Document 55K3552/001

🏛️ KAMER Legislatuur 55 📁 3552 Wetsontwerp 🌐 NL

Inhoud

13 september 2023 13 septembre 2023 3552/001 DOC 55 3552/001 DOC 55 10159 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Chambre des représentants de Belgique Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers Inhoud Sommaire Blz. Pages Résumé ................................................................................3 Exposé des motifs ...............................................................4 Avant-projet de loi ..............................................................96 Analyse d’impact...............................................................126 Avis du Conseil d’État ......................................................144 Projet de loi ......................................................................158 Coordination des articles .................................................197 Samenvatting .......................................................................3 Memorie van toelichting .......................................................4 Voorontwerp van wet..........................................................96 Impactanalyse ..................................................................135 Advies van de Raad van State ........................................144 Wetsontwerp ....................................................................158 Coördinatie van de artikelen ............................................261 TER VERVANGING VAN HET VROEGER RONDGEDEELDE STUK EN REMPLACEMENT DU DOCUMENT DISTRIBUÉ PRÉCÉDEMMENT houdende diverse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire PROJET DE LOI WETSONTWERP 3552/001 DOC 55 2 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E N-VA : Nieuw-Vlaamse Alliantie Ecolo-Groen : Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen PS : Parti Socialiste VB : Vlaams Belang MR : Mouvement Réformateur cd&v : Christen-Democratisch en Vlaams PVDA-PTB : Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique Open Vld : Open Vlaamse liberalen en democraten Vooruit : Vooruit Les Engagés : Les Engagés DéFI : Démocrate Fédéraliste Indépendant INDEP-ONAFH : Indépendant – Onafhankelijk Abréviations dans la numérotation des publications: Afkorting bij de nummering van de publicaties: DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base et numéro de suivi DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode + basisnummer en volgnummer QRVA Questions et Réponses écrites QRVA Schriftelijke Vragen en Antwoorden CRIV Version provisoire du Compte Rendu Intégral CRIV Voorlopige versie van het Integraal Verslag CRABV Compte Rendu Analytique CRABV Beknopt Verslag CRIV Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit des interventions (avec les annexes) CRIV Integraal Verslag, met links het definitieve integraal verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van de toespraken (met de bijlagen) PLEN Séance plénière PLEN Plenum COM Réunion de commission COM Commissievergadering MOT Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier beige) MOT Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig papier) Le gouvernement a déposé ce projet de loi le 13 septembre 2023 De regering heeft dit wetsontwerp op 13 september 2023 ingediend. Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le 21 septembre 2023 De “goedkeuring tot drukken” werd op 21 september 2023 door de Kamer ontvangen. 3 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E SAMENVATTING Dit wetsontwerp beoogt een aantal diverse maatre- gelen te nemen in het burgerlijk en gerechtelijk recht en wijzigingen aan te brengen in diverse wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen. Het ontwerp bevat onder andere: 1° de naamsverandering van kinderen in het geval van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband of vanwege de naamsverandering van hun ouders; 2° de vervangende toestemming bij omzetting van een interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt in een volle adoptie; 3° de wijziging van de opdrachten van de bewind- voerder na het overlijden van de beschermde persoon; 4° de uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde; 5° de wijdverbreide gebruik van de kamers voor minnelijke schikking; 6° wijzigingen aan de juridische tweedelijnsbijstand; 7° wijzigingen aan het informatieblad over rechtsmiddelen; 8° wijzigingen aan de rechtspleging voor Cassatie; 9° wijzigingen aan de inbeslagnemingsdrempels; 10° wijzigingen aan de zuivering van onroerende goederen; 11° het communiceren van anonieme gegevens van het Centraal bestand van berichten van beslag; 12° wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische nationaliteit; 13° wijzigingen aan het handvest van de sociaal verzekerde; 14° wijzigingen aan de procedure collectieve schuldenregeling. RÉSUMÉ Ce projet de loi vise à prendre un certain nombre de mesures diverses en droit civil et en droit judiciaire et à apporter des modifications dans diverses lois qui relèvent de la compétence du département de la Justice. Le projet comprend entre autres: 1° le changement de nom des enfants en cas d’éta- blissement successif de leurs liens de filiation ou en raison de la modification du nom de leurs parents; 2° le consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale qui ne rompt pas le lien de filiation; 3° la modification des missions de l’administrateur après le décès de la personne protégée; 4° l’extension de l’effet positif de la chose jugée; 5° la généralisation des chambres de règlement à l’amiable; 6° des modifications à l’aide juridique de deuxième ligne; 7° des modifications à la fiche informative sur les voies de recours; 8° des modifications à la procédure de cassation; 9° des modifications aux montants insaisissables; 10° des modifications à la purge d’immeubles; 11° la communication des données anonymes du Fichier des avis de saisies; 12° des modifications au Code de la nationalité belge; 13° des modifications à la charte de l’assuré social; 14° des modifications à la procédure de règlement collectif de dettes. 3552/001 DOC 55 4 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E MEMORIE VAN TOELICHTING Dames en Heren, ALGEMENE TOELICHTING HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Naamsverandering van kinderen in het geval van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband of vanwege de naamsverandering van hun ouders Dit wetsontwerp wijzigt enkele nadere regels voor de toekenning van de naam bij de opeenvolgende vaststel- ling van de afstammingsband ten aanzien van minderja- rige of meerderjarige kinderen, ongeacht of de nieuwe afstammingsband die als voorwaarde geldt voor de toepassing ervan, wordt vastgesteld langs vaderszijde, langs moederszijde of langs meemoederszijde. De doelstellingen van deze hervorming zijn zesvoudig: 1° ze biedt het meerderjarige kind de mogelijkheid om een naam te kiezen in geval van vervanging van een van zijn afstammingsbanden door een andere (vordering tot onderzoek naar de afstammingsband die gelijktijdig met een vordering tot betwisting van een eerdere band wordt ingesteld) teneinde de wetgeving inzake de toeken- ning van de naam in overeenstemming te brengen met de leringen van arrest nr. 48/2022 van 24 maart  2022 van het Grondwettelijk Hof, dat uitspraak deed op een prejudiciële vraag; 2° ze biedt ook de gelegenheid om een nieuwe start te maken en zich te buigen over de mogelijkheden tot naamskeuze van een meerderjarig kind in hun geheel. Uit de opeenvolgende arresten van het Grondwettelijk Hof in dit verband blijkt namelijk een tendens om meer- derjarige en minderjarige kinderen op voet van gelijkheid te willen behandelen, in het bijzonder sinds de inwerking- treding van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde. Het lijkt logisch dat meerderjarige kinderen op termijn dezelfde mogelijkheden tot naamskeuze hebben als degene die hun ouders zouden hebben gehad als de opeenvolgende vaststelling van de afstammingsband tijdens hun minderjarigheid zou hebben plaatsgevonden; EXPOSÉ DES MOTIFS Mesdames, Messieurs, EXPOSÉ GÉNÉRAL CHAPITRE 2 Modifications de l’ancien Code civil Changement de nom des enfants en cas d’établissement successif de leurs liens de filiation ou en raison de la modification du nom de leurs parents Ce projet de loi modifie certaines modalités d’attribu- tion du nom en cas d’établissement successif des liens de filiation à l’égard d’enfants mineurs ou majeurs, peu importe que le nouveau lien de filiation qui conditionne leur application soit établi à l’égard d’un père, d’une mère ou d’une coparente. Les objectifs de cette réforme sont sextuples: 1° elle autorise une faculté de choix de nom par l’enfant majeur en cas de substitution d’un de ses liens de filiation par un autre (action en recherche d’un lien de filiation menée en même temps qu’une action en contestation d’un lien antérieur) de manière à mettre la législation sur l’attribution du nom en conformité avec les enseignements de l’arrêt de la Cour constitution- nelle n° 48/2022 du 24 mars 2022, rendu sur question préjudicielle; 2° elle est aussi une occasion de rebondir et de se pencher sur les facultés de choix de nom par un enfant majeur dans leur globalité. En effet, au gré des arrêts successifs de la Cour constitutionnelle dans ce domaine, on constate une tendance à vouloir traiter les enfants majeurs et mineurs sur pied d’égalité, en particulier depuis l’entrée en vigueur de la loi du 8 mai 2014 modifiant le Code civil en vue d’instaurer l’égalité de l’homme et de la femme dans le mode de transmission du nom à l’enfant et à l’adopté. Il parait cohérent, qu’à terme, les enfants majeurs disposent des mêmes facultés de choix de nom que celles que leurs parents auraient eu si l’établissement successif des liens des filiation avait eu lieu pendant leur minorité; 5 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° men stelt in de praktijk vast dat de standaardrege- ling inzake toekenning van de naam (afwezigheid van keuze of onenigheid tussen de ouders) in geval van opeenvolgende vaststelling van afstammingsbanden een echt “vetorecht” creëert ten voordele van de ouder van wie de afstamming reeds is vastgesteld. Om die reden stelt deze hervorming voor om ook in die situatie de standaardregeling toe te passen in geval van gelijk- tijdige vaststelling van afstamming; 4° ze herziet de principes van toekenning van de naam ingeval opeenvolgende vaststelling van afstam- mingsbanden om ze op een bepaalde manier af te stemmen op deze van de adoptieprocedure. Dat is ook hoe ze aan het kind van meer dan 12 jaar het recht toekent om toe te stemmen in een naamsverandering in dergelijke hypothese. Bovendien zal de keuze van de ouders, zoals hetgeen voorzien is bij een gewone adoptie, gemaakt moeten worden op het ogenblik dat ze de procedure van erkenning van het kind opstarten, en niet meer a posteriori; 5° ze ziet erop toe dat de overheid die akte neemt van, of een besluit neemt over een afstammingsband zich in voorkomend geval ook uitspreekt over de naamkwestie. Wanneer uit een rechterlijke beslissing inzake afstamming de toekenning van een nieuwe naam voortvloeit, is het volgens deze logica aan de rechter om die stelselmatig te vermelden in het beschikkende gedeelte; 6° ze stelt voor om de naam van de kinderen automa- tisch te wijzigen als de naam van de ouder die aan de basis ligt van de toekenning van hun naam, zelf wordt gewijzigd wegens een betwisting of de vaststelling van een afstammingsband zodat het niet meer nodig is om een administratieve procedure tot naamsverandering in te stellen, zoals nu vaak het geval is. I. — INTEGRATIE VAN DE LERINGEN UIT ARREST NR. 48/2022 VAN HET GRONDWETTELIJK HOF Dit arrest bevestigt en versterkt de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 335, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek. Ter herinnering: in zijn arrest nr. 50/2017 van 27 april 2017 besloot het Grondwettelijk Hof het volgende: “In zoverre het het meerderjarige kind dat met succes terzelfder tijd een vordering heeft ingesteld tot betwisting van het vaderschap en tot onderzoek naar het vader- schap niet toelaat de naam van zijn biologische vader te dragen, schendt artikel 335, § 3, van het Burgerlijk 3° on constate dans les faits que le régime d’attribu- tion du nom par défaut (absence de choix ou désaccord entre les parents) en cas d’établissement successif des filiations est ressenti comme créant un véritable “droit de véto” au profit du parent dont la filiation est déjà éta- blie. C’est la raison pour laquelle cette réforme propose d’appliquer également dans cette situation le régime par défaut en cas d’établissement simultané des filiations; 4° elle revoit les principes d’attribution du nom en cas d’établissement successif des filiations pour les aligner, dans une certaine mesure, avec ceux de la procédure d’adoption. C’est ainsi qu’elle confère à l’enfant de plus de douze ans le droit de consentir à un changement de nom dans ce genre d’hypothèse. De plus, à l’instar de ce qui est prévu pour l’adoption simple, le choix des parents devra avoir lieu au moment où ils initieront la procédure de reconnaissance de l’enfant, plus a posteriori; 5° elle veille à ce que l’autorité qui acte ou statue sur un lien de filiation se prononce également, le cas échéant, sur la question du nom. Dans cette logique, lorsque l’attribution d’un nouveau nom découle d’une décision judiciaire relative à la filiation, il appartient au juge de le mentionner systématiquement dans son dispositif; 6° elle propose la modification automatique du nom des enfants si le nom du parent à l’origine de l’attribu- tion de leur nom est lui-même modifié en raison d’une contestation ou de l’établissement d’un lien de filiation, de sorte qu’il ne soit plus nécessaire de recourir à une procédure de changement de nom par voie administra- tive, comme c’est souvent le cas aujourd’hui. I. — L’INTÉGRATION DES ENSEIGNEMENTS DE L’ARRÊT N° 48/2022 DE LA COUR CONSTITUTIONNELLE Cet arrêt confirme et renforce sa jurisprudence relative à l’article 335, § 4, de l’ancien Code civil. Pour mémoire, dans son arrêt  n°  50/2017 du 27 avril 2017, la Cour constitutionnelle concluait que: “En ce qu’il ne permet pas à un enfant majeur ayant agi avec fruit, simultanément, en contestation de pater- nité et en recherche de paternité de porter le nom de son père biologique, l’article 335, § 3, du Code civil, tel que cet article est rédigé en vue d’instaurer l’égalité de 3552/001 DOC 55 6 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Wetboek, zoals dat artikel luidt met het oog op de in- voering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.”. In arrest nr. 48/2022 van het Grondwettelijk Hof oor- deelde het Hof dat het nieuwe artikel 335, § 4, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek in zijn huidige vorm nog steeds niet beantwoordde aan de kritiek van het Hof. Het beoogde namelijk alleen het geval waarin een nieuwe naam werd gevraagd in het kader van een “2-in- 1-vordering”, waarvan sprake is in de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, van het oud Burgerlijk Wetboek. Deze nieuwe bepaling beoogde niet de situatie waarin een vordering tot betwisting van het vaderschap gelijktijdig met een vordering tot onderzoek naar het vaderschap werd ingesteld, een situatie die nochtans uitdrukkelijk beoogd wordt door arrest nr. 50/2017 van het Hof (considerans B.3.2.). In dit nieuwe arrest gaat het Hof een stapje verder in zijn denkoefening: het vraagt zich af of de mogelijkheid tot naamskeuze niet zou moeten worden uitgebreid naar het geval waarin een afstamming van vaderszijde voor de eerste maal via gerechtelijke weg is komen vast te staan terwijl de afstamming van moederszijde al vóór die procedure vaststond. Het Hof had zich al over de kwestie gebogen in arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 en had besloten dat de afwezigheid van naamskeuze in vergelijkbare gevallen op zich niet discriminerend was. Zonder afbreuk te doen aan de eerdere rechtspraak van het Hof, werd in arrest nr. 48/2022 de strekking ervan verduidelijkt. Zo wijst het Hof erop dat arrest nr. 65/94 de situatie beoogde waarbij de opeenvolgende vaststelling van die twee afstammingen ertoe zou moeten leiden dat het kind de naam van zijn moeder blijft dragen (consi- derans B.8.2.). In arrest nr. 48/2022 wordt onderzocht of er sprake is van discriminatie in de regeling voor de toekenning van de naam van meerderjarige kinderen: enerzijds kunnen meerderjarige kinderen er in het vonnis akte van laten nemen dat ze de naam van hun biologi- sche vader zullen dragen of die naam gekoppeld aan die van de moeder in de door hen gekozen volgorde indien de afstammingsband wordt vervangen door een andere naar aanleiding van twee gelijktijdige rechtsvor- deringen; anderzijds bestaat die mogelijkheid niet indien een nieuwe afstamming van vaderszijde voor de eerste maal via gerechtelijke weg is komen vast te staan na de afstamming van moederszijde (considerans B.9). De wetgever bepaalt inderdaad een juridisch statuut voor de toekenning van de naam van personen met in- achtneming van het sociale nut en de onveranderlijkheid ervan (considerans B.5. van arrest nr. 65/94). l’homme et de la femme dans le mode de transmission du nom à l’enfant et à l’adopté, viole les articles 10 et 11 de la Constitution.”. Dans l’arrêt n° 48/2022 de la Cour constitutionnelle, la Cour estimait que le nouvel article 335, § 4, alinéa 2, de l’ancien Code civil, dans sa rédaction actuelle ne répondait toujours pas aux critiques de la Cour. En effet, il ne visait que le cas où le nouveau nom était demandé dans le cadre d’une action “2 en 1”, dont il est question aux articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6 ou 330, §§ 3 et 4, de l’ancien Code civil. Cette nouvelle disposition ne visait pas la situation où une action en contestation de paternité était menée simultanément avec une action en recherche de paternité, situation pourtant visée explicitement par l’arrêt de la Cour n° 50/2017 (considérant B.3.2.). La Cour a été un cran plus loin dans sa réflexion dans ce nouvel arrêt: elle s’est demandé si cette opportunité de choix de nom ne devait pas être étendue à l’hypo- thèse où un lien de filiation paternelle était “créé pour la première fois” par la voie judiciaire alors que la filiation maternelle avait déjà été établie avant cette procédure. La Cour s’était déjà penchée sur la question dans un arrêt n° 65/94 du 14 juillet 1994 et avait conclu que l’absence de choix de nom dans semblable cas n’était pas discriminatoire en soi. Sans remettre en cause sa jurisprudence antérieure, l’arrêt n° 48/2022 en a précisé la portée. Elle indique ainsi que l’arrêt n° 65/94 visait la situation où l’établissement successif de ces deux filia- tions devait aboutir à ce que l’enfant continue à porter le nom de sa mère (considérant B.8.2.). L’arrêt n° 48/2022 s’interroge sur l’existence d’une discrimination dans le régime d’attribution du nom des enfants majeurs: d’une part, si le lien de filiation est remplacé par un autre à la suite de deux actions judiciaires simultanées, les enfants majeurs peuvent faire acter dans le jugement qu’ils porteront le nom de leur père biologique ou ce nom accolé à celui de la mère dans l’ordre déterminé par ceux-ci; d’autre part, lorsqu’un nouveau lien de filiation paternelle est établi pour la première fois par la voie judiciaire après la filiation maternelle, cette faculté n’existe pas (considérant B.9.). Certes le législateur détermine un régime juridique d’attribution du nom des personnes en ayant égard à son utilisé sociale et à son besoin de fixité (considérant B.5. de l’arrêt n° 65/94). 7 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Toch oordeelt het Hof dat artikel 335, § 4, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek “de wens van het kind om de naam van zijn biologische vader te dragen dus [laat] primeren op het maatschappelijk nut dat aan de naam een zekere bestendigheid wordt gegarandeerd, zonder rekening te houden met het feit dat de naam die het kind tot dan droeg, blijft overeenstemmen met een werkelijke afstamming” (considerans B.10.2.). Aangezien de wil van het kind moet primeren op de bestendigheid van de naam, ook al stemde de naam die het droeg al overeen met degene die het had door een reeds vastgestelde afstamming, besluit het Hof dat diezelfde mogelijkheid tot naamsverandering zou moeten worden toegekend aan de meerderjarige kinderen van wie de afstamming van vaderszijde via gerechtelijke weg komt vast te staan terwijl de afstamming van moe- derszijde al vaststond. II. — MOGELIJKHEID VOOR MEERDERJARIGEN OM BIJ EEN ERKENNING EEN VERKLARING VAN NAAMSVERANDERING AF TE LEGGEN VOOR DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND Voortaan zouden meerderjarigen, net zoals al het ge- val is voor minderjarigen, ook het recht moeten hebben om bij een erkenning van een tweede afstammingsband een verklaring van naamskeuze af te leggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het Grondwettelijk Hof (considerans B.8.2. van ar- rest nr. 48/2022) en de wetgever (wetsontwerp hou- dende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en tot vereenvoudiging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek betreffende de onbekwaamheid, en van de wet van 17 maart  2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, Memorie van toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zitting, 2017- 2018, nr. 54-3303/01, blz. 15) hebben de draagwijdte van arrest nr. 65/94 uitgebreid naar de situatie waarin via gerechtelijke weg een tweede afstammingsband werd vastgesteld. Nochtans beoogde dit arrest oorspronke- lijk de verklaring van naamskeuze die wordt afgelegd bij een erkenning van het vaderschap. De verwijzende rechter beweerde dat er sprake was van discriminatie tussen de minderjarige en de meerderjarige kinderen, in zoverre dat de ouders voor de eersten een verklaring van naamskeuze konden afleggen en dat die mogelijk- heid voor de tweeden niet bestond. Het Hof had in dat verband het volgende besloten: Néanmoins, la Cour juge que l’article 335, § 4, alinéa 2, de l’ancien Code civil, “fait […] prévaloir le souhait de l’enfant de porter le nom de son père biologique sur l’utilité sociale d’assurer au nom une certaine stabilité, sans tenir compte du fait que le nom que l’enfant portait jusque-là continue de correspondre à une filiation réelle” (considérant B.10.2.). Puisque la volonté de l’enfant doit primer sur le principe de la stabilité du nom, quand bien même le nom qu’il portait correspondait déjà à celui qu’il tenait d’une filiation déjà établie, la Cour conclut que cette même faculté de changement de nom devrait être accordée aux enfants majeurs dont la filiation paternelle est établie par voie judiciaire alors que leur filiation maternelle l’était déjà. II. — LA FACULTÉ POUR LES MAJEURS DE FAIRE UNE DÉCLARATION DE CHANGEMENT DE NOM À L’OCCASION D’UNE RECONNAISSANCE DEVANT L’OFFICIER DE L’ÉTAT CIVIL Dorénavant, à l’instar de ce qui se fait déjà pour les mineurs, les majeurs devraient également avoir le droit d’effectuer une déclaration de choix de nom à l’occa- sion d’une reconnaissance d’un second lien de filiation devant l’officier de l’état civil. La Cour constitutionnelle (considérant B.8.2. de l’arrêt n° 48/2022) et le législateur (projet de loi por- tant dispositions diverses en matière de droit civil et portant simplification des dispositions du Code civil et du Code judiciaire en matière d’incapacité, et de la loi du 17 mars 2013 réformant les régimes d’incapacité et instaurant un nouveau statut de protection conforme à la dignité humaine, Exposé des motifs, Doc.parl., Ch., sess. ord. 2017-2018, n° 54-3303/01, p. 15) ont étendu la portée de l’arrêt n° 65/94 à la situation où un deuxième lien de filiation était établi par la voie judiciaire. Pourtant, à l’origine, cet arrêt visait la déclaration de choix de nom formulée à l’occasion d’une reconnaissance de pater- nité. Il était soutenu par le juge a quo qu’il existait une discrimination entre les enfants mineurs et les enfants majeurs, en ce que pour les premiers, les parents pou- vaient faire une déclaration de choix de nom alors que, pour les seconds, cette faculté n’existait pas. La Cour avait conclu à ce propos que: 3552/001 DOC 55 8 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “B.5. Gebruik makend van de hem toekomende be- oordelingsbevoegdheid, heeft de wetgever het juridisch statuut van de naam van de persoon vastgesteld met inachtneming van zowel het sociale nut om aan die naam een zekere onveranderlijkheid te geven als het belang van degene die de naam draagt. Het Hof ziet niet in wat er onredelijk zou kunnen zijn aan het feit dat het kind wiens afstamming van vaderszijde is vastgesteld na de afstamming van moederszijde en dat bijgevolg eerst de naam van zijn moeder heeft gedragen, de naam van zijn vader zou kunnen aannemen op initiatief van zijn ouders, die oordelen over zijn belang, zolang het aan het ouderlijk gezag is onderworpen, en enkel op zijn eigen initiatief vanaf het ogenblik waarop dat gezag een einde neemt. Het Hof ziet evenmin in wat er onredelijk zou kunnen zijn aan het feit dat het meerderjarig of ontvoogd kind dat de naam van zijn vader wenst te dragen terwijl het die van zijn moeder heeft, de procedure dient te volgen overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 [betreffende de namen en voornamen], die het gemeen recht ter zake vormt.”. Er mag niet worden vergeten dat dit arrest is gewezen vóór de goedkeuring van de voornoemde wet van 8 mei 2014, waarbij de betrokken personen meer autonomie kregen op dit gebied naar aanleiding van de evolutie van de maatschappij, de aanneming van internationale instrumenten en de ontwikkeling van de rechtspraak ter zake. Bovendien heeft die wetgeving in het bijzonder de nadruk gelegd op de noodzakelijke gelijke behandeling van moeder en vader bij de toekenning van de naam aan het kind: kinderen moeten de naam van hun ouders op identieke wijze toegekend kunnen krijgen. Daar het geen verklaring van naamskeuze kan af- leggen op het ogenblik van zijn erkenning, moet een meerderjarig kind een verzoek tot naamsverandering indienen op grond van de artikelen 370/3 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek om de naam te dragen van de ouder ten aanzien van wie de afstamming als tweede is komen vast te staan of de namen van zijn beide ouders. Die naamsverandering via administratieve weg is geen recht maar een gunst. Volgens het Hof blijft een gunstige afloop hypothetisch (considerans B.10.2. van arrest nr. 50/2017) ook al geeft het toe dat het recht om de naam van een van zijn ouders te dragen een ernstige reden is voor een dergelijk verzoek (zie inzonderheid considerans B.6. van arrest nr. 82/2004 van 12 mei 2004). De wet van 8 mei 2014 bekrachtigt een zekere wilsautonomie van de ouders, maar dat wil niet zeggen dat de naam, zodra hij is gekozen binnen de grenzen van wat de wet toestaat, gemakkelijk zou kunnen worden gewijzigd. De vastheid van naam wordt niet als dusdanig ter discussie gesteld: “hoe de maatschappij ook geëvo- lueerd mag zijn op het stuk van de keuze van de bij de geboorte aan het kind door te geven naam, in geval van “B.5. Le législateur, usant du pouvoir d’appréciation qui lui appartient, a élaboré le régime juridique du nom des personnes en ayant égard, à la fois, à l’utilité sociale d’assurer à ce nom une certaine fixité et à l’intérêt de celui qui le porte. La Cour n’aperçoit pas ce qu’il pourrait y avoir de déraisonnable à ce que l’enfant dont la filia- tion paternelle a été établie après la filiation maternelle et qui, par conséquent, a d’abord porté le nom de sa mère, puisse prendre le nom de son père à l’initiative de ses auteurs, juges de son intérêt aussi longtemps qu’il est soumis à l’autorité parentale, et ne puisse le prendre qu’à sa seule initiative dès le moment où cette autorité prend fin. La Cour n’aperçoit pas non plus ce qu’il pourrait y avoir de déraisonnable à ce que l’enfant majeur ou émancipé qui désire porter le nom de son père alors qu’il a celui de sa mère doive recourir à une procédure prévue par la loi du 15 mai 1987 [relative aux noms et aux prénoms], qui constitue le droit commun en la matière.”. On ne peut pas oublier que cet arrêt a été rendu avant l’adoption de la loi du 8 mai 2014 précitée, loi qui a accordé une plus grande autonomie des personnes concernées dans ce domaine à la suite de l’évolution de la société, de l’adoption d’instruments internationaux et du développement de la jurisprudence dans ce domaine. En outre, cette législation a mis tout particulièrement l’accent sur la nécessaire égalité de traitement entre mère et père dans l’attribution du nom à l’enfant: il faut que les enfants puissent se voir attribuer le nom de leurs parents de façon identique. Faute de pouvoir effectuer une déclaration de choix au moment de sa reconnaissance, l’enfant majeur doit introduire une demande de changement de nom fondée sur les articles 370/3 et suivants de l’ancien Code civil pour porter le nom du parent à l’égard duquel la filiation a été établie en second lieu, ou les noms accolés de ses deux parents. Ce changement de nom par voie administrative n’est pas un droit mais une faveur. Selon la Cour constitutionnelle son aboutissement positif reste hypothétique (considérant B.10.2. de l’arrêt n° 50/2017) même si, de son aveu, le droit de porter le nom d’un de ses parents constitue un motif sérieux pour former pareille demande (voir notamment, considérant B.6., de l’arrêt n° 82/2004, du 12 mai 2004). Certes, la loi du 8 mai 2014 consacre une certaine autonomie de la volonté des parents mais cela n’implique néanmoins pas que le nom, une fois choisi dans les limites de ce que permet la loi, puisse être aisément modifié. La fixité du nom n’est pas remise en cause pour autant: “quelle qu’ait été l’évolution sociétale quant au choix de nom à transmettre à l’enfant à la naissance, en cas de reconnaissance ou d’adoption, la fixité du nom est la 9 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E erkenning of bij de adoptie [is] de onveranderlijkheid de regel en de verandering de uitzondering” (wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, Memorie van toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zitting, 2017-2018, nr. 54-2919/001, blz. 29; RvS, nr. 233.249, 15 december 2015). Hoewel arrest nr. 65/94 relevant blijft, moet worden opgemerkt dat het Hof in zijn arresten nr. 50/2017 en 48/2022 probeert om de regelingen voor de toekenning van de naam van minderjarige kinderen en van meer- derjarige kinderen op elkaar af te stemmen wanneer de vervangen tweede afstammingsband komt vast te staan of wanneer de nieuwe tweede afstammingsband via gerechtelijke weg tot stand wordt gebracht. Met het oog op de gelijke behandeling zou die convergentiebeweging moeten worden voortgezet zodat een naamsverandering ook mogelijk is wanneer de tweede afstammingsband van een meerderjarig kind komt vast te staan door erkenning voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Er zou echter een opmerkelijk verschil zijn tussen de twee regelingen: wanneer het kind minderjarig is, wordt de eventuele verklaring van naamskeuze afgelegd door de titularissen van het ouderlijk gezag; wanneer het meerderjarig is, zal die door het kind zelf worden afgelegd, wat reeds het geval is bij de “2-in-1-vordering” met betrekking tot een meerderjarig kind. Zoals het Grondwettelijk Hof meermaals heeft be- vestigd, heeft het kind, hoewel de mogelijkheid van de ouders om een minderjarig kind een naam te geven niet als een fundamenteel recht wordt beschouwd, maar een duidelijk en persoonlijk belang vertegenwoordigt, een fundamenteel recht om een naam te dragen, een recht dat voortvloeit uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (zie inzonderheid consideransen B.7.1. tot B.7.3. van arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016; consideransen B.7.1. tot B.7.3. van arrest nr. 21/2019 van 7 februari 2019; consideransen B.10.1. tot B.10.3 van arrest nr. 95/2019 van 6 juni 2019). De verklaring van naamskeuze door het meerderjarige kind moet worden beschouwd als een uiting van het recht om een naam te dragen in hoofde van de titularis. Aangezien die keuze voortvloeit uit zijn recht om een naam te dragen en niet wordt uitgeoefend in het kader van de mogelijkheid om een naam te geven, wordt de keuze niet beïnvloed door het beginsel van de eenheid van naam voor broers en zussen (artikel 335bis van het oud Burgerlijk Wetboek). In feite is dat beginsel alleen van toepassing op de toekenning van de naam van minder- jarige kinderen zodat de ouders hun keuzemogelijkheid règle et le changement l’exception” (projet de loi portant dispositions diverses en matière de droit civil et portant modification du Code judiciaire en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, Exposé des motifs, Doc. parl., Ch., sess.ord. 2017-2018, n° 54- 2919/001, p. 29; C.E., n° 233.249, 15 décembre 2015). Même si l’arrêt n° 65/94 reste pertinent, on doit rele- ver, dans ses arrêts n° 50/2017 et n° 48/2022, que la Cour cherche à rapprocher les régimes d’attribution du nom des enfants mineurs et des enfants majeurs lorsque le deuxième lien de filiation substitué est établi ou lorsque le nouveau deuxième lien de filiation est créé par la voie judiciaire. Par souci d’égalité de traitement, il faudrait poursuivre ce mouvement de convergence de sorte qu’un changement de nom puisse également être possible lorsque le deuxième lien de filiation d’un enfant majeur est établi par une reconnaissance devant l’officier de l’état civil. Il y aurait cependant une différence notable entre les deux régimes: lorsque l’enfant est mineur, l’éventuelle déclaration de choix de nom est faite par les titulaires de l’autorité parentale; lorsqu’il est majeur, celle-ci sera faite par l’enfant lui-même, ce qui est déjà le cas pour l’action “2 en 1” concernant un enfant majeur. Comme l’a affirmé la Cour constitutionnelle à maintes reprises, alors que la faculté des parents de donner un nom à un enfant mineur n’est pas considérée comme un droit fondamental mais présente un intérêt clair et per- sonnel, l’enfant a un droit fondamental de porter un nom, droit déduit de l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme (voir notamment considérants B.7.1. à B.7.3. de l’arrêt n° 2/2016 du 14 janvier 2016; considérants B.7.1. à B.7.3. de l’arrêt n° 21/2019 du 7 fé- vrier 2019; considérants B.10.1. à B.10.3 de l’arrêt 95/2019 du 6 juin 2019). La déclaration de choix de nom par l’enfant majeur doit être considérée comme une expression pour son titulaire du droit de porter un nom. Puisque ce choix découle de son droit de porter un nom et ne s’exerce pas dans le cadre de la faculté de donner un nom, le choix n’est pas influencé par le principe de l’unicité du nom au sein d’une fratrie (article 335bis de l’ancien Code civil). De fait, ce principe ne s’applique qu’à l’attribution du nom d’enfants mineurs de sorte que les parents ne puissent exercer leur faculté de choix qu’une seule fois, au moment de la détermination du 3552/001 DOC 55 10 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E slechts eenmaal kunnen uitoefenen, op het ogenblik van de vaststelling voor hun eerste gemeenschappelijke kind. A contrario, gelet op het voorgaande is de door het meerderjarige kind geuite naamskeuze niet verbindend voor zijn broers en zussen. De uiting van de naamskeuze door het meerderjarige kind bij verklaring is echter beperkt. Het kan immers slechts de naam dragen van een van de ouders ten aanzien van wie een afstammingsband is vastgesteld, aangezien de toekenning van de naam een gevolg is van de afstamming. III. — DE STABILITEIT VAN DE NAAM VAN HET KIND VS. HET “VETORECHT” VAN EEN VAN DE OUDERS Het Grondwettelijk Hof bevestigt in een constante rechtspraak dat het huidig standaardstelsel van toeken- ning van de naam in geval van opeenvolgende vaststel- ling van afstammingsbanden niet discriminerend is ten aanzien van hoofdzakelijk het maatschappelijk nut van de vastheid/stabiliteit van de naam, van het belang dat de wijziging van de naam van het kind draagt en van de noodzaak om de naam gezamenlijk toe te kennen door beide ouders in het belang van het kind (zie met name GWH, nr. 131/2020, 1 oktober 2020, overweging B.11.4.). Bepaalde rechtsleer deelt dit standpunt niet en is van mening dat er wel degelijk een echt “vetorecht” van één van de ouders bestaat in geval van postnatale erken- ning, want één van de ouders is zonder verhaal indien de andere ouder weigert mee te werken (zie met name Y.-H LELEU, Droit des personnes et des familles, 4e édition, Bruxelles, Larcier, 2020, p. 86, n° 72). Zonder de lering van het Grondwettelijk Hof in twijfel te trekken, wil de huidige hervorming tegemoet komen aan deze kritiek door ook in deze situaties beide ouders het recht te geven om een naam te kiezen overeenkomstig de regels vastgelegd in artikel 335, § 1. IV. — EEN TOENADERING TUSSEN HET STELSEL VAN TOEKENNING VAN DE NAAM IN GEVAL VAN OPEENVOLGENDE VASTSTELLING VAN AFSTAMMINGSBANDEN EN DAT VAN ADOPTIE Het zou interessant zijn om een toenadering te be- werkstellingen tussen de naamskeuze gedaan in geval van adoptie en van opeenvolgende vaststelling van afstammingsbanden. nom de leur premier enfant commun. À contrario, vu ce qui précède, le choix de nom exprimé par l’enfant majeur ne s’impose pas aux autres enfants de sa fratrie. L’expression du choix de nom de l’enfant majeur par déclaration est toutefois limitée. En effet, il ne peut porter le nom que d’un des parents à l’égard duquel un lien de filiation est établi, l’attribution du nom étant un effet de la filiation. III. — LA STABILITÉ DU NOM DE L’ENFANT VS LE “DROIT DE VÉTO” D’UN DES PARENTS La Cour constitutionnelle affirme dans une jurispru- dence constante que le régime actuel d’attribution du nom par défaut en cas d’établissement successif des filiations n’est pas discriminatoire au regard principale- ment de l’utilité sociale de la fixité/stabilité du nom, de l’importance que revêt la modification du nom de l’enfant et à la nécessité d’attribuer le nom conjointement par les deux parents, dans l’intérêt de l’enfant (voir notamment C. const., n° 131/2020, 1er octobre 2020, considérant B.11.4). Une certaine doctrine ne partage pas ce point de vue estimant qu’il existe bien un véritable “droit de véto” d’un des parents en cas de reconnaissance postnatale car l’un des parents est sans recours si l’autre parent refuse de collaborer (voy. notamment Y.-H LELEU, Droit des personnes et des familles, 4e édition, Bruxelles, Larcier, 2020, p. 86, n° 72). Sans remettre en cause les enseignements de la Cour constitutionnelle, la présente réforme entend remédier à cette critique en donnant aux deux parents le droit de choisir un nom conformément les règles énoncées à l’article 335, § 1er. IV. — UN RAPPROCHEMENT ENTRE LE RÉGIME D’ATTRIBUTION DU NOM EN CAS DE D’ÉTABLISSEMENT SUCCESSIF DES FILIATIONS ET CELUI DE L’ADOPTION Il serait intéressant de faire un rapprochement entre le choix de nom effectué en cas d’adoption et d’établis- sement successif des filiations. 11 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Kandidaat-adoptanten moeten reeds in hun inleidend verzoekschrift de voor de geadopteerde gekozen naam vermelden (art. 1231-3, tweede lid, Ger.W.). Eerder dan twijfel te laten bestaan gedurende de periode van een jaar om een verklaring van naamskeuze te doen in geval van opeenvolgende vaststelling van afstammingsbanden, hetgeen nadelig kan zijn voor het kind, zou deze keuze kenbaar moeten worden gemaakt bij het begin van de te zetten stappen om een erkenning voor de ambtenaar van de burgerlijke stand te doen. Bijgevolg zou de keuze zorgvuldig uitgedacht moeten zijn voor de indiening van de aangifte van erkenning en niet meer erna. Om hiervoor te zorgen zal de eventuele verklaring van naamskeuze deel uitmaken van de documenten die gevoegd moeten worden bij de aangifte van erkenning. Daarom zal deze keuze enkel nog vermeld worden in de akte van erkenning en niet meer in een akte van verklaring van naamskeuze (wanneer de naamskeuze kenbaar werd gemaakt binnen het jaar dat volgt op de erkenning of binnen het jaar na het in kracht van gewijsde treden van de rechterlijke beslissing die de afstammingsband vaststelt). Er is ook sprake van het geven van een bepalend gewicht aan de toestemming van het kind van meer dan twaalf jaar. Dit is reeds het geval voor gewone adopties (art. 353-5 van het oud Burgerlijk Wetboek). Dit gewicht is hier in die mate belangrijk dat het verzet van het kind de verklaring van naamsverandering van de ouders kan blokkeren. Het is tenslotte het kind dat recht heeft op een naam en de ouders hebben geen recht om hun naam door te geven. Als het minderjarig kind zich verzet tegen de door de ouders uitgedrukte wens op het ogenblik van de erkenning of van een procedure die een tweede afstammingsband vaststelt of vervangt, zal diens naam onveranderd blijven. Dit zou van de wetgever een nieuw bewijs zijn van een noodzakelijke toenadering van de procedures van naamskeuze, ongeacht of betrokkenen minderjarig of meerderjarig zijn. Aangezien die keuze voortvloeit uit zijn recht om een naam te dragen en niet wordt uitgeoefend in het kader van de mogelijkheid om een naam te geven, wordt de keuze niet beïnvloed door het beginsel van de eenheid van naam voor broers en zussen (artikel 335bis van het oud Burgerlijk Wetboek). V. — DEZELFDE OVERHEID SPREEKT ZICH UIT OVER DE AFSTAMMING EN DE NAAM Of het nu voortvloeit uit de huidige artikelen 335, § 3, vierde lid, of § 4, tweede lid, en 335ter, § 2, vierde lid, of § 3, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek of een gevolg is van de integratie van de leringen van ar- rest nr. 50/2017 in het oud Burgerlijk Wetboek, wanneer Les candidats adoptants doivent déjà mentionner dans leur requête introductive d’instance le nom choisi pour l’adopté (article 1231-3, alinéa 2, du Code judiciaire). Plutôt que de laisser planer un doute pendant la période d’un an pour effectuer une déclaration de choix de nom en cas d’établissement successif des filiations, ce qui pourrait être préjudiciable à l’enfant, ce choix devrait être formulé au début des démarches pour faire établir une reconnaissance devant l’officier de l’état civil. Par conséquent, ce choix devrait être mûri avant l’introduc- tion même de la déclaration de reconnaissance et plus a posteriori. Pour s’en assurer, l’éventuelle déclaration de choix de nom fera partie des documents à joindre à la décla- ration de reconnaissance. C’est pourquoi, ce choix ne sera plus acté que dans l’acte de reconnaissance, plus dans un acte de déclaration de choix de nom (lorsque le choix de nom était formulé dans l’année qui suit la reconnaissance ou dans l’année où la décision judiciaire établissant un lien de filiation était coulée en force de chose jugée). Il est aussi question de donner au consentement de l’enfant de plus de douze ans un poids déterminant dans le choix de nom, ce qui est déjà le cas pour les adoptions simples (article 353-5 de l’ancien Code civil). Ce poids est ici à ce point important qu’une opposition de l’enfant pourrait faire barrage à la déclaration des parents de changement de nom. En définitive, c’est l’enfant qui dis- pose d’un droit au nom et les parents n’ont pas un droit de transmettre le leur. Si l’enfant mineur s’oppose au choix des parents exprimé au moment de la reconnais- sance ou d’une procédure établissant ou remplaçant son deuxième lien de filiation, son nom restera inchangé. Ce serait une nouvelle preuve du législateur d’un nécessaire rapprochement des procédures de choix de nom, peu importe que les personnes concernées soient mineures ou majeures. Puisque ce choix découle de son droit de porter un nom et ne s’exerce pas dans le cadre de la faculté de donner un nom, le choix n’est pas influencé par le principe de l’unicité du nom au sein d’une fratrie (article 335bis de l’ancien Code civil). V. — LA MÊME AUTORITÉ QUI SE PRONONCE SUR LA FILIATION ET LE NOM Que cela découle des articles 335, § 3, alinéa 4, ou § 4, alinéa 2, et 335ter, § 2, alinéa 4, ou § 3, alinéa 2, actuels de l’ancien Code civil, ou soit une conséquence de l’intégration des enseignements de l’arrêt n° 50/2017 dans l’ancien Code civil, lorsque le deuxième lien de 3552/001 DOC 55 12 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de tweede afstammingsband via gerechtelijke weg wordt vervangen door een andere, is het aan de rechter om zich uit te spreken over de naamkwestie en akte te nemen van de naam die wordt gekozen. Met de integratie van de leringen van arrest nr. 48/2022 zou die tendens nog sterker moeten worden wanneer een tweede afstammingsband voor de eerste maal via gerechtelijke weg komt vast te staan ten aanzien van een meerderjarig kind. Ondanks die twee opeenvolgende arresten is die oplossing echter nog niet algemeen verbreid. Er zijn nog steeds gevallen waarin de keuze van de nieuwe naam voor een andere overheid zal moeten plaatsvinden. Daarbij wordt in het bijzonder gedacht aan het geval van het minderjarig kind van wie de tweede afstam- mingsband voor de eerste maal voor de familierechtbank wordt bekrachtigd: de naamskeuze wordt gedaan bij verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarnaast zijn er situaties waarin sommigen van me- ning zijn dat omdat de rechter zich niet uitspreekt over de kwestie, de naam die vermeld staat in de akte van geboorte van de kinderen en de daarmee verbonden akten niet kan worden gewijzigd in de DABS terwijl de door de rechter vastgestelde afstammingsband daarin wel kan worden gewijzigd. Dat zou het geval kunnen zijn indien de ouders of het meerderjarige kind geen verzoek tot naamskeuze indienen op hetzelfde ogenblik als hun verzoek tot “vervanging” van een van de twee afstam- mingsbanden door een andere voor de familierechtbank. Of wanneer de afstammingsband van de ouder die zijn naam aan het kind heeft gegeven, wordt verbroken door een vordering tot betwisting van die band, waardoor al- leen de afstammingsband van de andere behouden blijft. In een poging de situatie recht te trekken, probeert of proberen de ouder(s) van het minderjarig kind of probeert het meerderjarig kind akte te laten nemen van hun of zijn keuze of de afwezigheid van een keuze door een verklaring van naamskeuze voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, ook al is daarin niet wettelijk voorzien, of stellen zij, bij gebreke daarvan, een administratieve procedure tot naamsverandering in waarvan het resul- taat onzeker blijft. Alle onduidelijkheid over de bepaling van dit element van de staat van personen, een aangelegenheid van openbare orde, moet worden weggenomen. Om een betere leesbaarheid van het systeem te waarborgen, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand voortaan als enige akte kunnen nemen van een verklaring van naamskeuze ter gelegenheid van een erkenning van een afstammingsband en zal de rechter dat als filiation est substitué par un autre par la voie judiciaire, c’est au juge de se prononcer sur la question du nom et d’acter celui qui est choisi. Cette tendance devrait encore s’accroître avec l’inté- gration des enseignements de l’arrêt n° 48/2022 lorsqu’un deuxième lien de filiation est établi pour la première fois par la voie judiciaire vis-à-vis d’un enfant majeur. Pourtant, malgré ces deux arrêts successifs, cette solution n’est pas encore généralisée. Il existe toujours des cas où le choix du nouveau nom devra avoir lieu devant une autre autorité. On pense tout particulière- ment au cas de l’enfant mineur dont le deuxième lien de filiation est consacré pour la première fois devant le tribunal de la famille: le choix de nom sera effectué par déclaration devant l’officier de l’état civil. À côté de cela, il y a des situations où d’aucuns esti- ment que parce que le juge ne se prononce pas sur la question, le nom mentionné dans l’acte de naissance des enfants et les actes associés, ne peut pas être modifié dans la BAEC alors que le lien de filiation établi par ce juge peut l’être. Tel pourrait être le cas si les parents ou l’enfant majeur ne forment pas de demande de choix de nom, en même temps que leur demande en “substitution” d’un des deux liens de filiation par un autre devant le tribunal de la famille. Ou encore l’hypothèse où le lien de filiation du parent qui a donné son nom à l’enfant est rompu par une action en contestation de ce lien, ne laissant subsister que le lien de filiation de l’autre. Pour essayer de corriger le tir, le ou les parent(s) de l’enfant mineur ou l’enfant majeur tentent de faire acter leur choix ou l’absence de choix par une déclaration de choix de nom devant l’officier de l’état civil, même si ce n’est pas prévu légalement, ou à défaut, entament une procédure administrative de changement de nom dont le résultat reste incertain. Il convient de lever toute ambiguïté sur la détermi- nation de cet élément de l’état des personnes, matière d’ordre public. Pour assurer une meilleure lisibilité du système, l’offi- cier de l’état civil sera désormais le seul à pouvoir acter une déclaration de choix de nom faite à l’occasion d’une reconnaissance d’un lien de filiation et le juge sera le seul à pouvoir le faire lorsqu’il établit un lien de filiation, 13 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E enige kunnen doen wanneer hij een afstammingsband vaststelt, die door een andere vervangt of wanneer een afstammingsband met succes voor hem wordt betwist. In zijn vonnis met betrekking tot de afstamming moet de rechter uitdrukkelijk en stelselmatig akte nemen van de eventuele nieuwe naam van het kind of het behoud van zijn huidige naam, zulks met het oog op de veiligheid en een betere integratie van dat gegeven in de DABS en omdat de toekenning van de naam een gevolg is van de afstamming en van openbare orde is. VI. — “AUTOMATISERING” VAN DE NAAMSVERANDERING VAN DE KINDEREN WANNEER DE NAAM VAN EEN VAN HUN OUDERS WORDT GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN EEN VERANDERING VAN AFSTAMMING Wanneer thans de afstamming van een meerderjarige of minderjarige ouder wordt gewijzigd naar aanleiding van een rechtsvordering en hij daarbij een nieuwe naam krijgt, weigeren bepaalde ambtenaren van de burgerlijke stand om tegelijkertijd de naam van zijn kinderen te wijzigen doordat in artikel 370/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek is gesteld dat namen en voornamen slechts gewijzigd of verbeterd kunnen worden op de wijze en in de gevallen bepaald door de wet. Dit geval wordt echter niet uitdrukkelijk geregeld door de wet. De rechtsleer ging weliswaar uit van de declaratoire werking van de vorderingen van staat inzake afstam- ming om de gevolgen van het vonnis met terugwerkende kracht te doen gelden (P. SENAEVE en C. DE CLERCK, Compendium van het personen- en familierecht, zes- tiende herwerkte uitgave, Leuven, Acco, 2017, blz. 35- 36, nr. 63; A.-C. VAN GYSEL (dir.), Traité de droit civil belge, dl. I, vol. 1, col. De Page, blz. 212-213, nr. 213), daaronder begrepen de gevolgen die voortvloeiden uit de afstamming (toekenning van de naam). Dat neemt echter niet weg dat artikel 370/1 van het oud Burgerlijk Wetboek het beginsel van een restrictieve juridische omkadering van de gevallen die aanleiding geven tot naamsveranderingen bevestigt: de vastheid van naam impliceert niet dat een naam onveranderlijk is, maar dat, indien hij wordt gewijzigd, dat zo is omdat de wet daarin voorziet (wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevor- dering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, Memorie van toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zit- ting, 2017-2018, nr. 54-2919/001, blz. 150). le remplace par un autre ou qu’un lien de filiation est contesté avec succès devant lui. Dans son jugement relatif à la filiation, le juge devra expressément et systématiquement acter l’éventuel nou- veau nom de l’enfant ou le maintien de son nom actuel, dans un souci de sécurité et de meilleure intégration de cette donnée dans la BAEC, et parce que l’attribution du nom est un effet de la filiation et est d’ordre public. VI. — “L’AUTOMATISATION” DU CHANGEMENT DE NOM DES ENFANTS LORSQUE LE NOM D’UN DE LEURS PARENTS EST MODIFIÉ À LA SUITE D’UN CHANGEMENT DE FILIATION À l’heure actuelle, lorsqu’un parent majeur ou mineur change de filiation à la suite d’une action judiciaire et reçoit un nouveau nom à cette occasion, certains officiers de l’état civil refusent de modifier en même temps le nom de ses enfants du fait que l’article 370/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil stipule qu’un changement de nom ne peut avoir lieu que de la manière et dans les cas visés par la loi. Or, cette hypothèse n’est pas réglée explicitement par la loi. Certes, la doctrine se basait sur l’effet déclaratif des actions d’état en matière de filiation pour faire remonter les effets du jugement rétroactivement (P. SENAEVE en C. DE CLERCK, Compendium van het personen- en familierecht, zestiende herwerkte uitgave, Leuven, Acco, 2017, pp. 35-36, n° 63; A.-C. VAN GYSEL (dir.), Traité de droit civil belge, t. I, vol. 1er, col. De Page, pp. 212-213, n° 213), en ce compris les effets qui découlaient de la filiation (attribution du nom). Il n’en demeure pas moins que l’article 370/1 de l’ancien Code civil vient confirmer le principe d’un enca- drement juridique restrictif des hypothèses donnant lieu aux changements de nom: la fixité du nom n’implique pas qu’un nom puisse être immuable mais, s’il est changé, c’est parce que la loi le prévoit (projet de loi portant dispositions diverses en matière de droit civil et portant modification du Code judiciaire en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, Exposé des motifs, Doc.parl., Ch., sess.ord. 2017-2018, n° 54- 2919/001, p. 150). 3552/001 DOC 55 14 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Die regel inzake de automatische wijziging van de naam van de kinderen is een gevolg van een naamsver- andering van de ouders naar aanleiding van een wijziging van een afstammingsband van laatstgenoemden, niet naar aanleiding van een administratieve procedure tot naamsverandering, een geval dat reeds geregeld is in artikel 370/4, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het heeft weinig belang of die verandering van afstamming voortvloeit uit een rechterlijke beslissing of uit een vrij- willig initiatief ten aanzien van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook al zal de naamsverandering van minderjarige kin- deren in de toekomst van rechtswege worden opgelegd, zou hetzelfde niet moeten gelden voor kinderen die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben of voor meerderjarige kinderen. Op grond van artikel 335, § 4, eerste lid, kan er zonder hun instemming namelijk geen verandering aan hun naam worden aangebracht. De naamsverandering van die kinderen kan enkel in de DABS worden geïntegreerd indien het bewijs van die instemming wordt geleverd. Om het effectieve karakter ervan te waarborgen, moeten de kinderen die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben en meerderjarige kinderen een akte van naamsverandering laten opmaken. Daar het om een persoonlijke beslissing gaat, is de door de ambtenaar van de burgerlijke stand vastgestelde naamsverandering niet verbindend voor de broers en zussen (zie punt II). Vervangende toestemming bij omzetting van een interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt in een volle adoptie Dit wetsontwerp voorziet in een mechanisme van vervangende toestemming bij omzetting van een inter- landelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt, in een volle adoptie. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 55/2022 van 21 april 2022 geoordeeld dat door niet te voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming bij een omzetting in een volle adoptie in de situatie dat het oorspronkelijk land van herkomst de adoptie wel kent, maar de omzetting niet, huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 21 van het IVRK, schendt. Binnen de huidige context van de wet is een aanwijzing van een voogd ad-hoc immers niet mogelijk wanneer de omzetting in een volle adoptie van een in België erkende interlandelijke adoptie die de bestaande band van afstamming niet verbreekt. In dat geval bepaalt huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek dat een dergelijke adoptie in België in een volle adoptie kan worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in Cette règle de modification automatique du nom des enfants est une conséquence d’un changement de nom des parents à la suite d’une modification d’un lien de filiation de ces derniers, non à la suite d’une procédure administrative de changement de nom, hypothèse déjà réglée par l’article 370/4, § 1er, de l’ancien Code civil. Il importe peu que ce changement de filiation découle d’une décision judiciaire ou d’une démarche volontariste effectuée devant l’officier de l’état civil. Si le changement du nom des enfants mineurs s’impo- sera dans le futur de plein droit, il ne devrait pas en être de même si ceux-ci ont atteint l’âge de 12 ans ou sont déjà majeurs. En effet, selon l’article 335, § 4, alinéa 1er, aucune modification ne peut être apportée à leur nom sans leur accord. L’intégration du changement de nom de ces enfants dans la BAEC ne peut avoir lieu que si la preuve de ce consentement est apportée. Pour s’assurer de son effectivité, les enfants mineurs ayant atteint l’âge de 12 ans et les enfants majeurs devront faire établir un acte de changement de nom. S’agissant d’une décision personnelle, le changement de nom constaté par l’officier de l’état civil ne s’imposera pas aux autres membres de la fratrie (voir point II). Consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale qui ne rompt pas le lien de filiation Ce projet de loi prévoit un mécanisme de consen- tement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale qui ne rompt pas le lien de filiation. Dans son arrêt n° 55/2022 du 21 avril 2022, la Cour constitutionnelle a jugé qu’en ne prévoyant pas de mécanisme de consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière dans le cas où le pays initial d’origine connaît l’adoption, mais pas la conversion, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil viole les articles 10, 11 et 22bis de la Constitution, lus en combinaison ou non avec les articles 3 et 21 de la CIDE. Dans le contexte actuel de la loi, la désignation d’un tuteur ad-hoc n’est en effet pas possible lorsque la conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale reconnue en Belgique ne rompt pas le lien préexistant de filiation. Dans ce cas, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil prévoit qu’une telle adoption peut être convertie en Belgique en une adoption plénière si les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de 15 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E artikel 361-4, 1°, b) en c) oud Burgerlijk Wetboek zijn ge- geven, of worden gegeven, met het oog op een adoptie met dergelijke gevolgen. De toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c) oud Burgerlijk Wetboek zijn die “van het kind in de adoptie, wanneer zij vereist is” en die “van de andere personen, instellingen en autoriteiten van wie de toe- stemming tot de adoptie is vereist”. De wet voorziet momenteel niet in een vervangende toestemming wanneer de vereiste toestemmingen onmo- gelijk gegeven kunnen worden omdat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en er geen wettelijke vertegen- woordiger is. Om die reden wordt in artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek een bijkomend lid ingevoegd dat voorziet in een mechanisme van vervangende toestem- ming zoals ook voorzien is in artikel 361-5 van het oud Burgerlijk Wetboek. Het dispositief van het arrest nr. 55/2022 van het Grondwettelijk Hof stuurt er op aan te voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming wanneer vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en dat er geen wettelijke vertegenwoordiger is. Bijgevolg moet, zoals aangegeven in het advies van de Raad van State, de ingevoerde vervangende toestemming enkel betrekking hebben op de toestemmingen voorzien in artikel 361-4, 1°, c) en niet op de toestemming van het kind voorzien in punt b) van dat artikel. Wijziging van de opdrachten van de bewindvoerder na het overlijden van de beschermde persoon Dit beoogt de verduidelijking van de in artikel 499/19, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegd- heden van de bewindvoerder van de beschermde per- soon die worden verlengd na het overlijden van de beschermde persoon aan de hand van een beschikking van de vrederechter, omdat de erfgenamen er lang over doen zich kenbaar te maken. Die bevoegdheden werden voor het laatst herzien door de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie. l’ancien Code civil ont été donnés ou sont donnés en vue d’une adoption produisant cet effet. Les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de l’ancien Code civil sont celui “de l’enfant à l’adop- tion, lorsqu’il est requis” et celui “des autres personnes, institutions et autorités dont le consentement est requis pour l’adoption”. Actuellement, la loi ne prévoit pas de consentement de remplacement lorsque les consentements requis ne peuvent pas être donnés parce que les parents d’origine sont inconnus et qu’il n’y a pas de représentant légal. C’est pour cette raison qu’il est ajouté à l’article 359-2 de l’ancien Code civil un alinéa prévoyant un mécanisme de consentement de remplacement comme celui prévu à l’article 361-5 de l’ancien Code civil. Le dispositif de l’arrêt n° 55/2022 de la Cour consti- tutionnelle prévoit la mise en place d’un mécanisme de consentement de remplacement lorsqu’il est établi que les parents d’origine sont inconnus et qu’il n’y a pas de représentant légal. Par conséquent, comme l’indique l’avis du Conseil d’État, le consentement de remplacement introduit ne doit porter que sur les consentements prévus à l’article 361- 4, 1°, c) et non sur le consentement de l’enfant prévu au b) de cet article. Modification des missions de l’administrateur après le décès de la personne protégée L’objectif est de clarifier les compétences de l’adminis- trateur de la personne protégée prolongées après le décès de la personne protégée par une ordonnance du juge de paix, visées à l’article 499/19, § 2, de l’ancien Code civil parce que les héritiers tardent à se faire connaître. Ces compétences ont été revues pour la dernière fois par la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions diverses en matière de justice. 3552/001 DOC 55 16 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde Artikel 23 wordt gewijzigd teneinde het principe van “uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde” te codificeren ten bate van de derde bij een gerechtelijke beslissing tegen een partij bij die beslissing. De kamers voor minnelijke schikking Het ontwerp wil het gebruik van minnelijke oplos- singen van conflicten aanmoedigen door kamers voor minnelijke schikking op te richten in de meeste hoven en rechtbanken die burgerlijke zaken, ondernemingss- zaken en sociale zaken behandelen. Dit ontwerp ligt in het verlengde van de wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschil- lenoplossing. De wet van 30 juli 2013 heeft dergelijke kamers voor minnelijke schikking opgericht binnen de familierechtbank. De wet van 18 juni 2018 heeft de ver- zoeningsopdracht van de rechter duidelijk bekrachtigd. In dezelfde logica lijkt het aldus nuttig om de hoven en rechtbanken in staat te stellen om dergelijke kamers op te richten, naar het voorbeeld van de kamers die thans bestaan binnen de familierechtbank. Het voordeel van minnelijke oplossingen van conflicten hoeft niet meer te worden aangetoond. Sinds enkele jaren benadruk- ken zowel de rechtsleer (A. Dejollier, “La chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise francop- hone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine de promesses”, J.T., 2021, nr. 6870, blz. 649 e.v.; D. Chevalier, “La conciliation préalable de droit commun: un “Marc” à part entière?”, J.T., 2019, nr. 6765, blz. 222 e.v.) als de wetgever of het merendeel van de juridische professionals de meerwaarde voor de partijen van een onderhandelde, en zelfgekozen, in plaats van opgelegde oplossing en tevens de voordelen dat dit kan opleveren op het vlak van tijdwinst en besparing van procedure- kosten. Tot 2018 werden verschillende individuele en punctuele initiatieven op het gebied van verzoening en bevordering van bemiddeling ontwikkeld in verschillende ressorten van het land. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 zijn er meer structurele initiatieven opgezet in verschillende hoven en rechtbanken van het land in burgerlijke, ondernemings- en sociale zaken. Verschillende rechtbanken, waaronder de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel (op initiatief van Sylvie Frankignoul), de Franstalige Arbeidsrechtbank van Brussel (diverse initiatieven die sinds 2005 op initiatief CHAPITRE 3 Modifications du Code judiciaire Extension de l’effet positif de la chose jugée L’article 23 est modifié afin de codifier le principe d’“extension de l’effet positif de la chose jugée” au profit du tiers à une décision de justice contre une partie à cette décision. Les Chambres de règlement à l’amiable Le projet vise à encourager le recours aux modes amiables de résolution des conflits en créant des chambres de règlement à l’amiable dans la plupart des cours et tribunaux traitant des matières civiles, commerciales et sociales. Ce projet s’inscrit dans le prolongement de la loi du 30 juillet 2013 portant création d’un tribunal de la famille et de la jeunesse et de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges. La loi du 30 juillet 2013 a créé de telles chambres de conciliation au sein du tribunal de la famille. La loi du 18 juin 2018 a consacré de manière claire la mission conciliatrice du juge. Ainsi, dans la même logique, il paraît utile de permettre aux cours et tribunaux de créer de telles chambres, à l’instar de celles existant actuellement au sein du tribunal de la famille. Le bénéfice des modes amiables de résolution des conflits n’est plus à démontrer. Depuis quelques années maintenant, tant la doctrine (A. Dejollier, “La chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine de promesses”, J.T., 2021, n° 6870, p. 649 et s.; D. Chevalier, “La conciliation préalable de droit commun: un “Marc” à part entière?”, J.T., 2019, n° 6765, p. 222 et s.) que le législateur ou une majorité de professionnels du droit ont souligné la plus-value pour les parties d’une solution négociée et choisie plutôt qu’imposée et également les avantages que cela peut représenter en terme de gain de temps et d’économie de frais de procédure. Jusqu’en 2018 diverses initiatives individuelles et ponctuelles en matière de conciliation et de promotion de la médiation se sont développées dans différentes juridictions du pays. Depuis l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018, des initiatives plus structurelles ont été mises en place dans divers cours et tribunaux du pays dans les matières civiles, commerciales et sociales. Ainsi, depuis quelques années, plusieurs tribunaux, dont le tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles (à l’initiative de Sylvie Frankignoul), le Tribunal du travail francophone de Bruxelles (diverses initiatives amorcées depuis 2005 à l’initiative de ses présidents successifs, qui se sont concrétisées par 17 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de opeenvolgende voorzitters zijn genomen en die hebben geleid tot de opening van kamers van minnelijke schikking in maart  2021), en de kamers voor burgerlijke zaken en voor ondernemingszaken van het hof van beroep te Brussel (op initiatief van Anne-Marie Witters voor Nederlandstalige dossiers en Anne-Sophie Favart opgevolgd door Caroline Verbruggen voor Franstalige dossiers), hebben voorts al enkele jaren een kamer voor minnelijke schikking waartoe rechtzoekenden zich kunnen wenden om te trachten hun geschil in der minne op te lossen tijdens een zitting ter minnelijke schikking onder begeleiding van een beroepsmagistraat. Na verscheidene jaren ervaring bedraagt het aantal schik- kingen nagenoeg 80 procent. Concreet voorziet het ontwerp in de oprichting van die kamers voor minnelijke schikking door bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechterlijke organisatie te wijzigen en door afdelingen in te voegen in het hoofdstuk “Minnelijke oplossingen van geschillen” dat in 2018 is ingevoegd. Er wordt een specifieke afdeling gewijd aan de aanhangigmaking bij en de werking van die kamer. Tevens worden enkele wijzigingen aangebracht aan de minnelijke schikking teneinde bepaalde procedureaspecten te verduidelijken. Juridische tweedelijnsbijstand Gelijke toegang tot justitie is een fundamenteel recht. Teneinde dit recht te garanderen voor burgers met be- perkte middelen, kunnen zij beroep doen op de juridische tweedelijnsbijstand oftewel een advocaat die juridische tweedelijnsbijstand verleent. Op  1 september 2020 werden de inkomensgrenzen voor juridische tweedelijns- bijstand opgetrokken met 200 euro. Op dezelfde datum in 2021, 2022 en 2023 werd/wordt het plafond nogmaals verhoogd met 100 euro. Op deze manier zullen heel wat extra burgers toegang hebben tot rechtsbijstand. Het effect daarvan is reeds zichtbaar. Het gerechtelijk jaar 2020-2021 kende een stijging van 9 procent in het aantal dossiers van juridische tweedelijnsbijstand in vergelijking met het jaar voordien. Om een optimale werking van de juridische twee- delijnsbijstand te (blijven) garanderen, zullen evenwel ook andere wettelijke aanpassingen nodig zijn. De voorgestelde wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek focussen daarvoor op twee aspecten: het versterken van de kwaliteitscontrole op de ingediende dossiers en de opvolging hiervan door de bureaus voor juridische bijstand (hierna BJB’s), en de berekening van de kosten verbonden aan de organisatie van deze BJB’s baseren op basis van de werkelijke noden. l’ouverture d’une chambre de règlement amiable en mars 2021) et les chambres civiles et commerciales de la Cour d’appel de Bruxelles (à l’initiative d’Anne-Marie Witters pour les affaires néerlandophones et de Anne- Sophie Favart succédée par Caroline Verbruggen pour les affaires francophones) ont institué une chambre de règlement à l’amiable que les justiciables peuvent saisir pour tenter de résoudre leur litige à l’amiable lors d’une audience de conciliation guidée par un magistrat de carrière. Après plusieurs années d’expérience, le taux d’accords atteint près de 80 %. Concrètement, le projet crée ces chambres de rè- glement à l’amiable en modifiant des dispositions du Code judiciaire relatives à l’organisation judicaire et en insérant des sections dans le chapitre intitulé “Les modes amiables de résolution des litiges” créé en 2018. Une section spécifique est consacrée à la saisine et au fonctionnement de cette chambre. Quelques modifica- tions sont également apportées à la conciliation afin de clarifier certains éléments de procédure. Aide juridique de deuxième ligne L’égalité d’accès à la justice est un droit fondamental. Afin de garantir ce droit aux citoyens ne disposant que de moyens limités, ceux-ci peuvent recourir à l’aide juri- dique de deuxième ligne, ou à un avocat pratiquant l’aide juridique de deuxième ligne. Le 1er septembre 2020, les plafonds de revenus pour l’aide juridique de deuxième ligne ont été relevés de 200 euros. À la même date, en 2021, 2022 et 2023, le plafond a été/sera encore augmenté de 100 euros. Ceci ouvre l’accès à l’aide juridique à de nombreux nouveaux citoyens. L’effet de cette mesure est déjà visible. L’année judiciaire 2020- 2021 a connu une augmentation de 9 % du nombre de dossiers d’aide juridique de deuxième ligne par rapport à l’année précédente. Pour (continuer à) garantir un fonctionnement opti- mal de l’aide juridique de deuxième ligne, d’autres adaptations légales sont cependant également néces- saires. Les modifications proposées du Code judiciaire se concentrent sur deux aspects: le renforcement du contrôle de la qualité des dossiers soumis et leur suivi par les Bureaux d’aide juridique (ci-après: les “BAJ”), et le calcul des coûts liés à l’organisation de ces BAJ sur la base des besoins réels. 3552/001 DOC 55 18 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Controle en audit BJB’s Op basis van artikelen 508/8 en 508/19 van het Gerechtelijk Wetboek zien de Ordes van Advocaten toe op de doeltreffendheid en de kwaliteit van de prestaties verricht door de advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand. De toekenning van punten voor de prestaties van de advocaat veronderstelt een controle met betrekking tot de werkelijkheid van de uitvoering van de door hem verklaarde prestaties, de concordantie tussen die prestaties en de nomenclatuur en de kwaliteit van de uitgevoerde prestaties. Op basis van artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek kan de minister van Justitie een controle uit- voeren van de punten die door de BJB’s zijn toegekend, volgens de door hem bepaalde modaliteiten. In de praktijk worden die controles georganiseerd door de balies, de OVB en de OBFG. Tot twee jaar geleden verliep dit via kruiscontroles, waarbij een Vlaamse balie een Waalse balie controleerde, die op haar beurt weer een andere Vlaamse balie controleerde. Met deze controles wordt onderzocht of de aanvragen correct werden behandeld door de BJB’s en of de prestaties opgegeven door de advocaat correct werden beoordeeld. De afgelopen twee jaar liep er een proefproject waarbij de kruiscontroles werden omgevormd tot een audit. De audit gebeurt op twee niveaus: enerzijds de controle op de aanstelling en de interne werking van het BJB, ander- zijds op de afgesloten dossiers (de prestaties). Om deze controlevorm te realiseren, worden auditeurs opgeleid om de BJB’s efficiënt door te lichten. Alle afgesloten en goedgekeurde dossiers worden per voorkeurmaterie gegroepeerd in rechtstakken, waarbij per rechtstak twee subauditeurs instaan voor de coördinatie. De audit is niet taal- of baliegebonden en daarom zowel gerichter als overkoepelender. Het auditsysteem heeft enkele uitgesproken voordelen in vergelijking met de kruiscontroles, zeker in combina- tie met de nieuwe BJB-module. Die applicatie verlicht de administratieve last en moet het mogelijk maken om via allerhande parameters en filters selectiever en per rechtstak dossiers te controleren en problemen te detecteren (bijvoorbeeld welke dossiers liggen aan- zienlijk boven het gemiddelde aantal punten?). Daarbij kan onder meer worden gekeken of de punten correct werden toegekend, of de aanstellingen en de correcties binnen de gestelde termijn gebeuren, of de BJB’s steeds dezelfde advocaat aanstellen, hoeveel klachten er zijn en hoe deze worden behandeld, etc. De audit heeft ook tot doel permanent te zijn. Vermits de kruiscontrole (en de huidige werking van de audit als Contrôle et audit des BAJ Sur la base des articles 508/8 et 508/19 du Code judiciaire, les Ordres d’avocats contrôlent l’efficacité et la qualité des services fournis par les avocats dans le cadre de l’aide juridique de deuxième ligne. L’attribution de points pour les prestations de l’avocat suppose un contrôle portant sur la réalité de l’exécution des pres- tations déclarées par celui-ci, la concordance entre ces prestations et la nomenclature, et la qualité des prestations réalisées. Sur base de l’article 508/19, § 3, du Code judiciaire, le ministre de la Justice peut procéder à un contrôle des points attribués par les BAJ, selon les modalités qu’il détermine. Dans la pratique, ces contrôles sont organisés par les barreaux, l’OVB et l’OBFG. Jusqu’à il y a deux ans, ce contrôle se faisait au moyen de contrôles croisés, où un barreau flamand contrôlait un barreau wallon, qui à son tour contrôlait un autre bar- reau flamand. Ces contrôles ont permis de vérifier si les demandes étaient correctement traitées par les BAJ et si les prestations déclarées par les avocats avaient été correctement évaluées. Au cours des deux dernières années, un projet pilote a été mis en œuvre, dans lequel les contrôles croisés ont été transformés en “audit”. L’audit se fait à deux niveaux: d’une part, le contrôle de la désignation et du fonctionnement interne du BAJ, et d’autre part, les dossiers clôturés (les prestations). Pour réaliser cette forme de contrôle, les auditeurs sont formés pour audi- ter efficacement les BAJ. Tous les dossiers clôturés et approuvés sont regroupés par matière privilégiée dans les différentes branches du droit, avec deux chefs audi- teurs par branche du droit, chargés de la coordination. L’audit n’est pas lié à une langue ou à un barreau et est donc à la fois plus ciblé et plus transversal. Le système d’audit présente de nets avantages par rapport aux contrôles croisés, surtout en combinaison avec le nouveau module BAJ. Cette application allège la charge administrative et devrait permettre de vérifier les dossiers et de détecter les problèmes de manière plus sélective et par branche du droit via toutes sortes de paramètres et de filtres (par exemple, quels dossiers sont nettement supérieurs au nombre moyen de points). Il peut permettre de vérifier si les points ont été correcte- ment attribués, si les désignations et les corrections ont été effectuées dans le délai imparti, si les BAJ désignent toujours le même avocat, combien de plaintes ont été introduites et comment elles sont traitées, etc. L’audit vise également à être permanent. Étant donné que le contrôle croisé (et le fonctionnement actuel de 19 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E testproject) een jaarlijkse controle is, gebeurt dit momen- teel slechts één keer per jaar. Het is de doelstelling om kwaliteitsvolle audits te organiseren die meerdere keren per jaar kunnen plaatsvinden. Tussenkomst in de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (BJB) De vergoedingsmethode voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand (BJB) blijft gebaseerd op de werkelijke behoeften van de bureaus en houdt rekening met de vraag tot budgettaire voorspelbaarheid. Het bedrag van de toelage is gebaseerd op de werke- lijke kosten die door de bureaus voor juridische sbijstand worden gemaakt en door de minister worden goedge- keurd. Het bedrag mag echter niet meer bedragen dan 7 % van door de advocaten ontvangen vergoeding. De verlaging van het percentage van 8,108 % naar 7 % laat zich verantwoorden door de twee elementen die ervoor zorgen dat de basis waarop dat percentage berekend wordt structureel verhoogd: — de verhoging van de inkomensgrenzen voor de toegang tot de tweedelijnsbijstand, die zorgt voor een verhoging van het aantal dossiers. Voor de vaste kosten moeten hier schaalvoordelen gerealiseerd kunnen worden; — de indexering van de puntwaarde die verankerd wordt. Ook dit zorgt voor een verhoging van de globale vergoeding aan de advocaten voor de geleverde prestaties binnen de juridische tweedelijnsbijstand, zonder dat dit op zich zorgt voor een verhoging van de bureaukosten. Informatieblad rechtsmiddelen Recent voerde de wetgever een veralgemeende in- formatieverplichting in wat betreft de vermeldingen van de rechtsmiddelen. De nieuwe regeling kwam er naar aanleiding van twee arresten van het Grondwettelijk Hof (GWH nr. 23/2022 van 10 februari 2022 en GWH nr. 92/2022 van 30 juni 2022). Beducht voor kin- derziektes werd van bij de inwerkingtreding – op 1 januari 2023 – een evaluatie opgestart naar mogelijke lacunes en moeilijkheden op basis van ervaringen op het ter- rein. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en het College van hoven en rechtbanken achten het raadzaam om op korte termijn te remediëren aan de situ- atie waarin artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek momenteel niet voorziet dat het informatieblad kan worden l’audit en tant que projet test) est un contrôle annuel, il n’a lieu actuellement qu’une fois par an. L’objectif est d’organiser des audits de qualité qui peuvent avoir lieu plusieurs fois par an. Intervention dans les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique (BAJ) Le mode d’indemnisation des frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique (BAJ) reste fondé sur les besoins réels des bureaux et tient compte de l’exigence de prévisibilité budgétaire. Le montant de la subvention est fondé sur les frais réellement exposés par les bureaux d’aide juridique et approuvés par le ministre. Il ne peut toutefois excéder 7 % des indemnités reçues par les avocats. La réduction du pourcentage de 8,108 % à 7 % peut être justifiée par les deux éléments qui assurent que la base sur laquelle ce pourcentage est calculé est struc- turellement augmentée: — l’augmentation des plafonds de revenus pour l’accès à l’aide de deuxième ligne, qui entraîne une augmentation du nombre de dossiers. Il doit être possible de réaliser ici des économies d’échelle pour les coûts fixes; — l’indexation de la valeur du point est ancrée. Cela entraîne également une augmentation de la rémunéra- tion globale des avocats pour les services rendus dans le cadre de l’assistance juridique de deuxième ligne, sans que cela entraîne en soi une augmentation des frais de bureau. La fiche informative voies des recours Récemment, le législateur a introduit une obligation d’information généralisée concernant les mentions des voies de recours. Le nouveau règlement fait suite à deux arrêts de la Cour constitutionnelle (C.C. n° 23/2022 du 10 février 2022 et C.C. n° 92/2022 du 30 juin 2022). Dans la crainte de maladies d’enfance, une évaluation a débuté dès l’entrée en vigueur, le 1er janvier 2023, à propos d’éventuelles lacunes et difficultés sur la base d’expériences sur le terrain. La Chambre nationale des huissiers de justice et le Collège des cours et des tribunaux estiment qu’il est opportun de pallier à court terme le fait que l’article 780/1 du Code judiciaire ne prévoit pas actuellement que la fiche informative peut être jointe à une copie certifiée conforme du jugement, 3552/001 DOC 55 20 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gevoegd bij een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, maar enkel aan de uitgifte van artikel 790 van het Gerechtelijk Wetboek. Hieraan wenst het ontwerp tegemoet te komen. Wijziging aan de cassatieprocedure In het arrest van 16 februari 2021 “Vermeersch t. België” (verzoekschrift nr. 49.652/10) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden vastgesteld ingevolge een leemte in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatiebe- roep, die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen in de zaak die de verzoeker eraan heeft voorgelegd. Deze leemte betreft de onmogelijkheid voor de eiser om een nieuw middel in te roepen op basis van een nieuwe wet die in werking is getreden na het verstrijken van de voor proceshandelingen geldende termijnen, maar die met terugwerkende kracht van toepassing zou zijn op het lopende voorziening. De invoeging van een artikel 1094/2 in het Gerechtelijk Wetboek heeft tot doel de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgestelde schending te verhelpen. De inbeslagnemingsdrempels Dit ontwerp wijzigt artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, enerzijds om de bepaling te actualiseren en anderzijds om het mogelijk te maken de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan te passen, buiten de enige jaarlijkse indexering bedoeld in paragraaf 2, eer- ste lid, van de gewijzigde bepaling. De ongeziene inflatie die België sinds het begin van 2022 kent, heeft immers duidelijk gemaakt dat er in een regeling moet worden voorzien die soepeler is en beter is afgestemd op aanzienlijke stijgingen van de afgevlakte gezondheidsindex tijdens het jaar. De wijziging van artikel 1409 Gerechtelijke Wetboek schaft het mechanisme van de jaarlijkse indexering niet af, maar voegt twee nieuwe aanpassingswijzen toe. Zuivering van onroerende goederen Teneinde verschillende praktische problemen in ver- band met de zuivering van onroerende goederen op te lossen, wijzigt dit ontwerp meerdere artikelen van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van econo- misch recht. De bedoeling is vooral om lacunes weg te werken en duidelijkheid te scheppen voor alle partijen in het geding en voor de notaris. mais uniquement à l’expédition visée à l’article 790 du Code judiciaire. Le projet souhaite y remédier. Modification à la procédure de cassation Par l’arrêt du 16 février 2021 “Vermeersch c/ la Belgique” (Requête n° 49.652/10), la Cour européenne des droits de l’homme a constaté une violation de l’ar- ticle 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales déduite de l’existence dans les dispositions du Code judiciaire réglant le pourvoi en cassation d’une lacune que, dans la cause déférée par le requérant à la Cour de cassation, celle-ci n’a pas comblée. Cette lacune vise l’impossibilité pour le demandeur d’invoquer un moyen nouveau fondé sur une loi nouvelle, entrée en vigueur après l’expiration des délais applicables aux actes de procédure, mais qui serait rétroactivement applicable au pourvoi en cours. L’insertion d’un article 1094/2 dans le Code judiciaire vise à réparer la violation constatée par la Cour européenne des droits de l’Homme. Les montants insaisissables Le présent projet modifie l’article 1409 du Code judi- ciaire, d’une part afin de mettre cette disposition à jour et d’autre part, afin de permettre une adaptation des montants insaisissables en dehors de la seule indexa- tion annuelle visée au paragraphe 2, alinéa 1er de la disposition modifiée. L’inflation sans précédent que connait la Belgique depuis le début de l’année 2022 a, en effet, dévoilé la nécessité de prévoir un régime à la fois plus souple et plus adapté aux augmentations importantes de l’indice santé lissé au cours de l’année. Sans supprimer le mécanisme de l’indexation annuelle, la modification de l’article 1409 du Code judiciaire ajoute deux modes d’adaptation nouveaux. La purge d’immeubles Afin de résoudre certains problèmes pratiques liés à la purge d’immeubles, le présent projet modifie plusieurs articles du Code judiciaire et du Code de droit écono- mique. L’objectif est de pallier aux lacunes et d’offrir de la clarté à toutes les parties à la procédure et au notaire. 21 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Deze wijzigingen werden geschreven in samenwerking met de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat. 1. De zuivering De zuivering is het middel om de inschrijvingen die op het hypothecair getuigschrift staan automatisch te doen verdwijnen. De bedoeling is dat de koper het aangekochte goed verkrijgt zonder lasten. Om tot een zuiverende verkoop te komen, moet men zich bevinden in een gerechtelijke verkoop (bijvoorbeeld verkoop op beslag) of een minnelijke verkoop onder gerechtelijke vorm (bijvoorbeeld verkoop met een minderjarige). Daarnaast moeten verschillende schuldeisers die over een gepubliceerd zakelijk zekerheidsrecht beschikken op het onroerend goed, betrokken worden bij deze verkoop. Dit kan op twee manieren: — oproeping tot de machtigingsprocedure: omdat de schuldeisers worden opgeroepen voor de rechtbank, kunnen zij zich laten horen. De rechter kan rekening houden met hun eventuele bezwaren (bijvoorbeeld een minimumprijs voorzien); — oproeping om de verkoopverrichtingen te vol- gen: bij een openbare verkoop is de ratio legis dat de schuldeisers zelf een bod kunnen uitbrengen indien zij menen dat de geboden prijs niet volstaat om hun schuld te voldoen. Zij worden bijgevolg uitgenodigd om de verkoopverrichtingen te volgen door hen in kennis te stellen van de biedingsperiode of de zitdag. Impact op de schuldeisers: Net zoals voordien, worden de in- en overgeschreven schuldeisers ofwel opgeroepen bij de machtigingspro- cedure ofwel om de verkoopverrichtingen te volgen. Er wordt thans bepaald dat twee categorieën van schuld- eisers eveneens moeten worden opgeroepen: — de schuldeiser die een pauliaanse vordering heeft ingesteld en deze heeft doen kantmelden; — de schuldeiser die een registratie in het Pandregister heeft uitgevoerd, in de mate zijn recht betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed. Bij de vorige wijziging naar aanleiding van de insolventiewet van 11 augustus 2017 werd immers onvoldoende rekening gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het Pandregister werd opgericht. Het gaat telkens om schuldeisers die een inschrijving hebben op het te verkopen onroerend goed, waaraan de nodige publiciteit is verleend. Het doel van de zuivering Ces modifications ont été écrites en collaboration avec la Fédération Royale du Notariat belge. 1. La purge La purge est le moyen pour faire disparaître automa- tiquement les inscriptions qui figurent sur le certificat hypothécaire. L’objectif est que l’acheteur acquiert le bien acheté sans charges. Pour réaliser une vente purgeante, il faut se trouver dans le cadre d’une vente judiciaire (par exemple, une vente sur saisie) ou une vente amiable sous forme judiciaire (par exemple une vente avec un mineur). En outre, les différents créanciers qui disposent d’une sûreté réelle publiée sur le bien immobilier doivent être associés à cette vente. Cela peut se faire de deux manières: — appel à la procédure d’autorisation: parce que les créanciers sont appelés devant le tribunal, ils peuvent se faire entendre. Le juge peut tenir compte de leurs éven- tuels contredits (par exemple prévoir un prix minimum); — appel à suivre les opérations de vente: dans le cadre d’une vente publique, la ratio legis est que les créanciers eux-mêmes puissent faire une enchère s’ils estiment que le prix offert n’est pas suffisant pour satisfaire leur dette. Ils sont donc invités à suivre les opérations de vente en les informant de la période d’enchères ou du jour de séance. Impact sur les créanciers: Comme auparavant, les créanciers inscrits et trans- crits sont appelés soit à la procédure d’autorisation soit à suivre les opérations de vente. Il est désormais prévu que deux catégories de créanciers doivent également être appelées: — le créancier qui a introduit une action paulienne et l’a mentionnée en marge; — le créancier qui a effectué un enregistrement dans le Registre des gages, dans la mesure où son droit concerne le bien immobilier à vendre. Par la précédente modification suite à la loi sur l’insolvabilité du 11 août 2017, elle ne tenait en effet pas suffisamment compte de la nouvelle loi sur le gage, par laquelle le Registre des gages a été instauré. Cela concerne à chaque fois des créanciers qui dis- posent d’une inscription sur le bien immobilier à vendre, qui a fait l’objet d’une publicité adéquate. L’objectif de 3552/001 DOC 55 22 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E is immers deze publiciteit te doen verdwijnen zodat de koper een goed aankoopt waaraan geen lasten ver- bonden zijn. Indien de oproeping van de schuldeisers reeds heeft plaatsgevonden en er nadien een nieuwe schuldeiser overgaat tot een inschrijving of overschrijving, wordt er thans voorzien dat de verkoop eveneens zuiverend is ten aanzien van deze schuldeiser. Dit houdt in dat zijn in- of overschrijving kan worden doorgehaald met het notarieel getuigschrift op grond van artikel 1653 van het Gerechtelijk Wetboek. Zijn schuldvordering wordt echter in ieder geval opgenomen in de rangregeling, zodat hieraan geen nadeel is verbonden voor deze schuldeiser. Hij kan immers ook aanspraak maken op de verkoopopbrengst, maar kan de verkoop niet blok- keren. Onder de huidige wetgeving zou deze schuldeiser immers kunnen weigeren zijn doorhaling te verlenen, waardoor de hele procedure opnieuw opgestart zou moeten worden. Dit leidt ertoe dat er opnieuw heel wat kosten gemaakt moeten worden, terwijl het resultaat voor deze schuldeiser hetzelfde zal zijn (nl. dat hij betrokken wordt bij de verdeling van de prijs). Er wordt bevestigd dat de verkoop in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling zuiverend is mits oproeping van de opgesomde schuldeisers om de verkoopverrichtingen te volgen in geval van openbare verkoop of tot de machtigingsprocedure in geval van een verkoop uit de hand. Dit was reeds zo vóór de insolven- tiewet van 11 augustus 2017. Deze wet voorzag enkel een oproeping bij de machtigingsprocedure, terwijl dat niet voorzien is in geval van openbare verkoop. Impact op de schuldenaars en de beschermde personen: De schuldenaars/beschermde personen (of hun vertegenwoordigers) worden nog steeds betrokken bij de verkoopprocedure. Een nieuwigheid is dat de vereffenaar een machtiging kan vragen om een onroerend goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening zuiverend te kunnen verkopen. Dit is louter facultatief. De vereffenaar kan nog steeds beslissen zoals voordien om vrijwillig te verkopen. In ieder geval moeten de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen nog steeds nageleefd worden. Impact op de bekwame mede-eigenaars: Net zoals voordien, moeten de bekwame mede- eigenaars worden betrokken bij de verkoop (oproeping tot de machtigingsprocedure of om de verkoopverrich- tingen te volgen). la purge est en effet d’éliminer ces inscriptions afin que l’acheteur acquière un bien sans charges. Si l’appel des créanciers est déjà intervenu et qu’un nouveau créancier procède ensuite à une inscription ou une transcription, il est désormais prévu que la vente est également purgeante à l’égard de ce créancier. Cela signifie que son inscription et transcription peut être radiée avec le certificat notarié sur base de l’article 1653 du Code judiciaire. Cependant, sa créance sera reprise en tout état de cause dans l’ordre, de sorte que cela n’entraîne aucun désavantage pour ce créancier. Après tout, il peut également prétendre au produit du prix de la vente, mais ne peut pas bloquer la vente. En effet, en vertu de la législation actuelle, ce créancier pourrait refuser d’accorder la radiation, ce qui obligerait de recom- mencer à nouveau toute la procédure. Cela entraîne à nouveau beaucoup de frais alors que le résultat pour ce créancier sera le même (c’est-à-dire qu’il sera associé à la répartition du prix). Il est constaté que la vente dans le cadre d’une liqui- dation-partage judiciaire est purgeante sous réserve de l’appel des créanciers mentionnés à suivre les opéra- tions de vente dans le cas d’une vente publique ou à la procédure d’autorisation dans le cas d’une vente de gré à gré. C’était déjà ainsi avant la loi sur l’insolvabilité du 11 août 2017. Cette loi ne prévoyait qu’un appel à la procédure d’autorisation, alors qu’elle n’est pas prévue dans le cas d’une vente publique. Impact sur les débiteurs et personnes protégées: Les débiteurs/personnes protégées (ou leurs repré- sentants) sont toujours associés à la procédure de vente. Une nouveauté est que le liquidateur peut demander une autorisation pour un bien immobilier appartenant à une personne morale en liquidation pour obtenir une vente purgeante. Cette possibilité est purement facul- tative. Le liquidateur peut encore aussi décider comme auparavant de vendre volontairement. En tout état de cause, les dispositions du Code des sociétés et asso- ciations doivent toujours être respectées. Impact sur les copropriétaires capables: Comme précédemment, les copropriétaires capables doivent être associés à la vente (appel à la procédure d’autorisation ou à suivre les opérations de vente). 23 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Er wordt bevestigd dat de verkoop in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling zuiverend is mits oproeping van de opgesomde schuldeisers om de verkoopverrichtingen te volgen in geval van openbare verkoop of tot de machtigingsprocedure in geval van verkoop uit de hand. Dit was reeds zo vóór de insolven- tiewet van 11 augustus 2017. Deze wet voorzag enkel een oproeping bij de machtigingsprocedure, terwijl er geen machtigingsprocedure voorzien is in geval van openbare verkoop. Het betreft dus een rechtzetting van een vergetelheid. 2. De rangregeling Vervolgens bekijken we wat de wijzigingen zijn op het vlak van de rangregeling. De rangregeling is de verde- ling van de prijs tussen de verschillende schuldeisers op basis van de voorrechten en hypotheken. Het even- tuele saldo komt toe aan de schuldenaar/beschermde persoon. Indien er voldaan is aan de voorwaarden om van een zuiverende verkoop te spreken (zoals hierboven toegelicht), moet de notaris verplicht een rangregeling opstellen. Impact op de schuldeisers: De hierboven vermelde schuldeisers die werden op- geroepen, worden betrokken in de rangregeling (zoals voordien ook het geval was). Naast deze schuldeisers, moet de notaris bij een gewone rangregeling zoals steeds ook rekening houden met heel wat andere schuldeisers: alle in- en overschrij- vingen (ook al zou één van hen niet opgeroepen zijn), de vereniging van mede-eigenaars (ook al werd deze niet opgeroepen), de schuldeisers uit de beslagberichten, de fiscale en sociale notificaties, enz. Bij een verkorte rangregeling (bij een insolventiepro- cedure, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving of een onbeheerde nalatenschap), mag de notaris enkel rekening houden met de hypothe- caire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers. Dit was voordien ook reeds het geval. Op het vlak van de rangregeling verandert het voor- gaande dus niet ten aanzien van de schuldeisers. Indien er een pauliaanse vordering werd gekantmeld, kan deze schuldeiser eveneens voorkomen in de rangre- geling indien er nog geen uitspraak werd gedaan omtrent zijn vordering. De pauliaanse vordering heeft tot doel een schuldvordering vergoed te zien, waardoor hieraan voldaan wordt door deze schuldeiser te betrekken bij de verdeling van de prijs. Indien er nog geen definitieve beslissing is genomen over zijn schuldvordering, kan de Il est confirmé que la vente dans le cadre d’une liqui- dation-partage judiciaire est purgeante sous réserve de l’appel des créanciers cités à suivre les opérations de vente dans le cas d’une vente publique ou d’une procédure d’autorisation dans le cas d’une vente de gré à gré. C’était déjà le cas avant la loi sur l’insolvabilité du 11 août 2017. Cette loi ne prévoyait que l’appel à la procédure d’autorisation, alors qu’aucune procédure d’autorisation est prévue dans le cadre d’une vente publique. Il s’agit donc d’une rectification d’un oubli. 2. L’ordre L’ordre est la répartition du prix entre les différents créanciers sur base des privilèges et hypothèques. Le solde éventuel revient au débiteur/à la personne protégée. Si les conditions sont réunies pour parler d’une vente purgeante (comme expliqué ci-dessus), le notaire est tenu d’établir un ordre. Impact sur les créanciers: Les créanciers susmentionnés qui ont été appelés, sont inclus dans l’ordre (comme c’était le cas auparavant). En plus de ces créanciers, le notaire doit, dans une procédure d’ordre ordinaire, également tenir compte de nombreux autres créanciers: toutes les inscriptions et transcriptions (même si l’un d’entre eux n’a pas été appelé), l’association des copropriétaires (même si elle n’a pas été appelée), les créanciers du fichier central des avis, les notifications fiscales et sociales, etc. Dans le cas d’un ordre allégé (dans une procédure d’insolvabilité, une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire ou une succession vacante), le notaire peut seulement tenir compte des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux. C’était déjà le cas auparavant. En matière d’ordre, ce qui précède ne change donc pas à l’égard des créanciers. Si une action paulienne a été mentionnée en marge, ce créancier peut également figurer dans l’ordre si aucun jugement n’a été rendu quant à son action. L’action paulienne a comme objectif d’obtenir en compensation une créance, ce qui est atteint en incluant ce créancier dans la répartition du prix. Si aucune décision définitive n’a été prise quant à cette action, le notaire ne peut pas procéder au paiement. Il bloquera l’argent qui revient à 3552/001 DOC 55 24 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E notaris niet overgaan tot uitbetaling. Hij zal de gelden die toekomen aan deze schuldeiser blokkeren in afwachting van een definitieve beslissing van de rechtbank of een akkoord tussen de partijen. Volledigheidshalve merken we op dat het in de praktijk zelden voorkomt dat er een onroerend goed verkocht wordt in het kader van een gerechtelijke verkoop, waarbij er nog geen uitspraak werd gedaan over de pauliaanse vordering die het voorwerp uitmaakt van een kantmelding. Er wordt verder verduidelijkt hoe de notaris in zijn rangregeling te werk moet gaan indien een schuldvor- dering kan verhaald worden op meerdere onverdeelde eigenaars. In dat geval moet de notaris rekening houden met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te kunnen doen aan het on- deelbare karakter van de hypotheek. Dit kan uitgelegd worden aan de hand van een voorbeeld: Schuldeiser X heeft een schuldvordering van 100 lastens A en B. Indien het goed voor 60 % toebehoort aan A en voor 40 % aan B, zal deze schuldeiser in de rangregeling van A slechts in rekening worden genomen voor 60 % van de schuldvordering en in de rangregeling van B voor 40 % van de schuldvordering. Hij zal dus niet wil- lekeurig kunnen kiezen of hij zijn schuldvordering van 100 wenst te verhalen op A of B, naar gelang hetgeen hem het beste uitkomt. Zoals gezegd mag deze regeling geen afbreuk doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. Aan de hand van het hierboven vermelde voorbeeld komt dit op het volgende neer: indien het aandeel in de prijs van A reeds werd uitgeput door een hypothecaire schuldeiser in hogere rang, kan de hypothecaire schuldeiser X zijn volledige schuldvordering van 100 alsnog verhalen op het aandeel van B in het kader van de rangregeling. Hij maakt dan dus niet enkel aanspraak op 40 % van zijn schuldvordering lastens B. Deze uitzonderingsregel geldt echter enkel indien het om een hypothecaire schuldeiser gaat die zich zowel op A als B kan verhalen. Impact op de schuldenaars en de beschermde personen: Ten aanzien van de schuldenaars/beschermde per- sonen verandert er niets in het kader van de rangrege- ling. De schuldeisers die voordien betrokken werden, zullen nog steeds betrokken blijven (zie hierboven). Het eventuele saldo na betaling van alle schuldeisers, komt nog steeds toe aan de schuldenaar/de beschermde personen (of hun vertegenwoordigers). Aangezien de verkoop van een onroerend goed toe- behorend aan een rechtspersoon in vereffening thans zuiverend kan zijn, moet in dat geval eveneens een verkorte rangregeling opgemaakt worden (nl. betaling ce créancier dans l’attente d’une décision définitive du tribunal ou un accord entre les parties. Dans un souci d’exhaustivité, nous remarquons qu’en pratique, il est rare de voir un bien immobilier vendu dans le cadre d’une vente publique, dans laquelle aucune décision n’aurait encore été prise quant à l’action paulienne qui a fait l’objet d’une mention marginale. Il est en outre précisé comment le notaire doit procé- der dans son ordre si une créance peut être recouvrée auprès de plusieurs propriétaires indivis. Dans ce cas, le notaire doit tenir compte de la part de droit réel qui revient à chacun d’entre eux, sans pouvoir porter atteinte au caractère indivisible de l’hypothèque. Cela peut être expliqué à l’aide d’un exemple: un créancier X a une créance de 100 contre A et B. Si le bien appartient à A pour 60 % et à B pour 40 %, le créancier sera pris en considération dans l’ordre de A pour 60 % de sa créance et dans l’ordre de B pour 40 % de sa créance. Il ne pourra plus arbitrairement choisir s’il récupère sa créance de 100 sur A ou B, en fonction de ce qui lui convient le mieux. Comme mentionné, cet ordre ne peut affecter le caractère indivisible de l’hypothèque. Sur la base de l’exemple mentionné ci-dessus, cela revient à ce qui suit: si la part de A dans le prix a déjà été épuisée par un créancier hypothécaire d’un rang supérieur, le créancier hypothécaire X peut encore récupérer sa créance totale de 100 sur la part de B dans le cadre de l’ordre. Il ne doit donc pas limiter ses prétentions à 40 % de sa créance contre B. Cette exception vaut cependant uniquement s’il s’agit d’un créancier hypothécaire qui peut se retourner aussi bien contre A que contre B. Impact sur les débiteurs et les personnes protégées: En ce qui concerne les débiteurs/personnes protégées, rien ne change dans le cadre de l’ordre. Les créanciers qui ont été associés auparavant, resteront encore asso- ciés (voir ci-dessus). L’éventuel solde après le paiement de tous les créanciers reviendra toujours aux débiteurs/ personnes protégées (ou leurs représentants). Étant donné que la vente d’un bien immobilier appar- tenant à une personne morale en liquidation peut désor- mais être purgeante, un ordre allégé doit également être établi dans ce cas (c’est-à-dire le paiement des 25 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuld- eisers, waarna het saldo aan de vereffenaar wordt overgemaakt opdat deze met de overige schuldeisers rekening kan houden). Impact op de bekwame mede-eigenaars: Aangezien de verkoop in zijn geheel zuiverend is, moet er een rangregeling worden opgesteld voor alle mede-eigenaars. Voordien werd er nergens beschreven hoe de nota- ris te werk moest gaan voor de mede-eigenaar. Men kende enkel de volledige of de verkorte rangregeling (in uitzonderlijke gevallen). Nu wordt er een nieuwe soort rangregeling gecreëerd ten aanzien van de bekwame mede-eigenaar, zijnde de semi-verkorte rangregeling. De notaris zal dan rekening houden met de hypothe- caire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, evenals de ontvangen fiscale en sociale notificaties. Dit zijn dezelfde schuldeisers die de notaris zou betrekken bij een gewone, vrijwillige verkoop. 3. Doorhaling met het notarieel getuigschrift: Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel getuigschrift. Op deze manier kan de koper zich ervan verzekeren dat er geen last rust op het onroerend goed, zodat hij op zijn beurt bijvoorbeeld een hypotheek in eerste rang kan aangaan. Impact op de schuldeisers: Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel getuigschrift. Dit geldt voor alle in- en overschrijvingen, ook diegenen die men in uitzonderlijke gevallen vergeten is door te halen bij een eerdere verkoop. Te denken valt aan een verkoop die 20 jaar geleden plaatsvond, maar waarbij de doorhaling van een inschrijving nooit werd uitgevoerd. Indien dit onroerend goed thans verkocht wordt, is het soms onmogelijk om de initiële schuldeiser terug te vinden. Of nog, indien er op het onroerend goed een wettelijke hypotheek rust die werd genomen door een curator van een faillissement, terwijl dit faillissement intussen werd afgesloten en deze hypotheek vergeten werd door te halen. In dat geval is de curator niet langer bevoegd om deze inschrijving door te halen. In deze specifieke gevallen, is het opportuun om een “oude” inschrijving te kunnen doorhalen opdat de garantie ge- geven kan worden aan de koper dat hij een goed koopt vrij van in- en overschrijvingen. créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, après quoi le solde est versé au liquidateur afin qu’il puisse tenir compte des créanciers restants). Impact sur les copropriétaires capables: Dans la mesure où la vente est purgeante dans son intégralité, un ordre doit être établi pour chacun des copropriétaires. Auparavant, il n’était décrit nulle part comment le notaire devait procéder pour le copropriétaire. Nous ne connaissions que l’ordre complet ou l’ordre allégé (dans des cas exceptionnels). Maintenant il y a une nouvelle sorte d’ordre qui a été créée vis-à-vis du copropriétaire capable, à savoir l’ordre semi-allégé. Le notaire tiendra alors compte des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, ainsi que des notifications fiscales et sociales reçues. Ce sont les mêmes créanciers que ceux que le notaire associerait dans une vente volontaire ordinaire. 3. Radiation avec le certificat notarié: Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et transcriptions peuvent être radiées à l’aide du certificat notarié. De cette manière, l’acheteur peut s’assurer qu’il n’y a pas de charges sur le bien immobilier, de sorte qu’il peut à son tour prendre une hypothèque en premier rang, par exemple. Impact sur les créanciers: Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et transcriptions peuvent être radiées avec le certificat notarié. Cela vaut pour toutes les inscriptions et trans- criptions, y compris celles que l’on a exceptionnellement oubliées de radier lors d’une vente antérieure. C’est le cas par exemple d’une vente qui est intervenue il y a plus de 20 ans, mais pour laquelle la radiation de l’inscription n’a jamais été effectuée. Si le bien a été vendu aujourd’hui, il est parfois impossible de retrouver le créancier initial. Ou encore, si le bien immobilier est grevé d’une hypothèque légale qui a été prise par un curateur à faillite, alors que cette faillite a été clôturée entre-temps et l’on a oublié de radier cette hypothèque. Dans ce cas, le curateur n’est plus compétent pour radier cette inscription. Dans ces cas spécifiques, il est opportun de pouvoir radier une “vieille” inscription afin de pouvoir donner la garantie à l’acheteur qu’il achète un bien libre d’inscriptions et de transcriptions. 3552/001 DOC 55 26 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Impact op de schuldenaars en de beschermde personen: Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel getuigschrift. Dit geldt ten aanzien van alle categorieën van verkopers. Voordien bepaalde de wet immers enkel dat het over “de inschrijvingen lastens de beslagene” ging, maar aangenomen wordt dat dit eveneens geldt voor de gefailleerde, de minderjarige, de schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, … Dit is dus een bevestiging van de bestaande praktijk. Impact op de bekwame mede-eigenaars: Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel getuigschrift. Dit geldt ten aanzien van alle categorieën van verkopers, en dus ook de mede-eigenaars. De ver- koop van een onverdeeld goed is immers in zijn geheel zuiverend. Indien er dus een hypotheek werd genomen op het volledige onroerend goed, kan deze volledig worden doorgehaald. Dit is een bevestiging van hetgeen reeds voortvloeide uit de insolventiewet van 11 augustus 2017. Communicatie van anonieme gegevens van het Centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest Het betreft een wijziging in de Nederlandstalige versie van artikel 1389bis/7 van het Gerechtelijk Wetboek. Het woord “eensluidend” had bovendien geen meerwaarde, aangezien een negatief advies steeds tot gevolg heeft dat de gevraagde anonieme gegevens niet worden gecommuniceerd. Procedure collectieve schuldenregeling Inzake de procedure collectieve schuldenregeling wordt een technische revisie van de artikelen van het Gerechtelijk Wetboek alsook van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank (zie hoofdstuk 9) vooropgesteld. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit In overeenstemming met het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2023 van 26 januari 2023 is het noodzakelijk gebleken om artikel 23, § 5, van het- zelfde wetboek te wijzigen. Impact sur les débiteurs et les personnes protégées: Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et transcriptions peuvent être radiées avec le certificat notarié. Cela vaut à l’égard de toutes les catégories de vendeurs. Auparavant, la loi ne prévoyait que les “les inscriptions à charge du saisi”, mais il est admis qu’elle vaut également pour le failli, le mineur, le débiteur admis au règlement collectif de dettes, etc. Il s’agit donc d’une confirmation de la pratique existante. Impact sur les copropriétaires capables: Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et transcriptions peuvent être radiées avec le certificat notarié. Cela vaut à l’égard de toutes les catégories de vendeurs, et donc aussi les co-propriétaires. La vente d’un bien indivis est, en effet, purgeante dans sa tota- lité. Si une hypothèque a donc été prise sur l’ensemble du bien, elle peut être radiée dans sa totalité. Il s’agit d’une confirmation de ce qui résultait déjà de la loi sur l’insolvabilité du 11 août 2017. Communication des données anonymes du Fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt Il s’agit d’une correction linguistique dans la version néerlandophone de l’article 1389bis/7 du Code judiciaire. En outre, le terme “eensluidend” n’a aucune valeur ajoutée, puisqu’un avis négatif entraîne toujours la non- communication des données anonymes demandées. Procédure de règlement collectif de dettes Concernant la procédure en règlement collectif de dettes, il est proposé une révision technique des articles du Code judiciaire ainsi que de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’information de la Justice ainsi que de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés (voir chapitre 9). CHAPITRE 4 Modifications du Code de la nationalité belge En conformité avec l’arrêt de la Cour Constitutionnelle n° 13/2023 du 26 janvier 2023, il est apparu nécessaire de modifier l’article 23, § 5 du même Code. 27 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Naar aanleiding van de resolutie van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 9 juni 2022 – betreffende de erkenning dat kinderen in België illegaal werden geadopteerd, betreffende de erkenning van de betrok- kenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling van een administratief onderzoek dienaangaande – is bovendien een louter technische wijziging noodzakelijk gebleken teneinde in het Wetboek van de Belgische nationaliteit te vermelden wat er met de Belgische na- tionaliteit gebeurde mocht de adoptieve afstamming worden herroepen op grond van de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek of worden herzien op grond van artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek. HOOFDSTUK 5 Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Er wordt in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de so- ciaal verzekerde, de uitdrukkelijke vermelding ingevoegd van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme, onder een nieuwe litera h). Aldus bestaat er geen onduidelijkheid over de toepassing van artikel 1017, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek op slachtoffers van daden van terrorisme. Zo ook voorkomt deze verduidelijking elke twijfel over de toepassing van artikel 4, § 2, 3°, van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand aan slachtoffers van daden van terrorisme. HOOFDSTUK 6 Wijzigingen van Wetboek van economisch recht De wijzigingen van het Wetboek van economisch recht zijn het gevolg van de wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de zuivering van onroerende goe- deren, die hierboven werden toegelicht. HOOFDSTUK 7 Wijziging van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand De voorgestelde wijziging is zuiver technisch van aard. Het beoogt de ICT-afdeling iets meer tijd te geven En outre, suite à la résolution de la Chambre des représentants du 9 juin 2022 – visant à reconnaître la survenance de cas d’adoptions illégales en Belgique, à reconnaître les personnes concernées comme des victimes et à entamer une enquête administrative sur le sujet – une modification purement technique est apparue nécessaire en vue d’indiquer dans le Code de la nationalité belge ce qu’il advenait de la nationalité belge dans le cas où la filiation adoptive était révoquée, selon les articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil, ou révisée, selon l’article 351 de l’ancien Code civil. CHAPITRE 5 Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Il est inséré dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social, la mention explicite de la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au rem- boursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme sous un nouveau litera h). De cette manière, il ne reste aucune équivoque quant à l’application de l’article 1017, alinéa 2 du Code judiciaire aux victimes d’actes de terrorisme. De même, cette précision empêche tout doute quant à l’application de l’article 4, § 2, 3° de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne, aux victimes d’actes de terrorisme. CHAPITRE 6 Modifications du Code de droit économique Les modifications du Code de droit économique sont la conséquence des modifications du Code judiciaire en matière de purge d’immeubles, expliquées ci-dessus. CHAPITRE 7 Modification de de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne La modification proposée est de nature purement technique. Elle vise à donner un peu plus de temps au 3552/001 DOC 55 28 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E om alle computerapplicaties aan te passen wanneer het bedrag van de bijdrage aan het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een indexering die is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. HOOFDSTUK 8 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek De voorgestelde wijziging corrigeert een redactionele fout van artikel 1.8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek. HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Procedure collectieve schuldenregeling In de wet van 5 mei 2019 worden wat betreft de infor- matisering van de procedure van collectieve schuldenre- geling een aantal technische wijzigingen vooropgesteld. HOOFDSTUK 10 Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Het ontwerp voorziet ook in een technische correctie van een van de overgangsbepalingen van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betref- fende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen. service ICT pour adapter toutes les applications infor- matiques lorsque le montant de la contribution au fonds d’aide juridique est modifié à la suite d’une indexation prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017 ins- tituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne. CHAPITRE 8 Modification du Code civil La modification proposée corrige une erreur rédac- tionnelle de l’article 1.8, § 5, du Code civil. CHAPITRE 9 Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Procédure de règlement collectif de dettes Dans la loi du 5 mai 2019, un certain nombre de modifications techniques sont proposées en ce qui concerne l’informatisation de la procédure de règlement collectif des dettes. CHAPITRE 10 Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Le projet prévoit également une correction technique d’une des dispositions transitoires de la loi du 16 oc- tobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publica- tion des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés. 29 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart  1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen De wijzigingen beogen het rechtzetten van materiële vergissingen. HOOFDSTUK 12 Wijziging van de wet van 14 maart  2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken De wijzigingen beogen het rechtzetten van een ma- teriële vergissing. TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet bepaalt artikel 1 dat de ontwerpwet de aangelegenheden regelt bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Artikelen 2 en 7 Het gaat om technische bepalingen. Enerzijds voegen ze een verwijzing naar de verklaring van naamskeuze CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Les modifications visent à corriger des erreurs matérielles. CHAPITRE 12 Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale Les modifications visent à corriger une erreur matérielle. COMMENTAIRE DES ARTICLES CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er Conformément à l’article 83 de la Constitution, l’article premier précise que le projet de loi règle des matières visées à l’article 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Modifications de l’ancien Code civil Articles 2 et 7 Il s’agit de dispositions techniques. D’une part, elles ajoutent dans les mentions de l’acte de reconnaissance, 3552/001 DOC 55 30 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die wordt afgelegd door een volwassen kind toe aan de meldingen op de akte van erkenning. Dat zou meerderjarige kinderen de mogelijkheid moeten bieden een verklaring van naamskeuze af te leggen op het ogenblik van hun postnatale erkenning (geval bedoeld in artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek), zoals reeds het geval is voor de ouders van minderjarige kinderen (artikelen 51, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek). Anderzijds integreren ze niet enkel de verklaring van naamskeuze in het dossier van de aangifte van erken- ning maar ook de toestemming van het minderjarig kind met deze keuze zodat, indien het kind zijn goedkeuring niet geeft aan deze naamsverandering, deze aangifte zonder gevolg zal blijven en deze keuze niet vermeld zal worden in de akte van erkenning. De toestemming van het kind wordt uitgebracht op dezelfde wijze als voor de naamskeuze door de ouders. Art. 3 Het betreft een technische bepaling op grond waarvan het eventuele verband tussen de akte van naamsverande- ring van een meerderjarig kind die is opgemaakt op grond van het door deze tekst ingevoerde artikel 335sexies, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek en, in voorkomend geval, de akte van erkenning van de ouder die aan de basis van die naamsverandering ligt, kan worden vastgesteld. Het is niet nuttig om te voorzien in een nieuwe basis wanneer de akte van naamsverandering van het meer- derjarige kind haar grondslag vindt in een rechterlijke beslissing waarbij een afstammingsband van die ouder wordt betwist en/of vastgesteld, aangezien dat geval onder het toepassingsgebied van artikel 41, § 1, eerste lid, a), van het oud Burgerlijk Wetboek kan vallen. Art. 4 tot 6 en 8 Deze verschillende artikelen zijn aangepast om te antwoorden op een opmerking van het College van Hoven en Rechtbanken. Voor afstammelingen in de eerste graad lijkt het moeilijk om binnen de gestelde termijnen een akte van naamswijziging conform arti- kel 335sexies van het oude Burgerlijk Wetboek te laten opmaken indien de wet niet voorziet in regels voor de kennisgeving of betekening van de akte of beslissing die de afstamming van hun ouder wijzigt en die een impact kan hebben op hun naam. De opmerking van de Raad van State om de kennisge- vingsplicht van akten en beslissingen inzake afstamming uit te breiden tot nakomelingen in de eerste graad van une référence à la déclaration de choix de nom effectuée par un enfant adulte. Cela devrait permettre aux enfants majeurs d’effec- tuer une déclaration de choix de nom au moment de leur reconnaissance postnatale (hypothèse visée à l’article 51 de l’ancien Code civil) comme c’est déjà le cas pour les parents des enfants mineurs (article 51°, 5°, de l’ancien Code civil). D’autre part, elles intègrent non seulement la déclara- tion de choix de nom dans le dossier de déclaration de reconnaissance mais aussi le consentement de l’enfant mineur sur ce choix, de sorte que si l’enfant ne donne pas son aval à ce changement de nom, cette déclaration sera sans conséquence et ce choix ne sera pas men- tionné dans l’acte de reconnaissance. Le consentement de l’enfant est exprimé de la même façon que pour le choix de nom des parents. Art. 3 Il s’agit d’une disposition technique qui permet d’établir l’éventuel lien entre l’acte de changement de nom d’un enfant majeur établi sur base de l’article 335sexies, § 2, de l’ancien Code civil introduit par le présent texte, et, le cas échéant, l’acte de reconnaissance du parent qui est à l’origine de ce changement de nom. Il n’est pas utile d’établir une nouvelle base lorsque l’acte de changement de nom de l’enfant majeur trouve son fondement dans une décision judiciaire contestant et/ou établissant un lien de filiation de ce parent puisque cette hypothèse peut entrer dans le champ d’application de l’article 41, § 1er, alinéa 1er, a), de l’ancien Code civil. Art. 4 à 6 et 8 Ces différents articles sont adaptés pour répondre à une remarque formulée par le Collège des Cours et tribunaux. Il paraît en effet difficile aux descendants au premier degré de faire établir un acte de changement de nom conformément à l’article 335sexies de l’ancien Code civil dans les délais impartis si la loi ne prévoit pas de modalités de notification ou de signification de l’acte ou de la décision modifiant la filiation de leur parent qui pourrait avoir un impact sur leur nom. La remarque du Conseil d’État visant à élargir l’obli- gation de notification des actes et décisions relatifs à la filiation aux descendants au premier degré de parents 31 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E minderjarige ouders kan niet worden gevolgd. Het doel van deze kennisgeving is namelijk om kinderen van wie de naam geheel of gedeeltelijk bepaald is door de ouder van wie de naam vervolgens wordt gewijzigd als gevolg van een wijziging van diens afstamming, toe te laten een naamsverandering te laten akteren voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, zodat deze “opnieuw aansluit” met die van deze ouder in het jaar volgend op deze kennisgeving. Ter herinnering: deze aangifte kan enkel worden gedaan door een minderjarige die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt – ingevolge een andere opmerking van de Raad van State – of door een meerderjarige (artikel 335sexies, § 2 van het oud Burgerlijk Wetboek). Beneden de 12 jaar wordt de naamsverandering van de ouder van rechtswege opgelegd aan zijn kinderen (artikel 335sexies, § 1 van het oud Burgerlijk Wetboek). Waar het waar is dat een minderjarige kinderen kan krijgen zoals vastgesteld door de Raad van State, is het zeker dat de naamsverandering van deze minderjarige ouder ingevolge een wijziging van zijn afstamming zal worden opgelegd aan zijn eigen kinderen aangezien geen van hen de leeftijd van 12 jaar zal hebben bereikt voor hijzelf de meerderjarigheid heeft bereikt. Gezien het doel dat met deze kennisgeving wordt na- gestreefd, wordt niettemin voorgesteld de huidige tekst te wijzigen om de kennisgeving te beperken tot enkel de kinderen die de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt. Art. 9 Deze tekst brengt een aantal aanpassingen van wetge- vingstechnische aard aan de bestaande tekst aan. Voorts wordt hierin de formulering van verschillende bestaande zinnen verduidelijkt om ze begrijpbaarder te maken en wordt de structuur van de bepaling vereenvoudigd. Het zal de reikwijdte van bepaalde bestaande toe- kenningsregels specificeren, met name wanneer de vordering heeft geleid tot de vaststelling van een enkele afstammingsband (gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of moederschap) of het behoud van een enkele afstammingsband (betwisting van een vaderlijke of moederlijke afstammingsband): het kind krijgt de naam van de enige ouder die het nog heeft. Deze wijziging kan uiteraard enkel gebeuren met instemming van het kind ouder dan twaalf jaar of het meerderjarig kind (nieuw artikel 335, § 4, eerste lid van het oud Burgerlijk Wetboek). De tekst strekt tevens tot de verbetering van de co- herentie in het bestaande systeem om, in het licht van de evolutie van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de toekenningen van de naam aan gelijksoortige beginselen te onderwerpen, ongeacht de leeftijd van het betrokken kind. mineurs ne peut pas être suivie. En effet, l’objectif de cette notification est de permettre aux enfants dont le nom a été déterminé pour tout ou partie par le parent dont le nom est modifié ultérieurement à la suite d’un chan- gement de sa filiation, de faire acter un changement de nom devant l’officier de l’état civil afin qu’il “recolle” avec celui de ce parent dans l’année qui suit cette notification. Pour rappel, cette déclaration ne peut être effectuée que par un mineur ayant atteint l’âge de 12 ans – pour donner suite à une autre remarque du Conseil d’État – ou par un majeur (article 335sexies, § 2, de l’ancien Code civil). En deçà de l’âge de 12 ans, le changement de nom du parent s’imposera à ses enfants de plein droit (article 335sexies, § 1er, de l’ancien Code civil). S’il est vrai qu’un mineur peut avoir des enfants comme le relève le Conseil d’État, il est certain que le changement de nom de ce parent mineur à la suite d’une modification de sa filiation s’imposera à ses propres enfants dès lors qu’aucun de ceux-ci n’aura atteint l’âge de 12 ans d’ici la fin de sa minorité. Vu l’objectif poursuivi par cette notification, il est proposé de modifier tout de même le texte actuel afin de limiter la notification aux seuls enfants ayant atteint l’âge de 12 ans. Art. 9 Ce texte apporte au texte existant, un certain nombre d’adaptations d’ordre légistique. En outre, il clarifie la formulation de plusieurs phrases existantes pour en améliorer la compréhension et simplifie la structure de la disposition. Il précisera la portée de certaines règles d’attribution existantes, en particulier lorsque l’action a abouti à l’établissement d’un lien de filiation unique (action en recherche en paternité ou en maternité) ou au maintien d’un seul lien de filiation (action en contestation d’un lien de filiation maternel ou paternel): l’enfant portera le nom du seul parent qui lui reste. Bien évidemment, ce chan- gement ne pourra avoir lieu, qu’avec le consentement de l’enfant de plus de douze ans ou de l’enfant majeur (nouvel article 335, § 4, alinéa 1er, de l’ancien Code civil). Le texte veille également à améliorer la cohérence dans le système existant pour soumettre, au regard de l’évolution de la jurisprudence de la Cour constitutionnelle, les attributions du nom à des principes similaires, peu importe l’âge que peut avoir l’enfant concerné. 3552/001 DOC 55 32 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voor de naamskeuze van minderjarige kinderen en die van meerderjarige kinderen zullen in de toekomst namelijk soortgelijke mogelijkheden gelden. De ouders – indien het kind minderjarig is – of de meerderjarige kinderen zullen de mogelijkheid hebben om een naamskeuze uit te oefenen bij de vaststelling van een tweede afstam- mingsband, ongeacht of dat voor de ambtenaar van de burgerlijke stand of voor de familierechtbank gebeurt. Om die reden kunnen meerderjarige kinderen voort- aan een verklaring van naamskeuze afleggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand op het ogenblik van de erkenning van de tweede afstammingsband. Het is aan hen en niet aan hun ouders om dat te doen (toekom- stig artikel 335, § 3, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). De nadere regels voor die verklaring zullen soortgelijk zijn als die voor de verklaring van de ouders voor een minderjarig kind. In het licht van de conclusies van arrest nr. 48/2022 zou de keuze van een nieuwe naam door het meerder- jarige kind ter gelegenheid van de vaststelling – voor de eerste maal – van een tweede afstammingsband via gerechtelijke weg (vordering tot onderzoek naar de afstammingsband), terwijl de eerste afstammingsband reeds eerder was vastgesteld, voortaan mogelijk moeten zijn. Aangezien het de bedoeling van de opstellers is om de procedures inzake naamskeuze met betrekking tot minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen, zouden de leringen van het arrest van het Grondwettelijk Hof moeten worden uitgebreid naar minderjarige kinderen. Zoals de meerderjarige kinderen zullen de kinderen van meer dan twaalf jaar voortaan ook de mogelijkheid moeten hebben om hun toestemming in een naamsver- andering te geven, welke ook de procedure bedoeld in artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek is die aan de basis ervan ligt (procedure voor de ambtenaar van de burgerlijk stand of gerechtelijke procedure) aangezien ze het recht op een naam hebben. Een verzet van hun kant zou de verklaring van naamskeuze van de ouders kunnen tegenhouden. De opmerking van de Raad van State met betrekking tot artikel 335, § 3, vijfde lid (dat het derde lid wordt) van het oud Burgerlijk Wetboek kan worden gevolgd: ook dit lid wordt opgeheven aangezien de ambtenaar van de burgerlijke stand de naam van een kind in het jaar volgend op de postnatale erkenning niet meer zal kun- nen wijzigen, daar deze naamsverandering voortaan zal worden geakteerd op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Bovendien wordt de wijziging van de naam vermeld in de akten van de burgerlijke stand van En effet, le choix de nom des enfants mineurs et celui des enfants majeurs obéiront dans le futur à des facultés similaires. Les parents – si l’enfant est mineur – ou les enfants majeurs auront la faculté d’exercer un choix de nom à l’occasion de l’établissement d’un second lien de filiation, que ce soit devant l’officier de l’état civil ou devant le tribunal de la famille. C’est pourquoi, les enfants majeurs pourront doré- navant effectuer une déclaration de choix de nom au moment de la reconnaissance du deuxième lien de filiation devant l’officier de l’état civil. C’est à eux et pas à leurs parents de la faire (futur article 335, § 3, alinéa 2, de l’ancien Code civil). Les modalités de cette déclaration seront semblables à celles de la déclaration des parents pour un enfant mineur. Au regard des conclusions de l’arrêt n° 48/2022, le choix d’un nouveau nom par l’enfant majeur à l’occasion de l’établissement, pour la première fois, d’un deuxième lien de filiation par la voie judiciaire (action en recherche d’un lien de filiation), alors que le premier lien de filiation était déjà établi antérieurement, devrait désormais être possible. Dans la mesure où l’objectif des auteurs est de rapprocher autant que possible les procédures de choix de nom concernant les enfants mineurs et majeurs, les enseignements de l’arrêt de la Cour constitutionnelle devraient être étendus aux enfants mineurs. À l’instar des enfants majeurs, les enfants de plus de douze ans auront aussi désormais la possibilité d’exprimer leur consentement à un changement de nom, quelle que soit la procédure visée à l’article 335 de l’ancien Code civil qui en est à l’origine (procédure devant l’officier de l’état civil ou procédure judiciaire) puisqu’ils ont le droit à un nom. Une opposition de leur part pourrait tenir la déclaration de choix de nom des parents en échec. La remarque du Conseil d’État à propos de l’article 335, § 3, alinéa 5, (qui devient l’alinéa 3) de l’ancien Code civil peut être suivie: cet alinéa sera également abrogé puisque l’officier de l’état civil ne pourra plus modifier le nom d’un enfant dans l’année qui suit la reconnaissance postnatale, ce changement de nom devant désormais être acté au moment de la déclaration de reconnaissance. En outre, la modification du nom mentionnée dans les actes de l’état civil de la personne concernée et de ses descendants au premier degré est réglée dorénavant 33 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de betrokkene en zijn nakomelingen in de eerste graad voortaan geregeld in het nieuwe artikel 335, § 5, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het artikel werd in die zin aangepast. Het voorstel van de Raad van State om in het nieu- we artikel 335, § 4, eerste lid, van het oude Burgerlijk Wetboek de woorden “of meerderjarigheid” te schrap- pen, kan worden gevolgd. Deze woorden zijn inderdaad overbodig, aangezien de toestemming van het kind om zijn naam te veranderen vereist is vanaf het moment dat het de leeftijd van 12 jaar bereikt. Het artikel werd in die zin aangepast. Art. 10 Bij dit artikel wordt voor de meemoeders een rege- ling ingevoerd die vergelijkbaar is met degene waarin in artikel 9 is voorzien. Voor het overige wordt verwezen naar de bespreking van dat artikel. De opmerkingen van de Raad van State zijn identiek aan die gemaakt met betrekking tot artikel 335 van het oude Burgerlijk Wetboek en kunnen worden gevolgd. Het artikel werd in die zin aangepast. Voor het overige wordt ook verwezen naar het commentaar op artikel 9. Art. 11 De betrokkenen zouden niet langer naar een andere overheid moeten worden doorgestuurd om akte te laten nemen van een naamskeuze, zoals voorheen het geval was. De praktijk wijst uit dat dit een bron van problemen vormt (moeilijkheden met betrekking tot de integratie van de nieuwe naam in de DABS, onzekerheden over de naam van het kind…). In de toekomst zal de rechter – los van elk verzoek- schrift in die zin – akte nemen van de naam – zelfs indien die niet wordt gewijzigd – of de nieuwe naam in zijn be- slissing die leidt tot de vaststelling of de betwisting van een afstammingsband, zulks teneinde elke onzekerheid in dat verband te ondervangen en omdat het gaat om een gevolg van de afstamming. Het heeft weinig belang of de naam is gekozen door het meerderjarige kind of de ouders of door de wet is opgelegd (omdat de partijen die keuze niet maken of daartoe het recht niet hebben). De rechter moet daarentegen de impact van de naamsverandering van het kind op de naam van diens eigen kinderen (in het wetsontwerp: de afstammelingen in de eerste graad) niet vaststellen. Zijn kinderen zijn dans le nouvel article 335, § 5, de l’ancien Code civil. L’article a été adapté en ce sens. La suggestion du Conseil d’État de supprimer les mots “ou l’âge de la majorité” dans le nouvel article 335, § 4, alinéa 1er, de l’ancien Code civil peut être suivie. Ces mots sont en effet superflus puisque le consentement de l’enfant au changement de son nom est requis à partir du moment où celui-ci atteint l’âge de 12 ans. L’article a été adapté en ce sens. Art. 10 Cet article établit pour les coparentes un régime similaire à celui mis en place par l’article 9. Il est renvoyé aux commentaires de cet article pour le surplus. Les remarques du Conseil d’État sont identiques à celles formulées à propos de l’article 335 de l’ancien Code civil et peuvent être suivies. L’article a été adapté en ce sens. Il est renvoyé également aux commentaires de l’article 9 pour le surplus. Art. 11 Les personnes concernées ne devraient plus être renvoyées vers une autre autorité pour faire acter un choix de nom comme c’était le cas auparavant. Il s’agit d’une source de difficultés comme l’indique la pratique (difficultés d’intégration du nouveau nom dans la BAEC, incertitudes sur le nom de l’enfant, …). À l’avenir, indépendamment de toute requête formulée en ce sens, le juge actera le nouveau nom dans sa déci- sion aboutissant à l’établissement ou à la contestation d’un lien de filiation et ce, pour pallier toute incertitude à ce sujet et parce qu’il s’agit d’un effet de la filiation. Il importe peu qu’il soit choisi par l’enfant majeur ou les parents, ou imposé par la loi (parce que les parties ne font pas ce choix ou ne sont pas en droit de le faire). En revanche, le juge ne devra pas constater l’impact qu’aura le changement de nom de l’enfant sur le nom de ses propres enfants (dans le projet de texte, les descendants au premier degré). Ses enfants ne sont 3552/001 DOC 55 34 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E namelijk geen partij bij de procedure en de beslissing van de rechtbank inzake de afstamming van de ouder heeft geen enkele weerslag op hun eigen afstamming en sensu stricto op de gevolgen daarvan. De onzekerheid over de naam van de kinderen van ouders van wie de afstamming wordt gewijzigd is in dit geval ook minder groot dankzij de voorgestelde wetswijziging. Het nieuwe artikel 335sexies van het oud Burgerlijk Wetboek voorziet namelijk in een automatische overdracht van de naam van de ouder van wie de afstamming is gewijzigd aan de minderjarige afstammelingen in de eerste graad indien deze naam hun werd toegekend. In dat geval moet de ambtenaar van de burgerlijke stand overgaan tot de wijziging van de vermelding van de naam in de akten van de kinderen, op dezelfde wijze als hij moet doen voor de akten van de ouder waarin die voorkomt. Als een of meer kinderen van de bij de verandering van afstamming betrokken ouder meerderjarig zijn, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand niet op eigen ini- tiatief optreden. Hun naamsverandering berust namelijk op een instemming en is de uiting van een persoonlijke keuze die niet verbindend is voor de andere kinderen die uit dezelfde ouders geboren zijn. Die instemming zal worden uitgedrukt in de vorm van een stap die ze moeten ondernemen: ze zullen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand moeten vragen om een akte van naamsverandering te laten opmaken. Art. 12 In de praktijk is gebleken dat er een aantal moeilijk- heden zijn op het stuk van de tenuitvoerlegging van artikel 370/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek waarin is bepaald dat namen en voornamen slechts gewijzigd of verbeterd kunnen worden op de wijze en in de gevallen bepaald door de wet. Dit geval wordt echter niet uitdrukkelijk vermeld in de wet. Daarom bekrachtigt de tekst de automatisering van de naamsverandering van de kinderen voortaan uitdrukkelijk in de wet ingeval de naam van de ouder wordt gewijzigd wegens de wijziging van een afstammingsband. Aldus wordt getracht te voorkomen dat deze kinderen of hun vertegenwoordigers een administratieve procedure tot naamsverandering – die gepaard gaat met onzekerheid en kosten – moeten instellen om de situatie te regulariseren. Er moet een en ander worden verduidelijkt over het toepassingsgebied van die nieuwe bepaling. Ze betreft en effet pas partie à la procédure, et la décision du tri- bunal sur la filiation du parent n’aura aucune incidence sur leur propre filiation et, sensu stricto, sur les effets qui en découlent. L’incertitude qui plane sur le nom des enfants des parents dont la filiation est modifiée est aussi moins grande dans ce cas-ci grâce à la modification législative proposée. Le nouvel article 335sexies de l’ancien Code civil prévoit en effet une transmission automatique du nom du parent dont la filiation a été modifiée, aux descendants mineurs au premier degré si ce nom leur a été attribué. Dans ce cas, l’officier de l’état civil devra procéder à la modification de la mention du nom dans les actes des enfants au même titre qu’il doit le faire pour les actes du parent dans lesquelles elle apparaît. Si un ou plusieurs enfants du parent concerné par le changement de filiation sont majeurs, l’officier de l’état civil ne pourra pas intervenir d’initiative. De fait, leur changement de nom repose sur un consente- ment et est l’expression d’un choix personnel qui ne peut s’imposer aux autres enfants issus des mêmes parents. Ce consentement sera exprimé sous la forme d’une démarche qu’ils devront accomplir: il faudra qu’ils demandent à l’officier de l’état civil de faire établir un acte de changement de nom. Art. 12 La pratique a révélé un certain nombre de difficultés liées à la mise en œuvre de l’article 370/1, alinéa 2, de l’ancien Code civil selon lequel les changements de nom ne peuvent avoir lieu que de la manière et dans les cas prévus par la loi. Or, cette hypothèse n’est pas expressément retenue par la loi. C’est la raison pour laquelle le texte consacre désor- mais expressément dans la loi l’automatisation du chan- gement de nom des enfants en cas de changement du nom du parent pour cause de modification d’un lien de filiation. On cherche ainsi à éviter que ces enfants ou leurs représentants ne doivent recourir à une procédure de changement de nom par la voie administrative – qui est synonyme d’incertitude et de frais – pour régulariser la situation. Il convient d’apporter quelques précisions sur le champ d’application de cette nouvelle disposition. Elle concerne 35 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zowel de kinderen bij wie de naam van de betrokken ouder volledig is overgedragen als de kinderen aan wie een dubbele naam is toegekend, waaronder de naam van de ouder van wie de naam is gewijzigd. In dat laatste geval, moet de dubbele naam van de kinderen gedeeltelijk worden gewijzigd, te weten de naam van de ouder van wie de afstamming is gewijzigd. Dat principe is evenwel niet absoluut. Overeenkomstig artikel 335, § 4, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek kan de naam van een meerderjarige enkel worden gewijzigd indien hij daarmee heeft ingestemd. De amb- tenaar van de burgerlijke stand kan niet meer op eigen initiatief handelen; het is aan het meerderjarige kind om de nodige stappen te ondernemen om akte te laten nemen van zijn instemming in de vorm van een akte van naamsverandering. Er is wel degelijk sprake van een akte van naamsverandering en niet van een akte van verklaring van naamskeuze omdat het geen nieuwe naam toegekend krijgt, maar zijn naam wordt gewijzigd wegens de naamsverandering van de ouder van wie de afstamming wordt gewijzigd. Als het meerderjarige kind daarom verzoekt, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand geen andere keuze hebben dan een akte van naamsverandering op te maken, zonder dat hij de mogelijkheid heeft om de situatie die hem wordt voorgelegd, te beoordelen. Tenslotte doet hij niet meer dan de naam van het kind in overeenstemming brengen met wat in artikel 335 of artikel 335ter van het oud Burgerlijk Wetboek bepaald is, namelijk dat het kind geen andere naam mag dragen dan degene die het van zijn ouders heeft gekregen. De rechterlijke beslissing of de door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte waarin akte is genomen van de nieuwe naam van de ouder zal als basis dienen bij de opmaak van de akte van naamsver- andering van de kinderen. In de tekst wordt uitgegaan van een termijn van één jaar voor een dergelijke stap. Zo wordt voorkomen dat er te lang onzekerheid blijft bestaan terwijl die keuze gevolgen heeft voor een aangelegenheid van openbare orde, en krijgt het kind enige bedenktijd om te beslissen of het de naam wil blijven dragen die het reeds vele jaren heeft. De Raad van State wijst er terecht op dat onder deze hervorming een naamsverandering slechts kan gebeuren met instemming van het kind dat de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt (art. 335, § 4, eerste lid, en 335ter, § 3, eerste lid). lid van het oud Burgerlijk Wetboek). Hieruit volgt dat een naamswijziging met toepassing van ar- tikel 335sexies van het oud Burgerlijk Wetboek niet kan worden opgelegd aan een kind dat deze leeftijd heeft bereikt. Net als voor meerderjarigen zal hij zijn autant les enfants dont le nom du parent concerné a été transmis dans son intégralité que les enfants à qui un double nom a été attribué, dont celui du parent dont le nom a été modifié. Dans cette dernière hypothèse, une modification partielle du double nom des enfants s’imposera, celle constituée par le nom du parent dont la filiation a été modifiée. Ce principe n’est toutefois pas absolu. Conformément à l’article 335, § 4, alinéa 1er, de l’ancien Code civil, le changement du nom d’une personne majeure n’est possible que s’il a donné son consentement. L’officier de l’état civil ne peut plus agir d’initiative, c’est à l’enfant majeur de faire les démarches nécessaires pour que son consentement soit acté sous la forme d’un acte de changement de nom. Il est bien question d’un acte de changement de nom, pas d’un acte de déclaration de choix de nom puisqu’on ne lui attribue pas un nouveau nom, on le modifie en raison du changement de nom du parent dont la filiation est modifiée. Si l’enfant majeur en fait la demande, l’officier de l’état civil n’aura d’autre choix que d’établir un acte de changement de nom, sans possibilité d’apprécier la situation qui lui est soumise. Après tout, il ne fait que mettre le nom de l’enfant en concordance avec le prescrit de l’article 335 ou de l’article 335ter de l’ancien Code civil, selon lequel l’enfant ne peut porter d’autre nom que celui qu’il tient de ses parents. La décision judiciaire ou l’acte établi par l’officier de l’état civil dans lequel est acté le nouveau nom du parent servira de base à l’établissement de l’acte de changement de nom des enfants. Le texte table sur un délai d’un an pour faire cette démarche. On évite ainsi de laisser planer l’incertitude trop longtemps alors que ce choix affecte une matière d’ordre public, tout en laissant à l’enfant un certain temps de réflexion pour déterminer s’il veut continuer à porter le nom qu’il a déjà depuis de nombreuses années. Le Conseil d’État fait remarquer à juste titre qu’en vertu de la présente réforme, un changement de nom ne peut avoir lieu qu’avec l’accord de l’enfant ayant atteint l’âge de 12 ans (articles 335, § 4, alinéa 1er, et 335ter, § 3, alinéa 1er, de l’ancien Code civil). Il en découle qu’un changement de nom par application de l’article 335sexies de l’ancien Code civil ne peut pas s’imposer à l’enfant ayant atteint cet âge. Comme c’est le cas pour les majeurs, il devra apporter la preuve de 3552/001 DOC 55 36 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E toestemming moeten bewijzen door een verklaring af te leggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand die zal leiden tot het opmaken van een akte van naams- verandering. Deze bepaling werd in die zin aangepast. Zoals hetgeen voorzien is bij de voornaamsverandering in geval van wijziging van de registratie van het geslacht, zal hij daarbij worden bijgestaan door zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger als hij een niet-ontvoogde minderjarige is (artikel 370/3, § 4, lid 2 van het voormalige Burgerlijk Wetboek). Art. 13 Het betreft een wijziging van louter technische aard, die de wijziging van een verwijzing beoogt na de opheffing van artikel 1253ter/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 14 Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 55/2022 van 21 april 2022 geoordeeld dat door niet te voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming bij een omzetting in een volle adoptie in de situatie dat het oorspronkelijk land van herkomst de adoptie wel kent, maar de omzetting niet, huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 21 van het IVRK, schendt. Binnen de huidige context van de wet is een aanwijzing van een voogd ad-hoc immers niet mogelijk wanneer de omzetting in een volle adoptie van een in België erkende interlandelijke adoptie die de bestaande band van afstamming niet verbreekt. In dat geval bepaalt huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek dat een dergelijke adoptie in België in een volle adoptie kan worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c) oud BW, zijn gegeven of wor- den gegeven met het oog op een adoptie met dergelijke gevolgen. De toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c) oud BW zijn die “van het kind in de adoptie, wanneer zij vereist is” en die “van de andere personen, instel- lingen en autoriteiten van wie de toestemming tot de adoptie is vereist”. De wet voorziet momenteel niet in een vervangende toestemming wanneer de vereiste toestemmingen onmo- gelijk gegeven kunnen worden, omdat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en er geen wettelijke vertegen- woordiger is. son consentement en faisant une déclaration devant l’officier de l’état civil qui aboutira à l’établissement d’un acte de changement de nom. Cette disposition a été adaptée en ce sens. À l’instar de ce qui est prévu pour le changement de prénom en cas de modification de l’enregistrement du sexe, il se fera assister dans cette démarche par ses parents ou son représentant légal s’il est mineur non émancipé (article 370/3, § 4, alinéa 2, de l’ancien Code civil). Art. 13 Il s’agit d’une modification purement technique visant à modifier un renvoi à la suite de l’abrogation de l’ar- ticle 1253ter/1, § 3, du Code judiciaire. Art. 14 Dans son arrêt n° 55/2022 du 21 avril 2022, la Cour constitutionnelle a jugé qu’en ne prévoyant pas de mécanisme de consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière dans le cas où le pays initial d’origine connaît l’adoption, mais pas la conversion, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil viole les articles 10, 11 et 22bis de la Constitution, lus en combinaison ou non avec les articles 3 et 21 de la CIDE. Dans le contexte actuel de la loi, la désignation d’un tuteur ad-hoc n’est en effet pas possible lorsque la conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale reconnue en Belgique ne rompt pas le lien préexistant de filiation. Dans ce cas, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil prévoit qu’une telle adoption peut être convertie en Belgique en une adoption plénière si les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de l’ancien Code civil ont été donnés ou sont donnés en vue d’une adoption produisant cet effet. Les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de l’ancien Code civil sont celui “de l’enfant à l’adop- tion, lorsqu’il est requis” et celui “des autres personnes, institutions et autorités dont le consentement est requis pour l’adoption”. Actuellement, la loi ne prévoit pas de consentement de remplacement lorsque les consentements requis ne peuvent pas être donnés parce que les parents d’origine sont inconnus et qu’il n’y a pas de représentant légal. 37 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Om die reden wordt in artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek een bijkomend lid ingevoegd dat voorziet in een mechanisme van vervangende toestem- ming voor de toestemmingen voorzien in artikel 361-4, 1°, c), zoals ook voorzien is in artikel 361-5 van het oud Burgerlijk Wetboek. Art. 15 Deze afdeling beoogt de verduidelijking van de in artikel 499/19, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegdheden van de bewindvoerder van de beschermde persoon die worden verlengd na het overlijden van de beschermde persoon aan de hand van een beschikking van de vrederechter, omdat de erfgenamen er lang over doen zich kenbaar te maken. Die bevoegdheden werden voor het laatst herzien door de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepa- lingen betreffende justitie. HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van Gerechtelijk Wetboek Art. 16 Dit artikel vult artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek aan met een tweede lid dat het recht vastlegt van een derde bij een in gezag van rechterlijk gewijsde gegane gerechtelijke beslissing om het gezag van gewijsde van die beslissing in te roepen tegen een persoon die partij was bij die beslissing, in het kader van een latere pro- cedure waarin eenzelfde geschilpunt wordt behandeld (de terminologie in de Franse versie van de tekst werd gewijzigd van “point litigieux” tot “question litigieuse” naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State, in advies nr. 72.359.). Het gaat om de formele bekrachtiging van jurispru- dentiële beslissingen van het Hof van Cassatie die in dezelfde richting gaan en door de doctrine omschreven als “een uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde” (H. Boularbah, “Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice” noot onder Cass. 26 november 2009, T.B.H. 2001, 119). Het Hof heeft namelijk de mogelijkheid bevestigd voor een derde om zich jegens één van de partijen bij een gerechtelijke beslissing te beroepen op het gezag van gewijsde van die beslissing, eerst in een arrest van 26 november 2009 inzake verzekeringen en- vervolgens deze uitlegging herhaald in een recent arrest van 9 januari 2020 door het uit te breiden tot het gebied van hoofdelijke aansprakelijkheid (Cass. 9 januari 2020, R.G.D.C., 2021/1, 73). De meerderheid van de rechtsleer C’est pour cette raison qu’il est ajouté à l’article 359-2 de l’ancien Code civil un alinéa prévoyant un mécanisme de consentement de remplacement des consentements prévus à l’article 361-4, 1°, c), comme celui prévu à l’article 361-5 de l’ancien Code civil. Art. 15 L’objectif de cette section est de clarifier les com- pétences de l’administrateur de la personne protégée prolongées après le décès de la personne protégée par une ordonnance du juge de paix, visées à l’article 499/19, § 2, de l’ancien Code civil parce que les héritiers tardent à se faire connaître. Ces compétences ont été revues pour la dernière fois par la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions diverses en matière de justice. CHAPITRE 3 Modifications du Code judiciaire Art. 16 Le présent article complète l’article 23 du Code judi- ciaire par un second alinéa qui consacre le droit pour un tiers à une décision de justice ayant autorité de chose jugée, d’invoquer l’autorité de chose jugée de cette décision à l’encontre d’une personne qui y a été partie, dans le cadre d’une procédure ultérieure lors de laquelle une même question litigieuse est traitée (la terminologie utilisée dans la version française du texte a été modifiée de “point litigieux” à “question litigieuse” à la suite d’une remarque du Conseil d’État, dans l’avis n° 72.359). Il s’agit là de la consécration formelle de décisions jurisprudentielles prises par la Cour de Cassation et allant dans un même sens, qualifié “d’extension de l’effet positif de l’autorité de la chose jugée” par la doctrine (H. Boularbah, “Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice” note sous Cass. 26 novembre 2009, R.D.C., 2011/2, p. 122). La Cour a en effet affirmé la possibilité pour un tiers de se prévaloir de l’autorité de la chose jugée qui s’attache à une décision de justice à l’encontre d’une des parties à cette décision, d’abord dans un arrêt du 26 novembre 2009 en matière d’assurances, puis a réitéré cette interprétation dans un arrêt récent datant du 9 janvier 2020 en élargissant cette jurisprudence à la matière d’obligation solidaire (Cass. 9 janvier 2020, R.G.D.C., 2021/1, p. 73). La doctrine majoritaire semble 3552/001 DOC 55 38 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E blijkt de leer van bovengenoemde beslissingen reeds een algemene strekking te geven (H. BOULARBAH, “Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice?”, note sous Cass., 26 novembre 2009, R.D.C., 2011, p. 127, no 9; A. GILLET, “Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”, in Questions qui dérangent en droit judici- aire, coll. CUP, Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 à 259, n° 19.). Zelfs indien deze benadering niet unaniem is, beoogt de onderhavige wetswijziging in ieder geval de algemene toepassing van voornoemde leer van het Hof van Cassatie definitief en ondubbelzinnig vast te stellen. Het gezag van gewijsde dat aldus door de derde wordt ingeroepen tegen zijn wederpartij die partij was bij de beslissing die tegen hem is gericht, heeft tot gevolg dat deze wederpartij niet opnieuw zijn argumenten kan aanvoeren over een vraag of een geschilpunt waarover reeds bij een eerdere beslissing uitspraak werd gedaan. Aldus vormt het door de derde ingeroepen gezag van gewijsde tegen de partij waarop de ingeroepen beslis- sing betrekking heeft een onweerlegbaar vermoeden. Dit onweerlegbaar vermoeden kan worden ingeroepen door de derde, ongeacht of hij verweerder in de verdere procedure is dan wel eiser. Dit is aanvaardbaar voor zover het geen afbreuk doet aan het recht op een eer- lijk proces van de partij die wordt geconfronteerd met het gezag van gewijsde van een tegen haar gewezen beslissing, waarvan deze partij reeds in de loop van de eerdere gerechtelijke procedure de gelegenheid heeft gehad om haar standpunten en argumenten, zowel in feite als in rechte, over de besliste kwestie naar voren te brengen (H. BOULARBAH, op. cit.). Een en ander veronderstelt natuurlijk wel dat de feitelijke en juridische context waarin de derde zich erop beroept, identiek is aan de feitelijke en juridische context waarbinnen de uitspraak werd gedaan. Het toepassingsgebied van deze wijziging is derhalve vrij beperkt. Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van State, in zijn advies nr. 72/359, dient te worden verdui- delijkt dat de derde bij de beslissing vrij blijft om zich er al dan niet op te beroepen in een procedure tegen de partij waarop de beslissing in kwestie betrekking heeft, net zoals dat de partijen bij een beslissing vrij blijven om zich op een later tijdstip te beroepen op het gezag van gewijsde dat aan een eerdere beslissing is gekoppeld. In dat opzicht dient met name te worden gewezen op artikel 27 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechter uitdrukkelijk verbiedt de exceptie van gewijsde ambts- halve op te werpen tussen dezelfde partijen. De positieve werking van het gezag van gewijsde vormt namelijk als onweerlegbaar vermoeden een bewijsmiddel in de zin van artikel 8.7 van het Burgerlijk Wetboek. Het is dus de keuze van een partij om dit bewijsmiddel al dan niet op te werpen. Indien er verschillende beslissingen kunnen prêter d’ores et déjà une portée générale à l’enseigne- ment des décisions précitées (H. BOULARBAH, “Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice?”, note sous Cass., 26 novembre 2009, R.D.C., 2011, p. 127, no 9; A. GILLET, “Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”, in Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP, Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 à 259, n° 19.). Quand bien même cette approche ne serait pas unanime, la présente modification législative vise, dans tous les cas, à fixer définitivement et sans équivoque l’application générale de l’enseignement précité de la Cour de cassation. L’autorité de la chose jugée ainsi invoquée par le tiers à l’encontre de son adversaire qui a été partie à la décision qui lui est opposée, a pour conséquence l’impossibilité pour cet adversaire de faire à nouveau valoir ses arguments sur une question ou un point liti- gieux ayant d’ores et déjà été tranché par une décision précédente. Ainsi, l’autorité de la chose jugée opposée par le tiers à la partie qui a fait l’objet de la décision invoquée constitue donc une présomption irréfragable. Cette présomption irréfragable peut être invoquée par le tiers, que celui-ci soit défendeur à la procédure ulté- rieure ou demandeur. Elle est acceptable dans la mesure où elle n’affecte pas le droit au procès équitable de la partie qui se voit opposer l’autorité de chose jugée d’une décision dont elle a fait l’objet étant donné que cette partie a déjà eu l’occasion, dans le cadre de la procédure judiciaire antérieure, de faire valoir son point de vue et ses arguments, aussi bien de fait que de droit sur la question jugée (H. BOULARBAH, op. cit.). Cela suppose bien entendu que le contexte factuel et juridique dans lequel le tiers l’invoque soit identique au contexte factuel et juridique dans lequel la décision a été rendue. Le champ d’application de la présente modification est donc relativement limité. Suite à la remarque du Conseil d’État, dans son avis n° 72/359, il convient de préciser que le tiers à la décision reste libre de s’en prévaloir ou non dans le cadre d’une procédure qui l’oppose à la partie ayant fait l’objet de la décision en question, tout comme les parties à une décision restent libres de se prévaloir ultérieurement de l’autorité de la chose jugée attachée à une décision anté- rieure. À cet égard, il faut relever notamment l’article 27 du Code judiciaire qui, entre les mêmes parties, interdit expressément au juge de soulever d’office l’exception de chose jugée. En effet, l’effet positif de l’autorité de chose jugée constitue, en tant que présomption irréfragable, un moyen de preuve au sens de l’article 8.7 du Code civil. Il relève donc du choix d’une partie de soulever ou non ce moyen de preuve. Par ailleurs, s’il y a plusieurs décisions qui peuvent être invoquées, le tiers aura la possibilité de choisir celle ou celles qu’il invoquera tout 39 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E worden ingeroepen, zal de derde bovendien kunnen kiezen welke beslissing(en) hij inroept, of beslissen om geen enkele beslissing in te roepen. Hoewel het klopt dat de partij bij de eerdere beslissing zich niet zal kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van deze beslis- sing tegenover zijn nieuwe tegenstander (de derde bij de ingeroepen beslissing), dient de kritiek van de Raad van State in zijn advies nr. 72.359 evenwel te worden genuanceerd door te wijzen op een vaste rechtspraak op basis waarvan het een feit blijft dat elke gerechte- lijke beslissing “het rechtsbestel wijzigt”, hoewel het op grond van het beginsel van de relativiteit van het gezag van gewijsde niet mogelijk is het gezag van gewijsde van een beslissing ten aanzien van een derde in te roepen, en als dusdanig een bepaalde bewijswaarde met zich meebrengt (zie onder meer A. GILLET, “Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”, in: Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP, Limal, Anthemis, 2021, blz. 256 en 257, nr. 19, cit. A. Hoc en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Droit judici- aire, deel 2, Procédure civile, vol. 2, Voies de recours, blz. 432, nr. 9.263). Ze vormt namelijk een vermoeden juris tantum – een eenvoudig en wettelijk vermoeden – dat door de derde kan worden weerlegd middels te- genbewijs dat in het kader van een latere gerechtelijke procedure met enig rechtsmiddel wordt aangebracht of middels derdenverzet (J.-F. VAN DROOGHENBROECK en F. BALOT, “L’autorité de la chose jugée happée par la concentration du litige”, in: L’effet de la décision de justice – Contentieux européens, constitutionnel, civil et pénal, CUP, vol. 102, Brussel, Anthemis, 2008, blz. 174 tot 176, nr. 35 tot 38). De voorgaande toelichting komt erop neer dat de uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde er effectief toe kan leiden dat er op een be- paald moment een conflict van positieve werkingen van het gezag van gewijsde ontstaat, met andere woorden dat er verschillende tegenstrijdige gerechtelijke beslis- singen over eenzelfde geschilpunt zijn. De mogelijke oplossing voor die problematiek lijkt evenwel te liggen in artikel 1133, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 9 januari 2020, waarin het hof de identiteitsvoorwaarde van de partijen in het kader van de herroeping van het gewijsde versoepelt wegens de onverenigbaarheid van beslissingen die zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grond. Met deze wijziging wordt beoogd een definitieve vaststelling van een geschilpunt in een zelfde feite- lijke en juridische context mogelijk te maken waarvoor verschillende afzonderlijke gerechtelijke procedures kunnen worden gevoerd. Het valt niet te ontkennen dat de toepassing van een dergelijke regel eventueel zou kunnen leiden tot een lichte toename van het aantal comme il pourra décider de n’invoquer aucune d’elles. S’il est par ailleurs vrai que la partie à la décision antérieure ne pourra pas se prévaloir de l’autorité de chose jugée de cette décision face à son nouvel adversaire (le tiers à la décision invoquée), il importe toutefois d’apporter une nuance à la critique exprimée par le Conseil d’État dans son avis n° 72.359, en rappelant une jurisprudence fermement établie, selon laquelle bien que le principe de relativité de la chose jugée ne permette pas d’invoquer l’autorité de chose jugée d’une décision à l’encontre d’un tiers, il reste que toute décision judiciaire “modifie l’ordonnancement juridique” et emporte, à ce titre, une certaine force probante (voir entre autres A. GILLET, “Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”, in Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP, Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 et 257, no 19, citant A. Hoc et J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, Droit judiciaire, t. 2, Procédure civile, vol. 2, Voies de recours, p. 432, n° 9.263). Elle constitue en effet une présomption juris tantum – une présomption simple et légale – qui peut être renversée par le tiers au moyen soit d’une preuve contraire apportée par toute voie de droit dans le cadre d’une procédure judiciaire ultérieure ou encore par la voie de la tierce opposition (J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK et Fr. BALOT, “L’autorité de la chose jugée happée par la concentration du litige”, in L’effet de la décision de justice – Contentieux européens, constitutionnel, civil et pénal, CUP, vol. 102, Bruxelles, Anthemis, 2008, p. 174 à 176, n° 35 à 38). Les développements qui précèdent signifient que l’extension de l’effet positif de la chose jugée puisse en effet engendrer l’existence, à un moment donné, d’un conflit des effets positifs de l’autorité de chose jugée, c’est-à-dire l’existence de plusieurs décisions judiciaires contradictoires portant sur une même question litigieuse. Cette problématique semble toutefois pouvoir trouver sa solution dans l’article 1133, 3° du Code judiciaire tel qu’interprété par la Cour de Cassation dans son arrêt du 9 janvier 2020 dans lequel la Cour assouplit la condi- tion d’identité des parties dans le cadre de la requête civile pour motif d’incompatibilité de décisions rendues sur le même objet et la même cause. La présente modification vise à permettre de trancher définitivement une question litigieuse dans le cadre d’un contexte factuel et juridique identique susceptible d’impliquer plusieurs procédures judiciaires distinctes. Il ne peut être ignoré que l’application d’une telle règle serait éventuellement susceptible d’engendrer une légère augmentation du nombre de recours de la part de parties 3552/001 DOC 55 40 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E beroepen door partijen die vandaag genoegen zouden nemen met een rechterlijke beslissing, maar die er de voorkeur aan zouden geven om, vanaf de inwerkingtre- ding van de onderhavige wijziging, deze beslissing aan te vechten om te voorkomen dat deze door een derde op onweerlegbare wijze tegen hen wordt ingeroepen. Deze mogelijkheid lijkt evenwel geen reëel gevaar op te leveren, aangezien, zoals hierboven is vermeld, het toepassingsgebied van deze wijziging relatief beperkt is (het is alleen van toepassing wanneer er een beslissing is gegeven over hetzelfde geschilpunt en er dus sprake is van een identieke feitelijke en juridische context) en bovendien zal een eventueel beroep het ten minste mogelijk maken een geschil definitief te regelen in het kader van een gebeurtenis die duidelijk een veelvoud van afzonderlijke gerechtelijke procedures met zich meebrengt, waardoor het niet meer nodig zal zijn het betrokken geschilpunt later opnieuw te onderzoeken. Deze wijziging volgt dus de tendens tot concentratie van burgerlijke geschillen en maakt het mogelijk de doelstellingen van proceseconomie, administratieve vereenvoudiging, eerlijkheid tussen de partijen en snelle geschillenbeslechting te bereiken, bijvoorbeeld in het kader van verzekeringsgeschillen, hoofdelijke schulden of zelfs in het kader van massaschade of collectief verhaal waarvoor bijvoorbeeld de fout van de vervolgde persoon of personen slechts eenmaal hoeft te worden bewezen. Wat dit laatste punt betreft, is het nuttig te verwijzen naar de Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betref- fende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrek- king van Richtlijn 2009/22/EG. Artikel 15 van die richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een beslissing waarbij de beroepsaansprakelijkheid wordt vastgesteld, het bewijs vormt van de aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar jegens een consument die schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk in het kader van een latere vordering tot schadevergoeding die tegen dezelfde beroepsbeoefenaar wegens dezelfde inbreuk wordt ingesteld. De voorgestelde wijziging van artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek zou tot op ze- kere hoogte bijdragen tot de omzetting van dit nieuwe beginsel dat in de bovengenoemde richtlijn is vervat. Art. 17 Dit artikel maakt het mogelijk een kamer voor min- nelijke schikking op te richten binnen de burgerlijke rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg (artikel 76 van het Gerechtelijk Wetboek). Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State en de Hoge Raad voor Justitie moet worden voorzien in de oprichting van ten minste één kamer in alle rechtbanken/hoven van elk arrondissement om de gelijkheid tussen de qui se contenteraient aujourd’hui d’une décision judiciaire, mais préfèreraient, à partir de l’entrée en vigueur de la présente modification, la contester afin d’éviter de voir cette décision invoquée à leur encontre par un tiers de manière irréfragable. Cette potentialité ne semble toutefois pas constituer un réel danger dans la mesure où, comme susmentionné, la présente modification a un champ d’application relativement restreint (elle n’est applicable que lorsqu’il y a une décision rendue sur une même question litigieuse, c’est-à-dire dans le cadre d’un contexte factuel et juridique identique) et par ailleurs, un éventuel recours permettra à tout le moins de fixer définitivement une question litigieuse dans le cadre d’un évènement manifestement susceptible d’impliquer une multiplicité de procédures judiciaires distinctes, ce qui impliquera qu’il ne sera plus nécessaire ultérieurement de réexaminer la question litigieuse en cause. La pré- sente modification s’inscrit ainsi dans le mouvement de concentration des litiges de droit civil et permet d’atteindre les objectifs d’économie procédurale, de simplification administrative, de loyauté entre les parties, et de réso- lution rapide des litiges, par exemple dans le cadre du contentieux des assurances, dans le cadre des dettes solidaires ou encore dans le cadre de dommages de masse ou de réparations collectives pour lesquels une faute dans le chef de la ou les personne(s) poursuivie(s) ne devra, par exemple, être prouvée qu’une seule fois. Sur ce dernier point, il est utile de faire référence à la directive (UE) 2020/1828 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relative aux actions représentatives visant à protéger les intérêts collectifs des consommateurs et abrogeant la directive 2009/22/ CE. Cette directive prévoit en son article 15 l’obligation pour les États membres de s’assurer qu’une décision déclaratoire de responsabilité professionnelle constitue une preuve de responsabilité du professionnel envers le consommateur lésé par une infraction dans le cadre d’une action en réparation ultérieure intentée envers le même professionnel et pour la même infraction. La modification de l’article 23 du Code judiciaire, tel que proposée, permettrait dans une certaine mesure de transposer ce nouveau principe contenu dans la direc- tive précitée. Art. 17 Cet article permet de créer une chambre de règlement à l’amiable au sein du tribunal civil du tribunal de première instance (article 76 du Code judiciaire). À la suite des remarques du Conseil d’État et du Conseil supérieur de la Justice, la création d’au moins une chambre doit être prévue dans tous les tribunaux/cours de chaque arron- dissement afin d’assurer l’égalité entre les justiciables. Il ne s’agit plus d’une option laissée à l’appréciation du 41 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E rechtzoekenden die worden berecht te waarborgen. Dit is niet langer een optie die aan de beoordeling van de voorzitter van de rechtbank wordt overgelaten, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Wanneer de rechtbanken die in meerdere afdelingen zijn verdeeld ten minste één van de afdelingen een dergelijke kamer instelt om de rechtzoekende de mogelijkheid te bieden er een beroep op te doen zonder naar een ander arrondissement te moeten gaan. Art. 18 Op het vlak van de samenstelling van de kamer voor minnelijke schikking van de burgerlijke rechtbank bepaalt artikel 78, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013, reeds dat elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleen- rechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding verstrekte gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd. Met de wijziging van dit lid wordt beoogd aan te ge- ven welk soort opleiding moet worden gevolgd om als rechter in de kamer voor minnelijke schikking te kunnen zetelen. Het gaat om een gespecialiseerde opleiding van het Instituut voor gerechtelijke opleiding voor verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling, die verschilt van de basisopleiding. Voorts is bepaald dat ook plaatsvervangende rechters in deze kamer kunnen zetelen, mits zij dezelfde soort opleiding hebben gevolgd (gespecialiseerde opleiding van het Instituut voor gerechtelijke opleiding voor ver- zoening en bemiddeling). Art. 19 Artikel 79, 8, van het Gerechtelijk Wetboek is in- gevoegd bij de wet van 30 juli 2013. De voorgestelde wijziging is bedoeld om de oplossing van artikel 734/4, § 4, betreffende de regel van de terugtrekking van een rechter weer te geven. Wij verwijzen naar de toelichting bij dat artikel. Deze oplossing geldt voor alle kamers voor minnelijke schikking, met inbegrip van die welke binnen de familierechter zijn ingesteld. Voor het overige blijft de bepaling ongewijzigd. Art. 20 De eerste wijziging in artikel 81 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het mogelijk een kamer voor minnelijke schikking op te richten binnen de arbeidsrechtbank. We président du tribunal comme cela avait été initialement envisagé. Lorsque les tribunaux sont répartis en plu- sieurs divisions, au moins une des divisions créée une telle chambre afin d’offrir l’opportunité au justiciable de pouvoir y recourir sans devoir se rendre dans un autre arrondissement. Art. 18 Au niveau de la composition de la chambre de règle- ment à l’amiable du tribunal civil, l’article 78, alinéa 7, du Code judiciaire inséré par la loi du 30 juillet 2013 prévoyait déjà que chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un juge unique ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire. La modification apportée à cet alinéa vise à préciser le type de formation à suivre pour pouvoir siéger comme juge dans la chambre de règlement à l’amiable. Il s’agit de la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation qui se distingue de la formation de base. Par ailleurs il est précisé que les juges suppléants peuvent également siéger dans cette chambre à condi- tion d’avoir suivi le même type de formation (formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation). Art. 19 L’article 79, alinéa 8, du Code judiciaire avait été inséré par la loi du 30 juillet 2013. La modification proposée vise à refléter la solution retenue par l’article 734/4, § 4, concernant la règle du déport d’un juge. Nous renvoyons au commentaire relatif à cet article. Cette solution pré- vaut pour toute les chambres de règlement à l’amiable, y compris celles créées au sein du tribunal de la famille. Pour le surplus, la disposition reste inchangée. Art. 20 La première modification opérée à l’article 81 du Code judiciaire permet de créer une chambre de règlement à l’amiable au sein du tribunal du travail. Nous renvoyons 3552/001 DOC 55 42 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verwijzen hierbij naar de toelichting bij de wijziging van artikel 76van het Gerechtelijk Wetboek. De tweede wijziging is zuiver technisch. Zij strekt ertoe te verwijzen naar de in het vorige lid bedoelde kamers. Op het vlak van de samenstelling van de kamer (derde wijziging) wordt rekening gehouden met het specifieke karakter van die rechtbank waarvan de zetel uit zowel een beroepsmagistraat en uit bestaat, in dit geval uit rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is ten behoeve van werkgever en de andereten behoeve van de werknemer. Dat is een meerwaarde voor de dynamiek van de procedure en de zoektocht naar oplossingen. De magistraten moeten allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecia- liseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Het zou inderdaad geen zin hebben om van beroeps-, ondernemings- of sociale rechters te eisen dat zij de IGO-opleiding volgen wanneer zij bijvoorbeeld de opleiding tot erkend bemid- delaar hebben gevolgd. Art. 21 De wijziging in artikel 84 van het Gerechtelijk Wetboek maakt het mogelijk een kamer voor minnelijke schikking op te richten binnen de ondernemingsrechtbank volgens hetzelfde model als die binnen de arbeidsrechtbank. We verwijzen hierbij naar de toelichting bij de wijziging van de artikelen 76 en 81 van het Gerechtelijk Wetboek. Op het vlak van de samenstelling van de kamer wordt, net als voor de arbeidsrechtbank, rekening gehouden met het specifieke karakter van die rechtbank waarvan de zetel uit zowel een beroepsmagistraat als uit rechters in ondernemingszaken bestaat. Art. 22 Dit artikel voorziet in de oprichting van een kamer voor minnelijke schikking binnen het hof van beroep. Naar het voorbeeld van de rechtbanken van eerste aanleg moet de oprichting van ten minste een kamer voor minnelijke schikkingworden voorzien. In de kamers voor minnelijke schikking van het hof van beroep te Brussel die reeds enkele jaren zijn ingesteld door het pilootproject kan op basis van het hoge aantal schik- kingen worden verondersteld dat dit soort maatregel, naast de reeds vermelde voordelen voor de partijen, op termijn ook zal bijdragen tot een vermindering van de aanzienlijke achterstand van die hoven in het alge- meen en in Brussel in het bijzonder. Voorts is het, zoals aux commentaires relatifs à la modification de l’article 76 du Code judiciaire. La deuxième modification est d’ordre purement tech- nique. Elle vise à renvoyer aux chambres adéquates visées à l’alinéa précédent. Au niveau de la composition de la chambre (troisième modification), il est tenu compte de la spécificité de ce tribunal dont le siège est à la fois constitué de d’un juge de carrière et de juges sociaux dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur. Il s’agit d’un atout pour la dynamique du processus et la recherche de solutions. Les magistrats doivent tous avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Cela n’aurait en effet pas de sens d’exiger de juges de carrière, consu- laires ou sociaux de suivre la formation de l’IFJ alors qu’ils ont, par exemple, suivi la formation pour devenir médiateur agréé. Art. 21 La modification opérée à l’article 84 du Code judiciaire permet de créer une chambre de règlement à l’amiable au sein du tribunal du l’entreprise sur le même modèle que celui du tribunal du travail. Nous renvoyons aux commentaires relatifs à la modification des articles 76 et 81 du Code judiciaire. Au niveau de la composition du tribunal, il est tenu compte, comme pour le tribunal du travail, de la spécificité de ce tribunal dont le siège est à la fois constitué d’un juge de carrière et de juges consulaires. Art. 22 Cet article crée une chambre de règlement à l’amiable au sein de la cour d’appel. À l’instar des tribunaux de première instance, la création d’au moins une chambre de règlement à l’amiable doit être prévue. Dans les chambres de règlement à l’amiable de la cour d’appel de Bruxelles mises en place par le projet-pilote depuis quelques années, le taux élevé d’accords permet de supposer que ce type de mesure, outre les avantages déjà mentionnés pour les parties, contribuera également à terme à l’allégement de l’important arriéré que connaisse ces cours en général et à Bruxelles, en particulier. Par ailleurs, comme mentionné par deux magistrates à la cour d’appel de Bruxelles (A-S. Favart et L. Massart), 43 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vermeld door twee magistraten bij het hof van beroep te Brussel (A.-S. Favart en L. Massart), “in tegenstelling tot wat men a priori zou kunnen denken geen laattijdige en nutteloze stap om een minnelijke schikking voor te stellen in hoger beroep, na een jarenlange procedure (…). De ervaring leert dat na vaak – helaas – jarenlange procedures en met een vonnis in handen dat het geschil reeds een keer heeft beslecht, de partijen dikwijls enige afstand hebben genomen van het conflict dat hen tegen elkaar opzet, de financiële en emotionele last van een gerechtelijke procedure hebben ondervonden en over het algemeen hebben bepaald wat in dat stadium voor hen het belangrijkst is. Het kan gaan om financiële belangen, maar eveneens om economische of eenvou- digweg relationele belangen, die in het kader van een minnelijke schikking naar voren kunnen treden.” (vert.). De formulering van artikel 101, § 2, vijfde lid, wordt licht herwerkt om rekening te houden met de “officiële” oprichting van de kamer voor minnelijke schikking en de samenstelling ervan te verduidelijken. De kamer voor minnelijke schikking bestaat aldus uit een alleenzittend raadsheer, die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Art. 23 Met deze wijziging wordt beoogd een lid in te voegen waarin wordt bepaald dat plaatsvervangende raadslieden die zitting hebben in de kamer voor minnelijke schikking de gespecialiseerde opleiding van het Instituut voor gerechtelijke opleiding voor verzoening en bemiddeling hebben gevolgd. Art. 24 Er wordt een kamer voor minnelijke schikking inge- steld bij de arbeidshoven. Naar het voorbeeld van de arbeidsrechtbank wordt rekening gehouden met het specifieke karakter van de samenstelling van dit hof. De zetel bestaat uit zowel een beroepsmagistraat (een raadsheer) als uit raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is ten behoeve van de werkgever en de andere ten behoeve van dewerknemer. Ze moe- ten allemaal een door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. “contrairement à ce que l’on pourrait croire a priori, propo- ser une conciliation en degré d’appel, après des années de procédure, n’est pas une démarche tardive et inutile, (…). L’expérience a démontré qu’après souvent – mal- heureusement – des années de procédure et ayant en main un jugement qui a déjà tranché une fois le litige, les parties ont souvent pris du recul par rapport au conflit qui les oppose, ont réalisé le poids financier et émotionnel d’une procédure en justice et ont généralement identifié ce qui, à ce stade, est le plus important pour elles. Il peut s’agir d’enjeux financiers, mais également économiques ou simplement relationnels et ceux-ci pourront être mis en exergue dans le cadre d’une conciliation.”. Le libellé de l’article 101, § 2, alinéa 5, est légèrement remanié afin de tenir compte de la création “officielle” de la chambre de règlement à l’amiable et de préciser sa composition. Ainsi, la chambre de règlement à l’amiable est composée d’un conseiller unique ayant suivi la for- mation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Art. 23 Cette modification vise à insérer un alinéa précisant que les conseillers suppléants siégeant à la chambre de règlement à l’amiable doivent avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Art. 24 Une chambre de règlement à l’amiable est instituée auprès des cours du travail. Il est tenu compte, à l’ins- tar du tribunal du travail, de la spécificité de cette Cour quant à sa composition. Le siège est à la fois constitué d’un conseiller de carrière et de conseillers sociaux, l’un nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur. Ils doivent tous avoir suivi une formation spé- cialisée dispensée par l’institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. 3552/001 DOC 55 44 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 25 De wijziging in artikel 508/11 van het Gerechtelijk Wetboek beoogt de stroomlijning van de verslagen die moeten worden ingediend door de ordes van advocaten inzake de werking van de juridische tweedelijnsbijstand, of door de advocaten bij de afsluiting van een zaak. Daartoe wordt het huidige eerste lid van dat artikel opgeheven. Het betreft de afsluitende verslagen die de advocaten overzenden aan het bureau voor juridische bijstand zodra de zaak is afgesloten. Dat lid overlapt met artikel 508/19, § 2, dat bepaalt dat de advocaten belast met de juridische tweedelijnsbijstand verslag doen aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht. Het is derhalve niet nodig om dat verslag op twee plaatsen te vermel- den. De meest geschikte plaats om naar dat verslag te verwijzen, is artikel 508/19, dat betrekking heeft op de vergoeding van de advocaten, aangezien dat verslag het document is waarop het bureau zich baseert om punten toe te kennen. Artikel 508/11 van het Gerechtelijk Wetboek wordt licht gewijzigd om te bepalen dat de ordes een verslag met inzonderheid statistieken bezorgen aan de minister van Justitie, zoals thans het geval is. De nadere regels van dat verslag zullen worden bepaald bij koninklijk besluit en zullen deels berusten op wat reeds bestaat in het koninklijk besluit van 20 december 1999 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridi- sche tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand en in het ministerieel besluit van 20 december 1999 tot vaststelling van de nadere regels betreffende de verslagen bedoeld in de artikelen 508/6, eerste lid, en 508/11, eerste en tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en inzake de controle bedoeld in artikel 508/19, § 2, van hetzelfde Wetboek. Art. 26 De eerste wijziging van de huidige paragraaf 2, der- de lid, van artikel 508/19 heeft tot doel een expliciete rechtsgrondslag te geven aan de eerste (interne) controle door de bureaus voor juridische bijstand (BJB) op de prestaties geleverd door de juridische tweedelijnsbij- stand advocaten, wanneer zij hun afsluitende verslagen indienen om vergoed te worden. Het artikel is enigszins geherformuleerd naar aanleiding van het advies van de OVB om duidelijk te maken om welke controle het gaat, aangezien in het huidige tweede lid niet expliciet sprake is van een controle. Art. 25 La modification opérée à l’article 508/11 du Code judiciaire vise à rationaliser les rapports que doivent remettre les ordres d’avocat à propos du fonctionnement de l’aide juridique de deuxième ligne ou les avocats lors de de la clôture d’une affaire. À cette fin, l’actuel alinéa 1er de cet article est supprimé. Il vise les rapports de clôture que les avocats transmettent au bureau d’aide juridique une fois l’affaire clôturée. Cet alinéa fait double emploi avec l’article 508/19, § 2, qui prévoit que les avocats chargés de l’aide juridique de deuxième ligne font rapport au bureau sur chaque affaire pour laquelle ils ont accompli des prestations à ce titre. Il n’est dès lors pas nécessaire de mentionner ce rapport à deux endroits. L’endroit le plus adéquat pour faire référence à ce rapport est l’article 508/19 qui traite de l’indemnisation des avocats, le rapport constituant le document sur lequel le bureau se fonde pour attribuer des points. L’article 508/11 du Code judiciaire est légèrement modifié pour prévoir comme c’est le cas actuellement que les Ordres transmettent un rapport contenant notamment des statistiques au ministre de la Justice. Les modalités de ce rapport seront déterminées par arrêté royal et reposeront en partie sur ce qui existe déjà dans l’arrêté royal du 20 décembre 1999 contenant les modalités d’exécution relatives à l’indemnisation accordée aux avocats dans le cadre de l’aide juridique de deuxième ligne et relatif au subside pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique et dans l’arrêté ministériel du 20 décembre 1999 déterminant les modalités relatives aux rapports visés aux articles 508/6, alinéa 1er, et 508/11, alinéas 1er et 2, du Code judiciaire et au contrôle visé à l’article 508/19, § 2, du même Code. Art. 26 La première modification à l’actuel paragraphe 2, ali- néa 3 de l’article 508/19 vise à donner une base légale explicite au 1er contrôle (interne) opéré par les bureaux d’aide juridique (BAJ) sur les prestations accomplies par les avocats dans le cadre de l’aide juridique de deuxième ligne lorsqu’ils remettent leurs rapports de clôture afin d’être indemnisés. L’article a été légèrement reformulé après avis de l’OVB afin de bien préciser de quel contrôle il s’agit car l’actuel alinéa 2 ne mentionne pas explicitement un contrôle. 45 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De invoeging van de nieuwe paragraaf 2/1 in ar- tikel 508/19 verankert de permanente audit, die zal uitgevoerd worden door onafhankelijke auditeurs en sub- auditeurs. De audit wordt overkoepelend georganiseerd, los van het taalgebied en de balies, en zal bestaan uit de verificatie van de per rechtstak eindverslagen, dat wil zeggen de juistheid van de aanwijzingen, de kwaliteit van het werk, de realiteit van de verleende diensten en ook de verificatie van de wijze waarop de bureaus voor juridische tweedelijnsbijstand deze interne controle uit- voeren. De OVB en de OBFG zijn verantwoordelijk voor de organisatie van de audit. In overeenstemming met het advies van de OVB is een technische wijziging nodig om de verwijzing naar het verzenden van de conclusies van de audit naar de communautaire ordes te schrappen. Het is niet logisch dat deze conclusies aan hen worden toegezonden wanneer zij zelf de audit uitvoeren. In de tweede lid wordt overgenomen wat thans in § 2, derde lid, staat, namelijk dat de stafhouder na afloop van de controles het totale aantal punten van zijn balie moet meedelen aan de communautaire ordes, die alles aan de minister van Justitie meedelen. Paragraaf 3 wordt gewijzigd om de minister in staat te stellen zo nodig een aanvullende controle te laten uitvoeren, zoals gevraagd door het Rekenhof. De details van deze controle worden door de minister vastgesteld na overleg met de orders. De rest van de alinea over de betaling is een copy/paste van wat momenteel bestaat. Er wordt alleen gezegd dat de betalingswijzen bij koninklijk besluit zullen worden vastgesteld. In overeenstemming met het advies van de Raad van State is de fout in de verwijzing (tweede lid en niet derde lid) gecorrigeerd. De laatste wijziging strekt ertoe in lid 4 de woorden “de berekeningswijze” te schrappen. De waarde van het punt zal bij koninklijk besluit worden vastgesteld. Art. 27 Overeenkomstig artikel 508/19bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt er in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie. Deze stemt overeen met een forfaitair percentage van 8,108 % van de totaliteit aan vergoedin- gen die aan de advocaten worden toegekend. De verdere uitvoeringsmodaliteiten worden bepaald in het koninklijk besluit van 20 december 1999 hou- dende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van L’insertion du nouveau paragraphe 2/1 à l’article 508/19 consacre l’audit continu, qui sera réalisé par des audi- teurs et des chefs auditeurs indépendants. L’audit sera organisé de manière transversale, indépendamment de la région linguistique et des barreaux, et consistera en la vérification des rapports clôturés par branche du droit à savoir l’exactitude des désignations, la qua- lité du travail, la réalité des prestations accomplies et également dans la vérification de la manière dont les bureaux d’aide juridique effectuent ce contrôle interne. L’OVB et l’OBFG sont responsables de l’organisation de l’audit. Conformément à l’avis de l’OVB, une modi- fication technique est nécessaire pour supprimer la référence à l’envoi des conclusions de l’audit aux ordres communautaires. En effet, il n’est pas logique que ces conclusions leur soient envoyées alors qu’ils procèdent eux-mêmes à cet audit. Le deuxième alinéa reprend ce qui figure actuellement dans le paragraphe 2, alinéa 3 à savoir que le bâtonnier une fois les contrôles terminés doit communiquer le total des points de son barreau aux ordres, lesquels communiquent le tout au ministre de la Justice. Le paragraphe 3 est modifié en vue de permettre au ministre, si nécessaire, de faire effectuer un contrôle sup- plémentaire, comme souhaité par la Cour des Comptes. Les modalités de ce contrôle seraient déterminées par le ministre après consultation des ordres. Le reste du paragraphe concernant le paiement est un copier/coller de ce qui existe actuellement. Il est simplement précisé que les modalités du paiement seront précisées par arrêté royal. Conformément à l’avis du Conseil d’État, l’erreur de renvoi (l’alinéa 2 et pas l’alinéa 3) est corrigée. La dernière modification vise à supprimer dans le paragraphe 4 les mots “le mode de calcul”. La valeur du point sera fixée dans un arrêté royal. Art. 27 Conformément à l’article 508/19bis du Code judiciaire, une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge du budget du SPF Justice. Cela correspond à un taux forfaitaire de 8,108 % du total des indemnités accordés aux avocats. Les modalités d’exécution détaillées sont reprises dans l’arrêté royal du 20 décembre 1999 fixant les dispositions d’exécution relatives à l’indemnisation accordée aux avocats dans le cadre de l’aide juridique 3552/001 DOC 55 46 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de juridische tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand. Het zijn de Communautaire Ordes die het totale bedrag verdelen over de verschillende bureaus rechtsbijstand. Dit gebeurt volgens de verhouding bekomen door het rekenkundig gemiddelde te maken van de percentages van, respectievelijk, het aantal aanstellingen, het aantal geleverde prestaties en het aantal punten, verminderd met de punten voor de verplaatsingsonkosten van de advocaten, gedurende het gerechtelijk jaar dat afloopt tijdens het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. De minister van Justitie zal de gestorte bedragen terug- vragen indien deze hoger zouden zijn dan de werkelijke en bewezen kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand. De terugvordering van de bedragen bij de betreffende balie kan ook op de navolgende subsidies worden toegerekend. Uit de beschikbare data blijkt dat de totaliteit aan vergoedingen aan advocaten verhoogt. Dit komt onder meer door de impact van de wet van 31 juli 2020 (Doc. 55-0175) die de inkomensgrenzen voor de toegang tot (gedeeltelijke) kosteloze juridisch bijstand opeenvolgend verhoogt. Hierdoor doen meer personen beroep op juridische tweedelijnsbijstand. De reële vaste kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand stijgen evenwel niet recht evenredig mee met het budget voorzien voor de toename van het aantal personen dat een beroep doet op rechtsbijstand; en bijgevolg voor de vergoedingen van de advocaten. Er zijn hier zeker schaalvoordelen te realiseren. Door het actuele forfaitair percentage (8,108 %) van de totaliteit aan vergoedingen die aan de advocaten worden toegekend, zouden hierdoor de subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand exponentieel toenemen. Dit temeer er niet alleen meer dossiers zijn door de verhoging van de inkomensgrenzen, maar ook de vergoeding voor de geleverde prestaties structureel stijgt door de indexering van de puntwaarde. Dit ge- beurde vorig jaar voor het gerechtelijk jaar 2020-2021 (81,23 EUR) en ook dit jaar voor het gerechtelijk jaar 2021-2022 (90,36 EUR). Deze indexering van de punt- waarde zal voor de komende jaren verankerd worden. Dit zorgt niet alleen voor een verhoging van de vergoeding voor de prestaties van de juridische tweedelijnsbijstand, maar ook voor een grotere basis waarop de bureau- kosten berekend worden en financiële zekerheid en de deuxième ligne et relatives à la subvention pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique. Ce sont les Ordres communautaires qui répartissent le montant total entre les différents bureaux d’aide juridique. Ceci s’effectue selon la proportion obtenue en faisant la moyenne arithmétique des pourcentages, respecti- vement, du nombre des désignations, des prestations effectuées et du nombre de points, diminués des points alloués pour les déplacements des avocats, de l’année judiciaire se terminant durant l’année civile à laquelle se rapporte le subside. Le ministre de la Justice récupéra les montants versés s’ils dépassent les coûts réels et prouvés liés à l’organi- sation des bureaux d’aide juridique. La récupération des montants auprès du barreau concerné peut s’imputer sur les subsides subséquents. Les données disponibles montrent que la totalité des indemnités versées aux avocats est en augmentation. Cela est dû en partie à l’impact de la loi du 31 juillet 2020 (Doc. 55-0175) qui augmente successivement les limites de revenus pour l’accès à l’aide juridique (partiellement) gratuite. En conséquence, davantage de personnes ont recours à l’aide juridique de deuxième ligne. Cependant, les coûts fixes réels du bureau d’aide juridique n’aug- mentent pas en proportion avec le budget consacré à l’augmentation du nombre de personnes qui ont recours à l’aide juridique et par conséquent des rétributions versées aux avocats. Il y a certainement des économies d’échelle à réaliser. Compte tenu du taux forfaitaire actuel (8,108 %) de la totalité des indemnités allouées aux avocats, la sub- vention pour les coûts liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique augmenterait de façon exponentielle. D’autant plus que, non seulement les dossiers sont plus nombreux en raison de l’augmentation des pla- fonds de revenus, mais aussi que la rémunération des services rendus augmente structurellement en raison de l’indexation de la valeur du point. C’est ce qui s’est passé l’année dernière pour l’année judiciaire 2020-2021 (81,23 euros) et également cette année pour l’année judiciaire 2021-2022 (90,36 euros). Cette indexation de la valeur du point sera maintenue pour les années à venir. Cela garantit non seulement une augmentation de la rémunération pour les prestations de l’aide juridique de deuxième ligne mais aussi une base plus large sur 47 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voorspelbaarheid voor de vergoeding van de advocaten en de bureaus. Het is in dat opzicht dat een verlaging van het per- centage (gerekend op een bredere basis) van 8,108 % naar 7 % verantwoord is. In een periode van precaire overheidsfinanciën dienen de modaliteiten inzake de toekenning van subsidies overeen te komen met de werkelijke noden op het terrein. Het is de bedoeling dat een uitvoeringsbesluit een standaardisering van de raming van de kostensoorten voor de bureaus bepaalt. Daarbij zullen duidelijke criteria worden vastgelegd inzake, onder andere, de personeels- kosten, de werkingskosten, de investeringskosten en onverwachte uitgaven. Gelet op het feit dat op nationaal niveau een applicatie voor het beheer de tweedelijnsbij- stand wordt voorzien door de Communautaire Ordes, zal de subsidie ook daar deels voor worden gebruikt. De Koning kan evenwel bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit afwijken van het maximumpercentage van 7 %. Dit op gemotiveerde aanvraag van de Ordes op basis van aangetoonde kosten. In overeenstemming met het advies van de Raad van State wordt, om de reikwijdte van de delegatie af te bakenen, gespecificeerd dat deze uitzondering alleen mogelijk is in specifieke gevallen. Dit is een uitzondering met een individuele draagwijdte en geen verordenende draagwijdte. Het gaat om specifieke uitzonderingen die noodzakelijk zijn geworden door de bevindingen van de balies op basis van bewezen kosten. Deze uitzondering geldt per definitie voor het betrokken jaar. Art. 28, 30 en 36 In hoofdstuk I “Minnelijke oplossingen van geschillen” van boek II van deel IV, van het Gerechtelijk Wetboek worden verschillende nieuwe afdelingen ingevoegd. De eerste bestaat uit het huidige artikel 730/1 en heeft als opschrift “Algemene bepaling”. Het doel van dat artikel, dat is ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, is redelijk algemeen en het strekt hoofdzakelijk ertoe de rechter de mogelijkheid te bieden de aandacht van de partijen te vestigen op de minnelijke oplossing van conflicten en ze eventueel daarnaar door te verwijzen. Afdeling II bestaat uit de artikelen 731 tot 734 met betrekking tot de verzoening of minnelijke schikking, waarvan de defi- nitie uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 21 februari 2005 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling de volgende is: een vreedzame wijze om geschillen te regelen dank- zij welke de partijen met het oog op de beëindiging laquelle les frais des bureaux d’aide juridique seront calculés ainsi qu’une sécurité financière et une prévisi- bilité pour la rémunération des avocats et des bureaux. C’est à ce titre qu’une réduction du taux (calculé sur une base plus large) de 8,108 % à 7 % est justifiée. Dans une période de précarité des finances publiques, les modalités d’attribution des subventions doivent cor- respondre aux besoins réels sur le terrain. Il est envisagé qu’un arrêté de mise en œuvre définisse une standardisation de l’estimation des types de coûts pour les bureaux. Cela permettra d’établir des critères clairs notamment sur les frais de personnel, les frais de fonctionnement, les frais d’investissement et les dépenses imprévues. Étant donné qu’une application de gestion de l’aide juridique de deuxième ligne est envisagée au niveau national par les Ordres Communautaires, une partie de la subvention sera également utilisée à cet effet. Le Roi peut toutefois déroger au taux maximal de 7 % par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Ceci à la demande motivée des Ordres sur base de coûts démontrés. Conformément à l’avis du Conseil d’État, pour circonscrire la portée de la délégation, il est précisé que cette dérogation n’est possible que dans des cas spécifiques. Il s’agit d’une exception de portée individuelle et non réglementaire. Elle vise des déroga- tions précises rendues nécessaires, par les constats qui sont remontés des barreaux vers les Ordres, sur base de frais démontrés. Cette exception s’opère par définition pour l’année concernée. Art. 28, 30 et 36 Dans le chapitre Ier, intitulé les modes amiables de résolution des litiges, du livre II de la quatrième partie du Code judiciaire, plusieurs nouvelles sections sont créées. La première comprend l’actuel article 730/1 et s’intitule “Disposition générale”. Cet article inséré par la loi du 18 juin 2018 a une vocation assez générale et vise essentiellement à permettre au juge d’attirer l’attention des parties sur les modes amiables de résolution des conflits et éventuellement de les y renvoyer. La deuxième section comprend les articles 731 à 734 relatifs à la conciliation dont la définition extraite des travaux préparatoires de la loi du 21 février 2005 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la médiation est la suivante: un mode pacifique de règlement des différends grâce auquel les parties s’entendent soit directement, soit par l’entremise d’un tiers pour mettre un terme à leur litige (proposition de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la 3552/001 DOC 55 48 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van hun geschil elkaar hetzij rechtstreeks verstaan, hetzij via een derde (wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling, toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zitting 2003-2004, nr. 51-327/001, 23 oktober 2003, blz. 7). Afdeling III is gewijd aan de werking van en de aanhangigmaking bij de kamer voor minnelijke schikking. De wet van 18 juni 2018 had de tekst van artikel 731 met betrekking tot de minnelijke schikking reeds lees- baarder gemaakt door de in 2013 ingevoegde bepalingen inzake de “procedure voor minnelijke schikking” die enkel was ingesteld voor de kamers voor minnelijke schikking van de familierechtbank en de familiekamers van het hof van beroep te schrappen en ze te verplaatsen naar artikel 1253ter/1, § 3. Aangezien in dit ontwerp wordt bepaald dat die kamer voor minnelijke schikking die aan- vankelijk was opgericht voor de familierechtbank wordt uitgebreid naar alle hoven en rechtbanken in burgerlijke en ondernemingszaken en in sociale zaken, moet worden voorzien in een afdeling die volledig is gewijd aan de werking van die kamer en die dienst kan doen voor alle rechtscolleges die die kamers voor minnelijke schikking instellen en niet enkel voor de familiale rechtscolleges. De invoeging van een afzonderlijke afdeling biedt tevens de mogelijkheid om de regels die reeds werden vastgelegd bij de oprichting van de kamers voor minnelijke schikking van de familierechtbank en die thans zijn opgenomen in artikel 1253ter/1, § 3 in één enkele afdeling te vermelden en de handelwijzen die door bepaalde rechtbanken/ hoven op pretoriaanse wijze werden ingevoerd tijdens pilootprojecten te uniformiseren. Voorts heeft de oprichting van dat soort kamer, hoewel die met name werkt volgens het model van minnelijke schikking (ze kan eveneens opteren voor bemiddeling, indien ze dat passender acht), niet tot doel de mogelijk- heid voor elke rechter – zoals bepaald in artikel 731 – om de partijen precontentieus te verzoenen, te schrappen. De specifieke bepalingen met betrekking tot de minne- lijke schikking worden dus als dusdanig behouden met enkele kleine technische wijzigingen. In tegenstelling tot wat de Hoge Raad voor Justitie meent, zijn dit niet twee fundamenteel verschillende procedures. De regels voor minnelijke schikking volgens het gemene recht zijn van toepassing op de kamer voor minnelijke schikking, tenzij anders is bepaald in het specifieke hoofdstuk dat aan de kamer voor minnelijke schikking is gewijd. Het is dus niet nodig om de twee te splitsen en alles twee keer te herhalen. Verwijzing naar de gemene procedure is dus volledig gerechtvaardigd. médiation, Développements, Doc. parl., Ch. repr., sess. ord. 2003-2004, n° 51-327/001 du 23 octobre 2003, p. 7). La troisième section est consacrée au fonctionnement et à la saisine de la chambre de règlement à l’amiable. La loi du 18 juin 2018 avait déjà rendu le texte de l’article 731 concernant la conciliation plus lisible en retirant les dispositions insérées en 2013 concernant la “procédure de conciliation” créée uniquement pour les chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la famille et des chambres familiales de la cour d’appel, et en les déplaçant à l’article 1253ter/1, § 3. Etant donné qu’il est prévu dans ce projet d’élargir cette chambre de règlement à l’amiable créée initialement pour le tri- bunal de la famille à tous les cours et tribunaux civils, commerciaux et sociaux il est nécessaire de prévoir une section entièrement consacrée au fonctionnement de cette chambre qui puisse servir à toutes les juridictions mettant en place ces chambres de règlement à l’amiable et pas seulement aux juridictions familiales. La création d’une section séparée permet aussi de reprendre dans une seule section les règles déjà définies lors la création des chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la famille se trouvant actuellement dans l’article 1253ter/1, § 3, et d’uniformiser les pratiques mises en place de manière prétorienne par certains tribunaux/cours dans des projets-pilotes. Par ailleurs, même si ce type de chambre fonctionne notamment selon le modèle de la conciliation (elle peut également renvoyer en médiation, si elle l’estime plus appropriée), sa création n’a pas pour but de supprimer la possibilité pour tout juge, comme le prévoit l’article 731, de concilier de manière précontentieuse les parties. Les dispositions spécifiques relatives à la conciliation sont donc maintenues en l’état avec quelques petites modi- fications techniques. Contrairement à ce que considère le Conseil supérieur de la Justice, il ne s’agit donc pas de deux procédures fondamentalement différentes. Les règles de la conciliation de droit commun s’appliquent à la Chambre de règlement à l’amiable sauf dérogation précisée dans le chapitre spécifique consacrée à la chambre de règlement à l’amiable. Il n’est donc pas nécessaire de scinder les deux et de tout répéter 2 fois. Les renvois vers la procédure de droit commun sont donc tout à fait justifiés. 49 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 29 Artikel 730/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt licht gewijzigd. Het eerste lid biedt de rechter namelijk niet de mogelijkheid om de partijen te bevragen over de wijze waarop zij gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen tijdens een rechtspleging in kort geding, terwijl het hem op grond van het tweede lid is toegestaan om, zelfs in kort geding, de zaak te verdagen naar een vaste datum teneinde de partijen in de gelegenheid te stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover alle nuttige inlichtingen in te winnen. Gelet op de spe- cifieke aard van de rechtspleging in kort geding, valt de logica om enige vertraging in dat soort rechtspleging te willen voorkomen, te begrijpen. Het lijkt echter beter om de rechter toe te laten de partijen, ook in kort geding, te kunnen bevragen over wat ze hebben ondernomen voorafgaand aan het geding, in plaats van hem de mo- gelijkheid te bieden de zaak te verdagen naar een vaste datum in dat soort rechtspleging. Om die reden wordt voorgesteld “Behoudens in kort geding” te schrappen in het eerste lid, maar in te voegen in het tweede lid. Art. 31 en 32 Het gaat om een louter technische wijziging die de verplaatsing van het huidige tweede lid van artikel 731 naar een nieuw artikel (731/1) beoogt. Dat lid heeft hoofdzakelijk betrekking op de aanhangigmaking van de minnelijke schikking bij de rechter en staat tussen twee leden over de minnelijke schikking in het algemeen. Voor de leesbaarheid verdient het de voorkeur een nieuw artikel in te voegen voor die bepaling, die verder bijna ongewijzigd blijft. Verzoenen pre-contentieux (kosteloos) moet ook mogelijk gemaakt worden op het niveau van het hof van beroep en het arbeidshof. Art. 33 De eerste wijziging in artikel 732 is van louter techni- sche aard en beoogt de vervanging van de termijn van 8 dagen – de gewone termijn van dagvaarding – door een termijn van een maand. De kamers voor minnelijke schikking houden immers niet alle weken zitting. Ter naleving van de termijn van 8 dagen zouden de dossiers dus eerst moeten worden ingeleid voor een klassieke inleidingskamer en vervolgens doorverwezen naar de kamers voor minnelijke schikking, hetgeen tijdverlies betekent. Met deze verlenging van de termijn wordt het mogelijk om ze rechtstreeks in te leiden voor de kamer voor minnelijke schikking. Art. 29 L’article 730/1, § 2, du Code judiciaire est légèrement modifié. En effet, l’alinéa 1er ne permet pas au juge d’interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable lors d’une procédure en référé alors que, selon l’alinéa 2, il lui est permit, même en référé, de remettre la cause à une date fixe, afin de permettre aux parties de vérifier si leur litige peut être totalement ou partiellement résolu à l’amiable et de recueillir toutes les informations utiles en la matière. Eu égard à la nature spécifique de la procédure en référé, la logique de vouloir éviter tout retard dans ce genre de procédure est compréhensible. Toutefois, il semble plus opportun d’autoriser le juge à pouvoir interroger les parties sur ce qu’elles ont entrepris avant l’introduction de la cause, y compris en référé, plutôt que de lui permettre de remettre la cause à une date fixe dans ce genre de procédure. C’est la raison pour laquelle il est proposé de supprimer le “sauf en référé” à l’alinéa 1er mais de l’insérer dans l’alinéa 2. Art. 31 et 32 Il s’agit d’une modification purement technique qui vise à déplacer l’actuel alinéa 2 de l’article 731 dans un nouvel article (731/1). Cet alinéa concerne essentielle- ment la saisine du juge en matière de conciliation et se retrouve entre deux alinéas traitant de la conciliation en général. Pour plus de lisibilité, il est préférable de créer un nouvel article pour inclure cette disposition, qui reste par ailleurs quasi inchangée. La conciliation précontentieuse (gratuite) doit égale- ment être possible au niveau de la cour d’appel et de la cour du travail. Art. 33 La première modification opérée à l’article 732 est de nature purement technique et vise à remplacer le délai de 8 jours, délai ordinaire des citations, par le délai d’un mois. En effet, les chambres de règlement à l’amiable ne siègent pas toutes les semaines. Pour respecter le délai de 8 jours, il faudrait donc introduire les dossiers d’abord devant une chambre d’introduction classique et puis les renvoyer devant les chambres de règlement à l’amiable. Ce qui constitue une perte de temps. Cet allongement du délai permet de les introduire directement devant la chambre de règlement à l’amiable. 3552/001 DOC 55 50 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Zoals echter wordt gesuggereerd in het advies van de Hoge Raad voor de Justitie, is de dagvaardingstermijn, die een wachttermijn is, bedoeld om de verweerder in staat te stellen zijn verschijning te organiseren. Zonder deze wachttermijn zou de rechter de dag na de dag- vaarding een terechtzitting kunnen houden. Om reke- ning te houden met zowel de door de magistraten van de kamers voor minnelijke schikking geuite behoefte, om de termijn te verlengen tot één maand, als met de bezorgdheid van de Hoge Raad voor de Justitie wordt bijgevolg voorgesteld om aan het begin van de zin de woorden “Onverminderd de in artikel 707 bedoelde termijn voor dagvaarding” in te voegen. De tweede wijziging, in het advies van het College van hoven en rechtbanken voorgesteld door de Antwerpse arbeidsrechtbanken, voegt twee nieuwe leden toe. Naar het voorbeeld van wat in de artikelen 1730 en 1731 op het gebied van de buitengerechtelijke bemiddeling be- staat, kan het verzoek tot verzoening (precontentieuze procedure) worden gelijkgesteld met een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek (moratoire interest die een partij zou kunnen opeisen), voor zover deze de aanspraak op een recht bevat, en dit om de verzoening te bevorderen door de partij te beschermen die zou aarzelen om er een beroep op te doen uit vrees een deel van zijn rechten te verliezen. Volgens dezelfde logica wordt de verjaring van de aan dit recht verbonden vordering opgeschort vanaf het verzoek tot minnelijk schikking tot aan de zitting (maximaal een maand). Indien de partijen verschijnen, wordt de schorsing van de verjaringstermijn verlengd voor de duur van de verzoening (zie artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek). Art. 34 In dit artikel worden twee wijzigingen voorgesteld. De eerste is een wijziging voorgesteld in het advies van de Hoge Raad voor de Justitie. In het ontwerp werd aanvankelijk voorgesteld de woorden “worden de bewoordingen ervan opgetkend” te vervangen door de woorden “kunnen de bewoordingen ervan worden op- getekend” om de partijen niet te verplichten hun akkoord op te tekenen indien zij dat niet wensten. De Hoge Raad voor de Justitie vond het ongepast om de magistraat de keuze te geven de voorwaarden van de verzoening in een proces-verbaal op te tekenen, en stelde daarom een andere formulering voor: “het proces-verbaal tekent de bewoordingen ervan op en de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen daarvan afzien.”. Toutefois, comme suggéré par l’avis du Conseil supé- rieur de la Justice, le délai de citation qui est un délai d’attente vise à permettre au défendeur de s’organiser afin de comparaître. Sans ce délai d’attente, le juge pourrait fixer une audience le lendemain de la citation. Dès lors, en vue de tenir compte à la fois des nécessités exprimées par les magistrats de chambres de règlement à l’amiable, d’allonger le délai à un mois, et des pré- occupations du Conseil supérieur de la Justice, il est proposé d’insérer les mots “Sans préjudice du délai de citation visé à l’article 707” en début de phrase. La deuxième modification, suggérée dans l’avis du Collège des cours et tribunaux par les tribunaux du travail d’Anvers, insère deux nouveaux alinéas. Elle permet, à l’instar de ce qui existe à l’article 1730 et 1731 en matière de médiation extrajudiciaire, d’assimiler la demande en conciliation (précontentieuse) à une mise en demeure visée à l’article 5.240 du Code civil (intérêts moratoires qu’une partie pourrait réclamer) pour autant qu’elle contienne la réclamation d’un droit, et ce, afin de favoriser la conciliation en protégeant la partie qui hésiterait à y recourir de peur de perdre certains de ses droits. Dans même logique, il est prévu de suspendre la prescription de l’action attachée à ce droit à partir de la demande en conciliation et ce jusqu’à l’audience de comparution (maximum un mois). Si les parties compa- raissent la suspension de la prescription est prolongée pendant toute la durée de la conciliation (voir article 733 du Code judiciaire). Art. 34 Cet article propose deux modifications. La première est une modification suggérée par l’avis du Conseil supérieur de la Justice. Le projet prévoyait initialement de remplacer le mot “constate” par les mots “peut constater” afin de ne pas obliger les parties à constater leur accord si elles ne le souhaitaient pas. Le Conseil supérieur de la Justice a estimé qu’il était inapproprié de laisser au magistrat le choix de constater les conditions de la conciliation dans un procès-verbal et a donc proposé une formulation différente: “le procès-verbal en constate les termes et l’expédition est revêtue de la formule exé- cutoire, sauf si les parties y renoncent.”. 51 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De tweede wijziging is een voortzetting van die van het vorige artikel, namelijk dat de rechten van de partijen tijdens de verzoeningspoging (precontentieuze fase) worden gevrijwaard door de verjaring van de vordering te schorsen. Deze maatregel moet het mogelijk maken de partijen aan te moedigen een poging tot voorafgaande verzoening te doen zonder te hoeven vrezen dat zij een deel van hun rechten zullen verliezen. Deze opschorting eindigt wanneer het einde van de verzoeningsprocedure wordt vastgesteld door proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking overeenkomstig de artikelen 733, 734/2, § 1 en 734/3, § 1, eerste lid. Art. 35 De invoeging van een nieuw artikel 733/1 laat toe om het verschil duidelijk te maken tussen een preconten- tieuze minnelijke schikking (art. 731) en een minnelijke schikking die plaatsvindt terwijl een geschil aanhangig is. Uit artikel 731 blijkt niet duidelijk dat het om een precontentieuze procedure gaat. De toevoeging is hier louter bedoeld ter verduidelijking van de regels wanneer men zich niet bevindt in het geval bedoeld in artikel 731, maar in het geval waarbij er al een procedure aanhangig is. Het akkoord dat tot stand komt na afloop van een dergelijke procedure zal dus uiteraard bestaan in een akkoordvonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043, dat de vereffening van de griffierechten en andere uitgaven zal inhouden, indien nodig. Overeenkomstig het advies van de Raad van State, is een lid toegevoegd om de praktische gevolgen te regelen met betrekking tot de eventuele voortzetting van de hangende procedure indien de minnelijk schikking niet succesvol is. Art. 37 De invoeging van dit nieuw artikel 734/1 regelt de aan- hangigmaking bij de kamers voor minnelijke schikking. De zaak wordt, zoals reeds eerder aangegeven, door de partijen ter minnelijke schikking aanhangig gemaakt bij die kamers overeenkomstig de procedure waarin is voorzien zoals voor de precontentieuze minnelijke schik- king of overeenkomstig de procedure waarin is voorzien voor de minnelijke schikking wanneer die plaatsvindt tijdens een contentieuze procedure. Evenzo is voorzien, overeenkomstig huidig artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in een aanhangigmaking op grond van een doorverwijzing naar de kamer voor minnelijke schikking, bevolen door de bevoegde rechter, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. La deuxième modification se situe dans le prolonge- ment de celle opérée à l’article précédent c’est-à-dire qu’elle vise à préserver les droits des parties pendant la durée de la tentative de conciliation (précontentieuse) en suspendant la prescription de l’action. Cette mesure devrait permettre de pousser les parties à tenter un préalable de conciliation sans crainte de perdre certains de leurs droits. Cette suspension prend fin lorsque la fin de la procédure de conciliation est constatée par un procès-verbal de comparution conformément aux articles 733, 734/2, § 1er et 734/3, § 1er, alinéa 1er. Art. 35 Cette insertion d’un nouvel article 733/1 permet de bien clarifier la différence entre une conciliation précon- tentieuse (art. 731) et une conciliation qui a lieu alors qu’un litige est pendant. Il ne ressort pas clairement de l’article 731, qu’il s’agit d’une procédure précontentieuse. L’ajout ici est de simplement préciser les règles lorsqu’on ne situe pas dans l’hypothèse de l’article 731 mais dans l’hypothèse où une procédure est déjà pendante. L’accord intervenant à l’issue d’une telle procédure sera donc bien évidemment un jugement ou un arrêt d’accord conformément à l’article 1043, qui liquidera au besoin les droits de greffe et autres dépens. Conformément à l’avis du Conseil d’État, un alinéa a été ajouté afin de prévoir les conséquences pratiques relatives à l’éven- tuelle suite de la procédure pendante dans l’hypothèse où la conciliation n’aboutit pas. Art. 37 L’insertion de ce nouvel article 734/1 règle la saisine des chambres de règlement à l’amiable. Ces chambres, comme mentionné plus haut, lorsqu’elles sont saisies par les parties à fin de conciliation, le sont conformément à la procédure prévue comme pour la conciliation précon- tentieuse ou conformément à la procédure prévue pour la conciliation ayant lieu lors d’une procédure contentieuse. De même, il est également prévu, conformément à l’actuel article 1253ter/1, § 3, alinéa 2, du Code judiciaire, une saisine par un renvoi ordonné par le juge d’instance à la chambre de règlement à l’amiable et ce, par simple mention au procès-verbal d’audience. 3552/001 DOC 55 52 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Naar aanleiding van een opmerking van de Raad van State lijkt het nuttig te verduidelijken dat de kamer voor minnelijke schikking op drie verschillende manieren kan worden gevat: 1. ofwel is er geen procedure aanhangig en kan een partij een verzoek tot verzoening indienen onder de- zelfde voorwaarden als artikel 731/1 (niet-contentieuze procedure) en worden de partijen opgeroepen op basis van artikel 732 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is de situatie bedoeld in artikel 734, § 1, eerste lid. 2. of er is een procedure aanhangig (contentieuze procedure die bijvoorbeeld wordt ingeleid door middel van een dagvaarding) en er is geen zitting (de zaak staat bijvoorbeeld op de rol of wordt in staat gesteld). Op dat moment kan de zaak, op initiatief van de rechter (via een selectiesysteem) of op vraag van een partij, onder de voorwaarden van artikel 733/1, eerste lid, voor een verzoeningszitting worden vastgesteld en worden de partijen opgeroepen overeenkomstig artikel 732. Dit is voorzien in artikel 734, § 1, tweede lid; of er is een procedure aanhangig (bijvoorbeeld een contentieuze procedure via dagvaarding) en er is een zitting aan de gang (inleidende zitting of pleitzitting). Tijdens deze zitting kan, op initiatief van de rechter of op vraag van een partij, het dossier worden verwezen naar het kamer van minnelijke schikking (art. 734/1, § 2, eerste lid), wordt het dossier door de griffier van de verwijzende kamer (inleidende of pleitkamer) fysiek overgemaakt aan de griffie van het kamer van minnelijke schikking (art. 734/1, § 2, tweede lid) en dagvaardt de griffie van het kamer van minnelijke schikking de par- tijen (art. 734/1, § 2, derde lid).Dit is het geval voorzien in paragraaf 2. Er wordt ook gespecificeerd, zoals in het advies van de Raad van State wordt gesuggereerd, dat de partijen moeten worden opgeroepen binnen een termijn die de procedure niet onredelijk vertraagt, in dit geval één maand. Er is ook aan herinnerd dat de kamers van minnelijke schikking geen monopolie hebben op verzoening en/ of doorverwijzing naar bemiddeling. Elke rechter kan inderdaad verzoenen en doorverwijzen naar bemid- deling, maar de bijzondere regels voor de kamers van minnelijke schikking (vertrouwelijkheid, verplichting tot terugtrekking, …) zijn niet van toepassing, tenzij anders overeengekomen met de partijen met inachtneming van de dwingende regels van openbare orde. Paragraaf 3 is ingevoegd om te verduidelijken dat de artikelen 732, tweede en derde, en 733, tweede lid, ook van toepassing zijn voor de kamer voor minnelijke À la suite d’une remarque du Conseil d’État, il semble utile de clarifier que la chambre de règlement à l’amiable peut être saisie de trois manières différentes: 1. soit aucune procédure n’est pendante et une par- tie peut déposer une requête en conciliation dans les mêmes conditions que l’article 731/1 (procédure non contentieuse) et les parties sont convoquées sur la base de l’article 732 du Code judiciaire. C’est l’hypothèse visée par l’article 734, § 1er, alinéa 1er. 2. soit une procédure est pendante (procédure conten- tieuse introduite par exemple par voie de citation) et on n’est pas à l’audience (exemple, l’affaire est au rôle ou est en train d’être mise en état). À ce moment-là, à l’initiative du juge (par un système de sélection) ou sur demande d’une partie, le dossier peut être fixé à une audience pour conciliation dans les conditions prévues à l’article 733/1, alinéa 1er et les parties sont convoquées conformément à l’article 732. C’est ce qui est prévu par l’article 734, § 1er, alinéa 2; soit une procédure est pendante, (procédure conten- tieuse introduite par exemple par voie de citation) et on est à l’audience (audience d’introduction ou audience des plaidoiries). À cette audience, à l’initiative du juge ou sur demande d’une partie, le dossier peut être renvoyé à la chambre de règlement à l’amiable (art. 734/1, § 2, al. 1), le dossier est transmis physiquement par le greffier de la chambre qui renvoie (chambre d’introduction ou de plaidoiries) au greffier de la chambre de règlement à l’amiable (art. 734/1, § 2, al. 2) et le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque les parties (art. 734/1, § 2, al. 3). C’est l’hypothèse prévue au paragraphe 2. Il est en outre précisé, comme suggéré par l’avis du Conseil d’État, que la convocation des parties doit intervenir dans un délai permettant de ne pas retarder de manière déraisonnable l’instance, en l’occurrence un délai d’un mois. Il est, par ailleurs, utile de rappeler ici que les chambres de règlement à l’amiable n’ont pas de monopole en matière de conciliation et/ou de renvoi en médiation. Chaque juge peut en effet concilier et renvoyer en média- tion mais les règles spéciales prévues pour les chambres de règlement à l’amiable (confidentialité, obligation de déport, …) ne seront pas applicables sauf convention contraire prise avec parties dans le respect des règles impératives et d’ordre public. Le paragraphe 3 est inséré afin de clarifier que les articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa 2, s’appliquent aussi devant la chambre de règlement à l’amiable. Ces 53 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E schikking. Deze artikelen bepalen voor (precontentieuze) minnelijke schikking dat het verzoek tot verzoening wordt behandeld als een ingebrekestelling, dat de ver- jaringstermijn van de vordering wordt geschorst vanaf het moment van het verzoek tot verzoening tot aan de verschijningszitting en, indien de partijen verschijnen, dat de verjaringstermijn wordt geschorst voor de duur van de de (precontentieuze) verzoening. Art. 38 Met de invoeging van artikel 734/2 wordt er geanti- cipeerd op het geval dat de minnelijke schikking voor de kamer voor minnelijke schikking uitkomst biedt voor een akkoord. In de precontentieuze procedure kan het akkoord het voorwerp zijn van een proces-verbaal van minnelijke schikking, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging. Wanneer de minnelijke schikking uitkomst biedt terwijl het geschil aanhangig is, kan het akkoord voorwerp zijn van een akkoordvonnis of-arrest overeenkomstig artikel 1043. We verwijzen hierbij naar de toelichting bij artikel 733/1. Op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie worden de woorden “kunnen worden opgetekend” vervangen door de woorden “worden opgetekend”. De partijen kunnen echter van deze mogelijkheid afzien. Zie de opmerkingen bij de wijziging van artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 39 Omgekeerd aan artikel 734/2, dat handelt over de pro- cedure voor het vaststellen van het akkoord tot minnelijke schikking dat tot stand is gebracht tussen de partijen, moet ook de afloop worden voorzien van een procedure voor minnelijke schikking die geen uitkomst biedt. Opnieuw wordt een onderscheid gemaakt tussen het “precontentieuze” en “contentieuze” aspect. Wat het eerste betreft, stelt het proces-verbaal van verschijning ter minnelijke schikking dan een einde aan de procedure. Vervolgens staat het de partijen vrij om een “klassieke” gerechtelijke procedure in te leiden. Wat het tweede aspect betreft, indien de minnelijke schikking geen uit- komst biedt voor de kamers voor minnelijke schikking, zal worden overgegaan tot de doorverwijzing van de zaak naar de oorspronkelijke kamer volgens dezelfde nadere regels als bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste en tweede lid (proces-verbaal van de zitting en toezen- ding van het rechtsplegingsdossier). In tegenstelling tot artikel 734/1, § 2, derde lid, worden de partijen niet automatisch opgeroepen voor de zitting van de oor- spronkelijke kamer. Na een procedure voor minnelijke articles prévoient, pour la conciliation (précontentieuse), l’assimilation de la demande en conciliation à une mise en demeure, la suspension de la prescription de l’action à partir de la demande en conciliation jusqu’à l’audience de comparution et, si les parties comparaissent, la sus- pension la prescription pendant durée de la tentative de conciliation (précontentieuse). Art. 38 L’insertion de l’article 734/2 vise à prévoir ce qu’il advient dans l’hypothèse où la conciliation devant la chambre de règlement à l’amiable abouti à un accord. Dans la procédure précontentieuse, l’accord peut faire l’objet d’un procès-verbal de conciliation revêtu de la formule exécutoire. Lorsque la conciliation aboutit alors que le litige est pendant, l’accord peut faire l’objet d’un jugement ou un arrêt d’accord, conformément à l’article 1043. Nous renvoyons aux commentaires relatifs à l’article 733/1. Sur suggestion du Conseil supérieur de la Justice, les mots “peuvent être constatés” sont remplacés par les mots “sont constatés”. Néanmoins les parties peuvent renoncer à cette possibilité. Nous renvoyons aux com- mentaires relatifs à la modification de l’article 733 du Code judiciaire. Art. 39 À l’inverse de l’article 734/2 qui traitait de la procédure à suivre pour constater l’accord de conciliation intervenu entre les parties, il faut également prévoir l’issue d’une procédure de conciliation qui n’aboutit pas. À nouveau, une distinction est faite entre le “pré- contentieux et le contentieux”. Pour la première, le procès-verbal de comparution en conciliation mettra un terme à la procédure. Ensuite les parties seront libres d’introduire une procédure judiciaire “classique”. Pour la deuxième, si la conciliation n’aboutit pas devant la chambre de règlement à l’amiable, il sera procédé au renvoi de l’affaire devant la chambre d’origine selon les mêmes modalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2, alinéas 1 et 2 (procès-verbal d’audience et transmission du dossier de procédure). La convocation des parties à l’audience devant la chambre d’origine, ne sera pas automatique contrairement à l’article 734/1, § 2, alinéa 3. Après une non conciliation, il se pourrait en effet que les parties ne souhaitent finalement pas continuer la procédure contentieuse. Il faut leur laisser la possibilité 3552/001 DOC 55 54 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E schikking die geen uitkomst biedt, kan het zijn dat partijen de contentieuze procedure niet willen voortzetten. Zij moeten de gelegenheid krijgen daarover na te denken en niet automatisch te worden opgeroepen. Daarom zal de oproep alleen plaatsvinden indien een partij daarom verzoekt op de niet-verzoeningszitting of schriftelijk, na de doorverwijzing, bij de bevoegde griffie. Art. 40 Met de invoeging van dit artikel kan worden voorzien in enkele werkingsregels voor de kamer voor minnelijke schikking. Uit de rechtsleer en uit de praktijk zoals ingevoerd in het kader van met name de proefprojecten in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, in de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel en in het hof van beroep te Brussel, blijkt dat vertrouwelijkheid van het allergrootste belang is opdat de minnelijke schikking optimaal zou werken: “De partijen hebben aldus de garantie dat geen enkele – mondelinge of schriftelijke – mededeling, gedaan binnen haar muren, onthuld zal worden of voor hen nadelig zal uitvallen in het kader van een eventuele daaropvolgende terugkeer naar de klassieke gerechtelijke procedure”. (A. DEJOLLIER, “La chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine de promesses”, J.T., nr. 6870, 16 oktober 2021, blz. 652, nr. 21.). Naast de vertrouwelijkheid voorziet het ontwerp ook in de mogelijkheid voor de rechter om, zo hij dat nuttig acht en enkel met instemming van de partijen, “caucus- sen” te organiseren, dat wil zeggen aparte gesprekken met elk van de partijen op zich te voeren. Van dit in- strument wordt vaak gebruik gemaakt bij bemiddeling (M. GONDA, “Chapitre II – Les étapes de la médiation” in Droit et pratique de la médiation, 2de ed., Brussel, Larcier, 2021, blz. 240, nr. 507 en 508; A. BRIDOUX, “Titre VIII – La confidentialité”, in Les écrits en médiation selon le Code judiciaire, 2de ed., Brussel, Larcier, 2015, blz. 155 ev.). Het stelt de rechter-verzoener in staat om “kennis te nemen van informatie waarvoor men niet uitkomt in de zitting en die nochtans bepalend is voor de mogelijkheid om tot een onderhandelde oplossing te komen (bijvoorbeeld de limieten van het mandaat waaraan de vertegenwoordiger van een van de partijen is gebonden) en zelfs, in voorkomend geval, de vaak onuitgesproken standpunten van de partijen bij te stel- len. De magistraat verkrijgt aldus een beter begrip van het dossier en beschikt over meer speelruimte voor de oplossingen die hijzelf zal kunnen introduceren of suggereren.” (A. DEJOLLIER, op.cit., blz. 655, nr. 36.). Bovendien is de rechter-verzoener, wiens rol verschillend d’y réfléchir et de ne pas prévoir une convocation auto- matique. Dès lors, la convocation n’aura lieu que si une partie le demande à l’audience de non-conciliation ou par écrit, après le renvoi, auprès du greffe compétent. Art. 40 L’insertion de cet article permet de prévoir quelques règles de fonctionnement de la chambre de règlement à l’amiable. Il ressort de la doctrine et de la pratique mise en place notamment par les projets pilotes au tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles, auTribunal du travail francophone de Bruxelles, et de la cour d’appel de Bruxelles, que la confidentialité est primordiale pour que la conciliation fonctionne de manière optimale: “les parties ont ainsi la garantie qu’aucune communication, verbale ou écrite, faite entre ses murs n’en sera révélée ni ne pourra la préjudicier dans le cadre d’un éventuel retour consécutif à la procédure judiciaire classique.”. (A. DEJOLLIER, “La chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine de promesses”, J.T., n° 6870, 16 octobre 2021, p. 652, n° 21.). Outre la confidentialité, le projet prévoit également la possibilité pour le juge s’il l’estime utile et, uniquement avec l’accord des parties, de prévoir des “caucus”, c’est-à-dire d’avoir des entretiens séparés avec cha- cune des parties isolément. Cet outil est très utilisé en médiation (M. GONDA, “Chapitre II – Les étapes de la médiation” in Droit et pratique de la médiation, 2e édi- tion, Bruxelles, Larcier, 2021, p. 240, n° 507 et 508; A. BRIDOUX, “Titre VIII – La confidentialité”, in Les écrits en médiation selon le Code judiciaire, 2e éd., Bruxelles, Larcier, 2015, pp. 155 et s.). Il permet au juge conciliateur “de connaître des informations inavouables en plénière et pourtant déterminantes de la possibilité d’aboutir à une solution négociée (ex. les limites du mandat auquel est tenu le représentant d’une des parties) voire de réa- juster, le cas échéant, les positions parfois inexprimées des parties. Le magistrat dispose ainsi d’une meilleure compréhension du dossier et d’une plus grande lati- tude dans les solutions qu’il pourra lui-même induire ou suggérer.” (A. DEJOLLIER, op.cit., p. 655, n° 36.). En outre, le juge conciliateur, dont le rôle est différent dans le cadre de la chambre de règlement à l’amiable, est également un juge qui siège dans des chambres contentieuses et qui, dès lors, connaît la jurisprudence 55 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E is in het kader van de kamer voor minnelijke schikking, tevens een rechter die zitting neemt in geschillenkamers en die derhalve de rechtspraak kent en, bij die caucus- sen, objectieve aanwijzingen kan geven aan de partijen die soms ertoe komen om hun aanspraken bij te stellen en aldus een begin van oplossing mogelijk maken. (A. DEJOLLIER, op.cit., blz. 656, nr. 37; B. Petit, “Passerelle entre conciliation et procédure judiciaire”, Ius & Actores, 2008/1, blz. 118). Sommigen zullen ongetwijfeld de problematische afwezigheid van tegenspraak bij de organisatie van die caucussen te berde brengen. In dat opzicht moet niettemin de nadruk worden gelegd op de specifieke rol van de rechter-verzoener, wiens taak het niet is om het conflict te beslechten, naar het voorbeeld van de rechter van een geschillenkamer. Aldus “[heb- ben] de partijen niet tot doel hem te overhalen, zodat een tegensprekelijk debat niet noodzakelijk onmisbaar is voor het uitwerken van een oplossing.” (A. DEJOLLIER, op.cit., blz  655, nr. 36). Overigens zijn de beginselen tot regeling van de burgerlijke rechtspleging niet van openbare orde en kunnen ze dus geweerd worden door de partijen. De tekst voorziet trouwens uitdrukkelijk in een akkoord vanwege de partijen over het principe van de caucus, ingeval de rechter een beroep zou doen op die mogelijkheid, die geen verplichte passage vormt (C. SMETS-GARY en M. BECKER, “Chapitre 2 – Le caucus” in Médiation et techniques de négociation intégrative, 1e editie, Brussel, Larcier, 2011, blz. 308). Paragraaf 2 voorziet in het principe van de verschijning in persoon, indien nodig bijgestaan door een advocaat of de personen vermeld in artikel 728 van het Gerechtelijke Wetboek. Voor wat rechtspersonen betreft, wordt nader bepaald dat de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt hem moet kunnen verbinden, op gevaar af dat dit tijdverlies voor alle partijen tot gevolg heeft. Deze regels zijn bedoeld om de kansen om tot een ak- koord te komen zo groot mogelijk te maken, maar als ze niet kunnen worden nageleefd, mag dat niet beletten dat het geschil toch, met het oog op verzoening, aan de rechter wordt voorgelegd. Paragraaf 3 bepaalt dat de partijen te allen tijde een einde aan de minnelijke schikking kunnen stellen. Paragraaf 4 bekrachtigt het principe van de terug- trekking van de magistraat, naar analogie van hetgeen thans bestaat in de kamers voor minnelijke schikking in familiezaken (artikel 79, achtste lid). Wanneer de min- nelijke schikking mislukt, is het immers niet de bedoeling dat de partijen tegenover hun rechter-verzoener zouden komen te staan indien ze beslissen om een gerechtelijke procedure in te stellen. Het welslagen van de minnelijke schikking is erin gelegen dat de partijen zich vrij moeten et peut, lors de ces caucus, donner des indications objectives aux parties qui en viennent parfois à ajuster leurs prétentions et à permettre ainsi l’émergence d’une solution (A. DEJOLLIER, op.cit., p. 656, n° 37; B. Petit, “Passerelle entre conciliation et procédure judiciaire”, Ius & Actores, 2008/1, p. 118). Certains ne manqueront pas de soulever l’absence problématique de contradic- toire lors de l’organisation de ces caucus. À cet égard, il faut néanmoins souligner le rôle spécifique du juge conciliateur qui n’est pas là pour trancher le conflit, à l’instar du juge d’une chambre contentieuse. Ainsi, “les parties n’ont pas pour objectif d’emporter sa conviction, de sorte qu’un débat contradictoire n’est pas nécessai- rement indispensable à l’élaboration d’une solution” (A. DEJOLLIER, op.cit., p  655, n° 36). Par ailleurs, les principes régissant la procédure civile ne sont pas d’ordre public et peuvent donc être écartés par les par- ties. Le texte prévoit d’ailleurs expressément un accord des parties sur le principe du caucus, dans l’hypothèse où le juge recourrait à cette possibilité, qui n’est pas un passage obligé (C. SMETS-GARY, et M. BECKER, “Chapitre 2 – Le caucus” in Médiation et techniques de négociation intégrative, 1re édition, Bruxelles, Larcier, 2011, p. 308). Le paragraphe 2 prévoie le principe de la comparution en personne, au besoin assistée d’un avocat ou des personnes mentionnées dans l’article 728 du Code judiciaire. Pour les personnes morales, il est précisé qu’il faut que la personne physique représentant la personne morale puisse l’engager, sous peine de faire perdre du temps à toutes les parties. Ces règles permettent de maximaliser les chances d’aboutir à un accord mais si elles ne peuvent pas être rencontrées, cela ne doit pas empêcher de soumettre le litige au juge à fin de conciliation. Le paragraphe 3 énonce que les parties peuvent à tout moment mettre un terme à la conciliation. Le paragraphe 4 consacre le principe du déport du magistrat à l’instar de ce qui existe actuellement dans les chambres de règlement à l’amiable en matière fami- liale (article 79, alinéa 8). En effet, en cas d’échec de la conciliation, il ne faudrait pas que, si les parties décident d’introduire une procédure judiciaire, elles se retrouvent face à leur juge conciliateur. Il en va du succès de la conciliation elle-même où les parties doivent se sentir libres de pouvoir révéler ce qu’elles estiment nécessaire 3552/001 DOC 55 56 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voelen om te kunnen onthullen wat ze noodzakelijk ach- ten, zonder dat de vrees bestaat dat dit een impact zou hebben op een eventuele procedure ten gronde ingeval van mislukking van de minnelijke schikking. Naast het feit dat de rechters op eigen initiatief zich moeten onthouden wanneer zij in de geschillenfase de- zelfde zaak als in de KMS behandelen, kunnen de partijen hen overeenkomstig artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek wraken. Tussen een verzoeningsprocedure en een geschillenprocedure kunnen immers jaren verlopen, en in de tussentijd kunnen de rechters zijn veranderd van affectatie en hun functie bij een andere rechtbank of hof hebben uitgeoefend. Art. 41 De voorgestelde wijziging voorziet erin dat de zittingen ter minnelijke schikking van de kamer voor minnelijke schikking verlopen in de raadkamer. Het is immers van het grootste belang, zoals vermeld in de toelichting bij de invoeging van artikel 734/4, dat vertrouwelijkheid verzekerd is. De zittingen in de raad- kamer maken het mogelijk om te garanderen dat dit principe effectief geldt. Art. 42 Artikel 780/1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat in burgerlijke zaken een informatieblad wordt gevoegd bij het vonnis. Het vierde lid stelt dat dit informatieblad geen onderdeel uitmaakt van het von- nis en dat het wordt gevoegd bij de uitgifte bedoeld in artikel 790 van hetzelfde Wetboek. Er zijn echter gevallen waarin de gerechtsdeurwaarder verplicht is een vonnis te betekenen, welke de termijn voor een rechtsmiddel doet lopen, op basis van een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis en niet op basis van een uitgifte. Hetzelfde gevolg heeft de kennisgeving van een eensluidend verklaard afschrift krachtens artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In het licht van het bovenstaande, is het niet gerecht- vaardigd een gedifferentieerd regime te handhaven met betrekking tot de betekening van het eensluidend verklaarde afschrift. In het belang van efficiëntie en van een goede rechts- bedeling, wordt gepleit voor een versoepeling van de wettekst. sans crainte que cela ait un impact sur une éventuelle procédure au fond en cas d’échec de la conciliation. Outre que les juges doivent se déporter d’initiative s’ils venaient à connaitre de la même cause dans la phase contentieuse, les parties peuvent les récuser confor- mément à l’article 828, 9° du Code judiciaire. En effet, il se passe parfois des années entre une procédure en conciliation et une procédure contentieuse et entretemps les magistrats ont pu bouger et exercer leurs fonctions dans un autre tribunal ou cour. Art. 41 La modification proposée vise à prévoir que les au- diences à fin de conciliation de la chambre de règlement à l’amiable se déroulent en chambre du conseil. Il est en effet primordial, comme mentionné dans les commentaires relatifs à l’insertion de l’article 734/4, que la confidentialité soit assurée. Les audiences en chambre du conseil permettent de garantir l’effectivité de ce principe. Art. 42 L’article 780/1, alinéa 1er, du Code judiciaire prévoit que la fiche informative est jointe au jugement en matière civile. L’alinéa 4 détermine que la fiche informative ne fait pas partie du jugement et qu’elle est jointe à l’expédition visée à l’article 790 du même Code. Toutefois, il existe des cas dans lesquels l’huissier de justice se voit dans l’obligation de procéder à la signi- fication d’un jugement sur la seule base d’une copie certifiée conforme et non pas de l’expédition, avec pour effet de faire courir les délais de recours. Le même effet est induit en cas de notification de la copie conforme de la décision, en application de l’article 792, alinéa 2, du Code judiciaire. Compte tenu de ce qui précède, maintenir un régime différencié vis-à-vis de la signification d’une copie cer- tifiée conforme ne se justifie pas. Dans un souci d’efficacité et de bonne administration de la Justice, un assouplissement du texte légal est proposé. 57 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het zij opgemerkt dat een aantal gerechten deze analyse reeds onderschrijven, aangezien zij reeds instemmen om het informatieblad te voegen bij het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis met het oog op de betekening. De voorgestelde wijziging komt tegemoet aan deze vaststelling en voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om het informatieblad te voegen bij het eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis. Art. 43 In het arrest van 16 februari 2021 “Vermeersch t. België” (verzoekschrift nr. 49.652/10) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden vastgesteld ingevolge een leemte in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatiebe- roep, die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen in de zaak die de verzoeker eraan heeft voorgelegd. Voor een goed begrip van de reikwijdte van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 februari 2021 en van de ontworpen bepaling die de uitvoering ervan beoogt, is een korte uiteenzetting van de omstandigheden van het geschil noodzakelijk. De verzoeker voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een agrarisch ondernemer wiens aan- vraag tot uitbreiding van zijn varkensbedrijf gedeeltelijk werd afgewezen bij een besluit van 30 juli 1996 van de Vlaamse minister van Leefmilieu. Op  30 september 2004 werd dat besluit, ingevolge het door de verzoeker ingestelde beroep, vernietigd door de Raad van State. Op  12 januari 2005 heeft de verzoeker het Vlaamse Gewest voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk gedaagd tot herstel van de schade die hij had geleden door de illegale handeling die door de Raad van State werd vernietigd. Zowel deze rechtbank als, ingevolge het door de verzoeker ingestelde hoger beroep, het hof van beroep te Gent hebben de vordering verjaard verklaard. In het arrest van het hof van beroep van 22 juni 2007 werd geoordeeld dat de verjaring van de vordering tot vergoeding van de schade die werd veroorzaakt door het ministerieel besluit van 30 juli 1996, geregeld was door de artikelen 100 en 101 van de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit die toen van toepassing waren, dat de verjaringstermijn van vijf jaar was ingegaan op 1 januari 1996, dat de indiening van het beroep tot vernietiging bij de Raad van State op die termijn geen stuitende of schorsende werking had en dat de vordering die op 12 januari 2005 bij dagvaarding Il est à noter que plusieurs juridictions souscrivent déjà à cette analyse dès lors qu’elles acceptent de délivrer une fiche informative à joindre à une copie certifiée conforme du jugement en vue de sa signification. La modification proposée répond à cette observation et prévoit expressément que la fiche informative soit jointe à la copie certifiée conforme du jugement. Art. 43 Par l’arrêt du 16 février 2021 “Vermeersch c/ la Belgique” (Requête n° 49.652/10), la Cour européenne des droits de l’homme a constaté une violation de l’ar- ticle 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales déduite de l’existence dans les dispositions du Code judiciaire réglant le pourvoi en cassation d’une lacune que, dans la cause déférée par le requérant à la Cour de cassation, celle-ci n’a pas comblée. Pour comprendre la portée de l’arrêt de la Cour euro- péenne des droits de l’homme du 16 février 2021 et de la disposition en projet qui tend à l’exécuter, un bref exposé des circonstances du litige est nécessaire. Le requérant devant la Cour européenne des droits de l’homme est un exploitant agricole dont un arrêté du ministre flamand de l’Environnement du 30 juillet 1996 a partiellement rejeté la demande d’extension de son éle- vage de porcs. Cet arrêté a, sur le recours du requérant, été annulé par le Conseil d’État le 30 septembre 2004. Le 12 janvier 2005, le requérant a cité la Région flamande devant le tribunal de première instance de Courtrai en réparation du dommage causé par l’acte illégal annulé par le Conseil d’État. Tant ce tribunal que, sur l’appel du requérant, la cour d’appel de Gand ont dit la demande prescrite. L’arrêt de la cour d’appel du 22 juin 2007 a considéré que la prescription de l’action en réparation du dommage causé par l’arrêté ministériel du 30 juillet 1996 était régie par les articles 100 et 101 des lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l’État alors en vigueur, que le délai de prescription de cinq ans avait pris cours le 1er janvier 1996, que l’introduction du recours en annulation devant le Conseil d’État n’avait sur ce délai ni d’effet interruptif ni d’effet suspensif et que la demande introduite par la citation en justice du 12 janvier 2005 était, dès lors, tardive. Le requérant s’est pourvu en 3552/001 DOC 55 58 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voor het gerecht werd ingediend, dus laattijdig was. De verzoeker heeft cassatieberoep aangetekend tegen dit arrest bij een verzoekschrift dat op 29 mei 2008 werd ingediend op de griffie van het Hof van Cassatie nadat het op 27 mei 2008 aan het Vlaamse Gewest werd betekend. Dat verzoekschrift bevatte een tweeledig cassatie- middel waarmee de verzoeker de beslissing van het hof van beroep betwistte, die inhield dat het beroep dat hij bij de Raad van State had aangetekend enige schorsende of stuitende werking op de verjaringstermijn werd ontzegd. De verzoeker stelde dat een wetsvoorstel dat ertoe strekte een dergelijk beroep een schorsende werking op de verjaringstermijn te geven, ingediend was bij het Parlement en dat hij zich het recht voorbehield om de toepassing te eisen van de wet die uit dat voorstel zou voortkomen indien die tijdens de cassatieprocedure in werking trad. De verzoeker heeft op 10 oktober 2008 een memorie van toelichting ingediend waarin hij een middel aanvoert dat ontleend is aan de schending van de bepalingen van de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit, met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, die intussen was goedgekeurd en in werking was getreden. Het Vlaamse Gewest heeft op 1 oktober 2009 een pleitnota neergelegd waarin de niet-ontvankelijkheid van de memorie van toelichting aan de orde werd gesteld. Op  26 januari 2010 heeft de verzoeker een pleitnota neergelegd. Het arrest van het Hof van Cassatie van 25 februari 2010 (Pas., nr. 126) verwerpt het beroep na de memorie van toelichting niet-ontvankelijk te hebben verklaard wegens laattijdig en het middel dat is aan- gevoerd in het verzoekschrift tot cassatie te hebben geweerd als ongegrond. Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel waarvan de procedure voornamelijk schriftelijk is. Het cassatiemiddel is het wezenlijke bestanddeel van de voorziening: het bepaalt de omvang van de aanhangig- making bij het Hof door het controlerecht af te bakenen dat het verzoekschrift voor hem opent. De wetgever heeft de indiening van het beroep willen onderwerpen aan een korte termijn en een regelmatig tempo willen bepalen voor de uitwisseling van de geschriften van de partijen. Krachtens artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving cassation contre cet arrêt par une requête remise au greffe de la Cour de cassation le 29 mai 2008 après avoir été signifiée le 27 mai 2008 à la Région flamande. Cette requête comportait un moyen de cassation divisé en deux branches par lequel le requérant contestait la décision de la cour d’appel de dénier au recours qu’il avait introduit devant le Conseil d’État tout caractère suspensif ou interruptif de la prescription. Le requérant indiquait qu’une proposition de loi visant à donner à pareil recours un effet suspensif du délai de prescrip- tion était soumise au Parlement et qu’il se réservait le droit de demander l’application de la loi issue de cette proposition si elle entrait en vigueur au cours de la procédure en cassation. Le requérant a déposé le 10 octobre 2008 un mémoire ampliatif où il a présenté un moyen pris de la violation des dispositions de la loi du 25 juillet 2008 modifiant le Code civil et les lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l’État en vue d’interrompre la pres- cription de l’action en dommages et intérêts à la suite d’un recours en annulation devant le Conseil d’État, qui avait entre-temps été adoptée et était entrée en vigueur. La Région flamande a déposé le 1er octobre 2009 une note de plaidoirie soulevant l’irrecevabilité du mémoire ampliatif. Une note de plaidoirie a été déposée par le requé- rant le 26 janvier 2010. L’arrêt de la Cour de cassation du 25 février 2010 (Pas., n° 126) rejette le pourvoi après avoir dit le mémoire ampliatif irrecevable comme tardif et écarté comme non fondé le moyen présenté dans la requête en cassation. Le pourvoi en cassation est une voie de recours extraordinaire dont la procédure est essentiellement écrite. Le moyen de cassation est l’élément essentiel du pourvoi: il détermine la saisine de la Cour en délimitant le droit de contrôle que lui ouvre la requête. Le législateur a entendu soumettre l’introduction du pourvoi à un bref délai et imprimer un rythme cadencé à l’échange des écritures des parties. Aux termes de l’article 1073, alinéa 1er, du Code judiciaire, hormis les cas où la loi établit un délai plus court, le délai pour introduire le pourvoi en cassation est de trois mois à partir du jour de la signification de la 59 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid, behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt. Artikel 1087 staat de eiser toe samen met zijn verzoek- schrift, of, op straffe van verval, binnen vijftien dagen na de betekening ervan, een memorie van toelichting over te leggen, die vooraf aan de verweerder is betekend en waarin de feiten worden uiteengezet en de cassatiemid- delen ontwikkeld. Volgens artikel 1093, eerste lid, bedraagt de termijn waarover de verweerder beschikt om zijn antwoord ter griffie in te dienen, op straffe van verval, drie maanden, te rekenen van de dag waarop het inleidende verzoekschrift of de memorie van toelichting is betekend. Indien de verweerder tegen het cassatieberoep een middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, kan de eiser krachtens artikel 1094, eerste en tweede lid, hierop antwoorden door op de griffie van het Hof van Cassatie een memorie van wederantwoord in te dienen. Elke partij moet haar hele betoog in een enkel geschrift bundelen dat ze naargelang van de voortgang van de procedure mag indienen. Alle middelen waarop de eiser zich wil beroepen moeten in het verzoekschrift worden vermeld; de memorie van toelichting – die zelden worden gebruikt – is niet-ontvankelijk voor zover ze ertoe strekt de uiteenzetting van het middel aan te vullen, ofwel door grieven te formuleren die niet in die uiteenzetting werden aangevoerd, ofwel door de onnauwkeurigheid of de ontoereikendheid van de middelen die erin worden geformuleerd, te verhelpen. De verweerder mag slechts één memorie van wederantwoord neerleggen. De memo- rie van repliek mag geen ander onderwerp hebben dan het opwerpen van een middel van niet-ontvankelijkheid tegen het cassatieberoep. Aangezien de partijen die hebben voldaan aan de regels van de schriftelijke procedure hun middelen, over- eenkomstig artikel 1086 van het Gerechtelijk Wetboek, op de zitting mondeling kunnen doen ontwikkelen door een advocaat die is ingeschreven op het tableau van een balie, is het in de praktijk mogelijk om anticipatieve pleitnota’s neer te leggen. Die nota’s kunnen de tekortko- mingen van een door de verzoeker aangevoerd middel niet compenseren, laat staan een nieuw middel bevatten. De verzoeker heeft pas in de memorie van toelichting een middel ingediend dat ontleend is aan de schending van die bepalingen. Die memorie, die op 10 oktober 2008 werd neergelegd, dus meer dan vijftien dagen na de betekening van het verzoekschrift – en zelfs na het verstrijken van de antwoordtermijn – werd in het arrest van 25 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens laattijdig, in de volgende bewoordingen: décision attaquée ou de la notification de celle-ci faite conformément à l’article 792, alinéas 2 et 3. L’article 1087 autorise le demandeur à joindre à sa requête, ou à produire dans les quinze jours de la signi- fication de celle-ci, à peine de déchéance, un mémoire ampliatif, préalablement signifié à la partie défenderesse, et contenant un exposé des faits et le développement des moyens de cassation. Suivant l’article 1093, alinéa 1er, le délai accordé au défendeur pour la remise au greffe de sa réponse est, à peine de déchéance, de trois mois à compter du jour de la signification de la requête introductive ou du mémoire ampliatif. Si le mémoire en réponse oppose au pourvoi une fin de non-recevoir, le demandeur peut, en vertu de l’article 1094, alinéas 1er et 2, déposer un mémoire en réplique dans le délai d’un mois à compter du jour de la signification du mémoire en réponse. Chaque partie doit concentrer toute son argumenta- tion dans le seul écrit que, en fonction de l’avancement de la procédure, elle est autorisée à déposer. Tous les moyens dont le demandeur entend se prévaloir doivent être contenus dans la requête; le mémoire ampliatif – dont l’usage est rare – est irrecevable dans la mesure où il tend à compléter l’exposé du moyen, soit en formulant des griefs qui n’ont pas été allégués dans cet exposé, soit en palliant l’imprécision ou l’insuffisance des griefs qui y sont formulés. Le défendeur ne peut déposer qu’un seul mémoire en réponse. Le mémoire en réplique ne peut avoir d’autre objet que de répondre à une fin de non-recevoir opposée au pourvoi. Comme les parties qui ont respecté les règles de la procédure écrite peuvent, conformément à l’article 1086 du Code judiciaire, faire développer oralement leurs moyens à l’audience par un avocat inscrit au tableau d’un barreau, la pratique admet le dépôt de notes antici- patives de plaidoiries. Ces notes ne sauraient suppléer aux carences d’un moyen soulevé par le requérant, et moins encore contenir un nouveau moyen. Ce n’est que dans le mémoire ampliatif que le requé- rant a présenté un moyen pris de la violation de ces dispositions. Ce mémoire, déposé le 10 octobre 2008, soit plus de quinze jours après la signification de la requête – et même après l’expiration du délai de réponse –, a, dans les termes suivants, été déclaré irrecevable comme tardif par l’arrêt du 25 février 2010: 3552/001 DOC 55 60 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Ontvankelijkheid van de aanvullende memorie: 1. Krachtens artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek kan de eiser, samen met zijn verzoekschrift, of, op straffe van verval, binnen vijftien dagen na de betekening ervan, een memorie van toelichting overleggen, die vooraf aan de verweerder is betekend en waarin de feiten worden uiteengezet en de cassatiemiddelen ontwikkeld. 2. Te dezen werd het cassatieberoep betekend op 27 augustus 2008, terwijl de aanvullende memorie ter griffie werd neergelegd op 10 oktober 2008, hetzij buiten de op straffe van verval voorgeschreven termijn. 3. De eiser voert aan dat de […] memorie ontvanke- lijk zou zijn gelet op de terugwerkende kracht van de wet van 25 juli 2008, zoals deze volgt uit artikel 4 van voormelde wet. Dit artikel bepaalt dat deze wet van toepassing is op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State zijn ingediend voor de inwerkingtreding ervan. Zij is evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot schadevergoeding voor de inwerkingtreding van deze wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is ingediend. 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bepalingen van openbare orde die de cassatieprocedure regelen, meer bepaald deze omtrent de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, de memories en de middelen. Noch het recht van verdediging, noch dit op een eerlijk proces zoals vervat in artikel 6.1 EVRM verantwoorden een afwijking terzake. 5. De aanvullende memorie kan derhalve niet in overweging worden genomen zoals aangevoerd door de verweerder.” Het is die beslissing die ertoe heeft geleid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wijst op een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de funda- mentele vrijheden, zoals blijkt uit de volgende passages van het arrest van 16 februari 2021: “82. […] Il apparaît qu’aucune disposition du Code judiciaire ne permettait à un demandeur en cassation de faire valoir un moyen nouveau tiré de la violation d’une disposition légale applicable aux litiges en cours si cette disposition était entrée en vigueur alors que son pourvoi était pendant devant la Cour de cassation et que le délai pour la soumission d’un mémoire ampliatif “Quant à la recevabilité du mémoire ampliatif: 1. En vertu de l’article 1087 du Code judiciaire, le demandeur peut joindre à sa requête, ou produire dans les quinze jours de la signification de celle-ci, à peine de déchéance, un mémoire ampliatif, préalablement signifié à la partie défenderesse, et contenant un exposé des faits et le développement des moyens de cassation. 2. En l’espèce, le pourvoi en cassation a été signifié le 27 août 2008 alors que le mémoire ampliatif a été déposé au greffe le 10 octobre 2008, soit en dehors du délai prescrit à peine de déchéance. 3. Le demandeur soutient que le […] mémoire serait recevable eu égard à l’effet rétroactif de la loi du 25 juil- let 2008, tel qu’il résulte de l’article 4 de la loi précitée. Cet article dispose que cette loi est applicable aux recours en annulation introduits devant le Conseil d’État avant son entrée en vigueur. Elle ne s’applique toutefois pas lorsque l’action en dommages et intérêts est déclarée prescrite avant l’entrée en vigueur de cette loi par une décision passée en force de chose jugée qui n’a pas fait l’objet d’un pourvoi en cassation. 4. Cet article ne déroge pas aux dispositions d’ordre public réglant la procédure en cassation, spécialement à celles qui gouvernent la recevabilité du pourvoi, des mémoires et des moyens. Ni les droits de la défense ni le droit à un procès équitable contenu dans l’article 6 de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales ne justifient de s’écarter de ces règles. 5. Le mémoire ampliatif ne peut, dès lors, pas être pris en considération, comme l’invoque la défenderesse.” C’est cette décision qui a amené la Cour européenne des droits de l’homme à relever une violation de l’article 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales, ainsi qu’il résulte des passages suivants de l’arrêt du 16 février 2021: “82. […] Il apparaît qu’aucune disposition du Code judiciaire ne permettait à un demandeur en cassation de faire valoir un moyen nouveau tiré de la violation d’une disposition légale applicable aux litiges en cours si cette disposition était entrée en vigueur alors que son pourvoi était pendant devant la Cour de cassation et que le délai pour la soumission d’un mémoire ampliatif 61 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E avait expiré, et cela, même s’il s’agissait de donner effet à une loi rétroactive. […] 85. La Cour estime que le droit d’accès à un tribunal exigeait, dans les circonstances particulières de l’espèce, que le requérant pût inviter la Cour de cassation à se prononcer sur l’incidence de l’entrée en vigueur de la loi du 25 juillet 2008 sur la légalité de l’arrêt qu’il avait attaqué devant elle. Il en était ainsi eu égard au fait que les dispositions de cette loi avaient un caractère rétroactif et étaient d’application dans les litiges en cours, sauf s’il y avait déjà eu une décision passée en force de chose jugée (comme une décision rendue par une instance d’appel) et contre laquelle un pourvoi n’avait pas été introduit. 86. Ainsi, à la lumière des considérations qui précè- dent, la Cour conclut que la présente affaire a fait ap- paraître une lacune dans les règles relatives à la re- cevabilité des pourvois en cassation, des mémoires ampliatifs et des moyens de cassation, règles qui ne sont pas en soi contraires à l’article 6, § 1er. Il peut en effet y avoir des cas exceptionnels où, alors qu’un pourvoi est pendant, une loi entre en vigueur qui est immédiatement applicable aux instances en cassation et dont le demandeur peut de manière défendable faire valoir qu’elle a des conséquences pour la solution du litige devant la Cour de cassation. 87. Comme illustré par la présente affaire, un moyen fondé sur une telle loi nouvelle ne peut pas être soumis à la Cour de cassation. Cette lacune n’a pas été comblée par la Cour de cassation […]. Si une autre interprétation des dispositions procédurales n’était pas légalement possible, le système légal belge ne permettait pas au requérant de soumettre utilement à la Cour de cas- sation le moyen tiré de la nouvelle loi. Il en est résulté une situation qui n’était pas adaptée aux circonstances particulières de l’espèce […]. 88. Dans ces circonstances, la Cour estime que la réglementation a cessé de servir les buts de la “sécurité juridique” et de la “bonne administration de la justice”. […] Cette réglementation a constitué une sorte de barrière qui a empêché le requérant de voir son litige tranché au fond. Son droit d’accès à un tribunal s’est donc trouvé atteint dans sa substance même. 89. Ce constat suffit à conclure qu’il y a eu violation de l’article 6, § 1er, de la Convention.”. Er moet dan ook worden voorzien in een wettelijke bepaling die de eisende partij in cassatie, terwijl het cassatieberoep hangende is, in staat stelt om een mid- del te doen gelden dat ontleend is aan de schending avait expiré, et cela, même s’il s’agissait de donner effet à une loi rétroactive. […] 85. La Cour estime que le droit d’accès à un tribunal exigeait, dans les circonstances particulières de l’espèce, que le requérant pût inviter la Cour de cassation à se prononcer sur l’incidence de l’entrée en vigueur de la loi du 25 juillet 2008 sur la légalité de l’arrêt qu’il avait attaqué devant elle. Il en était ainsi eu égard au fait que les dispositions de cette loi avaient un caractère rétroactif et étaient d’application dans les litiges en cours, sauf s’il y avait déjà eu une décision passée en force de chose jugée (comme une décision rendue par une instance d’appel) et contre laquelle un pourvoi n’avait pas été introduit. 86. Ainsi, à la lumière des considérations qui précèdent, la Cour conclut que la présente affaire a fait apparaître une lacune dans les règles relatives à la recevabilité des pourvois en cassation, des mémoires ampliatifs et des moyens de cassation, règles qui ne sont pas en soi contraires à l’article 6, § 1er. Il peut en effet y avoir des cas exceptionnels où, alors qu’un pourvoi est pendant, une loi entre en vigueur qui est immédiatement appli- cable aux instances en cassation et dont le demandeur peut de manière défendable faire valoir qu’elle a des conséquences pour la solution du litige devant la Cour de cassation. 87. Comme illustré par la présente affaire, un moyen fondé sur une telle loi nouvelle ne peut pas être soumis à la Cour de cassation. Cette lacune n’a pas été comblée par la Cour de cassation […]. Si une autre interprétation des dispositions procédurales n’était pas légalement possible, le système légal belge ne permettait pas au requérant de soumettre utilement à la Cour de cassa- tion le moyen tiré de la nouvelle loi. Il en est résulté une situation qui n’était pas adaptée aux circonstances particulières de l’espèce […]. 88. Dans ces circonstances, la Cour estime que la réglementation a cessé de servir les buts de la “sécurité juridique” et de la “bonne administration de la justice”. […] Cette réglementation a constitué une sorte de barrière qui a empêché le requérant de voir son litige tranché au fond. Son droit d’accès à un tribunal s’est donc trouvé atteint dans sa substance même. 89. Ce constat suffit à conclure qu’il y a eu violation de l’article 6, § 1er, de la Convention.”. Il s’impose, dès lors, de prévoir une disposition légale permettant à la partie demanderesse en cassation de faire valoir, alors que le pourvoi est pendant, un moyen pris de la violation d’une disposition légale entrée en 3552/001 DOC 55 62 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van een wettelijke bepaling die in werking getreden is tijdens het cassatiegeding en die met terugwerkende kracht van toepassing is op het geschil. In de huidige stand van de wetgeving kan het Hof van Cassatie enkel rekening houden met een middel dat in het verzoekschrift tot cassatie wordt aangevoerd. Een memorie van toelichting, ook al wordt ze ingediend binnen de termijn voorgeschreven in artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek, kan geen aanvullend middel bevatten, maar enkel een uiteenzetting van de feiten en de ontwikkeling van de cassatiemiddelen die zijn vermeld in het verzoekschrift. Het lijkt niet wenselijk over te gaan tot de wijziging van de regels inzake de ontvankelijkheid van de cassatie- beroepen, de memories van toelichting en de cassatie- middelen, waarvan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toegeeft dat ze op zich niet strijdig zijn met artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uit die regels blijkt immers de wil van de wetgever om de bundeling en de snelle uitwisseling van de geschriften tussen de partijen te bevorderen. Ze waarborgen daar- naast de effectieve uitoefening van de rechten van de verdediging, door te verduidelijken welk soort geschrift elk van de partijen in elke stap van deze uitwisseling mag indienen. Ze zijn ten slotte aangepast aan de aard van de toetsing vanwege het Hof van Cassatie. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in dit opzicht terecht de nadruk gelegd op het uitzonder- lijke karakter van de omstandigheden die aan de basis liggen van zijn arrest van 16 februari 2021. Het cassatieberoep, een buitengewoon rechtsmid- del, opent een nieuw geding, onderscheiden van het geding dat werd gevolgd voor de eerste rechter en de rechter in hoger beroep, dat slechts wordt hervat als de beslissing wordt vernietigd en binnen de perken van de vernietiging. Dat nieuwe geding gaat over de wettelijk- heid van de bestreden beslissing, die in de regel enkel kan worden beoordeeld in het licht van de wetten die van kracht waren op het tijdstip waarop die beslissing werd gewezen (conclusies van procureur-generaal Jean- François Leclercq, toenmalig advocaat-generaal, vóór Cass., 18 oktober 1999, Bull. en Pas., 1999, I, nr. 540, en de vermelde referenties). Het is dermate uitzonderlijk dat een nieuwe wet toe- passelijk wordt verklaard op de geschillen waartegen cassatieberoep werd aangetekend, dat er geen voor- beelden van zijn in de rechtspraak van het Hof van Cassatie sinds de arresten waartoe de wet van 25 juli 2008 aanleiding heeft gegeven. vigueur pendant l’instance en cassation et applicable rétroactivement au litige. En l’état actuel de la législation, la Cour de cassation ne peut avoir égard qu’à un moyen présenté dans la requête en cassation. Fût-il remis dans le délai prescrit à l’article 1087 du Code judiciaire, un mémoire ampliatif ne peut contenir de moyen complémentaire mais seulement un exposé des faits et le développement des moyens de cassation contenus dans la requête. Il ne paraît pas souhaitable de modifier “les règles relatives à la recevabilité des pourvois en cassation, des mémoires ampliatifs et des moyens de cassation”, dont la Cour européenne des droits de l’homme admet qu’elles “ne sont pas en soi contraires à l’article 6, § 1er, de la Convention” de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales. Ces règles, en effet, traduisent la volonté du législateur de favoriser la concentration et la célérité de l’échange des écritures des parties. Elles garantissent, en outre, l’exercice effectif des droits de la défense en précisant la nature de l’écrit qu’à chaque étape de cet échange, chacune des parties est autorisée à déposer. Elles sont, enfin, adaptées à la nature du contrôle de la Cour de cassation. C’est à cet égard à juste titre que la Cour européenne des droits de l’homme a souligné le caractère exception- nel des circonstances qui sont à l’origine de son arrêt du 16 février 2021. Le pourvoi en cassation, voie de recours extraordinaire, ouvre une instance nouvelle, distincte de celle qui a été suivie devant le premier juge et le juge d’appel, laquelle ne reprendra cours que si une cassation intervient et dans la mesure de celle-ci. Cette instance nouvelle a pour objet la légalité de la décision attaquée, qui ne peut, en règle, être appréciée qu’à l’aune des lois en vigueur au moment où cette décision a été rendue (conclusions de monsieur le procureur général Jean-François Leclercq, alors avocat général, précédant Cass., 18 octobre 1999, Bull. et Pas., 1999, I, n° 540, et les références citées). Il est à ce point exceptionnel qu’une loi nouvelle soit déclarée applicable aux litiges faisant l’objet d’un pourvoi en cassation que la jurisprudence de la Cour de cassation n’en offre pas d’exemple depuis les arrêts auxquels a donné lieu la loi du 25 juillet 2008. 63 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Om de leemte die is vastgesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te ondervangen, volstaat het niet artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met een lid dat de memorie van toelichting die buiten de voorgeschreven termijn wordt ingediend en die een middel bevat dat ontleend is aan de schending van een wettelijke bepaling die in werking getreden is tijdens het cassatiegeding en met terugwerkende kracht van toepassing is op het geschil, ontheft van het door die bepaling vastgestelde verval: zoals vermeld, kan de memorie van toelichting immers geen cassatiemiddel bevatten, maar enkel een uiteenzetting van de feiten en de ontwikkeling van de cassatiemiddelen die zijn vermeld in het verzoekschrift. Aangezien de vrijwaring van de huidige procedure wordt nagestreefd, alsook de waarborging, als tegen- hanger van het erkende recht, voor de eisende partij om tijdens het cassatiegeding een aanvullend middel te doen gelden dat ontleend is aan de schending van een dergelijke wettelijke bepaling, hebben de rechten van de verdediging van de verwerende partij een aanzet gegeven voor de oplossing die het ontworpen artikel voorstelt. Dat artikel strekt ertoe in het Gerechtelijk Wetboek na artikel 1094/1 een nieuwe bepaling in te voegen. Dat artikel zal, in soortgelijke omstandigheden als die welke aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van febru- ari 2021, de eisende partij in staat stellen om bij het Hof van Cassatie een aanvullend verzoekschrift indienen. Dat aanvullend verzoekschrift, dat onderworpen is aan dezelfde regels inzake niet-ontvankelijkheid als het eerste verzoekschrift, heeft als enig doel een nieuw middel ontleend aan de schending van de nieuwe wet die tijdens het cassatiegeding in werking is getreden en met terugwerkende kracht op het geschil van toepassing is, aanhangig te maken bij dat hof. Het opent een aanvullende procedure, waarbij de andere partijen de mogelijkheid krijgen om hun verde- diging voor te dragen. Die aanvullende procedure volgt dezelfde regels als de initiële procedure. Ze wordt eraan toegevoegd en er wordt bij eenzelfde arrest uitspraak gedaan over de twee verzoekschriften. Dat aanvullend verzoekschrift opent dus geen nieuw geding en vereist aldus geen betaling van een nieuw rolrecht, noch een nieuwe bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Er moet eveneens worden opgemerkt dat, hoewel de tekst van het ontwerp deze mogelijkheid enkel openstelt voor de eisende partij, er geen ongelijkheid van wapens Il ne saurait suffire, pour combler la lacune consta- tée par la Cour européenne des droits de l’homme, de compléter l’article 1087 du Code judiciaire d’un alinéa relevant de la déchéance édictée par cette disposition le mémoire ampliatif déposé en dehors du délai prescrit et contenant un moyen pris de la violation d’une disposition légale entrée en vigueur pendant l’instance en cassa- tion et rétroactivement applicable au litige: le mémoire ampliatif, on l’a vu, ne peut en effet contenir un moyen de cassation mais uniquement un exposé des faits et le développement des moyens de cassation contenus dans la requête. Le souhait de préserver la procédure actuelle et de garantir, comme pendant au droit reconnu à la partie demanderesse de faire valoir pendant l’instance en cassation un moyen complémentaire pris de la violation de pareille disposition légale, le droit de défense de la partie défenderesse a inspiré la solution que propose l’article en projet. Cet article tend à insérer dans le Code judiciaire une disposition nouvelle prenant place après l’article 1094/1. Cet article permettra, dans des circonstances sem- blables à celles qui ont donné lieu à l’arrêt de la Cour euro- péenne des droits de l’homme du février 2021, à la partie demanderesse de soumettre à la Cour de cassation une requête complémentaire. Cette requête complémentaire, soumise aux mêmes règles de recevabilité que la requête principale, aura pour seul objet de saisir cette cour d’un moyen nouveau pris de la violation de la nouvelle loi entrée en vigueur pendant l’instance en cassation, et rétroactivement applicable au litige. Elle ouvrira une procédure complémentaire offrant aux autres parties la possibilité de présenter leur défense. Cette procédure complémentaire obéit aux mêmes règles que la procédure initiale. Elle est jointe à celle- ci et il est statué sur les deux requêtes par un même arrêt. Cette requête complémentaire n’ouvre donc pas de nouvelle instance et, ainsi, ne nécessite pas le paie- ment d’un nouveau droit de mise au rôle ni de nouvelle contribution au Fonds d’aide juridique de deuxième ligne. Il convient de noter également que, bien que le texte du projet n’ouvre cette possibilité qu’à la partie deman- deresse, il n’existera pas d’inégalité des armes entre 3552/001 DOC 55 64 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E zal zijn tussen die partij en de verwerende partij, aange- zien er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de situatie van de eiser en die van de verweerder in cas- satie. Hoewel de eiser zijn eis geconcretiseerd ziet door de indiening van zijn verzoekschrift, is de verweerder immers niet onderworpen aan dezelfde beperkingen. Aan de ene kant belet niets hem om, op grond van arti- kel 1086 van het Gerechtelijk Wetboek, de aandacht van het Hof te vestigen op een nieuwe omstandigheid die van invloed kan zijn op de uitkomst van het beroep, en die zelfs na het verstrijken van de antwoordtermijn aan het licht gekomen is. Aan de andere kant is het eveneens vaste rechtspraak dat het Hof, voor zijn verklaring dat een cassatiemiddel ontdaan is van belang, kan steunen op een wet die in werking is getreden tijdens een cas- satiegeding, wanneer die wet van toepassing is op het lopende proces, en dat deze, in geval van cassatie, de rechter naar wie de zaak verwezen is zou verplichten om dezelfde beslissing te wijzen als die waartegen dat middel is gericht (zie de conclusies van advocaat- generaal Leclercq, vóór Cass., 18 oktober 1990, Bull. en Pas., 1999, nr. 540, in het bijzonder nr. 5, blz. 1282, en de arresten vermeld in noot (10); de noten (1), (2), (3) en (4), getekend W.G., onder Cass., 25 september 1969, Bull. en Pas., 1970, I, 95, in het bijzonder blz. 100, en de noot (2), getekend R.H., onder Cass., 5 januari 1948, Bull. en Pas., 1948, I, 16). Tot slot, ofschoon het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken ambtshalve geen cassatiemiddel kan opwerpen, kan het wel ambtshalve enige grond van niet-ontvankelijkheid of ongegrond- heid van een dergelijk middel opwerpen, hetgeen de verweerder ten goede komt. Art. 44 Er wordt gepreciseerd dat de schuldeiser met een geregistreerd pandrecht of eigendomsvoorbehoud eveneens opgeroepen moet worden bij de machti- gingsprocedure. Bij de vorige wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de insolventiewet van 11 augustus 2017 werd immers on- voldoende rekening gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het Pandregister werd opgericht. Het spreekt voor zich dat enkel de schuldeiser/pandhouder moet worden opgeroepen bij de machtigingsprocedure in de mate zijn recht betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed. Te dien einde maakt de partij die de machtiging ver- zoekt of de notaris een hypothecair getuigschrift evenals het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister over aan de griffie. Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht verbon- den aan de zekerheden ongedaan te maken en zakelijke cette partie et la partie défenderesse dans la mesure où il convient de distinguer la situation du demandeur et celle du défendeur en cassation. En effet, si le deman- deur voit sa demande cristallisée par l’introduction de sa requête, le défendeur, lui, n’est pas soumis aux mêmes limitations. D’une part, rien ne l’empêche, sur le fondement de l’article 1086 du Code judiciaire, d’attirer l’attention de la Cour sur une circonstance nouvelle pouvant avoir un effet sur l’issue du recours et apparue après même l’expiration du délai de réponse. D’autre part, il est également de jurisprudence constante que la Cour peut, pour déclarer qu’un moyen de cassation est dénué d’intérêt, se fonder sur une loi entrée en vigueur pendant l’instance en cassation, lorsque cette loi est applicable au procès en cours et que, en cas de cassation, elle obligerait le juge de renvoi à rendre la même décision que celle contre laquelle est dirigé ce moyen (voyez les conclusions de monsieur l’avocat général Leclercq, précédant Cass, 18 octobre 1999, Bull. et Pas., 1999, I, n° 540, spécialement n° 5, p. 1337, et les arrêts cités à la note (10); les notes (1), (2), (3) et (4), signées W.G., sous Cass., 25 septembre 1969, Bull. et Pas., 1970, I, 83, spécialement p. 88, et la note (2), signée R.H., sous Cass., 5 janvier 1948, Bull. et Pas., 1948, I, 16). Enfin, si la Cour de cassation ne peut, en matière civile, soulever d’office un moyen de cassation, elle peut en revanche soulever d’office toute cause d’irrecevabilité ou de non-fondement d’un tel moyen, ce qui bénéficie au défendeur. Art. 44 Il est précisé que le créancier qui dispose d’un gage ou une réserve de propriété enregistré(e) doit également être appelé à la procédure d’autorisation. Lors de la pré- cédente modification de l’article 1326 du Code judiciaire à l’occasion de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a pas été suffisamment tenu compte de la nouvelle loi sur le gage par laquelle le Registre des gages a été créé. Il va de soi que le créancier/gagiste doit uniquement être appelé à la procédure d’autorisation pour autant que son droit concerne l’immeuble à vendre. À cette fin, la partie qui demande l’autorisation ou le notaire transmet un certificat hypothécaire ainsi que le résultat des recherches après consultation du Registre des gages au greffe. Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle, 65 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder benadrukt dat enkel de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers moeten worden opgeroepen (en dus niet de overige bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving van hun voorrecht zijn overgegaan). Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving. Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen, maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden genomen. Bovendien moeten thans de schuldeisers die een pauliaanse vordering krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, worden opgeroepen. Dit leidt ertoe dat, indien er een zuiverende verkoop van het frauduleus vervreemde goed plaatsvindt, het lot van de schuldeiser die de actio pauliana heeft ingesteld, zal moeten worden bepaald in het kader van de rangregeling. Ingevolge advies van de Raad van State wordt de verwijzing naar de personen die geïnterneerd zijn inge- volge de wet op de bescherming van de maatschappij, geschrapt. De wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij werd namelijk opgeheven bij de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering. Overigens vloeit de onbekwaamheid van de geïnterneerde persoon niet voort uit de internering als dusdanig, maar uit de beslissing tot plaatsing onder rechterlijke bescherming van de geïnterneerde, die wordt genomen op grond van artikel 1238, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek. De verwijzing naar “beschermde personen” die reeds in artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek voorkomt, volstaat dus om op adequate wijze van toepassing te zijn op geïnterneerde personen, waarbij een specifieke verwijzing naar die laatsten niet relevant lijkt. Art. 45 De voorgestelde wijziging corrigeert een spelfout in de Franse tekst. Art. 46 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Verder wordt een kleine precisering aangebracht in verband met de samenloop van machtigingen. Er werd op basis van de huidige bewoording algemeen aanvaard dat l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri- vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder à une inscription de leur privilège). On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa- tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne doivent donc pas être appelés mais devront être pris en considération dans l’ordre. En outre, les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action paulienne conformément à l’article 5.243 du Code civil devront à présent être convoqués. Cela implique que, si a lieu une vente purgeante d’un bien frauduleusement aliéné, le sort du créancier qui a intro- duit une action paulienne devra être déterminé dans le cadre de l’ordre. Suite à l’avis du Conseil d’État, la référence aux per- sonnes internées par application de la loi sur la défense sociale est supprimée. En effet, la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement. Par ailleurs, l’incapacité de la personne internée ne découle pas de l’internement comme tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection judiciaire, prise sur la base de l’article 1238, § 2, 2° du Code judiciaire. La référence aux “personnes protégées” qui figure déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire est donc suffisante pour couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une référence spécifique à ces der- nières apparaisse pertinente. Art. 45 La modification proposée corrige une faute d’ortho- graphe dans le texte français. Art. 46 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. En outre, une petite précision est apportée en ce qui concerne le concours des autorisations. Sur base de la formulation actuelle, il était généralement admis 3552/001 DOC 55 66 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wanneer bijvoorbeeld een minderjarige de nalatenschap aanvaard heeft onder voorrecht van boedelbeschrijving, de machtiging van de vrederechter volstaat. Er moest dan geen bijkomende machtiging gevraagd worden aan de familierechtbank. Dit principe wordt behouden, met de precisering dat hetzelfde geldt indien slechts één van de partijen onbekwaam is. Indien het goed toebehoort aan een bekwame mede-eigenaar die aanvaard heeft onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan een minderjarige die een machtiging heeft gevraagd op grond van artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek, zal deze machtiging van de vrederechter volstaan. Art. 47 Onder de oude wetgeving werd er geen zuiverende werking toegekend aan de verkoop (openbaar of uit de hand) van een onroerend goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening. Er wordt een nieuwe machtigingsprocedure voorzien opdat ook deze verkoop zuivering met zich mee kan brengen. Indien de veref- fenaar wenst te genieten van de zuivering, moet hij een machtiging vragen aan de ondernemingsrechtbank. De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet nastreeft. Art. 48 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 52 van dit ontwerp. Art. 49 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 52 van dit ontwerp. Art. 50 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Verder wordt thans voorzien dat de notaris de schatter aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen. que si, par exemple, un mineur acceptait la succession sous bénéfice d’inventaire, l’autorisation du juge de paix suffisait. Aucune autorisation supplémentaire ne devait être demandée au tribunal de la famille. Ce principe est maintenu avec la précision qu’il en va de même si une seule des parties est incapable. Si le bien appartient à un copropriétaire capable qui a accepté sous bénéfice d’inventaire et à un mineur qui a demandé l’autorisation de l’article 1187 du Code judiciaire, cette autorisation du juge de paix suffira. Art. 47 Sous l’ancienne législation, l’effet de purge n’était pas reconnu à la vente (publique ou de gré à gré) d’un bien immeuble appartenant à une personne morale en liquidation. Une nouvelle procédure d’autorisation est prévue pour que cette vente puisse emporter également la purge. S’il souhaite bénéficier de l’effet de purge, le liquidateur doit alors demander une autorisation au tribunal de l’entreprise. Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge. Art. 48 Il est renvoyé au commentaire de l’article 52 du pré- sent projet. Art. 49 Il est renvoyé au commentaire de l’article 52 du pré- sent projet. Art. 50 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Par ailleurs, il est à présent prévu que le notaire désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise. 67 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 51 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Er wordt voorzien dat de curator (en niet de rechter- commissaris) een notaris kan aanstellen met het oog op het opmaken van de ontwerpakte. Een dergelijke wijziging beoogt de verkoopprocedure efficiënter te laten verlopen en een werklastvermindering voor de magistraten te bewerkstelligen. Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen. Daarnaast wordt er niet langer melding gemaakt van de bewoording “zoals een minimumverkoopprijs”, aangezien in artikel 1193bis en 1193ter, derde lid ge- preciseerd wordt. Art. 52 Onder de huidige wetgeving werd er geen zuiverende werking toegekend aan de verkoop (openbaar of uit de hand) van een onroerend goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening. Er wordt een nieuwe machtigingsprocedure voorzien opdat ook deze verkoop zuivering met zich mee kan brengen. Indien de veref- fenaar wenst te genieten van de zuivering, moet hij een machtiging vragen aan de ondernemingsrechtbank. De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet nastreeft. Indien de vereffenaar beslist om al dan niet zuiverend te verkopen, moet hij alleszins de bepalingen voorzien in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen naleven en de eventuele machtigingen bekomen. Er wordt verder verwezen naar de toelichting bij ar- tikel 44 van dit ontwerp. Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen. Art. 51 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Il est prévu que le curateur (et non le juge-commis- saire) peut désigner un notaire en vue de rédiger le projet d’acte. Une telle modification vise à rendre la procédure de vente plus efficace et à réduire la charge de travail des magistrats. Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise. En outre, il n’est plus fait mention des termes “telle que la fixation d’un prix de vente minimum”, vu que cela est précisé à l’article 1193bis et à l’article 1193ter, alinéa 3. Art. 52 Sous l’empire de l’actuelle législation, l’effet de purge n’était pas reconnu à la vente (publique ou de gré à gré) d’un bien immeuble appartenant à une personne morale en liquidation. Une nouvelle procédure d’autorisation est prévue pour que cette vente puisse emporter également la purge. S’il souhaite bénéficier de l’effet de purge, le liquidateur doit alors demander une autorisation au tribunal de l’entreprise. Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge. S’il décide de procéder à une vente purgeante ou non, il devra toujours respecter les dispositions du Code des sociétés et des associations et obtenir les autorisations éventuelles. Pour le reste, il est renvoyé au commentaire de l’ar- ticle 44 du présent projet. Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise. 3552/001 DOC 55 68 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 53 Het betreft een wijziging van louter technische aard. Artikel 1253ter/1, § 3 wordt opgeheven aangezien de inhoud ervan is overgenomen in de nieuwe artike- len 731/1 tot 734/4. Ter herinnering: het ontwerp heeft het “concept” van kamer voor minnelijke schikking, dat als dusdanig is gecreëerd bij de wet van 2013 voor de familierechtbank, uitgebreid tot het merendeel van de hoven en rechtbanken in burgerlijke en ondernemings- zaken en in sociale zaken. Het was dus niet zinvol om deze paragraaf 3 enkel te behouden voor de kamers voor minnelijke schikking bij de familierechtbank wanneer een specifieke afdeling gewijd wordt aan de werking van die kamers. Bijgevolg behelst de tweede wijziging een correctie van de verwijzing, naar de juiste artikelen. Art. 54 Het betreft een wijziging van louter technische aard, die de wijziging van een verwijzing beoogt. Art. 55 Het betreft een wijziging van louter technische aard, die de wijziging van een verwijzing beoogt. Art. 56 Artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gron- dig gewijzigd om verschillende praktische problemen in verband met de zuivering op te lossen. 1) Uitdrukkelijke opsomming van de zuiverende verkopingen Alle verkopingen die zuiverende werking hebben worden thans uitdrukkelijk opgesomd, zonder enkel en alleen te verwijzen naar de artikelen. De verwijzing naar de artikelen zou immers tot onduidelijkheid kunnen leiden indien de verkoop bijvoorbeeld nog plaatsvindt onder de oude wetgeving (bijvoorbeeld de faillissementswet of de wet continuïteit ondernemingen, in plaats van het Wetboek economisch recht). In dat geval kan de expli- ciete verwijzing naar het Wetboek economisch recht voor verwarring zorgen. Zoals voordien blijft er een principieel onderscheid bestaan tussen de goederen die hetzij geheel (§ 1), hetzij gedeeltelijk (§ 2 en 3) toebehoren aan de in artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde personen. Art. 53 Il s’agit d’une disposition purement technique. L’article 1253ter/1, § 3 est abrogé car son contenu a été repris aux nouveaux articles 731/1 à 734/4. Pour rappel, le projet a étendu le “concept” de chambre de règlement à l’amiable créé par la loi de 2013 pour le tribunal de la famille à la plupart des cours et tribunaux en matière civile, commerciale et sociale. Il était donc inutile de conserver ce paragraphe 3 uniquement pour les chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la famille à partir du moment où une section spécifique est consacrée au fonctionnement de ces chambres. En conséquence, la deuxième modification vise à corriger le renvoi vers les bons articles. Art. 54 Il s’agit d’une modification purement technique visant à modifier un renvoi. Art. 55 Il s’agit d’une modification purement technique visant à modifier un renvoi. Art. 56 L’article 1326 du Code judiciaire est remanié en pro- fondeur pour résoudre certains problèmes pratiques en lien avec la purge. 1) Énumération expresse des ventes purgeantes Toutes les ventes qui ont un effet purgeant sont à présent expressément énumérées, sans renvoyer uni- quement vers les articles concernés. Le renvoi vers les articles peut en effet mener à des imprécisions, par exemple, si la vente se déroule encore sous une ancienne législation (par exemple, la loi sur les faillites ou la loi sur la continuité des entreprises en lieu et place du Code de droit économique). Dans ce cas, le renvoi explicite vers le Code de droit économique peut prêter à confusion. Comme par le passé, demeure une distinction par principe entre les biens qui appartiennent en totalité (§ 1er) ou pour partie (§ 2) aux personnes énumérées à l’article 1326 du Code judiciaire. 69 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien het goed geheel toebehoort aan de in arti- kel 1326 opgesomde personen, is de verkoop zuiverend voor zover de opgesomde schuldeisers ofwel door de notaris worden opgeroepen om de verkoopver- richtingen te volgen in het kader van de openbare ver- koop, ofwel door de griffie worden opgeroepen bij de machtigingsprocedure. Indien het goed slechts gedeeltelijk toebehoort aan de opgesomde personen en aan andere perso- nen, is de verkoop zuiverend indien de opgesomde schuldeisers door de griffie worden opgeroepen bij de machtigingsprocedure. Met “de machtigingsprocedure” wordt bedoeld de beslissing waarin de rechter de verkoop machtigt of beveelt. Indien deze machtiging in een bepaalde termijn voorziet om over te gaan tot de verkoop en er later een verlenging door de rechtbank wordt toegestaan, is het echter niet vereist dat de schuldeisers opnieuw worden opgeroepen. In de hypothese dat het gaat om een onverdeeld goed, toebehorend aan meerdere personen die opgesomd worden in artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek (bijvoorbeeld een onverdeeld deel dat toebehoort aan een persoon die onder collectieve schuldenregeling staat, terwijl het andere deel aan een andere persoon toebehoort die eveneens onder collectieve schulden- regeling staat), is paragraaf 2 van toepassing en niet paragraaf 1. In dat geval blijft een oproeping tot de machtigingsprocedure dus noodzakelijk. De goederen die verkocht worden in het kader van een beslagprocedure die geheel of gedeeltelijk toebehoren aan de beslagene, vallen onder het toepassingsgebied van paragraaf 1. Indien het dus gaat om een openbare verkoop van een onverdeeld onroerend goed dat toe- behoort aan twee schuldenaren die beiden beslagen werden, moet een oproeping om de verkoopverrichtingen te volgen volstaan. Indien de beslagleggende schuldeiser op grond van artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek een verzoek tot vereffening-verdeling heeft ingediend, zullen de specifieke regels voorzien in paragraaf 3 gelden. Er wordt verder een bijzondere regeling voorzien in het uitzonderlijke geval dat uit de toepassing van arti- kel 1326, § 2 en § 3 blijkt dat de zuivering kan worden bekomen in het kader van verschillende procedures. Dit kan zich enkel voordoen wanneer er sprake is van een cumul van procedures. Bijvoorbeeld wanneer een onroerend goed in mede- eigendom toebehoort aan een minderjarige en een per- soon die tot de collectieve schuldenregeling werd toege- laten. Indien er in een dergelijk geval twee machtigingen Si le bien appartient en totalité aux personnes énu- mérées à l’article 1326, la vente sera purgeante pour autant que les créanciers énumérés aient été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente dans le cadre d’une vente publique, ou aient été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation. Si le bien appartient pour partie aux personnes énu- mérées et à d’autres personnes, la vente sera purgeante pour autant que les créanciers énumérés aient été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation. Par “procédure d’autorisation”, on entend la décision par laquelle le juge autorise ou ordonne la vente. Si cette autorisation prévoit de procéder à la vente dans un certain délai et qu’une prorogation est ensuite accordée par le tribunal, il n’est pas requis que les créanciers soient à nouveau appelés. Dans l’hypothèse où il s’agit d’un bien indivis qui appar- tient à plusieurs personnes énumérées à l’article 1326 du Code judiciaire (par exemple, une part indivise apparte- nant à une personne en règlement collectif de dettes et l’autre part à une autre personne également en règlement collectif de dettes), le paragraphe 2 est d’application et non le paragraphe 1er. Dans ce cas, un appel à la procédure d’autorisation demeure donc nécessaire. Les biens qui sont vendus dans le cadre d’une pro- cédure de saisie et qui appartiennent en totalité ou en partie au saisi, tombent sous le champ d’application du paragraphe 1. Ainsi, s’il s’agit d’une vente publique d’un immeuble indivis qui appartient à deux débiteurs qui sont tous les deux saisis, une convocation à suivre les opérations de vente doit suffire. Si le créancier sai- sissant a introduit une demande de liquidation-partage sur base de l’article 1561 du Code judiciaire, les règles spécifiques prévues au paragraphe 3 s’appliqueront. En outre, une disposition spécifique a été prévue dans le cas exceptionnel où, en application de l’article 1326, § 2 et § 3, il s’avère que la purge peut être obtenue dans le cadre de différentes procédures. Cela peut uniquement arriver lorsqu’il est question d’un cumul de procédures. Par exemple, un immeuble appartient en copropriété à un mineur et une personne admise en règlement col- lectif de dettes. Si dans un tel cas, deux autorisations ont été obtenues conformément au § 2, la vente aura 3552/001 DOC 55 70 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bekomen werden overeenkomstig § 2, zal de verkoop zuiverende werking hebben voor zover alle schuldei- sers en de mede-eigenaars bij minstens één van deze procedures betrokken werden. Op deze manier wordt voldoende garantie geboden aan de schuldeisers en wordt er vermeden dat de rechtbank opnieuw gevat moet worden indien de oproeping in één van deze procedures niet correct verliep. 2) Zuiverende verkoop van een onroerend goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening Onder de oude wetgeving werd er geen zuiverende werking toegekend aan de verkoop van een onroerend goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening. Er wordt een nieuwe machtigingsprocedure voorzien opdat ook deze verkoop zuivering met zich mee kan brengen. De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet nastreeft. 3) Uitbreiding van de schuldeisers die moeten worden opgeroepen 3.1 Thans wordt eveneens de zuiverende werking toegepast ten aanzien van de schuldeisers die een pauliaanse vordering krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden. Dit leidt ertoe dat, indien er een zuiverende verkoop ingevolge beslag, vereffening-verdeling, enz. van het frauduleus vervreemde goed plaatsvindt, het lot van de schuldeiser die de actio pauliana heeft ingesteld, zal moeten worden bepaald in het kader van de rangregeling. De oproeping voorzien in dit artikel geldt enkel ten aanzien van de schuldeiser die een pauliaanse vorde- ring heeft doen kantmelden omdat deze schuldeiser beschikt over een schuldvordering die in de rangregeling kan voorkomen. Er moet daarentegen geen rekening worden gehouden met de overige kantmeldingen die niet tot doel hebben om een schuldvordering te innen. Zo zal de kantmelding van een vordering tot nietigver- klaring van de verkoop geen aanleiding geven tot een oproeping tot de machtigingsprocedure of een oproeping om de verkoopverrichtingen te volgen. Een dergelijke vordering tot nietigverklaring beoogt de initiële verkoop ongedaan te maken en dit eveneens ten aanzien van latere verkrijgers. Dit kan dus niet worden opgelost met een zuiverende verkoop. 3.2 Daarnaast wordt ook gepreciseerd dat de schuld- eiser met een geregistreerd pandrecht of eigendoms- voorbehoud betrokken zal worden bij de procedure. Bij un effet purgeant pour autant que tous les créanciers et les copropriétaires aient valablement été associés à au moins une de ces procédures d’autorisation. De cette manière une garantie suffisante est offerte aux créanciers et un retour au tribunal est évité si la convocation ne s’est pas déroulée correctement dans une de ces procédures. 2) Vente purgeante d’un immeuble appartenant à une personne morale en liquidation Sous l’ancienne législation, l’effet de purge n’était pas reconnu à la vente d’un bien immeuble appartenant à une personne morale en liquidation. Une nouvelle procédure d’autorisation est prévue afin que cette vente puisse également emporter la purge. Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge. 3) Élargissement des créanciers qui doivent être appelés 3.1 L’effet purgeant est à présent également applicable à l’égard des créanciers qui ont fait mention en marge d’une action paulienne conformément à l’article 5.243 du Code civil. Cela implique que si a lieu une vente pur- geante suite à une saisie, une liquidation-partage, etc., d’un bien frauduleusement aliéné, le sort du créancier qui a introduit une action paulienne devra être déterminé dans le cadre de l’ordre. La convocation prévue à cet article ne vaut que vis- à-vis du créancier qui a inscrit une mention en marge d’une action paulienne puisque ce créancier dispose d’une créance qui peut être reprise dans l’ordre. Il ne faut, par contre, pas tenir compte des autres mentions en marge qui n’ont pas pour but de recouvrer une créance. Ainsi, la mention en marge d’une action en nullité de la vente ne donnera pas lieu à une convocation à la procédure d’autorisation ou à une convocation à suivre les opérations de vente. En effet, une telle action en nullité vise à annuler la vente initiale, et ce également à l’égard des acquéreurs ultérieurs. Cela ne peut donc pas être résolu avec une vente purgeante. 3.2 Il est en outre précisé que le créancier qui dispose d’un gage ou une réserve de propriété enregistrés est associé à la procédure. Lors de la précédente modification 71 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de vorige wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de insolventiewet van 11 augustus 2017, werd immers onvoldoende reke- ning gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het Pandregister werd opgericht. Het spreekt voor zich dat enkel de schuldeiser/pandhouder moet worden opgeroe- pen bij de machtigingsprocedure in de mate zijn recht betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed. Te dien einde maakt de partij die de machtiging ver- zoekt of de notaris een hypothecair getuigschrift evenals het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister over aan de griffie. 3.3 Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht verbonden aan de zekerheden ongedaan te maken en zakelijke subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder benadrukt dat enkel de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers moeten worden opgeroepen (en dus niet de overige bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving van hun voorrecht zijn overgegaan). Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving. Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen, maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden genomen. 3.4 Indien er op het hypothecair getuigschrift geen enkele schuldeiser zoals opgesomd in § 1 verschijnt, is er geen nood aan zuivering. Toch moet er in een dergelijk geval nog steeds een rangregeling worden opgesteld om de overige schuldeisers te betrekken die gerechtigd zijn om in de rangregeling te worden opgenomen. 4) Aanmaning om de verkoopverrichtingen te volgen De ratio legis van de oproeping van de schuldeisers bij de toewijzing is dat deze schuldeisers zelf een bod kunnen uitbrengen op het desbetreffend onroerend goed. Hoewel bij een fysieke openbare verkoop de toewijzing op dezelfde dag plaatsvindt als de biedingen, is dit niet het geval bij een gedematerialiseerde openbare verkoop waarin de toewijzing binnen maximum 10 werkdagen te rekenen vanaf de sluiting van de biedingsperiode dient plaats te vinden (overeenkomstig de artikelen 1193 en 1587 van het Gerechtelijk Wetboek). Indien de schuldei- sers in het kader van een gedematerialiseerde openbare verkoop slechts zouden worden opgeroepen bij de toe- wijzing, zullen zij dus in feite niet langer de mogelijkheid hebben om een bod uit te brengen. Om tegemoet te de l’article 1326 du Code judiciaire à l’occasion de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a pas été suffi- samment tenu compte de la nouvelle loi sur le gage par laquelle le Registre des gages a été créé. Il va de soi que le créancier/gagiste doit uniquement être appelé à la procédure d’autorisation pour autant que son droit concerne l’immeuble à vendre. À cette fin, la partie qui demande l’autorisation ou le notaire transmet un certificat hypothécaire ainsi que le résultat des recherches après consultation du Registre des gages au greffe. 3.3 Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle, l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri- vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder à une inscription de leur privilège). On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa- tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne doivent donc pas être appelés mais devront être pris en considération dans l’ordre. 3.4 S’il n’apparait pas de créanciers tel qu’énumérés au § 1er dans l’état hypothécaire, la purge n’est pas nécessaire. Cela étant, il y a toujours lieu de procéder à l’établissement d’un acte d’ordre en vue d’associer les autres créanciers qui ont le droit d’être repris dans l’ordre. 4) Sommation de suivre les opérations de vente La ratio legis de l’appel des créanciers à l’adjudication est que ces créanciers puissent effectuer eux-mêmes une enchère sur le bien immeuble en question. Alors que l’adjudication et les enchères ont lieu le même jour dans une vente publique physique, ce n’est pas le cas dans une vente publique dématérialisée dans le cadre de laquelle l’adjudication doit avoir lieu dans un délai de maximum 10 jours ouvrables à dater de la clôture des enchères (conformément aux articles 1193 et 1587 du Code judiciaire). Dans le cadre d’une vente déma- térialisée, si les créanciers ne sont appelés qu’à l’adju- dication, ils n’ont en réalité plus la possibilité d’émettre une enchère. Pour tenir compte de cette ratio legis, l’appel à l’adjudication qui était prévu jusqu’ici est par 3552/001 DOC 55 72 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E komen aan deze ratio legis, wordt bijgevolg de oproe- ping tot de toewijzing die tot nu toe voorzien was, thans vervangen door een aanmaning om de verkoopverrich- tingen te volgen. Er wordt bovendien in de wet gepreciseerd dat deze oproeping, afhankelijk van de omstandigheden van het dossier, gebeurt per deurwaardersexploot of aangete- kende zending met ontvangstbewijs. In de Memorie van toelichting van de insolventiewet van 11 augustus 2017 werd deze wijze van oproeping reeds aangegeven (Parl. St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, p. 116.). 5) Specifieke regeling voor de verkoop in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling Er wordt in paragraaf 3 een specifieke regeling uitge- werkt voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling. De zuivering van deze verkopingen werd voordien verbonden aan de voorwaarde van de oproeping van de schuldeisers bij de machtigingsprocedure. De wet voorziet echter geen machtigingsprocedure in het kader van de gerechtelijke vereffening-verdeling. Om de ver- koop op te starten, volstaat het in principe dat de notaris vaststelt dat het goed niet gevoeglijk verdeelbaar is in natura of dat alle partijen akkoord gaan om te verkopen. Vandaar dat er thans een onderscheid wordt gemaakt: — een verkoop uit de hand in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling is zuiverend indien de partijen zich vrijwillig aan een machtigingsprocedure onderwerpen. De schuldeisers zullen dan worden op- geroeen bij deze procedure; — een openbare verkoop in het kader van een gerech- telijke vereffening-verdeling heeft daarentegen zuiverende werking indien de schuldeisers werden opgeroepen om de verkoopverrichtingen te volgen. Bovendien wordt er thans niet meer naar de artike- len 1209, 1214 en 1224 van het Gerechtelijk Wetboek verwezen, aangezien de nieuwe regels inzake zuivering ook gelden voor de lopende procedures van vereffening- verdeling die nog onder de oude wet plaatsvinden. Deze nieuwe regels zijn eveneens van toepassing op de openbare verkoop die plaatsvindt in het kader van een procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling op grond van artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek. 6) In- of overschrijving genomen na de oproeping van de schuldeisers Het komt voor dat er nog zekerheidsrechten verwor- ven worden op het onroerend goed (bijvoorbeeld een conséquent remplacé par une sommation de suivre les opérations de vente. En outre, il est précisé dans la loi que cette sommation a lieu, selon les circonstances du dossier, par exploit d’huissier ou lettre recommandée avec accusé de récep- tion. Ces modes de sommation étaient déjà repris dans l’exposé des Motifs de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017 (Doc. Parl. Chambre 2016-17, n° 2407/001, p. 116.). 5) Règle spécifique pour la vente dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire Une règle spécifique a été prévue au paragraphe 3 pour les ventes qui ont lieu dans le cadre d’une liquida- tion-partage judiciaire. La purge de ces ventes était auparavant conditionnée par l’appel des créanciers à la procédure d’autorisation. La loi ne prévoit cependant pas de procédure d’autori- sation dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire. Pour entamer une vente, il suffit en principe que le notaire constate que le bien n’est pas commodément partageable en nature ou que toutes les parties soient d’accord pour vendre. C’est pourquoi une distinction est à présent effectuée: — une vente de gré à gré dans le cadre d’une liqui- dation-partage judiciaire est purgeante si les parties se soumettent volontairement à une procédure d’autorisa- tion. Les créanciers devront donc être appelés à cette procédure; — une vente publique dans le cadre d’une liquidation- partage judiciaire a par contre un effet purgeant si les créanciers sont appelés à suivre les opérations de vente. En outre, il n’est désormais plus renvoyé aux ar- ticles 1209, 1214 et 1224 du Code judiciaire dans la mesure où les nouvelles règles en matière de purge valent également pour les procédures de liquidation-par- tage en cours qui sont encore régies par l’ancienne loi. Ces nouvelles règles s’appliquent également à la vente publique qui a lieu dans le cadre d’une procédure de liquidation-partage judiciaire sur la base de l’article 1561 du Code judiciaire. 6) Inscription ou transcription prises après l’appel des créanciers Il arrive que des créanciers obtiennent encore des sûre- tés sur le bien immeuble (par exemple une hypothèque 73 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wettelijke hypotheek genomen door een fiscale of sociale schuldeiser), terwijl de oproeping van de schuldeisers met het oog op de zuivering reeds heeft plaatsgevonden. Er is thans immers geen zuiverende werking voorzien ten aanzien van een schuldeiser die na deze oproeping nog een in- of overschrijving neemt. De toevoeging beoogt te verduidelijken dat het zekerheidsrecht van deze schuldeiser automatisch wordt overgewezen op de prijs, zonder dat deze schuldeiser nog moeten worden opgeroepen. Bijgevolg kan deze in- of overschrijving doorgehaald worden met het notarieel getuigschrift op grond van artikel 1653 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze schuldeiser wordt echter wel betrokken in de rangregeling. Art. 57 De Nederlandse tekst van artikel 1389bis/7 van het Gerechtelijk Wetboek is aangepast. Enerzijds om het in overeenstemming te brengen met de Franse tekst en anderzijds om aan te sluiten bij wat in dit geval re- alistisch is. Art. 58 Het voorliggende artikel strekt ertoe artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, enerzijds om de bepaling te actualiseren en anderzijds om het mogelijk te maken de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan te passen, buiten de enige jaarlijkse indexering bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, van de gewijzigde bepaling. De eerste wijziging beoogt aldus de actualisering van de in de bepaling vermelde bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag. Die bedragen, vroeger in frank uitge- drukt, worden omgezet in euro en geïndexeerd op basis van de afgevlakte gezondheidsindex van de maand november 2022. Deze eerste wijziging noopt tot bepaalde aanpassin- gen in paragraaf 2 van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangezien de bedragen worden aangepast op basis van het indexcijfer van de maand november 2022, is het voortaan immers het indexcijfer van die maand dat het aanvangsindexcijfer wordt in formule voor de bereke- ning van de indexering zoals vermeld in het tweede lid. De wijziging in 2°, onder b), van dit artikel is slechts een formele wijziging waarmee in artikel 1409 de inhoud wordt geïntegreerd van artikel 3bis van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ‘s lands concurren- tievermogen, ingevoegd bij de wet van 23 april 2015 tot légale prise par un créancier fiscal ou social) alors que l’appel des créanciers en vue de la purge est déjà intervenu. À l’heure actuelle, il n’y a pas d’effet purgeant à l’égard d’un créancier qui prend une inscription ou une transcription après cet appel. L’ajout vise à préciser que la sûreté de ce créancier est automatiquement reportée sur le prix, sans que ce créancier ne doive être appelé. Par conséquent, cette inscription ou transcription peut être radiée par le biais du certificat notarié sur base de l’article 1653 du Code judiciaire. Toutefois, ce créancier sera associé à l’ordre. Art. 57 Le texte néerlandais de l’article 1389bis/7 du Code judiciaire est adapté. Il s’agit d’une part, de le faire correspondre à la version du texte français et, d’autre part, de se conformer à ce qui est réaliste en l’espèce. Art. 58 Le présent article a pour objet de modifier l’article 1409 du Code judiciaire, d’une part afin de mettre cette dis- position à jour et d’autre part, afin de permettre une adaptation des montants insaisissables en dehors de la seule indexation annuelle visée au paragraphe 2, alinéa 1er de la disposition modifiée. Ainsi, la première modification adoptée vise l’actuali- sation des montants insaisissables mentionnés dans la disposition. Ces montants, indiqués précédemment en francs, sont convertis en euros et indexés sur base de l’indice santé lissé du mois de novembre 2022. Cette première modification impose nécessairement certaines adaptations au paragraphe 2 de l’article 1409 du Code judiciaire. En effet, les montants étant désormais ajustés par rapport à l’indice du mois de novembre 2022, c’est désormais l’indice de ce mois qui devient l’indice de base dans la formule mentionnée à l’alinéa 2 pour le calcul de l’indexation. La modification visée au point 2°, b) du présent article n’est, quant à elle, qu’une modification formelle qui ne fait qu’intégrer dans l’article 1409, le contenu de l’article 3bis de l’arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde et de compétiti- vité du pays, inséré par la loi du 23 avril 2015 concernant 3552/001 DOC 55 74 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E verbetering van de werkgelegenheid. In dat artikel 3bis is bepaald dat in alle wettelijke en reglementaire bepa- lingen, in alle bepalingen van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten, in alle andere akkoorden tussen werkgever en werknemer en in alle eenzijdige beslissingen van de werkgever die voorzien in een koppeling van de lonen, de wedden, de sociale uitkeringen, de toelagen, de premies en de vergoedingen aan een prijsindex, de afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking moet worden genomen. Met dit koninklijk besluit werd reeds rekening gehouden bij de voorgaande jaarlijkse indexeringen. Ook de verwijzing naar de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum wordt vervangen door een verwijzing naar de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, die de wet van 1974 heeft vervangen. De verwijzing naar die oude wet was dus niet meer correct. Tot slot wordt de termijn voor de bekendmaking van het koninklijk besluit betreffende de jaarlijkse indexering verlengd tot 31 december van het jaar. De huidige tekst, die voorziet in bekendmaking binnen de eerste vijftien da- gen van de maand december, is in de praktijk immers moeilijk toepasbaar, zulks gelet op de termijnen voor de bekendmaking van de afgevlakte gezondheidsindexen van november. Een verlenging van de bekendmakings- termijn tot 31 december van het jaar biedt de Koning meer ruimte om het jaarlijkse besluit bekend te maken binnen de wettelijke termijnen. De voorliggende wijzigingen beogen ook de herziening van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek teneinde de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag soepeler en adequater te kunnen aanpassen wanneer er zich bijzondere situaties voordoen. De ongeziene inflatie die België sinds het begin van 2022 kent, heeft immers duidelijk gemaakt dat er in een regeling moet worden voorzien die soepeler is en beter is afgestemd op aanzienlijke stijgingen van de afgevlakte gezondheidsindex tijdens het jaar. Om een voorbeeld te geven: de laatste wettelijke indexering van de bedragen bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek vond plaats in november 2021. Sinds januari 2022 is er echter een inflatie van 11,27 % (op september 2022). Het klopt wel dat de inflatie via het mechanisme van de index met vertraging een invloed heeft op de lonen en de uitkeringen, maar personen op wier loon of uitkering beslag is gelegd of die zich in een situatie van collectieve schuldenregeling bevinden, hebben niet van de indexeringen geprofiteerd. Hoewel hun inkomen is geëvolueerd, heeft de niet- indexering van de inbeslagnemingsdrempels tot gevolg la promotion de l’emploi. Cet article 3bis dispose que dans toutes les dispositions légales et réglementaires, dans toutes les dispositions figurant dans les conventions individuelles et collectives de travail, dans tous les autres accords entre l’employeur et le travailleur et dans toutes les décisions unilatérales de l’employeur qui prévoient une liaison des rémunérations, des traitements, des allocations sociales, des sursalaires, des primes et des indemnités à un indice des prix, il doit être tenu compte de l’indice santé lissé. De même, la référence à la loi du 7 août 1974 insti- tuant le droit à un minimum de moyens d’existence est remplacée par une référence à la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, qui a elle-même remplacé la loi de 1974. La référence à cette ancienne loi n’était donc plus correcte. Enfin, le délai de publication de l’arrêté d’indexation annuel est prolongé jusqu’au 31 décembre de l’année. En effet, le texte actuel prévoyant une publication dans les quinze premiers jours est difficilement applicable dans la pratique compte tenu des délais de publication des indices santé lissé des mois de novembre. Une prolongation du délai de publication au 31 décembre de l’année laisse plus de marge au Roi pour publier l’arrêté annuel dans les délais légaux. Les présentes modifications visent également à revoir l’article 1409 du Code judiciaire afin de permettre une adaptation plus souple et plus adéquate des mon- tants insaisissables lorsqu’il se présente des situations particulières. L’inflation sans précédent que connait la Belgique depuis le début de l’année 2022 a, en effet, dévoilé la nécessité de prévoir un régime à la fois plus souple et plus adapté aux augmentations importantes de l’indice santé lissé au cours de l’année. Par exemple, la dernière indexation légale des montants visés à l’article 1409 du Code judiciaire est intervenue en novembre 2021. Or, depuis le mois de janvier 2022, une inflation de 11,27 % est observée (en septembre 2022). Si cette inflation a, avec effet retard, une incidence sur les salaires et allocations par le biais du mécanisme de l’index, les personnes faisant l’objet d’une saisie sur salaire, sur allocation ou en situation de règlement collectif de dettes n’ont pas bénéficié de ces indexations. En effet, bien que leurs revenus aient évolué, l’absence d’indexation du seuil d’insaisissabilité engendre par 75 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E dat de inbeslagnemingsdrempels nog steeds die van november 2021 zijn. Als gevolg daarvan worden zij nog harder getroffen door de gevolgen van de inflatie. Het voorliggende artikel schaft het mechanisme van de jaarlijkse indexering niet af, maar voegt twee nieuwe aanpassingswijzen toe. Ten eerste wordt een paragraaf 2bis ingevoegd in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Die legt de Koning op om de inbeslagnemingsdrempels aan te passen zonder de jaarlijkse indexering af te wachten wanneer het bij de laatste aanpassing gebruikte indexcijfer met 5 % is gestegen of gedaald. Opdat dergelijke aanpassing haar nut kan hebben, wordt er ook bepaald dat ze in werking treedt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Aldus zal er bij sterke schommelingen van het indexcijfer op meer progressieve wijze worden geïndexeerd. De indexering zal het mogelijk maken om beter het hoofd te bieden aan situaties van hoge inflatie. Ten tweede wijzigt het voorliggende artikel paragraaf 3, die het thans mogelijk maakt om de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan te passen na advies van de Nationale Arbeidsraad, rekening houdend met de economische toestand. Die paragraaf, die oorspronkelijk het vierde lid was van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, werd ingevoegd bij de wet van 16 juni 1978 tot wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit het onderzoek van de voorbereidende werkzaam- heden van de wet van 16 juni 1978 (zie inzonderheid Senaat, Doc. nr. 941-1, blz. 1) blijkt dat het oorspronkelijke doel van deze paragraaf 3 erin bestond de Koning de mogelijkheid te bieden om de bedragen aan te passen op basis van het verloop van de reële lonen veeleer dan op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen, omdat beide niet noodzakelijkerwijs van elkaar afhangen. Het mechanisme waarin deze paragraaf 3 voorziet, werd echter tot nog toe nooit geactiveerd. Het lijkt dus nuttig om deze paragraaf aan te pas- sen teneinde de Koning de mogelijkheid te bieden om, wanneer de economische toestand het verantwoordt, de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan te passen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Er dient te worden opgemerkt dat deze paragraaf 3 ertoe strekt de regering de mogelijkheid te bieden te reageren op uitzonderlijke crisissituaties die niet nood- zakelijkerwijs verband houden met de inflatie. Er worden bijvoorbeeld situaties beoogd zoals de gezondheidscrisis, toen veel burgers het met een lager inkomen moesten stellen als gevolg van de versoepeling van de proce- dures voor tijdelijke werkloosheid. Dit mechanisme kan conséquent un maintien des seuils d’insaisissabilité au seuil de novembre 2021. Cela a pour conséquence qu’ils subissent encore plus durement les effets de l’inflation. Sans supprimer le mécanisme de l’indexation an- nuelle, le présent article ajoute deux modes d’adaptation nouveaux. En premier lieu, un paragraphe 2bis est ajouté à l’article 1409 du Code judiciaire. Il impose au Roi d’adap- ter les seuils d’insaisissabilité sans attendre l’indexation annuelle, lorsqu’il y a une augmentation ou une diminution de 5 % de l’indice utilisé lors de la dernière adaptation. Pour qu’une telle adaptation puisse être utile, il est par ailleurs prévu qu’elle entre en vigueur le premier jour du mois suivant la publication de l’arrêté royal au Moniteur belge. Ainsi, en cas de forte fluctuation de l’indice, l’indice sera adapté plus progressivement. Cette indexation permettra de mieux faire face aux situations d’inflation importante. En second lieu, le présent article modifie le para- graphe 3 qui permet actuellement d’adapter les mon- tants insaisissables, après avis du Conseil national du travail en tenant compte de la situation économique. Ce paragraphe, constituant initialement l’alinéa 4 de l’article 1409 du Code judiciaire, fut introduit par la loi du 16 juin 1978 modifiant l’article 1409 du Code judiciaire. Il découle de l’examen des travaux préparatoires de la loi du 16 juin 1978 (voir notamment Sénat, Doc. n° 941/1, p. 1) que l’objectif originel de ce paragraphe 3 était de permettre au Roi d’adapter les montants sur la base des évolutions des salaires réels plutôt que de l’indice des prix à la consommation, les deux ne dépendant pas nécessairement l’un de l’autre. Force est toutefois de constater que le mécanisme prévu par ce paragraphe 3 n’a, à ce jour, jamais été activé. Il semble ainsi utile de modifier ce paragraphe afin de permettre au Roi, lorsque la situation économique le justifie, d’adapter les montants insaisissables, par le biais d’un arrêté délibéré en Conseil des ministres. Il faut noter que ce paragraphe 3 vise à permettre au gouvernement de réagir face à des situations de crise exceptionnelle, non nécessairement liées à l’inflation. Cela vise par exemple les situations telles que la crise sanitaire, lors de laquelle un grand nombre de citoyens a fait face à une diminution de leurs revenus en raison de l’assouplissement des procédures relatives au chô- mage temporaire. Ce mécanisme peut encore couvrir les 3552/001 DOC 55 76 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ook worden gebruikt in situaties zoals de energiecrisis, waardoor de basisuitgaven van de Belgische huishou- dens drastisch toenemen. In tegenstelling tot wat in de huidige tekst is bepaald, wordt er voorts bepaald dat het aangenomen konink- lijk besluit in werking treedt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de bekendmaking ervan, wat het opnieuw mogelijk maakt om snel te reageren in situaties waarin dat vereist is. Hoewel de huidige paragraaf 3 van artikel 1409 in de mogelijkheid voorziet om de bedragen die niet vat- baar zijn voor beslag te indexeren volgens een andere berekeningswijze dan die beschreven in paragraaf 2 van de bepaling, voorziet hij toch in een inwerkingtre- ding op 1 januari van het jaar na de bekendmaking en biedt hij dus niet de mogelijkheid om in te spelen op de behoeften die bijvoorbeeld zijn gebleken tijdens de gezondheidscrisis of de energiecrisis. Om de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag af te stemmen op de behoeften en de moeilijkheden waarmee de burgers worden geconfronteerd in uitzon- derlijke crisissituaties, is de wetgever thans verplicht om wetten aan te nemen die de inbeslagnemingsdrempels tijdelijk verhogen, wat de reactie van de Staat minder doeltreffend maakt in soortgelijke situaties. De op grond van de nieuwe paragraaf 3 aangepaste bedragen zouden gelden voor de door de Koning bepaalde duur, die niet langer kan zijn dan een jaar. Als er niet in een datum van buitenwerkingtreding wordt voorzien, zou het aangenomen besluit slechts van kracht zijn tot het einde van het jaar van de inwerkingtreding ervan. Er wordt derhalve bepaald dat tijdens de laatste maand waarin het op grond van paragraaf 3 genomen besluit van kracht is, er een aanpassing wordt verricht op basis van het indexcijfer van de maand die voorafgaat aan de maand van de aanpassing, ofwel op grond van para- graaf 2, ofwel op grond van paragraaf 3, wat betekent dat er kan worden teruggekeerd naar het basismechanisme van de jaarlijkse indexering (§ 2) of dat de uitzonderlijke maatregelen kunnen worden verlengd door middel van een nieuw besluit (§ 3). Met de woorden “onverminderd de toepassing van paragraaf 3”, die worden ingevoegd in paragraaf 2, eer- ste lid, kan voorts worden voorkomen dat er een jaarlijkse indexering moet gebeuren in de gevallen waarin de Koning bepaalt dat het op grond van paragraaf 3 aangenomen besluit van kracht blijft na 31 december van het jaar van de inwerkingtreding ervan. Een jaarlijkse indexering zou in dat geval geen enkel nut hebben, aangezien de situations telles que la crise énergétique qui augmente drastiquement les dépenses essentielles des ménages belges. Par ailleurs, il est prévu, contrairement au texte actuel, que l’arrêté royal adopté entre en vigueur le premier jour du mois suivant sa publication, ce qui permet de nouveau, une réaction rapide dans les situations qui le requièrent. En effet, le paragraphe 3 de l’article 1409 actuel, bien qu’il contienne la possibilité d’indexer les montants insaisissables selon un autre mode de calcul que celui décrit au paragraphe 2 de la disposition, prévoit tout de même une entrée en vigueur au 1er janvier de l’année qui suit la publication et ne constitue donc pas un moyen de faire face aux nécessités telles que celles qui ont été dévoilées par la forte inflation de cette dernière année, ou de manière générale, dans n’importe quelle situation de crise. Afin d’adapter les montants insaisissables aux besoins et aux difficultés rencontrés par les citoyens, non seu- lement en raison de l’inflation, mais également dans d’autres cas tels que la crise sanitaire, par exemple, le législateur est actuellement contraint d’adopter des lois augmentant temporairement les seuils d’insaisissabilité, ce qui rend la réaction de l’État moins efficace dans ces situations. Les montants adaptés en vertu du nouveau para- graphe 3 seraient en vigueur pendant la durée déter- minée par le Roi, sans pouvoir dépasser un an tout au plus. Si aucune date de fin de vigueur n’est prévue, l’arrêté ainsi adopté ne serait en vigueur que jusqu’à la fin de l’année de son entrée en vigueur. Il est donc prévu qu’au dernier mois durant lequel l’arrêté exécu- tant le paragraphe 3 est en vigueur, une adaptation soit faite sur base de l’indice du mois précédent le mois de l’adaptation, soit en vertu du paragraphe 2, soit en vertu du paragraphe 3, ce qui signifie qu’il pourra être fait un retour au mécanisme d’indexation annuelle de base (§ 2) ou que les mesures exceptionnelles pourront être prolongées par un nouvel arrêté (§ 3). Les mots “sans préjudice de l’application du para- graphe 3” qui ont été insérés dans le paragraphe 2, alinéa 1er permettent par ailleurs d’éviter qu’une indexation annuelle doive être faite dans les cas où le Roi déter- minerait que l’arrêté adopté en vertu du paragraphe 3 resterait en vigueur au-delà du 31 décembre de l’année de son entrée en vigueur. En effet, si telle était le cas, une indexation annuelle n’aurait aucune utilité, dans la 77 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bedragen zoals geïndexeerd tijdens de werkingsduur van het besluit hoe dan ook niet toepasselijk zouden zijn, aangezien paragraaf 3 een nieuwe indexering vereist op het tijdstip waarop het aangenomen besluit buiten werking zou treden. Op het tijdstip dat het op grond van paragraaf 3 aangenomen besluit buiten werking treedt, zou bij de jaarlijkse indexering op grond van paragraaf 2 dus niet noodzakelijkerwijs de in paragraaf 2 neergelegde formule worden gevolgd, aangezien niet het indexcijfer van de maand november in aanmerking moet worden genomen, maar wel het indexcijfer van de maand die voorafgaat aan de buitenwerkingtreding van het besluit. Art. 59 Wanneer een schuldeiser het onverdeeld aandeel van zijn schuldenaar in een onroerend goed wil doen verko- pen op beslag, bepaalt artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek dat deze schuldeiser niet tot tenuitvoerlegging kan overgaan zonder eerst tot verdeling of veiling over te gaan. In de rechtsleer bestaat er thans controverse over de draagwijdte van dit artikel, namelijk of de verkoop moet plaatsvinden in het kader van een door de familierecht- bank bevolen gerechtelijke vereffening-verdeling, of de verkoop daarentegen plaats kan vinden in het kader van de beslagprocedure, zonder enige voorafgaande procedure van vereffening-verdeling. Deze wijziging heeft tot doel de huidige praktijk te bevestigen waarbij de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling moet worden gevolgd. Bijgevolg moeten de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek worden toegepast. Door de procedure van vereffening-verdeling te volgen heeft de mede-eigenaar de mogelijkheid om het onroe- rend goed over te nemen via een verdeling met opleg of een verdeling in natura. Men houdt in het kader van de vereffening-verdeling dus rekening met de wil en de rechten van de mede-eigenaar. Bovendien beschikt de vervolgende schuldeiser ook in het kader van de vereffening-verdeling over voldoende middelen om zijn rechten te vrijwaren. Zijn verzoek tot uitonverdeeldheidtreding maakt immers een verzet op de verdeling uit in de zin van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek waardoor hij bij de volledige procedure van vereffening-verdeling betrokken wordt. Indien het onroerend goed in het kader van de veref- fening-verdeling alsnog verkocht wordt, zal er rekening gehouden worden bij de verdeling van de verkoopprijs met de vordering van de beslagleggende schuldeiser. mesure où les montants tels qu’indexés en cours d’appli- cation de cet arrêté ne seraient, de toute manière, pas applicables, le paragraphe 3 exigeant une indexation nouvelle au moment où l’arrêté adopté cesserait d’être en vigueur. En fin de vigueur de l’arrêté adopté en vertu du paragraphe 3, l’indexation annuelle basée sur le paragraphe 2 ne respecterait donc pas nécessairement la formule consacrée au paragraphe 2, étant donné qu’il faudra prendre en compte non pas l’indice du mois de novembre, mais l’indice du mois précédent la fin de vigueur de l’arrêté. Art. 59 Quand un créancier veut vendre sur saisie la part indivise de son débiteur dans un bien immeuble, l’ar- ticle 1561 du Code judiciaire dispose que ce créancier ne peut pas procéder à l’exécution sans préalablement procéder au partage ou à la licitation. À présent, il existe une controverse sur la portée de cet article dans la doctrine, à savoir si la vente doit avoir lieu dans le cadre d’une liquidation-partage judi- ciaire ordonnée par le tribunal de la famille, ou si, au contraire, la vente peut avoir lieu dans le cadre de la procédure de saisie, sans aucune procédure préalable de liquidation-partage. Cette modification vise à confirmer la pratique actuelle selon laquelle la procédure de liquidation-partage doit être suivie. Par conséquent, les articles 1207 et suivants du Code judiciaire doivent être appliqués. En suivant la procédure de liquidation-partage, le copro- priétaire a la possibilité de reprendre le bien immeuble par le biais d’un partage avec soulte ou d’un partage en nature. Ainsi, la volonté et les droits du copropriétaire sont pris en compte dans le cadre de la liquidation-partage. En outre, même dans le cadre de la liquidation-par- tage, le créancier poursuivant dispose de moyens suf- fisants pour préserver ses droits. Sa demande de sortie d’indivision est considérée comme une opposition au partage au sens de l’article 4.101 du Code civil, ce qui implique qu’il est associé à la procédure entière de liquidation-partage. Si le bien immeuble est finalement vendu dans le cadre de la liquidation-partage, la créance du créancier saisissant est prise en compte au moment du partage du prix de vente. Par contre, si le bien est attribué au 3552/001 DOC 55 78 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien het goed daarentegen toebedeeld wordt aan de beslagene, kan de schuldeiser nadien zijn beslag uitvoeren op het volledige onroerend goed. De verwijzing naar de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek leidt ertoe dat alle regels inzake de vereffening-verdeling moeten worden toege- past (bijvoorbeeld het opstellen van een proces-verbaal van opening van werkzaamheden, het meedelen van aanspraken en stukken, het opstellen van een staat van vereffening, …). Aangezien enkel het onroerend goed het voorwerp uitmaakt van de vereffening-verdeling, zal het opstellen van een boedelbeschrijving echter niet vereist zijn omdat de te verdelen massa geen roerende goederen bevat. Art. 60 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 61 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen. Art. 62 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 63 De wetgever preciseerde niet wat er moest worden verstaan onder “insolventieprocedure”. De betrokken personen worden thans uitdrukkelijk opgesomd in het tweede lid van dit artikel. Dit tweede lid voorziet eveneens in een lex specialis voor het geval dat het onroerend goed toebehoort aan een schuldbemiddelde, een gefailleerde, een schulde- naar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving. saisi, le créancier peut dès lors exécuter sa saisie sur l’immeuble entier. Le renvoi aux articles 1207 et suivants du Code judi- ciaire a pour conséquence que toutes les règles de la liquidation-partage doivent être appliquées (p. ex. la rédaction d’un procès-verbal d’ouverture des opéra- tions, la communication des revendications et pièces, la rédaction de l’état liquidatif, …). Vu que seul le bien immeuble fait l’objet de la liquidation-partage, la rédaction d’un inventaire ne sera pas exigée vu que la masse à partager ne contient pas de biens mobiliers. Art. 60 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 61 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise. Art. 62 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 63 Le législateur ne précisait pas ce qu’il fallait entendre par “procédure d’insolvabilité”. Les personnes concernées sont à présent expressément énumérées au deuxième alinéa de cet article. Ce deuxième alinéa prévoit également une lex specialis dans l’hypothèse où un bien appartient à un médié, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par trans- fert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire. 79 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien het goed bijvoorbeeld verkocht wordt op beslag, terwijl de beslagene tevens gefailleerd is, zal de notaris slechts een verkorte rangregeling opstellen en het saldo overmaken aan de curator. Hij moet dan geen volledige rangregeling opmaken. Daarnaast wordt ook gepreciseerd dat de schuldeiser met een geregistreerd pandrecht of eigendomsvoorbehoud betrokken zal worden in de verkorte rangregeling. Bij de vorige wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de insolventiewet van 11 augustus 2017, werd immers onvoldoende reke- ning gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het Pandregister werd opgericht. Het spreekt voor zich dat enkel de schuldeiser/pandhouder moet worden opgeroe- pen bij de machtigingsprocedure in de mate zijn recht betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed. Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht verbon- den aan de zekerheden ongedaan te maken en zakelijke subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder benadrukt dat enkel de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers moeten worden opgeroepen (en dus niet de overige bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving van hun voorrecht zijn overgegaan). Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving. Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen, maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden genomen. Deze schuldeisers zullen eveneens moeten worden opgenomen in een verkorte rangregeling als bijzonder bevoorrechte schuldeisers op het onroerend goed. Het lot van de schuldeiser die een pauliaanse vorde- ring ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft laten kantmelden, zal moeten worden bepaald in het kader van de rangregeling. Ter herinnering, de pauliaanse vordering heeft tot doel de door de frauduleuze handeling toegebrachte schade aan de schuldeiser te herstellen. Dit herstel van de schade zal zich enerzijds beperken ten belope van de waarde van het goed dat het voorwerp uitmaakt van de litigieuze handeling en anderzijds ten belope van zijn eigen schuldvordering. De gelden die toekomen aan deze schuldeiser, worden geblokkeerd in afwachting van een uitvoerbare beslis- sing of een akkoord tussen partijen. In de rangregeling zal vermeld worden dat deze geldt onder voorbehoud van het resultaat van de pauliaanse Par exemple, si un bien est vendu sur saisie, alors que le saisi est en faillite, le notaire dressera juste un ordre allégé et versera le solde au curateur. Il ne doit donc pas établir d’ordre complet. Il est ensuite précisé que le créancier qui dispose d’un gage ou une réserve de propriété enregistrés sera également repris dans l’ordre allégé. Lors de la précé- dente modification de l’article 1326 du Code judiciaire à l’occasion de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a pas été suffisamment tenu compte de la nouvelle loi sur le gage par laquelle le Registre des gages a été créé. Il va de soi que le créancier/gagiste doit uniquement être appelé à la procédure d’autorisation pour autant que son droit concerne l’immeuble à vendre. Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle, l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri- vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder à une inscription de leur privilège). On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa- tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne doivent donc pas être appelés mais devront être pris en considération dans l’ordre. Ces créanciers devront également être repris dans un ordre allégé en tant que créanciers privilégiés spéciaux sur le bien immeuble. Le sort du créancier ayant fait mention en marge d’une action paulienne intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil devra être déterminé dans le cadre de l’ordre. Pour rappel, l’action paulienne tend à obtenir la ré- paration du dommage causé au créancier par l’acte frauduleux. Cette réparation du dommage sera limitée à concurrence de la valeur du bien faisant l’objet de l’acte litigieux, d’une part, et de la valeur de sa propre créance, d’autre part. Les fonds revenant à ce créancier sont bloqués dans l’attente d’une décision exécutoire ou d’un accord entre les parties. Dans l’ordre, il sera mentionné que celui-ci vaut sous réserve du résultat de l’action paulienne. Si cette 3552/001 DOC 55 80 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vordering. Indien deze vordering wordt afgewezen, moet een aanvullende rangregeling worden opgesteld, waarbij de notaris opnieuw de nodige opzoekingen zal doen. Indien er op het hypothecair getuigschrift geen enkele schuldeiser zoals opgesomd in artikel 1326, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek verschijnt, is er geen nood aan zuivering. Toch moet er in een dergelijk geval nog steeds een rangregeling worden opgesteld om de overige schuldeisers te betrekken die gerechtigd zijn om in de rangregeling te worden opgenomen. Art. 64 1. Er wordt een nieuw artikel in het leven geroepen, toegespitst op het geval dat de rangregeling voortvloeit uit de zuiverende verkoop van een onverdeeld onroerend goed. In dat geval moeten er evenveel rangregelingen worden opgesteld als er mede-eigenaars zijn. Deze rangregelingen kunnen in één enkele akte opgenomen worden. Afhankelijk van de hoedanigheid van de betrokken mede-eigenaar, moet er een volledige rangregeling, een verkorte rangregeling of een semi verkorte rangregeling worden opgesteld. Er wordt dus een nieuw type van rangregeling ge- creëerd: de semi verkorte rangregeling. Het gaat om een rangregeling waarin de notaris de ingeschreven hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, maar eveneens de fiscale en sociale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd, opneemt. Indien bijvoorbeeld het onroerend goed deels toebe- hoort aan een gefailleerde en aan een niet-gefailleerde, dan zal voor elk van hen een rangregeling worden op- gesteld. Voor de gefailleerde zal de notaris een verkorte rangregeling opstellen overeenkomstig artikel 1639, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het saldo zal dan toekomen aan de curator. Voor de niet-gefailleerde mede-eigenaar zal de notaris een semi verkorte rang- regeling opstellen. Het saldo zal dan toekomen aan de mede-eigenaar. Of nog, indien het goed deels toebehoort aan een minderjarige en aan een bekwame mede-eigenaar, dan zal ten aanzien van de minderjarige mede-eigenaar een volledige rangregeling worden opgesteld overeenkomstig artikel 1639, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het saldo zal dan toekomen aan diens vertegenwoor- diger. Voor de bekwame mede-eigenaar zal de notaris daarentegen een semi verkorte rangregeling opstellen. Het saldo zal dan toekomen aan de mede-eigenaar. action est rejetée, un ordre complémentaire doit être établi, pour lequel le notaire procèdera à nouveau aux recherches nécessaires. S’il n’apparaît pas de créanciers tels qu’énumérés à l’article 1326, § 1er, du Code judiciaire sur l’état hypo- thécaire, la purge n’est pas nécessaire. Cela étant, il y a toujours lieu de procéder à l’établissement d’un acte d’ordre en vue d’associer les autres créanciers qui ont le droit d’être repris dans l’ordre. Art. 64 1. Un nouvel article est créé pour viser le cas où l’ordre suit la vente purgeante d’un bien indivis. Dans ce cas, il convient d’établir autant d’ordres qu’il y a de copro- priétaires. Ceux-ci peuvent être repris en un seul acte. Selon la qualité du copropriétaire concerné, il convien- dra d’établir un ordre complet, un ordre allégé ou un ordre semi allégé. Un nouveau type d’ordre est ainsi créé: l’ordre semi- allégé. Il s’agit d’un ordre dans lequel le notaire reprend les créanciers hypothécaires inscrits, privilégiés spéciaux et enregistrés au Registre des gages mais également les créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Si, par exemple, le bien immeuble indivis appartient pour partie à un failli et à un non failli, un ordre sera établi pour chacun d’eux. Pour le failli, le notaire établira un ordre allégé conformément à l’article 1639, alinéa 2, du Code judiciaire. Le solde reviendra alors au curateur. Pour le copropriétaire non failli, le notaire établira un ordre semi allégé. Le solde reviendra alors au copropriétaire. Ou encore, si un bien appartient pour partie à un mineur et à un copropriétaire capable, un ordre complet sera établi conformément à l’article 1639, alinéa 1er, du Code judiciaire à l’égard du copropriétaire mineur. Le solde reviendra à son représentant. Pour le coproprié- taire capable, le notaire établira par contre un ordre semi-allégé. Le solde reviendra alors au copropriétaire. 81 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Ten slotte, indien het goed verkocht wordt in het ka- der van een gerechtelijke vereffening-verdeling, moet er lastens alle deelgenoten een volledige rangregeling worden opgesteld. Wanneer één van de deelgenoten echter bijvoorbeeld wordt toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, zal diens rangregeling verkort zijn. Hier geldt eenzelfde redenering als in artikel 1639, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, die als lex specialis geldt. 2. Verder wordt er in het tweede lid een billijke regeling voorzien voor het geval dat een schuldeiser in het kader van de rangregeling zijn schuldvordering kan verhalen lastens alle deelgenoten (of lastens enkele onder hen). Dit kan uitgelegd worden aan de hand van een voor- beeld: schuldeiser X heeft een schuldvordering van 100 lastens A en B. Indien het goed voor 60 % toebehoort aan A en voor 40 % aan B, zal deze schuldeiser in de rangregeling van A slechts in rekening worden genomen voor 60 % van de schuldvordering en in de rangregeling van B voor 40 % van de schuldvordering. Hij zal dus niet willekeurig kunnen kiezen of hij zijn schuldvordering van 100 wenst te verhalen op A of B, naar gelang hetgeen hem het beste uitkomt. Deze bepaling regelt enkel de zakelijke gehoudenheid in het kader van de rangregeling. Zij heeft geen invloed op de verplichtingen van A en B op verbintenisrechtelijk vlak. Deze regeling mag evenwel geen afbreuk doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. Aan de hand van het hierboven vermelde voorbeeld komt dit op het volgende neer: indien het aandeel in de prijs van A reeds werd uitgeput door een hypothecaire schuldeiser in hogere rang, kan de hypothecaire schuldeiser X zijn volledige schuldvordering van 100 alsnog verhalen op het aandeel van B in het kader van de rangregeling. Hij maakt dan dus niet enkel aanspraak op 40 % van zijn schuldvordering lastens B. Deze uitzonderingsregel geldt echter enkel indien het om een hypothecaire schuldeiser gaat die zich zowel op A als B kan verhalen. 3. In het laatste lid wordt een belangrijke nuance aan- gebracht voor de toepassing van artikel 1639/1 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling geldt namelijk niet indien de mede-eigendom betrekking heeft op “een juri- disch geheel van goederen”. Zo voorziet artikel 3.68 van het Burgerlijk Wetboek dat wanneer de mede-eigendom betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, de rechten van de mede-eigenaars enkel dat geheel tot voorwerp hebben en niet de afzonderlijke goederen. Concreet houdt dit in dat deze bepaling niet zonder meer kan worden toegepast indien het onverdeelde goed deel uitmaakt van een ruimere onverdeelde gemeen- schap, zoals bijvoorbeeld een huwgemeenschap of een Enfin, si le bien est vendu dans le cadre d’une liqui- dation-partage judiciaire, il faut établir un ordre complet à l’encontre de tous les copropriétaires. Cependant, lorsqu’un des copropriétaires est par exemple admis en règlement collectif de dettes, l’ordre sera allégé en ce qui le concerne. On applique ici le même raisonnement que celui repris à l’article 1639, alinéa 2, du Code judiciaire, qui vaut comme lex specialis. 2. Ensuite, une mesure équitable a été prévue au deuxième alinéa, dans l’hypothèse où un créancier peut récupérer sa créance contre tous les copropriétaires (ou certains d’entre eux) dans le cadre d’un ordre. Cela peut être expliqué à l’aide d’un exemple: un créancier X a une créance de 100 contre A et B. Si le bien appartient à A pour 60 % et à B pour 40 %, le créancier sera pris en considération dans l’ordre de A pour 60 % de sa créance et dans l’ordre de B pour 40 % de sa créance. Il ne pourra plus arbitrairement choisir s’il récupère sa créance de 100 sur A ou B, en fonction de ce qui lui convient le mieux. Cette disposition règle uniquement la charge réelle dans le cadre d’un ordre. Elle n’a pas d’incidence sur les obligations de A et B d’un point de vue civil. Cette disposition ne peut cependant porter atteinte au caractère indivisible de l’hypothèque. Sur la base de l’exemple mentionné ci-dessus, cela revient à ce qui suit: si la part de A dans le prix a déjà été épuisée par un créancier hypothécaire d’un rang supérieur, le créancier hypothécaire X peut encore récupérer sa créance totale de 100 sur la part de B dans le cadre de l’ordre. Il ne doit donc pas limiter ses prétentions à 40 % de sa créance contre B. Cette exception vaut cependant uniquement s’il s’agit d’un créancier hypothécaire qui peut se retourner aussi bien contre A que contre B. 3. Au dernier alinéa, une nuance importante est appor- tée en ce qui concerne l’application de l’article 1639/1 du Code judiciaire. Cette disposition ne s’applique pas si la copropriété concerne “un ensemble juridique de biens”. En effet, l’article 3.68 du Code civil prévoit que, lorsque la copropriété concerne un ensemble juridique de biens, les droits des copropriétaires n’ont pour objet que cet ensemble et non les différents biens. Concrètement, cela implique que cette disposition ne peut pas être appliquée purement et simplement si le bien indivis fait partie d’une indivision communautaire plus large, comme par exemple une communauté de 3552/001 DOC 55 82 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E nalatenschap (Cass. 22 december 2006, Arr.Cass. 2006, 2778, RCJB 2011, 266, noot A. VAN GYSEL, RW 2006- 07, 1411, noot S. MOSSELMANS en TBBR 2007, 365, noot R. JANSEN en M.E. STORME). Er geldt immers een voorrang voor de boedelschuldeisers, die voorgaan op de schuldeisers die slechts één van de deelgenoten kunnen aanspreken. In een eerste fase wordt er in dat geval in de rangre- geling rekening gehouden met de gemeenschappelijke schuldeisers. Pas in een tweede fase, eens het aandeel van de deelgenoten werd bepaald, kan de rangrege- ling gefinaliseerd worden rekening houdend met de persoonlijke schuldeisers van elk van hen. Eens de boedelschuldeisers in rekening genomen werden, geldt het basisprincipe opnieuw: er wordt voor elk van hen een gewone rangregeling, een verkorte rangregeling of een semi verkorte rangregeling opgesteld naar gelang het geval. Aan de hand van een voorbeeld kan dit worden ver- duidelijkt. Een nalatenschap is opengevallen, waarbij er 3 kinderen erfgenaam zijn voor een gelijk aandeel. Erfgenaam C is gefailleerd en een onroerend goed uit de nalatenschap wordt verkocht; daarnaast zijn er nog andere goederen in de boedel. De schuldeisers van C zijn per hypothese persoonlijke schuldeisers, die geen vordering hebben op de andere 2 kinderen A en B. In een eerste fase moeten alle opeisbare boedelschulden eerst worden verrekend op het gerealiseerde goed (bijvoorbeeld begrafeniskosten, de nog niet betaalde schulden van de decujus, de schuldvorderingen op grond van inbreng en inkorting). In een tweede fase, eens dat deze kosten zijn verrekend, gebeurt de verrekening alsof de boedelgemeenschap niet meer bestaat. In deze fase worden de persoonlijke schuldeisers, die slechts recht hebben op het netto-aandeel van hun schuldenaar in rekening genomen in de rangregeling. Voor de gefail- leerde zal er in dat geval een verkorte rangregeling opgemaakt worden. Een ander voorbeeld ter verduidelijking: een huwe- lijksgemeenschap is ontbonden door echtscheiding, en daarna wordt echtgenoot A failliet verklaard. In een eerste fase moeten alle opeisbare boedelschulden worden verrekend (bijvoorbeeld gemeenschappelijke leningen), volgens de voorwaarde bepaald in art. 2.3.48 van het Burgerlijk Wetboek, en daarna de vergoedings- rekeningen. Het is immers niet omdat de curator de onverdeelde goederen kan verkopen, dat dit afbreuk kan doen aan het principe dat het faillissement slechts recht heeft op datgene wat de gefailleerde zelf netto uit de boedel zou mogen ontvangen. In een tweede fase, biens ou une succession (Cass. 22 décembre 2006, Arr. Cass. 2006, 2778, RCJB 2011, 266, note A. VAN GYSEL, RW 2006-07, 1411, note S. MOSSELMANS et TBBR 2007, 365, note R. JANSEN et M.E. STORME). En effet, il existe une priorité pour les créanciers de la masse, qui priment sur les créanciers qui ne peuvent faire valoir une prétention que contre un des coindivisaires. Dans ce cas, dans un premier temps, on tient compte des créanciers communs dans l’ordre. Dans un second temps seulement, une fois que la part des coindivisaires a été déterminée, l’ordre peut être finalisé en tenant compte des créanciers personnels de chacun d’eux. Une fois que les créanciers de la masse ont été pris en compte, le principe de base s’applique à nouveau: un ordre ordinaire, un ordre allégé ou un ordre semi-allégé est établi pour chacun d’entre eux selon le cas. Un exemple peut aider à illustrer ce point. Une succes- sion est ouverte, dans laquelle 3 enfants sont héritiers à parts égales. L’héritier C est en faillite et un immeuble de la succession est vendu; il y a par ailleurs encore d’autres biens dans la masse. Par hypothèse, les créanciers de C sont des créanciers personnels, qui ne détiennent pas de créance à l’égard des 2 autres enfants A et B. Dans un premier temps, toutes les dettes successorales exigibles doivent être imputées sur le bien réalisé (par exemple, les frais funéraires, les dettes impayées du de cujus, les créances en vertu des règles de rapport et de réduction). Dans un second temps, une fois que ces frais sont imputés, l’imputation se fait comme si l’indivision de masse n’existait plus. Dans cette phase, les créanciers personnels, qui ont un droit seulement sur la part nette de leur débiteur, sont pris en compte dans l’ordre. Pour le failli, un ordre allégé sera établi dans ce cas. Un autre exemple pour clarifier: une communauté de biens a été dissoute par un divorce, et par la suite, l’époux A est déclaré en faillite. Dans un premier temps, toutes les dettes exigibles de la masse doivent être imputées (par ex. les prêts communs), selon la condition prévue à l’article 2.3.48 du Code civil, puis les comptes de récom- pense. En effet, ce n’est pas parce que le curateur peut vendre les biens indivis, que cela peut porter préjudice au principe selon lequel la faillite a seulement un droit sur ce que le failli lui-même pourrait recevoir en net de la masse. Dans un deuxième temps, une fois que ces créances sont imputées, les créanciers personnels sont 83 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E eens dat deze vorderingen zijn verrekend, worden de persoonlijke schuldeisers in rekening genomen in de rangregeling. Voor de gefailleerde zal er in dat geval een verkorte rangregeling opgemaakt worden. Er wordt een nuance aangebracht op het principe indien het gaat om een ontbonden boedelgemeenschap (bijvoorbeeld nalatenschap, ontbonden huwgemeenschap, ontbonden maatschap). In die gevallen kan de tweede fase slechts aangevat worden als de boedelgemeenschap volledig werd afgewikkeld. Pas op dat ogenblik zijn de exacte aanspraken van elke deelgenoot bepaald. Het is immers praktisch onhaalbaar om te eisen dat de boe- delschuldeisers bij een ontbonden boedelgemeenschap al over een uitvoerbare titel moeten beschikken om in de rangregeling opgenomen te worden, net omdat er in die gevallen vaak discussie bestaat over het bestaan en de aard van de schulden. Bij een vereffening-verdeling van een nalatenschap gaat het vaak over een inbreng- of inkortingverrichting; bij een echtscheiding om een vergoedingsrekening. Die vorderingen staan pas vast bij de opstelling van de definitieve staat van vereffening- verdeling, desgevallend na homologatie van de rechter. Is de boedelgemeenschap niet ontbonden (bijvoorbeeld bij een actieve huwelijksgemeenschap) geldt opnieuw het algemene uitgangspunt. Art. 65 Er werd in de praktijk vastgesteld dat bepaalde kantoren van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie (AAPD) niet overgaan tot de doorhaling van de bestaande in- en overschrijvingen ten laste van mede-eigenaars van de beslagene, of ten laste van de gefailleerde, van de schuldbemiddelde, … op basis van het getuigschrift voorzien in artikel 1653 van het Gerechtelijk Wetboek, met als argument dat de huidige tekst enkel betrekking heeft op “de beslagene”. De insolventiewet van 11 augustus 2017 bevestigt echter het principe van de gehele zuivering van (al dan niet onverdeelde) onroerende goederen onder bepaalde voorwaarden. Indien deze voorwaarden zijn vervuld, moet het notarieel getuigschrift op grond van artikel 1653 van het Gerechtelijk Wetboek logischerwijs toelaten om de in- en overschrijvingen door te halen ten laste van alle onverdeelde eigenaars wiens goed verkocht werd. Dit geldt eveneens voor de in- en overschrijvingen die nog zouden bestaan lastens een vorige eigenaar. Hoewel de verkoop zuiverend is in zijn geheel, kan een schuldeiser in de rangregeling uiteraard enkel aanspraak maken op het aandeel dat toekomt aan zijn schuldenaar. Indien bijvoorbeeld een onverdeeld pris en compte dans l’ordre. Pour le failli, un ordre allégé sera établi dans ce cas. Une nuance doit être apportée au principe s’il s’agit d’une indivision de masse dissoute (par ex. succession, communauté matrimoniale dissoute, société simple dis- soute). Dans ces cas, la deuxième phase ne peut être entamée que si l’indivision de masse est entièrement réglée. Ce n’est qu’à ce moment-là que les revendications exactes de chaque coindivisaire sont déterminées. En effet, il est en pratique impossible d’exiger que les créan- ciers de la masse, en cas de dissolution de l’indivision de masse, doivent déjà disposer d’un titre exécutoire pour être repris dans l’ordre, précisément parce que dans de tels cas, l’existence et la nature des dettes font souvent l’objet de discussions. La liquidation-partage d’une succession implique souvent une opération de rapport ou de réduction; un divorce implique un compte de récompense. Ces créances ne sont établies qu’au moment de l’établissement de l’état définitif de liquidation- partage, le cas échéant après homologation par le juge. Si l’indivision de masse n’est pas dissoute (par ex. dans le cas d’une communauté conjugale active), le principe de base s’applique à nouveau. Art. 65 En pratique, il a été constaté que certains bureaux de l’Administration Générale de la Documentation Patrimoniale (AGDP) ne procèdent pas à la radiation des inscriptions et transcriptions existantes à charge des copropriétaires du saisi ou à charge du failli, du médié, … sur la base du certificat visé à l’article 1653 du Code judiciaire sous prétexte que le texte actuel ne concerne que “le saisi”. La loi “Insolvabilité” du 11 août 2017 confirme pourtant le principe de la purge totale de biens immeubles (indivis ou non) à certaines conditions. Si ces conditions sont remplies, le certificat notarié sur la base de l’article 1653 du Code judiciaire doit logiquement permettre de radier les inscriptions et transcriptions à charge de tous les copropriétaires indivis dont le bien a été vendu. Cela s’applique également aux inscriptions et transcriptions qui existeraient encore à charge du propriétaire précédent. Même si la vente est purgeante dans sa totalité, un créancier ne peut évidemment que prétendre à la part revenant à son débiteur dans l’ordre. Par exemple, si un immeuble indivis a été vendu et une hypothèque a été 3552/001 DOC 55 84 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E onroerend goed werd verkocht en er enkel een hypotheek werd ingeschreven op het aandeel van de gefailleerde, zal deze hypotheekhouder zich niet kunnen verhalen op het aandeel in de verkoopprijs dat toekomt aan de bekwame mede-eigenaar. Ingevolge de wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt thans verduidelijkt dat de zuivering ook geldt ten aanzien van de in- en overschrij- vingen die pas worden genomen na de oproeping tot de machtigingsprocedure of de oproeping om de verkoop- verrichtingen te volgen. Bijgevolg zullen ook deze in- en overschrijvingen worden doorgehaald op basis van het notarieel getuigschrift. Te denken valt bijvoorbeeld aan de wettelijke hypotheek die wordt genomen door een fiscale of sociale schuldeiser indien er onvoldoende gelden zijn om deze schuldeiser uit te betalen. De notaris heeft als taak om in zijn notarieel getuig- schrift te vermelden welke in- en overschrijvingen zullen worden doorgehaald. De notaris verklaart dat de bepa- lingen van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek werden nageleefd. Voormelde werkwijze kan uiteraard enkel worden toegepast voor zover de notaris kennis heeft van de gedane oproepingen. Indien de verkoop gemachtigd werd door de rechtbank en het vonnis niet de identiteit van de verschillende schuldeisers vermeldt die bij gerechtsbrief werden opgeroepen, zal de notaris niet met zekerheid kunnen vermelden dat het om een zuiverende verkoop gaat. Ten slotte wordt opgemerkt dat de registratie van een pandrecht of eigendomsvoorbehoud in het Pandregister niet kan worden doorgehaald met een notarieel getuig- schrift. De verwijdering van de registratie gebeurt immers door de schuldeiser zelf (artikel 36 van de Pandwet). Aangezien de wet thans wel zuivering voorziet van deze registratie, kan men van de schuldeiser eisen dat hij overgaat tot het verwijderen van zijn registratie in het Pandregister. Art. 66 In artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een taalkundige rechtzetting doorgevoerd in de Nederlandse tekst. Voor het overige wordt opnieuw ver- wezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 67 Dit artikel voert een taalkundige correctie door. inscrite sur la seule part du failli, ce créancier hypothé- caire ne pourra pas se prévaloir sur la part revenant au co-propriétaire capable dans le prix de vente. Suite à la modification de l’article 1326 du Code judiciaire, il est à présent précisé que le purge vaut également pour les inscriptions et transcriptions qui ont été prises après l’appel à la procédure d’autorisation ou après l’appel pour suivre les opérations de vente. Par conséquent, ces inscriptions et transcriptions seront aussi radiées sur la base du certificat notarié. On pense par exemple à une hypothèque légale prise par un créancier fiscal ou social lorsqu’il n’y a pas suffisamment d’argent pour payer ce créancier. Le notaire a pour tâche de mentionner dans son certificat notarié quelles inscriptions et transcriptions seront radiées. Le notaire déclare que les conditions de l’article 1326 du Code judiciaire ont été respectées. Un tel procédé ne peut évidemment être appliqué que pour autant que le notaire ait connaissance des convocations effectuées. Si la vente a été autorisée par le tribunal et que le jugement ne mentionne pas l’identité des différents créanciers convoqués par pli judiciaire (et donc pas par le notaire), ce dernier ne pourra pas mentionner avec certitude qu’il s’agit d’une vente purgeante. Enfin, il convient de relever que l’enregistrement d’un gage ou d’une réserve de propriété au Registre des gages ne peut pas être radié par le biais du certificat notarié. La suppression du registre a en effet toujours lieu par le créancier lui-même (article 36 de la loi sur les gages). Vu que la loi prévoit à présent la purge de cet enregistrement, on peut exiger du créancier qu’il procède à la suppression de son enregistrement dans le Registre des gages. Art. 66 Dans l’article 1675/7 du Code judiciaire, une recti- fication d’ordre linguistique est apportée dans le texte néerlandais. Pour le reste, il est à nouveau renvoyé au commentaire relatif à l’article 44 du présent projet. Art. 67 Cet article apporte une correction linguistique. 85 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 68 De eerste wijziging betreft een taalkundige rechtzet- ting. De tweede wijziging dient om te verduidelijken dat het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling niet enkel aan de echtgenoot, maar, naar gelang het geval, ook aan de wettelijk samenwonende partner van de schuldenaar wordt gezonden. Art. 69 Overeenkomstig artikel 1675/3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is een collectieve schuldenregeling erop gericht een menswaardig leven van de schuldenaar en zijn gezin te waarborgen. De voorgestelde wijziging verduidelijkt dit uitdrukkelijk en waarborgt daarmee de coherentie binnen de tekst. Art. 70 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 71 De huidige tekst van artikel 1675/21 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst nog naar de aangestelde voor gege- vensbescherming. Overeenkomstig de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsge- gevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG alsook de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, wijst de verwerkingsverantwoor- delijke een functionaris voor gegevensbescherming aan. De Gegevensbeschermingsautoriteit merkte dit reeds op in haar advies nr. 49/2017 van 20 september 2017 (randnummer 20). De terminologie wordt dienovereen- komstig gecorrigeerd. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 72 Naar aanleiding van de resolutie van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 9 juni 2022 – betreffende de erkenning dat kinderen in België illegaal werden Art. 68 La première modification concerne une rectification d’ordre linguistique. La deuxième modification tend à préciser que le projet de plan de règlement amiable doit être envoyé non seulement au conjoint, mais également au cohabitant légal du débiteur. Art. 69 Conformément à l’article 1675/3, alinéa 3, du Code judiciaire, un règlement collectif de dettes a pour objet de garantir au débiteur et à sa famille une vie conforme à la dignité humaine. La modification proposée le précise explicitement et veille ainsi à la cohérence du texte. Art. 70 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 71 Le texte actuel de l’article 1675/21 du Code judi- ciaire renvoie encore au préposé à la protection des données. Conformément au Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la direc- tive 95/46/CE, ainsi qu’à la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel, le res- ponsable du traitement désigne un délégué à la protec- tion des données. L’Autorité de protection des données l’avait déjà fait remarquer dans son avis n° 49/2017 du 20 septembre 2017 (point 20). La terminologie est corrigée en conséquence. CHAPITRE 4 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 72 Suite à la résolution de la Chambre des représentants du 9 juin 2022 – visant à reconnaître la survenance de cas d’adoptions illégales en Belgique, à reconnaître les 3552/001 DOC 55 86 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E geadopteerd, betreffende de erkenning van de betrok- kenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling van een administratief onderzoek dienaangaande – is gebleken dat in het Wetboek van de Belgische nationaliteit niet was vermeld wat er met de Belgische nationaliteit gebeurde mocht de adoptieve afstamming worden her- roepen op grond van de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek of worden herzien op grond van artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek. De tekst van paragraaf 4 van artikel 8 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die het geval beoogt waarin de (niet-adoptieve) afstamming niet langer vaststaat, is immers niet hernomen in artikel 9 van hetzelfde Wetboek. De herroeping kan enkel om gewichtige redenen worden gevraagd door één van de adoptanten of beide, door de geadopteerde of door de procureur des Konings. De herziening kan worden gevorderd door het openbaar ministerie of door een persoon die tot de derde graad deel uitmaakt van de biologische familie van het kind. Zowel de herroeping als de herziening maken een einde aan de uitwerking van de adoptie of maken ze nietig voor de toekomst. Er is dus geen terugwerkende kracht – in tegenstelling tot de gevallen van nietigverklaring van de afstamming bedoeld in artikel 8 WBN, waarin die er wel is. Het Wetboek van de Belgische nationaliteit dateert van voor de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, waardoor de gevallen van nietigverklaring van de adoptieve afstamming er logischerwijs niet zijn in behandeld. Overigens is er in de parlementaire werk- zaamheden van de wet van 24 april 2003 nergens sprake van de gevolgen die de herroeping en de herziening van de adoptie hebben voor de aan de geadopteerde toege- kende nationaliteit. In de rechtsleer en de rechtspraak wordt echter algemeen aanvaard dat ze geen gevolgen kunnen hebben voor de nationaliteit. De herroeping en de herziening hebben immers enkel gevolgen voor de toekomst en hebben geen terugwerkende kracht, waardoor aan alle voorwaarden voor de toekenning van de nationaliteit waarin in artikel 9 WBN is voorzien, was voldaan op de dag waarop de adoptie uitwerking heeft gekregen. De herroeping en de herziening zouden der- halve niet mogen leiden tot het verlies van de Belgische nationaliteit in hoofde van de geadopteerde. Om de teksten duidelijker te maken, moet in artikel 9 dus worden vermeld dat de geadopteerde de Belgische nationaliteit behoudt in geval van herziening of herroe- ping van de adoptie. Dat geldt ongeacht of de adoptieve afstamming wordt herroepen of herzien voordat of na- dat de geadopteerde de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd – reden waarom in de tekst de term “geadopteerde” wordt gebruikt en niet de term “kind”. personnes concernées comme des victimes et à entamer une enquête administrative sur le sujet – il est apparu que le Code de la nationalité belge n’indiquait pas ce qu’il advenait de la nationalité belge dans le cas où la filiation adoptive était révoquée, selon les articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil, ou révisée, selon l’article 351 de l’ancien Code civil. En effet, l’article 9 du Code de la nationalité belge ne reproduit pas le texte du paragraphe 4 de l’article 8, qui vise l’hypothèse où la filiation (non-adoptive) cesse d’être établie. La révocation peut être demandée pour des motifs graves uniquement par l’un des adoptants ou les deux, par l’adopté ou par le procureur du Roi. La révision peut être demandée par le ministère public ou par une per- sonne appartenant jusqu’au troisième degré à la famille biologique de l’enfant. Tant la révocation que la révision mettent fin aux effets de l’adoption ou l’anéantissent pour le futur. Il n’y a donc aucune portée rétroactive – contrairement aux cas d’anéantissement de la filiation visés par l’article 8 CNB. Le Code de la nationalité belge est antérieur à la loi du 24 avril 2003 réformant l’adoption, de sorte qu’il n’a logiquement pas traité des cas d’anéantissement de la filiation adoptive, d’autant plus que les travaux parlemen- taires de la loi du 24 avril 2003 sont muets quant aux effets de la révocation et de la révision de l’adoption sur la nationalité attribuée à l’adopté. Néanmoins, doctrine et jurisprudence s’accordent pour considérer qu’elles ne sauraient avoir d’effets sur la nationalité. En effet, la révocation et la révision n’ont d’effets que pour l’avenir et n’ont aucune portée rétroactive, de sorte que l’ensemble des conditions d’attribution de la nationalité prévues à l’article 9 CNB étaient remplies au jour où l’adoption a produit ses effets. La révocation et la révision ne devraient donc pas entraîner la perte de la nationalité belge dans le chef de l’adopté. Il convient donc pour clarifier les textes que l’article 9 indique qu’en cas de révision ou de révocation de l’adop- tion, l’adopté conserve la nationalité belge. Cela vaut que la filiation adoptive soit révoquée ou révisée avant ou après que l’adopté ait atteint l’âge de dix-huit ans ou ait été émancipé avant cet âge – raison pour laquelle le texte utilise le terme “adopté” et non le terme “enfant”. 87 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In het voorgestelde artikel wordt met dat doel voor ogen artikel 9 van het Wetboek gewijzigd, enerzijds om van de huidige tekst een paragraaf 1 te maken en anderzijds om het artikel aan te vullen met een para- graaf 2 waarin wordt bepaald dat de geadopteerde de Belgische nationaliteit behoudt in geval van herziening of herroeping van de adoptie. Art. 73 Dit artikel wijzigt artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit om het in overeenstemming te brengen met arrest 13/2023 van het Grondwettelijk Hof van 26 januari 2023. HOOFDSTUK 5 Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Art. 74 Deze bepaling is in overeenstemming met de wij- zigingen die aan het Gerechtelijk Wetboek werden aangebracht bij de wet du 26 december 2022 betref- fende de vermelding van de rechtsmiddelen en diverse bepalingen in gerechtelijke zaken, die ertoe strekken de procedure die van toepassing is op geschillen betreffende de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme te verduidelijken. Deze bepaling voegt in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, een nieuwe litera h) met de uitdrukkelijke vermelding in van de voornoemde wet van 18 juli 2017. Aldus bestaat er geen onduidelijkheid over de toepassing van artikel 1017, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek op slachtoffers van daden van terrorisme. Zo ook voorkomt deze verduidelijking elke twijfel over de toepassing van artikel 4, § 2, 3°, van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand aan slachtoffers van daden van terrorisme. Naar aanleiding van advies van de Raad van State moet worden verduidelijkt dat alle rechten die zijn vast- gelegd in de wet van 18 juli 2017 onder de categorie “sociale zekerheid” vallen, met inbegrip van de toe- kenning van het statuut van nationale solidariteit, dat weliswaar geen geldelijke prestatie vormt, maar waaruit toch sociale voordelen kunnen voortvloeien, los van de mogelijkheid om een vergoeding te krijgen op grond Dans cet objectif, l’article proposé modifie l’article 9 du Code afin, d’une part, de former un paragraphe 1er avec le texte actuel et, d’autre part, de compléter l’article par un paragraphe 2 prévoyant qu’en cas de révision ou de révocation de l’adoption, l’adopté conserve la nationalité belge. Art. 73 Cet article modifie l’article 23, § 5, du Code de la natio- nalité belge pour le rendre conforme à l’arrêt n° 13/2023 du 26 janvier 2023 de la Cour Constitutionnelle. CHAPITRE 5 Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Art. 74 Cette disposition s’inscrit dans le prolongement des modifications qui ont été apportées au Code judiciaire par le biais de la loi du 26 décembre 2022 relative à la mention des voies de recours et portant dispositions diverses en matière judiciaire, visant à préciser la procédure appli- cable aux contestations relatives à la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme. Le présent article insère dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social, un nouveau litera h) avec la mention explicite de la loi du 18 juillet 2017 précitée. De cette manière, il ne reste aucune équivoque quant à l’application de l’article 1017, alinéa 2 du Code judiciaire aux victimes d’actes de terrorisme. De même, cette précision empêche tout doute quant à l’application de l’article 4, § 2, 3° de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne, aux victimes d’actes de terrorisme. Suite à l’avis du Conseil d’État, il convient de préciser que tous les droits consacrés par la loi du 18 juillet 2017 sont inclus dans la catégorie “sécurité sociale”, en ce compris l’octroi du statut de solidarité nationale qui ne constitue certes pas une prestation pécuniaire, mais duquel des avantages sociaux peuvent toutefois découler, indépendamment de la possibilité d’obtenir un dédomma- gement en vertu de la loi du 18 juillet 2017 (il peut être cité 3552/001 DOC 55 88 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E van de wet van 18 juli 2017 (gratis openbaar vervoer kan als voorbeeld worden aangehaald). Als zodanig is het niet alleen een symbolische erkenning van de slachtoffers van terrorisme, maar ook een statuut dat verschillende juridische gevolgen heeft, waaronder de erkenning van andere rechten die voortvloeien uit de wet van 2017, namelijk de terugbetaling van medische zorg en de toekenning van een herstelpensioen. Een geschil voor de arbeidsrechtbank, zelfs wanneer het uitsluitend betrekking heeft op de toekenning van dit statuut van nationale solidariteit, maakt dus deel uit van de geschillen in het kader waarvan de kosten van de procedure zullen worden gedragen door de instel- ling belast met het toepassen van de wet. Op dit punt is het dus niet opportuun om de formulering van deze wijziging af te stemmen op de formulering die de Raad van State in zijn advies heeft vermeld. Dit advies verwijst naar de formulering van artikel 1410, § 2, 14°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat enkel verwijst naar de terug- betaling van de medische zorg en het herstelpensioen als onbeslagbare bedragen. Dit is echter normaal voor zover alleen deze prestaties “geldsommen” zijn in de zin van de wet van 18 juli 2017, en dus beslagbaar of onbeslagbaar kunnen zijn. HOOFDSTUK 6 Wijzigingen van Wetboek van economisch recht Art. 75 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 76 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 77 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Verder wordt thans voorzien dat de notaris de schatter aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen. à titre d’exemple, la gratuité des transports en commun). À ce titre, il s’agit non seulement d’une reconnaissance symbolique des victimes de terrorisme, mais également d’un statut qui emporte divers effets juridiques, en ce compris la reconnaissance des autres droits découlant de la loi de 2017, à savoir le remboursement des soins médicaux et l’octroi d’une pension de dédommagement. Ainsi, une contestation devant la juridiction du travail, même lorsqu’elle porte exclusivement sur l’octroi de ce statut de solidarité nationale est comprise parmi les contestations dans le cadre desquelles il reviendra à l’autorité chargée d’appliquer la loi de prendre en charge les dépens de la procédure. Sur ce point, il ne convient donc pas d’aligner la formulation de la présente modification à la formulation à laquelle le Conseil d’État fait référence dans son avis. Cet avis renvoie en effet à la formulation de l’article 1410, § 2, 14°, du Code judi- ciaire, qui ne vise que les remboursements des soins médicaux et la pension de dédommagement à titre de montants insaisissables. Ceci est toutefois normal dans la mesure où seules ces prestations sont des prestations “de somme” dans la loi du 18 juillet 2017, et sont donc susceptibles d’être saisissables ou insaisissables. CHAPITRE 6 Modifications du Code de droit économique Art. 75 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 76 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 77 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Ensuite, il est à présent prévu que le notaire désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en effet les experts locaux, avec pour consé- quence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise. 89 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 78 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. Art. 79 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp. HOOFDSTUK 7 Wijziging van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand Art. 80 De voorgestelde wijziging is zuiver technisch van aard. Het beoogt de ICT-afdeling iets meer tijd te geven om alle computerapplicaties aan te passen wanneer het bedrag van de bijdrage aan het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een indexering die is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van 19 maart  2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het nieuwe bedrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de wijziging ten gevolge van de in artikel 5, § 2, eerste lid, bedoelde wijziging van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad geschiedt door middel van een bericht. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is deze bepaling licht gewijzigd om ervoor te zorgen dat het geïndexeerde bedrag pas wordt toegepast na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK 8 Wijziging aan het Burgerlijk Wetboek Art. 81 De voorgestelde wijziging corrigeert een redactionele fout in de Nederlandse versie van artikel 1.8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek. Het doet geen afbreuk aan de inhoud van de bepaling. Art. 78 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. Art. 79 Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré- sent projet. CHAPITRE 7 Modification de de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne Art. 80 La modification proposée est de nature purement technique. Elle vise à donner un peu plus de temps au service ICT pour adapter toutes les applications informatiques lorsque le montant de la contribution au fonds d’aide juridique est modifié à la suite d’une indexa- tion prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne. L’entrée en vigueur du nouveau montant a lieu le 1er jour du deuxième mois suivant la modification due à la variation de l’index des prix à la consommation prévue à l’article 5, § 2, alinéa 1er. Une publication au moniteur belge est prévue au moyen d’un avis. À la suite de l’avis du Conseil d’État, cette disposition est légèrement remaniée afin de s’assurer que le montant indexé ne sera appliqué qu’après sa publication au Moniteur belge. CHAPITRE 8 Modification du Code civil Art. 81 La modification proposée corrige une erreur rédaction- nelle dans la version néerlandaise de l’article 1.8, § 5, du Code civil. Elle n’a aucune incidence sur le contenu de la disposition. 3552/001 DOC 55 90 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Art. 82 De wijziging in de toekomstige paragraaf 4 van arti- kel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek stemt de be- paling af op de situatie waarin de procedures bedoeld in artikel 1675/5 van het Gerechtelijk Wetboek zich op beroepsniveau bevinden. Het bevestigt bovendien dat niet enkel de rechtbanken – in de procedure ten gronde -, maar ook de hoven – in beroep – gebruik zullen maken van het register. De vertaling van het Franse woord “ju- ridictions” naar “rechtbanken” is niet accuraat. De term verwijst naar het ruimere begrip “gerechten” dat zowel de rechtbanken als de hoven omvat. Art. 83 Deze wijziging is bedoeld een taalkundige rechtzet- ting te doen in de toekomstige Nederlandstalige tekst van artikel 1675/7, § 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek zoals ingevoegd door artikel 37, 1°, van de wet informati- sering. Het werkwoord “brengen” wordt vervangen door het werkwoord “meebrengen”. Art. 84 De voorgestelde wijziging stemt de Nederlandse tekst van het toekomstig artikel 1675/8bis van het Gerechtelijk Wetboek af op de Franse tekst. Ook in de Nederlandse tekst zal worden bepaald dat de griffie binnen drie dagen “na de uitspraak” de beschikking van niet-toelaatbaarheid moet kennisgeven aan de verzoeker en, in voorkomend geval, de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner. Art. 85 Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 82 van dit ontwerp. CHAPITRE 9 Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Art. 82 La modification proposée du paragraphe 4 de l’ar- ticle 1675/6 du Code judiciaire aligne la disposition sur la situation où les procédures visées à l’article 1675/5 du Code judiciaire sont au niveau d’appel. Elle confirme également que non seulement les tribunaux – dans la procédure au fond – mais aussi les cours – en appel – utiliseront le registre. La traduction du mot “juridic- tions” par “rechtbanken” n’est pas correcte. Le terme fait référence au concept plus large de “gerechten” qui comprend les tribunaux et les cours. Art. 83 Cette modification vise à apporter une correction linguistique dans le futur texte néerlandophone de l’article 1675/7, § 2bis, du Code judiciaire tel qu’inséré par l’article 37, 1°, de la loi du 5 mai 2019. Le verbe “brengen” est remplacé par le verbe “meebrengen”. Art. 84 La modification proposée fait concorder le texte néer- landais du futur article 1675/8bis du Code judiciaire avec le texte français. Dans le texte néerlandais, il est également précisé, que le greffe doit notifier, dans les trois jours “du prononcé”, la décision d’inadmissibilité au requérant et, le cas échéant, au conjoint ou au coha- bitant légal. Art. 85 Il est renvoyé au commentaire de l’article 82 du pré- sent projet 91 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 10 Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Art. 86 Deze bepaling heeft tot doel een technische correctie door te voeren in de overgangsbepaling van artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 oktober 2022 tot oprich- ting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenpro- cedure betreffende de wraking van de gezworenen. Na tweede lezing in de Commissie Justitie van de Kamer werden er nog een aantal amendementen ingediend, waaronder het amendement tot wijziging van de assi- senprocedure voor wat de wraking van de gezworenen betreft (Amendement nr. 25 van mevrouw Gabriëls c.s., DOC 55 2754/009). De juridische dienst van de Kamer merkte naar aanleiding van dit laatste amendement op dat een thematische indeling van het wetsontwerp de voorkeur geniet, en op basis van deze suggestie werd een herstructurering van het wetsontwerp doorgevoerd. De kruisverwijzingen in de inwerkingtredingsbepaling werden daarbij aangepast, maar een gelijkaardige aanpassing werd per vergissing niet doorgevoerd in artikel 19, tweede lid, van het wetsontwerp. Het voorge- stelde artikel beoogt deze vergetelheid recht te zetten. HOOFDSTUK 11 Wijzigingen van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart  1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen Art. 87 Deze wijziging beoogt het rechtzetten van een ma- teriële vergissing. Deze wijziging wordt aangebracht in artikel 83 van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart  1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechts- deurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen, aangezien artikel 83 van voornoemde wet pas in werking treedt op 1 januari 2024 en onderhavige CHAPITRE 10 Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Art. 86 Cette disposition vise à apporter une correction tech- nique à la disposition transitoire, de l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés. Un cer- tain nombre d’amendements ont encore été déposés après la deuxième lecture en commission justice de la Chambre, notamment l’amendement modifiant la pro- cédure d’assises en ce qui concerne la récusation des jurés (amendement 25 de Mme Gabriëls et consorts, DOC 55 2754/009). Le Service juridique de la Chambre a noté, suite à ce dernier amendement, qu’une division thématique du projet de loi était à privilégier, et une res- tructuration du projet de loi a été effectuée suite à cette suggestion. En parallèle, les références croisées dans la disposition sur l’entrée en vigueur ont été ajustées, mais un ajustement pareil n’a – par erreur – pas été effectué à l’article 19, alinéa 2, du projet de loi. Le présent article proposé vise à rectifier cet oubli. CHAPITRE 11 Modifications de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Art. 87 La modification vise à corriger une erreur matérielle. Cette modification est apportée à l’article 83 de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses, étant donné que l’article 83 de la loi précitée n’entre en vigueur que le 1er janvier 2024 et 3552/001 DOC 55 92 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E wet reeds daarvóór in werking zal getreden zijn. Om te reageren op het advies van de Raad van State, door deze wijziging op te nemen in de wet van 22 november 2022 blijft de coherentie van die wet bewaard. Deze werkwijze zorgt er tevens voor dat de rechtsonderhorige slechts één wettelijke bron van wijzigingsbepalingen dient te consulteren in plaats van meerdere wettelijke bronnen die afzonderlijke wijzigings- en opheffingsbepalingen bevatten die betrekking hebben op hetzelfde artikel, te meer aangezien deze wijzigingsbepaling slechts het corrigeren van een materiële vergissing betreft. Art. 88 Deze wijziging beoogt het rechtzetten van een mate- riële vergissing in de Nederlandse tekst. Deze wijziging wordt aangebracht in artikel 103 van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart  1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechts- deurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen, aangezien artikel 103 van voornoemde wet pas in werking treedt op 1 januari 2024 en onderhavige wet reeds daarvóór in werking zal getreden zijn. Om te reageren op het advies van de Raad van State, door deze wijziging op te nemen in de wet van 22 november 2022, blijft de coherentie van die wet bewaard. Deze werkwijze zorgt er tevens voor dat de rechtsonderhorige slechts één wettelijke bron van wijzigingsbepalingen dient te consulteren in plaats van meerdere wettelijke bronnen die afzonderlijke wijzigings- en opheffingsbepalingen bevatten die betrekking hebben op hetzelfde artikel, te meer aangezien deze wijzigingsbepaling slechts het corrigeren van een materiële vergissing betreft. que la présente loi sera déjà entrée en vigueur avant cette date. Pour répondre à l’avis du Conseil d’État, en repre- nant cette modification dans la loi du 22 novembre 2022, la cohérence de cette loi est préservée. Cette manière de procéder permet également au justiciable de ne consulter qu’une seule source législative de dispositions modificatives au lieu de plusieurs sources législatives contenant des dispositions modificatives et abrogatives distinctes relatives au même article, d’autant plus que cette disposition modificative ne fait que corriger une erreur matérielle. Art. 88 La modification vise à corriger une erreur matérielle dans le texte néerlandais. Cette modification est apportée à l’article 103 de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses, étant donné que l’article 103 de la loi précitée n’entre en vigueur que le 1er janvier 2024 et que la présente loi sera déjà entrée en vigueur avant cette date. Pour répondre à l’avis du Conseil d’État, en repre- nant cette modification dans la loi du 22 novembre 2022, la cohérence de cette loi est préservée. Cette manière de procéder permet également au justiciable de ne consulter qu’une seule source législative de dispositions modificatives au lieu de plusieurs sources législatives contenant des dispositions modificatives et abrogatives distinctes relatives au même article, d’autant plus que cette disposition modificative ne fait que corriger une erreur matérielle. 93 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 12 Wijziging van de wet van 14 maart  2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Art. 89 Dit artikel beoogt de Franse tekst van artikel 7, eer- ste lid, van de wet van 14 maart  2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buiten- gerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, in overeenstemming te brengen met de Nederlandse tekst. Concreet richt deze wet zich vanzelfsprekend tot de Belgische rechter, zodat dit geen explicitering behoeft. Daarnaast is het hier correcter om het meer algemene begrip “gerecht” te gebruiken, in plaats van het meer specifieke begrip “rechter”. HOOFDSTUK 13 Overgangsbepalingen Art. 90 De bepalingen van deze wet treden in werking met een overgangsmaatregel zodat ze geen invloed heb- ben op de reeds lopende verkopen en procedures van rangregeling. Er moet inderdaad vermeden worden dat deze verko- pen, die onder de huidige wetgeving wel zuiverend waren, hun zuiverende werking verliezen door de inwerkingtre- ding van deze wet. Bovendien mag de inwerkingtreding van deze wet er niet toe leiden dat de rechten van de schuldeisers in de rangregeling plots worden gewijzigd. Om te bepalen of de nieuwe artikelen van toepassing zijn, moet men nagaan of hetzij het verzoek tot machtiging CHAPITRE 12 Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale Art. 89 Le présent article vise à aligner le texte français de l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale, sur le texte néerlandais. Concrètement, cette loi s’adresse bien évidemment au juge belge, de sorte qu’il n’est pas nécessaire de l’expliciter. En outre, il est ici plus exact d’utiliser la notion plus générale de “juridiction” au lieu de la notion plus spécifique de “juge”. CHAPITRE 13 Dispositions transitoires Art. 90 Les dispositions de cette loi entrent en vigueur avec une mesure transitoire, pour ne pas impacter les ventes et les procédures d’ordre déjà en cours. Il faut en effet éviter que ces ventes, qui étaient pur- geantes sous l’empire de la loi actuelle, perdent leur caractère purgeant en raison de l’entrée en vigueur de cette loi. De plus, l’entrée en vigueur de cette loi ne peut mener à ce que les droits des créanciers dans l’ordre soient soudainement modifiés. Pour déterminer si les nouveaux articles s’appliquent, il y a lieu de vérifier si la requête en autorisation de vendre 3552/001 DOC 55 94 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E om te verkopen reeds werd neergelegd, hetzij de oproe- ping van de schuldeisers om de verkoopsverrichtingen te volgen reeds heeft plaatsgevonden. Enkel wanneer deze neerlegging of oproeping gebeu- ren vanaf de inwerkingtreding van deze wet, gelden de nieuwe bepalingen. Bovendien moet het gaan om de machtigingsprocedure of de oproeping om de verkoopsverrichtingen te volgen die ook werkelijk leiden tot de zuiverende verkoop. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er een machtiging wordt bekomen vóór de inwerkingtreding van de wet, maar dat de schuldeisers niet regelmatig werden opgeroepen. Indien de partijen in die omstandigheden een nieuwe machtiging vragen na de inwerkingtreding van deze wet, waarbij de schuldeisers regelmatig worden opgeroepen, zijn de nieuwe bepalingen van toepassing. Het is inder- daad deze tweede machtiging die aanleiding geeft tot een zuiverende verkoop. Art. 91 In overeenstemming met het advies van het College van hoven en rechtbanken wordt een overgangsbepa- ling getroffen voor alle magistraten die reeds in kamers zetelen. Het zou contraproductief zijn hen te verplichten een opleiding te volgen wanneer zij reeds in dergelijke kamers hebben gezeten en dus reeds nuttige ervaring hebben kunnen opdoen. Art. 92 Naar aanleiding van advies van de Raad van State, de oprichting van kamers voor minnelijke schikking is gepland in alle hoven en rechtbanken van elk arrondis- sement. Er wordt echter een verduidelijking gegeven voor de hoven en rechtbanken die in verschillende afdelingen zijn opgedeeld. In deze grotere structuren moet ten minste één van de afdelingen een dergelijke kamer instelt om de rechtzoekende de mogelijkheid te bieden er een beroep op te doen zonder naar een an- der arrondissement te moeten gaan. Om de praktische uitvoering van deze kamers voor minnelijke schikkingen te vergemakkelijken, is de oprichting van minstens één kamer echter facultatief tot 1 september 2025. a déjà été déposée ou si l’appel des créanciers à suivre les opérations de vente a déjà été effectué. Ce n’est que si ce dépôt ou cet appel ont lieu à partir de l’entrée en vigueur de cette loi que les nouvelles dispositions s’appliquent. En outre, il s’agit de la procédure d’autorisation ou l’appel à suivre les opérations de vente qui ont effecti- vement mené à la vente purgeante. Par exemple, il se peut qu’une autorisation ait été obtenue avant l’entrée en vigueur de la loi mais que les créanciers n’aient pas valablement été appelés. Si, dans ces circonstances, les parties sollicitent une nouvelle autorisation après l’entrée en vigueur de cette loi, en appelant valablement les créanciers, les nouvelles dispositions sont d’application. C’est en effet cette seconde autorisation qui donne lieu à une vente purgeante. Art. 91 Conformément à l’avis du Collège des cours et tribu- naux, une disposition transitoire est prévue pour tous les magistrats qui siègent déjà dans des chambres de règlement à l’amiable. Il serait contreproductif de les obliger à suivre une formation s’ils ont déjà siégé dans de telles chambres et ont dès lors déjà pu acquérir une expérience utile. Art. 92 À la suite de la remarque du Conseil d’État, la création de chambres de règlement à l’amiable est prévue dans tous les cours et tribunaux de chaque arrondissement. Une précision est toutefois apportée pour les cours et tribunaux qui sont répartis en plusieurs divisions. Dans ces plus grandes structures, au moins une des divisions doit créer une telle chambre afin d’offrir l’opportunité au justiciable de pouvoir y recourir sans devoir se rendre dans un autre arrondissement. Toutefois, afin de faciliter la mise en œuvre pratique de ces chambres de règle- ment à l’amiable, la création d’au moins une chambre est facultative jusqu’au 1er septembre 2025. 95 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 14 Inwerkingtreding Art. 93 Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 2 tot 12. Art. 94 Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 25 tot 27. De minister van Justitie, Vincent Van Quickenborne CHAPITRE 14 Entrée en vigueur Art. 93 Cet article précise la date d’entrée en vigueur des articles 2 à 12. Art. 94 Cet article précise la date d’entrée en vigueur des articles 25 à 27. Le ministre de la Justice, Vincent Van Quickenborne 3552/001 DOC 55 96 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E VOORONTWERP VAN WET onderworpen aan het advies van de Raad van State Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken Hoofdstuk 1 - Algemene bepaling Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. Hoofdstuk 2 - Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Afdeling 1 - Naamsverandering van kinderen in het geval van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband of vanwege de naamsverandering van hun ouders Art. 2. In artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek, ver- vangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 5°/1 ingevoegd, luidende: “5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door het meerderjarige kind;” Art. 3. Artikel 63 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 2018 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende: “5° in geval van toepassing van artikel 335sexies, § 2, het aktenummer van de akte van erkenning die als basis heeft gediend voor de opmaak van de akte van naamsverandering” Art. 4. Artikel 313 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en van 1 juli 2006, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 3, tweede lid.” Art. 5. Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 19 september 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid.” Art. 6. Artikel 325/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 19 september 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende: AVANT-PROJET DE LOI soumis à l’avis du Conseil d’État Avant-projet de loi portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire Chapitre 1er - Disposition générale Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’ar- ticle 74 de la Constitution. Chapitre 2 - Modifications de l’ancien Code civil Section 1re - Changement de nom des enfants en cas d’établissement successif de leurs liens de filiation ou en raison de la modification du nom de leurs parents Art. 2. Dans l’article 51 de l’ancien Code civil, remplacé par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 5°/1 rédigé comme suit: “5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par l’enfant majeur;” Art. 3. L’article 63 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018 et modifié par la loi du 31 juillet 2020, est complété par un 5°, rédigé comme suit: “5° en cas d’application de l’article 335sexies, § 2, le numéro de l’acte de reconnaissance qui a servi de base à l’établissement de l’acte de changement de nom;” Art. 4. L’article 313 du même Code, modifié par les lois du 31 mars 1987 et du 1er juillet 2006, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit: “§ 4. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré selon les modalités prévues au paragraphe 3, alinéa 2.” Art. 5. L’article 319bis du même Code, modifié par les lois du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré selon les modalités prévues à l’alinéa 2.” Art. 6. L’article 325/6 du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014 et modifié par les lois du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit: 97 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid.” Art. 7. In artikel 327/2, § 2, van hetzelfde Wetboek, in- gevoegd bij de wet van 19 september 2017 en vervangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 3°/1 ingevoegd, luidende: “3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van naamskeuze op basis van artikel 335, § 3, eerste lid, of van artikel 335ter, § 2, eerste lid, en de toestemming van het minderjarig kind indien het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt;” Art. 8. Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wetten van 18 juni 2018 en van 31 juli 2020, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: “§ 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de naamsver- andering van een meerderjarig kind, brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de afstammelingen in de eerste graad.” Art. 9. In artikel 335 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “In geval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling of het handhaven van deze enige afstammings- band, wordt de naam bepaald overeenkomstig het eerste en het tweede lid.”; 2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid opgeheven; 3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid ver- vangen als volgt: “Indien de afstamming van vaderszijde of van moederszijde wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoel in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervan- ging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”; 4° in paragraaf 3 wordt het vierde lid opgeheven; 5° in paragraaf 4 worden het eerste en het tweede lid, vervangen als volgt: “Si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré selon les modalités prévues à l’alinéa 2.” Art. 7. Dans l’article 327/2, § 2, du même Code, inséré par la loi 19 septembre 2017 et remplacé par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit: “3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de nom sur la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er, ou de l’article 335ter, § 2, alinéa 1er, et le consentement de l’enfant mineur sur ce choix s’il a atteint l’âge de douze ans;” Art. 8. L’article 333 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par les lois du 18 juin 2018 et du 31 juillet 2020, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit: “§ 3. Lorsque la décision donne lieu au changement de nom d’un enfant majeur, le greffier notifie le dispositif du jugement aux descendants au premier degré par pli judiciaire.” Art. 9. À l’article 335 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement ou le maintien de ce seul lien de filiation, le nom est déterminé conformément aux alinéas 1er et 2.”; 2° dans le paragraphe 3, l’alinéa 1er est abrogé; 3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit: “Si la filiation paternelle ou maternelle est établie par recon- naissance après l’établissement de la filiation à l’égard de l’autre parent, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la déclaration de reconnaissance. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”; 4° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est abrogé; 5° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit: 3552/001 DOC 55 98 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar of de meerder- jarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”; 6° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven; 7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: “§ 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.” Art. 10. In artikel 335ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven; 2° in paragraaf 2 worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt: “Indien de afstamming ten aanzien van de meemoeder door erkenning wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervan- ging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”; 3° in paragraaf 2 wordt het vierde lid opgeheven; 4° in paragraaf 3 worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt: “In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar of de meerder- jarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”; 5° in paragraaf 3 wordt het vierde lid opgeheven; “Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans ou l’âge de la majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier.”; 6° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est abrogé; 7° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit: “§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré.” Art. 10. À l’article 335ter du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est abrogé; 2° dans le paragraphe 2, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit: “Si la filiation à l’égard de la coparente, établie par recon- naissance, est établie après l’établissement de la filiation maternelle, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la décla- ration de reconnaissance. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”; 3° dans le paragraphe 2, l’alinéa 4 est abrogé; 4° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont remplacés par ce qui suit: “Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans ou l’âge de la majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier.”; 5° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est abrogé; 99 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: “§ 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.” Art. 11. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335quinquies ingevoegd, luidende: “Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn vonnis akte van de gekozen of door de wet vastgestelde naam van het kind in alle gevallen van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam.” Art. 12. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335sexies ingevoegd, luidende: “Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een verandering van afstamming overeenkomstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3, geldt ook geheel of ten dele voor de afstammelingen in de eerste graad die zijn geboren voor deze verandering, indien het de naam van die ouder is die hun werd toegekend of die een deel van de dubbele naam die hun werd gegeven vormt. § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt die naam enkel aan het meerderjarig kind toegekend met diens instemming. Op verzoek van het kind maakt de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan een akte van naamsverandering op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die daarop betrekking hebben. Het verzoek wordt ingediend in het jaar dat volgt op de dag waarop de beslissing inzake de afstamming van de ouder of de akte van erkenning hem werd medegedeeld of betekend.” Afdeling 2 - Vervangende toestemming bij omzetting van een interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt in een volle adoptie Art. 13. Artikel 359-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Wanneer de oorspronkelijke afstamming van het kind niet vaststaat of wanneer de vader en de moeder van het kind, of de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende ver- blijfplaats hebben of in de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn en het kind geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in de Staat van herkomst, wordt in afwijking van artikel 361-4, 1°, b) en c), de toestemming tot de omzetting in volle adoptie gegeven door een voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere betrokken persoon of van de procureur des Konings.” 6° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit: “§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré.” Art. 11. Dans le même Code, il est inséré un article 335quin- quies, rédigé comme suit: “Art. 335quinquies. Le juge acte dans son jugement le nom de l’enfant choisi ou fixé par la loi dans tous les cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom.” Art. 12. Dans le même Code, il est inséré un article 335sexies rédigé comme suit: “Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou fixé à l’occasion d’un changement de filiation conformément aux articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, s’impose en tout ou partie à leurs descendants au premier degré nés avant ce changement, si c’est le nom de ce parent qui leur a été attribué ou constitue une partie du double nom qui leur a été donné. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom n’est attribué à l’enfant majeur qu’avec son consentement. À la demande de l’enfant, l’officier de l’état civil compétent en établira un acte de changement de nom et l’associera aux actes de l’état civil qui le concernent. La demande est introduite dans l’année qui suit le jour où la décision relative à la filiation du parent ou l’acte de reconnaissance lui aura été notifié ou signifié.” Section 2 - Consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière d’une adoption internationale qui ne rompt pas le lien de filiation Art. 13. L’article 359-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est pas établie ou lorsque le père et la mère de l’enfant, ou le parent unique à l’égard de qui la filiation est établie, sont décédés, présumés absents, sans aucune résidence connue, dans l’impossibilité ou incapables d’exprimer leur volonté, et que l’enfant n’a pas de représentant légal dans l’État d’origine, le consentement à la conversion en adoption plénière est donné par un tuteur ad hoc désigné par le tribunal, à la requête de toute per- sonne intéressée ou du procureur du Roi, par dérogation à l’article 361-4, 1°, b) et c).” 3552/001 DOC 55 100 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Afdeling 3 - Wijziging van de opdrachten van de bewind- voerder na het overlijden van de beschermde persoon Art. 14. In artikel 499/19, § 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en vervan- gen bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon voorafgaan,” worden opgeheven; 2° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon voorafgaan”. Hoofdstuk 3 - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 15. Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 2015 en van 21 december 2018 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten aanzien van een geschilpunt dat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt kan ook door een derde worden ingeroepen tegen een partij bij die beslissing.” Art. 16. Artikel 76, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke kamer(s) en, in voorkomend geval een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld in afdelingen, bestaat de burgelijke rechtbank van een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.” Art. 17. In artikel 78 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het zevende lid vervangen als volgt: “Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd. Een plaatsvervangend rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 18. In artikel 79 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het achtste lid vervangen als volgt: “Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters in de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg.” Art. 19. In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 december 2005 en bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en, in voorkomend geval, uit een of meer kamers voor minnelijke Section 3 - Modification des missions de l’administra- teur après le décès de la personne protégée Art. 14. À l’article 499/19, § 2, alinéa 2, 2°, du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013 et remplacé par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée,” sont abrogés; 2° le d) est complété par les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée”. Chapitre 3 - Modifications du Code judiciaire Art. 15. L’article 23 du Code judiciaire, modifié par les lois du 19 octobre 2015 et du 21 décembre 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une question litigieuse qui a fait l’objet de la décision peut également être invoquée par un tiers à l’encontre d’une partie à cette décision.” Art. 16. L’article 76, § 1er, du même Code, modifié en der- nier lieu par la loi du 4 mai 2016, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le tribunal civil se compose de la ou des chambres civiles et, le cas échéant, d’une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de première instance est réparti en divisions, le tribunal civil d’une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.” Art. 17. Dans l’article 78, du même Code, modifié par la loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 7 est remplacé par ce qui suit: “Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un juge unique ayant suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente. Un juge suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 18. Dans l’article 79 du même Code, modifié par la loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 8 est remplacé par ce qui suit: “Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges au tribu- nal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les chambres civiles du tribunal de première instance.” Art. 19. À l’article 81 du même Code, modifié par la loi du 13 décembre 2005 et par la loi du 8 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et, le cas échéant, une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le 101 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E schikking. Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; 2° in het tweede lid worden de woorden “Ten minstens één daarvan” vervangen door de woorden “Minstens één van de drie kamers,”; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en twee rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 20. In artikel 84 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en, in voorkomend geval, een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de ondernemingsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in ondernemingszaken. De rechters die van de kamer voor minnelijke schikking deel uitmaken, moeten allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde op- leiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 21. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “waarvan, in voorkomend geval, een of meer kamers voor minnelijke schikking,” ingevoegd tussen de woorden “Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken,” en de woorden “kamers voor correctionele zaken”; 2° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden “Opdat de gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking rechtsgeldig zou zijn samengesteld, moet het voor die kamer aangewe- zen lid van het hof een gespecialiseerde opleiding hebben genoten verstrekt door het Instituut voor gerechtelijke oplei- ding” vervangen door “Elke kamer voor minnelijke schikking tribunal du travail est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “L’une d’elles au moins,” sont remplacés par les mots “L’une des trois chambres au moins,”; 3° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un président, juge au tribunal du travail, et de deux juges sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente. Un juge suppléant ou un juge social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 20. À l’article 84 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et, le cas échéant, une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de l’entreprise est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 2° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Chacune d’elles est présidée par un juge au tribunal de l’entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires. Les juges composant la chambre de règlement à l’amiable doivent tous avoir suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente. Un juge suppléant ou un juge consulaire suppléant peut siéger dans la chambre de règle- ment à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 21. À l’article 101 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “dont, le cas échéant, une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable” sont insérés entre les mots “Il y a à la cour d’appel des chambres civiles,” et les mots “des chambres correctionnelles”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots “Pour que la chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit consti- tuée valablement, le membre de la cour désigné pour cette chambre doit avoir suivi une formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire.” sont remplacés par “Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée 3552/001 DOC 55 102 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd.” Art. 22. Artikel 102, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Een plaatsvervangend raadsheer kan alleenzetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake ver- zoening en doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd.” Art. 23. In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 18 februari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Elk arbeidshof stelt in voorkomend geval een of meer kamers voor minnelijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzit- ter, een raadsheer in het arbeidshof en twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 24. Artikel 508/11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998, wordt vervangen als volgt: “Art. 508/11. De in artikel 488 bedoelde overheden bezor- gen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.” Art. 25. In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als volgt: “De in het tweede lid bedoelde controle wordt uitgevoerd door de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd door de communautaire ordes op de wijze die door de Koning wordt bepaald.”; 2° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende: d’un conseiller à la cour ayant suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente.” Art. 22. L’article 102, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 1er décembre 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Un conseiller suppléant peut siéger seul dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente.” Art. 23. À l’article 104 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “Chaque cour du travail institue, le cas échéant, une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque la cour du travail est répartie en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “La chambre de règlement à l’amiable est composée d’un président, conseiller à la cour du travail et de deux conseillers sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente. Un conseiller suppléant ou un conseiller social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi une telle formation.” Art. 24. L’article 508/11 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998, est remplacé par ce qui suit: “Art. 508/11. Les autorités visées à l’article 488 transmettent annuellement un rapport sur le fonctionnement de l’aide juri- dique de deuxième ligne au ministre de la Justice selon les modalités établies par le Roi.” Art. 25. À l’article 508/19 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et modifié par la loi du 31 juillet 2020, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Le contrôle visé à l’alinéa 2 est effectué par les bureaux d’aide juridique et coordonné par les Ordres communautaires selon les modalités déterminées par le Roi.”; 2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit: 103 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “§ 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert dan alle goedgekeurde eindverslagen per materie overeenkomstig paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien onderworpen aan een audit om de correctheid van de aanstellingen, de kwaliteit van de verrichte diensten door de advocaat, de realiteit van de verrichte diensten door de advocaat overeenkomstig de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van deze controles door het bureau voor juridische bijstand te verifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels die de Koning bepaalt. De conclusies van deze audit worden toe- gezonden aan de betrokken bureaus voor juridische bijstand en aan de in artikel 488 bedoelde overheden, dat er rekening mee houdt. Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan de minister meegedeeld. De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die overeen- komstig de in het eerste lid en paragraaf 2 bedoelde controles het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie.”; 3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: “§ 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de in- formatie bedoeld in paragraaf 2/1, derde lid, kan de minister van Justitie, indien hij zulks noodzakelijk acht, een aanvul- lende controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die in voorkomend geval via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. De betaling wordt uitgevoerd over- eenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden.”; 4° in paragraaf 4, worden de woorden “de berekeningswijze van” opgeheven. Art. 26. Artikel 508/19bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als volgt: “Art. 508/19bis. Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op basis van de door de bureaus voor juridische bijstand aangegeven werkelijke kosten en goedgekeurd door de minister. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding bedoeld in artikel 508/19, § 3. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel en kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit afwijken van het voormelde percentage van 7 % op gemotiveerde vraag van de in artikel 488 bedoelde overheden op basis van aangetoonde kosten.” “§ 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe ensuite par matière tous les rapports de clôture approuvés en vertu du paragraphe 2. Certains d’entre eux sont alors soumis à un audit consistant à vérifier l’exactitude des désignations, la qualité du travail effectué par l’avocat, la réalité des prestations accomplies par les avocats conformément à la liste visée au paragraphe 2, alinéa 2, et l’exercice de ces vérifications par le bureau d’aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités visées à l’article 488 selon les modalités déterminées par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont transmises, afin qu’il en soit tenu compte, aux bureaux d’aide juridique concernés et aux autorités visées à l’article 488. Un rapport simplifié de ces conclusions dont le contenu est déterminé par le Roi est préparé par les autorités visées à l’article 488 et envoyé au ministre. Le bâtonnier communique le total des points de son barreau aux autorités visées à l’article 488, lesquelles communiquent, conformément aux contrôles visés à l’alinéa 1er et au para- graphe 2, le total des points de tous les barreaux au ministre de la Justice.”; 3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit: “§ 3. Dès réception de l’information visée au paragraphe 2/1, alinéa 3, le ministre de la Justice peut, s’il l’estime nécessaire, faire effectuer un contrôle supplémentaire selon les moda- lités qu’il détermine après consultation des autorités visées à l’article 488. Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des Ordres des avocats. Le paiement est effectué selon les conditions déterminées par le Roi.”; 4° dans le paragraphe 4, les mots “le mode de calcul de” sont abrogés. Art. 26. L’article 508/19bis du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit: “Art. 508/19bis. Une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge du budget du SPF Justice. Le montant de la subvention est déterminé selon les frais réels exposés par les bureaux d’aide juridique et approuvés par le ministre. Ce montant ne peut excéder 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3. Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article et peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, s’écarter du taux de 7 % précité à la demande motivée des autorités visées à l’article 488 sur la base de frais démontrés.” 3552/001 DOC 55 104 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 27. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van het- zelfde Wetboek wordt een afdeling I ingevoegd, met als opschrift “Eerste Afdeling. Algemene bepaling”, die bestaat uit artikel 730/1. Art. 28. In artikel 730/1, § 2, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Behoudens in kort geding, kan de rechter” vervangen door de woorden “De rechter kan”; 2° in het tweede lid worden de woorden “zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is” vervangen door de woorden “zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens in kort geding,”. Art. 29. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling II ingevoegd, met als opschrift “Afdeling II. Minnelijke schikking”, die bestaat uit de artike- len 731 tot en met 734. Art. 30. In artikel 731 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid opgeheven. Art. 31. In afdeling II wordt een artikel 731/1 ingevoegd, luidende: “Art. 731/1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om ervan kennis te nemen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkom- stige toepassing.” Art. 32. In artikel 732 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woor- den “binnen de gewone termijn van dagvaarding” vervangen door de woorden “binnen een maand”; 2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende: “Indien het verzoek tot minnelijke schikking een aanspraak op een recht bevat, wordt het gelijkgesteld met de ingebreke- stelling bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek. Onder dezelfde voorwaarden schorst het verzoek tot min- nelijke schikking gedurende een maand de verjaring van de aan dit recht verbonden vordering.” Art. 33. In artikel 733 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht: Art. 27. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section première intitu- lée “Section première. Disposition générale”, comprenant l’article 730/1. Art. 28. À l’article 730/1, § 2, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “Sauf en référé, le juge” sont remplacés par les mots “Le juge”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “À la demande” sont remplacés par les mots “Sauf en référé, à la demande”. Art. 29. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section 2 intitulée “Section II. La conciliation”, comprenant les articles 731 à 734. Art. 30. Dans l’article 731 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est abrogé. Art. 31. Dans la section II, il est inséré un article 731/1, rédigé comme suit: “Art. 731/1. Sans préjudice des dispositions des articles 1724 à 1737, toute demande principale introductive d’instance entre parties capables de transiger et sur des objets susceptibles d’être réglés par transaction, peut être préalablement soumise, à la requête d’une des parties ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge compétent pour en connaître. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.” Art. 32. À l’article 732 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots “ordi- naire des citations,” sont remplacés par les mots “d’un mois,”; 2° l’article est complété par deux alinéas rédigés comme suit: “Si la demande en conciliation contient la réclamation d’un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l’article 5.240 du Code civil. Dans les mêmes conditions, la demande en conciliation suspend le cours de la prescription de l’action attachée à ce droit pendant un mois.” Art. 33. À l’article 733 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 105 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woorden “worden de bewoordingen ervan opgetekend” ver- vangen door de woorden “kunnen de bewoordingen ervan worden opgetekend”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het verschijnen van de partijen op de zitting tot minnelijke schikking schorst de verjaringstermijn voor de duur van de minnelijke schikking.” Art. 34. In afdeling II wordt een artikel 733/1 ingevoegd, luidende: “Art. 733/1. Indien er al een procedure loopt, kan het geschil gedurende het gehele geding ter minnelijke schikking aan de rechter worden voorgelegd, op initiatief van de rechter of van een partij. De partijen zullen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732. Indien een schikking tot stand komt, kan akte worden ge- nomen van de bewoordingen van die schikking in een vonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043.” Art. 35. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling III ingevoegd, met als opschrift “Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking”. Art. 36. In afdeling III wordt een artikel 734/1 ingevoegd, luidende: “Art. 734/1. § 1. De zaken kunnen ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking en worden aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 731/1 of worden daarvoor vastgesteld overeenkomstig artikel 733/1. De partijen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732. § 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nuttig acht, kan de rechter ook, gedurende het gehele geding, de doorver- wijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof bevelen, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het dossier van de procedure over aan de griffier van de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen. De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept de partijen bij eenvoudige brief op om te verschijnen op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.” 1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots “en constate” sont remplacés par les mots “peut en constater”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “La comparution des parties à l’audience de conciliation suspend le cours de la prescription durant la conciliation.” Art. 34. Dans la section II, il est inséré un article 733/1, rédigé comme suit: “Art. 733/1. Si une procédure est déjà pendante, le litige peut être soumis, tout au long de l’instance, au juge à fin de conciliation, à l’initiative du juge ou d’une partie. Les parties seront convoquées conformément à l’article 732. Si un accord intervient, les termes de cet accord peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt conformément à l’article 1043.” Art. 35. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section III intitulée “Section III. La chambre de règlement à l’amiable”. Art. 36. Dans la section III, il est inséré un article 734/1, rédigé comme suit: “Art. 734/1. § 1er. Les affaires peuvent être soumises à fin de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable et sont introduites conformément à l’article 731/1 ou y sont fixées conformément à l’article 733/1. Les parties sont convoquées conformément à l’article 732. § 2. À la demande des parties ou s’il l’estime utile, le juge peut également ordonner, tout au long de l’instance, le renvoi de la cause à la chambre de règlement à l’amiable du même tribunal ou de la même cour, par simple mention au procès- verbal de l’audience. Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée. Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque les parties, par simple lettre, à comparaître, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.” 3552/001 DOC 55 106 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 37. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/2 ingevoegd, luidende: “Art. 734/2. § 1. In de zaken die op grond van artikel 731/1 aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, kunnen de bewoordingen van de schikking door de kamer voor minnelijke schikking worden opgetekend in het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schik- king, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 733. § 2. In de andere zaken waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, kan akte worden genomen van de bewoor- dingen van het geheel of gedeeltelijk akkoord in een vonnis of een arrest overeenkomstig artikel 1043.” Art. 38. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/3 ingevoegd, luidende: “Art. 734/3. § 1. In de zaken die op grond van artikel 731/1 aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, sluit het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking de procedure af. Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat wensen, een gewone gerechtelijke procedure inleiden om hun geschil door de rechtbank of het hof te laten beslechten. § 2. In de andere zaken waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, wordt de gewone gerechtelijke procedure voortgezet voor de oorspronkelijke kamer. De kamer voor minnelijke schikking verwijst het dossier, volgens dezelfde vormvereisten als bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste en tweede lid, door naar de oorspronkelijke kamer. Indien een van de partijen op de hoorzitting voor een min- nelijke schikking daarom heeft verzocht, roept de griffier van de oorspronkelijke kamer de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. Dit verzoek kan even- wel schriftelijk door een van de partijen na de doorverwijzing worden gedaan.” Art. 39. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/4 ingevoegd, luidende: “Art. 734/4. § 1. De zittingen tot minnelijke schikking die worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking verlopen in raadkamer overeenkomstig artikel 757, § 2, 14°. Alles wat wordt gezegd of geschreven tijdens die zittingen is vertrouwelijk overeenkomstig artikel 1728. Bij schending van de vertrouwelijkheidsplicht, is artikel 1728, § 4, van toepassing. Met instemming van de partijen, kan de rechtbank of het hof, indien hij/het dit nuttig acht, ook aparte gesprekken voeren met elk van de partijen. § 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke schikking ver- schijnen de partijen in persoon, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten of door de syndicale afgevaardigden. Art. 37. Dans la même section III, il est inséré un article 734/2 rédigé comme suit: “Art. 734/2. § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 731/1, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord intervenu peuvent être constatés par la chambre de règlement à l’amiable dans le procès-verbal de comparution en conciliation dont l’expédition est revêtue de la formule exécutoire conformément à l’article 733. § 2. Dans les autres causes, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord, partiel ou total, peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt, conformément à l’article 1043.” Art. 38. Dans la même section III, il est inséré un article 734/3 rédigé comme suit: “Art. 734/3. § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 731/1, dans lesquelles la conciliation n’aura pas abouti, le procès-verbal de la comparution en conciliation clôt la procédure. Les parties pourront ensuite, si elles le souhaitent, introduire une procédure judicaire ordinaire pour entendre trancher leur différend par le tribunal ou la cour. § 2. Dans les autres causes dans lesquelles la conciliation n’aura pas abouti, la procédure judiciaire ordinaire est pour- suivie devant la chambre d’origine. La chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon les mêmes formalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2, alinéas 1 et 2, le dossier devant la chambre d’origine. Si l’une des parties en a fait la demande à l’audience de règlement amiable, le greffier de la chambre d’origine convoque les parties, sous pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Cette demande peut également être formulée par écrit par l’une des parties après le renvoi.” Art. 39. Dans la même section III, il est inséré un article 734/4 rédigé comme suit: “Art. 734/4. § 1er. Les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable se déroulent en chambre du conseil conformément à l’article 757, § 2, 14°. Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours de ces audiences est confidentiel au sens de l’article 1728. En cas de violation de l’obligation de confidentialité, l’article 1728, § 4, est d’application. Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour peut, s’il/ elle l’estime utile, aussi s’entretenir en aparté avec chacune des parties. § 2. Le jour de l’audience de conciliation, les parties com- paraissent en personne, assistées, le cas échéant, de leurs avocats ou délégués syndicaux. Si une personne morale est 107 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien een rechtspersoon in het geding is, wordt die vertegen- woordigd door een natuurlijke persoon die hem kan verbinden. § 3. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde stellen aan de minnelijke schikking. § 4. Een rechter die heeft gezeteld in een geschil dat aan de kamer voor minnelijke schikking is voorgelegd, onthoudt zich ervan deel te nemen aan een vonnis of arrest over de uitkomst van hetzelfde geschil voor een andere kamer. Doet hij dat niet, dan kan hij worden gewraakt overeenkomstig artikel 828, 9°.” Art. 40. In artikel 757, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 en bij de wet van 17 maart 2013, wordt de bepaling onder 14° ingevoegd, luidende: “14° de zittingen tot minnelijke schikking die worden ge- houden door de kamers voor minnelijke schikking.” Art. 41. In artikel 780/1 van hetzelfde Wetboek, wordt het vierde lid aangevuld met de woorden “of, in voorkomend geval, het door de griffier eensluidend verklaard afschrift ervan”. Art. 42. In het deel IV, boek III, titel IV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1094/2 ingevoegd, luidende: “Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een wettelijke bepaling in werking treedt die met terugwerkende kracht van toepassing is op het geschil, kan de eisende partij bij het Hof een aanvullend verzoekschrift indienen dat een middel bevat dat ontleend is aan de schending van die bepaling. Dat verzoekschrift wordt toegevoegd aan het aanhangige geding. Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ingediend op de griffie van het hof binnen drie maanden na de inwer- kingtreding van de nieuwe bepaling nadat het in voorkomend geval aan de andere partijen is betekend. De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot 1094 en 1097 zijn van toepassing op dit verzoekschrift en op de memories die de partijen met elkaar uitwisselen.” Art. 43. In artikel 1186, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° het woord “of” wordt vervangen door het woord “,”; 2° de woorden “of aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij” worden ingevoegd tussen de woorden “onroerende goede- ren te vervreemden” en de woorden “, moeten hun wettelijke vertegenwoordigers”. Art. 44. In artikel 1187, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: à la cause, elle est représentée par une personne physique pouvant l’engager. § 3. Tant les parties que le juge de la chambre de règle- ment à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre un terme à la conciliation. § 4. Le juge qui a siégé dans le cadre d’un litige soumis à la chambre de règlement à l’amiable s’abstient de prendre part à un jugement ou arrêt sur les suites de ce même litige devant une autre chambre. À défaut, il peut être récusé confor- mément à l’article 828, 9°.” Art. 40. Dans l’article 757, § 2, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois du 2 juin 2010 et du 17 mars 2013, il est inséré un 14° rédigé comme suit: “14° les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable.” Art. 41. Dans l’article 780/1 du même Code, l’alinéa 4 est complété par les mots “ou, le cas échéant, à la copie, certifiée conforme par le greffier, de celui-ci”. Art. 42. Dans la quatrième partie, livre III, titre IV du même Code, il est inséré un article 1094/2 rédigé comme suit: “Lorsque, au cours de la procédure en cassation, entre en vigueur une disposition légale qui s’applique rétroactivement au litige, la partie demanderesse peut soumettre à la Cour une requête complémentaire contenant un moyen pris de la violation de cette disposition. Cette requête est jointe à l’instance en cours. La requête est, à peine de déchéance, remise au greffe de la Cour dans les trois mois de l’entrée en vigueur de la disposition nouvelle après avoir, le cas échéant, été signifiée aux autres parties. Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094 et 1097 s’ap- pliquent à cette requête et aux mémoires que les parties s’échangent.” Art. 43. À l’article 1186, alinéa 1er, du même Code, rem- placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° le mot “ou” est abrogé; 2° les mots “ou à des personnes internées par application de la loi sur la défense sociale” sont insérés entre les mots “d’aliéner des immeubles” et les mots “, leurs représentants légaux”. Art. 44. À l’article 1187, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 3552/001 DOC 55 108 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschre- ven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”; 2° de tweede zin wordt aangevuld met de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.” Art. 45. In artikel 1189, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, in de Franse tekst, wordt het woord “où” vervangen door het woord “ou”. Art. 46. In artikel 1189/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”; 2° in het eerste lid wordt de derde zin aangevuld met de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens arti- kel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.”; 3° in het derde lid wordt de zin “De machtiging van de rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de ar- tikelen 1186 en 1187.” vervangen door de zin “Geen van de mede-eigenaars moet de machtiging van de familierechtbank bekomen indien zij die een machtiging moeten vragen op basis van artikel 1187 deze hebben bekomen.”. Art. 47. Artikel 1191 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt: “Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 evenals in artikel 1193qua- ter, § 2, vereist is dat de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot machtiging van de familierechtbank, van de rechter-commissaris van het faillissement of van de on- dernemingsrechtbank. De vrederechter, de familierechtbank, de rechter-commissaris of de ondernemingsrechtbank wijst tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend geval, waakt over de bescherming van de betrokken belangen.” Art. 48. In artikel 1192 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, derde lid, wordt in de Nederlandse tekst het woord “tot” ingevoegd tussen het woord “over” en de woorden “de bekendmaking”; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “nalatenschappen of” vervangen door de woorden “nalatenschappen,”; 1° les mots “et privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 2° la deuxième phrase est complétée par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.” Art. 45. Dans l’article 1189, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, dans le texte français, le mot “où” est remplacé par le mot “ou”. Art. 46. À l’article 1189/1 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “et privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 2° dans l’alinéa 1er, la troisième phrase est complétée par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.”; 3° dans l’alinéa 3, la phrase “L’autorisation du tribunal n’est pas requise en cas d’application des articles 1186 et 1187.” est remplacée par la phrase: “Aucun des copropriétaires ne doit obtenir l’autorisation du tribunal de la famille dans le cas où le ou les copropriétaires qui doivent demander l’autorisation sur base de l’article 1187, l’ont obtenue.”. Art. 47. L’article 1191 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit: “Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux ar- ticles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article 1193quater, § 2 exigeaient que les immeubles fussent en tout ou en partie vendus dans un ou plusieurs cantons autres que celui de la situation du bien, il en est fait mention suivant le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans la décision d’autorisation du tribunal de la famille, dans celle du juge-commissaire de la faillite ou dans celle du tribunal de l’entreprise; et le juge de paix, le tribunal de la famille, le juge-commissaire ou le tribunal de l’entreprise désigne en même temps le juge de paix qui veille, le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause.” Art. 48. À l’article 1192 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, dans le texte néerlan- dais, le mot “tot” est inséré entre le mot “over” et les mots “de bekendmaking”; 2° dans le paragraphe 2, les mots “vacantes ou” sont remplacés par les mots “vacantes,”; 109 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3° in paragraaf 2 worden de woorden “of de vereffenaars van een rechtspersoon” ingevoegd tussen het woord “boedels” en de woorden “te hebben gehoord”. Art. 49. In artikel 1193, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de woor- den “en 1193ter” vervangen door de woorden “, 1193ter en 1193quater, § 3”. Art. 50. In artikel 1193bis, van hetzelfde Wetboek, vervan- gen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het derde lid worden de woorden “waarbij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook een schattingsverslag wordt gevoegd. De ontwerpakte” vervangen door de woorden “. Hierbij voegen zij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, een schattingsverslag en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgeval- lend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. Het schattingsverslag wordt opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld. De ontwerpakte”; 2° in het vierde lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, zij” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 3° in het vierde lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de personen”. Art. 51. In artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 2018 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “door een notaris, aangewezen door de rechter-commissaris, opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor” vervangen door de woorden “ontwerp van verkoopakte opgemaakt door een door de curator aan- gewezen notaris voor”; 2° in het tweede lid worden de woorden “door hen aan- gewezen deskundige” vervangen door de woorden “deskun- dige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, de personen” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuld- eisers, de schuldeisers”; 3° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est complétée par les mots “ou les liquidateurs d’une personne morale”. Art. 49. Dans l’article 1193, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 avril 2018, les mots “et 1193ter” sont remplacés par les mots “, 1193ter et 1193quater, § 3”. Art. 50. À l’article 1193bis, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 3, les mots “à laquelle est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un rapport d’expertise. Le projet d’acte” sont remplacés par les mots “. Il y est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire, un rapport d’expertise et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Le rapport d’expertise est établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le projet d’acte”; 2° dans l’alinéa 4, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans l’alinéa 4, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les personnes”. Art. 51. À l’article 1193ter du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 11 juillet 2018 et du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “désigné par le juge-commis- saire” sont remplacés par les mots “désigné par le curateur”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “qu’il a désigné et un certificat” sont remplacés par les mots “désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3552/001 DOC 55 110 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden,” ingevoegd tussen de woor- den “doen overschrijven” en de woorden “en de gefailleerde”; 5° in het tweede lid worden de woorden “en de gefailleerde” vervangen door de woorden “de gefailleerde en desgevallend de andere mede-eigenaars”; 6° in het tweede lid worden de woorden “zoals een mini- mumverkoopprijs” opgeheven. Art. 52. In het deel IV, boek IV, hoofdstuk IV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1193quater ingevoegd, luidende: “Art. 1193quater. § 1. Indien de vereffenaar van een rechts- persoon van de zuivering wenst te genieten overeenkomstig artikel 1326 voor de openbare verkoop of verkoop uit de hand waartoe hij overgaat op basis van de artikelen 2:87, § 3, 2:88, § 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122, § 1, 4° of 5° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen dient hij, voorafgaande- lijk aan deze verkoop, bovendien een machtiging te verkrijgen van de ondernemingsrechtbank. Bij gerechtelijke ontbinding kunnen de machtiging bepaald in de artikelen 2:88 of 2:122 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd gevorderd worden. § 2. Indien de rechtbank machtiging verleent om het onroe- rend goed openbaar te verkopen met zuiverende werking, wijst hij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal geschieden. De vereffenaar en, in voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar het onroerend goed gelegen is, waken, elk voor wat hen betreft, over de bescherming van de betrokken belangen. § 3. De vereffenaar kan bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan de ondernemingsrechtbank de machtiging vragen om uit de hand te verkopen met zuiverende werking. De vereffenaar legt aan de rechtbank een ontwerp van ver- koopakte voor, opgemaakt door een door hem aangewezen notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hierbij voegt hij een schattingsverslag, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpak- te heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën, na de invereffeningstelling opge- steld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende het te verkopen onroerend goed evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden evenals de rechtspersoon in vereffening en desgevallend de mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “de même que le failli”; 5° dans l’alinéa 2, les mots “et, le cas échéant, les autres copropriétaires” sont insérés entre les mots “de même que le failli” et les mots “doivent être appelés”; 6° dans l’alinéa 2, les mots “telle que la fixation d’un prix de vente minimum” sont abrogés. Art. 52. Dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV du même Code, il est inséré un article 1193quater rédigé comme suit: “Art. 1193quater. § 1er. Si le liquidateur d’une personne morale souhaite bénéficier de la purge conformément à l’article 1326 pour la vente à laquelle il procède conformément aux articles 2:87, § 3, 2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121, § 3 ou 2:122, § 1er, 4° ou 5° du Code des sociétés et des associations, il doit en outre obtenir préalablement à la vente publique ou la vente de gré à gré une autorisation du tribunal de l’entreprise. En cas de dissolution judiciaire, l’autorisation prévue par les articles 2:88 ou 2:122 du Code des sociétés et des associa- tions et celle prévue par le présent paragraphe peuvent être demandées simultanément. § 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de vendre l’immeuble publiquement avec bénéfice de la purge, il désigne en même temps un notaire par le ministère duquel la vente publique aura lieu. Le liquidateur ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la situation de l’immeuble veillent, chacun pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause. § 3. Le liquidateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré avec bénéfice de la purge. Le liquidateur soumet au tribunal un projet d’acte de vente, établi par un notaire désigné par le liquidateur, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances, postérieur à l’ouverture de la procédure de liquidation, relatant les inscriptions exis- tantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur l’immeuble qui doit être vendu ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Les créanciers hypothécaires inscrits, créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil de même que la personne morale en liquidation et, le cas échéant, les copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La rétribution due 111 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De verschuldigde retributie geldt als griffiekost. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden. De machtiging om te verkopen met zuiverende werking wordt verleend indien het belang van de te vereffenen boedel zulks vereist. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de verkoop uit de hand het belang van de te vereffenen boedel dient en vermeldt de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure werden opgeroepen. Deze vorm van verkoop kan van de vaststelling van een minimumprijs afhankelijk worden gesteld. De verkoping moet overeenkomstig de door de rechtbank aangenomen ontwerpakte geschieden, door de ambtelijke tussenkomst van de notaris die deze heeft opgesteld. Hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank kan ingesteld worden door de verzoeker of door de tussenkomende schuld- eisers op de wijze bepaald in artikel 1031.” Art. 53. In artikel 1253ter/1 van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “para- graaf 3” vervangen door de woorden “de artikelen 734/1 tot 734/4”; 2° paragraaf 3 wordt opgeheven. Art. 54. In artikel 1253ter/3, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door de woorden “734/1, § 2”. Art. 55. Artikel 1326 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt: “Art. 1326. § 1. De verkopingen van onroerende goederen die geheel toebehoren aan de schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling,, de gefailleerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerech- telijk gezag, de rechtspersoon in vereffening, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij, een onbeheerde nalaten- schap, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boe- delbeschrijving, brengen overwijzing van de prijs met zich mee ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven alsook ten behoeve van de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, op voorwaarde: 1° dat deze schuldeisers in het kader van de gemachtigde of bevolen openbare verkoop werden opgeroepen door de vaut comme frais de greffe. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions. L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la purge est accordée si l’intérêt de la masse à liquider l’exige. L’ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l’intérêt de la masse à liquider et mentionne l’identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d’un prix minimum. La vente doit avoir lieu conformément au projet d’acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l’ordonnance du tribunal, conformément à l’article 1031.” Art. 53. Dans l’article 1253ter/1 du même Code, inséré par la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 15 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “au paragraphe 3” sont remplacés par les mots “aux articles 734/1 à 734/4”; 2° le paragraphe 3 est abrogé. Art. 54. Dans l’article 1253ter/3, § 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”. Art. 55. L’article 1326 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit: “Art. 1326. § 1er. Les ventes d’immeubles qui appartiennent en totalité au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation, à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, à une personne internée par application de la loi sur la défense sociale, à une succession vacante, à une succession acceptée sous béné- fice d’inventaire, emportent délégation du prix au profit des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant des créanciers enregistrés au Registre des gages, au profit des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi qu’au profit des créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, à condition: 1° que ces créanciers aient été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente dans le cadre d’une vente 3552/001 DOC 55 112 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E notaris om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze op- roeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; of 2° dat zij in het kader van de verkoop uit de hand door de griffie tot de machtingsprocedure werden opgeroepen. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ge- machtigde of bevolen verkoop van een onroerend goed op beslag dat geheel of deels toebehoort aan de beslagene, tenzij in geval van toepassing van artikel 1561, in welk geval deze verkoop plaatsvindt in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling overeenkomstig paragraaf 3. § 2. De verkopingen van onverdeelde onroerende goederen deels toebehorend aan de schuldenaar toegelaten tot de col- lectieve schuldenregeling, de gefailleerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij, een onbeheerde nalatenschap of een nalaten- schap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, en aan andere personen, brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure van de verkoop. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, is volgende bijzondere regeling van toepassing: 1° de openbare verkoop brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de notaris werden opgeroepen om de verkoopsver- richtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaar- dersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; 2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuld- eisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machti- gingsprocedure, voor zover de verkopende partij zich vrijwillig onderworpen heeft aan de procedure van machtiging bedoeld in artikel 1193bis. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2 en 3 blijkt dat de overwijzing van de prijs kan worden bekomen in het kader van verschillende procedures, volstaat het dat de schuldeisers publique autorisée ou ordonnée. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de récep- tion au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; ou 2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation dans le cadre d’une vente de gré à gré. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Le présent paragraphe est également applicable à la vente autorisée ou ordonnée sur saisie d’un immeuble qui appartient en totalité ou pour partie au saisi, sauf en cas d’application de l’article 1561, auquel cas la vente intervient dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire conformément au paragraphe 3. § 2. Les ventes d’immeubles indivis qui appartiennent pour partie au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquida- tion qui a obtenu le bénéfice de la purge, à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée inca- pable d’aliéner des immeubles, à une personne internée par application de la loi sur la défense sociale, à une succession vacante, à une succession acceptée sous bénéfice d’inven- taire, et à d’autres personnes, emportent délégation du prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation de la vente. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre d’une liqui- dation-partage judiciaire, les règles spécifiques suivantes sont d’application: 1° la vente publique emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; 2° la vente de gré à gré emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation, pour autant que les parties venderesses se soient volontairement soumises à la procédure d’autorisation visée à l’article 1193bis. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la délégation de prix peut être obtenue dans le cadre de différentes procé- dures, il suffit que les créanciers énumérés au paragraphe 1er 113 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E opgesomd in paragraaf 1 werden opgeroepen bij één van deze procedures om de zuivering te bewerkstelligen. § 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1, van wie de inschrijving, overschrijving, registratie in het Pandregister of kantmelding dateert van na de oproeping voorzien in para- grafen 1 tot en met 3, brengen de verkopingen van onroerende goederen eveneens van rechtswege overwijzing mee van de prijs, zonder dat deze schuldeisers moeten worden opgeroepen. § 6. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder dat de beschikking of het vonnis tot machtiging hieraan toegevoegd dient te worden of overgeschreven moet worden.” Art. 56. In artikel 1389bis/7 van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 29 mei 2000 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2006 en 14 januari 2013, in de Nederlandse tekst, wordt het woord “eensluidend” opgeheven. Art. 57. In artikel 1409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragrafen 1 en 1bis: a) de woorden “35.000 frank” worden telkens vervangen door de woorden “1706 euro”; b) de woorden “32.000 frank” worden telkens vervangen door de woorden “1560 euro”; c) de woorden “29.000 frank” worden telkens vervangen door de woorden “1414 euro”; d) de woorden “27.000 frank” worden telkens vervangen door de woorden “1316 euro”; e) de woorden “50 euro” worden telkens vervangen door de woorden “81 euro”. 2° in paragraaf 2: a) in het eerste lid worden de woorden “en onverminderd de toepassing van paragraaf 3” ingevoegd tussen de woorden “Elk jaar” en de woorden “past de Koning”; b) in het eerste lid worden de woorden “het indexcijfer van de consumptieprijzen” vervangen door de woorden “de afgevlakte gezondheidsindex”; c) in het tweede lid worden de woorden “november 1989” vervangen door de woorden “november 2022”; d) in het tweede lid worden de woorden “dat van de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor overdracht of beslag” vervangen door de woorden “van de maand november 2022”; aient été appelés dans le cadre de l’une de ces procédures pour obtenir la purge. § 5. Les ventes d’immeubles emportent également de plein droit délégation de prix à l’égard des créanciers énumérés au paragraphe 1er dont l’inscription, la transcription, l’enregis- trement au Registre des gages ou la mention en marge sont postérieurs à l’appel prévu aux paragraphes 1er à 3, sans que ces créanciers doivent être appelés. § 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans qu’il soit besoin d’y annexer et de transcrire l’ordonnance ou le jugement d’autorisation.” Art. 56. Dans l’article 1389bis/7 du même Code, inséré par la loi du 29 mai 2000 et modifié par les lois du 27 mars 2006 et du 14 janvier 2013, dans le texte néerlandais, le mot “eensluidend” est abrogé. Art. 57. À l’article 1409 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans les paragraphes 1er et 1erbis: a) les mots “35.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1706 euros”; b) les mots “32.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1560 euros”; c) les mots “29.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1414 euros”; d) les mots “27.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1316 euros”; e) les mots “50 euros” sont chaque fois remplacés par les mots “81 euros”. 2° dans le paragraphe 2: a) dans l’alinéa 1er, les mots “et sans préjudice de l’appli- cation du paragraphe 3,” sont insérés entre les mots “Chaque année,” et les mots “le Roi”; b) dans l’alinéa 1er, les mots “des prix à la consommation” sont remplacés par les mots “santé lissé”; c) dans l’alinéa 2, les mots “de novembre 1989” sont rem- placés par les mots “de novembre 2022”; d) dans l’alinéa 2, les mots “de la publication au Moniteur belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire, en vue d’adapter la quotité non cessible ou non saisissable de la rémunération” sont remplacés par les mots “de novembre 2022”; 3552/001 DOC 55 114 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E e) in het vierde lid worden de woorden “artikel 2, § 1, 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het ho- gere duizendtal” vervangen door de woorden “artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere honderdtal”; f) in het vijfde lid worden de woorden “Binnen de eerste vijftien dagen van de maand” vervangen door de woorden “Voor 31”; 3° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende: “§ 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid bedoelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 % bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing. De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.”; 4° in paragraaf 3: a) in het eerste lid worden de woorden “na advies van de Nationale Arbeidsraad” vervangen door de woorden “bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit”; b) het tweede lid wordt vervangen door twee leden, luidende: “De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning be- paalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding ervan. Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, verricht de Koning de in het tweede lid of in dit lid bedoelde aanpas- sing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van het tweede lid, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun aanpassing.” Art. 58. Artikel 1561, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de volgende zin: “In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en volgende van toepassing.” Art. 59. In artikel 1580bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: e) dans l’alinéa 4, les mots “l’article 2, § 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d’existence, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au millier supérieur” sont remplacés par les mots “l’article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au centième supérieur”; f) dans l’alinéa 5, les mots “Dans les quinze premiers jours du mois de” sont remplacés par les mots “Avant le 31”; 3° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit: “§ 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation prévue au paragraphe 2 si en cours d’année l’augmentation ou la diminution de l’indice dépasse 5 % par rapport à la dernière adaptation. Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui suit l’augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur publication au Moniteur belge.”; 4° dans le paragraphe 3: a) dans l’alinéa 1er, les mots “après avis du Conseil national du travail” sont remplacés par les mots “par arrêté délibéré en Conseil des ministres”; b) l’alinéa 2 est remplacé par deux alinéas rédigés comme suit: “Les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois suivant leur publication au Moniteur belge. Ils cessent d’être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31 décembre de l’année de leur entrée en vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée en vigueur. Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur, le Roi procède à l’adaptation prévue au paragraphe 2 ou au présent paragraphe. Si l’adaptation a lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte l’indice du mois qui précède l’adaptation; les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur adaptation.” Art. 58. L’article 1561, alinéa 1er, du même Code, est com- plété par la phrase suivante: “Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants sont d’application.” Art. 59. À l’article 1580bis, alinéa 3, du même Code, rem- placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 115 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de inge- schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krach- tens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de beslagene”. Art. 60. In artikel 1580ter van hetzelfde Wetboek, vervan- gen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt door een deskundige aangewezen door de notaris die de ont- werpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister.”; 2° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen” vervangen door de woorden “schuld- eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desge- vallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 3° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de beslagene”. Art. 61. In artikel 1582, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de inge- schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krach- tens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “en de schuldenaar”. Art. 62. In artikel 1639, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “in het kader van een insolventieprocedure of in het kader van de vereffening van een onbeheerde of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap” worden vervangen door de woorden “van het onroerend goed toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve 1° les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 2° les mots “ou ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, le saisi et,”. Art. 60. À l’article 1580ter du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages.”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, ainsi que le saisi”. Art. 61. À l’article 1582, alinéa 3, du même Code, rem- placé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 2° les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”. Art. 62. À l’article 1639, alinéa 2, du même Code, rem- placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “intervenant dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une” sont remplacés par les mots “de l’immeuble appartenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité 3552/001 DOC 55 116 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in ge- rechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap”; 2° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de bijzonder bevoor- rechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 3° de zin “De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen.” wordt ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin. Art. 63. In het deel V, titel III, hoofdstuk VIII van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1639/1 ingevoegd, luidende: “Art. 1639/1. Indien één van de verkopingen vermeld in arti- kel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft, moet er per mede-eigenaar een rangregeling worden opgemaakt als volgt: 1° een volledige rangregeling voor het aandeel toebeho- rend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen te vervreemden, aan een persoon die geïnterneerd is ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij of aan de partijen in een gerechtelijke vereffening-verdeling; 2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in artikel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefail- leerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; 3° een semi verkorte rangregeling voor het aandeel toebe- horend aan de mede-eigenaar die niet vermeld wordt onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoor- rechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, evenals tot betaling van de sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen. De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge ou une”; 2° les mots “et privilégiés spéciaux” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages”; 3° la phrase “Les fonds revenant au créancier ayant fait men- tion en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.” est insérée entre la première et la deuxième phrase. Art. 63. Dans la cinquième partie, titre III, chapitre VIII du même Code, il est inséré un article 1639/1 rédigé comme suit: “Art. 1639/1. Si l’une des ventes mentionnées à l’article 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit être établi en procédant comme suit: 1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, une personne internée par application de la loi sur la défense sociale ou aux parties dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire; 2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une suc- cession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire; 3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copro- priétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créan- ciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu’au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties. La créance qui peut être récupérée à l’encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d’entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l’hypothèque. 117 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede- eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, worden eerst de gemeenschappelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rang- regeling. Nadat vervolgens het netto-aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch geheel van goederen reeds was ontbonden, kan deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwik- keling van deze mede-eigendom.” Art. 64. In artikel 1653, derde lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden “die ten laste van de beslagene op het toegewezen goed bestaan, ambtshalve doorgehaald” ver- vangen door de woorden “ten laste van de eigenaar of van alle mede-eigenaars op het verkochte goed ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat even- eens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit getuigschrift.” Art. 65. In artikel 1675/4, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 14 oktober 2018, worden de woorden “zijn rijksregister- nummer en” opgeheven. Art. 66. In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “, bevoor- rechte schuldeisers en beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregis- treerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”; 2° in paragraaf 2, vijfde lid, in de Nederlandse tekst, wordt het woord “zekerheid” vervangen door het woord “zeker”. Art. 67. In de Nederlandse tekst van artikel 1675/9, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en vervangen bij de wet van 26 maart 2013, wordt het woord “tenministe” vervangen door het woord “tenminste”. Art. 68. In artikel 1675/10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2/1 wordt het woord “geachtualiseerde” vervangen door het woord “geactualiseerde”; 2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “of wet- telijk samenwonende” ingevoegd tussen de woorden “diens echtgenoot” en de woorden “, en de schuldeisers”. Si l’immeuble fait partie d’une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l’ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l’ordre tel que prévu à l’alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l’ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu’après le règlement complet de cette copropriété.” Art. 64. Dans l’article 1653, alinéa 3, du même Code, les mots “à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office” sont remplacés par les mots “à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d’office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l’article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet éga- lement la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l’article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention marginale est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.” Art. 65. Dans l’article 1675/4, § 2, 2°, du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 14 octobre 2018, les mots “son numéro de registre national et” sont abrogés. Art. 66. À l’article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “, privilégiés inscrits et le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, dans le texte néerlandais, le mot “zekerheid” est remplacé par le mot “zeker”. Art. 67. Dans le texte néerlandais de l’article 1675/9, § 4, du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1995 et remplacé par la loi du 26 mars 2013, le mot “tenministe” est remplacé par le mot “tenminste”. Art. 68. À l’article 1675/10 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2/1, dans le texte néerlandais, le mot “geachtualiseerde” est remplacé par le mot “geactualiseerde”; 2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “ou son coha- bitant légal” sont insérés entre les mots “son conjoint” et les mots “, et aux créanciers”. 3552/001 DOC 55 118 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 69. In artikel 1675/12, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2005, worden de woorden “en zijn gezin” ingevoegd tussen de woorden “van de schuldenaar” en de woorden “te verzekeren”. Art. 70. In artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woor- den “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de andere”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, ten minste”. Art. 71. In artikel 1675/21 van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord “aangestelde” telkens vervangen door het woord “functionaris”. Art. 72. Artikel 1675/27 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 mei 2018, wordt vervangen als volgt: “Art. 1675/27. § 1. De oprichtingskosten van het register worden gefinancierd door de Federale Overheidsdienst Justitie. De Koning bepaalt het bedrag, de toekenningsvoorwaarden, de betalingsmodaliteiten en het beheer van en de controle op de toelagen voor de oprichting van het register. § 2. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieu- wing en de verwijdering van gegevens in het register alsook het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling kunnen aanleiding geven tot de inning van een jaarlijkse re- tributie teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden door het beheer van het register. Deze retributie mag in geen geval door de schuldenaar worden gedragen. De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door de beheerder. Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van de inning van de retributie worden door de Koning na advies van de beheerder bepaald. De beheerder brengt elk jaar voor einde mei verslag uit aan de ministers bevoegd voor Justitie en voor Economie met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het register. Art. 69. À l’article 1675/12, § 2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 13 dé- cembre 2005, la deuxième phrase est complétée par les mots “et de sa famille”. Art. 70. À l’article 1675/14bis, § 2, du même Code, rem- placé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages”; 2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les autres copropriétaires”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “doivent être appelés”. Art. 71. À l’article 1675/21 du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, le mot “préposé” est chaque fois remplacé par le mot “délégué”. Art. 72. L’article 1675/27 du même Code, inséré par la loi du 25 mai 2018, est remplacé par ce qui suit: “Art. 1675/27. § 1er. Les frais de mise en place du registre sont financés par le Service public fédéral Justice. Le Roi détermine le montant, les conditions d’octroi, les modalités de paiement, la gestion et le contrôle des subventions relatives à la mise en place du registre. § 2. L’enregistrement, la consultation, la modification, le renouvellement et la suppression des données dans le registre ainsi que la gestion d’un dossier de règlement collectif de dettes peuvent donner lieu à la perception d’une redevance annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée par le débiteur. Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues par ce dernier. Le montant, les conditions et les modalités de perception de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du gestionnaire. Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux ministres ayant la Justice et l’Économie dans leurs attributions en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre. 119 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2 wordt op de eerste januari van ieder jaar aan de hand van de volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer. Het beginindexcijfer is dat van de maand december van het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand de- cember van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk de aanpassing gebeurt. Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.” Hoofdstuk 4 - Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 73. Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische na- tionaliteit, gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit.” Art. 74. In artikel 23, § 5, van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt: “Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.” Hoofdstuk 5 - Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Art. 75. In artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verze- kerde, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2005 wordt een bepaling onder h) ingevoegd, luidende: “h) de uitkeringen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betref- fende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme;” Hoofdstuk 6 - Wijzigingen van het Wetboek van eco- nomisch recht Art. 76. In artikel XX.44, § 3, tweede lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de § 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2 est adapté de plein droit à l’évolution de l’indice des prix à la consommation, le premier janvier de chaque année, selon la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l’indice de départ. L’indice de départ est celui du mois de décembre de l’année au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de l’année qui précède le premier janvier de l’année au cours de laquelle l’adaptation a lieu. Le résultat est arrondi à l’unité supérieure.” Chapitre 4 - Modifications du Code de la nationalité belge Art. 73. L’article 9 du Code de la nationalité belge, modi- fié par la loi du 18 juin 2018, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit: “§ 2. En cas de révision de l’adoption, telle que prévue à l’article 351 de l’ancien Code civil, ou de révocation de l’adop- tion, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil, l’adopté conserve la nationalité belge.” Art. 74. Dans l’article 23, § 5, du même Code, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée dans le délai prévu, en matière civile, à l’article 1048 du Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances judiciaires, conformément à l’article 50, alinéa 2 du Code judiciaire.” Chapitre 5 - Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Art. 75. Dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social, modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2005 il est inséré un h) rédigé comme suit: “h) les prestations visées dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme;” Chapitre 6 - Modifications du Code de droit économique Art. 76. Dans l’article XX.44, § 3, alinéa 2, 1°, du Code de droit économique, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant 3552/001 DOC 55 120 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslag- leggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”. Art. 77. In artikel XX.51, § 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en ge- wijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldenaar” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslag- leggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden en de schuldenaar.” Art. 78. In artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van 15 april 2018 en 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “, op- gemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld,” ingevoegd tussen de woorden “een schattingsverslag” en de woorden “evenals een getuigschrift”; 2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers, evenals zij” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuld- eisers, de schuldeisers”; 3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, moeten ten minste”; 4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 5° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de schuldenaar”; 6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, evenals de schuldenaar”. et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”. Art. 77. Dans l’article XX.51, § 3, alinéa 2, 1°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créancier saisis- sant et le débiteur” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil et le débiteur.” Art. 78. À l’article XX.88 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 15 avril 2018 et du 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “, établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte,” sont insérés entre les mots “un rapport d’expertise” et les mots “ainsi qu’un certificat”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, doivent être appelés”; 4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages”; 5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”; 6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 7° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”. 121 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 79. In artikel XX.120, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en ge- wijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden “hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregis- treerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”. Art. 80. In artikel XX.193, § 2, van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de gefailleerde”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, evenals de gefailleerde”. Hoofdstuk 7 - Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand Art. 81. Artikel 5, § 2, van de wet 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde bijdrage wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij treedt in werking op de eerste werkdag van de tweede maand na de in het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van de consumptieprijzen.” Hoofdstuk 8 - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Art. 82. In de Nederlandse tekst van artikel 1.8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2022, wordt het woord “heeft” ingevoegd tussen de woorden “hoeven te zijn, ertoe” en de woorden “bijgedragen de schijn”. Art. 79. À l’article XX.120, § 1er, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”. Art. 80. À l’article XX.193, § 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”. Chapitre 7 - Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne Art. 81. L’article 5, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne, est complété par l’alinéa suivant: “Le nouveau montant de la contribution visée au para- graphe 1er est publié par avis au Moniteur belge. Il entre en vigueur le 1er jour ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er.” Chapitre 8 - Modification du Code civil Art. 82. Dans le texte néerlandais de l’article 1.8, § 5, du Code civil, inséré par la loi du 28 avril 2022, le mot “heeft” est inséré entre les mots “hoeven te zijn, ertoe” et les mots “bijgedragen de schijn”. 3552/001 DOC 55 122 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hoofdstuk 9 - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Art. 83. In artikel 32, 1°, van de wet van 5 mei 2019 hou- dende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemings- zaken en inzake de notariële aktebank worden de woorden “middels het centraal register collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20” opgeheven. Art. 84. In dezelfde wet wordt een artikel 32/1 ingevoegd, luidende: “Art. 32/1. In artikel 1390quater, § 1, tweede lid, van het- zelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden de woorden “middels het centraal register collectieve schul- denregeling bedoeld in artikel 1675/20” ingevoegd tussen de woorden “de griffier” en de woorden “aan het bestand”.” Art. 85. In artikel 36, 2°, van dezelfde wet worden de woorden “de rechtbanken” vervangen door de woorden “van de rechtbanken en van de hoven”. Art. 86. In de Nederlandse tekst van artikel 37, 1°, van dezelfde wet wordt het woord “mee” ingevoegd tussen de woorden “de schrapping” en de woorden “van de vorderingen”. Art. 87. In de Nederlandse tekst van artikel 39 van dezelfde wet worden de woorden “na de uitspraak” ingevoegd tussen de woorden “binnen de drie dagen” en de woorden “kennis van”. Art. 88. In artikel 40 van dezelfde wet, in artikel 1675/9 van het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt: “a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “§ 1. Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking van toelaatbaarheid moet de griffier deze ter kennis brengen van: 1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samen- wonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman; 2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7 en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van schuldvordering; 3° de schuldbemiddelaar; 4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker Chapitre 9 - Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Art. 83. À l’article 32, 1°, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relative- ment à la banque des actes notariés, les mots “, au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l’article 1675/20” sont abrogés. Art. 84. Dans la même loi, il est inséré un article 32/1 rédigé comme suit: “Art. 32/1. Dans l’article 1390quater, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, la phrase est complétée par les mots “, au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l’article 1675/20”.” Art. 85. À l’article 36, 2°, de la même loi, les mots “des juridictions” sont remplacés par les mots “des tribunaux et des cours”. Art. 86. À l’article 37, 1°, de la même loi, dans le texte néer- landais, le mot “mee” est inséré entre les mots “de schrapping” et les mots “van de vorderingen”. Art. 87. À l’article 39 de la même loi, dans le texte néerlan- dais, les mots “na de uitspraak” sont insérés entre les mots “binnen de drie dagen” et les mots “kennis van”. Art. 88. À l’article 40 de la même loi, à l’article 1675/9 du Code judiciaire les modifications suivantes sont apportées: 1° le a) est remplacé par ce qui suit: “a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. Dans les cinq jours du prononcé de la décision d’admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier: 1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l’article 1675/7, et le cas échéant, à son conseil; 2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du présent article ainsi que le texte de l’article 1675/7 et, le cas échéant, un formulaire de déclaration de créance; 3° au médiateur de dettes; 4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l’ar- ticle 1675/7, et en les informant que dès la réception de la décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes 123 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening, de verrichtingen erop en het saldo ervan. De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van artikel 1675/15bis, § 1, mee.”; 2° de bepaling onder b) wordt opgeheven; 3° het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder e), luidende: “e) in de Nederlandse tekst van paragraaf 4 worden de woorden “1409 et 1412” vervangen door de woorden “1409 tot 1412”.” Art. 89. In artikel 45 van dezelfde wet, in artikel 1675/15bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende wij- zigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden “rechtbank, met inbegrip van de griffie” vervangen door de woorden “rechtbank of het hof, met inbegrip van hun griffies”; 2° in het tweede lid, worden de woorden “schuldbemiddelaar de eerste mededeling” vervangen door de woorden “griffier de eerste kennisgeving”, worden de woorden “schuldbemiddelaar over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4” vervangen door de woorden “griffier over tot de kennisgeving overeenkomstig artikel 1675/16, § 2, 1°” en wordt het woord “drie” vervangen door het woord “vijf”. Art. 90. In artikel 46 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de bepaling onder b) wordt het woord “De” vervangen door de woorden “de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld in artikel 1675/9, § 1, 1°, 2° en 4°, en de”; 2° in de bepaling onder e) worden de woorden “in arti- kel 1675/9, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 3,” opgeheven, worden de woorden “16bis” in de Nederlandse tekst vervangen door de woorden “1675/16bis” en worden de woorden “een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs” vervangen door de woorden “aangetekende zending”; 3° in de bepaling onder f) worden de woorden “en § 3” ingevoegd tussen de woorden “artikel 1675/9, § 2” en de woorden “, gebeuren hetzij”. Art. 91. Artikel 52 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt: “§ 1. Met uitzondering van de kennisgevingen, mededelin- gen en neerleggingen die overeenkomstig artikel 1675/15bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek middels het register ge- beuren, alsook de wijzigingen aangebracht in artikel 1675/16 en artikel 1675/16bis van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de wijzigingen aangebracht bij deze titel slechts van toepassing met le requérant en mesure d’être informé continuellement relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce compte et au solde de ce compte. Le greffe communique les modalités d’inscription dans le registre visé à l’article 1675/20 ainsi que le texte de l’ar- ticle 1675/15bis, § 1er.”; 2° le b) est abrogé; 3° l’article est complété par le e), rédigé comme suit: “e) dans le paragraphe 4, dans le texte néerlandais, les mots “1409 et 1412” sont remplacés par les mots “1409 tot 1412”.” Art. 89. À l’article 45 de la même loi, dans l’article 1675/15bis, § 1er, du Code judiciaire, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “tribunal, en ce compris le greffe” sont remplacés par les mots “tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “médiateur de dettes effectue la première communication” sont remplacés par les mots “greffier effectue la première notification”, les mots “média- teur de dettes procède à la communication conformément à l’article 1675/16, § 4” sont remplacés par les mots “greffier procède à la notification conformément à l’article 1675/16, § 2, 1°” et le mot “trois” est remplacé par le mot “cinq”. Art. 90. Dans l’article 46 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le b), les mots “la décision d’admissibilité visée à l’article 1675/9, § 1er, 1°, 2° et 4°, et” sont insérés entre les mots “1°” et les mots “la décision”; 2° dans le e), les mots “à l’article 1675/9, § 1erbis, 1°, 2° et 4° et § 3,” sont abrogés, les mots “16bis” sont remplacés, dans le texte néerlandais, par les mots “1675/16bis” et les mots “lettre recommandée, avec accusé de réception” sont remplacés par les mots “envoi recommandé”; 3° dans le f), les mots “et § 3” sont insérés entre les mots “article 1675/9, § 2” et les mots “, ont lieu”. Art. 91. L’article 52 de la même loi est remplacé par ce qui suit: “§ 1er. À l’exception des notifications, communications et dépôts qui s’effectuent au moyen du registre, conformément à l’article 1675/15bis, § 1er, du Code judiciaire, ainsi que des modifications apportées dans les articles 1675/16 et 1675/16bis du Code judiciaire, les modifications apportées par le présent titre ne s’appliquent qu’aux procédures de règlement collectif 3552/001 DOC 55 124 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E op de procedures van collectieve schuldenregeling waarvan de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken na de inwerkingtreding van deze titel. In afwijking van het eerste lid, zullen de papieren stukken uitgaande van de categorieën van personen bedoeld in arti- kel 1675/15bis, § 1, 6° tot 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, die op andere wijzen worden meegedeeld of neergelegd dan via het register, gedurende zes maanden na de inwerkingtre- ding van deze titel worden omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 van het Gerechtelijk Wetboek. § 2. Voor de procedures van collectieve schuldenregeling waarvoor de beschikking van toelaatbaarheid reeds was uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze titel, wordt de eerste kennisgeving door de griffier in artikel 1675/15bis, § 1, tweede lid, begrepen als de eerste mededeling door de schuldbemiddelaar en dient deze mededeling bij gebrek aan bevestiging van inschrijving binnen drie werkdagen te gebeuren overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.” Art. 92. In dezelfde wet wordt een artikel 53/1 ingevoegd, luidende: “In afwijking op artikel 53, treedt artikel 32/1 in werking op de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari 2025.” Hoofdstuk 10 - Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Art. 93. In artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissin- gen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen worden de woorden “hoofdstuk 2 en de artikelen 9, 10, 13 en 18” vervangen door de woorden “titel II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19”. Hoofdstuk 11 - Wijziging van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de no- tarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen Art. 94. In artikel 83 van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge- rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen, in artikel 535, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden “de kamer van notarissen, het auditoraat bij de Nationale Kamer van notarissen” vervangen door de woorden “het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders”. de dettes dont la décision d’admissibilité est prononcée après l’entrée en vigueur du présent titre. Par dérogation à l’alinéa 1er, les pièces papier émises par les catégories des personnes visées à l’article 1675/15bis, § 1er, 6° à 8°, du Code judiciaire, qui sont communiquées ou déposées par d’autres voies que le registre, sont, durant six mois après l’entrée en vigueur du présent titre, converties sous format électronique, déclarées conformes et chargées dans le registre visé à l’article 1675/20 du Code judiciaire. § 2. Pour les procédures de règlement collectif de dettes pour lesquels la décision d’admissibilité avait déjà été prononcée avant l’entrée en vigueur du présent titre, la première notifi- cation par le greffier dans l’article 1675/15bis, § 1er, alinéa 2, est comprise comme étant la première communication par le médiateur de dettes, et en l’absence d’une confirmation de l’inscription dans les trois jours ouvrables, cette communication doit avoir lieu conformément à l’article 1675/16, § 4.” Art. 92. Dans la même loi, il est inséré un article 53/1 rédigé comme suit: “Par dérogation à l’article 53, l’article 32/1 entre en vigueur à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2025.” Chapitre 10 - Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des juge- ments et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Art. 93. Dans l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés, les mots “chapitre 2 et des articles 9, 10, 13 et 18” sont remplacés par les mots “titre II, chapitre 1er et les articles 9, 10, 13 et 19”. Chapitre 11 - Modification de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de dis- cipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Art. 94. Dans l’article 83 de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant orga- nisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses, à l’article 535, alinéa 6, du Code judiciaire, les mots “la chambre des notaires, à l’auditorat de la Chambre nationale des notaires” sont remplacés par les mots “l’auditorat de la Chambre nationale des huissiers de justice”. 125 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 95. In de Nederlandse tekst van artikel 103 van dezelfde wet, in artikel 555/5bis, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders” vervangen door de woorden “van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”. Hoofdstuk 12 - Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Art. 96. In de Franse tekst van artikel 7, eerste lid, van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samen- werking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitenge- rechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, worden de woorden “les juges belges peuvent” vervangen door de woorden “la juridiction peut”. Hoofdstuk 13 - Overgangsbepalingen Art. 97. De artikelen 43 tot 52, 55, 58 tot 64, 66, 70 en 76 tot 80 zijn enkel van toepassing op de verkoopprocedures waarbij het verzoek tot machtiging, die aanleiding geeft tot de zuiverende verkoop, wordt neergelegd vanaf de inwerkingtre- ding van voornoemde artikelen of waarbij de oproeping van de schuldeisers om de verkoopsverrichtingen te volgen, die aanleiding geeft tot de zuiverende verkoop, plaatsvindt vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Art. 98. Magistraten die bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in een kamer van minnelijke schikking zijn vrijgesteld van de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding. Art. 99. Onverminderd de reeds bestaande kamers voor minnelijke schikking, is de oprichting van nieuwe kamers voor minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken opgesplitst in kamers facultatief tot 1 september 2025. Hoofdstuk 14 - Inwerkingtreding Art. 100. De artikelen 2 tot 12 treden in werking op de eerste dag van de derde maand na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. Art. 101. De artikelen 24 tot 26 treden in werking op 1 sep- tember 2023. Art. 95. Dans le texte néerlandais de l’article 103 de la même loi, à l’article 555/5bis, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, les mots “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notaris- sen en gerechtsdeurwaarders” sont remplacés par les mots “van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”. Chapitre 12 - Modification de la loi du 14 mars 2023 met- tant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 no- vembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extraju- diciaires en matière civile ou commerciale Art. 96. Dans l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signi- fication et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale, les mots “les juges belges peuvent” sont remplacés par les mots “la juridiction peut”. Chapitre 13 - Dispositions transitoires Art. 97. Les articles 43 à 52, 55, 58 à 64, 66, 70 et 76 à 80 s’appliquent uniquement aux procédures de vente dans le cadre desquelles la requête en autorisation qui donne lieu à la vente purgeante est déposée à partir de l’entrée en vigueur des articles précités ou l’appel des créanciers à suivre les opérations de vente, qui donne lieu à la vente purgeante, est effectué à partir de l’entrée en vigueur de cette loi. Art. 98. Les magistrats qui siègent dans une chambre de règlement à l’amiable au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi sont dispensés de suivre la formation organisée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou une formation équivalente. Art. 99. Sans préjudice des chambres de règlement à l’amiable déjà existantes, la création de nouvelles chambres de règlement à l’amiable au sein des cours et tribunaux répartis en division est facultative jusqu’au 1er septembre 2025. Chapitre 14 - Entrée en vigueur Art. 100. Les articles 2 à 12 entrent en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge. Art. 101. Les articles 24 à 26 entrent en vigueur le 1er sep- tembre 2023. 3552/001 DOC 55 126 1 / 9 Analyse d'impact de la réglementation RiA-AiR :: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be :: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be :: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be Fiche signalétique Auteur .a. Membre du Gouvernement compétent Ministre de la Justice Contact cellule stratégique (nom, email, tél.) Biagio Zammitto, biagio@teamjustitie.be, +32 498 81 37 35 Administration compétente SPF Justice Contact administration (nom, email, tél.) Caroline Kinard, caroline.kinard@just.fgov.be, 02 542 67 53 Projet .b. Titre du projet de réglementation Avant-projet de loi portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire Description succincte du projet de réglementation en mentionnant l'origine réglementaire (traités, directive, accord de coopération, actualité, …), les objectifs poursuivis et la mise en œuvre. Cet avant-projet de loi vise à prendre un certain nombre de mesures diverses en matière de droit civil et de droit judiciaire et à apporter des modifications dans diverses lois qui relèvent de la compétence du département de la Justice : (1) Les dispositions relatives au nom (articles 2 à 12) sont liées aux différents arrêts récents de la Cour constitutionnelle et à certaines difficultés rencontrées par les officiers de l’état civil. Le projet prévoit en son article 13 un mécanisme de consentement de remplacement pour une conversion en adoption plénière en raison d’un arrêt récent de la Cour constitutionnelle. L’article 14 clarifie les compétences de l’administrateur de la personne protégée prolongées après le décès de la personne concernée qui étaient sujettes à des interprétations diverses. (2) L’article 23 du Code judiciaire est modifié afin de codifier le principe d’« extension de l’effet positif de la chose jugée » au profit du tiers à une décision de justice contre une partie à cette décision. (3) Les modifications du Code judiciaire concernant les chambres de règlement à l’amiable prévoient la possibilité de créer de telles chambres auprès de toutes les juridictions civiles et commerciales sur le modèle des chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la famille instauré en 2014. (4) Les modifications du Code judiciaire relatives à l’aide juridique de deuxième ligne visent à optimaliser le fonctionnement du contrôle interne de qualité effectué sur les prestations accomplies par les avocats et à modifier la règle concernant le calcul des coûts liés à l'organisation des bureaux d’aide juridique sur la base des besoins réels. (5) La modification apportée à l’article 1409 du Code judiciaire vise à permettre une adaptation plus souple des montants insaisissables afin de mieux faire face aux périodes de crises susceptibles d’impacter les revenus des ménages belges. (6) Afin de résoudre certains problèmes pratiques liés à la purge d’immeubles, le projet modifie plusieurs articles du Code judiciaire et du Code de droit économique. (7) Dans le cadre de la procédure de règlement collectif des dettes, l'optimisation de la procédure permet de réaliser des gains d'efficacité supplémentaires. La réglementation détaillée du régime transitoire permet d'ores et déjà l'utilisation du registre dans les procédures en cours. La tierce opposition contre la décision d’admissibilité est garantie et une base légale est créée pour la perception d'une redevance destinée à couvrir les frais de gestion du registre. (8) La modification C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 127 3552/001 DOC 55 2 / 9 de l’article 780/1 du Code judiciaire précise que la fiche informative peut être ajoutée à la copie certifiée conforme du jugement. (9) Le projet insère un article 1094/2 dans la Code judiciaire pour réparer la violation constatée par la Cour européenne des droits de l’Homme dans l’arrêt du 16 février 2021 ‘Vermeersch c/ la Belgique'. La Cour a constaté une violation de l’article 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales déduite de l’existence dans les dispositions du Code judiciaire réglant le pourvoi en cassation d’une lacune que, dans la cause déférée par le requérant à la Cour de cassation, celle-ci n’a pas comblée. Cette lacune vise l’impossibilité pour le demandeur d’invoquer un moyen nouveau fondé sur une loi nouvelle, entrée en vigueur après l’expiration des délais applicables aux actes de procédure, mais qui serait rétroactivement applicable au pourvoi en cours. (10) Dans le cadre de la communication des données anonymes du Fichier des avis de saisies, le projet modifie l’article 1389bis/7 pour se conformer à ce qui est réaliste en l’espèce. (11)  L’article 9 du Code de la nationalité est modifié pour faire suite à la résolution de la Chambre des Représentants du 9 juin 2022 visant à reconnaître la survenance de cas d’adoptions illégales en Belgique, à reconnaître les personnes concernées comme des victimes et à entamer une enquête administrative sur le sujet. L’article 23, § 5, du Code de la nationalité est modifié pour répondre à l’arrêt de la Cour Constitutionnelle n°13/2023 du 26 janvier 2023. (12) Le projet insère dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer « la charte » de l’assuré social, un h) reprenant mention explicite de la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme. (13) Le projet modifie l’article 1.8 du Code civil pour corriger une erreur rédactionnelle. (14) Le projet modifie l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l'ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d'assises relative à la récusation des jurés pour corriger une erreur d’ordre technique et corriger la référence croisée concernant l’obligation de conservation des jugements pseudonymisés visés dans cette disposition afin de la rendre conforme à l’article 22, alinéa 2, de la même loi. (15) Le projet modifie la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses pour corriger des erreurs rédactionnelles. (16) Le projet modifie la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les Etats membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale pour corriger une erreur technique, qui vise la rectification d’une incohérence entre le texte néerlandais et français de l’article 7 de la loi du 14 mars 2023. (17) Le projet modifie la loi du 19 mars 2017 pour donner un peu plus de temps au service ICT pour adapter toutes les applications informatiques lorsque le montant de la contribution au fonds d’aide juridique est modifié à la suite d’une indexation prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne. Analyses d'impact déjà réalisées ☐ Oui ☒ Non Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du document : _ _ Consultations sur le projet de réglementation .c. Consultations obligatoires, facultatives ou informelles : Inspecteur des Finances, associations des officiers de l’état civil (Burgerzaken VL, GAPEC et GTI-19), Professeurs du droit de famille (tous), Ordres des avocats, Collège des cours et tribunaux, Gemme Belgique, SPF Sécurité sociale, Professeurs J.F. van Drooghenbroeck et B. Allemeersch, CEPANI et groupe de pilotage JustRestart. Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 128 3 / 9 Statistiques, documents de référence, organisations et personnes de référence : _ _ Date de finalisation de l’analyse d’impact .e. 04/04/2023 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 129 3552/001 DOC 55 4 / 9 Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ? > Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes. Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème. S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs. Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées. Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question. Lutte contre la pauvreté .1. Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact La modification apportée à l’article 1409 du Code judiciaire vise à permettre une adaptation plus souple des montants insaisissables afin de mieux faire face aux périodes de crises susceptibles d’impacter les revenus des ménages belges. Les modifications proposées concernant la procédure de règlement collectif de dettes visent à nouveau une optimalisation de la procédure et un gain de temps important grâce à la numérisation. Des gains d’efficacité sont réalisés dans des dossiers individuels, lesquels ont également un impact sur la gestion et le déroulement de la procédure de l’ensemble des dossiers. La réalité du fossé numérique ne peut toutefois pas être ignorée ; de ce fait, le débiteur/demandeur peut toujours continuer à utiliser la procédure traditionnelle. Ce n’est qu'au niveau professionnel que l’utilisation du registre est obligatoire dans toutes les phases de la procédure. Égalité des chances et cohésion sociale .2. Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu, effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes handicapées et les minorités). ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Égalité entre les femmes et les hommes .3. Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité, éducation/savoir/formation, mobilité, temps, loisirs, etc. Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques. 1. Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de ce(s) groupe(s) de personnes ? Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi. Les règles du projet de loi relatives au nom, au consentement à l’adoption et à la prolongation des missions de l’administrateur après le décès de la personne protégée ne font pas de distinction entre les genres. Les dispositions du projet de loi relatives à la nationalité ne font pas de distinction entre les genres. Les dispositions du projet relatives à la procédure de règlement collectif des dettes couvrent toutes les personnes impliquées dans la procédure de règlement collectif des dettes, depuis les débiteurs particuliers jusqu'aux acteurs et créanciers professionnels. Il n'y a pas de distinction de genre. ↓ Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière relative au projet de réglementation. _ _ ↓ S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 130 5 / 9 3. Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez _ _ 4. Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur l’égalité des femmes et les hommes ? _ _ ↓ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ Santé .4. Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques (maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique, alimentation, pollution), qualité de la vie. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact Les dispositions du projet de procédure de règlement collectif des dettes visent à optimiser la procédure et donc optimiser l'un des objectifs fondamentaux du règlement collectif des dettes, qui est de rétablir la situation financière du débiteur tout en lui garantissant, ainsi qu'à sa famille, une vie conforme à la dignité humaine. Emploi .5. Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail, bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable, possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact L'accès au marché du travail sera également facilité si une procédure de règlement collectif des dettes est menée à bien. Pendant la procédure, le débiteur sera également encouragé à chercher et à conserver un emploi convenable. Modes de consommation et production .6. Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact Une gestion plus efficace du règlement collectif de dettes est censée avoir une influence positive sur les chances de réussite de la procédure. Une conclusion réussie de la procédure et le maintien d’une vie conforme à la dignité humaine du demandeur et de sa famille durant la procédure influencent positivement les modes de consommation des intéressés. Développement économique .7. Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de compétitivité, accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières internationales, balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques, minérales et organiques. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Investissements .8. Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement) et humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 131 3552/001 DOC 55 6 / 9 ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Recherche et développement .9. Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ PME .10. Impact sur le développement des PME. 1. Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ? Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10 travailleurs). Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi. _ _ ↓ Si des PME sont concernées, répondez à la question 2. 2. Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME. N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11 _ _ ↓ S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5. 3. Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] > expliquez _ _ 4. Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez _ _ 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ Charges administratives .11. Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un droit, d’une interdiction ou d’une obligation. ↓ Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes. 1. Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation. S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi. a. Les changements de nom en cas de changement d’un lien de filiation d’un enfant sont actés tantôt par l’officier de l’état civil, tantôt par le tribunal de la famille. Ce système comporte des lacunes lorsque le tribunal qui doit acter le nom dans son jugement ne le fait pas, lorsque l’enfant majeur est reconnu postnatalement ou lorsque l’enfant dont la filiation est modifiée a lui-même des enfants. Pour « régulariser » la situation, l’enfant ou son représentant doivent à l’heure actuelle introduire une demande de changement de nom par la voie administrative. b. Le changement de nom devra être acté explicitement par l’autorité qui modifie un lien de filiation et plus par une autorité tierce. De même, le cas échéant, cette même autorité devra automatiquement acter le changement de nom des enfants mineurs si l’enfant dont la filiation est modifiée a lui-même des enfants. Si les enfants de cet enfant sont déjà majeurs, ceux-ci ne pourront changer de nom que s’ils en font la déclaration expresse devant l’officier de l’état civil compétent. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 132 7 / 9 ↓ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation actuelle*, répondez aux questions 2a à 4a. ↓ S’il y a des formalités et des obligations dans la réglementation en projet**, répondez aux questions 2b à 4b. 2. Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ? a. La procédure de changement de nom par la voie administrative n’est possible que si la preuve du paiement des droits d’enregistrement a pu être apportée. Ils doivent fonder leur demande sur de motifs sérieux qui peuvent être étayés par tout document jugé utile par la personne concernée. b. Selon le cas, les parents de l’enfant mineur ou l’enfant majeur feront une déclaration de changement de nom devant l’autorité qui modifie le lien de filiation. Le nom déclaré s’imposera de plein droit aux enfants mineurs de l’enfant. Le changement de nom ne s’imposera aux enfants majeurs de l’enfant que s’ils en font la demande expresse auprès de l’officier de l’état civil compétent. 3. Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ? a. Les différents documents sont annexés à la demande de changement de nom par la voie administrative. b. Selon le cas, les parents de l’enfant mineur ou l’enfant majeur feront une simple déclaration de changement de nom devant l’autorité qui modifie le lien de filiation. 4. Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ? a. Le changement de nom n’aura lieu qu’en cas de modification du lien de filiation. b. Le changement de nom n’aura lieu qu’en cas de modification du lien de filiation. 5. Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ? _ _ Énergie .12. Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Mobilité .13. Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire, maritime et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Alimentation .14. Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Changements climatiques .15. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 133 3552/001 DOC 55 8 / 9 Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du carbone. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Ressources naturelles .16. Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans), qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation), déforestation. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Air intérieur et extérieur .17. Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx, NOx, NH3), particules fines. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Biodiversité .18. Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Nuisances .19. Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses. ☐ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☒ Pas d’impact _ _ Autorités publiques .20. Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations, mesures d’exécution, investissements publics. ☒ Impact positif ☐ Impact négatif ↓ Expliquez. ☐ Pas d’impact La modification de l'article 780/1 du Code judiciaire est réalisée dans un souci d'efficacité et de bonne administration de la justice en ce qui concerne la communication des voies de recours aux citoyens. Il a été précisé que la fiche informative est également jointe à la copie certifiée conforme du jugement par le greffier. Cela permet de mieux délimiter et façonner l'obligation d'information aux justiciables. Cohérence des politiques en faveur du développement .21. Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 134 9 / 9 1. Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants : ○ sécurité alimentaire ○ santé et accès aux médicaments ○ travail décent ○ commerce local et international ○ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation) ○ mobilité des personnes ○ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement propre) ○ paix et sécurité Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné. _ _ ↓ S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2. 2. Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel _ _ ↓ S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3. 3. Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ? _ _ C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 135 3552/001 DOC 55 1 / 9 Regelgevingsimpactanalyse RiA-AiR :: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be :: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be :: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be Beschrijvende fiche Auteur .a. Bevoegd regeringslid Minister van Justitie Contactpersoon beleidscel (naam, e-mail, tel.) Biagio Zammitto, biagio@teamjustitie.be, +32 498 81 37 35 Overheidsdienst FOD Justitie Contactpersoon overheidsdienst (naam, e- mail, tel.) Caroline Kinard, caroline.kinard@just.fgov.be, 02 542 67 53 Ontwerp .b. Titel van het ontwerp van regelgeving Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken Korte beschrijving van het ontwerp van regelgeving met vermelding van de oorsprong (verdrag, richtlijn, samenwerkingsakkoord, actualiteit …), de beoogde doelen van uitvoering. Dit voorontwerp van wet strekt ertoe een aantal diverse maatregelen te nemen in het burgerlijk en gerechtelijk recht en wijzigingen aan te brengen in diverse wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen: (1) De naamsgerelateerde bepalingen (artikelen 2 tot 12) houden verband met de verschillende recente arresten van het Grondwettelijk Hof en de verschillende moeilijkheden waarmee de ambtenaren van de burgerlijke stand worden geconfronteerd. In artikel 13 van het ontwerp wordt voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming voor een omzetting in een volle adoptie in het licht van een recent arrest van het Grondwettelijk Hof. Artikel 14 schept duidelijkheid omtrent de bevoegdheden van de bewindvoerder van de beschermde persoon die worden verlengd na het overlijden van de betrokkene en waarover verschillende interpretaties heersten. (2) Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd teneinde het principe van ‘uitbreiding van de positieve werking van het gezag van gewijsde’ te codificeren ten bate van de derde bij een gerechtelijke beslissing tegen een partij bij die beslissing. (3) Met de wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de kamers voor minnelijke schikking wordt voorzien in de mogelijkheid om dergelijke kamers op te richten binnen de rechtscolleges die burgerlijke en handelszaken behandelen volgens hetzelfde model als de kamers voor minnelijke schikking binnen de familierechtbank, die in 2014 is opgericht. (4) De wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de juridische tweedelijnsbijstand strekken tot optimalisering van de werking van de interne kwaliteitscontrole op de prestaties van advocaten en tot wijziging van de regel inzake de berekening van de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand op basis van de werkelijke noden. (5) De wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek maakt een soepelere aanpassing mogelijk van de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag, teneinde beter opgewassen te zijn tegen crisisperiodes waarin de inkomsten van Belgische huishoudens kunnen worden geïmpacteerd. (6) Teneinde verschillende praktische problemen in verband met de zuivering van onroerende goederen op te lossen, wijzigt dit ontwerp meerdere artikelen C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 136 2 / 9 van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van economisch recht. (7) In het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling maakt de optimalisering van de procedure het mogelijk extra efficiëntiewinsten te boeken. Dankzij de gedetailleerde regeling van de overgangsregeling kan het register voortaan worden gebruikt in lopende procedures. Het derdenverzet tegen de beschikking van toelaatbaarheid wordt gewaarborgd en er wordt voorzien in een rechtsgrond voor de inning van een retributie om de beheerskosten van het register te dekken. (8) De wijziging van artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek verduidelijkt dat het informatieblad kan worden gevoegd bij een eensluidend verklaard afschrift van het vonnis. (9) Het ontwerp voorziet in de invoeging van een artikel 1094/2 in het Gerechtelijk Wetboek teneinde de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgestelde schending in het arrest van 16 februari 2021 ‘Vermeersch t. België’ te herstellen. Het hof heeft een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden vastgesteld ingevolge een leemte in de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatieberoep, die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen in de zaak die de verzoeker eraan heeft voorgelegd. Deze leemte betreft de onmogelijkheid voor de eiser om een nieuw middel aan te voeren dat gegrond is op een nieuwe wet die in werking getreden is na het verstrijken van de termijnen die van toepassing zijn op de proceshandelingen, maar met terugwerkende kracht van toepassing zou zijn op het cassatieberoep dat aanhangig is. (10) In het kader van het communiceren van anonieme gegevens van het Centraal bestand van berichten van beslag wijzigt het ontwerp artikel 1389bis/7 om aan te sluiten bij wat in dit geval realistisch is. (11) Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt gewijzigd om gevolg te geven aan de resolutie van 9 juni 2022 van de Kamer van volksvertegenwoordigers betreffende de erkenning dat kinderen in België illegaal werden geadopteerd, betreffende de erkenning van de betrokkenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling van een administratief onderzoek dienaangaande. Artikel 23, § 5, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit wordt gewijzigd om tegemoet te komen aan arrest nr. 13/2023 van het Grondwettelijk Hof van 26 januari 2023. (12) Het ontwerp voegt in artikel 2, eerste lid, 1°, een h) met vermelding van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest" van de sociaal verzekerde de uitdrukkelijke vermelding in van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme. (13) Het ontwerp wijzigt artikel 1.8 van het Burgerlijk Wetboek teneinde een redactionele fout te corrigeren. (14) Het ontwerp wijzigt artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen met het oog op het corrigeren van een fout van technische aard en van de kruisverwijzing inzake de bewaringsverplichting van de gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in die bepaling, zulks teneinde ze te doen aansluiten bij artikel 22, tweede lid, van diezelfde wet. (15) Het ontwerp wijzigt de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen teneinde redactionele fouten te corrigeren. (16) Het ontwerp wijzigt de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken teneinde een technische fout te corrigeren, waarbij de rechtzetting van een inconsistentie tussen de Nederlandse en Franse tekst van artikel 7 van de wet van 14 maart 2023 wordt beoogd. (17) Het ontwerp wijzigt de wet van 19 maart 2017 om de ICT-afdeling iets meer tijd te geven om alle computerapplicaties aan te passen wanneer het bedrag van de bijdrage aan het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een indexering waarin is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 137 3552/001 DOC 55 3 / 9 Impactanalyses reeds uitgevoerd ☐ Ja ☒ Nee Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie van het document te vermelden: _ _ Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c. Verplichte, facultatieve of informele raadplegingen: Inspecteur van Financiën, verenigingen van ambtenaren van de burgerlijke stand (Burgerzaken Vlaanderen, GAPEC en IWG 19), professoren familierecht (allen), ordes van advocaten, College van de hoven en rechtbanken, Gemme Belgium, FOD Sociale Zekerheid, de professoren J.F. van Drooghenbroeck en B. Allemeersch, CEPANI en stuurgroep JustRestart. Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d. Statistieken, referentiedocumenten, organisaties en contactpersonen: _ _ Datum van beëindiging van de impactanalyse .e. 4 april 2023 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 138 4 / 9 Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s? > Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s. Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te vergemakkelijken. Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te compenseren. Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21 worden meer gedetailleerde vragen gesteld. Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen hebt. Kansarmoedebestrijding .1. Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof. ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact De wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek maakt een soepelere aanpassing mogelijk van de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag, teneinde beter opgewassen te zijn tegen crisisperiodes waarin de inkomsten van Belgische huishoudens kunnen worden geïmpacteerd. De voorgestelde wijzigingen inzake de procedure van collectieve schuldenregeling beogen opnieuw een optimalisatie van de procedure en een belangrijke tijdswinst middels digitalisering. Er worden efficiëntiewinsten gerealiseerd binnen individuele dossiers, welke ook een weerslag hebben op het beheer en procesverloop van de totaliteit van de dossiers. Er wordt echter niet voorbijgegaan aan de realiteit van de digitale kloof doordat de schuldenaar/verzoeker steeds de traditionele procedure kan blijven volgen. Enkel op professioneel niveau wordt het gebruik van het register in alle fasen van de procedure verplicht. Gelijke Kansen en sociale cohesie .2. Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof, effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met een handicap en minderheden). ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Gelijkheid van vrouwen en mannen .3. Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid, opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc. Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten. 1. Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste samenstelling van deze groep(en) van personen? Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom. De regels van het ontwerp van wet met betrekking tot de naam, de toestemming voor adoptie en de verlenging van de opdrachten van de bewindvoerder na het overlijden van de beschermde persoon maken geen onderscheid tussen de geslachten. De bepalingen van het ontwerp van wet met betrekking tot nationaliteit maken geen onderscheid tussen de geslachten. De regels van het ontwerp met betrekking tot de procedure collectieve schuldenregeling hebben betrekking op alle betrokkenen bij de procedure collectieve schuldenregeling, gaande van particuliere schuldenaars tot professionele actoren en schuldeisers. Er is geen onderscheid naar geslacht. ↓ Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop het ontwerp van regelgeving betrekking heeft. _ _ C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 139 3552/001 DOC 55 5 / 9 ↓ Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4. 3. Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit _ _ 4. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen, rekening houdend met de voorgaande antwoorden? _ _ ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5. 5. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Gezondheid .4. Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit. ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact De bepalingen van het ontwerp betreffende de procedure collectieve schuldenregeling beogen een optimalisering van de procedure en daarmee ook een van de basisdoelstellingen van de collectieve schuldenregeling, namelijk het saneren van de financiële toestand van de schuldenaar en hem/haar en zijn/haar gezin tegelijk een een menswaardig leven waarborgen. Werkgelegenheid .5. Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd, welzijn op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot beroepsopleiding, collectieve arbeidsverhoudingen. ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact Ook de toegang op de arbeidsmarkt wordt bevorderd indien een procedure collectieve schuldenregeling met succes wordt doorlopen. Tijdens de procedure zal de schuldenaar ook worden aangespoord om geschikte werkgelegenheid te zoeken en behouden. Consumptie- en productiepatronen .6. Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en integratie van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van organisaties. ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact Een efficiënter beheer van de collectieve schuldenregeling wordt geacht een positieve invloed te hebben op de slaagkansen van de procedure. Een geslaagde afronding van de procedure en het behoud van een menswaardig leven van de verzoeker en zijn gezin tijdens de procedure beïnvloeden de consumptiepatronen van de belanghebbenden in positieve zin. Economische ontwikkeling .7. Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen, competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale handels- en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale en organische hulpbronnen. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 140 6 / 9 _ _ Investeringen .8. Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Onderzoek en ontwikkeling .9. Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes, nieuwe ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ KMO .10. Impact op de ontwikkeling van de kmo’s. 1. Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken? Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro- ondernemingen (< 10 werknemers). Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom. _ _ ↓ Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2. 2. Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s. N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden. _ _ ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5. 3. Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit _ _ 4. Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit _ _ 5. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Administratieve lasten .11. Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting. ↓ Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen. 1. Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving. Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom. a. Soms is het de ambtenaar van de burgerlijke stand en soms de familierechtbank die akte neemt van naamsveranderingen bij verandering van de b. Er moet uitdrukkelijk akte worden genomen van de naamsverandering door de autoriteit die een afstammingsband wijzigt, en niet langer door een C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 141 3552/001 DOC 55 7 / 9 afstammingsband van een kind. Er zijn tekortkomingen in dat systeem wanneer de rechtbank die in zijn vonnis akte van de naam dient te nemen, dat niet doet, wanneer het meerderjarige kind postnataal wordt erkend of wanneer het kind van wie de afstamming wijzigt, zelf kinderen heeft. Om die situatie te ‘regulariseren’, moet het kind of zijn vertegenwoordiger thans een verzoek tot naamsverandering via administratieve weg indienen. derde autoriteit. Evenzo dient diezelfde autoriteit in voorkomend geval automatisch akte te nemen van de naamsverandering van minderjarige kinderen indien het kind van wie de afstamming wordt gewijzigd, zelf kinderen heeft. Indien de kinderen van dat kind reeds meerderjarig zijn, kunnen die enkel van naam veranderen als ze een uitdrukkelijke verklaring afleggen voor de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. ↓ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot 4a. ↓ Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen 2b tot 4b. 2. Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen? a. De administratieve procedure tot naamsverandering is enkel mogelijk indien kon worden aangetoond dat de registratierechten zijn betaald. Ze moeten hun verzoek onderbouwen met ernstige gronden die kunnen worden gestaafd door elk document dat de betrokkene dienstbaar acht. b. Al naargelang van het geval leggen de ouders van het minderjarige of meerderjarige kind een verklaring van naamsverandering af voor de autoriteit die de afstammingsband wijzigt. De verklaarde naam wordt de minderjarige kinderen van het kind van rechtswege opgelegd. De naamsverandering wordt de meerderjarige kinderen van het kind enkel opgelegd als ze daartoe een uitdrukkelijke verklaring afleggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. 3. Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld? a. De verschillende documenten worden gevoegd bij het verzoek tot naamsverandering via administratieve weg. b. Al naargelang van het geval leggen de ouders van het minderjarige of meerderjarige kind een eenvoudige verklaring van naamsverandering af voor de autoriteit die de afstammingsband wijzigt. 4. Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep? a. De naamsverandering vindt enkel plaats in geval van wijziging van de afstammingsband. b. De naamsverandering vindt enkel plaats in geval van wijziging van de afstammingsband. 5. Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ Energie .12. Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Mobiliteit .13. Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen, sporen en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Voeding .14. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 142 8 / 9 Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Klimaatverandering .15. Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energieovergang, hernieuwbare energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Natuurlijke hulpbronnen .16. Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen), bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie), ontbossing. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Buiten- en binnenlucht .17. Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan, koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOx, NOx, NH3), fijn stof. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Biodiversiteit .18. Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de habitats, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde soorten. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Hinder .19. Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast. ☐ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☒ Geen impact _ _ Overheid .20. Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen, wijze van uitvoering, overheidsinvesteringen. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 143 3552/001 DOC 55 9 / 9 ☒ Positieve impact ☐ Negatieve impact ↓ Leg uit. ☐ Geen impact Artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd vanuit een streven naar efficiëntie en goede rechtsbedeling met betrekking tot de communicatie over de rechtsmiddelen jegens de burgers. Er is verduidelijkt dat het informatieblad tevens bij het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis wordt gevoegd door de griffier. Op die manier kan de informatieverplichting jegens rechtzoekenden beter worden afgebakend en vormgegeven. Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21. Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden. 1. Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak van: ○ voedselveiligheid ○ gezondheid en toegang tot geneesmiddelen ○ waardig werk ○ lokale en internationale handel ○ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie) ○ mobiliteit van personen ○ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling) ○ vrede en veiligheid Indien er geen enkel ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom. _ _ ↓ Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2. 2. Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage _ _ ↓ Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3. 3. Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren? _ _ C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 144 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE NR. 73.629/1-2 VAN 7 JULI 2023 Op 12 mei 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vice‑eersteminister en minister van Justitie en Noordzee verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een voorontwerp van wet ‘houdende diverse bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken’. Hoofdstukken 1, 3 (artikelen 16 tot 26), 5, 6, 7, 11, 12, 13 (artikelen 97 tot 99) en 14 (artikel 101) van het voorontwerp zijn door de eerste kamer onderzocht op 29 juni 2023. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoor‑ zitter, Wouter Pas en Inge Vos, staatsraden, Michel Tison en Johan Put, assessoren, en Wim Geurts, griffier. Het verslag is uitgebracht door Lennart Nijs, adjunct‑auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Inge Vos. Hoofstukken 1, 2, 3 (artikelen 15 en 27 tot 72), 4, 8, 9, 10, 13 (artikel 97) en 14 (artikel 100) van het voorontwerp zijn door de tweede kamer onderzocht op 12 juni 2023. De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoor‑ zitter, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets, staatsraden, Christian Behrendt en Jacques Englebert, assessoren, en Béatrice Drapier, griffier. Het verslag is uitgebracht door Pauline Lagasse, auditeur. De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Patrick Ronvaux. Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 7 juli 2023. * Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het voorontwerp,‡ de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten. Wat die drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT N° 73.629/1-2 DU 7 JUILLET 2023 Le 12 mai 2023, le Conseil d’État, section de législation, a été invité par le Vice‑Premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord à communiquer un avis dans un délai de trente jours, sur un avant‑projet de loi ‘portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire’. Les chapitres 1er, 3 (articles 16 à 26), 5, 6, 7, 11, 12, 13 (articles 97 à 99) et 14 (article 101) de l’avant‑projet ont été examinés par la première chambre le 29 juin 2023. La chambre était composée de Marnix Van Damme, président de chambre, Wouter Pas et Inge Vos, conseillers d’État, Michel Tison et Johan Put, assesseurs, et Wim Geurts, greffier. Le rapport a été présenté par Lennart Nijs, auditeur adjoint. La concordance entre la version française et la version néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de Inge Vos. Les chapitres 1er, 2, 3 (articles 15 et 27 à 72), 4, 8, 9, 10, 13 (article 97) et 14 (article 100) de l’avant‑projet ont été exa‑ minés par la deuxième chambre le 12 juin 2023. La chambre était composée de Pierre Vandernoot, président de chambre, Patrick Ronvaux et Christine Horevoets, conseillers d’État, Christian Behrendt et Jacques Englebert, assesseurs, et Béatrice Drapier, greffier. Le rapport a été présenté par Pauline Lagasse, auditrice. La concordance entre la version française et la version néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de Patrick Ronvaux. L’avis, dont le texte suit, a été donné le 7 juillet 2023. * Comme la demande d’avis est introduite sur la base de l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’, coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite son examen au fondement juridique de l’avant-projet‡, à la compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3, des lois coordonnées précitées. Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations suivantes. <?>‡ S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement juridique” la conformité aux normes supérieures. ‡ Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder “rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen verstaan. 145 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Voorafgaande opmerking – Gedeeltelijke niet‑ontvankelijkheid van de adviesaanvraag Het ontworpen artikel 23, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek (artikel 15 van het voorliggende voorontwerp) maakte reeds het voorwerp uit van een voorontwerp van wet dat aan de afdeling Wetgeving voorgelegd is. Het betrof artikel 2 van het voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 26 december 2022 ‘betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken’.1 In de regel verleent de afdeling Wetgeving van de Raad van State geen nieuw advies over bepalingen die al eerder zijn onderzocht of die gewijzigd zijn ten gevolge van opmerkingen in eerdere adviezen, tenzij de juridische context intussen is gewijzigd. Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft gegeven, heeft ze de bevoegdheid waarover ze krachtens de wet beschikt, volledig uitgeoefend; het komt haar derhalve niet toe zich opnieuw uit te spreken over de reeds onderzochte bepalingen, ongeacht of die herzien zijn om rekening te houden met de opmerkingen die in het eerste advies zijn gemaakt, dan wel ongewijzigd blijven. Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat van de opmerkingen of voorstellen die de afdeling Wetgeving in het eerste advies heeft geformuleerd: in zo’n geval moet de afdeling Wetgeving weer geraadpleegd worden over de nieuwe bepalingen. Gelet op het voorgaande heeft de afdeling Wetgeving haar adviesbevoegdheid uitgeput en is de adviesaanvraag onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 15 van het voorontwerp. Bijzondere opmerkingen Hoofdstuk 1 – Algemene bepaling Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. 1 Die bepaling van het aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp (Parl.St. 2022‑23, nr. 55‑3046/001, 33) was eveneens opgenomen in het bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediende wetsontwerp ‘betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken’ (ibidem, 71), maar na een amendement van de regering (ibidem, nr. 55‑3046/002) is dat artikel 2 weggelaten uit het ontwerp (verslag namens de Commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers, ibidem, nr. 55‑3046/003, 15) en is het dus niet aangenomen. Observation préalable – Irrecevabilité partielle de la demande d’avis L’article 23, alinéa 2, en projet du Code judiciaire (article 15 de l’avant‑projet à l’examen) a déjà fait l’objet d’un avant‑projet de loi soumis à la section de législation. Il s’agissait de l’article 2 de l’avant‑projet devenu la loi du 26 décembre 2022 ‘relative à la mention des voies de recours et portant dispositions diverses en matière judiciaire’1. Sauf en cas de modification du contexte juridique, la section de législation du Conseil d’État ne donne en règle générale pas de nouvel avis sur des dispositions qui ont déjà été exa‑ minées précédemment ou qui ont été modifiées à la suite d’observations formulées dans des avis antérieurs. Lorsque la section de législation a donné un avis, elle a épuisé la compétence que lui confère la loi et il ne lui appartient dès lors pas de se prononcer à nouveau sur les dispositions déjà examinées, qu’elles aient été revues pour tenir compte des observations formulées dans le premier avis ou qu’elles demeurent inchangées. Il en va différemment lorsqu’il est envisagé d’insérer dans le texte des dispositions entièrement nouvelles, dont le contenu est indépendant des observations ou suggestions formulées dans le premier avis de la section de législation: en pareil cas, une nouvelle consultation de celle‑ci est requise, portant sur les dispositions nouvelles. Eu égard à ce qui précède, la section de législation a épuisé sa saisine et la demande d’avis est irrecevable en tant qu’elle concerne l’article 15 de l’avant‑projet. Observations particulières Chapitre 1 er –Disposition générale Ce chapitre n’appelle aucune observation. 1 Cette disposition de l’avant-projet soumis au Conseil d’État (Doc. parl., 2022-2023, n° 55‑3046/001, p. 33) figurait également dans le projet de loi ‘relative à la mention des voies de recours et portant dispositions diverses en matière judiciaire’ déposé à la Chambre des représentants (ibidem, p. 71) mais, à la suite d’un amendement du gouvernement (ibidem, n° 55‑3046/002), cet article 2 a été supprimé du projet (rapport fait au nom de la Commission de la Justice de la Chambre des représentants, ibidem, n° 55‑3046/003, p. 15) et n’a donc pas été adopté. 3552/001 DOC 55 146 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Hoofdstuk 2 – Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Afdeling 1 – Naamsverandering van kinderen in het geval van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband of vanwege de naamsverandering van hun ouders Artikelen 4, 5 en 6 Ontworpen artikelen 313, 319bis en 325/6 van het oud Burgerlijk Wetboek Luidens de ontworpen bepalingen wordt de akte medege‑ deeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering. In de toelichting bij de artikelen 4 tot 6 van het voorontwerp staat daarover het volgende: “Deze verschillende artikelen zijn aangepast om te ant‑ woorden op een opmerking van het College van Hoven en Rechtbanken. Voor afstammelingen in de eerste graad lijkt het moeilijk om binnen de gestelde termijnen een akte van naamswijziging conform artikel 335sexies van het oud Burgerlijk Wetboek te laten opmaken indien de wet niet voorziet in regels voor de kennisgeving of betekening van de akte of beslissing die de afstamming van hun ouder wijzigt en die een impact kan hebben op hun naam.” Op de vraag welke gevolgen de steller van het voorontwerp wil verbinden aan de omstandigheid dat de akte niet aan de afstammelingen meegedeeld of betekend wordt zoals voorgeschreven in de ontworpen artikelen 313, § 4, 319bis, vierde lid, en 325/6, vierde lid, geeft de gemachtigde van de minister het volgende antwoord: “Comme le précise le commentaire de l’article, l’objectif des modifications de ces trois articles de l’ancien Code civil était de porter la modification du lien de filiation du parent qui pourrait avoir un impact sur le nom de l’enfant majeur à la connaissance de ce dernier afin de garantir l’effectivité de son droit à faire acter son changement de nom dans le délai d’un an, comme prévu par l’article 335sexies, § 2, de l’ancien Code civil (exposé des motifs, p. 38).” Het is denkbaar dat de erkenning waarvan in de ontworpen bepalingen sprake is, betrekking heeft op een minderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft. Om te garanderen dat het beginsel van gelijkheid en niet‑discriminatie ten aanzien van hen in acht genomen wordt, moet het dispositief aldus aangepast worden dat daarin niet gepreciseerd wordt dat het kind dat een naamsverandering ondergaat, meerderjarig is. Chapitre 2 – Modifications de l’ancien Code civil Section 1re – Changement de nom des enfants en cas d’établissement successif de leurs liens de filiation ou en raison de la modification du nom de leurs parents Articles 4, 5 et 6 Articles 313, 319bis et 325/6 en projet de l’ancien Code civil Les dispositions en projet prévoient que, si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré. Le commentaire des articles 4 à 6 de l’avant-projet précise ce qui suit: “Ces différents articles sont adaptés pour répondre à une remarque formulée par le Collège des cours et tribunaux. Il paraît en effet difficile aux descendants au premier degré de faire établir un acte de changement de nom conformément à l’article 335sexies de l’ancien Code civil dans les délais impartis si la loi ne prévoit pas de modalités de notification ou de signification de l’acte ou de la décision modifiant la filiation de leur parent qui pourrait avoir un impact sur leur nom”. Interrogée sur les conséquences que l’auteur de l’avant-projet entend attacher à l’absence de notification ou de signification aux descendants prévue par les articles 313, § 4, 319bis, alinéa 4 et 325/6, alinéa 4, en projet, la déléguée du ministre précise ce qui suit: “Comme le précise le commentaire de l’article, l’objectif des modifications de ces trois articles de l’ancien Code civil était de porter la modification du lien de filiation du parent qui pourrait avoir un impact sur le nom de l’enfant majeur à la connaissance de ce dernier afin de garantir l’effectivité de son droit à faire acter son changement de nom dans le délai d’un an, comme prévu par l’article 335sexies, § 2, de l’ancien Code civil (exposé des motifs, p. 38)”. Il peut se concevoir que la reconnaissance dont il est question dans les dispositions en projet concerne un enfant mineur qui a déjà une descendance. Afin de garantir le respect du principe d’égalité et de non- discrimination à leur égard, il y a lieu d’adapter le dispositif afin d’en omettre la précision selon laquelle l’enfant concerné par le changement de nom est majeur. 147 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikelen 9 en 10 Ontworpen artikelen 335 en 335ter van het oud Burgerlijk Wetboek 1. Wat betreft de artikelen 335, § 3, vijfde lid, en 335ter, § 2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, die niet bij het voorontwerp gewijzigd worden, en die volgens het voorontwerp de artikelen 335, § 3, derde lid, en 335ter, § 2, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek worden, is de gemachtigde van de minister het ermee eens dat de verwijzingen naar het tweede en het vierde lid niet meer relevant zijn gelet op de wijzigingen die in de artikelen 335 en 335ter aangebracht worden. De gemachtigde van de minister heeft het volgende voorgesteld: “L’article 335, § 3, (nouvel) alinéa 3, et l’article 335ter, § 2, (nouvel) alinéa 3, de l’ancien Code civil devraient être abrogés. D’une part, un officier de l’état civil ne pourra modifier le nom d’un enfant à la suite d’une reconnaissance postnatale que dans l’acte de reconnaissance. Il ne sera plus possible d’effectuer une déclaration de choix de nom dans l’année qui suit comme c’est encore le cas aujourd’hui. D’autre part, la modification du nom mentionné dans les actes de l’état civil de la personne concernée et ses descen‑ dants au premier degré trouve désormais son fondement dans les articles 335, § 5 et 335ter, § 5, de l’ancien Code civil.” Het dispositief moet dienovereenkomstig gewijzigd worden. 2.1. Uit de vergelijking van de artikelen 335, § 4, en 335ter, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ze thans van kracht zijn, blijkt dat, net zoals bij artikel 9, 5° en 6°, van het vooront‑ werp het eerste en het tweede lid van artikel 335, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek vervangen worden en het derde lid van diezelfde bepaling opgeheven wordt, bij artikel 10, 4° en 5°, van het voorontwerp het eerste en het tweede lid (en niet het tweede en het derde lid) van artikel 335, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek vervangen moet worden en het derde lid (en niet het vierde lid) van die bepaling opgeheven moet worden.2 Dat wordt bevestigd door de tabel waarin de huidige teksten vergeleken worden met de teksten die het resultaat zijn van het voorontwerp, welke tabel bij de adviesaanvraag gevoegd is. Het is op basis van die interpretatie van artikel 335ter, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het voortvloeit uit artikel 10, 4° en 5°, van het voorontwerp, dat opmerking 2.2 geformuleerd wordt. 2.2. In de ontworpen artikelen 335, § 4, eerste lid, en 335ter, § 3, eerste lid, zijn de woorden “of de meerderjarige leeftijd” overbodig, aangezien dezelfde bepalingen stipuleren dat, zodra het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, geen enkele verandering in zijn naam aangebracht kan worden zonder zijn instemming. 2 De steller van het voorontwerp dient na te gaan of er nog wetgevingstechnische vergissingen voorkomen in andere bepalingen van het voorontwerp. Articles 9 et 10 Articles 335 et 335ter en projet de l’ancien Code civil 1. En ce qui concerne les articles 335, § 3, alinéa 5, et 335ter, § 2, alinéa 5, de l’ancien Code civil, non modifiés par l’avant‑pro‑ jet, qui, selon celui‑ci, deviennent les articles 335, § 3, alinéa 3, et 335ter, § 2, alinéa 3, de l’ancien Code civil, de l’accord de la déléguée du ministre, les références aux alinéas 2 et 4 ne sont plus pertinentes au vu des modifications apportées aux articles 335 et 335ter. La déléguée du ministre a proposé ce qui suit: “L’article 335, § 3, (nouvel) alinéa 3, et l’article 335ter, § 2, (nouvel) alinéa 3, de l’ancien Code civil devraient être abrogés. D’une part, un officier de l’état civil ne pourra modifier le nom d’un enfant à la suite d’une reconnaissance postnatale que dans l’acte de reconnaissance. Il ne sera plus possible d’effectuer une déclaration de choix de nom dans l’année qui suit comme c’est encore le cas aujourd’hui. D’autre part, la modification du nom mentionné dans les actes de l’état civil de la personne concernée et ses descen‑ dants au premier degré trouve désormais son fondement dans les articles 335, § 5 et 335ter, § 5, de l’ancien Code civil”. Le dispositif sera modifié en conséquence. 2.1. Il résulte de la comparaison des articles 335, § 4, et 335ter, § 3, de l’ancien Code civil, tels qu’ils sont actuel‑ lement en vigueur, que, de même que l’article 9, 5° et 6°, de l’avant‑projet remplace les alinéas 1er et 2 et abroge l’alinéa 3 de l’article 335, § 4, de l’ancien Code civil, l’article 10, 4° et 5°, de l’avant‑projet doit remplacer les alinéas 1er et 2 (et non les alinéas 2 et 3) et abroger l’alinéa 3 (et non l’alinéa 4) de l’article 335ter, § 3, de l’ancien Code civil2. Cette manière de procéder est confirmée par le tableau de comparaison des textes actuels et de ceux issus de l’avant‑projet qui a été annexé à la demande d’avis. C’est dans cette lecture de l’article 335ter, § 3, de l’ancien Code civil, tel qu’il résulte de l’article 10, 4° et 5°, de l’avant‑pro‑ jet, que l’observation n° 2.2 est formulée. 2.2. Aux articles 335, § 4, alinéa 1er, et 335ter, § 3, alinéa 1er, en projet, les mots “ou l’âge de la majorité” sont inutiles dès lors que, dès que l’enfant a atteint l’âge de douze ans, les mêmes dispositions prévoient qu’aucune modification ne peut être apportée à son nom sans son accord. 2 Il appartient à l’auteur de l’avant-projet de vérifier si d’autres erreurs de légistique ne figurent pas dans d’autres dispositions de l’avant‑projet. 3552/001 DOC 55 148 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Die woorden moeten dan ook weggelaten worden. Artikel 12 Ontworpen artikel 335sexies van het oud Burgerlijk Wetboek Wat de ontworpen paragraaf 1 betreft, rijst de vraag waarom met de automatische toekenning, aan de afstammelingen, van de naam van de ouder die is gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een verandering van afstamming overeen‑ komstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3, niet ingestemd moet worden door de kinderen van twaalf jaar en ouder van de betrokken ouder. Een dergelijk recht wordt nochtans erkend voor kinderen van twaalf jaar en ouder in het kader van een wijziging van hun naam krachtens de ontworpen artikelen 335 en 335ter, wanneer de kinderen de afstammelingen in de eerste graad zijn van de ouder van wie de verwantschapsband gewijzigd wordt. Gevraagd naar een verantwoording voor dat verschil in behandeling in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: “Cette remarque peut être suivie. Le projet de loi et son exposé des motifs seront adaptés de sorte que l’enfant de plus de 12 ans ait la possibilité d’exprimer son consentement au changement de nom dans le cas visé dans cet article.” Het dispositief moet in die zin aangepast worden met dien verstande dat verwezen dient te worden naar de kinderen “die de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben” en niet naar de kinderen “van meer dan 12 jaar”. Afdeling 2 – Vervangende toestemming bij omzetting van een interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt in een volle adoptie Artikel 13 Ontworpen artikel 359‑2 van het oud Burgerlijk Wetboek Wat het ontworpen artikel 359‑2 van het Burgerlijk Wetboek betreft, heeft de gemachtigde van de minister, toen haar ge‑ vraagd is wat het nut is van de afwijking van artikel 361‑4, 1°, b), van het oud Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op de toestemming van het kind (het feit dat de oorspronkelijke afstamming van het kind niet vaststaat, dat de oorspronkelijke ouders van het kind overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben, in de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn en dat het kind geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in België lijkt immers geen invloed te hebben op de bekwaam‑ heid van het kind om zijn toestemming te geven), de volgende uitleg gegeven: “Zowel de prejudiciële vraag als de overwegingen van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 55/2022 dat aan de basis Ces mots seront dès lors supprimés. Article 12 Article 335sexies en projet de l’ancien Code civil En ce qui concerne le paragraphe 1er, en projet, la question se pose de savoir pour quelle raison l’attribution automatique aux descendants du nom du parent choisi ou fixé à l’occasion d’un changement de filiation conformément aux articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, n’est pas subordonnée au consentement des enfants de douze ans et plus du parent concerné. Un tel droit est pourtant reconnu aux enfants de douze ans et plus dans le cadre d’une modification de leur nom en vertu des articles 335 et 335ter en projet lorsque les enfants sont les descendants de premier degré du parent dont le lien de parenté est modifié. Interrogée sur la justification de cette différence de traitement au regard des articles 10 et 11 de la Constitution, la déléguée du ministre a fourni la réponse suivante: “Cette remarque peut être suivie. Le projet de loi et son exposé des motifs seront adaptés de sorte que l’enfant de plus de 12 ans ait la possibilité d’exprimer son consentement au changement de nom dans le cas visé dans cet article”. Le dispositif sera adapté en ce sens sous réserve de ce qu’il convient de viser les enfants “ayant atteint l’âge de douze ans” et non les enfants “de plus de 12 ans”. Section 2 – Consentement de remplacement pour une conversion en une adoption plénière d’une adoption interna‑ tionale qui ne rompt pas le lien de filiation Article 13 Article 359‑2 en projet de l’ancien Code civil En ce qui concerne l’article 359‑2 en projet du Code civil, interrogée sur l’utilité de la dérogation à l’article 361‑4, 1°, b), de l’ancien Code civil, qui concerne le consentement de l’enfant (le fait que la filiation d’origine de l’enfant n’est pas établie, que les parents d’origine de l’enfant sont décédés, présumés absents, sans résidence connue, dans l’incapacité ou incapable d’exprimer leur volonté et que l’enfant n’a pas de représentant légal en Belgique paraît en effet sans incidence sur la capacité de l’enfant à exprimer son consentement), la déléguée du ministre a expliqué ce qui suit: “Zowel de prejudiciële vraag als de overwegingen van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 55/2022 dat aan de basis 149 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ligt van deze wetswijziging, verwijzen steeds naar de wettelijk vereiste toestemmingen in artikel 361‑4, b) én c) oud BW. Hierdoor is mogelijks verkeerdelijk de indruk ontstaan dat het Grondwettelijk Hof een vervangende toestemming voor beide nodig achtte. Het dispositief van het arrest stuurt er op aan te voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming wanneer vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en dat er geen wettelijke vertegenwoordiger is. Zonder dergelijk mechanisme schendt 359‑2 oud BW volgens het Hof de arti‑ kelen 10, 11 en 22bis GW, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 21 [van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind]. Dit vereiste mechanisme van vervangende toestemming lijkt inderdaad enkel betrekking te hebben op de toestemmingen voorzien in punt c) en niet op de toestemming van het kind voorzien in punt b). Indien de Raad van State van oordeel is dat dit mechanisme van vervangende toestemming niet logisch en niet nodig is voor de toestemming van het kind voorzien in punt b), kan het ontwerp in die zin aangepast worden.” Aangezien geen enkele uitleg lijkt te worden gegeven die het nut aantoont van de afwijking van artikel 361‑4, 1°, b), van het Burgerlijk Wetboek, moet deze afwijking weggelaten worden om de rechten van het kind te vrijwaren. Afdeling 3 – Wijziging van de opdrachten van de bewind‑ voerder na het overlijden van de beschermde persoon Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 3 – Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Artikelen 16, 19, 20, 21 en 23 In diverse artikelen van het voorontwerp (artikelen 16, 19, 1°, 20, 1°, 21, 1°, en 23, 1°) wordt bepaald dat de respectieve‑ lijke hoven en rechtbanken “in voorkomend geval” bestaan uit één of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de rechtbank of het arbeidshof onderverdeeld is in afdelingen, moet er ten minste bij één van deze afdelingen een kamer voor minnelijke schikking worden ingericht. Dit facultatief karakter van de kamers voor minnelijke schik‑ king, met uitzondering van de arbeidshoven en de rechtbanken die in verschillende afdelingen zijn opgedeeld, vindt bevestiging in de overgangsregeling vervat in artikel 99 van het voorontwerp, evenals in de memorie van toelichting. Bijgevolg is de toegang tot een kamer voor minnelijke schikking enkel verzekerd voor ligt van deze wetswijziging, verwijzen steeds naar de wettelijk vereiste toestemmingen in artikel 361‑4, b) én c) oud BW. Hierdoor is mogelijks verkeerdelijk de indruk ontstaan dat het Grondwettelijk Hof een vervangende toestemming voor beide nodig achtte. Het dispositief van het arrest stuurt er op aan te voorzien in een mechanisme van vervangende toestemming wanneer vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en dat er geen wettelijke vertegenwoordiger is. Zonder dergelijk mechanisme schendt 359‑2 oud BW volgens het Hof de arti‑ kelen 10, 11 en 22bis GW, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 21 [van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind]. Dit vereiste mechanisme van vervangende toestemming lijkt inderdaad enkel betrekking te hebben op de toestemmingen voorzien in punt c) en niet op de toestemming van het kind voorzien in punt b). Indien de Raad van State van oordeel is dat dit mechanisme van vervangende toestemming niet logisch en niet nodig is voor de toestemming van het kind voorzien in punt b), kan het ontwerp in die zin aangepast worden”. Dès lors qu’aucune explication ne paraît justifier l’utilité de la dérogation à l’article 361‑4, 1°, b), du Code civil, celle‑ci sera omise dans le souci de préserver les droits de l’enfant. Section 3 – Modification des missions de l’administrateur après le décès de la personne protégée Cette section n’appelle aucune observation. Chapitre 3 – Modifications du Code judiciaire Articles 16, 19, 20, 21 et 23 Divers articles de l’avant-projet (articles 16, 19, 1°, 20, 1°, 21, 1°, et 23, 1°) disposent que les cours et tribunaux respectifs se composent, “le cas échéant”, d’une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal ou la cour du travail sont répartis en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable. Ce caractère facultatif des chambres de règlement à l’amiable, à l’exception des cours du travail et des tribunaux qui sont répartis en plusieurs divisions, est confirmé dans le régime transitoire prévu à l’article 99 de l’avant‑projet, ainsi que dans l’exposé des motifs. Par conséquent, l’accès à une chambre de règlement à l’amiable n’est assuré que pour les 3552/001 DOC 55 150 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E rechtzoekenden die binnen de territoriale bevoegdheidssfeer vallen van een rechtbank die onderverdeeld is in afdelingen.3 Gevraagd of er in een evenwaardig alternatief wordt voor‑ zien voor rechtzoekenden, vallend onder de territoriale be‑ voegdheidssfeer van een rechtbank die niet in afdelingen is onderverdeeld en waarbij geen gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een kamer voor minnelijke schikking in te richten en om, bij gebrek daaraan, dit onderscheid te verant‑ woorden, verklaarde de gemachtigde: “Lorsque le tribunal est réparti en division, une des divi‑ sions doit comporter au moins une chambre de règlement à l’amiable. L’intention n’est pas d’obliger toutes les divisions de l’arrondissement à créer de telles chambres. Néanmoins il faut au moins une chambre de règlement à l’amiable dans chaque tribunal de chaque arrondissement. Sur ce dernier point, le texte devra être clarifié.” Met betrekking tot de hoven van beroep bevestigde de gemachtigde dit principe nogmaals als volgt: “Concernant l’obligation de créer une chambre de règlement à l’amiable dans au moins une division lorsque le tribunal et la cour est répartie en division ne concerne pas les cours d’appel car elles ne sont pas réparties en division. Néanmoins le principe est qu’il existe au moins une chambre dans chaque tribunal/cour de chaque arrondissement.” Indien het inderdaad de bedoeling is dat in elk arrondis‑ sement en zowel op het niveau van eerste aanleg als in graad van beroep een kamer voor minnelijke schikking wordt inge‑ richt, zodat alle rechtzoekenden in de mogelijkheid verkeren een beroep te doen op dergelijke kamer (al dan niet bij een andere afdeling), dient dit telkens te worden verduidelijkt in de tekst van het voorontwerp. Artikel 25 Zoals ook werd bevestigd door de gemachtigde dient in het ontworpen artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek de verwijzing naar “de informatie bedoeld in paragraaf 2/1, derde lid” te worden vervangen door “de informatie bedoeld in paragraaf 2/1, tweede lid”. Artikel 26 Luidens het ontworpen artikel 508/19bis van het Gerechtelijk Wetboek mag het bedrag van de jaarlijkse subsidie voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding bedoeld in artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. 3 Met dien verstande dat gelet op de overgangsbepaling vervat in artikel 99 van het voorontwerp, onverminderd de reeds bestaande kamers voor minnelijke schikking, ook de oprichting van nieuwe kamers voor minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken opgesplitst in afdelingen facultatief is tot 1 september 2025. justiciables relevant de la sphère de compétence territoriale d’un tribunal réparti en divisions3. À la question de savoir s’il est prévu une alternative équiva‑ lente pour les justiciables relevant de la sphère de compétence territoriale d’un tribunal qui n’est pas réparti en divisions et où il n’a pas été fait usage de la possibilité de créer une chambre de règlement à l’amiable et, à défaut d’une telle alternative, invité à justifier cette distinction, le délégué a déclaré: “Lorsque le tribunal est réparti en division, une des divi‑ sions doit comporter au moins une chambre de règlement à l’amiable. L’intention n’est pas d’obliger toutes les divisions de l’arrondissement à créer de telles chambres. Néanmoins il faut au moins une chambre de règlement à l’amiable dans chaque tribunal de chaque arrondissement. Sur ce dernier point, le texte devra être clarifié”. En ce qui concerne les cours d’appel, le délégué a une nouvelle fois confirmé ce principe en ces termes: “Concernant l’obligation de créer une chambre de règlement à l’amiable dans au moins une division lorsque le tribunal et la cour est répartie en division ne concerne pas les cours d’appel car elles ne sont pas réparties en division. Néanmoins le principe est qu’il existe au moins une chambre dans chaque tribunal/cour de chaque arrondissement”. Si l’intention est effectivement de créer une chambre de règlement à l’amiable dans chaque arrondissement, et ce tant au niveau de la première instance qu’en degré appel, de sorte que tous les justiciables puissent recourir à pareille chambre (que ce soit ou non dans une autre division), il y aurait lieu de le préciser chaque fois dans le texte de l’avant‑projet. Article 25 Comme l’a également confirmé le délégué, il convient de remplacer à l’article 508/19, § 3, en projet, du Code judiciaire, la référence à “l’information visée au paragraphe 2/1, alinéa 3,” par “l’information visée au paragraphe 2/1, alinéa 2,”. Article 26 Aux termes de l’article 508/19bis, en projet, du Code judi‑ ciaire, le montant de la subvention annuelle prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique ne peut excéder 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3, du Code judiciaire. 3 Étant entendu que, eu égard à la disposition transitoire contenue à l’article 99 de l’avant-projet, sans préjudice des chambres de règlement à l’amiable déjà existantes, la création de nouvelles chambres de règlement à l’amiable au sein des cours et tribunaux répartis en divisions est également facultative jusqu’au 1er septembre 2025. 151 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De Koning wordt gemachtigd om, bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit en op gemotiveerde vraag van de in artikel 488 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde over‑ heden op basis van aangetoonde kosten, af te wijken van het percentage van 7 %. Gevraagd of deze machtiging een reglementaire of een individuele draagwijdte heeft, verklaarde de gemachtigde: “On peut confirmer que la volonté première de l’auteur du texte est de permettre des dérogations spécifiques rendues nécessaires par les constats qui sont remontés des barreaux vers les Ordres. Toutefois, rien n’est à exclure surtout si les constats précités trahissent un changement de plus grande ampleur qui est susceptible d’affecter l’ensemble des barreaux (ex.: cas non voulu de sur-inflation consécutif à une instabilité économique conjoncturelle).” Uit de ontworpen bepaling blijkt niet duidelijk of het de bedoeling is om de Koning een individuele, dan wel een verordenende bevoegdheid te verlenen. Of het gaat om een delegatie die betrekking heeft op een individuele of reglemen‑ taire bevoegdheid zou in de tekst zelf van het voorontwerp tot uitdrukking moeten worden gebracht. Artikel 34 Ontworpen artikel 733/1 van het Gerechtelijk Wetboek In vergelijking met wat bepaald is in het ontworpen arti‑ kel 734/3, § 2, eerste en tweede lid (artikel 38 van het voor‑ ontwerp), zou het dispositief van het ontworpen artikel 733/1 aldus aangevuld moeten worden dat daarin bepaald wordt wat de praktische gevolgen zijn in verband met het mogelijke vervolg van de hangende procedure ingeval de minnelijke schikking niets oplevert. Artikel 36 Ontworpen artikel 734/1 van het Gerechtelijk Wetboek 1. Met betrekking tot het ontworpen artikel 734/1, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het nut van de verwijzing daarin naar het ontworpen artikel 733/1, heeft de gemachtigde van de minister het volgende verduidelijkt: “Les dispositions concernant la conciliation ont été modi‑ fiées afin de bien faire la distinction entre la conciliation pré‑ contentieuse (art. 731/1) et la conciliation qui a lieu en cours d’instance (art. 733/1). En fonction de l’une ou l’autre de ces hypothèses, la manière de saisir le tribunal sera différente: soit introduction par requête (731/1), soit demande soumise au juge afin de solliciter une audience de conciliation (demande au juge selon 733/1, qui renvoie lui‑même à l’article 732 pour convoquer les parties à l’audience). Le Roi est habilité à s’écarter du taux de 7 % par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et à la demande motivée des autorités visées à l’article 488 du Code judiciaire sur la base de frais démontrés. À la question de savoir si cette habilitation a une portée réglementaire ou individuelle, le délégué a déclaré: “On peut confirmer que la volonté première de l’auteur du texte est de permettre des dérogations spécifiques rendues nécessaires par les constats qui sont remontés des barreaux vers les Ordres. Toutefois, rien n’est à exclure surtout si les constats précités trahissent un changement de plus grande ampleur qui est susceptible d’affecter l’ensemble des barreaux (ex.: cas non voulu de sur‑inflation consécutif à une instabilité économique conjoncturelle)”. Il ne ressort pas clairement de la disposition en projet si l’intention est de conférer au Roi un pouvoir individuel ou réglementaire. Il devrait être précisé clairement dans le texte même de l’avant‑projet s’il s’agit d’une délégation qui concerne un pouvoir individuel ou réglementaire. Article 34 Article 733/1 en projet du Code judicaire Par comparaison avec ce qui est prévu à l’article 734/3, § 2, alinéa 1er et 2, en projet (article 38 de l’avant‑projet), il conviendrait de compléter le dispositif de l’article 733/1 en projet afin de prévoir les conséquences pratiques relatives à l’éventuelle suite de la procédure pendante dans l’hypothèse où la conciliation n’aboutit pas. Article 36 Article 734/1 en projet du Code judiciaire 1. En ce qui concerne l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, en projet du Code judiciaire et l’utilité de la référence qui y est faite à l’article 733/1 en projet, la déléguée du ministre a précisé ce qui suit: “Les dispositions concernant la conciliation ont été modi‑ fiées afin de bien faire la distinction entre la conciliation pré‑ contentieuse (art. 731/1) et la conciliation qui a lieu en cours d’instance (art. 733/1). En fonction de l’une ou l’autre de ces hypothèses, la manière de saisir le tribunal sera différente: soit introduction par requête (731/1), soit demande soumise au juge afin de solliciter une audience de conciliation (demande au juge selon 733/1, qui renvoie lui-même à l’article 732 pour convoquer les parties à l’audience). 3552/001 DOC 55 152 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E L’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, entend reprendre le même fonctionnement pour saisir la chambre de règlement à l’amiable: soit on introduit une requête comme pour la conciliation pré‑ contentieuse, soit on demande la fixation d’une audience de conciliation. Il est important de faire référence à l’article 733/1 car il s’agit bien d’une conciliation en cours de procédure et pas d’une conciliation précontentieuse.” Er wordt akte genomen van deze uitleg. 2. Aangezien de zaak, zowel op verzoek van de partijen als op initiatief van de rechter “indien hij dit nuttig acht”, in de loop van het geding naar de kamer voor minnelijke schik‑ king verwezen kan worden, moeten de partijen opgeroepen worden binnen een termijn die het geding geen onredelijk lange vertraging doet oplopen (zoals dat trouwens bepaald wordt voor de gevallen waarin het ontworpen artikel 732 van het Gerechtelijk Wetboek toegepast wordt). Het dispositief moet dan ook aldus aangevuld worden dat een dergelijke garantie geboden wordt.4 Artikel 42 Ontworpen artikel 1094/2 van het Gerechtelijk Wetboek Op de vraag of met betrekking tot het ontworpen arti‑ kel 1094/2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet ook naar artikel 1094/1 van het Gerechtelijk Wetboek verwezen zou moeten worden, heeft de gemachtigde van de minister geantwoord dat “[e]n ce qui concerne l’article 1094/1, il est d’application tellement exceptionnelle pour les requêtes ‘principales’ qu’il n’a pas été considéré utile de l’étendre à la procédure mue par requête complémentaire”. Die uitleg overtuigt niet: ook al gaat het om een uitzonderlijk geval, het is de bedoeling dat artikel 1094/1 van het Gerechtelijk Wetboek ook geldt voor het ontworpen dispositief. Er moet dus eveneens melding van gemaakt worden in het derde lid van het ontworpen artikel 1094/2 van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 44 Ontworpen artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek 4 Over hoe belangrijk het is om de rechtzoekende het recht te waarborgen om binnen een redelijke termijn via rechtspraak tot een oplossing te komen, zie advies 61.997/4 van 4 oktober 2017 over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 18 juni 2018 ‘houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing’ (Parl.St. Kamer 2017‑18, nr. 54‑2919/001, algemene opmerking 3 gemaakt in het kader van het onderzoek van hoofdstuk 1 van titel 9, pp. 548 tot 551). L’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, entend reprendre le même fonctionnement pour saisir la chambre de règlement à l’amiable: soit on introduit une requête comme pour la conciliation pré‑ contentieuse, soit on demande la fixation d’une audience de conciliation. Il est important de faire référence à l’article 733/1 car il s’agit bien d’une conciliation en cours de procédure et pas d’une conciliation précontentieuse”. Il est pris acte de cette explication. 2. Dès lors que le renvoi de la cause devant la chambre de règlement à l’amiable peut intervenir en cours d’instance tant à la demande des parties qu’à l’initiative du juge, “s’il l’estime utile”, la convocation des parties doit intervenir dans un délai permettant de ne pas retarder de manière déraison‑ nable l’instance (comme cela est d’ailleurs prévu pour les hypothèses faisant application de l’article 732 en projet du Code judiciaire). Le dispositif sera dès lors complété afin d’offrir une telle garantie4. Article 42 Article 1094/2 en projet du Code judiciaire Interrogée sur la question de savoir si, en ce qui concerne l’article 1094/2, alinéa 3, en projet du Code judiciaire, il ne faudrait pas également faire référence à l’article 1094/1 du Code judiciaire, la déléguée du ministre a répondu qu’ “[e]n ce qui concerne l’article 1094/1, il est d’application tellement exceptionnelle pour les requêtes ‘principales’ qu’il n’a pas été considéré utile de l’étendre à la procédure mue par requête complémentaire”. Cette explication ne convainc pas: même si c’est à titre exceptionnel, l’article 1094/1 du Code judiciaire a vocation à s’appliquer au dispositif en projet. Il sera donc également mentionné à l’alinéa 3 de l’ar‑ ticle 1094/2 en projet du Code judiciaire. Article 44 Article 1187 en projet du Code judiciaire 4 Sur l’importance de garantir au justiciable son droit à une solution juridictionnelle dans un délai raisonnable, voir l’avis 61.997/4 donné le 4 octobre 2017 sur un avant‑projet devenu la loi du 18 juin 2018 ‘portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges’, (Doc. parl., Chambre, 2017‑2018, n° 54‑2919/001, observation générale n° 3 formulée dans le cadre de l’examen du chapitre 1er du titre 9, pp. 548 à 551). 153 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E In het voorontwerp wordt herhaaldelijk verwezen naar de “wet tot bescherming van de maatschappij”. Op de vraag of, wat het ontworpen artikel 1187, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek betreft, gelet op het eerste lid van die bepaling, niet ook verwezen zou moeten worden naar de personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet van 9 april 1930 ‘tot bescherming van de maatschappij’, die opgeheven is bij de wet van 5 mei 2014 ‘betreffende de internering’, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord: “Effectivement, l’absence d’une référence aux ‘person‑ nes internées par application de la loi sur la défense sociale’ dans l’article 1187, alinéa 2, du Code judiciaire, ne paraît pas justifiable dès lors qu’une telle référence apparaît dans l’alinéa 1er de cet article. Cela étant, après réexamen de cet article, nous constatons que la référence à la ‘loi sur la défense sociale’ n’est pas exacte puisque la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement. En outre, nous constatons aussi qu’en réalité, l’incapacité de la personne internée ne découle pas de l’internement comme tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection judiciaire, prise sur base de l’article 1238, § 2, 2°. Les références aux ‘personnes protégées’ et aux ‘admi‑ nistrateurs des personnes protégées’, qui figurent déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire semblent donc suffisantes pour couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente.” Er wordt akte genomen van deze uitleg waaruit voortvloeit dat de verwijzing naar de wet tot bescherming van de maat‑ schappij aangepast moet worden in alle betrokken bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Hoofdstuk 4 – Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 5 – Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Artikel 75 Het ontworpen artikel 2, eerste lid, 1°, h), van de wet van 11 april 1995 ‘tot invoering van het ‘handvest’ van de sociaal verzekerde’ bepaalt dat de “uitkeringen” bedoeld in de wet van 18 juli 2017 ‘betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme’ onder de notie ‘sociale zekerheid’ ressorteren. In het Gerechtelijk Wetboek, waarbij blijkens de memorie van toelichting aansluiting wordt gezocht, is evenwel sprake van “de terugbetalingen van medische zorgen en de herstelpen‑ sioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 (…)”. À plusieurs reprises, il est fait référence dans l’avant‑projet à la “loi de défense sociale”. Interrogée sur la question de savoir si, en ce qui concerne l’article 1187, alinéa 2, en projet du Code judiciaire, il ne faudrait pas, au vu de l’alinéa 1er de cette disposition, également viser les personnes internées par application de la loi du 9 avril 1930 ‘de défense sociale’, abrogée par la loi du 5 mai 2014 ‘relative à l’internement’, la déléguée du ministre a précisé ce qui suit: “Effectivement, l’absence d’une référence aux “personnes internées par application de la loi sur la défense sociale” dans l’article 1187, alinéa 2, du Code judiciaire, ne paraît pas justifiable dès lors qu’une telle référence apparaît dans l’alinéa 1er de cet article. Cela étant, après réexamen de cet article, nous constatons que la référence à la ‘loi sur la défense sociale’ n’est pas exacte puisque la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement. En outre, nous constatons aussi qu’en réalité, l’incapacité de la personne internée ne découle pas de l’internement comme tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection judiciaire, prise sur base de l’article 1238, § 2, 2°. Les références aux ‘personnes protégées’ et aux ‘admi‑ nistrateurs des personnes protégées’, qui figurent déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire semblent donc suffisantes pour couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente”. Il est pris acte de cette explication, dont il découle que la référence à la loi de défense sociale doit être adaptée au sein de l’ensemble des dispositions concernées du Code judiciaire. Chapitre 4 – Modifications du Code de la nationalité belge Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 5 – Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Article 75 L’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en projet, de la loi du 11 avril 1995 ‘visant à instituer la ‘charte’ de l’assuré social’ dispose que les “prestations” visées dans la loi du 18 juillet 2017 ‘rela‑ tive à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme’ relèvent de la notion de ‘sécurité sociale’. Le Code judiciaire, dont on vise à se rapprocher selon l’exposé des motifs, mentionne toutefois “les remboursements de soins de santé et les pensions de dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 (…)”. 3552/001 DOC 55 154 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Het komt de stellers van het voorontwerp toe na te gaan of de ruimere omschrijving in het ontworpen artikel 2, eerste lid, 1°, h), van de wet van 11 april 1995 overeenstemt met de bedoeling van de stellers van het voorontwerp en om de bewoordingen in beide regelingen desgevallend met elkaar in overeenstemming te brengen. Verder verdient het aanbeveling om de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 2, eerste lid, 1°, h), van de wet van 11 april 1995 in overeenstemming te brengen met de Franse tekst door te verwijzen naar de “prestaties” bedoeld in de wet van 18 juli 2017 in de plaats van naar de “uitkeringen”. Hoofdstuk 6 – Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 7 – Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand Artikel 81 Het ontworpen artikel 5, § 2, tweede lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ schrijft voor dat het geïndexeerde bedrag van de bijdragen die dienen te worden betaald aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in werking treedt5 op de eerste werkdag van de tweede maand na de in het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Een gelijkaardige bekendmaking is op heden nog niet voorzien. Door de wijze waarop de inwerkingtreding van het nieuwe bedrag wordt bepaald, valt niet uit te sluiten dat het nieuwe, verhoogde bedrag van de bijdrage reeds van toepas‑ sing is vooraleer het nieuwe bedrag bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad. Daarover bevraagd, stelde de gemachtigde: “L’entrée en vigueur est clairement précisée: ‘ Le nouveau montant de la contribution visée au paragraphe 1er est publié par avis au Moniteur belge. Il entre en vigueur le 1er jour ou‑ vrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er.’ On a justement modifié cette règle pour permettre le changement informatique dans un délai déterminé et une publication au moniteur belge préalablement à l’entrée en vigueur. L’administration veille toujours à ce que la publication au moniteur belge précède l’entrée en vigueur. Une précision dans ce sens pourrait être ajoutée dans l’exposé des motifs.” 5 In de Nederlandse tekst van het voorontwerp dient de tweede zin van het ontworpen artikel 5, § 2, tweede lid, aan te vangen met het woord “Het” in de plaats van “Zij” aangezien beoogd wordt terug te verwijzen naar het nieuwe bedrag. Il appartient aux auteurs de l’avant-projet de vérifier si la définition plus large figurant à l’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en projet, de la loi du 11 avril 1995 correspond à l’intention des auteurs de l’avant-projet et, le cas échéant, d’harmoniser les formulations dans les deux régimes. En outre, il est recommandé de mettre le texte néerlandais de l’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en projet, de la loi du 11 avril 1995 en concordance avec le texte français en faisant réfé‑ rence aux “prestaties” visées dans la loi du 18 juillet 2017 et non aux “uitkeringen”. Chapitre 6 – Modifications du Code de droit économique Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 7 – Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne Article 81 L’article 5, § 2, alinéa 2, en projet, de la loi du 19 mars 2017 ‘instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne’ prescrit que le montant indexé des contri‑ butions dues au fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne est publié par avis au Moniteur belge et entre en vigueur5 le premier jour ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er. Une telle publication n’est pas encore prévue à ce jour. Étant donné la façon dont l’entrée en vigueur du nouveau montant est déterminée, il n’est pas exclu que le nouveau montant majoré de la contribution soit déjà d’application avant la publication du nouveau montant au Moniteur belge. Interrogé à ce sujet, le délégué a déclaré ce qui suit: “L’entrée en vigueur est clairement précisée: ‘ Le nouveau montant de la contribution visée au paragraphe 1er est publié par avis au Moniteur belge. Il entre en vigueur le 1er jour ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er.’ On a justement modifié cette règle pour permettre le changement informatique dans un délai déterminé et une publication au moniteur belge préalablement à l’entrée en vigueur. L’administration veille toujours à ce que la publication au moniteur belge précède l’entrée en vigueur. Une précision dans ce sens pourrait être ajoutée dans l’exposé des motifs”. 5 Dans le texte néerlandais de l’avant-projet, la deuxième phrase de l’article 5, § 2, alinéa 2, en projet, doit débuter par le mot “Het” au lieu de “Zij”, dès lors que l’intention est de renvoyer au nouveau montant. 155 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E De ontworpen regeling inzake de inwerkingtreding van het nieuwe bedrag van de bijdrage dient te worden verduidelijkt, waarbij het aanbeveling verdient dat een meer rechtszekere formulering wordt gehanteerd die garandeert dat het geïn‑ dexeerde bedrag pas toegepast wordt na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Hoofdstuk 8 – Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 9 – Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, moderni‑ sering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 10 – Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 11 – Wijziging van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge‑ rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen Artikelen 94 en 95 De artikelen 94 en 95 verwijzen respectievelijk naar zowel de artikelen 83 en 103 van de wet van 22 november 2022 ‘tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge‑ rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen’, alsook naar de hierdoor gewijzigde artikelen 535 en 555/5bis, van het Gerechtelijk Wetboek. De artikelen 83 en 103 van de wet van 22 november 2022 zijn wijzigingsbepalingen, die in beginsel op 1 januari 2024 in werking treden.6 Het is af te raden om een wijzigingsbepaling te wijzigen die niet in werking is getreden. Het verdient aanbeveling om een nieuwe wijzigingsbepaling te formuleren die de oorspronkelijke tekst rechtstreeks wijzigt, eventueel na de oorspronkelijke wijzigingsbepaling te hebben opgeheven. Op die manier wordt gezorgd voor een grotere transparantie en is het voor 6 Artikel 124, derde lid, van de wet van 22 november 2022. Luidens artikel 124, vierde lid, van diezelfde wet kan de Koning echter een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het derde lid. Le dispositif en projet relatif à l’entrée en vigueur du nou‑ veau montant de la contribution doit être clarifié, auquel cas il est recommandé d’utiliser une formulation juridiquement plus sûre garantissant que le montant indexé ne sera appliqué qu’après sa publication au Moniteur belge. Chapitre 8 – Modification du Code civil Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 9 – Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 10 – Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 11 – Modification de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant orga‑ nisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Articles 94 et 95 Les articles 94 et 95 visent respectivement tant les articles 83 et 103 de la loi du 22 novembre 2022 ‘portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses’ que les articles 535 et 555/5bis du Code judiciaire, modifiés par cette loi. Les articles 83 et 103 de la loi du 22 novembre 2022 sont des dispositions modificatives qui entreront en principe en vigueur le 1er janvier 20246. Il est déconseillé de modifier une disposition modificative qui n’est pas entrée en vigueur. Il est recommandé de formuler une nouvelle disposition modificative qui modifie directement l’acte originel, éventuellement après avoir abrogé la disposi‑ tion modificative initiale. On veillera ainsi à une plus grande 6 Article 124, alinéa 3, de la loi du 22 novembre 2022. Selon l’article 124, alinéa 4, de la même loi, le Roi peut fixer une date d’entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l’alinéa 3. 3552/001 DOC 55 156 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E de rechtsonderhorigen eenvoudiger om werkelijk rekening te houden met de wijziging.7 Hoofdstuk 12 – Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betref‑ fende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerech‑ telijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen. Hoofdstuk 13 – Overgangsbepalingen Artikel 98 In artikel 98 van het voorontwerp schrijve men in de Nederlandse tekst “kamer voor minnelijke schikking”. Artikel 99 In artikel 99 van het voorontwerp dient in de Nederlandse tekst de zinsnede “de hoven en rechtbanken opgesplitst in kamers” te worden vervangen door “de hoven en rechtbanken verdeeld in afdelingen”. Hoger werd bij hoofdstuk 3 van het voorontwerp reeds opgemerkt dat indien het de bedoeling is dat in elk arrondis‑ sement een kamer voor minnelijke schikking wordt ingericht, dit dient te worden verduidelijkt in de tekst van het voorontwerp. Ook de overgangsregeling voorzien in artikel 99 van het voorontwerp dient in het licht daarvan aan een nader onder‑ zoek te worden onderworpen en hierop te worden afgestemd. Hoofdstuk 14 – Inwerkingtreding 7 Zie Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad van State, 2008, aanbevelingen 129 tot 131 te raadplegen op de internetsite van de Raad van State (www.raadvst‑consetat.be). transparence et cela facilitera la prise en compte effective de la modification par les justiciables7. Chapitre 12 – Modification de la loi du 14 mars 2023 met‑ tant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commer‑ ciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale Ce chapitre n’appelle aucune observation. Chapitre 13 – Dispositions transitoires Article 98 Dans le texte néerlandais de l’article 98 de l’avant-projet, on écrira “kamer voor minnelijke schikking”. Article 99 Dans le texte néerlandais de l’article 99 de l’avant-projet, il convient de remplacer le segment de phrase “de hoven en rechtbanken opgesplitst in kamers” par le membre de phrase “de hoven en rechtbanken verdeeld in afdelingen”. Il a déjà été observé plus haut, en ce qui concerne le chapitre 3 de l’avant‑projet, que si l’intention est de créer une chambre de règlement à l’amiable dans chaque arrondissement, il faudrait le clarifier dans le texte de l’avant‑projet. Le régime transitoire prévu à l’article 99 de l’avant‑projet doit également être réexaminé au regard de ce qui précède et être adapté en conséquence. Chapitre 14 – Entrée en vigueur 7 Principes de technique législative - Guide de rédaction des textes législatifs et réglementaires, www.raadvst-consetat.be, onglet “Technique législative”, recommandations nos 129 à 131. 157 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Artikel 101 Overeenkomstig artikel 101 van het voorontwerp treden de artikelen 24 tot 26 van het voorontwerp in werking op 1 september 2023. Het komt aan de stellers van het voorontwerp toe te waken over een tijdige bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, teneinde eenieder een redelijke termijn te geven om kennis te nemen van de nieuwe bepalingen. De griffier, Wim Geurts De voorzitter, Marnix Van Damme De griffier, Béatrice Drapier De voorzitter, Pierre Vandernoot Article 101 Conformément à l’article 101 de l’avant-projet, les articles 24 à 26 de ce dernier entrent en vigueur le 1er septembre 2023. Il appartient aux auteurs de l’avant‑projet de veiller à une publication dans le délai au Moniteur belge, afin d’accorder à chacun un délai raisonnable pour prendre connaissance des nouvelles dispositions. Le greffier, Wim Geurts Le Président Marnix Van Damme Le greffier, Béatrice Drapier Le Président Pierre Vandernoot 3552/001 DOC 55 158 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E WETSONTWERP FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Op de voordracht van de minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij: De minister van Justitie is ermee belast in onze naam bij de Kamer van volksvertegenwoordigers het ontwerp van wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt: HOOFDSTUK 1 Algemene bepaling Artikel 1 Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. HOOFDSTUK 2 Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 2 In artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek, ver- vangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 5°/1 ingevoegd, luidende: “5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door het meerderjarige kind;” Art. 3 Artikel 63 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 2018 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende: “5° in geval van toepassing van artikel 335sexies, § 2, het aktenummer van de akte van erkenning die als basis heeft gediend voor de opmaak van de akte van naamsverandering.” PROJET DE LOI PHILIPPE, Roi des Belges, À tous, présents et à venir, Salut. Sur la proposition du ministre de la Justice, Nous avons arrêté et arrêtons: Le ministre de la Justice est chargé de présenter en notre nom à la Chambre des représentants le projet de loi dont la teneur suit: CHAPITRE 1ER Disposition générale Article 1er La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la Constitution. CHAPITRE 2 Modifications de l’ancien Code civil Art. 2 Dans l’article 51 de l’ancien Code civil, remplacé par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 5°/1 rédigé comme suit: “5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par l’enfant majeur;” Art. 3 L’article 63 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018 et modifié par la loi du 31 juillet 2020, est complété par un 5°, rédigé comme suit: “5° en cas d’application de l’article 335sexies, § 2, le numéro de l’acte de reconnaissance qui a servi de base à l’établissement de l’acte de changement de nom.” 159 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 4 Artikel 313 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987 en van 1 juli 2006, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende: “§ 4. Als de erkenning betrekking heeft op een meer- derjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanlei- ding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt heb- ben overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 3, tweede lid.” Art. 5 Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 19 september 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid.” Art. 6 Artikel 325/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 19 sep- tember 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid.” Art. 7 In artikel 327/2, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 september 2017 en vervangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 3°/1 in- gevoegd, luidende: “3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van naams- keuze op basis van artikel 335, § 3, eerste lid, of van artikel 335ter, § 2, eerste lid, en de toestemming van het minderjarig kind indien het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt;” Art. 4 L’article 313 du même Code, modifié par les lois du 31 mars 1987 et du 1er juillet 2006, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit: “§ 4. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance ‘et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des- cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues au paragraphe 3, alinéa 2.” Art. 5 L’article 319bis du même Code, modifié par les lois du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété par un alinéa, rédigé comme suit: “Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des- cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues à l’alinéa 2.” Art. 6 L’article 325/6 du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014 et modifié par les lois du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des- cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues à l’alinéa 2.” Art. 7 Dans l’article 327/2, § 2, du même Code, inséré par la loi du 19 septembre 2017 et remplacé par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit: “3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de nom sur la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er, ou de l’ar- ticle 335ter, § 2, alinéa 1er, et le consentement de l’enfant mineur sur ce choix s’il a atteint l’âge de douze ans;” 3552/001 DOC 55 160 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 8 Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wetten van 18 juni 2018 en van 31 juli 2020, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende: “§ 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de naams- verandering van een meerderjarig kind dat reeds na- komelingen heeft, brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben.” Art. 9 In artikel 335 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende: “In geval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling of het handhaven van deze enige af- stammingsband, wordt de naam bepaald overeenkomstig het eerste en het tweede lid.”; 2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid opgeheven; 3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt: “Indien de afstamming van vaderszijde of van moe- derszijde wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoel in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervanging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”; 4° in paragraaf 3 worden het vierde en het vijfde lid opgeheven; 5° in paragraaf 4 worden het eerste en het tweede lid, vervangen als volgt: Art. 8 L’article 333 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par les lois du 18 juin 2018 et du 31 juillet 2020, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit: “§ 3. Lorsque la décision donne lieu au changement de nom d’un enfant majeur qui a déjà une descendance, le greffier notifie le dispositif du jugement aux descen- dants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans par pli judiciaire.” Art. 9 À l’article 335 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit: “En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse- ment ou le maintien de ce seul lien de filiation, le nom est déterminé conformément aux alinéas 1er et 2.”; 2° dans le paragraphe 3, l’alinéa 1er est abrogé; 3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont rem- placés par ce qui suit: “Si la filiation paternelle ou maternelle est établie par reconnaissance après l’établissement de la filiation à l’égard de l’autre parent, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la déclaration de reconnaissance. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse- ment d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi confor- mément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”; 4° dans le paragraphe 3, les alinéas 4 et 5 sont abrogés; 5° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit: 161 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verande- ring aan zijn naam aangebracht. Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”; 6° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven; 7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: “§ 5. In geval van wijziging van de afstamming inge- volge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.” Art. 10 In artikel 335ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzi- gingen aangebracht: 1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven; 2° in paragraaf 2 worden het tweede en het derde lid vervangen als volgt: “Indien de afstamming ten aanzien van de meemoeder door erkenning wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervanging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”; 3° in paragraaf 2 worden het vierde en het vijfde lid opgeheven; 4° in paragraaf 3 worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt: “Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modi- fiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier.”; 6° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est abrogé; 7° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit: “§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré.” Art. 10 À l’article 335ter du même Code, inséré par la loi du 5 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 dé- cembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est abrogé; 2° dans le paragraphe 2, les alinéas 2 et 3 sont rem- placés par ce qui suit: “Si la filiation à l’égard de la coparente, établie par reconnaissance, est établie après l’établissement de la filiation maternelle, le nom de l’enfant est établi confor- mément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la déclaration de reconnaissance. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse- ment d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi confor- mément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”; 3° dans le paragraphe 2, les alinéas 4 et 5 sont abrogés; 4° dans le paragraphe 3, les alinéas 1er et 2 sont remplacés par ce qui suit: 3552/001 DOC 55 162 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verande- ring aan zijn naam aangebracht. Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”; 5° in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven; 6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende: “§ 5. In geval van wijziging van de afstamming inge- volge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.” Art. 11 In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335quinquies ingevoegd, luidende: “Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn vonnis akte van de gekozen of door de wet vastgestelde naam van het kind in alle gevallen van wijziging van de afstam- ming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam.” Art. 12 In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335sexies ingevoegd, luidende: “Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een veran- dering van afstamming overeenkomstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3, geldt ook geheel of ten dele voor de afstammelingen in de eerste graad die zijn geboren voor deze verandering, indien het de naam van die ouder is die hun werd toegekend of die een deel van de dubbele naam die hun werd gegeven vormt. § 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt die naam enkel aan het kind dat de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, toegekend met diens instemming. Op verzoek van het kind, in voorkomend geval bijgestaan door zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien het een niet- ontvoogde minderjarige betreft, maakt de bevoegde “Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modi- fiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier.”; 5° dans le paragraphe 3, l’alinéa 3 est abrogé; 6° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme suit: “§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré.” Art. 11 Dans le même Code, il est inséré un article 335quin- quies, rédigé comme suit: “Art. 335quinquies. Le juge acte dans son jugement le nom de l’enfant choisi ou fixé par la loi dans tous les cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom.” Art. 12 Dans le même Code, il est inséré un article 335sexies rédigé comme suit: “Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou fixé à l’occasion d’un changement de filiation conformément aux articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, s’impose en tout ou partie à leurs descendants au premier degré nés avant ce changement, si c’est le nom de ce parent qui leur a été attribué ou constitue une partie du double nom qui leur a été donné. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom n’est attribué à l’enfant ayant atteint l’âge de 12 ans qu’avec son consentement. À la demande de l’enfant, assisté le cas échéant par ses parents ou son représentant légal s’il est mineur non émancipé, l’officier de l’état civil compétent en établira un acte de changement de nom 163 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan een akte van naamsverandering op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die daarop betrekking hebben. Het verzoek wordt ingediend in het jaar dat volgt op de dag waarop de beslissing inzake de afstam- ming van de ouder of de akte van erkenning hem werd medegedeeld of betekend.” Art. 13 In artikel 338, § 1, tweede lid van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door de woorden “734/1, § 2”. Art. 14 Artikel 359-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt aangevuld met een lid, luidende: “Wanneer de oorspronkelijke afstamming van het kind niet vaststaat of wanneer de vader en de moeder van het kind, of de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben of in de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn en het kind geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in de Staat van herkomst, wordt in afwijking van artikel 361-4, 1°, c), de toestemming tot de omzetting in volle adoptie gegeven door een voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere betrokken persoon of van de procureur des Konings.” Art. 15 In artikel 499/19, § 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en vervangen bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon voorafgaan,” worden opgeheven; 2° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de be- schermde persoon voorafgaan”. et l’associera aux actes de l’état civil qui le concernent. La demande est introduite dans l’année qui suit le jour où la décision relative à la filiation du parent ou l’acte de reconnaissance lui aura été notifié ou signifié.” Art. 13 Dans l’article 338, § 1er, alinéa 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”. Art. 14 L’article 359-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est pas établie ou lorsque le père et la mère de l’enfant, ou le parent unique à l’égard de qui la filiation est établie, sont décédés, présumés absents, sans aucune résidence connue, dans l’impossibilité ou incapables d’exprimer leur volonté, et que l’enfant n’a pas de représentant légal dans l’État d’origine, le consentement à la conversion en adoption plénière est donné par un tuteur ad hoc désigné par le tribunal, à la requête de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, par dérogation à l’article 361-4, 1°, c).” Art. 15 À l’article 499/19, § 2, alinéa 2, 2°, du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013 et remplacé par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée,” sont abrogés; 2° le d) est complété par les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée”. 3552/001 DOC 55 164 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 3 Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 16 Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 2015 en van 21 decem- ber 2018 wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten aanzien van een geschilpunt dat het voorwerp van de beslis- sing heeft uitgemaakt kan ook door een derde worden ingeroepen tegen een partij bij die beslissing.” Art. 17 Artikel 76, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld met een lid, luidende: “De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke kamer(s) en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld in afdelingen, bestaat de burgerlijke rechtbank van een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor min- nelijke schikking.” Art. 18 In artikel 78 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het zevende lid vervangen als volgt: “Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecia- liseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Een plaatsvervangend rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schik- king op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 19 In artikel 79 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt het achtste lid vervangen als volgt: “Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters in de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg.” CHAPITRE 3 Modifications du Code judiciaire Art. 16 L’article 23 du Code judiciaire, modifié par les lois du 19 octobre 2015 et du 21 décembre 2018, est com- plété par un alinéa rédigé comme suit: “L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une question litigieuse qui a fait l’objet de la décision peut également être invoquée par un tiers à l’encontre d’une partie à cette décision.” Art. 17 L’article 76, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Le tribunal civil se compose de la ou des chambres civiles et d’une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de première instance est réparti en divisions, le tribunal civil d’une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.” Art. 18 Dans l’article 78, du même Code, modifié par la loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 7 est remplacé par ce qui suit: “Chaque chambre de règlement à l’amiable est com- posée d’un juge unique ayant suivi la formation spécia- lisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 19 Dans l’article 79 du même Code, modifié par la loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 8 est remplacé par ce qui suit: “Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges au tribunal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les chambres civiles du tribunal de première instance.” 165 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 20 In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 13 december 2005 en bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en uit een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; 2° in het tweede lid worden de woorden “Ten minstens één daarvan” vervangen door de woorden “Minstens één van de drie kamers,”; 3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en twee rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georga- niseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 21 In artikel 84 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de ondernemingsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt: “Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in ondernemingszaken. De rechters die van de kamer voor minnelijke schikking deel uitmaken, moeten allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke oplei- ding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben Art. 20 À l’article 81 du même Code, modifié par la loi du 13 dé- cembre 2005 et par la loi du 8 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal du travail est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “L’une d’elles au moins,” sont remplacés par les mots “L’une des trois chambres au moins,”; 3° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Chaque chambre de règlement à l’amiable est compo- sée d’un président, juge au tribunal du travail, et de deux juges sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la for- mation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 21 À l’article 84 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de l’entreprise est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 2° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “Chacune d’elles est présidée par un juge au tribunal de l’entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires. Les juges composant la chambre de règle- ment à l’amiable doivent tous avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judi- ciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge consulaire suppléant peut siéger 3552/001 DOC 55 166 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsver- vangend rechter in ondernemingszaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 22 In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 30 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “waarvan een of meer kamers voor minnelijke schikking,” ingevoegd tussen de woorden “Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken,” en de woorden “kamers voor correctionele zaken”; 2° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden “Opdat de gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking rechtsgeldig zou zijn samengesteld, moet het voor die kamer aangewezen lid van het hof een gespecialiseerde opleiding hebben genoten verstrekt door het Instituut voor gerechtelijke opleiding” vervangen door “Elke ka- mer voor minnelijke schikking bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd.” Art. 23 Artikel 102, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, wordt aan- gevuld met een lid, luidende: “Een plaatsvervangend raadsheer kan alleenzetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en door- verwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd.” Art. 24 In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij- zigd bij de wet van 18 februari 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Elk arbeidshof stelt een of meer kamers voor minne- lijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”; dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation.” Art. 22 À l’article 101 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “dont une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable” sont insérés entre les mots “Il y a à la cour d’appel des chambres civiles,” et les mots “des chambres correctionnelles”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots “Pour que la chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit constituée valablement, le membre de la cour désigné pour cette chambre doit avoir suivi une formation spé- cialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire.” sont remplacés par “Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un conseiller à la cour ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.” Art. 23 L’article 102, § 1er, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 1er décembre 2013, est complété par un alinéa rédigé comme suit: “Un conseiller suppléant peut siéger seul dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Art. 24 À l’article 104 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 18 février 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “Chaque cour du travail institue une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque la cour du travail est répartie en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”; 167 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, een raadsheer in het arbeidshof en twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die al- lemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsver- vangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.” Art. 25 Artikel 508/11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998, wordt vervangen als volgt: “Art. 508/11. De in artikel 488 bedoelde overheden bezorgen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.” Art. 26 In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als volgt: “De controle en toekenning van de punten voor de prestaties verricht door de advocaten zoals bepaald in het tweede lid en in artikel 508/8worden uitgevoerd door de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd door de overheden zoals bedoeld in artikel 488 op de wijze die door de Koning wordt bepaald.”; 2° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende: “§ 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert dan alle goedgekeurde eindverslagen per materie over- eenkomstig paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien onderworpen aan een audit om de correctheid van de aanstellingen, de kwaliteit van de verrichte diensten door de advocaat, de realiteit van de verrichte diensten door de advocaat overeenkomstig de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van deze controles door het bureau voor juridische bijstand te ve- rifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “La chambre de règlement à l’amiable est compo- sée d’un président, conseiller à la cour du travail et de deux conseillers sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un conseiller suppléant ou un conseiller social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi une telle formation.” Art. 25 L’article 508/11 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998, est remplacé par ce qui suit: “Art. 508/11. Les autorités visées à l’article 488 trans- mettent annuellement un rapport sur le fonctionnement de l’aide juridique de deuxième ligne au ministre de la Justice selon les modalités établies par le Roi.” Art. 26 À l’article 508/19 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et modifié par la loi du 31 juil- let 2020, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce qui suit: “Le contrôle et l’attribution des points pour les presta- tions accomplies par les avocats en vertu de l’alinéa 2 et de l’article 508/8 sont effectués par les bureaux d’aide juridique et coordonné par les autorités visées à l’ar- ticle 488 selon les modalités déterminées par le Roi.”; 2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit: “§ 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe ensuite par matière tous les rapports de clôture approuvés en vertu du paragraphe 2. Certains d’entre eux sont alors soumis à un audit consistant à vérifier l’exactitude des désignations, la qualité du travail effectué par l’avocat, la réalité des prestations accomplies par les avocats conformément à la liste visée au paragraphe 2, ali- néa 2, et l’exercice de ces vérifications par le bureau d’aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités visées à l’article 488 selon les modalités déterminées 3552/001 DOC 55 168 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E overheden uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels die de Koning bepaalt. De conclusies van deze audit worden toegezonden aan de betrokken bureaus voor juridische bijstand, dat er rekening mee houdt. Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan de minister meegedeeld. De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die overeenkomstig de in het eerste lid en paragraaf 2 be- doelde controles het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie.”; 3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt: “§ 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in paragraaf 2/1, tweede lid, kan de minister van Justitie, indien hij zulks noodzakelijk acht, een aanvullende controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 be- doelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die in voorkomend geval via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. De betaling wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden.”; 4° in paragraaf 4, worden de woorden “de bereke- ningswijze van” opgeheven. Art. 27 Artikel 508/19bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als volgt: “Art. 508/19bis. Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op basis van de door de bureaus voor juridische bijstand aangegeven werkelijke kosten en goedgekeurd door de minister. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding bedoeld in artikel 508/19, § 3. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoe- ring van dit artikel en kan in bijzondere gevallen, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit afwijken van het par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont transmises, afin qu’il en soit tenu compte, aux bureaux d’aide juridique concernés. Un rapport simplifié de ces conclusions dont le contenu est déterminé par le Roi est préparé par les autorités visées à l’article 488 et envoyé au ministre. Le bâtonnier communique le total des points de son barreau aux autorités visées à l’article 488, lesquelles communiquent, conformément aux contrôles visés à l’alinéa 1er et au paragraphe 2, le total des points de tous les barreaux au ministre de la Justice.”; 3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit: “§ 3. Dès réception de l’information visée au para- graphe 2/1, alinéa 2, le ministre de la Justice peut, s’il l’estime nécessaire, faire effectuer un contrôle sup- plémentaire selon les modalités qu’il détermine après consultation des autorités visées à l’article 488. Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des Ordres des avocats. Le paiement est effectué selon les conditions déterminées par le Roi.”; 4° dans le paragraphe 4, les mots “le mode de calcul de” sont abrogés. Art. 27 L’article 508/19bis du même Code, inséré par la loi du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit: “Art. 508/19bis. Une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge du budget du SPF Justice. Le montant de la subvention est déterminé selon les frais réels exposés par les bureaux d’aide juridique et approuvés par le ministre. Ce montant ne peut excé- der 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3. Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article et peut, dans des cas spécifiques, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, s’écarter du 169 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E voormelde percentage van 7 % op gemotiveerde vraag van de in artikel 488 bedoelde overheden op basis van aangetoonde kosten.” Art. 28 In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling I ingevoegd, met als opschrift “Eerste Afdeling. Algemene bepaling”, die bestaat uit artikel 730/1. Art. 29 In artikel 730/1, § 2, ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “Behoudens in kort geding, kan de rechter” vervangen door de woorden “De rechter kan”; 2° in het tweede lid worden de woorden “zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is” vervangen door de woorden “zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens in kort geding,”. Art. 30 In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling II ingevoegd, met als op- schrift “Afdeling II. Minnelijke schikking”, die bestaat uit de artikelen 731 tot en met 734. Art. 31 In artikel 731 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid opgeheven. Art. 32 In afdeling II wordt een artikel 731/1 ingevoegd, luidende: “Art. 731/1. Onverminderd het bepaalde in de artike- len 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om ervan kennis te nemen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van taux de 7 % précité à la demande motivée des autorités visées à l’article 488 sur la base de frais démontrés.” Art. 28 Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section première intitulée “Section première. Disposition générale”, comprenant l’article 730/1. Art. 29 À l’article 730/1, § 2, inséré par la loi du 18 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “Sauf en référé, le juge” sont remplacés par les mots “Le juge”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “À la demande” sont remplacés par les mots “Sauf en référé, à la demande”. Art. 30 Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section 2 intitulée “Section II. La conciliation”, comprenant les articles 731 à 734. Art. 31 Dans l’article 731 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est abrogé. Art. 32 Dans la section II, il est inséré un article 731/1, rédigé comme suit: “Art. 731/1. Sans préjudice des dispositions des ar- ticles 1724 à 1737, toute demande principale introductive d’instance entre parties capables de transiger et sur des objets susceptibles d’être réglés par transaction, peut être préalablement soumise, à la requête d’une des parties ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge compétent pour en connaître. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par 3552/001 DOC 55 170 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.” Art. 33 In artikel 732 van hetzelfde Wetboek worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woorden “Onverminderd de termijn voor dagvaarding bedoeld in artikel 707,” ingevoegd voor de woorden “in- dien een van hen het,” en worden de woorden “binnen de gewone termijn van dagvaarding” vervangen door de woorden “binnen een maand”; 2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende: “Indien het verzoek tot minnelijke schikking een aan- spraak op een recht bevat, wordt het gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek. Onder dezelfde voorwaarden schorst het verzoek tot minnelijke schikking gedurende een maand de verjaring van de aan dit recht verbonden vordering.” Art. 34 In artikel 733 van hetzelfde Wetboek worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° het enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aange- vuld met de woorden “, tenzij de partijen daarvan afzien.”; 2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het verschijnen van de partijen op de zitting tot min- nelijke schikking schorst de verjaringstermijn voor de duur van de minnelijke schikking.” Art. 35 In afdeling II wordt een artikel 733/1 ingevoegd, luidende: “Art. 733/1. Indien er al een procedure loopt, kan het geschil gedurende het gehele geding ter minnelijke schik- king aan de rechter worden voorgelegd, op initiatief van de rechter of van een partij. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.” Art. 33 À l’article 732 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots “Sans préjudice du délai de citation visé à l’article 707,” sont insérés avant les mots “les parties sont convoquées” et les mots “ordinaire des citations,” sont remplacés par les mots “d’un mois,”; 2° l’article est complété par deux alinéas rédigés comme suit: “Si la demande en conciliation contient la réclamation d’un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l’article 5.240 du Code civil. Dans les mêmes conditions, la demande en conciliation suspend le cours de la prescription de l’action attachée à ce droit pendant un mois.” Art. 34 À l’article 733 du même Code, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, est complété par les mots “, sauf si les parties y renoncent.”; 2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit: “La comparution des parties à l’audience de conciliation suspend le cours de la prescription durant la conciliation.” Art. 35 Dans la section II, il est inséré un article 733/1, rédigé comme suit: “Art. 733/1. Si une procédure est déjà pendante, le litige peut être soumis, tout au long de l’instance, au juge à fin de conciliation, à l’initiative du juge ou d’une partie. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression 171 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. De partijen zullen worden opgeroepen overeenkom- stig artikel 732. Indien een schikking tot stand komt, kan akte worden genomen van de bewoordingen van die schikking in een vonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043. Als de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, kan de gewone gerechtelijke procedure op initiatief van een van de partijen voortgezet worden.” Art. 36 In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek wordt een afdeling III ingevoegd, met als op- schrift “Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking”. Art. 37 In afdeling III wordt een artikel 734/1 ingevoegd, luidende: “Art. 734/1. § 1. De zaken kunnen ter minnelijke schik- king worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking onder de voorwaarden bedoeld in artikel 731/1. Het geschil kan ook ter minnelijke schikking aan de kamer voor minnelijke schikking worden voorgelegd, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 733/1, eerste lid. De partijen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732. § 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nut- tig acht, kan de rechter ook, gedurende het gehele geding, de doorverwijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof bevelen, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het dossier van de procedure over aan de griffier van de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen. De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept de partijen bij eenvoudige brief op om te verschijnen, binnen een maand, op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. Les parties seront convoquées conformément à l’article 732. Si un accord intervient, les termes de cet accord peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt confor- mément à l’article 1043. Si la conciliation n’aboutit pas, la procédure judiciaire ordinaire peut être poursuivie à l’initiative d’une des parties.” Art. 36 Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du même Code, il est inséré une section III intitulée “Section III. La chambre de règlement à l’amiable”. Art. 37 Dans la section III, il est inséré un article 734/1, rédigé comme suit: “Art. 734/1. § 1er. Les affaires peuvent être soumises à fin de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable dans les conditions visées à l’article 731/1. Le litige peut également être soumis à la chambre de règlement à l’amiable à fin de conciliation, dans les conditions visées à l’article 733/1, alinéa 1er. Les parties sont convoquées conformément à l’article 732. § 2. À la demande des parties ou s’il l’estime utile, le juge peut également ordonner, tout au long de l’ins- tance, le renvoi de la cause à la chambre de règlement à l’amiable du même tribunal ou de la même cour, par simple mention au procès-verbal de l’audience. Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée. Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque les parties, par simple lettre, à comparaître, dans le délai d’un mois, aux lieu, jour et heure de l’au- dience à laquelle l’affaire sera appelée. 3552/001 DOC 55 172 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van over- eenkomstige toepassing. § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn de artikelen 732, tweede en derde lid en 733, twee- de lid, van toepassing.” Art. 38 In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/2 inge- voegd, luidende: “Art. 734/2. § 1. In de zaken die op grond van arti- kel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, worden de bewoordingen van de schikking door de kamer voor minnelijke schikking opgetekend in het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoer- legging, tenzij de partijen daarvan afzien. § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1, twee- de lid en § 2,waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, kan akte worden genomen van de bewoordingen van het geheel of gedeeltelijk akkoord in een vonnis of een arrest overeenkomstig artikel 1043.” Art. 39 In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/3 inge- voegd, luidende: “Art. 734/3. § 1. In de zaken die op grond van arti- kel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, sluit het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking de procedure af. Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat wensen, een gewone gerechtelijke procedure inleiden om hun geschil door de rechtbank of het hof te laten beslechten. § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1, tweede lid en § 2,waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, wordt de gewone gerechtelijke procedure voortgezet voor de oorspronkelijke kamer. De kamer voor minnelijke schikking verwijst het dos- sier, volgens dezelfde vormvereisten als bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste en tweede lid, door naar de oorspronkelijke kamer. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des vio- lences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. § 3. Dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, les articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa 2, s’appliquent.” Art. 38 Dans la même section III, il est inséré un ar- ticle 734/2 rédigé comme suit: “Art. 734/2. § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord intervenu sont constatés par la chambre de règlement à l’amiable dans le procès- verbal de comparution en conciliation dont l’expédition est revêtue de la formule exécutoire, sauf si les parties y renoncent. § 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, ali- néa 2 et § 2, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord, partiel ou total, peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt, conformément à l’article 1043.” Art. 39 Dans la même section III, il est inséré un ar- ticle 734/3 rédigé comme suit: “Art. 734/3. § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, dans lesquelles la conciliation n’aura pas abouti, le procès-verbal de la comparution en conciliation clôt la procédure. Les parties pourront ensuite, si elles le souhaitent, introduire une procédure judicaire ordinaire pour entendre trancher leur différend par le tribunal ou la cour. § 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, alinéa 2 et § 2, dans lesquels la conciliation n’aura pas abouti, la procédure judiciaire ordinaire est poursuivie devant la chambre d’origine. La chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon les mêmes formalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2, alinéas 1 et 2, le dossier devant la chambre d’origine. 173 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Indien een van de partijen op de hoorzitting voor een minnelijke schikking daarom heeft verzocht, roept de griffier van de oorspronkelijke kamer de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. Dit verzoek kan evenwel schriftelijk door een van de partijen na de doorverwijzing worden gedaan.” Art. 40 In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/4 inge- voegd, luidende: “Art. 734/4. § 1. De zittingen tot minnelijke schikking die worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking verlopen in raadkamer overeenkomstig arti- kel 757, § 2, 14°. Alles wat wordt gezegd of geschreven tijdens die zittingen is vertrouwelijk overeenkomstig arti- kel 1728. Bij schending van de vertrouwelijkheidsplicht, is artikel 1728, § 4, van toepassing. Met instemming van de partijen, kan de rechtbank of het hof, indien hij/het dit nuttig acht, ook aparte gesprek- ken voeren met elk van de partijen. § 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke schikking moeten de partijen in persoon verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten of de personen die worden vermeld in artikel 728. Indien een rechtspersoon in het geding is, wordt die vertegenwoordigd door een natuurlijke persoon die hem kan verbinden behoudens andersluidende beslissing van de Kamer voor minnelijk schikking. § 3. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde stellen aan de minnelijke schikking. § 4. Een rechter die de verzoeningsprocedure heeft uitgevoerd in een geschil dat aan de kamer voor min- nelijke schikking is voorgelegd, onthoudt zich ervan deel te nemen aan een vonnis of arrest over de uitkomst van hetzelfde geschil voor een andere kamer. Doet hij dat niet, dan kan hij worden gewraakt overeenkomstig artikel 828, 9°.” Art. 41 In artikel 757, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 en bij de wet van 17 maart 2013, wordt de bepaling onder 14° inge- voegd, luidende: Si l’une des parties en a fait la demande à l’audience de règlement amiable, le greffier de la chambre d’origine convoque les parties, sous pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Cette demande peut également être formulée par écrit par l’une des parties après le renvoi.” Art. 40 Dans la même section III, il est inséré un ar- ticle 734/4 rédigé comme suit: “Art. 734/4. § 1er. Les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable se déroulent en chambre du conseil conformément à l’article 757, § 2, 14°. Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours de ces audiences est confidentiel au sens de l’article 1728. En cas de violation de l’obligation de confidentialité, l’article 1728, § 4, est d’application. Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour peut, s’il/elle l’estime utile, aussi s’entretenir en aparté avec chacune des parties. § 2. Le jour de l’audience de conciliation, les parties comparaissent obligatoirement en personne, assistées, le cas échéant, de leurs avocats ou des personnes mentionnées dans l’article 728. Si une personne morale est à la cause, elle est représentée par une personne physique pouvant l’engager sauf décision contraire de la chambre de règlement à l’amiable. § 3. Tant les parties que le juge de la chambre de règlement à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre un terme à la conciliation. § 4. Le juge qui a exercé sa mission de conciliation dans le cadre d’un litige soumis à la chambre de règle- ment à l’amiable s’abstient de prendre part à un jugement ou arrêt sur les suites de ce même litige devant une autre chambre. À défaut, il peut être récusé conformément à l’article 828, 9°.” Art. 41 Dans l’article 757, § 2, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois du 2 juin 2010 et du 17 mars 2013, il est inséré un 14° rédigé comme suit: 3552/001 DOC 55 174 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “14° de zittingen tot minnelijke schikking die worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking.” Art. 42 In artikel 780/1 van hetzelfde Wetboek, wordt het vierde lid aangevuld met de woorden “of, in voorko- mend geval, het door de griffier eensluidend verklaard afschrift ervan”. Art. 43 In het deel IV, boek III, titel IV van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1094/2 ingevoegd, luidende: “Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een wet- telijke bepaling in werking treedt die met terugwerkende kracht van toepassing is op het geschil, kan de eisende partij bij het Hof een aanvullend verzoekschrift indienen dat een middel bevat dat ontleend is aan de schending van die bepaling. Dat verzoekschrift wordt toegevoegd aan het aanhangige geding. Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, inge- diend op de griffie van het hof binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling nadat het in voorkomend geval aan de andere partijen is betekend. De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot 1094/1 en 1097 zijn van toepassing op dit verzoekschrift en op de memories die de partijen met elkaar uitwisselen.” Art. 44 In artikel 1187 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, worden de woorden “of aan per- sonen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij,” opgeheven; 2° in het tweede lid, worden de woorden “en be- voorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”; 3° in hetzelfde lid, wordt de tweede zin aangevuld met de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.” “14° les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable.” Art. 42 Dans l’article 780/1 du même Code, l’alinéa 4 est complété par les mots “ou, le cas échéant, à la copie, certifiée conforme par le greffier, de celui-ci”. Art. 43 Dans la quatrième partie, livre III, titre IV du même Code, il est inséré un article 1094/2 rédigé comme suit: “Lorsque, au cours de la procédure en cassation, entre en vigueur une disposition légale qui s’applique rétroactivement au litige, la partie demanderesse peut soumettre à la Cour une requête complémentaire conte- nant un moyen pris de la violation de cette disposition. Cette requête est jointe à l’instance en cours. La requête est, à peine de déchéance, remise au greffe de la Cour dans les trois mois de l’entrée en vigueur de la disposition nouvelle après avoir, le cas échéant, été signifiée aux autres parties. Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094/1 et 1097 s’appliquent à cette requête et aux mémoires que les parties s’échangent.” Art. 44 À l’article 1187 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° à l’alinéa 1er, les mots “ou à des personnes inter- nées par application de la loi sur la défense sociale,” sont abrogés; 2° à l’alinéa 2, les mots “et privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 3° au même alinéa, la deuxième phrase est complétée par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.” 175 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 45 In artikel 1189, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, in de Franse tekst, wordt het woord “où” vervangen door het woord “ou”. Art. 46 In artikel 1189/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgeval- lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”; 2° in het eerste lid wordt de derde zin aangevuld met de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.”; 3° in het derde lid wordt de zin “De machtiging van de rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de artikelen 1186 en 1187.” vervangen door de zin “Geen van de mede-eigenaars moet de machtiging van de familierechtbank bekomen indien zij die een machtiging moeten vragen op basis van artikel 1187 deze hebben bekomen.” Art. 47 Artikel 1191 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt: “Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 evenals in artikel 1193quater, § 2, vereist is dat de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot machtiging van de familierechtbank, van de rechter- commissaris van het faillissement of van de onderne- mingsrechtbank. De vrederechter, de familierechtbank, de rechter-commissaris of de ondernemingsrechtbank wijst tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend geval, waakt over de bescherming van de betrokken belangen.” Art. 45 Dans l’article 1189, alinéa 1er, du même Code, rem- placé par la loi du 11 août 2017, dans le texte français, le mot “où” est remplacé par le mot “ou”. Art. 46 À l’article 1189/1 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “et privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 2° dans l’alinéa 1er, la troisième phrase est complétée par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.”; 3° dans l’alinéa 3, la phrase “L’autorisation du tri- bunal n’est pas requise en cas d’application des ar- ticles 1186 et 1187.” est remplacée par la phrase: “Aucun des copropriétaires ne doit obtenir l’autorisation du tribunal de la famille dans le cas où le ou les coproprié- taires qui doivent demander l’autorisation sur base de l’article 1187, l’ont obtenue.” Art. 47 L’article 1191 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit: “Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux articles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article 1193quater, § 2, exigeaient que les immeubles fussent en tout ou en partie vendus dans un ou plusieurs cantons autres que celui de la situation du bien, il en est fait mention suivant le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans la décision d’autorisation du tribunal de la famille, dans celle du juge-commissaire de la faillite ou dans celle du tribunal de l’entreprise; et le juge de paix, le tribunal de la famille, le juge-commissaire ou le tribunal de l’entre- prise désigne en même temps le juge de paix qui veille, le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause.” 3552/001 DOC 55 176 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 48 In artikel 1192 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, derde lid, wordt in de Nederlandse tekst het woord “tot” ingevoegd tussen het woord “over” en de woorden “de bekendmaking”; 2° in paragraaf 2 worden de woorden “nalatenschap- pen of” vervangen door de woorden “nalatenschappen,”; 3° in paragraaf 2 worden de woorden “of de veref- fenaars van een rechtspersoon” ingevoegd tussen het woord “boedels” en de woorden “te hebben gehoord”. Art. 49 In artikel 1193, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “en 1193ter” vervangen door de woorden “, 1193ter en 1193quater, § 3”. Art. 50 In artikel 1193bis, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het derde lid worden de woorden “waarbij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook een schattingsverslag wordt gevoegd. De ontwerpakte” vervangen door de woorden “. Hierbij voegen zij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, een schattingsverslag en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrij- vingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. Het schattingsverslag wordt opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld. De ontwerpakte”; 2° in het vierde lid worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers, zij” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei- sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 3° in het vierde lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Art. 48 À l’article 1192 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, dans le texte néerlandais, le mot “tot” est inséré entre le mot “over” et les mots “de bekendmaking”; 2° dans le paragraphe 2, les mots “vacantes ou” sont remplacés par les mots “vacantes,”; 3° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est complétée par les mots “ou les liquidateurs d’une per- sonne morale”. Art. 49 Dans l’article 1193, alinéa 1er, du même Code, rem- placé par la loi du 15 avril 2018, les mots “et 1193ter” sont remplacés par les mots “, 1193ter et 1193quater, § 3”. Art. 50 À l’article 1193bis, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 3, les mots “à laquelle est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un rapport d’expertise. Le projet d’acte” sont remplacés par les mots “. Il y est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire, un rapport d’expertise et un certi- ficat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances rela- tant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Le rapport d’expertise est établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le projet d’acte”; 2° dans l’alinéa 4, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan- ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans l’alinéa 4, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de 177 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de personen”. Art. 51 In artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 2018 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “door een notaris, aangewezen door de rechter-commissaris, opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor” vervangen door de woorden “ontwerp van verkoopakte opgemaakt door een door de curator aangewezen notaris voor”; 2° in het tweede lid worden de woorden “door hen aangewezen deskundige” vervangen door de woorden “deskundige aangewezen door de notaris die de ont- werpakte heeft opgesteld”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers, de personen” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge- registreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden,” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “en de gefailleerde”; 5° in het tweede lid worden de woorden “en de gefail- leerde” vervangen door de woorden “de gefailleerde en desgevallend de andere mede-eigenaars”; 6° in het tweede lid worden de woorden “zoals een minimumverkoopprijs” opgeheven. Art. 52 In het deel IV, boek IV, hoofdstuk IV van hetzelf- de Wetboek wordt een artikel 1193quater ingevoegd, luidende: “Art. 1193quater. § 1. Indien de vereffenaar van een rechtspersoon van de zuivering wenst te genieten over- eenkomstig artikel 1326 voor de openbare verkoop of verkoop uit de hand waartoe hij overgaat op basis van de artikelen 2:87, § 3, 2:88, § 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122, § 1, 4° of 5° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen dient hij, voorafgaandelijk aan deze verkoop, l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les personnes”. Art. 51 À l’article 1193ter du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 11 juil- let 2018 et du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “désigné par le juge- commissaire” sont remplacés par les mots “désigné par le curateur”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “qu’il a désigné et un certificat” sont remplacés par les mots “désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan- ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men- tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar- ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “de même que le failli”; 5° dans l’alinéa 2, les mots “et, le cas échéant, les autres copropriétaires” sont insérés entre les mots “de même que le failli” et les mots “doivent être appelés”; 6° dans l’alinéa 2, les mots “telle que la fixation d’un prix de vente minimum” sont abrogés. Art. 52 Dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV du même Code, il est inséré un article 1193quater rédigé comme suit: “Art. 1193quater. § 1er. Si le liquidateur d’une personne morale souhaite bénéficier de la purge conformément à l’article 1326 pour la vente à laquelle il procède confor- mément aux articles 2:87, § 3, 2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121, § 3 ou 2:122, § 1er, 4° ou 5° du Code des sociétés et des associations, il doit en outre obtenir préalablement à la vente publique ou la vente de gré à gré une autorisation 3552/001 DOC 55 178 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bovendien een machtiging te verkrijgen van de onder- nemingsrechtbank. Bij gerechtelijke ontbinding kunnen de machtiging bepaald in de artikelen 2:88 of 2:122 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd gevorderd worden. § 2. Indien de rechtbank machtiging verleent om het onroerend goed openbaar te verkopen met zuiverende werking, wijst hij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal ge- schieden. De vereffenaar en, in voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar het onroerend goed gelegen is, waken, elk voor wat hen betreft, over de bescherming van de betrokken belangen. § 3. De vereffenaar kan bij een met redenen om- kleed verzoekschrift aan de ondernemingsrechtbank de machtiging vragen om uit de hand te verkopen met zuiverende werking. De vereffenaar legt aan de rechtbank een ontwerp van verkoopakte voor, opgemaakt door een door hem aangewezen notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hierbij voegt hij een schattingsverslag, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën, na de invereffeningstelling opgesteld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende het te verkopen onroerend goed evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de inge- schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden evenals de rechtspersoon in vereffening en desgevallend de mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De verschuldigde retributie geldt als griffiekost. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden. De machtiging om te verkopen met zuiverende werking wordt verleend indien het belang van de te vereffenen boedel zulks vereist. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de verkoop uit de hand het belang van de te du tribunal de l’entreprise. En cas de dissolution judiciaire, l’autorisation prévue par les articles 2:88 ou 2:122 du Code des sociétés et des associations et celle prévue par le présent paragraphe peuvent être demandées simultanément. § 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de vendre l’immeuble publiquement avec bénéfice de la purge, il désigne en même temps un notaire par le ministère duquel la vente publique aura lieu. Le liquidateur ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la situation de l’immeuble veillent, chacun pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause. § 3. Le liquidateur peut demander, par requête moti- vée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré avec bénéfice de la purge. Le liquidateur soumet au tribunal un projet d’acte de vente, établi par un notaire désigné par le liquidateur, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la documen- tation patrimoniale du Service public fédéral Finances, postérieur à l’ouverture de la procédure de liquidation, relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur l’immeuble qui doit être vendu ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Les créanciers hypothécaires inscrits, créan- ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil de même que la personne morale en liquidation et, le cas échéant, les copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La rétribution due vaut comme frais de greffe. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions. L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la purge est accordée si l’intérêt de la masse à liquider l’exige. L’ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l’intérêt de la masse à liquider et mentionne l’identité des créanciers dûment 179 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E vereffenen boedel dient en vermeldt de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure werden opgeroepen. Deze vorm van verkoop kan van de vaststel- ling van een minimumprijs afhankelijk worden gesteld. De verkoping moet overeenkomstig de door de recht- bank aangenomen ontwerpakte geschieden, door de ambtelijke tussenkomst van de notaris die deze heeft opgesteld. Hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank kan ingesteld worden door de verzoeker of door de tussenkomende schuldeisers op de wijze be- paald in artikel 1031.” Art. 53 In artikel 1253ter/1 van hetzelfde Wetboek, inge- voegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woor- den “paragraaf 3” vervangen door de woorden “de artikelen 734/1 tot 734/4”; 2° paragraaf 3 wordt opgeheven. Art. 54 In artikel 1253ter/3, § 2, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door de woorden “734/1, § 2”. Art. 55 In artikel 1253quater, a) van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door de woorden “734/1, § 2”. Art. 56 Artikel 1326 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt: “Art. 1326. § 1. De verkopingen van onroerende goederen die geheel toebehoren aan de schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefail- leerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon in vereffening, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d’un prix minimum. La vente doit avoir lieu conformément au projet d’acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l’ordonnance du tribunal, conformément à l’article 1031.” Art. 53 Dans l’article 1253ter/1 du même Code, inséré par la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 15 juin 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “au paragraphe 3” sont remplacés par les mots “aux articles 734/1 à 734/4”; 2° le paragraphe 3 est abrogé. Art. 54 Dans l’article 1253ter/3, § 2, du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”. Art. 55 Dans l’article 1253quater, a), du même Code, modi- fié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”. Art. 56 L’article 1326 du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit: “Art. 1326. § 1er. Les ventes d’immeubles qui appar- tiennent en totalité au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorgani- sation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation, à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée 3552/001 DOC 55 180 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E het oud Burgerlijk wetboek onbekwaam werden ver- klaard om onroerende goederen te vervreemden, een onbeheerde nalatenschap, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, brengen over- wijzing van de prijs met zich mee ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschre- ven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven alsook ten behoeve van de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, op voorwaarde: 1° dat deze schuldeisers in het kader van de gemach- tigde of bevolen openbare verkoop werden opgeroepen door de notaris om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedema- terialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; of 2° dat zij in het kader van de verkoop uit de hand door de griffie tot de machtingsprocedure werden opgeroepen. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de gemachtigde of bevolen verkoop van een onroerend goed op beslag dat geheel of deels toebehoort aan de beslagene, tenzij in geval van toepassing van artikel 1561, in welk geval deze verkoop plaatsvindt in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling overeenkomstig paragraaf 3. § 2. De verkopingen van onverdeelde onroerende goederen deels toebehorend aan de schuldenaar toe- gelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefail- leerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, be- schermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voor- recht van boedelbeschrijving, en aan andere personen, brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure van de verkoop. Deze oproeping gebeurt bij gerechts- brief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. incapable d’aliéner des immeubles, à une succession vacante, à une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire, emportent délégation du prix au profit des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilé- giés inscrits, le cas échéant des créanciers enregistrés au Registre des gages, au profit des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi qu’au profit des créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, à condition: 1° que ces créanciers aient été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente dans le cadre d’une vente publique autorisée ou ordonnée. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; ou 2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation dans le cadre d’une vente de gré à gré. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Le présent paragraphe est également applicable à la vente autorisée ou ordonnée sur saisie d’un immeuble qui appartient en totalité ou pour partie au saisi, sauf en cas d’application de l’article 1561, auquel cas la vente intervient dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire conformément au paragraphe 3. § 2. Les ventes d’immeubles indivis qui appartiennent pour partie au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, à un mineur, à un présumé absent, à une personne pro- tégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, à une succession vacante, à une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire, et à d’autres personnes, emportent délégation du prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation de la vente. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. 181 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E § 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling, is volgende bijzondere regeling van toepassing: 1° de openbare verkoop brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de notaris werden opgeroepen om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; 2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure, voor zover de verkopende partij zich vrijwillig onderworpen heeft aan de procedure van machtiging bedoeld in artikel 1193bis. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2 en 3 blijkt dat de overwijzing van de prijs kan worden bekomen in het kader van verschillende procedures, volstaat het dat de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1 werden opgeroepen bij één van deze procedures om de zuivering te bewerkstelligen. § 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in para- graaf 1, van wie de inschrijving, overschrijving, registratie in het Pandregister of kantmelding dateert van na de oproeping voorzien in paragrafen 1 tot en met 3, brengen de verkopingen van onroerende goederen eveneens van rechtswege overwijzing mee van de prijs, zonder dat deze schuldeisers moeten worden opgeroepen. § 6. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder dat de beschikking of het vonnis tot machtiging hieraan toegevoegd dient te worden of overgeschreven moet worden.” Art. 57 In artikel 1389bis/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2000 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2006 en 14 januari 2013, in de Nederlandse tekst, wordt het woord “eensluidend” opgeheven. § 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire, les règles spécifiques suivantes sont d’application: 1° la vente publique emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou cour- rier recommandé avec accusé de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; 2° la vente de gré à gré emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisa- tion, pour autant que les parties venderesses se soient volontairement soumises à la procédure d’autorisation visée à l’article 1193bis. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la délégation de prix peut être obtenue dans le cadre de différentes procédures, il suffit que les créanciers énumérés au paragraphe 1er aient été appelés dans le cadre de l’une de ces procédures pour obtenir la purge. § 5. Les ventes d’immeubles emportent également de plein droit délégation de prix à l’égard des créanciers énumérés au paragraphe 1er dont l’inscription, la trans- cription, l’enregistrement au Registre des gages ou la mention en marge sont postérieurs à l’appel prévu aux paragraphes 1er à 3, sans que ces créanciers doivent être appelés. § 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans qu’il soit besoin d’y annexer et de transcrire l’ordonnance ou le jugement d’autorisation.” Art. 57 Dans l’article 1389bis/7 du même Code, inséré par la loi du 29 mai 2000 et modifié par les lois du 27 mars 2006 et du 14 janvier 2013, dans le texte néerlandais, le mot “eensluidend” est abrogé. 3552/001 DOC 55 182 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 58 In artikel 1409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge- wijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragrafen 1 en 1bis: a) de woorden “35.000 frank” worden telkens vervan- gen door de woorden “1706 euro”; b) de woorden “32.000 frank” worden telkens vervan- gen door de woorden “1560 euro”; c) de woorden “29.000 frank” worden telkens vervan- gen door de woorden “1414 euro”; d) de woorden “27.000 frank” worden telkens vervan- gen door de woorden “1316 euro”; e) de woorden “50 euro” worden telkens vervangen door de woorden “81 euro”. 2° in paragraaf 2: a) in het eerste lid worden de woorden “en onvermin- derd de toepassing van paragraaf 3” ingevoegd tussen de woorden “Elk jaar” en de woorden “past de Koning”; b) in het eerste lid worden de woorden “het indexcijfer van de consumptieprijzen” vervangen door de woorden “de afgevlakte gezondheidsindex”; c) in het tweede lid worden de woorden “novem- ber 1989” vervangen door de woorden “november 2022”; d) in het tweede lid worden de woorden “dat van de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de arti- kelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor over- dracht of beslag” vervangen door de woorden “van de maand november 2022”; e) in het vierde lid worden de woorden “artikel 2, § 1, 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpas- sing, afgerond tot het hogere duizendtal” vervangen door de woorden “artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschap- pelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere honderdtal”; Art. 58 À l’article 1409 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans les paragraphes 1er et 1erbis: a) les mots “35.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1706 euros”; b) les mots “32.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1560 euros”; c) les mots “29.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1414 euros”; d) les mots “27.000 F” sont chaque fois remplacés par les mots “1316 euros”; e) les mots “50 euros” sont chaque fois remplacés par les mots “81 euros”. 2° dans le paragraphe 2: a) dans l’alinéa 1er, les mots “et sans préjudice de l’application du paragraphe 3,” sont insérés entre les mots “Chaque année,” et les mots “le Roi”; b) dans l’alinéa 1er, les mots “des prix à la consomma- tion” sont remplacés par les mots “santé lissé”; c) dans l’alinéa 2, les mots “de novembre 1989” sont remplacés par les mots “de novembre 2022”; d) dans l’alinéa 2, les mots “de la publication au Moniteur belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire, en vue d’adapter la quotité non cessible ou non saisis- sable de la rémunération” sont remplacés par les mots “de novembre 2022”; e) dans l’alinéa 4, les mots “l’article 2, § 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d’existence, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au millier supérieur” sont remplacés par les mots “l’article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au centième supérieur”; 183 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E f) in het vijfde lid worden de woorden “Binnen de eerste vijftien dagen van de maand” vervangen door de woorden “Voor 31”; 3° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende: “§ 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid be- doelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 % bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing. De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.”; 4° in paragraaf 3: a) in het eerste lid worden de woorden “na advies van de Nationale Arbeidsraad” vervangen door de woorden “bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit”; b) het tweede lid wordt vervangen door twee leden, luidende: “De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eer- ste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding ervan. Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, ver- richt de Koning de in het tweede lid of in dit lid bedoelde aanpassing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van het tweede lid, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun aanpassing.” Art. 59 Artikel 1561, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de volgende zin: “In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en volgende van toepassing.” Art. 60 In artikel 1580bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: f) dans l’alinéa 5, les mots “Dans les quinze pre- miers jours du mois de” sont remplacés par les mots “Avant le 31”; 3° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit: “§ 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation pré- vue au paragraphe 2 si en cours d’année l’augmentation ou la diminution de l’indice dépasse 5 % par rapport à la dernière adaptation. Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui suit l’augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur publication au Moniteur belge.”; 4° dans le paragraphe 3: a) dans l’alinéa 1er, les mots “après avis du Conseil national du travail” sont remplacés par les mots “par arrêté délibéré en Conseil des ministres”; b) l’alinéa 2 est remplacé par deux alinéas rédigés comme suit: “Les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois suivant leur publication au Moniteur belge. Ils cessent d’être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31 décembre de l’année de leur entrée en vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée en vigueur. Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur, le Roi procède à l’adaptation prévue au para- graphe 2 ou au présent paragraphe. Si l’adaptation a lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte l’indice du mois qui précède l’adaptation; les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur adaptation.” Art. 59 L’article 1561, alinéa 1er, du même Code, est complété par la phrase suivante: “Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants sont d’application.” Art. 60 À l’article 1580bis, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 3552/001 DOC 55 184 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de beslagene”. Art. 61 In artikel 1580ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin: “Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt door een deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermel- ding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrij- vingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister.”; 2° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers, degenen” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge- registreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 3° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de beslagene”. Art. 62 In artikel 1582, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 1° les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 2° les mots “ou ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, le saisi et,”. Art. 61 À l’article 1580ter du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante: “Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances rela- tant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages.”; 2° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan- ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men- tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar- ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, ainsi que le saisi”. Art. 62 À l’article 1582, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont rem- placés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 185 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “en de schuldenaar”. Art. 63 In artikel 1639, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden “in het kader van een insolventie- procedure of in het kader van de vereffening van een onbeheerde of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap” worden vervangen door de woorden “van het onroerend goed toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenrege- ling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap”; 2° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 3° de zin “De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoer- bare beslissing of een akkoord tussen partijen.” wordt ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin. Art. 64 In het deel V, titel III, hoofdstuk VIII van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1639/1 ingevoegd, luidende: “Art. 1639/1. Indien één van de verkopingen vermeld in artikel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft, moet er per mede-eigenaar een rangregeling worden opgemaakt als volgt: 1° een volledige rangregeling voor het aandeel toe- behorend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen te vervreemden of aan de partijen in een gerechtelijke vereffening-verdeling; 2° les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”. Art. 63 À l’article 1639, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° les mots “intervenant dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une” sont remplacés par les mots “de l’immeuble appartenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par trans- fert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge ou une”; 2° les mots “et privilégiés spéciaux” sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés spé- ciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages”; 3° la phrase “Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties.” est insérée entre la première et la deuxième phrase. Art. 64 Dans la cinquième partie, titre III, chapitre VIII du même Code, il est inséré un article 1639/1 rédigé comme suit: “Art. 1639/1. Si l’une des ventes mentionnées à l’ar- ticle 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit être établi en procédant comme suit: 1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles ou aux parties dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire; 3552/001 DOC 55 186 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in arti- kel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenre- geling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalaten- schap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; 3° een semi verkorte rangregeling voor het aan- deel toebehorend aan de mede-eigenaar die niet ver- meld wordt onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, evenals tot betaling van de sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen. De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede-eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, worden eerst de gemeenschap- pelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rangregeling. Nadat vervolgens het netto-aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch geheel van goederen reeds was ontbonden, kan deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwik- keling van deze mede-eigendom.” Art. 65 In artikel 1653, derde lid, van hetzelfde Wetboek wor- den de woorden “die ten laste van de beslagene op het toegewezen goed bestaan, ambtshalve doorgehaald” vervangen door de woorden “ten laste van de eigenaar of van alle mede-eigenaars op het verkochte goed ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat eveneens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld 2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire; 3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu’au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties. La créance qui peut être récupérée à l’encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d’entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l’hypothèque. Si l’immeuble fait partie d’une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l’ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l’ordre tel que prévu à l’alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l’ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être entamée qu’après le règlement complet de cette copropriété.” Art. 65 Dans l’article 1653, alinéa 3, du même Code, les mots “à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office” sont remplacés par les mots “à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d’office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l’article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l’article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention 187 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit getuigschrift.” Art. 66 In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “, bevoorrechte schuldeisers en beslagleggende schuld- eiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”; 2° in paragraaf 2, vijfde lid, in de Nederlandse tekst, wordt het woord “zekerheid” vervangen door het woord “zeker”. Art. 67 In de Nederlandse tekst van artikel 1675/9, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en vervangen bij de wet van 26 maart 2013, wordt het woord “tenministe” vervangen door het woord “tenminste”. Art. 68 In artikel 1675/10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2/1 wordt het woord “geachtualiseerde” vervangen door het woord “geactualiseerde”; 2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “of wettelijk samenwonende” ingevoegd tussen de woorden “diens echtgenoot” en de woorden “, en de schuldeisers”. Art. 69 In artikel 1675/12, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd marginale est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat.” Art. 66 À l’article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “, privilégiés inscrits et le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, dans le texte néerlan- dais, le mot “zekerheid” est remplacé par le mot “zeker”. Art. 67 Dans le texte néerlandais de l’article 1675/9, § 4, du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1995 et rem- placé par la loi du 26 mars 2013, le mot “tenministe” est remplacé par le mot “tenminste”. Art. 68 À l’article 1675/10 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2/1, dans le texte néerlan- dais, le mot “geachtualiseerde” est remplacé par le mot “geactualiseerde”; 2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “ou son cohabitant légal” sont insérés entre les mots “son conjoint” et les mots “, et aux créanciers”. Art. 69 À l’article 1675/12, § 2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi 3552/001 DOC 55 188 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E bij de wet van 13 december 2005, worden de woorden “en zijn gezin” ingevoegd tussen de woorden “van de schuldenaar” en de woorden “te verzekeren”. Art. 70 In artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de vol- gende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgeval- lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de andere”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuld- eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, ten minste”. Art. 71 In artikel 1675/21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord “aange- stelde” telkens vervangen door het woord “functionaris”. HOOFDSTUK 4 Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 72 Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische nationa- liteit, gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende: “§ 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, du 13 décembre 2005, la deuxième phrase est complétée par les mots “et de sa famille”. Art. 70 À l’article 1675/14bis, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre- gistrés au Registre des gages”; 2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les autres copropriétaires”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre- gistrés au Registre des gages”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men- tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar- ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “doivent être appelés”. Art. 71 Dans l’article 1675/21 du même Code, inséré par la loi du 25 décembre 2016, le mot “préposé” est chaque fois remplacé par le mot “délégué”. CHAPITRE 4 Modifications du Code de la nationalité belge Art. 72 L’article 9 du Code de la nationalité belge, modifié par la loi du 18 juin 2018, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé comme suit: “§ 2. En cas de révision de l’adoption, telle que prévue à l’article 351 de l’ancien Code civil, ou de révocation de 189 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit.” Art. 73 In artikel 23, § 5, van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid vervangen als volgt: “Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.” HOOFDSTUK 5 Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Art. 74 In artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2005 wordt een bepaling onder h) ingevoegd, luidende: “h) alle rechten bedoeld in de wet van 18 juli 2017 be- treffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme;” HOOFDSTUK 6 Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht Art. 75 In artikel XX.44, § 3, tweede lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 au- gustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister gere- gistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”. l’adoption, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil, l’adopté conserve la nationalité belge.” Art. 73 Dans l’article 23, § 5, du même Code, l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit: “L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée dans le délai prévu, en matière civile, à l’article 1048 du Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances judiciaires, conformément à l’article 50, alinéa 2 du Code judiciaire.” CHAPITRE 5 Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Art. 74 Dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 vi- sant à instituer “la charte” de l’assuré social, modifié en dernier lieu par la loi du 10 mars 2005 il est inséré un h) rédigé comme suit: “h) l’ensemble des droits visés dans la loi du 18 juil- let 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme;” CHAPITRE 6 Modifications du Code de droit économique Art. 75 Dans l’article XX.44, § 3, alinéa 2, 1°, du Code de droit économique, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”. 3552/001 DOC 55 190 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 76 In artikel XX.51, § 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woor- den “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldenaar” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister gere- gistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden en de schuldenaar.”. Art. 77 In artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van 15 april 2018 en 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld,” ingevoegd tussen de woorden “een schattingsverslag” en de woor- den “evenals een getuigschrift”; 2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, evenals zij” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge- registreerde schuldeisers, de schuldeisers”; 3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge- voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, moeten ten minste”; 4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei- sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 5° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge- voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de schuldenaar”; 6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden Art. 76 Dans l’article XX.51, § 3, alinéa 2, 1°, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créan- cier saisissant et le débiteur” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil et le débiteur.”. Art. 77 À l’article XX.88 du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 15 avril 2018 et du 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “, établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte,” sont insérés entre les mots “un rapport d’exper- tise” et les mots “ainsi qu’un certificat”; 2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ou privi- légiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “ins- crits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers”; 3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, doivent être appelés”; 4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “ou pri- vilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages”; 5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”; 6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “ou pri- vilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, 191 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei- sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge- voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, evenals de schuldenaar”. Art. 78 In artikel XX.120, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuld- eisers, de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden “hypothecaire schuldeisers, de in- geschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”. Art. 79 In artikel XX.193, § 2, van hetzelfde Wetboek, in- gevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgeval- lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de gefailleerde”; 3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor- rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuld- eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”; 4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “, evenals de gefailleerde”. les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,”; 7° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”. Art. 78 À l’article XX.120, § 1er, alinéa 4, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits ou enre- gistrés, le créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”. Art. 79 À l’article XX.193, § 2, du même Code, inséré par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées: 1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre- gistrés au Registre des gages,”; 2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”; 3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre- gistrés au Registre des gages,”; 4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men- tion en marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”. 3552/001 DOC 55 192 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 7 Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand Art. 80 Artikel 5, § 2, van de wet 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijns- bijstand wordt aangevuld met een lid, luidende: “Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde bijdrage treedt in werking op de eerste werkdag van de tweede maand na de in het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit nieuwe bedrag wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan.” HOOFDSTUK 8 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Art. 81 In de Nederlandse tekst van artikel 1.8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2022, wordt het woord “heeft” ingevoegd tussen de woorden “hoeven te zijn, ertoe” en de woorden “bijgedragen de schijn”. HOOFDSTUK 9 Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Art. 82 In artikel 36, 2°, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in onderne- mingszaken en inzake de notariële aktebank worden de woorden “de rechtbanken” vervangen door de woorden “van de rechtbanken en van de hoven”. CHAPITRE 7 Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne Art. 80 L’article 5, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne, est complété par l’alinéa suivant: “Le nouveau montant de la contribution visée au paragraphe 1er entre en vigueur le 1er jour ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er. Ce nouveau montant est publié par avis au Moniteur belge préala- blement à son entrée en vigueur.” CHAPITRE 8 Modification du Code civil Art. 81 Dans le texte néerlandais de l’article 1.8, § 5, du Code civil, inséré par la loi du 28 avril 2022, le mot “heeft” est inséré entre les mots “hoeven te zijn, ertoe” et les mots “bijgedragen de schijn”. CHAPITRE 9 Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Art. 82 Dans l’article 36, 2°, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consu- laires et relativement à la banque des actes notariés, les mots “des juridictions” sont remplacés par les mots “des tribunaux et des cours”. 193 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 83 In de Nederlandse tekst van artikel 37, 1°, van dezelfde wet wordt het woord “mee” ingevoegd tussen de woorden “de schrapping” en de woorden “van de vorderingen”. Art. 84 In de Nederlandse tekst van artikel 39 van dezelfde wet worden de woorden “na de uitspraak” ingevoegd tussen de woorden “binnen de drie dagen” en de woor- den “kennis van”. Art. 85 In artikel 45, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, worden de woorden “rechtbank, met inbegrip van de griffie” vervangen door de woorden “rechtbank of het hof, met inbegrip van hun griffier”. HOOFDSTUK 10 Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Art. 86 In artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 okto- ber 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen worden de woorden “hoofdstuk 2 en de artikelen 9, 10, 13 en 18” vervangen door de woorden “titel II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19”. Art. 83 Dans l’article 37, 1°, de la même loi, dans le texte néerlandais, le mot “mee” est inséré entre les mots “de schrapping” et les mots “van de vorderingen”. Art. 84 Dans l’article 39 de la même loi, dans le texte néer- landais, les mots “na de uitspraak” sont insérés entre les mots “binnen de drie dagen” et les mots “kennis van”. Art. 85 Dans l’article 45, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots “tribunal, en ce compris le greffe” sont remplacés par les mots “tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes”. CHAPITRE 10 Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Art. 86 Dans l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les déci- sions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés, les mots “chapitre 2 et des articles 9, 10, 13 et 18” sont remplacés par les mots “titre II, chapitre 1er et les articles 9, 10, 13 et 19”. 3552/001 DOC 55 194 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E HOOFDSTUK 11 Wijziging van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen Art. 87 In artikel 83 van de wet van 22 november 2022 tot wij- ziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen, in artikel 535, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden “de kamer van notarissen, het auditoraat bij de Nationale Kamer van notarissen” vervangen door de woorden “het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders”. Art. 88 In de Nederlandse tekst van artikel 103 van dezelfde wet, in artikel 555/5bis, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders” vervangen door de woorden “van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaar- ders onderworpen zijn”. HOOFDSTUK 12 Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Art. 89 In de Franse tekst van artikel 7, eerste lid, van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten CHAPITRE 11 Modification de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Art. 87 Dans l’article 83 de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organi- sation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses, à l’article 535, alinéa 6, du Code judiciaire, les mots “la chambre des notaires, à l’auditorat de la Chambre nationale des notaires” sont remplacés par les mots “l’auditorat de la Chambre nationale des huissiers de justice”. Art. 88 Dans le texte néerlandais de l’article 103 de la même loi, à l’article 555/5bis, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, les mots “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders” sont remplacés par les mots “van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”. CHAPITRE 12 Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale Art. 89 Dans l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 no- vembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des États membres dans le domaine de l’obtention des 195 3552/001 DOC 55 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 novem- ber 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, worden de woorden “les juges belges peuvent” vervangen door de woorden “la juridiction peut”. HOOFDSTUK 13 Overgangsbepalingen Art. 90 De artikelen 44 tot 52, 56, 59 tot 66, 70 en 75 tot 79 zijn enkel van toepassing op de verkoopprocedures waarbij het verzoek tot machtiging, die aanleiding geeft tot de zuiverende verkoop, wordt neergelegd vanaf de inwerkingtreding van voornoemde artikelen of waarbij de oproeping van de schuldeisers om de verkoopsver- richtingen te volgen, die aanleiding geeft tot de zuive- rende verkoop, plaatsvindt vanaf de inwerkingtreding van deze wet. Art. 91 Magistraten die bij de inwerkingtreding van deze wet zitting hebben in een kamer voor minnelijke schikking zijn vrijgesteld van de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling. Art. 92 Onverminderd de reeds bestaande kamers voor min- nelijke schikking, is de oprichting van nieuwe kamers voor minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken facultatief tot 1 september 2025. HOOFDSTUK 14 Inwerkingtreding Art. 93 De artikelen 2 tot 12 treden in werking op de eerste dag van de derde maand na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad. preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale, les mots “les juges belges peuvent” sont remplacés par les mots “la juridiction peut”. CHAPITRE 13 Dispositions transitoires Art. 90 Les articles 44 à 52, 56, 59 à 66, 70 et 75 à 79 s’ap- pliquent uniquement aux procédures de vente dans le cadre desquelles la requête en autorisation qui donne lieu à la vente purgeante est déposée à partir de l’entrée en vigueur des articles précités ou l’appel des créan- ciers à suivre les opérations de vente, qui donne lieu à la vente purgeante, est effectué à partir de l’entrée en vigueur de cette loi. Art. 91 Les magistrats qui siègent dans une chambre de règlement à l’amiable au moment de l’entrée en vigueur de la présente loi sont dispensés de suivre la formation spécialisée organisée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Art. 92 Sans préjudice des chambres de règlement à l’amiable déjà existantes, la création de nouvelles chambres de règlement à l’amiable au sein des cours et tribunaux est facultative jusqu’au 1er septembre 2025. CHAPITRE 14 Entrée en vigueur Art. 93 Les articles 2 à 12 entrent en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge. 3552/001 DOC 55 196 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E Art. 94 De artikelen 25 tot 27 treden in werking op 1 januari 2024. Gegeven te Brussel, 13 september 2023 FILIP Van Koningswege: De minister van Justitie, Vincent Van Quickenborne Art. 94 Les articles 25  à  27  entrent en vigueur le 1er janvier 2024. Donné à Bruxelles, le 13 septembre 2023 PHILIPPE Par le Roi: Le ministre de la Justice, Vincent Van Quickenborne 197 3552/001 DOC 55 COORDINATION DES ARTICLES Projet de loi portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire Texte de base Texte adapté au projet de loi CHAPITRE 1er – Disposition générale … … CHAPITRE 2 – Modifications de l’ancien Code civil Art. 51 Art. 51 L’acte de reconnaissance mentionne: L’acte de reconnaissance mentionne: 1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l’enfant; 1° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance de l’enfant; 2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le lieu de naissance et, le cas échéant, la date du décès et le lieu de décès du parent à l’égard de qui le lien de filiation a déjà été établi avant la reconnaissance; 2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le lieu de naissance et, le cas échéant, la date du décès et le lieu de décès du parent à l’égard de qui le lien de filiation a déjà été établi avant la reconnaissance; 3° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance et la qualité de l’auteur de la reconnaissance; 3° le nom, les prénoms, la date de naissance et le lieu de naissance et la qualité de l’auteur de la reconnaissance; 4° le cas échéant, le consentement des personnes visées à l’article 329bis, ou la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l’autorisation de reconnaissance a été constaté, en mentionnant: 4° le cas échéant, le consentement des personnes visées à l’article 329bis, ou la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l’autorisation de reconnaissance a été constaté, en mentionnant: a) le nom et les prénoms du représentant légal de l’enfant lorsqu’il a consenti à la reconnaissance; a) le nom et les prénoms du représentant légal de l’enfant lorsqu’il a consenti à la reconnaissance; b) la date, le lieu et l’autorité devant laquelle le consentement a été donné, ou l’autorité judiciaire, la date et le numéro d’identification de la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l’autorisation de reconnaissance, a été constaté; b) la date, le lieu et l’autorité devant laquelle le consentement a été donné, ou l’autorité judiciaire, la date et le numéro d’identification de la décision judiciaire passée en force de chose jugée par laquelle le consentement de substitution ou l’autorisation de reconnaissance, a été constaté; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 198 5° le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par le père ou la coparente, et la mère; 5° le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par le père ou la coparente, et la mère; 5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de choix de nom par l’enfant majeur; 6° le cas échéant, le nouveau prénom; 6° le cas échéant, le nouveau prénom; 7° le cas échéant, le fait que les personnes visées à l’article 329bis, § 3, n’ont pas consenti. 7° le cas échéant, le fait que les personnes visées à l’article 329bis, § 3, n’ont pas consenti. Art. 63 Art. 63 L’acte de changement de nom mentionne: L’acte de changement de nom mentionne: 1° le cas échéant, la date de la demande; 1° le cas échéant, la date de la demande; 2° le nom et les prénoms de l’intéressé; 2° le nom et les prénoms de l’intéressé; 3° la date et le lieu de naissance de l’intéressé; 3° la date et le lieu de naissance de l’intéressé; 4° le nouveau nom de l’intéressé. 4° le nouveau nom de l’intéressé. 5° en cas d’application de l’article 335sexies, § 2, le numéro de l’acte de reconnaissance qui a servi de base à l’établissement de l’acte de changement de nom. Art. 313 Art. 313 § 1er. Si le nom de la mère n’est pas mentionné dans l’acte de naissance ou à défaut de cet acte, elle peut reconnaître l’enfant aux conditions fixées par l’article 329bis. § 1er. Si le nom de la mère n’est pas mentionné dans l’acte de naissance ou à défaut de cet acte, elle peut reconnaître l’enfant aux conditions fixées par l’article 329bis. § 2. Toutefois, la reconnaissance n’est pas recevable lorsqu’elle ferait apparaître entre le père et la mère un empêchement à mariage dont le tribunal de la famille ne peut dispenser. § 2. Toutefois, la reconnaissance n’est pas recevable lorsqu’elle ferait apparaître entre le père et la mère un empêchement à mariage dont le tribunal de la famille ne peut dispenser. § 3. Si la mère est mariée et que l’enfant qu’elle reconnaît soit né pendant le mariage, la reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou l’épouse. § 3. Si la mère est mariée et que l’enfant qu’elle reconnaît soit né pendant le mariage, la reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou l’épouse. A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de l’état civil belge, il est notifié par celui-ci dans les trois jours; s’il n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié à la requête de la mère, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de l’état civil belge, il est notifié par celui-ci dans les trois jours; s’il n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié à la requête de la mère, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 199 3552/001 DOC 55 Jusqu’à cette notification ou signification, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. Jusqu’à cette notification ou signification, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. § 4. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues au paragraphe 3, alinéa 2. Art. 319bis Art. 319bis Si le père est marié et reconnaît un enfant conçu par une femme autre que son épouse, la reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou de l’épouse. Si le père est marié et reconnaît un enfant conçu par une femme autre que son épouse, la reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou de l’épouse. A cet effet, si l’acte de reconnaissance est reçu par un officier de l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée dans les trois jours par lettre recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié par exploit d’huissier à la requête du père, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. A cet effet, si l’acte de reconnaissance est reçu par un officier de l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée dans les trois jours par lettre recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié par exploit d’huissier à la requête du père, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. Jusqu’à cette communication, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou à l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. Jusqu’à cette communication, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou à l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues à l’alinéa 2. Art. 325/6 Art. 325/6 Si la coparente est mariée et reconnaît l’enfant d’une personne autre que son époux, cette reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou l’épouse. Si la coparente est mariée et reconnaît l’enfant d’une personne autre que son époux, cette reconnaissance doit être portée à la connaissance de l’époux ou l’épouse. A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 200 dans les trois jours par lettre recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié par exploit d’huissier à la requête de la coparente, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. dans les trois jours par lettre recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge, il est signifié par exploit d’huissier à la requête de la coparente, de l’enfant ou du représentant légal de ce dernier. Jusqu’à cette communication, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. Jusqu’à cette communication, la reconnaissance est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec l’auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui a déjà une descendance et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les modalités prévues à l’alinéa 2. Art. 327/2 Art. 327/2 § 1er. A la réception de la déclaration d’une reconnaissance, l’officier de l’état civil vérifie si l’acte de naissance est disponible dans la BAEC pour l’enfant. Si l’acte de naissance a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il demande à l’officier de l’état civil qui a établi ou transcrit cet acte de l’enregistrer dans la BAEC. § 1er. A la réception de la déclaration d’une reconnaissance, l’officier de l’état civil vérifie si l’acte de naissance est disponible dans la BAEC pour l’enfant. Si l’acte de naissance a été établi en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives de résolution des litiges, il demande à l’officier de l’état civil qui a établi ou transcrit cet acte de l’enregistrer dans la BAEC. Si l’acte de naissance n’est pas disponible de cette manière, le candidat à la reconnaissance de l’enfant produit lui-même un extrait de l’acte de naissance. Si l’acte de naissance n’est pas disponible de cette manière, le candidat à la reconnaissance de l’enfant produit lui-même un extrait de l’acte de naissance. Il contrôle l’identité du candidat à la reconnaissance de l’enfant et, le cas échéant, du parent à l’égard duquel la filiation est établie, au moyen de la pièce d’identité visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d’identité, aux cartes d’étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, et vérifie si ces personnes sont inscrites dans le Il contrôle l’identité du candidat à la reconnaissance de l’enfant et, le cas échéant, du parent à l’égard duquel la filiation est établie, au moyen de la pièce d’identité visée dans la loi du 19 juillet 1991 relative aux registres de la population, aux cartes d’identité, aux cartes d’étranger et aux documents de séjour et modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, et vérifie si ces personnes sont inscrites dans le C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 201 3552/001 DOC 55 registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d’attente. registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d’attente. § 2. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant joint à la déclaration les documents suivants: § 2. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant joint à la déclaration les documents suivants: 1° pour autant que cette personne ne possède pas de pièce d’identité visée au paragraphe 1er, une autre pièce d’identité; 1° pour autant que cette personne ne possède pas de pièce d’identité visée au paragraphe 1er, une autre pièce d’identité; 2° le cas échéant, une preuve de sa résidence actuelle ou, le cas échéant, de la personne qui doit donner le consentement préalable ou de l’enfant; 2° le cas échéant, une preuve de sa résidence actuelle ou, le cas échéant, de la personne qui doit donner le consentement préalable ou de l’enfant; 3° le cas échéant, un acte authentique attestant le consentement de la personne qui doit donner son consentement préalable à la reconnaissance; 3° le cas échéant, un acte authentique attestant le consentement de la personne qui doit donner son consentement préalable à la reconnaissance; 3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de nom sur la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er, ou de l’article 335ter, § 2, alinéa 1er, et le consentement de l’enfant mineur sur ce choix s’il a atteint l’âge de douze ans; 4° dans le cas d’une reconnaissance prénatale, une attestation d’un médecin ou d’une sage- femme qui confirme la grossesse et qui indique la date probable de l’accouchement; 4° dans le cas d’une reconnaissance prénatale, une attestation d’un médecin ou d’une sage- femme qui confirme la grossesse et qui indique la date probable de l’accouchement; 5° toute autre pièce authentique dont il ressort que l’intéressé remplit les conditions requises par la loi pour reconnaître un enfant. 5° toute autre pièce authentique dont il ressort que l’intéressé remplit les conditions requises par la loi pour reconnaître un enfant. § 3. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant qui n’est pas inscrit dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers, joint en outre les documents suivants à la déclaration: § 3. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant qui n’est pas inscrit dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers, joint en outre les documents suivants à la déclaration: 1° une preuve de nationalité le concernant, et, le cas échéant, concernant le parent à l’égard duquel la filiation est établie; 1° une preuve de nationalité le concernant, et, le cas échéant, concernant le parent à l’égard duquel la filiation est établie; 2° une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l’annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l’état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l’annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu’elles ne soient 2° une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l’annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l’état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l’annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu’elles ne soient C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 202 antérieures à un mariage célébré devant un officier de l’état civil belge, de la personne voulant reconnaître l’enfant si le droit applicable en vertu de l’article 62 du Code de droit international privé établit qu’une personne mariée ne peut reconnaître un enfant avec une autre personne que son époux ou son épouse; antérieures à un mariage célébré devant un officier de l’état civil belge, de la personne voulant reconnaître l’enfant si le droit applicable en vertu de l’article 62 du Code de droit international privé établit qu’une personne mariée ne peut reconnaître un enfant avec une autre personne que son époux ou son épouse; 3° le cas échéant, une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l’annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l’état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l’annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu’elles ne soient antérieures à un mariage célébré devant un officier de l’état civil belge, de la mère dans le cas d’une reconnaissance avant la naissance ou dans l’acte de naissance. 3° le cas échéant, une preuve de célibat ou une preuve de la dissolution ou de l’annulation du dernier mariage célébré devant un officier de l’état civil belge et, le cas échéant, une preuve de la dissolution ou de l’annulation des mariages célébrés devant une autorité étrangère, à moins qu’elles ne soient antérieures à un mariage célébré devant un officier de l’état civil belge, de la mère dans le cas d’une reconnaissance avant la naissance ou dans l’acte de naissance. § 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et au paragraphe 3, 1°, sont enregistrés en tant qu’annexe dans la BAEC. § 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et au paragraphe 3, 1°, sont enregistrés en tant qu’annexe dans la BAEC. § 5. Si l’officier de l’état civil dispose sur la base des paragraphes 1er à 3 de tous ces documents, il délivre un accusé de réception de la déclaration. § 5. Si l’officier de l’état civil dispose sur la base des paragraphes 1er à 3 de tous ces documents, il délivre un accusé de réception de la déclaration. § 6. S’il s’estime insuffisamment informé, l’officier de l’état civil peut réclamer une copie des actes de l’état civil en question, et demander à l’intéressé de lui remettre toute autre preuve étayant ces données. § 6. S’il s’estime insuffisamment informé, l’officier de l’état civil peut réclamer une copie des actes de l’état civil en question, et demander à l’intéressé de lui remettre toute autre preuve étayant ces données. § 7. Si les documents remis sont établis dans une langue étrangère, l’officier de l’état civil peut en demander une traduction certifiée conforme. § 7. Si les documents remis sont établis dans une langue étrangère, l’officier de l’état civil peut en demander une traduction certifiée conforme. § 8. Les articles 164/3 à 164/7 sont d’application par analogie. § 8. Les articles 164/3 à 164/7 sont d’application par analogie. Par dérogation à l’article 164/5, le juge de paix transmet immédiatement l’acte de notoriété au tribunal de la famille du lieu de la déclaration de reconnaissance. Par dérogation à l’article 164/5, le juge de paix transmet immédiatement l’acte de notoriété au tribunal de la famille du lieu de la déclaration de reconnaissance. Art. 333 Art. 333 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 203 3552/001 DOC 55 § 1er. Tout exploit de signification d’un jugement ou arrêt faisant droit à une demande relative à la filiation est immédiatement communiqué en copie par l’huissier de justice instrumentant, au ministère public et au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision. § 1er. Tout exploit de signification d’un jugement ou arrêt faisant droit à une demande relative à la filiation est immédiatement communiqué en copie par l’huissier de justice instrumentant, au ministère public et au greffier de la juridiction qui a prononcé la décision. § 2. Après l’expiration du délai d’appel ou de pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le prononcé de l’arrêt rejetant le pourvoi, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l’officier de l’état civil compétent, les données nécessaires à l’établissement de l’acte modifié de l’état civil suite à une décision judiciaire faisant droit à une demande relative à la filiation. § 2. Après l’expiration du délai d’appel ou de pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le prononcé de l’arrêt rejetant le pourvoi, le greffier transmet immédiatement via la BAEC à l’officier de l’état civil compétent, les données nécessaires à l’établissement de l’acte modifié de l’état civil suite à une décision judiciaire faisant droit à une demande relative à la filiation. L’officier de l’état civil compétent modifie les actes de l’état civil de l’enfant et de ses descendants. L’officier de l’état civil compétent modifie les actes de l’état civil de l’enfant et de ses descendants. § 3. Lorsque la décision donne lieu au changement de nom d’un enfant majeur qui a déjà une descendance, le greffier notifie le dispositif du jugement aux descendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans par pli judiciaire. Art. 335 Art. 335 § 1er. L’enfant dont la filiation paternelle et la filiation maternelle sont établies simultanément porte soit le nom de son père, soit le nom de sa mère, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par eux dans la limite d’un nom pour chacun d’eux. § 1er. L’enfant dont la filiation paternelle et la filiation maternelle sont établies simultanément porte soit le nom de son père, soit le nom de sa mère, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par eux dans la limite d’un nom pour chacun d’eux. Les père et mère choisissent le nom de l’enfant lors de la déclaration de naissance. L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En cas de désaccord ou en cas d’absence de choix, l’enfant porte le nom de son père. En cas de désaccord, l’enfant porte les noms du père et de la mère accolés par ordre alphabétique dans la limite d’un nom pour chacun d’eux. Lorsque le père et la mère, ou l’un d’entre eux, portent un double nom, la partie du nom transmise à l’enfant est choisie par l’intéressé. En l’absence de choix, la partie du double nom transmise est déterminée selon l’ordre alphabétique. Les père et mère choisissent le nom de l’enfant lors de la déclaration de naissance. L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En cas de désaccord ou en cas d’absence de choix, l’enfant porte le nom de son père. En cas de désaccord, l’enfant porte les noms du père et de la mère accolés par ordre alphabétique dans la limite d’un nom pour chacun d’eux. Lorsque le père et la mère, ou l’un d’entre eux, portent un double nom, la partie du nom transmise à l’enfant est choisie par l’intéressé. En l’absence de choix, la partie du double nom transmise est déterminée selon l’ordre alphabétique. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 204 Le refus d’effectuer un choix est considéré comme un cas de désaccord. Le refus d’effectuer un choix est considéré comme un cas de désaccord. Lorsque les père et mère déclarent conjointement la naissance de l’enfant, l’officier de l’état civil constate le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux, conformément à l’alinéa 2. Lorsque les père et mère déclarent conjointement la naissance de l’enfant, l’officier de l’état civil constate le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux, conformément à l’alinéa 2. Si le père ou la mère déclare seul la naissance de l’enfant, il ou elle déclare à l’officier de l’état civil le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux. Si le père ou la mère déclare seul la naissance de l’enfant, il ou elle déclare à l’officier de l’état civil le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux. § 2. L’enfant dont seule la filiation maternelle est établie, porte le nom de sa mère. § 2. L’enfant dont seule la filiation maternelle est établie, porte le nom de sa mère. L’enfant dont seule la filiation paternelle est établie, porte le nom de son père. L’enfant dont seule la filiation paternelle est établie, porte le nom de son père. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement ou le maintien de ce seul lien de filiation, le nom est déterminé conformément aux alinéas 1er et 2. § 3. Si la filiation paternelle est établie après la filiation maternelle, aucune modification n’est apportée au nom de l’enfant. Il en va de même si la filiation maternelle est établie après la filiation paternelle. § 3. Abrogé Toutefois, les père et mère ensemble, ou l’un d’eux si l’autre est décédé peuvent déclarer, dans un acte dressé par l’officier de l’état civil, que l’enfant portera soit le nom de la personne à l’égard de laquelle la filiation est établie en second lieu, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par eux dans la limite d’un nom pour chacun d’eux. Si la filiation paternelle ou maternelle est établie par reconnaissance après l’établissement de la filiation à l’égard de l’autre parent, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la déclaration de reconnaissance. Cette déclaration est faite dans un délai d’un an à dater de la reconnaissance ou du jour où une décision établissant la filiation paternelle ou maternelle est coulée en force de chose jugée et avant la majorité ou l’émancipation de l’enfant. Le délai d’un an prend cours le jour suivant la notification ou la signification visées aux articles 313, § 3, alinéa 2, 319bis, alinéa 2, ou 322, alinéa 2. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er. En cas de modification de la filiation paternelle ou maternelle durant la minorité de l’enfant en suite d’une action en contestation sur la base Abrogé. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 205 3552/001 DOC 55 des articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant, choisi, le cas échéant, par les parents selon les règles énoncées au § 1er ou à l’article 335ter, § 1er. L’officier de l’état civil compétent établit l’acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration visée à l’alinéa 2 et l’associe à l’acte de naissance de l’enfant et aux actes de l’état civil auxquels il se rapporte, ou modifie l’acte de naissance de l’enfant et les actes de l’état civil auxquels il se rapporte suite au jugement visé à l’alinéa 4. Abrogé. § 4. Si la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de la majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. § 4. Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. En cas d’établissement d’un nouveau lien de filiation d’un enfant majeur à l’égard du père, de la mère ou de la coparente, à la suite d’une action en contestation de la filiation sur base des articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant, choisi, le cas échéant, par ce dernier selon les règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier. L’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant et les actes de l’état civil auxquels le jugement se rapporte, suite au jugement visé à l’alinéa 2. Abrogé. § 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré. Art. 335ter Art. 335ter § 1er. L’enfant dont la filiation maternelle et la filiation à l’égard de la coparente sont établies simultanément porte soit le nom de sa mère, soit le nom de sa coparente, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par elles dans la limite d’un nom pour chacune d’elles. § 1er. L’enfant dont la filiation maternelle et la filiation à l’égard de la coparente sont établies simultanément porte soit le nom de sa mère, soit le nom de sa coparente, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par elles dans la limite d’un nom pour chacune d’elles. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 206 La mère et la coparente choisissent le nom de l’enfant lors de la déclaration de naissance. L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En cas de désaccord, l’enfant porte les noms de la mère et de la coparente accolés par ordre alphabétique dans la limite d’un nom pour chacune d’elles. Lorsque la mère et la coparente, ou l’une d’entre elles, portent un double nom, la partie du nom transmise à l’enfant est choisie par l’intéressée. En l’absence de choix, la partie du double nom transmise est déterminée selon l’ordre alphabétique. La mère et la coparente choisissent le nom de l’enfant lors de la déclaration de naissance. L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En cas de désaccord, l’enfant porte les noms de la mère et de la coparente accolés par ordre alphabétique dans la limite d’un nom pour chacune d’elles. Lorsque la mère et la coparente, ou l’une d’entre elles, portent un double nom, la partie du nom transmise à l’enfant est choisie par l’intéressée. En l’absence de choix, la partie du double nom transmise est déterminée selon l’ordre alphabétique. Le refus d’effectuer un choix est considéré comme un cas de désaccord. Le refus d’effectuer un choix est considéré comme un cas de désaccord. Lorsque la mère et la coparente viennent déclarer conjointement la naissance de l’enfant, l’officier de l’état civil constate le nom choisi par elles, ou le désaccord entre elles, conformément à l’alinéa 2. Lorsque la mère et la coparente viennent déclarer conjointement la naissance de l’enfant, l’officier de l’état civil constate le nom choisi par elles, ou le désaccord entre elles, conformément à l’alinéa 2. Si la mère ou la coparente vient déclarer seule la naissance de l’enfant, elle déclare à l’officier d’état civil le nom choisi par elles ou le désaccord entre elles. Si la mère ou la coparente vient déclarer seule la naissance de l’enfant, elle déclare à l’officier d’état civil le nom choisi par elles ou le désaccord entre elles. § 2. Si la filiation à l’égard de la coparente est établie après la filiation maternelle, aucune modification n’est apportée au nom de l’enfant. § 2. Abrogé. Toutefois, la mère et la coparente ensemble, ou l’une d’elles si l’autre est décédée, peuvent déclarer, dans un acte dressé par l’officier de l’état civil, que l’enfant portera soit le nom de la coparente, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre choisi par elles dans la limite d’un nom pour chacune d’elles. Si la filiation à l’égard de la coparente, établie par reconnaissance, est établie après l’établissement de la filiation maternelle, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la déclaration de reconnaissance. Cette déclaration est faite dans un délai d’un an à dater de la reconnaissance ou du jour où une décision établissant la filiation à l’égard de la coparente est coulée en force de chose jugée et avant la majorité ou l’émancipation de l’enfant. Le délai d’un an prend cours le jour suivant la notification ou la signification visées aux articles 325/6, alinéa 2, et 325/8, alinéa 2. En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er. En cas de modification de la filiation à l’égard de la coparente ou de la filiation maternelle durant la minorité de l’enfant en suite d’une action en Abrogé. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 207 3552/001 DOC 55 contestation de la filiation sur la base des articles 312, § 2, 325/3, §§ 4 et 5, 325/7, §§ 3 et 4, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant, choisi, le cas échéant, par les parents selon les règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335, § 1er. L’officier de l’état civil compétent établit l’acte de déclaration de choix de nom suite à la déclaration visée à l’alinéa 2 et l’associe à l’acte de naissance de l’enfant et aux actes de l’état civil auxquels il se rapporte, ou modifie l’acte de naissance de l’enfant et les actes de l’état civil auxquels il se rapporte suite au jugement visé à l’alinéa 4. Abrogé. § 3. Si la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de la majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. § 3. Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune modification n’est apportée à son nom sans son accord. En cas d’établissement d’un nouveau lien de filiation d’un enfant majeur à l’égard du père, de la mère ou de la coparente, à la suite d’une action en contestation de la filiation sur base des articles 312, § 2, 325/3, §§ 4 et 5, 325/7, §§ 3 et 4, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant choisi, le cas échéant, par ce dernier selon les règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335, § 1er. Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé par ce dernier. L’officier de l’état civil modifie l’acte de naissance de l’enfant et les actes de l’état civil auxquels le jugement se rapporte, suite au jugement visé à l’alinéa 2. Abrogé. § 4. Le nom déterminé conformément aux paragraphes 1er et 2 s’impose aux autres enfants dont la filiation est ultérieurement établie à l’égard des mêmes mère et coparente. § 4. Le nom déterminé conformément aux paragraphes 1er et 2 s’impose aux autres enfants dont la filiation est ultérieurement établie à l’égard des mêmes mère et coparente. § 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des descendants au premier degré. Art. 335quinquies Art. 335quinquies C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 208 Art. 335quinquies. Le juge acte dans son jugement le nom de l’enfant choisi ou fixé par la loi dans tous les cas de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de nom. Art. 335sexies Art. 335sexies Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou fixé à l’occasion d’un changement de filiation conformément aux articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, s’impose en tout ou partie à leurs descendants au premier degré nés avant ce changement, si c’est le nom de ce parent qui leur a été attribué ou constitue une partie du double nom qui leur a été donné. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom n’est attribué à l’enfant ayant atteint l’âge de 12 ans qu’avec son consentement. À la demande de l’enfant, assisté le cas échéant par ses parents ou son représentant légal s’il est mineur non émancipé, l’officier de l’état civil compétent en établira un acte de changement de nom et l’associera aux actes de l’état civil qui le concernent. La demande est introduite dans l’année qui suit le jour où la décision relative à la filiation du parent ou le jour où l’acte de reconnaissance lui aura été notifié ou signifié. Art. 338, § 1er Art. 338, § 1er § 1er. Le demandeur présente au 4[tribunal de la famille une requête contenant un exposé sommaire des faits et accompagnée des pièces à l’appui, s’il y en a. Le tribunal renvoie, le cas échéant, la demande à la chambre de règlement à l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2, du Code judiciaire. § 1er. Le demandeur présente au 4[tribunal de la famille une requête contenant un exposé sommaire des faits et accompagnée des pièces à l’appui, s’il y en a. Le tribunal renvoie, le cas échéant, la demande à la chambre de règlement à l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2 734/1, § 2, du Code judiciaire. Art. 359-2 Art. 359-2 Lorsqu’une adoption d’un enfant, faite à l’étranger et reconnue en Belgique, n’a pas pour effet de rompre le lien préexistant de filiation, elle peut être convertie en Belgique en une adoption plénière si les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b] et c], ont été donnés ou sont donnés en vue d’une adoption produisant cet effet. Lorsqu’une adoption d’un enfant, faite à l’étranger et reconnue en Belgique, n’a pas pour effet de rompre le lien préexistant de filiation, elle peut être convertie en Belgique en une adoption plénière si les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b] et c], ont été donnés ou sont donnés en vue d’une adoption produisant cet effet. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 209 3552/001 DOC 55 Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est pas établie ou lorsque le père et la mère de l’enfant, ou le parent unique à l’égard de qui la filiation est établie, sont décédés, présumés absents, sans aucune résidence connue, dans l’impossibilité ou incapables d’exprimer leur volonté, et que l’enfant n’a pas de représentant légal dans l’État d’origine, le consentement à la conversion en adoption plénière est donné par un tuteur ad hoc désigné par le tribunal, à la requête de toute personne intéressée ou du procureur du Roi, par dérogation à l’article 361-4, 1°, c). Art. 499/19 Art. 499/19 § 1er. La mission de l’administrateur prend fin au moment du décès de la personne protégée. § 1er. La mission de l’administrateur prend fin au moment du décès de la personne protégée. § 2. En cas de décès de la personne protégée pendant la durée de l’administration, le juge de paix peut, par dérogation au paragraphe 1er, autoriser, d’office ou à la demande de l’administrateur, de la personne de confiance ou de toute personne intéressée ainsi que du procureur du Roi, l’administrateur des biens, en l’absence d’héritiers qui se seraient signalés auprès de cet administrateur, à poursuivre sa mission jusqu’à six mois au maximum après ce décès. § 2. En cas de décès de la personne protégée pendant la durée de l’administration, le juge de paix peut, par dérogation au paragraphe 1er, autoriser, d’office ou à la demande de l’administrateur, de la personne de confiance ou de toute personne intéressée ainsi que du procureur du Roi, l’administrateur des biens, en l’absence d’héritiers qui se seraient signalés auprès de cet administrateur, à poursuivre sa mission jusqu’à six mois au maximum après ce décès. Dans ce cas, les compétences de l’administrateur se limitent: Dans ce cas, les compétences de l’administrateur se limitent: 1° à la restitution éventuelle d’un bien loué par la personne protégée en tant que résidence principale, en ce compris le droit de disposer de la garantie locative; 1° à la restitution éventuelle d’un bien loué par la personne protégée en tant que résidence principale, en ce compris le droit de disposer de la garantie locative; 2° pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée, au paiement par prélèvement sur les avoirs de la succession: 2° […] au paiement par prélèvement sur les avoirs de la succession: a) des rémunérations et des indemnités visées à l’article 497/5; a) des rémunérations et des indemnités visées à l’article 497/5; b) des frais funéraires; b) des frais funéraires; c) des autres créances privilégiées mentionnées aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851; c) des autres créances privilégiées mentionnées aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 210 d) des frais de séjour en maison de repos; d) des frais de séjour en maison de repos pour autant qu’ils soient antérieurs au décès de la personne protégée; 3° à demander la désignation d’un curateur à succession vacante, d’un séquestre ou d’un administrateur provisoire à succession. 3° à demander la désignation d’un curateur à succession vacante, d’un séquestre ou d’un administrateur provisoire à succession. La mission de l’administrateur prend fin en tous les cas au moment où le curateur entame sa mission sur la succession vacante ou au moment où un héritier se manifeste. L’administrateur communique cette information au juge de paix. La mission de l’administrateur prend fin en tous les cas au moment où le curateur entame sa mission sur la succession vacante ou au moment où un héritier se manifeste. L’administrateur communique cette information au juge de paix. Par dérogation à l’article 499/17, alinéa 1er, l’administrateur communique, au cours de la période visée à l’alinéa 1er, son rapport et compte définitifs au greffe, où les héritiers de la personne protégée et le notaire chargé de la déclaration et du partage de la succession peuvent en prendre connaissance. Cette disposition s’applique sans préjudice de l’application des articles 1358 et suivants du Code judiciaire. Par dérogation à l’article 499/17, alinéa 1er, l’administrateur communique, au cours de la période visée à l’alinéa 1er, son rapport et compte définitifs au greffe, où les héritiers de la personne protégée et le notaire chargé de la déclaration et du partage de la succession peuvent en prendre connaissance. Cette disposition s’applique sans préjudice de l’application des articles 1358 et suivants du Code judiciaire. CHAPITRE 3 – Modifications du Code judiciaire Art. 23 Art. 23 L’autorité de la chose jugée n’a lieu qu’à l’égard de ce qui a fait l’objet de la décision. Il faut que la chose demandée soit la même; que la demande repose sur la même cause, quel que soit le fondement juridique invoqué; que la demande soit entre les mêmes parties, et formée par elles et contre elles en la même qualité. L’autorité de la chose jugée ne s’étend toutefois pas à la demande qui repose sur la même cause mais dont le juge ne pouvait pas connaître eu égard au fondement juridique sur lequel elle s’appuie. L’autorité de la chose jugée n’a lieu qu’à l’égard de ce qui a fait l’objet de la décision. Il faut que la chose demandée soit la même; que la demande repose sur la même cause, quel que soit le fondement juridique invoqué; que la demande soit entre les mêmes parties, et formée par elles et contre elles en la même qualité. L’autorité de la chose jugée ne s’étend toutefois pas à la demande qui repose sur la même cause mais dont le juge ne pouvait pas connaître eu égard au fondement juridique sur lequel elle s’appuie. L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une question litigieuse qui a fait l’objet de la décision peut également être invoquée par un tiers à l’encontre d’une partie à cette décision. Art. 76, § 1er Art. 76, § 1er § 1er. Le tribunal de première instance et le cas échéant, ses divisions, comprennent une ou plusieurs chambres civiles, une ou plusieurs § 1er. Le tribunal de première instance et le cas échéant, ses divisions, comprennent une ou plusieurs chambres civiles, une ou plusieurs C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 211 3552/001 DOC 55 chambres correctionnelles, une ou plusieurs chambres de la famille, une ou plusieurs chambres de la jeunesse, et, pour la division du tribunal de première instance du siège de la cour d’appel, une ou plusieurs chambres de l’application des peines et chambres de protection sociale. chambres correctionnelles, une ou plusieurs chambres de la famille, une ou plusieurs chambres de la jeunesse, et, pour la division du tribunal de première instance du siège de la cour d’appel, une ou plusieurs chambres de l’application des peines et chambres de protection sociale. Ces chambres composent quatre sections dénommées respectivement tribunal civil, tribunal correctionnel, tribunal de la famille et de la jeunesse et tribunal de l’application des peines. Ces chambres composent quatre sections dénommées respectivement tribunal civil, tribunal correctionnel, tribunal de la famille et de la jeunesse et tribunal de l’application des peines. Le tribunal de la famille et de la jeunesse se compose de la ou des chambres de la famille et de la ou des chambres de règlement à l’amiable, constituant le tribunal de la famille, et de la ou des chambres de la jeunesse constituant le tribunal de la jeunesse. Le tribunal de la famille et de la jeunesse se compose de la ou des chambres de la famille et de la ou des chambres de règlement à l’amiable, constituant le tribunal de la famille, et de la ou des chambres de la jeunesse constituant le tribunal de la jeunesse. Le tribunal civil se compose de la ou des chambres civiles et d’une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de première instance est réparti en divisions, le tribunal civil d’une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable. Art. 78, al. 7 Art. 78, al. 7 Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un juge unique ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire. Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un juge unique ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation. Art. 79, al. 8 Art. 79, al. 8 Les juges au tribunal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les chambres civiles du tribunal de première instance. Toutefois, le juge qui siège à la chambre de règlement à l’amiable ne peut jamais siéger, pour les dossiers dont il a pris connaissance, dans les autres chambres du tribunal de la famille et de la jeunesse. Sauf s’il s’agit de l’homologation d’un accord ou d’un procès- verbal de conciliation, la décision rendue par un Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges au tribunal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les chambres civiles du tribunal de première instance. Toutefois, le juge qui siège à la chambre de règlement à l’amiable ne peut jamais siéger, pour les dossiers dont il a pris connaissance, dans les autres chambres du tribunal de la famille et de la jeunesse. Sauf s’il s’agit de l’homologation d’un accord ou d’un procès-verbal de conciliation, la décision rendue C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 212 juge ayant auparavant connu du litige alors qu’il siégeait dans une chambre de règlement à l’amiable, est nulle. par un juge ayant auparavant connu du litige alors qu’il siégeait dans une chambre de règlement à l’amiable, est nulle. Art. 81 Art. 81 Le tribunal du travail comprend au moins trois chambres. Le tribunal du travail comprend au moins trois chambres et une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal du travail est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable. L’une d’elles au moins, compétente pour les litiges portant sur la matière visée à l’article 578, 14°, est composée d’un juge au tribunal du travail. L’une d’elles au moins L’une des trois chambres au moins, compétente pour les litiges portant sur la matière visée à l’article 578, 14°, est composée d’un juge au tribunal du travail. Les autres chambres sont présidées par un juge au tribunal du travail et se composent en outre de deux juges sociaux. Les autres chambres sont présidées par un juge au tribunal du travail et se composent en outre de deux juges sociaux. Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre d’employeur, l’autre au titre d’ouvrier ou au titre d’employé, selon la qualité du travailleur en cause. Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre d’employeur, l’autre au titre d’ouvrier ou au titre d’employé, selon la qualité du travailleur en cause. Si avant tout autre moyen, la qualité d’ouvrier ou d’employé d’une des parties est contestée, la chambre saisie, après avoir été complétée au siège de manière à comprendre outre le président, deux juges sociaux nommés au titre d’employeur et deux juges sociaux nommés respectivement au titre d’ouvrier et d’employé, statue sur le fond du litige. Si avant tout autre moyen, la qualité d’ouvrier ou d’employé d’une des parties est contestée, la chambre saisie, après avoir été complétée au siège de manière à comprendre outre le président, deux juges sociaux nommés au titre d’employeur et deux juges sociaux nommés respectivement au titre d’ouvrier et d’employé, statue sur le fond du litige. Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 578, 12°, b), un des juges sociaux doit être nommé au titre d’employeur, l’autre au titre de travailleur indépendant. Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 578, 12°, b), un des juges sociaux doit être nommé au titre d’employeur, l’autre au titre de travailleur indépendant. Dans les litiges portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4°, et pour l’application aux employeurs des sanctions administratives prévues à l’article 583, un des juges sociaux doit être nommé au titre d’employeur, l’autre au titre de travailleur. Dans les litiges portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4°, et pour l’application aux employeurs des sanctions administratives prévues à l’article 583, un des juges sociaux doit être nommé au titre d’employeur, l’autre au titre de travailleur. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 213 3552/001 DOC 55 Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 582, (1° et 2°) un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre de travailleur indépendant, l’autre au titre de travailleur salarié. Dans les litiges portant sur les matières prévues à l’article 582, (1° et 2°) un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre de travailleur indépendant, l’autre au titre de travailleur salarié. Dans les litiges portant sur les matières prévues aux articles 578bis et 581 et pour l’application aux travailleurs indépendants des sanctions administratives prévues à l’article 583, la Chambre est composée d’un juge au tribunal du travail et deux juges sociaux nommés au titre de travailleur indépendant. Dans les litiges portant sur les matières prévues aux articles 578bis et 581 et pour l’application aux travailleurs indépendants des sanctions administratives prévues à l’article 583, la Chambre est composée d’un juge au tribunal du travail et deux juges sociaux nommés au titre de travailleur indépendant. En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d’outre-mer, le juge social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause. En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d’outre-mer, le juge social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause. Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un président, juge au tribunal du travail, et de deux juges sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation. Art. 84 Art. 84 Le tribunal de l’entreprise comprend une ou plusieurs chambres. Le tribunal de l’entreprise comprend une ou plusieurs chambres et une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal de l’entreprise est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable. Chacune d’elle est présidée par un juge au tribunal de l’entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires. Chacune d’elles est présidée par un juge au tribunal de l’entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires. Les juges composant la chambre de règlement à l’amiable doivent tous avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge consulaire suppléant peut C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 214 siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle formation. Chaque tribunal de l’entreprise institue une ou plusieurs chambres des entreprises en difficultés. Chaque tribunal de l’entreprise institue une ou plusieurs chambres des entreprises en difficultés. Art. 101, § 1 et 2 Art. 101, § 1 et 2 §.1er. Il y a à la cour d’appel des chambres civiles, des chambres correctionnelles, des chambres de la jeunesse et des chambres de la famille et parmi ces dernières des chambres de règlement à l’amiable. §.1er. Il y a à la cour d’appel des chambres civiles, dont une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable, des chambres correctionnelles, des chambres de la jeunesse et des chambres de la famille et parmi ces dernières des chambres de règlement à l’amiable. Une chambre correctionnelle au moins connaît des appels formés contre les jugements rendus dans les matières visées à l’article 76, § 2, alinéa 2. Une chambre correctionnelle au moins connaît des appels formés contre les jugements rendus dans les matières visées à l’article 76, § 2, alinéa 2. Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre au moins se voit attribuer la compétence relative aux poursuites engagées contre des personnes à la suite d’une décision de dessaisissement prise en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d’un délit et/ou d’un crime correctionnalisable. Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre au moins se voit attribuer la compétence relative aux poursuites engagées contre des personnes à la suite d’une décision de dessaisissement prise en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d’un délit et/ou d’un crime correctionnalisable. A la cour d’appel de Bruxelles il y a également des chambres qui traitent les affaires des marchés, dont la compétence est déterminée par la loi. Ces chambres constituent une section, appelée Cour des marchés. A la cour d’appel de Bruxelles il y a également des chambres qui traitent les affaires des marchés, dont la compétence est déterminée par la loi. Ces chambres constituent une section, appelée Cour des marchés. Le Roi peut, après avis du premier président, du procureur général, du greffier en chef et des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour d’appel, déterminer qu’une ou plusieurs chambres de la jeunesse ou chambres de la famille siègent au siège du tribunal de première instance ou d’une division du tribunal de première instance dans une autre province du ressort de la cour pour traiter des appels contre les jugements rendus par les tribunaux de la Le Roi peut, après avis du premier président, du procureur général, du greffier en chef et des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour d’appel, déterminer qu’une ou plusieurs chambres de la jeunesse ou chambres de la famille siègent au siège du tribunal de première instance ou d’une division du tribunal de première instance dans une autre province du ressort de la cour pour traiter des appels contre les jugements rendus par les tribunaux de la C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 215 3552/001 DOC 55 famille et de la jeunesse de la province en question. famille et de la jeunesse de la province en question. § 2. La cour d’appel se compose d’un premier président, de présidents de chambre et de conseillers à la cour d’appel. § 2. La cour d’appel se compose d’un premier président, de présidents de chambre et de conseillers à la cour d’appel. Les chambres de la cour d’appel siègent soit au nombre de trois conseillers à la cour, y compris le président, soit au nombre d’un seul membre, président de chambre ou conseiller à la cour. Les chambres de la cour d’appel siègent soit au nombre de trois conseillers à la cour, y compris le président, soit au nombre d’un seul membre, président de chambre ou conseiller à la cour. La chambre correctionnelle spécialisée, visée au § 1er, alinéa 2, est composée de deux conseillers à la cour d’appel, y compris le président, et d’un conseiller à la cour du travail. La chambre correctionnelle spécialisée, visée au § 1er, alinéa 2, est composée de deux conseillers à la cour d’appel, y compris le président, et d’un conseiller à la cour du travail. Pour que les chambres de la jeunesse visées au § 1er, alinéa 3, soient constituées valablement, deux au moins de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visées à l’article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l’exercice de la fonction de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse. Pour que les chambres de la jeunesse visées au § 1er, alinéa 3, soient constituées valablement, deux au moins de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visées à l’article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l’exercice de la fonction de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse. Pour que la chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit constituée valablement, le membre de la cour désigné pour cette chambre doit avoir suivi une formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire. Si les nécessités du service le justifient, le premier président de la cour d’appel peut, à titre exceptionnel, et après avoir recueilli l’avis du procureur général, désigner un magistrat effectif pour remplir les fonctions précitées pour un terme d’un an au plus, même s’il n’a pas suivi la formation spécialisée. Pour que la chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit constituée valablement, le membre de la cour désigné pour cette chambre doit avoir suivi une formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire. Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée d’un conseiller à la cour ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Si les nécessités du service le justifient, le premier président de la cour d’appel peut, à titre exceptionnel, et après avoir recueilli l’avis du procureur général, désigner un magistrat effectif pour remplir les fonctions précitées pour un terme d’un an au plus, même s’il n’a pas suivi la formation spécialisée. La Cour des marchés visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est composée d’au moins six conseillers, parmi lesquels six au plus peuvent être nommés en application de l’article 207, § 3, 4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de l’équilibre linguistique. La Cour des marchés visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est composée d’au moins six conseillers, parmi lesquels six au plus peuvent être nommés en application de l’article 207, § 3, 4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de l’équilibre linguistique. Dans l’année de leur première désignation, les conseillers qui siègent dans les chambres Dans l’année de leur première désignation, les conseillers qui siègent dans les chambres C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 216 correctionnelles, les chambres de la famille, les chambres de la jeunesse et la chambre des mises en accusation suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales organisée par l’Institut de formation judiciaire. correctionnelles, les chambres de la famille, les chambres de la jeunesse et la chambre des mises en accusation suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales organisée par l’Institut de formation judiciaire. Art. 102, § 1er Art. 102, § 1er § 1er. Il y a des conseillers suppléants à la cour d’appel; ils sont nommés pour remplacer les conseillers lorsqu’ils sont empêchés. §. 1er. Il y a des conseillers suppléants à la cour d’appel; ils sont nommés pour remplacer les conseillers lorsqu’ils sont empêchés. Les conseillers suppléants peuvent être appelés à siéger dans les cas où l’effectif est insuffisant pour composer le siège conformément aux dispositions de la loi. Les conseillers suppléants peuvent être appelés à siéger dans les cas où l’effectif est insuffisant pour composer le siège conformément aux dispositions de la loi. L’ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un suppléant et précise les modalités de la désignation. L’ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un suppléant et précise les modalités de la désignation. Ils ne peuvent néanmoins pas siéger à la chambre des mises en accusation lorsque celle- ci statue en application des articles 235ter et 235quater du Code d’instruction criminelle. Ils ne peuvent néanmoins pas siéger à la chambre des mises en accusation lorsque celle- ci statue en application des articles 235ter et 235quater du Code d’instruction criminelle. Un conseiller suppléant peut siéger seul dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Art. 104 Art. 104 La cour du travail est divisée en chambres qui siègent au nombre d’un conseiller à la cour du travail et, selon le cas, de deux ou quatre conseillers sociaux. La cour du travail est divisée en chambres qui siègent au nombre d’un conseiller à la cour du travail et, selon le cas, de deux ou quatre conseillers sociaux. Chaque cour du travail institue une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque la cour du travail est répartie en divisions, une des divisions se compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu sur les matières prévues à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, sont composées, outre le président, d’un conseiller social nommé au titre d’employeur et d’un conseiller social nommé au titre de travailleur ouvrier ou de Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu sur les matières prévues à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, sont composées, outre le président, d’un conseiller social nommé au titre d’employeur et d’un conseiller social nommé au titre de travailleur ouvrier ou de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 217 3552/001 DOC 55 travailleur employé, selon la qualité du travailleur en cause. travailleur employé, selon la qualité du travailleur en cause. Toutefois, ces chambres sont composées de deux conseillers sociaux nommés au titre d’employeur et de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’ouvrier et d’employé, lorsque l’appel est dirigé contre un jugement prononcé par une chambre comprenant quatre juges sociaux. Toutefois, ces chambres sont composées de deux conseillers sociaux nommés au titre d’employeur et de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’ouvrier et d’employé, lorsque l’appel est dirigé contre un jugement prononcé par une chambre comprenant quatre juges sociaux. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° et 11 °, et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4° ou concernant l’application aux employeurs de sanctions administratives prévues à l’article 583, sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’employeur et au titre de travailleur. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° et 11 °, et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4° ou concernant l’application aux employeurs de sanctions administratives prévues à l’article 583, sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’employeur et au titre de travailleur. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur la matière prévue à l’article 578, 12°, b), sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’employeur et au titre de travailleur indépendant. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur la matière prévue à l’article 578, 12°, b), sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d’employeur et au titre de travailleur indépendant. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu sur un litige portant sur les matières prévues à l’article 582, 1° et 2° sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés l’un au titre de travailleur indépendant, l’autre au titre de travailleur salarié. Les chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu sur un litige portant sur les matières prévues à l’article 582, 1° et 2° sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés l’un au titre de travailleur indépendant, l’autre au titre de travailleur salarié. Les Chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues aux articles 578bis et 581, ou concernant l’application aux travailleurs indépendants de sanctions administratives prévues à l’article 583 sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés au titre de travailleurs indépendants. Les Chambres qui connaissent de l’appel d’un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues aux articles 578bis et 581, ou concernant l’application aux travailleurs indépendants de sanctions administratives prévues à l’article 583 sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés au titre de travailleurs indépendants. En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d’outre-mer, le conseiller social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d’outre-mer, le conseiller social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 218 appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause. appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre ayant le Travail dans ses attributions, les règles d’après lesquelles les conseillers sociaux sont appelés à siéger en application de la présente disposition. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre ayant le Travail dans ses attributions, les règles d’après lesquelles les conseillers sociaux sont appelés à siéger en application de la présente disposition. Par dérogation à l’alinéa 1er, les chambres qui connaissent de l’appel d’une décision rendue sur la matière prévue à l’article 578, 14°, sont composées d’un conseiller à la Cour du travail. Par dérogation à l’alinéa 1er, les chambres qui connaissent de l’appel d’une décision rendue sur la matière prévue à l’article 578, 14°, sont composées d’un conseiller à la Cour du travail. La chambre de règlement à l’amiable est composée d’un président, conseiller à la cour du travail et de deux conseillers sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un conseiller suppléant ou un conseiller social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi une telle formation. Art. 508/11 Art. 508/11 Les avocats sont tenus de faire régulièrement rapport au bureau selon les modalités établies par le Ministre de la Justice en concertation avec les autorités visées à l’article 488. Abrogé Le bureau transmet annuellement un rapport sur le fonctionnement de l’aide juridique de deuxième ligne à la Commission d’aide juridique et au Ministre de la Justice selon les modalités établies par celui-ci. Le bureau transmet Les autorités visées à l’article 488 transmettent annuellement un rapport sur le fonctionnement de l’aide juridique de deuxième ligne à la Commission d’aide juridique et au ministre de la Justice selon les modalités établies par celui-ci le Roi. Art. 508/19 Art. 508/19 § 1er. L’avocat perçoit l’indemnité de procédure accordée au bénéficiaire et rembourse au justiciable les contributions propres visées à l’article 508/17, § 2 pour autant que l’indemnité de procédure dépasse l’indemnité calculée sur la base des points visés à l’article 508/19, § 2, alinéa 2. § 1er. L’avocat perçoit l’indemnité de procédure accordée au bénéficiaire et rembourse au justiciable les contributions propres visées à l’article 508/17, § 2 pour autant que l’indemnité de procédure dépasse l’indemnité calculée sur la base des points visés à l’article 508/19, § 2, alinéa 2. § 2. Les avocats chargés de l’aide juridique de deuxième ligne partiellement ou complètement § 2. Les avocats chargés de l’aide juridique de deuxième ligne partiellement ou complètement C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 219 3552/001 DOC 55 gratuite font rapport au bureau sur chaque affaire pour laquelle ils ont accompli des prestations à ce titre. Ce rapport mentionne également l’indemnité de procédure perçue par l’avocat et les indemnités perçues en vertu de l’article 508/19ter ainsi que les contributions visées à l’article 508/17, § 2. gratuite font rapport au bureau sur chaque affaire pour laquelle ils ont accompli des prestations à ce titre. Ce rapport mentionne également l’indemnité de procédure perçue par l’avocat et les indemnités perçues en vertu de l’article 508/19ter ainsi que les contributions visées à l’article 508/17, § 2. Le bureau d’aide juridique attribue des points aux avocats pour ces prestations sur la base d’une liste mentionnant les points correspondants à des prestations horaires déterminées, dont les modalités sont fixées par le Roi, et en fait un rapport au bâtonnier. Le bureau d’aide juridique n’attribue pas de points ou diminue les points, le cas échéant, pour des prestations pour lesquelles des sommes ont été perçues sur la base des articles 508/17, § 2, 508/19, § 1er, et 508/19ter ou pour des prestations pour lesquelles l’avocat a renoncé à la perception de sommes sur la base de l’article 508/17, § 3. Le bureau d’aide juridique attribue des points aux avocats pour ces prestations sur la base d’une liste mentionnant les points correspondants à des prestations horaires déterminées, dont les modalités sont fixées par le Roi, et en fait un rapport au bâtonnier. Le bureau d’aide juridique n’attribue pas de points ou diminue les points, le cas échéant, pour des prestations pour lesquelles des sommes ont été perçues sur la base des articles 508/17, § 2, 508/19, § 1er, et 508/19ter ou pour des prestations pour lesquelles l’avocat a renoncé à la perception de sommes sur la base de l’article 508/17, § 3. Le bâtonnier communique le total des points de son barreau aux autorités visées à article 488, lesquelles communiquent le total des points de tous les barreaux au Ministre de la Justice. Abrogé, déplacé au § 2/1, alinéa 2. Le contrôle et l’attribution des points pour les prestations accomplies par les avocats en vertu de l’alinéa 2 et de l’article 508/8 sont effectués par les bureaux d’aide juridique et coordonné par les autorités visées à l’article 488 selon les modalités déterminées par le Roi. § 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe ensuite par matière tous les rapports de clôture approuvés en vertu du paragraphe 2. Certains d’entre eux sont alors soumis à un audit consistant à vérifier l’exactitude des désignations, la qualité du travail effectué par l’avocat, la réalité des prestations accomplies par les avocats conformément à la liste visée au paragraphe 2, alinéa 2, et l’exercice de ces vérifications par le bureau d’aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités visées à l’article 488 selon les modalités déterminées par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont transmises, afin qu’il en soit tenu compte, aux bureaux d’aide juridique concernés. Un rapport simplifié de ces conclusions dont le contenu est déterminé par le Roi est préparé C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 220 par les autorités visées à l’article 488 et envoyé au ministre. Le bâtonnier communique le total des points de son barreau aux autorités visées à l’article 488, lesquelles communiquent, conformément aux contrôles visés à l’alinéa 1er et au paragraphe 2, le total des points de tous les barreaux au ministre de la Justice. § 3. Dès réception de l’information visée au § 2, le Ministre de la Justice peut faire effectuer un contrôle selon les modalités qu’il détermine après concertation avec les autorités visées à l’article 488. Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des ordres des avocats. § 3. Dès réception de l’information visée au paragraphe 2 2/1, alinéa 2, le ministre de la Justice peut, s’il l’estime nécessaire, faire effectuer un contrôle supplémentaire selon les modalités qu’il détermine après concertation avec consultation les des autorités visées à l’article 488. Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des ordres des avocats. Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des ordres des avocats. Le paiement est effectué selon les conditions déterminées par le Roi. § 4. Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article, et notamment les critères d’attribution, de non attribution ou de diminution des points, le mode de calcul de la valeur du point, les conditions d’introduction de la demande d’indemnité, les modalités et conditions de paiement de l’indemnité. § 4. Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article, et notamment les critères d’attribution, de non attribution ou de diminution des points, le mode de calcul de la valeur du point, les conditions d’introduction de la demande d’indemnité, les modalités et conditions de paiement de l’indemnité. Art. 508/19bis Art. 508/19bis Une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge du budget du SPF Justice. Celle-ci correspond à 8,108 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3. Une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge du budget du SPF Justice. Celle-ci correspond à 8,108 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3. Cette subvention est payable à terme échu. Cette subvention est payable à terme échu. Le montant de la subvention est déterminé selon les frais réels exposés par les bureaux d’aide juridique et approuvés par le ministre. Ce montant ne peut excéder 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 221 3552/001 DOC 55 Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article, et notamment la manière dont cette subvention est répartie. Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article, et notamment la manière dont cette subvention est répartie. et peut, dans des cas spécifiques, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, s’écarter du taux de 7 % précité à la demande motivée des autorités visées à l’article 488 sur la base de frais démontrés. “Section première. Disposition générale” Art. 730/1, § 2 Art. 730/1, § 2 § 2. Sauf en référé, le juge peut, à l’audience d’introduction ou lors d’une audience fixée à date rapprochée, interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable avant l’introduction de la cause et les informer des possibilités d’encore résoudre le litige à l’amiable. A cette fin, le juge peut ordonner la comparution personnelle des parties. § 2. Sauf en référé, Lle juge peut, à l’audience d’introduction ou lors d’une audience fixée à date rapprochée, interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable avant l’introduction de la cause et les informer des possibilités d’encore résoudre le litige à l’amiable. A cette fin, le juge peut ordonner la comparution personnelle des parties. A la demande de l’une des parties ou s’il l’estime utile, le juge, s’il constate qu’un rapprochement est possible, peut, à cette même audience d’introduction ou à une audience fixée à date rapprochée, remettre la cause à une date fixe, qui ne peut excéder un mois sauf accord des parties, afin de leur permettre de vérifier si leur litige peut être totalement ou partiellement résolu à l’amiable et de recueillir toutes les informations utiles en la matière. Sauf en référé, àA la demande de l’une des parties ou s’il l’estime utile, le juge, s’il constate qu’un rapprochement est possible, peut, à cette même audience d’introduction ou à une audience fixée à date rapprochée, remettre la cause à une date fixe, qui ne peut excéder un mois sauf accord des parties, afin de leur permettre de vérifier si leur litige peut être totalement ou partiellement résolu à l’amiable et de recueillir toutes les informations utiles en la matière. La mesure visée à l’alinéa 2 ne peut être ordonnée si elle l’a déjà été dans le cadre du même litige. La mesure visée à l’alinéa 2 ne peut être ordonnée si elle l’a déjà été dans le cadre du même litige. “Section II. La conciliation” Art. 731 Art. 731 Il entre dans la mission du juge de concilier les parties. Il entre dans la mission du juge de concilier les parties. Sans préjudice des dispositions des articles 1724 à 1737, toute demande principale introductive d’instance entre parties capables de transiger et sur des objets susceptibles d’être réglés par transaction, peut être préalablement soumise, à la requête d’une des parties ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge compétent Abrogé, voir art 731/1. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 222 pour en connaître au premier degré de juridiction. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. Sauf dans les cas prévus par la loi, le préliminaire de conciliation ne peut être imposé. Sauf dans les cas prévus par la loi, le préliminaire de conciliation ne peut être imposé. Art. 731/1 Sans préjudice des dispositions des articles 1724 à 1737, toute demande principale introductive d’instance entre parties capables de transiger et sur des objets susceptibles d’être réglés par transaction, peut être préalablement soumise, à la requête d’une des parties ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge compétent pour en connaître au premier degré de juridiction. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. Art. 732 Art. 732 Les parties sont convoquées à la demande, même verbale, de l’une d’elles, par simple lettre du greffier, à comparaître dans le délai ordinaire des citations, aux jour et heure fixés par le juge. Sans préjudice du délai de citation visé à l’article 707, les parties sont convoquées à la demande, même verbale, de l’une d’elles, par simple lettre du greffier, à comparaître dans le délai ordinaire des citations d’un mois, aux jour et heure fixés par le juge. Si la demande en conciliation contient la réclamation d’un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à l’article 5.240 du Code civil. Dans les mêmes conditions, la demande en conciliation suspend le cours de la prescription de l’action attachée à ce droit pendant un mois. Art. 733 Art. 733 Il est dressé procès-verbal de la comparution en conciliation. Si un accord intervient, le procès- verbal en constate les termes et l’expédition est revêtue de la formule exécutoire. Il est dressé procès-verbal de la comparution en conciliation. Si un accord intervient, le procès- verbal en constate les termes et l’expédition est C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 223 3552/001 DOC 55 revêtue de la formule exécutoire, sauf si les parties y renoncent. La comparution des parties à l’audience de conciliation suspend le cours de la prescription durant la conciliation. Art. 733/1 Si une procédure est déjà pendante, le litige peut être soumis, tout au long de l’instance, au juge à fin de conciliation, à l’initiative du juge ou d’une partie. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. Les parties seront convoquées conformément à l’article 732. Si un accord intervient, les termes de cet accord peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt conformément à l’article 1043. Si la conciliation n’aboutit pas, la procédure judiciaire ordinaire peut être poursuivie à l’initiative d’une des parties. “Section III. La chambre de règlement à l’amiable” Art. 734/1 § 1er. Les affaires peuvent être soumises à fin de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable et dans les conditions visées à l’article 731/1. Le litige peut également être soumis à la chambre de règlement à l’amiable à fin de conciliation, dans les conditions visées à l’article 733/1, alinéa 1er. Les parties sont convoquées conformément à l’article 732. § 2. À la demande des parties ou s’il l’estime utile, le juge peut également ordonner, tout au long de l’instance, le renvoi de la cause à la chambre de règlement à l’amiable du même C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 224 tribunal ou de la même cour, par simple mention au procès-verbal de l’audience. Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée. Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque les parties, par simple lettre, à comparaître, dans le délai d’un mois, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. § 3. Dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, les articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa 2, s’appliquent. Art. 734/2 § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord intervenu sont constatés par la chambre de règlement à l’amiable dans le procès-verbal de comparution en conciliation dont l’expédition est revêtue de la formule exécutoire, sauf si les parties y renoncent. § 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, alinéa 2 et § 2, lorsque la conciliation a abouti, les termes de l’accord, partiel ou total, peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt, conformément à l’article 1043. Art. 734/3 § 1er. Dans les causes introduites sur pied de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, dans lesquelles la conciliation n’aura pas abouti, le procès- verbal de la comparution en conciliation clôt la procédure. Les parties pourront ensuite, si elles le souhaitent, introduire une procédure judicaire C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 225 3552/001 DOC 55 ordinaire pour entendre trancher leur différend par le tribunal ou la cour. § 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, alinéa 2 et § 2, dans lesquels la conciliation n’aura pas abouti, la procédure judiciaire ordinaire est poursuivie devant la chambre d’origine. La chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon les mêmes formalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2, alinéas 1 et 2, le dossier devant la chambre d’origine. Si l’une des parties en a fait la demande à l’audience de règlement amiable, le greffier de la chambre d’origine convoque les parties, sous pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Cette demande peut également être formulée par écrit par l’une des parties après le renvoi. Art. 734/4 § 1er. Les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable se déroulent en chambre du conseil conformément à l’article 757, § 2, 14°. Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours de ces audiences est confidentiel au sens de l’article 1728. En cas de violation de l’obligation de confidentialité, l’article 1728, § 4, est d’application. Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour peut, s’il/elle l’estime utile, aussi s’entretenir en aparté avec chacune des parties. § 2. Le jour de l’audience de conciliation, les parties comparaissent obligatoirement en personne, assistées, le cas échéant, de leurs avocats ou des personnes mentionnées dans l’article 728. Si une personne morale est à la cause, elle est représentée par une personne physique pouvant l’engager sauf décision contraire de la chambre de règlement à l’amiable. § 3. Tant les parties que le juge de la chambre de règlement à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre un terme à la conciliation. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 226 § 4. Le juge qui a exercé sa mission de conciliation dans le cadre d’un litige soumis à la chambre de règlement à l’amiable s’abstient de prendre part à un jugement ou arrêt sur les suites de ce même litige devant une autre chambre. À défaut, il peut être récusé conformément à l’article 828, 9°. Art. 757 Art. 757 § 1er. Sauf les exceptions prévues par la loi, les plaidoyers, rapports et jugements sont publics. § 1er. Sauf les exceptions prévues par la loi, les plaidoyers, rapports et jugements sont publics. § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les procédures judiciaires suivantes se déroulent en chambre du conseil, tant en première instance qu’en degré d’appel en ce qui concerne les plaidoyers et rapports: § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les procédures judiciaires suivantes se déroulent en chambre du conseil, tant en première instance qu’en degré d’appel en ce qui concerne les plaidoyers et rapports: 1° les procédures judiciaires relatives à la filiation visées aux articles 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 et 332quinquies du Code civil; 1° les procédures judiciaires relatives à la filiation visées aux articles 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 et 332quinquies du Code civil; 2° la procédure judiciaire relative à l’action en réclamation d’une pension pour l’entretien, l’éducation et la formation adéquate, visée à l’article 338 du Code civil, pour autant qu’au cours de la première comparution devant le tribunal ou la cour, le défendeur ne conteste que le montant de la pension alimentaire; 2° la procédure judiciaire relative à l’action en réclamation d’une pension pour l’entretien, l’éducation et la formation adéquate, visée à l’article 338 du Code civil, pour autant qu’au cours de la première comparution devant le tribunal ou la cour, le défendeur ne conteste que le montant de la pension alimentaire; 3° les procédures judiciaires relatives à l’autorité parentale, visées aux articles 373, 374, 375bis, 387bis et 387ter du Code civil; 3° les procédures judiciaires relatives à l’autorité parentale, visées aux articles 373, 374, 375bis, 387bis et 387ter du Code civil; 4° ...; 4° ...; 5° ...; 5° ...; 6° les procédures judiciaires relatives à la cohabitation légale, visées à l’article 1479 du Code civil; 6° les procédures judiciaires relatives à la cohabitation légale, visées à l’article 1479 du Code civil; 7° les procédures judiciaires relatives à l’adoption visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre VIIIbis, du Code judiciaire; 7° les procédures judiciaires relatives à l’adoption visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre VIIIbis, du Code judiciaire; 8° les procédures judiciaires relatives à la tutelle visées aux articles 1235 et 1236bis, du Code judiciaire; 8° les procédures judiciaires relatives à la tutelle visées aux articles 1235 et 1236bis, du Code judiciaire; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 227 3552/001 DOC 55 9° les procédures judiciaires relatives aux mesures de protection visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre X; 9° les procédures judiciaires relatives aux mesures de protection visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre X; 10° les procédures judiciaires de conciliation concernant les demandes des époux relatives à leurs droits et devoirs respectifs et à leur régime matrimonial visées à l’article 1253quater du Code judiciaire; 10° les procédures judiciaires de conciliation concernant les demandes des époux relatives à leurs droits et devoirs respectifs et à leur régime matrimonial visées à l’article 1253quater du Code judiciaire; 11° les procédures judiciaires relatives au divorce ou à la séparation de corps visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre XI, du Code judiciaire pour autant que les parties comparaissent personnellement; 11° les procédures judiciaires relatives au divorce ou à la séparation de corps visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre XI, du Code judiciaire pour autant que les parties comparaissent personnellement; 12° les procédures judiciaires relatives à la protection des droits de garde et de visite transfrontières visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre XIIbis, du Code judiciaire; 12° les procédures judiciaires relatives à la protection des droits de garde et de visite transfrontières visées à la quatrième partie, livre IV, chapitre XIIbis, du Code judiciaire; 13° les procédures judiciaires relatives aux demandes en justice qui sont connexes à celles visées aux 1° à 12°, pour autant qu’elles soient traitées à la même audience. 13° les procédures judiciaires relatives aux demandes en justice qui sont connexes à celles visées aux 1° à 12°, pour autant qu’elles soient traitées à la même audience. 14° les audiences de conciliation tenues par les chambres de règlement à l’amiable. Toutefois, le juge peut, en tout état de cause, en fonction des circonstances, ordonner la publicité des débats soit d’office, soit à la demande du ministère public ou d’une partie à la cause, sauf en ce qui concerne les procédures visées à l’alinéa 1er, 9°. Toutefois, le juge peut, en tout état de cause, en fonction des circonstances, ordonner la publicité des débats soit d’office, soit à la demande du ministère public ou d’une partie à la cause, sauf en ce qui concerne les procédures visées à l’alinéa 1er, 9°. Art. 780/1, al. 4 Art. 780/1, al. 4 La fiche informative ne fait pas partie du jugement. Elle est jointe à l’expédition visée à l’article 790. La fiche informative ne fait pas partie du jugement. Elle est jointe à l’expédition visée à l’article 790 ou, le cas échéant, à la copie certifiée conforme par le greffier, de celui-ci. Art. 1094/2 Art. 1094/2 / Lorsque, au cours de la procédure en cassation, entre en vigueur une disposition légale qui s’applique rétroactivement au litige, la partie demanderesse peut soumettre à la Cour une requête complémentaire contenant un moyen C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 228 pris de la violation de cette disposition. Cette requête est jointe à l’instance en cours. La requête est, à peine de déchéance, remise au greffe de la Cour dans les trois mois de l’entrée en vigueur de la disposition nouvelle après avoir, le cas échéant, été signifiée aux autres parties. Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094/1 et 1097 s’appliquent à cette requête et aux mémoires que les parties s’échangent. Art. 1187, al. 1er et 2 Art. 1187, al. 1 et 2 Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété à des mineurs, des présumés absents, des personnes protégées qui, en vertu de l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables d’aliéner des immeubles, ou à des personnes internées par application de la loi sur la défense sociale, et à d’autres personnes, le juge de paix peut, sur requête des représentants légaux ou des autres copropriétaires, autoriser la vente publique des biens indivis. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété à des mineurs, des présumés absents, des personnes protégées qui, en vertu de l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables d’aliéner des immeubles, ou à des personnes internées par application de la loi sur la défense sociale, et à d’autres personnes, le juge de paix peut, sur requête des représentants légaux ou des autres copropriétaires, autoriser la vente publique des biens indivis. Les représentants légaux des intéressés mineurs, présumés absents, les administrateurs des personnes protégées qui, en vertu l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables d’aliéner des immeubles, ainsi que les autres copropriétaires, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même des créanciers hypothécaires et privilégiés inscrits ainsi que des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie. Les représentants légaux des intéressés mineurs, présumés absents, les administrateurs des personnes protégées qui, en vertu l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables d’aliéner des immeubles, ainsi que les autres copropriétaires, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même des créanciers hypothécaires et privilégiés inscrits inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages, ainsi que des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil. Art. 1189, al. 1er Art. 1189, al. 1er La vente publique d’immeubles appartenant en totalité à des successions acceptées sous bénéfice d’inventaire où à des successions vacantes est soumise aux conditions suivantes: La vente publique d’immeubles appartenant en totalité à des successions acceptées sous bénéfice d’inventaire où ou à des successions vacantes est soumise aux conditions suivantes: Art. 1189/1 Art. 1189/1 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 229 3552/001 DOC 55 Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété à une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire et à d’autres personnes, le tribunal de la famille peut, sur requête du curateur à succession vacante ou de l’héritier bénéficiaire ou des autres copropriétaires, autoriser la vente publique des immeubles indivis. Le curateur à succession vacante, les héritiers bénéficiaires ainsi que les autres copropriétaires, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même des créanciers hypothécaires et privilégiés inscrits ainsi que des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie. Si le tribunal de la famille fait droit à la requête, il commet en même temps un notaire par le ministère duquel ladite vente aura lieu. La décision mentionne expressément l’identité des créanciers et autres copropriétaires dûment appelés à la procédure. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété à une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire et à d’autres personnes, le tribunal de la famille peut, sur requête du curateur à succession vacante ou de l’héritier bénéficiaire ou des autres copropriétaires, autoriser la vente publique des immeubles indivis. Le curateur à succession vacante, les héritiers bénéficiaires ainsi que les autres copropriétaires, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même des créanciers hypothécaires et privilégiés inscrits inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages, ainsi que des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil. Si le tribunal de la famille fait droit à la requête, il commet en même temps un notaire par le ministère duquel ladite vente aura lieu. La décision mentionne expressément l’identité des créanciers et autres copropriétaires dûment appelés à la procédure. Les héritiers bénéficiaires ou le curateur à succession vacante et les autres copropriétaires ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la situation des biens veillent, chacun pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause. Les héritiers bénéficiaires ou le curateur à succession vacante et les autres copropriétaires ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la situation des biens veillent, chacun pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause. L’autorisation du tribunal n’est pas requise en cas d’application des articles 1186 et 1187. Aucun des copropriétaires ne doit obtenir l’autorisation du tribunal de la famille dans le cas où le ou les copropriétaires qui doivent demander l’autorisation sur base de l’article 1187, l’ont obtenue. Art. 1191 Art. 1191 Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux articles 1186 à 1190 exigeaient que les immeubles fussent en tout ou en partie vendus dans un ou plusieurs cantons autres que celui de la situation du bien, il en est fait mention suivant le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans la décision d’autorisation du tribunal de la famille, ou dans celle du juge-commissaire de la faillite; et le juge de paix, le tribunal de la famille Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux articles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article 1193quater, § 2 exigeaient que les immeubles fussent en tout ou en partie vendus dans un ou plusieurs cantons autres que celui de la situation du bien, il en est fait mention suivant le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans la décision d’autorisation du tribunal de la famille, dans celle du juge-commissaire de la C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 230 ou le juge-commissaire désigne en même temps le juge de paix qui veille, le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause. faillite ou dans celle du tribunal de l’entreprise; et le juge de paix, le tribunal de la famille, le juge-commissaire ou le tribunal de l’entreprise désigne en même temps le juge de paix qui veille, le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause. Art. 1192, § 2 Art. 1192, § 2 § 2. En cas de difficultés, le notaire ou toute autre partie intéressée peut s’adresser au juge de paix. Le cas échéant, le juge de paix fait surseoir à la vente, après avoir entendu les représentants légaux des intéressés, les envoyés en possession provisoire, les héritiers bénéficiaires, les curateurs des successions vacantes ou les curateurs des masses faillies. § 2. En cas de difficultés, le notaire ou toute autre partie intéressée peut s’adresser au juge de paix. Le cas échéant, le juge de paix fait surseoir à la vente, après avoir entendu les représentants légaux des intéressés, les envoyés en possession provisoire, les héritiers bénéficiaires, les curateurs des successions vacantes ou vacantes, les curateurs des masses faillies ou les liquidateurs d’une personne morale. Art. 1193, al. 1er Art. 1193, al. 1er La vente des immeubles a lieu, dans tous les cas ci-dessus mentionnés, conformément à ce qui est usité à l’égard des ventes publiques ordinaires d’immeubles, sauf ce qui est dit aux articles 1193bis et 1193ter. La vente des immeubles a lieu, dans tous les cas ci-dessus mentionnés, conformément à ce qui est usité à l’égard des ventes publiques ordinaires d’immeubles, sauf ce qui est dit aux articles 1193bis et 1193ter, 1193ter et 1193quater, § 3. Art. 1193bis, al. 3 et 4 Art. 1193bis, al. 3 et 4 La demande prévue à l’alinéa 1er est introduite par une requête motivée à laquelle est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un rapport d’expertise. Le projet d’acte est joint à l’ordonnance ou au jugement d’autorisation. La demande prévue à l’alinéa 1er est introduite par une requête motivée à laquelle est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un rapport d’expertise. Le projet d’acte. Il y est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire, un rapport d’expertise et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Le rapport d’expertise est établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le projet d’acte est joint à l’ordonnance ou au jugement d’autorisation. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 231 3552/001 DOC 55 commandement ou un exploit de saisie ainsi que les personnes visées aux articles 1187, alinéa 2, et 1189/1, alinéa 1er, selon les cas, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que les personnes visées aux articles 1187, alinéa 2, et 1189/1, alinéa 1er, selon les cas, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Art. 1193ter, al. 1 et 2 Art. 1193ter, al. 1 et 2 Dans le cas prévu à l’article 1190, le curateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un projet d’acte de vente établi par un notaire, désigné par le juge-commissaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Dans le cas prévu à l’article 1190, le curateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un projet d’acte de vente établi par un notaire, désigné par le juge-commissaire désigné par le curateur, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert qu’il a désigné et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale, postérieur à la déclaration de faillite relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie de même que le failli doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions telle que la fixation d’un prix de vente minimum. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert qu’il a désigné et un certificat désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale, postérieur à la déclaration de faillite relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant, les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil de même que le failli et, le cas échéant, les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions telle que la fixation d’un prix de vente minimum. Art. 1193quater § 1er. Si le liquidateur d’une personne morale souhaite bénéficier de la purge conformément C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 232 à l’article 1326 pour la vente à laquelle il procède conformément aux articles 2:87, § 3, 2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121, § 3 ou 2:122, § 1er, 4° ou 5° du Code des sociétés et des associations, il doit en outre obtenir préalablement à la vente publique ou la vente de gré à gré une autorisation du tribunal de l’entreprise. En cas de dissolution judiciaire, l’autorisation prévue par les articles 2:88 ou 2:122 du Code des sociétés et des associations et celle prévue par le présent paragraphe peuvent être demandées simultanément. § 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de vendre l’immeuble publiquement avec bénéfice de la purge, il désigne en même temps un notaire par le ministère duquel la vente publique aura lieu. Le liquidateur ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la situation de l’immeuble veillent, chacun pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause. § 3. Le liquidateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré avec bénéfice de la purge. Le liquidateur soumet au tribunal un projet d’acte de vente, établi par un notaire désigné par le liquidateur, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances, postérieur à l’ouverture de la procédure de liquidation, relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur l’immeuble qui doit être vendu ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Les créanciers hypothécaires inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil de même que la personne morale en liquidation et, le cas C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 233 3552/001 DOC 55 échéant, les copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La rétribution due vaut comme frais de greffe. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions. L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la purge est accordée si l’intérêt de la masse à liquider l’exige. L’ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l’intérêt de la masse à liquider et mentionne l’identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d’un prix minimum. La vente doit avoir lieu conformément au projet d’acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l’ordonnance du tribunal, conformément à l’article 1031. Art. 1253ter/1, § 2 et 3 Art. 1253ter/1, § 2 et 3 § 2. En matière familiale, lors de la comparution des parties à l’audience introductive d’instance, le juge entend les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable avant l’introduction de la cause, et afin de déterminer si une résolution à l’amiable est envisageable. § 2. En matière familiale, lors de la comparution des parties à l’audience introductive d’instance, le juge entend les parties sur la manière dont elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable avant l’introduction de la cause, et afin de déterminer si une résolution à l’amiable est envisageable. A la demande des parties ou si le juge l’estime utile, il peut remettre l’affaire à une date déterminée qui ne peut excéder le délai d’un mois, sauf s’il existe à cet égard un accord entre les parties selon les modalités prévues à l’article 730/1. A la demande des parties ou s’il l’estime utile, il peut également renvoyer l’affaire devant la chambre de règlement à l’amiable, conformément au paragraphe 3. Toutefois, s`il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. A la demande des parties ou si le juge l’estime utile, il peut remettre l’affaire à une date déterminée qui ne peut excéder le délai d’un mois, sauf s’il existe à cet égard un accord entre les parties selon les modalités prévues à l’article 730/1. A la demande des parties ou s’il l’estime utile, il peut également renvoyer l’affaire devant la chambre de règlement à l’amiable, conformément au paragraphe 3 aux articles 734/1 à 734/4. Toutefois, s`il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 234 § 3. En matière familiale, les affaires peuvent être soumises à fin de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable du tribunal de la famille ou des chambres famille de la cour d’appel. Tel peut être également le cas lorsque l’affaire est pendante devant une autre chambre de la famille pour autant que la chambre de règlement à l’amiable soit en mesure de tenir une audience à une date antérieure. Abrogé A la demande des parties ou s’il l’estime utile, le juge ordonne le renvoi de la cause à la chambre de règlement à l’amiable du même tribunal ou des mêmes chambres famille de la cour d’appel, par simple mention au procès-verbal de l’audience. Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée. Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque les parties, sous pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Toutefois, s`il existe des indices sérieux que des violences, des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie. Abrogé A défaut d’accord ou en cas d’accord partiel, la chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon les mêmes formalités que celles prévues à l’alinéa 2, le dossier devant la chambre de la famille devant laquelle le dossier a été introduit. Abrogé Tout au long de l’instance, les parties ou le magistrat ont la possibilité de solliciter le renvoi de leur cause devant la chambre de règlement à l’amiable. Abrogé De même, tout au long de l’instance, si un accord total ou partiel intervient, le procès- verbal en constate les termes et l’expédition est revêtue de la formule exécutoire, sauf si les parties requièrent l’application de l’article 1043. Abrogé Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours des audiences de règlement à l’amiable est confidentiel. Abrogé C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 235 3552/001 DOC 55 Tant les parties que le juge de la chambre de règlement à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre un terme à la procédure de règlement à l’amiable. Abrogé Art. 1253ter/3, § 2 Art. 1253ter/3, § 2 § 2. Moyennant accord de toutes les parties, le tribunal peut remettre à une date déterminée, qui ne peut excéder le délai fixé à l’article 1734, afin de permettre aux parties d’examiner si des accords peuvent être conclus ou si une médiation peut leur offrir une solution, ou renvoyer l’affaire à la chambre de règlement à l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2. L’affaire peut être reprise plus tôt, sur demande écrite d’une des parties. § 2. Moyennant accord de toutes les parties, le tribunal peut remettre à une date déterminée, qui ne peut excéder le délai fixé à l’article 1734, afin de permettre aux parties d’examiner si des accords peuvent être conclus ou si une médiation peut leur offrir une solution, ou renvoyer l’affaire à la chambre de règlement à l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2734/1, § 2. L’affaire peut être reprise plus tôt, sur demande écrite d’une des parties. Art. 1253quater,a) Art. 1253quater, a) Sous réserve de l’application des articles 1253ter/4 et 1253ter/7, lorsque les demandes sont fondées sur les articles 214, 215, 216, 221 et 223 de l’ancien Code civil et sur les articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, alinéa 3, et 2.3.63 du Code civil: a) le tribunal fait convoquer les parties et, le cas échéant, renvoie les parties aux chambres de règlement à l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2; Sous réserve de l’application des articles 1253ter/4 et 1253ter/7, lorsque les demandes sont fondées sur les articles 214, 215, 216, 221 et 223 de l’ancien Code civil et sur les articles 2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, alinéa 3, et 2.3.63 du Code civil: a) le tribunal fait convoquer les parties et, le cas échéant, renvoie les parties aux chambres de règlement à l’amiable, conformément à l’article 734/1, § 2; Art. 1326 Art. 1326 § 1er. Les ventes publiques d’immeubles autorisées conformément aux articles 1186, 1189, 1190, 1580 et 1675/14bis ainsi que les ventes publiques autorisées conformément à l’article XX.88 du Code de droit économique emportent de plein droit délégation du prix au profit des créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits ainsi qu’au profit des créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie qui ont été appelés à l’adjudication au moins huit jours avant l’émission de la première enchère. § 1er. Les ventes d’immeubles qui appartiennent en totalité au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation, à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, à une succession vacante, à une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire, emportent délégation du prix au profit des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant des créanciers enregistrés au Registre des gages, au profit des créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi qu’au profit des créanciers qui ont C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 236 fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, à condition: Les ventes de gré à gré d’immeubles autorisées conformément aux articles 1193bis, 1193ter, 1580bis, 1580ter et 1675/14bis ainsi que les ventes de gré à gré autorisées conformément à l’article XX.88 du Code de droit économique, emportent délégation de plein droit du prix au profit des créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits ainsi qu’au profit des créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, qui ont été appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifiée au moins huit jours avant l’audience. 1° que ces créanciers aient été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente dans le cadre d’une vente publique autorisée ou ordonnée. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; ou § 2. Les ventes, publiques ou de gré à gré, d’immeubles indivis autorisées ou ordonnées conformément aux articles 1187, 1189bis, 1193bis, 1209, 1214, 1224 et 1675/14bis ainsi que conformément aux articles XX.88 et XX.193 du Code de droit économique emportent de plein droit délégation du prix au profit de tous les créanciers hypothécaires ou privilégies inscrits ainsi qu’au profit de tous les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, qui ont été appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l’avance. 2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation dans le cadre d’une vente de gré à gré. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 3. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans qu’il soit besoin d’y annexer et de transcrire l’ordonnance ou le jugement d’autorisation. Le présent paragraphe est également applicable à la vente autorisée ou ordonnée sur saisie d’un immeuble qui appartient en totalité ou pour partie au saisi, sauf en cas d’application de l’article 1561, auquel cas la vente intervient dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire conformément au paragraphe 3. § 2. Les ventes d’immeubles indivis qui appartiennent pour partie au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, à une succession vacante, à une succession acceptée sous bénéfice C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 237 3552/001 DOC 55 d’inventaire, et à d’autres personnes, emportent délégation du prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation de la vente. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire, les règles spécifiques suivantes sont d’application: 1° la vente publique emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le notaire à suivre les opérations de vente. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; 2° la vente de gré à gré emporte délégation de prix au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation, pour autant que les parties venderesses se soient volontairement soumises à la procédure d’autorisation visée à l’article 1193bis. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. § 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la délégation de prix peut être obtenue dans le cadre de différentes procédures, il suffit que les créanciers énumérés au paragraphe 1er aient été appelés dans le cadre de l’une de ces procédures pour obtenir la purge. § 5. Les ventes d’immeubles emportent également de plein droit délégation de prix à l’égard des créanciers énumérés au paragraphe 1er dont l’inscription, la transcription, l’enregistrement au Registre des gages ou la mention en marge sont postérieurs à l’appel prévu aux paragraphes 1er à 3, sans que ces créanciers doivent être appelés. § 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans qu’il soit besoin d’y annexer et de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 238 transcrire l’ordonnance ou le jugement d’autorisation. Art. 1389bis/7 Art. 1389bis/7 Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié. Art. 1390quater, § 1er, alinéa 2 (après entre en vigueur loi du 5 mai 2019) Art. 1390quater, § 1er, alinéa 2 Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l’identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l’alinéa 1er, 2°. Dans les vingt-quatre heures de la décision de remplacement du médiateur de dettes, le greffier adresse au fichier des avis la mention de la date de cette décision et de l’identité du médiateur de dettes remplaçant au sens de l’alinéa 1er, 2°, au moyen du registre central des règlements collectifs de dettes prévu à l’article 1675/20. Art. 1409 Art. 1409 § 1er. Les sommes payées en exécution d’un contrat de louage de travail, d’un contrat d’apprentissage, d’un statut, d’un abonnement ainsi que celles qui sont payées aux personnes qui, autrement qu’en vertu d’un contrat de louage de travail, fournissent contre rémunération des prestations de travail sous l’autorité d’une autre personne, [ainsi que le pécule de vacances payé en vertu de la législation relative aux vacances annuelles, peuvent être cédées ou saisies sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent 35 000 F par mois civil. § 1er. Les sommes payées en exécution d’un contrat de louage de travail, d’un contrat d’apprentissage, d’un statut, d’un abonnement ainsi que celles qui sont payées aux personnes qui, autrement qu’en vertu d’un contrat de louage de travail, fournissent contre rémunération des prestations de travail sous l’autorité d’une autre personne, [ainsi que le pécule de vacances payé en vertu de la législation relative aux vacances annuelles, peuvent être cédées ou saisies sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent 1706 euros par mois civil. La partie de ces sommes supérieure à 29 000 francs et n’excédant pas 32 000 francs par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30 % au total, la partie supérieure à 32 000 francs et n’excédant pas 35 000 francs par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au total; la partie supérieure à 27 000 francs et n’excédant pas 29 000 francs par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d’un cinquième au total. La partie de ces sommes supérieure à 1414 euros et n’excédant pas 1560 euros par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30 % au total, la partie supérieure à 1560 euros et n’excédant pas 1706 euros par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au total; la partie supérieure à 1316 euros et n’excédant pas 1414 euros par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d’un cinquième au total. La part de ces sommes qui ne dépasse pas 27 000 F par mois civil ne peut être cédée ni saisie. La part de ces sommes qui ne dépasse pas 1316 euros par mois civil ne peut être cédée ni saisie. [Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, [Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 239 3552/001 DOC 55 dans les limites de celle-ci, diminuée de 50 euros par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge. dans les limites de celle-ci, diminuée de 81 euros par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge. Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution, à l’exception des matières pour lesquelles la majorité prescrite à l’article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet. § 1erbis. Les revenus d’autres activités que celles visées au § 1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent 35 000 francs par mois civil. Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution, à l’exception des matières pour lesquelles la majorité prescrite à l’article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet. § 1erbis. Les revenus d’autres activités que celles visées au § 1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation pour la partie du montant total de ces sommes qui dépassent 1706 euros par mois civil. La partie de ces sommes supérieure à 29 000 francs et n’excédant pas 35 000 francs par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de deux cinquièmes au total; la partie supérieure à 27 000 francs et n’excédant pas 29 000 francs par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d’un cinquième au total. La partie de ces sommes supérieure à 1414 euros et n’excédant pas 1706 euros par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de deux cinquièmes au total; la partie supérieure à 1316 euros et n’excédant pas 1414 euros par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus d’un cinquième au total. La partie de ces sommes qui ne dépasse pas 27 000 francs par mois civil ne peut être cédée ni saisie. La partie de ces sommes qui ne dépasse pas 1316 euros par mois civil ne peut être cédée ni saisie. Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de 50 euros par enfant à charge. Le Roi détermine par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres ce qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge. Lorsque des personnes bénéficiant de revenus visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à charge, la quotité saisissable ou cessible est, dans les limites de celle-ci, diminuée de 81 euros par enfant à charge. Le Roi détermine par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres ce qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge. Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, Il détermine également, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres les règles gouvernant la charge de la preuve, en ce compris la force probante et la durée de validité des preuves, ainsi que les règles de la procédure. A cette fin, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 240 Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution à l’exception des matières pour lesquels la majorité prescrite à l’article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet. Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et modifier des dispositions légales, même dans les matières qui sont expressément réservées à la loi par la Constitution à l’exception des matières pour lesquels la majorité prescrite à l’article 4, alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le 1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des représentants un projet de loi de ratification des arrêtés établis par application de cet alinéa qui établissent ou modifient des dispositions légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant le 1er janvier 2006 sont sans effet. § 1erter. Les titres-repas visés à l’article 19bis de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas être saisis ou cédés s’ils satisfont aux conditions de l’article 19bis, § § 2 et 3, du même arrêté. Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls prévus par l’article 1411, et n’appartiennent pas non plus aux exceptions prévues à l’article 1412. § 1erter. Les titres-repas visés à l’article 19bis de l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas être saisis ou cédés s’ils satisfont aux conditions de l’article 19bis, § § 2 et 3, du même arrêté. Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls prévus par l’article 1411, et n’appartiennent pas non plus aux exceptions prévues à l’article 1412. § 2. Chaque année, le Roi adapte les montants fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu de l’indice des prix à la consommation du mois de novembre de chaque année. L’indice de départ pour les montants visés aux trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui du mois de novembre 1989. L’indice de départ pour le montant visé à l’alinéa 4 des § 1 et § 1bis est celui du mois de la publication au Moniteur belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire, en vue d’adapter la quotité non cessible ou non saisissable de la rémunération. § 2. Chaque année, et sans préjudice de l’application du paragraphe 3, le Roi adapte les montants fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu de l’indice santé lissé du mois de novembre de chaque année. L’indice de départ pour les montants visés aux trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui du mois de novembre 2022. L’indice de départ pour le montant visé à l’alinéa 4 des § 1 et § 1bis est celui du mois de novembre 2022. Chaque augmentation ou diminution de l’indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants, conformément à la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divise par l’indice de départ. Le résultat est arrondi à la centaine supérieure. Chaque augmentation ou diminution de l’indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants, conformément à la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divise par l’indice de départ. Le résultat est arrondi à la centaine supérieure. Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais être inférieur au montant déterminé à l’article 2, § 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d’existence, en Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais être inférieur au montant déterminé à l’article 14, §1er, alinéa 1er de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, en C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 241 3552/001 DOC 55 vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au millier supérieur. vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au centième supérieur. Dans les quinze premiers jours du mois de décembre de chaque année, les nouveaux montants sont publiés au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de l’année suivant celle de leur adaptation. Avant le 31 décembre de chaque année, les nouveaux montants sont publiés au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de l’année suivant celle de leur adaptation. § 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation prévue au paragraphe 2 si en cours d’année l’augmentation ou la diminution de l’indice dépasse 5% par rapport à la dernière adaptation. Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui suit l’augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur publication au Moniteur belge. § 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants prévus aux § 1er et § 1erbis, après avis du Conseil national du travail, en tenant compte de la situation économique. § 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants prévus aux § 1er et § 1erbis, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, en tenant compte de la situation économique. L’arrêté entre en vigueur le 1er janvier de l’année suivant sa publication au Moniteur belge. Les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois suivant leur publication au Moniteur belge. Ils cessent d’être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31 décembre de l’année de leur entrée en vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée en vigueur. Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur, le Roi procède à l’adaptation prévue au paragraphe 2 ou au présent paragraphe. Si l’adaptation a lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte l’indice du mois qui précède l’adaptation; les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit leur adaptation. Art. 1561, al. 1er Art. 1561, al. 1er Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut être exécutée par ses créanciers personnels avant le partage ou la licitation, qu’ils peuvent provoquer ou dans lesquels ils ont le droit d’intervenir, sauf à respecter la convention d’indivision conclue antérieurement à la Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut être exécutée par ses créanciers personnels avant le partage ou la licitation, qu’ils peuvent provoquer ou dans lesquels ils ont le droit d’intervenir, sauf à respecter la convention d’indivision conclue antérieurement à la demande en partage ou à l’acte constitutif C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 242 demande en partage ou à l’acte constitutif d’hypothèque. d’hypothèque. Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants sont d’application. Art. 1580bis, al. 3 Art. 1580bis, al. 3 Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ou ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Art. 1580ter, al. 1 et 2 Art. 1580ter, al. 1 et 2 Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l’autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d’acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Dans le cas où le créancier saisissant sollicite l’autorisation de vente de gré à gré, il soumet au juge un projet d’acte de vente établi par un notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale du Service public fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après consultation du Registre des gages. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. L’autorisation est accordée si l’intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, ainsi que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. L’autorisation est accordée si l’intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert. Art. 1582, al. 3 Art. 1582, al. 3 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 243 3552/001 DOC 55 Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l’émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que le débiteur sont sommés un mois au moins avant l’émission de la première enchère, de prendre communication de ce cahier des charges et de suivre les opérations de vente. Art. 1639, al. 2 Art. 1639, al. 2 L’ordre ouvert ensuite d’une vente intervenant dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une succession vacante ou acceptée sous bénéfice d’inventaire se limite, sous réserve d’autres modalités, au paiement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux. Après règlement desdits créanciers, l’officier ministériel instrumentant verse, au besoin, le solde du prix de vente et ses accessoires au mandataire de justice ou à l’héritier bénéficiaire. Ce versement est libératoire tout comme l’est le versement fait par l’adjudicataire conformément à l’article 1641. L’ordre ouvert ensuite d’une vente intervenant dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une de l’immeuble appartenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge ou une succession vacante ou acceptée sous bénéfice d’inventaire se limite, sous réserve d’autres modalités, au paiement des créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties. Après règlement desdits créanciers, l’officier ministériel instrumentant verse, au besoin, le solde du prix de vente et ses accessoires au mandataire de justice ou à l’héritier bénéficiaire. Ce versement est libératoire tout comme l’est le versement fait par l’adjudicataire conformément à l’article 1641. Art. 1639/1 Si l’une des ventes mentionnées à l’article 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit être établi en procédant comme suit: C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 244 1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles, ou aux parties dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire; 2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639, alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire; 3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi qu’au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un accord entre les parties. La créance qui peut être récupérée à l’encontre de plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part de droits réels qui revient à chacun d’entre eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de l’hypothèque. Si l’immeuble fait partie d’une copropriété portant sur un ensemble juridique de biens, les dettes communes à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l’ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans l’ordre tel que prévu à l’alinéa 1er. Si la copropriété portant sur l’ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut être C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 245 3552/001 DOC 55 entamée qu’après le règlement complet de cette copropriété. Art. 1653, al. 3 Art. 1653, al. 3 Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office. Sur production de ce certificat, toutes inscriptions et transcriptions existantes à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office à charge du propriétaire ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées d’office, pour autant que le notaire déclare que les conditions de l’article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet également la radiation des inscriptions ou transcriptions existant encore à charge des titulaires précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu de l’article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention marginale est inscrite qui fait état de la vente purgeante et de ce certificat. Art. 1675/7, § 2, al. 3 Art. 1675/7, § 2, al. 3 De même, si antérieurement à cette décision d’amissibilité, l’ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n’est plus susceptible d’être frappée par l’opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l’intérêt de la masse l’exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires, privilégiés inscrits et le créancier saisissant à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience, autoriser la remise ou l’abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d’abandon de vente n’est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l’article 1582. De même, si antérieurement à cette décision d’amissibilité, l’ordonnance rendue conformément aux articles 1580, 1580bis et 1580ter, n’est plus susceptible d’être frappée par l’opposition visée aux articles 1033 et 1034, les opérations de vente sur saisie exécution immobilière peuvent se poursuivre pour le compte de la masse. Si l’intérêt de la masse l’exige, le tribunal du travail peut, sur la demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire et après avoir appelé les créanciers hypothécaires, privilégiés inscrits et le créancier saisissant inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience, autoriser la remise ou l’abandon de la vente. Le débiteur ou le médiateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d’abandon de vente n’est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l’article 1582. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 246 Art. 1675/9, § 4 Art. 1675/9, § 4 Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu’il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l’autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l’article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l’article 1410, § 2, 1°. Le médiateur de dettes prélève sur les montants qu’il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule qui est mis à la disposition du requérant et qui est au moins égal au montant protégé en application des articles 1409 à 1412. Ce pécule peut être réduit pour une période limitée moyennant l’autorisation expresse écrite du requérant, mais il doit toujours être supérieur, tant dans le cadre du plan de règlement amiable que dans le cadre du plan de règlement judiciaire, aux montants visés à l’article 14 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration sociale, majorés de la somme des montants visés à l’article 1410, § 2, 1°. Art. 1675/10, § 2/1 et § 4 Art. 1675/10, § 2/1 et § 4 § 2/1. Le plan de règlement amiable reprend l’état détaillé et actualisé des revenus et des moyens disponibles du ménage. L’annexe au plan, qui est uniquement communiquée au juge, comporte un état détaillé des charges et avoirs du débiteur et, le cas échéant, des charges et avoirs de son ménage. § 2/1. Le plan de règlement amiable reprend l’état détaillé et actualisé des revenus et des moyens disponibles du ménage. L’annexe au plan, qui est uniquement communiquée au juge, comporte un état détaillé des charges et avoirs du débiteur et, le cas échéant, des charges et avoirs de son ménage. § 4. Le médiateur de dettes communique le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste au requérant, le cas échéant à son conjoint, et aux créanciers. Le médiateur veille, dans ce plan, au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille. § 4. Le médiateur de dettes communique le projet de plan de règlement amiable par lettre recommandée à la poste au requérant, le cas échéant à son conjoint ou son cohabitant légal, et aux créanciers. Le médiateur veille, dans ce plan, au remboursement prioritaire des dettes qui mettent en péril le respect de la dignité humaine du requérant et de sa famille. Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être communiqué au médiateur de dettes, dans les deux mois de l’envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan. Le plan doit être approuvé par toutes les parties intéressées. Tout contredit doit être communiqué au médiateur de dettes, dans les deux mois de l’envoi du projet. A défaut de contredit formé dans les conditions et délai précités, les parties sont présumées consentir au plan. L’article 51 n’est pas d’application. L’article 51 n’est pas d’application. L’avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l’alinéa 2 du présent paragraphe. L’avis adressé aux parties intéressées reproduit le texte de l’alinéa 2 du présent paragraphe. Art. 1675/12, § 2 Art. 1675/12, § 2 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 247 3552/001 DOC 55 § 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans. L’article 51 n’est pas d’application, à moins que le débiteur n’en sollicite l’application de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d’assurer le respect de la dignité humaine du débiteur. § 2. Le jugement mentionne la durée du plan de règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq ans. L’article 51 n’est pas d’application, à moins que le débiteur n’en sollicite l’application de manière expresse et motivée, en vue de sauvegarder certains éléments de son patrimoine et afin d’assurer le respect de la dignité humaine du débiteur et de sa famille. Le juge statue sur cette demande, par une décision spécialement motivée, le cas échéant dans la décision par laquelle il accorde le plan de règlement judiciaire. Le juge statue sur cette demande, par une décision spécialement motivée, le cas échéant dans la décision par laquelle il accorde le plan de règlement judiciaire. Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit. Le délai de remboursement des contrats de crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau délai de remboursement ne peut excéder la durée du plan de règlement, fixée par le juge, augmentée de la moitié de la durée restant à courir de ces contrats de crédit. Art. 1675/14bis, § 2 Art. 1675/14bis, § 2 § 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d’autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul. § 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d’autres personnes, le tribunal du travail peut, sur demande du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à la requête du médiateur de dettes seul. En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du débiteur ou du médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire et des autres copropriétaires, après avoir appelé les C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 248 créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l’avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours à l’avance. Il en est de même du débiteur en cas de plan de règlement judiciaire. Art. 1675/21 Art. 1675/21 § 1er. L’Ordre des barreaux francophones et germanophone et l’Orde van Vlaamse Balies visés à l’article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés “le gestionnaire”, mettent en place et gèrent le registre conjointement. § 1er. L’Ordre des barreaux francophones et germanophone et l’Orde van Vlaamse Balies visés à l’article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après dénommés “le gestionnaire”, mettent en place et gèrent le registre conjointement. § 2. En ce qui concerne le fichier visé à l’article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de l’article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l’égard des traitements de données à caractère personnel. § 2. En ce qui concerne le fichier visé à l’article 1675/20, le gestionnaire est considéré comme le responsable du traitement au sens de l’article 1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l’égard des traitements de données à caractère personnel. § 3. Le gestionnaire désigne un préposé à la protection des données. § 3. Le gestionnaire désigne un délégué à la protection des données. Celui-ci est plus particulièrement chargé: Celui-ci est plus particulièrement chargé: 1° de la remise d’avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement; 1° de la remise d’avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement; 2° d’informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée; 2° d’informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée; 3° de l’établissement, de la mise en œuvre, de la mise à jour et du contrôle d’une politique de sécurisation et de protection de la vie privée; 3° de l’établissement, de la mise en œuvre, de la mise à jour et du contrôle d’une politique de sécurisation et de protection de la vie privée; 4° d’être le point de contact pour la Commission de la protection de la vie privée; 4° d’être le point de contact pour la Commission de la protection de la vie privée; 5° de l’exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation 5° de l’exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 249 3552/001 DOC 55 qui sont déterminées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée. qui sont déterminées par le Roi, après avis de la Commission de la protection de la vie privée. Dans l’exercice de ses missions, le préposé à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire. Dans l’exercice de ses missions, le délégué à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire. Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, les règles selon lesquelles le préposé à la protection des données exerce ses missions. Le Roi détermine, après avis de la Commission de la protection de la vie privée, les règles selon lesquelles le délégué à la protection des données exerce ses missions. CHAPITRE 4 - Modifications du Code de la nationalité belge Art. 9 Art. 9 Devient Belge à la date à laquelle l’adoption produit ses effets, s’il n’a pas à cette date atteint l’âge de dix-huit ans ou n’est pas émancipé: § 1er. Devient Belge à la date à laquelle l’adoption produit ses effets, s’il n’a pas à cette date atteint l’âge de dix-huit ans ou n’est pas émancipé: 1° l’enfant né en Belgique et adopté par un Belge; 1° l’enfant né en Belgique et adopté par un Belge; 2° l’enfant né à l’étranger et adopté: 2° l’enfant né à l’étranger et adopté: a) par un Belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l’administration de la Belgique; a) par un Belge né en Belgique ou dans des territoires soumis à la souveraineté belge ou confiés à l’administration de la Belgique; b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq ans à partir de la date à laquelle l’adoption produit ses effets, une déclaration réclamant l’attribution de la nationalité belge pour son enfant adoptif qui n’a pas atteint l’âge de dix- huit ans ou n’est pas émancipé avant cet âge; b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq ans à partir de la date à laquelle l’adoption produit ses effets, une déclaration réclamant l’attribution de la nationalité belge pour son enfant adoptif qui n’a pas atteint l’âge de dix- huit ans ou n’est pas émancipé avant cet âge; c) par un Belge, à condition que l’enfant ne possède pas une autre nationalité. c) par un Belge, à condition que l’enfant ne possède pas une autre nationalité. La déclaration visée à l’alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi, conformément à l’article 22, § 4. La déclaration visée à l’alinéa 1er, 2°, b, est faite, et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité est établi, conformément à l’article 22, § 4. L’enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu’il n’a pas été établi, avant qu’il n’ait atteint l’âge de dix-huit ans ou n’ait été émancipé avant cet âge, qu’il possède une nationalité étrangère. L’enfant auquel la nationalité belge a été attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c, conserve cette nationalité tant qu’il n’a pas été établi, avant qu’il n’ait atteint l’âge de dix-huit ans ou n’ait été émancipé avant cet âge, qu’il possède une nationalité étrangère. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 250 § 2. En cas de révision de l’adoption, telle que prévue à l’article 351 de l’ancien Code civil, ou de révocation de l’adoption, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil, l’adopté conserve la nationalité belge. Art. 23 Art. 23 § 5. Si l’arrêt est rendu par défaut, il est, après sa signification, à moins que celle-ci ne soit faite à personne, publié par extrait dans deux journaux de la province et au Moniteur belge. § 5. Si l’arrêt est rendu par défaut, il est, après sa signification, à moins que celle-ci ne soit faite à personne, publié par extrait dans deux journaux de la province et au Moniteur belge. L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée dans le délai de huit jours à compter du jour de la signification à personne ou de la publication, sans augmentation de ce délai en raison de la distance. L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée dans le délai prévu, en matière civile, à l’article 1048 du Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances judiciaires, conformément à l’article 50, alinéa 2 du Code judiciaire. L’opposition est portée à la première audience de la chambre qui a rendu l’arrêt; elle est jugée sur le rapport du conseiller commis s’il fait encore partie de la chambre, ou, à son défaut, par le conseiller désigné par le premier président, et l’arrêt est rendu dans les quinze jours. L’opposition est portée à la première audience de la chambre qui a rendu l’arrêt; elle est jugée sur le rapport du conseiller commis s’il fait encore partie de la chambre, ou, à son défaut, par le conseiller désigné par le premier président, et l’arrêt est rendu dans les quinze jours. CHAPITRE 5 – Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social Art. 2 Art. 2 Pour l’exécution et l’application de la présente loi et de ses mesures d’exécution, on entend par Pour l’exécution et l’application de la présente loi et de ses mesures d’exécution, on entend par: 1° “sécurité sociale”: 1° “sécurité sociale”: a) l’ensemble des branches reprises à l’article 21 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, y compris celles de la sécurité sociale des marins de la marine marchande et des ouvriers mineurs; a) l’ensemble des branches reprises à l’article 21 de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, y compris celles de la sécurité sociale des marins de la marine marchande et des ouvriers mineurs; b) l’ensemble des branches visées sous le a), dont l’application est étendue aux personnes occupées dans le secteur public, et les branches du secteur public qui remplissent une fonction équivalente aux branches visées sous le a); b) l’ensemble des branches visées sous le a), dont l’application est étendue aux personnes occupées dans le secteur public, et les branches du secteur public qui remplissent une fonction équivalente aux branches visées sous le a); C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 251 3552/001 DOC 55 c) l’ensemble des branches reprises à l’article 1er de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants; c) l’ensemble des branches reprises à l’article 1er de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants; d) l’ensemble des branches reprises à l’article 12 de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d’outre-mer ou visées par la loi du 16 juin 1960 placant sous le contrôle et la garantie de l’Etat belge des organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda-Urundi et portant garantie par l’Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci; d) l’ensemble des branches reprises à l’article 12 de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d’outre-mer ou visées par la loi du 16 juin 1960 placant sous le contrôle et la garantie de l’Etat belge des organismes gérant la sécurité sociale des employés du Congo belge et du Ruanda-Urundi et portant garantie par l’Etat belge des prestations sociales assurées en faveur de ceux-ci; e) l’ensemble des branches du régime d’aide sociale constitué par les allocations aux handicapés, le droit à un minimum de moyens d’existence, (l’aide sociale,) les prestations familiales garanties et le revenu garanti aux personnes âgées; e) l’ensemble des branches du régime d’aide sociale constitué par les allocations aux handicapés, le droit à un minimum de moyens d’existence, (l’aide sociale,) les prestations familiales garanties et le revenu garanti aux personnes âgées; f) l’ensemble des avantages complémentaires aux prestations assurées dans le cadre de la sécurité sociale visée au littera a, accordés, dans les limites de leurs statuts, par les fonds de sécurité d’existence visés au 2°, littera c); f) l’ensemble des avantages complémentaires aux prestations assurées dans le cadre de la sécurité sociale visée au littera a, accordés, dans les limites de leurs statuts, par les fonds de sécurité d’existence visés au 2°, littera c); g) l’ensemble des règles relatives à la perception et au recouvrement des cotisations et des autres ressources contribuant au financement des branches et avantages précités; g) l’ensemble des règles relatives à la perception et au recouvrement des cotisations et des autres ressources contribuant au financement des branches et avantages précités; h) l’ensemble des droits visés dans la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme; CHAPITRE 6 – Modifications du Code de droit économique Art. XX.44, § 3, al. 2, 1° Art. XX.44, § 3, al. 2, 1° Toutefois, le notaire devra suspendre les opérations de vente si les conditions cumulatives suivantes sont remplies: Toutefois, le notaire devra suspendre les opérations de vente si les conditions cumulatives suivantes sont remplies: 1° à la demande expresse du débiteur dans sa requête, le tribunal prononce la suspension des opérations de vente forcée, préalablement ou conjointement à la décision prononçant l’ouverture de la procédure, après avoir entendu 1° à la demande expresse du débiteur dans sa requête, le tribunal prononce la suspension des opérations de vente forcée, préalablement ou conjointement à la décision prononçant l’ouverture de la procédure, après avoir entendu C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 252 le juge délégué en son rapport, ainsi que les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le créancier saisissant et le débiteur. La demande en suspension de la vente n’a pas d’effet suspensif. Les frais réels exposés par le notaire dans le cadre de la vente forcée, entre sa désignation et le dépôt de la requête, sont à charge du débiteur; le juge délégué en son rapport, ainsi que les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le créancier saisissant inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil et le débiteur. La demande en suspension de la vente n’a pas d’effet suspensif. Les frais réels exposés par le notaire dans le cadre de la vente forcée, entre sa désignation et le dépôt de la requête, sont à charge du débiteur; Art. XX.51, § 3, al. 2, 1° Art. XX.51, § 3, al. 2, 1° Toutefois, le notaire devra suspendre les opérations de vente si les conditions cumulatives suivantes sont remplies: Toutefois, le notaire devra suspendre les opérations de vente si les conditions cumulatives suivantes sont remplies: 1° à la demande expresse du débiteur dans sa requête, le tribunal prononce la suspension des opérations de vente forcée, préalablement ou conjointement à la décision prononçant l’ouverture de la procédure, après avoir entendu le juge délégué en son rapport, ainsi que les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le créancier saisissant et le débiteur. La demande en suspension de la vente n’a pas d’effet suspensif. Les frais réels exposés par le notaire dans le cadre de la vente forcée, entre sa désignation et le dépôt de la requête, sont à charge du débiteur; 1° à la demande expresse du débiteur dans sa requête, le tribunal prononce la suspension des opérations de vente forcée, préalablement ou conjointement à la décision prononçant l’ouverture de la procédure, après avoir entendu le juge délégué en son rapport, ainsi que les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le créancier saisissant et le débiteur inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil et le débiteur. La demande en suspension de la vente n’a pas d’effet suspensif. Les frais réels exposés par le notaire dans le cadre de la vente forcée, entre sa désignation et le dépôt de la requête, sont à charge du débiteur; Art. XX.88, § 2 et 3 Art. XX.88, § 2 et 3 § 2. Lorsque la vente porte sur des immeubles et que le praticien de la liquidation choisit d’y procéder de gré à gré, il soumet au tribunal un projet d’acte établi par un notaire qu’il désigne et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise ainsi qu’un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale, postérieur à l’ouverture de la procédure de réorganisation, relatant les inscriptions existantes et toute transcription de § 2. Lorsque la vente porte sur des immeubles et que le praticien de la liquidation choisit d’y procéder de gré à gré, il soumet au tribunal un projet d’acte établi par un notaire qu’il désigne et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport d’expertise, établi par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte, ainsi qu’un certificat de l’Administration générale de la Documentation patrimoniale, postérieur à l’ouverture de la procédure de réorganisation, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 253 3552/001 DOC 55 commandements ou de saisies portant sur lesdits immeubles. Le projet et ses annexes sont déposés dans le registre. relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandements ou de saisies portant sur lesdits immeubles. Le projet et ses annexes sont déposés dans le registre. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre soit subordonnée à certaines conditions, telle que la fixation d’un prix de vente minimum. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Ils peuvent demander au tribunal que l’autorisation de vendre soit subordonnée à certaines conditions, telle que la fixation d’un prix de vente minimum. Dans tous les cas, la vente doit avoir lieu conformément au projet admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a rédigé. Dans tous les cas, la vente doit avoir lieu conformément au projet admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a rédigé. § 3. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d’autres personnes, le tribunal peut, sur demande du praticien de la liquidation, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que le débiteur et les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La vente se fait dans ce cas à la requête du praticien de la liquidation seul. § 3. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au débiteur et à d’autres personnes, le tribunal peut, sur demande du praticien de la liquidation, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que le débiteur et les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La vente se fait dans ce cas à la requête du praticien de la liquidation seul. En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du praticien de la liquidation et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal peut autoriser celle-ci, sur demande conjointe du praticien de la liquidation et des autres copropriétaires, après avoir appelé les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 254 le débiteur par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que le débiteur par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. Art. XX.120, § 1er, al. 4 Art. XX.120, § 1er, al. 4 Si l’intérêt de la masse l’exige, le juge- commissaire peut, sur la demande du curateur, et après avoir appelé les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier saisissant par pli judiciaire, notifié au moins huit jours avant l’audience, autoriser la remise ou l’abandon de la vente. Le curateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d’abandon de vente n’est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l’article 1582 du Code judiciaire. Si l’intérêt de la masse l’exige, le juge- commissaire peut, sur la demande du curateur, et après avoir appelé les créanciers hypothécaires privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier saisissant inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil par pli judiciaire, notifié au moins huit jours avant l’audience, autoriser la remise ou l’abandon de la vente. Le curateur doit immédiatement informer par écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa demande de remise ou abandon. Cette demande de remise ou d’abandon de vente n’est plus recevable à dater de la sommation faite au débiteur saisi conformément à l’article 1582 du Code judiciaire. Art. XX.193, § 2 Art. XX.193, § 2 § 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au failli et à d’autres personnes, le tribunal peut, à la requête des curateurs, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que le failli et les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La vente se fait en ce cas à la requête du curateur seul. § 2. Lorsque des immeubles appartiennent en copropriété au failli et à d’autres personnes, le tribunal peut, à la requête des curateurs, ordonner la vente des immeubles indivis. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que le failli et les autres copropriétaires doivent être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. La vente se fait en ce cas à la requête du curateur seul. En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal peut ordonner celle-ci, à la requête conjointe du curateur et des autres copropriétaires, après avoir appelé les En cas d’accord de tous les copropriétaires quant à la vente de l’immeuble indivis, le tribunal peut ordonner celle-ci, à la requête conjointe du curateur et des autres copropriétaires, après avoir appelé les C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 255 3552/001 DOC 55 créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie ainsi que le failli à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages, les créanciers ayant fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil ainsi que le failli à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l’audience. CHAPITRE 7 – Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne Art. 5 Art. 5 § 1er. La contribution visée à l’article 4 s’élève à 20 euros. § 1er. La contribution visée à l’article 4 s’élève à 20 euros. § 2. La contribution visée au paragraphe 1er est liée à l’indice des prix à la consommation du mois qui précède l’entrée en vigueur de la présente disposition. La contribution est majorée ou réduite de 10 pour cent chaque fois que l’indice augmente ou diminue de dix points. § 2. La contribution visée au paragraphe 1er est liée à l’indice des prix à la consommation du mois qui précède l’entrée en vigueur de la présente disposition. La contribution est majorée ou réduite de 10 pour cent chaque fois que l’indice augmente ou diminue de dix points. Le nouveau montant de la contribution visée au paragraphe 1er entre en vigueur le 1er jour ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er. Ce nouveau montant est publié par avis au Moniteur belge préalablement à son entrée en vigueur. CHAPITRE 8 - Modification du Code civil Art. 1.8, § 5 Art. 1.8, § 5 Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié. CHAPITRE 9 – Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés Art. 36 Art. 36 A l’article 1675/6 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 mai 2010, les modifications suivantes sont apportées: A l’article 1675/6 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 6 mai 2010, les modifications suivantes sont apportées: 1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: 1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 256 “§ 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet effet, convoquer le requérant en chambre du conseil. “§ 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet effet, convoquer le requérant en chambre du conseil. Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l’audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l’article 1675/4, § 3, le juge statue sur l’admissibilité de la demande.”; Dans les huit jours du dépôt de la requête, de l’audition du requérant ou du dépôt de la requête complétée conformément à l’article 1675/4, § 3, le juge statue sur l’admissibilité de la demande.”; 2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit: 2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit: “Le greffe introduit sans délai la décision sur l’admissibilité dans le registre visé à l’article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes des juridictions près lesquelles les procédures visées à l’article 1675/5 sont pendantes.” “Le greffe introduit sans délai la décision sur l’admissibilité dans le registre visé à l’article 1675/20, et notifie cette décision aux greffes des tribunaux et des cours près lesquelles les procédures visées à l’article 1675/5 sont pendantes.” Art. 37 Art. 37 A l’article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: A l’article 1675/7 du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées: 1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit: 1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit: “§ 2bis. La décision d’admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l’article 1675/5.”; “§ 2bis. La décision d’admissibilité emporte de plein droit radiation des demandes introduites sur la base des procédures visées à l’article 1675/5.”; 2° dans le paragraphe 6, le mot “1390quinquies” est remplacé par le mot “1390quater”. 2° dans le paragraphe 6, le mot “1390quinquies” est remplacé par le mot “1390quater”. Art. 39 Art. 39 Il est inséré un article 1675/8bis, rédigé comme suit: Il est inséré un article 1675/8bis, rédigé comme suit: “Art. 1675/8bis. En cas d’inadmissibilité, la décision est notifiée par le greffier dans les trois jours du prononcé au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l’article 1675/16ter et, le cas échéant, à son conseil.” “Art. 1675/8bis. En cas d’inadmissibilité, la décision est notifiée par le greffier dans les trois jours du prononcé au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le texte de l’article 1675/16ter et, le cas échéant, à son conseil.” Art. 45 Art. 45 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 257 3552/001 DOC 55 Dans le même Code, il est inséré un article 1675/15bis, rédigé comme suit: Dans le même Code, il est inséré un article 1675/15bis, rédigé comme suit: “Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l’article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s’effectue au moyen du registre visé à l’article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes: “Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute communication ou tout dépôt prévu par le présent titre et par l’article 20, § 2, de la loi de 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des biens immeubles saisis, s’effectue au moyen du registre visé à l’article 1675/20 entre les catégories de personnes suivantes: 1° le tribunal, en ce compris le greffe; 1° le tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes; 2° le médiateur de dettes; 2° le médiateur de dettes; 3° les avocats; 3° les avocats; 4° les tiers qui fournissent l’assistance judiciaire à titre professionnel; 4° les tiers qui fournissent l’assistance judiciaire à titre professionnel; 5° le SPF Economie; 5° le SPF Economie; 6° les personnes morales établies en Belgique; 6° les personnes morales établies en Belgique; 7° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l’étranger; 7° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le registre, les personnes morales établies à l’étranger; 8° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu’elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment. 8° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le registre, les personnes physiques, étant entendu qu’elles disposent du droit de renoncer à leur inscription au registre à tout moment. A l’égard des personnes visées à l’alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l’occasion d’une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l’article 1675/16, § 4. A l’égard des personnes visées à l’alinéa 1er, 6°, 7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à l’occasion d’une procédure antérieure mais qui ne sont pas encore inscrites pour la procédure concernée, le médiateur de dettes effectue la première communication au moyen du registre en demandant confirmation de cette inscription dans les trois jours ouvrables. La confirmation intervenue dans ce délai vaut inscription dans le registre pour la procédure concernée. A défaut de confirmation dans le délai, la communication ou notification électronique est réputée non avenue et le médiateur de dettes procède à la communication conformément à l’article 1675/16, § 4. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 258 Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu. Toute communication, toute notification ou tout dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2 est considéré comme non-avenu. Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes. Le texte du présent paragraphe est reproduit dans toute communication ou notification émanant du tribunal ou du médiateur de dettes. § 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l’article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d’autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.”. § 2. Le greffier et le médiateur convertissent sous format électronique, déclarent conformes et chargent dans le registre visé à l’article 1675/20 les pièces en papier émises par eux et les pièces qui leur sont communiquées ou déposées par d’autres voies que le registre, lorsque ces voies sont autorisées en vertu du présent livre.”. CHAPITRE 10 – Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation des jurés Art. 19 Art. 19 L’obligation de conservation visée à l’article 782, § 3, du Code judiciaire, insérée par l’article 8, ne vise que les jugements rendus à partir de la date d’entrée en vigueur de l’article 8. L’obligation de conservation visée à l’article 782, § 3, du Code judiciaire, insérée par l’article 8, ne vise que les jugements rendus à partir de la date d’entrée en vigueur de l’article 8. L’obligation de conservation des jugements pseudonymisés visés à l’article 782bis ou 1109 du Code judiciaire, ou à l’article 163, 176, 190, 209, 337 ou 346 du Code d’instruction criminelle, tels que modifiés par la présente loi, ou d’une décision judiciaire, ne vise que les jugements rendus à partir de la date d’entrée en vigueur du chapitre 2 et des articles 9, 10, 13 et 18, alinéa 2, de la présente loi. L’obligation de conservation des jugements pseudonymisés visés à l’article 782bis ou 1109 du Code judiciaire, ou à l’article 163, 176, 190, 209, 337 ou 346 du Code d’instruction criminelle, tels que modifiés par la présente loi, ou d’une décision judiciaire, ne vise que les jugements rendus à partir de la date d’entrée en vigueur du titre II, chapitre 1er et les articles 9, 10, 13 et 19, alinéa 2, de la présente loi. Le Roi peut, après avis du gestionnaire du Registre central et de l’Autorité de protection des données, abroger l’alinéa 1er ou 2 pour une ou plusieurs juridictions, ou pour un ou plusieurs contentieux d’une ou de plusieurs juridictions, délimités selon la matière ou la période préalable à l’entrée en vigueur de la présente loi. Le Roi peut, après avis du gestionnaire du Registre central et de l’Autorité de protection des données, abroger l’alinéa 1er ou 2 pour une ou plusieurs juridictions, ou pour un ou plusieurs contentieux d’une ou de plusieurs juridictions, délimités selon la matière ou la période préalable à l’entrée en vigueur de la présente loi. CHAPITRE 11 – Modification de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses Art. 83 Art. 83 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 259 3552/001 DOC 55 L’article 535 du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014 est remplacé par ce qui suit: L’article 535 du même Code, remplacé par la loi du 7 janvier 2014 est remplacé par ce qui suit: “Art. 535. L’auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice est chargé d’examiner les plaintes introduites par écrit et de manière motivée par un tiers ou un membre de la profession, et sur les dénonciations écrites. Une dénonciation écrite peut être faite par le procureur du Roi, le rapporteur d’une chambre d’arrondissement en vertu d’une décision du conseil, ou le rapporteur national en vertu d’une décision du comité de direction. “Art. 535. L’auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice est chargé d’examiner les plaintes introduites par écrit et de manière motivée par un tiers ou un membre de la profession, et sur les dénonciations écrites. Une dénonciation écrite peut être faite par le procureur du Roi, le rapporteur d’une chambre d’arrondissement en vertu d’une décision du conseil, ou le rapporteur national en vertu d’une décision du comité de direction. L’auditorat a également la compétence de classer sans suite une plainte et de proposer une transaction qui met fin à l’instruction. L’auditorat a également la compétence de classer sans suite une plainte et de proposer une transaction qui met fin à l’instruction. L’auditorat est compétent pour engager la procédure disciplinaire auprès du conseil de discipline tel que visé à l’article 555/5ter, § 1 en vue de la condamnation à une peine disciplinaire. L’auditorat est compétent pour engager la procédure disciplinaire auprès du conseil de discipline tel que visé à l’article 555/5ter, § 1 en vue de la condamnation à une peine disciplinaire. L’assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice fixe le règlement d’ordre intérieur de l’auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice. Ce règlement contient des règles supplémentaires concernant le remplacement des auditeurs, le fonctionnement et l’organisation de l’auditorat ainsi que les modalités de désignation de l’auditeur pour chaque dossier. Pour être obligatoire ce règlement d’ordre intérieur doit être approuvé par le Roi. Il peut, le cas échéant, y apporter des modifications. L’assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice fixe le règlement d’ordre intérieur de l’auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice. Ce règlement contient des règles supplémentaires concernant le remplacement des auditeurs, le fonctionnement et l’organisation de l’auditorat ainsi que les modalités de désignation de l’auditeur pour chaque dossier. Pour être obligatoire ce règlement d’ordre intérieur doit être approuvé par le Roi. Il peut, le cas échéant, y apporter des modifications. L’assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice désigne le canal numérique pour les notifications en matière disciplinaire. L’assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice désigne le canal numérique pour les notifications en matière disciplinaire. Ce canal numérique est accessible aux personnes visées à l’article 555/3, alinéa 1 et 2, à la chambre des notaires, à l’auditorat de la Chambre nationale des notaires, au ministère public, au Conseil de discipline tel que défini à l’article 456 du Code judiciaire, à la Cour d’appel et à la Cour de cassation. La durée de conservation des données enregistrées est de Ce canal numérique est accessible aux personnes visées à l’article 555/3, alinéa 1 et 2, à la chambre des notaires, à l’auditorat de la Chambre nationale des notaires l’auditorat de la Chambre nationale des huissiers de justice, au ministère public, au Conseil de discipline tel que défini à l’article 456 du Code judiciaire, à la Cour d’appel et à la Cour de cassation. La durée de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 260 dix ans dans le chef du gestionnaire du canal numérique. La durée de conservation est prolongée, si nécessaire, jusqu’à ce que tous les recours de toute procédure disciplinaire en cours à laquelle les données se rapportent aient été épuisés. conservation des données enregistrées est de dix ans dans le chef du gestionnaire du canal numérique. La durée de conservation est prolongée, si nécessaire, jusqu’à ce que tous les recours de toute procédure disciplinaire en cours à laquelle les données se rapportent aient été épuisés. Le canal numérique doit au moins remplir les conditions de l’arrêté royal du 16 juin 2016 portant création de la communication électronique conformément à l’article 32ter du Code judiciaire, en ce qui concerne les modalités, le mode et les conditions de création, la gestion, l’organisation et la consultation.”. Le canal numérique doit au moins remplir les conditions de l’arrêté royal du 16 juin 2016 portant création de la communication électronique conformément à l’article 32ter du Code judiciaire, en ce qui concerne les modalités, le mode et les conditions de création, la gestion, l’organisation et la consultation.”. Art. 103 Art. 103 Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié. CHAPITRE 12 – Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale Art. 7 Art. 7 Nonobstant l’article 22, paragraphe 1er, du règlement signification ou notification des actes, les juges belges peuvent rendre une décision si les conditions visées à l’article 22, paragraphe 2, de ce règlement sont remplies. Nonobstant l’article 22, paragraphe 1er, du règlement signification ou notification des actes, la juridiction peut rendre une décision si les conditions visées à l’article 22, paragraphe 2, de ce règlement sont remplies. La demande d’octroi d’un nouveau délai pour introduire un recours, visée à l’article 22, paragraphe 4, du règlement visé à l’alinéa 1er, doit être formée dans l’année suivant la date à laquelle la décision a été rendue, sous peine d’irrecevabilité. La demande d’octroi d’un nouveau délai pour introduire un recours, visée à l’article 22, paragraphe 4, du règlement visé à l’alinéa 1er, doit être formée dans l’année suivant la date à laquelle la décision a été rendue, sous peine d’irrecevabilité. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 261 3552/001 DOC 55 COÖRDINATIE VAN DE ARTIKELEN Basistekst Basistekst aangepast aan het wetsontwerp HOOFDSTUK 1 – Algemene bepaling HOOFDSTUK 1 – Algemene bepaling … … HOOFDSTUK 2 – Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek HOOFDSTUK 2 – Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek Art. 51 Art. 51 De akte van erkenning vermeldt: De akte van erkenning vermeldt: 1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van het kind; 1° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van het kind; 2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, en, in voorkomend geval de overlijdensdatum en de overlijdensplaats van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststond voor de erkenning; 2° de naam, de voornamen, de geboortedatum, de geboorteplaats, en, in voorkomend geval de overlijdensdatum en de overlijdensplaats van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststond voor de erkenning; 3° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats en de hoedanigheid van de erkenner; 3° de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats en de hoedanigheid van de erkenner; 4° in voorkomend geval, de toestemming van de personen bedoeld in artikel 329bis of de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld, met vermelding van: 4° in voorkomend geval, de toestemming van de personen bedoeld in artikel 329bis of de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld, met vermelding van: a) de naam en de voornamen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien deze in de erkenning heeft toegestemd; a) de naam en de voornamen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind indien deze in de erkenning heeft toegestemd; b) de datum, plaats en autoriteit voor wie de toestemming werd gegeven, of de rechterlijke instantie, de datum en het identificatienummer van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld; b) de datum, plaats en autoriteit voor wie de toestemming werd gegeven, of de rechterlijke instantie, de datum en het identificatienummer van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waarin de vervangende toestemming of de machtiging tot erkenning werd vastgesteld; 5° in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door de vader of de meemoeder en de moeder; 5° in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door de vader of de meemoeder en de moeder; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 262 5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring van naamskeuze door het meerderjarige kind; 6° in voorkomend geval, de nieuwe voornaam; 6° in voorkomend geval, de nieuwe voornaam; 7° in voorkomend geval, het feit dat de in artikel 329bis, § 3, bedoelde personen niet hebben toegestemd. 7° in voorkomend geval, het feit dat de in artikel 329bis, § 3, bedoelde personen niet hebben toegestemd. Art. 63 Art. 63 De akte van naamsverandering vermeldt: De akte van naamsverandering vermeldt: 1° in voorkomend geval, de datum van het verzoek; 1° in voorkomend geval, de datum van het verzoek; 2° de naam en de voornamen van de betrokkene; 2° de naam en de voornamen van de betrokkene; 3° de geboortedatum en geboorteplaats van de betrokkene; 3° de geboortedatum en geboorteplaats van de betrokkene; 4° de nieuwe naam van de betrokkene. 4° de nieuwe naam van de betrokkene. 5° in geval van toepassing van artikel 335sexies, § 2, het aktenummer van de akte van erkenning die als basis heeft gediend voor de opmaak van de akte van naamsverandering. Art. 313 Art. 313 § 1. Indien de naam van de moeder niet in de akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis van zulk een akte, kan zij het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden. § 1. Indien de naam van de moeder niet in de akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis van zulk een akte, kan zij het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden. § 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de familierechtbank geen ontheffing kan verlenen. § 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de familierechtbank geen ontheffing kan verlenen. § 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet de erkenning worden medegedeeld aan de echtgenoot of de echtgenote. § 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet de erkenning worden medegedeeld aan de echtgenoot of de echtgenote. Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand, geeft deze binnen drie dagen kennis van de akte; indien zij Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand, geeft deze binnen drie dagen kennis van de akte; indien zij C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 263 3552/001 DOC 55 niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt de akte betekend op verzoek van de moeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt de akte betekend op verzoek van de moeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. Totdat de kennisgeving of betekening heeft plaatsgehad kan de erkenning niet worden tegengeworpen (aan de echtgenoot of de echtgenote), aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. Totdat de kennisgeving of betekening heeft plaatsgehad kan de erkenning niet worden tegengeworpen (aan de echtgenoot of de echtgenote), aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. § 4. Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad de de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 3, tweede lid. Art. 319bis Art. 319bis Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht. Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht. Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt binnen drie dagen een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt binnen drie dagen een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot diens C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 264 naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid. Art. 325/6 Art. 325/6 Wanneer de meemoeder gehuwd is en een kind erkent van een persoon van wie zij niet de echtgenote is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht. Wanneer de meemoeder gehuwd is en een kind erkent van een persoon van wie zij niet de echtgenote is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht. Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt binnen drie dagen een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de meemoeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt binnen drie dagen een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de meemoeder, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger. Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig de regels bedoeld in het tweede lid. Art. 327/2 Art. 327/2 § 1. Bij ontvangst van de aangifte van een erkenning gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand voor het kind na of de akte van geboorte beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van geboorte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse § 1. Bij ontvangst van de aangifte van een erkenning gaat de ambtenaar van de burgerlijke stand voor het kind na of de akte van geboorte beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van geboorte in België werd opgemaakt of in België werd overgeschreven voor de inwerkingtreding van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 265 3552/001 DOC 55 bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS. bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname van de akte in de DABS. Indien de akte van geboorte niet op deze wijze beschikbaar is, legt de persoon die het kind wil erkennen zelf een uittreksel van de akte van geboorte voor. Indien de akte van geboorte niet op deze wijze beschikbaar is, legt de persoon die het kind wil erkennen zelf een uittreksel van de akte van geboorte voor. Hij controleert de identiteit van de persoon die het kind wil erkennen en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, aan de hand van het identiteitsbewijs zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat na of deze personen ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister. Hij controleert de identiteit van de persoon die het kind wil erkennen en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, aan de hand van het identiteitsbewijs zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat na of deze personen ingeschreven zijn in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister. § 2. De persoon die het kind wil erkennen voegt bij de aangifte de volgende documenten: § 2. De persoon die het kind wil erkennen voegt bij de aangifte de volgende documenten: 1° voor zover deze persoon niet beschikt over een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1, een ander bewijs van identiteit; 1° voor zover deze persoon niet beschikt over een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1, een ander bewijs van identiteit; 2° in voorkomend geval, een bewijs van zijn actuele verblijfplaats of, in voorkomend geval, van de persoon die voorafgaande toestemming moet geven of van het kind; 2° in voorkomend geval, een bewijs van zijn actuele verblijfplaats of, in voorkomend geval, van de persoon die voorafgaande toestemming moet geven of van het kind; 3° in voorkomend geval, een authentieke akte waaruit de toestemming blijkt van de persoon die zijn voorafgaande toestemming in de erkenning moet geven; 3° in voorkomend geval, een authentieke akte waaruit de toestemming blijkt van de persoon die zijn voorafgaande toestemming in de erkenning moet geven; 3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van naamskeuze op basis van artikel 335, §3, eerste lid, of in artikel 335ter, §2, eerste lid, en de toestemming van het minderjarig kind indien het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt; 4° in geval van een erkenning voor de geboorte, een attest van een arts of een vroedvrouw dat de zwangerschap bevestigt 4° in geval van een erkenning voor de geboorte, een attest van een arts of een vroedvrouw dat de zwangerschap bevestigt C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 266 en de vermoedelijke bevallingsdatum aangeeft; en de vermoedelijke bevallingsdatum aangeeft; 5° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een kind te erkennen. 5° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt dat in hoofde van de betrokkene is voldaan aan de door de wet gestelde voorwaarden om een kind te erkennen. § 3. De persoon die het kind wil erkennen en die niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, voegt bovendien de volgende documenten bij de aangifte: § 3. De persoon die het kind wil erkennen en die niet is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister, voegt bovendien de volgende documenten bij de aangifte: 1° een bewijs van nationaliteit van hem en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat; 1° een bewijs van nationaliteit van hem en, in voorkomend geval, van de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat; 2° een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, indien het krachtens artikel 62 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht toepasselijk recht, bepaalt dat een gehuwd persoon geen kind kan erkennen bij een ander persoon dan zijn echtgenoot of echtgenote; 2° een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, indien het krachtens artikel 62 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht toepasselijk recht, bepaalt dat een gehuwd persoon geen kind kan erkennen bij een ander persoon dan zijn echtgenoot of echtgenote; 3° in voorkomend geval, een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, van de moeder ingeval van een erkenning voor de geboorte of in de akte van geboorte. 3° in voorkomend geval, een bewijs van de ongehuwde staat of van de ontbinding of nietigverklaring van het laatste voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in voorkomend geval een bewijs van de ontbinding of de nietigverklaring van de huwelijken gesloten voor een buitenlandse overheid, tenzij ze een voor een Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand voltrokken huwelijk voorafgaan, van de moeder ingeval van een erkenning voor de geboorte of in de akte van geboorte. § 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1°, en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS opgenomen. § 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1°, en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS opgenomen. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 267 3552/001 DOC 55 § 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al deze documenten beschikt, levert hij een ontvangstbewijs af van de aangifte.. § 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al deze documenten beschikt, levert hij een ontvangstbewijs af van de aangifte.. § 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de desbetreffende akten van de burgerlijke stand opvragen, en de belanghebbende verzoeken om ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen. § 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een afschrift van de desbetreffende akten van de burgerlijke stand opvragen, en de belanghebbende verzoeken om ieder ander bewijs tot staving van die gegevens over te leggen. § 7. Indien de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken. § 7. Indien de overgelegde documenten in een vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar van de burgerlijke stand om een voor eensluidend verklaarde vertaling ervan verzoeken. § 8. De artikelen 164/3 tot 164/7 zijn naar analogie van toepassing. § 8. De artikelen 164/3 tot 164/7 zijn naar analogie van toepassing. In afwijking van artikel 164/5 maakt de vrederechter de akte van bekendheid onmiddellijk over aan de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning. In afwijking van artikel 164/5 maakt de vrederechter de akte van bekendheid onmiddellijk over aan de familierechtbank van de plaats van de aangifte van de erkenning. Art. 333 Art. 333 § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen, wordt onmiddellijk door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder in afschrift meegedeeld aan het openbaar ministerie en de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken. § 1. Elk exploot van betekening van een vonnis of arrest waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen, wordt onmiddellijk door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder in afschrift meegedeeld aan het openbaar ministerie en de griffier van het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de gewijzigde akte van de burgerlijke stand ingevolge een rechterlijke beslissing waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. Na het verstrijken van de termijn van hoger beroep of van voorziening in cassatie of, in voorkomend geval, na de uitspraak van het arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen, stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig voor de opmaak van de gewijzigde akte van de burgerlijke stand ingevolge een rechterlijke beslissing waarbij een vordering betreffende de afstamming wordt toegewezen via de DABS naar de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 268 De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akten van de burgerlijke stand van het kind en van zijn afstammelingen. § 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de naamsverandering van een meerderjarig kind dat reeds nakomelingen heeft, brengt de griffier het beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben. Art. 335 Art. 335 § 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. § 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde en afstamming van moederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam van de vader. In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de vader en de moeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De ouders kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid of bij afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam van de vader. In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de vader en de naam van de moeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de vader en de moeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. Indien de ouders samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien de ouders samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien een ouder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft deze de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de Indien een ouder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft deze de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 269 3552/001 DOC 55 ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. § 2. Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder. § 2. Het kind wiens afstamming alleen van moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn moeder. Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn vader. Het kind wiens afstamming alleen van vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn vader. In geval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling of het handhaven van deze enige afstammingsband, wordt de naam bepaald overeenkomstig het eerste en het tweede lid. § 3. Indien de afstamming van vaderszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. Hetzelfde geldt indien de afstamming van moederszijde komt vast te staan na de afstamming van vaderszijde. § 3. Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de persoon ten aanzien van wie de afstamming als tweede komt vast te staan zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Indien de afstamming van vaderszijde of van moederszijde wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoel in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van vaderszijde of van moederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis, tweede lid, of 322, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervanging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, §1. Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam Opgeheven. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 270 van het kind die in voorkomend geval door de ouders is gekozen, met inachtneming van de in § 1 of artikel 335ter bedoelde regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis. Opgeheven. § 4. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. § 4. In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Bij vaststelling van een nieuwe afstammingsband van een meerderjarig kind van vaderszijde, van moederszijde of van meemoederszijde als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die laatstgenoemde heeft gekozen in voorkomend geval met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1, vervatte regels. Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop het vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in het tweede lid bedoelde vonnis. Opgeheven. § 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad. Art. 335ter Art. 335ter § 1. Het kind wiens afstamming van moederszijde en afstamming van § 1. Het kind wiens afstamming van moederszijde en afstamming van C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 271 3552/001 DOC 55 meemoederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn moeder, ofwel de naam van zijn meemoeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. meemoederszijde tegelijkertijd komen vast te staan draagt ofwel de naam van zijn moeder, ofwel de naam van zijn meemoeder, ofwel één die samengesteld is uit hun twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. De moeder en de meemoeder kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de moeder en de naam van de meemoeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de moeder en de meemoeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De moeder en de meemoeder kiezen de naam van het kind op het ogenblik van de aangifte van de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte van deze keuze. In geval van onenigheid draagt het kind de naam van de moeder en de naam van de meemoeder naast elkaar in alfabetische volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Wanneer de moeder en de meemoeder, of een van hen, een dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het deel van de naam dat aan het kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt het deel van de dubbele naam dat wordt doorgegeven bepaald op basis van de alfabetische volgorde. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. De weigering om een keuze te maken wordt beschouwd als een geval van onenigheid. Indien de moeder en de meemoeder samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien de moeder en de meemoeder samen de geboorte van het kind aangeven, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede lid, de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, vast. Indien de moeder of de meemoeder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft zij de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. Indien de moeder of de meemoeder alleen de geboorte van het kind aangeeft, geeft zij de door de ouders gekozen naam of de onenigheid tussen de ouders, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand aan. § 2. Indien de afstamming van meemoederszijde komt vast te staan na de afstamming van moederszijde, blijft de naam van het kind onveranderd. § 2. Evenwel kunnen de moeder en meemoeder samen, of kan een van hen indien de andere overleden is, in een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel de naam van de meemoeder zal dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun Indien de afstamming ten aanzien van de meemoeder door erkenning wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 272 twee namen, in de door hen gekozen volgorde met niet meer dan één naam voor elk van hen. Deze verklaring wordt afgelegd binnen een termijn van één jaar te rekenen van de dag van de erkenning of van de dag waarop een beslissing die de afstamming van meemoederszijde vaststelt in kracht van gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid of de ontvoogding van het kind. De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in de artikelen 325/6, tweede lid, en 325/8, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervanging van een van deze banden, wordt de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1. Bij wijziging van de afstamming van meemoederszijde of van moederszijde tijdens de minderjarigheid van het kind als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die in voorkomend geval is gekozen door de ouders met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335, § 1, vervatte regels. Opgeheven. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand maakt de akte van verklaring van naamskeuze op ten gevolge van de in het tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze met de akte van geboorte van het kind en met de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge van het in het vierde lid bedoelde vonnis. Opgeheven. § 3. Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. § 3. In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verandering aan zijn naam aangebracht. Bij vaststelling van een nieuwe afstammingsband van een meerderjarig kind van vaderszijde, van moederszijde of van meemoederszijde als gevolg van een vordering tot betwisting van de afstamming op grond van de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam van het kind die laatstgenoemde in voorkomend geval heeft Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 273 3552/001 DOC 55 gekozen met inachtneming van de in paragraaf 1 of in artikel 335, § 1, vervatte regels. De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand wijzigt de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop het vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in het tweede lid bedoelde vonnis. Opgeheven. § 4. De overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, bepaalde naam geldt ook voor de andere kinderen wier afstamming later ten aanzien van dezelfde moeder en meemoeder komt vast te staan. § 4. De overeenkomstig de paragrafen 1 en 2, bepaalde naam geldt ook voor de andere kinderen wier afstamming later ten aanzien van dezelfde moeder en meemoeder komt vast te staan. § 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad. Art. 335quinquies Art. 335quinquies Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn vonnis akte van de gekozen of door de wet vastgestelde naam van het kind in alle gevallen van wijziging van de afstamming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering van naam. Art. 335sexies Art. 335sexies Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een verandering van afstamming overeenkomstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3, geldt ook geheel of ten dele voor de afstammelingen in de eerste graad die zijn geboren voor deze verandering, indien het de naam van die ouder is die hun werd toegekend of die een deel van de dubbele naam die hun werd gegeven vormt. § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt die naam enkel aan het kind dat de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, toegekend met diens instemming. Op verzoek van het kind, in voorkomend geval bijgestaan door zijn ouders of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien het C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 274 een niet-ontvoogde minderjarige betreft, maakt de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan een akte van naamsverandering op, en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand die daarop betrekking hebben. Het verzoek wordt ingediend in het jaar dat volgt op de dag waarop de beslissing inzake de afstamming van de ouder of de akte van erkenning hem werd medegedeeld of betekend. Art. 338, § 1 Art. 338, § 1 § 1. De eiser biedt de familierechtbank een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn. In voorkomend geval verwijst de rechtbank de vordering naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. § 1. De eiser biedt de familierechtbank een verzoekschrift aan, bevattende een beknopte opgave van de feiten en vergezeld van de bewijsstukken, zo die er zijn. In voorkomend geval verwijst de rechtbank de vordering naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 734/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Art. 359-2 Art. 359-2 Wanneer de adoptie van een kind die in het buitenland heeft plaatsgevonden en in België is erkend, de bestaande band van afstamming niet verbreekt, kan zij in België in een volle adoptie worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c), zijn gegeven of worden gegeven met het oog op een adoptie met dergelijke gevolgen. Wanneer de adoptie van een kind die in het buitenland heeft plaatsgevonden en in België is erkend, de bestaande band van afstamming niet verbreekt, kan zij in België in een volle adoptie worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c), zijn gegeven of worden gegeven met het oog op een adoptie met dergelijke gevolgen. Wanneer de oorspronkelijke afstamming van het kind niet vaststaat of wanneer de vader en de moeder van het kind, of de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben of in de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn en het kind geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in de Staat van herkomst, wordt in afwijking van artikel 361-4, 1° c), de toestemming tot de omzetting in volle adoptie gegeven door een voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere betrokken persoon of van de procureur des Konings. Art. 499/19 Art. 499/19 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 275 3552/001 DOC 55 § 1. De opdracht van de bewindvoerder eindigt op het tijdstip van het overlijden van de beschermde persoon. § 1. De opdracht van de bewindvoerder eindigt op het tijdstip van het overlijden van de beschermde persoon. § 2. Indien de beschermde persoon tijdens de duur van het bewind overlijdt, kan de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, in afwijking van paragraaf 1, de bewindvoerder over de goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die zich bij deze bewindvoerder hebben aangemeld, machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot uiterlijk zes maanden na dit overlijden. § 2. Indien de beschermde persoon tijdens de duur van het bewind overlijdt, kan de vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of van elke belanghebbende evenals van de procureur des Konings, in afwijking van paragraaf 1, de bewindvoerder over de goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die zich bij deze bewindvoerder hebben aangemeld, machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot uiterlijk zes maanden na dit overlijden. In dat geval zijn de bevoegdheden van de bewindvoerder beperkt: In dat geval zijn de bevoegdheden van de bewindvoerder beperkt: 1° tot de eventuele teruggave van een goed dat de beschermde persoon als hoofdverblijfplaats had gehuurd, met inbegrip van het recht om te beschikken over de huurwaarborg; 1° tot de eventuele teruggave van een goed dat de beschermde persoon als hoofdverblijfplaats had gehuurd, met inbegrip van het recht om te beschikken over de huurwaarborg; 2° voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon voorafgaan, tot de betaling bij voorafneming op de tegoeden van de nalatenschap: 2° tot de betaling bij voorafneming op de tegoeden van de nalatenschap: a) de bezoldigingen en vergoedingen bedoeld in artikel 497/5; a) de bezoldigingen en vergoedingen bedoeld in artikel 497/5; b) de begrafeniskosten; b) de begrafeniskosten; c) de andere bevoorrechte schuldvorderingen vermeld in de artikelen 19 en 20 van de hypotheekwet van 16 december 1851; c) de andere bevoorrechte schuldvorderingen vermeld in de artikelen 19 en 20 van de hypotheekwet van 16 december 1851; d) de rusthuiskosten; d) de rusthuiskosten voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon voorafgaan; 3° tot het vragen van de aanwijzing van een curator bij een onbeheerde nalatenschap, van een sekwester of van een voorlopige bewindvoerder voor de nalatenschap. 3° tot het vragen van de aanwijzing van een curator bij een onbeheerde nalatenschap, van een sekwester of van een voorlopige bewindvoerder voor de nalatenschap. De opdracht van de bewindvoerder eindigt in ieder geval op het tijdstip waarop de curator over de onbeheerde nalatenschap zijn opdracht aanvat of op het tijdstip waarop een erfgenaam De opdracht van de bewindvoerder eindigt in ieder geval op het tijdstip waarop de curator over de onbeheerde nalatenschap zijn opdracht aanvat of op het tijdstip waarop een erfgenaam C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 276 zich aanmeldt. De bewindvoerder deelt deze informatie mee aan de vrederechter. zich aanmeldt. De bewindvoerder deelt deze informatie mee aan de vrederechter. In afwijking van artikel 499/17, eerste lid deelt de bewindvoerder, binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening mee aan de griffie, waar de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast is met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit geldt onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. In afwijking van artikel 499/17, eerste lid deelt de bewindvoerder, binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening mee aan de griffie, waar de erfgenamen van de beschermde persoon en de notaris die belast is met de aangifte en de verdeling van de nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit geldt onverminderd de toepassing van de artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. HOOFDSTUK 3 – Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek HOOFDSTUK 3 – Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek Art. 23 Art. 23 Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is. Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich evenwel niet uit tot de vordering die berust op dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond waarop ze steunt. Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten aanzien van een geschilpunt dat het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt kan ook door een derde worden ingeroepen tegen een partij bij die beslissing. Art. 76, § 1 Art. 76, § 1 § 1. De rechtbank van eerste aanleg en, in voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit een of meer kamers voor correctionele zaken, uit een of meer kamers voor familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en, voor de afdeling van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, uit een of meer strafuitvoeringskamers en kamers voor de bescherming van de maatschappij. § 1. De rechtbank van eerste aanleg en, in voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit een of meer kamers voor correctionele zaken, uit een of meer kamers voor familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en, voor de afdeling van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, uit een of meer strafuitvoeringskamers en kamers voor de bescherming van de maatschappij. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 277 3552/001 DOC 55 Die kamers vormen vier secties, respectievelijk genaamd: burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en strafuitvoeringsrechtbank. Die kamers vormen vier secties, respectievelijk genaamd: burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en strafuitvoeringsrechtbank. De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke schikking die de familierechtbank vormen en uit de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank vormen. De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke schikking die de familierechtbank vormen en uit de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank vormen. De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke kamer(s) en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld in afdelingen, bestaat de burgerlijke rechtbank van een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking. Art. 78, zevende lid Art. 78, zevende lid Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding verstrekte gespecialiseerde opleiding heeft gevolgd. Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Een plaatsvervangend rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd. Art. 79, achtste lid Art. 79, achtste lid De rechters in de familie- en jeugdrechtbank kunnen zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg. De rechter die echter in de kamer voor minnelijke schikking zitting heeft, kan voor de dossiers waarvan hij kennis heeft genomen, nooit zitting hebben in de andere kamers van de familie- en jeugdrechtbank. De beslissing van een rechter die eerder van het geschil kennis heeft genomen terwijl hij zitting had in een kamer voor minnelijke schikking, is nietig behalve als het om de homologatie van een akkoord of een proces- verbaal van verzoening gaat. Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters in de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg. Art. 81 Art. 81 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 278 De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste (drie kamers). De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste drie kamers en uit een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking. (Ten minste één daarvan, die bevoegd is voor de geschillen betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden, bestaat uit een rechter in de arbeidsrechtbank.) Minstens één van de drie kamers, die bevoegd is voor de geschillen betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden, bestaat uit een rechter in de arbeidsrechtbank. (De andere kamers worden voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan) daarenboven uit twee rechters in sociale zaken. De andere kamers worden voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan daarenboven uit twee rechters in sociale zaken. In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, moet een van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als arbeider of als bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, moet een van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als arbeider of als bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. Indien, vóór ieder ander middel, de hoedanigheid van arbeider of van bediende van een der partijen wordt betwist, doet de kamer uitspraak over de grond van het geschil nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als werkgever en twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als arbeider en als bediende. Indien, vóór ieder ander middel, de hoedanigheid van arbeider of van bediende van een der partijen wordt betwist, doet de kamer uitspraak over de grond van het geschil nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als werkgever en twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als arbeider en als bediende. (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b), moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als zelfstandige.) In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b), moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als zelfstandige. (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer.) In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer. In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), moet één van de rechters in sociale zaken In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), moet één van de rechters in sociale zaken C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 279 3552/001 DOC 55 benoemd zijn als zelfstandige, de andere als werknemer benoemd zijn als zelfstandige, de andere als werknemer (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578bis en 581 en voor de toepassing van de in artikel 583 bedoelde administratieve sancties op zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.) In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578bis en 581 en voor de toepassing van de in artikel 583 bedoelde administratieve sancties op zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen. Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of een aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken, in de mate van het mogelijke, behoren of behoord hebben tot dezelfde kategorie als de betrokken werknemer. Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of een aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken, in de mate van het mogelijke, behoren of behoord hebben tot dezelfde kategorie als de betrokken werknemer. Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd. Art. 84 Art. 84 De ondernemingsrechtbank bestaat uit een of meer kamers. De ondernemingsrechtbank bestaat uit een of meer kamers en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de ondernemingsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking. Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in ondernemingszaken. Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in ondernemingszaken. De rechters die van de kamer voor minnelijke schikking deel uitmaken, moeten allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 280 inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd. (Iedere ondernemingsrechtbank stelt een of meer kamers voor ondernemingen in moeilijkheden]1 in). Iedere ondernemingsrechtbank stelt een of meer kamers voor ondernemingen in moeilijkheden in. Art. 101, § 1 en 2 Art. 101, § 1 en 2 § 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken, jeugdkamers en familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking. § 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, waarvan een of meer kamers voor minnelijke schikking kamers voor correctionele zaken, jeugdkamers en familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking. Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden. Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden. Ten minste één van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. Ten minste één van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd. In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd. De Koning kan, na advies van de eerste voorzitter, de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, bepalen dat een of meer jeugdkamers of familiekamers zitting houden ter zetel van de rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg in een andere provincie van het rechtsgebied van het hof voor de behandeling van de hogere beroepen tegen De Koning kan, na advies van de eerste voorzitter, de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, bepalen dat een of meer jeugdkamers of familiekamers zitting houden ter zetel van de rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg in een andere provincie van het rechtsgebied van het hof voor de behandeling van de hogere beroepen tegen C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 281 3552/001 DOC 55 de vonnissen van de familie- en jeugdrechtbanken van de betrokken provincie. de vonnissen van de familie- en jeugdrechtbanken van de betrokken provincie. § 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep. § 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep. De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof. De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof. De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof. De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof. Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank. Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank. Opdat de gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking rechtsgeldig zou zijn samengesteld, moet het voor die kamer aangewezen lid van het hof een gespecialiseerde opleiding hebben genoten verstrekt door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Als de dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, uitzonderlijk en nadat het advies van de procureur-generaal is ingewonnen, een werkend magistraat aanwijzen om de bovengenoemde functies voor een termijn van ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die magistraat de gespecialiseerde opleiding niet heeft genoten. Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Als de dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, uitzonderlijk en nadat het advies van de procureur-generaal is ingewonnen, een werkend magistraat aanwijzen om de bovengenoemde functies voor een termijn van ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die magistraat de gespecialiseerde opleiding niet heeft genoten. Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren kunnen worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht. Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren kunnen worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 282 De raadsheren die zetelen in de correctionele kamers, de familiekamers en de jeugdkamers, en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intrafamiliaal geweld georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. De raadsheren die zetelen in de correctionele kamers, de familiekamers en de jeugdkamers, en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intrafamiliaal geweld georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Art. 102, § 1 Art. 102, § 1 § 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren. § 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren. De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen. De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen. In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven. In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven. (Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering.) Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering. Een plaatsvervangend raadsheer kan alleenzetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Art. 104 Art. 104 Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken. Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken. Elk arbeidshof stelt een of meer kamers voor minnelijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking. De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 283 3552/001 DOC 55 aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°, 3° en 7°, bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer. Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken. Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken. (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.) De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.) (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b), bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.) De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b), bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.) De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer. De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer. De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in de artikelen 578bis en 581 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan buiten de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen. De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in de artikelen 578bis en 581 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan buiten de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 284 Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer. Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer. De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling. De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling. In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer bij het Arbeidshof. In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer bij het Arbeidshof. De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, een raadsheer in het arbeidshof en twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd. Art. 508/11 Art. 508/11 De advocaten moeten geregeld aan het bureau verslag doen, op de wijze die door de Minister van Justitie wordt bepaald in overleg met de in artikel 488 bedoelde overheden. Opgeheven. Het bureau zendt jaarlijks een verslag inzake de werking van de juridische tweedelijnsbijstand over aan de commissie voor juridische bijstand en aan de Minister van Justitie, op de wijze die deze laatste bepaalt. Opgeheven. De in artikel 488 bedoelde overheden bezorgen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels. Art. 508/19 Art. 508/19 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 285 3552/001 DOC 55 § 1. De advocaat int de aan de begunstigde toegekende rechtsplegingsvergoeding en betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel 508/17, § 2 terug aan de rechtzoekende voor zover de rechtsplegingsvergoeding de vergoeding berekend op basis van punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid, overtreft. § 1. De advocaat int de aan de begunstigde toegekende rechtsplegingsvergoeding en betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel 508/17, § 2 terug aan de rechtzoekende voor zover de rechtsplegingsvergoeding de vergoeding berekend op basis van punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid, overtreft. § 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht. (Dit verslag vermeldt eveneens de door de advocaat geïnde rechtsplegingsvergoeding en de vergoedingen geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, § 2.) § 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht. (Dit verslag vermeldt eveneens de door de advocaat geïnde rechtsplegingsvergoeding en de vergoedingen geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, § 2. Het bureau voor juridische bijstand kent voor die prestaties op grond van een lijst met de punten die voor bepaalde uurprestaties worden aangerekend, waarvan de nadere regels worden bepaald door de Koning, aan de advocaten punten toe en doet hierover verslag aan de stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand kent geen punten toe of vermindert de punten, in voorkomend geval, voor de prestaties waarvoor geldsommen werden geïnd op grond van de artikelen 508/17, § 2, 508/19, § 1, en 508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de advocaat afziet van de inning van geldsommen op grond van artikel 508/17, § 3. Het bureau voor juridische bijstand kent voor die prestaties op grond van een lijst met de punten die voor bepaalde uurprestaties worden aangerekend, waarvan de nadere regels worden bepaald door de Koning, aan de advocaten punten toe en doet hierover verslag aan de stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand kent geen punten toe of vermindert de punten, in voorkomend geval, voor de prestaties waarvoor geldsommen werden geïnd op grond van de artikelen 508/17, § 2, 508/19, § 1, en 508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de advocaat afziet van de inning van geldsommen op grond van artikel 508/17, § 3. De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de Minister van Justitie. Opgeheven, zie § 2/1, tweede lid. De controle en toekenning van de punten voor de prestaties verricht door de advocaten zoals bepaald in het tweede lid en in artikel 508/8 worden uitgevoerd door de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd door de overheden zoals bedoeld in artikel 488 op de wijze die door de Koning wordt bepaald. § 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert dan alle goedgekeurde eindverslagen per materie overeenkomstig paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien onderworpen aan een audit om de correctheid van de aanstellingen, de kwaliteit van de verrichte diensten door de advocaat, de realiteit van de verrichte diensten door de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 286 advocaat overeenkomstig de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van deze controles door het bureau voor juridische bijstand te verifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels die de Koning bepaalt. De conclusies van deze audit worden toegezonden aan de betrokken bureaus voor juridische bijstand, dat er rekening mee houdt. Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan de minister meegedeeld. De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die overeenkomstig de in het eerste lid en paragraaf 2 bedoelde controles het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie. (§ 3.) Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in (§ 2), kan de Minister van Justitie een controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die [1 in voorkomend geval]1 via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. § 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in paragraaf 2/1, tweede lid, kan de minister van Justitie, indien hij zulks noodzakelijk acht, een aanvullende controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden. Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die in voorkomend geval via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. De betaling wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden. § 4. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, de berekeningswijze van de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding en de nadere regels en voorwaarden inzake betaling van de vergoeding. § 4. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding en de nadere regels en voorwaarden inzake betaling van de vergoeding. Art. 508/19bis Art. 508/19bis Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 287 3552/001 DOC 55 bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie. Deze stemt overeen met 8,108 % van de in artikel 508/19, (§ 3), bedoelde vergoeding. bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie. Deze subsidie is betaalbaar na het vervallen van de termijn. Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op basis van de door de bureaus voor juridische bijstand aangegeven werkelijke kosten en goedgekeurd door de minister. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 7% van de vergoeding bedoeld in artikel 508/19 §3. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel, en meer bepaald de manier waarop deze subsidie verdeeld wordt. De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel en kan in bijzondere gevallen, bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit afwijken van het voormelde percentage van 7% op gemotiveerde vraag van de in artikel 488 bedoelde overheden op basis van aangetoonde kosten. Eerste afdeling. Algemene bepaling Art. 730/1, § 2 Art. 730/1, § 2 § 2. Behoudens in kort geding, kan de rechter, op de inleidingszitting of tijdens een zitting bepaald op een nabije datum, de partijen bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. § 2. De rechter kan, op de inleidingszitting of tijdens een zitting bepaald op een nabije datum, de partijen bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand aan het geding gepoogd hebben het geschil minnelijk op te lossen en hen inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Op vraag van een van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, op diezelfde inleidingszitting of op een zitting bepaald op een nabije datum, de zaak verdagen naar een vaste datum die een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover alle nuttige inlichtingen in te winnen. Op vraag van een van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens in kort geding, op diezelfde inleidingszitting of op een zitting bepaald op een nabije datum, de zaak verdagen naar een vaste datum die een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover alle nuttige inlichtingen in te winnen. De in het tweede lid bedoelde maatregel kan niet worden bevolen indien hij reeds werd bevolen in het kader van hetzelfde geschil. De in het tweede lid bedoelde maatregel kan niet worden bevolen indien hij reeds werd bevolen in het kader van hetzelfde geschil. Afdeling II. Minnelijke schikking C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 288 Art. 731 Art. 731 Het behoort tot de opdracht van de rechter om de partijen te verzoenen. Het behoort tot de opdracht van de rechter om de partijen te verzoenen. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om in eerste aanleg ervan kennis te nemen. [2 Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Opgeheven, zie 731/1. Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald, kan de poging tot minnelijke schikking niet verplicht worden gesteld. Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald, kan de poging tot minnelijke schikking niet verplicht worden gesteld. Art. 731/1 Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om ervan kennis te nemen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Art. 732 Art. 732 Indien een van hen het, zelfs mondeling, verzoekt, worden de partijen bij gewone brief van de griffier opgeroepen om binnen de gewone termijn van dagvaarding te verschijnen op dag en uur door de rechter bepaald. Onverminderd de termijn voor dagvaarding bedoeld in artikel 707, indien een van hen het, zelfs mondeling, verzoekt, worden de partijen bij gewone brief van de griffier opgeroepen om binnen een maand te verschijnen op dag en uur door de rechter bepaald. Indien het verzoek tot minnelijke schikking een aanspraak op een recht bevat, wordt het C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 289 3552/001 DOC 55 gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek. Onder dezelfde voorwaarden schorst het verzoek tot minnelijke schikking gedurende een maand de verjaring van de aan dit recht verbonden vordering. Art. 733 Art. 733 Van het verschijnen tot minnelijke schikking wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een schikking tot stand komt, worden de bewoordingen ervan opgetekend in het proces- verbaal, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging. Van het verschijnen tot minnelijke schikking wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een schikking tot stand komt, wordende bewoordingen ervan opgetekend in het proces- verbaal, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen daarvan afzien. Het verschijnen van de partijen op de zitting tot minnelijke schikking schorst de verjaringstermijn voor de duur van de minnelijke schikking. Art. 733/1 Indien er al een procedure loopt, kan het geschil gedurende het gehele geding ter minnelijke schikking aan de rechter worden voorgelegd, op initiatief van de rechter of van een partij. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. De partijen zullen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732. Indien een schikking tot stand komt, kan akte worden genomen van de bewoordingen van die schikking in een vonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043. Als de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, kan de gewone gerechtelijke procedure op initiatief van een van de partijen voortgezet worden. Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking Art. 734/1 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 290 § 1. De zaken kunnen ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking onder de voorwaarden bedoeld in artikel 731/1. Het geschil kan ook ter minnelijke schikking aan de kamer voor minnelijke schikking worden voorgelegd, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 733/1, eerste lid. De partijen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732. § 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nuttig acht, kan de rechter ook, gedurende het gehele geding, de doorverwijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof bevelen, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het dossier van de procedure over aan de griffier van de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen. De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept de partijen bij eenvoudige brief op om te verschijnen, binnen een maand, op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. § 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, zijn de artikelen 732, tweede en derde lid en 733, tweede lid, van toepassing. Art. 734/2 § 1. In de zaken die op grond van artikel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, worden de bewoordingen van de schikking door de kamer voor minnelijke schikking opgetekend in het proces-verbaal van C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 291 3552/001 DOC 55 verschijning tot minnelijke schikking, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen daarvan afzien. § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1, tweede lid en § 2waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, kan akte worden genomen van de bewoordingen van het geheel of gedeeltelijk akkoord in een vonnis of een arrest overeenkomstig artikel 1043. Art. 734/3 § 1. In de zaken die op grond van artikel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, sluit het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schikking de procedure af. Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat wensen, een gewone gerechtelijke procedure inleiden om hun geschil door de rechtbank of het hof te laten beslechten. § 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1, tweede lid en § 2 waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, wordt de gewone gerechtelijke procedure voortgezet voor de oorspronkelijke kamer. De kamer voor minnelijke schikking verwijst het dossier, volgens dezelfde vormvereisten als bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste en tweede lid, door naar de oorspronkelijke kamer. Indien een van de partijen op de hoorzitting voor een minnelijke schikking daarom heeft verzocht, roept de griffier van de oorspronkelijke kamer de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden behandeld. Dit verzoek kan evenwel schriftelijk door een van de partijen na de doorverwijzing worden gedaan. Art. 734/4 § 1. De zittingen tot minnelijke schikking die worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking verlopen in raadkamer, overeenkomstig artikel 757, § 2, 14°. Alles wat C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 292 wordt gezegd of geschreven tijdens die zittingen is vertrouwelijk overeenkomstig artikel 1728. Bij schending van de vertrouwelijkheidsplicht, is artikel 1728, § 4, van toepassing. Met instemming van de partijen, kan de rechtbank of het hof, indien hij/het dit nuttig acht, ook aparte gesprekken voeren met elk van de partijen. § 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke schikking moeten de partijen in persoon verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan door hun advocaten of de personen die worden vermeld in artikel 728. Indien een rechtspersoon in het geding is, wordt die vertegenwoordigd door een natuurlijke persoon hem kan verbinden behoudens andersluidende beslissing van de Kamer voor minnelijk schikking. § 3. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde stellen aan de minnelijke schikking. § 4. Een rechter die de verzoeningsprocedure heeft uitgevoerd in een geschil dat aan de kamer voor minnelijke schikking is voorgelegd, onthoudt zich ervan deel te nemen aan een vonnis of arrest over de uitkomst van hetzelfde geschil voor een andere kamer. Doet hij dat niet, dan kan hij worden gewraakt overeenkomstig artikel 828, 9°. Art. 757 Art. 757 § 1. Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, zijn de pleidooien, de verslagen en de vonnissen openbaar. § 1. Behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen, zijn de pleidooien, de verslagen en de vonnissen openbaar. § 2. In afwijking van paragraaf 1 verlopen de volgende gerechtelijke procedures in raadkamer, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat de pleidooien en verslagen betreft: § 2. In afwijking van paragraaf 1 verlopen de volgende gerechtelijke procedures in raadkamer, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat de pleidooien en verslagen betreft: 1° de gerechtelijke procedures inzake afstamming bedoeld in de artikelen 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek; 1° de gerechtelijke procedures inzake afstamming bedoeld in de artikelen 312, § 2, 314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies van het Burgerlijk Wetboek; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 293 3552/001 DOC 55 2° de gerechtelijke procedure inzake de vordering tot uitkering voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding, bedoeld in artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank of het hof enkel het bedrag betwist van de uitkering tot levensonderhoud; 2° de gerechtelijke procedure inzake de vordering tot uitkering voor levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding, bedoeld in artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de verweerder bij de eerste verschijning voor de rechtbank of het hof enkel het bedrag betwist van de uitkering tot levensonderhoud; 3° de gerechtelijke procedures inzake het ouderlijk gezag, bedoeld in de artikelen 373, 374, 375bis, 387bis en 387ter van het Burgerlijk Wetboek; 3° de gerechtelijke procedures inzake het ouderlijk gezag, bedoeld in de artikelen 373, 374, 375bis, 387bis en 387ter van het Burgerlijk Wetboek; 4° ...; 4°...; 5° ...; 5° ...; 6° de gerechtelijke procedure inzake de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek; 6° de gerechtelijke procedure inzake de wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1479 van het Burgerlijk Wetboek; 7° de gerechtelijke procedures inzake adoptie, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VIIIbis van het Gerechtelijk Wetboek; 7° de gerechtelijke procedures inzake adoptie, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VIIIbis van het Gerechtelijk Wetboek; 8° de gerechtelijke procedures inzake voogdij, bedoeld in de artikelen 1235 en 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek; 8° de gerechtelijke procedures inzake voogdij, bedoeld in de artikelen 1235 en 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek; 9° de gerechtelijke procedures inzake de beschermingsmaatregelen bedoeld in deel IV, boek IV, hoofdstuk X; 9° de gerechtelijke procedures inzake de beschermingsmaatregelen bedoeld in deel IV, boek IV, hoofdstuk X; 10° de gerechtelijke verzoeningsprocedures inzake vorderingen van echtgenoten betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen en hun huwelijksvermogenstelsel, bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek; 10° de gerechtelijke verzoeningsprocedures inzake vorderingen van echtgenoten betreffende hun wederzijdse rechten en verplichtingen en hun huwelijksvermogenstelsel, bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek; 11° de gerechtelijke procedures betreffende de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XI, van het Gerechtelijk Wetboek voor zover partijen persoonlijk verschijnen; 11° de gerechtelijke procedures betreffende de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed, bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XI, van het Gerechtelijk Wetboek voor zover partijen persoonlijk verschijnen; 12° de gerechtelijke procedures betreffende de bescherming van het grensoverschrijdend hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek; 12° de gerechtelijke procedures betreffende de bescherming van het grensoverschrijdend hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 294 13° de gerechtelijke procedures betreffende rechtsvorderingen die samenhangen met die welke bedoeld zijn in 1° tot 12°, voor zover zij op dezelfde zitting worden behandeld. 13° de gerechtelijke procedures betreffende rechtsvorderingen die samenhangen met die welke bedoeld zijn in 1° tot 12°, voor zover zij op dezelfde zitting worden behandeld. 14° de zittingen tot minnelijke schikking die worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking. De rechter kan evenwel in elke stand van het geding, naargelang de omstandigheden, de openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar ministerie of van een partij in het geding, behalve wat de in het eerste lid, 9°, bedoelde procedures betreft De rechter kan evenwel in elke stand van het geding, naargelang de omstandigheden, de openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar ministerie of van een partij in het geding, behalve wat de in het eerste lid, 9°, bedoelde procedures betreft Art. 780/1, vierde lid Art. 780/1, vierde lid Het informatieblad maakt geen onderdeel uit van het vonnis. Het wordt gevoegd bij de in artikel 790 bedoelde uitgifte. Art. 1094/2 Art. 1094/2 Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een wettelijke bepaling in werking treedt die met terugwerkende kracht van toepassing is op het geschil, kan de eisende partij bij het Hof een aanvullend verzoekschrift indienen dat een middel bevat dat ontleend is aan de schending van die bepaling. Dat verzoekschrift wordt toegevoegd aan het aanhangige geding. Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ingediend op de griffie van het hof binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling nadat het in voorkomend geval aan de andere partijen is betekend. De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot 1094/1 en 1097 zijn van toepassing op dit verzoekschrift en op de memories die de partijen met elkaar uitwisselen. Art. 1187, eerste en tweede lid Art. 1187, eerste en tweede lid Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 295 3552/001 DOC 55 onroerende goederen te vervreemden of aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij, en aan andere personen, dan kan de Vrederechter, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers of de andere mede-eigenaars, de openbare verkoop van de onverdeelde goederen machtigen. onroerende goederen te vervreemden, en aan andere personen, dan kan de Vrederechter, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers of de andere mede-eigenaars, de openbare verkoop van de onverdeelde goederen machtigen. De wettelijke vertegenwoordigers van de betrokken minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, bewindvoerders van beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, alsook de andere mede- eigenaars, moeten tot de machtigingsprocedure worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers alsook voor zij die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven. De wettelijke vertegenwoordigers van de betrokken minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, bewindvoerders van beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, alsook de andere mede- eigenaars, moeten tot de machtigingsprocedure worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, alsook voor zij die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven. Art. 1189, eerste lid Art. 1189, eerste lid De Franse tekst van dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst; deze laatste wordt zelf niet gewijzigd. Art. 1189/1 Art. 1189/1 Wanneer de onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan andere personen, kan de familierechtbank, op verzoek van de curator van de onbeheerde nalatenschap of de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of de andere mede-eigenaars, de openbare verkoop van de onverdeelde onroerende goederen machtigen. De curatoren van de onbeheerde nalatenschap, de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenamen, alsook de andere mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers alsook voor zij die Wanneer de onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan andere personen, kan de familierechtbank, op verzoek van de curator van de onbeheerde nalatenschap of de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of de andere mede-eigenaars, de openbare verkoop van de onverdeelde onroerende goederen machtigen. De curatoren van de onbeheerde nalatenschap, de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenamen, alsook de andere mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 296 een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven. Indien de familierechtbank het verzoekschrift inwilligt, wijst zij tegelijk een notaris aan door wiens ambtelijke tussenkomst voormelde verkoping zal geschieden. De beslissing vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers en de andere mede- eigenaars die naar behoren bij de procedure werden opgeroepen. schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, alsook voor zij die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven. Indien de familierechtbank het verzoekschrift inwilligt, wijst zij tegelijk een notaris aan door wiens ambtelijke tussenkomst voormelde verkoping zal geschieden en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden. De beslissing vermeldt uitdrukkelijk de identiteit van de schuldeisers en de andere mede- eigenaars die naar behoren bij de procedure werden opgeroepen. De begunstigde erfgenamen of de curator van de onbeheerde nalatenschap en de andere mede-eigenaars alsook, in voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn, waken, elk voor wat hen betreft, over de bescherming van de betrokken belangen. De begunstigde erfgenamen of de curator van de onbeheerde nalatenschap en de andere mede-eigenaars alsook, in voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar de goederen gelegen zijn, waken, elk voor wat hen betreft, over de bescherming van de betrokken belangen. De machtiging van de rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de artikelen 1186 en 1187. Geen van de mede-eigenaars moet de machtiging van de familierechtbank bekomen indien zij die een machtiging moeten vragen op basis van artikel 1187 deze hebben bekomen. Art. 1191 Art. 1191 Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 vereist is dat de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot machtiging van de familierechtbank of van de rechter-commissaris van het faillissement. De vrederechter, de familierechtbank of de rechter- commissaris wijst tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend geval, waakt over de bescherming van de betrokken belangen. Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 evenals in artikel 1193quater, § 2 vereist is dat de onroerende goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot machtiging van de familierechtbank, van de rechter-commissaris van het faillissement of van de ondernemingsrechtbank. De vrederechter, de familierechtbank, de rechter-commissaris of de ondernemingsrechtbank wijst tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend geval, waakt over de bescherming van de betrokken belangen. Art. 1192 Art. 1192 § 1. De door de aangestelde notaris opgestelde verkoopsvoorwaarden worden ter goedkeuring § 1. De door de aangestelde notaris opgestelde verkoopsvoorwaarden worden ter goedkeuring C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 297 3552/001 DOC 55 voorgelegd aan de vrederechter bij gewone brief. voorgelegd aan de vrederechter bij gewone brief. De vrederechter waakt over de bescherming van de in artikel 1191 bedoelde belangen. In voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van de verkoopsvoorwaarden afhankelijk maken van de vaststelling van bepaalde voorwaarden, waaronder in het bijzonder zijn instemming met de toewijzing. De vrederechter waakt over de bescherming van de in artikel 1191 bedoelde belangen. In voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van de verkoopsvoorwaarden afhankelijk maken van de vaststelling van bepaalde voorwaarden, waaronder in het bijzonder zijn instemming met de toewijzing. De notaris gaat over de bekendmaking zodra de goedkeuring van de vrederechter bekomen werd. De notaris gaat over tot de bekendmaking zodra de goedkeuring van de vrederechter bekomen werd. Ingeval de vrederechter zijn goedkeuring zou weigeren, dient de zaak bij hem aanhangig gemaakt te worden op eenzijdig verzoekschrift ondertekend door de aangestelde notaris of een advocaat teneinde een met redenen omklede beschikking te wijzen, vatbaar voor de rechtsmiddelen voorzien in de artikelen 1031 tot 1034. Ingeval de vrederechter zijn goedkeuring zou weigeren, dient de zaak bij hem aanhangig gemaakt te worden op eenzijdig verzoekschrift ondertekend door de aangestelde notaris of een advocaat teneinde een met redenen omklede beschikking te wijzen, vatbaar voor de rechtsmiddelen voorzien in de artikelen 1031 tot 1034. § 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de notaris of elke belanghebbende partij zich tot de vrederechter wenden. In voorkomend geval doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na de wettelijke vertegenwoordigers van de belanghebbenden, de voorlopig inbezitgestelden, de erfgenamen die onder voorrecht hebben aanvaard, de curatoren van de onbeheerde nalatenschappen of de curatoren van de failliete boedels te hebben gehoord. § 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de notaris of elke belanghebbende partij zich tot de vrederechter wenden. In voorkomend geval doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na de wettelijke vertegenwoordigers van de belanghebbenden, de voorlopig inbezitgestelden, de erfgenamen die onder voorrecht hebben aanvaard, de curatoren van de onbeheerde nalatenschappen, de curatoren van de failliete boedels of de vereffenaars van een rechtspersoon te hebben gehoord. Art. 1193, eerste lid Art. 1193, eerste lid De verkoop van de onroerende goederen geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis en 1193ter. De verkoop van de onroerende goederen geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis, 1193ter en 1193quater, § 3. Art. 1193bis, derde en vierde lid Art. 1193bis, derde en vierde lid De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift waarbij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook een schattingsverslag wordt gevoegd. De De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend bij een met redenen omkleed verzoekschrift. Hierbij voegen zij een door een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, een schattingsverslag en een getuigschrift van C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 298 ontwerpakte wordt gevoegd bij de beschikking of bij het vonnis tot machtiging. de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. Het schattingsverslag wordt opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld. De ontwerpakte wordt gevoegd bij de beschikking of bij het vonnis tot machtiging. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, zij die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de personen aangewezen in artikel 1187, tweede lid, en artikel 1189/1, eerste lid, naargelang het geval, dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de personen aangewezen in artikel 1187, tweede lid, en artikel 1189/1, eerste lid, naargelang het geval, dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Art. 1193ter, eerste en tweede lid Art. 1193ter, eerste en tweede lid In het geval van artikel 1190 kan de curator, bij een met redenen omkleed verzoekschrift, aan de ondernemingsrechtbank de machtiging vragen om uit de hand te verkopen. De curator legt aan de rechtbank het door een notaris, aangewezen door de rechter-commissaris, opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. In het geval van artikel 1190 kan de curator, bij een met redenen omkleed verzoekschrift, aan de ondernemingsrechtbank de machtiging vragen om uit de hand te verkopen. De curator legt aan de rechtbank het ontwerp van verkoopakte opgemaakt door een door de curator aangewezen notaris voor, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hierbij voegen zij een schattingsverslag, opgemaakt door de door hen aangewezen deskundige en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, na de faillietverklaring opgesteld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de personen die een Hierbij voegen zij een schattingsverslag, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie, na de faillietverklaring opgesteld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen. De ingeschreven hypothecaire C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 299 3552/001 DOC 55 bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en de gefailleerde dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een minimumverkoopprijs. schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, de gefailleerde en desgevallend de andere mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden. Art. 1193quater § 1. Indien de vereffenaar van een rechtspersoon van de zuivering wenst te genieten overeenkomstig artikel 1326 voor de openbare verkoop of verkoop uit de hand waartoe hij overgaat op basis van de artikelen 2:87, § 3, 2:88, § 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122, § 1, 4° of 5° van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, dient hij voorafgaandelijk aan deze verkoop, bovendien een machtiging te verkrijgen van de ondernemingsrechtbank. Bij gerechtelijke ontbinding, kunnen de machtiging bepaald in de artikelen 2:88 of 2:122 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd gevorderd worden. § 2. Indien de rechtbank machtiging verleent om het onroerend goed openbaar te verkopen met zuiverende werking, wijst hij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal geschieden. De vereffenaar en, in voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar het onroerend goed gelegen is, waken, elk voor wat hen betreft, over de bescherming van de betrokken belangen. § 3. De vereffenaar kan bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan de ondernemingsrechtbank de machtiging vragen om uit de hand te verkopen met zuiverende werking. De vereffenaar legt aan de rechtbank een ontwerp van verkoopakte voor, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 300 opgemaakt door een door hem aangewezen notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hierbij voegt hij een schattingsverslag, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën, na de invereffeningstelling opgesteld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende het te verkopen onroerend goed evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, du schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden evenals de rechtspersoon in vereffening en desgevallend de mede-eigenaars dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De verschuldigde retributie geldt als griffiekost. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden. De machtiging om te verkopen met zuiverende werking wordt verleend indien het belang van de te vereffenen boedel zulks vereist. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de verkoop uit de hand het belang van de te vereffenen boedel dient en vermeldt de identiteit van de schuldeisers die naar behoren bij de procedure werden opgeroepen. Deze vorm van verkoop kan van de vaststelling van een minimumprijs afhankelijk worden gesteld. De verkoping moet overeenkomstig de door de rechtbank aangenomen ontwerpakte geschieden, door de ambtelijke tussenkomst van de notaris die deze heeft opgesteld. Hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank kan ingesteld worden door de verzoeker of C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 301 3552/001 DOC 55 door de tussenkomende schuldeisers op de wijze bepaald in artikel 1031. Art. 1253ter/1, § 2 en 3 Art. 1253ter/1, § 2 en 3 § 2. In familiezaken hoort de rechter de partijen, tijdens de verschijning van de partijen op de inleidingszitting, over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak, en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. § 2. In familiezaken hoort de rechter de partijen, tijdens de verschijning van de partijen op de inleidingszitting, over de wijze waarop ze getracht hebben om het geschil op minnelijke wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak, en om vast te stellen of een minnelijke oplossing overwogen kan worden. Op vraag van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij de zaak verdagen naar een vaste datum die de termijn van een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen volgens de regels bepaald in artikel 730/1. Op vraag van de partijen of indien hij dit nuttig acht, kan hij de zaak ook verwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig paragraaf 3. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Op vraag van de partijen of indien de rechter dit nuttig acht, kan hij de zaak verdagen naar een vaste datum die de termijn van een maand niet mag overschrijden, behoudens akkoord van de partijen volgens de regels bepaald in artikel 730/1. Op vraag van de partijen of indien hij dit nuttig acht, kan hij de zaak ook verwijzen naar de kamer voor minnelijke schikking, overeenkomstig de artikelen 734/1 tot 734/4. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. § 3. In familiezaken, kunnen de zaken met het oog op een verzoening voorgelegd worden aan de kamer voor minnelijke schikking van de familierechtbank dan wel van de familiekamers van het hof van beroep. Dat kan ook het geval zijn wanneer de zaak bij een andere familiekamer aanhangig is, op voorwaarde dat de kamer voor minnelijke schikking bij machte is een zitting te houden op een eerdere datum. Opgeheven. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nuttig acht, beveelt de rechter de doorverwijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van dezelfde familiekamers van het Hof van beroep, middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting. Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het dossier van de procedure over aan de griffier van de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen. De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept de partijen bij gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, plaats en uur van de zitting waarop de zaak zal Opgeheven. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 302 worden opgeroepen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing. Indien geen overeenkomst of slechts een gedeeltelijke overeenkomst wordt getroffen, verwijst de kamer voor minnelijke schikking, volgens dezelfde formaliteiten als bepaald in het tweede lid, het dossier naar de familiekamer waarbij het dossier werd ingeleid. Opgeheven. De partijen of de magistraat hebben gedurende het gehele geding de mogelijkheid te vragen dat hun zaak naar de kamer voor minnelijke schikking wordt verwezen. Opgeheven. In elke stand van het geding worden, indien een gehele of gedeeltelijke overeenkomst tot stand komt, de bewoordingen ervan opgetekend in het proces-verbaal waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen om toepassing van artikel 1043 verzoeken. Opgeheven. Alles wat er wordt gezegd of geschreven tijdens de zittingen van minnelijke schikking is vertrouwelijk. Opgeheven. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde stellen aan de procedure van minnelijke schikking. Art. 1253ter/3, § 2 Art. 1253ter/3, § 2 § 2. Mits alle partijen hiermee akkoord gaan, kan de rechtbank de zaak verdagen naar een vaste datum die de termijn bepaald in artikel 1734 niet mag overschrijden, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden na te gaan of er akkoorden kunnen worden gesloten dan wel de bemiddeling een oplossing zou kunnen bieden aan partijen, of kan zij de zaak, verwijzen naar de kamer van minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid. De zaak kan op schriftelijk verzoek van een van de partijen op een vroegere datum worden hervat. § 2. Mits alle partijen hiermee akkoord gaan, kan de rechtbank de zaak verdagen naar een vaste datum die de termijn bepaald in artikel 1734 niet mag overschrijden, teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden na te gaan of er akkoorden kunnen worden gesloten dan wel de bemiddeling een oplossing zou kunnen bieden aan partijen, of kan zij de zaak, verwijzen naar de kamer van minnelijke schikking, overeenkomstig artikel 734/1, § 2. De zaak kan op schriftelijk verzoek van een van de partijen op een vroegere datum worden hervat. Art. 1253quater a) Art. 1253quater a) C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 303 3552/001 DOC 55 Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/7, wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221 en 223 van het oud Burgerlijk Wetboek en op de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, derde lid, en 2.3.63 van het Burgerlijk Wetboek: a) de rechtbank doet de partijen oproepen en verwijst de partijen, in voorkomend geval, naar de kamers voor minnelijke schikking overeenkomstig artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid; Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/7, wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221 en 223 van het oud Burgerlijk Wetboek en op de artikelen 2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, derde lid, en 2.3.63 van het Burgerlijk Wetboek: a) de rechtbank doet de partijen oproepen en verwijst de partijen, in voorkomend geval, naar de kamers voor minnelijke schikking overeenkomstig artikel 734/1, § 2; Art. 1326 Art. 1326 § 1. De openbare verkopingen van onroerende goederen gemachtigd overeenkomstig artikelen 1186, 1189, 1190, 1580 en 1675/14bis evenals de openbare verkopingen gemachtigd overeenkomstig artikel XX.88 van het Wetboek economisch recht brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers alsook ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, dewelke bij de toewijzing werden opgeroepen ten minste acht dagen voor het eerste bod werd uitgebracht. § 1. De verkopingen van onroerende goederen die geheel toebehoren aan de schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefailleerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon in vereffening, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, een onbeheerde nalatenschap, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, brengen overwijzing van de prijs met zich mee ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven alsook ten behoeve van de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, op voorwaarde: De verkopingen uit de hand van onroerende goederen gemachtigd overeenkomstig artikelen 1193bis, 1193ter, 1580bis, 1580ter en 1675/14bis evenals de verkopingen uit de hand gemachtigd overeenkomstig artikel XX.88 van het Wetboek economisch recht brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers alsook ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot 1° dat deze schuldeisers in het kader van de gemachtigde of bevolen openbare verkoop werden opgeroepen door de notaris om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 304 hebben doen overschrijven, dewelke tot de machtingsprocedure werden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend werd. ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; of § 2. De openbare verkopingen en verkopingen uit de hand van onverdeelde onroerende goederen, gemachtigd of bevolen overeenkomstig de artikelen 1187, 1189bis, 1193bis, 1209, 1214, 1224 en 1675/14bis, alsook overeenkomstig artikelen XX.88 en XX.193 van het Wetboek economisch recht, brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van alle ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers alsook ten behoeve van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, dewelke tot de machtingsprocedure werden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste die ten minste acht dagen op voorhand de zitting betekend wordt. 2° dat zij in het kader van de verkoop uit de hand door de griffie tot de machtingsprocedure werden opgeroepen. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 3. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder dat de beschikking of het vonnis tot machtiging hieraan toegevoegd dient te worden of overgeschreven moet worden. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de gemachtigde of bevolen verkoop van een onroerend goed op beslag dat geheel of deels toebehoort aan de beslagene, tenzij in geval van toepassing van artikel 1561, in welk geval deze verkoop plaatsvindt in het kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling overeenkomstig paragraaf 3. § 2. De verkopingen van onverdeelde onroerende goederen deels toebehorend aan de schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefailleerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, en aan andere personen, brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure van de verkoop. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 305 3552/001 DOC 55 minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader van een gerechtelijke vereffening- verdeling, is volgende bijzondere regeling van toepassing: 1° de openbare verkoop brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de notaris werden opgeroepen om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de biedingsperiode; 2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure, voor zover de verkopende partij zich vrijwillig onderworpen heeft aan de procedure van machtiging bedoeld in artikel 1193bis. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven. § 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2 en 3 blijkt dat de overwijzing van de prijs kan worden bekomen in het kader van verschillende procedures, volstaat het dat de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1 werden opgeroepen bij één van deze procedures om de zuivering te bewerkstelligen. § 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1, van wie de inschrijving, overschrijving, registratie in het Pandregister of kantmelding dateert van na de oproeping voorzien in paragrafen 1 tot en met 3, brengen de verkopingen van onroerende goederen eveneens van rechtswege overwijzing mee van de prijs, zonder dat deze schuldeisers moeten worden opgeroepen. § 6. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder dat de beschikking of het vonnis tot C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 306 machtiging hieraan toegevoegd dient te worden of overgeschreven moet worden.”. Art. 1389bis/7 Art. 1389bis/7 Op verzoek van de minister van Justitie, de ministers tot wier bevoegdheid de economie behoort, de wetgevende Kamers, (de Gemeenschaps- en Gewestparlementen) en het Planbureau, alsook, na eensluidend advies van het Beheers- en toezichtscomité, van alle betrokken personen en organisaties, maakt de Nationale Kamer hen anonieme gegevens over, die nuttig zijn voor onderzoek in verband met het bewarend beslag, de middelen tot tenuitvoerlegging, de collectieve schuldenregeling en het protest. Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Op verzoek van de minister van Justitie, de ministers tot wier bevoegdheid de economie behoort, de wetgevende Kamers, (de Gemeenschaps- en Gewestparlementen) en het Planbureau, alsook, na advies van het Beheers- en toezichtscomité, van alle betrokken personen en organisaties, maakt de Nationale Kamer hen anonieme gegevens over, die nuttig zijn voor onderzoek in verband met het bewarend beslag, de middelen tot tenuitvoerlegging, de collectieve schuldenregeling en het protest. Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke regels tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Art. 1390quater, § 1, tweede lid (na inwerkingtreding wet van 5 mei 2019) Art. 1390quater, § 1, tweede lid Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°. Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de griffier middels het centraal register collectieve schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20 aan het bestand van berichten de vermelding van de datum van deze beslissing en van de identiteit van de vervangende schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°. Art. 1409 Art. 1409 § 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst, een statuut, een abonnement, alsmede die welke worden uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten buiten een arbeidsovereenkomst, en het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse vakantie kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 35 000 frank per kalendermaand. § 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst, een statuut, een abonnement, alsmede die welke worden uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten buiten een arbeidsovereenkomst, en het vakantiegeld betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse vakantie kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 1706 euro per kalendermaand. Het gedeelte van die bedragen boven 29 000 frank en tot ten hoogste 32 000 frank per Het gedeelte van die bedragen boven 1414 euro en tot ten hoogste 1560 euro per C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 307 3552/001 DOC 55 kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 30 % in totaal, het gedeelte boven 32 000 frank en tot ten hoogste 35 000 frank per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte boven 27 000 frank en tot ten hoogste 29 000 frank per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal. kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 30 % in totaal, het gedeelte boven 1560 euro en tot ten hoogste 1706 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte boven 1316 euro en tot ten hoogste 1414 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal. Het gedeelte van genoemde bedragen dat 27 000 frank per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag. Het gedeelte van genoemde bedragen dat 1316 euro per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag. Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met 50 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat moet verstaan worden onder kind ten laste. Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met 81 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat moet verstaan worden onder kind ten laste. Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004, wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking. Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004, wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking. § 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 35 000 frank per kalendermaand. Het gedeelte van die bedragen boven 29 000 frank en tot ten hoogste 35 000 frank per kalendermaand, kan niet worden overgedragen § 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt overgedragen of in beslag genomen worden, voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven 1706 euro per kalendermaand. Het gedeelte van die bedragen boven 1414 euro en tot ten hoogste 1560 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 308 of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde in totaal; het gedeelte boven 27 000 frank en tot ten hoogste 29 000 frank per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal. of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde in totaal; het gedeelte boven 1316 euro en tot ten hoogste 1414 euro per kalendermaand, kan niet worden overgedragen of in beslag genomen voor meer dan een vijfde in totaal. Het gedeelte van die bedragen dat 27 000 frank per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag. Het gedeelte van die bedragen dat 1316 euro per kalendermaand niet te boven gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag. Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met 50 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wat moet verstaan worden onder kind ten laste. Wanneer personen die inkomsten genieten bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen ten laste hebben, wordt het voor beslag of overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen ervan, verminderd met 81 euro per kind ten laste. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit wat moet verstaan worden onder kind ten laste. Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004 wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking. Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad eveneens de regels voor de bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31 december 2004 wettelijke bepalingen uitvaardigen en wijzigen, zelfs inzake aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de aangelegenheden waarvoor de meerderheid voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005 dient de Koning bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1 januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben geen uitwerking. § 1ter. De maaltijdcheques bedoeld in artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 19bis, § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit. § 1ter. De maaltijdcheques bedoeld in artikel 19bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 19bis, § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit. Deze maaltijdcheques vallen niet onder de samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet, Deze maaltijdcheques vallen niet onder de samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet, C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 309 3552/001 DOC 55 noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald in artikel 1412. noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald in artikel 1412. § 2. Elk jaar past de Koning de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen aan, rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand november van elk jaar. § 2. Elk jaar en onverminderd de toepassing van paragraaf 3 past de Koning de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen aan, rekening houdend met de afgevlakte gezondheidsindex van de maand november van elk jaar. Voor de bedragen vermeld in de eerste drie leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand november 1989. Voor het bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor overdracht of beslag. Voor de bedragen vermeld in de eerste drie leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer dat van de maand november 2022. Voor het bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer van de maand november 2022. Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal. Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer brengt een verhoging of verlaging van de bedragen met zich mee, overeenkomstig de volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer. Het resultaat wordt afgerond tot het hogere honderdtal. Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij artikel 2, § 1, 1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere duizendtal. Het aldus aangepaste laatste bedrag mag evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald bij artikel 14, § 1, eerste lid van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het hogere honderdtal. Binnen de eerste vijftien dagen van de maand december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing. Voor 31 december van elk jaar, worden de nieuwe bedragen bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun aanpassing. § 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid bedoelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5% bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 310 De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. § 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen na advies van de Nationale Arbeidsraad aanpassen, rekening houdend met de economische toestand. § 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis bepaalde bedragen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit aanpassen, rekening houdend met de economische toestand. Het besluit treedt in werking op 1 januari van het jaar na dat waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding ervan. Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, verricht de Koning de in het tweede lid of in dit lid bedoelde aanpassing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van het tweede lid, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun aanpassing. Art. 1561, lid 1 Art. 1561, lid 1 Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of voor de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen. Niettemin kan het beslag op het onverdeelde aandeel van de schuldenaar door zijn persoonlijke schuldeisers niet worden ten uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling, die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd zijn tussen te komen, met dien verstande dat de overeenkomst van onverdeeldheid gesloten vóór de vordering tot verdeling of voor de akte tot vestiging van de hypotheek, moet worden in acht genomen. In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en volgende van toepassing. Art. 1580bis, derde lid Art. 1580bis, derde lid De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een exploot van beslaglegging hebben laten overschrijven en zij die een C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 311 3552/001 DOC 55 bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. Art. 1580ter, lid 1 en 2 Art. 1580ter, lid 1 en 2 Wanneer de beslag leggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Wanneer de beslag leggende schuldeiser machtiging vraagt om uit de hand te verkopen, legt hij de rechter een door een notaris opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet de redenen uiteen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt door een deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslag hebben laten overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, de beslagene en desgevallend de derde houder dienen tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De machtiging wordt verleend indien het belang van de schuldeisers, van de schuldenaar en, desgevallend, van de derde houder zulks vereist. Art. 1582, derde lid Art. 1582, derde lid De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand De ingeschreven schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 312 om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen. die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen. Art. 1639, lid 2 Art. 1639, lid 2 De rangregeling geopend na de verkoop in het kader van een insolventieprocedure of in het kader van de vereffening van een onbeheerde of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap beperkt zich, behoudens andersluidende modaliteiten, tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers. Na betaling van voornoemde schuldeisers stort de instrumenterende ministerieel ambtenaar, desgevallend, het saldo van de verkoopprijs en de toebehoren aan de gerechtsmandataris of aan de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641. De rangregeling geopend na de verkoop van het onroerend goed toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap beperkt zich, behoudens andersluidende modaliteiten, tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen. Na betaling van voornoemde schuldeisers stort de instrumenterende ministerieel ambtenaar, desgevallend, het saldo van de verkoopprijs en de toebehoren aan de gerechtsmandataris of aan de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641. Art. 1639/1 Art. 1639/1 Indien één van de verkopingen vermeld in artikel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft, moet er per mede-eigenaar een rangregeling worden opgemaakt als volgt: 1° een volledige rangregeling voor het aandeel toebehorend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 313 3552/001 DOC 55 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen te vervreemden of aan de partijen in een gerechtelijke vereffening-verdeling; 2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in artikel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; 3° een semi verkorte rangregeling voor het aandeel toebehorend aan de mede-eigenaar die niet vermeld wordt onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, evenals tot betaling van de sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing of een akkoord tussen partijen. De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede-eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen, worden eerst de gemeenschappelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rangregeling. Nadat vervolgens het netto- aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch geheel van C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 314 goederen reeds was ontbonden, kan deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwikkeling van deze mede-eigendom. Art. 1653, derde lid Art. 1653, derde lid Op overlegging van dit getuigschrift worden alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen die ten laste van de beslagene op het toegewezen goed bestaan, ambtshalve doorgehaald. Op overlegging van dit getuigschrift worden alle bestaande inschrijvingen en overschrijvingen ten laste van de eigenaar of van alle mede- eigenaars op het verkochte goed ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat eveneens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit getuigschrift. Art. 1675/7, § 2, lid 3 en 5 Art. 1675/7, § 2, lid 3 en 5 Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire, bevoorrechte schuldeisers en de beslagleggende schuldeiser, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582. Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 315 3552/001 DOC 55 schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582. Ten aanzien van personen die zich persoonlijk zekerheid hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding. Ten aanzien van personen die zich persoonlijk zeker hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding. Art. 1675/9, § 4 Art. 1675/9, § 4 De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat tenministe gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen 1409 et 1412 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen. De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat tenminste gelijk is aan het bedrag dat met toepassing van de artikelen 1409 et 1412 wordt beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de verzoeker mag dit leefgeld tijdelijk worden verminderd, maar moet het altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in artikel 14 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie bedoelde bedragen, vermeerderd met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°, bedoelde bedragen. Art. 1675/10, § 2/1 en § 4 Art. 1675/10, § 2/1 en § 4 § 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling wordt de gedetailleerde en geachtualiseerde staat van de inkomsten en de beschikbare middelen van het gezin opgenomen. De bijlage bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de rechter, bevat een gedetailleerde staat van de lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in voorkomend geval, van de lasten en tegoeden van zijn gezin. § 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling wordt de gedetailleerde en geactualiseerde staat van de inkomsten en de beschikbare middelen van het gezin opgenomen. De bijlage bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de rechter, bevat een gedetailleerde staat van de lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in voorkomend geval, van de lasten en tegoeden van zijn gezin. § 4. De schuldbemiddelaar deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot, en de schuldeisers. In het kader van die regeling ziet de schuldbemiddelaar toe op de § 4. De schuldbemiddelaar deelt het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan de schuldenaar, in voorkomend geval diens echtgenoot of wettelijk samenwonende, en de schuldeisers. In het kader van die regeling ziet de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 316 prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen. schuldbemiddelaar toe op de prioritaire betaling van de schulden die het recht van de verzoeker en zijn gezin om een menswaardig leven te leiden in het gedrang brengen. De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen. De regeling moet door alle belanghebbende partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar moet uiterlijk twee maanden na toezending van het ontwerp worden meegedeeld aan de schuldbemiddelaar. Bij ontstentenis van bezwaar onder die voorwaarden en binnen die termijn, worden de partijen geacht met de regeling in te stemmen. Artikel 51 is niet van toepassing. Artikel 51 is niet van toepassing. Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf. Het bericht gezonden naar de belanghebbende partijen neemt de tekst over van het tweede lid van deze paragraaf. Art. 1675/12, § 2 Art. 1675/12, § 2 § 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden. Tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen om de toepassing ervan verzoekt, met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid van de schuldenaar te verzekeren, is artikel 51 niet van toepassing. De rechter beslist over deze aanvraag, bij een bijzonder gemotiveerde beslissing, in voorkomend geval in het vonnis waarbij hij de gerechtelijke aanzuiveringsregeling toestaat. § 2. Het vonnis geeft de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de vijf jaar niet mag overschrijden. Tenzij de schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van redenen om de toepassing ervan verzoekt, met het doel bepaalde elementen van zijn vermogen te beschermen, en de eerbiediging van de menselijke waardigheid van de schuldenaar en zijn gezin te verzekeren, is artikel 51 niet van toepassing. De rechter beslist over deze aanvraag, bij een bijzonder gemotiveerde beslissing, in voorkomend geval in het vonnis waarbij hij de gerechtelijke aanzuiveringsregeling toestaat. De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden. De terugbetalingstermijn van de kredietovereenkomsten kan worden verlengd. De verlengde terugbetalingstermijn van deze kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de rechter, vermeerderd met de helft van de resterende looptijd van deze kredietovereenkomsten niet overschrijden. Art. 1675/14bis, § 2 Art. 1675/14bis, § 2 § 2. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de § 2. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 317 3552/001 DOC 55 schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen. schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede- eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede- eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling. Art. 1675/21 Art. 1675/21 § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna “de beheerder” genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register. § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna “de beheerder” genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 318 § 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. § 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. § 3. De beheerder stelt een aangestelde voor de gegevensbescherming aan. § 3. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescherming aan. Deze is meer bepaald belast met: Deze is meer bepaald belast met: 1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking; 1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking; 2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer. 2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer. 3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 4° het functioneren als contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 4° het functioneren als contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; 5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. 5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke de functionaris voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 319 3552/001 DOC 55 HOOFDSTUK 4 – Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit HOOFDSTUK 4 – Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit Art. 9 Art. 9 Belg wordt de dag dat de adoptie uitwerking heeft, indien het op die dag de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is: § 1. Belg wordt de dag dat de adoptie uitwerking heeft, indien het op die dag de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is: 1° het kind geboren in België en geadopteerd door een Belg; 1° het kind geboren in België en geadopteerd door een Belg; 2° het kind geboren in het buitenland en geadopteerd: 2° het kind geboren in het buitenland en geadopteerd: a) door een Belg geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur; a) door een Belg geboren in België of in gebieden onder Belgische soevereiniteit of onder Belgisch bestuur; b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is voor die leeftijd; b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft, een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt om toekenning van de Belgische nationaliteit aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd is voor die leeftijd; c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit. c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind geen andere nationaliteit bezit. De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4. De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b, wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een akte van nationaliteit opgesteld, overeenkomstig artikel 22, § 4. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit. Het kind aan wie de Belgische nationaliteit krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend, behoudt die nationaliteit zolang niet is aangetoond voordat het de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit. § 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit. Art. 23 Art. 23 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 320 § 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt het na zijn betekening, tenzij deze aan de persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. § 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt het na zijn betekening, tenzij deze aan de persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt in twee bladen uitgegeven in de provincie en in het Belgisch Staatsblad. Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen acht dagen te rekenen vanaf de betekening aan de persoon of vanaf de bekendmaking, zonder verlenging van die termijn wegens de afstand. Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van de kamer die het arrest heeft uitgesproken behandeld op verslag van de aangewezen raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de kamer of, bij diens ontstentenis, van de raadsheer daartoe door de eerste voorzitter aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien dagen uitgesproken. Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van de kamer die het arrest heeft uitgesproken behandeld op verslag van de aangewezen raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de kamer of, bij diens ontstentenis, van de raadsheer daartoe door de eerste voorzitter aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien dagen uitgesproken. HOOFDSTUK 5 – Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde HOOFDSTUK 5 – Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde Art. 2 Art. 2 Voor de uitvoering en de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder: Voor de uitvoering en de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder: 1° “sociale zekerheid”: 1° “sociale zekerheid”: a) alle regelingen opgesomd in artikel 21 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, alsmede die van de sociale zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij en voor de mijnwerkers; a) alle regelingen opgesomd in artikel 21 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, alsmede die van de sociale zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij en voor de mijnwerkers; b) alle regelingen bedoeld onder a) waarvan de toepassing is uitgebreid tot de personen tewerkgesteld in de openbare sector, en de regelingen van de openbare sector die een gelijkwaardige functie vervullen als de regelingen bedoeld onder a); b) alle regelingen bedoeld onder a) waarvan de toepassing is uitgebreid tot de personen tewerkgesteld in de openbare sector, en de regelingen van de openbare sector die een gelijkwaardige functie vervullen als de regelingen bedoeld onder a); c) alle regelingen opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 c) alle regelingen opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 321 3552/001 DOC 55 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen; d) alle regelingen opgesomd in artikel 12 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid of bedoeld door de wet van 16 juni 1960, die de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Rwanda- Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst en die waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd; d) alle regelingen opgesomd in artikel 12 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid of bedoeld door de wet van 16 juni 1960, die de organismen belast met het beheer van de sociale zekerheid van de werknemers van Belgisch-Congo en Rwanda- Urundi onder de controle en de waarborg van de Belgische Staat plaatst en die waarborg draagt door de Belgische Staat van de maatschappelijke prestaties ten gunste van deze werknemers verzekerd; e) alle regelingen van het stelsel van sociale bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen aan gehandicapten, het recht op een bestaansminimum, (het maatschappelijk welzijn,) de gewaarborgde gezinsbijslag en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden; e) alle regelingen van het stelsel van sociale bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen aan gehandicapten, het recht op een bestaansminimum, (het maatschappelijk welzijn,) de gewaarborgde gezinsbijslag en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden; f) alle voordelen ter aanvulling van de voorzieningen in het raam van de in littera a bedoelde sociale zekerheid, toegekend binnen de perken van hun statuten door de in 2°, littera c), bedoelde fondsen voor bestaanszekerheid; f) alle voordelen ter aanvulling van de voorzieningen in het raam van de in littera a bedoelde sociale zekerheid, toegekend binnen de perken van hun statuten door de in 2°, littera c), bedoelde fondsen voor bestaanszekerheid; g) alle regels betreffende de heffing en de invordering van de bijdragen en andere inkomsten die tot de financiering van de voormelde takken en voordelen bijdragen; g) alle regels betreffende de heffing en de invordering van de bijdragen en andere inkomsten die tot de financiering van de voormelde takken en voordelen bijdragen; h) alle rechten bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van terrorisme; HOOFDSTUK 6 – Wijzigingen van Wetboek van economisch recht HOOFDSTUK 6 – Wijzigingen van Wetboek van economisch recht Art. XX.44, § 3, tweede lid, 1° Art. XX.44, § 3, tweede lid, 1° Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 322 verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldenaar; het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect; de werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden en de schuldenaar; het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect; de werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; Art. XX.51, § 3, tweede lid, 1° Art. XX.51, § 3, tweede lid, 1° Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: Alleszins zal de notaris de verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen indien de volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldenaar. Het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect. De werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; 1° de rechtbank spreekt de schorsing van de gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te hebben gehoord in zijn verslag, evenals de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden en de schuldenaar. Het verzoek tot schorsing van de verkoop heeft geen schorsend effect. De werkelijke kosten waaraan de notaris werd blootgesteld in het kader van de gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en het neerleggen van het verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de schuldenaar; C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 323 3552/001 DOC 55 Art. XX.88, § 2 en 3 Art. XX.88, § 2 en 3 § 2. Wanneer de verkoop betrekking heeft op onroerende goederen en de gerechtsmandataris voor een verkoop uit de hand kiest, legt hij de rechtbank een ontwerp van verkoopakte voor, opgesteld door een door hem aangestelde notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hij voegt hierbij een schattingsverslag evenals een getuigschrift van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie dat dateert van na de opening van de reorganisatieprocedure en dat melding maakt van de bestaande inschrijvingen en van elke overschrijving van bevelen of beslagen op de genoemde onroerende goederen. Het ontwerp en zijn bijlagen worden in het register neergelegd. § 2. Wanneer de verkoop betrekking heeft op onroerende goederen en de gerechtsmandataris voor een verkoop uit de hand kiest, legt hij de rechtbank een ontwerp van verkoopakte voor, opgesteld door een door hem aangestelde notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is. Hij voegt hierbij een schattingsverslag, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld, evenals een getuigschrift van de Algemene Administratie van de patrimoniumdocumentatie dat dateert van na de opening van de reorganisatieprocedure en dat melding maakt van de bestaande inschrijvingen en van elke overschrijving van bevelen of beslagen op de genoemde onroerende goederen. Het ontwerp en zijn bijlagen worden in het register neergelegd. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, evenals zij die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, moeten ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief worden opgeroepen. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een minimumverkoopprijs. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, moeten ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief worden opgeroepen. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een minimumverkoopprijs. In alle gevallen, vindt de verkoop plaats overeenkomstig het ontwerp goedgekeurd door de rechtbank en door het ambt van de notaris die het ontwerp heeft opgesteld. In alle gevallen, vindt de verkoop plaats overeenkomstig het ontwerp goedgekeurd door de rechtbank en door het ambt van de notaris die het ontwerp heeft opgesteld. § 3. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, kan de rechtbank op verzoek van de gerechtsmandataris, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de schuldenaar en de § 3. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, kan de rechtbank op verzoek van de gerechtsmandataris, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 324 andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek van de gerechtsmandataris alleen. schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de schuldenaar en de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek van de gerechtsmandataris alleen. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de rechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de gerechtsmandataris en de andere mede- eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, evenals de schuldenaar ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief werden opgeroepen. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de rechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de gerechtsmandataris en de andere mede- eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, evenals de schuldenaar ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief werden opgeroepen. Art. XX.120, § 1, vierde lid Art. XX.120, § 1, vierde lid Wanneer het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curator, en na de oproeping van de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser bij gerechtsbrief ten minste acht dagen voor de zitting, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De curator dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na de aanmaning gedaan aan de beslagene overeenkomstig artikel 1582 van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het belang van de boedel het vereist, kan de rechter-commissaris op verzoek van de curator, en na de oproeping van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden bij gerechtsbrief ten minste acht dagen voor de zitting, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De curator dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na de aanmaning gedaan aan de beslagene overeenkomstig artikel 1582 van het Gerechtelijk Wetboek. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 325 3552/001 DOC 55 Art. XX.193, § 2 Art. XX.193, § 2 § 2. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de gefailleerde en aan andere personen, kan de rechter- commissaris, op verzoek van de curatoren, de verkoop van de onverdeelde goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de gefailleerde en de andere mede- eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek van de curator alleen. § 2. Wanneer onroerende goederen in mede- eigendom toebehoren aan de gefailleerde en aan andere personen, kan de rechter- commissaris, op verzoek van de curatoren, de verkoop van de onverdeelde goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de gefailleerde en de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek van de curator alleen. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de rechter-commissaris de verkoop bevelen, op gezamenlijk verzoek van de curator en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, evenals de gefailleerde ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure werden opgeroepen. In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de rechter-commissaris de verkoop bevelen, op gezamenlijk verzoek van de curator en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, evenals de gefailleerde ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure werden opgeroepen. HOOFDSTUK 7 – Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand HOOFDSTUK 7 – Wijziging van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand Art. 5, § 2 Art. 5, § 2 § 2. De bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze bepaling. Telkens als het indexcijfer met tien punten stijgt § 2. De bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze bepaling. Telkens als het indexcijfer met tien punten stijgt C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 326 of daalt, wordt de bijdrage met tien procent vermeerderd of verminderd. of daalt, wordt de bijdrage met tien procent vermeerderd of verminderd. Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde bijdrage treedt in werking op de eerste werkdag van de tweede maand na de in het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit nieuwe bedrag wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan. HOOFDSTUK 8 - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek HOOFDSTUK 8 - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek Art. 1.8 Art. 1.8 § 5. De vertegenwoordigde is eveneens gebonden door de rechtshandeling verricht door een onbevoegde vertegenwoordiger indien de schijn van een toereikende bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen. De schijn is toerekenbaar aan de vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe bijgedragen de schijn te wekken of in stand te houden. § 5. De vertegenwoordigde is eveneens gebonden door de rechtshandeling verricht door een onbevoegde vertegenwoordiger indien de schijn van een toereikende bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde deze schijn in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen. De schijn is toerekenbaar aan de vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe heeft bijgedragen de schijn te wekken of in stand te houden. HOOFDSTUK 9 – Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank HOOFDSTUK 9 – Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank Art. 36 Art. 36 In artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: In artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd door de wet van 6 mei 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: 1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt: “§ 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan te dien einde de verzoeker in raadkamer oproepen. “§ 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan te dien einde de verzoeker in raadkamer oproepen. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 327 3552/001 DOC 55 Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.”; Binnen de acht dagen na de neerlegging van het verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van de vordering.”; 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: 2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt: “De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies de rechtbanken waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.” “De griffie voert de beschikking van toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel 1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan de griffies van de rechtbanken en van de hoven waarbij de in artikel 1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn gemaakt.” Art. 37 Art. 37 In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende: 1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende: “§ 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.”; “§ 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid brengt van rechtswege de schrapping mee van de vorderingen ingediend op basis van de procedure bedoeld in artikel 1675/5.”; 2° In paragraaf 6 wordt het woord “1390quinquies” vervangen door het woord “1390quater”. 2° In paragraaf 6 wordt het woord “1390quinquies” vervangen door het woord “1390quater”. Art. 39 Art. 39 Er wordt een artikel 1675/8bis ingevoerd, luidende: Er wordt een artikel 1675/8bis ingevoerd, luidende: “Art. 1675/8bis. In geval van niet- toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie dagen kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman.” “Art. 1675/8bis. In geval van niet- toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie dagen na de uitspraak kennis van de beschikking aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman.” Art. 45 Art. 45 C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 328 In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1675/15bis ingevoegd, luidende: In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1675/15bis ingevoegd, luidende: “Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen vermeld in deze titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, tussen de volgende categorieën van personen gebeuren middels het register bedoeld in artikel 1675/20: “Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen, mededelingen en neerleggingen vermeld in deze titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, tussen de volgende categorieën van personen gebeuren middels het register bedoeld in artikel 1675/20: 1° de rechtbank, met inbegrip van de griffie; 1° rechtbank of het hof, met inbegrip van hun griffies; 2° de schuldbemiddelaar; 2° de schuldbemiddelaar; 3° de advocaten; 3° de advocaten; 4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen; 4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen; 5° de FOD Economie; 5° de FOD Economie; 6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn; 6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn; 7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn; 7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de rechtspersonen die in het buitenland gevestigd zijn; 8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven. 8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het register, de natuurlijke personen, met dien verstande dat zij het recht hebben zich eender wanneer uit het register uit te schrijven. Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de schuldbemiddelaar de eerste mededeling door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen drie werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat Ten aanzien van de personen bedoeld in het eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere procedure, maar nog niet voor de betrokken procedure zijn ingeschreven, doet de schuldbemiddelaar de eerste mededeling door middel van het register, met de vraag om de inschrijving binnen drie werkdagen te bevestigen. De bevestiging die binnen die termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in het register voor de betrokken procedure. Bij gebreke van bevestiging binnen de termijn, wordt de elektronische mededeling of kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 329 3552/001 DOC 55 de schuldbemiddelaar over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4. de schuldbemiddelaar over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4. Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging die niet wordt gedaan zoals bepaald in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te hebben plaatsgevonden. De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar. De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven in elke mededeling of kennisgeving uitgaande van de rechtbank of de schuldbemiddelaar. § 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.” § 2. De papieren stukken uitgaande van de griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de stukken die aan hen worden meegedeeld of bij hen worden neergelegd op andere wijzen dan via het register, worden, wanneer die wijzen zijn toegelaten krachtens dit wetboek, door hen omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van mededeling en neerlegging zijn toegelaten krachtens het huidige artikel.” HOOFDSTUK 10 – Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen HOOFDSTUK 10 – Wijziging van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende de wraking van de gezworenen Art. 19 Art. 19 De bewaringsverplichting bedoeld in artikel 782, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8, heeft enkel betrekking op de vonnissen gewezen vanaf de datum waarop artikel 8 in werking treedt. De bewaringsverplichting bedoeld in artikel 782, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 8, heeft enkel betrekking op de vonnissen gewezen vanaf de datum waarop artikel 8 in werking treedt. De bewaringsverplichting van de gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in artikel 782bis of 1109 van het Gerechtelijk Wetboek, of in artikel 163, 176, 190, 209, 337 of 346 van het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij deze wet, of uit een rechterlijke beslissing, heeft enkel betrekking op de vonnissen gewezen vanaf de datum waarop hoofdstuk 2 en de artikelen 9, 10, 13 en 18, tweede lid, van deze wet in werking treden. De bewaringsverplichting van de gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in artikel 782bis of 1109 van het Gerechtelijk Wetboek, of in artikel 163, 176, 190, 209, 337 of 346 van het Wetboek van strafvordering, zoals gewijzigd bij deze wet, of uit een rechterlijke beslissing, heeft enkel betrekking op de vonnissen gewezen vanaf de datum waarop titel II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19, tweede lid, van deze wet in werking treden. C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 330 De Koning kan, na advies van de beheerder van het Centraal register en de Gegevensbeschermingsautoriteit, het eerste of tweede lid opheffen voor één of meerdere gerechten, of voor één of meerdere contentieux van één of meerdere gerechten, afgebakend volgens materie of periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. De Koning kan, na advies van de beheerder van het Centraal register en de Gegevensbeschermingsautoriteit, het eerste of tweede lid opheffen voor één of meerdere gerechten, of voor één of meerdere contentieux van één of meerdere gerechten, afgebakend volgens materie of periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet. HOOFDSTUK 11 – Wijziging van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen HOOFDSTUK 11 – Wijziging van de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen Art. 83 Art. 83 Artikel 535 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, wordt vervangen als volgt: Artikel 535 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, wordt vervangen als volgt: “Art. 535. Het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is gelast met het onderzoek van klachten die op schriftelijke en gemotiveerde wijze door een derde of een lid van de beroepsgroep worden ingediend, en van schriftelijke aangiften. Een schriftelijke aangifte kan gebeuren door de procureur des Konings, de verslaggever van een arrondissementskamer ingevolge een beslissing van de raad, of de nationaal verslaggever ingevolge een beslissing van het directiecomité. “Art. 535. Het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is gelast met het onderzoek van klachten die op schriftelijke en gemotiveerde wijze door een derde of een lid van de beroepsgroep worden ingediend, en van schriftelijke aangiften. Een schriftelijke aangifte kan gebeuren door de procureur des Konings, de verslaggever van een arrondissementskamer ingevolge een beslissing van de raad, of de nationaal verslaggever ingevolge een beslissing van het directiecomité. Het auditoraat heeft tevens de bevoegdheid een klacht te seponeren en een minnelijke schikking voor te stellen die het onderzoek beëindigt. Het auditoraat heeft tevens de bevoegdheid een klacht te seponeren en een minnelijke schikking voor te stellen die het onderzoek beëindigt. Het auditoraat is bevoegd de tuchtprocedure in te stellen bij de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 555/5ter, § 1 met het oog op een veroordeling tot een tuchtstraf. Het auditoraat is bevoegd de tuchtprocedure in te stellen bij de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 555/5ter, § 1 met het oog op een veroordeling tot een tuchtstraf. De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt het huishoudelijk reglement van het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vast. Dit reglement bevat nadere regels met betrekking tot de vervanging van de auditeurs, de werking en organisatie van het auditoraat en de wijze waarop een auditeur voor elk dossier wordt aangesteld. Om bindend te zijn, moet dit De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt het huishoudelijk reglement van het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vast. Dit reglement bevat nadere regels met betrekking tot de vervanging van de auditeurs, de werking en organisatie van het auditoraat en de wijze waarop een auditeur voor elk dossier wordt aangesteld. Om bindend te zijn, moet dit C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 331 3552/001 DOC 55 huishoudelijk reglement door de Koning goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend geval aanpassingen aanbrengen. huishoudelijk reglement door de Koning goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend geval aanpassingen aanbrengen. De algemene vergadering van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders duidt het digitaal kanaal aan voor kennisgevingen in de tuchtprocedure. De algemene vergadering van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders duidt het digitaal kanaal aan voor kennisgevingen in de tuchtprocedure. Dit digitaal kanaal is toegankelijk voor de personen bedoeld in artikel 555/3, eerste en tweede lid, de kamer van notarissen, het auditoraat bij de Nationale Kamer van notarissen, de procureur des Konings, de tuchtraad zoals bepaald in artikel 456 van het Gerechtelijk wetboek, het hof van beroep en het Hof van Cassatie. De bewaartermijn van de geregistreerde gegevens bedraagt tien jaar in hoofde van de beheerder van het digitaal kanaal. De bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot alle rechtsmiddelen van elke hangende tuchtprocedure waarop de gegevens betrekking hebben, uitgeput zijn. Dit digitaal kanaal is toegankelijk voor de personen bedoeld in artikel 555/3, eerste en tweede lid, het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, de procureur des Konings, de tuchtraad zoals bepaald in artikel 456 van het Gerechtelijk wetboek, het hof van beroep en het Hof van Cassatie. De bewaartermijn van de geregistreerde gegevens bedraagt tien jaar in hoofde van de beheerder van het digitaal kanaal. De bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot alle rechtsmiddelen van elke hangende tuchtprocedure waarop de gegevens betrekking hebben, uitgeput zijn. Het digitaal kanaal moet minstens beantwoorden aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wat betreft de modaliteiten, de wijze en de voorwaarden van inrichting, het beheer, de organisatie en de raadpleging.” Het digitaal kanaal moet minstens beantwoorden aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wat betreft de modaliteiten, de wijze en de voorwaarden van inrichting, het beheer, de organisatie en de raadpleging.” Art. 103 Art. 103 “Art. 555/5bis. § 1. Er bestaat voor heel België een tuchtraad met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders. De zetel is gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. “Art. 555/5bis. § 1. Er bestaat voor heel België een tuchtraad met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn. De zetel is gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. HOOFDSTUK 12 – Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de HOOFDSTUK 12 – Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E 3552/001 DOC 55 332 Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken Art. 7 Art. 7 De Franse tekst van dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst; deze laatste wordt zelf niet gewijzigd. Imprimerie centrale – Centrale drukkerij C H A M B R E 5 e   S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E 2022 2023 K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E

Vragen over dit document?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot