwerp dat de wet
van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op
het stuk van milieutaksen en ecobonussen is geworden, die
nog niet is bekendgemaakt, zijn door de Raad van State op een
rij gezet in zijn advies van 6 maart 2002 (Kamer van volksver-
tegenwoordigers, DOC 50 1912/001, blz. 44-50). Daarnaar wordt
verwezen.
2. In advies 34.544/2 van 12 december 2002 over de amen-
dementen nummers 30, 31 en 32 op het voormelde ontwerp
van wet heeft de Raad van State moeten oordelen over een als
volgt luidend artikel, dat niet is aangenomen :
«... deze wet treedt in werking op 1 maart 2003, met uitzon-
dering van artikel 35 dat in werking treedt op de datum van
publicatie van de wet (in het Belgisch Staatsblad).».
AVIS DU CONSEIL D’ETAT
N° 35.052/2
Le CONSEIL D’ETAT, section de législation, deuxième chambre,
saisi par le ministre des Finances, le 13 mars 2003, d’une de-
mande d’avis, dans un délai ne dépassant pas trois jours, sur
des amendements du Gouvernement au projet de «loi-pro-
gramme» (Titre V : Finances), a donné le 17 mars 2003 l’avis
suivant :
Suivant l’article 84, alinéa 1er, 2°, des lois coordonnées
sur le Conseil d’Etat, inséré par la loi du 4 août 1996, la
demande d’avis doit spécialement indiquer les motifs qui
en justifient le caractère urgent.
La lettre s’exprime en ces termes :
«(l’urgence est motivée par le fait que) ... les amendements
qui vous sont soumis doivent impérativement être déposés de-
vant les Chambres le mardi 18 mars 2003 ...».
*
* *
Le Conseil d’Etat, section de législation, se limite, conformé-
ment à l’article 84, alinéa 2, des lois coordonnées sur le Conseil
d’Etat, à examiner le fondement juridique, la compétence de
l’auteur de l’acte ainsi que l’accomplissement des formalités
prescrites.
*
* *
Compte tenu du très bref délai qui lui est imparti et du nom-
bre d’affaires qui lui sont soumises en urgence, le Conseil d’Etat
se limite aux observations qui suivent.
1. Les questions de constitutionnalité (égalité devant l’impôt)
et de conformité au droit européen que soulevaient les mesu-
res envisagées dans l’avant-projet devenu la loi, non encore
publiée, du 30 décembre 2002 portant diverses dispositions fis-
cales en matière d’écotaxes et d’écoréductions, ont été inven-
toriées par le Conseil d’Etat dans son avis du 6 mars 2002
(Chambre des représentants, DOC 50 1912/001, pp. 44-50). Il
y est fait référence.
2. Dans son avis 34.544/2, donné le 12 décembre 2002, sur
les amendements n°s 30, 31 et 32 au projet de loi, précité, le
Conseil d’Etat a eu à connaître d’un article - qui n’a pas été
adopté - prévoyant que :
«... la présente loi entre en vigueur le 1er mars 2003, à l’ex-
ception de l’article 35, qui entre en vigueur le jour de la publica-
tion de la loi au Moniteur belge.».
10
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
In dat verband heeft de Raad van State opgemerkt dat het
aan de wetgever is om te oordelen of praktische noodzaak ver-
antwoordt dat van de gebruikelijke regels betreffende de inwer-
kingtreding van wetten wordt afgeweken en dat de datum van 1
maart 2003, die in het amendement is gekozen, de stellers van
het ontwerp de tijd zou geven om te onderzoeken welk gevolg
er moet worden gegeven aan de mededeling van de Commis-
sie d.d. 4 december 2002 over het wetsontwerp, ongeacht of de
strekking ervan moet worden gewijzigd, of moet worden tege-
moet gekomen aan de bedenkingen die in de mededeling wor-
den gemaakt, dan wel of aan de Commissie de inlichtingen
moeten worden bezorgd waarom ze verzoekt. Voorts wordt in
het advies opgemerkt dat de belangrijkheid van de bezwaren
niet mag worden onderschat, aangezien ze betrekking hebben
op het feit dat de tekst niet verenigbaar is met het Europees
recht. Het besluit van het advies is dat, als daarbij mocht blijken
dat de strekking van het wetsontwerp moet worden gewijzigd,
de wet zou kunnen worden verbeterd voordat zij in werking
treedt, wat verkieslijk is uit het oogpunt van de rechtszekerheid
en beter aansluit bij de vereisten van het Europees recht.
Het ontworpen artikel 114sexties van de programmawet, in
de versie die aan de Raad van State is voorgelegd, heeft tot
doel de inwerkingtreding van de wet van 30 december 2002 uit
te stellen, in afwijking van de normale termijn voor de inwer-
kingtreding van wetten (namelijk tien dagen na bekendmaking
ervan in het Belgisch Staatsblad). Met uitzondering van de arti-
kelen 369bis en 371, §§ 2 tot 5, die in werking zouden moeten
treden op 1 april 2003, zou de inwerkingtreding van de wet wor-
den uitgesteld tot een datum die in de wet zou worden vastge-
legd, maar die niet in de aan de Raad van State voorgelegde
tekst wordt vermeld.
Die maatregel ter vrijwaring van de rechtszekerheid kan
slechts efficiënt zijn, als de datum zo wordt gekozen dat ermee
wordt voorkomen dat eventuele latere wijzigingen van de wet
terugwerkende kracht moeten krijgen. Bij die keuze moet ook
rekening worden gehouden met de voorschriften van het Euro-
pees recht.
3. De onderzochte tekst strekt ertoe, volgens de verantwoor-
ding die ervan gegeven is, gedeeltelijk tegemoet te komen aan
de bezwaren die door de Europese Commissie gemaakt zijn.
Binnen het korte tijdsbestek dat hem is toegemeten, kan de
Raad van State niet grondig onderzoeken of de ontworpen tekst
van die aard is dat wordt voldaan aan de vereisten van het
gemeenschapsrecht. Hij vraagt zich evenwel af, gelet op de
bezwaren die de Commissie geuit heeft, of het meer bepaald
aanvaardbaar is nu reeds de bepalingen betreffende de
registratieplicht, onder de voorwaarden die eraan verbonden
worden, en het instellen van een onafhankelijk controleorgaan
in werking te laten treden.
Wat betreft de bezwaren waaraan in de ontworpen tekst niet
wordt tegemoetgekomen, blijkt uit de informatie die aan de Raad
van State verschaft is dat de Ministerraad een brief ter attentie
van de Commissie heeft aangenomen die ertoe strekt met haar
dringend een positieve discussie te laten aanvangen.
A cet égard, le Conseil d’Etat a observé qu’il appartenait au
législateur d’apprécier si des nécessités pratiques justifiaient
de déroger aux règles habituelles d’entrée en vigueur des lois
et avait relevé que la date du 1er mars 2003, choisie dans l’amen-
dement, donnerait aux auteurs du projet le temps d’examiner la
suite à réserver à la communication de la Commission du 4
décembre 2002 relative au projet de loi, qu’il s’agisse d’en adap-
ter la teneur, ou de rencontrer les réserves émises dans la com-
munication, ou de fournir à la Commission les informations qu’elle
demandait. L’importance des objections ne saurait être sous-
estimée, continue l’avis, puisqu’elles ont trait à la non-confor-
mité du texte au droit européen. De la sorte, s’il devait apparaî-
tre que la teneur du projet de loi devait être modifiée, la loi pourrait
être corrigée avant son entrée en vigueur, ce qui est préférable
du point de vue de la sécurité juridique et plus conforme aux
exigences du droit européen, conclut l’avis.
L’article 114sexties de la loi-programme, en projet, dans sa
version soumise au Conseil d’Etat, tend à différer l’entrée en
vigueur de la loi du 30 décembre 2002, en dérogeant au délai
normal d’entrée en vigueur des textes législatifs (à savoir dix
jours après leur publication au Moniteur belge). A l’exception
des articles 369bis et 371, §§ 2 à 5, qui devraient entrer en
vigueur le 1er avril 2003, l’entrée en vigueur de la loi serait post-
posée à une date qui serait inscrite dans la loi mais qui ne figure
pas dans le texte communiqué au Conseil d’Etat.
Pour que cette mesure de sauvegarde de la sécurité juridi-
que soit efficace, le choix de la date devrait être tel qu’il per-
mette d’éviter que d’éventuels correctifs ultérieurs de la loi, ne
doivent être assortis d’un effet rétroactif. Ce choix doit aussi
tenir compte des impératifs du droit européen.
3. Le texte à l’examen tend, selon les justifications qui en
sont données, à répondre pour partie aux objections émises
par la Commission européenne. Dans le bref délai qui lui est
imparti, le Conseil d’Etat ne peut examiner de façon approfon-
die la question de savoir si le texte en projet est de nature à
répondre aux impératifs du droit communautaire. Il s’interroge
cependant si, compte tenu des critiques formulées par la Com-
mission, il est notamment admissible de mettre en vigueur dès
à présent les dispositions relatives à l’obligation d’enregistre-
ment, aux conditions qui lui sont attachées et à la mise en place
de l’organisme de contrôle indépendant.
En ce qui concerne les objections auxquelles le texte en projet
ne répond pas, il résulte des informations communiquées au
Conseil d’Etat que le Conseil des ministres a adopté une lettre
à l’attention de la Commission tendant à ce qu’une discussion
positive s’engage d’urgence avec celle-ci.
11
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
De stellers van het ontwerp en de wetgever dienen nu reeds
te onderzoeken of deze gedachtewisselingen van die aard zijn
dat ze leiden tot nieuwe wetswijzigingen (volgens de gemach-
tigde van de minister is dit weinig waarschijnlijk, maar kan dit
niet absoluut worden uitgesloten).
Ter wille van de voorspelbaarheid van de wet is het immers
wenselijk de wet van 30 december 2002 in één keer te her-
werken (1) .
Op die wijze ook zal een alomvattend begrip van de geplande
maatregelen en van de evenwichten die ze beogen tot stand te
brengen, mogelijk zijn, zonder hetwelk moeilijk kan worden na-
gegaan of de wet in haar geheel zich verdraagt is met de artike-
len 10, 11 en 172 van de Grondwet.
De kamer was samengesteld uit
de Heren
Y.
KREINS,
kamervoorzitter,
J.
JAUMOTTE,
Mevrouw
M.
BAGUET,
staatsraden,
de Heren
J.
van COMPERNOLLE,
B.
GLANSDORFF,
assessoren van de
afdeling wetgeving,
Mevrouw
A.-C.
VAN GEERSDAELE,
toegevoegd griffier.
Het verslag werd uitgebracht door de H. J. REGNIER, eerste
auditeur-afdelingshoofd. De nota van het Coördinatiebureau
werd opge-steld door de H. P. BROUWERS, referendaris.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst werd nagezien onder toezicht van de H. J. JAUMOTTE.
DE GRIFFIER,
DE VOORZITTER,
A.-C. VAN GEERSDAELE
Y. KREINS
Il appartient aux auteurs du projet et au législateur de vérifier
dès à présent si ces échanges de vues sont de nature à con-
duire à de nouvelles modifications de la loi (selon le délégué du
ministre, c’est peu probable mais ne saurait être exclu de façon
absolue).
En effet, l’impératif de prévisibilité de la loi rend souhaitable
un rema-niement unique de la loi du 30 décembre 2002 (1).
C’est aussi de cette façon qu’une compréhension globale
des mesures projetées et des équilibres qu’elles tendent à réa-
liser, sera possible, sans laquelle il est malaisé de vérifier la
conformité de la loi, dans son ensemble, aux articles 10, 11 et
172 de la Constitution.
La chambre était composée de
Messieurs
Y.
KREINS,
président de chambre,
J.
JAUMOTTE,
Madame
M.
BAGUET,
conseillers d’Etat,
Messieurs
J.
van COMPERNOLLE,
B.
GLANSDORFF,
assesseurs de la section
de législation,
Madame
A.-C.
VAN GEERSDAELE,
greffier assumé.
Le rapport a été présenté par M. J. REGNIER, premier auditeur
chef de section. La note du Bureau de coordination a été rédigée
par M. P. BROUWERS, référendaire.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de M. J. JAUMOTTE.
LE GREFFIER,
LE PRÉSIDENT,
A.-C. VAN GEERSDAELE
Y. KREINS
(1) Uit de uitslag van dit onderzoek zou moeten blijken of het oppor-
tuun is de onderzochte maatregelen in een programmawet op te
nemen.
(1) Du résultat de cet examen devrait apparaître l’opportunité d’inscrire
dans une loi-programme, les mesures à l’examen.
12
2343/007
DOC 50
C H A M B R E
5e S E S S I O N D E L A 5 0 e L É G I S L A T U R E
K A M E R 5e Z I T T I N G V A N D E 5 0 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2003
2002
Nr. 7 VAN MEVROUW BREPOELS
Art. 100
Tussen de woorden «milieukenmerken,» en de
woorden «de kost van het gebruik» de woorden «so-
ciale en ethische overwegingen» invoegen.
VERANTWOORDING
Dit amendement beoogt het uitdrukkelijk vermelden in de wet
van 24 december 1993 van de mogelijkheid om sociale en
ethische criteria op te nemen in het bestek. De huidige wetge-
ving staat een dergelijke opname niet in de weg, maar toch kan
hierover onduidelijkheid of verwarring bestaan. Dit amendement
strekt er dan ook toe om de onduidelijkheid weg te nemen zodat
in een bestek uitdrukkelijk ook sociale en ethische overwegin-
gen in acht worden genomen.
Frieda BREPOELS (VU&ID)
Nr. 8 VAN DE HEER LETERME
Art. 93
Dit artikel aanvullen als volgt :
«Dit beheerscontract wordt onmiddellijk na de on-
dertekening ter kennis gebracht van de Kamer van
volksvertegenwoordigers.
Yves LETERME (CD&V)
N° 7 DE MME BREPOELS
Art. 100
Entre
les
mots
« les
caractéristiques
environnementales, » et les mots « le coût d’utilisa-
tion », insérer les mots « les considérations sociales
et éthiques, ».
JUSTIFICATION
Le présent amendement tend à prévoir explicitement dans la
loi du 24 décembre 1993 que des critères sociaux et éthiques
peuvent être insérés dans le cahier spécial des charges. La loi
actuelle n’empêche pas une telle insertion, mais il peut cepen-
dant y avoir une certaine incertitude ou confusion à cet égard.
Le présent amendement tend dès lors à clarifier les choses,
afin que des considérations sociales et éthiques figurent aussi
dans le cahier spécial des charges.
N° 8 DE M. LETERME
Art. 93
Compléter cet article par la disposition suivante :
« Ce contrat de gestion est, immédiatement après
sa signature, porté à la connaissance de la Chambre
des représentants. ».