Document 55K1395/004

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 1395 Verslag 🌐 NL

Inhoud

1395/004 DOC 55 1395/004 DOC 55 02915 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 14 juli 2020 14 juillet 2020 CHAMBRE DES REPRÉSENTANTS DE BELGIQUE BELGISCHE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS DOOR DE COMMISSIE VOOR FINANCIËN EN BEGROTING PAR LA COMMISSION DES FINANCES ET DU BUDGET TEKST AANGENOMEN TEXTE ADOPTÉ Voir: Doc 55 1395/ (2019/2020): 001: Projet de loi. 002: Amendements. 003: Rapport. Zie: Doc 55 1395/ (2019/2020): 001: Wetsontwerp. 002: Amendementen. 003: Verslag. tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan KMO’s in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen loi portant octroi d’une garantie de l’État pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifi ant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse PROJET DE LOI WETSONTWERP 1395/004 DOC 55 2 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur CD&V : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten sp.a : socialistische partij anders cdH : centre démocrate Humaniste DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant - Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de numering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaald beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénaire PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) 3 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E CHAPITRE 1 Dispositions générales Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. Article 2 La garantie de l’État est accordée sur les pertes qu’un prêteur subit sur les crédits garantis qu’il a octroyés aux conditions déterminées par ou en vertu la présente loi. CHAPITRE 2 Définitions Article 3 Pour l’application de la présente loi, il y a lieu d’en- tendre par: 1° la garantie de l’État: la garantie de l’État accordée en vertu de la présente loi; 2° perte garantie: la perte garantie visée à l’article 11; 3° un prêteur: un prêteur visé à l’article 5; 4° un crédit garanti: un crédit au sens de l’article 4; 5° la loi du 27 mars 2020: la loi du 27 mars 2020 donnant habilitation au Roi d’octroyer une garantie de l’État pour certains crédits dans la lutte contre les consé- quences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédits et des sociétés de bourse; 6° l’arrêté royal du 14 avril 2020: l’arrêté royal du 14 avril 2020 portant octroi d’une garantie de l’État pour certains crédits dans la lutte contre les conséquences du coronavirus; 7° la durée d’un crédit: la période entre l’octroi d’un crédit et le jour où l’emprunteur doit avoir remboursé tous les montants dus au titre du crédit; HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Artikel 2 Onder de door of krachtens deze wet bepaalde voor- waarden wordt de staatswaarborg toegekend op de verliezen die een kredietgever lijdt op de door hem toegekende gewaarborgde kredieten. HOOFDSTUK 2 Definities Artikel 3 Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: 1° de staatswaarborg: de staatswaarborg die krachtens deze wet wordt toegekend; 2° gewaarborgd verlies: het gewaarborgd verlies zoals bedoeld in artikel 11; 3° een kredietgever: een kredietgever zoals bedoeld in artikel 5; 4° een gewaarborgd krediet: een krediet in de zin van artikel 4; 5° de wet van 27 maart 2020: de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaar- borg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen; 6° het koninklijk besluit van 14 april 2020: het koninklijk besluit van 14 april 2020 tot toekenning van een staats- waarborg voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus; 7° de looptijd van een krediet: de tijd tussen de verle- ning van een krediet en de dag waarop de kredietnemer alle onder het krediet verschuldigde bedragen moet hebben terugbetaald; 1395/004 DOC 55 4 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 8° verlenen van een krediet: een krediet wordt ver- leend wanneer een kredietnemer contractueel het recht krijgt om het krediet geheel of gedeeltelijk op te nemen; 9° een kredietnemer: een kredietnemer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6; 10° een maandelijkse aangifte: de aangifte bedoeld in artikel 4, § 6; 11° een toegelaten debetstand: een uitdrukkelijke kredietopening waarbij een kredietgever een krediet- nemer de mogelijkheid biedt bedragen op te nemen die het beschikbare tegoed op de hiermee verbonden betaalrekening te boven gaan; 12° een herfinancieringskrediet: een krediet, of een gedeelte van een krediet, dat wordt verleend tot terugbeta- ling van een krediet dat een kredietgever heeft verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, met inbegrip van de verlenging van een voor de datum van inwerkingtreding van deze wet verleend krediet; wordt niet als herfinancieringskrediet aanzien, een krediet of een gedeelte van een krediet dat wordt verleend tot terugbetaling van een krediet dat werd toegekend met toepassing van de wet van 27 maart 2020, dat door de kredietgever niet werd geïdentificeerd met toepas- sing van artikel 4, § 1, 4°, van het koninklijk besluit van 14 april 2020, en met betrekking waartoe de kredietgever voorziet een respijtmaatregel te moeten toekennen op de vervaldag ervan; 13° wederopname van een krediet: de wederopname of hernieuwing van een geheel of gedeeltelijk terugbe- taald krediet dat vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet werd verleend en voor zover dergelijke wederopname of hernieuwing voor ten hoogste dezelfde hoofdsom plaatsvindt; 14° een leasingovereenkomst: een overeenkomst die beantwoordt aan de criteria vastgesteld in artikel 3:89 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor de post III.D Leasing en soortgelijke rechten; 15° een factoringovereenkomst: een overeenkomst waarbij een partij de te innen schuldvorderingen die voortvloeien uit contracten tot levering van goederen en/of het verstrekken van diensten afgesloten tussen die partij en zijn debiteuren, aan de wederpartij over- draagt in ruil voor de voorfinanciering van de te innen schuldvorderingen; 16° de Kruispuntbank van Ondernemingen: het register bedoeld in artikel III.15 van het Wetboek economisch recht; 8° l’octroi d’un crédit: un crédit est octroyé quand un emprunteur s’est vu accorder contractuellement le droit d’utiliser le crédit en tout ou en partie; 9° un emprunteur: un emprunteur satisfaisant aux conditions de l’article 6; 10° une déclaration mensuelle: la déclaration visée à l’article 4, § 6; 11° un découvert autorisé: une ouverture de crédit explicite en vertu de laquelle un prêteur permet à un emprunteur de prélever des fonds qui dépassent le solde disponible du compte de paiement y attaché; 12° un crédit de refinancement: un crédit, ou une partie d’un crédit, qui est octroyé pour le remboursement d’un crédit octroyé par un prêteur avant l’entrée en vigueur de la présente loi, en ce compris la prolongation d’un crédit accordé avant l’entrée en vigueur de la présente loi; n’est pas considéré comme crédit de refinance- ment, un crédit ou une partie d’un crédit octroyé pour le remboursement d’un crédit octroyé en application de la loi du 27 mars 2020, lequel n’a pas été identifié par le prêteur en application de l’article 4, § 1er, 4°, de l’arrêté royal du 14 avril 2020, et pour lequel le prêteur prévoit devoir accorder une mesure de renégociation à sa date d’échéance; 13° nouveau prélèvement d’un crédit: le nouveau prélèvement ou renouvellement d’un crédit remboursé en tout ou en partie qui a été octroyé avant la date d’entrée en vigueur de la présente loi et pour autant que le nouveau prélèvement ou le renouvellement ait lieu pour au maximum le même montant en principal; 14° un contrat de location-financement: un contrat répondant aux critères énoncés à l’article 3:89 de l’ar- rêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations pour la rubrique III.D. Location-financement et droits similaires; 15° un contrat d’affacturage: un contrat par lequel une partie cède les créances à recouvrer nées de conven- tions de livraison de marchandises et/ou de prestation de services conclues entre cette partie et ses débiteurs, à l’autre partie en échange du préfinancement des créances à recouvrer; 16° la Banque-Carrefour des Entreprises: le registre visé à l’article III.15 du Code de droit économique; 5 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 17° een onderneming waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt: een onderneming die het voorwerp uitmaakt van de lopende procedure zoals bedoeld in bijlage A bij de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures; 18° Verordening nr. 2015/2365: de Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van ef- fectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 19° een voor een bijzonder doel opgerichte effecti- seringsentiteit: een entiteit met als enige opdracht één of meer verrichtingen van effectisering, alsook het ver- richten van andere werkzaamheden ter vervulling van deze opdracht; 20° Verordening (EU) nr. 1407/2013: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun; 21° een patrimoniumvennootschap: een vennootschap zoals bedoeld in artikel 14526, § 3, 5° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; 22° een managementvennootschap: een vennootschap zoals bedoeld in artikel 14526, § 3, 6° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; 23° maximaal gewaarborgde interesten: de maximaal gewaarborgde interesten zoals bedoeld in artikel 9; 24° Verordening nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artike- len 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard; 25° een groep: een onderneming, samen met de met haar verbonden personen; 26° een verbonden persoon: een verbonden onderne- ming of een partneronderneming in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014; 27° een interest op jaarbasis: een interest die geldt voor een jaar, berekend op 360 dagen; 28° de toegewezen enveloppe: de toegewezen enve- loppe van een kredietgever zoals vastgesteld door de Koning krachtens de wet van 27 maart 2020; 17° une entreprise à l’encontre de laquelle une pro- cédure collective d’insolvabilité: une entreprise qui fait l’objet d’une procédure en cours visée à l’annexe A du Règlement (UE) n° 2015/848 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relatif aux procédures d’insolvabilité; 18° Règlement n° 2015/2365: le Règlement (UE ) n° 2015/2365 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2015 relatif à la transparence des opéra- tions de financement sur titres et de la réutilisation et modifiant le Règlement (UE) n° 648/2012; 19° une entité de titrisation à vocation spécifique: une entité dont le seul but est d’effectuer une ou plusieurs opérations de titrisation et d’effectuer d’autres activités pour la réalisation de ce but; 20° Règlement n° 1407/2013: le Règlement (UE) n° 1407/2013 de la Commission du 18 décembre 2013 relatif à l’application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l’Union européenne aux aides de minimis; 21° une société patrimoniale: une société visée à l’article 14526, § 3, 5° du Code des impôts sur les reve- nus 1992; 22° une société de management: une société visée à l’article 14526, § 3, 6° du Code des impôts sur les revenus 1992; 23° intérêts maximaux garantis: les intérêts maximums garantis visés à l’article 9; 24° le Règlement n° 651/2014: le Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d’aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité; 25° un groupe: une entreprise et les personnes qui lui sont liées; 26° une personne liée: une entreprise liée ou une entreprise partenaire au sens de l’Annexe 1 du Règlement 651/2014; 27° un intérêt sur base annuelle: un intérêt applicable pendant un an, calculé sur 360 jours; 28° l’enveloppe allouée: l’enveloppe allouée à un prêteur telle que déterminée par le Roi en vertu de la loi du 27 mars 2020; 1395/004 DOC 55 6 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 29° verlies: verlies zoals bedoeld in artikel 12; 30° een pari passu bepaling: een bepaling die de vermindering van een waarborg tot gevolg heeft omwille van coëxistentie met andere waarborgen waarbij de vermindering gebeurt evenredig met het aantal andere waarborgen en met de door deze andere waarborgen gewaarborgde bedragen; 31° de Nationale Bank: de Nationale Bank van België bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België; 32° respijtmaatregelen: respijtmaatregelen in de zin van artikel 47ter, 1., a) en b) van de Verordening nr. 575/2013; 33° Verordening nr. 575/2013: de Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012; 34° effectisering: securitisatie in de zin van artikel 2.1 van de Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vast- stelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012; 35° kwalificerende buitenlandse activiteiten: buiten- landse activiteiten van een kredietnemer die beantwoor- den aan de volgende voorwaarden: a) de buitenlandse activiteiten worden gevoerd door de kredietnemer zelf of door een entiteit die onder de exclu- sieve of gezamenlijke controle staat van de kredietnemer; b) de continuïteit van de buitenlandse activiteiten is cruciaal voor de Belgische activiteiten; c) er bestaat geen andere mogelijkheid om de bui- tenlandse activiteiten duurzaam en tegen normale marktvoorwaarden te financieren; 36° een zekerheid: elke persoonlijke zekerheid of zakelijke zekerheid; 37° een vergoeding: enige vergoeding zoals bedoeld in hoofdstuk 7. 29° perte: la perte visée à l’article 12; 30° une disposition pari passu: une clause qui entraîne la réduction d’une garantie en raison de la coexistence avec d’autres garanties, la réduction étant proportionnelle au nombre d’autres garants et aux montants garantis par ces autres garants; 31° la Banque nationale: la Banque nationale de Belgique visée par la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique; 32° des mesures de renégociation: des mesures de renégociation au sens de l’article 47ter, 1., a) et b) du Règlement n° 575/2013; 33° le Règlement n° 575/2013: le Règlement (UE) n° 575/2013 du Parlement européen et du Conseil du 26 juin 2013 concernant les exigences prudentielles applicables aux établissements de crédit et aux entre- prises d’investissement et modifiant le règlement (UE) n° 648/2012; 34° titrisation: titrisation au sens de l’article 2.1 du Règlement (UE) n° 2014/2402 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 créant un cadre général pour la titrisation ainsi qu’un cadre spécifique pour les titrisations simples, transparentes et standardisées, et modifiant les directives n° 2009/65/CE, n° 2009/138/CE et n° 2011/61/UE et les Règlements (CE) n° 1060/2009 et (UE) n° 648/2012; 35° activités étrangères qualifiées: les activités étrangères d’un emprunteur répondant aux conditions suivantes: a) les activités étrangères sont exercées par l’emprun- teur lui-même ou par une entité qui se trouve sous le contrôle exclusif ou conjoint de l’emprunteur; b) la continuité des activités étrangères est cruciale pour les activités belges; c) il n’existe aucune autre possibilité de financer les activités à l’étranger de manière durable et à des conditions de marché normales; 36° une sûreté: toute sûreté personnelle ou sûreté réelle; 37° une prime: toute prime visée au chapitre 7. 7 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Gewaarborgde kredieten Afdeling 1 Algemeen Artikel 4 § 1. Gewaarborgde kredieten zijn kredieten met een looptijd van meer dan 12 maanden en ten hoogste 36 maanden verleend door een kredietgever aan een kredietnemer tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2020, voor zover zij door de kredietgever op het ogenblik dat ze worden verleend specifiek worden geïdentificeerd. De hiervoor bedoelde identificatie van een krediet kan door de kredietgever niet worden beëindigd of ongedaan gemaakt. § 2. Een krediet in de zin van paragraaf 1 is elke overeenkomst waarbij een kredietgever een krediet verleent of toezegt, in de vorm van een lening, een kredietopening, een toegelaten debetstand, of van elke andere gelijkaardige betalingsregeling, met uitsluiting van: 1° herfinancieringskredieten; 2° wederopnames van kredieten; 3° leasingovereenkomsten; 4° factoringovereenkomsten; 5° consumentenkredieten en hypothecaire kredieten die vallen onder Boek VII van het Wetboek van econo- misch recht. § 3. Kredieten die worden verleend bij wijze van een kredietlijn onder een krediet, waarbij de afzonderlijke kredietlijn een voldoende onderscheiden verbintenis vormt van de kredietgever, kwalificeren op zichzelf als een krediet in de zin van paragraaf 2, met inbegrip van: a) kredietlijnen toegekend in het kader van een kre- dietovereenkomst waarbij meerdere kredietverstrekkers gezamenlijk een krediet verschaffen aan één of meerdere kredietnemers, ook wanneer de andere kredietverstrek- kers niet kwalificeren als kredietgever; b) kredietlijnen toegekend in het kader van een kre- diet dat bestaat uit onderscheiden kredietlijnen, ook wanneer de andere kredietlijnen niet kwalificeren als gewaarborgd krediet. CHAPITRE 3 Crédits garantis Section 1re Généralités Article 4 § 1er. Les crédits garantis sont les crédits d’une durée de plus de 12 mois et de maximum 36 mois octroyés par un prêteur à un emprunteur entre la date d’entrée en vigueur de la présente loi et le 31 décembre 2020, pour autant qu’ils soient identifiés spécifiquement par le prêteur au moment où ils sont octroyés. L’identification d’un crédit visée ci-dessus ne peut pas être supprimée ou retirée par le prêteur. § 2. Un crédit au sens du paragraphe 1er est tout contrat en vertu duquel un prêteur octroie ou s’engage à octroyer un crédit, sous la forme d’un prêt, d’une ouverture de crédit, d’un découvert autorisé, ou de toute autre facilité de paiement similaire, à l’exclusion des: 1° crédits de refinancement; 2° nouveaux prélèvements de crédits; 3° contrats de location-financement; 4° contrats d’affacturage; 5° crédits à la consommation et des crédits hypo- thécaires couverts par le Livre VII du Code de droit économique. § 3. Les crédits qui sont octroyés sous la forme d’une ligne de crédit, en vertu desquels la ligne de crédit sépa- rée constitue un engagement suffisamment distinct du prêteur, sont considérés eux-mêmes comme un crédit au sens du paragraphe 2, en ce compris: a) les lignes de crédit octroyées dans le cadre d’un contrat de crédit par lequel plusieurs dispensateurs de crédit octroient conjointement un crédit à un ou plu- sieurs emprunteurs, et ce également lorsque les autres dispensateurs de crédit n’ont pas la qualité de prêteur; b) les lignes de crédit octroyées dans le cadre d’un crédit qui est composé de lignes de crédit distinctes, et ce également lorsque les autres lignes de crédit n’ont pas la qualité de crédit garanti. 1395/004 DOC 55 8 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E § 4. Alle door een kredietgever toegekende gewaar- borgde kredieten vormen samen de gewaarborgde portefeuille van die kredietgever. § 5. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning de termijn waarbinnen de in dit artikel bedoelde kredieten kunnen worden toegekend alsmede de maximaal toegestane looptijd van die kredieten ver- lengen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is. § 6. De door een kredietgever geïdentificeerde kredie- ten zoals bedoeld in paragraaf 1 worden opgenomen in de rapportering als bedoeld in artikel 37. De Koning kan de nadere regels bepalen over de wijze of de verplichte inhoud bij dergelijke rapportering. Afdeling 2 Kredietgever Artikel 5 Voor de toepassing van deze wet en zijn uitvoerings- besluiten, moet onder “kredietgever” worden verstaan, het begrip kredietgever zoals vastgesteld krachtens de wet van 27 maart 2020. Afdeling 3 Kredietnemers Artikel 6 § 1. Als kredietnemer wordt aanzien elke kleine of middelgrote niet-financiële onderneming waaraan een gewaarborgd krediet wordt verleend. § 2. Onder “kleine of middelgrote niet-financiële onder- neming” bedoeld in paragraaf 1 moet worden verstaan een “kleine onderneming”, een “micro-onderneming” of een “middelgrote onderneming” in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, met uitsluiting van: a) ondernemingen tegen wie een collectieve insol- ventieprocedure loopt; b) ondernemingen die reddingssteun hebben ontvan- gen, die niet terugbetaald is; c) ondernemingen die herstructureringssteun mogen ontvangen en nog steeds onderworpen zijn aan een herstructureringsplan; § 4. Tous les crédits garantis octroyés par un prêteur constituent le portefeuille garanti de ce prêteur. § 5. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prolonger le délai dans lequel les crédits visés au présent article peuvent être octroyés ainsi que la durée maximale autorisée de ces crédits si cela s’avère nécessaire compte tenu de la gravité ou de la durée de la crise du coronavirus. § 6. Les crédits identifiés par le prêteur tels que visés au paragraphe 1er sont repris dans le reporting visé à l’article 37. Le Roi peut déterminer les règles spéci- fiques relatives au mode ou au contenu obligatoire de ce reporting. Section 2 Prêteur Article 5 Pour l’application de la présente loi et de ses arrêtés d’exécution, doit être entendu par “prêteur” la notion de prêteur telle que déterminée en vertu de la loi du 27 mars 2020. Section 3 Emprunteurs Article 6 § 1er. Est considérée comme emprunteur, toute petite ou moyenne entreprise non financière à laquelle un crédit garanti est octroyé. § 2. Par “petite ou moyenne entreprise non financière” visée au paragraphe 1er, il faut entendre une “microen- treprise”, une “petite entreprise” ou une “moyenne entre- prise” au sens de l’Annexe 1 au Règlement n° 651/2014, qui est inscrite à la Banque-Carrefour des Entreprises, à l’exclusion: a) des entreprises à l’encontre desquelles une pro- cédure collective d’insolvabilité est en cours; b) des entreprises qui ont reçu de l’aide au sauvetage qui n’a pas été remboursée; c) des entreprises qui ont reçu de l’aide à la res- tructuration et qui font toujours l’objet d’un plan de restructuration; 9 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E d) middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 ten aanzien waarvan zich op 31 december 2019 ten minste één van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de Verordening nr. 651/2014 voordeed; e) overheidsentiteiten, waaronder moet worden ver- staan elke institutionele eenheid die overeenkomstig de verordening Nr. 549/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie behoort tot de sector overheid (S.13) zoals vastgesteld door het Instituut voor de Nationale Rekeningen in de door haar gepubliceerde lijst publieke eenheden; f) financiële tegenpartijen in de zin van artikel 3.3 van Verordening nr. 2015/2365, betalingsinstellingen of instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 2, 10° en 75° van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld en voor een bijzonder doel opgerichte effectiseringsentiteiten; g) ondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk krediet toestaan voor eigen rekening binnen het kader van hun gebruikelijke handels- of beroepsactiviteiten; h) ondernemingen waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk één of meer personen zoals vermeld onder f) of g) zijn; i) patrimoniumvennootschappen; j) managementvennootschappen. Afdeling 4 Begrenzing van het voorwerp van de staatswaarborg Onderafdeling 1 Maximaal gewaarborgde hoofdsommen en maximaal gewaarborgde interesten Artikel 7 Een gewaarborgd krediet geniet van de staatswaarborg ten belope van maximaal de hoofdsommen bedoeld in artikel 8 en de interesten bedoeld in artikel 9, voor zover het totaal van de door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten de in artikel 10 bedoelde grens niet overschrijdt. d) des moyennes entreprises au sens de l’Annexe 1 au Règlement n° 651/2014, à l’égard desquelles s’est produit, au 31 décembre 2019, au moins un des événements visés à l’article 2.18 du Règlement n° 651/2014; e) des entités publiques, sous lesquelles doivent être entendues toute unité institutionnelle qui, conformément au Règlement (UE) n° 549/2013 du Parlement européen et du Conseil du 21 mai 2013 relatif au système européen des comptes nationaux et régionaux dans l’Union euro- péenne, appartient au secteur public (S.13) tel qu’établi par l’Institut des Comptes nationaux dans la liste des unités publiques qu’il publie; f) des contreparties financières au sens de l’article 3.3 du Règlement n° 2015/2365, les établissements de paie- ment ou les établissements de monnaie électronique au sens de l’article 2, 10° et 75° de la loi du 11 mars 2018 relative au statut et au contrôle des établissements de paiement et des établissements de monnaie électronique et les entités de titrisation à vocation spécifique; g) des entreprises qui exclusivement ou principalement octroient des crédits pour compte propre dans le cadre de leurs activités professionnelles ou commerciales habituelles; h) des entreprises dont les filiales sont exclusivement ou principalement une ou plusieurs personnes visées au point f) ou au point g); i) des sociétés patrimoniales; j) des sociétés de management. Section 4 Plafond de l’objet de la garantie de l’État Sous-section 1re Montants en principal maximaux garantis et intérêts maximaux garantis Article 7 Un crédit garanti bénéficie de la garantie de l’État à concurrence des montants en principal maximaux garantis visés à l’article 8 et des intérêts maximaux garantis visés à l’article 9, pour autant que le total des crédits garantis octroyés par un prêteur ne dépasse pas le plafond visé à l’article 10. 1395/004 DOC 55 10 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E Artikel 8 § 1. De gewaarborgde hoofdsom van de aan een kredietnemer toegekende gewaarborgde kredieten kan het hoogste van de hierna bedoelde bedragen niet overschrijden: 1° de liquiditeitsbehoeften van de kredietnemer gedu- rende een periode van 18 maanden vanaf de beoogde datum van verlening van het gewaarborgde krediet, zoals dit bedrag door de kredietnemer in een behoorlijk gemotiveerde schriftelijke verklaring wordt geschat. In deze schriftelijke verklaring deelt de kredietnemer aan de kredietgever mee of en in welke mate hij of een met hem verbonden persoon andere kredietaanvragen heeft ingediend of nog voornemens is in te dienen. De in dit onderdeel bedoelde liquiditeitsbehoeften zijn exclusief de behoeften van de kredietnemer voor herfinanciering dan wel wederopname van kredieten verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet; 2° het dubbele van de jaarlijkse totale loonkost, met inbegrip van de sociale lasten, van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer; voor kredietnemers die na 31 december 2019 zijn opgericht mag de kredietgever voortgaan op de door de kredietnemer in een schriftelijke verklaring geraamde jaarlijkse loonsom voor de eerste twee exploitatiejaren; 3° 25 % van de omzet van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer. § 2. De maximumbedragen waarvan sprake in dit artikel gelden per groep, en worden verminderd met het hoofdbedrag van kredieten die in voorkomend geval aan de kredietnemer of een andere persoon van de groep waartoe hij behoort, zijn toegekend met toepassing van de wet van 27 maart 2020. Artikel 9 § 1. De maximaal gewaarborgde interesten zijn zowel de interesten als de geïmputeerde vergoeding die door een kredietnemer onder een gewaarborgd krediet zijn verschuldigd tot en met de vervaldag, begrensd tot: 1° 2,00 % interest op jaarbasis, rekening houdend met de daadwerkelijk opgenomen hoofdsommen, ver- meerderd met 2° een door de kredietgever aan de kredietnemer geïmputeerde vergoeding van ten hoogste 50 basis- punten, berekend op de hoofdsom, ongeacht of deze daadwerkelijk wordt opgenomen, berekend op jaarbasis. Article 8 § 1er. Le montant en principal garanti de l’ensemble des crédits garantis octroyés à un emprunteur ne peut pas dépasser le plus élevé des montants visés ci-dessous: 1° les besoins de liquidité de l’emprunteur pendant une période de 18 mois à partir de la date envisagée d’octroi du crédit garanti, tel que ce montant est évalué par l’emprunteur dans une déclaration écrite dûment motivée. L’emprunteur communique dans cette décla- ration écrite au prêteur si et dans quelle mesure lui, ou une personne liée à lui, a introduit ou a l’intention d’introduire d’autres demandes de crédits. Les besoins de liquidité visés au présent numéro n’incluent pas les besoins de l’emprunteur pour le refinancement ou le nouveau prélèvement de crédits octroyés avant la date d’entrée en vigueur de la présente loi; 2° le double du coût salarial total annuel, en ce com- pris les charges sociales, du dernier exercice comptable clôturé de l’emprunteur; pour les emprunteurs qui ont été constitués après le 31 décembre 2019, le prêteur peut se fonder sur la masse salariale annuelle estimée par l’emprunteur dans une déclaration écrite pour les deux premières années d’exploitation; 3° 25 % du chiffre d’affaires du dernier exercice comp- table clôturé de l’emprunteur. § 2. Les montants maximaux dont il est question au présent article s’appliquent par groupe, et sont dimi- nués des montants en principal des crédits qui, le cas échéant, ont été octroyés à un emprunteur ou à une autre personne du groupe auquel il appartient en vertu de la loi du 27 mars 2020. Article 9 § 1er. Les intérêts maximaux garantis sont tant les inté- rêts que la prime imputée qui sont dus par un emprunteur en vertu d’un crédit garanti jusqu’à la date d’échéance incluse, plafonnés à: 1° 2,00 % d’intérêt sur base annuelle, compte tenu du montant en principal effectivement prélevé, majoré de 2° une prime imputée par le prêteur à l’emprunteur de maximum 50 points de base, calculée sur le montant en principal, que celui-ci ait ou non été effectivement prélevé, calculée sur base annuelle. 11 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E § 2. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning de maximaal gewaarborgde interesten verhogen rekening houdend met de evolutie van de marktrente en indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is. Onderafdeling 2 Begrenzing van de gewaarborgde kredieten per kredietgever Artikel 10 De door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten komen binnen de in de artikelen 8 en 9 gestelde grenzen in aanmerking voor de staatswaarborg voor zover het totaal van de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen van de door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten ten hoogste gelijk is aan 20 % van de toegewezen enveloppe van die kredietgever. De enveloppe die aan een kredietgever wordt toegewe- zen krachtens de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 maart 2020, wordt verminderd met de hoofdsom van alle gewaarborgde kredieten die door deze kredietgever op grond van deze wet worden toegekend. Een gewaarborgd krediet waarvan de verlening zou leiden tot een overschrijding van de in het eerste lid gestelde grens komt in zijn geheel niet in aanmerking voor de staatswaarborg, en de toekenning van dergelijk krediet verhoogt de uitstaande hoofdsommen binnen de toegewezen enveloppe niet. De artikelen 27, 1°, en 28, blijven van toepassing op dergelijk krediet. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de Koning het percentage bedoeld in het eerste lid verhogen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is. HOOFDSTUK 4 Gewaarborgd verlies Artikel 11 Het gewaarborgd verlies is gelijk aan 80 % van het door een kredietgever geleden verlies op een gewaar- borgd krediet. Artikel 12 Het verlies is het bedrag van de verschuldigde hoofd- sommen en interesten waarvan vaststaat dat het niet § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les intérêts garantis maximaux compte tenu de l’évolution du taux du marché et si cela est nécessaire compte tenu de la gravité ou de la durée de la crise du coronavirus. Sous-section 2 Plafonnement des crédits garantis par prêteur Article 10 Les crédits garantis octroyés par un prêteur sont éligibles, dans les limites fixées aux articles 8 et 9, à la garantie de l’État pour autant que le total des mon- tants en principal disponibles ou en cours des crédits garantis octroyés par un prêteur n’excède pas 20 % de l’enveloppe allouée de ce prêteur. L’enveloppe allouée à un prêteur en vertu des arrêtés d’exécution de la loi du 27 mars 2020 sera diminuée des montants en principal de l’ensemble des crédits garantis qui sont octroyés par ce prêteur en vertu de la présente loi. Un crédit garanti dont l’octroi conduirait au dépas- sement de la limite prévue à l’alinéa 1er n’entre, dans sa totalité, pas en compte pour la garantie de l’État, et l’octroi d’un tel crédit n’augmente pas les montants en principal en cours au sein de l’enveloppe allouée. Les articles 27, 1°, et 28, restent applicables à un tel crédit. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi- nistres, augmenter le pourcentage visé à l’alinéa 1er si cela est nécessaire compte tenu de la gravité ou de la durée de la crise du coronavirus. CHAPITRE 4 Perte garantie Article 11 La perte garantie est égale à 80 % des pertes encou- rues par un prêteur sur un crédit garanti. Article 12 La perte est la somme des montants dus en principal et en intérêts dont il est établi qu’elle ne peut plus être 1395/004 DOC 55 12 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E meer door de kredietgever kan worden ingevorderd door middel van een verhaal op de kredietnemer, op een derde of op enige andere wijze. Het verlies bedoeld in het eerste lid omvat eveneens het bedrag aan verschuldigde hoofdsommen en inte- resten dat een kredietgever niet kan invorderen met betrekking tot gewaarborgde kredieten die eveneens het voorwerp uitmaken van andere waarborgen, in de mate dat de onmogelijkheid van invordering het gevolg is van pari passu bepalingen in die andere waarborgen. HOOFDSTUK 5 Voorrecht van uitwinning, pari passu clausule, aanspreking van de staatswaarborg, opschorting, schuldvergelijking, geen andere begunstigden en niet-overdraagbaarheid Afdeling 1 Voorrecht van uitwinning Artikel 13 De staatswaarborg wordt verleend met voorrecht van uitwinning, waardoor de Staat slechts tot beta- ling gehouden is met betrekking tot een verlies van de kredietgever dat definitief is geworden overeenkomstig artikel 12, eerste lid, onverminderd de uitbetaling van voorschotten, overeenkomstig hoofdstuk 8. Artikel 14 Wanneer een deel of het geheel van het gewaarborgd verlies op een gewaarborgd krediet in zijn geheel ook kan worden verhaald op andere waarborgen die zijn verleend met betrekking tot het geheel of een deel van het gewaarborgde krediet, wordt dit gewaarborgd verlies of dat deel ervan pari passu verminderd in functie van het bedrag dat wordt gedekt door zulke andere waarborgen, tenzij er andersluidende afspraken bestaan tussen de Staat en die andere borg. Afdeling 2 Uiterlijke datum van aanspreking voor de staatswaarborg Artikel 15 De Koning stelt de procedure vast voor het aanspre- ken van de staatswaarborg door een kredietgever, met dien verstande dat de kredietgever de Staat tot uiterlijk récupérée par le prêteur par un recours contre l’emprun- teur, contre un tiers ou de toute autre manière. La perte visée à l’alinéa 1er comprend également la somme des montants dus en principal et en intérêts qu’un prêteur ne peut plus recouvrer relativement aux crédits garantis qui font également l’objet d’autres garanties, dans la mesure où l’impossibilité du recouvrement est la conséquence de dispositions pari passu concernant ces autres garanties. CHAPITRE 5 Bénéfice de discussion, clause pari passu, appel à la garantie de l’État, suspension, compensation, absence d’autres bénéficiaires et non-transférabilité Section 1re Bénéfice de discussion Article 13 La garantie de l’État est octroyée moyennant bénéfice de discussion, ce qui signifie que l’État n’est redevable du paiement qu’en cas de perte du prêteur devenue définitive conformément à l’article 12, alinéa 1er, sans préjudice du paiement d’avances, conformément au chapitre 8. Article 14 Quand tout ou une partie de la perte garantie d’un crédit garanti dans son ensemble peut également être recouvrée par d’autres garanties qui ont été octroyées sur la totalité ou une partie du crédit garanti, cette perte garantie ou la partie concernée de celle-ci est réduite pari passu en fonction du montant couvert par ces autres garanties, sauf disposition contraire entre l’État et l’autre garant. Section 2 Date limite d’appel à la garantie de l’État Article 15 Le Roi fixe la procédure pour l’appel à la garantie de l’État par un prêteur, étant entendu que le prêteur peut faire appel à l’État au plus tard le 30 juin 2025, et que 13 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 30 juni 2025 kan aanspreken, en de aanspreking betrek- king heeft op alle gewaarborgde kredieten die samen de in artikel 4, § 4, bedoelde portefeuille vormen. Het aanspreken van de staatswaarborg is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de kredietgever, op het ogenblik van de aanspreking, bewijs levert van het bestaan van een verlies, overeenkomstig artikel 12, eerste lid. Afdeling 3 Opschorting van de uitvoering van de staatswaarborg Artikel 16 Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 6, wordt de uitvoering van de staatswaarborg opgeschort in geval van niet of onvolledige betaling van de vergoeding. Afdeling 4 Schuldvergelijking Artikel 17 Behalve in geval van toepassing van artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, en onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 en van andere specifieke bepalingen die betrekking hebben op belas- tingen, worden enige bedragen die met toepassing van deze wet door de Staat verschuldigd zijn van rechtswege gecompenseerd met zekere en vaststaande schulden van de kredietgever ten aanzien van de Staat. Afdeling 5 Geen andere begunstigden en niet-overdraagbaarheid Artikel 18 De overdracht door de kredietgever, zelfs onder de vorm van een verpanding, van een gewaarborgd krediet, is niet toegelaten. Onder overdracht valt eveneens ef- fectisering, met inbegrip van effectisering met het oog op het gebruik van de effectiseringseffecten als onderpand. Bij wege van uitzondering op het eerste lid, dooft de staatswaarborg niet uit wanneer de kredietgever een of meerdere gewaarborgde kredieten aan de Nationale Bank in pand geeft of deze effectiseert om de effectiseringsef- fecten als onderpand te geven van enige financiering l’appel à la garantie a pour objet l’ensemble des crédits garantis qui constituent le portefeuille visé à l’article 4, § 4. L’appel à la garantie de l’État n’est pas soumis à la condition que le prêteur, au moment de l’appel, fournisse la preuve de l’existence d’une perte, conformément à l’article 12, alinéa 1er. Section 3 Suspension de l’exécution de la garantie de l’État Article 16 Sans préjudice des dispositions du chapitre 6, l’exé- cution de la garantie de l’État est suspendue en cas d’absence de paiement ou de paiement incomplet de la prime. Section 4 Compensation Article 17 Sauf en cas d’application de l’article 7 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, et sans préjudice de l’application de l’article 334 de la loi programme de 27 décembre 2004 et d’autres dispositions spécifiques en matière d’impôts, toutes sommes qui sont dues par l’État en application de la présente loi sont compensées de plein droit avec les dettes certaines et exigibles du prêteur vis-à-vis de l’État. Section 5 Absence d’autres bénéficiaires et non-transférabilité Article 18 Le transfert, par le prêteur, même sous la forme d’une mise en gage, d’un crédit garanti n’est pas autorisé. Est également considérée comme transfert la titrisation, en ce compris la titrisation en vue de l’utilisation des titres de la titrisation comme sûreté. Par dérogation à l’alinéa 1er, la garantie de l’État ne s’éteint pas lorsqu’un prêteur remet à titre de garantie à la Banque nationale un ou plusieurs crédits garantis ou les titrise exclusivement en vue de l’utilisation des titres de la titrisation aux fins de garantie de financements 1395/004 DOC 55 14 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E die de Nationale Bank in het kader van haar wettelijke opdracht aan die kredietgever of een met haar verbonden kredietinstelling verleent. HOOFDSTUK 6 Gronden tot vermindering of verval van de staatswaarborg Afdeling 1 Vermindering van het gewaarborgd verlies Artikel 19 Het gewaarborgd verlies op een gewaarborgd krediet wordt verminderd zoals hierna aangegeven: 1° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvoor een kredietgever tussen de toekenning van het gewaarborgd krediet en het ogenblik van de definitieve afrekening zoals bedoeld in artikel 26, aan de kredietnemer respijtmaatregelen toekent, zonder dat dezelfde maatregelen, op evenredige wijze rekening houdend met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsom en de vervaldag van de betrok- ken kredieten, worden toegekend met betrekking tot andere kredieten die de kredietgever, of enige met hem verbonden persoon, ten aanzien van die kredietnemer heeft uitstaan. Als een respijtmaatregel een herfinancie- ring in de zin van artikel 47ter.1 b) van de Verordening nr. 575/2013 inhoudt, kan dergelijke herfinanciering enkel een gewaarborgd krediet uitmaken indien het ten laatste op 31 december 2020 wordt verleend; 2° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die door een kredietgever met miskenning van artikel 18 geheel of gedeeltelijk worden overgedragen; 3° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die niet elk van onderstaande bepalingen bevatten: a) de Staat treedt, voor een bedrag gelijk aan het gewaarborgde verlies, na de definitieve afrekening van de staatswaarborg zoals bedoeld in artikel 26, in alle rechten die de kredietgever ontleent aan het gewaar- borgde krediet of aan in verband met het gewaarborgd krediet genomen maatregelen; b) het gewaarborgde krediet mag door de kredietne- mer enkel worden aangewend ter financiering van acti- viteiten in België, met dien verstande dat, bij wege van uitzondering, daarmee ook kwalificerende buitenlandse octroyés par la Banque nationale dans le cadre de ses missions légales à un prêteur ou un établissement de crédit lié à lui. CHAPITRE 6 Causes de réduction ou de la déchéance de la garantie de l’État Section 1re Réduction de la perte garantie Article 19 La perte garantie d’un crédit garanti est réduite comme déterminé ci-dessous: 1° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur les crédits garantis pour lesquels un prêteur consent à l’emprunteur des mesures de renégociation entre l’octroi du crédit garanti et le moment du décompte définitif visé à l’article 26, sans que ces mêmes mesures ne soient consenties de manière proportionnelle, compte tenu du montant en principal en cours ou disponible et de l’échéance des crédits concernés, pour les autres crédits que le prêteur, ou toute personne liée, a vis-à- vis de cet emprunteur. Si une mesure de renégociation comprend un refinancement au sens de l’article 47ter.1 b) du Règlement n° 575/2013, un tel refinancement peut seulement constituer un crédit garanti s’il est octroyé au plus tard le 31 décembre 2020; 2° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes en- courues sur les crédits garantis qui sont en tout ou en partie transférés par un prêteur en méconnaissance de l’article 18; 3° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes en- courues sur les crédits garantis qui ne contiennent pas toutes les dispositions suivantes: a) l’État est substitué, pour un montant égal à la perte garantie, après le décompte définitif de la garantie de l’État tel que visé à l’article 26, dans tous les droits du prêteur qui découlent du crédit garant i ou des mesures prises en rapport avec le crédit garanti; b) le crédit garanti peut uniquement être affecté par l’emprunteur pour le financement d’activités en Belgique, étant entendu que, par voie d’exception, les activités étrangères qualifiées peuvent aussi être financées, 15 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E activiteiten mogen worden gefinancierd voor zover zulke financiering is beperkt tot 10 % van het gewaarborgd krediet, en zulke financiering van de kwalificerende buitenlandse activiteiten niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten; c) het gewaarborgde krediet mag niet worden aange- wend ter financiering van activiteiten van management- vennootschappen of patrimoniumvennootschappen; 4° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die de kredietgever niet opneemt in een van de rapporteringen zoals bedoeld in artikel 37 met betrekking tot de staatswaarborg; 5° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvoor de kredietgever de Staat niet vrijwaart tegen vorderingen die door de kredietnemer of een met hem verbonden persoon in verband met het gewaarborgd krediet of de staatswaar- borg worden ingesteld; 6° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvan de kredietgever de aanvraag of de verlening afhankelijk maakt van het sluiten door de kredietnemer of een daarmee verbonden persoon van overeenkomsten met betrekking tot andere producten of diensten; 7° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever de kredietnemer, in verband met de toekenning of de uitvoering ervan, kosten aanrekent die niet verschuldigd zouden geweest zijn op basis van de algemene voorwaarden van de kredietgever per 29 februari 2020; 8° de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever de bepalingen van artikel 27, 2°, kennelijk niet naleeft, wanneer het op het ogenblik van de ver- lening van die kredieten voorzienbaar was dat die niet naleving zou leiden tot een verzwaring van de kosten of verliezen die de met toepassing van de waarborgrege- ling ten laste vallen van de Staat; 9° wanneer de kredietgever of een daarmee verbon- den persoon, op enigerlei ogenblik na de datum van inwerkingtreding van deze wet, anders dan op basis van contractuele regelingen die tussen de kredietgever en de kredietnemer van kracht waren op de datum van inwer- kingtreding van deze wet, bijkomende zekerheden van een kredietnemer verkrijgt tot zekerheid van kredieten die werden verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, zonder dat een evenredig gedeelte van deze zekerheden, rekening houdend met de beschikbare dan pour autant qu’un tel financement soit limité à 10 % du crédit garanti, et qu’un tel financement pour les activités étrangères qualifiées ne se fasse pas aux dépens des activités belges; c) le crédit garanti ne peut être utilisé pour le finan- cement des activités de sociétés de management ou de sociétés patrimoniales; 4° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur des crédits garantis que le prêteur ne reprend pas dans un des reportings tels que visés à l’article 37 relatifs à la garantie de l’État; 5° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur ne garantit pas l’État contre toutes actions qui sont introduites par l’emprunteur ou toute personne liée en rapport avec le crédit garanti ou la garantie de l’État; 6° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur les crédits garantis dont le prêteur fait dépendre la demande ou l’octroi à la conclusion par l’emprunteur ou une personne liée avec celui-ci de contrats relatifs à d’autres produits ou services; 7° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur réclame à l’emprunteur des frais en rapport avec l’octroi ou l’exécution du crédit qui n’auraient pas été dus sur la base des conditions générales du prêteur au 29 février 2020; 8° la garantie de l’État ne couvre pas les pertes encou- rues sur les crédits garantis pour lesquels le prêteur ne respecte manifestement pas les dispositions de l’article 27, 2°, quand, au moment de l’octroi de ces crédits, il était prévisible que ce non-respect mènerait à une aggravation des coûts ou des pertes subies par l’État en application des règles de la garantie; 9° quand un prêteur ou toute personne liée, à un moment quelconque après la date de l’entrée en vigueur de la présente loi, autrement que sur la base d’arran- gements contractuels qui étaient en vigueur entre le prêteur et l’emprunteur au moment de la date de l’entrée en vigueur de la présente loi, obtient des sûretés sup- plémentaires d’un emprunteur en garantie de crédits qui étaient octroyés avant la date de l’entrée en vigueur de la présente loi, sans qu’une part proportionnelle de ces sûretés, compte tenu du montant en principal 1395/004 DOC 55 16 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E wel uitstaande hoofdsom van alle betrokken kredieten, wordt toegekend aan de gewaarborgde kredieten die de kredietgever aan die kredietnemer toekent, dan wordt het gewaarborgd verlies met betrekking tot de betrokken gewaarborgde kredieten herleid tot nul; 10° wanneer de kredietgever, met betrekking tot overeenkomsten met kredietnemers die van kracht waren op de datum van inwerkingtreding van deze wet, een opname of wederopname wederrechtelijk weigert na de datum van inwerkingtreding van deze wet en tot 31 december 2020, dan worden de bedragen waarop de kredietgever aanspraak kan maken met toepassing van deze wet verminderd met de maximaal beschikbare hoofdsommen onder voornoemde overeenkomsten; onder wederrechtelijke weigering valt eveneens te verstaan een geheel discretionaire weigering, zelfs als deze geen contractbreuk uitmaakt. Afdeling 2 Verval van de staatswaarborg Artikel 20 De staatswaarborg op het gewaarborgd verlies van alle gewaarborgde kredieten van een kredietgever vervalt in de volgende gevallen: 1° de kredietgever laat na de Staat aan te spreken binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 15; 2° de kredietgever past systematisch één of meer van de praktijken bedoeld in artikel 19, 6° tot 7° toe; 3° de kredietgever weigert systematisch tijdens de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2020 zonder objectieve rechtvaar- diging, de hernieuwing van kredieten die voldoen aan elk van onderstaande voorwaarden: a) het krediet komt op vervaldag voor 31 december 2020; b) het krediet was voor de datum van inwerkingtreding van deze wet toegekend; c) de persoon is een kredietnemer: i) die geen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 1 februari 2020 of die niet meer dan 30 dagen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 29 februari 2020; disponible ou en cours de tous les crédits concernés, ne soit consentie aux crédits garantis que ce prêteur octroie à cet emprunteur, la perte garantie sur les crédits garantis concernés est ramenée à zéro; 10° quand le prêteur, pour ce qui concerne des contrats avec des emprunteurs qui étaient en vigueur à la date de l’entrée en vigueur de la présente loi, refuse indûment un prélèvement ou un nouveau prélèvement après la date d’entrée en vigueur de la présente loi et avant le 31 décembre 2020, les montants que le prêteur peut réclamer en vertu de la présente loi sont réduites du montant maximal en principal disponible en vertu des contrats susmentionnées; un refus indu comprend également un refus entièrement discrétionnaire, même si un tel refus ne constitue pas une méconnaissance du contrat. Section 2 Déchéance de la garantie de l’État Article 20 Un prêteur est déchu de la garantie de l’État sur la perte garantie de tous ses crédits garantis dans les cas suivants: 1° le prêteur omet de faire appel à l’État dans le délai visé à l’article 15; 2° le prêteur applique de manière systématique une ou plusieurs des pratiques visées à l’article 19, 6° à 7°; 3° le prêteur refuse de manière systématique pendant la période à partir de la date d’entrée en vigueur de la présente loi jusqu’au 31 décembre 2020 sans justification objective, le renouvellement de crédits qui satisfont à chacune des conditions suivantes: a) le crédit vient à échéance avant le 31 décembre 2020; b) le crédit a été octroyé avant la date d’entrée en vigueur de la présente loi; c) la personne est un emprunteur: i) qui n’avait pas de retard de paiements sur ses crédits en cours ou sur ses impôts ou cotisations de sécurité sociale au 1er février 2020 ou qui n’avait pas plus de 30 jours de retard de paiement sur ses crédits en cours ou ses impôts ou ses cotisations de sécurité sociale au 29 février 2020; 17 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E ii) die bij geen enkele kredietinstelling een actieve kredietherstructurering doorliep op 31 januari 2020; en iii) die niet om toepassing van het betalingsuitstel heeft verzocht; 4° er is sprake van bedrog in hoofde van de krediet- gever bij de rapportering zoals bedoeld in artikel 37 met betrekking tot de staatswaarborg, bij de maandelijkse aangiftes, bij het aanspreken van de Staat voor de staatswaarborg, bij de procedure met betrekking tot een voorlopig voorschot of de definitieve afrekening. HOOFDSTUK 7 Vergoeding Artikel 21 De kredietgever betaalt de Staat een vergoeding voor de staatswaarborg, die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk wordt berekend en betaald. Artikel 22 Het vergoedingstarief bedraagt 50 basispunten op jaarbasis van de maximaal beschikbare hoofdsom van elk gewaarborgd krediet. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning het vergoedingstarief aanpassen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus- crisis noodzakelijk is. Artikel 23 De vergoeding verschuldigd voor een krediet dat door kredietgever met toepassing van artikel 4, paragraaf 1, is geïdentificeerd, is, behalve in het geval van een krediet bedoeld in artikel 10, tweede lid, gelijk aan het product van onderstaande factoren: 1° het met toepassing van artikel 22 geldende vergoedingstarief; 2° het totaal van de maximaal beschikbare hoofdsom onder het krediet, ongeacht of: a) de hoofdsom op 31 december 2020 geheel of gedeeltelijk is opgenomen; ii) qui n’avait auprès d’aucun établissement de crédit opéré une restructuration de crédit active au 31 janvier 2020; et iii) qui n’a pas demandé l’octroi d’un report de paiement; 4° une fraude dans le chef du prêteur est avérée à l’occasion du reporting tel que visé à l’article 37 relatif à la garantie de l’État, lors des déclarations mensuelles, dans le cadre de l’appel à l’État pour la garantie de l’État, lors de la procédure relative à une avance provisoire ou au décompte définitif. CHAPITRE 7 Prime Article 21 Le prêteur verse à l’État une prime pour la garantie de l’État, qui est calculée et payée conformément aux dispositions du présent chapitre. Article 22 Le taux de la prime s’élève à 50 points de base sur base annuelle du montant en principal maximum dis- ponible de chaque crédit garanti. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des mi- nistres, adapter le taux de la prime si cela est nécessaire, compte tenu de la gravité ou de la durée de la crise du coronavirus. Article 23 La prime due pour un crédit qu’un prêteur a identifié en application de l’article 4, paragraphe 1er, est, sauf dans le cas d’un crédit visé à l’article 10, alinéa 2, égale au produit des facteurs suivants: 1° le taux de la prime applicable en vertu de l’article 22; 2° le total du montant en principal maximal disponible au titre du crédit, indépendamment du fait que: a) le montant en principal a été prélevé en tout ou en partie au 31 décembre 2020; 1395/004 DOC 55 18 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E b) het gewaarborgd krediet op 31 december 2020 geheel of gedeeltelijk is terugbetaald of beëindigd; c) het krediet in aanmerking komt voor de staats- waarborg dan wel de staatswaarborg met toepassing van hoofdstuk 6 vermindert of vervalt; 3° de looptijd van het gewaarborgd krediet, uitgedrukt in dagen, gedeeld door 360. Artikel 24 Alle door een kredietgever met toepassing van dit hoofdstuk verschuldigde vergoedingen zijn gelijktijdig en onsplitsbaar betaalbaar. Artikel 25 De Koning stelt de procedure voor de betaling van de vergoeding vast. HOOFDSTUK 8 Definitieve afrekening en voorschotten Artikel 26 De Koning bepaalt de wijze waarop de definitieve afrekening gebeurt en de modaliteiten voor de betaling van tussentijdse voorschotten waarop de kredietgever recht heeft. HOOFDSTUK 9 Verplichtingen van de kredietgever en de kredietnemers Artikel 27 Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in deze wet zijn bepaald, zijn kredietgevers verplicht: 1° de maximaal gewaarborgde interestvoet bepaald overeenkomstig artikel 9 op de gewaarborgde kredieten na te leven; 2° goede praktijken inzake kredietverlening aan de dag te leggen, op marktconforme basis en in overeen- stemming met hun praktijken voor de inwerkingtreding van de wet; b) le crédit garanti a été remboursé ou résilié en tout ou en partie au 31 décembre 2020; c) le crédit entre en considération pour la garantie de l’État ou que la garantie de l’État est réduite ou frappée de déchéance en application du chapitre 6; 3° la durée du crédit garanti, exprimée en jours, divisée par 360. Article 24 Toutes les primes dues par un prêteur en vertu du présent chapitre sont payables simultanément et de manière indivisible. Article 25 Le Roi fixe la procédure pour le paiement de la prime. CHAPITRE 8 Décompte définitif et avances Article 26 Le Roi fixe la manière selon laquelle le décompte définitif est effectué et les modalités pour le paiement d’avances intermédiaires auxquelles le prêteur a droit. CHAPITRE 9 Obligations des prêteurs et des emprunteurs Article 27 Sans préjudice des autres obligations énoncées par la présente loi, les prêteurs sont tenus: 1° de respecter le taux d’intérêt maximal garanti visé à l’article 9 aux crédits garantis; 2° d’appliquer les bonnes pratiques en matière d’octroi de crédit selon les conditions du marché et conformément à leurs pratiques existantes avant l’entrée en vigueur de la loi; 19 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E 3° te vermijden dat de gronden bedoeld in hoofdstuk 6 zich voordoen tenzij, behoudens in het geval van artikel 19, 8° dan wel artikel 20, 3° en 4°, dit uitsluitend het gevolg is van onopzettelijke en verschoonbare nalatigheid; 4° zich te onthouden van praktijken die hoofdzakelijk beogen zichzelf, kredietnemers of kredieten, in strijd met de doelstellingen van deze wet, binnen het toepas- singsgebied ervan te plaatsen. Artikel 28 De kredietnemer heeft recht op de terugbetaling, door de kredietgever, van de betaalde interesten die de maximale gewaarborgde interestvoet overschrijden en van vergoedingen die de maximale gewaarborgde vergoeding overschrijden, verhoogd met de wettelijke interest vanaf het ogenblik van de interestbetalingen. Artikel 29 Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in deze wet zijn bepaald, zijn kredietnemers verplicht: 1° niet op een gewaarborgd krediet aanspraak te maken terwijl zij weten of behoren te weten niet aan de toepassingsvoorwaarden te voldoen; 2° waarheidsgetrouw de door of krachtens de wet vereiste gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen; 3° het gewaarborgd krediet enkel aan te wenden ter financiering van hun activiteiten in België of hun kwalifi- cerende buitenlandse activiteiten voor zover zulk gebruik is beperkt tot 10 % van het gewaarborgd krediet en zulk gebruik niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten; 4° het gewaarborgd krediet niet aan te wenden ter financiering van managementvennootschappen of patrimoniumvennootschappen. HOOFDSTUK 10 Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen Artikel 30 In artikel 346, § 1, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en 3° d’éviter que les causes visées au chapitre 6 ne se produisent, à moins que cela ne résulte exclusivement d’une négligence non intentionnelle et excusable, sauf dans les cas visés à l’article 19, 8°, ou de l’article 20, 3° et 4°; 4° de s’abstenir de pratiques qui visent principalement à se placer ou à placer des emprunteurs ou des crédits dans le champ d’application de la loi, et ce contrairement aux objectifs de la présente loi. Article 28 L’emprunteur a droit au remboursement, par le prêteur, des intérêts payés dépassant le taux d’intérêt maximal garanti et des primes dépassant le taux de prime maxi- mal garanti, augmenté du taux d’intérêt légal depuis le moment du paiement des intérêts. Article 29 Sans préjudice des autres obligations énoncées par la présente loi, les emprunteurs sont tenus de: 1° ne pas solliciter un crédit garanti alors qu’ils savent ou doivent savoir qu’ils ne satisfont pas aux conditions d’application; 2° fournir les informations et faire les déclarations imposées par la loi de manière fidèle; 3° utiliser le crédit garanti uniquement pour le finance- ment de leurs activités en Belgique ou de leurs activités étrangères qualifiées, pour autant que cette utilisation soit limitée à 10 % du crédit garanti et que cette utilisa- tion ne se fasse pas au détriment des activités belges; 4° ne pas utiliser le crédit pour le financement de sociétés de management ou de sociétés patrimoniales. CHAPITRE 10 Modifications à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse Article 30 Dans l’article 346, § 1er, de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de 1395/004 DOC 55 20 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E beursvennootschappen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2020, wordt de bepaling onder f), aangevuld met de woorden “of van artikel 27 van de wet van [...] tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo’s in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan”. Artikel 31 In artikel 347, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2020, wordt de bepaling onder e), aangevuld met de woorden “of van artikel 27 van de wet van [...] tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo’s in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan”. Artikel 32 In artikel 348, § 1, 17°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) de woorden “wie met opzet” worden vervangen door de woorden “wie met bedrieglijk opzet”; b) de bepaling wordt aangevuld met de woorden “of van artikelen 27 of 29 van de wet van [...] tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo’s in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschap- pen of de maatregelen genomen ter uitvoering ervan”. HOOFDSTUK 11 Slotbepalingen Artikel 33 De Staat en de kredietgever kunnen bij bijzondere overeenkomst aanvullende afspraken maken over de staatswaarborg, voor zover die niet met de bepalingen van deze wet in strijd zijn. crédit et des sociétés de bourse, modifié en dernier lieu par la loi du 27 mars 2020, le f) est complété par les mots “ou de l’article 27 de la loi du [...] portant octroi d’une garantie de l’État pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d’exécution”. Article 31 Dans l’article 347, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 mars 2020, le e) est complété par les mots “ou de l’article 27 de la loi du [...] portant octroi d’une garantie de l’État pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d’exécution”. Article 32 À l’article 348, § 1, 17°, de la même loi, inséré par la loi du 27 mars 2020, les modifications suivantes sont apportées: a) les mots “intentionnellement” sont remplacés par les mots “avec une intention frauduleuse”; b) la disposition est complétée par les mots “ou les articles 27 ou 29 de la loi du [...] portant octroi d’une garantie de l’État pour certains crédits aux PME dans la lutte contre les conséquences du coronavirus et modifiant la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse et ses mesures d’exécution”. CHAPITRE 11 Dispositions finales Article 33 L’État et le prêteur peuvent, au moyen d’une convention particulière, conclure des accords plus précis concernant la garantie de l’État, pour autant que ces derniers ne soient pas contraires aux dispositions de la présente loi. 21 1395/004 DOC 55 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E Artikel 34 Zonder afbreuk te doen aan de verplichting van de kredietgever bedoeld in artikel 27, 2°, en de grond tot vermindering van de staatswaarborg zoals bedoeld in de artikel 19, 8°, zijn de artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het Wetboek van economisch recht niet van toepassing: a) op gewaarborgde kredieten die vallen binnen de bovengrenzen van hoofdstuk 3, afdeling 4, aan de ondernemingen, ongeacht of deze wordt gevoerd door een natuurlijke dan wel een rechtspersoon, ten aanzien waarvan zich na 31 december 2019 ten minste één van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de Verordening nr. 651/2014 voordeed; noch b) op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan. De kredietgever kan niet aansprakelijk worden ge- steld enkel en alleen omdat het gewaarborgde krediet de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de kredietnemer niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt. Artikel 35 De staatswaarborg is onderworpen aan het Belgisch recht en geschillen behoren tot de uitsluitende bevoegd- heid van de Belgische rechtbanken. De geschillen omtrent de staatswaarborg die werd toegekend door of krachtens de wet van 27 maart 2020 behoren eveneens tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken. Artikel 36 De Koning of zijn gemachtigde is bevoegd om arbi- trageovereenkomsten en dadingen te sluiten over de vaststelling van alle geschillen die uit de toepassing van deze wet kunnen voortvloeien. Artikel 37 De rapportering van elke kredietgever in het kader van deze wet en de door hem verleende gewaarborgde kredieten gebeurt via het rapporterings- en monitorings- mechanisme dat de Nationale Bank beheert en gebruikt in het kader van haar taken inzake de registratie van kredieten. De Koning kan bijkomende rapporterings- verplichtingen opleggen. Article 34 Sans préjudice de l’obligation du prêteur visée à l’article 27, 2°, ni de la réduction de la garantie de l’État visée à l’article 19, 8°, les articles 1328 du Code civil et XX.112 du Code de droit économique ne sont pas applicables: a) aux crédits garantis qui se situent sous le plafond visé au chapitre 3, section 4, et qui sont octroyés aux entreprises, qu’elles soient gérées par une personne phy- sique ou par une personne morale, à l’égard desquelles s’est produit, après le 31 décembre 2019, au moins un des événements visés à l’article 2.18 du Règlement n° 651/2014; ni b) aux sûretés établies pour ces crédits ou aux autres actes accomplis pour la mise en œuvre de ces crédits. La responsabilité du prêteur ne peut être engagée au seul motif que le crédit garanti n’a pas effectivement permis de préserver la continuité de tout ou partie des actifs ou des activités de l’emprunteur. Article 35 La garantie de l’État est soumise au droit belge et les litiges ressortent de la compétence exclusive des tribunaux belges. Les litiges concernant la garantie de l’État octroyée par ou en vertu de la loi du 27 mars 2020 ressortent également de la compétence exclusive des tribunaux belges. Article 36 Le Roi ou son délégué est compétent pour conclure des conventions d’arbitrage et des transactions relatives à des litiges qui pourraient résulter de l’application de la présente loi. Article 37 Le reporting de chaque prêteur concernant cette loi et les crédits garantis qu’il a octroyé s’effectue au moyen du mécanisme de reporting et de monitoring que la Banque nationale gère et utilise dans le cadre de ses tâches relatives à l’enregistrement des crédits. Le Roi peut imposer des obligations de reporting supplémentaires. 1395/004 DOC 55 22 C H A M B R E 2e   S E S S I O N D E L A 55 e   L É G I S L AT U R E 2019 2020 K A M E R • 2e   Z I T T I N G VA N D E 55 e   Z I T T I N G S P E R I O D E De Koning of zijn gemachtigde kan aan de Nationale Bank de nodige gegevens opvragen voor de uitvoering van de controles die de Staat moet uitoefenen voor de toepassing en het toezicht op de naleving van deze wet, in het bijzonder voor het vaststellen van de vergoeding, het nazicht van de aanspreking van de staatswaarborg en ter gelegenheid van aanvragen van kredietgevers voor het ontvangen van voorschotten of de definitieve afrekening. De Nationale Bank volgt de rapportering door de kre- dietgevers op en rapporteert hierover aan de Koning of zijn gemachtigde. Daarbij identificeert de Nationale Bank de problemen die zij vaststelt, en formuleert voorstellen tot remediëring. Artikel 38 Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Le Roi ou son délégué peut demander de la Banque nationale les données nécessaires pour l’exécution des contrôles que l’État doit exercer pour l’application à la surveillance du respect de la présente loi, en particulier pour la détermination de la prime, pour le contrôle de l’appel à la garantie de l’État et des demandes des prê- teur s en vue de l’obtention d’avances ou du décompte définitif. La Banque nationale suit le reporting par les prêteurs et fait rapport sur celui-ci au Roi ou à son délégué. La Banque nationale y identifie les problèmes qu’elle constate et formule des propositions pour y remédier. Article 38 La présente loi entre en vigueur le jour de sa publi- cation au Moniteur belge. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot