Document 53K3406/004

🏛️ KAMER Legislatuur 53 📁 3406 Verslag 🌐 NL

Inhoud

8660 DOC 53 3406/004 DOC 53 3406/004 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS AMENDEMENTS AMENDEMENTEN N° 5 DE M. TERWINGEN ET CONSORTS Art. 345 Apporter les modifi cations suivantes: 1/ au premier alinéa, insérer les mots “, ou l’autorité de résolution en cas d’infraction aux Titres IV et VIII du Livre II et aux mesures prises en exécution de ceux-ci,” entre les mots “l’autorité de contrôle” et “peut publier”. 2/ à l’alinéa 2, insérer les mots “ou l’autorité de résolution, selon le cas,” entre les mots “l’autorité de contrôle” et “informe”. JUSTIFICATION L’article 101(2) de la proposition de directive du Parlement européen et du Conseil établissant un cadre pour le redres- sement et la résolution des défaillances d’établissements de Nr. 5 VAN DE HEER TERWINGEN c.s. Art. 345 De volgende wijzigingen aanbrengen : 1/ in het eerste lid, de woorden “, of de afwikke- lingsautoriteit in geval van schending van de Titels IV en VIII van Boek II en van de maatregelen genomen in uitvoering daarvan,” invoegen tussen de woorden “kan de toezichthouder” en “openbaar maken”. 2/ in het tweede lid, de woorden “of de afwik- kelingsautoriteit, al naar gelang het geval,” invoegen tussen de woorden “stelt de toezichthouder” en “de Europese Autoriteit voor effecten en markten tezelfder- tijd in kennis”. VERANTWOORDING Artikel 101(2) van het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstand- brenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling 21 maart 2014 21 mars 2014 Documents précédents: Doc 53 3406/ (2013/2014): 001: Projet de loi (Partie I). 002: Projet de loi (Partie II). 003: Amendements. Voorgaande documenten: Doc 53 3406/ (2013/2014): 001: Wetsontwerp (Deel I). 002: Wetsontwerp (Deel II). 003: Amendementen. PROJET DE LOI WETSONTWERP op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen relative au statut et au contrôle des établissements de crédit 2 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 crédit et d’entreprises d’investissement prévoit que les États membres doivent s’assurer que l’autorité de résolution peut rendre public le fait qu’un établissement de crédit ou une personne a commis une infraction aux dispositions nationales transposant la directive. Le présent amendement vise à refl éter cette disposition de la proposition de directive. N° 6 DE M. TERWINGEN ET CONSORTS Art. 348 Compléter le premier paragraphe par un 16°, rédigé comme suit: “16° les membres de l’organe central légal d’adminis- tration ou les personnes en charge de la direction effec- tive d’un établissement de crédit qui ne se conforment pas aux injonctions données par l’autorité de résolution conformément aux articles 226, § 2, 232, alinéa 2, 3°, 276, § 1er, et 277, 5°, ou communiquent sciemment à celle-ci des informations inexactes ou incomplètes.”. JUSTIFICATION Le présent amendement vise à introduire des sanctions pénales lorsque les membres de l’organe légal d’adminis- tration d’un établissement de crédit ou les personnes en charge de sa direction effective n’assistent pas l’autorité de résolution en lui communiquant les informations requises ou lui communiquent sciemment des informations inexactes ou incomplètes. N° 7 DE M. TERWINGEN ET CONSORTS Art. 62 Apporter les modifi cations suivantes: 1/ Remplacer le § 5, deuxième phrase, comme suit: “En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque l’établissement de crédit est d’importance signifi cative au sens de l’article 3, 30°, les fonctions extérieures visées au paragraphe 2 dans d’autres socié- tés commerciales sont limitées, sauf dans l’hypothèse où le mandat au sein de l’établissement de crédit est exercé en représentation d’un État membre, au nombre de mandats suivants: — soit à trois mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante; ou van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bepaalt dat de lidstaten er zorg voor moeten dragen dat de afwikke- lingsautoriteit het feit dat een kredietinstelling of een persoon de nationale bepalingen die de richtlijn omzetten, heeft ge- schonden, publiek kan maken. De bedoeling van dit amendement is met deze bepaling van het voorstel voor een richtlijn rekening te houden. Nr. 6 VAN DE HEER TERWINGEN c.s. Art. 348 Paragraaf 1 aanvullen met een 16°, luidend als volgt: “16° de leden van het wettelijk bestuursorgaan of de personen belast met de effectieve leiding van een kredietinstelling die zich niet moet voegen naar de aanmaningen van de afwikkelingsautoriteit overeen- komstig de artikelen 226, § 2, 232, tweede lid, 3°, 276, § 1, en 277, 5°, of haar bewust onjuiste of onvolledige informatie vertrekken.”. VERANTWOORDING Dit amendement voert strafsancties in voor het geval dat de leden van het wettelijk bestuursorgaan van een kredietin- stellling of de personen belast met de effectieve leiding ervan niet meewerken met de afwikkelingsautoriteit door hem de vereiste informatie te verstrekken, of hem bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken. Nr. 7 VAN DE HEER TERWINGEN c.s. Art. 62 De volgende wijzigingen aanbrengen: 1/ Paragraaf 5, tweede zin, vervangen als volgt: “Wanneer de kredietinstelling signifi cant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de in paragraaf 2 bedoelde externe functies in andere handelsvennootschappen, onvermin- derd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat, tot het volgend aantal mandaten: — hetzij drie mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren; of 3 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 — soit à un mandat impliquant une participation à la gestion courante et un mandat ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante.”. 2/ remplacer le § comme suit: “§ 6. Les membres du comité de direction ou, en l’absence de comité de direction, les personnes qui participent à la direction effective de l’établissement de crédit ne peuvent exercer un mandat comportant une participation à la gestion courante que s’il s’agit d’une société visée à l’article 89, paragraphe 1er du Règlement n° 575/2013, avec laquelle l´établissement de crédit a des liens étroits, d´un organisme de placement collectif à forme statutaire au sens de loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif répondant aux conditions de la directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances. En outre, et sans préjudice des paragraphes 1er et 3, lorsque l’établissement de crédit est d’importance significative au sens de l’article 3, 30°, les fonctions extérieures dans d’autres sociétés, sont limitées à deux mandats ne pouvant impliquer une participation à la gestion courante sauf dans l’hypothèse où le mandat au sein de l’établissement de crédit est exercé en représentation d’un État membre.”. Il est inséré un paragraphe 9 rédigé comme suit: “Pour l’application des paragraphes 5, deuxième phrase, et 6, deuxième phrase, sont considérés comme un seul mandat l’exercice de plusieurs mandats, impliquant ou non une participation à la gestion courante, dans des entreprises faisant partie du groupe dont fait partie l’établissement de crédit ou du groupe dont une entreprise a un lien étroit avec l’établissement de crédit ou son entreprise mère. Aux fi ns du présent article, on entend par “groupe”, un ensemble d’entreprises constitué par une entreprise mère, ses fi liales, les entreprises dans lesquelles l’entre- prise mère ou ses fi liales détiennent une participation directe ou indirecte au sens de l’article 3, 26° de la présente loi, ainsi que des entreprises qui constituent un consortium et les entreprises contrôlées par ces dernières ou dans lesquelles elles détiennent une par- ticipation au sens de l’article 3, 26° de la présente loi.  Pour l’application des paragraphes  5, deu- xième  phrase, et 6, deuxième  phrase, l’autorité de contrôle peut préciser, le cas échéant par voie de règlement pris en application de l’article 12bis de la loi du 22 février 1998, les conditions dans lesquelles les — een mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert en een mandaat dat geen deelname aan het dagelijks bestuur mag impliceren.”. 2/ paragraaf 6 vervangen als volgt: “§ 6. De leden van het directiecomité, of, bij ontsten- tenis van een directiecomité, de personen die deelne- men aan de effectieve leiding van de kredietinstelling, mogen geen mandaat uitoefenen dat een deelname aan het dagelijks bestuur inhoudt, tenzij in een vennoot- schap als bedoeld in artikel 89, lid 1 van Verordening nr. 575/2013, waarmee de kredietinstelling nauwe banden heeft, in een instelling voor collectieve beleg- ging die geregeld is bij statuten in de zin van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor beleg- ging in schuldvorderingen. Wanneer de kredietinstelling signifi cant is in de zin van artikel 3, 30° zijn de externe functies in andere handelsvennootschappen, onver- minderd de paragrafen 1 en 3, bovendien beperkt tot twee mandaten die geen deelname aan het dagelijks bestuur mogen impliceren, tenzij het mandaat in de kredietinstelling wordt uitgeoefend ter vertegenwoor- diging van een lidstaat.”. Er wordt een paragraaf 9 ingevoegd, luidende: “Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, wordt de uitoefening van ver- schillende mandaten, die al dan niet een deelname aan het dagelijks bestuur impliceren, in ondernemingen die deel uitmaken van de groep waartoe de kredietinstelling behoort of van de groep waarvan een onderneming een nauwe band heeft met de kredietinstelling of haar moe- deronderneming, als één enkel mandaat beschouwd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder “groep” een geheel van ondernemingen verstaan dat gevormd wordt door een moederonderneming, haar dochterondernemingen, de ondernemingen waarin de moederonderneming of haar dochterondernemingen rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aan- houden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet, alsook de ondernemingen waarmee een consortium wordt gevormd en de ondernemingen die door deze laatste ondernemingen worden gecontroleerd of waarin deze laatste ondernemingen een deelneming aanhouden in de zin van artikel 3, 26° van deze wet.  Voor de toepassing van paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin, kan de toezichthouder nader bepalen, in voorkomend geval bij reglement vastge- steld met toepassing van artikel 12bis van de wet van 22 februari 1998, onder welke voorwaarden patrimo- 4 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 sociétés patrimoniales doivent être considérées comme des sociétés commerciales.”. JUSTIFICATION La modifi cation proposée entend faire coïncider le texte de l’article 62 en projet de loi avec celui de l’article 91, para- graphe 4, de la Directive, qui utilise le mot “groupe”. Il utilise une défi nition de ce mot qui est identique à celle de l’article 164, § 3, 6° en projet, formant la base du contrôle exercé sur les conglomérats prévu par la Directive 2002/87/ UE (FICOD I). Il peut donc s’agir aussi bien du groupe dont fait partie l’établissement de crédit que d’un groupe dont une entreprise a un lien étroit avec l’établissement de crédit ou son entreprise mère.. Pour le premier, à savoir le groupe dont l’établissement de crédit fait partie, l’établissement de crédit EEE ou le holding fi nancier (mixte) mère EER constituent le point de départ du “groupe”. Les notions “entreprise mère”, “fi liale”, “contrôle” et “liens étroits” sont défi nis à l’article 3 du projet au moyen d’une référence à l’acception normale de ces notions en droit des sociétés. La notion de “participation” s’entend au sens de l’article 3, 26° de la présente loi. Ces limitations sont nécessaires sous peine de vider de sens le principe de disponibilité des dirigeants des établisse- ments de crédit, objectif poursuivi clairement par le texte de la Directive, dont le considérant 58 souligne expressément que “un membre de l’organe de direction1 qui cumulerait un trop grand nombre de fonctions au sein d’organes de direc- tion ne disposerait pas du temps nécessaire à l’exercice de cette mission de supervision. Il est donc nécessaire de limiter le nombre de fonctions au sein d’organes de direction que chaque membre de l’organe de direction d’un établissement peut exercer simultanément dans différentes entités”. Pour l’application des paragraphes 5 et 6 de l’article 62, on précise qu’au sein d’un groupe, un seul mandat impliquant une participation à la gestion courante a pour conséquence que l’ensemble des mandats exercés dans des entreprises ou enti- tés faisant partie de ce groupe sont bien considérés comme un seul mandat, celui-ci impliquant alors une participation à la gestion courante. Dans ce cas, l’administrateur concerné ne pourra exercer qu’un mandat d’administrateur non exécutif au sein du groupe auquel appartient l’établissement de crédit (correspondant à l’article 91, paragraphe 3, a) de la Directive). Pour autant que de besoin, on précise également, comme le rappelle judicieusement le commentaire des articles (page 71), que les limites quantitatives maximales discutées, outre le fait qu’elles ne concernent que les établissements de cré- dit d’importance signifi cative, ne constituent pas un droit à exercer ce nombre de mandats mais seulement un maximum 1 Selon la défi nition de l’article 3 (7) de la Directive, il s’agit du conseil d’administration. niumvennootschappen dienen te worden beschouwd als handelsvennootschappen.”. VERANTWOORDING Met de voorgestelde wijziging wordt de tekst van het artikel 62 van het wetsontwerp afgestemd op artikel 91, lid 4 van de Richtlijn, waarin het woord “groep” wordt gebruikt. In het project wordt een defi nitie gegeven die dezelfde is als in artikel 164, § 3, 6° van het wetsontwerp, dat de basis vormt voor het toezicht op de conglomeraten waarin Richtlijn 2002/87/EU (FICOD I) voorziet. Het kan hierbij zowel gaan om de groep waarvan de kre- dietinstelling deel uitmaakt, als om een groep waarvan een onderneming een nauwe band heeft met de kredietinstelling of haar moederonderneming. Voor de eerste, namelijk de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt, is de EER- moederkredietinstelling of de (gemengde) fi nanciële EER- moederholding het vertrekpunt van de groep. De begrippen “moederonderneming”, “dochteronderneming”, “controle” en “nauwe banden” zijn gedefi nieerd in artikel 3 van het ontwerp aan de hand van een doorverwijzing naar de normale ven- nootschapsrechtelijke betekenis van deze begrippen. Het begrip “deelneming” dient begrepen in de zin van artikel 3, 26° van deze wet. Deze beperkingen zijn noodzakelijk omdat anders het beginsel van beschikbaarheid van de leiders van de krediet- instellingen zou worden uitgehold. Deze doelstelling wordt ook duidelijk nagestreefd in de Richtlijn, die in overweging 58 uitdrukkelijk het volgende stelt: “Het combineren van een te groot aantal bestuursfuncties zou een lid van het leiding- gevend orgaan1 kunnen beletten genoeg tijd te besteden aan het vervullen van die toezichthoudende rol. Daarom is het noodzakelijk het aantal bestuursfuncties dat een lid van het leidinggevend orgaan van een instelling tegelijkertijd in verschillende entiteiten kan vervullen, te beperken”. Voor de toepassing van de paragrafen 5 en 6 van artikel 62, zij gepreciseerd dat binnen een groep, één enkel mandaat dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert, tot gevolg heeft dat alle mandaten die worden uitgeoefend in ondernemingen of entiteiten die deel uitmaken van die groep, wel degelijk als één enkel mandaat worden beschouwd dat een deelname aan het dagelijks bestuur impliceert. In dit geval geldt dat de betrokken bestuurder enkel een mandaat van niet-uitvoerend bestuurder kan uitoefenen binnen de groep waarvan de kredietinstelling deel uitmaakt (wat overeenstemt met artikel 91, lid 3, onder a) van de Richtlijn). Voor zover nodig zij ook gepreciseerd, zoals terecht wordt beklemtoond in de commentaar bij de artikelen op pagina 71, dat de besproken maximale kwantitatieve beperkingen, buiten het feit dat ze enkel gelden voor signifi cante kredietinstellin- gen, geen recht vormen om dit aantal mandaten uit te oefenen, maar een maximum zijn, in de mate dat de verplichting om 1 Volgens de defi nitie van artikel 3, lid 7 van de Richtlijn, gaat het om de raad van bestuur. 5 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 dans la mesure où l’obligation de disponibilité, affirmée par la Directive, doit en tout cas être respectée. La modifi cation proposée a également pour objet d’aligner le texte de l’article 62 du projet de loi sur l’article 91, para- graphe 5, de la Directive, selon lequel les fonctions au sein d’organes de direction d’organisations qui ne poursuivent pas d’objectifs principalement commerciaux ne sont pas prises en compte pour déterminer le nombre de mandats maximum. Le présent projet transpose ce principe en utilisant la notion de “société commerciale” aux paragraphes 5, deuxième phrase, et 6, deuxième phrase, de l’article 62. Selon les principes du droit des sociétés, les sociétés ressortissent au secteur civil ou au secteur commercial selon leur fi nalité telle que décrite dans les statuts. Aux fi ns de l’article 62, à savoir un emploi du temps adéquat pour exercer le mandat au sein de l’établissement de crédit, ce critère de la fi nalité utilisé en droit des sociétés peut également servir de point de départ. En ce sens, les sociétés patrimoniales constituent un cas particulier. Il est généralement admis que les sociétés patrimoniales peuvent, sur la base du critère de la fi nalité, être tant des sociétés commerciales que des sociétés civiles à forme commerciale. Pour déterminer avec une plus grande sécurité juridique si les mandats exécutifs et non exé- cutifs exercés au sein de sociétés patrimoniales doivent, aux fi ns d’un emploi du temps adéquat, être considérés comme des mandats exercés au sein d’une société commerciale, l’autorité de contrôle peut apporter de plus amples précisions. N° 8 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 65/1 (nouveau) Dans le Livre II, Chapitre III, Section III, insérer une sous-section III: “De l’exposition aux risques”, comprenant un article 65/1, rédigé comme suit: “Art. 65/1. L’établissement de crédit doit limiter l’ensemble de ses risques sur une même contrepartie à 25 % de ses fonds propres, en ce compris lorsque la contrepartie est un établissement de crédit mère dans l’EEE, tel que défi ni à l’article 164, § 2, 3°.”. beschikbaar te zijn, die opgenomen is in de Richtlijn, in elk geval moet worden nageleefd. Met de voorgestelde wijziging wordt de tekst van het artikel 62 van het wetsontwerp tevens afgestemd op artikel 91, lid 5 van de Richtlijn, waarin bepaald is dat bestuursfuncties in organisaties die niet hoofdzakelijk commerciële doelen nastre- ven niet worden in aanmerking genomen voor het maximum aantal mandaten. In het voorliggend ontwerp is dit principe omgezet door gebruik te maken van het begrip “handelsven- nootschap” in paragraaf 5, tweede zin, en paragraaf 6, tweede zin van artikel 62. Volgens de principes van het vennootschapsrecht worden vennootschappen in de burgerlijke dan wel commerciële sec- tor gerangschikt naargelang het doel van de vennootschap zoals dit omschreven staat in de statuten. Voor de doeleinden van artikel 62, namelijk een adequate tijdbesteding voor het mandaat binnen de kredietinstelling, kan dit vennootschaps- rechtelijke doelcriterium eveneens het uitgangspunt zijn. Patrimoniumvennootschappen zijn in die zin een bijzonder geval. Naar heersende opvatting kunnen patrimoniumven- nootschappen op grond van het doelcriterium zowel handels- vennootschappen zijn als burgerlijke vennootschappen onder handelsvorm. Om met grotere rechtszekerheid vast te leggen of uitvoerende en niet-uitvoerende mandaten binnen patri- moniumvennootschappen voor de doeleinden van adequate tijdsbesteding dienen te worden beschouwd als mandaten binnen een handelsvennootschap kan de toezichthouder nadere preciseringen treffen. Raf TERWINGEN (CD&V) Luk VAN BIESEN (Open Vld) Dirk VAN DER MAELEN (sp.a) Damien THIÉRY (MR) Christiane VIENNE (PS) Benoît DRÈZE (cdH) Nr. 8 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 65/1 (nieuw) In boek II, hoofdstuk III, afdeling III, een onder- afdeling III, “Risicoblootstelling”, invoegen, die een artikel 65/1 omvat, luidende: “Art. 65/1. De kredietinstelling moet het geheel van haar risicoposities ten aanzien van een zelfde tegen- partij beperken tot 25  % van haar eigen vermogen, ook wanneer de tegenpartij een EER-moederkredietinstel- ling is, als bedoeld in artikel 164, § 2, 3°.”. 6 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 JUSTIFICATION Cet amendement vise à renforcer la protection des fi liales belges de grands groupes européens en limitant leur exposi- tion aux risques de ces grands groupes à 25 % de leurs fonds propres, contre 100 %, comme il est actuellement défi ni dans l’Arrêté Royal entérinant le règlement modifi catif de la CBFA a été adopté le 3 septembre 2010 et publié au Moniteur belge le 14 septembre 2010 . Cet amendement vise ainsi à concrétiser une recomman- dation émise par la BNB dans son rapport intermédiaire sur les réformes structurelles de Juin 2012, p.7: “Les expositions intragroupes complexes, en particulier dans les groupes transfrontaliers, peuvent compliquer le contrôle des risques au sein des groupes transfrontaliers et entraver sensiblement la résolution des défaillances. (…) Considérant l’importance des établissements transfrontaliers dans le système fi nancier belge, la Belgique, à l’inverse de plusieurs pays européens qui ont dispensé les expositions intragroupes de limites en matière de grands risques, a décidé de limiter à 100  % des fonds propres les expositions des fi liales opérant en Belgique sur leurs établissements mère ou soeurs. Cette limite imposée en Belgique pour les expositions intragroupes vise à réduire, parmi d’autres risques: l’impos- sibilité pour une fi liale opérant en Belgique, en cas de choc de solvabilité ou de liquidité, de récupérer les liquidités qui auraient été transférées à la société mère ou à d’autres fi liales; la propagation à une fi liale établie en Belgique des difficultés subies par la société mère ou d’autres fi liales; ou encore la cession, à la société mère ou à d’autres fi liales, d’actifs bilan- ciels importants de la fi liale. (…) Pour améliorer la résolvabilité de l’ensemble des groupes fi nanciers en Belgique, et limiter la contagion, une solution pourrait être de relever les limites en matière de risques intragroupes.” N° 9 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 119 Remplacer cet article comme suit: “Art. 119.  A partir du 1er janvier 2015, il est interdit à tout établissement de crédit d’exercer des activités de négociation pour compte propre et pour compte de tiers, que ce soit directement ou par l’intermédiaire de fi liales belges ou étrangères”. VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe de Belgische dochteronder- nemingen van grote Europese groepen beter te beschermen door hun blootstelling aan de risicoposities van de moederon- derneming te beperken tot 25  % van hun eigen vermogen, in plaats van 100  %, zoals thans bepaald bij het koninklijk besluit van 3 september 2010 tot goedkeuring van het reglement van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten van 27 juli 2010 tot wijziging van het reglement van 17 oktober 2006 op het eigen vermogen van de kredietinstellingen en de beleggings- ondernemingen (Belgisch Staatsblad van 14 september 2010). Dit amendement strekt er aldus toe uitvoering te geven aan een aanbeveling die de NBB heeft geformuleerd in zijn tussentijds rapport over de structurele bankhervormingen (juni 2012, vanaf blz. 6): “Complexe intragroepsposities, vooral in grensover- schrijdende groepen, kunnen het toezicht op risico’s in grensoverschrijdende groepen bemoeilijken en signifi cante belemmeringen vormen voor de afwikkelbaarheid. (…) In overeenstemming met het belang van grensoverschrijdende instellingen in het Belgische fi nanciële stelsel en in tegenstel- ling tot verscheidene Europese landen die intragroepsposities hebben vrijgesteld van grote positielimieten, heeft België be- slist positielimieten van 100  % van het kapitaal toe te passen op posities van dochterondernemingen die in België actief zijn bij hun moeder- of zusterondernemingen. De Belgische limiet op intragroepsposities moet verscheidene risico’s verkleinen, zoals: het risico dat een in België actieve dochteronder- neming die geconfronteerd wordt met een solvabiliteits- of liquiditeitsschok, niet in staat is liquiditeit te recupereren die is overgedragen aan haar moeder- of zusterentiteiten; besmet- ting van een dochteronderneming in België door problemen bij de moeder- of zusterentiteiten; of overdrachten van grote gedeelten van de balans van een dochteronderneming naar een moeder- of zusterentiteit. (…) Teneinde de afwikkelbaar- heid van alle fi nanciële groepen in België te verbeteren en besmetting te beperken, zou de limiet op intragroepsposities kunnen worden uitgebreid.”. Nr. 9 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 119 Dit artikel vervangen door wat volgt: “Art. 119.  Vanaf 1 januari 2015 mag geen enkele kredietinstelling handelsactiviteiten voor eigen reke- ning en voor rekening van derden uitoefenen, noch rechtstreeks noch via Belgische of buitenlandse doch- terondernemingen”. 7 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 N° 10 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 121 Apporter les modifi cations suivantes: 1/ au § 1er, supprimer les points 1° et 2°; 2/ au § 1er, 3°, supprimer les points 1° et 2°; 3/ au § 2, supprimer les points 1° et 2°; 4/ au § 2, 3°, remplacer les mots “visées au para- graphe 1er, 4° et 5°” par les mots “visées au paragraphe 1er, 3°, 4° et 5°”. N° 11 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 122 Supprimer cet article. N° 12 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 123 Supprimer cet article. JUSTIFICATION Ces amendements visent à rendre beaucoup plus effec- tive la réforme de structure bancaire en interdisant, en sus de la négociation pour compte propre, la négociation pour compte de tiers. En effet, une réelle séparation entre banques d’investissement et banques de dépôt requiert d’interdire ces deux formes de négociation pour ce qui concerne les banques de dépôt. Par ailleurs, il est malaisé de défi nir une frontière claire entre ces deux formes de négociation, comme en attestent les articles 122 et 123 qui sont supprimés dans cet amendement. La modifi cation proposée ici permet ainsi de tracer une ligne claire entre activités autorisées et activités interdites au sein de la banque de dépôt et en facilite le contrôle. Nr. 10 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 121 De volgende wijzigingen aanbrengen: 1/ in § 1, de punten 1° en 2° weglaten; 2/ in § 1, 3°, de punten 1° en 2° weglaten; 3/ in § 2, de punten 1° en 2° weglaten; 4/ in § 2, 3°, de woorden “bedoeld in paragraaf 1, 4° en 5°” vervangen door de woorden “bedoeld in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°”. Nr. 11 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 122 Dit artikel weglaten. Nr. 12 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 123 Dit artikel weglaten. VERANTWOORDING Deze amendementen strekken ertoe de hervorming van de bankstructuur veel doeltreffender te maken door, naast de handel voor eigen rekening, handel voor derden te verbieden. Een echte scheiding tussen zakenbanken en depositobanken vergt immers dat die twee handelsvormen worden verboden wat de depositobanken betreft. Voorts valt tussen die twee handelsvormen moeilijk een duidelijke begrenzing af te bakenen, zoals blijkt uit de artike- len 122 en 123, waarvan dit en het vorige amendement de weglating beogen. Met de hier voorgestelde wijziging kan binnen de deposito- bank aldus een duidelijke lijn worden afgebakend tussen wat kan en wat verboden is; ook vergemakkelijkt zulks de controle. 8 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 N° 13 DE M. GILKINET ET MME ALMACI (sous-amendement à l’amendement n° 11) Art. 122 Remplacer cet article comme suit: “Art. 122.  § 1er. Les opérations sur instruments fi nan- ciers visées à l’article 121, § 1er sont soumises à la limite défi nie par le plus haut des deux montants suivants: 1° actifs de négociation - 15  % du total de l’actif); 2° somme des exigences en fonds propres pour acti- vité de trading - 10  % de la somme des exigences) * 3. Seuls les montants positifs résultant des points 1° et 2° sont pris en considération. L’établissement peut calculer ces montants sur base de la moyenne de la situation arrêtée à la fi n du mois et des deux mois précédents, pour autant qu’il utilise cette méthodologie de manière consistante dans le temps. L’établissement informe l’autorité de contrôle de la méthode utilisée. § 2. Par voie de règlement pris en application de l’article 12bis, § 2 de la loi du 22 février 1998, la Banque défi nit: 1° les défi nitions s’appliquant pour le calcul des ratios visés au § 1er; 2° les procédures de contrôle interne spécifi ques à mettre en œuvre par les établissements de crédit en vue d’assurer le respect des conditions et limites fi xées par ou en vertu des articles 121 à 124; 3° les obligations de reporting périodique spé- cifi ques des établissements de crédit permettant à l’autorité de contrôle de contrôler le respect desdites conditions et limites.”. JUSTIFICATION Cet amendement vise à renforcer le contrôle de la négo- ciation pour compte de tiers en instaurant les limites qui s’appliquent à celui-ci au travers d’une loi et pas d’un règle- ment approuvé par arrêté-royal. Il introduit donc dans la loi des dispositions prises dans l’arrêté royal du 26 décembre 2013 portant approbation du règlement du 23 décembre 2013. En effet, ces règles sont une pièce importante de la réforme de structure bancaire et il est nécessaire qu’elles ne puissent être approuvées et modifi ées qu’à travers le contrôle du Parlement. Nr. 13 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI (subamendement op amendement nr. 11) Art. 122 Dit artikel vervangen door de volgende bepaling: “De verrichtingen in fi nanciële instrumenten bedoeld in artikel 121, § 1, zijn onderworpen aan de limiet die wordt gevormd door het hoogste van de volgende twee bedragen: 1° trading-activa - 15 % van de totale activa; 2° bedrag van de kapitaalvereisten voor trading-ac- tiviteiten - 10 % van het bedrag van de vereisten * 3. Alleen de uit de punten 1 en 2 voortvloeiende posi- tieve bedragen worden in aanmerking genomen. De instelling kan die bedragen berekenen op basis van het gemiddelde van de positie op het einde van de maand en van de vorige twee maanden, op voorwaarde dat deze methodologie consequent in de tijd wordt gebruikt. De instelling brengt de toezichthoudende autoriteit van de gebruikte methode op de hoogte. § 2. Bij reglement vastgesteld met toepassing van artikel 12bis, § 2, van de wet van 22 februari 1998 be- paalt de Bank: 1° de defi nities die van toepassing zijn voor de be- rekening van de in § 1 bedoelde ratio’s; 2° de specifi eke internecontroleprocedures die de kredietinstellingen moeten invoeren om de naleving van de voorwaarden en limieten bepaald door of krachtens de artikelen 121 tot 124 te verzekeren; 3° de specifi eke periodieke rapporteringsverplich- tingen van de kredietinstellingen die de toezichthouder in staat stellen om de naleving van voornoemde voor- waarden en limieten te controleren.”. VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe de controle op trading voor rekening van derden op te voeren door de hierop van toe- passing zijnde limieten in te stellen bij een wet en niet bij een reglement dat is goedgekeurd bij een koninklijk besluit. Het voert in de wet dus bepalingen in die zijn geput uit het koninklijk besluit van 26 december 2013. Die regels vormen immers een belangrijk onderdeel van de hervorming van het bankwezen en het is noodzakelijk dat ze maar kunnen worden goedgekeurd en gewijzigd via de controle van het parlement. 9 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 Cet amendement fait, en ce sens, écho à la remarque du conseil d’État qui, dans son avis à la p.535, estime que: “la technique de l’habilitation faite au pouvoir exécutif de combler des lacunes, voire de l’adapter à l’instrumentaire européen, prive le Parlement de son rôle naturel dans une matière aussi essentielle qu’est “l’intérêt de la protection des déposants”. En tout état de cause, cette manière de faire se place en porte-à-faux des intentions exprimées par l’auteur de l’avant-projet dans l’exposé des motifs, à savoir, entre autres, “mettre la totalité du dispositif au niveau de la loi, favorisant ainsi, d’une part, le rôle du Parlement, évitant les habilitations répétées au Roi sur des matières plus techniques mais parfois néanmoins sensibles”.”. N° 14 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 118 Au § 1er, 4°, supprimer les mots “liée à un éta- blissement de crédit, en dehors de son périmètre de consolidation,”. N° 15 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 126 Remplacer le deuxième paragraphe comme suit: “§ 2. À cet effet, les activités de négociation pour compte propre de l’établissement de crédit ou de ses fi liales peuvent être transférées en tout ou en partie à une ou plusieurs entreprises, qui ne peuvent en aucun cas être liées à l’établissement de crédit. L’entreprise, qui bénéfi cie de ce transfert, doit être agréée en qualité de société de bourse conformément à la loi du 6 avril 1995.”. N° 16 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 128 Supprimer les mots “sans qu’elle ne puisse béné- fi cier d’une exemption ou dérogation en raison de son inclusion dans la situation consolidée d’un groupe plus large comprenant un ou plusieurs établissements de crédit”. In die zin weerspiegelt dit amendement de opmerking van de Raad van State, die in zijn advies (blz. 535), stelt: “De methode waarbij de uitvoerende macht gemachtigd wordt om de leemtes op te vullen en zelfs de regeling aan te passen aan de Europese regelgeving, belet het parlement zijn natuurlijke rol te spelen in een dermate belangrijke aangelegenheid als “het belang van de bescherming van de deposanten”. Hoe dan ook, deze werkwijze is moeilijk verenigbaar met de bedoeling die de steller van het voorontwerp weergeeft in de memorie van toelichting, namelijk, onder meer “de rege- ling in haar geheel op wetgevingsniveau te plaatsen, zodat, enerzijds, de rol van het Parlement wordt bevorderd, waardoor herhaalde machtigingen aan de Koning over meer technische maar soms toch gevoelige materies worden vermeden (…)”.”. Nr. 14 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 118 In § 1, 4°, de woorden “verbonden met een krediet- instelling, buiten haar consolidatieperimeter,” weglaten. Nr. 15 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 126 Paragraaf 2 vervangen door wat volgt: “§ 2. Te dien einde mogen de handelsactiviteiten voor eigen rekening van de kredietinstelling of haar dochterondernemingen geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan één of meer ondernemingen, die in geen enkel geval mogen verbonden zijn aan de kredietinstelling. De onderneming welke die overdracht ontvangt, dient als beursvennootschap te zijn vergund overeen- komstig de wet van 6 april 1995.”. Nr. 16 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 128 De woorden “, zonder dat zij een vrijstelling of afwij- king kan genieten ingevolge haar opname in de gecon- solideerde toestand van een grotere groep die één of meer kredietinstellingen omvat” weglaten. 10 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 N° 17 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 129 Supprimer cet article. N° 18 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 130 Supprimer les mots “qu’à condition que le montant de ces participations soit porté en déduction du montant de ses éléments de fons propres de base de catégorie 1 et moyennant l’autorisation préalable de l’autorité de contrôle.”. JUSTIFICATION Ces amendements visent à interdire tout lien économique entre des banques de dépôt et des banques d’investissement. Plus précisément, cet amendement vise à assurer que les entités ne pourront constituer deux entités d’un même groupe (et donc a fortiori pas au sein du même périmètre de consolidation) et qu’une banque de dépôt ne pourra détenir des parts d’une banque d’investissement. En effet, une réelle séparation des métiers bancaires requiert une séparation stricte non seulement des activités bancaires, mais aussi des entités qui exercent ces différentes activités. Permettre la coexistence de banques de dépôt et d’investissement au sein d’un même groupe laisse subsister un risque de contagion du risque entre ces entités, ce qui rend la réforme caduque. Par ailleurs, une telle banque de dépôt fera face à un problème de réputation auprès de ses clients en cas de difficulté de la banque d’investissement “sœur”, ce qui lui fait courir le risque d’un “bank run”. N° 19 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 415 Remplacer cet article comme suit: “Art. 415. Les personnes morales qui, à la date d’entrée en vigueur de la présente loi, exercent une fonction de membre de l’organe légal d’administration d’un établissement de crédit ne sont pas autorisées à poursuivre l’exercice de leur mandat en cours à partir Nr. 17 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 129 Dit artikel weglaten. Nr. 18 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 130 De woorden “op voorwaarde dat het bedrag van deze deelnemingen in mindering wordt gebracht op het bedrag van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen en dat de toezichthouder hiervoor vooraf zijn toestemming heeft gegeven” weglaten. VERANTWOORDING Die amendementen beogen iedere economische band tussen deposito- en zakenbanken te verbieden. Dit amendement strekt er meer bepaald toe ervoor te zorgen dat deposito- en zakenbanken geen twee entiteiten van een zelfde groep kunnen zijn (en a fortiori dus niet binnen dezelfde consolidatieperimeter), alsook te bepalen dat een de- positobank geen aandelen van een zakenbank mag bezitten. Een echte scheiding van de bankberoepen vereist immers niet alleen een strikte scheiding van de bankactiviteiten, maar ook van de entiteiten die deze verschillende activiteiten uitoe- fenen. Als wordt toegestaan dat deposito- en zakenbanken naast elkaar binnen een zelfde groep functioneren, dreigt immers een besmettingsrisico tussen die entiteiten te ont- staan, hetgeen de hervorming op de helling zet. Bovendien zal een dergelijke depositobank met een reputatieprobleem te maken krijgen bij haar cliënteel als de zuster-zakenbank in moeilijkheden verkeert, waardoor voor die depositobank een bank run dreigt. Nr. 19 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 415 Dit artikel vervangen door wat volgt: “Art. 415. De rechtspersonen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een functie uitoefenen als lid van het wettelijk bestuursorgaan van een kre- dietinstelling, mogen hun lopende mandaat niet langer uitoefenen zodra deze wet in werking treedt. Totdat de 11 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 de l’entrée en vigueur de la présente loi. Jusqu’à l’expi- ration des mandats visés par le présent article, l’article 19, § 1er, alinéa 2, sont applicables au représentant permanent de la personne morale.”. JUSTIFICATION Cet amendement vise à ne permettre l’usage de sociétés de management par des administrateurs de banques que jusqu’à la fi n de cette année, et pas jusqu’à la fi n du mandat de ces administrateurs, comme prévu actuellement. N° 20 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Annexe II Art. 1er Compléter cet article par un § 3, rédigé comme suit: “§ 3.  La politique de rémunération tient compte des intérêts à long terme des épargnants, du personnel, des créanciers, des actionnaires et des autres parties prenantes de l’établissement de crédit. La structure de la rémunération ne peut en aucune manière inciter à une prise de risque excessive pouvant nuire à la santé fi nancière de l’établissement de crédit et doit être conçue pour prendre en compte l’intérêt à long-terme de l’établissement de crédit. La rémunération variable individuelle du personnel dirigeant doit reposer sur des critères précis et mesu- rables défi nis préalablement.”. JUSTIFICATION Cet amendement vise à créer un cadre plus fourni qu’actuellement de principes devant guider la politique de rémunération, fi xe et variable. bij dit artikel bedoelde mandaten afl open, is artikel 19, § 1, tweede lid, van toepassing op de vaste vertegen- woordiger van de rechtspersoon.”. VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe te bepalen dat de bank- bestuurders nog slechts tot het einde van dit jaar gebruik mogen maken van beheersvennootschappen, en niet tot op het moment dat hun mandaat als bestuurder afl oopt, zoals thans het geval is. Nr. 20 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Bijlage II Art. 1 Dit artikel aanvullen met een § 3, luidende: “§ 3. Het beloningsbeleid houdt rekening met de langetermijnbelangen van de spaarders, het personeel, de schuldeisers, de aandeelhouders en de andere belanghebbenden van de kredietinstelling. De beloningsstructuur mag er op geen enkele wijze toe aanzetten buitensporige risico’s te nemen die af- breuk kunnen doen aan de fi nanciële gezondheid van de kredietinstelling en moet dusdanig worden uitge- werkt dat rekening wordt gehouden met de langeter- mijnbelangen van de kredietinstelling. De individuele variabele beloning van het leiding- gevende personeel moet berusten op vooraf bepaalde, duidelijke en meetbare criteria.”. VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe te voorzien in een kader dat — meer dan nu — gebaseerd is op beginselen die het beleid inzake de vaste en de variabele beloningen moeten aansturen. 12 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTINGS P E RIO DE 2013 2014 N° 21 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Annexe II Art. 12 Remplacer l’alinéa 2 comme suit: “En tout état de cause, l’établissement de crédit n’est pas autorisé à octroyer une indemnité de départ supérieure à 6 mois de rémunération fi xe.”. JUSTIFICATION Contrairement au régime actuel, qui, au-delà des principes formulés, ne fournit aucune limite claire en ce qui concerne les indemnités de départ, cet amendement vise à limiter clai- rement toute indemnité de départ à un maximum de 6 mois de rémunération fi xe. N° 22 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Annexe II Art. 17 À l’alinéa 1er , remplacer le mots “à 9 mois” par les mots “à 6 mois”. JUSTIFICATION Cet amendement vise à soumettre les indemnités de départ au sein de banques aidées par les pouvoirs publics au même régime d’un maximum de 6 mois de rémunération fi xe. N° 23 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Annexe IV Art. 13 Au § 2, remplacer les mots “se situe dans une fourchette allant de 1 % à 3,5 %” par les mots “est fi xé à 5 %” Nr. 21 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Bijlage II Art. 12 Het tweede lid vervangen door wat volgt: “Het is de kredietinstelling in geen geval toegestaan een vertrekvergoeding toe te kennen die meer bedraagt dan zes maanden vaste verloning.”. VERANTWOORDING In tegenstelling tot de huidige regeling die, los van de vooropgestelde principes, voor de vertrekvergoedingen geen enkele duidelijk beperking oplegt, beoogt dit amendement iedere vertrekvergoeding duidelijk te beperken tot een bedrag dat overeenstemt met maximaal zes maanden vaste verloning. Nr. 22 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Bijlage II Art. 17 In het eerste lid, de woorden “dan 9 maanden” vervangen door de woorden “dan 6 maanden”. VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe een vertrekvergoeding van maximaal zes maanden vaste verloning ook te doen gelden voor de door de overheid gesteunde banken. Nr. 23 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Bijlage IV Art. 13 In § 2, de woorden “ligt tussen 1 % en 3,5 %” ver- vangen door de woorden “is vastgesteld op 5 %”. 13 3406/004 DOC 53 C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 5 3 e L É G I S L A T U R E K AMER 5e Z ITTING VAN DE 53e Z ITTING S P E RIO DE 2013 2014 JUSTIFICATION Cet amendement vise à renforcer les mesures prises afi n de d’inciter les banques à diminuer leur exposition au risque systémique, en fi xant le niveau du coussin de fonds propres pour risque systémique à 5 % du montant total d’exposition au risque, tel que le permet l’article 133 de la Directive 213/36/UE. Un tel coussin est défi ni en fonction du montant total de l’exposition au risque, qui est calculé selon les règles du Règlement n°575/2013. Ainsi, plus l’exposition au risque est importante, plus une banque devra constituer un coussin de fonds propres importants. Plutôt qu’une fourchette permettant de constituer un coussin à hauteur de seulement 1 % de cette exposition au risque, cet amendement fi xe le seuil de 5 %. Une telle exigence poussera donc efficacement les banques à diminuer leur exposition au risque. N° 24 DE M. GILKINET ET MME ALMACI Art. 62 Dans le § 5, phrase introductive, in fi ne, supprimer les mots “, sauf dans l’hypothèse où le mandat au sein de l’établissement de crédit est exercé en représentation d’un État membre,”. JUSTIFICATION Le présent amendement supprime la différence de trai- tement entre les administrateurs qui représentent un État membre et les autres. Il n’existe aucune raison objective per- mettant de justifi er cette différence de traitement en matière de cumul de mandats. Georges GILKINET (Ecolo-Groen) Meyrem ALMACI (Ecolo-Groen) VERANTWOORDING Dit amendement strekt ertoe forsere maatregelen te ne- men om de banken ertoe aan te zetten hun blootstelling aan systeemrisico te verminderen, door het niveau van de kern- kapitaalbuffer voor systeemrisico vast te stellen op 5 % van het totaal bedrag van de risicoblootstelling, zoals bij artikel 133 van Richtlijn 213/36/EU wordt toegestaan. Een dergelijke buffer wordt vastgesteld op basis van het totaal bedrag van de risicoblootstelling, die berekend wordt volgens de regels van Verordening nr. 575/2013. Hoe hoger het blootstellingsrisico, hoe groter de kernkapitaalbuffer die een bank zal moeten aanleggen. In plaats van een marge toe te staan, zodat een buffer van slechts 1 % van de risi- coblootstelling mogelijk is, wordt de drempel bij dit amende- ment vastgesteld op 5 %. Een dergelijke vereiste zal er dus afdoende voor zorgen dat de banken hun risicoblootstelling verminderen. Nr. 24 VAN DE HEER GILKINET EN MEVROUW ALMACI Art. 62 In § 5, inleidende zin, in fi ne, de woorden “tenzij het mandaat in de kredietinstellingen wordt uitgeoefend ter vertegenwoordiging van een lidstaat” doen vervallen. VERANTWOORDING Dit amendement heft het verschil in behandeling op tussen bestuurders die een lidstaat vertegenwoordigen en andere bestuurders. Er is geen objectieve reden om het verschil in behandeling te rechtvaardigen wat betreft cumul en mandaten.

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot