Inhoud
AMENDEMENTEN
AMENDEMENTS
02795
DOC 55 1395/002
DOC 55 1395/002
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS
DE BELGIQUE
BELGISCHE KAMER VAN
VOLKSVERTEGENWOORDIGERS
7 juli 2020
7 juillet 2020
Voir:
Doc 55 1395/ (2019/2020):
001:
Projet de loi.
Zie:
Doc 55 1395/ (2019/2020):
001:
Wetsontwerp.
tot verstrekking van een staatswaarborg voor
bepaalde kredieten aan kmo’s in de strijd
tegen de gevolgen van het coronavirus en
tot wijziging van de wet van 25 april 2014
op het statuut en toezicht op
kredietinstellingen en beursvennootschappen
loi portant octroi d’une garantie de l’État
pour certains crédits aux PME dans la lutte
contre les conséquences du coronavirus et
modifi ant la loi du 25 avril 2014 relative
au statut et au contrôle des établissements
de crédit et des sociétés de bourse
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
2
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 1 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32
Après l’article 32, insérer un chapitre 10/1 rédigé
comme suit:
“Chapitre 10/1. Prolongation de la durée maxi-
male des crédits dans le cadre de l’arrêté royal
du 14 avril 2020 portant octroi d’une garantie d’État
pour certains crédits dans la lutte contre les consé-
quences du coronavirus.”
Nr. 1 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32
Na artikel 32, een hoofdstuk 10/1 invoegen,
luidende:
“Hoofdstuk 10/1. Verlenging van de maximum looptijd
van de kredieten in het kader van het koninklijk besluit
van 14 april 2020 tot toekenning van een staatswaarborg
voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen
van het coronavirus.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
3
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 2 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/1 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/1 rédigé comme suit:
“Art. 32/1. L’article 1er, 15°, de l’arrêté royal
du 14 avril 2020 portant octroi d’une garantie d’État
pour certains crédits dans la lutte contre les consé-
quences du coronavirus est remplacé par ce qui suit:
“15° la durée d’un crédit: la durée entre l’octroi d’un
crédit et le jour où l’emprunteur doit avoir remboursé
tous les montants dus au titre du crédit; aux fi ns du
présent arrêté, des crédits en vertu desquels le prêteur
jouit d’un droit de résiliation discrétionnaire pendant
les 36 premiers mois sont à considérer comme des
crédits d’une durée de 36 mois;”.”
Nr. 2 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/1 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1, een arti-
kel 32/1 invoegen, luidende:
“Art. 32/1. Artikel 1, 15°, van het koninklijk besluit
van 14 april 2020 tot toekenning van een staatswaarborg
voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen
van het coronavirus wordt vervangen als volgt:
“15° de looptijd van een krediet: de tijd tussen de
verlening van een krediet en de dag waarop de krediet-
nemer alle onder het krediet verschuldigde bedragen
moet hebben terugbetaald; voor doeleinden van dit
besluit zijn kredieten die de kredietgever tijdens de
eerste 36 maanden een discretionair opzeggingsrecht
verlenen, te aanzien als kredieten met een looptijd
van 36 maanden;”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
4
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 3 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/2 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/2 rédigé comme suit:
“Art. 32/2. Dans l’article 4, § 1er, du même arrêté
royal, le chiffre “12” est chaque fois remplacé par le
chiffre “36” et le mot “douze” est remplacé par le mot
“trente-six”.”
Nr. 3 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/2 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/2
invoegen, luidende:
“Art. 32/2. In artikel 4, § 1, eerste lid, van hetzelfde
koninklijk besluit wordt het nummer “12” vervangen
door het nummer “36” en wordt het woord “twaalf”
vervangen door het woord “zesendertig”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
5
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 4 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/3 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/3 rédigé comme suit:
“Art. 32/3. Dans l’article 8, § 1er, alinéa 1er, du même
arrêté royal, le chiffre “12” est remplacé par le chiffre
“36”.”
Nr. 4 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/3 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/3
invoegen, luidende:
“Art. 32/3. In artikel 8, § 1, eerste lid, van hetzelfde
koninklijk besluit wordt het nummer “12” vervangen
door het nummer “36”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
6
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 5 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/4 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/4 rédigé comme suit:
“Art. 32/4. L’article 9 du même arrêté royal est rem-
placé par ce qui suit:
“Art. 9. Les intérêts maximaux garantis sont tant
les intérêts que la prime imputée qui sont dus par un
emprunteur en vertu d’un crédit garanti jusqu’à la
date d’échéance – qui, aux fi ns du présent article, ne
pourra intervenir plus de trente-six mois après l’octroi
du crédit – incluse, plafonnés à:
1° 1,25 % d’intérêt sur une base annuelle, compte
tenu du montant en principal effectivement prélevé,
majoré par:
2° une prime imputée par le prêteur à l’emprunteur:
a) pour les crédits dont la date d’échéance est
séparée de maximum douze mois de l’octroi du crédit:
de maximum 25 points de base pour les sociétés qui,
sur la base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des
sociétés et des associations, sont considérées comme
des petites sociétés et de maximum 50 points de base
pour les autres entreprises, à chaque fois calculés sur
une base annuelle;
b) pour les crédits dont la date d’échéance est
séparée de minimum douze mois et maximum trente-six
mois de l’octroi du crédit: de maximum 50 points de
base pour les sociétés qui, sur la base de l’article 1:24,
§§ 1er à 6, du Code des sociétés et des associations,
sont considérées comme des petites sociétés et de
Nr. 5 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/4 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/4
invoegen, luidende:
“Art. 32/4. Artikel 9 van hetzelfde koninklijk besluit
wordt vervangen als volgt:
“Art. 9. De maximaal gewaarborgde interesten zijn
zowel de interesten als de geïmputeerde vergoeding
die door een kredietnemer onder een gewaarborgd
krediet zijn verschuldigd tot en met de vervaldag, die
voor doeleinden van dit artikel ten hoogste zesendertig
maanden na de toekenning van het krediet kan vallen,
begrensd op:
1° 1,25 % interest op jaarbasis, rekening houdend
met de daadwerkelijk opgenomen hoofdsommen, ver-
meerderd met:
2° een door de kredietgever aan de kredietnemer
geïmputeerde vergoeding van:
a) voor kredieten met een vervaldag ten hoogste
twaalf maanden na de toekenning van het krediet: ten
hoogste 25 basispunten voor vennootschappen die
op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen als kleine ven-
nootschappen worden aangemerkt en ten hoogste
50 basispunten voor andere ondernemingen, telkens
op jaarbasis berekend;
b) voor kredieten met een vervaldag ten minste twaalf
maanden en ten hoogste zesendertig maanden na de
toekenning van het krediet: ten hoogste 50 basispunten
voor vennootschappen die op grond van artikel 1:24,
§§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen als kleine vennootschappen worden aan
7
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
maximum 100 points de base pour les autres entre-
prises, à chaque fois calculés sur une base annuelle.”.”
gemerkt en ten hoogste 100 basispunten voor andere
ondernemingen, telkens op jaarbasis berekend.”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
8
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 6 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/5 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/5 rédigé comme suit:
“Art. 32/5. Dans l’article 14 du même arrêté royal, le
chiffre “12” est remplacé par le chiffre “36”.”
Nr. 6 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/5 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/5
invoegen, luidende:
“Art. 32/5. In artikel 14 van hetzelfde koninklijk besluit
wordt het nummer “12” vervangen door het nummer
“36”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
9
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 7 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/6 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/6 rédigé comme suit:
“Art. 32/6. Dans l’article 18 du même arrêté royal, le
millésime “2023” est remplacé par le millésime “2024”.”
Nr. 7 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/6 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/6
invoegen, luidende:
“Art. 32/6. In artikel 18 van hetzelfde koninklijk besluit
wordt het woord “2023” vervangen door het woord
“2024”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
10
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 8 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/7 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/7 rédigé comme suit:
“Art. 32/7. L’article 26 du même arrêté royal est rem-
placé par ce qui suit:
“Art. 26: Le taux de la prime est exprimé en pour-
centage du montant en principal maximum disponible
de chaque crédit garanti et s’élève à:
1° pour les crédits garantis aux sociétés qui, sur la
base de l’article 1:24, §§ 1er à 6, du Code des sociétés et
des associations, sont considérées comme des petites
sociétés: 25 points de base sur une base annuelle pour
les crédits dont la date d’échéance est séparée de
maximum douze mois de l’octroi du crédit, et 50 points
de base sur une base annuelle pour les crédits dont la
date d’échéance est séparée de minimum douze mois
et de maximum trente-six mois de l’octroi du crédit;
2° pour les crédits garantis aux autres sociétés:
50 points de base sur une base annuelle pour les cré-
dits dont la date d’échéance est séparée de maximum
douze mois de l’octroi du crédit, et 100 points de base
sur une base annuelle pour les crédits dont la date
d’échéance est séparée de minimum douze mois et
de maximum trente-six mois de l’octroi du crédit.”.”
Nr. 8 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/7 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/7
invoegen, luidende:
“Art. 32/7. Artikel 26 van hetzelfde koninklijk besluit
wordt vervangen als volgt:
“Art. 26: Het vergoedingstarief is uitgedrukt als een
percentage van de maximaal beschikbare hoofdsom
van elk gewaarborgd krediet en bedraagt:
1° voor gewaarborgde kredieten aan vennootschap-
pen die op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen als
kleine vennootschappen worden aangemerkt: 25 basis-
punten op jaarbasis voor kredieten met een vervaldag
ten hoogste twaalf maanden na de toekenning van het
krediet en 50 basispunten op jaarbasis voor kredieten
met een vervaldag ten minste twaalf maanden en ten
hoogste zesendertig maanden na de toekenning van
het krediet;
2° voor gewaarborgde kredieten aan andere onder-
nemingen: 50 basispunten op jaarbasis voor kredieten
met een vervaldag ten hoogste twaalf maanden na
de toekenning van het krediet en 100 basispunten op
jaarbasis voor kredieten met een vervaldag ten minste
twaalf maanden en ten hoogste zesendertig maanden
na de toekenning van het krediet.”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
11
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N ° 9 DE M M. CROM BE Z , BER T EL S E T
VANDENBROUCKE
Art. 32/8 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un 32/8 ré-
digé comme suit:
“Art. 32/8. Dans l’article 27, § 3, du même arrêté
royal, le chiffre “365” est remplacé par le chiffre “1 095”
et le chiffre “360” est remplacé par le chiffre “1 080”.”
Nr. 9 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/8 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/8
invoegen, luidende:
“Art. 32/8. In artikel 27, § 3, van hetzelfde koninklijk
besluit wordt het woord “365” vervangen door het
woord “1095” en het woord “360” door het woord
“1080”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
12
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N° 10 DE MM. CROMBEZ, BERTELS ET
VANDENBROUCKE
Art. 32/9 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un 32/9 ré-
digé comme suit:
“Art. 32/9. Dans l’article 33, § 2, 4°, du même arrêté
royal, le millésime “2021” est remplacé par le millésime
“2023”.”
Nr. 10 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/9 (nieuw):
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een artikel 32/9
invoegen, luidende:
“Art. 32/9. In artikel 33, § 2, 4°, van hetzelfde konink-
lijk besluit wordt het woord “2021” vervangen door het
woord “2023”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
13
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N° 11 DE MM. CROMBEZ, BERTELS ET
VANDENBROUCKE
Art. 32/10 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un 32/10 ré-
digé comme suit:
“Art. 32/10. Dans l’article 34, § 2, 7°, du même arrêté
royal, le millésime “2021” est remplacé par le millésime
“2023”.”
Nr. 11 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/10 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1 een arti-
kel 32/10 invoegen, luidende:
“Art. 32/10. In artikel 34, § 2, 7°, van hetzelfde ko-
ninklijk besluit wordt het woord “2021” vervangen door
het woord “2023”.”
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
14
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N° 12 DE MM. CROMBEZ, BERTELS ET
VANDENBROUCKE
Art. 32/11 (nouveau)
Dans le chapitre 10/1 précité, insérer un ar-
ticle 32/11 rédigé comme suit:
“Art. 32/11. La Commission européenne est informée,
dès l’adoption de la présente loi, de la prolongation,
jusqu’à 36 mois, de la durée maximale des crédits visés
dans l’arrêté royal du 14 avril 2020 portant octroi d’une
garantie d’état pour certains crédits dans la lutte contre
les conséquences du coronavirus.”
JUSTIFICATION
(RELATIVE AUX AMENDEMENTS NOS 1 À 12)
L’article 2, § 1er, de la loi donnant habilitation au Roi
d’octroyer une garantie d’État pour certains crédits dans la
lutte contre les conséquences du coronavirus et modifi ant la
loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des éta-
blissements de crédits et des sociétés de bourse prévoit que
les crédits garantis “ont une durée maximale d’un an” mais
que le “Roi peut prolonger ce délai et cette période par arrêté
délibéré en Conseil des ministres si cela s’avère nécessaire
en raison de la gravité et de la durée des effets négatifs du
coronavirus sur l’économie”. Ce moment est venu.
Contrairement au projet de loi à l’examen créant un sys-
tème facultatif permettant aux établissements fi nanciers de
décider eux-mêmes s’ils octroient des crédits couverts par la
garantie d’État et à qui, les présents amendements visent à
porter la durée maximale de ces crédits à 36 mois et modifi e,
à cette fi n, l’arrêté royal du 14 avril 2020 portant octroi d’une
garantie d’État pour certains crédits dans la lutte contre les
conséquences du coronavirus.
Les données connues des deux derniers mois montrent
que le système des crédits aux entreprises sous garantie de
l’État prévu par cet arrêté royal ne résout pas les difficultés
de fi nancement de nombreuses PME. Le problème principal
semble être la limitation de la durée des crédits à 12 mois.
C’est une période très courte, surtout par rapport à la sécurité
fi nancière offerte aux entreprises dans les pays voisins. La
Nr. 12 VAN DE HEREN CROMBEZ, BERTELS EN
VANDENBROUCKE
Art. 32/11 (nieuw)
In het voornoemde hoofdstuk 10/1, een arti-
kel 32/11 invoegen, luidende:
“Art. 32/11. De Europese Commissie wordt onmiddel-
lijk na goedkeuring van deze wet genotifi ceerd van de
verlenging van de maximum loopduur tot 36 maanden,
van de in het koninklijk besluit van 14 april 2020 tot
toekenning van een staatswaarborg voor bepaalde
kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coro-
navirus bedoelde kredieten.”
VERANTWOORDING
(BIJ AMENDEMENTEN NRS. 1 TOT 12)
Art. 2, § 1, van de wet tot machtiging van de Koning om een
staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de
strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging
van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op
kredietinstellingen en beursvennootschappen bepaalt dat
gewaarborgde kredieten een “looptijd van maximaal 1 jaar
hebben”, doch de “Koning kan bij een besluit vastgelegd na
overleg in de Ministerraad deze termijn en looptijd verlengen
indien dit in gevolge de ernst en duur van de negatieve ef-
fecten van het coronavirus op de economie noodzakelijk is”.
Dit moment is aangebroken.
In tegenstelling tot het voorliggende wetsontwerp, waarin
een facultatief stelsel wordt gecreëerd, waarbij de fi nanciële
instellingen zelf beslissen of en aan wie ze kredieten onder
staatswaarborg toekent, behelst dit amendement een verlen-
ging van de maximum looptijd van de verplichte kredieten voor
gezonde ondernemingen tot 36 maanden. Daartoe wordt het
begeleidende koninklijk besluit van 14 april 2020 tot toeken-
ning van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten in de
strijd tegen de gevolgen van het coronavirus gewijzigd.
Uit de data bekend uit de voorbije 3 maanden blijkt dat het
stelsel van ondernemingskredieten onder staatswaarborg uit
dit KB geen soelaas biedt voor de fi nancieringsproblemen
van vele kmo’s. Het grote probleem blijkt de beperking van
de loopduur van de kredieten tot 12 maanden. Een bijzonder
korte periode, zeker in vergelijking met de fi nanciële zeker-
heid die bedrijven wordt geboden in onze buurlanden. De
15
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
probabilité qu’une entreprise ait pu combler en un an le gouffre
fi nancier occasionné par une fermeture souvent intégrale de
trois mois ou plus et par des mesures qui se prolongent, et
qu’elle ait de surcroît gagné suffisamment pour rembourser
le crédit, est très faible. Pour de nombreux clients, le crédit ne
constitue dès lors pas l’instrument le plus approprié. Le sec-
teur oriente souvent les entreprises vers d’autres crédits, tels
que les prêts subordonnés de PMV (ParticipatieMaatschappij
Vlaanderen) au niveau flamand, avec un coût de crédit
de 4,5 % (PME et indépendants) ou de 5 % (start-ups et
scale-ups). À la lumière des mesures toujours en vigueur,
les autorités devraient permettre l’accès à des liquidités à
long terme à des conditions de fi nancement acceptables. Il
est intéressant de regarder ce qui se fait dans d’autres pays
touchés. La Nouvelle-Zélande va jusqu’à accorder des prêts
sans intérêt aux PME si le prêt est remboursé dans un délai
d’un an, à 3 % si le remboursement est étalé sur cinq ans.
En France, le remboursement peut être étalé sur cinq ans.
En Allemagne, la banque publique KfW accorde aux PME
des prêts immédiats sous garantie de l’État à 3 % avec une
durée de dix ans, incluant deux ans sans remboursement.
Comme le gouvernement fédéral garantit le prêt à 100 %, il
s’agit de facto d’un prêt d’État. Après examen du crédit, le
taux d’intérêt peut varier entre 1 et 2,12 %.
Le système de crédit aux entreprises garanti par l’État intro-
duit en avril offre des conditions de fi nancement acceptables,
mais une durée trop courte pour permettre aux entreprises
de renouer avec la rentabilité. Le projet de loi à l’examen
prévoit un meilleur délai, mail il n’est pas contraignant. Nous
proposons donc de porter sa durée à un maximum de 36 mois,
une proposition modérée compte tenu des circonstances et
des systèmes en vigueur dans nos pays voisins.
La notifi cation formelle à la Commission européenne rela-
tive au contenu du projet de loi à l’examen a été effectuée
par le gouvernement après réception de l’avis du Conseil
d’État, mais ce n’est pas le cas du présent amendement.
La notifi cation formelle obligatoire est dès lors incluse dans
l’amendement n° 12 comme condition de l’entrée en vigueur
du projet de loi. Étant donné que le régime en tant que tel a
déjà été approuvé et que la prolongation entre explicitement
dans le champ d’application du cadre temporaire, on n’attend
pas l’approbation, mais les présents amendements peuvent
entrer en vigueur avec le reste du projet de loi le jour de sa
publication au Moniteur belge.
En vertu du cadre temporaire de la Commission euro-
péenne du 23 mars 2020, qui clarifie l’application du
règlement 2014/59/UE sur les aides d’État illégales dans
kans dat een bedrijf binnen een jaar de fi nanciële put heeft
kunnen dichten na een vaak integrale sluiting van 3 maan-
den of meer en voortdurende maatregelen, en daar bovenop
genoeg heeft verdiend om het krediet terug te betalen, is
zeer gering. Daardoor is het krediet voor vele klanten niet
het meest geschikte instrument. De sector pusht bedrijven
vaak naar andere kredieten, zoals de achtergestelde leningen
van PMV op Vlaams niveau, met een kredietkost van 4,5 %
(kmo’s en zelfstandigen) of 5 % (start-ups en scale ups). In
het licht van de nog steeds voortdurende maatregelen dient
de overheid liquiditeiten op langere termijn aan aanvaardbare
fi nancieringsvoorwaarden mogelijk te maken. Het loont zich
om voorbeelden uit andere getroffen landen aan te halen.
Nieuw-Zeeland gaat zover om leningen zonder interest toe
te kennen aan kmo’s indien de lening binnen het jaar wordt
terugbetaald, 3 % indien de terugbetaling over vijf jaar wordt
gespreid. In Frankrijk kan de terugbetaling uitgesmeerd
worden over 5 jaar. In Duitsland verstrekt staatsbank KfW
instantkredieten aan kmo’s onder staatswaarborg aan 3 % met
een looptijd van 10 jaar, met twee jaar zonder terugbetaling.
Aangezien de federale overheid de lening 100 % waarborgt,
is het een de facto staatslening. Na kredietonderzoek kan de
interestvoet variëren tussen 1 en 2,12 %.
Het stelsel van ondernemingskredieten onder staatswaar-
borg dat in april in het leven werd geroepen biedt aanvaard-
bare fi nancieringsvoorwaarden, maar een te korte loopduur
om ondernemingen de kans te bieden opnieuw winstgevend
te worden. Het voorliggende wetsontwerp biedt een betere
termijn, maar is niet verplichtend. Daarom wordt hier voorge-
steld die loopduur op maximum 36 maanden te brengen, een
gematigd voorstel in het licht van de omstandigheden en de
geldende stelsels in onze buurlanden.
De formele notifi catie aan de Europese Commissie over de
inhoud van voorliggend wetsontwerp werd door de regering
gedaan na ontvangst van het advies van de Raad van State,
wat niet geldt voor dit amendement. De verplichte formele
notifi catie wordt daarom in amendement nr. 12 meegenomen
als voorwaarde voor inwerkingtreding van het wetsontwerp,
wat de Raad van State onderstreept in zijn advies. Aangezien
het stelsel als dusdanig reeds werd goedgekeurd en de
verlenging expliciet binnen de krijtlijnen van de tijdelijke ka-
derregeling valt, wordt niet gewacht op goedkeuring, maar
kunnen deze amendementen samen met de rest van het
wetsontwerp in werking treden op de dag na publicatie in het
Belgisch Staatsblad.
Onder de tijdelijke kaderregeling van de Europese
Commissie van 23 maart 2020, die de toepassing van de
Verordening 2014/59/EU omtrent ongeoorloofde staatssteun
16
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
le contexte de la crise actuelle, les États membres peuvent
faire pleinement usage de la fl exibilité offerte par les règles
relatives aux aides d’État pour soutenir l’économie dans le
contexte de l’épidémie de COVID-19. Dans le cadre de ce
régime, des garanties publiques peuvent être fournies pour
les prêts contractés par les entreprises auprès des banques.
Dans ce contexte, la Commission européenne a considéré
que les crédits sous garantie de l’État visés dans l’arrêté
royal du 14 avril 2020 portant octroi d’une garantie d’État
pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences
du coronavirus étaient compatibles avec ce cadre temporaire.
Le cadre précité autorise les garanties d’État pour les prêts
d’une durée maximale de six ans, avec des minima pour les
primes de garantie en fonction de la durée du crédit. Il est
possible d’obtenir l’approbation de conditions modulées en
termes de maturité, de taux d’intérêt et de prime de garantie,
mais des seuils standard sont mentionnés: ceux-ci varient
pour les PME, par exemple, de 25 points de base pour les
crédits d’un an à 100 points de base pour les crédits de six
ans. Le présent amendement intègre ces valeurs en fonction
de la prolongation du délai maximum de remboursement.
verduidelijkt in het kader van de huidige crisis, kunnen de
lidstaten de door de staatssteunregels geboden fl exibiliteit
volledig benutten om de economie te ondersteunen in de
context van de uitbraak van COVID-19. Onder deze regeling
kunnen overheidsgaranties verstrekt worden voor leningen
die door bedrijven bij banken worden genomen. In dit kader
oordeelde de de Europese Commissie dat de kredieten onder
staatswaarborg, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van
14 april tot toekenning van een staatswaarborg voor bepaalde
kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus,
verenigbaar waren met dit tijdelijk kader.
Voornoemde kaderregeling staat overheidswaarborgen
voor leningen tot zes jaar toe met minima voor de waar-
borgpremies in functie van de lengte van het krediet. Het
is mogelijk goedkeuring te verkrijgen voor gemoduleerde
voorwaarden qua maturiteit, interestvoet en waarborgpremie,
maar er worden standaard drempelwaarden vermeld: Deze
variëren voor kmo’s bijvoorbeeld van 25 bps voor kredieten
van één jaar tot 100 bps voor kredieten van zes jaar. In dit
amendement worden deze waarden meegenomen in functie
van de verlenging van de maximum terugbetalingstermijn.
John CROMBEZ (sp.a)
Jan BERTELS (sp.a)
Joris VANDENBROUCKE (sp.a)
17
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N° 13 DE M. LOONES
Art. 3
Apporter les modifi cations suivantes:
1° remplacer le 25° par ce qui suit:
“25° un groupe: une entreprise, conjointement avec
les personnes qui y sont liées;”
2° remplacer le 26° par ce qui suit:
“26° une personne liée: une entreprise liée ou
une entreprise partenaire au sens de l’Annexe 1 au
Règlement n° 651/2014;”.
JUSTIFICATION
Le 1° vise à aligner la défi nition de “groupe” sur la notion de
“personne liée”, qui est à son tour (après amendement) mise
en concordance avec l’Annexe 1 au Règlement n° 651/2014
(voir ci-dessous).
Le 2° vise à aligner la défi nition de “personne liée” sur
l’Annexe 1 au Règlement n° 651/2014, qui défi nit les entre-
prises devant être considérées comme “entreprises liées” et
“entreprises partenaires” vis-à-vis des PME (défi nies dans
l’article 2 de l’Annexe).
Nr. 13 VAN DE HEER LOONES
Art. 3
De volgende wijzigingen aanbrengen:
1° de bepaling onder 25° vervangen als volgt:
“25° een groep: een onderneming, samen met de
met haar verbonden personen;”
2° de bepaling onder 26° vervangen als volgt:
“26° een verbonden persoon: een verbonden on-
derneming of een partneronderneming in de zin van
Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014;”.
VERANTWOORDING
Paragraaf 1 beoogt de defi nitie van “groep” af te stemmen
op het begrip “verbonden persoon”, dat op zijn beurt (na amen-
dement) afgestemd is op Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014
(zie hieronder).
Paragraaf 2 beoogt de defi nitie van “verbonden persoon”
af te stemmen op Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014,
waarin wordt bepaald welke ondernemingen te aanzien zijn
als “verbonden ondernemingen” en “partnerondernemingen”
ten aanzien van kmo’s (zoals gedefi nieerd in artikel 2 van
die Bijlage).
Sander LOONES (N-VA)
18
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N° 14 DE M. LOONES
Art. 6
Apporter les modifi cations suivantes:
1° dans le paragraphe 2:
a) remplacer la phrase introductive par ce qui suit:
“Par “petite ou moyenne entreprise non fi nancière”
visée au paragraphe 1er, il faut entendre une “microen-
treprise”, une “petite entreprise” ou une “moyenne
entreprise” au sens de l’Annexe 1 au Règlement
n° 651/2014, qui est inscrite à la Banque-Carrefour des
Entreprises, à l’exclusion:”
b) insérer un c/1) rédigé comme suit:
“c/1) des moyennes entreprises au sens de l’An-
nexe 1 au Règlement n° 651/2014, à l’égard desquelles
s’est produit, au 31 décembre 2019, au moins un
des événements visés à l’article 2.18 du Règlement
n° 651/2014;”
2° supprimer le paragraphe 3.
JUSTIFICATION
S’agissant du 1°, a),
Le 1°, a), vise à aligner le projet de loi sur l’Encadrement
temporaire et à reproduire les définitions utilisées dans
l’Annexe n° 1 du Règlement 651/2014 auquel l’Encadre-
ment temporaire renvoie. L’Encadrement temporaire, tel
qu’il a été modifi é en dernier lieu le 29 juin 2020, permet
en effet aux microentreprises et aux petites entreprises qui
étaient considérées comme des entreprises en difficultés
au 31 décembre 2019 de bénéfi cier d’une aide sous la forme
de garanties sur prêts.
Or, les défi nitions de “microentreprise” et de “petite entre-
prise” des instances européennes ne correspondent pas
totalement aux défi nitions de “microsociété” et de “petite
société” telles que visées aux articles 1:24 et 1:25 du Code
des sociétés et des associations.
Nr. 14 VAN DE HEER LOONES
Art. 6
De volgende wijzigingen aanbrengen:
1° in paragraaf 2:
a) de inleidende zin vervangen als volgt:
“Onder “kleine of middelgrote niet-fi nanciële on-
derneming” in paragraaf 1 moet worden verstaan een
“kleine onderneming”, een “micro-onderneming” of een
“middelgrote onderneming” in de zin van Bijlage 1 bij
de Verordening 651/2014 die is ingeschreven in de
Kruispuntbank van Ondernemingen, met uitsluiting
van:”
b) een bepaling onder c/1) invoegen, luidende:
“c/1) middelgrote ondernemingen in de zin van
Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 ten aanzien
waarvan zich op 31 december 2019 ten minste één
van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de
Verordening nr. 651/2014 voordeed;”
2° paragraaf 3 weglaten.
VERANTWOORDING
Over punt 1°, a),
Punt 1°, a), beoogt het wetsontwerp in lijn te brengen
met de Tijdelijke kaderregeling en aansluiting te zoeken
bij de definities die worden gebruikt in Bijlage 1 bij de
Verordening 651/2014, waarnaar die Tijdelijke kaderregeling
verwijst. De Tijdelijke kaderregeling, zoals laatst aangepast
op 29 juni 2020, laat namelijk toe dat micro- en kleine onder-
nemingen die op 31 december 2019 als ondernemingen in
moeilijkheden waren te aanzien, steun ontvangen in de vorm
van garanties op leningen.
De EU-definities van “micro-onderneming” en “kleine
onderneming” stemmen niet volledig overeen met de defi -
nities “microvennootschap” en “kleine vennootschap” zoals
opgenomen in de artikelen 1:24 en 1:25 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen.
19
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Les notions de “microentreprise” et de “petite entreprise”
sont défi nies dans les articles 2.2 et 2.3 de l’Annexe n° 1:
— l’article 2.2 défi nit une “petite entreprise” comme “une
entreprise qui occupe moins de 50 personnes et dont le
chiffre d’affaires annuel ou le total du bilan annuel n’excède
pas 10 millions d’euros.”;
— l’article 2.3 défi nit une “microentreprise” comme “une
entreprise qui occupe moins de 10 personnes et dont le
chiffre d’affaires annuel ou le total du bilan annuel n’excède
pas 2 millions d’euros.”.
En vertu de l’article 1er de l’Annexe n° 1 du Règlement
651/2014, est considérée comme entreprise “toute entité,
indépendamment de sa forme juridique, exerçant une activité
économique. Sont notamment considérées comme telles les
entités exerçant une activité artisanale ou d’autres activités
à titre individuel ou familial, les sociétés de personnes ou les
associations qui exercent régulièrement une activité écono-
mique.”. Doivent dès lors aussi être considérées comme des
entreprises, outre les sociétés, les personnes physiques qui
exercent une activité professionnelle en tant qu’indépendant,
ainsi que les personnes morales autres que les sociétés,
pour autant qu’elles exercent régulièrement une activité
économique.
Le 1°, a), vise également à élargir le champ d’application
du régime aux entreprises plus grandes qu’une microen-
treprise ou qu’une petite entreprise, mais qui sont toujours
considérées comme des PME au sens de la défi nition de la
législation européenne:
— cf. l’article 2 de l’Annexe n° 1 du Règlement 651/2014,
dont il peut être déduit que les “moyennes entreprises” sont
des entreprises qui occupent moins de 250 personnes et
dont le chiffre d’affaires annuel n’excède pas 50 millions
euros ou dont le total du bilan annuel n’excède pas 43 mil-
lions euros, mais (i) qui occupent au moins 50 personnes ou
(ii) dont le chiffre d’affaires annuel ou le total du bilan annuel
excède 10 millions d’euros.
L’Annexe n° 1 du Règlement 651/2014 comporte des règles
détaillées sur les modalités d’application des critères énoncés
ci-dessus, à savoir les modalités de calcul du nombre de
personnes occupées et les montants fi nanciers.
S’agissant du 1°, b),
Comme énoncé ci-dessus, conformément à l’Enca-
drement temporaire des mesures d’aide d’État visant à
De begrippen “micro-onderneming” en “kleine onderne-
ming” worden gedefi nieerd in de artikelen 2.2 en 2.3 van
Bijlage 1:
— luidens artikel 2.2. is een “kleine onderneming” “een
onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn
en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 10 mil-
joen euro niet overschrijdt.”;
— luidens artikel 2.3 is een “micro-onderneming” “een
onderneming waar minder dan 10 personen werkzaam zijn
en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal 2 mil-
joen euro niet overschrijdt.”.
Artikel 1 van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 defi ni-
eert als onderneming “iedere entiteit, ongeacht haar rechts-
vorm, die een economische activiteit uitoefent. Met name
worden als zodanig beschouwd entiteiten die individueel of in
familieverband ambachtelijke of andere activiteiten uitoefenen,
personenvennootschappen en verenigingen die regelmatig
een economische activiteit uitoefenen.” Hieronder moeten
dus, naast vennootschappen, ook natuurlijke personen die
zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen worden begrepen,
alsmede andere rechtspersonen dan vennootschappen, voor
zover zij regelmatig een economische activiteit uitoefenen.
Punt 1°, a), beoogt ook de regeling open te stellen voor
ondernemingen die groter zijn dan micro- en kleine onder-
nemingen, maar nog steeds worden beschouwd als kmo
volgens de EU-defi nitie:
— zie artikel 2 van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 waar-
uit kan worden afgeleid dat “middelgrote ondernemingen” on-
dernemingen zijn waar minder dan 250 personen werkzaam
zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen euro en/of het jaar-
lijkse balanstotaal 43 miljoen euro niet overschrijdt, doch waar
(i) minstens 50 personen werkzaam zijn of (ii) de jaaromzet
of het jaarlijkse balanstotaal 10 miljoen euro overschrijdt.)
Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 bevat gedetailleerde
regels over hoe de hierboven vermelde betrokken criteria moe-
ten worden toegepast, d.w.z. hoe het aantal werkzame per-
sonen en de fi nanciële bedragen moeten worden berekend.
Over punt 1°, b),
Zoals hierboven uiteengezet, is het, onder de Tijdelijke
kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van
20
1395/002
DOC 55
C H A M B R E 2e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2019
2020
K A M E R • 2e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
soutenir l’économie dans le contexte actuel de la fl ambée
de COVID-19 du 20 mars 2020, tel qu’il a été modifié
le 29 juin 2020, les États membres peuvent fournir une aide
sous la forme de garanties sur des prêts aux entreprises
considérées, au 31 décembre 2019, comme des entreprises
en difficulté, telles qu’elles sont défi nies dans l’article 2
(18) du Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission
du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides
compatibles avec le marché intérieur en application des
articles 107 et 108 du traité (JO L 187 du 26 juin 2014, p. 1),
pour autant que l’entreprise bénéfi ciaire soit une microen-
treprise ou une petite entreprise au sens de l’Annexe n° 1 du
Règlement 651/2014.
Si l’entreprise bénéfi ciaire n’est pas une microentreprise ou
une petite entreprise au sens de l’Annexe n° 1, l’Encadrement
temporaire autorise uniquement l’octroi d’une aide aux entre-
prises qui n’étaient pas considérées, au 31 décembre 2019,
comme des entreprises en difficulté au sens de l’article 2(18)
du Règlement (UE) n° 651/2014. Voilà pourquoi il convient
d’insérer un d) au moyen du 2°.
En conséquence, l’extension du champ d’application de
la réglementation relative aux garanties vise uniquement
les moyennes entreprises au sens de l’Annexe n° 1 du
Règlement 651/2014, pour autant qu’elles n’étaient pas
considérées, au 31 décembre 2019, comme des entreprises
en difficulté.
S’agissant du 2°
Le 2° tend à supprimer le § 3 initial, rédigé comme suit:
“Pour l’application du § 1er, l’article 1:24, § 1er, du Code des
sociétés et des associations s’applique par analogie aux
personnes physiques qui exercent une activité professionnelle
à titre d’indépendant ou aux autres personnes morales que
les sociétés.”. Ce paragraphe est en effet devenu superfl u
dès lors que le projet de loi, après avoir été amendé, renvoie
à la défi nition large d’“entreprise” telle qu’elle fi gure dans
l’article 1er de l’Annexe n° 1 du Règlement 651/2014 (voir
ci-dessus). Cette défi nition comprend déjà les personnes
physiques qui exercent une activité professionnelle en tant
qu’indépendant, ainsi que les personnes morales autres que
les sociétés, pour autant qu’elles exercent régulièrement une
activité économique.
de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak
van 20 maart 2020, zoals laatst aangepast op 29 juni 2020, lid-
staten toegelaten steun in de vorm van garanties op leningen te
verstrekken aan ondernemingen die op 31 december 2019 als
onderneming in moeilijkheden waren te beschouwen, zo-
als gedefi nieerd in artikel van 2 (18) van Verordening (EU)
Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij
bepaalde categorieën steun op grond van de artike-
len 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt ver-
enigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6 2014, p. 1),
voor zover de begunstigde een micro- of kleine onderneming
betreft in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014.
Betreft de begunstigde geen micro of kleine onderneming
in de zin van Bijlage 1, dan is steunverlening enkel toegelaten
onder de Tijdelijke kaderregeling indien de onderneming geen
onderneming in moeilijkheden was in de zin van het voor-
noemde artikel 2 (18) van Verordening (EU) Nr. 651/2014 op
31 december 2019. Daarom dient met het punt 2° een littera
d) te worden ingevoegd.
Bijgevolg heeft de uitbreiding van het toepassingsge-
bied van de waarborgregeling enkel betrekking op mid-
delgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 bij de
Verordening 651/2014, voor zover zij geen onderneming in
moeilijkheden waren op 31 december 2019.
Over punt 2°
Punt 2° beoogt de oorspronkelijke derde paragraaf te doen
vervallen, die luidt: “Voor de toepassing van paragraaf 1,
is artikel 1:24, § 1, van het Wetboek van vennootschappen
en verenigingen van overeenkomstige toepassing voor
natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit
uitoefenen of andere rechtspersonen dan vennootschappen”.
Deze is namelijk overbodig geworden doordat het wetsont-
werp, na amendement, verwijst naar de ruime defi nitie van
“onderneming” zoals vervat in artikel 1 bij Bijlage 1 bij de
Verordening 651/2014 (zie hierboven). Deze omvat reeds na-
tuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoe-
fenen en andere rechtspersonen dan vennootschappen, voor
zover die regelmatig een economische activiteit uitoefenen.
Sander LOONES (N-VA)
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij