Inhoud
13 september 2023
13 septembre 2023
3552/001
DOC 55
3552/001
DOC 55
10159
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Chambre des représentants
de Belgique
Belgische Kamer van
volksvertegenwoordigers
Inhoud
Sommaire
Blz.
Pages
Résumé ................................................................................3
Exposé des motifs ...............................................................4
Avant-projet de loi ..............................................................96
Analyse d’impact...............................................................126
Avis du Conseil d’État ......................................................144
Projet de loi ......................................................................158
Coordination des articles .................................................197
Samenvatting .......................................................................3
Memorie van toelichting .......................................................4
Voorontwerp van wet..........................................................96
Impactanalyse ..................................................................135
Advies van de Raad van State ........................................144
Wetsontwerp ....................................................................158
Coördinatie van de artikelen ............................................261
TER VERVANGING VAN HET VROEGER RONDGEDEELDE
STUK
EN REMPLACEMENT DU DOCUMENT DISTRIBUÉ
PRÉCÉDEMMENT
houdende diverse bepalingen
in burgerlijke en gerechtelijke zaken
portant dispositions diverses
en matière civile et judiciaire
PROJET DE LOI
WETSONTWERP
3552/001
DOC 55
2
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
N-VA
:
Nieuw-Vlaamse Alliantie
Ecolo-Groen
:
Ecologistes Confédérés pour l’organisation de luttes originales – Groen
PS
:
Parti Socialiste
VB
:
Vlaams Belang
MR
:
Mouvement Réformateur
cd&v
:
Christen-Democratisch en Vlaams
PVDA-PTB
:
Partij van de Arbeid van België – Parti du Travail de Belgique
Open Vld
:
Open Vlaamse liberalen en democraten
Vooruit
:
Vooruit
Les Engagés
:
Les Engagés
DéFI
:
Démocrate Fédéraliste Indépendant
INDEP-ONAFH :
Indépendant – Onafhankelijk
Abréviations dans la numérotation des publications:
Afkorting bij de nummering van de publicaties:
DOC 55 0000/000 Document de la 55e législature, suivi du numéro de base
et numéro de suivi
DOC 55 0000/000 Parlementair document van de 55e zittingsperiode +
basisnummer en volgnummer
QRVA
Questions et Réponses écrites
QRVA
Schriftelijke Vragen en Antwoorden
CRIV
Version provisoire du Compte Rendu Intégral
CRIV
Voorlopige versie van het Integraal Verslag
CRABV
Compte Rendu Analytique
CRABV
Beknopt Verslag
CRIV
Compte Rendu Intégral, avec, à gauche, le compte rendu
intégral et, à droite, le compte rendu analytique traduit
des interventions (avec les annexes)
CRIV
Integraal Verslag, met links het definitieve integraal
verslag en rechts het vertaalde beknopt verslag van
de toespraken (met de bijlagen)
PLEN
Séance plénière
PLEN
Plenum
COM
Réunion de commission
COM
Commissievergadering
MOT
Motions déposées en conclusion d’interpellations (papier
beige)
MOT
Moties tot besluit van interpellaties (beigekleurig
papier)
Le gouvernement a déposé ce projet de loi le
13 septembre 2023
De regering heeft dit wetsontwerp op 13 september 2023
ingediend.
Le “bon à tirer” a été reçu à la Chambre le
21 septembre 2023
De “goedkeuring tot drukken” werd op 21 september 2023
door de Kamer ontvangen.
3
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
SAMENVATTING
Dit wetsontwerp beoogt een aantal diverse maatre-
gelen te nemen in het burgerlijk en gerechtelijk recht en
wijzigingen aan te brengen in diverse wetten die onder
de bevoegdheid van het departement Justitie vallen.
Het ontwerp bevat onder andere:
1° de naamsverandering van kinderen in het geval van
opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband
of vanwege de naamsverandering van hun ouders;
2° de vervangende toestemming bij omzetting van een
interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt
in een volle adoptie;
3° de wijziging van de opdrachten van de bewind-
voerder na het overlijden van de beschermde persoon;
4° de uitbreiding van de positieve werking van het
gezag van gewijsde;
5° de wijdverbreide gebruik van de kamers voor
minnelijke schikking;
6° wijzigingen aan de juridische tweedelijnsbijstand;
7° wijzigingen aan het informatieblad over
rechtsmiddelen;
8° wijzigingen aan de rechtspleging voor Cassatie;
9° wijzigingen aan de inbeslagnemingsdrempels;
10° wijzigingen aan de zuivering van onroerende
goederen;
11° het communiceren van anonieme gegevens van
het Centraal bestand van berichten van beslag;
12° wijzigingen aan het Wetboek van de Belgische
nationaliteit;
13° wijzigingen aan het handvest van de sociaal
verzekerde;
14° wijzigingen aan de procedure collectieve
schuldenregeling.
RÉSUMÉ
Ce projet de loi vise à prendre un certain nombre
de mesures diverses en droit civil et en droit judiciaire
et à apporter des modifications dans diverses lois qui
relèvent de la compétence du département de la Justice.
Le projet comprend entre autres:
1° le changement de nom des enfants en cas d’éta-
blissement successif de leurs liens de filiation ou en
raison de la modification du nom de leurs parents;
2° le consentement de remplacement pour une
conversion en une adoption plénière d’une adoption
internationale qui ne rompt pas le lien de filiation;
3° la modification des missions de l’administrateur
après le décès de la personne protégée;
4° l’extension de l’effet positif de la chose jugée;
5° la généralisation des chambres de règlement à
l’amiable;
6° des modifications à l’aide juridique de deuxième
ligne;
7° des modifications à la fiche informative sur les
voies de recours;
8° des modifications à la procédure de cassation;
9° des modifications aux montants insaisissables;
10° des modifications à la purge d’immeubles;
11° la communication des données anonymes du
Fichier des avis de saisies;
12° des modifications au Code de la nationalité belge;
13° des modifications à la charte de l’assuré social;
14° des modifications à la procédure de règlement
collectif de dettes.
3552/001
DOC 55
4
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
MEMORIE VAN TOELICHTING
Dames en Heren,
ALGEMENE TOELICHTING
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek
Naamsverandering van kinderen in het geval van
opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband
of vanwege de naamsverandering van hun ouders
Dit wetsontwerp wijzigt enkele nadere regels voor de
toekenning van de naam bij de opeenvolgende vaststel-
ling van de afstammingsband ten aanzien van minderja-
rige of meerderjarige kinderen, ongeacht of de nieuwe
afstammingsband die als voorwaarde geldt voor de
toepassing ervan, wordt vastgesteld langs vaderszijde,
langs moederszijde of langs meemoederszijde.
De doelstellingen van deze hervorming zijn zesvoudig:
1° ze biedt het meerderjarige kind de mogelijkheid om
een naam te kiezen in geval van vervanging van een
van zijn afstammingsbanden door een andere (vordering
tot onderzoek naar de afstammingsband die gelijktijdig
met een vordering tot betwisting van een eerdere band
wordt ingesteld) teneinde de wetgeving inzake de toeken-
ning van de naam in overeenstemming te brengen met
de leringen van arrest nr. 48/2022 van 24 maart 2022
van het Grondwettelijk Hof, dat uitspraak deed op een
prejudiciële vraag;
2° ze biedt ook de gelegenheid om een nieuwe start
te maken en zich te buigen over de mogelijkheden tot
naamskeuze van een meerderjarig kind in hun geheel.
Uit de opeenvolgende arresten van het Grondwettelijk
Hof in dit verband blijkt namelijk een tendens om meer-
derjarige en minderjarige kinderen op voet van gelijkheid
te willen behandelen, in het bijzonder sinds de inwerking-
treding van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het
Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de
gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van
naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde.
Het lijkt logisch dat meerderjarige kinderen op termijn
dezelfde mogelijkheden tot naamskeuze hebben als
degene die hun ouders zouden hebben gehad als de
opeenvolgende vaststelling van de afstammingsband
tijdens hun minderjarigheid zou hebben plaatsgevonden;
EXPOSÉ DES MOTIFS
Mesdames, Messieurs,
EXPOSÉ GÉNÉRAL
CHAPITRE 2
Modifications de l’ancien Code civil
Changement de nom des enfants en cas
d’établissement successif de leurs liens de filiation
ou en raison de la modification du nom de leurs
parents
Ce projet de loi modifie certaines modalités d’attribu-
tion du nom en cas d’établissement successif des liens
de filiation à l’égard d’enfants mineurs ou majeurs, peu
importe que le nouveau lien de filiation qui conditionne
leur application soit établi à l’égard d’un père, d’une
mère ou d’une coparente.
Les objectifs de cette réforme sont sextuples:
1° elle autorise une faculté de choix de nom par
l’enfant majeur en cas de substitution d’un de ses liens
de filiation par un autre (action en recherche d’un lien
de filiation menée en même temps qu’une action en
contestation d’un lien antérieur) de manière à mettre la
législation sur l’attribution du nom en conformité avec
les enseignements de l’arrêt de la Cour constitution-
nelle n° 48/2022 du 24 mars 2022, rendu sur question
préjudicielle;
2° elle est aussi une occasion de rebondir et de se
pencher sur les facultés de choix de nom par un enfant
majeur dans leur globalité. En effet, au gré des arrêts
successifs de la Cour constitutionnelle dans ce domaine,
on constate une tendance à vouloir traiter les enfants
majeurs et mineurs sur pied d’égalité, en particulier depuis
l’entrée en vigueur de la loi du 8 mai 2014 modifiant le
Code civil en vue d’instaurer l’égalité de l’homme et
de la femme dans le mode de transmission du nom à
l’enfant et à l’adopté.
Il parait cohérent, qu’à terme, les enfants majeurs
disposent des mêmes facultés de choix de nom que
celles que leurs parents auraient eu si l’établissement
successif des liens des filiation avait eu lieu pendant
leur minorité;
5
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° men stelt in de praktijk vast dat de standaardrege-
ling inzake toekenning van de naam (afwezigheid van
keuze of onenigheid tussen de ouders) in geval van
opeenvolgende vaststelling van afstammingsbanden
een echt “vetorecht” creëert ten voordele van de ouder
van wie de afstamming reeds is vastgesteld. Om die
reden stelt deze hervorming voor om ook in die situatie
de standaardregeling toe te passen in geval van gelijk-
tijdige vaststelling van afstamming;
4° ze herziet de principes van toekenning van de
naam ingeval opeenvolgende vaststelling van afstam-
mingsbanden om ze op een bepaalde manier af te
stemmen op deze van de adoptieprocedure. Dat is ook
hoe ze aan het kind van meer dan 12 jaar het recht
toekent om toe te stemmen in een naamsverandering
in dergelijke hypothese. Bovendien zal de keuze van
de ouders, zoals hetgeen voorzien is bij een gewone
adoptie, gemaakt moeten worden op het ogenblik dat
ze de procedure van erkenning van het kind opstarten,
en niet meer a posteriori;
5° ze ziet erop toe dat de overheid die akte neemt van,
of een besluit neemt over een afstammingsband zich in
voorkomend geval ook uitspreekt over de naamkwestie.
Wanneer uit een rechterlijke beslissing inzake afstamming
de toekenning van een nieuwe naam voortvloeit, is het
volgens deze logica aan de rechter om die stelselmatig
te vermelden in het beschikkende gedeelte;
6° ze stelt voor om de naam van de kinderen automa-
tisch te wijzigen als de naam van de ouder die aan de
basis ligt van de toekenning van hun naam, zelf wordt
gewijzigd wegens een betwisting of de vaststelling van
een afstammingsband zodat het niet meer nodig is om
een administratieve procedure tot naamsverandering in
te stellen, zoals nu vaak het geval is.
I. — INTEGRATIE VAN DE LERINGEN UIT ARREST
NR. 48/2022 VAN HET GRONDWETTELIJK HOF
Dit arrest bevestigt en versterkt de rechtspraak van
het Hof met betrekking tot artikel 335, § 4, van het oud
Burgerlijk Wetboek.
Ter herinnering: in zijn arrest nr. 50/2017 van 27 april
2017 besloot het Grondwettelijk Hof het volgende:
“In zoverre het het meerderjarige kind dat met succes
terzelfder tijd een vordering heeft ingesteld tot betwisting
van het vaderschap en tot onderzoek naar het vader-
schap niet toelaat de naam van zijn biologische vader
te dragen, schendt artikel 335, § 3, van het Burgerlijk
3° on constate dans les faits que le régime d’attribu-
tion du nom par défaut (absence de choix ou désaccord
entre les parents) en cas d’établissement successif des
filiations est ressenti comme créant un véritable “droit
de véto” au profit du parent dont la filiation est déjà éta-
blie. C’est la raison pour laquelle cette réforme propose
d’appliquer également dans cette situation le régime par
défaut en cas d’établissement simultané des filiations;
4° elle revoit les principes d’attribution du nom en cas
d’établissement successif des filiations pour les aligner,
dans une certaine mesure, avec ceux de la procédure
d’adoption. C’est ainsi qu’elle confère à l’enfant de plus
de douze ans le droit de consentir à un changement de
nom dans ce genre d’hypothèse. De plus, à l’instar de ce
qui est prévu pour l’adoption simple, le choix des parents
devra avoir lieu au moment où ils initieront la procédure
de reconnaissance de l’enfant, plus a posteriori;
5° elle veille à ce que l’autorité qui acte ou statue sur un
lien de filiation se prononce également, le cas échéant,
sur la question du nom. Dans cette logique, lorsque
l’attribution d’un nouveau nom découle d’une décision
judiciaire relative à la filiation, il appartient au juge de
le mentionner systématiquement dans son dispositif;
6° elle propose la modification automatique du nom
des enfants si le nom du parent à l’origine de l’attribu-
tion de leur nom est lui-même modifié en raison d’une
contestation ou de l’établissement d’un lien de filiation,
de sorte qu’il ne soit plus nécessaire de recourir à une
procédure de changement de nom par voie administra-
tive, comme c’est souvent le cas aujourd’hui.
I. — L’INTÉGRATION DES ENSEIGNEMENTS
DE L’ARRÊT N° 48/2022 DE LA COUR
CONSTITUTIONNELLE
Cet arrêt confirme et renforce sa jurisprudence relative
à l’article 335, § 4, de l’ancien Code civil.
Pour mémoire, dans son arrêt n° 50/2017
du 27 avril 2017, la Cour constitutionnelle concluait que:
“En ce qu’il ne permet pas à un enfant majeur ayant
agi avec fruit, simultanément, en contestation de pater-
nité et en recherche de paternité de porter le nom de
son père biologique, l’article 335, § 3, du Code civil, tel
que cet article est rédigé en vue d’instaurer l’égalité de
3552/001
DOC 55
6
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Wetboek, zoals dat artikel luidt met het oog op de in-
voering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij
de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de
geadopteerde, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.”.
In arrest nr. 48/2022 van het Grondwettelijk Hof oor-
deelde het Hof dat het nieuwe artikel 335, § 4, tweede lid,
van het oud Burgerlijk Wetboek in zijn huidige vorm
nog steeds niet beantwoordde aan de kritiek van het
Hof. Het beoogde namelijk alleen het geval waarin een
nieuwe naam werd gevraagd in het kader van een “2-in-
1-vordering”, waarvan sprake is in de artikelen 312, § 2,
318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en 4, van het oud Burgerlijk
Wetboek. Deze nieuwe bepaling beoogde niet de situatie
waarin een vordering tot betwisting van het vaderschap
gelijktijdig met een vordering tot onderzoek naar het
vaderschap werd ingesteld, een situatie die nochtans
uitdrukkelijk beoogd wordt door arrest nr. 50/2017 van
het Hof (considerans B.3.2.).
In dit nieuwe arrest gaat het Hof een stapje verder in
zijn denkoefening: het vraagt zich af of de mogelijkheid
tot naamskeuze niet zou moeten worden uitgebreid naar
het geval waarin een afstamming van vaderszijde voor
de eerste maal via gerechtelijke weg is komen vast te
staan terwijl de afstamming van moederszijde al vóór
die procedure vaststond. Het Hof had zich al over de
kwestie gebogen in arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 en
had besloten dat de afwezigheid van naamskeuze in
vergelijkbare gevallen op zich niet discriminerend was.
Zonder afbreuk te doen aan de eerdere rechtspraak van
het Hof, werd in arrest nr. 48/2022 de strekking ervan
verduidelijkt. Zo wijst het Hof erop dat arrest nr. 65/94 de
situatie beoogde waarbij de opeenvolgende vaststelling
van die twee afstammingen ertoe zou moeten leiden dat
het kind de naam van zijn moeder blijft dragen (consi-
derans B.8.2.). In arrest nr. 48/2022 wordt onderzocht
of er sprake is van discriminatie in de regeling voor de
toekenning van de naam van meerderjarige kinderen:
enerzijds kunnen meerderjarige kinderen er in het vonnis
akte van laten nemen dat ze de naam van hun biologi-
sche vader zullen dragen of die naam gekoppeld aan
die van de moeder in de door hen gekozen volgorde
indien de afstammingsband wordt vervangen door een
andere naar aanleiding van twee gelijktijdige rechtsvor-
deringen; anderzijds bestaat die mogelijkheid niet indien
een nieuwe afstamming van vaderszijde voor de eerste
maal via gerechtelijke weg is komen vast te staan na
de afstamming van moederszijde (considerans B.9).
De wetgever bepaalt inderdaad een juridisch statuut
voor de toekenning van de naam van personen met in-
achtneming van het sociale nut en de onveranderlijkheid
ervan (considerans B.5. van arrest nr. 65/94).
l’homme et de la femme dans le mode de transmission
du nom à l’enfant et à l’adopté, viole les articles 10 et 11
de la Constitution.”.
Dans l’arrêt n° 48/2022 de la Cour constitutionnelle,
la Cour estimait que le nouvel article 335, § 4, alinéa 2,
de l’ancien Code civil, dans sa rédaction actuelle ne
répondait toujours pas aux critiques de la Cour. En effet,
il ne visait que le cas où le nouveau nom était demandé
dans le cadre d’une action “2 en 1”, dont il est question
aux articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6 ou 330, §§ 3 et 4, de
l’ancien Code civil. Cette nouvelle disposition ne visait
pas la situation où une action en contestation de paternité
était menée simultanément avec une action en recherche
de paternité, situation pourtant visée explicitement par
l’arrêt de la Cour n° 50/2017 (considérant B.3.2.).
La Cour a été un cran plus loin dans sa réflexion dans
ce nouvel arrêt: elle s’est demandé si cette opportunité
de choix de nom ne devait pas être étendue à l’hypo-
thèse où un lien de filiation paternelle était “créé pour la
première fois” par la voie judiciaire alors que la filiation
maternelle avait déjà été établie avant cette procédure.
La Cour s’était déjà penchée sur la question dans un
arrêt n° 65/94 du 14 juillet 1994 et avait conclu que
l’absence de choix de nom dans semblable cas n’était
pas discriminatoire en soi. Sans remettre en cause sa
jurisprudence antérieure, l’arrêt n° 48/2022 en a précisé
la portée. Elle indique ainsi que l’arrêt n° 65/94 visait la
situation où l’établissement successif de ces deux filia-
tions devait aboutir à ce que l’enfant continue à porter le
nom de sa mère (considérant B.8.2.). L’arrêt n° 48/2022
s’interroge sur l’existence d’une discrimination dans le
régime d’attribution du nom des enfants majeurs: d’une
part, si le lien de filiation est remplacé par un autre à
la suite de deux actions judiciaires simultanées, les
enfants majeurs peuvent faire acter dans le jugement
qu’ils porteront le nom de leur père biologique ou ce
nom accolé à celui de la mère dans l’ordre déterminé
par ceux-ci; d’autre part, lorsqu’un nouveau lien de
filiation paternelle est établi pour la première fois par la
voie judiciaire après la filiation maternelle, cette faculté
n’existe pas (considérant B.9.).
Certes le législateur détermine un régime juridique
d’attribution du nom des personnes en ayant égard à
son utilisé sociale et à son besoin de fixité (considérant
B.5. de l’arrêt n° 65/94).
7
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Toch oordeelt het Hof dat artikel 335, § 4, tweede lid,
van het oud Burgerlijk Wetboek “de wens van het kind
om de naam van zijn biologische vader te dragen dus
[laat] primeren op het maatschappelijk nut dat aan de
naam een zekere bestendigheid wordt gegarandeerd,
zonder rekening te houden met het feit dat de naam die
het kind tot dan droeg, blijft overeenstemmen met een
werkelijke afstamming” (considerans B.10.2.).
Aangezien de wil van het kind moet primeren op de
bestendigheid van de naam, ook al stemde de naam
die het droeg al overeen met degene die het had door
een reeds vastgestelde afstamming, besluit het Hof dat
diezelfde mogelijkheid tot naamsverandering zou moeten
worden toegekend aan de meerderjarige kinderen van
wie de afstamming van vaderszijde via gerechtelijke
weg komt vast te staan terwijl de afstamming van moe-
derszijde al vaststond.
II. — MOGELIJKHEID VOOR MEERDERJARIGEN
OM BIJ EEN ERKENNING EEN VERKLARING VAN
NAAMSVERANDERING AF TE LEGGEN VOOR DE
AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND
Voortaan zouden meerderjarigen, net zoals al het ge-
val is voor minderjarigen, ook het recht moeten hebben
om bij een erkenning van een tweede afstammingsband
een verklaring van naamskeuze af te leggen voor de
ambtenaar van de burgerlijke stand.
Het Grondwettelijk Hof (considerans B.8.2. van ar-
rest nr. 48/2022) en de wetgever (wetsontwerp hou-
dende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en tot
vereenvoudiging van de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek betreffende de
onbekwaamheid, en van de wet van 17 maart 2013 tot
hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid
en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus
die strookt met de menselijke waardigheid, Memorie
van toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zitting, 2017-
2018, nr. 54-3303/01, blz. 15) hebben de draagwijdte van
arrest nr. 65/94 uitgebreid naar de situatie waarin via
gerechtelijke weg een tweede afstammingsband werd
vastgesteld. Nochtans beoogde dit arrest oorspronke-
lijk de verklaring van naamskeuze die wordt afgelegd
bij een erkenning van het vaderschap. De verwijzende
rechter beweerde dat er sprake was van discriminatie
tussen de minderjarige en de meerderjarige kinderen,
in zoverre dat de ouders voor de eersten een verklaring
van naamskeuze konden afleggen en dat die mogelijk-
heid voor de tweeden niet bestond.
Het Hof had in dat verband het volgende besloten:
Néanmoins, la Cour juge que l’article 335, § 4, alinéa 2,
de l’ancien Code civil, “fait […] prévaloir le souhait de
l’enfant de porter le nom de son père biologique sur
l’utilité sociale d’assurer au nom une certaine stabilité,
sans tenir compte du fait que le nom que l’enfant portait
jusque-là continue de correspondre à une filiation réelle”
(considérant B.10.2.).
Puisque la volonté de l’enfant doit primer sur le principe
de la stabilité du nom, quand bien même le nom qu’il
portait correspondait déjà à celui qu’il tenait d’une filiation
déjà établie, la Cour conclut que cette même faculté de
changement de nom devrait être accordée aux enfants
majeurs dont la filiation paternelle est établie par voie
judiciaire alors que leur filiation maternelle l’était déjà.
II. — LA FACULTÉ POUR LES MAJEURS DE
FAIRE UNE DÉCLARATION DE CHANGEMENT DE
NOM À L’OCCASION D’UNE RECONNAISSANCE
DEVANT L’OFFICIER DE L’ÉTAT CIVIL
Dorénavant, à l’instar de ce qui se fait déjà pour les
mineurs, les majeurs devraient également avoir le droit
d’effectuer une déclaration de choix de nom à l’occa-
sion d’une reconnaissance d’un second lien de filiation
devant l’officier de l’état civil.
La Cour constitutionnelle (considérant B.8.2. de
l’arrêt n° 48/2022) et le législateur (projet de loi por-
tant dispositions diverses en matière de droit civil et
portant simplification des dispositions du Code civil et
du Code judiciaire en matière d’incapacité, et de la loi
du 17 mars 2013 réformant les régimes d’incapacité et
instaurant un nouveau statut de protection conforme à
la dignité humaine, Exposé des motifs, Doc.parl., Ch.,
sess. ord. 2017-2018, n° 54-3303/01, p. 15) ont étendu la
portée de l’arrêt n° 65/94 à la situation où un deuxième
lien de filiation était établi par la voie judiciaire. Pourtant,
à l’origine, cet arrêt visait la déclaration de choix de nom
formulée à l’occasion d’une reconnaissance de pater-
nité. Il était soutenu par le juge a quo qu’il existait une
discrimination entre les enfants mineurs et les enfants
majeurs, en ce que pour les premiers, les parents pou-
vaient faire une déclaration de choix de nom alors que,
pour les seconds, cette faculté n’existait pas.
La Cour avait conclu à ce propos que:
3552/001
DOC 55
8
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“B.5. Gebruik makend van de hem toekomende be-
oordelingsbevoegdheid, heeft de wetgever het juridisch
statuut van de naam van de persoon vastgesteld met
inachtneming van zowel het sociale nut om aan die naam
een zekere onveranderlijkheid te geven als het belang
van degene die de naam draagt. Het Hof ziet niet in wat
er onredelijk zou kunnen zijn aan het feit dat het kind
wiens afstamming van vaderszijde is vastgesteld na de
afstamming van moederszijde en dat bijgevolg eerst de
naam van zijn moeder heeft gedragen, de naam van zijn
vader zou kunnen aannemen op initiatief van zijn ouders,
die oordelen over zijn belang, zolang het aan het ouderlijk
gezag is onderworpen, en enkel op zijn eigen initiatief
vanaf het ogenblik waarop dat gezag een einde neemt.
Het Hof ziet evenmin in wat er onredelijk zou kunnen
zijn aan het feit dat het meerderjarig of ontvoogd kind
dat de naam van zijn vader wenst te dragen terwijl het
die van zijn moeder heeft, de procedure dient te volgen
overeenkomstig de wet van 15 mei 1987 [betreffende
de namen en voornamen], die het gemeen recht ter
zake vormt.”.
Er mag niet worden vergeten dat dit arrest is gewezen
vóór de goedkeuring van de voornoemde wet van 8 mei
2014, waarbij de betrokken personen meer autonomie
kregen op dit gebied naar aanleiding van de evolutie
van de maatschappij, de aanneming van internationale
instrumenten en de ontwikkeling van de rechtspraak ter
zake. Bovendien heeft die wetgeving in het bijzonder de
nadruk gelegd op de noodzakelijke gelijke behandeling
van moeder en vader bij de toekenning van de naam
aan het kind: kinderen moeten de naam van hun ouders
op identieke wijze toegekend kunnen krijgen.
Daar het geen verklaring van naamskeuze kan af-
leggen op het ogenblik van zijn erkenning, moet een
meerderjarig kind een verzoek tot naamsverandering
indienen op grond van de artikelen 370/3 en volgende
van het oud Burgerlijk Wetboek om de naam te dragen
van de ouder ten aanzien van wie de afstamming als
tweede is komen vast te staan of de namen van zijn beide
ouders. Die naamsverandering via administratieve weg
is geen recht maar een gunst. Volgens het Hof blijft een
gunstige afloop hypothetisch (considerans B.10.2. van
arrest nr. 50/2017) ook al geeft het toe dat het recht om
de naam van een van zijn ouders te dragen een ernstige
reden is voor een dergelijk verzoek (zie inzonderheid
considerans B.6. van arrest nr. 82/2004 van 12 mei
2004). De wet van 8 mei 2014 bekrachtigt een zekere
wilsautonomie van de ouders, maar dat wil niet zeggen
dat de naam, zodra hij is gekozen binnen de grenzen
van wat de wet toestaat, gemakkelijk zou kunnen worden
gewijzigd. De vastheid van naam wordt niet als dusdanig
ter discussie gesteld: “hoe de maatschappij ook geëvo-
lueerd mag zijn op het stuk van de keuze van de bij de
geboorte aan het kind door te geven naam, in geval van
“B.5. Le législateur, usant du pouvoir d’appréciation
qui lui appartient, a élaboré le régime juridique du nom
des personnes en ayant égard, à la fois, à l’utilité sociale
d’assurer à ce nom une certaine fixité et à l’intérêt de
celui qui le porte. La Cour n’aperçoit pas ce qu’il pourrait
y avoir de déraisonnable à ce que l’enfant dont la filia-
tion paternelle a été établie après la filiation maternelle
et qui, par conséquent, a d’abord porté le nom de sa
mère, puisse prendre le nom de son père à l’initiative
de ses auteurs, juges de son intérêt aussi longtemps
qu’il est soumis à l’autorité parentale, et ne puisse le
prendre qu’à sa seule initiative dès le moment où cette
autorité prend fin. La Cour n’aperçoit pas non plus ce
qu’il pourrait y avoir de déraisonnable à ce que l’enfant
majeur ou émancipé qui désire porter le nom de son
père alors qu’il a celui de sa mère doive recourir à une
procédure prévue par la loi du 15 mai 1987 [relative aux
noms et aux prénoms], qui constitue le droit commun
en la matière.”.
On ne peut pas oublier que cet arrêt a été rendu
avant l’adoption de la loi du 8 mai 2014 précitée, loi qui
a accordé une plus grande autonomie des personnes
concernées dans ce domaine à la suite de l’évolution de
la société, de l’adoption d’instruments internationaux et
du développement de la jurisprudence dans ce domaine.
En outre, cette législation a mis tout particulièrement
l’accent sur la nécessaire égalité de traitement entre
mère et père dans l’attribution du nom à l’enfant: il faut
que les enfants puissent se voir attribuer le nom de leurs
parents de façon identique.
Faute de pouvoir effectuer une déclaration de choix
au moment de sa reconnaissance, l’enfant majeur doit
introduire une demande de changement de nom fondée
sur les articles 370/3 et suivants de l’ancien Code civil
pour porter le nom du parent à l’égard duquel la filiation
a été établie en second lieu, ou les noms accolés de
ses deux parents. Ce changement de nom par voie
administrative n’est pas un droit mais une faveur. Selon
la Cour constitutionnelle son aboutissement positif reste
hypothétique (considérant B.10.2. de l’arrêt n° 50/2017)
même si, de son aveu, le droit de porter le nom d’un
de ses parents constitue un motif sérieux pour former
pareille demande (voir notamment, considérant B.6.,
de l’arrêt n° 82/2004, du 12 mai 2004). Certes, la loi
du 8 mai 2014 consacre une certaine autonomie de la
volonté des parents mais cela n’implique néanmoins
pas que le nom, une fois choisi dans les limites de ce
que permet la loi, puisse être aisément modifié. La
fixité du nom n’est pas remise en cause pour autant:
“quelle qu’ait été l’évolution sociétale quant au choix de
nom à transmettre à l’enfant à la naissance, en cas de
reconnaissance ou d’adoption, la fixité du nom est la
9
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
erkenning of bij de adoptie [is] de onveranderlijkheid de
regel en de verandering de uitzondering” (wetsontwerp
houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en
houdende wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met
het oog op de bevordering van alternatieve vormen van
geschillenoplossing, Memorie van toelichting, Gedr.
St., Kamer, gewone zitting, 2017-2018, nr. 54-2919/001,
blz. 29; RvS, nr. 233.249, 15 december 2015).
Hoewel arrest nr. 65/94 relevant blijft, moet worden
opgemerkt dat het Hof in zijn arresten nr. 50/2017 en
48/2022 probeert om de regelingen voor de toekenning
van de naam van minderjarige kinderen en van meer-
derjarige kinderen op elkaar af te stemmen wanneer de
vervangen tweede afstammingsband komt vast te staan
of wanneer de nieuwe tweede afstammingsband via
gerechtelijke weg tot stand wordt gebracht. Met het oog
op de gelijke behandeling zou die convergentiebeweging
moeten worden voortgezet zodat een naamsverandering
ook mogelijk is wanneer de tweede afstammingsband
van een meerderjarig kind komt vast te staan door
erkenning voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Er zou echter een opmerkelijk verschil zijn tussen
de twee regelingen: wanneer het kind minderjarig is,
wordt de eventuele verklaring van naamskeuze afgelegd
door de titularissen van het ouderlijk gezag; wanneer
het meerderjarig is, zal die door het kind zelf worden
afgelegd, wat reeds het geval is bij de “2-in-1-vordering”
met betrekking tot een meerderjarig kind.
Zoals het Grondwettelijk Hof meermaals heeft be-
vestigd, heeft het kind, hoewel de mogelijkheid van de
ouders om een minderjarig kind een naam te geven niet
als een fundamenteel recht wordt beschouwd, maar een
duidelijk en persoonlijk belang vertegenwoordigt, een
fundamenteel recht om een naam te dragen, een recht dat
voortvloeit uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (zie inzonderheid consideransen
B.7.1. tot B.7.3. van arrest nr. 2/2016 van 14 januari 2016;
consideransen B.7.1. tot B.7.3. van arrest nr. 21/2019 van
7 februari 2019; consideransen B.10.1. tot B.10.3 van
arrest nr. 95/2019 van 6 juni 2019).
De verklaring van naamskeuze door het meerderjarige
kind moet worden beschouwd als een uiting van het
recht om een naam te dragen in hoofde van de titularis.
Aangezien die keuze voortvloeit uit zijn recht om een
naam te dragen en niet wordt uitgeoefend in het kader
van de mogelijkheid om een naam te geven, wordt de
keuze niet beïnvloed door het beginsel van de eenheid
van naam voor broers en zussen (artikel 335bis van het
oud Burgerlijk Wetboek). In feite is dat beginsel alleen van
toepassing op de toekenning van de naam van minder-
jarige kinderen zodat de ouders hun keuzemogelijkheid
règle et le changement l’exception” (projet de loi portant
dispositions diverses en matière de droit civil et portant
modification du Code judiciaire en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges, Exposé
des motifs, Doc. parl., Ch., sess.ord. 2017-2018, n° 54-
2919/001, p. 29; C.E., n° 233.249, 15 décembre 2015).
Même si l’arrêt n° 65/94 reste pertinent, on doit rele-
ver, dans ses arrêts n° 50/2017 et n° 48/2022, que la
Cour cherche à rapprocher les régimes d’attribution
du nom des enfants mineurs et des enfants majeurs
lorsque le deuxième lien de filiation substitué est établi
ou lorsque le nouveau deuxième lien de filiation est créé
par la voie judiciaire. Par souci d’égalité de traitement,
il faudrait poursuivre ce mouvement de convergence
de sorte qu’un changement de nom puisse également
être possible lorsque le deuxième lien de filiation d’un
enfant majeur est établi par une reconnaissance devant
l’officier de l’état civil.
Il y aurait cependant une différence notable entre les
deux régimes: lorsque l’enfant est mineur, l’éventuelle
déclaration de choix de nom est faite par les titulaires
de l’autorité parentale; lorsqu’il est majeur, celle-ci sera
faite par l’enfant lui-même, ce qui est déjà le cas pour
l’action “2 en 1” concernant un enfant majeur.
Comme l’a affirmé la Cour constitutionnelle à maintes
reprises, alors que la faculté des parents de donner un
nom à un enfant mineur n’est pas considérée comme un
droit fondamental mais présente un intérêt clair et per-
sonnel, l’enfant a un droit fondamental de porter un nom,
droit déduit de l’article 8 de la Convention européenne
des droits de l’homme (voir notamment considérants
B.7.1. à B.7.3. de l’arrêt n° 2/2016 du 14 janvier 2016;
considérants B.7.1. à B.7.3. de l’arrêt n° 21/2019 du 7 fé-
vrier 2019; considérants B.10.1. à B.10.3 de l’arrêt 95/2019
du 6 juin 2019).
La déclaration de choix de nom par l’enfant majeur
doit être considérée comme une expression pour son
titulaire du droit de porter un nom.
Puisque ce choix découle de son droit de porter un
nom et ne s’exerce pas dans le cadre de la faculté de
donner un nom, le choix n’est pas influencé par le principe
de l’unicité du nom au sein d’une fratrie (article 335bis
de l’ancien Code civil). De fait, ce principe ne s’applique
qu’à l’attribution du nom d’enfants mineurs de sorte que
les parents ne puissent exercer leur faculté de choix
qu’une seule fois, au moment de la détermination du
3552/001
DOC 55
10
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
slechts eenmaal kunnen uitoefenen, op het ogenblik van
de vaststelling voor hun eerste gemeenschappelijke
kind. A contrario, gelet op het voorgaande is de door het
meerderjarige kind geuite naamskeuze niet verbindend
voor zijn broers en zussen.
De uiting van de naamskeuze door het meerderjarige
kind bij verklaring is echter beperkt. Het kan immers
slechts de naam dragen van een van de ouders ten
aanzien van wie een afstammingsband is vastgesteld,
aangezien de toekenning van de naam een gevolg is
van de afstamming.
III. — DE STABILITEIT VAN DE NAAM VAN HET
KIND VS. HET “VETORECHT” VAN EEN VAN DE
OUDERS
Het Grondwettelijk Hof bevestigt in een constante
rechtspraak dat het huidig standaardstelsel van toeken-
ning van de naam in geval van opeenvolgende vaststel-
ling van afstammingsbanden niet discriminerend is ten
aanzien van hoofdzakelijk het maatschappelijk nut van
de vastheid/stabiliteit van de naam, van het belang dat
de wijziging van de naam van het kind draagt en van de
noodzaak om de naam gezamenlijk toe te kennen door
beide ouders in het belang van het kind (zie met name
GWH, nr. 131/2020, 1 oktober 2020, overweging B.11.4.).
Bepaalde rechtsleer deelt dit standpunt niet en is van
mening dat er wel degelijk een echt “vetorecht” van één
van de ouders bestaat in geval van postnatale erken-
ning, want één van de ouders is zonder verhaal indien
de andere ouder weigert mee te werken (zie met name
Y.-H LELEU, Droit des personnes et des familles, 4e
édition, Bruxelles, Larcier, 2020, p. 86, n° 72).
Zonder de lering van het Grondwettelijk Hof in twijfel te
trekken, wil de huidige hervorming tegemoet komen aan
deze kritiek door ook in deze situaties beide ouders het
recht te geven om een naam te kiezen overeenkomstig
de regels vastgelegd in artikel 335, § 1.
IV. — EEN TOENADERING TUSSEN HET STELSEL
VAN TOEKENNING VAN DE NAAM IN GEVAL
VAN OPEENVOLGENDE VASTSTELLING VAN
AFSTAMMINGSBANDEN EN DAT VAN ADOPTIE
Het zou interessant zijn om een toenadering te be-
werkstellingen tussen de naamskeuze gedaan in geval
van adoptie en van opeenvolgende vaststelling van
afstammingsbanden.
nom de leur premier enfant commun. À contrario, vu
ce qui précède, le choix de nom exprimé par l’enfant
majeur ne s’impose pas aux autres enfants de sa fratrie.
L’expression du choix de nom de l’enfant majeur
par déclaration est toutefois limitée. En effet, il ne peut
porter le nom que d’un des parents à l’égard duquel un
lien de filiation est établi, l’attribution du nom étant un
effet de la filiation.
III. — LA STABILITÉ DU NOM DE L’ENFANT VS LE
“DROIT DE VÉTO” D’UN DES PARENTS
La Cour constitutionnelle affirme dans une jurispru-
dence constante que le régime actuel d’attribution du
nom par défaut en cas d’établissement successif des
filiations n’est pas discriminatoire au regard principale-
ment de l’utilité sociale de la fixité/stabilité du nom, de
l’importance que revêt la modification du nom de l’enfant
et à la nécessité d’attribuer le nom conjointement par les
deux parents, dans l’intérêt de l’enfant (voir notamment C.
const., n° 131/2020, 1er octobre 2020, considérant B.11.4).
Une certaine doctrine ne partage pas ce point de vue
estimant qu’il existe bien un véritable “droit de véto” d’un
des parents en cas de reconnaissance postnatale car
l’un des parents est sans recours si l’autre parent refuse
de collaborer (voy. notamment Y.-H LELEU, Droit des
personnes et des familles, 4e édition, Bruxelles, Larcier,
2020, p. 86, n° 72).
Sans remettre en cause les enseignements de la Cour
constitutionnelle, la présente réforme entend remédier
à cette critique en donnant aux deux parents le droit
de choisir un nom conformément les règles énoncées
à l’article 335, § 1er.
IV. — UN RAPPROCHEMENT ENTRE LE
RÉGIME D’ATTRIBUTION DU NOM EN CAS DE
D’ÉTABLISSEMENT SUCCESSIF DES FILIATIONS
ET CELUI DE L’ADOPTION
Il serait intéressant de faire un rapprochement entre
le choix de nom effectué en cas d’adoption et d’établis-
sement successif des filiations.
11
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Kandidaat-adoptanten moeten reeds in hun inleidend
verzoekschrift de voor de geadopteerde gekozen naam
vermelden (art. 1231-3, tweede lid, Ger.W.). Eerder dan
twijfel te laten bestaan gedurende de periode van een jaar
om een verklaring van naamskeuze te doen in geval van
opeenvolgende vaststelling van afstammingsbanden,
hetgeen nadelig kan zijn voor het kind, zou deze keuze
kenbaar moeten worden gemaakt bij het begin van de
te zetten stappen om een erkenning voor de ambtenaar
van de burgerlijke stand te doen. Bijgevolg zou de keuze
zorgvuldig uitgedacht moeten zijn voor de indiening van
de aangifte van erkenning en niet meer erna.
Om hiervoor te zorgen zal de eventuele verklaring
van naamskeuze deel uitmaken van de documenten die
gevoegd moeten worden bij de aangifte van erkenning.
Daarom zal deze keuze enkel nog vermeld worden in
de akte van erkenning en niet meer in een akte van
verklaring van naamskeuze (wanneer de naamskeuze
kenbaar werd gemaakt binnen het jaar dat volgt op
de erkenning of binnen het jaar na het in kracht van
gewijsde treden van de rechterlijke beslissing die de
afstammingsband vaststelt).
Er is ook sprake van het geven van een bepalend
gewicht aan de toestemming van het kind van meer dan
twaalf jaar. Dit is reeds het geval voor gewone adopties
(art. 353-5 van het oud Burgerlijk Wetboek). Dit gewicht
is hier in die mate belangrijk dat het verzet van het kind
de verklaring van naamsverandering van de ouders kan
blokkeren. Het is tenslotte het kind dat recht heeft op een
naam en de ouders hebben geen recht om hun naam
door te geven. Als het minderjarig kind zich verzet tegen
de door de ouders uitgedrukte wens op het ogenblik
van de erkenning of van een procedure die een tweede
afstammingsband vaststelt of vervangt, zal diens naam
onveranderd blijven. Dit zou van de wetgever een nieuw
bewijs zijn van een noodzakelijke toenadering van de
procedures van naamskeuze, ongeacht of betrokkenen
minderjarig of meerderjarig zijn. Aangezien die keuze
voortvloeit uit zijn recht om een naam te dragen en niet
wordt uitgeoefend in het kader van de mogelijkheid om
een naam te geven, wordt de keuze niet beïnvloed door
het beginsel van de eenheid van naam voor broers en
zussen (artikel 335bis van het oud Burgerlijk Wetboek).
V. — DEZELFDE OVERHEID SPREEKT ZICH UIT
OVER DE AFSTAMMING EN DE NAAM
Of het nu voortvloeit uit de huidige artikelen 335, § 3,
vierde lid, of § 4, tweede lid, en 335ter, § 2, vierde lid,
of § 3, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek of
een gevolg is van de integratie van de leringen van ar-
rest nr. 50/2017 in het oud Burgerlijk Wetboek, wanneer
Les candidats adoptants doivent déjà mentionner dans
leur requête introductive d’instance le nom choisi pour
l’adopté (article 1231-3, alinéa 2, du Code judiciaire).
Plutôt que de laisser planer un doute pendant la période
d’un an pour effectuer une déclaration de choix de nom
en cas d’établissement successif des filiations, ce qui
pourrait être préjudiciable à l’enfant, ce choix devrait
être formulé au début des démarches pour faire établir
une reconnaissance devant l’officier de l’état civil. Par
conséquent, ce choix devrait être mûri avant l’introduc-
tion même de la déclaration de reconnaissance et plus
a posteriori.
Pour s’en assurer, l’éventuelle déclaration de choix
de nom fera partie des documents à joindre à la décla-
ration de reconnaissance. C’est pourquoi, ce choix ne
sera plus acté que dans l’acte de reconnaissance, plus
dans un acte de déclaration de choix de nom (lorsque
le choix de nom était formulé dans l’année qui suit la
reconnaissance ou dans l’année où la décision judiciaire
établissant un lien de filiation était coulée en force de
chose jugée).
Il est aussi question de donner au consentement de
l’enfant de plus de douze ans un poids déterminant dans
le choix de nom, ce qui est déjà le cas pour les adoptions
simples (article 353-5 de l’ancien Code civil). Ce poids
est ici à ce point important qu’une opposition de l’enfant
pourrait faire barrage à la déclaration des parents de
changement de nom. En définitive, c’est l’enfant qui dis-
pose d’un droit au nom et les parents n’ont pas un droit
de transmettre le leur. Si l’enfant mineur s’oppose au
choix des parents exprimé au moment de la reconnais-
sance ou d’une procédure établissant ou remplaçant son
deuxième lien de filiation, son nom restera inchangé. Ce
serait une nouvelle preuve du législateur d’un nécessaire
rapprochement des procédures de choix de nom, peu
importe que les personnes concernées soient mineures
ou majeures. Puisque ce choix découle de son droit de
porter un nom et ne s’exerce pas dans le cadre de la
faculté de donner un nom, le choix n’est pas influencé
par le principe de l’unicité du nom au sein d’une fratrie
(article 335bis de l’ancien Code civil).
V. — LA MÊME AUTORITÉ QUI SE PRONONCE
SUR LA FILIATION ET LE NOM
Que cela découle des articles 335, § 3, alinéa 4, ou
§ 4, alinéa 2, et 335ter, § 2, alinéa 4, ou § 3, alinéa 2,
actuels de l’ancien Code civil, ou soit une conséquence
de l’intégration des enseignements de l’arrêt n° 50/2017
dans l’ancien Code civil, lorsque le deuxième lien de
3552/001
DOC 55
12
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de tweede afstammingsband via gerechtelijke weg wordt
vervangen door een andere, is het aan de rechter om
zich uit te spreken over de naamkwestie en akte te
nemen van de naam die wordt gekozen.
Met de integratie van de leringen van arrest nr. 48/2022
zou die tendens nog sterker moeten worden wanneer
een tweede afstammingsband voor de eerste maal via
gerechtelijke weg komt vast te staan ten aanzien van
een meerderjarig kind.
Ondanks die twee opeenvolgende arresten is die
oplossing echter nog niet algemeen verbreid. Er zijn nog
steeds gevallen waarin de keuze van de nieuwe naam
voor een andere overheid zal moeten plaatsvinden.
Daarbij wordt in het bijzonder gedacht aan het geval
van het minderjarig kind van wie de tweede afstam-
mingsband voor de eerste maal voor de familierechtbank
wordt bekrachtigd: de naamskeuze wordt gedaan bij
verklaring voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Daarnaast zijn er situaties waarin sommigen van me-
ning zijn dat omdat de rechter zich niet uitspreekt over
de kwestie, de naam die vermeld staat in de akte van
geboorte van de kinderen en de daarmee verbonden
akten niet kan worden gewijzigd in de DABS terwijl de
door de rechter vastgestelde afstammingsband daarin
wel kan worden gewijzigd. Dat zou het geval kunnen zijn
indien de ouders of het meerderjarige kind geen verzoek
tot naamskeuze indienen op hetzelfde ogenblik als hun
verzoek tot “vervanging” van een van de twee afstam-
mingsbanden door een andere voor de familierechtbank.
Of wanneer de afstammingsband van de ouder die zijn
naam aan het kind heeft gegeven, wordt verbroken door
een vordering tot betwisting van die band, waardoor al-
leen de afstammingsband van de andere behouden blijft.
In een poging de situatie recht te trekken, probeert of
proberen de ouder(s) van het minderjarig kind of probeert
het meerderjarig kind akte te laten nemen van hun of
zijn keuze of de afwezigheid van een keuze door een
verklaring van naamskeuze voor de ambtenaar van de
burgerlijke stand, ook al is daarin niet wettelijk voorzien,
of stellen zij, bij gebreke daarvan, een administratieve
procedure tot naamsverandering in waarvan het resul-
taat onzeker blijft.
Alle onduidelijkheid over de bepaling van dit element
van de staat van personen, een aangelegenheid van
openbare orde, moet worden weggenomen.
Om een betere leesbaarheid van het systeem te
waarborgen, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand
voortaan als enige akte kunnen nemen van een verklaring
van naamskeuze ter gelegenheid van een erkenning
van een afstammingsband en zal de rechter dat als
filiation est substitué par un autre par la voie judiciaire,
c’est au juge de se prononcer sur la question du nom
et d’acter celui qui est choisi.
Cette tendance devrait encore s’accroître avec l’inté-
gration des enseignements de l’arrêt n° 48/2022 lorsqu’un
deuxième lien de filiation est établi pour la première fois
par la voie judiciaire vis-à-vis d’un enfant majeur.
Pourtant, malgré ces deux arrêts successifs, cette
solution n’est pas encore généralisée. Il existe toujours
des cas où le choix du nouveau nom devra avoir lieu
devant une autre autorité. On pense tout particulière-
ment au cas de l’enfant mineur dont le deuxième lien
de filiation est consacré pour la première fois devant le
tribunal de la famille: le choix de nom sera effectué par
déclaration devant l’officier de l’état civil.
À côté de cela, il y a des situations où d’aucuns esti-
ment que parce que le juge ne se prononce pas sur la
question, le nom mentionné dans l’acte de naissance des
enfants et les actes associés, ne peut pas être modifié
dans la BAEC alors que le lien de filiation établi par ce
juge peut l’être. Tel pourrait être le cas si les parents ou
l’enfant majeur ne forment pas de demande de choix de
nom, en même temps que leur demande en “substitution”
d’un des deux liens de filiation par un autre devant le
tribunal de la famille. Ou encore l’hypothèse où le lien
de filiation du parent qui a donné son nom à l’enfant
est rompu par une action en contestation de ce lien,
ne laissant subsister que le lien de filiation de l’autre.
Pour essayer de corriger le tir, le ou les parent(s) de
l’enfant mineur ou l’enfant majeur tentent de faire acter
leur choix ou l’absence de choix par une déclaration de
choix de nom devant l’officier de l’état civil, même si ce
n’est pas prévu légalement, ou à défaut, entament une
procédure administrative de changement de nom dont
le résultat reste incertain.
Il convient de lever toute ambiguïté sur la détermi-
nation de cet élément de l’état des personnes, matière
d’ordre public.
Pour assurer une meilleure lisibilité du système, l’offi-
cier de l’état civil sera désormais le seul à pouvoir acter
une déclaration de choix de nom faite à l’occasion d’une
reconnaissance d’un lien de filiation et le juge sera le
seul à pouvoir le faire lorsqu’il établit un lien de filiation,
13
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
enige kunnen doen wanneer hij een afstammingsband
vaststelt, die door een andere vervangt of wanneer een
afstammingsband met succes voor hem wordt betwist.
In zijn vonnis met betrekking tot de afstamming moet
de rechter uitdrukkelijk en stelselmatig akte nemen van
de eventuele nieuwe naam van het kind of het behoud
van zijn huidige naam, zulks met het oog op de veiligheid
en een betere integratie van dat gegeven in de DABS
en omdat de toekenning van de naam een gevolg is van
de afstamming en van openbare orde is.
VI. — “AUTOMATISERING” VAN DE
NAAMSVERANDERING VAN DE KINDEREN
WANNEER DE NAAM VAN EEN VAN HUN
OUDERS WORDT GEWIJZIGD NAAR
AANLEIDING VAN EEN VERANDERING VAN
AFSTAMMING
Wanneer thans de afstamming van een meerderjarige
of minderjarige ouder wordt gewijzigd naar aanleiding
van een rechtsvordering en hij daarbij een nieuwe naam
krijgt, weigeren bepaalde ambtenaren van de burgerlijke
stand om tegelijkertijd de naam van zijn kinderen te
wijzigen doordat in artikel 370/1, tweede lid, van het oud
Burgerlijk Wetboek is gesteld dat namen en voornamen
slechts gewijzigd of verbeterd kunnen worden op de wijze
en in de gevallen bepaald door de wet. Dit geval wordt
echter niet uitdrukkelijk geregeld door de wet.
De rechtsleer ging weliswaar uit van de declaratoire
werking van de vorderingen van staat inzake afstam-
ming om de gevolgen van het vonnis met terugwerkende
kracht te doen gelden (P. SENAEVE en C. DE CLERCK,
Compendium van het personen- en familierecht, zes-
tiende herwerkte uitgave, Leuven, Acco, 2017, blz. 35-
36, nr. 63; A.-C. VAN GYSEL (dir.), Traité de droit civil
belge, dl. I, vol. 1, col. De Page, blz. 212-213, nr. 213),
daaronder begrepen de gevolgen die voortvloeiden uit
de afstamming (toekenning van de naam).
Dat neemt echter niet weg dat artikel 370/1 van het
oud Burgerlijk Wetboek het beginsel van een restrictieve
juridische omkadering van de gevallen die aanleiding
geven tot naamsveranderingen bevestigt: de vastheid
van naam impliceert niet dat een naam onveranderlijk
is, maar dat, indien hij wordt gewijzigd, dat zo is omdat
de wet daarin voorziet (wetsontwerp houdende diverse
bepalingen inzake burgerlijk recht en houdende wijziging
van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de bevor-
dering van alternatieve vormen van geschillenoplossing,
Memorie van toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zit-
ting, 2017-2018, nr. 54-2919/001, blz. 150).
le remplace par un autre ou qu’un lien de filiation est
contesté avec succès devant lui.
Dans son jugement relatif à la filiation, le juge devra
expressément et systématiquement acter l’éventuel nou-
veau nom de l’enfant ou le maintien de son nom actuel,
dans un souci de sécurité et de meilleure intégration de
cette donnée dans la BAEC, et parce que l’attribution
du nom est un effet de la filiation et est d’ordre public.
VI. — “L’AUTOMATISATION” DU CHANGEMENT
DE NOM DES ENFANTS LORSQUE LE NOM D’UN
DE LEURS PARENTS EST MODIFIÉ À LA SUITE
D’UN CHANGEMENT DE FILIATION
À l’heure actuelle, lorsqu’un parent majeur ou mineur
change de filiation à la suite d’une action judiciaire et
reçoit un nouveau nom à cette occasion, certains officiers
de l’état civil refusent de modifier en même temps le
nom de ses enfants du fait que l’article 370/1, alinéa 2,
de l’ancien Code civil stipule qu’un changement de
nom ne peut avoir lieu que de la manière et dans les
cas visés par la loi. Or, cette hypothèse n’est pas réglée
explicitement par la loi.
Certes, la doctrine se basait sur l’effet déclaratif des
actions d’état en matière de filiation pour faire remonter
les effets du jugement rétroactivement (P. SENAEVE en
C. DE CLERCK, Compendium van het personen- en
familierecht, zestiende herwerkte uitgave, Leuven, Acco,
2017, pp. 35-36, n° 63; A.-C. VAN GYSEL (dir.), Traité de
droit civil belge, t. I, vol. 1er, col. De Page, pp. 212-213,
n° 213), en ce compris les effets qui découlaient de la
filiation (attribution du nom).
Il n’en demeure pas moins que l’article 370/1 de
l’ancien Code civil vient confirmer le principe d’un enca-
drement juridique restrictif des hypothèses donnant lieu
aux changements de nom: la fixité du nom n’implique pas
qu’un nom puisse être immuable mais, s’il est changé,
c’est parce que la loi le prévoit (projet de loi portant
dispositions diverses en matière de droit civil et portant
modification du Code judiciaire en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges, Exposé
des motifs, Doc.parl., Ch., sess.ord. 2017-2018, n° 54-
2919/001, p. 150).
3552/001
DOC 55
14
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Die regel inzake de automatische wijziging van de
naam van de kinderen is een gevolg van een naamsver-
andering van de ouders naar aanleiding van een wijziging
van een afstammingsband van laatstgenoemden, niet
naar aanleiding van een administratieve procedure tot
naamsverandering, een geval dat reeds geregeld is in
artikel 370/4, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. Het
heeft weinig belang of die verandering van afstamming
voortvloeit uit een rechterlijke beslissing of uit een vrij-
willig initiatief ten aanzien van de ambtenaar van de
burgerlijke stand.
Ook al zal de naamsverandering van minderjarige kin-
deren in de toekomst van rechtswege worden opgelegd,
zou hetzelfde niet moeten gelden voor kinderen die de
leeftijd van 12 jaar bereikt hebben of voor meerderjarige
kinderen. Op grond van artikel 335, § 4, eerste lid, kan er
zonder hun instemming namelijk geen verandering aan
hun naam worden aangebracht. De naamsverandering van
die kinderen kan enkel in de DABS worden geïntegreerd
indien het bewijs van die instemming wordt geleverd. Om
het effectieve karakter ervan te waarborgen, moeten de
kinderen die de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben en
meerderjarige kinderen een akte van naamsverandering
laten opmaken. Daar het om een persoonlijke beslissing
gaat, is de door de ambtenaar van de burgerlijke stand
vastgestelde naamsverandering niet verbindend voor
de broers en zussen (zie punt II).
Vervangende toestemming bij omzetting van
een interlandelijke adoptie die de afstamming niet
verbreekt in een volle adoptie
Dit wetsontwerp voorziet in een mechanisme van
vervangende toestemming bij omzetting van een inter-
landelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt, in
een volle adoptie.
Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 55/2022
van 21 april 2022 geoordeeld dat door niet te voorzien
in een mechanisme van vervangende toestemming bij
een omzetting in een volle adoptie in de situatie dat het
oorspronkelijk land van herkomst de adoptie wel kent,
maar de omzetting niet, huidig artikel 359-2 van het oud
Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 3 en 21 van het IVRK, schendt.
Binnen de huidige context van de wet is een aanwijzing
van een voogd ad-hoc immers niet mogelijk wanneer
de omzetting in een volle adoptie van een in België
erkende interlandelijke adoptie die de bestaande band
van afstamming niet verbreekt. In dat geval bepaalt
huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek dat
een dergelijke adoptie in België in een volle adoptie kan
worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in
Cette règle de modification automatique du nom des
enfants est une conséquence d’un changement de nom
des parents à la suite d’une modification d’un lien de
filiation de ces derniers, non à la suite d’une procédure
administrative de changement de nom, hypothèse déjà
réglée par l’article 370/4, § 1er, de l’ancien Code civil.
Il importe peu que ce changement de filiation découle
d’une décision judiciaire ou d’une démarche volontariste
effectuée devant l’officier de l’état civil.
Si le changement du nom des enfants mineurs s’impo-
sera dans le futur de plein droit, il ne devrait pas en être
de même si ceux-ci ont atteint l’âge de 12 ans ou sont
déjà majeurs. En effet, selon l’article 335, § 4, alinéa 1er,
aucune modification ne peut être apportée à leur nom
sans leur accord. L’intégration du changement de nom
de ces enfants dans la BAEC ne peut avoir lieu que si la
preuve de ce consentement est apportée. Pour s’assurer
de son effectivité, les enfants mineurs ayant atteint l’âge
de 12 ans et les enfants majeurs devront faire établir un
acte de changement de nom. S’agissant d’une décision
personnelle, le changement de nom constaté par l’officier
de l’état civil ne s’imposera pas aux autres membres de
la fratrie (voir point II).
Consentement de remplacement pour une
conversion en une adoption plénière d’une adoption
internationale qui ne rompt pas le lien de filiation
Ce projet de loi prévoit un mécanisme de consen-
tement de remplacement pour une conversion en une
adoption plénière d’une adoption internationale qui ne
rompt pas le lien de filiation.
Dans son arrêt n° 55/2022 du 21 avril 2022, la Cour
constitutionnelle a jugé qu’en ne prévoyant pas de
mécanisme de consentement de remplacement pour
une conversion en une adoption plénière dans le cas
où le pays initial d’origine connaît l’adoption, mais pas la
conversion, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil
viole les articles 10, 11 et 22bis de la Constitution, lus en
combinaison ou non avec les articles 3 et 21 de la CIDE.
Dans le contexte actuel de la loi, la désignation d’un
tuteur ad-hoc n’est en effet pas possible lorsque la
conversion en une adoption plénière d’une adoption
internationale reconnue en Belgique ne rompt pas le lien
préexistant de filiation. Dans ce cas, l’actuel article 359-2
de l’ancien Code civil prévoit qu’une telle adoption peut
être convertie en Belgique en une adoption plénière si
les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de
15
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
artikel 361-4, 1°, b) en c) oud Burgerlijk Wetboek zijn ge-
geven, of worden gegeven, met het oog op een adoptie
met dergelijke gevolgen.
De toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en
c) oud Burgerlijk Wetboek zijn die “van het kind in de
adoptie, wanneer zij vereist is” en die “van de andere
personen, instellingen en autoriteiten van wie de toe-
stemming tot de adoptie is vereist”.
De wet voorziet momenteel niet in een vervangende
toestemming wanneer de vereiste toestemmingen onmo-
gelijk gegeven kunnen worden omdat de oorspronkelijke
ouders onbekend zijn en er geen wettelijke vertegen-
woordiger is.
Om die reden wordt in artikel 359-2 van het oud
Burgerlijk Wetboek een bijkomend lid ingevoegd dat
voorziet in een mechanisme van vervangende toestem-
ming zoals ook voorzien is in artikel 361-5 van het oud
Burgerlijk Wetboek.
Het dispositief van het arrest nr. 55/2022 van het
Grondwettelijk Hof stuurt er op aan te voorzien in een
mechanisme van vervangende toestemming wanneer
vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn
en dat er geen wettelijke vertegenwoordiger is.
Bijgevolg moet, zoals aangegeven in het advies van de
Raad van State, de ingevoerde vervangende toestemming
enkel betrekking hebben op de toestemmingen voorzien
in artikel 361-4, 1°, c) en niet op de toestemming van het
kind voorzien in punt b) van dat artikel.
Wijziging van de opdrachten van de bewindvoerder
na het overlijden van de beschermde persoon
Dit beoogt de verduidelijking van de in artikel 499/19,
§ 2, van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde bevoegd-
heden van de bewindvoerder van de beschermde per-
soon die worden verlengd na het overlijden van de
beschermde persoon aan de hand van een beschikking
van de vrederechter, omdat de erfgenamen er lang over
doen zich kenbaar te maken. Die bevoegdheden werden
voor het laatst herzien door de wet van 21 december
2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie.
l’ancien Code civil ont été donnés ou sont donnés en
vue d’une adoption produisant cet effet.
Les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c),
de l’ancien Code civil sont celui “de l’enfant à l’adop-
tion, lorsqu’il est requis” et celui “des autres personnes,
institutions et autorités dont le consentement est requis
pour l’adoption”.
Actuellement, la loi ne prévoit pas de consentement
de remplacement lorsque les consentements requis ne
peuvent pas être donnés parce que les parents d’origine
sont inconnus et qu’il n’y a pas de représentant légal.
C’est pour cette raison qu’il est ajouté à l’article 359-2
de l’ancien Code civil un alinéa prévoyant un mécanisme
de consentement de remplacement comme celui prévu
à l’article 361-5 de l’ancien Code civil.
Le dispositif de l’arrêt n° 55/2022 de la Cour consti-
tutionnelle prévoit la mise en place d’un mécanisme de
consentement de remplacement lorsqu’il est établi que
les parents d’origine sont inconnus et qu’il n’y a pas de
représentant légal.
Par conséquent, comme l’indique l’avis du Conseil
d’État, le consentement de remplacement introduit ne doit
porter que sur les consentements prévus à l’article 361-
4, 1°, c) et non sur le consentement de l’enfant prévu
au b) de cet article.
Modification des missions de l’administrateur
après le décès de la personne protégée
L’objectif est de clarifier les compétences de l’adminis-
trateur de la personne protégée prolongées après le décès
de la personne protégée par une ordonnance du juge
de paix, visées à l’article 499/19, § 2, de l’ancien Code
civil parce que les héritiers tardent à se faire connaître.
Ces compétences ont été revues pour la dernière fois
par la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions
diverses en matière de justice.
3552/001
DOC 55
16
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Uitbreiding van de positieve werking van het gezag
van gewijsde
Artikel 23 wordt gewijzigd teneinde het principe van
“uitbreiding van de positieve werking van het gezag van
gewijsde” te codificeren ten bate van de derde bij een
gerechtelijke beslissing tegen een partij bij die beslissing.
De kamers voor minnelijke schikking
Het ontwerp wil het gebruik van minnelijke oplos-
singen van conflicten aanmoedigen door kamers voor
minnelijke schikking op te richten in de meeste hoven
en rechtbanken die burgerlijke zaken, ondernemingss-
zaken en sociale zaken behandelen. Dit ontwerp ligt in
het verlengde van de wet van 30 juli 2013 betreffende
de invoering van een familie- en jeugdrechtbank en
de wet van 18 juni 2018 houdende diverse bepalingen
inzake burgerlijk recht en bepalingen met het oog op
de bevordering van alternatieve vormen van geschil-
lenoplossing. De wet van 30 juli 2013 heeft dergelijke
kamers voor minnelijke schikking opgericht binnen de
familierechtbank. De wet van 18 juni 2018 heeft de ver-
zoeningsopdracht van de rechter duidelijk bekrachtigd.
In dezelfde logica lijkt het aldus nuttig om de hoven en
rechtbanken in staat te stellen om dergelijke kamers op
te richten, naar het voorbeeld van de kamers die thans
bestaan binnen de familierechtbank. Het voordeel van
minnelijke oplossingen van conflicten hoeft niet meer
te worden aangetoond. Sinds enkele jaren benadruk-
ken zowel de rechtsleer (A. Dejollier, “La chambre de
règlement amiable du tribunal de l’entreprise francop-
hone de Bruxelles: une initiative prétorienne pleine
de promesses”, J.T., 2021, nr. 6870, blz. 649 e.v.; D.
Chevalier, “La conciliation préalable de droit commun:
un “Marc” à part entière?”, J.T., 2019, nr. 6765, blz. 222
e.v.) als de wetgever of het merendeel van de juridische
professionals de meerwaarde voor de partijen van een
onderhandelde, en zelfgekozen, in plaats van opgelegde
oplossing en tevens de voordelen dat dit kan opleveren
op het vlak van tijdwinst en besparing van procedure-
kosten. Tot 2018 werden verschillende individuele en
punctuele initiatieven op het gebied van verzoening en
bevordering van bemiddeling ontwikkeld in verschillende
ressorten van het land. Sinds de inwerkingtreding van de
wet van 18 juni 2018 zijn er meer structurele initiatieven
opgezet in verschillende hoven en rechtbanken van het
land in burgerlijke, ondernemings- en sociale zaken.
Verschillende rechtbanken, waaronder de Franstalige
ondernemingsrechtbank te Brussel (op initiatief van
Sylvie Frankignoul), de Franstalige Arbeidsrechtbank van
Brussel (diverse initiatieven die sinds 2005 op initiatief
CHAPITRE 3
Modifications du Code judiciaire
Extension de l’effet positif de la chose jugée
L’article 23 est modifié afin de codifier le principe
d’“extension de l’effet positif de la chose jugée” au profit
du tiers à une décision de justice contre une partie à
cette décision.
Les Chambres de règlement à l’amiable
Le projet vise à encourager le recours aux modes
amiables de résolution des conflits en créant des
chambres de règlement à l’amiable dans la plupart
des cours et tribunaux traitant des matières civiles,
commerciales et sociales. Ce projet s’inscrit dans le
prolongement de la loi du 30 juillet 2013 portant création
d’un tribunal de la famille et de la jeunesse et de la loi
du 18 juin 2018 portant dispositions diverses en matière
de droit civil et des dispositions en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges. La loi
du 30 juillet 2013 a créé de telles chambres de conciliation
au sein du tribunal de la famille. La loi du 18 juin 2018
a consacré de manière claire la mission conciliatrice
du juge. Ainsi, dans la même logique, il paraît utile de
permettre aux cours et tribunaux de créer de telles
chambres, à l’instar de celles existant actuellement au
sein du tribunal de la famille. Le bénéfice des modes
amiables de résolution des conflits n’est plus à démontrer.
Depuis quelques années maintenant, tant la doctrine (A.
Dejollier, “La chambre de règlement amiable du tribunal
de l’entreprise francophone de Bruxelles: une initiative
prétorienne pleine de promesses”, J.T., 2021, n° 6870,
p. 649 et s.; D. Chevalier, “La conciliation préalable de
droit commun: un “Marc” à part entière?”, J.T., 2019,
n° 6765, p. 222 et s.) que le législateur ou une majorité
de professionnels du droit ont souligné la plus-value
pour les parties d’une solution négociée et choisie plutôt
qu’imposée et également les avantages que cela peut
représenter en terme de gain de temps et d’économie
de frais de procédure. Jusqu’en 2018 diverses initiatives
individuelles et ponctuelles en matière de conciliation
et de promotion de la médiation se sont développées
dans différentes juridictions du pays. Depuis l’entrée
en vigueur de la loi du 18 juin 2018, des initiatives plus
structurelles ont été mises en place dans divers cours et
tribunaux du pays dans les matières civiles, commerciales
et sociales. Ainsi, depuis quelques années, plusieurs
tribunaux, dont le tribunal de l’entreprise francophone
de Bruxelles (à l’initiative de Sylvie Frankignoul), le
Tribunal du travail francophone de Bruxelles (diverses
initiatives amorcées depuis 2005 à l’initiative de ses
présidents successifs, qui se sont concrétisées par
17
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de opeenvolgende voorzitters zijn genomen en die
hebben geleid tot de opening van kamers van minnelijke
schikking in maart 2021), en de kamers voor burgerlijke
zaken en voor ondernemingszaken van het hof van
beroep te Brussel (op initiatief van Anne-Marie Witters
voor Nederlandstalige dossiers en Anne-Sophie Favart
opgevolgd door Caroline Verbruggen voor Franstalige
dossiers), hebben voorts al enkele jaren een kamer
voor minnelijke schikking waartoe rechtzoekenden zich
kunnen wenden om te trachten hun geschil in der minne
op te lossen tijdens een zitting ter minnelijke schikking
onder begeleiding van een beroepsmagistraat. Na
verscheidene jaren ervaring bedraagt het aantal schik-
kingen nagenoeg 80 procent.
Concreet voorziet het ontwerp in de oprichting van
die kamers voor minnelijke schikking door bepalingen
van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de
rechterlijke organisatie te wijzigen en door afdelingen
in te voegen in het hoofdstuk “Minnelijke oplossingen
van geschillen” dat in 2018 is ingevoegd. Er wordt een
specifieke afdeling gewijd aan de aanhangigmaking bij
en de werking van die kamer. Tevens worden enkele
wijzigingen aangebracht aan de minnelijke schikking
teneinde bepaalde procedureaspecten te verduidelijken.
Juridische tweedelijnsbijstand
Gelijke toegang tot justitie is een fundamenteel recht.
Teneinde dit recht te garanderen voor burgers met be-
perkte middelen, kunnen zij beroep doen op de juridische
tweedelijnsbijstand oftewel een advocaat die juridische
tweedelijnsbijstand verleent. Op 1 september 2020
werden de inkomensgrenzen voor juridische tweedelijns-
bijstand opgetrokken met 200 euro. Op dezelfde datum
in 2021, 2022 en 2023 werd/wordt het plafond nogmaals
verhoogd met 100 euro. Op deze manier zullen heel wat
extra burgers toegang hebben tot rechtsbijstand. Het
effect daarvan is reeds zichtbaar. Het gerechtelijk jaar
2020-2021 kende een stijging van 9 procent in het aantal
dossiers van juridische tweedelijnsbijstand in vergelijking
met het jaar voordien.
Om een optimale werking van de juridische twee-
delijnsbijstand te (blijven) garanderen, zullen evenwel
ook andere wettelijke aanpassingen nodig zijn. De
voorgestelde wijzigingen aan het Gerechtelijk Wetboek
focussen daarvoor op twee aspecten: het versterken
van de kwaliteitscontrole op de ingediende dossiers en
de opvolging hiervan door de bureaus voor juridische
bijstand (hierna BJB’s), en de berekening van de kosten
verbonden aan de organisatie van deze BJB’s baseren
op basis van de werkelijke noden.
l’ouverture d’une chambre de règlement amiable en
mars 2021) et les chambres civiles et commerciales de
la Cour d’appel de Bruxelles (à l’initiative d’Anne-Marie
Witters pour les affaires néerlandophones et de Anne-
Sophie Favart succédée par Caroline Verbruggen pour
les affaires francophones) ont institué une chambre de
règlement à l’amiable que les justiciables peuvent saisir
pour tenter de résoudre leur litige à l’amiable lors d’une
audience de conciliation guidée par un magistrat de
carrière. Après plusieurs années d’expérience, le taux
d’accords atteint près de 80 %.
Concrètement, le projet crée ces chambres de rè-
glement à l’amiable en modifiant des dispositions du
Code judiciaire relatives à l’organisation judicaire et
en insérant des sections dans le chapitre intitulé “Les
modes amiables de résolution des litiges” créé en 2018.
Une section spécifique est consacrée à la saisine et au
fonctionnement de cette chambre. Quelques modifica-
tions sont également apportées à la conciliation afin de
clarifier certains éléments de procédure.
Aide juridique de deuxième ligne
L’égalité d’accès à la justice est un droit fondamental.
Afin de garantir ce droit aux citoyens ne disposant que
de moyens limités, ceux-ci peuvent recourir à l’aide juri-
dique de deuxième ligne, ou à un avocat pratiquant l’aide
juridique de deuxième ligne. Le 1er septembre 2020, les
plafonds de revenus pour l’aide juridique de deuxième
ligne ont été relevés de 200 euros. À la même date,
en 2021, 2022 et 2023, le plafond a été/sera encore
augmenté de 100 euros. Ceci ouvre l’accès à l’aide
juridique à de nombreux nouveaux citoyens. L’effet de
cette mesure est déjà visible. L’année judiciaire 2020-
2021 a connu une augmentation de 9 % du nombre de
dossiers d’aide juridique de deuxième ligne par rapport
à l’année précédente.
Pour (continuer à) garantir un fonctionnement opti-
mal de l’aide juridique de deuxième ligne, d’autres
adaptations légales sont cependant également néces-
saires. Les modifications proposées du Code judiciaire
se concentrent sur deux aspects: le renforcement du
contrôle de la qualité des dossiers soumis et leur suivi
par les Bureaux d’aide juridique (ci-après: les “BAJ”),
et le calcul des coûts liés à l’organisation de ces BAJ
sur la base des besoins réels.
3552/001
DOC 55
18
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Controle en audit BJB’s
Op basis van artikelen 508/8 en 508/19 van het
Gerechtelijk Wetboek zien de Ordes van Advocaten toe
op de doeltreffendheid en de kwaliteit van de prestaties
verricht door de advocaten in het kader van de juridische
tweedelijnsbijstand. De toekenning van punten voor de
prestaties van de advocaat veronderstelt een controle
met betrekking tot de werkelijkheid van de uitvoering
van de door hem verklaarde prestaties, de concordantie
tussen die prestaties en de nomenclatuur en de kwaliteit
van de uitgevoerde prestaties.
Op basis van artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk
Wetboek kan de minister van Justitie een controle uit-
voeren van de punten die door de BJB’s zijn toegekend,
volgens de door hem bepaalde modaliteiten. In de praktijk
worden die controles georganiseerd door de balies, de
OVB en de OBFG. Tot twee jaar geleden verliep dit via
kruiscontroles, waarbij een Vlaamse balie een Waalse
balie controleerde, die op haar beurt weer een andere
Vlaamse balie controleerde. Met deze controles wordt
onderzocht of de aanvragen correct werden behandeld
door de BJB’s en of de prestaties opgegeven door de
advocaat correct werden beoordeeld.
De afgelopen twee jaar liep er een proefproject waarbij
de kruiscontroles werden omgevormd tot een audit. De
audit gebeurt op twee niveaus: enerzijds de controle op
de aanstelling en de interne werking van het BJB, ander-
zijds op de afgesloten dossiers (de prestaties). Om deze
controlevorm te realiseren, worden auditeurs opgeleid
om de BJB’s efficiënt door te lichten. Alle afgesloten en
goedgekeurde dossiers worden per voorkeurmaterie
gegroepeerd in rechtstakken, waarbij per rechtstak twee
subauditeurs instaan voor de coördinatie. De audit is
niet taal- of baliegebonden en daarom zowel gerichter
als overkoepelender.
Het auditsysteem heeft enkele uitgesproken voordelen
in vergelijking met de kruiscontroles, zeker in combina-
tie met de nieuwe BJB-module. Die applicatie verlicht
de administratieve last en moet het mogelijk maken
om via allerhande parameters en filters selectiever en
per rechtstak dossiers te controleren en problemen te
detecteren (bijvoorbeeld welke dossiers liggen aan-
zienlijk boven het gemiddelde aantal punten?). Daarbij
kan onder meer worden gekeken of de punten correct
werden toegekend, of de aanstellingen en de correcties
binnen de gestelde termijn gebeuren, of de BJB’s steeds
dezelfde advocaat aanstellen, hoeveel klachten er zijn
en hoe deze worden behandeld, etc.
De audit heeft ook tot doel permanent te zijn. Vermits
de kruiscontrole (en de huidige werking van de audit als
Contrôle et audit des BAJ
Sur la base des articles 508/8 et 508/19 du Code
judiciaire, les Ordres d’avocats contrôlent l’efficacité et
la qualité des services fournis par les avocats dans le
cadre de l’aide juridique de deuxième ligne. L’attribution
de points pour les prestations de l’avocat suppose un
contrôle portant sur la réalité de l’exécution des pres-
tations déclarées par celui-ci, la concordance entre
ces prestations et la nomenclature, et la qualité des
prestations réalisées.
Sur base de l’article 508/19, § 3, du Code judiciaire,
le ministre de la Justice peut procéder à un contrôle
des points attribués par les BAJ, selon les modalités
qu’il détermine. Dans la pratique, ces contrôles sont
organisés par les barreaux, l’OVB et l’OBFG. Jusqu’à
il y a deux ans, ce contrôle se faisait au moyen de
contrôles croisés, où un barreau flamand contrôlait un
barreau wallon, qui à son tour contrôlait un autre bar-
reau flamand. Ces contrôles ont permis de vérifier si les
demandes étaient correctement traitées par les BAJ et
si les prestations déclarées par les avocats avaient été
correctement évaluées.
Au cours des deux dernières années, un projet pilote
a été mis en œuvre, dans lequel les contrôles croisés
ont été transformés en “audit”. L’audit se fait à deux
niveaux: d’une part, le contrôle de la désignation et
du fonctionnement interne du BAJ, et d’autre part, les
dossiers clôturés (les prestations). Pour réaliser cette
forme de contrôle, les auditeurs sont formés pour audi-
ter efficacement les BAJ. Tous les dossiers clôturés et
approuvés sont regroupés par matière privilégiée dans
les différentes branches du droit, avec deux chefs audi-
teurs par branche du droit, chargés de la coordination.
L’audit n’est pas lié à une langue ou à un barreau et est
donc à la fois plus ciblé et plus transversal.
Le système d’audit présente de nets avantages par
rapport aux contrôles croisés, surtout en combinaison
avec le nouveau module BAJ. Cette application allège
la charge administrative et devrait permettre de vérifier
les dossiers et de détecter les problèmes de manière
plus sélective et par branche du droit via toutes sortes
de paramètres et de filtres (par exemple, quels dossiers
sont nettement supérieurs au nombre moyen de points).
Il peut permettre de vérifier si les points ont été correcte-
ment attribués, si les désignations et les corrections ont
été effectuées dans le délai imparti, si les BAJ désignent
toujours le même avocat, combien de plaintes ont été
introduites et comment elles sont traitées, etc.
L’audit vise également à être permanent. Étant donné
que le contrôle croisé (et le fonctionnement actuel de
19
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
testproject) een jaarlijkse controle is, gebeurt dit momen-
teel slechts één keer per jaar. Het is de doelstelling om
kwaliteitsvolle audits te organiseren die meerdere keren
per jaar kunnen plaatsvinden.
Tussenkomst in de kosten verbonden aan de
organisatie van de bureaus voor juridische bijstand
(BJB)
De vergoedingsmethode voor de kosten verbonden aan
de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand
(BJB) blijft gebaseerd op de werkelijke behoeften van de
bureaus en houdt rekening met de vraag tot budgettaire
voorspelbaarheid.
Het bedrag van de toelage is gebaseerd op de werke-
lijke kosten die door de bureaus voor juridische sbijstand
worden gemaakt en door de minister worden goedge-
keurd. Het bedrag mag echter niet meer bedragen dan
7 % van door de advocaten ontvangen vergoeding.
De verlaging van het percentage van 8,108 % naar
7 % laat zich verantwoorden door de twee elementen
die ervoor zorgen dat de basis waarop dat percentage
berekend wordt structureel verhoogd:
— de verhoging van de inkomensgrenzen voor de
toegang tot de tweedelijnsbijstand, die zorgt voor een
verhoging van het aantal dossiers. Voor de vaste kosten
moeten hier schaalvoordelen gerealiseerd kunnen worden;
— de indexering van de puntwaarde die verankerd
wordt. Ook dit zorgt voor een verhoging van de globale
vergoeding aan de advocaten voor de geleverde prestaties
binnen de juridische tweedelijnsbijstand, zonder dat dit
op zich zorgt voor een verhoging van de bureaukosten.
Informatieblad rechtsmiddelen
Recent voerde de wetgever een veralgemeende in-
formatieverplichting in wat betreft de vermeldingen van
de rechtsmiddelen. De nieuwe regeling kwam er naar
aanleiding van twee arresten van het Grondwettelijk
Hof (GWH nr. 23/2022 van 10 februari 2022 en
GWH nr. 92/2022 van 30 juni 2022). Beducht voor kin-
derziektes werd van bij de inwerkingtreding – op 1 januari
2023 – een evaluatie opgestart naar mogelijke lacunes
en moeilijkheden op basis van ervaringen op het ter-
rein. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders
en het College van hoven en rechtbanken achten het
raadzaam om op korte termijn te remediëren aan de situ-
atie waarin artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek
momenteel niet voorziet dat het informatieblad kan worden
l’audit en tant que projet test) est un contrôle annuel, il
n’a lieu actuellement qu’une fois par an. L’objectif est
d’organiser des audits de qualité qui peuvent avoir lieu
plusieurs fois par an.
Intervention dans les frais liés à l’organisation des
bureaux d’aide juridique (BAJ)
Le mode d’indemnisation des frais liés à l’organisation
des bureaux d’aide juridique (BAJ) reste fondé sur les
besoins réels des bureaux et tient compte de l’exigence
de prévisibilité budgétaire.
Le montant de la subvention est fondé sur les frais
réellement exposés par les bureaux d’aide juridique et
approuvés par le ministre. Il ne peut toutefois excéder 7 %
des indemnités reçues par les avocats.
La réduction du pourcentage de 8,108 % à 7 % peut
être justifiée par les deux éléments qui assurent que la
base sur laquelle ce pourcentage est calculé est struc-
turellement augmentée:
— l’augmentation des plafonds de revenus pour l’accès
à l’aide de deuxième ligne, qui entraîne une augmentation
du nombre de dossiers. Il doit être possible de réaliser
ici des économies d’échelle pour les coûts fixes;
— l’indexation de la valeur du point est ancrée. Cela
entraîne également une augmentation de la rémunéra-
tion globale des avocats pour les services rendus dans
le cadre de l’assistance juridique de deuxième ligne,
sans que cela entraîne en soi une augmentation des
frais de bureau.
La fiche informative voies des recours
Récemment, le législateur a introduit une obligation
d’information généralisée concernant les mentions des
voies de recours. Le nouveau règlement fait suite à deux
arrêts de la Cour constitutionnelle (C.C. n° 23/2022
du 10 février 2022 et C.C. n° 92/2022 du 30 juin 2022).
Dans la crainte de maladies d’enfance, une évaluation
a débuté dès l’entrée en vigueur, le 1er janvier 2023, à
propos d’éventuelles lacunes et difficultés sur la base
d’expériences sur le terrain. La Chambre nationale
des huissiers de justice et le Collège des cours et des
tribunaux estiment qu’il est opportun de pallier à court
terme le fait que l’article 780/1 du Code judiciaire ne
prévoit pas actuellement que la fiche informative peut
être jointe à une copie certifiée conforme du jugement,
3552/001
DOC 55
20
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gevoegd bij een eensluidend verklaard afschrift van het
vonnis, maar enkel aan de uitgifte van artikel 790 van
het Gerechtelijk Wetboek. Hieraan wenst het ontwerp
tegemoet te komen.
Wijziging aan de cassatieprocedure
In het arrest van 16 februari 2021 “Vermeersch t.
België” (verzoekschrift nr. 49.652/10) heeft het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens een schending van
artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden
vastgesteld ingevolge een leemte in de bepalingen van
het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatiebe-
roep, die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen
in de zaak die de verzoeker eraan heeft voorgelegd.
Deze leemte betreft de onmogelijkheid voor de eiser
om een nieuw middel in te roepen op basis van een
nieuwe wet die in werking is getreden na het verstrijken
van de voor proceshandelingen geldende termijnen,
maar die met terugwerkende kracht van toepassing
zou zijn op het lopende voorziening. De invoeging van
een artikel 1094/2 in het Gerechtelijk Wetboek heeft tot
doel de door het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens vastgestelde schending te verhelpen.
De inbeslagnemingsdrempels
Dit ontwerp wijzigt artikel 1409 van het Gerechtelijk
Wetboek, enerzijds om de bepaling te actualiseren en
anderzijds om het mogelijk te maken de bedragen die
niet vatbaar zijn voor beslag aan te passen, buiten de
enige jaarlijkse indexering bedoeld in paragraaf 2, eer-
ste lid, van de gewijzigde bepaling.
De ongeziene inflatie die België sinds het begin van
2022 kent, heeft immers duidelijk gemaakt dat er in een
regeling moet worden voorzien die soepeler is en beter
is afgestemd op aanzienlijke stijgingen van de afgevlakte
gezondheidsindex tijdens het jaar.
De wijziging van artikel 1409 Gerechtelijke Wetboek
schaft het mechanisme van de jaarlijkse indexering niet
af, maar voegt twee nieuwe aanpassingswijzen toe.
Zuivering van onroerende goederen
Teneinde verschillende praktische problemen in ver-
band met de zuivering van onroerende goederen op te
lossen, wijzigt dit ontwerp meerdere artikelen van het
Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van econo-
misch recht. De bedoeling is vooral om lacunes weg te
werken en duidelijkheid te scheppen voor alle partijen
in het geding en voor de notaris.
mais uniquement à l’expédition visée à l’article 790 du
Code judiciaire. Le projet souhaite y remédier.
Modification à la procédure de cassation
Par l’arrêt du 16 février 2021 “Vermeersch c/ la
Belgique” (Requête n° 49.652/10), la Cour européenne
des droits de l’homme a constaté une violation de l’ar-
ticle 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits
de l’homme et des libertés fondamentales déduite de
l’existence dans les dispositions du Code judiciaire réglant
le pourvoi en cassation d’une lacune que, dans la cause
déférée par le requérant à la Cour de cassation, celle-ci
n’a pas comblée. Cette lacune vise l’impossibilité pour
le demandeur d’invoquer un moyen nouveau fondé sur
une loi nouvelle, entrée en vigueur après l’expiration
des délais applicables aux actes de procédure, mais qui
serait rétroactivement applicable au pourvoi en cours.
L’insertion d’un article 1094/2 dans le Code judiciaire vise
à réparer la violation constatée par la Cour européenne
des droits de l’Homme.
Les montants insaisissables
Le présent projet modifie l’article 1409 du Code judi-
ciaire, d’une part afin de mettre cette disposition à jour
et d’autre part, afin de permettre une adaptation des
montants insaisissables en dehors de la seule indexa-
tion annuelle visée au paragraphe 2, alinéa 1er de la
disposition modifiée.
L’inflation sans précédent que connait la Belgique
depuis le début de l’année 2022 a, en effet, dévoilé la
nécessité de prévoir un régime à la fois plus souple et
plus adapté aux augmentations importantes de l’indice
santé lissé au cours de l’année.
Sans supprimer le mécanisme de l’indexation annuelle,
la modification de l’article 1409 du Code judiciaire ajoute
deux modes d’adaptation nouveaux.
La purge d’immeubles
Afin de résoudre certains problèmes pratiques liés à
la purge d’immeubles, le présent projet modifie plusieurs
articles du Code judiciaire et du Code de droit écono-
mique. L’objectif est de pallier aux lacunes et d’offrir de
la clarté à toutes les parties à la procédure et au notaire.
21
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Deze wijzigingen werden geschreven in samenwerking
met de Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat.
1. De zuivering
De zuivering is het middel om de inschrijvingen die
op het hypothecair getuigschrift staan automatisch
te doen verdwijnen. De bedoeling is dat de koper het
aangekochte goed verkrijgt zonder lasten. Om tot een
zuiverende verkoop te komen, moet men zich bevinden
in een gerechtelijke verkoop (bijvoorbeeld verkoop op
beslag) of een minnelijke verkoop onder gerechtelijke
vorm (bijvoorbeeld verkoop met een minderjarige).
Daarnaast moeten verschillende schuldeisers die over
een gepubliceerd zakelijk zekerheidsrecht beschikken
op het onroerend goed, betrokken worden bij deze
verkoop. Dit kan op twee manieren:
— oproeping tot de machtigingsprocedure: omdat de
schuldeisers worden opgeroepen voor de rechtbank,
kunnen zij zich laten horen. De rechter kan rekening
houden met hun eventuele bezwaren (bijvoorbeeld een
minimumprijs voorzien);
— oproeping om de verkoopverrichtingen te vol-
gen: bij een openbare verkoop is de ratio legis dat de
schuldeisers zelf een bod kunnen uitbrengen indien
zij menen dat de geboden prijs niet volstaat om hun
schuld te voldoen. Zij worden bijgevolg uitgenodigd om
de verkoopverrichtingen te volgen door hen in kennis te
stellen van de biedingsperiode of de zitdag.
Impact op de schuldeisers:
Net zoals voordien, worden de in- en overgeschreven
schuldeisers ofwel opgeroepen bij de machtigingspro-
cedure ofwel om de verkoopverrichtingen te volgen. Er
wordt thans bepaald dat twee categorieën van schuld-
eisers eveneens moeten worden opgeroepen:
— de schuldeiser die een pauliaanse vordering heeft
ingesteld en deze heeft doen kantmelden;
— de schuldeiser die een registratie in het Pandregister
heeft uitgevoerd, in de mate zijn recht betrekking heeft op
het te verkopen onroerend goed. Bij de vorige wijziging
naar aanleiding van de insolventiewet van 11 augustus
2017 werd immers onvoldoende rekening gehouden
met de nieuwe Pandwet, waarbij het Pandregister werd
opgericht.
Het gaat telkens om schuldeisers die een inschrijving
hebben op het te verkopen onroerend goed, waaraan de
nodige publiciteit is verleend. Het doel van de zuivering
Ces modifications ont été écrites en collaboration
avec la Fédération Royale du Notariat belge.
1. La purge
La purge est le moyen pour faire disparaître automa-
tiquement les inscriptions qui figurent sur le certificat
hypothécaire. L’objectif est que l’acheteur acquiert le
bien acheté sans charges. Pour réaliser une vente
purgeante, il faut se trouver dans le cadre d’une vente
judiciaire (par exemple, une vente sur saisie) ou une
vente amiable sous forme judiciaire (par exemple une
vente avec un mineur). En outre, les différents créanciers
qui disposent d’une sûreté réelle publiée sur le bien
immobilier doivent être associés à cette vente. Cela
peut se faire de deux manières:
— appel à la procédure d’autorisation: parce que les
créanciers sont appelés devant le tribunal, ils peuvent se
faire entendre. Le juge peut tenir compte de leurs éven-
tuels contredits (par exemple prévoir un prix minimum);
— appel à suivre les opérations de vente: dans le cadre
d’une vente publique, la ratio legis est que les créanciers
eux-mêmes puissent faire une enchère s’ils estiment
que le prix offert n’est pas suffisant pour satisfaire leur
dette. Ils sont donc invités à suivre les opérations de
vente en les informant de la période d’enchères ou du
jour de séance.
Impact sur les créanciers:
Comme auparavant, les créanciers inscrits et trans-
crits sont appelés soit à la procédure d’autorisation soit
à suivre les opérations de vente. Il est désormais prévu
que deux catégories de créanciers doivent également
être appelées:
— le créancier qui a introduit une action paulienne et
l’a mentionnée en marge;
— le créancier qui a effectué un enregistrement dans
le Registre des gages, dans la mesure où son droit
concerne le bien immobilier à vendre. Par la précédente
modification suite à la loi sur l’insolvabilité du 11 août 2017,
elle ne tenait en effet pas suffisamment compte de la
nouvelle loi sur le gage, par laquelle le Registre des
gages a été instauré.
Cela concerne à chaque fois des créanciers qui dis-
posent d’une inscription sur le bien immobilier à vendre,
qui a fait l’objet d’une publicité adéquate. L’objectif de
3552/001
DOC 55
22
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
is immers deze publiciteit te doen verdwijnen zodat de
koper een goed aankoopt waaraan geen lasten ver-
bonden zijn.
Indien de oproeping van de schuldeisers reeds heeft
plaatsgevonden en er nadien een nieuwe schuldeiser
overgaat tot een inschrijving of overschrijving, wordt er
thans voorzien dat de verkoop eveneens zuiverend is
ten aanzien van deze schuldeiser. Dit houdt in dat zijn
in- of overschrijving kan worden doorgehaald met het
notarieel getuigschrift op grond van artikel 1653 van
het Gerechtelijk Wetboek. Zijn schuldvordering wordt
echter in ieder geval opgenomen in de rangregeling,
zodat hieraan geen nadeel is verbonden voor deze
schuldeiser. Hij kan immers ook aanspraak maken op
de verkoopopbrengst, maar kan de verkoop niet blok-
keren. Onder de huidige wetgeving zou deze schuldeiser
immers kunnen weigeren zijn doorhaling te verlenen,
waardoor de hele procedure opnieuw opgestart zou
moeten worden. Dit leidt ertoe dat er opnieuw heel wat
kosten gemaakt moeten worden, terwijl het resultaat voor
deze schuldeiser hetzelfde zal zijn (nl. dat hij betrokken
wordt bij de verdeling van de prijs).
Er wordt bevestigd dat de verkoop in het kader van
een gerechtelijke vereffening-verdeling zuiverend is
mits oproeping van de opgesomde schuldeisers om de
verkoopverrichtingen te volgen in geval van openbare
verkoop of tot de machtigingsprocedure in geval van een
verkoop uit de hand. Dit was reeds zo vóór de insolven-
tiewet van 11 augustus 2017. Deze wet voorzag enkel
een oproeping bij de machtigingsprocedure, terwijl dat
niet voorzien is in geval van openbare verkoop.
Impact op de schuldenaars en de beschermde
personen:
De schuldenaars/beschermde personen (of hun
vertegenwoordigers) worden nog steeds betrokken bij
de verkoopprocedure.
Een nieuwigheid is dat de vereffenaar een machtiging
kan vragen om een onroerend goed toebehorend aan
een rechtspersoon in vereffening zuiverend te kunnen
verkopen. Dit is louter facultatief. De vereffenaar kan
nog steeds beslissen zoals voordien om vrijwillig te
verkopen. In ieder geval moeten de bepalingen van het
Wetboek van vennootschappen en verenigingen nog
steeds nageleefd worden.
Impact op de bekwame mede-eigenaars:
Net zoals voordien, moeten de bekwame mede-
eigenaars worden betrokken bij de verkoop (oproeping
tot de machtigingsprocedure of om de verkoopverrich-
tingen te volgen).
la purge est en effet d’éliminer ces inscriptions afin que
l’acheteur acquière un bien sans charges.
Si l’appel des créanciers est déjà intervenu et qu’un
nouveau créancier procède ensuite à une inscription ou
une transcription, il est désormais prévu que la vente
est également purgeante à l’égard de ce créancier. Cela
signifie que son inscription et transcription peut être
radiée avec le certificat notarié sur base de l’article 1653
du Code judiciaire. Cependant, sa créance sera reprise
en tout état de cause dans l’ordre, de sorte que cela
n’entraîne aucun désavantage pour ce créancier. Après
tout, il peut également prétendre au produit du prix de
la vente, mais ne peut pas bloquer la vente. En effet,
en vertu de la législation actuelle, ce créancier pourrait
refuser d’accorder la radiation, ce qui obligerait de recom-
mencer à nouveau toute la procédure. Cela entraîne à
nouveau beaucoup de frais alors que le résultat pour ce
créancier sera le même (c’est-à-dire qu’il sera associé
à la répartition du prix).
Il est constaté que la vente dans le cadre d’une liqui-
dation-partage judiciaire est purgeante sous réserve de
l’appel des créanciers mentionnés à suivre les opéra-
tions de vente dans le cas d’une vente publique ou à
la procédure d’autorisation dans le cas d’une vente de
gré à gré. C’était déjà ainsi avant la loi sur l’insolvabilité
du 11 août 2017. Cette loi ne prévoyait qu’un appel à la
procédure d’autorisation, alors qu’elle n’est pas prévue
dans le cas d’une vente publique.
Impact sur les débiteurs et personnes protégées:
Les débiteurs/personnes protégées (ou leurs repré-
sentants) sont toujours associés à la procédure de vente.
Une nouveauté est que le liquidateur peut demander
une autorisation pour un bien immobilier appartenant
à une personne morale en liquidation pour obtenir une
vente purgeante. Cette possibilité est purement facul-
tative. Le liquidateur peut encore aussi décider comme
auparavant de vendre volontairement. En tout état de
cause, les dispositions du Code des sociétés et asso-
ciations doivent toujours être respectées.
Impact sur les copropriétaires capables:
Comme précédemment, les copropriétaires capables
doivent être associés à la vente (appel à la procédure
d’autorisation ou à suivre les opérations de vente).
23
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Er wordt bevestigd dat de verkoop in het kader van
een gerechtelijke vereffening-verdeling zuiverend is
mits oproeping van de opgesomde schuldeisers om de
verkoopverrichtingen te volgen in geval van openbare
verkoop of tot de machtigingsprocedure in geval van
verkoop uit de hand. Dit was reeds zo vóór de insolven-
tiewet van 11 augustus 2017. Deze wet voorzag enkel
een oproeping bij de machtigingsprocedure, terwijl er
geen machtigingsprocedure voorzien is in geval van
openbare verkoop. Het betreft dus een rechtzetting van
een vergetelheid.
2. De rangregeling
Vervolgens bekijken we wat de wijzigingen zijn op het
vlak van de rangregeling. De rangregeling is de verde-
ling van de prijs tussen de verschillende schuldeisers
op basis van de voorrechten en hypotheken. Het even-
tuele saldo komt toe aan de schuldenaar/beschermde
persoon. Indien er voldaan is aan de voorwaarden om
van een zuiverende verkoop te spreken (zoals hierboven
toegelicht), moet de notaris verplicht een rangregeling
opstellen.
Impact op de schuldeisers:
De hierboven vermelde schuldeisers die werden op-
geroepen, worden betrokken in de rangregeling (zoals
voordien ook het geval was).
Naast deze schuldeisers, moet de notaris bij een
gewone rangregeling zoals steeds ook rekening houden
met heel wat andere schuldeisers: alle in- en overschrij-
vingen (ook al zou één van hen niet opgeroepen zijn), de
vereniging van mede-eigenaars (ook al werd deze niet
opgeroepen), de schuldeisers uit de beslagberichten,
de fiscale en sociale notificaties, enz.
Bij een verkorte rangregeling (bij een insolventiepro-
cedure, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van
boedelbeschrijving of een onbeheerde nalatenschap),
mag de notaris enkel rekening houden met de hypothe-
caire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers. Dit was
voordien ook reeds het geval.
Op het vlak van de rangregeling verandert het voor-
gaande dus niet ten aanzien van de schuldeisers.
Indien er een pauliaanse vordering werd gekantmeld,
kan deze schuldeiser eveneens voorkomen in de rangre-
geling indien er nog geen uitspraak werd gedaan omtrent
zijn vordering. De pauliaanse vordering heeft tot doel
een schuldvordering vergoed te zien, waardoor hieraan
voldaan wordt door deze schuldeiser te betrekken bij
de verdeling van de prijs. Indien er nog geen definitieve
beslissing is genomen over zijn schuldvordering, kan de
Il est confirmé que la vente dans le cadre d’une liqui-
dation-partage judiciaire est purgeante sous réserve
de l’appel des créanciers cités à suivre les opérations
de vente dans le cas d’une vente publique ou d’une
procédure d’autorisation dans le cas d’une vente de gré
à gré. C’était déjà le cas avant la loi sur l’insolvabilité
du 11 août 2017. Cette loi ne prévoyait que l’appel à la
procédure d’autorisation, alors qu’aucune procédure
d’autorisation est prévue dans le cadre d’une vente
publique. Il s’agit donc d’une rectification d’un oubli.
2. L’ordre
L’ordre est la répartition du prix entre les différents
créanciers sur base des privilèges et hypothèques. Le
solde éventuel revient au débiteur/à la personne protégée.
Si les conditions sont réunies pour parler d’une vente
purgeante (comme expliqué ci-dessus), le notaire est
tenu d’établir un ordre.
Impact sur les créanciers:
Les créanciers susmentionnés qui ont été appelés,
sont inclus dans l’ordre (comme c’était le cas auparavant).
En plus de ces créanciers, le notaire doit, dans une
procédure d’ordre ordinaire, également tenir compte
de nombreux autres créanciers: toutes les inscriptions
et transcriptions (même si l’un d’entre eux n’a pas été
appelé), l’association des copropriétaires (même si elle
n’a pas été appelée), les créanciers du fichier central
des avis, les notifications fiscales et sociales, etc.
Dans le cas d’un ordre allégé (dans une procédure
d’insolvabilité, une succession acceptée sous bénéfice
d’inventaire ou une succession vacante), le notaire peut
seulement tenir compte des créanciers hypothécaires
et privilégiés spéciaux. C’était déjà le cas auparavant.
En matière d’ordre, ce qui précède ne change donc
pas à l’égard des créanciers.
Si une action paulienne a été mentionnée en marge,
ce créancier peut également figurer dans l’ordre si aucun
jugement n’a été rendu quant à son action. L’action
paulienne a comme objectif d’obtenir en compensation
une créance, ce qui est atteint en incluant ce créancier
dans la répartition du prix. Si aucune décision définitive
n’a été prise quant à cette action, le notaire ne peut pas
procéder au paiement. Il bloquera l’argent qui revient à
3552/001
DOC 55
24
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
notaris niet overgaan tot uitbetaling. Hij zal de gelden die
toekomen aan deze schuldeiser blokkeren in afwachting
van een definitieve beslissing van de rechtbank of een
akkoord tussen de partijen. Volledigheidshalve merken
we op dat het in de praktijk zelden voorkomt dat er een
onroerend goed verkocht wordt in het kader van een
gerechtelijke verkoop, waarbij er nog geen uitspraak werd
gedaan over de pauliaanse vordering die het voorwerp
uitmaakt van een kantmelding.
Er wordt verder verduidelijkt hoe de notaris in zijn
rangregeling te werk moet gaan indien een schuldvor-
dering kan verhaald worden op meerdere onverdeelde
eigenaars. In dat geval moet de notaris rekening houden
met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk
van hen, zonder afbreuk te kunnen doen aan het on-
deelbare karakter van de hypotheek. Dit kan uitgelegd
worden aan de hand van een voorbeeld: Schuldeiser
X heeft een schuldvordering van 100 lastens A en B.
Indien het goed voor 60 % toebehoort aan A en voor
40 % aan B, zal deze schuldeiser in de rangregeling
van A slechts in rekening worden genomen voor 60 %
van de schuldvordering en in de rangregeling van B
voor 40 % van de schuldvordering. Hij zal dus niet wil-
lekeurig kunnen kiezen of hij zijn schuldvordering van
100 wenst te verhalen op A of B, naar gelang hetgeen
hem het beste uitkomt.
Zoals gezegd mag deze regeling geen afbreuk doen
aan het ondeelbare karakter van de hypotheek. Aan de
hand van het hierboven vermelde voorbeeld komt dit op
het volgende neer: indien het aandeel in de prijs van A
reeds werd uitgeput door een hypothecaire schuldeiser
in hogere rang, kan de hypothecaire schuldeiser X zijn
volledige schuldvordering van 100 alsnog verhalen op
het aandeel van B in het kader van de rangregeling. Hij
maakt dan dus niet enkel aanspraak op 40 % van zijn
schuldvordering lastens B. Deze uitzonderingsregel geldt
echter enkel indien het om een hypothecaire schuldeiser
gaat die zich zowel op A als B kan verhalen.
Impact op de schuldenaars en de beschermde
personen:
Ten aanzien van de schuldenaars/beschermde per-
sonen verandert er niets in het kader van de rangrege-
ling. De schuldeisers die voordien betrokken werden,
zullen nog steeds betrokken blijven (zie hierboven). Het
eventuele saldo na betaling van alle schuldeisers, komt
nog steeds toe aan de schuldenaar/de beschermde
personen (of hun vertegenwoordigers).
Aangezien de verkoop van een onroerend goed toe-
behorend aan een rechtspersoon in vereffening thans
zuiverend kan zijn, moet in dat geval eveneens een
verkorte rangregeling opgemaakt worden (nl. betaling
ce créancier dans l’attente d’une décision définitive du
tribunal ou un accord entre les parties. Dans un souci
d’exhaustivité, nous remarquons qu’en pratique, il est
rare de voir un bien immobilier vendu dans le cadre
d’une vente publique, dans laquelle aucune décision
n’aurait encore été prise quant à l’action paulienne qui
a fait l’objet d’une mention marginale.
Il est en outre précisé comment le notaire doit procé-
der dans son ordre si une créance peut être recouvrée
auprès de plusieurs propriétaires indivis. Dans ce cas,
le notaire doit tenir compte de la part de droit réel qui
revient à chacun d’entre eux, sans pouvoir porter atteinte
au caractère indivisible de l’hypothèque. Cela peut être
expliqué à l’aide d’un exemple: un créancier X a une
créance de 100 contre A et B. Si le bien appartient à
A pour 60 % et à B pour 40 %, le créancier sera pris
en considération dans l’ordre de A pour 60 % de sa
créance et dans l’ordre de B pour 40 % de sa créance.
Il ne pourra plus arbitrairement choisir s’il récupère sa
créance de 100 sur A ou B, en fonction de ce qui lui
convient le mieux.
Comme mentionné, cet ordre ne peut affecter le
caractère indivisible de l’hypothèque. Sur la base de
l’exemple mentionné ci-dessus, cela revient à ce qui
suit: si la part de A dans le prix a déjà été épuisée par un
créancier hypothécaire d’un rang supérieur, le créancier
hypothécaire X peut encore récupérer sa créance totale
de 100 sur la part de B dans le cadre de l’ordre. Il ne doit
donc pas limiter ses prétentions à 40 % de sa créance
contre B. Cette exception vaut cependant uniquement s’il
s’agit d’un créancier hypothécaire qui peut se retourner
aussi bien contre A que contre B.
Impact sur les débiteurs et les personnes protégées:
En ce qui concerne les débiteurs/personnes protégées,
rien ne change dans le cadre de l’ordre. Les créanciers
qui ont été associés auparavant, resteront encore asso-
ciés (voir ci-dessus). L’éventuel solde après le paiement
de tous les créanciers reviendra toujours aux débiteurs/
personnes protégées (ou leurs représentants).
Étant donné que la vente d’un bien immobilier appar-
tenant à une personne morale en liquidation peut désor-
mais être purgeante, un ordre allégé doit également
être établi dans ce cas (c’est-à-dire le paiement des
25
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuld-
eisers, waarna het saldo aan de vereffenaar wordt
overgemaakt opdat deze met de overige schuldeisers
rekening kan houden).
Impact op de bekwame mede-eigenaars:
Aangezien de verkoop in zijn geheel zuiverend is,
moet er een rangregeling worden opgesteld voor alle
mede-eigenaars.
Voordien werd er nergens beschreven hoe de nota-
ris te werk moest gaan voor de mede-eigenaar. Men
kende enkel de volledige of de verkorte rangregeling (in
uitzonderlijke gevallen). Nu wordt er een nieuwe soort
rangregeling gecreëerd ten aanzien van de bekwame
mede-eigenaar, zijnde de semi-verkorte rangregeling.
De notaris zal dan rekening houden met de hypothe-
caire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, evenals
de ontvangen fiscale en sociale notificaties. Dit zijn
dezelfde schuldeisers die de notaris zou betrekken bij
een gewone, vrijwillige verkoop.
3. Doorhaling met het notarieel getuigschrift:
Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en
overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel
getuigschrift. Op deze manier kan de koper zich ervan
verzekeren dat er geen last rust op het onroerend goed,
zodat hij op zijn beurt bijvoorbeeld een hypotheek in
eerste rang kan aangaan.
Impact op de schuldeisers:
Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en
overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel
getuigschrift. Dit geldt voor alle in- en overschrijvingen,
ook diegenen die men in uitzonderlijke gevallen vergeten
is door te halen bij een eerdere verkoop. Te denken valt
aan een verkoop die 20 jaar geleden plaatsvond, maar
waarbij de doorhaling van een inschrijving nooit werd
uitgevoerd. Indien dit onroerend goed thans verkocht
wordt, is het soms onmogelijk om de initiële schuldeiser
terug te vinden. Of nog, indien er op het onroerend goed
een wettelijke hypotheek rust die werd genomen door
een curator van een faillissement, terwijl dit faillissement
intussen werd afgesloten en deze hypotheek vergeten
werd door te halen. In dat geval is de curator niet langer
bevoegd om deze inschrijving door te halen. In deze
specifieke gevallen, is het opportuun om een “oude”
inschrijving te kunnen doorhalen opdat de garantie ge-
geven kan worden aan de koper dat hij een goed koopt
vrij van in- en overschrijvingen.
créanciers hypothécaires et privilégiés spéciaux, après
quoi le solde est versé au liquidateur afin qu’il puisse
tenir compte des créanciers restants).
Impact sur les copropriétaires capables:
Dans la mesure où la vente est purgeante dans son
intégralité, un ordre doit être établi pour chacun des
copropriétaires.
Auparavant, il n’était décrit nulle part comment le
notaire devait procéder pour le copropriétaire. Nous ne
connaissions que l’ordre complet ou l’ordre allégé (dans
des cas exceptionnels). Maintenant il y a une nouvelle
sorte d’ordre qui a été créée vis-à-vis du copropriétaire
capable, à savoir l’ordre semi-allégé. Le notaire tiendra
alors compte des créanciers hypothécaires et privilégiés
spéciaux, ainsi que des notifications fiscales et sociales
reçues. Ce sont les mêmes créanciers que ceux que le
notaire associerait dans une vente volontaire ordinaire.
3. Radiation avec le certificat notarié:
Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et
transcriptions peuvent être radiées à l’aide du certificat
notarié. De cette manière, l’acheteur peut s’assurer qu’il
n’y a pas de charges sur le bien immobilier, de sorte
qu’il peut à son tour prendre une hypothèque en premier
rang, par exemple.
Impact sur les créanciers:
Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et
transcriptions peuvent être radiées avec le certificat
notarié. Cela vaut pour toutes les inscriptions et trans-
criptions, y compris celles que l’on a exceptionnellement
oubliées de radier lors d’une vente antérieure. C’est
le cas par exemple d’une vente qui est intervenue il
y a plus de 20 ans, mais pour laquelle la radiation de
l’inscription n’a jamais été effectuée. Si le bien a été
vendu aujourd’hui, il est parfois impossible de retrouver
le créancier initial. Ou encore, si le bien immobilier est
grevé d’une hypothèque légale qui a été prise par un
curateur à faillite, alors que cette faillite a été clôturée
entre-temps et l’on a oublié de radier cette hypothèque.
Dans ce cas, le curateur n’est plus compétent pour
radier cette inscription. Dans ces cas spécifiques, il est
opportun de pouvoir radier une “vieille” inscription afin
de pouvoir donner la garantie à l’acheteur qu’il achète
un bien libre d’inscriptions et de transcriptions.
3552/001
DOC 55
26
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Impact op de schuldenaars en de beschermde
personen:
Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en
overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel
getuigschrift. Dit geldt ten aanzien van alle categorieën
van verkopers. Voordien bepaalde de wet immers enkel
dat het over “de inschrijvingen lastens de beslagene”
ging, maar aangenomen wordt dat dit eveneens geldt
voor de gefailleerde, de minderjarige, de schuldenaar
toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, … Dit is
dus een bevestiging van de bestaande praktijk.
Impact op de bekwame mede-eigenaars:
Indien de verkoop zuiverend is, kunnen alle in- en
overschrijvingen worden doorgehaald met het notarieel
getuigschrift. Dit geldt ten aanzien van alle categorieën
van verkopers, en dus ook de mede-eigenaars. De ver-
koop van een onverdeeld goed is immers in zijn geheel
zuiverend. Indien er dus een hypotheek werd genomen op
het volledige onroerend goed, kan deze volledig worden
doorgehaald. Dit is een bevestiging van hetgeen reeds
voortvloeide uit de insolventiewet van 11 augustus 2017.
Communicatie van anonieme gegevens van het
Centraal bestand van berichten van beslag, delegatie,
overdracht, collectieve schuldenregeling en protest
Het betreft een wijziging in de Nederlandstalige versie
van artikel 1389bis/7 van het Gerechtelijk Wetboek. Het
woord “eensluidend” had bovendien geen meerwaarde,
aangezien een negatief advies steeds tot gevolg heeft
dat de gevraagde anonieme gegevens niet worden
gecommuniceerd.
Procedure collectieve schuldenregeling
Inzake de procedure collectieve schuldenregeling
wordt een technische revisie van de artikelen van het
Gerechtelijk Wetboek alsook van de wet van 5 mei 2019
houdende diverse bepalingen inzake informatisering van
Justitie, modernisering van het statuut van rechters in
ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank
(zie hoofdstuk 9) vooropgesteld.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
In overeenstemming met het arrest van het
Grondwettelijk Hof nr. 13/2023 van 26 januari 2023 is
het noodzakelijk gebleken om artikel 23, § 5, van het-
zelfde wetboek te wijzigen.
Impact sur les débiteurs et les personnes protégées:
Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et
transcriptions peuvent être radiées avec le certificat
notarié. Cela vaut à l’égard de toutes les catégories de
vendeurs. Auparavant, la loi ne prévoyait que les “les
inscriptions à charge du saisi”, mais il est admis qu’elle
vaut également pour le failli, le mineur, le débiteur admis
au règlement collectif de dettes, etc. Il s’agit donc d’une
confirmation de la pratique existante.
Impact sur les copropriétaires capables:
Si la vente est purgeante, toutes les inscriptions et
transcriptions peuvent être radiées avec le certificat
notarié. Cela vaut à l’égard de toutes les catégories de
vendeurs, et donc aussi les co-propriétaires. La vente
d’un bien indivis est, en effet, purgeante dans sa tota-
lité. Si une hypothèque a donc été prise sur l’ensemble
du bien, elle peut être radiée dans sa totalité. Il s’agit
d’une confirmation de ce qui résultait déjà de la loi sur
l’insolvabilité du 11 août 2017.
Communication des données anonymes du Fichier
central des avis de saisie, de délégation, de cession,
de règlement collectif de dettes et de protêt
Il s’agit d’une correction linguistique dans la version
néerlandophone de l’article 1389bis/7 du Code judiciaire.
En outre, le terme “eensluidend” n’a aucune valeur
ajoutée, puisqu’un avis négatif entraîne toujours la non-
communication des données anonymes demandées.
Procédure de règlement collectif de dettes
Concernant la procédure en règlement collectif de
dettes, il est proposé une révision technique des articles
du Code judiciaire ainsi que de la loi du 5 mai 2019
portant dispositions diverses en matière d’information
de la Justice ainsi que de modernisation du statut des
juges consulaires et relativement à la banque des actes
notariés (voir chapitre 9).
CHAPITRE 4
Modifications du Code
de la nationalité belge
En conformité avec l’arrêt de la Cour Constitutionnelle
n° 13/2023 du 26 janvier 2023, il est apparu nécessaire
de modifier l’article 23, § 5 du même Code.
27
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Naar aanleiding van de resolutie van de Kamer van
volksvertegenwoordigers van 9 juni 2022 – betreffende
de erkenning dat kinderen in België illegaal werden
geadopteerd, betreffende de erkenning van de betrok-
kenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling
van een administratief onderzoek dienaangaande – is
bovendien een louter technische wijziging noodzakelijk
gebleken teneinde in het Wetboek van de Belgische
nationaliteit te vermelden wat er met de Belgische na-
tionaliteit gebeurde mocht de adoptieve afstamming
worden herroepen op grond van de artikelen 354-1 tot
354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek of worden herzien
op grond van artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek.
HOOFDSTUK 5
Wijziging van de wet van 11 april 1995
tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde
Er wordt in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van
11 april 1995 tot invoering van het “handvest” van de so-
ciaal verzekerde, de uitdrukkelijke vermelding ingevoegd
van de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van
het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van
een herstelpensioen en de terugbetaling van medische
zorg ingevolge daden van terrorisme, onder een nieuwe
litera h). Aldus bestaat er geen onduidelijkheid over de
toepassing van artikel 1017, lid 2, van het Gerechtelijk
Wetboek op slachtoffers van daden van terrorisme.
Zo ook voorkomt deze verduidelijking elke twijfel over
de toepassing van artikel 4, § 2, 3°, van de wet van
19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand aan slachtoffers
van daden van terrorisme.
HOOFDSTUK 6
Wijzigingen van Wetboek van economisch recht
De wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
zijn het gevolg van de wijzigingen van het Gerechtelijk
Wetboek betreffende de zuivering van onroerende goe-
deren, die hierboven werden toegelicht.
HOOFDSTUK 7
Wijziging van de wet van 19 maart 2017
tot oprichting van een Begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand
De voorgestelde wijziging is zuiver technisch van
aard. Het beoogt de ICT-afdeling iets meer tijd te geven
En outre, suite à la résolution de la Chambre des
représentants du 9 juin 2022 – visant à reconnaître la
survenance de cas d’adoptions illégales en Belgique,
à reconnaître les personnes concernées comme des
victimes et à entamer une enquête administrative sur
le sujet – une modification purement technique est
apparue nécessaire en vue d’indiquer dans le Code
de la nationalité belge ce qu’il advenait de la nationalité
belge dans le cas où la filiation adoptive était révoquée,
selon les articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil,
ou révisée, selon l’article 351 de l’ancien Code civil.
CHAPITRE 5
Modification de la loi du 11 avril 1995
visant à instituer “la charte”
de l’assuré social
Il est inséré dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi
du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré
social, la mention explicite de la loi du 18 juillet 2017
relative à la création du statut de solidarité nationale, à
l’octroi d’une pension de dédommagement et au rem-
boursement des soins médicaux à la suite d’actes de
terrorisme sous un nouveau litera h). De cette manière,
il ne reste aucune équivoque quant à l’application de
l’article 1017, alinéa 2 du Code judiciaire aux victimes
d’actes de terrorisme. De même, cette précision empêche
tout doute quant à l’application de l’article 4, § 2, 3° de
la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire
relatif à l’aide juridique de deuxième ligne, aux victimes
d’actes de terrorisme.
CHAPITRE 6
Modifications du Code de droit économique
Les modifications du Code de droit économique sont
la conséquence des modifications du Code judiciaire en
matière de purge d’immeubles, expliquées ci-dessus.
CHAPITRE 7
Modification de de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide
juridique de deuxième ligne
La modification proposée est de nature purement
technique. Elle vise à donner un peu plus de temps au
3552/001
DOC 55
28
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
om alle computerapplicaties aan te passen wanneer het
bedrag van de bijdrage aan het fonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een
indexering die is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van
19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand.
HOOFDSTUK 8
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
De voorgestelde wijziging corrigeert een redactionele
fout van artikel 1.8, § 5, van het Burgerlijk Wetboek.
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende
diverse bepalingen inzake informatisering
van Justitie, modernisering van het statuut
van rechters in ondernemingszaken en
inzake de notariële aktebank
Procedure collectieve schuldenregeling
In de wet van 5 mei 2019 worden wat betreft de infor-
matisering van de procedure van collectieve schuldenre-
geling een aantal technische wijzigingen vooropgesteld.
HOOFDSTUK 10
Wijziging van de wet van 16 oktober 2022
tot oprichting van het Centraal register
voor de beslissingen van de rechterlijke orde en
betreffende de bekendmaking van de vonnissen
en tot wijziging van de assisenprocedure
betreffende de wraking van de gezworenen
Het ontwerp voorziet ook in een technische correctie
van een van de overgangsbepalingen van de wet van
16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal register
voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betref-
fende de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging
van de assisenprocedure betreffende de wraking van
de gezworenen.
service ICT pour adapter toutes les applications infor-
matiques lorsque le montant de la contribution au fonds
d’aide juridique est modifié à la suite d’une indexation
prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017 ins-
tituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de
deuxième ligne.
CHAPITRE 8
Modification du Code civil
La modification proposée corrige une erreur rédac-
tionnelle de l’article 1.8, § 5, du Code civil.
CHAPITRE 9
Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant
dispositions diverses en matière d’informatisation
de la Justice, de modernisation du statut
des juges consulaires et relativement
à la banque des actes notariés
Procédure de règlement collectif de dettes
Dans la loi du 5 mai 2019, un certain nombre de
modifications techniques sont proposées en ce qui
concerne l’informatisation de la procédure de règlement
collectif des dettes.
CHAPITRE 10
Modification de la loi du 16 octobre 2022
visant la création du Registre central
pour les décisions de l’ordre judiciaire et
relative à la publication des jugements et
modifiant la procédure d’assises
relative à la récusation des jurés
Le projet prévoit également une correction technique
d’une des dispositions transitoires de la loi du 16 oc-
tobre 2022 visant la création du Registre central pour
les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publica-
tion des jugements et modifiant la procédure d’assises
relative à la récusation des jurés.
29
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 22 november 2022
tot wijziging van de wet van 16 maart 1803
op het notarisambt, tot invoering
van een tuchtraad voor de notarissen en
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk
Wetboek en diverse bepalingen
De wijzigingen beogen het rechtzetten van materiële
vergissingen.
HOOFDSTUK 12
Wijziging van de wet van 14 maart 2023
tot uitvoering en aanvulling van Verordening
(EU) 2020/1783 van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2020 betreffende
de samenwerking tussen de gerechten van de
lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in
burgerlijke en handelszaken, en van Verordening
(EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de
Raad van 25 november 2020 inzake de betekening
en de kennisgeving in de lidstaten
van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken
De wijzigingen beogen het rechtzetten van een ma-
teriële vergissing.
TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Overeenkomstig artikel 83 van de Grondwet bepaalt
artikel 1 dat de ontwerpwet de aangelegenheden regelt
bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek
Artikelen 2 en 7
Het gaat om technische bepalingen. Enerzijds voegen
ze een verwijzing naar de verklaring van naamskeuze
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803
contenant organisation du notariat, introduisant
un conseil de discipline pour les notaires et
les huissiers de justice dans le Code judiciaire et
des dispositions diverses
Les modifications visent à corriger des erreurs
matérielles.
CHAPITRE 12
Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant
en œuvre et complétant le règlement (UE)
2020/1783 du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre
les juridictions des États membres dans
le domaine de l’obtention des preuves en matière
civile ou commerciale, et le règlement (UE)
2020/1784 du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la signification et
à la notification dans les États membres
des actes judiciaires et extrajudiciaires
en matière civile ou commerciale
Les modifications visent à corriger une erreur matérielle.
COMMENTAIRE DES ARTICLES
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
Conformément à l’article 83 de la Constitution, l’article
premier précise que le projet de loi règle des matières
visées à l’article 74 de la Constitution.
CHAPITRE 2
Modifications de l’ancien Code civil
Articles 2 et 7
Il s’agit de dispositions techniques. D’une part, elles
ajoutent dans les mentions de l’acte de reconnaissance,
3552/001
DOC 55
30
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die wordt afgelegd door een volwassen kind toe aan de
meldingen op de akte van erkenning.
Dat zou meerderjarige kinderen de mogelijkheid moeten
bieden een verklaring van naamskeuze af te leggen op
het ogenblik van hun postnatale erkenning (geval bedoeld
in artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek), zoals reeds
het geval is voor de ouders van minderjarige kinderen
(artikelen 51, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Anderzijds integreren ze niet enkel de verklaring van
naamskeuze in het dossier van de aangifte van erken-
ning maar ook de toestemming van het minderjarig kind
met deze keuze zodat, indien het kind zijn goedkeuring
niet geeft aan deze naamsverandering, deze aangifte
zonder gevolg zal blijven en deze keuze niet vermeld
zal worden in de akte van erkenning. De toestemming
van het kind wordt uitgebracht op dezelfde wijze als voor
de naamskeuze door de ouders.
Art. 3
Het betreft een technische bepaling op grond waarvan
het eventuele verband tussen de akte van naamsverande-
ring van een meerderjarig kind die is opgemaakt op grond
van het door deze tekst ingevoerde artikel 335sexies, § 2,
van het oud Burgerlijk Wetboek en, in voorkomend geval,
de akte van erkenning van de ouder die aan de basis
van die naamsverandering ligt, kan worden vastgesteld.
Het is niet nuttig om te voorzien in een nieuwe basis
wanneer de akte van naamsverandering van het meer-
derjarige kind haar grondslag vindt in een rechterlijke
beslissing waarbij een afstammingsband van die ouder
wordt betwist en/of vastgesteld, aangezien dat geval onder
het toepassingsgebied van artikel 41, § 1, eerste lid, a),
van het oud Burgerlijk Wetboek kan vallen.
Art. 4 tot 6 en 8
Deze verschillende artikelen zijn aangepast om te
antwoorden op een opmerking van het College van
Hoven en Rechtbanken. Voor afstammelingen in de
eerste graad lijkt het moeilijk om binnen de gestelde
termijnen een akte van naamswijziging conform arti-
kel 335sexies van het oude Burgerlijk Wetboek te laten
opmaken indien de wet niet voorziet in regels voor de
kennisgeving of betekening van de akte of beslissing die
de afstamming van hun ouder wijzigt en die een impact
kan hebben op hun naam.
De opmerking van de Raad van State om de kennisge-
vingsplicht van akten en beslissingen inzake afstamming
uit te breiden tot nakomelingen in de eerste graad van
une référence à la déclaration de choix de nom effectuée
par un enfant adulte.
Cela devrait permettre aux enfants majeurs d’effec-
tuer une déclaration de choix de nom au moment de
leur reconnaissance postnatale (hypothèse visée à
l’article 51 de l’ancien Code civil) comme c’est déjà le
cas pour les parents des enfants mineurs (article 51°,
5°, de l’ancien Code civil).
D’autre part, elles intègrent non seulement la déclara-
tion de choix de nom dans le dossier de déclaration de
reconnaissance mais aussi le consentement de l’enfant
mineur sur ce choix, de sorte que si l’enfant ne donne
pas son aval à ce changement de nom, cette déclaration
sera sans conséquence et ce choix ne sera pas men-
tionné dans l’acte de reconnaissance. Le consentement
de l’enfant est exprimé de la même façon que pour le
choix de nom des parents.
Art. 3
Il s’agit d’une disposition technique qui permet d’établir
l’éventuel lien entre l’acte de changement de nom d’un
enfant majeur établi sur base de l’article 335sexies, § 2,
de l’ancien Code civil introduit par le présent texte, et,
le cas échéant, l’acte de reconnaissance du parent qui
est à l’origine de ce changement de nom.
Il n’est pas utile d’établir une nouvelle base lorsque
l’acte de changement de nom de l’enfant majeur trouve
son fondement dans une décision judiciaire contestant
et/ou établissant un lien de filiation de ce parent puisque
cette hypothèse peut entrer dans le champ d’application
de l’article 41, § 1er, alinéa 1er, a), de l’ancien Code civil.
Art. 4 à 6 et 8
Ces différents articles sont adaptés pour répondre
à une remarque formulée par le Collège des Cours et
tribunaux. Il paraît en effet difficile aux descendants au
premier degré de faire établir un acte de changement
de nom conformément à l’article 335sexies de l’ancien
Code civil dans les délais impartis si la loi ne prévoit pas
de modalités de notification ou de signification de l’acte
ou de la décision modifiant la filiation de leur parent qui
pourrait avoir un impact sur leur nom.
La remarque du Conseil d’État visant à élargir l’obli-
gation de notification des actes et décisions relatifs à la
filiation aux descendants au premier degré de parents
31
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
minderjarige ouders kan niet worden gevolgd. Het doel
van deze kennisgeving is namelijk om kinderen van wie
de naam geheel of gedeeltelijk bepaald is door de ouder
van wie de naam vervolgens wordt gewijzigd als gevolg
van een wijziging van diens afstamming, toe te laten een
naamsverandering te laten akteren voor de ambtenaar
van de burgerlijke stand, zodat deze “opnieuw aansluit”
met die van deze ouder in het jaar volgend op deze
kennisgeving. Ter herinnering: deze aangifte kan enkel
worden gedaan door een minderjarige die de leeftijd van
12 jaar heeft bereikt – ingevolge een andere opmerking
van de Raad van State – of door een meerderjarige
(artikel 335sexies, § 2 van het oud Burgerlijk Wetboek).
Beneden de 12 jaar wordt de naamsverandering van
de ouder van rechtswege opgelegd aan zijn kinderen
(artikel 335sexies, § 1 van het oud Burgerlijk Wetboek).
Waar het waar is dat een minderjarige kinderen kan
krijgen zoals vastgesteld door de Raad van State, is het
zeker dat de naamsverandering van deze minderjarige
ouder ingevolge een wijziging van zijn afstamming zal
worden opgelegd aan zijn eigen kinderen aangezien
geen van hen de leeftijd van 12 jaar zal hebben bereikt
voor hijzelf de meerderjarigheid heeft bereikt.
Gezien het doel dat met deze kennisgeving wordt na-
gestreefd, wordt niettemin voorgesteld de huidige tekst
te wijzigen om de kennisgeving te beperken tot enkel
de kinderen die de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt.
Art. 9
Deze tekst brengt een aantal aanpassingen van wetge-
vingstechnische aard aan de bestaande tekst aan. Voorts
wordt hierin de formulering van verschillende bestaande
zinnen verduidelijkt om ze begrijpbaarder te maken en
wordt de structuur van de bepaling vereenvoudigd.
Het zal de reikwijdte van bepaalde bestaande toe-
kenningsregels specificeren, met name wanneer de
vordering heeft geleid tot de vaststelling van een enkele
afstammingsband (gerechtelijke vaststelling van het
vaderschap of moederschap) of het behoud van een
enkele afstammingsband (betwisting van een vaderlijke
of moederlijke afstammingsband): het kind krijgt de naam
van de enige ouder die het nog heeft. Deze wijziging kan
uiteraard enkel gebeuren met instemming van het kind
ouder dan twaalf jaar of het meerderjarig kind (nieuw
artikel 335, § 4, eerste lid van het oud Burgerlijk Wetboek).
De tekst strekt tevens tot de verbetering van de co-
herentie in het bestaande systeem om, in het licht van
de evolutie van de rechtspraak van het Grondwettelijk
Hof, de toekenningen van de naam aan gelijksoortige
beginselen te onderwerpen, ongeacht de leeftijd van
het betrokken kind.
mineurs ne peut pas être suivie. En effet, l’objectif de
cette notification est de permettre aux enfants dont le
nom a été déterminé pour tout ou partie par le parent dont
le nom est modifié ultérieurement à la suite d’un chan-
gement de sa filiation, de faire acter un changement de
nom devant l’officier de l’état civil afin qu’il “recolle” avec
celui de ce parent dans l’année qui suit cette notification.
Pour rappel, cette déclaration ne peut être effectuée
que par un mineur ayant atteint l’âge de 12 ans – pour
donner suite à une autre remarque du Conseil d’État – ou
par un majeur (article 335sexies, § 2, de l’ancien Code
civil). En deçà de l’âge de 12 ans, le changement de
nom du parent s’imposera à ses enfants de plein droit
(article 335sexies, § 1er, de l’ancien Code civil). S’il est
vrai qu’un mineur peut avoir des enfants comme le relève
le Conseil d’État, il est certain que le changement de
nom de ce parent mineur à la suite d’une modification
de sa filiation s’imposera à ses propres enfants dès lors
qu’aucun de ceux-ci n’aura atteint l’âge de 12 ans d’ici
la fin de sa minorité.
Vu l’objectif poursuivi par cette notification, il est
proposé de modifier tout de même le texte actuel afin
de limiter la notification aux seuls enfants ayant atteint
l’âge de 12 ans.
Art. 9
Ce texte apporte au texte existant, un certain nombre
d’adaptations d’ordre légistique. En outre, il clarifie la
formulation de plusieurs phrases existantes pour en
améliorer la compréhension et simplifie la structure de
la disposition.
Il précisera la portée de certaines règles d’attribution
existantes, en particulier lorsque l’action a abouti à
l’établissement d’un lien de filiation unique (action en
recherche en paternité ou en maternité) ou au maintien
d’un seul lien de filiation (action en contestation d’un lien
de filiation maternel ou paternel): l’enfant portera le nom
du seul parent qui lui reste. Bien évidemment, ce chan-
gement ne pourra avoir lieu, qu’avec le consentement
de l’enfant de plus de douze ans ou de l’enfant majeur
(nouvel article 335, § 4, alinéa 1er, de l’ancien Code civil).
Le texte veille également à améliorer la cohérence
dans le système existant pour soumettre, au regard de
l’évolution de la jurisprudence de la Cour constitutionnelle,
les attributions du nom à des principes similaires, peu
importe l’âge que peut avoir l’enfant concerné.
3552/001
DOC 55
32
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voor de naamskeuze van minderjarige kinderen en die
van meerderjarige kinderen zullen in de toekomst namelijk
soortgelijke mogelijkheden gelden. De ouders – indien
het kind minderjarig is – of de meerderjarige kinderen
zullen de mogelijkheid hebben om een naamskeuze uit
te oefenen bij de vaststelling van een tweede afstam-
mingsband, ongeacht of dat voor de ambtenaar van de
burgerlijke stand of voor de familierechtbank gebeurt.
Om die reden kunnen meerderjarige kinderen voort-
aan een verklaring van naamskeuze afleggen voor de
ambtenaar van de burgerlijke stand op het ogenblik van
de erkenning van de tweede afstammingsband. Het is
aan hen en niet aan hun ouders om dat te doen (toekom-
stig artikel 335, § 3, tweede lid, van het oud Burgerlijk
Wetboek). De nadere regels voor die verklaring zullen
soortgelijk zijn als die voor de verklaring van de ouders
voor een minderjarig kind.
In het licht van de conclusies van arrest nr. 48/2022
zou de keuze van een nieuwe naam door het meerder-
jarige kind ter gelegenheid van de vaststelling – voor
de eerste maal – van een tweede afstammingsband
via gerechtelijke weg (vordering tot onderzoek naar de
afstammingsband), terwijl de eerste afstammingsband
reeds eerder was vastgesteld, voortaan mogelijk moeten
zijn. Aangezien het de bedoeling van de opstellers is om
de procedures inzake naamskeuze met betrekking tot
minderjarige kinderen en meerderjarige kinderen zoveel
mogelijk op elkaar af te stemmen, zouden de leringen
van het arrest van het Grondwettelijk Hof moeten worden
uitgebreid naar minderjarige kinderen.
Zoals de meerderjarige kinderen zullen de kinderen
van meer dan twaalf jaar voortaan ook de mogelijkheid
moeten hebben om hun toestemming in een naamsver-
andering te geven, welke ook de procedure bedoeld in
artikel 335 van het oud Burgerlijk Wetboek is die aan de
basis ervan ligt (procedure voor de ambtenaar van de
burgerlijk stand of gerechtelijke procedure) aangezien
ze het recht op een naam hebben. Een verzet van hun
kant zou de verklaring van naamskeuze van de ouders
kunnen tegenhouden.
De opmerking van de Raad van State met betrekking
tot artikel 335, § 3, vijfde lid (dat het derde lid wordt) van
het oud Burgerlijk Wetboek kan worden gevolgd: ook
dit lid wordt opgeheven aangezien de ambtenaar van
de burgerlijke stand de naam van een kind in het jaar
volgend op de postnatale erkenning niet meer zal kun-
nen wijzigen, daar deze naamsverandering voortaan
zal worden geakteerd op het ogenblik van de aangifte
van erkenning. Bovendien wordt de wijziging van de
naam vermeld in de akten van de burgerlijke stand van
En effet, le choix de nom des enfants mineurs et celui
des enfants majeurs obéiront dans le futur à des facultés
similaires. Les parents – si l’enfant est mineur – ou les
enfants majeurs auront la faculté d’exercer un choix de
nom à l’occasion de l’établissement d’un second lien
de filiation, que ce soit devant l’officier de l’état civil ou
devant le tribunal de la famille.
C’est pourquoi, les enfants majeurs pourront doré-
navant effectuer une déclaration de choix de nom au
moment de la reconnaissance du deuxième lien de
filiation devant l’officier de l’état civil. C’est à eux et
pas à leurs parents de la faire (futur article 335, § 3,
alinéa 2, de l’ancien Code civil). Les modalités de cette
déclaration seront semblables à celles de la déclaration
des parents pour un enfant mineur.
Au regard des conclusions de l’arrêt n° 48/2022, le
choix d’un nouveau nom par l’enfant majeur à l’occasion
de l’établissement, pour la première fois, d’un deuxième
lien de filiation par la voie judiciaire (action en recherche
d’un lien de filiation), alors que le premier lien de filiation
était déjà établi antérieurement, devrait désormais être
possible. Dans la mesure où l’objectif des auteurs est de
rapprocher autant que possible les procédures de choix
de nom concernant les enfants mineurs et majeurs, les
enseignements de l’arrêt de la Cour constitutionnelle
devraient être étendus aux enfants mineurs.
À l’instar des enfants majeurs, les enfants de plus
de douze ans auront aussi désormais la possibilité
d’exprimer leur consentement à un changement de
nom, quelle que soit la procédure visée à l’article 335
de l’ancien Code civil qui en est à l’origine (procédure
devant l’officier de l’état civil ou procédure judiciaire)
puisqu’ils ont le droit à un nom. Une opposition de leur
part pourrait tenir la déclaration de choix de nom des
parents en échec.
La remarque du Conseil d’État à propos de l’article 335,
§ 3, alinéa 5, (qui devient l’alinéa 3) de l’ancien Code
civil peut être suivie: cet alinéa sera également abrogé
puisque l’officier de l’état civil ne pourra plus modifier le
nom d’un enfant dans l’année qui suit la reconnaissance
postnatale, ce changement de nom devant désormais être
acté au moment de la déclaration de reconnaissance.
En outre, la modification du nom mentionnée dans les
actes de l’état civil de la personne concernée et de ses
descendants au premier degré est réglée dorénavant
33
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de betrokkene en zijn nakomelingen in de eerste graad
voortaan geregeld in het nieuwe artikel 335, § 5, van
het oud Burgerlijk Wetboek. Het artikel werd in die zin
aangepast.
Het voorstel van de Raad van State om in het nieu-
we artikel 335, § 4, eerste lid, van het oude Burgerlijk
Wetboek de woorden “of meerderjarigheid” te schrap-
pen, kan worden gevolgd. Deze woorden zijn inderdaad
overbodig, aangezien de toestemming van het kind om
zijn naam te veranderen vereist is vanaf het moment
dat het de leeftijd van 12 jaar bereikt. Het artikel werd
in die zin aangepast.
Art. 10
Bij dit artikel wordt voor de meemoeders een rege-
ling ingevoerd die vergelijkbaar is met degene waarin
in artikel 9 is voorzien.
Voor het overige wordt verwezen naar de bespreking
van dat artikel.
De opmerkingen van de Raad van State zijn identiek
aan die gemaakt met betrekking tot artikel 335 van het
oude Burgerlijk Wetboek en kunnen worden gevolgd.
Het artikel werd in die zin aangepast. Voor het overige
wordt ook verwezen naar het commentaar op artikel 9.
Art. 11
De betrokkenen zouden niet langer naar een andere
overheid moeten worden doorgestuurd om akte te laten
nemen van een naamskeuze, zoals voorheen het geval
was. De praktijk wijst uit dat dit een bron van problemen
vormt (moeilijkheden met betrekking tot de integratie
van de nieuwe naam in de DABS, onzekerheden over
de naam van het kind…).
In de toekomst zal de rechter – los van elk verzoek-
schrift in die zin – akte nemen van de naam – zelfs indien
die niet wordt gewijzigd – of de nieuwe naam in zijn be-
slissing die leidt tot de vaststelling of de betwisting van
een afstammingsband, zulks teneinde elke onzekerheid
in dat verband te ondervangen en omdat het gaat om
een gevolg van de afstamming. Het heeft weinig belang
of de naam is gekozen door het meerderjarige kind of
de ouders of door de wet is opgelegd (omdat de partijen
die keuze niet maken of daartoe het recht niet hebben).
De rechter moet daarentegen de impact van de
naamsverandering van het kind op de naam van diens
eigen kinderen (in het wetsontwerp: de afstammelingen
in de eerste graad) niet vaststellen. Zijn kinderen zijn
dans le nouvel article 335, § 5, de l’ancien Code civil.
L’article a été adapté en ce sens.
La suggestion du Conseil d’État de supprimer les mots
“ou l’âge de la majorité” dans le nouvel article 335, § 4,
alinéa 1er, de l’ancien Code civil peut être suivie. Ces
mots sont en effet superflus puisque le consentement de
l’enfant au changement de son nom est requis à partir
du moment où celui-ci atteint l’âge de 12 ans. L’article
a été adapté en ce sens.
Art. 10
Cet article établit pour les coparentes un régime
similaire à celui mis en place par l’article 9.
Il est renvoyé aux commentaires de cet article pour
le surplus.
Les remarques du Conseil d’État sont identiques à
celles formulées à propos de l’article 335 de l’ancien
Code civil et peuvent être suivies. L’article a été adapté
en ce sens. Il est renvoyé également aux commentaires
de l’article 9 pour le surplus.
Art. 11
Les personnes concernées ne devraient plus être
renvoyées vers une autre autorité pour faire acter un
choix de nom comme c’était le cas auparavant. Il s’agit
d’une source de difficultés comme l’indique la pratique
(difficultés d’intégration du nouveau nom dans la BAEC,
incertitudes sur le nom de l’enfant, …).
À l’avenir, indépendamment de toute requête formulée
en ce sens, le juge actera le nouveau nom dans sa déci-
sion aboutissant à l’établissement ou à la contestation
d’un lien de filiation et ce, pour pallier toute incertitude
à ce sujet et parce qu’il s’agit d’un effet de la filiation. Il
importe peu qu’il soit choisi par l’enfant majeur ou les
parents, ou imposé par la loi (parce que les parties ne
font pas ce choix ou ne sont pas en droit de le faire).
En revanche, le juge ne devra pas constater l’impact
qu’aura le changement de nom de l’enfant sur le nom
de ses propres enfants (dans le projet de texte, les
descendants au premier degré). Ses enfants ne sont
3552/001
DOC 55
34
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
namelijk geen partij bij de procedure en de beslissing
van de rechtbank inzake de afstamming van de ouder
heeft geen enkele weerslag op hun eigen afstamming
en sensu stricto op de gevolgen daarvan.
De onzekerheid over de naam van de kinderen van
ouders van wie de afstamming wordt gewijzigd is in
dit geval ook minder groot dankzij de voorgestelde
wetswijziging.
Het nieuwe artikel 335sexies van het oud Burgerlijk
Wetboek voorziet namelijk in een automatische overdracht
van de naam van de ouder van wie de afstamming is
gewijzigd aan de minderjarige afstammelingen in de
eerste graad indien deze naam hun werd toegekend. In
dat geval moet de ambtenaar van de burgerlijke stand
overgaan tot de wijziging van de vermelding van de
naam in de akten van de kinderen, op dezelfde wijze
als hij moet doen voor de akten van de ouder waarin
die voorkomt.
Als een of meer kinderen van de bij de verandering
van afstamming betrokken ouder meerderjarig zijn, kan
de ambtenaar van de burgerlijke stand niet op eigen ini-
tiatief optreden. Hun naamsverandering berust namelijk
op een instemming en is de uiting van een persoonlijke
keuze die niet verbindend is voor de andere kinderen
die uit dezelfde ouders geboren zijn. Die instemming
zal worden uitgedrukt in de vorm van een stap die ze
moeten ondernemen: ze zullen aan de ambtenaar van
de burgerlijke stand moeten vragen om een akte van
naamsverandering te laten opmaken.
Art. 12
In de praktijk is gebleken dat er een aantal moeilijk-
heden zijn op het stuk van de tenuitvoerlegging van
artikel 370/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek
waarin is bepaald dat namen en voornamen slechts
gewijzigd of verbeterd kunnen worden op de wijze en in
de gevallen bepaald door de wet. Dit geval wordt echter
niet uitdrukkelijk vermeld in de wet.
Daarom bekrachtigt de tekst de automatisering van de
naamsverandering van de kinderen voortaan uitdrukkelijk
in de wet ingeval de naam van de ouder wordt gewijzigd
wegens de wijziging van een afstammingsband. Aldus
wordt getracht te voorkomen dat deze kinderen of hun
vertegenwoordigers een administratieve procedure tot
naamsverandering – die gepaard gaat met onzekerheid en
kosten – moeten instellen om de situatie te regulariseren.
Er moet een en ander worden verduidelijkt over het
toepassingsgebied van die nieuwe bepaling. Ze betreft
en effet pas partie à la procédure, et la décision du tri-
bunal sur la filiation du parent n’aura aucune incidence
sur leur propre filiation et, sensu stricto, sur les effets
qui en découlent.
L’incertitude qui plane sur le nom des enfants des
parents dont la filiation est modifiée est aussi moins
grande dans ce cas-ci grâce à la modification législative
proposée.
Le nouvel article 335sexies de l’ancien Code civil
prévoit en effet une transmission automatique du nom du
parent dont la filiation a été modifiée, aux descendants
mineurs au premier degré si ce nom leur a été attribué.
Dans ce cas, l’officier de l’état civil devra procéder à la
modification de la mention du nom dans les actes des
enfants au même titre qu’il doit le faire pour les actes
du parent dans lesquelles elle apparaît.
Si un ou plusieurs enfants du parent concerné par
le changement de filiation sont majeurs, l’officier de
l’état civil ne pourra pas intervenir d’initiative. De fait,
leur changement de nom repose sur un consente-
ment et est l’expression d’un choix personnel qui ne
peut s’imposer aux autres enfants issus des mêmes
parents. Ce consentement sera exprimé sous la forme
d’une démarche qu’ils devront accomplir: il faudra qu’ils
demandent à l’officier de l’état civil de faire établir un
acte de changement de nom.
Art. 12
La pratique a révélé un certain nombre de difficultés
liées à la mise en œuvre de l’article 370/1, alinéa 2, de
l’ancien Code civil selon lequel les changements de
nom ne peuvent avoir lieu que de la manière et dans
les cas prévus par la loi. Or, cette hypothèse n’est pas
expressément retenue par la loi.
C’est la raison pour laquelle le texte consacre désor-
mais expressément dans la loi l’automatisation du chan-
gement de nom des enfants en cas de changement du
nom du parent pour cause de modification d’un lien de
filiation. On cherche ainsi à éviter que ces enfants ou
leurs représentants ne doivent recourir à une procédure
de changement de nom par la voie administrative – qui
est synonyme d’incertitude et de frais – pour régulariser
la situation.
Il convient d’apporter quelques précisions sur le champ
d’application de cette nouvelle disposition. Elle concerne
35
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zowel de kinderen bij wie de naam van de betrokken
ouder volledig is overgedragen als de kinderen aan
wie een dubbele naam is toegekend, waaronder de
naam van de ouder van wie de naam is gewijzigd. In dat
laatste geval, moet de dubbele naam van de kinderen
gedeeltelijk worden gewijzigd, te weten de naam van de
ouder van wie de afstamming is gewijzigd.
Dat principe is evenwel niet absoluut. Overeenkomstig
artikel 335, § 4, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek
kan de naam van een meerderjarige enkel worden
gewijzigd indien hij daarmee heeft ingestemd. De amb-
tenaar van de burgerlijke stand kan niet meer op eigen
initiatief handelen; het is aan het meerderjarige kind
om de nodige stappen te ondernemen om akte te laten
nemen van zijn instemming in de vorm van een akte
van naamsverandering. Er is wel degelijk sprake van
een akte van naamsverandering en niet van een akte
van verklaring van naamskeuze omdat het geen nieuwe
naam toegekend krijgt, maar zijn naam wordt gewijzigd
wegens de naamsverandering van de ouder van wie de
afstamming wordt gewijzigd.
Als het meerderjarige kind daarom verzoekt, zal de
ambtenaar van de burgerlijke stand geen andere keuze
hebben dan een akte van naamsverandering op te maken,
zonder dat hij de mogelijkheid heeft om de situatie die
hem wordt voorgelegd, te beoordelen. Tenslotte doet hij
niet meer dan de naam van het kind in overeenstemming
brengen met wat in artikel 335 of artikel 335ter van het
oud Burgerlijk Wetboek bepaald is, namelijk dat het kind
geen andere naam mag dragen dan degene die het van
zijn ouders heeft gekregen.
De rechterlijke beslissing of de door de ambtenaar
van de burgerlijke stand opgemaakte akte waarin akte
is genomen van de nieuwe naam van de ouder zal als
basis dienen bij de opmaak van de akte van naamsver-
andering van de kinderen.
In de tekst wordt uitgegaan van een termijn van één jaar
voor een dergelijke stap. Zo wordt voorkomen dat er te
lang onzekerheid blijft bestaan terwijl die keuze gevolgen
heeft voor een aangelegenheid van openbare orde, en
krijgt het kind enige bedenktijd om te beslissen of het de
naam wil blijven dragen die het reeds vele jaren heeft.
De Raad van State wijst er terecht op dat onder deze
hervorming een naamsverandering slechts kan gebeuren
met instemming van het kind dat de leeftijd van 12 jaar
heeft bereikt (art. 335, § 4, eerste lid, en 335ter, § 3,
eerste lid). lid van het oud Burgerlijk Wetboek). Hieruit
volgt dat een naamswijziging met toepassing van ar-
tikel 335sexies van het oud Burgerlijk Wetboek niet
kan worden opgelegd aan een kind dat deze leeftijd
heeft bereikt. Net als voor meerderjarigen zal hij zijn
autant les enfants dont le nom du parent concerné a
été transmis dans son intégralité que les enfants à qui
un double nom a été attribué, dont celui du parent dont
le nom a été modifié. Dans cette dernière hypothèse,
une modification partielle du double nom des enfants
s’imposera, celle constituée par le nom du parent dont
la filiation a été modifiée.
Ce principe n’est toutefois pas absolu. Conformément
à l’article 335, § 4, alinéa 1er, de l’ancien Code civil, le
changement du nom d’une personne majeure n’est
possible que s’il a donné son consentement. L’officier
de l’état civil ne peut plus agir d’initiative, c’est à l’enfant
majeur de faire les démarches nécessaires pour que
son consentement soit acté sous la forme d’un acte de
changement de nom. Il est bien question d’un acte de
changement de nom, pas d’un acte de déclaration de
choix de nom puisqu’on ne lui attribue pas un nouveau
nom, on le modifie en raison du changement de nom
du parent dont la filiation est modifiée.
Si l’enfant majeur en fait la demande, l’officier de
l’état civil n’aura d’autre choix que d’établir un acte de
changement de nom, sans possibilité d’apprécier la
situation qui lui est soumise. Après tout, il ne fait que
mettre le nom de l’enfant en concordance avec le prescrit
de l’article 335 ou de l’article 335ter de l’ancien Code
civil, selon lequel l’enfant ne peut porter d’autre nom
que celui qu’il tient de ses parents.
La décision judiciaire ou l’acte établi par l’officier
de l’état civil dans lequel est acté le nouveau nom du
parent servira de base à l’établissement de l’acte de
changement de nom des enfants.
Le texte table sur un délai d’un an pour faire cette
démarche. On évite ainsi de laisser planer l’incertitude
trop longtemps alors que ce choix affecte une matière
d’ordre public, tout en laissant à l’enfant un certain temps
de réflexion pour déterminer s’il veut continuer à porter
le nom qu’il a déjà depuis de nombreuses années.
Le Conseil d’État fait remarquer à juste titre qu’en
vertu de la présente réforme, un changement de nom
ne peut avoir lieu qu’avec l’accord de l’enfant ayant
atteint l’âge de 12 ans (articles 335, § 4, alinéa 1er,
et 335ter, § 3, alinéa 1er, de l’ancien Code civil). Il en
découle qu’un changement de nom par application de
l’article 335sexies de l’ancien Code civil ne peut pas
s’imposer à l’enfant ayant atteint cet âge. Comme c’est
le cas pour les majeurs, il devra apporter la preuve de
3552/001
DOC 55
36
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
toestemming moeten bewijzen door een verklaring af
te leggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand
die zal leiden tot het opmaken van een akte van naams-
verandering. Deze bepaling werd in die zin aangepast.
Zoals hetgeen voorzien is bij de voornaamsverandering
in geval van wijziging van de registratie van het geslacht,
zal hij daarbij worden bijgestaan door zijn ouders of zijn
wettelijke vertegenwoordiger als hij een niet-ontvoogde
minderjarige is (artikel 370/3, § 4, lid 2 van het voormalige
Burgerlijk Wetboek).
Art. 13
Het betreft een wijziging van louter technische aard, die
de wijziging van een verwijzing beoogt na de opheffing
van artikel 1253ter/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 14
Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 55/2022
van 21 april 2022 geoordeeld dat door niet te voorzien
in een mechanisme van vervangende toestemming bij
een omzetting in een volle adoptie in de situatie dat het
oorspronkelijk land van herkomst de adoptie wel kent,
maar de omzetting niet, huidig artikel 359-2 van het oud
Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22bis van de
Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 3 en 21 van het IVRK, schendt.
Binnen de huidige context van de wet is een aanwijzing
van een voogd ad-hoc immers niet mogelijk wanneer
de omzetting in een volle adoptie van een in België
erkende interlandelijke adoptie die de bestaande band
van afstamming niet verbreekt. In dat geval bepaalt
huidig artikel 359-2 van het oud Burgerlijk Wetboek dat
een dergelijke adoptie in België in een volle adoptie kan
worden omgezet indien de toestemmingen bedoeld in
artikel 361-4, 1°, b) en c) oud BW, zijn gegeven of wor-
den gegeven met het oog op een adoptie met dergelijke
gevolgen.
De toestemmingen bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en
c) oud BW zijn die “van het kind in de adoptie, wanneer
zij vereist is” en die “van de andere personen, instel-
lingen en autoriteiten van wie de toestemming tot de
adoptie is vereist”.
De wet voorziet momenteel niet in een vervangende
toestemming wanneer de vereiste toestemmingen onmo-
gelijk gegeven kunnen worden, omdat de oorspronkelijke
ouders onbekend zijn en er geen wettelijke vertegen-
woordiger is.
son consentement en faisant une déclaration devant
l’officier de l’état civil qui aboutira à l’établissement d’un
acte de changement de nom. Cette disposition a été
adaptée en ce sens. À l’instar de ce qui est prévu pour
le changement de prénom en cas de modification de
l’enregistrement du sexe, il se fera assister dans cette
démarche par ses parents ou son représentant légal s’il
est mineur non émancipé (article 370/3, § 4, alinéa 2,
de l’ancien Code civil).
Art. 13
Il s’agit d’une modification purement technique visant
à modifier un renvoi à la suite de l’abrogation de l’ar-
ticle 1253ter/1, § 3, du Code judiciaire.
Art. 14
Dans son arrêt n° 55/2022 du 21 avril 2022, la Cour
constitutionnelle a jugé qu’en ne prévoyant pas de
mécanisme de consentement de remplacement pour
une conversion en une adoption plénière dans le cas
où le pays initial d’origine connaît l’adoption, mais pas la
conversion, l’actuel article 359-2 de l’ancien Code civil
viole les articles 10, 11 et 22bis de la Constitution, lus en
combinaison ou non avec les articles 3 et 21 de la CIDE.
Dans le contexte actuel de la loi, la désignation d’un
tuteur ad-hoc n’est en effet pas possible lorsque la
conversion en une adoption plénière d’une adoption
internationale reconnue en Belgique ne rompt pas le lien
préexistant de filiation. Dans ce cas, l’actuel article 359-2
de l’ancien Code civil prévoit qu’une telle adoption peut
être convertie en Belgique en une adoption plénière si
les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c), de
l’ancien Code civil ont été donnés ou sont donnés en
vue d’une adoption produisant cet effet.
Les consentements visés à l’article 361-4, 1°, b) et c),
de l’ancien Code civil sont celui “de l’enfant à l’adop-
tion, lorsqu’il est requis” et celui “des autres personnes,
institutions et autorités dont le consentement est requis
pour l’adoption”.
Actuellement, la loi ne prévoit pas de consentement
de remplacement lorsque les consentements requis ne
peuvent pas être donnés parce que les parents d’origine
sont inconnus et qu’il n’y a pas de représentant légal.
37
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Om die reden wordt in artikel 359-2 van het oud
Burgerlijk Wetboek een bijkomend lid ingevoegd dat
voorziet in een mechanisme van vervangende toestem-
ming voor de toestemmingen voorzien in artikel 361-4,
1°, c), zoals ook voorzien is in artikel 361-5 van het oud
Burgerlijk Wetboek.
Art. 15
Deze afdeling beoogt de verduidelijking van de in
artikel 499/19, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek
bedoelde bevoegdheden van de bewindvoerder van
de beschermde persoon die worden verlengd na het
overlijden van de beschermde persoon aan de hand
van een beschikking van de vrederechter, omdat de
erfgenamen er lang over doen zich kenbaar te maken.
Die bevoegdheden werden voor het laatst herzien door
de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepa-
lingen betreffende justitie.
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van Gerechtelijk Wetboek
Art. 16
Dit artikel vult artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek
aan met een tweede lid dat het recht vastlegt van een
derde bij een in gezag van rechterlijk gewijsde gegane
gerechtelijke beslissing om het gezag van gewijsde van
die beslissing in te roepen tegen een persoon die partij
was bij die beslissing, in het kader van een latere pro-
cedure waarin eenzelfde geschilpunt wordt behandeld
(de terminologie in de Franse versie van de tekst werd
gewijzigd van “point litigieux” tot “question litigieuse”
naar aanleiding van een opmerking van de Raad van
State, in advies nr. 72.359.).
Het gaat om de formele bekrachtiging van jurispru-
dentiële beslissingen van het Hof van Cassatie die in
dezelfde richting gaan en door de doctrine omschreven
als “een uitbreiding van de positieve werking van het
gezag van gewijsde” (H. Boularbah, “Vers l’extension de
l’effet positif de la chose jugée au profit d’un tiers à la
décision de justice” noot onder Cass. 26 november 2009,
T.B.H. 2001, 119). Het Hof heeft namelijk de mogelijkheid
bevestigd voor een derde om zich jegens één van de
partijen bij een gerechtelijke beslissing te beroepen op
het gezag van gewijsde van die beslissing, eerst in een
arrest van 26 november 2009 inzake verzekeringen en-
vervolgens deze uitlegging herhaald in een recent arrest
van 9 januari 2020 door het uit te breiden tot het gebied
van hoofdelijke aansprakelijkheid (Cass. 9 januari 2020,
R.G.D.C., 2021/1, 73). De meerderheid van de rechtsleer
C’est pour cette raison qu’il est ajouté à l’article 359-2
de l’ancien Code civil un alinéa prévoyant un mécanisme
de consentement de remplacement des consentements
prévus à l’article 361-4, 1°, c), comme celui prévu à
l’article 361-5 de l’ancien Code civil.
Art. 15
L’objectif de cette section est de clarifier les com-
pétences de l’administrateur de la personne protégée
prolongées après le décès de la personne protégée par
une ordonnance du juge de paix, visées à l’article 499/19,
§ 2, de l’ancien Code civil parce que les héritiers tardent
à se faire connaître. Ces compétences ont été revues
pour la dernière fois par la loi du 21 décembre 2018
portant des dispositions diverses en matière de justice.
CHAPITRE 3
Modifications du Code judiciaire
Art. 16
Le présent article complète l’article 23 du Code judi-
ciaire par un second alinéa qui consacre le droit pour un
tiers à une décision de justice ayant autorité de chose
jugée, d’invoquer l’autorité de chose jugée de cette
décision à l’encontre d’une personne qui y a été partie,
dans le cadre d’une procédure ultérieure lors de laquelle
une même question litigieuse est traitée (la terminologie
utilisée dans la version française du texte a été modifiée
de “point litigieux” à “question litigieuse” à la suite d’une
remarque du Conseil d’État, dans l’avis n° 72.359).
Il s’agit là de la consécration formelle de décisions
jurisprudentielles prises par la Cour de Cassation et
allant dans un même sens, qualifié “d’extension de l’effet
positif de l’autorité de la chose jugée” par la doctrine
(H. Boularbah, “Vers l’extension de l’effet positif de la
chose jugée au profit d’un tiers à la décision de justice”
note sous Cass. 26 novembre 2009, R.D.C., 2011/2,
p. 122). La Cour a en effet affirmé la possibilité pour un
tiers de se prévaloir de l’autorité de la chose jugée qui
s’attache à une décision de justice à l’encontre d’une
des parties à cette décision, d’abord dans un arrêt
du 26 novembre 2009 en matière d’assurances, puis a
réitéré cette interprétation dans un arrêt récent datant
du 9 janvier 2020 en élargissant cette jurisprudence à
la matière d’obligation solidaire (Cass. 9 janvier 2020,
R.G.D.C., 2021/1, p. 73). La doctrine majoritaire semble
3552/001
DOC 55
38
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
blijkt de leer van bovengenoemde beslissingen reeds
een algemene strekking te geven (H. BOULARBAH,
“Vers l’extension de l’effet positif de la chose jugée au
profit d’un tiers à la décision de justice?”, note sous
Cass., 26 novembre 2009, R.D.C., 2011, p. 127, no 9; A.
GILLET, “Des effets processuels indûment prêtés à la
solidarité”, in Questions qui dérangent en droit judici-
aire, coll. CUP, Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 à 259,
n° 19.). Zelfs indien deze benadering niet unaniem is,
beoogt de onderhavige wetswijziging in ieder geval de
algemene toepassing van voornoemde leer van het Hof
van Cassatie definitief en ondubbelzinnig vast te stellen.
Het gezag van gewijsde dat aldus door de derde
wordt ingeroepen tegen zijn wederpartij die partij was bij
de beslissing die tegen hem is gericht, heeft tot gevolg
dat deze wederpartij niet opnieuw zijn argumenten kan
aanvoeren over een vraag of een geschilpunt waarover
reeds bij een eerdere beslissing uitspraak werd gedaan.
Aldus vormt het door de derde ingeroepen gezag van
gewijsde tegen de partij waarop de ingeroepen beslis-
sing betrekking heeft een onweerlegbaar vermoeden.
Dit onweerlegbaar vermoeden kan worden ingeroepen
door de derde, ongeacht of hij verweerder in de verdere
procedure is dan wel eiser. Dit is aanvaardbaar voor
zover het geen afbreuk doet aan het recht op een eer-
lijk proces van de partij die wordt geconfronteerd met
het gezag van gewijsde van een tegen haar gewezen
beslissing, waarvan deze partij reeds in de loop van de
eerdere gerechtelijke procedure de gelegenheid heeft
gehad om haar standpunten en argumenten, zowel in
feite als in rechte, over de besliste kwestie naar voren
te brengen (H. BOULARBAH, op. cit.). Een en ander
veronderstelt natuurlijk wel dat de feitelijke en juridische
context waarin de derde zich erop beroept, identiek is
aan de feitelijke en juridische context waarbinnen de
uitspraak werd gedaan. Het toepassingsgebied van
deze wijziging is derhalve vrij beperkt.
Naar aanleiding van de opmerking van de Raad van
State, in zijn advies nr. 72/359, dient te worden verdui-
delijkt dat de derde bij de beslissing vrij blijft om zich er
al dan niet op te beroepen in een procedure tegen de
partij waarop de beslissing in kwestie betrekking heeft,
net zoals dat de partijen bij een beslissing vrij blijven om
zich op een later tijdstip te beroepen op het gezag van
gewijsde dat aan een eerdere beslissing is gekoppeld.
In dat opzicht dient met name te worden gewezen op
artikel 27 van het Gerechtelijk Wetboek dat de rechter
uitdrukkelijk verbiedt de exceptie van gewijsde ambts-
halve op te werpen tussen dezelfde partijen. De positieve
werking van het gezag van gewijsde vormt namelijk als
onweerlegbaar vermoeden een bewijsmiddel in de zin
van artikel 8.7 van het Burgerlijk Wetboek. Het is dus de
keuze van een partij om dit bewijsmiddel al dan niet op
te werpen. Indien er verschillende beslissingen kunnen
prêter d’ores et déjà une portée générale à l’enseigne-
ment des décisions précitées (H. BOULARBAH, “Vers
l’extension de l’effet positif de la chose jugée au profit
d’un tiers à la décision de justice?”, note sous Cass.,
26 novembre 2009, R.D.C., 2011, p. 127, no 9; A. GILLET,
“Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”,
in Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP,
Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 à 259, n° 19.). Quand bien
même cette approche ne serait pas unanime, la présente
modification législative vise, dans tous les cas, à fixer
définitivement et sans équivoque l’application générale
de l’enseignement précité de la Cour de cassation.
L’autorité de la chose jugée ainsi invoquée par le
tiers à l’encontre de son adversaire qui a été partie à
la décision qui lui est opposée, a pour conséquence
l’impossibilité pour cet adversaire de faire à nouveau
valoir ses arguments sur une question ou un point liti-
gieux ayant d’ores et déjà été tranché par une décision
précédente. Ainsi, l’autorité de la chose jugée opposée
par le tiers à la partie qui a fait l’objet de la décision
invoquée constitue donc une présomption irréfragable.
Cette présomption irréfragable peut être invoquée par
le tiers, que celui-ci soit défendeur à la procédure ulté-
rieure ou demandeur. Elle est acceptable dans la mesure
où elle n’affecte pas le droit au procès équitable de
la partie qui se voit opposer l’autorité de chose jugée
d’une décision dont elle a fait l’objet étant donné que
cette partie a déjà eu l’occasion, dans le cadre de la
procédure judiciaire antérieure, de faire valoir son point
de vue et ses arguments, aussi bien de fait que de droit
sur la question jugée (H. BOULARBAH, op. cit.). Cela
suppose bien entendu que le contexte factuel et juridique
dans lequel le tiers l’invoque soit identique au contexte
factuel et juridique dans lequel la décision a été rendue.
Le champ d’application de la présente modification est
donc relativement limité.
Suite à la remarque du Conseil d’État, dans son
avis n° 72/359, il convient de préciser que le tiers à la
décision reste libre de s’en prévaloir ou non dans le cadre
d’une procédure qui l’oppose à la partie ayant fait l’objet
de la décision en question, tout comme les parties à une
décision restent libres de se prévaloir ultérieurement de
l’autorité de la chose jugée attachée à une décision anté-
rieure. À cet égard, il faut relever notamment l’article 27
du Code judiciaire qui, entre les mêmes parties, interdit
expressément au juge de soulever d’office l’exception de
chose jugée. En effet, l’effet positif de l’autorité de chose
jugée constitue, en tant que présomption irréfragable,
un moyen de preuve au sens de l’article 8.7 du Code
civil. Il relève donc du choix d’une partie de soulever ou
non ce moyen de preuve. Par ailleurs, s’il y a plusieurs
décisions qui peuvent être invoquées, le tiers aura la
possibilité de choisir celle ou celles qu’il invoquera tout
39
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
worden ingeroepen, zal de derde bovendien kunnen
kiezen welke beslissing(en) hij inroept, of beslissen om
geen enkele beslissing in te roepen. Hoewel het klopt dat
de partij bij de eerdere beslissing zich niet zal kunnen
beroepen op het gezag van gewijsde van deze beslis-
sing tegenover zijn nieuwe tegenstander (de derde bij
de ingeroepen beslissing), dient de kritiek van de Raad
van State in zijn advies nr. 72.359 evenwel te worden
genuanceerd door te wijzen op een vaste rechtspraak
op basis waarvan het een feit blijft dat elke gerechte-
lijke beslissing “het rechtsbestel wijzigt”, hoewel het op
grond van het beginsel van de relativiteit van het gezag
van gewijsde niet mogelijk is het gezag van gewijsde
van een beslissing ten aanzien van een derde in te
roepen, en als dusdanig een bepaalde bewijswaarde
met zich meebrengt (zie onder meer A. GILLET, “Des
effets processuels indûment prêtés à la solidarité”, in:
Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP,
Limal, Anthemis, 2021, blz. 256 en 257, nr. 19, cit. A.
Hoc en J.-F. VAN DROOGHENBROECK, Droit judici-
aire, deel 2, Procédure civile, vol. 2, Voies de recours,
blz. 432, nr. 9.263). Ze vormt namelijk een vermoeden
juris tantum – een eenvoudig en wettelijk vermoeden
– dat door de derde kan worden weerlegd middels te-
genbewijs dat in het kader van een latere gerechtelijke
procedure met enig rechtsmiddel wordt aangebracht of
middels derdenverzet (J.-F. VAN DROOGHENBROECK
en F. BALOT, “L’autorité de la chose jugée happée par
la concentration du litige”, in: L’effet de la décision de
justice – Contentieux européens, constitutionnel, civil et
pénal, CUP, vol. 102, Brussel, Anthemis, 2008, blz. 174
tot 176, nr. 35 tot 38).
De voorgaande toelichting komt erop neer dat de
uitbreiding van de positieve werking van het gezag van
gewijsde er effectief toe kan leiden dat er op een be-
paald moment een conflict van positieve werkingen van
het gezag van gewijsde ontstaat, met andere woorden
dat er verschillende tegenstrijdige gerechtelijke beslis-
singen over eenzelfde geschilpunt zijn. De mogelijke
oplossing voor die problematiek lijkt evenwel te liggen
in artikel 1133, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals
geïnterpreteerd door het Hof van Cassatie in zijn arrest van
9 januari 2020, waarin het hof de identiteitsvoorwaarde
van de partijen in het kader van de herroeping van het
gewijsde versoepelt wegens de onverenigbaarheid van
beslissingen die zijn gewezen over hetzelfde onderwerp
en op dezelfde grond.
Met deze wijziging wordt beoogd een definitieve
vaststelling van een geschilpunt in een zelfde feite-
lijke en juridische context mogelijk te maken waarvoor
verschillende afzonderlijke gerechtelijke procedures
kunnen worden gevoerd. Het valt niet te ontkennen dat
de toepassing van een dergelijke regel eventueel zou
kunnen leiden tot een lichte toename van het aantal
comme il pourra décider de n’invoquer aucune d’elles. S’il
est par ailleurs vrai que la partie à la décision antérieure
ne pourra pas se prévaloir de l’autorité de chose jugée
de cette décision face à son nouvel adversaire (le tiers
à la décision invoquée), il importe toutefois d’apporter
une nuance à la critique exprimée par le Conseil d’État
dans son avis n° 72.359, en rappelant une jurisprudence
fermement établie, selon laquelle bien que le principe de
relativité de la chose jugée ne permette pas d’invoquer
l’autorité de chose jugée d’une décision à l’encontre
d’un tiers, il reste que toute décision judiciaire “modifie
l’ordonnancement juridique” et emporte, à ce titre, une
certaine force probante (voir entre autres A. GILLET,
“Des effets processuels indûment prêtés à la solidarité”,
in Questions qui dérangent en droit judiciaire, coll. CUP,
Limal, Anthemis, 2021, pp. 256 et 257, no 19, citant A.
Hoc et J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK, Droit judiciaire,
t. 2, Procédure civile, vol. 2, Voies de recours, p. 432,
n° 9.263). Elle constitue en effet une présomption juris
tantum – une présomption simple et légale – qui peut
être renversée par le tiers au moyen soit d’une preuve
contraire apportée par toute voie de droit dans le cadre
d’une procédure judiciaire ultérieure ou encore par la voie
de la tierce opposition (J.-Fr. VAN DROOGHENBROECK
et Fr. BALOT, “L’autorité de la chose jugée happée par
la concentration du litige”, in L’effet de la décision de
justice – Contentieux européens, constitutionnel, civil et
pénal, CUP, vol. 102, Bruxelles, Anthemis, 2008, p. 174
à 176, n° 35 à 38).
Les développements qui précèdent signifient que
l’extension de l’effet positif de la chose jugée puisse en
effet engendrer l’existence, à un moment donné, d’un
conflit des effets positifs de l’autorité de chose jugée,
c’est-à-dire l’existence de plusieurs décisions judiciaires
contradictoires portant sur une même question litigieuse.
Cette problématique semble toutefois pouvoir trouver
sa solution dans l’article 1133, 3° du Code judiciaire tel
qu’interprété par la Cour de Cassation dans son arrêt
du 9 janvier 2020 dans lequel la Cour assouplit la condi-
tion d’identité des parties dans le cadre de la requête
civile pour motif d’incompatibilité de décisions rendues
sur le même objet et la même cause.
La présente modification vise à permettre de trancher
définitivement une question litigieuse dans le cadre
d’un contexte factuel et juridique identique susceptible
d’impliquer plusieurs procédures judiciaires distinctes.
Il ne peut être ignoré que l’application d’une telle règle
serait éventuellement susceptible d’engendrer une légère
augmentation du nombre de recours de la part de parties
3552/001
DOC 55
40
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
beroepen door partijen die vandaag genoegen zouden
nemen met een rechterlijke beslissing, maar die er de
voorkeur aan zouden geven om, vanaf de inwerkingtre-
ding van de onderhavige wijziging, deze beslissing aan
te vechten om te voorkomen dat deze door een derde
op onweerlegbare wijze tegen hen wordt ingeroepen.
Deze mogelijkheid lijkt evenwel geen reëel gevaar op
te leveren, aangezien, zoals hierboven is vermeld, het
toepassingsgebied van deze wijziging relatief beperkt is
(het is alleen van toepassing wanneer er een beslissing
is gegeven over hetzelfde geschilpunt en er dus sprake
is van een identieke feitelijke en juridische context) en
bovendien zal een eventueel beroep het ten minste
mogelijk maken een geschil definitief te regelen in het
kader van een gebeurtenis die duidelijk een veelvoud
van afzonderlijke gerechtelijke procedures met zich
meebrengt, waardoor het niet meer nodig zal zijn het
betrokken geschilpunt later opnieuw te onderzoeken.
Deze wijziging volgt dus de tendens tot concentratie
van burgerlijke geschillen en maakt het mogelijk de
doelstellingen van proceseconomie, administratieve
vereenvoudiging, eerlijkheid tussen de partijen en snelle
geschillenbeslechting te bereiken, bijvoorbeeld in het
kader van verzekeringsgeschillen, hoofdelijke schulden of
zelfs in het kader van massaschade of collectief verhaal
waarvoor bijvoorbeeld de fout van de vervolgde persoon
of personen slechts eenmaal hoeft te worden bewezen.
Wat dit laatste punt betreft, is het nuttig te verwijzen
naar de Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2020 betref-
fende representatieve vorderingen ter bescherming van
de collectieve belangen van consumenten en tot intrek-
king van Richtlijn 2009/22/EG. Artikel 15 van die richtlijn
bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat een
beslissing waarbij de beroepsaansprakelijkheid wordt
vastgesteld, het bewijs vormt van de aansprakelijkheid
van de beroepsbeoefenaar jegens een consument die
schade heeft geleden als gevolg van een inbreuk in het
kader van een latere vordering tot schadevergoeding die
tegen dezelfde beroepsbeoefenaar wegens dezelfde
inbreuk wordt ingesteld. De voorgestelde wijziging van
artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek zou tot op ze-
kere hoogte bijdragen tot de omzetting van dit nieuwe
beginsel dat in de bovengenoemde richtlijn is vervat.
Art. 17
Dit artikel maakt het mogelijk een kamer voor min-
nelijke schikking op te richten binnen de burgerlijke
rechtbank van de rechtbank van eerste aanleg (artikel 76
van het Gerechtelijk Wetboek). Naar aanleiding van de
opmerkingen van de Raad van State en de Hoge Raad
voor Justitie moet worden voorzien in de oprichting
van ten minste één kamer in alle rechtbanken/hoven
van elk arrondissement om de gelijkheid tussen de
qui se contenteraient aujourd’hui d’une décision judiciaire,
mais préfèreraient, à partir de l’entrée en vigueur de la
présente modification, la contester afin d’éviter de voir
cette décision invoquée à leur encontre par un tiers
de manière irréfragable. Cette potentialité ne semble
toutefois pas constituer un réel danger dans la mesure
où, comme susmentionné, la présente modification a
un champ d’application relativement restreint (elle n’est
applicable que lorsqu’il y a une décision rendue sur une
même question litigieuse, c’est-à-dire dans le cadre d’un
contexte factuel et juridique identique) et par ailleurs,
un éventuel recours permettra à tout le moins de fixer
définitivement une question litigieuse dans le cadre d’un
évènement manifestement susceptible d’impliquer une
multiplicité de procédures judiciaires distinctes, ce qui
impliquera qu’il ne sera plus nécessaire ultérieurement
de réexaminer la question litigieuse en cause. La pré-
sente modification s’inscrit ainsi dans le mouvement de
concentration des litiges de droit civil et permet d’atteindre
les objectifs d’économie procédurale, de simplification
administrative, de loyauté entre les parties, et de réso-
lution rapide des litiges, par exemple dans le cadre du
contentieux des assurances, dans le cadre des dettes
solidaires ou encore dans le cadre de dommages de
masse ou de réparations collectives pour lesquels une
faute dans le chef de la ou les personne(s) poursuivie(s)
ne devra, par exemple, être prouvée qu’une seule fois.
Sur ce dernier point, il est utile de faire référence à la
directive (UE) 2020/1828 du Parlement européen et
du Conseil du 25 novembre 2020 relative aux actions
représentatives visant à protéger les intérêts collectifs
des consommateurs et abrogeant la directive 2009/22/
CE. Cette directive prévoit en son article 15 l’obligation
pour les États membres de s’assurer qu’une décision
déclaratoire de responsabilité professionnelle constitue
une preuve de responsabilité du professionnel envers
le consommateur lésé par une infraction dans le cadre
d’une action en réparation ultérieure intentée envers
le même professionnel et pour la même infraction. La
modification de l’article 23 du Code judiciaire, tel que
proposée, permettrait dans une certaine mesure de
transposer ce nouveau principe contenu dans la direc-
tive précitée.
Art. 17
Cet article permet de créer une chambre de règlement
à l’amiable au sein du tribunal civil du tribunal de première
instance (article 76 du Code judiciaire). À la suite des
remarques du Conseil d’État et du Conseil supérieur de
la Justice, la création d’au moins une chambre doit être
prévue dans tous les tribunaux/cours de chaque arron-
dissement afin d’assurer l’égalité entre les justiciables.
Il ne s’agit plus d’une option laissée à l’appréciation du
41
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
rechtzoekenden die worden berecht te waarborgen. Dit
is niet langer een optie die aan de beoordeling van de
voorzitter van de rechtbank wordt overgelaten, zoals
aanvankelijk de bedoeling was. Wanneer de rechtbanken
die in meerdere afdelingen zijn verdeeld ten minste één
van de afdelingen een dergelijke kamer instelt om de
rechtzoekende de mogelijkheid te bieden er een beroep
op te doen zonder naar een ander arrondissement te
moeten gaan.
Art. 18
Op het vlak van de samenstelling van de kamer voor
minnelijke schikking van de burgerlijke rechtbank bepaalt
artikel 78, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013, reeds dat elke
kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleen-
rechtsprekende rechter die de door het Instituut voor
gerechtelijke opleiding verstrekte gespecialiseerde
opleiding heeft gevolgd.
Met de wijziging van dit lid wordt beoogd aan te ge-
ven welk soort opleiding moet worden gevolgd om als
rechter in de kamer voor minnelijke schikking te kunnen
zetelen. Het gaat om een gespecialiseerde opleiding van
het Instituut voor gerechtelijke opleiding voor verzoening
of doorverwijzing naar bemiddeling, die verschilt van de
basisopleiding.
Voorts is bepaald dat ook plaatsvervangende rechters
in deze kamer kunnen zetelen, mits zij dezelfde soort
opleiding hebben gevolgd (gespecialiseerde opleiding
van het Instituut voor gerechtelijke opleiding voor ver-
zoening en bemiddeling).
Art. 19
Artikel 79, 8, van het Gerechtelijk Wetboek is in-
gevoegd bij de wet van 30 juli 2013. De voorgestelde
wijziging is bedoeld om de oplossing van artikel 734/4,
§ 4, betreffende de regel van de terugtrekking van een
rechter weer te geven. Wij verwijzen naar de toelichting
bij dat artikel. Deze oplossing geldt voor alle kamers
voor minnelijke schikking, met inbegrip van die welke
binnen de familierechter zijn ingesteld. Voor het overige
blijft de bepaling ongewijzigd.
Art. 20
De eerste wijziging in artikel 81 van het Gerechtelijk
Wetboek maakt het mogelijk een kamer voor minnelijke
schikking op te richten binnen de arbeidsrechtbank. We
président du tribunal comme cela avait été initialement
envisagé. Lorsque les tribunaux sont répartis en plu-
sieurs divisions, au moins une des divisions créée une
telle chambre afin d’offrir l’opportunité au justiciable de
pouvoir y recourir sans devoir se rendre dans un autre
arrondissement.
Art. 18
Au niveau de la composition de la chambre de règle-
ment à l’amiable du tribunal civil, l’article 78, alinéa 7,
du Code judiciaire inséré par la loi du 30 juillet 2013
prévoyait déjà que chaque chambre de règlement à
l’amiable est composée d’un juge unique ayant suivi
la formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire.
La modification apportée à cet alinéa vise à préciser
le type de formation à suivre pour pouvoir siéger comme
juge dans la chambre de règlement à l’amiable. Il s’agit
de la formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation
qui se distingue de la formation de base.
Par ailleurs il est précisé que les juges suppléants
peuvent également siéger dans cette chambre à condi-
tion d’avoir suivi le même type de formation (formation
spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation).
Art. 19
L’article 79, alinéa 8, du Code judiciaire avait été inséré
par la loi du 30 juillet 2013. La modification proposée
vise à refléter la solution retenue par l’article 734/4, § 4,
concernant la règle du déport d’un juge. Nous renvoyons
au commentaire relatif à cet article. Cette solution pré-
vaut pour toute les chambres de règlement à l’amiable,
y compris celles créées au sein du tribunal de la famille.
Pour le surplus, la disposition reste inchangée.
Art. 20
La première modification opérée à l’article 81 du Code
judiciaire permet de créer une chambre de règlement à
l’amiable au sein du tribunal du travail. Nous renvoyons
3552/001
DOC 55
42
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verwijzen hierbij naar de toelichting bij de wijziging van
artikel 76van het Gerechtelijk Wetboek.
De tweede wijziging is zuiver technisch. Zij strekt ertoe
te verwijzen naar de in het vorige lid bedoelde kamers.
Op het vlak van de samenstelling van de kamer (derde
wijziging) wordt rekening gehouden met het specifieke
karakter van die rechtbank waarvan de zetel uit zowel
een beroepsmagistraat en uit bestaat, in dit geval uit
rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is ten
behoeve van werkgever en de andereten behoeve van
de werknemer. Dat is een meerwaarde voor de dynamiek
van de procedure en de zoektocht naar oplossingen.
De magistraten moeten allemaal de door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecia-
liseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing
naar bemiddeling hebben gevolgd. Het zou inderdaad
geen zin hebben om van beroeps-, ondernemings- of
sociale rechters te eisen dat zij de IGO-opleiding volgen
wanneer zij bijvoorbeeld de opleiding tot erkend bemid-
delaar hebben gevolgd.
Art. 21
De wijziging in artikel 84 van het Gerechtelijk Wetboek
maakt het mogelijk een kamer voor minnelijke schikking
op te richten binnen de ondernemingsrechtbank volgens
hetzelfde model als die binnen de arbeidsrechtbank. We
verwijzen hierbij naar de toelichting bij de wijziging van
de artikelen 76 en 81 van het Gerechtelijk Wetboek. Op
het vlak van de samenstelling van de kamer wordt, net
als voor de arbeidsrechtbank, rekening gehouden met
het specifieke karakter van die rechtbank waarvan de
zetel uit zowel een beroepsmagistraat als uit rechters
in ondernemingszaken bestaat.
Art. 22
Dit artikel voorziet in de oprichting van een kamer
voor minnelijke schikking binnen het hof van beroep.
Naar het voorbeeld van de rechtbanken van eerste
aanleg moet de oprichting van ten minste een kamer
voor minnelijke schikkingworden voorzien. In de kamers
voor minnelijke schikking van het hof van beroep te
Brussel die reeds enkele jaren zijn ingesteld door het
pilootproject kan op basis van het hoge aantal schik-
kingen worden verondersteld dat dit soort maatregel,
naast de reeds vermelde voordelen voor de partijen,
op termijn ook zal bijdragen tot een vermindering van
de aanzienlijke achterstand van die hoven in het alge-
meen en in Brussel in het bijzonder. Voorts is het, zoals
aux commentaires relatifs à la modification de l’article 76
du Code judiciaire.
La deuxième modification est d’ordre purement tech-
nique. Elle vise à renvoyer aux chambres adéquates
visées à l’alinéa précédent.
Au niveau de la composition de la chambre (troisième
modification), il est tenu compte de la spécificité de ce
tribunal dont le siège est à la fois constitué de d’un juge
de carrière et de juges sociaux dont l’un est nommé
au titre d’employeur et l’autre au titre de travailleur. Il
s’agit d’un atout pour la dynamique du processus et la
recherche de solutions.
Les magistrats doivent tous avoir suivi la formation
spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation. Cela n’aurait en
effet pas de sens d’exiger de juges de carrière, consu-
laires ou sociaux de suivre la formation de l’IFJ alors
qu’ils ont, par exemple, suivi la formation pour devenir
médiateur agréé.
Art. 21
La modification opérée à l’article 84 du Code judiciaire
permet de créer une chambre de règlement à l’amiable
au sein du tribunal du l’entreprise sur le même modèle
que celui du tribunal du travail. Nous renvoyons aux
commentaires relatifs à la modification des articles 76
et 81 du Code judiciaire. Au niveau de la composition
du tribunal, il est tenu compte, comme pour le tribunal
du travail, de la spécificité de ce tribunal dont le siège
est à la fois constitué d’un juge de carrière et de juges
consulaires.
Art. 22
Cet article crée une chambre de règlement à l’amiable
au sein de la cour d’appel. À l’instar des tribunaux de
première instance, la création d’au moins une chambre
de règlement à l’amiable doit être prévue. Dans les
chambres de règlement à l’amiable de la cour d’appel
de Bruxelles mises en place par le projet-pilote depuis
quelques années, le taux élevé d’accords permet de
supposer que ce type de mesure, outre les avantages
déjà mentionnés pour les parties, contribuera également à
terme à l’allégement de l’important arriéré que connaisse
ces cours en général et à Bruxelles, en particulier. Par
ailleurs, comme mentionné par deux magistrates à la
cour d’appel de Bruxelles (A-S. Favart et L. Massart),
43
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vermeld door twee magistraten bij het hof van beroep
te Brussel (A.-S. Favart en L. Massart), “in tegenstelling
tot wat men a priori zou kunnen denken geen laattijdige
en nutteloze stap om een minnelijke schikking voor te
stellen in hoger beroep, na een jarenlange procedure
(…). De ervaring leert dat na vaak – helaas – jarenlange
procedures en met een vonnis in handen dat het geschil
reeds een keer heeft beslecht, de partijen dikwijls enige
afstand hebben genomen van het conflict dat hen tegen
elkaar opzet, de financiële en emotionele last van een
gerechtelijke procedure hebben ondervonden en over
het algemeen hebben bepaald wat in dat stadium voor
hen het belangrijkst is. Het kan gaan om financiële
belangen, maar eveneens om economische of eenvou-
digweg relationele belangen, die in het kader van een
minnelijke schikking naar voren kunnen treden.” (vert.).
De formulering van artikel 101, § 2, vijfde lid, wordt
licht herwerkt om rekening te houden met de “officiële”
oprichting van de kamer voor minnelijke schikking en
de samenstelling ervan te verduidelijken. De kamer voor
minnelijke schikking bestaat aldus uit een alleenzittend
raadsheer, die de door het Instituut voor gerechtelijke
opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding
inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling
heeft gevolgd.
Art. 23
Met deze wijziging wordt beoogd een lid in te voegen
waarin wordt bepaald dat plaatsvervangende raadslieden
die zitting hebben in de kamer voor minnelijke schikking
de gespecialiseerde opleiding van het Instituut voor
gerechtelijke opleiding voor verzoening en bemiddeling
hebben gevolgd.
Art. 24
Er wordt een kamer voor minnelijke schikking inge-
steld bij de arbeidshoven. Naar het voorbeeld van de
arbeidsrechtbank wordt rekening gehouden met het
specifieke karakter van de samenstelling van dit hof.
De zetel bestaat uit zowel een beroepsmagistraat (een
raadsheer) als uit raadsheren in sociale zaken, van
wie de ene benoemd is ten behoeve van de werkgever
en de andere ten behoeve van dewerknemer. Ze moe-
ten allemaal een door het Instituut voor gerechtelijke
opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding
inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling
hebben gevolgd.
“contrairement à ce que l’on pourrait croire a priori, propo-
ser une conciliation en degré d’appel, après des années
de procédure, n’est pas une démarche tardive et inutile,
(…). L’expérience a démontré qu’après souvent – mal-
heureusement – des années de procédure et ayant en
main un jugement qui a déjà tranché une fois le litige, les
parties ont souvent pris du recul par rapport au conflit qui
les oppose, ont réalisé le poids financier et émotionnel
d’une procédure en justice et ont généralement identifié
ce qui, à ce stade, est le plus important pour elles. Il peut
s’agir d’enjeux financiers, mais également économiques
ou simplement relationnels et ceux-ci pourront être mis
en exergue dans le cadre d’une conciliation.”.
Le libellé de l’article 101, § 2, alinéa 5, est légèrement
remanié afin de tenir compte de la création “officielle” de
la chambre de règlement à l’amiable et de préciser sa
composition. Ainsi, la chambre de règlement à l’amiable
est composée d’un conseiller unique ayant suivi la for-
mation spécialisée dispensée par l’Institut de formation
judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.
Art. 23
Cette modification vise à insérer un alinéa précisant
que les conseillers suppléants siégeant à la chambre
de règlement à l’amiable doivent avoir suivi la formation
spécialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation.
Art. 24
Une chambre de règlement à l’amiable est instituée
auprès des cours du travail. Il est tenu compte, à l’ins-
tar du tribunal du travail, de la spécificité de cette Cour
quant à sa composition. Le siège est à la fois constitué
d’un conseiller de carrière et de conseillers sociaux,
l’un nommé au titre d’employeur et l’autre au titre de
travailleur. Ils doivent tous avoir suivi une formation spé-
cialisée dispensée par l’institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation.
3552/001
DOC 55
44
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 25
De wijziging in artikel 508/11 van het Gerechtelijk
Wetboek beoogt de stroomlijning van de verslagen die
moeten worden ingediend door de ordes van advocaten
inzake de werking van de juridische tweedelijnsbijstand,
of door de advocaten bij de afsluiting van een zaak.
Daartoe wordt het huidige eerste lid van dat artikel
opgeheven. Het betreft de afsluitende verslagen die de
advocaten overzenden aan het bureau voor juridische
bijstand zodra de zaak is afgesloten. Dat lid overlapt met
artikel 508/19, § 2, dat bepaalt dat de advocaten belast
met de juridische tweedelijnsbijstand verslag doen aan
het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in
dit raam prestaties hebben verricht. Het is derhalve
niet nodig om dat verslag op twee plaatsen te vermel-
den. De meest geschikte plaats om naar dat verslag te
verwijzen, is artikel 508/19, dat betrekking heeft op de
vergoeding van de advocaten, aangezien dat verslag
het document is waarop het bureau zich baseert om
punten toe te kennen.
Artikel 508/11 van het Gerechtelijk Wetboek wordt
licht gewijzigd om te bepalen dat de ordes een verslag
met inzonderheid statistieken bezorgen aan de minister
van Justitie, zoals thans het geval is. De nadere regels
van dat verslag zullen worden bepaald bij koninklijk
besluit en zullen deels berusten op wat reeds bestaat in
het koninklijk besluit van 20 december 1999 houdende
uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding die aan
advocaten wordt toegekend in het kader van de juridi-
sche tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie voor de
kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus
voor juridische bijstand en in het ministerieel besluit van
20 december 1999 tot vaststelling van de nadere regels
betreffende de verslagen bedoeld in de artikelen 508/6,
eerste lid, en 508/11, eerste en tweede lid, van het
Gerechtelijk Wetboek en inzake de controle bedoeld in
artikel 508/19, § 2, van hetzelfde Wetboek.
Art. 26
De eerste wijziging van de huidige paragraaf 2, der-
de lid, van artikel 508/19 heeft tot doel een expliciete
rechtsgrondslag te geven aan de eerste (interne) controle
door de bureaus voor juridische bijstand (BJB) op de
prestaties geleverd door de juridische tweedelijnsbij-
stand advocaten, wanneer zij hun afsluitende verslagen
indienen om vergoed te worden. Het artikel is enigszins
geherformuleerd naar aanleiding van het advies van de
OVB om duidelijk te maken om welke controle het gaat,
aangezien in het huidige tweede lid niet expliciet sprake
is van een controle.
Art. 25
La modification opérée à l’article 508/11 du Code
judiciaire vise à rationaliser les rapports que doivent
remettre les ordres d’avocat à propos du fonctionnement
de l’aide juridique de deuxième ligne ou les avocats lors
de de la clôture d’une affaire.
À cette fin, l’actuel alinéa 1er de cet article est supprimé.
Il vise les rapports de clôture que les avocats transmettent
au bureau d’aide juridique une fois l’affaire clôturée.
Cet alinéa fait double emploi avec l’article 508/19, § 2,
qui prévoit que les avocats chargés de l’aide juridique
de deuxième ligne font rapport au bureau sur chaque
affaire pour laquelle ils ont accompli des prestations à
ce titre. Il n’est dès lors pas nécessaire de mentionner
ce rapport à deux endroits. L’endroit le plus adéquat
pour faire référence à ce rapport est l’article 508/19
qui traite de l’indemnisation des avocats, le rapport
constituant le document sur lequel le bureau se fonde
pour attribuer des points.
L’article 508/11 du Code judiciaire est légèrement
modifié pour prévoir comme c’est le cas actuellement que
les Ordres transmettent un rapport contenant notamment
des statistiques au ministre de la Justice. Les modalités
de ce rapport seront déterminées par arrêté royal et
reposeront en partie sur ce qui existe déjà dans l’arrêté
royal du 20 décembre 1999 contenant les modalités
d’exécution relatives à l’indemnisation accordée aux
avocats dans le cadre de l’aide juridique de deuxième
ligne et relatif au subside pour les frais liés à l’organisation
des bureaux d’aide juridique et dans l’arrêté ministériel
du 20 décembre 1999 déterminant les modalités relatives
aux rapports visés aux articles 508/6, alinéa 1er, et 508/11,
alinéas 1er et 2, du Code judiciaire et au contrôle visé à
l’article 508/19, § 2, du même Code.
Art. 26
La première modification à l’actuel paragraphe 2, ali-
néa 3 de l’article 508/19 vise à donner une base légale
explicite au 1er contrôle (interne) opéré par les bureaux
d’aide juridique (BAJ) sur les prestations accomplies
par les avocats dans le cadre de l’aide juridique de
deuxième ligne lorsqu’ils remettent leurs rapports de
clôture afin d’être indemnisés. L’article a été légèrement
reformulé après avis de l’OVB afin de bien préciser de
quel contrôle il s’agit car l’actuel alinéa 2 ne mentionne
pas explicitement un contrôle.
45
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De invoeging van de nieuwe paragraaf 2/1 in ar-
tikel 508/19 verankert de permanente audit, die zal
uitgevoerd worden door onafhankelijke auditeurs en sub-
auditeurs. De audit wordt overkoepelend georganiseerd,
los van het taalgebied en de balies, en zal bestaan uit
de verificatie van de per rechtstak eindverslagen, dat
wil zeggen de juistheid van de aanwijzingen, de kwaliteit
van het werk, de realiteit van de verleende diensten en
ook de verificatie van de wijze waarop de bureaus voor
juridische tweedelijnsbijstand deze interne controle uit-
voeren. De OVB en de OBFG zijn verantwoordelijk voor
de organisatie van de audit. In overeenstemming met het
advies van de OVB is een technische wijziging nodig om
de verwijzing naar het verzenden van de conclusies van
de audit naar de communautaire ordes te schrappen.
Het is niet logisch dat deze conclusies aan hen worden
toegezonden wanneer zij zelf de audit uitvoeren.
In de tweede lid wordt overgenomen wat thans in § 2,
derde lid, staat, namelijk dat de stafhouder na afloop
van de controles het totale aantal punten van zijn balie
moet meedelen aan de communautaire ordes, die alles
aan de minister van Justitie meedelen.
Paragraaf 3 wordt gewijzigd om de minister in staat
te stellen zo nodig een aanvullende controle te laten
uitvoeren, zoals gevraagd door het Rekenhof. De details
van deze controle worden door de minister vastgesteld
na overleg met de orders. De rest van de alinea over de
betaling is een copy/paste van wat momenteel bestaat. Er
wordt alleen gezegd dat de betalingswijzen bij koninklijk
besluit zullen worden vastgesteld. In overeenstemming
met het advies van de Raad van State is de fout in de
verwijzing (tweede lid en niet derde lid) gecorrigeerd.
De laatste wijziging strekt ertoe in lid 4 de woorden
“de berekeningswijze” te schrappen. De waarde van het
punt zal bij koninklijk besluit worden vastgesteld.
Art. 27
Overeenkomstig artikel 508/19bis van het Gerechtelijk
Wetboek wordt er in een jaarlijkse subsidie voorzien voor
de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus
voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van
de FOD Justitie. Deze stemt overeen met een forfaitair
percentage van 8,108 % van de totaliteit aan vergoedin-
gen die aan de advocaten worden toegekend.
De verdere uitvoeringsmodaliteiten worden bepaald
in het koninklijk besluit van 20 december 1999 hou-
dende uitvoeringsbepalingen inzake de vergoeding
die aan advocaten wordt toegekend in het kader van
L’insertion du nouveau paragraphe 2/1 à l’article 508/19
consacre l’audit continu, qui sera réalisé par des audi-
teurs et des chefs auditeurs indépendants. L’audit sera
organisé de manière transversale, indépendamment
de la région linguistique et des barreaux, et consistera
en la vérification des rapports clôturés par branche
du droit à savoir l’exactitude des désignations, la qua-
lité du travail, la réalité des prestations accomplies et
également dans la vérification de la manière dont les
bureaux d’aide juridique effectuent ce contrôle interne.
L’OVB et l’OBFG sont responsables de l’organisation
de l’audit. Conformément à l’avis de l’OVB, une modi-
fication technique est nécessaire pour supprimer la
référence à l’envoi des conclusions de l’audit aux ordres
communautaires. En effet, il n’est pas logique que ces
conclusions leur soient envoyées alors qu’ils procèdent
eux-mêmes à cet audit.
Le deuxième alinéa reprend ce qui figure actuellement
dans le paragraphe 2, alinéa 3 à savoir que le bâtonnier
une fois les contrôles terminés doit communiquer le
total des points de son barreau aux ordres, lesquels
communiquent le tout au ministre de la Justice.
Le paragraphe 3 est modifié en vue de permettre au
ministre, si nécessaire, de faire effectuer un contrôle sup-
plémentaire, comme souhaité par la Cour des Comptes.
Les modalités de ce contrôle seraient déterminées par
le ministre après consultation des ordres. Le reste du
paragraphe concernant le paiement est un copier/coller
de ce qui existe actuellement. Il est simplement précisé
que les modalités du paiement seront précisées par
arrêté royal. Conformément à l’avis du Conseil d’État,
l’erreur de renvoi (l’alinéa 2 et pas l’alinéa 3) est corrigée.
La dernière modification vise à supprimer dans le
paragraphe 4 les mots “le mode de calcul”. La valeur
du point sera fixée dans un arrêté royal.
Art. 27
Conformément à l’article 508/19bis du Code judiciaire,
une subvention annuelle est prévue pour les frais liés
à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à charge
du budget du SPF Justice. Cela correspond à un taux
forfaitaire de 8,108 % du total des indemnités accordés
aux avocats.
Les modalités d’exécution détaillées sont reprises
dans l’arrêté royal du 20 décembre 1999 fixant les
dispositions d’exécution relatives à l’indemnisation
accordée aux avocats dans le cadre de l’aide juridique
3552/001
DOC 55
46
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de juridische tweedelijnsbijstand en inzake de subsidie
voor de kosten verbonden aan de organisatie van de
bureaus voor juridische bijstand.
Het zijn de Communautaire Ordes die het totale bedrag
verdelen over de verschillende bureaus rechtsbijstand.
Dit gebeurt volgens de verhouding bekomen door het
rekenkundig gemiddelde te maken van de percentages
van, respectievelijk, het aantal aanstellingen, het aantal
geleverde prestaties en het aantal punten, verminderd
met de punten voor de verplaatsingsonkosten van de
advocaten, gedurende het gerechtelijk jaar dat afloopt
tijdens het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking
heeft.
De minister van Justitie zal de gestorte bedragen terug-
vragen indien deze hoger zouden zijn dan de werkelijke
en bewezen kosten verbonden aan de organisatie van
de bureaus voor juridische bijstand. De terugvordering
van de bedragen bij de betreffende balie kan ook op de
navolgende subsidies worden toegerekend.
Uit de beschikbare data blijkt dat de totaliteit aan
vergoedingen aan advocaten verhoogt. Dit komt onder
meer door de impact van de wet van 31 juli 2020 (Doc.
55-0175) die de inkomensgrenzen voor de toegang tot
(gedeeltelijke) kosteloze juridisch bijstand opeenvolgend
verhoogt. Hierdoor doen meer personen beroep op
juridische tweedelijnsbijstand. De reële vaste kosten
verbonden aan de organisatie van de bureaus voor
juridische bijstand stijgen evenwel niet recht evenredig
mee met het budget voorzien voor de toename van het
aantal personen dat een beroep doet op rechtsbijstand;
en bijgevolg voor de vergoedingen van de advocaten.
Er zijn hier zeker schaalvoordelen te realiseren.
Door het actuele forfaitair percentage (8,108 %) van
de totaliteit aan vergoedingen die aan de advocaten
worden toegekend, zouden hierdoor de subsidie voor
de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus
voor juridische bijstand exponentieel toenemen.
Dit temeer er niet alleen meer dossiers zijn door
de verhoging van de inkomensgrenzen, maar ook de
vergoeding voor de geleverde prestaties structureel
stijgt door de indexering van de puntwaarde. Dit ge-
beurde vorig jaar voor het gerechtelijk jaar 2020-2021
(81,23 EUR) en ook dit jaar voor het gerechtelijk jaar
2021-2022 (90,36 EUR). Deze indexering van de punt-
waarde zal voor de komende jaren verankerd worden. Dit
zorgt niet alleen voor een verhoging van de vergoeding
voor de prestaties van de juridische tweedelijnsbijstand,
maar ook voor een grotere basis waarop de bureau-
kosten berekend worden en financiële zekerheid en
de deuxième ligne et relatives à la subvention pour les
frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique.
Ce sont les Ordres communautaires qui répartissent le
montant total entre les différents bureaux d’aide juridique.
Ceci s’effectue selon la proportion obtenue en faisant
la moyenne arithmétique des pourcentages, respecti-
vement, du nombre des désignations, des prestations
effectuées et du nombre de points, diminués des points
alloués pour les déplacements des avocats, de l’année
judiciaire se terminant durant l’année civile à laquelle
se rapporte le subside.
Le ministre de la Justice récupéra les montants versés
s’ils dépassent les coûts réels et prouvés liés à l’organi-
sation des bureaux d’aide juridique. La récupération des
montants auprès du barreau concerné peut s’imputer
sur les subsides subséquents.
Les données disponibles montrent que la totalité des
indemnités versées aux avocats est en augmentation.
Cela est dû en partie à l’impact de la loi du 31 juillet 2020
(Doc. 55-0175) qui augmente successivement les limites
de revenus pour l’accès à l’aide juridique (partiellement)
gratuite. En conséquence, davantage de personnes ont
recours à l’aide juridique de deuxième ligne. Cependant,
les coûts fixes réels du bureau d’aide juridique n’aug-
mentent pas en proportion avec le budget consacré à
l’augmentation du nombre de personnes qui ont recours
à l’aide juridique et par conséquent des rétributions
versées aux avocats. Il y a certainement des économies
d’échelle à réaliser.
Compte tenu du taux forfaitaire actuel (8,108 %) de
la totalité des indemnités allouées aux avocats, la sub-
vention pour les coûts liés à l’organisation des bureaux
d’aide juridique augmenterait de façon exponentielle.
D’autant plus que, non seulement les dossiers sont
plus nombreux en raison de l’augmentation des pla-
fonds de revenus, mais aussi que la rémunération des
services rendus augmente structurellement en raison
de l’indexation de la valeur du point. C’est ce qui s’est
passé l’année dernière pour l’année judiciaire 2020-2021
(81,23 euros) et également cette année pour l’année
judiciaire 2021-2022 (90,36 euros). Cette indexation
de la valeur du point sera maintenue pour les années à
venir. Cela garantit non seulement une augmentation de
la rémunération pour les prestations de l’aide juridique
de deuxième ligne mais aussi une base plus large sur
47
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voorspelbaarheid voor de vergoeding van de advocaten
en de bureaus.
Het is in dat opzicht dat een verlaging van het per-
centage (gerekend op een bredere basis) van 8,108 %
naar 7 % verantwoord is.
In een periode van precaire overheidsfinanciën dienen
de modaliteiten inzake de toekenning van subsidies
overeen te komen met de werkelijke noden op het terrein.
Het is de bedoeling dat een uitvoeringsbesluit een
standaardisering van de raming van de kostensoorten
voor de bureaus bepaalt. Daarbij zullen duidelijke criteria
worden vastgelegd inzake, onder andere, de personeels-
kosten, de werkingskosten, de investeringskosten en
onverwachte uitgaven. Gelet op het feit dat op nationaal
niveau een applicatie voor het beheer de tweedelijnsbij-
stand wordt voorzien door de Communautaire Ordes,
zal de subsidie ook daar deels voor worden gebruikt.
De Koning kan evenwel bij een in Ministerraad overlegd
koninklijk besluit afwijken van het maximumpercentage
van 7 %. Dit op gemotiveerde aanvraag van de Ordes
op basis van aangetoonde kosten. In overeenstemming
met het advies van de Raad van State wordt, om de
reikwijdte van de delegatie af te bakenen, gespecificeerd
dat deze uitzondering alleen mogelijk is in specifieke
gevallen. Dit is een uitzondering met een individuele
draagwijdte en geen verordenende draagwijdte. Het
gaat om specifieke uitzonderingen die noodzakelijk
zijn geworden door de bevindingen van de balies op
basis van bewezen kosten. Deze uitzondering geldt per
definitie voor het betrokken jaar.
Art. 28, 30 en 36
In hoofdstuk I “Minnelijke oplossingen van geschillen”
van boek II van deel IV, van het Gerechtelijk Wetboek
worden verschillende nieuwe afdelingen ingevoegd. De
eerste bestaat uit het huidige artikel 730/1 en heeft als
opschrift “Algemene bepaling”. Het doel van dat artikel,
dat is ingevoegd bij de wet van 18 juni 2018, is redelijk
algemeen en het strekt hoofdzakelijk ertoe de rechter
de mogelijkheid te bieden de aandacht van de partijen
te vestigen op de minnelijke oplossing van conflicten
en ze eventueel daarnaar door te verwijzen. Afdeling II
bestaat uit de artikelen 731 tot 734 met betrekking tot
de verzoening of minnelijke schikking, waarvan de defi-
nitie uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet
van 21 februari 2005 tot wijziging van het Gerechtelijk
Wetboek in verband met de bemiddeling de volgende
is: een vreedzame wijze om geschillen te regelen dank-
zij welke de partijen met het oog op de beëindiging
laquelle les frais des bureaux d’aide juridique seront
calculés ainsi qu’une sécurité financière et une prévisi-
bilité pour la rémunération des avocats et des bureaux.
C’est à ce titre qu’une réduction du taux (calculé sur
une base plus large) de 8,108 % à 7 % est justifiée.
Dans une période de précarité des finances publiques,
les modalités d’attribution des subventions doivent cor-
respondre aux besoins réels sur le terrain.
Il est envisagé qu’un arrêté de mise en œuvre définisse
une standardisation de l’estimation des types de coûts
pour les bureaux. Cela permettra d’établir des critères
clairs notamment sur les frais de personnel, les frais de
fonctionnement, les frais d’investissement et les dépenses
imprévues. Étant donné qu’une application de gestion
de l’aide juridique de deuxième ligne est envisagée au
niveau national par les Ordres Communautaires, une
partie de la subvention sera également utilisée à cet effet.
Le Roi peut toutefois déroger au taux maximal de 7 %
par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
Ceci à la demande motivée des Ordres sur base de
coûts démontrés. Conformément à l’avis du Conseil
d’État, pour circonscrire la portée de la délégation, il est
précisé que cette dérogation n’est possible que dans
des cas spécifiques. Il s’agit d’une exception de portée
individuelle et non réglementaire. Elle vise des déroga-
tions précises rendues nécessaires, par les constats
qui sont remontés des barreaux vers les Ordres, sur
base de frais démontrés. Cette exception s’opère par
définition pour l’année concernée.
Art. 28, 30 et 36
Dans le chapitre Ier, intitulé les modes amiables de
résolution des litiges, du livre II de la quatrième partie
du Code judiciaire, plusieurs nouvelles sections sont
créées. La première comprend l’actuel article 730/1 et
s’intitule “Disposition générale”. Cet article inséré par la
loi du 18 juin 2018 a une vocation assez générale et vise
essentiellement à permettre au juge d’attirer l’attention des
parties sur les modes amiables de résolution des conflits
et éventuellement de les y renvoyer. La deuxième section
comprend les articles 731 à 734 relatifs à la conciliation
dont la définition extraite des travaux préparatoires de
la loi du 21 février 2005 modifiant le Code judiciaire en
ce qui concerne la médiation est la suivante: un mode
pacifique de règlement des différends grâce auquel les
parties s’entendent soit directement, soit par l’entremise
d’un tiers pour mettre un terme à leur litige (proposition
de loi modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la
3552/001
DOC 55
48
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van hun geschil elkaar hetzij rechtstreeks verstaan,
hetzij via een derde (wetsvoorstel tot wijziging van het
Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling,
toelichting, Gedr. St., Kamer, gewone zitting 2003-2004,
nr. 51-327/001, 23 oktober 2003, blz. 7). Afdeling III is
gewijd aan de werking van en de aanhangigmaking bij
de kamer voor minnelijke schikking.
De wet van 18 juni 2018 had de tekst van artikel 731
met betrekking tot de minnelijke schikking reeds lees-
baarder gemaakt door de in 2013 ingevoegde bepalingen
inzake de “procedure voor minnelijke schikking” die enkel
was ingesteld voor de kamers voor minnelijke schikking
van de familierechtbank en de familiekamers van het
hof van beroep te schrappen en ze te verplaatsen naar
artikel 1253ter/1, § 3. Aangezien in dit ontwerp wordt
bepaald dat die kamer voor minnelijke schikking die aan-
vankelijk was opgericht voor de familierechtbank wordt
uitgebreid naar alle hoven en rechtbanken in burgerlijke
en ondernemingszaken en in sociale zaken, moet worden
voorzien in een afdeling die volledig is gewijd aan de
werking van die kamer en die dienst kan doen voor alle
rechtscolleges die die kamers voor minnelijke schikking
instellen en niet enkel voor de familiale rechtscolleges. De
invoeging van een afzonderlijke afdeling biedt tevens de
mogelijkheid om de regels die reeds werden vastgelegd
bij de oprichting van de kamers voor minnelijke schikking
van de familierechtbank en die thans zijn opgenomen in
artikel 1253ter/1, § 3 in één enkele afdeling te vermelden
en de handelwijzen die door bepaalde rechtbanken/
hoven op pretoriaanse wijze werden ingevoerd tijdens
pilootprojecten te uniformiseren.
Voorts heeft de oprichting van dat soort kamer, hoewel
die met name werkt volgens het model van minnelijke
schikking (ze kan eveneens opteren voor bemiddeling,
indien ze dat passender acht), niet tot doel de mogelijk-
heid voor elke rechter – zoals bepaald in artikel 731 – om
de partijen precontentieus te verzoenen, te schrappen.
De specifieke bepalingen met betrekking tot de minne-
lijke schikking worden dus als dusdanig behouden met
enkele kleine technische wijzigingen. In tegenstelling
tot wat de Hoge Raad voor Justitie meent, zijn dit niet
twee fundamenteel verschillende procedures. De regels
voor minnelijke schikking volgens het gemene recht zijn
van toepassing op de kamer voor minnelijke schikking,
tenzij anders is bepaald in het specifieke hoofdstuk dat
aan de kamer voor minnelijke schikking is gewijd. Het
is dus niet nodig om de twee te splitsen en alles twee
keer te herhalen. Verwijzing naar de gemene procedure
is dus volledig gerechtvaardigd.
médiation, Développements, Doc. parl., Ch. repr., sess.
ord. 2003-2004, n° 51-327/001 du 23 octobre 2003, p. 7).
La troisième section est consacrée au fonctionnement
et à la saisine de la chambre de règlement à l’amiable.
La loi du 18 juin 2018 avait déjà rendu le texte de
l’article 731 concernant la conciliation plus lisible en
retirant les dispositions insérées en 2013 concernant
la “procédure de conciliation” créée uniquement pour
les chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la
famille et des chambres familiales de la cour d’appel, et
en les déplaçant à l’article 1253ter/1, § 3. Etant donné
qu’il est prévu dans ce projet d’élargir cette chambre
de règlement à l’amiable créée initialement pour le tri-
bunal de la famille à tous les cours et tribunaux civils,
commerciaux et sociaux il est nécessaire de prévoir une
section entièrement consacrée au fonctionnement de
cette chambre qui puisse servir à toutes les juridictions
mettant en place ces chambres de règlement à l’amiable
et pas seulement aux juridictions familiales. La création
d’une section séparée permet aussi de reprendre dans
une seule section les règles déjà définies lors la création
des chambres de règlement à l’amiable du tribunal de la
famille se trouvant actuellement dans l’article 1253ter/1,
§ 3, et d’uniformiser les pratiques mises en place de
manière prétorienne par certains tribunaux/cours dans
des projets-pilotes.
Par ailleurs, même si ce type de chambre fonctionne
notamment selon le modèle de la conciliation (elle peut
également renvoyer en médiation, si elle l’estime plus
appropriée), sa création n’a pas pour but de supprimer la
possibilité pour tout juge, comme le prévoit l’article 731,
de concilier de manière précontentieuse les parties. Les
dispositions spécifiques relatives à la conciliation sont
donc maintenues en l’état avec quelques petites modi-
fications techniques. Contrairement à ce que considère
le Conseil supérieur de la Justice, il ne s’agit donc pas
de deux procédures fondamentalement différentes. Les
règles de la conciliation de droit commun s’appliquent
à la Chambre de règlement à l’amiable sauf dérogation
précisée dans le chapitre spécifique consacrée à la
chambre de règlement à l’amiable. Il n’est donc pas
nécessaire de scinder les deux et de tout répéter 2 fois.
Les renvois vers la procédure de droit commun sont
donc tout à fait justifiés.
49
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 29
Artikel 730/1, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek wordt
licht gewijzigd. Het eerste lid biedt de rechter namelijk
niet de mogelijkheid om de partijen te bevragen over de
wijze waarop zij gepoogd hebben het geschil minnelijk
op te lossen tijdens een rechtspleging in kort geding,
terwijl het hem op grond van het tweede lid is toegestaan
om, zelfs in kort geding, de zaak te verdagen naar een
vaste datum teneinde de partijen in de gelegenheid te
stellen om na te gaan of hun geschil geheel of deels op
minnelijke wijze kan worden opgelost en om daarover
alle nuttige inlichtingen in te winnen. Gelet op de spe-
cifieke aard van de rechtspleging in kort geding, valt de
logica om enige vertraging in dat soort rechtspleging te
willen voorkomen, te begrijpen. Het lijkt echter beter om
de rechter toe te laten de partijen, ook in kort geding,
te kunnen bevragen over wat ze hebben ondernomen
voorafgaand aan het geding, in plaats van hem de mo-
gelijkheid te bieden de zaak te verdagen naar een vaste
datum in dat soort rechtspleging. Om die reden wordt
voorgesteld “Behoudens in kort geding” te schrappen
in het eerste lid, maar in te voegen in het tweede lid.
Art. 31 en 32
Het gaat om een louter technische wijziging die de
verplaatsing van het huidige tweede lid van artikel 731
naar een nieuw artikel (731/1) beoogt. Dat lid heeft
hoofdzakelijk betrekking op de aanhangigmaking van
de minnelijke schikking bij de rechter en staat tussen
twee leden over de minnelijke schikking in het algemeen.
Voor de leesbaarheid verdient het de voorkeur een nieuw
artikel in te voegen voor die bepaling, die verder bijna
ongewijzigd blijft.
Verzoenen pre-contentieux (kosteloos) moet ook
mogelijk gemaakt worden op het niveau van het hof van
beroep en het arbeidshof.
Art. 33
De eerste wijziging in artikel 732 is van louter techni-
sche aard en beoogt de vervanging van de termijn van
8 dagen – de gewone termijn van dagvaarding – door
een termijn van een maand. De kamers voor minnelijke
schikking houden immers niet alle weken zitting. Ter
naleving van de termijn van 8 dagen zouden de dossiers
dus eerst moeten worden ingeleid voor een klassieke
inleidingskamer en vervolgens doorverwezen naar de
kamers voor minnelijke schikking, hetgeen tijdverlies
betekent. Met deze verlenging van de termijn wordt het
mogelijk om ze rechtstreeks in te leiden voor de kamer
voor minnelijke schikking.
Art. 29
L’article 730/1, § 2, du Code judiciaire est légèrement
modifié. En effet, l’alinéa 1er ne permet pas au juge
d’interroger les parties sur la manière dont elles ont tenté
de résoudre le litige à l’amiable lors d’une procédure en
référé alors que, selon l’alinéa 2, il lui est permit, même
en référé, de remettre la cause à une date fixe, afin de
permettre aux parties de vérifier si leur litige peut être
totalement ou partiellement résolu à l’amiable et de
recueillir toutes les informations utiles en la matière. Eu
égard à la nature spécifique de la procédure en référé,
la logique de vouloir éviter tout retard dans ce genre de
procédure est compréhensible. Toutefois, il semble plus
opportun d’autoriser le juge à pouvoir interroger les parties
sur ce qu’elles ont entrepris avant l’introduction de la
cause, y compris en référé, plutôt que de lui permettre
de remettre la cause à une date fixe dans ce genre de
procédure. C’est la raison pour laquelle il est proposé
de supprimer le “sauf en référé” à l’alinéa 1er mais de
l’insérer dans l’alinéa 2.
Art. 31 et 32
Il s’agit d’une modification purement technique qui
vise à déplacer l’actuel alinéa 2 de l’article 731 dans un
nouvel article (731/1). Cet alinéa concerne essentielle-
ment la saisine du juge en matière de conciliation et se
retrouve entre deux alinéas traitant de la conciliation en
général. Pour plus de lisibilité, il est préférable de créer
un nouvel article pour inclure cette disposition, qui reste
par ailleurs quasi inchangée.
La conciliation précontentieuse (gratuite) doit égale-
ment être possible au niveau de la cour d’appel et de
la cour du travail.
Art. 33
La première modification opérée à l’article 732 est
de nature purement technique et vise à remplacer le
délai de 8 jours, délai ordinaire des citations, par le
délai d’un mois. En effet, les chambres de règlement
à l’amiable ne siègent pas toutes les semaines. Pour
respecter le délai de 8 jours, il faudrait donc introduire
les dossiers d’abord devant une chambre d’introduction
classique et puis les renvoyer devant les chambres de
règlement à l’amiable. Ce qui constitue une perte de
temps. Cet allongement du délai permet de les introduire
directement devant la chambre de règlement à l’amiable.
3552/001
DOC 55
50
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Zoals echter wordt gesuggereerd in het advies van de
Hoge Raad voor de Justitie, is de dagvaardingstermijn,
die een wachttermijn is, bedoeld om de verweerder in
staat te stellen zijn verschijning te organiseren. Zonder
deze wachttermijn zou de rechter de dag na de dag-
vaarding een terechtzitting kunnen houden. Om reke-
ning te houden met zowel de door de magistraten van
de kamers voor minnelijke schikking geuite behoefte,
om de termijn te verlengen tot één maand, als met de
bezorgdheid van de Hoge Raad voor de Justitie wordt
bijgevolg voorgesteld om aan het begin van de zin de
woorden “Onverminderd de in artikel 707 bedoelde
termijn voor dagvaarding” in te voegen.
De tweede wijziging, in het advies van het College van
hoven en rechtbanken voorgesteld door de Antwerpse
arbeidsrechtbanken, voegt twee nieuwe leden toe. Naar
het voorbeeld van wat in de artikelen 1730 en 1731 op
het gebied van de buitengerechtelijke bemiddeling be-
staat, kan het verzoek tot verzoening (precontentieuze
procedure) worden gelijkgesteld met een ingebrekestelling
als bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek
(moratoire interest die een partij zou kunnen opeisen),
voor zover deze de aanspraak op een recht bevat, en
dit om de verzoening te bevorderen door de partij te
beschermen die zou aarzelen om er een beroep op te
doen uit vrees een deel van zijn rechten te verliezen.
Volgens dezelfde logica wordt de verjaring van de
aan dit recht verbonden vordering opgeschort vanaf
het verzoek tot minnelijk schikking tot aan de zitting
(maximaal een maand). Indien de partijen verschijnen,
wordt de schorsing van de verjaringstermijn verlengd
voor de duur van de verzoening (zie artikel 733 van het
Gerechtelijk Wetboek).
Art. 34
In dit artikel worden twee wijzigingen voorgesteld.
De eerste is een wijziging voorgesteld in het advies
van de Hoge Raad voor de Justitie. In het ontwerp
werd aanvankelijk voorgesteld de woorden “worden de
bewoordingen ervan opgetkend” te vervangen door de
woorden “kunnen de bewoordingen ervan worden op-
getekend” om de partijen niet te verplichten hun akkoord
op te tekenen indien zij dat niet wensten. De Hoge Raad
voor de Justitie vond het ongepast om de magistraat
de keuze te geven de voorwaarden van de verzoening
in een proces-verbaal op te tekenen, en stelde daarom
een andere formulering voor: “het proces-verbaal tekent
de bewoordingen ervan op en de uitgifte wordt voorzien
van het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen
daarvan afzien.”.
Toutefois, comme suggéré par l’avis du Conseil supé-
rieur de la Justice, le délai de citation qui est un délai
d’attente vise à permettre au défendeur de s’organiser
afin de comparaître. Sans ce délai d’attente, le juge
pourrait fixer une audience le lendemain de la citation.
Dès lors, en vue de tenir compte à la fois des nécessités
exprimées par les magistrats de chambres de règlement
à l’amiable, d’allonger le délai à un mois, et des pré-
occupations du Conseil supérieur de la Justice, il est
proposé d’insérer les mots “Sans préjudice du délai de
citation visé à l’article 707” en début de phrase.
La deuxième modification, suggérée dans l’avis du
Collège des cours et tribunaux par les tribunaux du
travail d’Anvers, insère deux nouveaux alinéas. Elle
permet, à l’instar de ce qui existe à l’article 1730 et 1731
en matière de médiation extrajudiciaire, d’assimiler la
demande en conciliation (précontentieuse) à une mise
en demeure visée à l’article 5.240 du Code civil (intérêts
moratoires qu’une partie pourrait réclamer) pour autant
qu’elle contienne la réclamation d’un droit, et ce, afin
de favoriser la conciliation en protégeant la partie qui
hésiterait à y recourir de peur de perdre certains de
ses droits.
Dans même logique, il est prévu de suspendre la
prescription de l’action attachée à ce droit à partir de
la demande en conciliation et ce jusqu’à l’audience de
comparution (maximum un mois). Si les parties compa-
raissent la suspension de la prescription est prolongée
pendant toute la durée de la conciliation (voir article 733
du Code judiciaire).
Art. 34
Cet article propose deux modifications. La première
est une modification suggérée par l’avis du Conseil
supérieur de la Justice. Le projet prévoyait initialement de
remplacer le mot “constate” par les mots “peut constater”
afin de ne pas obliger les parties à constater leur accord
si elles ne le souhaitaient pas. Le Conseil supérieur
de la Justice a estimé qu’il était inapproprié de laisser
au magistrat le choix de constater les conditions de la
conciliation dans un procès-verbal et a donc proposé
une formulation différente: “le procès-verbal en constate
les termes et l’expédition est revêtue de la formule exé-
cutoire, sauf si les parties y renoncent.”.
51
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De tweede wijziging is een voortzetting van die van
het vorige artikel, namelijk dat de rechten van de partijen
tijdens de verzoeningspoging (precontentieuze fase)
worden gevrijwaard door de verjaring van de vordering
te schorsen. Deze maatregel moet het mogelijk maken
de partijen aan te moedigen een poging tot voorafgaande
verzoening te doen zonder te hoeven vrezen dat zij een
deel van hun rechten zullen verliezen. Deze opschorting
eindigt wanneer het einde van de verzoeningsprocedure
wordt vastgesteld door proces-verbaal van verschijning
tot minnelijke schikking overeenkomstig de artikelen 733,
734/2, § 1 en 734/3, § 1, eerste lid.
Art. 35
De invoeging van een nieuw artikel 733/1 laat toe om
het verschil duidelijk te maken tussen een preconten-
tieuze minnelijke schikking (art. 731) en een minnelijke
schikking die plaatsvindt terwijl een geschil aanhangig
is. Uit artikel 731 blijkt niet duidelijk dat het om een
precontentieuze procedure gaat. De toevoeging is hier
louter bedoeld ter verduidelijking van de regels wanneer
men zich niet bevindt in het geval bedoeld in artikel 731,
maar in het geval waarbij er al een procedure aanhangig
is. Het akkoord dat tot stand komt na afloop van een
dergelijke procedure zal dus uiteraard bestaan in een
akkoordvonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043, dat
de vereffening van de griffierechten en andere uitgaven
zal inhouden, indien nodig. Overeenkomstig het advies
van de Raad van State, is een lid toegevoegd om de
praktische gevolgen te regelen met betrekking tot de
eventuele voortzetting van de hangende procedure
indien de minnelijk schikking niet succesvol is.
Art. 37
De invoeging van dit nieuw artikel 734/1 regelt de aan-
hangigmaking bij de kamers voor minnelijke schikking.
De zaak wordt, zoals reeds eerder aangegeven, door
de partijen ter minnelijke schikking aanhangig gemaakt
bij die kamers overeenkomstig de procedure waarin is
voorzien zoals voor de precontentieuze minnelijke schik-
king of overeenkomstig de procedure waarin is voorzien
voor de minnelijke schikking wanneer die plaatsvindt
tijdens een contentieuze procedure. Evenzo is voorzien,
overeenkomstig huidig artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid,
van het Gerechtelijk Wetboek, in een aanhangigmaking
op grond van een doorverwijzing naar de kamer voor
minnelijke schikking, bevolen door de bevoegde rechter,
middels eenvoudige vermelding op het proces-verbaal
van de zitting.
La deuxième modification se situe dans le prolonge-
ment de celle opérée à l’article précédent c’est-à-dire
qu’elle vise à préserver les droits des parties pendant
la durée de la tentative de conciliation (précontentieuse)
en suspendant la prescription de l’action. Cette mesure
devrait permettre de pousser les parties à tenter un
préalable de conciliation sans crainte de perdre certains
de leurs droits. Cette suspension prend fin lorsque la
fin de la procédure de conciliation est constatée par
un procès-verbal de comparution conformément aux
articles 733, 734/2, § 1er et 734/3, § 1er, alinéa 1er.
Art. 35
Cette insertion d’un nouvel article 733/1 permet de
bien clarifier la différence entre une conciliation précon-
tentieuse (art. 731) et une conciliation qui a lieu alors
qu’un litige est pendant. Il ne ressort pas clairement de
l’article 731, qu’il s’agit d’une procédure précontentieuse.
L’ajout ici est de simplement préciser les règles lorsqu’on
ne situe pas dans l’hypothèse de l’article 731 mais
dans l’hypothèse où une procédure est déjà pendante.
L’accord intervenant à l’issue d’une telle procédure sera
donc bien évidemment un jugement ou un arrêt d’accord
conformément à l’article 1043, qui liquidera au besoin
les droits de greffe et autres dépens. Conformément à
l’avis du Conseil d’État, un alinéa a été ajouté afin de
prévoir les conséquences pratiques relatives à l’éven-
tuelle suite de la procédure pendante dans l’hypothèse
où la conciliation n’aboutit pas.
Art. 37
L’insertion de ce nouvel article 734/1 règle la saisine
des chambres de règlement à l’amiable. Ces chambres,
comme mentionné plus haut, lorsqu’elles sont saisies par
les parties à fin de conciliation, le sont conformément à
la procédure prévue comme pour la conciliation précon-
tentieuse ou conformément à la procédure prévue pour la
conciliation ayant lieu lors d’une procédure contentieuse.
De même, il est également prévu, conformément à l’actuel
article 1253ter/1, § 3, alinéa 2, du Code judiciaire, une
saisine par un renvoi ordonné par le juge d’instance à
la chambre de règlement à l’amiable et ce, par simple
mention au procès-verbal d’audience.
3552/001
DOC 55
52
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Naar aanleiding van een opmerking van de Raad van
State lijkt het nuttig te verduidelijken dat de kamer voor
minnelijke schikking op drie verschillende manieren kan
worden gevat:
1. ofwel is er geen procedure aanhangig en kan een
partij een verzoek tot verzoening indienen onder de-
zelfde voorwaarden als artikel 731/1 (niet-contentieuze
procedure) en worden de partijen opgeroepen op basis
van artikel 732 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit is de
situatie bedoeld in artikel 734, § 1, eerste lid.
2. of er is een procedure aanhangig (contentieuze
procedure die bijvoorbeeld wordt ingeleid door middel
van een dagvaarding) en er is geen zitting (de zaak staat
bijvoorbeeld op de rol of wordt in staat gesteld). Op dat
moment kan de zaak, op initiatief van de rechter (via
een selectiesysteem) of op vraag van een partij, onder
de voorwaarden van artikel 733/1, eerste lid, voor een
verzoeningszitting worden vastgesteld en worden de
partijen opgeroepen overeenkomstig artikel 732. Dit is
voorzien in artikel 734, § 1, tweede lid;
of er is een procedure aanhangig (bijvoorbeeld een
contentieuze procedure via dagvaarding) en er is een
zitting aan de gang (inleidende zitting of pleitzitting).
Tijdens deze zitting kan, op initiatief van de rechter of
op vraag van een partij, het dossier worden verwezen
naar het kamer van minnelijke schikking (art. 734/1,
§ 2, eerste lid), wordt het dossier door de griffier van
de verwijzende kamer (inleidende of pleitkamer) fysiek
overgemaakt aan de griffie van het kamer van minnelijke
schikking (art. 734/1, § 2, tweede lid) en dagvaardt de
griffie van het kamer van minnelijke schikking de par-
tijen (art. 734/1, § 2, derde lid).Dit is het geval voorzien
in paragraaf 2.
Er wordt ook gespecificeerd, zoals in het advies van
de Raad van State wordt gesuggereerd, dat de partijen
moeten worden opgeroepen binnen een termijn die de
procedure niet onredelijk vertraagt, in dit geval één maand.
Er is ook aan herinnerd dat de kamers van minnelijke
schikking geen monopolie hebben op verzoening en/
of doorverwijzing naar bemiddeling. Elke rechter kan
inderdaad verzoenen en doorverwijzen naar bemid-
deling, maar de bijzondere regels voor de kamers van
minnelijke schikking (vertrouwelijkheid, verplichting tot
terugtrekking, …) zijn niet van toepassing, tenzij anders
overeengekomen met de partijen met inachtneming van
de dwingende regels van openbare orde.
Paragraaf 3 is ingevoegd om te verduidelijken dat
de artikelen 732, tweede en derde, en 733, tweede lid,
ook van toepassing zijn voor de kamer voor minnelijke
À la suite d’une remarque du Conseil d’État, il semble
utile de clarifier que la chambre de règlement à l’amiable
peut être saisie de trois manières différentes:
1. soit aucune procédure n’est pendante et une par-
tie peut déposer une requête en conciliation dans les
mêmes conditions que l’article 731/1 (procédure non
contentieuse) et les parties sont convoquées sur la base
de l’article 732 du Code judiciaire. C’est l’hypothèse
visée par l’article 734, § 1er, alinéa 1er.
2. soit une procédure est pendante (procédure conten-
tieuse introduite par exemple par voie de citation) et
on n’est pas à l’audience (exemple, l’affaire est au rôle
ou est en train d’être mise en état). À ce moment-là, à
l’initiative du juge (par un système de sélection) ou sur
demande d’une partie, le dossier peut être fixé à une
audience pour conciliation dans les conditions prévues
à l’article 733/1, alinéa 1er et les parties sont convoquées
conformément à l’article 732. C’est ce qui est prévu par
l’article 734, § 1er, alinéa 2;
soit une procédure est pendante, (procédure conten-
tieuse introduite par exemple par voie de citation) et on
est à l’audience (audience d’introduction ou audience
des plaidoiries). À cette audience, à l’initiative du juge ou
sur demande d’une partie, le dossier peut être renvoyé à
la chambre de règlement à l’amiable (art. 734/1, § 2, al.
1), le dossier est transmis physiquement par le greffier
de la chambre qui renvoie (chambre d’introduction ou
de plaidoiries) au greffier de la chambre de règlement à
l’amiable (art. 734/1, § 2, al. 2) et le greffier de la chambre
de règlement à l’amiable convoque les parties (art. 734/1,
§ 2, al. 3). C’est l’hypothèse prévue au paragraphe 2.
Il est en outre précisé, comme suggéré par l’avis
du Conseil d’État, que la convocation des parties doit
intervenir dans un délai permettant de ne pas retarder
de manière déraisonnable l’instance, en l’occurrence
un délai d’un mois.
Il est, par ailleurs, utile de rappeler ici que les chambres
de règlement à l’amiable n’ont pas de monopole en
matière de conciliation et/ou de renvoi en médiation.
Chaque juge peut en effet concilier et renvoyer en média-
tion mais les règles spéciales prévues pour les chambres
de règlement à l’amiable (confidentialité, obligation de
déport, …) ne seront pas applicables sauf convention
contraire prise avec parties dans le respect des règles
impératives et d’ordre public.
Le paragraphe 3 est inséré afin de clarifier que les
articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa 2, s’appliquent
aussi devant la chambre de règlement à l’amiable. Ces
53
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
schikking. Deze artikelen bepalen voor (precontentieuze)
minnelijke schikking dat het verzoek tot verzoening
wordt behandeld als een ingebrekestelling, dat de ver-
jaringstermijn van de vordering wordt geschorst vanaf
het moment van het verzoek tot verzoening tot aan de
verschijningszitting en, indien de partijen verschijnen,
dat de verjaringstermijn wordt geschorst voor de duur
van de de (precontentieuze) verzoening.
Art. 38
Met de invoeging van artikel 734/2 wordt er geanti-
cipeerd op het geval dat de minnelijke schikking voor
de kamer voor minnelijke schikking uitkomst biedt voor
een akkoord. In de precontentieuze procedure kan het
akkoord het voorwerp zijn van een proces-verbaal van
minnelijke schikking, voorzien van het formulier van
tenuitvoerlegging. Wanneer de minnelijke schikking
uitkomst biedt terwijl het geschil aanhangig is, kan het
akkoord voorwerp zijn van een akkoordvonnis of-arrest
overeenkomstig artikel 1043. We verwijzen hierbij naar
de toelichting bij artikel 733/1.
Op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie worden
de woorden “kunnen worden opgetekend” vervangen
door de woorden “worden opgetekend”. De partijen
kunnen echter van deze mogelijkheid afzien. Zie de
opmerkingen bij de wijziging van artikel 733 van het
Gerechtelijk Wetboek.
Art. 39
Omgekeerd aan artikel 734/2, dat handelt over de pro-
cedure voor het vaststellen van het akkoord tot minnelijke
schikking dat tot stand is gebracht tussen de partijen,
moet ook de afloop worden voorzien van een procedure
voor minnelijke schikking die geen uitkomst biedt.
Opnieuw wordt een onderscheid gemaakt tussen het
“precontentieuze” en “contentieuze” aspect. Wat het
eerste betreft, stelt het proces-verbaal van verschijning
ter minnelijke schikking dan een einde aan de procedure.
Vervolgens staat het de partijen vrij om een “klassieke”
gerechtelijke procedure in te leiden. Wat het tweede
aspect betreft, indien de minnelijke schikking geen uit-
komst biedt voor de kamers voor minnelijke schikking,
zal worden overgegaan tot de doorverwijzing van de
zaak naar de oorspronkelijke kamer volgens dezelfde
nadere regels als bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste
en tweede lid (proces-verbaal van de zitting en toezen-
ding van het rechtsplegingsdossier). In tegenstelling
tot artikel 734/1, § 2, derde lid, worden de partijen niet
automatisch opgeroepen voor de zitting van de oor-
spronkelijke kamer. Na een procedure voor minnelijke
articles prévoient, pour la conciliation (précontentieuse),
l’assimilation de la demande en conciliation à une mise
en demeure, la suspension de la prescription de l’action
à partir de la demande en conciliation jusqu’à l’audience
de comparution et, si les parties comparaissent, la sus-
pension la prescription pendant durée de la tentative de
conciliation (précontentieuse).
Art. 38
L’insertion de l’article 734/2 vise à prévoir ce qu’il
advient dans l’hypothèse où la conciliation devant la
chambre de règlement à l’amiable abouti à un accord.
Dans la procédure précontentieuse, l’accord peut faire
l’objet d’un procès-verbal de conciliation revêtu de
la formule exécutoire. Lorsque la conciliation aboutit
alors que le litige est pendant, l’accord peut faire l’objet
d’un jugement ou un arrêt d’accord, conformément à
l’article 1043. Nous renvoyons aux commentaires relatifs
à l’article 733/1.
Sur suggestion du Conseil supérieur de la Justice, les
mots “peuvent être constatés” sont remplacés par les
mots “sont constatés”. Néanmoins les parties peuvent
renoncer à cette possibilité. Nous renvoyons aux com-
mentaires relatifs à la modification de l’article 733 du
Code judiciaire.
Art. 39
À l’inverse de l’article 734/2 qui traitait de la procédure
à suivre pour constater l’accord de conciliation intervenu
entre les parties, il faut également prévoir l’issue d’une
procédure de conciliation qui n’aboutit pas.
À nouveau, une distinction est faite entre le “pré-
contentieux et le contentieux”. Pour la première, le
procès-verbal de comparution en conciliation mettra un
terme à la procédure. Ensuite les parties seront libres
d’introduire une procédure judiciaire “classique”. Pour
la deuxième, si la conciliation n’aboutit pas devant la
chambre de règlement à l’amiable, il sera procédé au
renvoi de l’affaire devant la chambre d’origine selon les
mêmes modalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2,
alinéas 1 et 2 (procès-verbal d’audience et transmission
du dossier de procédure). La convocation des parties
à l’audience devant la chambre d’origine, ne sera pas
automatique contrairement à l’article 734/1, § 2, alinéa 3.
Après une non conciliation, il se pourrait en effet que
les parties ne souhaitent finalement pas continuer la
procédure contentieuse. Il faut leur laisser la possibilité
3552/001
DOC 55
54
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
schikking die geen uitkomst biedt, kan het zijn dat partijen
de contentieuze procedure niet willen voortzetten. Zij
moeten de gelegenheid krijgen daarover na te denken
en niet automatisch te worden opgeroepen. Daarom zal
de oproep alleen plaatsvinden indien een partij daarom
verzoekt op de niet-verzoeningszitting of schriftelijk, na
de doorverwijzing, bij de bevoegde griffie.
Art. 40
Met de invoeging van dit artikel kan worden voorzien
in enkele werkingsregels voor de kamer voor minnelijke
schikking.
Uit de rechtsleer en uit de praktijk zoals ingevoerd
in het kader van met name de proefprojecten in de
Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, in de
Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel en in het hof
van beroep te Brussel, blijkt dat vertrouwelijkheid van
het allergrootste belang is opdat de minnelijke schikking
optimaal zou werken: “De partijen hebben aldus de
garantie dat geen enkele – mondelinge of schriftelijke
– mededeling, gedaan binnen haar muren, onthuld zal
worden of voor hen nadelig zal uitvallen in het kader
van een eventuele daaropvolgende terugkeer naar de
klassieke gerechtelijke procedure”. (A. DEJOLLIER, “La
chambre de règlement amiable du tribunal de l’entreprise
francophone de Bruxelles: une initiative prétorienne
pleine de promesses”, J.T., nr. 6870, 16 oktober 2021,
blz. 652, nr. 21.).
Naast de vertrouwelijkheid voorziet het ontwerp ook
in de mogelijkheid voor de rechter om, zo hij dat nuttig
acht en enkel met instemming van de partijen, “caucus-
sen” te organiseren, dat wil zeggen aparte gesprekken
met elk van de partijen op zich te voeren. Van dit in-
strument wordt vaak gebruik gemaakt bij bemiddeling
(M. GONDA, “Chapitre II – Les étapes de la médiation”
in Droit et pratique de la médiation, 2de ed., Brussel,
Larcier, 2021, blz. 240, nr. 507 en 508; A. BRIDOUX,
“Titre VIII – La confidentialité”, in Les écrits en médiation
selon le Code judiciaire, 2de ed., Brussel, Larcier, 2015,
blz. 155 ev.). Het stelt de rechter-verzoener in staat om
“kennis te nemen van informatie waarvoor men niet
uitkomt in de zitting en die nochtans bepalend is voor
de mogelijkheid om tot een onderhandelde oplossing
te komen (bijvoorbeeld de limieten van het mandaat
waaraan de vertegenwoordiger van een van de partijen
is gebonden) en zelfs, in voorkomend geval, de vaak
onuitgesproken standpunten van de partijen bij te stel-
len. De magistraat verkrijgt aldus een beter begrip van
het dossier en beschikt over meer speelruimte voor
de oplossingen die hijzelf zal kunnen introduceren of
suggereren.” (A. DEJOLLIER, op.cit., blz. 655, nr. 36.).
Bovendien is de rechter-verzoener, wiens rol verschillend
d’y réfléchir et de ne pas prévoir une convocation auto-
matique. Dès lors, la convocation n’aura lieu que si une
partie le demande à l’audience de non-conciliation ou
par écrit, après le renvoi, auprès du greffe compétent.
Art. 40
L’insertion de cet article permet de prévoir quelques
règles de fonctionnement de la chambre de règlement
à l’amiable.
Il ressort de la doctrine et de la pratique mise en
place notamment par les projets pilotes au tribunal de
l’entreprise francophone de Bruxelles, auTribunal du
travail francophone de Bruxelles, et de la cour d’appel
de Bruxelles, que la confidentialité est primordiale pour
que la conciliation fonctionne de manière optimale: “les
parties ont ainsi la garantie qu’aucune communication,
verbale ou écrite, faite entre ses murs n’en sera révélée
ni ne pourra la préjudicier dans le cadre d’un éventuel
retour consécutif à la procédure judiciaire classique.”.
(A. DEJOLLIER, “La chambre de règlement amiable du
tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles: une
initiative prétorienne pleine de promesses”, J.T., n° 6870,
16 octobre 2021, p. 652, n° 21.).
Outre la confidentialité, le projet prévoit également la
possibilité pour le juge s’il l’estime utile et, uniquement
avec l’accord des parties, de prévoir des “caucus”,
c’est-à-dire d’avoir des entretiens séparés avec cha-
cune des parties isolément. Cet outil est très utilisé en
médiation (M. GONDA, “Chapitre II – Les étapes de la
médiation” in Droit et pratique de la médiation, 2e édi-
tion, Bruxelles, Larcier, 2021, p. 240, n° 507 et 508; A.
BRIDOUX, “Titre VIII – La confidentialité”, in Les écrits
en médiation selon le Code judiciaire, 2e éd., Bruxelles,
Larcier, 2015, pp. 155 et s.). Il permet au juge conciliateur
“de connaître des informations inavouables en plénière
et pourtant déterminantes de la possibilité d’aboutir à
une solution négociée (ex. les limites du mandat auquel
est tenu le représentant d’une des parties) voire de réa-
juster, le cas échéant, les positions parfois inexprimées
des parties. Le magistrat dispose ainsi d’une meilleure
compréhension du dossier et d’une plus grande lati-
tude dans les solutions qu’il pourra lui-même induire
ou suggérer.” (A. DEJOLLIER, op.cit., p. 655, n° 36.).
En outre, le juge conciliateur, dont le rôle est différent
dans le cadre de la chambre de règlement à l’amiable,
est également un juge qui siège dans des chambres
contentieuses et qui, dès lors, connaît la jurisprudence
55
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
is in het kader van de kamer voor minnelijke schikking,
tevens een rechter die zitting neemt in geschillenkamers
en die derhalve de rechtspraak kent en, bij die caucus-
sen, objectieve aanwijzingen kan geven aan de partijen
die soms ertoe komen om hun aanspraken bij te stellen
en aldus een begin van oplossing mogelijk maken. (A.
DEJOLLIER, op.cit., blz. 656, nr. 37; B. Petit, “Passerelle
entre conciliation et procédure judiciaire”, Ius & Actores,
2008/1, blz. 118). Sommigen zullen ongetwijfeld de
problematische afwezigheid van tegenspraak bij de
organisatie van die caucussen te berde brengen. In dat
opzicht moet niettemin de nadruk worden gelegd op de
specifieke rol van de rechter-verzoener, wiens taak het
niet is om het conflict te beslechten, naar het voorbeeld
van de rechter van een geschillenkamer. Aldus “[heb-
ben] de partijen niet tot doel hem te overhalen, zodat
een tegensprekelijk debat niet noodzakelijk onmisbaar is
voor het uitwerken van een oplossing.” (A. DEJOLLIER,
op.cit., blz 655, nr. 36). Overigens zijn de beginselen
tot regeling van de burgerlijke rechtspleging niet van
openbare orde en kunnen ze dus geweerd worden door
de partijen. De tekst voorziet trouwens uitdrukkelijk in
een akkoord vanwege de partijen over het principe van
de caucus, ingeval de rechter een beroep zou doen op
die mogelijkheid, die geen verplichte passage vormt (C.
SMETS-GARY en M. BECKER, “Chapitre 2 – Le caucus”
in Médiation et techniques de négociation intégrative,
1e editie, Brussel, Larcier, 2011, blz. 308).
Paragraaf 2 voorziet in het principe van de verschijning
in persoon, indien nodig bijgestaan door een advocaat of
de personen vermeld in artikel 728 van het Gerechtelijke
Wetboek. Voor wat rechtspersonen betreft, wordt nader
bepaald dat de natuurlijke persoon die de rechtspersoon
vertegenwoordigt hem moet kunnen verbinden, op gevaar
af dat dit tijdverlies voor alle partijen tot gevolg heeft.
Deze regels zijn bedoeld om de kansen om tot een ak-
koord te komen zo groot mogelijk te maken, maar als
ze niet kunnen worden nageleefd, mag dat niet beletten
dat het geschil toch, met het oog op verzoening, aan de
rechter wordt voorgelegd.
Paragraaf 3 bepaalt dat de partijen te allen tijde een
einde aan de minnelijke schikking kunnen stellen.
Paragraaf 4 bekrachtigt het principe van de terug-
trekking van de magistraat, naar analogie van hetgeen
thans bestaat in de kamers voor minnelijke schikking in
familiezaken (artikel 79, achtste lid). Wanneer de min-
nelijke schikking mislukt, is het immers niet de bedoeling
dat de partijen tegenover hun rechter-verzoener zouden
komen te staan indien ze beslissen om een gerechtelijke
procedure in te stellen. Het welslagen van de minnelijke
schikking is erin gelegen dat de partijen zich vrij moeten
et peut, lors de ces caucus, donner des indications
objectives aux parties qui en viennent parfois à ajuster
leurs prétentions et à permettre ainsi l’émergence d’une
solution (A. DEJOLLIER, op.cit., p. 656, n° 37; B. Petit,
“Passerelle entre conciliation et procédure judiciaire”,
Ius & Actores, 2008/1, p. 118). Certains ne manqueront
pas de soulever l’absence problématique de contradic-
toire lors de l’organisation de ces caucus. À cet égard,
il faut néanmoins souligner le rôle spécifique du juge
conciliateur qui n’est pas là pour trancher le conflit, à
l’instar du juge d’une chambre contentieuse. Ainsi, “les
parties n’ont pas pour objectif d’emporter sa conviction,
de sorte qu’un débat contradictoire n’est pas nécessai-
rement indispensable à l’élaboration d’une solution”
(A. DEJOLLIER, op.cit., p 655, n° 36). Par ailleurs,
les principes régissant la procédure civile ne sont pas
d’ordre public et peuvent donc être écartés par les par-
ties. Le texte prévoit d’ailleurs expressément un accord
des parties sur le principe du caucus, dans l’hypothèse
où le juge recourrait à cette possibilité, qui n’est pas
un passage obligé (C. SMETS-GARY, et M. BECKER,
“Chapitre 2 – Le caucus” in Médiation et techniques de
négociation intégrative, 1re édition, Bruxelles, Larcier,
2011, p. 308).
Le paragraphe 2 prévoie le principe de la comparution
en personne, au besoin assistée d’un avocat ou des
personnes mentionnées dans l’article 728 du Code
judiciaire. Pour les personnes morales, il est précisé qu’il
faut que la personne physique représentant la personne
morale puisse l’engager, sous peine de faire perdre du
temps à toutes les parties. Ces règles permettent de
maximaliser les chances d’aboutir à un accord mais
si elles ne peuvent pas être rencontrées, cela ne doit
pas empêcher de soumettre le litige au juge à fin de
conciliation.
Le paragraphe 3 énonce que les parties peuvent à
tout moment mettre un terme à la conciliation.
Le paragraphe 4 consacre le principe du déport du
magistrat à l’instar de ce qui existe actuellement dans
les chambres de règlement à l’amiable en matière fami-
liale (article 79, alinéa 8). En effet, en cas d’échec de la
conciliation, il ne faudrait pas que, si les parties décident
d’introduire une procédure judiciaire, elles se retrouvent
face à leur juge conciliateur. Il en va du succès de la
conciliation elle-même où les parties doivent se sentir
libres de pouvoir révéler ce qu’elles estiment nécessaire
3552/001
DOC 55
56
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voelen om te kunnen onthullen wat ze noodzakelijk ach-
ten, zonder dat de vrees bestaat dat dit een impact zou
hebben op een eventuele procedure ten gronde ingeval
van mislukking van de minnelijke schikking.
Naast het feit dat de rechters op eigen initiatief zich
moeten onthouden wanneer zij in de geschillenfase de-
zelfde zaak als in de KMS behandelen, kunnen de partijen
hen overeenkomstig artikel 828, 9°, van het Gerechtelijk
Wetboek wraken. Tussen een verzoeningsprocedure en
een geschillenprocedure kunnen immers jaren verlopen,
en in de tussentijd kunnen de rechters zijn veranderd
van affectatie en hun functie bij een andere rechtbank
of hof hebben uitgeoefend.
Art. 41
De voorgestelde wijziging voorziet erin dat de zittingen
ter minnelijke schikking van de kamer voor minnelijke
schikking verlopen in de raadkamer.
Het is immers van het grootste belang, zoals vermeld
in de toelichting bij de invoeging van artikel 734/4, dat
vertrouwelijkheid verzekerd is. De zittingen in de raad-
kamer maken het mogelijk om te garanderen dat dit
principe effectief geldt.
Art. 42
Artikel 780/1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek
bepaalt dat in burgerlijke zaken een informatieblad
wordt gevoegd bij het vonnis. Het vierde lid stelt dat dit
informatieblad geen onderdeel uitmaakt van het von-
nis en dat het wordt gevoegd bij de uitgifte bedoeld in
artikel 790 van hetzelfde Wetboek.
Er zijn echter gevallen waarin de gerechtsdeurwaarder
verplicht is een vonnis te betekenen, welke de termijn
voor een rechtsmiddel doet lopen, op basis van een
eensluidend verklaard afschrift van het vonnis en niet
op basis van een uitgifte.
Hetzelfde gevolg heeft de kennisgeving van een
eensluidend verklaard afschrift krachtens artikel 792,
tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
In het licht van het bovenstaande, is het niet gerecht-
vaardigd een gedifferentieerd regime te handhaven
met betrekking tot de betekening van het eensluidend
verklaarde afschrift.
In het belang van efficiëntie en van een goede rechts-
bedeling, wordt gepleit voor een versoepeling van de
wettekst.
sans crainte que cela ait un impact sur une éventuelle
procédure au fond en cas d’échec de la conciliation.
Outre que les juges doivent se déporter d’initiative s’ils
venaient à connaitre de la même cause dans la phase
contentieuse, les parties peuvent les récuser confor-
mément à l’article 828, 9° du Code judiciaire. En effet,
il se passe parfois des années entre une procédure en
conciliation et une procédure contentieuse et entretemps
les magistrats ont pu bouger et exercer leurs fonctions
dans un autre tribunal ou cour.
Art. 41
La modification proposée vise à prévoir que les au-
diences à fin de conciliation de la chambre de règlement
à l’amiable se déroulent en chambre du conseil.
Il est en effet primordial, comme mentionné dans les
commentaires relatifs à l’insertion de l’article 734/4,
que la confidentialité soit assurée. Les audiences en
chambre du conseil permettent de garantir l’effectivité
de ce principe.
Art. 42
L’article 780/1, alinéa 1er, du Code judiciaire prévoit
que la fiche informative est jointe au jugement en matière
civile. L’alinéa 4 détermine que la fiche informative ne fait
pas partie du jugement et qu’elle est jointe à l’expédition
visée à l’article 790 du même Code.
Toutefois, il existe des cas dans lesquels l’huissier de
justice se voit dans l’obligation de procéder à la signi-
fication d’un jugement sur la seule base d’une copie
certifiée conforme et non pas de l’expédition, avec pour
effet de faire courir les délais de recours.
Le même effet est induit en cas de notification de
la copie conforme de la décision, en application de
l’article 792, alinéa 2, du Code judiciaire.
Compte tenu de ce qui précède, maintenir un régime
différencié vis-à-vis de la signification d’une copie cer-
tifiée conforme ne se justifie pas.
Dans un souci d’efficacité et de bonne administration
de la Justice, un assouplissement du texte légal est
proposé.
57
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het zij opgemerkt dat een aantal gerechten deze
analyse reeds onderschrijven, aangezien zij reeds
instemmen om het informatieblad te voegen bij het
eensluidend verklaard afschrift van het vonnis met het
oog op de betekening.
De voorgestelde wijziging komt tegemoet aan deze
vaststelling en voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid
om het informatieblad te voegen bij het eensluidend
verklaarde afschrift van het vonnis.
Art. 43
In het arrest van 16 februari 2021 “Vermeersch t.
België” (verzoekschrift nr. 49.652/10) heeft het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens een schending van
artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden
vastgesteld ingevolge een leemte in de bepalingen van
het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatiebe-
roep, die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen
in de zaak die de verzoeker eraan heeft voorgelegd.
Voor een goed begrip van de reikwijdte van het arrest
van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
van 16 februari 2021 en van de ontworpen bepaling die
de uitvoering ervan beoogt, is een korte uiteenzetting
van de omstandigheden van het geschil noodzakelijk.
De verzoeker voor het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens is een agrarisch ondernemer wiens aan-
vraag tot uitbreiding van zijn varkensbedrijf gedeeltelijk
werd afgewezen bij een besluit van 30 juli 1996 van de
Vlaamse minister van Leefmilieu. Op 30 september
2004 werd dat besluit, ingevolge het door de verzoeker
ingestelde beroep, vernietigd door de Raad van State.
Op 12 januari 2005 heeft de verzoeker het Vlaamse
Gewest voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk
gedaagd tot herstel van de schade die hij had geleden
door de illegale handeling die door de Raad van State
werd vernietigd. Zowel deze rechtbank als, ingevolge het
door de verzoeker ingestelde hoger beroep, het hof van
beroep te Gent hebben de vordering verjaard verklaard.
In het arrest van het hof van beroep van 22 juni 2007
werd geoordeeld dat de verjaring van de vordering tot
vergoeding van de schade die werd veroorzaakt door het
ministerieel besluit van 30 juli 1996, geregeld was door
de artikelen 100 en 101 van de gecoördineerde wetten
van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit die toen van
toepassing waren, dat de verjaringstermijn van vijf jaar
was ingegaan op 1 januari 1996, dat de indiening van
het beroep tot vernietiging bij de Raad van State op die
termijn geen stuitende of schorsende werking had en
dat de vordering die op 12 januari 2005 bij dagvaarding
Il est à noter que plusieurs juridictions souscrivent déjà
à cette analyse dès lors qu’elles acceptent de délivrer
une fiche informative à joindre à une copie certifiée
conforme du jugement en vue de sa signification.
La modification proposée répond à cette observation
et prévoit expressément que la fiche informative soit
jointe à la copie certifiée conforme du jugement.
Art. 43
Par l’arrêt du 16 février 2021 “Vermeersch c/ la
Belgique” (Requête n° 49.652/10), la Cour européenne
des droits de l’homme a constaté une violation de l’ar-
ticle 6, § 1er, de la Convention de sauvegarde des droits
de l’homme et des libertés fondamentales déduite de
l’existence dans les dispositions du Code judiciaire
réglant le pourvoi en cassation d’une lacune que, dans
la cause déférée par le requérant à la Cour de cassation,
celle-ci n’a pas comblée.
Pour comprendre la portée de l’arrêt de la Cour euro-
péenne des droits de l’homme du 16 février 2021 et de la
disposition en projet qui tend à l’exécuter, un bref exposé
des circonstances du litige est nécessaire.
Le requérant devant la Cour européenne des droits
de l’homme est un exploitant agricole dont un arrêté du
ministre flamand de l’Environnement du 30 juillet 1996 a
partiellement rejeté la demande d’extension de son éle-
vage de porcs. Cet arrêté a, sur le recours du requérant,
été annulé par le Conseil d’État le 30 septembre 2004.
Le 12 janvier 2005, le requérant a cité la Région flamande
devant le tribunal de première instance de Courtrai en
réparation du dommage causé par l’acte illégal annulé
par le Conseil d’État. Tant ce tribunal que, sur l’appel du
requérant, la cour d’appel de Gand ont dit la demande
prescrite.
L’arrêt de la cour d’appel du 22 juin 2007 a considéré
que la prescription de l’action en réparation du dommage
causé par l’arrêté ministériel du 30 juillet 1996 était
régie par les articles 100 et 101 des lois coordonnées
du 17 juillet 1991 sur la comptabilité de l’État alors en
vigueur, que le délai de prescription de cinq ans avait pris
cours le 1er janvier 1996, que l’introduction du recours en
annulation devant le Conseil d’État n’avait sur ce délai ni
d’effet interruptif ni d’effet suspensif et que la demande
introduite par la citation en justice du 12 janvier 2005
était, dès lors, tardive. Le requérant s’est pourvu en
3552/001
DOC 55
58
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voor het gerecht werd ingediend, dus laattijdig was. De
verzoeker heeft cassatieberoep aangetekend tegen dit
arrest bij een verzoekschrift dat op 29 mei 2008 werd
ingediend op de griffie van het Hof van Cassatie nadat
het op 27 mei 2008 aan het Vlaamse Gewest werd
betekend.
Dat verzoekschrift bevatte een tweeledig cassatie-
middel waarmee de verzoeker de beslissing van het
hof van beroep betwistte, die inhield dat het beroep
dat hij bij de Raad van State had aangetekend enige
schorsende of stuitende werking op de verjaringstermijn
werd ontzegd. De verzoeker stelde dat een wetsvoorstel
dat ertoe strekte een dergelijk beroep een schorsende
werking op de verjaringstermijn te geven, ingediend was
bij het Parlement en dat hij zich het recht voorbehield om
de toepassing te eisen van de wet die uit dat voorstel
zou voortkomen indien die tijdens de cassatieprocedure
in werking trad.
De verzoeker heeft op 10 oktober 2008 een memorie
van toelichting ingediend waarin hij een middel aanvoert
dat ontleend is aan de schending van de bepalingen van
de wet van 25 juli 2008 tot wijziging van het Burgerlijk
Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991
op de Rijkscomptabiliteit, met het oog op het stuiten van
de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten
gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van
State, die intussen was goedgekeurd en in werking was
getreden. Het Vlaamse Gewest heeft op 1 oktober 2009
een pleitnota neergelegd waarin de niet-ontvankelijkheid
van de memorie van toelichting aan de orde werd gesteld.
Op 26 januari 2010 heeft de verzoeker een pleitnota
neergelegd. Het arrest van het Hof van Cassatie van
25 februari 2010 (Pas., nr. 126) verwerpt het beroep na
de memorie van toelichting niet-ontvankelijk te hebben
verklaard wegens laattijdig en het middel dat is aan-
gevoerd in het verzoekschrift tot cassatie te hebben
geweerd als ongegrond.
Het cassatieberoep is een buitengewoon rechtsmiddel
waarvan de procedure voornamelijk schriftelijk is. Het
cassatiemiddel is het wezenlijke bestanddeel van de
voorziening: het bepaalt de omvang van de aanhangig-
making bij het Hof door het controlerecht af te bakenen
dat het verzoekschrift voor hem opent. De wetgever heeft
de indiening van het beroep willen onderwerpen aan een
korte termijn en een regelmatig tempo willen bepalen
voor de uitwisseling van de geschriften van de partijen.
Krachtens artikel 1073, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, is de termijn om zich in cassatie te voorzien
drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden
beslissing is betekend of van de dag van de kennisgeving
cassation contre cet arrêt par une requête remise au
greffe de la Cour de cassation le 29 mai 2008 après
avoir été signifiée le 27 mai 2008 à la Région flamande.
Cette requête comportait un moyen de cassation divisé
en deux branches par lequel le requérant contestait la
décision de la cour d’appel de dénier au recours qu’il
avait introduit devant le Conseil d’État tout caractère
suspensif ou interruptif de la prescription. Le requérant
indiquait qu’une proposition de loi visant à donner à
pareil recours un effet suspensif du délai de prescrip-
tion était soumise au Parlement et qu’il se réservait le
droit de demander l’application de la loi issue de cette
proposition si elle entrait en vigueur au cours de la
procédure en cassation.
Le requérant a déposé le 10 octobre 2008 un mémoire
ampliatif où il a présenté un moyen pris de la violation
des dispositions de la loi du 25 juillet 2008 modifiant le
Code civil et les lois coordonnées du 17 juillet 1991 sur
la comptabilité de l’État en vue d’interrompre la pres-
cription de l’action en dommages et intérêts à la suite
d’un recours en annulation devant le Conseil d’État, qui
avait entre-temps été adoptée et était entrée en vigueur.
La Région flamande a déposé le 1er octobre 2009 une
note de plaidoirie soulevant l’irrecevabilité du mémoire
ampliatif.
Une note de plaidoirie a été déposée par le requé-
rant le 26 janvier 2010. L’arrêt de la Cour de cassation
du 25 février 2010 (Pas., n° 126) rejette le pourvoi après
avoir dit le mémoire ampliatif irrecevable comme tardif
et écarté comme non fondé le moyen présenté dans la
requête en cassation.
Le pourvoi en cassation est une voie de recours
extraordinaire dont la procédure est essentiellement
écrite. Le moyen de cassation est l’élément essentiel du
pourvoi: il détermine la saisine de la Cour en délimitant le
droit de contrôle que lui ouvre la requête. Le législateur
a entendu soumettre l’introduction du pourvoi à un bref
délai et imprimer un rythme cadencé à l’échange des
écritures des parties.
Aux termes de l’article 1073, alinéa 1er, du Code
judiciaire, hormis les cas où la loi établit un délai plus
court, le délai pour introduire le pourvoi en cassation
est de trois mois à partir du jour de la signification de la
59
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid,
behoudens wanneer de wet een kortere termijn bepaalt.
Artikel 1087 staat de eiser toe samen met zijn verzoek-
schrift, of, op straffe van verval, binnen vijftien dagen na
de betekening ervan, een memorie van toelichting over
te leggen, die vooraf aan de verweerder is betekend en
waarin de feiten worden uiteengezet en de cassatiemid-
delen ontwikkeld.
Volgens artikel 1093, eerste lid, bedraagt de termijn
waarover de verweerder beschikt om zijn antwoord ter
griffie in te dienen, op straffe van verval, drie maanden, te
rekenen van de dag waarop het inleidende verzoekschrift
of de memorie van toelichting is betekend.
Indien de verweerder tegen het cassatieberoep een
middel van niet-ontvankelijkheid heeft opgeworpen, kan
de eiser krachtens artikel 1094, eerste en tweede lid,
hierop antwoorden door op de griffie van het Hof van
Cassatie een memorie van wederantwoord in te dienen.
Elke partij moet haar hele betoog in een enkel geschrift
bundelen dat ze naargelang van de voortgang van de
procedure mag indienen. Alle middelen waarop de eiser
zich wil beroepen moeten in het verzoekschrift worden
vermeld; de memorie van toelichting – die zelden worden
gebruikt – is niet-ontvankelijk voor zover ze ertoe strekt
de uiteenzetting van het middel aan te vullen, ofwel
door grieven te formuleren die niet in die uiteenzetting
werden aangevoerd, ofwel door de onnauwkeurigheid
of de ontoereikendheid van de middelen die erin worden
geformuleerd, te verhelpen. De verweerder mag slechts
één memorie van wederantwoord neerleggen. De memo-
rie van repliek mag geen ander onderwerp hebben dan
het opwerpen van een middel van niet-ontvankelijkheid
tegen het cassatieberoep.
Aangezien de partijen die hebben voldaan aan de
regels van de schriftelijke procedure hun middelen, over-
eenkomstig artikel 1086 van het Gerechtelijk Wetboek,
op de zitting mondeling kunnen doen ontwikkelen door
een advocaat die is ingeschreven op het tableau van
een balie, is het in de praktijk mogelijk om anticipatieve
pleitnota’s neer te leggen. Die nota’s kunnen de tekortko-
mingen van een door de verzoeker aangevoerd middel
niet compenseren, laat staan een nieuw middel bevatten.
De verzoeker heeft pas in de memorie van toelichting
een middel ingediend dat ontleend is aan de schending
van die bepalingen. Die memorie, die op 10 oktober
2008 werd neergelegd, dus meer dan vijftien dagen na
de betekening van het verzoekschrift – en zelfs na het
verstrijken van de antwoordtermijn – werd in het arrest
van 25 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens
laattijdig, in de volgende bewoordingen:
décision attaquée ou de la notification de celle-ci faite
conformément à l’article 792, alinéas 2 et 3.
L’article 1087 autorise le demandeur à joindre à sa
requête, ou à produire dans les quinze jours de la signi-
fication de celle-ci, à peine de déchéance, un mémoire
ampliatif, préalablement signifié à la partie défenderesse,
et contenant un exposé des faits et le développement
des moyens de cassation.
Suivant l’article 1093, alinéa 1er, le délai accordé
au défendeur pour la remise au greffe de sa réponse
est, à peine de déchéance, de trois mois à compter du
jour de la signification de la requête introductive ou du
mémoire ampliatif.
Si le mémoire en réponse oppose au pourvoi une
fin de non-recevoir, le demandeur peut, en vertu de
l’article 1094, alinéas 1er et 2, déposer un mémoire en
réplique dans le délai d’un mois à compter du jour de
la signification du mémoire en réponse.
Chaque partie doit concentrer toute son argumenta-
tion dans le seul écrit que, en fonction de l’avancement
de la procédure, elle est autorisée à déposer. Tous les
moyens dont le demandeur entend se prévaloir doivent
être contenus dans la requête; le mémoire ampliatif – dont
l’usage est rare – est irrecevable dans la mesure où il
tend à compléter l’exposé du moyen, soit en formulant
des griefs qui n’ont pas été allégués dans cet exposé,
soit en palliant l’imprécision ou l’insuffisance des griefs
qui y sont formulés. Le défendeur ne peut déposer qu’un
seul mémoire en réponse. Le mémoire en réplique ne
peut avoir d’autre objet que de répondre à une fin de
non-recevoir opposée au pourvoi.
Comme les parties qui ont respecté les règles de la
procédure écrite peuvent, conformément à l’article 1086
du Code judiciaire, faire développer oralement leurs
moyens à l’audience par un avocat inscrit au tableau
d’un barreau, la pratique admet le dépôt de notes antici-
patives de plaidoiries. Ces notes ne sauraient suppléer
aux carences d’un moyen soulevé par le requérant, et
moins encore contenir un nouveau moyen.
Ce n’est que dans le mémoire ampliatif que le requé-
rant a présenté un moyen pris de la violation de ces
dispositions. Ce mémoire, déposé le 10 octobre 2008,
soit plus de quinze jours après la signification de la
requête – et même après l’expiration du délai de réponse
–, a, dans les termes suivants, été déclaré irrecevable
comme tardif par l’arrêt du 25 février 2010:
3552/001
DOC 55
60
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Ontvankelijkheid van de aanvullende memorie:
1. Krachtens artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek
kan de eiser, samen met zijn verzoekschrift, of, op straffe
van verval, binnen vijftien dagen na de betekening ervan,
een memorie van toelichting overleggen, die vooraf aan
de verweerder is betekend en waarin de feiten worden
uiteengezet en de cassatiemiddelen ontwikkeld.
2. Te dezen werd het cassatieberoep betekend
op 27 augustus 2008, terwijl de aanvullende memorie
ter griffie werd neergelegd op 10 oktober 2008, hetzij
buiten de op straffe van verval voorgeschreven termijn.
3. De eiser voert aan dat de […] memorie ontvanke-
lijk zou zijn gelet op de terugwerkende kracht van de
wet van 25 juli 2008, zoals deze volgt uit artikel 4 van
voormelde wet.
Dit artikel bepaalt dat deze wet van toepassing is
op beroepen tot vernietiging die bij de Raad van State
zijn ingediend voor de inwerkingtreding ervan. Zij is
evenwel niet van toepassing wanneer de vordering tot
schadevergoeding voor de inwerkingtreding van deze
wet verjaard is verklaard bij een in kracht van gewijsde
gegane beslissing waartegen geen cassatieberoep is
ingediend.
4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de bepalingen
van openbare orde die de cassatieprocedure regelen,
meer bepaald deze omtrent de ontvankelijkheid van het
cassatieberoep, de memories en de middelen.
Noch het recht van verdediging, noch dit op een eerlijk
proces zoals vervat in artikel 6.1 EVRM verantwoorden
een afwijking terzake.
5. De aanvullende memorie kan derhalve niet in
overweging worden genomen zoals aangevoerd door
de verweerder.”
Het is die beslissing die ertoe heeft geleid dat het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens wijst op
een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de funda-
mentele vrijheden, zoals blijkt uit de volgende passages
van het arrest van 16 februari 2021:
“82. […] Il apparaît qu’aucune disposition du Code
judiciaire ne permettait à un demandeur en cassation
de faire valoir un moyen nouveau tiré de la violation
d’une disposition légale applicable aux litiges en cours
si cette disposition était entrée en vigueur alors que son
pourvoi était pendant devant la Cour de cassation et
que le délai pour la soumission d’un mémoire ampliatif
“Quant à la recevabilité du mémoire ampliatif:
1. En vertu de l’article 1087 du Code judiciaire, le
demandeur peut joindre à sa requête, ou produire dans
les quinze jours de la signification de celle-ci, à peine de
déchéance, un mémoire ampliatif, préalablement signifié
à la partie défenderesse, et contenant un exposé des
faits et le développement des moyens de cassation.
2. En l’espèce, le pourvoi en cassation a été signifié
le 27 août 2008 alors que le mémoire ampliatif a été
déposé au greffe le 10 octobre 2008, soit en dehors du
délai prescrit à peine de déchéance.
3. Le demandeur soutient que le […] mémoire serait
recevable eu égard à l’effet rétroactif de la loi du 25 juil-
let 2008, tel qu’il résulte de l’article 4 de la loi précitée.
Cet article dispose que cette loi est applicable aux
recours en annulation introduits devant le Conseil d’État
avant son entrée en vigueur. Elle ne s’applique toutefois
pas lorsque l’action en dommages et intérêts est déclarée
prescrite avant l’entrée en vigueur de cette loi par une
décision passée en force de chose jugée qui n’a pas
fait l’objet d’un pourvoi en cassation.
4. Cet article ne déroge pas aux dispositions d’ordre
public réglant la procédure en cassation, spécialement
à celles qui gouvernent la recevabilité du pourvoi, des
mémoires et des moyens.
Ni les droits de la défense ni le droit à un procès
équitable contenu dans l’article 6 de la Convention
de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés
fondamentales ne justifient de s’écarter de ces règles.
5. Le mémoire ampliatif ne peut, dès lors, pas être pris
en considération, comme l’invoque la défenderesse.”
C’est cette décision qui a amené la Cour européenne
des droits de l’homme à relever une violation de l’article 6,
§ 1er, de la Convention de sauvegarde des droits de
l’homme et des libertés fondamentales, ainsi qu’il résulte
des passages suivants de l’arrêt du 16 février 2021:
“82. […] Il apparaît qu’aucune disposition du Code
judiciaire ne permettait à un demandeur en cassation
de faire valoir un moyen nouveau tiré de la violation
d’une disposition légale applicable aux litiges en cours
si cette disposition était entrée en vigueur alors que son
pourvoi était pendant devant la Cour de cassation et
que le délai pour la soumission d’un mémoire ampliatif
61
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
avait expiré, et cela, même s’il s’agissait de donner effet
à une loi rétroactive.
[…] 85. La Cour estime que le droit d’accès à un
tribunal exigeait, dans les circonstances particulières
de l’espèce, que le requérant pût inviter la Cour de
cassation à se prononcer sur l’incidence de l’entrée
en vigueur de la loi du 25 juillet 2008 sur la légalité de
l’arrêt qu’il avait attaqué devant elle. Il en était ainsi eu
égard au fait que les dispositions de cette loi avaient
un caractère rétroactif et étaient d’application dans les
litiges en cours, sauf s’il y avait déjà eu une décision
passée en force de chose jugée (comme une décision
rendue par une instance d’appel) et contre laquelle un
pourvoi n’avait pas été introduit.
86. Ainsi, à la lumière des considérations qui précè-
dent, la Cour conclut que la présente affaire a fait ap-
paraître une lacune dans les règles relatives à la re-
cevabilité des pourvois en cassation, des mémoires
ampliatifs et des moyens de cassation, règles qui ne
sont pas en soi contraires à l’article 6, § 1er. Il peut
en effet y avoir des cas exceptionnels où, alors qu’un
pourvoi est pendant, une loi entre en vigueur qui est
immédiatement applicable aux instances en cassation
et dont le demandeur peut de manière défendable faire
valoir qu’elle a des conséquences pour la solution du
litige devant la Cour de cassation.
87. Comme illustré par la présente affaire, un moyen
fondé sur une telle loi nouvelle ne peut pas être soumis à
la Cour de cassation. Cette lacune n’a pas été comblée
par la Cour de cassation […]. Si une autre interprétation
des dispositions procédurales n’était pas légalement
possible, le système légal belge ne permettait pas au
requérant de soumettre utilement à la Cour de cas-
sation le moyen tiré de la nouvelle loi. Il en est résulté
une situation qui n’était pas adaptée aux circonstances
particulières de l’espèce […].
88. Dans ces circonstances, la Cour estime que la
réglementation a cessé de servir les buts de la “sécurité
juridique” et de la “bonne administration de la justice”.
[…] Cette réglementation a constitué une sorte de
barrière qui a empêché le requérant de voir son litige
tranché au fond. Son droit d’accès à un tribunal s’est
donc trouvé atteint dans sa substance même.
89. Ce constat suffit à conclure qu’il y a eu violation
de l’article 6, § 1er, de la Convention.”.
Er moet dan ook worden voorzien in een wettelijke
bepaling die de eisende partij in cassatie, terwijl het
cassatieberoep hangende is, in staat stelt om een mid-
del te doen gelden dat ontleend is aan de schending
avait expiré, et cela, même s’il s’agissait de donner effet
à une loi rétroactive.
[…] 85. La Cour estime que le droit d’accès à un
tribunal exigeait, dans les circonstances particulières
de l’espèce, que le requérant pût inviter la Cour de
cassation à se prononcer sur l’incidence de l’entrée
en vigueur de la loi du 25 juillet 2008 sur la légalité de
l’arrêt qu’il avait attaqué devant elle. Il en était ainsi eu
égard au fait que les dispositions de cette loi avaient
un caractère rétroactif et étaient d’application dans les
litiges en cours, sauf s’il y avait déjà eu une décision
passée en force de chose jugée (comme une décision
rendue par une instance d’appel) et contre laquelle un
pourvoi n’avait pas été introduit.
86. Ainsi, à la lumière des considérations qui précèdent,
la Cour conclut que la présente affaire a fait apparaître
une lacune dans les règles relatives à la recevabilité
des pourvois en cassation, des mémoires ampliatifs et
des moyens de cassation, règles qui ne sont pas en soi
contraires à l’article 6, § 1er. Il peut en effet y avoir des
cas exceptionnels où, alors qu’un pourvoi est pendant,
une loi entre en vigueur qui est immédiatement appli-
cable aux instances en cassation et dont le demandeur
peut de manière défendable faire valoir qu’elle a des
conséquences pour la solution du litige devant la Cour
de cassation.
87. Comme illustré par la présente affaire, un moyen
fondé sur une telle loi nouvelle ne peut pas être soumis à
la Cour de cassation. Cette lacune n’a pas été comblée
par la Cour de cassation […]. Si une autre interprétation
des dispositions procédurales n’était pas légalement
possible, le système légal belge ne permettait pas au
requérant de soumettre utilement à la Cour de cassa-
tion le moyen tiré de la nouvelle loi. Il en est résulté
une situation qui n’était pas adaptée aux circonstances
particulières de l’espèce […].
88. Dans ces circonstances, la Cour estime que la
réglementation a cessé de servir les buts de la “sécurité
juridique” et de la “bonne administration de la justice”. […]
Cette réglementation a constitué une sorte de barrière
qui a empêché le requérant de voir son litige tranché au
fond. Son droit d’accès à un tribunal s’est donc trouvé
atteint dans sa substance même.
89. Ce constat suffit à conclure qu’il y a eu violation
de l’article 6, § 1er, de la Convention.”.
Il s’impose, dès lors, de prévoir une disposition légale
permettant à la partie demanderesse en cassation de
faire valoir, alors que le pourvoi est pendant, un moyen
pris de la violation d’une disposition légale entrée en
3552/001
DOC 55
62
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van een wettelijke bepaling die in werking getreden is
tijdens het cassatiegeding en die met terugwerkende
kracht van toepassing is op het geschil.
In de huidige stand van de wetgeving kan het Hof
van Cassatie enkel rekening houden met een middel
dat in het verzoekschrift tot cassatie wordt aangevoerd.
Een memorie van toelichting, ook al wordt ze ingediend
binnen de termijn voorgeschreven in artikel 1087 van
het Gerechtelijk Wetboek, kan geen aanvullend middel
bevatten, maar enkel een uiteenzetting van de feiten
en de ontwikkeling van de cassatiemiddelen die zijn
vermeld in het verzoekschrift.
Het lijkt niet wenselijk over te gaan tot de wijziging van
de regels inzake de ontvankelijkheid van de cassatie-
beroepen, de memories van toelichting en de cassatie-
middelen, waarvan het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens toegeeft dat ze op zich niet strijdig zijn
met artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Uit die regels blijkt immers de wil van de wetgever om
de bundeling en de snelle uitwisseling van de geschriften
tussen de partijen te bevorderen. Ze waarborgen daar-
naast de effectieve uitoefening van de rechten van de
verdediging, door te verduidelijken welk soort geschrift
elk van de partijen in elke stap van deze uitwisseling
mag indienen. Ze zijn ten slotte aangepast aan de aard
van de toetsing vanwege het Hof van Cassatie.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft
in dit opzicht terecht de nadruk gelegd op het uitzonder-
lijke karakter van de omstandigheden die aan de basis
liggen van zijn arrest van 16 februari 2021.
Het cassatieberoep, een buitengewoon rechtsmid-
del, opent een nieuw geding, onderscheiden van het
geding dat werd gevolgd voor de eerste rechter en de
rechter in hoger beroep, dat slechts wordt hervat als de
beslissing wordt vernietigd en binnen de perken van de
vernietiging. Dat nieuwe geding gaat over de wettelijk-
heid van de bestreden beslissing, die in de regel enkel
kan worden beoordeeld in het licht van de wetten die
van kracht waren op het tijdstip waarop die beslissing
werd gewezen (conclusies van procureur-generaal Jean-
François Leclercq, toenmalig advocaat-generaal, vóór
Cass., 18 oktober 1999, Bull. en Pas., 1999, I, nr. 540,
en de vermelde referenties).
Het is dermate uitzonderlijk dat een nieuwe wet toe-
passelijk wordt verklaard op de geschillen waartegen
cassatieberoep werd aangetekend, dat er geen voor-
beelden van zijn in de rechtspraak van het Hof van
Cassatie sinds de arresten waartoe de wet van 25 juli
2008 aanleiding heeft gegeven.
vigueur pendant l’instance en cassation et applicable
rétroactivement au litige.
En l’état actuel de la législation, la Cour de cassation
ne peut avoir égard qu’à un moyen présenté dans la
requête en cassation. Fût-il remis dans le délai prescrit à
l’article 1087 du Code judiciaire, un mémoire ampliatif ne
peut contenir de moyen complémentaire mais seulement
un exposé des faits et le développement des moyens
de cassation contenus dans la requête.
Il ne paraît pas souhaitable de modifier “les règles
relatives à la recevabilité des pourvois en cassation,
des mémoires ampliatifs et des moyens de cassation”,
dont la Cour européenne des droits de l’homme admet
qu’elles “ne sont pas en soi contraires à l’article 6, § 1er,
de la Convention” de sauvegarde des droits de l’homme
et des libertés fondamentales.
Ces règles, en effet, traduisent la volonté du législateur
de favoriser la concentration et la célérité de l’échange
des écritures des parties. Elles garantissent, en outre,
l’exercice effectif des droits de la défense en précisant
la nature de l’écrit qu’à chaque étape de cet échange,
chacune des parties est autorisée à déposer. Elles sont,
enfin, adaptées à la nature du contrôle de la Cour de
cassation.
C’est à cet égard à juste titre que la Cour européenne
des droits de l’homme a souligné le caractère exception-
nel des circonstances qui sont à l’origine de son arrêt
du 16 février 2021.
Le pourvoi en cassation, voie de recours extraordinaire,
ouvre une instance nouvelle, distincte de celle qui a été
suivie devant le premier juge et le juge d’appel, laquelle
ne reprendra cours que si une cassation intervient et
dans la mesure de celle-ci. Cette instance nouvelle a pour
objet la légalité de la décision attaquée, qui ne peut, en
règle, être appréciée qu’à l’aune des lois en vigueur au
moment où cette décision a été rendue (conclusions de
monsieur le procureur général Jean-François Leclercq,
alors avocat général, précédant Cass., 18 octobre 1999,
Bull. et Pas., 1999, I, n° 540, et les références citées).
Il est à ce point exceptionnel qu’une loi nouvelle
soit déclarée applicable aux litiges faisant l’objet d’un
pourvoi en cassation que la jurisprudence de la Cour
de cassation n’en offre pas d’exemple depuis les arrêts
auxquels a donné lieu la loi du 25 juillet 2008.
63
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Om de leemte die is vastgesteld door het Europees Hof
voor de Rechten van de Mens te ondervangen, volstaat
het niet artikel 1087 van het Gerechtelijk Wetboek aan
te vullen met een lid dat de memorie van toelichting die
buiten de voorgeschreven termijn wordt ingediend en
die een middel bevat dat ontleend is aan de schending
van een wettelijke bepaling die in werking getreden is
tijdens het cassatiegeding en met terugwerkende kracht
van toepassing is op het geschil, ontheft van het door
die bepaling vastgestelde verval: zoals vermeld, kan de
memorie van toelichting immers geen cassatiemiddel
bevatten, maar enkel een uiteenzetting van de feiten
en de ontwikkeling van de cassatiemiddelen die zijn
vermeld in het verzoekschrift.
Aangezien de vrijwaring van de huidige procedure
wordt nagestreefd, alsook de waarborging, als tegen-
hanger van het erkende recht, voor de eisende partij
om tijdens het cassatiegeding een aanvullend middel te
doen gelden dat ontleend is aan de schending van een
dergelijke wettelijke bepaling, hebben de rechten van de
verdediging van de verwerende partij een aanzet gegeven
voor de oplossing die het ontworpen artikel voorstelt.
Dat artikel strekt ertoe in het Gerechtelijk Wetboek na
artikel 1094/1 een nieuwe bepaling in te voegen.
Dat artikel zal, in soortgelijke omstandigheden als die
welke aanleiding hebben gegeven tot het arrest van het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens van febru-
ari 2021, de eisende partij in staat stellen om bij het Hof
van Cassatie een aanvullend verzoekschrift indienen.
Dat aanvullend verzoekschrift, dat onderworpen is
aan dezelfde regels inzake niet-ontvankelijkheid als
het eerste verzoekschrift, heeft als enig doel een nieuw
middel ontleend aan de schending van de nieuwe wet
die tijdens het cassatiegeding in werking is getreden en
met terugwerkende kracht op het geschil van toepassing
is, aanhangig te maken bij dat hof.
Het opent een aanvullende procedure, waarbij de
andere partijen de mogelijkheid krijgen om hun verde-
diging voor te dragen.
Die aanvullende procedure volgt dezelfde regels als
de initiële procedure. Ze wordt eraan toegevoegd en er
wordt bij eenzelfde arrest uitspraak gedaan over de twee
verzoekschriften. Dat aanvullend verzoekschrift opent
dus geen nieuw geding en vereist aldus geen betaling
van een nieuw rolrecht, noch een nieuwe bijdrage aan
het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
Er moet eveneens worden opgemerkt dat, hoewel de
tekst van het ontwerp deze mogelijkheid enkel openstelt
voor de eisende partij, er geen ongelijkheid van wapens
Il ne saurait suffire, pour combler la lacune consta-
tée par la Cour européenne des droits de l’homme, de
compléter l’article 1087 du Code judiciaire d’un alinéa
relevant de la déchéance édictée par cette disposition le
mémoire ampliatif déposé en dehors du délai prescrit et
contenant un moyen pris de la violation d’une disposition
légale entrée en vigueur pendant l’instance en cassa-
tion et rétroactivement applicable au litige: le mémoire
ampliatif, on l’a vu, ne peut en effet contenir un moyen
de cassation mais uniquement un exposé des faits et
le développement des moyens de cassation contenus
dans la requête.
Le souhait de préserver la procédure actuelle et de
garantir, comme pendant au droit reconnu à la partie
demanderesse de faire valoir pendant l’instance en
cassation un moyen complémentaire pris de la violation
de pareille disposition légale, le droit de défense de la
partie défenderesse a inspiré la solution que propose
l’article en projet.
Cet article tend à insérer dans le Code judiciaire une
disposition nouvelle prenant place après l’article 1094/1.
Cet article permettra, dans des circonstances sem-
blables à celles qui ont donné lieu à l’arrêt de la Cour euro-
péenne des droits de l’homme du février 2021, à la partie
demanderesse de soumettre à la Cour de cassation une
requête complémentaire.
Cette requête complémentaire, soumise aux mêmes
règles de recevabilité que la requête principale, aura
pour seul objet de saisir cette cour d’un moyen nouveau
pris de la violation de la nouvelle loi entrée en vigueur
pendant l’instance en cassation, et rétroactivement
applicable au litige.
Elle ouvrira une procédure complémentaire offrant aux
autres parties la possibilité de présenter leur défense.
Cette procédure complémentaire obéit aux mêmes
règles que la procédure initiale. Elle est jointe à celle-
ci et il est statué sur les deux requêtes par un même
arrêt. Cette requête complémentaire n’ouvre donc pas
de nouvelle instance et, ainsi, ne nécessite pas le paie-
ment d’un nouveau droit de mise au rôle ni de nouvelle
contribution au Fonds d’aide juridique de deuxième ligne.
Il convient de noter également que, bien que le texte
du projet n’ouvre cette possibilité qu’à la partie deman-
deresse, il n’existera pas d’inégalité des armes entre
3552/001
DOC 55
64
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
zal zijn tussen die partij en de verwerende partij, aange-
zien er een onderscheid moet worden gemaakt tussen
de situatie van de eiser en die van de verweerder in cas-
satie. Hoewel de eiser zijn eis geconcretiseerd ziet door
de indiening van zijn verzoekschrift, is de verweerder
immers niet onderworpen aan dezelfde beperkingen.
Aan de ene kant belet niets hem om, op grond van arti-
kel 1086 van het Gerechtelijk Wetboek, de aandacht van
het Hof te vestigen op een nieuwe omstandigheid die van
invloed kan zijn op de uitkomst van het beroep, en die
zelfs na het verstrijken van de antwoordtermijn aan het
licht gekomen is. Aan de andere kant is het eveneens
vaste rechtspraak dat het Hof, voor zijn verklaring dat
een cassatiemiddel ontdaan is van belang, kan steunen
op een wet die in werking is getreden tijdens een cas-
satiegeding, wanneer die wet van toepassing is op het
lopende proces, en dat deze, in geval van cassatie, de
rechter naar wie de zaak verwezen is zou verplichten
om dezelfde beslissing te wijzen als die waartegen
dat middel is gericht (zie de conclusies van advocaat-
generaal Leclercq, vóór Cass., 18 oktober 1990, Bull.
en Pas., 1999, nr. 540, in het bijzonder nr. 5, blz. 1282,
en de arresten vermeld in noot (10); de noten (1), (2),
(3) en (4), getekend W.G., onder Cass., 25 september
1969, Bull. en Pas., 1970, I, 95, in het bijzonder blz. 100,
en de noot (2), getekend R.H., onder Cass., 5 januari
1948, Bull. en Pas., 1948, I, 16). Tot slot, ofschoon het
Hof van Cassatie in burgerlijke zaken ambtshalve geen
cassatiemiddel kan opwerpen, kan het wel ambtshalve
enige grond van niet-ontvankelijkheid of ongegrond-
heid van een dergelijk middel opwerpen, hetgeen de
verweerder ten goede komt.
Art. 44
Er wordt gepreciseerd dat de schuldeiser met een
geregistreerd pandrecht of eigendomsvoorbehoud
eveneens opgeroepen moet worden bij de machti-
gingsprocedure. Bij de vorige wijziging van artikel 1326
van het Gerechtelijk Wetboek naar aanleiding van de
insolventiewet van 11 augustus 2017 werd immers on-
voldoende rekening gehouden met de nieuwe Pandwet,
waarbij het Pandregister werd opgericht. Het spreekt
voor zich dat enkel de schuldeiser/pandhouder moet
worden opgeroepen bij de machtigingsprocedure in
de mate zijn recht betrekking heeft op het te verkopen
onroerend goed.
Te dien einde maakt de partij die de machtiging ver-
zoekt of de notaris een hypothecair getuigschrift evenals
het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister over aan de griffie.
Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht verbon-
den aan de zekerheden ongedaan te maken en zakelijke
cette partie et la partie défenderesse dans la mesure
où il convient de distinguer la situation du demandeur et
celle du défendeur en cassation. En effet, si le deman-
deur voit sa demande cristallisée par l’introduction
de sa requête, le défendeur, lui, n’est pas soumis aux
mêmes limitations. D’une part, rien ne l’empêche, sur le
fondement de l’article 1086 du Code judiciaire, d’attirer
l’attention de la Cour sur une circonstance nouvelle
pouvant avoir un effet sur l’issue du recours et apparue
après même l’expiration du délai de réponse. D’autre
part, il est également de jurisprudence constante que
la Cour peut, pour déclarer qu’un moyen de cassation
est dénué d’intérêt, se fonder sur une loi entrée en
vigueur pendant l’instance en cassation, lorsque cette
loi est applicable au procès en cours et que, en cas de
cassation, elle obligerait le juge de renvoi à rendre la
même décision que celle contre laquelle est dirigé ce
moyen (voyez les conclusions de monsieur l’avocat
général Leclercq, précédant Cass, 18 octobre 1999,
Bull. et Pas., 1999, I, n° 540, spécialement n° 5, p. 1337,
et les arrêts cités à la note (10); les notes (1), (2), (3) et
(4), signées W.G., sous Cass., 25 septembre 1969, Bull.
et Pas., 1970, I, 83, spécialement p. 88, et la note (2),
signée R.H., sous Cass., 5 janvier 1948, Bull. et Pas.,
1948, I, 16). Enfin, si la Cour de cassation ne peut, en
matière civile, soulever d’office un moyen de cassation,
elle peut en revanche soulever d’office toute cause
d’irrecevabilité ou de non-fondement d’un tel moyen,
ce qui bénéficie au défendeur.
Art. 44
Il est précisé que le créancier qui dispose d’un gage
ou une réserve de propriété enregistré(e) doit également
être appelé à la procédure d’autorisation. Lors de la pré-
cédente modification de l’article 1326 du Code judiciaire
à l’occasion de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a
pas été suffisamment tenu compte de la nouvelle loi sur
le gage par laquelle le Registre des gages a été créé. Il
va de soi que le créancier/gagiste doit uniquement être
appelé à la procédure d’autorisation pour autant que
son droit concerne l’immeuble à vendre.
À cette fin, la partie qui demande l’autorisation ou le
notaire transmet un certificat hypothécaire ainsi que le
résultat des recherches après consultation du Registre
des gages au greffe.
Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de
suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle,
65
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder benadrukt
dat enkel de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers
moeten worden opgeroepen (en dus niet de overige
bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving van
hun voorrecht zijn overgegaan).
Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar
of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen
publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen
geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving.
Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen,
maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden
genomen.
Bovendien moeten thans de schuldeisers die een
pauliaanse vordering krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, worden
opgeroepen. Dit leidt ertoe dat, indien er een zuiverende
verkoop van het frauduleus vervreemde goed plaatsvindt,
het lot van de schuldeiser die de actio pauliana heeft
ingesteld, zal moeten worden bepaald in het kader van
de rangregeling.
Ingevolge advies van de Raad van State wordt de
verwijzing naar de personen die geïnterneerd zijn inge-
volge de wet op de bescherming van de maatschappij,
geschrapt. De wet van 9 april 1930 tot bescherming van
de maatschappij werd namelijk opgeheven bij de wet
van 5 mei 2014 betreffende de internering. Overigens
vloeit de onbekwaamheid van de geïnterneerde persoon
niet voort uit de internering als dusdanig, maar uit de
beslissing tot plaatsing onder rechterlijke bescherming
van de geïnterneerde, die wordt genomen op grond
van artikel 1238, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek.
De verwijzing naar “beschermde personen” die reeds
in artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek voorkomt,
volstaat dus om op adequate wijze van toepassing te
zijn op geïnterneerde personen, waarbij een specifieke
verwijzing naar die laatsten niet relevant lijkt.
Art. 45
De voorgestelde wijziging corrigeert een spelfout in
de Franse tekst.
Art. 46
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Verder wordt een kleine precisering aangebracht in
verband met de samenloop van machtigingen. Er werd op
basis van de huidige bewoording algemeen aanvaard dat
l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri-
vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les
autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder
à une inscription de leur privilège).
On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa-
tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité
n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de
droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne
doivent donc pas être appelés mais devront être pris en
considération dans l’ordre.
En outre, les créanciers qui ont fait mention en marge
d’une action paulienne conformément à l’article 5.243
du Code civil devront à présent être convoqués. Cela
implique que, si a lieu une vente purgeante d’un bien
frauduleusement aliéné, le sort du créancier qui a intro-
duit une action paulienne devra être déterminé dans le
cadre de l’ordre.
Suite à l’avis du Conseil d’État, la référence aux per-
sonnes internées par application de la loi sur la défense
sociale est supprimée. En effet, la loi de défense sociale
du 9 avril 1930 a été abrogée par la loi du 5 mai 2014
relative à l’internement. Par ailleurs, l’incapacité de la
personne internée ne découle pas de l’internement
comme tel, mais de la décision de placer l’interné sous
protection judiciaire, prise sur la base de l’article 1238,
§ 2, 2° du Code judiciaire.
La référence aux “personnes protégées” qui figure
déjà dans l’article 1187 du Code judiciaire est donc
suffisante pour couvrir adéquatement les personnes
internées, sans qu’une référence spécifique à ces der-
nières apparaisse pertinente.
Art. 45
La modification proposée corrige une faute d’ortho-
graphe dans le texte français.
Art. 46
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
En outre, une petite précision est apportée en ce
qui concerne le concours des autorisations. Sur base
de la formulation actuelle, il était généralement admis
3552/001
DOC 55
66
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wanneer bijvoorbeeld een minderjarige de nalatenschap
aanvaard heeft onder voorrecht van boedelbeschrijving,
de machtiging van de vrederechter volstaat. Er moest
dan geen bijkomende machtiging gevraagd worden aan
de familierechtbank. Dit principe wordt behouden, met
de precisering dat hetzelfde geldt indien slechts één van
de partijen onbekwaam is. Indien het goed toebehoort
aan een bekwame mede-eigenaar die aanvaard heeft
onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan een
minderjarige die een machtiging heeft gevraagd op grond
van artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek, zal deze
machtiging van de vrederechter volstaan.
Art. 47
Onder de oude wetgeving werd er geen zuiverende
werking toegekend aan de verkoop (openbaar of uit
de hand) van een onroerend goed toebehorend aan
een rechtspersoon in vereffening. Er wordt een nieuwe
machtigingsprocedure voorzien opdat ook deze verkoop
zuivering met zich mee kan brengen. Indien de veref-
fenaar wenst te genieten van de zuivering, moet hij een
machtiging vragen aan de ondernemingsrechtbank.
De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder
machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet
nastreeft.
Art. 48
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 52
van dit ontwerp.
Art. 49
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 52
van dit ontwerp.
Art. 50
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Verder wordt thans voorzien dat de notaris de schatter
aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De
notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij
sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen.
que si, par exemple, un mineur acceptait la succession
sous bénéfice d’inventaire, l’autorisation du juge de paix
suffisait. Aucune autorisation supplémentaire ne devait
être demandée au tribunal de la famille. Ce principe est
maintenu avec la précision qu’il en va de même si une
seule des parties est incapable. Si le bien appartient à
un copropriétaire capable qui a accepté sous bénéfice
d’inventaire et à un mineur qui a demandé l’autorisation
de l’article 1187 du Code judiciaire, cette autorisation du
juge de paix suffira.
Art. 47
Sous l’ancienne législation, l’effet de purge n’était
pas reconnu à la vente (publique ou de gré à gré) d’un
bien immeuble appartenant à une personne morale en
liquidation. Une nouvelle procédure d’autorisation est
prévue pour que cette vente puisse emporter également
la purge. S’il souhaite bénéficier de l’effet de purge,
le liquidateur doit alors demander une autorisation au
tribunal de l’entreprise.
Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans
autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge.
Art. 48
Il est renvoyé au commentaire de l’article 52 du pré-
sent projet.
Art. 49
Il est renvoyé au commentaire de l’article 52 du pré-
sent projet.
Art. 50
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Par ailleurs, il est à présent prévu que le notaire
désigne l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le
notaire connait en effet les experts locaux, avec pour
conséquence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel
rapport d’expertise.
67
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 51
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Er wordt voorzien dat de curator (en niet de rechter-
commissaris) een notaris kan aanstellen met het oog
op het opmaken van de ontwerpakte. Een dergelijke
wijziging beoogt de verkoopprocedure efficiënter te
laten verlopen en een werklastvermindering voor de
magistraten te bewerkstelligen.
Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden
voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die
het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent
immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een
dergelijk deskundigenverslag kan bekomen.
Daarnaast wordt er niet langer melding gemaakt
van de bewoording “zoals een minimumverkoopprijs”,
aangezien in artikel 1193bis en 1193ter, derde lid ge-
preciseerd wordt.
Art. 52
Onder de huidige wetgeving werd er geen zuiverende
werking toegekend aan de verkoop (openbaar of uit
de hand) van een onroerend goed toebehorend aan
een rechtspersoon in vereffening. Er wordt een nieuwe
machtigingsprocedure voorzien opdat ook deze verkoop
zuivering met zich mee kan brengen. Indien de veref-
fenaar wenst te genieten van de zuivering, moet hij een
machtiging vragen aan de ondernemingsrechtbank.
De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder
machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet
nastreeft.
Indien de vereffenaar beslist om al dan niet zuiverend
te verkopen, moet hij alleszins de bepalingen voorzien
in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen
naleven en de eventuele machtigingen bekomen.
Er wordt verder verwezen naar de toelichting bij ar-
tikel 44 van dit ontwerp.
Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden
voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die
het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent
immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een
dergelijk deskundigenverslag kan bekomen.
Art. 51
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Il est prévu que le curateur (et non le juge-commis-
saire) peut désigner un notaire en vue de rédiger le projet
d’acte. Une telle modification vise à rendre la procédure
de vente plus efficace et à réduire la charge de travail
des magistrats.
Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit
être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui
va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en
effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il
peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise.
En outre, il n’est plus fait mention des termes “telle que
la fixation d’un prix de vente minimum”, vu que cela est
précisé à l’article 1193bis et à l’article 1193ter, alinéa 3.
Art. 52
Sous l’empire de l’actuelle législation, l’effet de purge
n’était pas reconnu à la vente (publique ou de gré à gré)
d’un bien immeuble appartenant à une personne morale
en liquidation. Une nouvelle procédure d’autorisation est
prévue pour que cette vente puisse emporter également
la purge. S’il souhaite bénéficier de l’effet de purge,
le liquidateur doit alors demander une autorisation au
tribunal de l’entreprise.
Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans
autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge.
S’il décide de procéder à une vente purgeante ou non,
il devra toujours respecter les dispositions du Code des
sociétés et des associations et obtenir les autorisations
éventuelles.
Pour le reste, il est renvoyé au commentaire de l’ar-
ticle 44 du présent projet.
Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit
être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui
va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en
effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il
peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise.
3552/001
DOC 55
68
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 53
Het betreft een wijziging van louter technische aard.
Artikel 1253ter/1, § 3 wordt opgeheven aangezien de
inhoud ervan is overgenomen in de nieuwe artike-
len 731/1 tot 734/4. Ter herinnering: het ontwerp heeft
het “concept” van kamer voor minnelijke schikking, dat
als dusdanig is gecreëerd bij de wet van 2013 voor de
familierechtbank, uitgebreid tot het merendeel van de
hoven en rechtbanken in burgerlijke en ondernemings-
zaken en in sociale zaken. Het was dus niet zinvol om
deze paragraaf 3 enkel te behouden voor de kamers voor
minnelijke schikking bij de familierechtbank wanneer
een specifieke afdeling gewijd wordt aan de werking
van die kamers.
Bijgevolg behelst de tweede wijziging een correctie
van de verwijzing, naar de juiste artikelen.
Art. 54
Het betreft een wijziging van louter technische aard,
die de wijziging van een verwijzing beoogt.
Art. 55
Het betreft een wijziging van louter technische aard,
die de wijziging van een verwijzing beoogt.
Art. 56
Artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gron-
dig gewijzigd om verschillende praktische problemen in
verband met de zuivering op te lossen.
1) Uitdrukkelijke opsomming van de zuiverende
verkopingen
Alle verkopingen die zuiverende werking hebben
worden thans uitdrukkelijk opgesomd, zonder enkel en
alleen te verwijzen naar de artikelen. De verwijzing naar
de artikelen zou immers tot onduidelijkheid kunnen leiden
indien de verkoop bijvoorbeeld nog plaatsvindt onder
de oude wetgeving (bijvoorbeeld de faillissementswet
of de wet continuïteit ondernemingen, in plaats van het
Wetboek economisch recht). In dat geval kan de expli-
ciete verwijzing naar het Wetboek economisch recht
voor verwarring zorgen.
Zoals voordien blijft er een principieel onderscheid
bestaan tussen de goederen die hetzij geheel (§ 1), hetzij
gedeeltelijk (§ 2 en 3) toebehoren aan de in artikel 1326
van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde personen.
Art. 53
Il s’agit d’une disposition purement technique.
L’article 1253ter/1, § 3 est abrogé car son contenu a
été repris aux nouveaux articles 731/1 à 734/4. Pour
rappel, le projet a étendu le “concept” de chambre de
règlement à l’amiable créé par la loi de 2013 pour le
tribunal de la famille à la plupart des cours et tribunaux
en matière civile, commerciale et sociale. Il était donc
inutile de conserver ce paragraphe 3 uniquement pour
les chambres de règlement à l’amiable du tribunal de
la famille à partir du moment où une section spécifique
est consacrée au fonctionnement de ces chambres.
En conséquence, la deuxième modification vise à
corriger le renvoi vers les bons articles.
Art. 54
Il s’agit d’une modification purement technique visant
à modifier un renvoi.
Art. 55
Il s’agit d’une modification purement technique visant
à modifier un renvoi.
Art. 56
L’article 1326 du Code judiciaire est remanié en pro-
fondeur pour résoudre certains problèmes pratiques en
lien avec la purge.
1) Énumération expresse des ventes purgeantes
Toutes les ventes qui ont un effet purgeant sont à
présent expressément énumérées, sans renvoyer uni-
quement vers les articles concernés. Le renvoi vers
les articles peut en effet mener à des imprécisions,
par exemple, si la vente se déroule encore sous une
ancienne législation (par exemple, la loi sur les faillites
ou la loi sur la continuité des entreprises en lieu et place
du Code de droit économique). Dans ce cas, le renvoi
explicite vers le Code de droit économique peut prêter
à confusion.
Comme par le passé, demeure une distinction par
principe entre les biens qui appartiennent en totalité
(§ 1er) ou pour partie (§ 2) aux personnes énumérées à
l’article 1326 du Code judiciaire.
69
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien het goed geheel toebehoort aan de in arti-
kel 1326 opgesomde personen, is de verkoop zuiverend
voor zover de opgesomde schuldeisers ofwel door
de notaris worden opgeroepen om de verkoopver-
richtingen te volgen in het kader van de openbare ver-
koop, ofwel door de griffie worden opgeroepen bij de
machtigingsprocedure.
Indien het goed slechts gedeeltelijk toebehoort
aan de opgesomde personen en aan andere perso-
nen, is de verkoop zuiverend indien de opgesomde
schuldeisers door de griffie worden opgeroepen bij de
machtigingsprocedure.
Met “de machtigingsprocedure” wordt bedoeld de
beslissing waarin de rechter de verkoop machtigt of
beveelt. Indien deze machtiging in een bepaalde termijn
voorziet om over te gaan tot de verkoop en er later een
verlenging door de rechtbank wordt toegestaan, is het
echter niet vereist dat de schuldeisers opnieuw worden
opgeroepen.
In de hypothese dat het gaat om een onverdeeld goed,
toebehorend aan meerdere personen die opgesomd
worden in artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek
(bijvoorbeeld een onverdeeld deel dat toebehoort aan
een persoon die onder collectieve schuldenregeling
staat, terwijl het andere deel aan een andere persoon
toebehoort die eveneens onder collectieve schulden-
regeling staat), is paragraaf 2 van toepassing en niet
paragraaf 1. In dat geval blijft een oproeping tot de
machtigingsprocedure dus noodzakelijk.
De goederen die verkocht worden in het kader van een
beslagprocedure die geheel of gedeeltelijk toebehoren
aan de beslagene, vallen onder het toepassingsgebied
van paragraaf 1. Indien het dus gaat om een openbare
verkoop van een onverdeeld onroerend goed dat toe-
behoort aan twee schuldenaren die beiden beslagen
werden, moet een oproeping om de verkoopverrichtingen
te volgen volstaan. Indien de beslagleggende schuldeiser
op grond van artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek
een verzoek tot vereffening-verdeling heeft ingediend,
zullen de specifieke regels voorzien in paragraaf 3 gelden.
Er wordt verder een bijzondere regeling voorzien in
het uitzonderlijke geval dat uit de toepassing van arti-
kel 1326, § 2 en § 3 blijkt dat de zuivering kan worden
bekomen in het kader van verschillende procedures. Dit
kan zich enkel voordoen wanneer er sprake is van een
cumul van procedures.
Bijvoorbeeld wanneer een onroerend goed in mede-
eigendom toebehoort aan een minderjarige en een per-
soon die tot de collectieve schuldenregeling werd toege-
laten. Indien er in een dergelijk geval twee machtigingen
Si le bien appartient en totalité aux personnes énu-
mérées à l’article 1326, la vente sera purgeante pour
autant que les créanciers énumérés aient été appelés
par le notaire à suivre les opérations de vente dans le
cadre d’une vente publique, ou aient été appelés par le
greffe à la procédure d’autorisation.
Si le bien appartient pour partie aux personnes énu-
mérées et à d’autres personnes, la vente sera purgeante
pour autant que les créanciers énumérés aient été appelés
par le greffe à la procédure d’autorisation.
Par “procédure d’autorisation”, on entend la décision
par laquelle le juge autorise ou ordonne la vente. Si cette
autorisation prévoit de procéder à la vente dans un certain
délai et qu’une prorogation est ensuite accordée par le
tribunal, il n’est pas requis que les créanciers soient à
nouveau appelés.
Dans l’hypothèse où il s’agit d’un bien indivis qui appar-
tient à plusieurs personnes énumérées à l’article 1326 du
Code judiciaire (par exemple, une part indivise apparte-
nant à une personne en règlement collectif de dettes et
l’autre part à une autre personne également en règlement
collectif de dettes), le paragraphe 2 est d’application
et non le paragraphe 1er. Dans ce cas, un appel à la
procédure d’autorisation demeure donc nécessaire.
Les biens qui sont vendus dans le cadre d’une pro-
cédure de saisie et qui appartiennent en totalité ou en
partie au saisi, tombent sous le champ d’application
du paragraphe 1. Ainsi, s’il s’agit d’une vente publique
d’un immeuble indivis qui appartient à deux débiteurs
qui sont tous les deux saisis, une convocation à suivre
les opérations de vente doit suffire. Si le créancier sai-
sissant a introduit une demande de liquidation-partage
sur base de l’article 1561 du Code judiciaire, les règles
spécifiques prévues au paragraphe 3 s’appliqueront.
En outre, une disposition spécifique a été prévue dans
le cas exceptionnel où, en application de l’article 1326,
§ 2 et § 3, il s’avère que la purge peut être obtenue dans
le cadre de différentes procédures. Cela peut uniquement
arriver lorsqu’il est question d’un cumul de procédures.
Par exemple, un immeuble appartient en copropriété
à un mineur et une personne admise en règlement col-
lectif de dettes. Si dans un tel cas, deux autorisations
ont été obtenues conformément au § 2, la vente aura
3552/001
DOC 55
70
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bekomen werden overeenkomstig § 2, zal de verkoop
zuiverende werking hebben voor zover alle schuldei-
sers en de mede-eigenaars bij minstens één van deze
procedures betrokken werden.
Op deze manier wordt voldoende garantie geboden aan
de schuldeisers en wordt er vermeden dat de rechtbank
opnieuw gevat moet worden indien de oproeping in één
van deze procedures niet correct verliep.
2) Zuiverende verkoop van een onroerend goed
toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening
Onder de oude wetgeving werd er geen zuiverende
werking toegekend aan de verkoop van een onroerend
goed toebehorend aan een rechtspersoon in vereffening.
Er wordt een nieuwe machtigingsprocedure voorzien opdat
ook deze verkoop zuivering met zich mee kan brengen.
De vereffenaar kan echter ook nog steeds zonder
machtiging verkopen als hij de zuiverende werking niet
nastreeft.
3) Uitbreiding van de schuldeisers die moeten
worden opgeroepen
3.1 Thans wordt eveneens de zuiverende werking
toegepast ten aanzien van de schuldeisers die een
pauliaanse vordering krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden. Dit leidt
ertoe dat, indien er een zuiverende verkoop ingevolge
beslag, vereffening-verdeling, enz. van het frauduleus
vervreemde goed plaatsvindt, het lot van de schuldeiser
die de actio pauliana heeft ingesteld, zal moeten worden
bepaald in het kader van de rangregeling.
De oproeping voorzien in dit artikel geldt enkel ten
aanzien van de schuldeiser die een pauliaanse vorde-
ring heeft doen kantmelden omdat deze schuldeiser
beschikt over een schuldvordering die in de rangregeling
kan voorkomen. Er moet daarentegen geen rekening
worden gehouden met de overige kantmeldingen die
niet tot doel hebben om een schuldvordering te innen.
Zo zal de kantmelding van een vordering tot nietigver-
klaring van de verkoop geen aanleiding geven tot een
oproeping tot de machtigingsprocedure of een oproeping
om de verkoopverrichtingen te volgen. Een dergelijke
vordering tot nietigverklaring beoogt de initiële verkoop
ongedaan te maken en dit eveneens ten aanzien van
latere verkrijgers. Dit kan dus niet worden opgelost met
een zuiverende verkoop.
3.2 Daarnaast wordt ook gepreciseerd dat de schuld-
eiser met een geregistreerd pandrecht of eigendoms-
voorbehoud betrokken zal worden bij de procedure. Bij
un effet purgeant pour autant que tous les créanciers et
les copropriétaires aient valablement été associés à au
moins une de ces procédures d’autorisation.
De cette manière une garantie suffisante est offerte
aux créanciers et un retour au tribunal est évité si la
convocation ne s’est pas déroulée correctement dans
une de ces procédures.
2) Vente purgeante d’un immeuble appartenant à
une personne morale en liquidation
Sous l’ancienne législation, l’effet de purge n’était
pas reconnu à la vente d’un bien immeuble appartenant
à une personne morale en liquidation. Une nouvelle
procédure d’autorisation est prévue afin que cette vente
puisse également emporter la purge.
Le liquidateur peut cependant toujours vendre sans
autorisation s’il ne vise pas l’effet de purge.
3) Élargissement des créanciers qui doivent être
appelés
3.1 L’effet purgeant est à présent également applicable
à l’égard des créanciers qui ont fait mention en marge
d’une action paulienne conformément à l’article 5.243
du Code civil. Cela implique que si a lieu une vente pur-
geante suite à une saisie, une liquidation-partage, etc.,
d’un bien frauduleusement aliéné, le sort du créancier
qui a introduit une action paulienne devra être déterminé
dans le cadre de l’ordre.
La convocation prévue à cet article ne vaut que vis-
à-vis du créancier qui a inscrit une mention en marge
d’une action paulienne puisque ce créancier dispose
d’une créance qui peut être reprise dans l’ordre. Il ne
faut, par contre, pas tenir compte des autres mentions en
marge qui n’ont pas pour but de recouvrer une créance.
Ainsi, la mention en marge d’une action en nullité
de la vente ne donnera pas lieu à une convocation à la
procédure d’autorisation ou à une convocation à suivre
les opérations de vente. En effet, une telle action en
nullité vise à annuler la vente initiale, et ce également
à l’égard des acquéreurs ultérieurs. Cela ne peut donc
pas être résolu avec une vente purgeante.
3.2 Il est en outre précisé que le créancier qui dispose
d’un gage ou une réserve de propriété enregistrés est
associé à la procédure. Lors de la précédente modification
71
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de vorige wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk
Wetboek naar aanleiding van de insolventiewet van
11 augustus 2017, werd immers onvoldoende reke-
ning gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het
Pandregister werd opgericht. Het spreekt voor zich dat
enkel de schuldeiser/pandhouder moet worden opgeroe-
pen bij de machtigingsprocedure in de mate zijn recht
betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed.
Te dien einde maakt de partij die de machtiging ver-
zoekt of de notaris een hypothecair getuigschrift evenals
het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister over aan de griffie.
3.3 Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht
verbonden aan de zekerheden ongedaan te maken en
zakelijke subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder
benadrukt dat enkel de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers moeten worden opgeroepen (en dus niet de
overige bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving
van hun voorrecht zijn overgegaan).
Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar
of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen
publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen
geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving.
Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen,
maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden
genomen.
3.4 Indien er op het hypothecair getuigschrift geen
enkele schuldeiser zoals opgesomd in § 1 verschijnt, is
er geen nood aan zuivering. Toch moet er in een dergelijk
geval nog steeds een rangregeling worden opgesteld
om de overige schuldeisers te betrekken die gerechtigd
zijn om in de rangregeling te worden opgenomen.
4) Aanmaning om de verkoopverrichtingen te
volgen
De ratio legis van de oproeping van de schuldeisers
bij de toewijzing is dat deze schuldeisers zelf een bod
kunnen uitbrengen op het desbetreffend onroerend goed.
Hoewel bij een fysieke openbare verkoop de toewijzing
op dezelfde dag plaatsvindt als de biedingen, is dit niet
het geval bij een gedematerialiseerde openbare verkoop
waarin de toewijzing binnen maximum 10 werkdagen te
rekenen vanaf de sluiting van de biedingsperiode dient
plaats te vinden (overeenkomstig de artikelen 1193 en
1587 van het Gerechtelijk Wetboek). Indien de schuldei-
sers in het kader van een gedematerialiseerde openbare
verkoop slechts zouden worden opgeroepen bij de toe-
wijzing, zullen zij dus in feite niet langer de mogelijkheid
hebben om een bod uit te brengen. Om tegemoet te
de l’article 1326 du Code judiciaire à l’occasion de la
loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a pas été suffi-
samment tenu compte de la nouvelle loi sur le gage par
laquelle le Registre des gages a été créé. Il va de soi
que le créancier/gagiste doit uniquement être appelé à
la procédure d’autorisation pour autant que son droit
concerne l’immeuble à vendre.
À cette fin, la partie qui demande l’autorisation ou le
notaire transmet un certificat hypothécaire ainsi que le
résultat des recherches après consultation du Registre
des gages au greffe.
3.3 Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de
suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle,
l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri-
vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les
autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder
à une inscription de leur privilège).
On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa-
tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité
n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de
droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne
doivent donc pas être appelés mais devront être pris en
considération dans l’ordre.
3.4 S’il n’apparait pas de créanciers tel qu’énumérés
au § 1er dans l’état hypothécaire, la purge n’est pas
nécessaire. Cela étant, il y a toujours lieu de procéder
à l’établissement d’un acte d’ordre en vue d’associer les
autres créanciers qui ont le droit d’être repris dans l’ordre.
4) Sommation de suivre les opérations de vente
La ratio legis de l’appel des créanciers à l’adjudication
est que ces créanciers puissent effectuer eux-mêmes
une enchère sur le bien immeuble en question. Alors
que l’adjudication et les enchères ont lieu le même jour
dans une vente publique physique, ce n’est pas le cas
dans une vente publique dématérialisée dans le cadre
de laquelle l’adjudication doit avoir lieu dans un délai
de maximum 10 jours ouvrables à dater de la clôture
des enchères (conformément aux articles 1193 et 1587
du Code judiciaire). Dans le cadre d’une vente déma-
térialisée, si les créanciers ne sont appelés qu’à l’adju-
dication, ils n’ont en réalité plus la possibilité d’émettre
une enchère. Pour tenir compte de cette ratio legis,
l’appel à l’adjudication qui était prévu jusqu’ici est par
3552/001
DOC 55
72
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
komen aan deze ratio legis, wordt bijgevolg de oproe-
ping tot de toewijzing die tot nu toe voorzien was, thans
vervangen door een aanmaning om de verkoopverrich-
tingen te volgen.
Er wordt bovendien in de wet gepreciseerd dat deze
oproeping, afhankelijk van de omstandigheden van het
dossier, gebeurt per deurwaardersexploot of aangete-
kende zending met ontvangstbewijs. In de Memorie van
toelichting van de insolventiewet van 11 augustus 2017
werd deze wijze van oproeping reeds aangegeven (Parl.
St. Kamer 2016-17, nr. 2407/001, p. 116.).
5) Specifieke regeling voor de verkoop in het
kader van een gerechtelijke vereffening-verdeling
Er wordt in paragraaf 3 een specifieke regeling uitge-
werkt voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader
van een gerechtelijke vereffening-verdeling.
De zuivering van deze verkopingen werd voordien
verbonden aan de voorwaarde van de oproeping van
de schuldeisers bij de machtigingsprocedure. De wet
voorziet echter geen machtigingsprocedure in het kader
van de gerechtelijke vereffening-verdeling. Om de ver-
koop op te starten, volstaat het in principe dat de notaris
vaststelt dat het goed niet gevoeglijk verdeelbaar is in
natura of dat alle partijen akkoord gaan om te verkopen.
Vandaar dat er thans een onderscheid wordt gemaakt:
— een verkoop uit de hand in het kader van een
gerechtelijke vereffening-verdeling is zuiverend indien
de partijen zich vrijwillig aan een machtigingsprocedure
onderwerpen. De schuldeisers zullen dan worden op-
geroeen bij deze procedure;
— een openbare verkoop in het kader van een gerech-
telijke vereffening-verdeling heeft daarentegen zuiverende
werking indien de schuldeisers werden opgeroepen om
de verkoopverrichtingen te volgen.
Bovendien wordt er thans niet meer naar de artike-
len 1209, 1214 en 1224 van het Gerechtelijk Wetboek
verwezen, aangezien de nieuwe regels inzake zuivering
ook gelden voor de lopende procedures van vereffening-
verdeling die nog onder de oude wet plaatsvinden.
Deze nieuwe regels zijn eveneens van toepassing op
de openbare verkoop die plaatsvindt in het kader van
een procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling
op grond van artikel 1561 van het Gerechtelijk Wetboek.
6) In- of overschrijving genomen na de oproeping
van de schuldeisers
Het komt voor dat er nog zekerheidsrechten verwor-
ven worden op het onroerend goed (bijvoorbeeld een
conséquent remplacé par une sommation de suivre les
opérations de vente.
En outre, il est précisé dans la loi que cette sommation
a lieu, selon les circonstances du dossier, par exploit
d’huissier ou lettre recommandée avec accusé de récep-
tion. Ces modes de sommation étaient déjà repris dans
l’exposé des Motifs de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017
(Doc. Parl. Chambre 2016-17, n° 2407/001, p. 116.).
5) Règle spécifique pour la vente dans le cadre
d’une liquidation-partage judiciaire
Une règle spécifique a été prévue au paragraphe 3
pour les ventes qui ont lieu dans le cadre d’une liquida-
tion-partage judiciaire.
La purge de ces ventes était auparavant conditionnée
par l’appel des créanciers à la procédure d’autorisation.
La loi ne prévoit cependant pas de procédure d’autori-
sation dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire.
Pour entamer une vente, il suffit en principe que le
notaire constate que le bien n’est pas commodément
partageable en nature ou que toutes les parties soient
d’accord pour vendre. C’est pourquoi une distinction est
à présent effectuée:
— une vente de gré à gré dans le cadre d’une liqui-
dation-partage judiciaire est purgeante si les parties se
soumettent volontairement à une procédure d’autorisa-
tion. Les créanciers devront donc être appelés à cette
procédure;
— une vente publique dans le cadre d’une liquidation-
partage judiciaire a par contre un effet purgeant si les
créanciers sont appelés à suivre les opérations de vente.
En outre, il n’est désormais plus renvoyé aux ar-
ticles 1209, 1214 et 1224 du Code judiciaire dans la
mesure où les nouvelles règles en matière de purge
valent également pour les procédures de liquidation-par-
tage en cours qui sont encore régies par l’ancienne loi.
Ces nouvelles règles s’appliquent également à la vente
publique qui a lieu dans le cadre d’une procédure de
liquidation-partage judiciaire sur la base de l’article 1561
du Code judiciaire.
6) Inscription ou transcription prises après l’appel
des créanciers
Il arrive que des créanciers obtiennent encore des sûre-
tés sur le bien immeuble (par exemple une hypothèque
73
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wettelijke hypotheek genomen door een fiscale of sociale
schuldeiser), terwijl de oproeping van de schuldeisers
met het oog op de zuivering reeds heeft plaatsgevonden.
Er is thans immers geen zuiverende werking voorzien
ten aanzien van een schuldeiser die na deze oproeping
nog een in- of overschrijving neemt. De toevoeging
beoogt te verduidelijken dat het zekerheidsrecht van
deze schuldeiser automatisch wordt overgewezen op de
prijs, zonder dat deze schuldeiser nog moeten worden
opgeroepen. Bijgevolg kan deze in- of overschrijving
doorgehaald worden met het notarieel getuigschrift op
grond van artikel 1653 van het Gerechtelijk Wetboek.
Deze schuldeiser wordt echter wel betrokken in de
rangregeling.
Art. 57
De Nederlandse tekst van artikel 1389bis/7 van het
Gerechtelijk Wetboek is aangepast. Enerzijds om het
in overeenstemming te brengen met de Franse tekst
en anderzijds om aan te sluiten bij wat in dit geval re-
alistisch is.
Art. 58
Het voorliggende artikel strekt ertoe artikel 1409 van
het Gerechtelijk Wetboek te wijzigen, enerzijds om de
bepaling te actualiseren en anderzijds om het mogelijk te
maken de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan
te passen, buiten de enige jaarlijkse indexering bedoeld
in paragraaf 2, eerste lid, van de gewijzigde bepaling.
De eerste wijziging beoogt aldus de actualisering van
de in de bepaling vermelde bedragen die niet vatbaar
zijn voor beslag. Die bedragen, vroeger in frank uitge-
drukt, worden omgezet in euro en geïndexeerd op basis
van de afgevlakte gezondheidsindex van de maand
november 2022.
Deze eerste wijziging noopt tot bepaalde aanpassin-
gen in paragraaf 2 van artikel 1409 van het Gerechtelijk
Wetboek. Aangezien de bedragen worden aangepast op
basis van het indexcijfer van de maand november 2022,
is het voortaan immers het indexcijfer van die maand dat
het aanvangsindexcijfer wordt in formule voor de bereke-
ning van de indexering zoals vermeld in het tweede lid.
De wijziging in 2°, onder b), van dit artikel is slechts
een formele wijziging waarmee in artikel 1409 de inhoud
wordt geïntegreerd van artikel 3bis van het koninklijk
besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet
van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ‘s lands concurren-
tievermogen, ingevoegd bij de wet van 23 april 2015 tot
légale prise par un créancier fiscal ou social) alors
que l’appel des créanciers en vue de la purge est déjà
intervenu.
À l’heure actuelle, il n’y a pas d’effet purgeant à
l’égard d’un créancier qui prend une inscription ou une
transcription après cet appel. L’ajout vise à préciser que
la sûreté de ce créancier est automatiquement reportée
sur le prix, sans que ce créancier ne doive être appelé.
Par conséquent, cette inscription ou transcription peut
être radiée par le biais du certificat notarié sur base de
l’article 1653 du Code judiciaire. Toutefois, ce créancier
sera associé à l’ordre.
Art. 57
Le texte néerlandais de l’article 1389bis/7 du Code
judiciaire est adapté. Il s’agit d’une part, de le faire
correspondre à la version du texte français et, d’autre
part, de se conformer à ce qui est réaliste en l’espèce.
Art. 58
Le présent article a pour objet de modifier l’article 1409
du Code judiciaire, d’une part afin de mettre cette dis-
position à jour et d’autre part, afin de permettre une
adaptation des montants insaisissables en dehors de
la seule indexation annuelle visée au paragraphe 2,
alinéa 1er de la disposition modifiée.
Ainsi, la première modification adoptée vise l’actuali-
sation des montants insaisissables mentionnés dans la
disposition. Ces montants, indiqués précédemment en
francs, sont convertis en euros et indexés sur base de
l’indice santé lissé du mois de novembre 2022.
Cette première modification impose nécessairement
certaines adaptations au paragraphe 2 de l’article 1409
du Code judiciaire. En effet, les montants étant désormais
ajustés par rapport à l’indice du mois de novembre 2022,
c’est désormais l’indice de ce mois qui devient l’indice
de base dans la formule mentionnée à l’alinéa 2 pour
le calcul de l’indexation.
La modification visée au point 2°, b) du présent article
n’est, quant à elle, qu’une modification formelle qui ne fait
qu’intégrer dans l’article 1409, le contenu de l’article 3bis
de l’arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution
de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde et de compétiti-
vité du pays, inséré par la loi du 23 avril 2015 concernant
3552/001
DOC 55
74
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
verbetering van de werkgelegenheid. In dat artikel 3bis
is bepaald dat in alle wettelijke en reglementaire bepa-
lingen, in alle bepalingen van individuele en collectieve
arbeidsovereenkomsten, in alle andere akkoorden tussen
werkgever en werknemer en in alle eenzijdige beslissingen
van de werkgever die voorzien in een koppeling van de
lonen, de wedden, de sociale uitkeringen, de toelagen,
de premies en de vergoedingen aan een prijsindex, de
afgevlakte gezondheidsindex in aanmerking moet worden
genomen. Met dit koninklijk besluit werd reeds rekening
gehouden bij de voorgaande jaarlijkse indexeringen.
Ook de verwijzing naar de wet van 7 augustus 1974
tot instelling van het recht op een bestaansminimum
wordt vervangen door een verwijzing naar de wet van
26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke
integratie, die de wet van 1974 heeft vervangen. De
verwijzing naar die oude wet was dus niet meer correct.
Tot slot wordt de termijn voor de bekendmaking van
het koninklijk besluit betreffende de jaarlijkse indexering
verlengd tot 31 december van het jaar. De huidige tekst,
die voorziet in bekendmaking binnen de eerste vijftien da-
gen van de maand december, is in de praktijk immers
moeilijk toepasbaar, zulks gelet op de termijnen voor de
bekendmaking van de afgevlakte gezondheidsindexen
van november. Een verlenging van de bekendmakings-
termijn tot 31 december van het jaar biedt de Koning
meer ruimte om het jaarlijkse besluit bekend te maken
binnen de wettelijke termijnen.
De voorliggende wijzigingen beogen ook de herziening
van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek teneinde
de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag soepeler
en adequater te kunnen aanpassen wanneer er zich
bijzondere situaties voordoen.
De ongeziene inflatie die België sinds het begin van
2022 kent, heeft immers duidelijk gemaakt dat er in een
regeling moet worden voorzien die soepeler is en beter
is afgestemd op aanzienlijke stijgingen van de afgevlakte
gezondheidsindex tijdens het jaar. Om een voorbeeld te
geven: de laatste wettelijke indexering van de bedragen
bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek
vond plaats in november 2021.
Sinds januari 2022 is er echter een inflatie van 11,27 %
(op september 2022). Het klopt wel dat de inflatie via het
mechanisme van de index met vertraging een invloed
heeft op de lonen en de uitkeringen, maar personen
op wier loon of uitkering beslag is gelegd of die zich in
een situatie van collectieve schuldenregeling bevinden,
hebben niet van de indexeringen geprofiteerd.
Hoewel hun inkomen is geëvolueerd, heeft de niet-
indexering van de inbeslagnemingsdrempels tot gevolg
la promotion de l’emploi. Cet article 3bis dispose que
dans toutes les dispositions légales et réglementaires,
dans toutes les dispositions figurant dans les conventions
individuelles et collectives de travail, dans tous les autres
accords entre l’employeur et le travailleur et dans toutes
les décisions unilatérales de l’employeur qui prévoient
une liaison des rémunérations, des traitements, des
allocations sociales, des sursalaires, des primes et des
indemnités à un indice des prix, il doit être tenu compte
de l’indice santé lissé.
De même, la référence à la loi du 7 août 1974 insti-
tuant le droit à un minimum de moyens d’existence est
remplacée par une référence à la loi du 26 mai 2002
concernant le droit à l’intégration sociale, qui a elle-même
remplacé la loi de 1974. La référence à cette ancienne
loi n’était donc plus correcte.
Enfin, le délai de publication de l’arrêté d’indexation
annuel est prolongé jusqu’au 31 décembre de l’année.
En effet, le texte actuel prévoyant une publication dans
les quinze premiers jours est difficilement applicable
dans la pratique compte tenu des délais de publication
des indices santé lissé des mois de novembre. Une
prolongation du délai de publication au 31 décembre de
l’année laisse plus de marge au Roi pour publier l’arrêté
annuel dans les délais légaux.
Les présentes modifications visent également à revoir
l’article 1409 du Code judiciaire afin de permettre une
adaptation plus souple et plus adéquate des mon-
tants insaisissables lorsqu’il se présente des situations
particulières.
L’inflation sans précédent que connait la Belgique
depuis le début de l’année 2022 a, en effet, dévoilé la
nécessité de prévoir un régime à la fois plus souple et
plus adapté aux augmentations importantes de l’indice
santé lissé au cours de l’année. Par exemple, la dernière
indexation légale des montants visés à l’article 1409 du
Code judiciaire est intervenue en novembre 2021.
Or, depuis le mois de janvier 2022, une inflation
de 11,27 % est observée (en septembre 2022). Si cette
inflation a, avec effet retard, une incidence sur les salaires
et allocations par le biais du mécanisme de l’index, les
personnes faisant l’objet d’une saisie sur salaire, sur
allocation ou en situation de règlement collectif de dettes
n’ont pas bénéficié de ces indexations.
En effet, bien que leurs revenus aient évolué, l’absence
d’indexation du seuil d’insaisissabilité engendre par
75
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
dat de inbeslagnemingsdrempels nog steeds die van
november 2021 zijn. Als gevolg daarvan worden zij nog
harder getroffen door de gevolgen van de inflatie.
Het voorliggende artikel schaft het mechanisme van
de jaarlijkse indexering niet af, maar voegt twee nieuwe
aanpassingswijzen toe.
Ten eerste wordt een paragraaf 2bis ingevoegd in
artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek. Die legt de
Koning op om de inbeslagnemingsdrempels aan te passen
zonder de jaarlijkse indexering af te wachten wanneer het
bij de laatste aanpassing gebruikte indexcijfer met 5 % is
gestegen of gedaald. Opdat dergelijke aanpassing haar
nut kan hebben, wordt er ook bepaald dat ze in werking
treedt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Aldus zal er
bij sterke schommelingen van het indexcijfer op meer
progressieve wijze worden geïndexeerd. De indexering
zal het mogelijk maken om beter het hoofd te bieden
aan situaties van hoge inflatie.
Ten tweede wijzigt het voorliggende artikel paragraaf 3,
die het thans mogelijk maakt om de bedragen die niet
vatbaar zijn voor beslag aan te passen na advies van
de Nationale Arbeidsraad, rekening houdend met de
economische toestand. Die paragraaf, die oorspronkelijk
het vierde lid was van artikel 1409 van het Gerechtelijk
Wetboek, werd ingevoegd bij de wet van 16 juni 1978 tot
wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek.
Uit het onderzoek van de voorbereidende werkzaam-
heden van de wet van 16 juni 1978 (zie inzonderheid
Senaat, Doc. nr. 941-1, blz. 1) blijkt dat het oorspronkelijke
doel van deze paragraaf 3 erin bestond de Koning de
mogelijkheid te bieden om de bedragen aan te passen
op basis van het verloop van de reële lonen veeleer dan
op basis van het indexcijfer van de consumptieprijzen,
omdat beide niet noodzakelijkerwijs van elkaar afhangen.
Het mechanisme waarin deze paragraaf 3 voorziet, werd
echter tot nog toe nooit geactiveerd.
Het lijkt dus nuttig om deze paragraaf aan te pas-
sen teneinde de Koning de mogelijkheid te bieden om,
wanneer de economische toestand het verantwoordt,
de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag aan te
passen bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad.
Er dient te worden opgemerkt dat deze paragraaf 3
ertoe strekt de regering de mogelijkheid te bieden te
reageren op uitzonderlijke crisissituaties die niet nood-
zakelijkerwijs verband houden met de inflatie. Er worden
bijvoorbeeld situaties beoogd zoals de gezondheidscrisis,
toen veel burgers het met een lager inkomen moesten
stellen als gevolg van de versoepeling van de proce-
dures voor tijdelijke werkloosheid. Dit mechanisme kan
conséquent un maintien des seuils d’insaisissabilité au
seuil de novembre 2021. Cela a pour conséquence qu’ils
subissent encore plus durement les effets de l’inflation.
Sans supprimer le mécanisme de l’indexation an-
nuelle, le présent article ajoute deux modes d’adaptation
nouveaux.
En premier lieu, un paragraphe 2bis est ajouté à
l’article 1409 du Code judiciaire. Il impose au Roi d’adap-
ter les seuils d’insaisissabilité sans attendre l’indexation
annuelle, lorsqu’il y a une augmentation ou une diminution
de 5 % de l’indice utilisé lors de la dernière adaptation.
Pour qu’une telle adaptation puisse être utile, il est
par ailleurs prévu qu’elle entre en vigueur le premier
jour du mois suivant la publication de l’arrêté royal au
Moniteur belge. Ainsi, en cas de forte fluctuation de
l’indice, l’indice sera adapté plus progressivement. Cette
indexation permettra de mieux faire face aux situations
d’inflation importante.
En second lieu, le présent article modifie le para-
graphe 3 qui permet actuellement d’adapter les mon-
tants insaisissables, après avis du Conseil national du
travail en tenant compte de la situation économique.
Ce paragraphe, constituant initialement l’alinéa 4 de
l’article 1409 du Code judiciaire, fut introduit par la loi
du 16 juin 1978 modifiant l’article 1409 du Code judiciaire.
Il découle de l’examen des travaux préparatoires de la
loi du 16 juin 1978 (voir notamment Sénat, Doc. n° 941/1,
p. 1) que l’objectif originel de ce paragraphe 3 était de
permettre au Roi d’adapter les montants sur la base
des évolutions des salaires réels plutôt que de l’indice
des prix à la consommation, les deux ne dépendant pas
nécessairement l’un de l’autre. Force est toutefois de
constater que le mécanisme prévu par ce paragraphe 3
n’a, à ce jour, jamais été activé.
Il semble ainsi utile de modifier ce paragraphe afin
de permettre au Roi, lorsque la situation économique
le justifie, d’adapter les montants insaisissables, par
le biais d’un arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Il faut noter que ce paragraphe 3 vise à permettre au
gouvernement de réagir face à des situations de crise
exceptionnelle, non nécessairement liées à l’inflation.
Cela vise par exemple les situations telles que la crise
sanitaire, lors de laquelle un grand nombre de citoyens
a fait face à une diminution de leurs revenus en raison
de l’assouplissement des procédures relatives au chô-
mage temporaire. Ce mécanisme peut encore couvrir les
3552/001
DOC 55
76
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ook worden gebruikt in situaties zoals de energiecrisis,
waardoor de basisuitgaven van de Belgische huishou-
dens drastisch toenemen.
In tegenstelling tot wat in de huidige tekst is bepaald,
wordt er voorts bepaald dat het aangenomen konink-
lijk besluit in werking treedt vanaf de eerste dag van
de maand volgend op de bekendmaking ervan, wat het
opnieuw mogelijk maakt om snel te reageren in situaties
waarin dat vereist is.
Hoewel de huidige paragraaf 3 van artikel 1409 in
de mogelijkheid voorziet om de bedragen die niet vat-
baar zijn voor beslag te indexeren volgens een andere
berekeningswijze dan die beschreven in paragraaf 2
van de bepaling, voorziet hij toch in een inwerkingtre-
ding op 1 januari van het jaar na de bekendmaking en
biedt hij dus niet de mogelijkheid om in te spelen op
de behoeften die bijvoorbeeld zijn gebleken tijdens de
gezondheidscrisis of de energiecrisis.
Om de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag
af te stemmen op de behoeften en de moeilijkheden
waarmee de burgers worden geconfronteerd in uitzon-
derlijke crisissituaties, is de wetgever thans verplicht om
wetten aan te nemen die de inbeslagnemingsdrempels
tijdelijk verhogen, wat de reactie van de Staat minder
doeltreffend maakt in soortgelijke situaties.
De op grond van de nieuwe paragraaf 3 aangepaste
bedragen zouden gelden voor de door de Koning bepaalde
duur, die niet langer kan zijn dan een jaar. Als er niet
in een datum van buitenwerkingtreding wordt voorzien,
zou het aangenomen besluit slechts van kracht zijn tot
het einde van het jaar van de inwerkingtreding ervan.
Er wordt derhalve bepaald dat tijdens de laatste maand
waarin het op grond van paragraaf 3 genomen besluit
van kracht is, er een aanpassing wordt verricht op basis
van het indexcijfer van de maand die voorafgaat aan
de maand van de aanpassing, ofwel op grond van para-
graaf 2, ofwel op grond van paragraaf 3, wat betekent dat
er kan worden teruggekeerd naar het basismechanisme
van de jaarlijkse indexering (§ 2) of dat de uitzonderlijke
maatregelen kunnen worden verlengd door middel van
een nieuw besluit (§ 3).
Met de woorden “onverminderd de toepassing van
paragraaf 3”, die worden ingevoegd in paragraaf 2, eer-
ste lid, kan voorts worden voorkomen dat er een jaarlijkse
indexering moet gebeuren in de gevallen waarin de Koning
bepaalt dat het op grond van paragraaf 3 aangenomen
besluit van kracht blijft na 31 december van het jaar
van de inwerkingtreding ervan. Een jaarlijkse indexering
zou in dat geval geen enkel nut hebben, aangezien de
situations telles que la crise énergétique qui augmente
drastiquement les dépenses essentielles des ménages
belges.
Par ailleurs, il est prévu, contrairement au texte actuel,
que l’arrêté royal adopté entre en vigueur le premier
jour du mois suivant sa publication, ce qui permet de
nouveau, une réaction rapide dans les situations qui le
requièrent.
En effet, le paragraphe 3 de l’article 1409 actuel,
bien qu’il contienne la possibilité d’indexer les montants
insaisissables selon un autre mode de calcul que celui
décrit au paragraphe 2 de la disposition, prévoit tout de
même une entrée en vigueur au 1er janvier de l’année
qui suit la publication et ne constitue donc pas un moyen
de faire face aux nécessités telles que celles qui ont été
dévoilées par la forte inflation de cette dernière année,
ou de manière générale, dans n’importe quelle situation
de crise.
Afin d’adapter les montants insaisissables aux besoins
et aux difficultés rencontrés par les citoyens, non seu-
lement en raison de l’inflation, mais également dans
d’autres cas tels que la crise sanitaire, par exemple, le
législateur est actuellement contraint d’adopter des lois
augmentant temporairement les seuils d’insaisissabilité,
ce qui rend la réaction de l’État moins efficace dans
ces situations.
Les montants adaptés en vertu du nouveau para-
graphe 3 seraient en vigueur pendant la durée déter-
minée par le Roi, sans pouvoir dépasser un an tout au
plus. Si aucune date de fin de vigueur n’est prévue,
l’arrêté ainsi adopté ne serait en vigueur que jusqu’à
la fin de l’année de son entrée en vigueur. Il est donc
prévu qu’au dernier mois durant lequel l’arrêté exécu-
tant le paragraphe 3 est en vigueur, une adaptation soit
faite sur base de l’indice du mois précédent le mois de
l’adaptation, soit en vertu du paragraphe 2, soit en vertu
du paragraphe 3, ce qui signifie qu’il pourra être fait un
retour au mécanisme d’indexation annuelle de base
(§ 2) ou que les mesures exceptionnelles pourront être
prolongées par un nouvel arrêté (§ 3).
Les mots “sans préjudice de l’application du para-
graphe 3” qui ont été insérés dans le paragraphe 2,
alinéa 1er permettent par ailleurs d’éviter qu’une indexation
annuelle doive être faite dans les cas où le Roi déter-
minerait que l’arrêté adopté en vertu du paragraphe 3
resterait en vigueur au-delà du 31 décembre de l’année
de son entrée en vigueur. En effet, si telle était le cas,
une indexation annuelle n’aurait aucune utilité, dans la
77
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bedragen zoals geïndexeerd tijdens de werkingsduur van
het besluit hoe dan ook niet toepasselijk zouden zijn,
aangezien paragraaf 3 een nieuwe indexering vereist
op het tijdstip waarop het aangenomen besluit buiten
werking zou treden. Op het tijdstip dat het op grond van
paragraaf 3 aangenomen besluit buiten werking treedt,
zou bij de jaarlijkse indexering op grond van paragraaf 2
dus niet noodzakelijkerwijs de in paragraaf 2 neergelegde
formule worden gevolgd, aangezien niet het indexcijfer
van de maand november in aanmerking moet worden
genomen, maar wel het indexcijfer van de maand die
voorafgaat aan de buitenwerkingtreding van het besluit.
Art. 59
Wanneer een schuldeiser het onverdeeld aandeel van
zijn schuldenaar in een onroerend goed wil doen verko-
pen op beslag, bepaalt artikel 1561 van het Gerechtelijk
Wetboek dat deze schuldeiser niet tot tenuitvoerlegging
kan overgaan zonder eerst tot verdeling of veiling over
te gaan.
In de rechtsleer bestaat er thans controverse over de
draagwijdte van dit artikel, namelijk of de verkoop moet
plaatsvinden in het kader van een door de familierecht-
bank bevolen gerechtelijke vereffening-verdeling, of de
verkoop daarentegen plaats kan vinden in het kader
van de beslagprocedure, zonder enige voorafgaande
procedure van vereffening-verdeling.
Deze wijziging heeft tot doel de huidige praktijk te
bevestigen waarbij de procedure van gerechtelijke
vereffening-verdeling moet worden gevolgd. Bijgevolg
moeten de artikelen 1207 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek worden toegepast.
Door de procedure van vereffening-verdeling te volgen
heeft de mede-eigenaar de mogelijkheid om het onroe-
rend goed over te nemen via een verdeling met opleg
of een verdeling in natura. Men houdt in het kader van
de vereffening-verdeling dus rekening met de wil en de
rechten van de mede-eigenaar.
Bovendien beschikt de vervolgende schuldeiser ook
in het kader van de vereffening-verdeling over voldoende
middelen om zijn rechten te vrijwaren. Zijn verzoek tot
uitonverdeeldheidtreding maakt immers een verzet op de
verdeling uit in de zin van artikel 4.101 van het Burgerlijk
Wetboek waardoor hij bij de volledige procedure van
vereffening-verdeling betrokken wordt.
Indien het onroerend goed in het kader van de veref-
fening-verdeling alsnog verkocht wordt, zal er rekening
gehouden worden bij de verdeling van de verkoopprijs
met de vordering van de beslagleggende schuldeiser.
mesure où les montants tels qu’indexés en cours d’appli-
cation de cet arrêté ne seraient, de toute manière, pas
applicables, le paragraphe 3 exigeant une indexation
nouvelle au moment où l’arrêté adopté cesserait d’être
en vigueur. En fin de vigueur de l’arrêté adopté en vertu
du paragraphe 3, l’indexation annuelle basée sur le
paragraphe 2 ne respecterait donc pas nécessairement
la formule consacrée au paragraphe 2, étant donné qu’il
faudra prendre en compte non pas l’indice du mois de
novembre, mais l’indice du mois précédent la fin de
vigueur de l’arrêté.
Art. 59
Quand un créancier veut vendre sur saisie la part
indivise de son débiteur dans un bien immeuble, l’ar-
ticle 1561 du Code judiciaire dispose que ce créancier
ne peut pas procéder à l’exécution sans préalablement
procéder au partage ou à la licitation.
À présent, il existe une controverse sur la portée
de cet article dans la doctrine, à savoir si la vente doit
avoir lieu dans le cadre d’une liquidation-partage judi-
ciaire ordonnée par le tribunal de la famille, ou si, au
contraire, la vente peut avoir lieu dans le cadre de la
procédure de saisie, sans aucune procédure préalable
de liquidation-partage.
Cette modification vise à confirmer la pratique actuelle
selon laquelle la procédure de liquidation-partage doit
être suivie. Par conséquent, les articles 1207 et suivants
du Code judiciaire doivent être appliqués.
En suivant la procédure de liquidation-partage, le copro-
priétaire a la possibilité de reprendre le bien immeuble
par le biais d’un partage avec soulte ou d’un partage en
nature. Ainsi, la volonté et les droits du copropriétaire sont
pris en compte dans le cadre de la liquidation-partage.
En outre, même dans le cadre de la liquidation-par-
tage, le créancier poursuivant dispose de moyens suf-
fisants pour préserver ses droits. Sa demande de sortie
d’indivision est considérée comme une opposition au
partage au sens de l’article 4.101 du Code civil, ce qui
implique qu’il est associé à la procédure entière de
liquidation-partage.
Si le bien immeuble est finalement vendu dans le
cadre de la liquidation-partage, la créance du créancier
saisissant est prise en compte au moment du partage
du prix de vente. Par contre, si le bien est attribué au
3552/001
DOC 55
78
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien het goed daarentegen toebedeeld wordt aan
de beslagene, kan de schuldeiser nadien zijn beslag
uitvoeren op het volledige onroerend goed.
De verwijzing naar de artikelen 1207 en volgende
van het Gerechtelijk Wetboek leidt ertoe dat alle regels
inzake de vereffening-verdeling moeten worden toege-
past (bijvoorbeeld het opstellen van een proces-verbaal
van opening van werkzaamheden, het meedelen van
aanspraken en stukken, het opstellen van een staat van
vereffening, …). Aangezien enkel het onroerend goed
het voorwerp uitmaakt van de vereffening-verdeling, zal
het opstellen van een boedelbeschrijving echter niet
vereist zijn omdat de te verdelen massa geen roerende
goederen bevat.
Art. 60
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 61
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Ook in dit kader moet een deskundigenverslag worden
voorgelegd. Het is de notaris die de schatter aanwijst die
het deskundigenverslag zal opstellen. De notaris kent
immers de lokale schatters, waardoor hij sneller een
dergelijk deskundigenverslag kan bekomen.
Art. 62
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 63
De wetgever preciseerde niet wat er moest worden
verstaan onder “insolventieprocedure”. De betrokken
personen worden thans uitdrukkelijk opgesomd in het
tweede lid van dit artikel.
Dit tweede lid voorziet eveneens in een lex specialis
voor het geval dat het onroerend goed toebehoort aan
een schuldbemiddelde, een gefailleerde, een schulde-
naar in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder
gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in vereffening,
een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap
aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.
saisi, le créancier peut dès lors exécuter sa saisie sur
l’immeuble entier.
Le renvoi aux articles 1207 et suivants du Code judi-
ciaire a pour conséquence que toutes les règles de la
liquidation-partage doivent être appliquées (p. ex. la
rédaction d’un procès-verbal d’ouverture des opéra-
tions, la communication des revendications et pièces,
la rédaction de l’état liquidatif, …). Vu que seul le bien
immeuble fait l’objet de la liquidation-partage, la rédaction
d’un inventaire ne sera pas exigée vu que la masse à
partager ne contient pas de biens mobiliers.
Art. 60
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 61
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Dans ce cadre également, un rapport d’expertise doit
être soumis. C’est le notaire qui désigne l’expert qui
va établir le rapport d’expertise. Le notaire connait en
effet les experts locaux, avec pour conséquence qu’il
peut obtenir plus rapidement un tel rapport d’expertise.
Art. 62
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 63
Le législateur ne précisait pas ce qu’il fallait entendre
par “procédure d’insolvabilité”. Les personnes concernées
sont à présent expressément énumérées au deuxième
alinéa de cet article.
Ce deuxième alinéa prévoit également une lex specialis
dans l’hypothèse où un bien appartient à un médié, un
failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par trans-
fert sous autorité de justice, une personne morale en
liquidation, une succession vacante ou une succession
acceptée sous bénéfice d’inventaire.
79
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien het goed bijvoorbeeld verkocht wordt op beslag,
terwijl de beslagene tevens gefailleerd is, zal de notaris
slechts een verkorte rangregeling opstellen en het saldo
overmaken aan de curator. Hij moet dan geen volledige
rangregeling opmaken.
Daarnaast wordt ook gepreciseerd dat de schuldeiser
met een geregistreerd pandrecht of eigendomsvoorbehoud
betrokken zal worden in de verkorte rangregeling. Bij
de vorige wijziging van artikel 1326 van het Gerechtelijk
Wetboek naar aanleiding van de insolventiewet van
11 augustus 2017, werd immers onvoldoende reke-
ning gehouden met de nieuwe Pandwet, waarbij het
Pandregister werd opgericht. Het spreekt voor zich dat
enkel de schuldeiser/pandhouder moet worden opgeroe-
pen bij de machtigingsprocedure in de mate zijn recht
betrekking heeft op het te verkopen onroerend goed.
Aangezien het de bedoeling is om het volgrecht verbon-
den aan de zekerheden ongedaan te maken en zakelijke
subrogatie te bewerkstelligen, wordt er verder benadrukt
dat enkel de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers
moeten worden opgeroepen (en dus niet de overige
bevoorrechte schuldeisers die niet tot inschrijving van
hun voorrecht zijn overgegaan).
Te denken valt aan het voorrecht van de verzekeraar
of van de vereniging van mede-eigenaars, waaraan geen
publiciteit wordt verleend. Deze voorrechten brengen
geen volgrecht met zich mee bij gebrek aan inschrijving.
Deze schuldeisers moeten dus niet worden opgeroepen,
maar zullen wel in de rangregeling in rekening worden
genomen. Deze schuldeisers zullen eveneens moeten
worden opgenomen in een verkorte rangregeling als
bijzonder bevoorrechte schuldeisers op het onroerend
goed.
Het lot van de schuldeiser die een pauliaanse vorde-
ring ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek heeft laten kantmelden, zal moeten worden
bepaald in het kader van de rangregeling.
Ter herinnering, de pauliaanse vordering heeft tot
doel de door de frauduleuze handeling toegebrachte
schade aan de schuldeiser te herstellen. Dit herstel van
de schade zal zich enerzijds beperken ten belope van
de waarde van het goed dat het voorwerp uitmaakt van
de litigieuze handeling en anderzijds ten belope van zijn
eigen schuldvordering.
De gelden die toekomen aan deze schuldeiser, worden
geblokkeerd in afwachting van een uitvoerbare beslis-
sing of een akkoord tussen partijen.
In de rangregeling zal vermeld worden dat deze geldt
onder voorbehoud van het resultaat van de pauliaanse
Par exemple, si un bien est vendu sur saisie, alors
que le saisi est en faillite, le notaire dressera juste un
ordre allégé et versera le solde au curateur. Il ne doit
donc pas établir d’ordre complet.
Il est ensuite précisé que le créancier qui dispose
d’un gage ou une réserve de propriété enregistrés sera
également repris dans l’ordre allégé. Lors de la précé-
dente modification de l’article 1326 du Code judiciaire à
l’occasion de la loi “Insolvabilité” du 11 août 2017, il n’a
pas été suffisamment tenu compte de la nouvelle loi sur
le gage par laquelle le Registre des gages a été créé. Il
va de soi que le créancier/gagiste doit uniquement être
appelé à la procédure d’autorisation pour autant que
son droit concerne l’immeuble à vendre.
Ensuite, puisque l’objectif est d’annuler le droit de
suite lié aux sûretés et d’opérer une subrogation réelle,
l’accent est mis sur le fait que seuls les créanciers pri-
vilégiés inscrits doivent être appelés (et donc pas les
autres créanciers privilégiés qui n’ont pas fait procéder
à une inscription de leur privilège).
On pense au privilège de l’assureur ou de l’associa-
tion des copropriétaires, pour lesquels aucune publicité
n’est imposée. Ces privilèges ne comportent pas de
droit de suite à défaut d’inscription. Ces créanciers ne
doivent donc pas être appelés mais devront être pris
en considération dans l’ordre. Ces créanciers devront
également être repris dans un ordre allégé en tant que
créanciers privilégiés spéciaux sur le bien immeuble.
Le sort du créancier ayant fait mention en marge d’une
action paulienne intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil devra être déterminé dans le cadre de l’ordre.
Pour rappel, l’action paulienne tend à obtenir la ré-
paration du dommage causé au créancier par l’acte
frauduleux. Cette réparation du dommage sera limitée
à concurrence de la valeur du bien faisant l’objet de
l’acte litigieux, d’une part, et de la valeur de sa propre
créance, d’autre part.
Les fonds revenant à ce créancier sont bloqués dans
l’attente d’une décision exécutoire ou d’un accord entre
les parties.
Dans l’ordre, il sera mentionné que celui-ci vaut
sous réserve du résultat de l’action paulienne. Si cette
3552/001
DOC 55
80
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vordering. Indien deze vordering wordt afgewezen, moet
een aanvullende rangregeling worden opgesteld, waarbij
de notaris opnieuw de nodige opzoekingen zal doen.
Indien er op het hypothecair getuigschrift geen enkele
schuldeiser zoals opgesomd in artikel 1326, § 1, van
het Gerechtelijk Wetboek verschijnt, is er geen nood
aan zuivering. Toch moet er in een dergelijk geval nog
steeds een rangregeling worden opgesteld om de overige
schuldeisers te betrekken die gerechtigd zijn om in de
rangregeling te worden opgenomen.
Art. 64
1. Er wordt een nieuw artikel in het leven geroepen,
toegespitst op het geval dat de rangregeling voortvloeit
uit de zuiverende verkoop van een onverdeeld onroerend
goed. In dat geval moeten er evenveel rangregelingen
worden opgesteld als er mede-eigenaars zijn. Deze
rangregelingen kunnen in één enkele akte opgenomen
worden.
Afhankelijk van de hoedanigheid van de betrokken
mede-eigenaar, moet er een volledige rangregeling, een
verkorte rangregeling of een semi verkorte rangregeling
worden opgesteld.
Er wordt dus een nieuw type van rangregeling ge-
creëerd: de semi verkorte rangregeling. Het gaat om
een rangregeling waarin de notaris de ingeschreven
hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers,
de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, maar
eveneens de fiscale en sociale schuldeisers die tijdig
een kennisgeving hebben verstuurd, opneemt.
Indien bijvoorbeeld het onroerend goed deels toebe-
hoort aan een gefailleerde en aan een niet-gefailleerde,
dan zal voor elk van hen een rangregeling worden op-
gesteld. Voor de gefailleerde zal de notaris een verkorte
rangregeling opstellen overeenkomstig artikel 1639,
tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Het saldo zal
dan toekomen aan de curator. Voor de niet-gefailleerde
mede-eigenaar zal de notaris een semi verkorte rang-
regeling opstellen. Het saldo zal dan toekomen aan de
mede-eigenaar.
Of nog, indien het goed deels toebehoort aan een
minderjarige en aan een bekwame mede-eigenaar, dan
zal ten aanzien van de minderjarige mede-eigenaar een
volledige rangregeling worden opgesteld overeenkomstig
artikel 1639, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het saldo zal dan toekomen aan diens vertegenwoor-
diger. Voor de bekwame mede-eigenaar zal de notaris
daarentegen een semi verkorte rangregeling opstellen.
Het saldo zal dan toekomen aan de mede-eigenaar.
action est rejetée, un ordre complémentaire doit être
établi, pour lequel le notaire procèdera à nouveau aux
recherches nécessaires.
S’il n’apparaît pas de créanciers tels qu’énumérés à
l’article 1326, § 1er, du Code judiciaire sur l’état hypo-
thécaire, la purge n’est pas nécessaire. Cela étant, il y
a toujours lieu de procéder à l’établissement d’un acte
d’ordre en vue d’associer les autres créanciers qui ont
le droit d’être repris dans l’ordre.
Art. 64
1. Un nouvel article est créé pour viser le cas où l’ordre
suit la vente purgeante d’un bien indivis. Dans ce cas,
il convient d’établir autant d’ordres qu’il y a de copro-
priétaires. Ceux-ci peuvent être repris en un seul acte.
Selon la qualité du copropriétaire concerné, il convien-
dra d’établir un ordre complet, un ordre allégé ou un
ordre semi allégé.
Un nouveau type d’ordre est ainsi créé: l’ordre semi-
allégé. Il s’agit d’un ordre dans lequel le notaire reprend
les créanciers hypothécaires inscrits, privilégiés spéciaux
et enregistrés au Registre des gages mais également
les créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une
notification à temps.
Si, par exemple, le bien immeuble indivis appartient
pour partie à un failli et à un non failli, un ordre sera établi
pour chacun d’eux. Pour le failli, le notaire établira un
ordre allégé conformément à l’article 1639, alinéa 2, du
Code judiciaire. Le solde reviendra alors au curateur.
Pour le copropriétaire non failli, le notaire établira un ordre
semi allégé. Le solde reviendra alors au copropriétaire.
Ou encore, si un bien appartient pour partie à un
mineur et à un copropriétaire capable, un ordre complet
sera établi conformément à l’article 1639, alinéa 1er, du
Code judiciaire à l’égard du copropriétaire mineur. Le
solde reviendra à son représentant. Pour le coproprié-
taire capable, le notaire établira par contre un ordre
semi-allégé. Le solde reviendra alors au copropriétaire.
81
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Ten slotte, indien het goed verkocht wordt in het ka-
der van een gerechtelijke vereffening-verdeling, moet
er lastens alle deelgenoten een volledige rangregeling
worden opgesteld. Wanneer één van de deelgenoten
echter bijvoorbeeld wordt toegelaten tot de collectieve
schuldenregeling, zal diens rangregeling verkort zijn. Hier
geldt eenzelfde redenering als in artikel 1639, tweede lid
van het Gerechtelijk Wetboek, die als lex specialis geldt.
2. Verder wordt er in het tweede lid een billijke regeling
voorzien voor het geval dat een schuldeiser in het kader
van de rangregeling zijn schuldvordering kan verhalen
lastens alle deelgenoten (of lastens enkele onder hen).
Dit kan uitgelegd worden aan de hand van een voor-
beeld: schuldeiser X heeft een schuldvordering van 100
lastens A en B. Indien het goed voor 60 % toebehoort
aan A en voor 40 % aan B, zal deze schuldeiser in de
rangregeling van A slechts in rekening worden genomen
voor 60 % van de schuldvordering en in de rangregeling
van B voor 40 % van de schuldvordering. Hij zal dus niet
willekeurig kunnen kiezen of hij zijn schuldvordering van
100 wenst te verhalen op A of B, naar gelang hetgeen
hem het beste uitkomt.
Deze bepaling regelt enkel de zakelijke gehoudenheid
in het kader van de rangregeling. Zij heeft geen invloed
op de verplichtingen van A en B op verbintenisrechtelijk
vlak.
Deze regeling mag evenwel geen afbreuk doen aan
het ondeelbare karakter van de hypotheek. Aan de
hand van het hierboven vermelde voorbeeld komt dit op
het volgende neer: indien het aandeel in de prijs van A
reeds werd uitgeput door een hypothecaire schuldeiser
in hogere rang, kan de hypothecaire schuldeiser X zijn
volledige schuldvordering van 100 alsnog verhalen op
het aandeel van B in het kader van de rangregeling. Hij
maakt dan dus niet enkel aanspraak op 40 % van zijn
schuldvordering lastens B. Deze uitzonderingsregel geldt
echter enkel indien het om een hypothecaire schuldeiser
gaat die zich zowel op A als B kan verhalen.
3. In het laatste lid wordt een belangrijke nuance aan-
gebracht voor de toepassing van artikel 1639/1 van het
Gerechtelijk Wetboek. Deze bepaling geldt namelijk niet
indien de mede-eigendom betrekking heeft op “een juri-
disch geheel van goederen”. Zo voorziet artikel 3.68 van
het Burgerlijk Wetboek dat wanneer de mede-eigendom
betrekking heeft op een juridisch geheel van goederen,
de rechten van de mede-eigenaars enkel dat geheel tot
voorwerp hebben en niet de afzonderlijke goederen.
Concreet houdt dit in dat deze bepaling niet zonder
meer kan worden toegepast indien het onverdeelde goed
deel uitmaakt van een ruimere onverdeelde gemeen-
schap, zoals bijvoorbeeld een huwgemeenschap of een
Enfin, si le bien est vendu dans le cadre d’une liqui-
dation-partage judiciaire, il faut établir un ordre complet
à l’encontre de tous les copropriétaires. Cependant,
lorsqu’un des copropriétaires est par exemple admis en
règlement collectif de dettes, l’ordre sera allégé en ce qui
le concerne. On applique ici le même raisonnement que
celui repris à l’article 1639, alinéa 2, du Code judiciaire,
qui vaut comme lex specialis.
2. Ensuite, une mesure équitable a été prévue au
deuxième alinéa, dans l’hypothèse où un créancier peut
récupérer sa créance contre tous les copropriétaires (ou
certains d’entre eux) dans le cadre d’un ordre. Cela peut
être expliqué à l’aide d’un exemple: un créancier X a
une créance de 100 contre A et B. Si le bien appartient
à A pour 60 % et à B pour 40 %, le créancier sera pris
en considération dans l’ordre de A pour 60 % de sa
créance et dans l’ordre de B pour 40 % de sa créance.
Il ne pourra plus arbitrairement choisir s’il récupère sa
créance de 100 sur A ou B, en fonction de ce qui lui
convient le mieux.
Cette disposition règle uniquement la charge réelle
dans le cadre d’un ordre. Elle n’a pas d’incidence sur
les obligations de A et B d’un point de vue civil.
Cette disposition ne peut cependant porter atteinte
au caractère indivisible de l’hypothèque. Sur la base de
l’exemple mentionné ci-dessus, cela revient à ce qui suit:
si la part de A dans le prix a déjà été épuisée par un
créancier hypothécaire d’un rang supérieur, le créancier
hypothécaire X peut encore récupérer sa créance totale
de 100 sur la part de B dans le cadre de l’ordre. Il ne doit
donc pas limiter ses prétentions à 40 % de sa créance
contre B. Cette exception vaut cependant uniquement s’il
s’agit d’un créancier hypothécaire qui peut se retourner
aussi bien contre A que contre B.
3. Au dernier alinéa, une nuance importante est appor-
tée en ce qui concerne l’application de l’article 1639/1
du Code judiciaire. Cette disposition ne s’applique pas
si la copropriété concerne “un ensemble juridique de
biens”. En effet, l’article 3.68 du Code civil prévoit que,
lorsque la copropriété concerne un ensemble juridique
de biens, les droits des copropriétaires n’ont pour objet
que cet ensemble et non les différents biens.
Concrètement, cela implique que cette disposition ne
peut pas être appliquée purement et simplement si le
bien indivis fait partie d’une indivision communautaire
plus large, comme par exemple une communauté de
3552/001
DOC 55
82
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
nalatenschap (Cass. 22 december 2006, Arr.Cass. 2006,
2778, RCJB 2011, 266, noot A. VAN GYSEL, RW 2006-
07, 1411, noot S. MOSSELMANS en TBBR 2007, 365,
noot R. JANSEN en M.E. STORME). Er geldt immers
een voorrang voor de boedelschuldeisers, die voorgaan
op de schuldeisers die slechts één van de deelgenoten
kunnen aanspreken.
In een eerste fase wordt er in dat geval in de rangre-
geling rekening gehouden met de gemeenschappelijke
schuldeisers. Pas in een tweede fase, eens het aandeel
van de deelgenoten werd bepaald, kan de rangrege-
ling gefinaliseerd worden rekening houdend met de
persoonlijke schuldeisers van elk van hen. Eens de
boedelschuldeisers in rekening genomen werden, geldt
het basisprincipe opnieuw: er wordt voor elk van hen
een gewone rangregeling, een verkorte rangregeling of
een semi verkorte rangregeling opgesteld naar gelang
het geval.
Aan de hand van een voorbeeld kan dit worden ver-
duidelijkt. Een nalatenschap is opengevallen, waarbij
er 3 kinderen erfgenaam zijn voor een gelijk aandeel.
Erfgenaam C is gefailleerd en een onroerend goed uit
de nalatenschap wordt verkocht; daarnaast zijn er nog
andere goederen in de boedel. De schuldeisers van C
zijn per hypothese persoonlijke schuldeisers, die geen
vordering hebben op de andere 2 kinderen A en B. In
een eerste fase moeten alle opeisbare boedelschulden
eerst worden verrekend op het gerealiseerde goed
(bijvoorbeeld begrafeniskosten, de nog niet betaalde
schulden van de decujus, de schuldvorderingen op grond
van inbreng en inkorting). In een tweede fase, eens dat
deze kosten zijn verrekend, gebeurt de verrekening alsof
de boedelgemeenschap niet meer bestaat. In deze fase
worden de persoonlijke schuldeisers, die slechts recht
hebben op het netto-aandeel van hun schuldenaar in
rekening genomen in de rangregeling. Voor de gefail-
leerde zal er in dat geval een verkorte rangregeling
opgemaakt worden.
Een ander voorbeeld ter verduidelijking: een huwe-
lijksgemeenschap is ontbonden door echtscheiding,
en daarna wordt echtgenoot A failliet verklaard. In een
eerste fase moeten alle opeisbare boedelschulden
worden verrekend (bijvoorbeeld gemeenschappelijke
leningen), volgens de voorwaarde bepaald in art. 2.3.48
van het Burgerlijk Wetboek, en daarna de vergoedings-
rekeningen. Het is immers niet omdat de curator de
onverdeelde goederen kan verkopen, dat dit afbreuk
kan doen aan het principe dat het faillissement slechts
recht heeft op datgene wat de gefailleerde zelf netto uit
de boedel zou mogen ontvangen. In een tweede fase,
biens ou une succession (Cass. 22 décembre 2006,
Arr. Cass. 2006, 2778, RCJB 2011, 266, note A. VAN
GYSEL, RW 2006-07, 1411, note S. MOSSELMANS et
TBBR 2007, 365, note R. JANSEN et M.E. STORME).
En effet, il existe une priorité pour les créanciers de la
masse, qui priment sur les créanciers qui ne peuvent faire
valoir une prétention que contre un des coindivisaires.
Dans ce cas, dans un premier temps, on tient compte
des créanciers communs dans l’ordre. Dans un second
temps seulement, une fois que la part des coindivisaires
a été déterminée, l’ordre peut être finalisé en tenant
compte des créanciers personnels de chacun d’eux.
Une fois que les créanciers de la masse ont été pris en
compte, le principe de base s’applique à nouveau: un
ordre ordinaire, un ordre allégé ou un ordre semi-allégé
est établi pour chacun d’entre eux selon le cas.
Un exemple peut aider à illustrer ce point. Une succes-
sion est ouverte, dans laquelle 3 enfants sont héritiers à
parts égales. L’héritier C est en faillite et un immeuble de
la succession est vendu; il y a par ailleurs encore d’autres
biens dans la masse. Par hypothèse, les créanciers de
C sont des créanciers personnels, qui ne détiennent
pas de créance à l’égard des 2 autres enfants A et B.
Dans un premier temps, toutes les dettes successorales
exigibles doivent être imputées sur le bien réalisé (par
exemple, les frais funéraires, les dettes impayées du
de cujus, les créances en vertu des règles de rapport
et de réduction). Dans un second temps, une fois que
ces frais sont imputés, l’imputation se fait comme si
l’indivision de masse n’existait plus. Dans cette phase,
les créanciers personnels, qui ont un droit seulement
sur la part nette de leur débiteur, sont pris en compte
dans l’ordre. Pour le failli, un ordre allégé sera établi
dans ce cas.
Un autre exemple pour clarifier: une communauté de
biens a été dissoute par un divorce, et par la suite, l’époux
A est déclaré en faillite. Dans un premier temps, toutes
les dettes exigibles de la masse doivent être imputées
(par ex. les prêts communs), selon la condition prévue à
l’article 2.3.48 du Code civil, puis les comptes de récom-
pense. En effet, ce n’est pas parce que le curateur peut
vendre les biens indivis, que cela peut porter préjudice
au principe selon lequel la faillite a seulement un droit
sur ce que le failli lui-même pourrait recevoir en net de
la masse. Dans un deuxième temps, une fois que ces
créances sont imputées, les créanciers personnels sont
83
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
eens dat deze vorderingen zijn verrekend, worden de
persoonlijke schuldeisers in rekening genomen in de
rangregeling. Voor de gefailleerde zal er in dat geval
een verkorte rangregeling opgemaakt worden.
Er wordt een nuance aangebracht op het principe
indien het gaat om een ontbonden boedelgemeenschap
(bijvoorbeeld nalatenschap, ontbonden huwgemeenschap,
ontbonden maatschap). In die gevallen kan de tweede
fase slechts aangevat worden als de boedelgemeenschap
volledig werd afgewikkeld. Pas op dat ogenblik zijn de
exacte aanspraken van elke deelgenoot bepaald. Het is
immers praktisch onhaalbaar om te eisen dat de boe-
delschuldeisers bij een ontbonden boedelgemeenschap
al over een uitvoerbare titel moeten beschikken om in
de rangregeling opgenomen te worden, net omdat er in
die gevallen vaak discussie bestaat over het bestaan en
de aard van de schulden. Bij een vereffening-verdeling
van een nalatenschap gaat het vaak over een inbreng-
of inkortingverrichting; bij een echtscheiding om een
vergoedingsrekening. Die vorderingen staan pas vast
bij de opstelling van de definitieve staat van vereffening-
verdeling, desgevallend na homologatie van de rechter.
Is de boedelgemeenschap niet ontbonden (bijvoorbeeld
bij een actieve huwelijksgemeenschap) geldt opnieuw
het algemene uitgangspunt.
Art. 65
Er werd in de praktijk vastgesteld dat bepaalde
kantoren van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie (AAPD) niet overgaan tot
de doorhaling van de bestaande in- en overschrijvingen
ten laste van mede-eigenaars van de beslagene, of ten
laste van de gefailleerde, van de schuldbemiddelde, …
op basis van het getuigschrift voorzien in artikel 1653
van het Gerechtelijk Wetboek, met als argument dat de
huidige tekst enkel betrekking heeft op “de beslagene”.
De insolventiewet van 11 augustus 2017 bevestigt
echter het principe van de gehele zuivering van (al dan
niet onverdeelde) onroerende goederen onder bepaalde
voorwaarden. Indien deze voorwaarden zijn vervuld, moet
het notarieel getuigschrift op grond van artikel 1653 van
het Gerechtelijk Wetboek logischerwijs toelaten om de
in- en overschrijvingen door te halen ten laste van alle
onverdeelde eigenaars wiens goed verkocht werd. Dit
geldt eveneens voor de in- en overschrijvingen die nog
zouden bestaan lastens een vorige eigenaar.
Hoewel de verkoop zuiverend is in zijn geheel, kan
een schuldeiser in de rangregeling uiteraard enkel
aanspraak maken op het aandeel dat toekomt aan
zijn schuldenaar. Indien bijvoorbeeld een onverdeeld
pris en compte dans l’ordre. Pour le failli, un ordre allégé
sera établi dans ce cas.
Une nuance doit être apportée au principe s’il s’agit
d’une indivision de masse dissoute (par ex. succession,
communauté matrimoniale dissoute, société simple dis-
soute). Dans ces cas, la deuxième phase ne peut être
entamée que si l’indivision de masse est entièrement
réglée. Ce n’est qu’à ce moment-là que les revendications
exactes de chaque coindivisaire sont déterminées. En
effet, il est en pratique impossible d’exiger que les créan-
ciers de la masse, en cas de dissolution de l’indivision
de masse, doivent déjà disposer d’un titre exécutoire
pour être repris dans l’ordre, précisément parce que
dans de tels cas, l’existence et la nature des dettes font
souvent l’objet de discussions. La liquidation-partage
d’une succession implique souvent une opération de
rapport ou de réduction; un divorce implique un compte
de récompense. Ces créances ne sont établies qu’au
moment de l’établissement de l’état définitif de liquidation-
partage, le cas échéant après homologation par le juge.
Si l’indivision de masse n’est pas dissoute (par ex.
dans le cas d’une communauté conjugale active), le
principe de base s’applique à nouveau.
Art. 65
En pratique, il a été constaté que certains bureaux
de l’Administration Générale de la Documentation
Patrimoniale (AGDP) ne procèdent pas à la radiation
des inscriptions et transcriptions existantes à charge
des copropriétaires du saisi ou à charge du failli, du
médié, … sur la base du certificat visé à l’article 1653
du Code judiciaire sous prétexte que le texte actuel ne
concerne que “le saisi”.
La loi “Insolvabilité” du 11 août 2017 confirme pourtant
le principe de la purge totale de biens immeubles (indivis
ou non) à certaines conditions. Si ces conditions sont
remplies, le certificat notarié sur la base de l’article 1653
du Code judiciaire doit logiquement permettre de radier
les inscriptions et transcriptions à charge de tous les
copropriétaires indivis dont le bien a été vendu. Cela
s’applique également aux inscriptions et transcriptions qui
existeraient encore à charge du propriétaire précédent.
Même si la vente est purgeante dans sa totalité, un
créancier ne peut évidemment que prétendre à la part
revenant à son débiteur dans l’ordre. Par exemple, si un
immeuble indivis a été vendu et une hypothèque a été
3552/001
DOC 55
84
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
onroerend goed werd verkocht en er enkel een hypotheek
werd ingeschreven op het aandeel van de gefailleerde,
zal deze hypotheekhouder zich niet kunnen verhalen
op het aandeel in de verkoopprijs dat toekomt aan de
bekwame mede-eigenaar.
Ingevolge de wijziging van artikel 1326 van het
Gerechtelijk Wetboek, wordt thans verduidelijkt dat de
zuivering ook geldt ten aanzien van de in- en overschrij-
vingen die pas worden genomen na de oproeping tot de
machtigingsprocedure of de oproeping om de verkoop-
verrichtingen te volgen. Bijgevolg zullen ook deze in- en
overschrijvingen worden doorgehaald op basis van het
notarieel getuigschrift. Te denken valt bijvoorbeeld aan
de wettelijke hypotheek die wordt genomen door een
fiscale of sociale schuldeiser indien er onvoldoende
gelden zijn om deze schuldeiser uit te betalen.
De notaris heeft als taak om in zijn notarieel getuig-
schrift te vermelden welke in- en overschrijvingen zullen
worden doorgehaald. De notaris verklaart dat de bepa-
lingen van artikel 1326 van het Gerechtelijk Wetboek
werden nageleefd. Voormelde werkwijze kan uiteraard
enkel worden toegepast voor zover de notaris kennis
heeft van de gedane oproepingen. Indien de verkoop
gemachtigd werd door de rechtbank en het vonnis niet
de identiteit van de verschillende schuldeisers vermeldt
die bij gerechtsbrief werden opgeroepen, zal de notaris
niet met zekerheid kunnen vermelden dat het om een
zuiverende verkoop gaat.
Ten slotte wordt opgemerkt dat de registratie van een
pandrecht of eigendomsvoorbehoud in het Pandregister
niet kan worden doorgehaald met een notarieel getuig-
schrift. De verwijdering van de registratie gebeurt immers
door de schuldeiser zelf (artikel 36 van de Pandwet).
Aangezien de wet thans wel zuivering voorziet van deze
registratie, kan men van de schuldeiser eisen dat hij
overgaat tot het verwijderen van zijn registratie in het
Pandregister.
Art. 66
In artikel 1675/7 van het Gerechtelijk Wetboek
wordt een taalkundige rechtzetting doorgevoerd in de
Nederlandse tekst. Voor het overige wordt opnieuw ver-
wezen naar de toelichting bij artikel 44 van dit ontwerp.
Art. 67
Dit artikel voert een taalkundige correctie door.
inscrite sur la seule part du failli, ce créancier hypothé-
caire ne pourra pas se prévaloir sur la part revenant au
co-propriétaire capable dans le prix de vente.
Suite à la modification de l’article 1326 du Code
judiciaire, il est à présent précisé que le purge vaut
également pour les inscriptions et transcriptions qui ont
été prises après l’appel à la procédure d’autorisation ou
après l’appel pour suivre les opérations de vente. Par
conséquent, ces inscriptions et transcriptions seront aussi
radiées sur la base du certificat notarié. On pense par
exemple à une hypothèque légale prise par un créancier
fiscal ou social lorsqu’il n’y a pas suffisamment d’argent
pour payer ce créancier.
Le notaire a pour tâche de mentionner dans son
certificat notarié quelles inscriptions et transcriptions
seront radiées. Le notaire déclare que les conditions de
l’article 1326 du Code judiciaire ont été respectées. Un
tel procédé ne peut évidemment être appliqué que pour
autant que le notaire ait connaissance des convocations
effectuées. Si la vente a été autorisée par le tribunal et
que le jugement ne mentionne pas l’identité des différents
créanciers convoqués par pli judiciaire (et donc pas par
le notaire), ce dernier ne pourra pas mentionner avec
certitude qu’il s’agit d’une vente purgeante.
Enfin, il convient de relever que l’enregistrement d’un
gage ou d’une réserve de propriété au Registre des
gages ne peut pas être radié par le biais du certificat
notarié. La suppression du registre a en effet toujours
lieu par le créancier lui-même (article 36 de la loi sur
les gages). Vu que la loi prévoit à présent la purge de
cet enregistrement, on peut exiger du créancier qu’il
procède à la suppression de son enregistrement dans
le Registre des gages.
Art. 66
Dans l’article 1675/7 du Code judiciaire, une recti-
fication d’ordre linguistique est apportée dans le texte
néerlandais. Pour le reste, il est à nouveau renvoyé au
commentaire relatif à l’article 44 du présent projet.
Art. 67
Cet article apporte une correction linguistique.
85
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 68
De eerste wijziging betreft een taalkundige rechtzet-
ting. De tweede wijziging dient om te verduidelijken dat
het ontwerp van minnelijke aanzuiveringsregeling niet
enkel aan de echtgenoot, maar, naar gelang het geval,
ook aan de wettelijk samenwonende partner van de
schuldenaar wordt gezonden.
Art. 69
Overeenkomstig artikel 1675/3, derde lid, van het
Gerechtelijk Wetboek is een collectieve schuldenregeling
erop gericht een menswaardig leven van de schuldenaar
en zijn gezin te waarborgen. De voorgestelde wijziging
verduidelijkt dit uitdrukkelijk en waarborgt daarmee de
coherentie binnen de tekst.
Art. 70
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 71
De huidige tekst van artikel 1675/21 van het Gerechtelijk
Wetboek verwijst nog naar de aangestelde voor gege-
vensbescherming. Overeenkomstig de Verordening (EU)
2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van
27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsge-
gevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens
en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG alsook de
wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking
van persoonsgegevens, wijst de verwerkingsverantwoor-
delijke een functionaris voor gegevensbescherming aan.
De Gegevensbeschermingsautoriteit merkte dit reeds
op in haar advies nr. 49/2017 van 20 september 2017
(randnummer 20). De terminologie wordt dienovereen-
komstig gecorrigeerd.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
Art. 72
Naar aanleiding van de resolutie van de Kamer van
volksvertegenwoordigers van 9 juni 2022 – betreffende
de erkenning dat kinderen in België illegaal werden
Art. 68
La première modification concerne une rectification
d’ordre linguistique. La deuxième modification tend à
préciser que le projet de plan de règlement amiable doit
être envoyé non seulement au conjoint, mais également
au cohabitant légal du débiteur.
Art. 69
Conformément à l’article 1675/3, alinéa 3, du Code
judiciaire, un règlement collectif de dettes a pour objet
de garantir au débiteur et à sa famille une vie conforme à
la dignité humaine. La modification proposée le précise
explicitement et veille ainsi à la cohérence du texte.
Art. 70
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 71
Le texte actuel de l’article 1675/21 du Code judi-
ciaire renvoie encore au préposé à la protection des
données. Conformément au Règlement (UE) 2016/679
du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016
relatif à la protection des personnes physiques à l’égard
du traitement des données à caractère personnel et à la
libre circulation de ces données, et abrogeant la direc-
tive 95/46/CE, ainsi qu’à la loi du 30 juillet 2018 relative
à la protection des personnes physiques à l’égard des
traitements de données à caractère personnel, le res-
ponsable du traitement désigne un délégué à la protec-
tion des données. L’Autorité de protection des données
l’avait déjà fait remarquer dans son avis n° 49/2017
du 20 septembre 2017 (point 20). La terminologie est
corrigée en conséquence.
CHAPITRE 4
Modifications du Code
de la nationalité belge
Art. 72
Suite à la résolution de la Chambre des représentants
du 9 juin 2022 – visant à reconnaître la survenance de
cas d’adoptions illégales en Belgique, à reconnaître les
3552/001
DOC 55
86
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
geadopteerd, betreffende de erkenning van de betrok-
kenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling
van een administratief onderzoek dienaangaande – is
gebleken dat in het Wetboek van de Belgische nationaliteit
niet was vermeld wat er met de Belgische nationaliteit
gebeurde mocht de adoptieve afstamming worden her-
roepen op grond van de artikelen 354-1 tot 354-3 van
het oud Burgerlijk Wetboek of worden herzien op grond
van artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek.
De tekst van paragraaf 4 van artikel 8 van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit, die het geval beoogt waarin
de (niet-adoptieve) afstamming niet langer vaststaat, is
immers niet hernomen in artikel 9 van hetzelfde Wetboek.
De herroeping kan enkel om gewichtige redenen
worden gevraagd door één van de adoptanten of beide,
door de geadopteerde of door de procureur des Konings.
De herziening kan worden gevorderd door het openbaar
ministerie of door een persoon die tot de derde graad
deel uitmaakt van de biologische familie van het kind.
Zowel de herroeping als de herziening maken een einde
aan de uitwerking van de adoptie of maken ze nietig voor
de toekomst. Er is dus geen terugwerkende kracht – in
tegenstelling tot de gevallen van nietigverklaring van de
afstamming bedoeld in artikel 8 WBN, waarin die er wel is.
Het Wetboek van de Belgische nationaliteit dateert
van voor de wet van 24 april 2003 tot hervorming van
de adoptie, waardoor de gevallen van nietigverklaring
van de adoptieve afstamming er logischerwijs niet zijn
in behandeld. Overigens is er in de parlementaire werk-
zaamheden van de wet van 24 april 2003 nergens sprake
van de gevolgen die de herroeping en de herziening van
de adoptie hebben voor de aan de geadopteerde toege-
kende nationaliteit. In de rechtsleer en de rechtspraak
wordt echter algemeen aanvaard dat ze geen gevolgen
kunnen hebben voor de nationaliteit. De herroeping
en de herziening hebben immers enkel gevolgen voor
de toekomst en hebben geen terugwerkende kracht,
waardoor aan alle voorwaarden voor de toekenning van
de nationaliteit waarin in artikel 9 WBN is voorzien, was
voldaan op de dag waarop de adoptie uitwerking heeft
gekregen. De herroeping en de herziening zouden der-
halve niet mogen leiden tot het verlies van de Belgische
nationaliteit in hoofde van de geadopteerde.
Om de teksten duidelijker te maken, moet in artikel 9
dus worden vermeld dat de geadopteerde de Belgische
nationaliteit behoudt in geval van herziening of herroe-
ping van de adoptie. Dat geldt ongeacht of de adoptieve
afstamming wordt herroepen of herzien voordat of na-
dat de geadopteerde de leeftijd van achttien jaar heeft
bereikt of ontvoogd is voor die leeftijd – reden waarom
in de tekst de term “geadopteerde” wordt gebruikt en
niet de term “kind”.
personnes concernées comme des victimes et à entamer
une enquête administrative sur le sujet – il est apparu que
le Code de la nationalité belge n’indiquait pas ce qu’il
advenait de la nationalité belge dans le cas où la filiation
adoptive était révoquée, selon les articles 354-1 à 354-3
de l’ancien Code civil, ou révisée, selon l’article 351 de
l’ancien Code civil.
En effet, l’article 9 du Code de la nationalité belge
ne reproduit pas le texte du paragraphe 4 de l’article 8,
qui vise l’hypothèse où la filiation (non-adoptive) cesse
d’être établie.
La révocation peut être demandée pour des motifs
graves uniquement par l’un des adoptants ou les deux,
par l’adopté ou par le procureur du Roi. La révision peut
être demandée par le ministère public ou par une per-
sonne appartenant jusqu’au troisième degré à la famille
biologique de l’enfant. Tant la révocation que la révision
mettent fin aux effets de l’adoption ou l’anéantissent
pour le futur. Il n’y a donc aucune portée rétroactive –
contrairement aux cas d’anéantissement de la filiation
visés par l’article 8 CNB.
Le Code de la nationalité belge est antérieur à la loi
du 24 avril 2003 réformant l’adoption, de sorte qu’il n’a
logiquement pas traité des cas d’anéantissement de la
filiation adoptive, d’autant plus que les travaux parlemen-
taires de la loi du 24 avril 2003 sont muets quant aux
effets de la révocation et de la révision de l’adoption sur
la nationalité attribuée à l’adopté. Néanmoins, doctrine
et jurisprudence s’accordent pour considérer qu’elles
ne sauraient avoir d’effets sur la nationalité. En effet, la
révocation et la révision n’ont d’effets que pour l’avenir et
n’ont aucune portée rétroactive, de sorte que l’ensemble
des conditions d’attribution de la nationalité prévues à
l’article 9 CNB étaient remplies au jour où l’adoption a
produit ses effets. La révocation et la révision ne devraient
donc pas entraîner la perte de la nationalité belge dans
le chef de l’adopté.
Il convient donc pour clarifier les textes que l’article 9
indique qu’en cas de révision ou de révocation de l’adop-
tion, l’adopté conserve la nationalité belge. Cela vaut
que la filiation adoptive soit révoquée ou révisée avant
ou après que l’adopté ait atteint l’âge de dix-huit ans ou
ait été émancipé avant cet âge – raison pour laquelle le
texte utilise le terme “adopté” et non le terme “enfant”.
87
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In het voorgestelde artikel wordt met dat doel voor
ogen artikel 9 van het Wetboek gewijzigd, enerzijds
om van de huidige tekst een paragraaf 1 te maken en
anderzijds om het artikel aan te vullen met een para-
graaf 2 waarin wordt bepaald dat de geadopteerde de
Belgische nationaliteit behoudt in geval van herziening
of herroeping van de adoptie.
Art. 73
Dit artikel wijzigt artikel 23, § 5, van het Wetboek van
de Belgische nationaliteit om het in overeenstemming
te brengen met arrest 13/2023 van het Grondwettelijk
Hof van 26 januari 2023.
HOOFDSTUK 5
Wijziging van de wet van 11 april 1995
tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde
Art. 74
Deze bepaling is in overeenstemming met de wij-
zigingen die aan het Gerechtelijk Wetboek werden
aangebracht bij de wet du 26 december 2022 betref-
fende de vermelding van de rechtsmiddelen en diverse
bepalingen in gerechtelijke zaken, die ertoe strekken de
procedure die van toepassing is op geschillen betreffende
de wet van 18 juli 2017 betreffende de oprichting van
het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van
een herstelpensioen en de terugbetaling van medische
zorg ingevolge daden van terrorisme te verduidelijken.
Deze bepaling voegt in artikel 2, eerste lid, 1°, van de
wet van 11 april 1995 tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde, een nieuwe litera h) met de
uitdrukkelijke vermelding in van de voornoemde wet van
18 juli 2017. Aldus bestaat er geen onduidelijkheid over
de toepassing van artikel 1017, lid 2, van het Gerechtelijk
Wetboek op slachtoffers van daden van terrorisme.
Zo ook voorkomt deze verduidelijking elke twijfel over
de toepassing van artikel 4, § 2, 3°, van de wet van
19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand aan slachtoffers
van daden van terrorisme.
Naar aanleiding van advies van de Raad van State
moet worden verduidelijkt dat alle rechten die zijn vast-
gelegd in de wet van 18 juli 2017 onder de categorie
“sociale zekerheid” vallen, met inbegrip van de toe-
kenning van het statuut van nationale solidariteit, dat
weliswaar geen geldelijke prestatie vormt, maar waaruit
toch sociale voordelen kunnen voortvloeien, los van de
mogelijkheid om een vergoeding te krijgen op grond
Dans cet objectif, l’article proposé modifie l’article 9
du Code afin, d’une part, de former un paragraphe 1er
avec le texte actuel et, d’autre part, de compléter l’article
par un paragraphe 2 prévoyant qu’en cas de révision
ou de révocation de l’adoption, l’adopté conserve la
nationalité belge.
Art. 73
Cet article modifie l’article 23, § 5, du Code de la natio-
nalité belge pour le rendre conforme à l’arrêt n° 13/2023
du 26 janvier 2023 de la Cour Constitutionnelle.
CHAPITRE 5
Modification de la loi du 11 avril 1995
visant à instituer “la charte”
de l’assuré social
Art. 74
Cette disposition s’inscrit dans le prolongement des
modifications qui ont été apportées au Code judiciaire par
le biais de la loi du 26 décembre 2022 relative à la mention
des voies de recours et portant dispositions diverses en
matière judiciaire, visant à préciser la procédure appli-
cable aux contestations relatives à la loi du 18 juillet 2017
relative à la création du statut de solidarité nationale,
à l’octroi d’une pension de dédommagement et au
remboursement des soins médicaux à la suite d’actes
de terrorisme. Le présent article insère dans l’article 2,
alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer
“la charte” de l’assuré social, un nouveau litera h) avec
la mention explicite de la loi du 18 juillet 2017 précitée.
De cette manière, il ne reste aucune équivoque quant à
l’application de l’article 1017, alinéa 2 du Code judiciaire
aux victimes d’actes de terrorisme. De même, cette
précision empêche tout doute quant à l’application de
l’article 4, § 2, 3° de la loi du 19 mars 2017 instituant un
fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième
ligne, aux victimes d’actes de terrorisme.
Suite à l’avis du Conseil d’État, il convient de préciser
que tous les droits consacrés par la loi du 18 juillet 2017
sont inclus dans la catégorie “sécurité sociale”, en ce
compris l’octroi du statut de solidarité nationale qui ne
constitue certes pas une prestation pécuniaire, mais
duquel des avantages sociaux peuvent toutefois découler,
indépendamment de la possibilité d’obtenir un dédomma-
gement en vertu de la loi du 18 juillet 2017 (il peut être cité
3552/001
DOC 55
88
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
van de wet van 18 juli 2017 (gratis openbaar vervoer
kan als voorbeeld worden aangehaald). Als zodanig
is het niet alleen een symbolische erkenning van de
slachtoffers van terrorisme, maar ook een statuut dat
verschillende juridische gevolgen heeft, waaronder de
erkenning van andere rechten die voortvloeien uit de
wet van 2017, namelijk de terugbetaling van medische
zorg en de toekenning van een herstelpensioen. Een
geschil voor de arbeidsrechtbank, zelfs wanneer het
uitsluitend betrekking heeft op de toekenning van dit
statuut van nationale solidariteit, maakt dus deel uit
van de geschillen in het kader waarvan de kosten van
de procedure zullen worden gedragen door de instel-
ling belast met het toepassen van de wet. Op dit punt
is het dus niet opportuun om de formulering van deze
wijziging af te stemmen op de formulering die de Raad
van State in zijn advies heeft vermeld. Dit advies verwijst
naar de formulering van artikel 1410, § 2, 14°, van het
Gerechtelijk Wetboek, dat enkel verwijst naar de terug-
betaling van de medische zorg en het herstelpensioen
als onbeslagbare bedragen. Dit is echter normaal voor
zover alleen deze prestaties “geldsommen” zijn in de
zin van de wet van 18 juli 2017, en dus beslagbaar of
onbeslagbaar kunnen zijn.
HOOFDSTUK 6
Wijzigingen van Wetboek van economisch recht
Art. 75
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 76
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 77
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Verder wordt thans voorzien dat de notaris de schatter
aanwijst die het deskundigenverslag zal opstellen. De
notaris kent immers de lokale schatters, waardoor hij
sneller een dergelijk deskundigenverslag kan bekomen.
à titre d’exemple, la gratuité des transports en commun).
À ce titre, il s’agit non seulement d’une reconnaissance
symbolique des victimes de terrorisme, mais également
d’un statut qui emporte divers effets juridiques, en ce
compris la reconnaissance des autres droits découlant
de la loi de 2017, à savoir le remboursement des soins
médicaux et l’octroi d’une pension de dédommagement.
Ainsi, une contestation devant la juridiction du travail,
même lorsqu’elle porte exclusivement sur l’octroi de
ce statut de solidarité nationale est comprise parmi
les contestations dans le cadre desquelles il reviendra
à l’autorité chargée d’appliquer la loi de prendre en
charge les dépens de la procédure. Sur ce point, il ne
convient donc pas d’aligner la formulation de la présente
modification à la formulation à laquelle le Conseil d’État
fait référence dans son avis. Cet avis renvoie en effet à
la formulation de l’article 1410, § 2, 14°, du Code judi-
ciaire, qui ne vise que les remboursements des soins
médicaux et la pension de dédommagement à titre de
montants insaisissables. Ceci est toutefois normal dans
la mesure où seules ces prestations sont des prestations
“de somme” dans la loi du 18 juillet 2017, et sont donc
susceptibles d’être saisissables ou insaisissables.
CHAPITRE 6
Modifications du Code de droit économique
Art. 75
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 76
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 77
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Ensuite, il est à présent prévu que le notaire désigne
l’expert qui va établir le rapport d’expertise. Le notaire
connait en effet les experts locaux, avec pour consé-
quence qu’il peut obtenir plus rapidement un tel rapport
d’expertise.
89
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 78
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
Art. 79
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 44
van dit ontwerp.
HOOFDSTUK 7
Wijziging van de wet van 19 maart 2017
tot oprichting van een Begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand
Art. 80
De voorgestelde wijziging is zuiver technisch van
aard. Het beoogt de ICT-afdeling iets meer tijd te geven
om alle computerapplicaties aan te passen wanneer het
bedrag van de bijdrage aan het fonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een
indexering die is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van
19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand. Het nieuwe bedrag
treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand
die volgt op de wijziging ten gevolge van de in artikel 5,
§ 2, eerste lid, bedoelde wijziging van het indexcijfer
van de consumptieprijzen. De bekendmaking in het
Belgisch Staatsblad geschiedt door middel van een
bericht. Naar aanleiding van het advies van de Raad
van State is deze bepaling licht gewijzigd om ervoor te
zorgen dat het geïndexeerde bedrag pas wordt toegepast
na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
HOOFDSTUK 8
Wijziging aan het Burgerlijk Wetboek
Art. 81
De voorgestelde wijziging corrigeert een redactionele
fout in de Nederlandse versie van artikel 1.8, § 5, van
het Burgerlijk Wetboek. Het doet geen afbreuk aan de
inhoud van de bepaling.
Art. 78
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
Art. 79
Il est renvoyé au commentaire de l’article 44 du pré-
sent projet.
CHAPITRE 7
Modification de de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire relatif
à l’aide juridique de deuxième ligne
Art. 80
La modification proposée est de nature purement
technique. Elle vise à donner un peu plus de temps
au service ICT pour adapter toutes les applications
informatiques lorsque le montant de la contribution au
fonds d’aide juridique est modifié à la suite d’une indexa-
tion prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique
de deuxième ligne. L’entrée en vigueur du nouveau
montant a lieu le 1er jour du deuxième mois suivant la
modification due à la variation de l’index des prix à la
consommation prévue à l’article 5, § 2, alinéa 1er. Une
publication au moniteur belge est prévue au moyen
d’un avis. À la suite de l’avis du Conseil d’État, cette
disposition est légèrement remaniée afin de s’assurer
que le montant indexé ne sera appliqué qu’après sa
publication au Moniteur belge.
CHAPITRE 8
Modification du Code civil
Art. 81
La modification proposée corrige une erreur rédaction-
nelle dans la version néerlandaise de l’article 1.8, § 5,
du Code civil. Elle n’a aucune incidence sur le contenu
de la disposition.
3552/001
DOC 55
90
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019
houdende diverse bepalingen inzake
informatisering van Justitie, modernisering
van het statuut van rechters
in ondernemingszaken en
inzake de notariële aktebank
Art. 82
De wijziging in de toekomstige paragraaf 4 van arti-
kel 1675/6 van het Gerechtelijk Wetboek stemt de be-
paling af op de situatie waarin de procedures bedoeld
in artikel 1675/5 van het Gerechtelijk Wetboek zich op
beroepsniveau bevinden. Het bevestigt bovendien dat
niet enkel de rechtbanken – in de procedure ten gronde
-, maar ook de hoven – in beroep – gebruik zullen maken
van het register. De vertaling van het Franse woord “ju-
ridictions” naar “rechtbanken” is niet accuraat. De term
verwijst naar het ruimere begrip “gerechten” dat zowel
de rechtbanken als de hoven omvat.
Art. 83
Deze wijziging is bedoeld een taalkundige rechtzet-
ting te doen in de toekomstige Nederlandstalige tekst
van artikel 1675/7, § 2bis, van het Gerechtelijk Wetboek
zoals ingevoegd door artikel 37, 1°, van de wet informati-
sering. Het werkwoord “brengen” wordt vervangen door
het werkwoord “meebrengen”.
Art. 84
De voorgestelde wijziging stemt de Nederlandse tekst
van het toekomstig artikel 1675/8bis van het Gerechtelijk
Wetboek af op de Franse tekst. Ook in de Nederlandse
tekst zal worden bepaald dat de griffie binnen drie dagen
“na de uitspraak” de beschikking van niet-toelaatbaarheid
moet kennisgeven aan de verzoeker en, in voorkomend
geval, de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner.
Art. 85
Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 82
van dit ontwerp.
CHAPITRE 9
Modifications de la loi du 5 mai 2019
portant dispositions diverses en matière
d’informatisation de la Justice,
de modernisation du statut
des juges consulaires et relativement
à la banque des actes notariés
Art. 82
La modification proposée du paragraphe 4 de l’ar-
ticle 1675/6 du Code judiciaire aligne la disposition sur
la situation où les procédures visées à l’article 1675/5
du Code judiciaire sont au niveau d’appel. Elle confirme
également que non seulement les tribunaux – dans la
procédure au fond – mais aussi les cours – en appel
– utiliseront le registre. La traduction du mot “juridic-
tions” par “rechtbanken” n’est pas correcte. Le terme
fait référence au concept plus large de “gerechten” qui
comprend les tribunaux et les cours.
Art. 83
Cette modification vise à apporter une correction
linguistique dans le futur texte néerlandophone de
l’article 1675/7, § 2bis, du Code judiciaire tel qu’inséré
par l’article 37, 1°, de la loi du 5 mai 2019. Le verbe
“brengen” est remplacé par le verbe “meebrengen”.
Art. 84
La modification proposée fait concorder le texte néer-
landais du futur article 1675/8bis du Code judiciaire
avec le texte français. Dans le texte néerlandais, il est
également précisé, que le greffe doit notifier, dans les
trois jours “du prononcé”, la décision d’inadmissibilité
au requérant et, le cas échéant, au conjoint ou au coha-
bitant légal.
Art. 85
Il est renvoyé au commentaire de l’article 82 du pré-
sent projet
91
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 10
Wijziging van de wet van 16 oktober 2022
tot oprichting van het Centraal register
voor de beslissingen van de rechterlijke orde en
betreffende de bekendmaking van de vonnissen
en tot wijziging van de assisenprocedure
betreffende de wraking van de gezworenen
Art. 86
Deze bepaling heeft tot doel een technische correctie
door te voeren in de overgangsbepaling van artikel 19,
tweede lid, van de wet van 16 oktober 2022 tot oprich-
ting van het Centraal register voor de beslissingen van
de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking
van de vonnissen en tot wijziging van de assisenpro-
cedure betreffende de wraking van de gezworenen. Na
tweede lezing in de Commissie Justitie van de Kamer
werden er nog een aantal amendementen ingediend,
waaronder het amendement tot wijziging van de assi-
senprocedure voor wat de wraking van de gezworenen
betreft (Amendement nr. 25 van mevrouw Gabriëls c.s.,
DOC 55 2754/009). De juridische dienst van de Kamer
merkte naar aanleiding van dit laatste amendement op
dat een thematische indeling van het wetsontwerp de
voorkeur geniet, en op basis van deze suggestie werd
een herstructurering van het wetsontwerp doorgevoerd.
De kruisverwijzingen in de inwerkingtredingsbepaling
werden daarbij aangepast, maar een gelijkaardige
aanpassing werd per vergissing niet doorgevoerd in
artikel 19, tweede lid, van het wetsontwerp. Het voorge-
stelde artikel beoogt deze vergetelheid recht te zetten.
HOOFDSTUK 11
Wijzigingen van de wet van 22 november 2022
tot wijziging van de wet van 16 maart 1803
op het notarisambt, tot invoering
van een tuchtraad voor de notarissen en
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk
Wetboek en diverse bepalingen
Art. 87
Deze wijziging beoogt het rechtzetten van een ma-
teriële vergissing.
Deze wijziging wordt aangebracht in artikel 83 van
de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet
van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering
van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechts-
deurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse
bepalingen, aangezien artikel 83 van voornoemde wet
pas in werking treedt op 1 januari 2024 en onderhavige
CHAPITRE 10
Modification de la loi du 16 octobre 2022
visant la création du Registre central
pour les décisions de l’ordre judiciaire et
relative à la publication des jugements et
modifiant la procédure d’assises
relative à la récusation des jurés
Art. 86
Cette disposition vise à apporter une correction tech-
nique à la disposition transitoire, de l’article 19, alinéa 2,
de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre
central pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative
à la publication des jugements et modifiant la procédure
d’assises relative à la récusation des jurés. Un cer-
tain nombre d’amendements ont encore été déposés
après la deuxième lecture en commission justice de la
Chambre, notamment l’amendement modifiant la pro-
cédure d’assises en ce qui concerne la récusation des
jurés (amendement 25 de Mme Gabriëls et consorts,
DOC 55 2754/009). Le Service juridique de la Chambre
a noté, suite à ce dernier amendement, qu’une division
thématique du projet de loi était à privilégier, et une res-
tructuration du projet de loi a été effectuée suite à cette
suggestion. En parallèle, les références croisées dans la
disposition sur l’entrée en vigueur ont été ajustées, mais
un ajustement pareil n’a – par erreur – pas été effectué
à l’article 19, alinéa 2, du projet de loi. Le présent article
proposé vise à rectifier cet oubli.
CHAPITRE 11
Modifications de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803
contenant organisation du notariat, introduisant
un conseil de discipline pour les notaires et
les huissiers de justice dans le Code judiciaire et
des dispositions diverses
Art. 87
La modification vise à corriger une erreur matérielle.
Cette modification est apportée à l’article 83 de la
loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi
du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat,
introduisant un conseil de discipline pour les notaires
et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des
dispositions diverses, étant donné que l’article 83 de la
loi précitée n’entre en vigueur que le 1er janvier 2024 et
3552/001
DOC 55
92
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
wet reeds daarvóór in werking zal getreden zijn. Om te
reageren op het advies van de Raad van State, door deze
wijziging op te nemen in de wet van 22 november 2022
blijft de coherentie van die wet bewaard. Deze werkwijze
zorgt er tevens voor dat de rechtsonderhorige slechts
één wettelijke bron van wijzigingsbepalingen dient te
consulteren in plaats van meerdere wettelijke bronnen
die afzonderlijke wijzigings- en opheffingsbepalingen
bevatten die betrekking hebben op hetzelfde artikel, te
meer aangezien deze wijzigingsbepaling slechts het
corrigeren van een materiële vergissing betreft.
Art. 88
Deze wijziging beoogt het rechtzetten van een mate-
riële vergissing in de Nederlandse tekst.
Deze wijziging wordt aangebracht in artikel 103 van
de wet van 22 november 2022 tot wijziging van de wet
van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering
van een tuchtraad voor de notarissen en de gerechts-
deurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse
bepalingen, aangezien artikel 103 van voornoemde wet
pas in werking treedt op 1 januari 2024 en onderhavige
wet reeds daarvóór in werking zal getreden zijn. Om te
reageren op het advies van de Raad van State, door deze
wijziging op te nemen in de wet van 22 november 2022,
blijft de coherentie van die wet bewaard. Deze werkwijze
zorgt er tevens voor dat de rechtsonderhorige slechts
één wettelijke bron van wijzigingsbepalingen dient te
consulteren in plaats van meerdere wettelijke bronnen
die afzonderlijke wijzigings- en opheffingsbepalingen
bevatten die betrekking hebben op hetzelfde artikel, te
meer aangezien deze wijzigingsbepaling slechts het
corrigeren van een materiële vergissing betreft.
que la présente loi sera déjà entrée en vigueur avant cette
date. Pour répondre à l’avis du Conseil d’État, en repre-
nant cette modification dans la loi du 22 novembre 2022,
la cohérence de cette loi est préservée. Cette manière
de procéder permet également au justiciable de ne
consulter qu’une seule source législative de dispositions
modificatives au lieu de plusieurs sources législatives
contenant des dispositions modificatives et abrogatives
distinctes relatives au même article, d’autant plus que
cette disposition modificative ne fait que corriger une
erreur matérielle.
Art. 88
La modification vise à corriger une erreur matérielle
dans le texte néerlandais.
Cette modification est apportée à l’article 103 de la
loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi
du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat,
introduisant un conseil de discipline pour les notaires
et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des
dispositions diverses, étant donné que l’article 103 de la
loi précitée n’entre en vigueur que le 1er janvier 2024 et
que la présente loi sera déjà entrée en vigueur avant cette
date. Pour répondre à l’avis du Conseil d’État, en repre-
nant cette modification dans la loi du 22 novembre 2022,
la cohérence de cette loi est préservée. Cette manière
de procéder permet également au justiciable de ne
consulter qu’une seule source législative de dispositions
modificatives au lieu de plusieurs sources législatives
contenant des dispositions modificatives et abrogatives
distinctes relatives au même article, d’autant plus que
cette disposition modificative ne fait que corriger une
erreur matérielle.
93
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 12
Wijziging van de wet van 14 maart 2023
tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU)
2020/1783 van het Europees Parlement en
de Raad van 25 november 2020 betreffende
de samenwerking tussen de gerechten van
de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging
in burgerlijke en handelszaken, en
van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2020
inzake de betekening en de kennisgeving in de
lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken
Art. 89
Dit artikel beoogt de Franse tekst van artikel 7, eer-
ste lid, van de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en
aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het
Europees Parlement en de Raad van 25 november
2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten
van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in
burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU)
2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad
van 25 november 2020 inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buiten-
gerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken,
in overeenstemming te brengen met de Nederlandse
tekst. Concreet richt deze wet zich vanzelfsprekend tot
de Belgische rechter, zodat dit geen explicitering behoeft.
Daarnaast is het hier correcter om het meer algemene
begrip “gerecht” te gebruiken, in plaats van het meer
specifieke begrip “rechter”.
HOOFDSTUK 13
Overgangsbepalingen
Art. 90
De bepalingen van deze wet treden in werking met
een overgangsmaatregel zodat ze geen invloed heb-
ben op de reeds lopende verkopen en procedures van
rangregeling.
Er moet inderdaad vermeden worden dat deze verko-
pen, die onder de huidige wetgeving wel zuiverend waren,
hun zuiverende werking verliezen door de inwerkingtre-
ding van deze wet. Bovendien mag de inwerkingtreding
van deze wet er niet toe leiden dat de rechten van de
schuldeisers in de rangregeling plots worden gewijzigd.
Om te bepalen of de nieuwe artikelen van toepassing
zijn, moet men nagaan of hetzij het verzoek tot machtiging
CHAPITRE 12
Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant
en œuvre et complétant le règlement (UE)
2020/1783 du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la coopération
entre les juridictions des États membres
dans le domaine de l’obtention des preuves en
matière civile ou commerciale, et le règlement
(UE) 2020/1784 du Parlement européen et
du Conseil du 25 novembre 2020 relatif
à la signification et à la notification dans les États
membres des actes judiciaires et extrajudiciaires
en matière civile ou commerciale
Art. 89
Le présent article vise à aligner le texte français de
l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023 mettant
en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du
Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020
relatif à la coopération entre les juridictions des États
membres dans le domaine de l’obtention des preuves
en matière civile ou commerciale, et le règlement
(UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la
notification dans les États membres des actes judiciaires
et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale, sur
le texte néerlandais. Concrètement, cette loi s’adresse
bien évidemment au juge belge, de sorte qu’il n’est pas
nécessaire de l’expliciter. En outre, il est ici plus exact
d’utiliser la notion plus générale de “juridiction” au lieu
de la notion plus spécifique de “juge”.
CHAPITRE 13
Dispositions transitoires
Art. 90
Les dispositions de cette loi entrent en vigueur avec
une mesure transitoire, pour ne pas impacter les ventes
et les procédures d’ordre déjà en cours.
Il faut en effet éviter que ces ventes, qui étaient pur-
geantes sous l’empire de la loi actuelle, perdent leur
caractère purgeant en raison de l’entrée en vigueur de
cette loi. De plus, l’entrée en vigueur de cette loi ne peut
mener à ce que les droits des créanciers dans l’ordre
soient soudainement modifiés.
Pour déterminer si les nouveaux articles s’appliquent, il
y a lieu de vérifier si la requête en autorisation de vendre
3552/001
DOC 55
94
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
om te verkopen reeds werd neergelegd, hetzij de oproe-
ping van de schuldeisers om de verkoopsverrichtingen
te volgen reeds heeft plaatsgevonden.
Enkel wanneer deze neerlegging of oproeping gebeu-
ren vanaf de inwerkingtreding van deze wet, gelden de
nieuwe bepalingen.
Bovendien moet het gaan om de machtigingsprocedure
of de oproeping om de verkoopsverrichtingen te volgen
die ook werkelijk leiden tot de zuiverende verkoop. Het
is bijvoorbeeld mogelijk dat er een machtiging wordt
bekomen vóór de inwerkingtreding van de wet, maar
dat de schuldeisers niet regelmatig werden opgeroepen.
Indien de partijen in die omstandigheden een nieuwe
machtiging vragen na de inwerkingtreding van deze wet,
waarbij de schuldeisers regelmatig worden opgeroepen,
zijn de nieuwe bepalingen van toepassing. Het is inder-
daad deze tweede machtiging die aanleiding geeft tot
een zuiverende verkoop.
Art. 91
In overeenstemming met het advies van het College
van hoven en rechtbanken wordt een overgangsbepa-
ling getroffen voor alle magistraten die reeds in kamers
zetelen. Het zou contraproductief zijn hen te verplichten
een opleiding te volgen wanneer zij reeds in dergelijke
kamers hebben gezeten en dus reeds nuttige ervaring
hebben kunnen opdoen.
Art. 92
Naar aanleiding van advies van de Raad van State,
de oprichting van kamers voor minnelijke schikking is
gepland in alle hoven en rechtbanken van elk arrondis-
sement. Er wordt echter een verduidelijking gegeven
voor de hoven en rechtbanken die in verschillende
afdelingen zijn opgedeeld. In deze grotere structuren
moet ten minste één van de afdelingen een dergelijke
kamer instelt om de rechtzoekende de mogelijkheid te
bieden er een beroep op te doen zonder naar een an-
der arrondissement te moeten gaan. Om de praktische
uitvoering van deze kamers voor minnelijke schikkingen
te vergemakkelijken, is de oprichting van minstens één
kamer echter facultatief tot 1 september 2025.
a déjà été déposée ou si l’appel des créanciers à suivre
les opérations de vente a déjà été effectué.
Ce n’est que si ce dépôt ou cet appel ont lieu à partir
de l’entrée en vigueur de cette loi que les nouvelles
dispositions s’appliquent.
En outre, il s’agit de la procédure d’autorisation ou
l’appel à suivre les opérations de vente qui ont effecti-
vement mené à la vente purgeante. Par exemple, il se
peut qu’une autorisation ait été obtenue avant l’entrée
en vigueur de la loi mais que les créanciers n’aient pas
valablement été appelés. Si, dans ces circonstances, les
parties sollicitent une nouvelle autorisation après l’entrée
en vigueur de cette loi, en appelant valablement les
créanciers, les nouvelles dispositions sont d’application.
C’est en effet cette seconde autorisation qui donne lieu
à une vente purgeante.
Art. 91
Conformément à l’avis du Collège des cours et tribu-
naux, une disposition transitoire est prévue pour tous
les magistrats qui siègent déjà dans des chambres de
règlement à l’amiable. Il serait contreproductif de les
obliger à suivre une formation s’ils ont déjà siégé dans
de telles chambres et ont dès lors déjà pu acquérir une
expérience utile.
Art. 92
À la suite de la remarque du Conseil d’État, la création
de chambres de règlement à l’amiable est prévue dans
tous les cours et tribunaux de chaque arrondissement.
Une précision est toutefois apportée pour les cours et
tribunaux qui sont répartis en plusieurs divisions. Dans
ces plus grandes structures, au moins une des divisions
doit créer une telle chambre afin d’offrir l’opportunité au
justiciable de pouvoir y recourir sans devoir se rendre
dans un autre arrondissement. Toutefois, afin de faciliter
la mise en œuvre pratique de ces chambres de règle-
ment à l’amiable, la création d’au moins une chambre
est facultative jusqu’au 1er septembre 2025.
95
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 14
Inwerkingtreding
Art. 93
Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van
de artikelen 2 tot 12.
Art. 94
Dit artikel bepaalt de datum van inwerkingtreding van
de artikelen 25 tot 27.
De minister van Justitie,
Vincent Van Quickenborne
CHAPITRE 14
Entrée en vigueur
Art. 93
Cet article précise la date d’entrée en vigueur des
articles 2 à 12.
Art. 94
Cet article précise la date d’entrée en vigueur des
articles 25 à 27.
Le ministre de la Justice,
Vincent Van Quickenborne
3552/001
DOC 55
96
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
VOORONTWERP VAN WET
onderworpen aan het advies van de Raad van State
Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen
in burgerlijke en gerechtelijke zaken
Hoofdstuk 1 - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld
in artikel 74 van de Grondwet.
Hoofdstuk 2 - Wijzigingen van het oud Burgerlijk
Wetboek
Afdeling 1 - Naamsverandering van kinderen in het geval
van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband
of vanwege de naamsverandering van hun ouders
Art. 2. In artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder
5°/1 ingevoegd, luidende:
“5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en de verklaring
van naamskeuze door het meerderjarige kind;”
Art. 3. Artikel 63 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 18 juni 2018 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020,
wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende:
“5° in geval van toepassing van artikel 335sexies, § 2, het
aktenummer van de akte van erkenning die als basis heeft
gediend voor de opmaak van de akte van naamsverandering”
Art. 4. Artikel 313 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 31 maart 1987 en van 1 juli 2006, wordt aangevuld
met een paragraaf 4, luidende:
“§ 4. Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig
kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt
de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen
in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in
paragraaf 3, tweede lid.”
Art. 5. Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd
door de wetten van 19 september 2017 en van 18 juni 2018,
wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig
kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt
de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen
in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in het
tweede lid.”
Art. 6. Artikel 325/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van
19 september 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld
met een lid, luidende:
AVANT-PROJET DE LOI
soumis à l’avis du Conseil d’État
Avant-projet de loi portant dispositions diverses
en matière civile et judiciaire
Chapitre 1er - Disposition générale
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’ar-
ticle 74 de la Constitution.
Chapitre 2 - Modifications de l’ancien Code civil
Section 1re - Changement de nom des enfants en cas
d’établissement successif de leurs liens de filiation ou
en raison de la modification du nom de leurs parents
Art. 2. Dans l’article 51 de l’ancien Code civil, remplacé par
la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 5°/1 rédigé comme suit:
“5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration de
choix de nom par l’enfant majeur;”
Art. 3. L’article 63 du même Code, remplacé par la loi du
18 juin 2018 et modifié par la loi du 31 juillet 2020, est complété
par un 5°, rédigé comme suit:
“5° en cas d’application de l’article 335sexies, § 2, le
numéro de l’acte de reconnaissance qui a servi de base à
l’établissement de l’acte de changement de nom;”
Art. 4. L’article 313 du même Code, modifié par les lois
du 31 mars 1987 et du 1er juillet 2006, est complété par un
paragraphe 4, rédigé comme suit:
“§ 4. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur
et donne lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est
notifié ou signifié aux descendants au premier degré selon
les modalités prévues au paragraphe 3, alinéa 2.”
Art. 5. L’article 319bis du même Code, modifié par les lois
du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété par un
alinéa, rédigé comme suit:
“Si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne
lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou
signifié aux descendants au premier degré selon les modalités
prévues à l’alinéa 2.”
Art. 6. L’article 325/6 du même Code, inséré par la loi du
5 mai 2014 et modifié par les lois du 19 septembre 2017 et du
18 juin 2018, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
97
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig
kind en aanleiding geeft tot diens naamsverandering, wordt
de akte medegedeeld of betekend aan de afstammelingen
in de eerste graad overeenkomstig de regels bedoeld in het
tweede lid.”
Art. 7. In artikel 327/2, § 2, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 19 september 2017 en vervangen
bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 3°/1
ingevoegd, luidende:
“3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van naamskeuze
op basis van artikel 335, § 3, eerste lid, of van artikel 335ter,
§ 2, eerste lid, en de toestemming van het minderjarig kind
indien het de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt;”
Art. 8. Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wetten van
18 juni 2018 en van 31 juli 2020, wordt aangevuld met een
paragraaf 3, luidende:
“§ 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de naamsver-
andering van een meerderjarig kind, brengt de griffier het
beschikkend gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter
kennis van de afstammelingen in de eerste graad.”
Art. 9. In artikel 335 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“In geval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot
de vaststelling of het handhaven van deze enige afstammings-
band, wordt de naam bepaald overeenkomstig het eerste en
het tweede lid.”;
2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid opgeheven;
3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid ver-
vangen als volgt:
“Indien de afstamming van vaderszijde of van moederszijde
wordt vastgesteld na de vaststelling van de afstamming ten
aanzien van de andere ouder, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoel in paragraaf 1
op het ogenblik van de aangifte van erkenning.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de
vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervan-
ging van een van deze banden, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1
of in artikel 335ter, § 1.”;
4° in paragraaf 3 wordt het vierde lid opgeheven;
5° in paragraaf 4 worden het eerste en het tweede lid,
vervangen als volgt:
“Si la reconnaissance concerne un enfant majeur et donne
lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou
signifié aux descendants au premier degré selon les modalités
prévues à l’alinéa 2.”
Art. 7. Dans l’article 327/2, § 2, du même Code, inséré
par la loi 19 septembre 2017 et remplacé par la loi du 18 juin
2018, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit:
“3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de nom sur
la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er, ou de l’article 335ter,
§ 2, alinéa 1er, et le consentement de l’enfant mineur sur ce
choix s’il a atteint l’âge de douze ans;”
Art. 8. L’article 333 du même Code, remplacé par la loi
du 31 mars 1987 et modifié par les lois du 18 juin 2018 et
du 31 juillet 2020, est complété par un paragraphe 3 rédigé
comme suit:
“§ 3. Lorsque la décision donne lieu au changement de nom
d’un enfant majeur, le greffier notifie le dispositif du jugement
aux descendants au premier degré par pli judiciaire.”
Art. 9. À l’article 335 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement ou
le maintien de ce seul lien de filiation, le nom est déterminé
conformément aux alinéas 1er et 2.”;
2° dans le paragraphe 3, l’alinéa 1er est abrogé;
3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont remplacés
par ce qui suit:
“Si la filiation paternelle ou maternelle est établie par recon-
naissance après l’établissement de la filiation à l’égard de
l’autre parent, le nom de l’enfant est établi conformément
aux règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la
déclaration de reconnaissance.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement
d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces
liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles
énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”;
4° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est abrogé;
5° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont remplacés
par ce qui suit:
3552/001
DOC 55
98
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt
gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar of de meerder-
jarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming
geen verandering aan zijn naam aangebracht.
Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels
bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind,
wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”;
6° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven;
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
“§ 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge
een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering
van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de
akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke
stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend
geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.”
Art. 10. In artikel 335ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven;
2° in paragraaf 2 worden het tweede en het derde lid
vervangen als volgt:
“Indien de afstamming ten aanzien van de meemoeder
door erkenning wordt vastgesteld na de vaststelling van de
afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt de naam
van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld
in paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van erkenning.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft tot de
vaststelling van een tweede afstammingsband of de vervan-
ging van een van deze banden, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 1
of in artikel 335ter, § 1.”;
3° in paragraaf 2 wordt het vierde lid opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden het eerste en het tweede lid
vervangen als volgt:
“In alle gevallen waarin de afstamming van een kind wordt
gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar of de meerder-
jarige leeftijd heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming
geen verandering aan zijn naam aangebracht.
Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de regels
bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een meerderjarig kind,
wordt de keuze uitgeoefend door deze laatste.”;
5° in paragraaf 3 wordt het vierde lid opgeheven;
“Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée
alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans ou l’âge de la
majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans
son accord.
Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles
énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur,
le choix est exercé par ce dernier.”;
6° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est abrogé;
7° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme
suit:
“§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une
action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier
de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant,
les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le
cas échéant, les actes des descendants au premier degré.”
Art. 10. À l’article 335ter du même Code, inséré par la loi du
5 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre
2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est abrogé;
2° dans le paragraphe 2, les alinéas 2 et 3 sont remplacés
par ce qui suit:
“Si la filiation à l’égard de la coparente, établie par recon-
naissance, est établie après l’établissement de la filiation
maternelle, le nom de l’enfant est établi conformément aux
règles énoncées au paragraphe 1er au moment de la décla-
ration de reconnaissance.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établissement
d’un second lien de filiation ou au remplacement d’un de ces
liens, le nom de l’enfant est établi conformément aux règles
énoncées au paragraphe 1er ou à l’article 335ter, § 1er.”;
3° dans le paragraphe 2, l’alinéa 4 est abrogé;
4° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont remplacés
par ce qui suit:
“Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modifiée
alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans ou l’âge de la
majorité, aucune modification n’est apportée à son nom sans
son accord.
Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles
énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant majeur,
le choix est exercé par ce dernier.”;
5° dans le paragraphe 3, l’alinéa 4 est abrogé;
99
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
“§ 5. In geval van wijziging van de afstamming ingevolge
een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering
van naam, wijzigt de ambtenaar van de burgerlijke stand de
akte van geboorte van het kind en de akten van de burgerlijke
stand waarop ze betrekking heeft, alsook, in voorkomend
geval, de akten van zijn afstammelingen in de eerste graad.”
Art. 11. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335quinquies
ingevoegd, luidende:
“Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn vonnis akte van
de gekozen of door de wet vastgestelde naam van het kind
in alle gevallen van wijziging van de afstamming ingevolge
een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een verandering
van naam.”
Art. 12. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335sexies
ingevoegd, luidende:
“Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is gekozen of
vastgelegd ter gelegenheid van een verandering van afstamming
overeenkomstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en
3, geldt ook geheel of ten dele voor de afstammelingen in de
eerste graad die zijn geboren voor deze verandering, indien
het de naam van die ouder is die hun werd toegekend of die
een deel van de dubbele naam die hun werd gegeven vormt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt die naam enkel aan
het meerderjarig kind toegekend met diens instemming. Op
verzoek van het kind maakt de bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand daarvan een akte van naamsverandering
op en verbindt deze met de akten van de burgerlijke stand
die daarop betrekking hebben. Het verzoek wordt ingediend
in het jaar dat volgt op de dag waarop de beslissing inzake
de afstamming van de ouder of de akte van erkenning hem
werd medegedeeld of betekend.”
Afdeling 2 - Vervangende toestemming bij omzetting
van een interlandelijke adoptie die de afstamming niet
verbreekt in een volle adoptie
Art. 13. Artikel 359-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 24 april 2003, wordt aangevuld met een lid,
luidende:
“Wanneer de oorspronkelijke afstamming van het kind niet
vaststaat of wanneer de vader en de moeder van het kind, of
de enige ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat,
overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen gekende ver-
blijfplaats hebben of in de onmogelijkheid verkeren om hun wil
te kennen te geven of wilsonbekwaam zijn en het kind geen
wettelijke vertegenwoordiger heeft in de Staat van herkomst,
wordt in afwijking van artikel 361-4, 1°, b) en c), de toestemming
tot de omzetting in volle adoptie gegeven door een voogd ad
hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek van iedere
betrokken persoon of van de procureur des Konings.”
6° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé comme
suit:
“§ 5. En cas de modification de la filiation en suite d’une
action judiciaire donnant lieu à un changement de nom, l’officier
de l’état civil compétent modifie l’acte de naissance de l’enfant,
les actes de l’état civil auxquels il se rapporte ainsi que, le
cas échéant, les actes des descendants au premier degré.”
Art. 11. Dans le même Code, il est inséré un article 335quin-
quies, rédigé comme suit:
“Art. 335quinquies. Le juge acte dans son jugement le
nom de l’enfant choisi ou fixé par la loi dans tous les cas
de modification de la filiation en suite d’une action judiciaire
donnant lieu à un changement de nom.”
Art. 12. Dans le même Code, il est inséré un article 335sexies
rédigé comme suit:
“Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou fixé à
l’occasion d’un changement de filiation conformément aux
articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, s’impose en tout
ou partie à leurs descendants au premier degré nés avant ce
changement, si c’est le nom de ce parent qui leur a été attribué
ou constitue une partie du double nom qui leur a été donné.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom n’est attribué
à l’enfant majeur qu’avec son consentement. À la demande de
l’enfant, l’officier de l’état civil compétent en établira un acte
de changement de nom et l’associera aux actes de l’état civil
qui le concernent. La demande est introduite dans l’année
qui suit le jour où la décision relative à la filiation du parent
ou l’acte de reconnaissance lui aura été notifié ou signifié.”
Section 2 - Consentement de remplacement pour une
conversion en une adoption plénière d’une adoption
internationale qui ne rompt pas le lien de filiation
Art. 13. L’article 359-2 du même Code, inséré par la loi du
24 avril 2003, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est pas établie
ou lorsque le père et la mère de l’enfant, ou le parent unique
à l’égard de qui la filiation est établie, sont décédés, présumés
absents, sans aucune résidence connue, dans l’impossibilité
ou incapables d’exprimer leur volonté, et que l’enfant n’a pas
de représentant légal dans l’État d’origine, le consentement
à la conversion en adoption plénière est donné par un tuteur
ad hoc désigné par le tribunal, à la requête de toute per-
sonne intéressée ou du procureur du Roi, par dérogation à
l’article 361-4, 1°, b) et c).”
3552/001
DOC 55
100
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Afdeling 3 - Wijziging van de opdrachten van de bewind-
voerder na het overlijden van de beschermde persoon
Art. 14. In artikel 499/19, § 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en vervan-
gen bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de
beschermde persoon voorafgaan,” worden opgeheven;
2° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de woorden
“voor zover dat ze het overlijden van de beschermde persoon
voorafgaan”.
Hoofdstuk 3 - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 15. Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 19 oktober 2015 en van 21 december 2018
wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten aanzien van
een geschilpunt dat het voorwerp van de beslissing heeft
uitgemaakt kan ook door een derde worden ingeroepen tegen
een partij bij die beslissing.”
Art. 16. Artikel 76, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke kamer(s)
en, in voorkomend geval een of meer kamers voor minnelijke
schikking. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld
in afdelingen, bestaat de burgelijke rechtbank van een van de
afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”
Art. 17. In artikel 78 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 30 juli 2013, wordt het zevende lid vervangen als volgt:
“Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een
alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor
gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee
gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd. Een plaatsvervangend
rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op
voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 18. In artikel 79 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 30 juli 2013, wordt het achtste lid vervangen als volgt:
“Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters in
de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de burgerlijke
kamers van de rechtbank van eerste aanleg.”
Art. 19. In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij
de wet van 13 december 2005 en bij de wet van 8 mei 2014,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en, in
voorkomend geval, uit een of meer kamers voor minnelijke
Section 3 - Modification des missions de l’administra-
teur après le décès de la personne protégée
Art. 14. À l’article 499/19, § 2, alinéa 2, 2°, du même Code,
inséré par la loi du 17 mars 2013 et remplacé par la loi du
21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au décès
de la personne protégée,” sont abrogés;
2° le d) est complété par les mots “pour autant qu’ils soient
antérieurs au décès de la personne protégée”.
Chapitre 3 - Modifications du Code judiciaire
Art. 15. L’article 23 du Code judiciaire, modifié par les lois
du 19 octobre 2015 et du 21 décembre 2018, est complété par
un alinéa rédigé comme suit:
“L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une question
litigieuse qui a fait l’objet de la décision peut également être
invoquée par un tiers à l’encontre d’une partie à cette décision.”
Art. 16. L’article 76, § 1er, du même Code, modifié en der-
nier lieu par la loi du 4 mai 2016, est complété par un alinéa
rédigé comme suit:
“Le tribunal civil se compose de la ou des chambres civiles
et, le cas échéant, d’une ou plusieurs chambres de règlement
à l’amiable. Lorsque le tribunal de première instance est réparti
en divisions, le tribunal civil d’une des divisions se compose
au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”
Art. 17. Dans l’article 78, du même Code, modifié par la
loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 7 est remplacé par ce qui suit:
“Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée
d’un juge unique ayant suivi la formation dispensée par l’Institut
de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation
ou une formation équivalente. Un juge suppléant peut siéger
dans la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir
également suivi une telle formation.”
Art. 18. Dans l’article 79 du même Code, modifié par la
loi du 30 juillet 2013, l’alinéa 8 est remplacé par ce qui suit:
“Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges au tribu-
nal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les
chambres civiles du tribunal de première instance.”
Art. 19. À l’article 81 du même Code, modifié par la loi du
13 décembre 2005 et par la loi du 8 mai 2014, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et, le cas échéant,
une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le
101
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
schikking. Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is
verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één
kamer voor minnelijke schikking.”;
2° in het tweede lid worden de woorden “Ten minstens één
daarvan” vervangen door de woorden “Minstens één van de
drie kamers,”;
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een
voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en twee rechters in
sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en
de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee
gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een plaatsvervangend
rechter of een plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan
zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde
dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 20. In artikel 84 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en,
in voorkomend geval, een of meer kamers voor minnelijke
schikking. Wanneer de ondernemingsrechtbank in afdelingen
is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één
kamer voor minnelijke schikking.”;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de
ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in
ondernemingszaken. De rechters die van de kamer voor
minnelijke schikking deel uitmaken, moeten allemaal de door
het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde op-
leiding inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling
of een ermee gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een
plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in
ondernemingszaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke
schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding
heeft gevolgd.”
Art. 21. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 30 juli 2022, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “waarvan,
in voorkomend geval, een of meer kamers voor minnelijke
schikking,” ingevoegd tussen de woorden “Er zijn in het hof
van beroep kamers voor burgerlijke zaken,” en de woorden
“kamers voor correctionele zaken”;
2° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden “Opdat de
gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking rechtsgeldig
zou zijn samengesteld, moet het voor die kamer aangewe-
zen lid van het hof een gespecialiseerde opleiding hebben
genoten verstrekt door het Instituut voor gerechtelijke oplei-
ding” vervangen door “Elke kamer voor minnelijke schikking
tribunal du travail est réparti en divisions, une des divisions se
compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “L’une d’elles au moins,” sont
remplacés par les mots “L’une des trois chambres au moins,”;
3° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée
d’un président, juge au tribunal du travail, et de deux juges
sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre
au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation dispensée
par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en
médiation ou une formation équivalente. Un juge suppléant
ou un juge social suppléant peut siéger dans la chambre de
règlement à l’amiable à condition d’avoir également suivi une
telle formation.”
Art. 20. À l’article 84 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et, le cas échéant,
une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque
le tribunal de l’entreprise est réparti en divisions, une des
divisions se compose au moins d’une chambre de règlement
à l’amiable.”;
2° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Chacune d’elles est présidée par un juge au tribunal de
l’entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires.
Les juges composant la chambre de règlement à l’amiable
doivent tous avoir suivi la formation dispensée par l’Institut
de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation
ou une formation équivalente. Un juge suppléant ou un juge
consulaire suppléant peut siéger dans la chambre de règle-
ment à l’amiable à condition d’avoir également suivi une telle
formation.”
Art. 21. À l’article 101 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 30 juillet 2022, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “dont, le cas
échéant, une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable”
sont insérés entre les mots “Il y a à la cour d’appel des chambres
civiles,” et les mots “des chambres correctionnelles”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots “Pour que la
chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit consti-
tuée valablement, le membre de la cour désigné pour cette
chambre doit avoir suivi une formation spécialisée dispensée
par l’Institut de formation judiciaire.” sont remplacés par
“Chaque chambre de règlement à l’amiable est composée
3552/001
DOC 55
102
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee
gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd.”
Art. 22. Artikel 102, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, wordt aangevuld
met een lid, luidende: “Een plaatsvervangend raadsheer kan
alleenzetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke
schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor
gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake ver-
zoening en doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee
gelijkgestelde opleiding heeft gevolgd.”
Art. 23. In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 18 februari 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Elk arbeidshof stelt in voorkomend geval een of meer
kamers voor minnelijke schikking in. Wanneer het arbeidshof
in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit
ten minste één kamer voor minnelijke schikking.”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzit-
ter, een raadsheer in het arbeidshof en twee raadsheren in
sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en
de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding georganiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling of een ermee
gelijkgestelde opleiding hebben gevolgd. Een plaatsvervangend
raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken kan
zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde
dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 24. Artikel 508/11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 23 november 1998, wordt vervangen als volgt:
“Art. 508/11. De in artikel 488 bedoelde overheden bezor-
gen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische
tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de
door de Koning bepaalde nadere regels.”
Art. 25. In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wet van
31 juli 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als volgt:
“De in het tweede lid bedoelde controle wordt uitgevoerd
door de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd
door de communautaire ordes op de wijze die door de Koning
wordt bepaald.”;
2° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
d’un conseiller à la cour ayant suivi la formation dispensée
par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi
en médiation ou une formation équivalente.”
Art. 22. L’article 102, § 1er, du même Code, modifié en
dernier lieu par la loi du 1er décembre 2013, est complété
par un alinéa rédigé comme suit: “Un conseiller suppléant
peut siéger seul dans la chambre de règlement à l’amiable à
condition d’avoir suivi la formation dispensée par l’Institut de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation ou
une formation équivalente.”
Art. 23. À l’article 104 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 18 février 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
“Chaque cour du travail institue, le cas échéant, une ou
plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque la
cour du travail est répartie en divisions, une des divisions se
compose au moins d’une chambre de règlement à l’amiable.”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“La chambre de règlement à l’amiable est composée d’un
président, conseiller à la cour du travail et de deux conseillers
sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre
au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation dispensée
par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi
en médiation ou une formation équivalente. Un conseiller
suppléant ou un conseiller social suppléant peut siéger dans
la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir suivi
une telle formation.”
Art. 24. L’article 508/11 du même Code, inséré par la loi
du 23 novembre 1998, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 508/11. Les autorités visées à l’article 488 transmettent
annuellement un rapport sur le fonctionnement de l’aide juri-
dique de deuxième ligne au ministre de la Justice selon les
modalités établies par le Roi.”
Art. 25. À l’article 508/19 du même Code, inséré par la loi
du 23 novembre 1998 et modifié par la loi du 31 juillet 2020,
les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par ce
qui suit:
“Le contrôle visé à l’alinéa 2 est effectué par les bureaux
d’aide juridique et coordonné par les Ordres communautaires
selon les modalités déterminées par le Roi.”;
2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit:
103
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“§ 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert dan
alle goedgekeurde eindverslagen per materie overeenkomstig
paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien onderworpen aan
een audit om de correctheid van de aanstellingen, de kwaliteit
van de verrichte diensten door de advocaat, de realiteit van
de verrichte diensten door de advocaat overeenkomstig de in
paragraaf 2, tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van
deze controles door het bureau voor juridische bijstand te
verifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde
overheden uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels die
de Koning bepaalt. De conclusies van deze audit worden toe-
gezonden aan de betrokken bureaus voor juridische bijstand
en aan de in artikel 488 bedoelde overheden, dat er rekening
mee houdt. Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies,
waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door
de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan de
minister meegedeeld.
De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie
mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die overeen-
komstig de in het eerste lid en paragraaf 2 bedoelde controles
het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de
minister van Justitie.”;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
“§ 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de in-
formatie bedoeld in paragraaf 2/1, derde lid, kan de minister
van Justitie, indien hij zulks noodzakelijk acht, een aanvul-
lende controle laten uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na
raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden.
Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden
die in voorkomend geval via de Ordes van Advocaten voor de
verdeling ervan zorgen. De betaling wordt uitgevoerd over-
eenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden.”;
4° in paragraaf 4, worden de woorden “de berekeningswijze
van” opgeheven.
Art. 26. Artikel 508/19bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als volgt:
“Art. 508/19bis. Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien
voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus
voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de
FOD Justitie.
Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op basis
van de door de bureaus voor juridische bijstand aangegeven
werkelijke kosten en goedgekeurd door de minister. Dit bedrag
mag niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding bedoeld in
artikel 508/19, § 3.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering
van dit artikel en kan bij in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit afwijken van het voormelde percentage van 7 % op
gemotiveerde vraag van de in artikel 488 bedoelde overheden
op basis van aangetoonde kosten.”
“§ 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe ensuite par
matière tous les rapports de clôture approuvés en vertu du
paragraphe 2. Certains d’entre eux sont alors soumis à un
audit consistant à vérifier l’exactitude des désignations, la
qualité du travail effectué par l’avocat, la réalité des prestations
accomplies par les avocats conformément à la liste visée au
paragraphe 2, alinéa 2, et l’exercice de ces vérifications par le
bureau d’aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités
visées à l’article 488 selon les modalités déterminées par le
Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont transmises,
afin qu’il en soit tenu compte, aux bureaux d’aide juridique
concernés et aux autorités visées à l’article 488. Un rapport
simplifié de ces conclusions dont le contenu est déterminé
par le Roi est préparé par les autorités visées à l’article 488
et envoyé au ministre.
Le bâtonnier communique le total des points de son barreau
aux autorités visées à l’article 488, lesquelles communiquent,
conformément aux contrôles visés à l’alinéa 1er et au para-
graphe 2, le total des points de tous les barreaux au ministre
de la Justice.”;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
“§ 3. Dès réception de l’information visée au paragraphe 2/1,
alinéa 3, le ministre de la Justice peut, s’il l’estime nécessaire,
faire effectuer un contrôle supplémentaire selon les moda-
lités qu’il détermine après consultation des autorités visées
à l’article 488.
Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités qui en
assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des Ordres
des avocats. Le paiement est effectué selon les conditions
déterminées par le Roi.”;
4° dans le paragraphe 4, les mots “le mode de calcul de”
sont abrogés.
Art. 26. L’article 508/19bis du même Code, inséré par la loi
du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 508/19bis. Une subvention annuelle est prévue pour
les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique, à
charge du budget du SPF Justice.
Le montant de la subvention est déterminé selon les frais
réels exposés par les bureaux d’aide juridique et approuvés
par le ministre. Ce montant ne peut excéder 7 % de l’indemnité
visée à l’article 508/19, § 3.
Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet article
et peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres,
s’écarter du taux de 7 % précité à la demande motivée des
autorités visées à l’article 488 sur la base de frais démontrés.”
3552/001
DOC 55
104
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 27. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van het-
zelfde Wetboek wordt een afdeling I ingevoegd, met als
opschrift “Eerste Afdeling. Algemene bepaling”, die bestaat
uit artikel 730/1.
Art. 28. In artikel 730/1, § 2, ingevoegd bij de wet van
18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Behoudens in
kort geding, kan de rechter” vervangen door de woorden
“De rechter kan”;
2° in het tweede lid worden de woorden “zo hij vaststelt dat
verzoening mogelijk is” vervangen door de woorden “zo hij
vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens in kort geding,”.
Art. 29. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde
Wetboek wordt een afdeling II ingevoegd, met als opschrift
“Afdeling II. Minnelijke schikking”, die bestaat uit de artike-
len 731 tot en met 734.
Art. 30. In artikel 731 van hetzelfde Wetboek, vervangen
door de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 31. In afdeling II wordt een artikel 731/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 731/1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724
tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering tussen partijen
die bekwaam zijn om een dading aan te gaan en betreffende
zaken welke voor dading vatbaar zijn, op verzoek van een
partij of met beider instemming vooraf ter minnelijke schikking
worden voorgelegd aan de rechter die bevoegd is om ervan
kennis te nemen. Indien er evenwel ernstige aanwijzingen
zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige andere
vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de
andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkom-
stige toepassing.”
Art. 32. In artikel 732 van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de woor-
den “binnen de gewone termijn van dagvaarding” vervangen
door de woorden “binnen een maand”;
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
“Indien het verzoek tot minnelijke schikking een aanspraak
op een recht bevat, wordt het gelijkgesteld met de ingebreke-
stelling bedoeld in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder dezelfde voorwaarden schorst het verzoek tot min-
nelijke schikking gedurende een maand de verjaring van de
aan dit recht verbonden vordering.”
Art. 33. In artikel 733 van hetzelfde Wetboek worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 27. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier,
du même Code, il est inséré une section première intitu-
lée “Section première. Disposition générale”, comprenant
l’article 730/1.
Art. 28. À l’article 730/1, § 2, inséré par la loi du 18 juin
2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “Sauf en référé, le juge” sont
remplacés par les mots “Le juge”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “À la demande” sont remplacés
par les mots “Sauf en référé, à la demande”.
Art. 29. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier,
du même Code, il est inséré une section 2 intitulée “Section II.
La conciliation”, comprenant les articles 731 à 734.
Art. 30. Dans l’article 731 du même Code, remplacé par
la loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est abrogé.
Art. 31. Dans la section II, il est inséré un article 731/1,
rédigé comme suit:
“Art. 731/1. Sans préjudice des dispositions des articles 1724
à 1737, toute demande principale introductive d’instance entre
parties capables de transiger et sur des objets susceptibles
d’être réglés par transaction, peut être préalablement soumise,
à la requête d’une des parties ou de leur commun accord,
à fin de conciliation au juge compétent pour en connaître.
Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences,
des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont
été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie,
l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.”
Art. 32. À l’article 732 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots “ordi-
naire des citations,” sont remplacés par les mots “d’un mois,”;
2° l’article est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
“Si la demande en conciliation contient la réclamation
d’un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée à
l’article 5.240 du Code civil.
Dans les mêmes conditions, la demande en conciliation
suspend le cours de la prescription de l’action attachée à ce
droit pendant un mois.”
Art. 33. À l’article 733 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
105
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de
woorden “worden de bewoordingen ervan opgetekend” ver-
vangen door de woorden “kunnen de bewoordingen ervan
worden opgetekend”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het verschijnen van de partijen op de zitting tot minnelijke
schikking schorst de verjaringstermijn voor de duur van de
minnelijke schikking.”
Art. 34. In afdeling II wordt een artikel 733/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 733/1. Indien er al een procedure loopt, kan het geschil
gedurende het gehele geding ter minnelijke schikking aan
de rechter worden voorgelegd, op initiatief van de rechter of
van een partij.
De partijen zullen worden opgeroepen overeenkomstig
artikel 732.
Indien een schikking tot stand komt, kan akte worden ge-
nomen van de bewoordingen van die schikking in een vonnis
of arrest overeenkomstig artikel 1043.”
Art. 35. In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde
Wetboek wordt een afdeling III ingevoegd, met als opschrift
“Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking”.
Art. 36. In afdeling III wordt een artikel 734/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 734/1. § 1. De zaken kunnen ter minnelijke schikking
worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke schikking
en worden aanhangig gemaakt overeenkomstig artikel 731/1
of worden daarvoor vastgesteld overeenkomstig artikel 733/1.
De partijen worden opgeroepen overeenkomstig artikel 732.
§ 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nuttig acht,
kan de rechter ook, gedurende het gehele geding, de doorver-
wijzing van de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking
van dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof bevelen, middels
eenvoudige vermelding op het proces-verbaal van de zitting.
Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier het
dossier van de procedure over aan de griffier van de kamer voor
minnelijke schikking waarnaar de zaak werd doorverwezen.
De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept
de partijen bij eenvoudige brief op om te verschijnen op de
dag, de plaats en het uur van de zitting waarop de zaak zal
worden behandeld.
Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene
partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van druk
gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere partij, is
artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.”
1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots “en
constate” sont remplacés par les mots “peut en constater”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
“La comparution des parties à l’audience de conciliation
suspend le cours de la prescription durant la conciliation.”
Art. 34. Dans la section II, il est inséré un article 733/1,
rédigé comme suit:
“Art. 733/1. Si une procédure est déjà pendante, le litige
peut être soumis, tout au long de l’instance, au juge à fin de
conciliation, à l’initiative du juge ou d’une partie.
Les parties seront convoquées conformément à l’article 732.
Si un accord intervient, les termes de cet accord peuvent
être actés dans un jugement ou un arrêt conformément à
l’article 1043.”
Art. 35. Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier,
du même Code, il est inséré une section III intitulée “Section III.
La chambre de règlement à l’amiable”.
Art. 36. Dans la section III, il est inséré un article 734/1,
rédigé comme suit:
“Art. 734/1. § 1er. Les affaires peuvent être soumises à fin
de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable et sont
introduites conformément à l’article 731/1 ou y sont fixées
conformément à l’article 733/1.
Les parties sont convoquées conformément à l’article 732.
§ 2. À la demande des parties ou s’il l’estime utile, le juge
peut également ordonner, tout au long de l’instance, le renvoi
de la cause à la chambre de règlement à l’amiable du même
tribunal ou de la même cour, par simple mention au procès-
verbal de l’audience.
Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les
trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de
règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée.
Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable convoque
les parties, par simple lettre, à comparaître, aux lieu, jour et
heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée.
Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des violences,
des menaces ou toute autre forme de pression sont ou ont
été exercées par une partie à l’encontre de l’autre partie,
l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.”
3552/001
DOC 55
106
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 37. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/2
ingevoegd, luidende:
“Art. 734/2. § 1. In de zaken die op grond van artikel 731/1
aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking
uitkomst biedt, kunnen de bewoordingen van de schikking
door de kamer voor minnelijke schikking worden opgetekend
in het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke schik-
king, waarvan de uitgifte wordt voorzien van het formulier van
tenuitvoerlegging overeenkomstig artikel 733.
§ 2. In de andere zaken waarbij de minnelijke schikking
uitkomst biedt, kan akte worden genomen van de bewoor-
dingen van het geheel of gedeeltelijk akkoord in een vonnis
of een arrest overeenkomstig artikel 1043.”
Art. 38. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/3
ingevoegd, luidende:
“Art. 734/3. § 1. In de zaken die op grond van artikel 731/1
aanhangig zijn gemaakt en waarbij de minnelijke schikking
geen uitkomst biedt, sluit het proces-verbaal van verschijning
tot minnelijke schikking de procedure af.
Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat wensen, een
gewone gerechtelijke procedure inleiden om hun geschil door
de rechtbank of het hof te laten beslechten.
§ 2. In de andere zaken waarbij de minnelijke schikking
geen uitkomst biedt, wordt de gewone gerechtelijke procedure
voortgezet voor de oorspronkelijke kamer.
De kamer voor minnelijke schikking verwijst het dossier,
volgens dezelfde vormvereisten als bepaald bij artikel 734/1,
§ 2, eerste en tweede lid, door naar de oorspronkelijke kamer.
Indien een van de partijen op de hoorzitting voor een min-
nelijke schikking daarom heeft verzocht, roept de griffier van
de oorspronkelijke kamer de partijen bij gerechtsbrief op om
te verschijnen op de dag, de plaats en het uur van de zitting
waarop de zaak zal worden behandeld. Dit verzoek kan even-
wel schriftelijk door een van de partijen na de doorverwijzing
worden gedaan.”
Art. 39. In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/4
ingevoegd, luidende:
“Art. 734/4. § 1. De zittingen tot minnelijke schikking die
worden gehouden door de kamers voor minnelijke schikking
verlopen in raadkamer overeenkomstig artikel 757, § 2, 14°.
Alles wat wordt gezegd of geschreven tijdens die zittingen is
vertrouwelijk overeenkomstig artikel 1728. Bij schending van
de vertrouwelijkheidsplicht, is artikel 1728, § 4, van toepassing.
Met instemming van de partijen, kan de rechtbank of het
hof, indien hij/het dit nuttig acht, ook aparte gesprekken voeren
met elk van de partijen.
§ 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke schikking ver-
schijnen de partijen in persoon, in voorkomend geval bijgestaan
door hun advocaten of door de syndicale afgevaardigden.
Art. 37. Dans la même section III, il est inséré un article 734/2
rédigé comme suit:
“Art. 734/2. § 1er. Dans les causes introduites sur pied de
l’article 731/1, lorsque la conciliation a abouti, les termes de
l’accord intervenu peuvent être constatés par la chambre de
règlement à l’amiable dans le procès-verbal de comparution
en conciliation dont l’expédition est revêtue de la formule
exécutoire conformément à l’article 733.
§ 2. Dans les autres causes, lorsque la conciliation a abouti,
les termes de l’accord, partiel ou total, peuvent être actés
dans un jugement ou un arrêt, conformément à l’article 1043.”
Art. 38. Dans la même section III, il est inséré un article 734/3
rédigé comme suit:
“Art. 734/3. § 1er. Dans les causes introduites sur pied
de l’article 731/1, dans lesquelles la conciliation n’aura pas
abouti, le procès-verbal de la comparution en conciliation
clôt la procédure.
Les parties pourront ensuite, si elles le souhaitent, introduire
une procédure judicaire ordinaire pour entendre trancher leur
différend par le tribunal ou la cour.
§ 2. Dans les autres causes dans lesquelles la conciliation
n’aura pas abouti, la procédure judiciaire ordinaire est pour-
suivie devant la chambre d’origine.
La chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon les
mêmes formalités que celles prévues à l’article 734/1, § 2,
alinéas 1 et 2, le dossier devant la chambre d’origine.
Si l’une des parties en a fait la demande à l’audience de
règlement amiable, le greffier de la chambre d’origine convoque
les parties, sous pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et
heure de l’audience à laquelle l’affaire sera appelée. Cette
demande peut également être formulée par écrit par l’une
des parties après le renvoi.”
Art. 39. Dans la même section III, il est inséré un article 734/4
rédigé comme suit:
“Art. 734/4. § 1er. Les audiences de conciliation tenues par les
chambres de règlement à l’amiable se déroulent en chambre
du conseil conformément à l’article 757, § 2, 14°. Tout ce qui
se dit ou s’écrit au cours de ces audiences est confidentiel au
sens de l’article 1728. En cas de violation de l’obligation de
confidentialité, l’article 1728, § 4, est d’application.
Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour peut, s’il/
elle l’estime utile, aussi s’entretenir en aparté avec chacune
des parties.
§ 2. Le jour de l’audience de conciliation, les parties com-
paraissent en personne, assistées, le cas échéant, de leurs
avocats ou délégués syndicaux. Si une personne morale est
107
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien een rechtspersoon in het geding is, wordt die vertegen-
woordigd door een natuurlijke persoon die hem kan verbinden.
§ 3. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer voor
minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde stellen
aan de minnelijke schikking.
§ 4. Een rechter die heeft gezeteld in een geschil dat aan
de kamer voor minnelijke schikking is voorgelegd, onthoudt
zich ervan deel te nemen aan een vonnis of arrest over de
uitkomst van hetzelfde geschil voor een andere kamer. Doet
hij dat niet, dan kan hij worden gewraakt overeenkomstig
artikel 828, 9°.”
Art. 40. In artikel 757, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 en bij de wet van 17 maart
2013, wordt de bepaling onder 14° ingevoegd, luidende:
“14° de zittingen tot minnelijke schikking die worden ge-
houden door de kamers voor minnelijke schikking.”
Art. 41. In artikel 780/1 van hetzelfde Wetboek, wordt het
vierde lid aangevuld met de woorden “of, in voorkomend geval,
het door de griffier eensluidend verklaard afschrift ervan”.
Art. 42. In het deel IV, boek III, titel IV van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 1094/2 ingevoegd, luidende:
“Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een wettelijke
bepaling in werking treedt die met terugwerkende kracht van
toepassing is op het geschil, kan de eisende partij bij het
Hof een aanvullend verzoekschrift indienen dat een middel
bevat dat ontleend is aan de schending van die bepaling. Dat
verzoekschrift wordt toegevoegd aan het aanhangige geding.
Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, ingediend
op de griffie van het hof binnen drie maanden na de inwer-
kingtreding van de nieuwe bepaling nadat het in voorkomend
geval aan de andere partijen is betekend.
De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot 1094 en 1097
zijn van toepassing op dit verzoekschrift en op de memories
die de partijen met elkaar uitwisselen.”
Art. 43. In artikel 1186, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° het woord “of” wordt vervangen door het woord “,”;
2° de woorden “of aan personen die geïnterneerd zijn
ingevolge de wet op de bescherming van de maatschappij”
worden ingevoegd tussen de woorden “onroerende goede-
ren te vervreemden” en de woorden “, moeten hun wettelijke
vertegenwoordigers”.
Art. 44. In artikel 1187, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
à la cause, elle est représentée par une personne physique
pouvant l’engager.
§ 3. Tant les parties que le juge de la chambre de règle-
ment à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre un terme à
la conciliation.
§ 4. Le juge qui a siégé dans le cadre d’un litige soumis
à la chambre de règlement à l’amiable s’abstient de prendre
part à un jugement ou arrêt sur les suites de ce même litige
devant une autre chambre. À défaut, il peut être récusé confor-
mément à l’article 828, 9°.”
Art. 40. Dans l’article 757, § 2, alinéa 1er, du même Code,
modifié par les lois du 2 juin 2010 et du 17 mars 2013, il est
inséré un 14° rédigé comme suit:
“14° les audiences de conciliation tenues par les chambres
de règlement à l’amiable.”
Art. 41. Dans l’article 780/1 du même Code, l’alinéa 4 est
complété par les mots “ou, le cas échéant, à la copie, certifiée
conforme par le greffier, de celui-ci”.
Art. 42. Dans la quatrième partie, livre III, titre IV du même
Code, il est inséré un article 1094/2 rédigé comme suit:
“Lorsque, au cours de la procédure en cassation, entre en
vigueur une disposition légale qui s’applique rétroactivement
au litige, la partie demanderesse peut soumettre à la Cour
une requête complémentaire contenant un moyen pris de
la violation de cette disposition. Cette requête est jointe à
l’instance en cours.
La requête est, à peine de déchéance, remise au greffe
de la Cour dans les trois mois de l’entrée en vigueur de la
disposition nouvelle après avoir, le cas échéant, été signifiée
aux autres parties.
Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094 et 1097 s’ap-
pliquent à cette requête et aux mémoires que les parties
s’échangent.”
Art. 43. À l’article 1186, alinéa 1er, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
1° le mot “ou” est abrogé;
2° les mots “ou à des personnes internées par application
de la loi sur la défense sociale” sont insérés entre les mots
“d’aliéner des immeubles” et les mots “, leurs représentants
légaux”.
Art. 44. À l’article 1187, alinéa 2, du même Code, remplacé
par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
3552/001
DOC 55
108
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden
vervangen door de woorden “schuldeisers, de ingeschre-
ven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het
Pandregister geregistreerde schuldeisers,”;
2° de tweede zin wordt aangevuld met de woorden “en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.”
Art. 45. In artikel 1189, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, in de Franse
tekst, wordt het woord “où” vervangen door het woord “ou”.
Art. 46. In artikel 1189/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “en bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”;
2° in het eerste lid wordt de derde zin aangevuld met de
woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens arti-
kel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden.”;
3° in het derde lid wordt de zin “De machtiging van de
rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de ar-
tikelen 1186 en 1187.” vervangen door de zin “Geen van de
mede-eigenaars moet de machtiging van de familierechtbank
bekomen indien zij die een machtiging moeten vragen op basis
van artikel 1187 deze hebben bekomen.”.
Art. 47. Artikel 1191 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt:
“Indien het evenwel met het oog op de beschermde belangen
bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 evenals in artikel 1193qua-
ter, § 2, vereist is dat de onroerende goederen geheel of
gedeeltelijk worden verkocht in een of meer andere kantons
dan dat waar het goed gelegen is, wordt zulks naargelang
van het geval vermeld in de beschikking van de vrederechter,
in de beslissing tot machtiging van de familierechtbank, van
de rechter-commissaris van het faillissement of van de on-
dernemingsrechtbank. De vrederechter, de familierechtbank,
de rechter-commissaris of de ondernemingsrechtbank wijst
tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend geval,
waakt over de bescherming van de betrokken belangen.”
Art. 48. In artikel 1192 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, wordt in de Nederlandse tekst
het woord “tot” ingevoegd tussen het woord “over” en de
woorden “de bekendmaking”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “nalatenschappen
of” vervangen door de woorden “nalatenschappen,”;
1° les mots “et privilégiés inscrits” sont remplacés par les
mots “inscrits, des créanciers privilégiés inscrits et, le cas
échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages,”;
2° la deuxième phrase est complétée par les mots “et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base
de l’article 5.243 du Code civil.”
Art. 45. Dans l’article 1189, alinéa 1er, du même Code,
remplacé par la loi du 11 août 2017, dans le texte français, le
mot “où” est remplacé par le mot “ou”.
Art. 46. À l’article 1189/1 du même Code, inséré par la loi
du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “et privilégiés inscrits” sont
remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés
inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au
Registre des gages,”;
2° dans l’alinéa 1er, la troisième phrase est complétée par
les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.”;
3° dans l’alinéa 3, la phrase “L’autorisation du tribunal n’est
pas requise en cas d’application des articles 1186 et 1187.” est
remplacée par la phrase: “Aucun des copropriétaires ne doit
obtenir l’autorisation du tribunal de la famille dans le cas où
le ou les copropriétaires qui doivent demander l’autorisation
sur base de l’article 1187, l’ont obtenue.”.
Art. 47. L’article 1191 du même Code, remplacé par la loi
du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit:
“Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux ar-
ticles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article 1193quater, § 2 exigeaient
que les immeubles fussent en tout ou en partie vendus dans
un ou plusieurs cantons autres que celui de la situation du
bien, il en est fait mention suivant le cas, dans l’ordonnance
du juge de paix, dans la décision d’autorisation du tribunal
de la famille, dans celle du juge-commissaire de la faillite ou
dans celle du tribunal de l’entreprise; et le juge de paix, le
tribunal de la famille, le juge-commissaire ou le tribunal de
l’entreprise désigne en même temps le juge de paix qui veille,
le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause.”
Art. 48. À l’article 1192 du même Code, remplacé par la loi
du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, dans le texte néerlan-
dais, le mot “tot” est inséré entre le mot “over” et les mots “de
bekendmaking”;
2° dans le paragraphe 2, les mots “vacantes ou” sont
remplacés par les mots “vacantes,”;
109
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3° in paragraaf 2 worden de woorden “of de vereffenaars
van een rechtspersoon” ingevoegd tussen het woord “boedels”
en de woorden “te hebben gehoord”.
Art. 49. In artikel 1193, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de woor-
den “en 1193ter” vervangen door de woorden “, 1193ter en
1193quater, § 3”.
Art. 50. In artikel 1193bis, van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden “waarbij een door
een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook een
schattingsverslag wordt gevoegd. De ontwerpakte” vervangen
door de woorden “. Hierbij voegen zij een door een notaris
opgemaakt ontwerp van verkoopakte, een schattingsverslag
en een getuigschrift van de Algemene Administratie van de
Patrimoniumdocumentatie van de Federale Overheidsdienst
Financiën met vermelding van de bestaande inschrijvingen en
alle overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende
de te verkopen onroerende goederen evenals desgeval-
lend het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister. Het schattingsverslag wordt opgemaakt door de
deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte
heeft opgesteld. De ontwerpakte”;
2° in het vierde lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers, zij” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
3° in het vierde lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de
woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de
personen”.
Art. 51. In artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van
11 juli 2018 en 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “door een notaris,
aangewezen door de rechter-commissaris, opgemaakt ontwerp
van verkoopakte voor” vervangen door de woorden “ontwerp
van verkoopakte opgemaakt door een door de curator aan-
gewezen notaris voor”;
2° in het tweede lid worden de woorden “door hen aan-
gewezen deskundige” vervangen door de woorden “deskun-
dige aangewezen door de notaris die de ontwerpakte heeft
opgesteld”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers, de personen” vervangen door de woorden
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers,
desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuld-
eisers, de schuldeisers”;
3° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est complétée
par les mots “ou les liquidateurs d’une personne morale”.
Art. 49. Dans l’article 1193, alinéa 1er, du même Code,
remplacé par la loi du 15 avril 2018, les mots “et 1193ter” sont
remplacés par les mots “, 1193ter et 1193quater, § 3”.
Art. 50. À l’article 1193bis, du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 3, les mots “à laquelle est joint un projet
d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un rapport
d’expertise. Le projet d’acte” sont remplacés par les mots “.
Il y est joint un projet d’acte de vente établi par un notaire,
un rapport d’expertise et un certificat de l’Administration
générale de la Documentation patrimoniale du Service public
fédéral Finances relatant les inscriptions existantes et toute
transcription de commandement ou de saisie portant sur les
immeubles qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant,
le résultat des recherches après consultation du Registre des
gages. Le rapport d’expertise est établi par l’expert désigné
par le notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le projet d’acte”;
2° dans l’alinéa 4, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers”;
3° dans l’alinéa 4, les mots “et ceux qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “ainsi que les personnes”.
Art. 51. À l’article 1193ter du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 11 juillet 2018 et
du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “désigné par le juge-commis-
saire” sont remplacés par les mots “désigné par le curateur”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “qu’il a désigné et un certificat”
sont remplacés par les mots “désigné par le notaire ayant
rédigé le projet d’acte et un certificat”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers”;
3552/001
DOC 55
110
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden,” ingevoegd tussen de woor-
den “doen overschrijven” en de woorden “en de gefailleerde”;
5° in het tweede lid worden de woorden “en de gefailleerde”
vervangen door de woorden “de gefailleerde en desgevallend
de andere mede-eigenaars”;
6° in het tweede lid worden de woorden “zoals een mini-
mumverkoopprijs” opgeheven.
Art. 52. In het deel IV, boek IV, hoofdstuk IV van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 1193quater ingevoegd, luidende:
“Art. 1193quater. § 1. Indien de vereffenaar van een rechts-
persoon van de zuivering wenst te genieten overeenkomstig
artikel 1326 voor de openbare verkoop of verkoop uit de hand
waartoe hij overgaat op basis van de artikelen 2:87, § 3, 2:88,
§ 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122, § 1, 4° of 5° van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen dient hij, voorafgaande-
lijk aan deze verkoop, bovendien een machtiging te verkrijgen
van de ondernemingsrechtbank. Bij gerechtelijke ontbinding
kunnen de machtiging bepaald in de artikelen 2:88 of 2:122 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en deze
bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd gevorderd worden.
§ 2. Indien de rechtbank machtiging verleent om het onroe-
rend goed openbaar te verkopen met zuiverende werking, wijst
hij tegelijk een notaris aan, door wiens ambtelijke tussenkomst
de openbare verkoping zal geschieden. De vereffenaar en, in
voorkomend geval, de vrederechter van het kanton waar het
onroerend goed gelegen is, waken, elk voor wat hen betreft,
over de bescherming van de betrokken belangen.
§ 3. De vereffenaar kan bij een met redenen omkleed
verzoekschrift aan de ondernemingsrechtbank de machtiging
vragen om uit de hand te verkopen met zuiverende werking.
De vereffenaar legt aan de rechtbank een ontwerp van ver-
koopakte voor, opgemaakt door een door hem aangewezen
notaris, onder opgave van de redenen waarom de verkoop
uit de hand geboden is.
Hierbij voegt hij een schattingsverslag, opgemaakt door de
deskundige aangewezen door de notaris die de ontwerpak-
te heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale
Overheidsdienst Financiën, na de invereffeningstelling opge-
steld, met vermelding van de bestaande inschrijvingen en alle
overschrijvingen van een bevel of een beslag betreffende het te
verkopen onroerend goed evenals desgevallend het resultaat
van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister. De
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven
bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of
een beslagexploot hebben doen overschrijven en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden evenals de rechtspersoon in
vereffening en desgevallend de mede-eigenaars dienen tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij gerechtsbrief
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “de même que le failli”;
5° dans l’alinéa 2, les mots “et, le cas échéant, les autres
copropriétaires” sont insérés entre les mots “de même que
le failli” et les mots “doivent être appelés”;
6° dans l’alinéa 2, les mots “telle que la fixation d’un prix
de vente minimum” sont abrogés.
Art. 52. Dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV
du même Code, il est inséré un article 1193quater rédigé
comme suit:
“Art. 1193quater. § 1er. Si le liquidateur d’une personne
morale souhaite bénéficier de la purge conformément à
l’article 1326 pour la vente à laquelle il procède conformément
aux articles 2:87, § 3, 2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121, § 3 ou 2:122,
§ 1er, 4° ou 5° du Code des sociétés et des associations, il
doit en outre obtenir préalablement à la vente publique ou la
vente de gré à gré une autorisation du tribunal de l’entreprise.
En cas de dissolution judiciaire, l’autorisation prévue par les
articles 2:88 ou 2:122 du Code des sociétés et des associa-
tions et celle prévue par le présent paragraphe peuvent être
demandées simultanément.
§ 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de vendre l’immeuble
publiquement avec bénéfice de la purge, il désigne en même
temps un notaire par le ministère duquel la vente publique aura
lieu. Le liquidateur ainsi que, le cas échéant, le juge de paix
du canton de la situation de l’immeuble veillent, chacun pour
ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause.
§ 3. Le liquidateur peut demander, par requête motivée, au
tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre de gré à gré
avec bénéfice de la purge. Le liquidateur soumet au tribunal
un projet d’acte de vente, établi par un notaire désigné par
le liquidateur, et lui expose les motifs pour lesquels la vente
de gré à gré s’impose.
Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné
par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de
l’Administration générale de la documentation patrimoniale
du Service public fédéral Finances, postérieur à l’ouverture
de la procédure de liquidation, relatant les inscriptions exis-
tantes et toute transcription de commandement ou de saisie
portant sur l’immeuble qui doit être vendu ainsi que, le cas
échéant, le résultat des recherches après consultation du
Registre des gages. Les créanciers hypothécaires inscrits,
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui ont fait
transcrire un commandement ou un exploit de saisie et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil de même que la personne morale
en liquidation et, le cas échéant, les copropriétaires doivent
être appelés à la procédure d’autorisation par pli judiciaire
notifié au moins huit jours avant l’audience. La rétribution due
111
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
die ten minste acht dagen voor de zitting betekend wordt. De
verschuldigde retributie geldt als griffiekost. Zij kunnen van
de rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de hand te
verkopen afhankelijk wordt gesteld van bepaalde voorwaarden.
De machtiging om te verkopen met zuiverende werking
wordt verleend indien het belang van de te vereffenen boedel
zulks vereist. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de
verkoop uit de hand het belang van de te vereffenen boedel
dient en vermeldt de identiteit van de schuldeisers die naar
behoren bij de procedure werden opgeroepen. Deze vorm
van verkoop kan van de vaststelling van een minimumprijs
afhankelijk worden gesteld.
De verkoping moet overeenkomstig de door de rechtbank
aangenomen ontwerpakte geschieden, door de ambtelijke
tussenkomst van de notaris die deze heeft opgesteld. Hoger
beroep tegen de beschikking van de rechtbank kan ingesteld
worden door de verzoeker of door de tussenkomende schuld-
eisers op de wijze bepaald in artikel 1031.”
Art. 53. In artikel 1253ter/1 van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van
15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “para-
graaf 3” vervangen door de woorden “de artikelen 734/1 tot
734/4”;
2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 54. In artikel 1253ter/3, § 2, van hetzelfde Wetboek,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden de
woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door de
woorden “734/1, § 2”.
Art. 55. Artikel 1326 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt:
“Art. 1326. § 1. De verkopingen van onroerende goederen
die geheel toebehoren aan de schuldenaar toegelaten tot de
collectieve schuldenregeling,, de gefailleerde, de schuldenaar
in gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerech-
telijk gezag, de rechtspersoon in vereffening, minderjarigen,
vermoedelijk afwezigen, beschermde personen die krachtens
artikel 492/1 van het oud Burgerlijk wetboek onbekwaam
werden verklaard om onroerende goederen te vervreemden,
aan personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de
bescherming van de maatschappij, een onbeheerde nalaten-
schap, een nalatenschap aanvaard onder voorrecht van boe-
delbeschrijving, brengen overwijzing van de prijs met zich mee
ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, ten behoeve
van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben
doen overschrijven alsook ten behoeve van de schuldeisers
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden, op voorwaarde:
1° dat deze schuldeisers in het kader van de gemachtigde
of bevolen openbare verkoop werden opgeroepen door de
vaut comme frais de greffe. Ils peuvent demander au tribunal
que l’autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à
certaines conditions.
L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la purge est
accordée si l’intérêt de la masse à liquider l’exige. L’ordonnance
doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente
de gré à gré sert l’intérêt de la masse à liquider et mentionne
l’identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le
recours à cette forme de vente peut être subordonné à la
fixation d’un prix minimum.
La vente doit avoir lieu conformément au projet d’acte
admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l’a
rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent
interjeter appel de l’ordonnance du tribunal, conformément
à l’article 1031.”
Art. 53. Dans l’article 1253ter/1 du même Code, inséré par
la loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 15 juin 2018, les
modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “au paragraphe 3”
sont remplacés par les mots “aux articles 734/1 à 734/4”;
2° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 54. Dans l’article 1253ter/3, § 2, du même Code, modifié
en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1,
§ 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”.
Art. 55. L’article 1326 du même Code, remplacé par la loi
du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 1326. § 1er. Les ventes d’immeubles qui appartiennent
en totalité au débiteur admis au règlement collectif de dettes,
au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert
sous autorité de justice, à une personne morale en liquidation,
à un mineur, à un présumé absent, à une personne protégée
qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été
déclarée incapable d’aliéner des immeubles, à une personne
internée par application de la loi sur la défense sociale, à une
succession vacante, à une succession acceptée sous béné-
fice d’inventaire, emportent délégation du prix au profit des
créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant des créanciers enregistrés au Registre
des gages, au profit des créanciers qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie ainsi qu’au profit des
créanciers qui ont fait mention en marge d’une action intentée
sur base de l’article 5.243 du Code civil, à condition:
1° que ces créanciers aient été appelés par le notaire à
suivre les opérations de vente dans le cadre d’une vente
3552/001
DOC 55
112
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
notaris om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze op-
roeping gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende
zending met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de
dag van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen,
ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van de
biedingsperiode; of
2° dat zij in het kader van de verkoop uit de hand door de
griffie tot de machtingsprocedure werden opgeroepen. Deze
oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen
vóór de zitting ter kennis wordt gegeven.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de ge-
machtigde of bevolen verkoop van een onroerend goed op
beslag dat geheel of deels toebehoort aan de beslagene,
tenzij in geval van toepassing van artikel 1561, in welk geval
deze verkoop plaatsvindt in het kader van een gerechtelijke
vereffening-verdeling overeenkomstig paragraaf 3.
§ 2. De verkopingen van onverdeelde onroerende goederen
deels toebehorend aan de schuldenaar toegelaten tot de col-
lectieve schuldenregeling, de gefailleerde, de schuldenaar in
gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk
gezag, de rechtspersoon in vereffening die het voordeel van
de zuivering heeft bekomen, minderjarigen, vermoedelijk
afwezigen, beschermde personen die krachtens artikel 492/1
van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard
om onroerende goederen te vervreemden, aan personen die
geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de bescherming van de
maatschappij, een onbeheerde nalatenschap of een nalaten-
schap aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, en
aan andere personen, brengen overwijzing mee van de prijs
ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die
door de griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure
van de verkoop. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die
ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven.
§ 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader van
een gerechtelijke vereffening-verdeling, is volgende bijzondere
regeling van toepassing:
1° de openbare verkoop brengt overwijzing mee van de prijs
ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers
die door de notaris werden opgeroepen om de verkoopsver-
richtingen te volgen. Deze oproeping gebeurt bij deurwaar-
dersexploot of aangetekende zending met ontvangstbewijs
ten minste acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij
gedematerialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor
de dag van de aanvang van de biedingsperiode;
2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing mee van de
prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde schuld-
eisers die door de griffie werden opgeroepen tot de machti-
gingsprocedure, voor zover de verkopende partij zich vrijwillig
onderworpen heeft aan de procedure van machtiging bedoeld
in artikel 1193bis. Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die
ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven.
§ 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2 en 3 blijkt dat
de overwijzing van de prijs kan worden bekomen in het kader
van verschillende procedures, volstaat het dat de schuldeisers
publique autorisée ou ordonnée. Cet appel a lieu par exploit
d’huissier ou courrier recommandé avec accusé de récep-
tion au moins huit jours avant le jour de la vente ou, en cas
d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant le jour
de l’ouverture des enchères; ou
2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la procédure
d’autorisation dans le cadre d’une vente de gré à gré. Cet
appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
Le présent paragraphe est également applicable à la vente
autorisée ou ordonnée sur saisie d’un immeuble qui appartient
en totalité ou pour partie au saisi, sauf en cas d’application de
l’article 1561, auquel cas la vente intervient dans le cadre d’une
liquidation-partage judiciaire conformément au paragraphe 3.
§ 2. Les ventes d’immeubles indivis qui appartiennent pour
partie au débiteur admis au règlement collectif de dettes, au
failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire par transfert
sous autorité de justice, à une personne morale en liquida-
tion qui a obtenu le bénéfice de la purge, à un mineur, à un
présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu de
l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée inca-
pable d’aliéner des immeubles, à une personne internée par
application de la loi sur la défense sociale, à une succession
vacante, à une succession acceptée sous bénéfice d’inven-
taire, et à d’autres personnes, emportent délégation du prix
au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont
été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation de la
vente. Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit
jours avant l’audience.
§ 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre d’une liqui-
dation-partage judiciaire, les règles spécifiques suivantes
sont d’application:
1° la vente publique emporte délégation de prix au profit des
créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés
par le notaire à suivre les opérations de vente. Cet appel a lieu
par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec accusé
de réception au moins huit jours avant le jour de la vente ou,
en cas d’enchères dématérialisées, au moins huit jours avant
le jour de l’ouverture des enchères;
2° la vente de gré à gré emporte délégation de prix au
profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont
été appelés par le greffe à la procédure d’autorisation, pour
autant que les parties venderesses se soient volontairement
soumises à la procédure d’autorisation visée à l’article 1193bis.
Cet appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours
avant l’audience.
§ 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la délégation
de prix peut être obtenue dans le cadre de différentes procé-
dures, il suffit que les créanciers énumérés au paragraphe 1er
113
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
opgesomd in paragraaf 1 werden opgeroepen bij één van deze
procedures om de zuivering te bewerkstelligen.
§ 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1, van
wie de inschrijving, overschrijving, registratie in het Pandregister
of kantmelding dateert van na de oproeping voorzien in para-
grafen 1 tot en met 3, brengen de verkopingen van onroerende
goederen eveneens van rechtswege overwijzing mee van de
prijs, zonder dat deze schuldeisers moeten worden opgeroepen.
§ 6. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder dat de
beschikking of het vonnis tot machtiging hieraan toegevoegd
dient te worden of overgeschreven moet worden.”
Art. 56. In artikel 1389bis/7 van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 29 mei 2000 en gewijzigd bij de wetten
van 27 maart 2006 en 14 januari 2013, in de Nederlandse
tekst, wordt het woord “eensluidend” opgeheven.
Art. 57. In artikel 1409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragrafen 1 en 1bis:
a) de woorden “35.000 frank” worden telkens vervangen
door de woorden “1706 euro”;
b) de woorden “32.000 frank” worden telkens vervangen
door de woorden “1560 euro”;
c) de woorden “29.000 frank” worden telkens vervangen
door de woorden “1414 euro”;
d) de woorden “27.000 frank” worden telkens vervangen
door de woorden “1316 euro”;
e) de woorden “50 euro” worden telkens vervangen door
de woorden “81 euro”.
2° in paragraaf 2:
a) in het eerste lid worden de woorden “en onverminderd
de toepassing van paragraaf 3” ingevoegd tussen de woorden
“Elk jaar” en de woorden “past de Koning”;
b) in het eerste lid worden de woorden “het indexcijfer
van de consumptieprijzen” vervangen door de woorden “de
afgevlakte gezondheidsindex”;
c) in het tweede lid worden de woorden “november 1989”
vervangen door de woorden “november 2022”;
d) in het tweede lid worden de woorden “dat van de maand
van de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de wet van
24 maart 2000 tot wijziging van de artikelen 1409, 1409bis,
1410 en 1411 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op
de aanpassing van het bedrag van het loon dat niet vatbaar is
voor overdracht of beslag” vervangen door de woorden “van
de maand november 2022”;
aient été appelés dans le cadre de l’une de ces procédures
pour obtenir la purge.
§ 5. Les ventes d’immeubles emportent également de plein
droit délégation de prix à l’égard des créanciers énumérés
au paragraphe 1er dont l’inscription, la transcription, l’enregis-
trement au Registre des gages ou la mention en marge sont
postérieurs à l’appel prévu aux paragraphes 1er à 3, sans que
ces créanciers doivent être appelés.
§ 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans qu’il
soit besoin d’y annexer et de transcrire l’ordonnance ou le
jugement d’autorisation.”
Art. 56. Dans l’article 1389bis/7 du même Code, inséré
par la loi du 29 mai 2000 et modifié par les lois du 27 mars
2006 et du 14 janvier 2013, dans le texte néerlandais, le mot
“eensluidend” est abrogé.
Art. 57. À l’article 1409 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans les paragraphes 1er et 1erbis:
a) les mots “35.000 F” sont chaque fois remplacés par les
mots “1706 euros”;
b) les mots “32.000 F” sont chaque fois remplacés par les
mots “1560 euros”;
c) les mots “29.000 F” sont chaque fois remplacés par les
mots “1414 euros”;
d) les mots “27.000 F” sont chaque fois remplacés par les
mots “1316 euros”;
e) les mots “50 euros” sont chaque fois remplacés par les
mots “81 euros”.
2° dans le paragraphe 2:
a) dans l’alinéa 1er, les mots “et sans préjudice de l’appli-
cation du paragraphe 3,” sont insérés entre les mots “Chaque
année,” et les mots “le Roi”;
b) dans l’alinéa 1er, les mots “des prix à la consommation”
sont remplacés par les mots “santé lissé”;
c) dans l’alinéa 2, les mots “de novembre 1989” sont rem-
placés par les mots “de novembre 2022”;
d) dans l’alinéa 2, les mots “de la publication au Moniteur
belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les articles 1409,
1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire, en vue d’adapter la
quotité non cessible ou non saisissable de la rémunération”
sont remplacés par les mots “de novembre 2022”;
3552/001
DOC 55
114
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
e) in het vierde lid worden de woorden “artikel 2, § 1, 1,
van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht
op een bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1 januari
van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot het ho-
gere duizendtal” vervangen door de woorden “artikel 14, § 1,
eerste lid, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht
op maatschappelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1
januari van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot
het hogere honderdtal”;
f) in het vijfde lid worden de woorden “Binnen de eerste
vijftien dagen van de maand” vervangen door de woorden
“Voor 31”;
3° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende:
“§ 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid bedoelde
aanpassing eveneens indien de stijging of daling van het
indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 % bedraagt ten
opzichte van de laatste aanpassing.
De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen de
maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden in
werking vanaf de eerste dag van de maand volgend op hun
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.”;
4° in paragraaf 3:
a) in het eerste lid worden de woorden “na advies van de
Nationale Arbeidsraad” vervangen door de woorden “bij een
in Ministerraad overlegd koninklijk besluit”;
b) het tweede lid wordt vervangen door twee leden, luidende:
“De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eerste dag
van de maand volgend op hun bekendmaking in het Belgisch
Staatsblad. Ze treden uit werking op de door de Koning be-
paalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31 december van
het jaar van hun inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na de
inwerkingtreding ervan.
Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, verricht
de Koning de in het tweede lid of in dit lid bedoelde aanpas-
sing. Indien de aanpassing geschiedt op basis van het tweede
lid, houdt hij rekening met het indexcijfer van de maand die
aan de aanpassing voorafgaat. De nieuwe bedragen treden
in werking op de eerste dag van de maand die volgt op hun
aanpassing.”
Art. 58. Artikel 1561, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
wordt aangevuld met de volgende zin:
“In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en volgende
van toepassing.”
Art. 59. In artikel 1580bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen door de wet van 11 augustus 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
e) dans l’alinéa 4, les mots “l’article 2, § 1er, 1°, de la loi
du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens
d’existence, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle
de l’adaptation, arrondi au millier supérieur” sont remplacés
par les mots “l’article 14, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 26 mai
2002 concernant le droit à l’intégration sociale, en vigueur au
1er janvier de l’année suivant celle de l’adaptation, arrondi au
centième supérieur”;
f) dans l’alinéa 5, les mots “Dans les quinze premiers jours
du mois de” sont remplacés par les mots “Avant le 31”;
3° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit:
“§ 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation prévue
au paragraphe 2 si en cours d’année l’augmentation ou la
diminution de l’indice dépasse 5 % par rapport à la dernière
adaptation.
Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois qui
suit l’augmentation ou la diminution. Ils entrent en vigueur le
1er jour du mois qui suit leur publication au Moniteur belge.”;
4° dans le paragraphe 3:
a) dans l’alinéa 1er, les mots “après avis du Conseil national
du travail” sont remplacés par les mots “par arrêté délibéré
en Conseil des ministres”;
b) l’alinéa 2 est remplacé par deux alinéas rédigés comme
suit:
“Les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour du
mois suivant leur publication au Moniteur belge. Ils cessent
d’être en vigueur à la date prévue par le Roi ou, à défaut, le
31 décembre de l’année de leur entrée en vigueur et au plus
tard un an à compter de leur entrée en vigueur.
Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en vigueur,
le Roi procède à l’adaptation prévue au paragraphe 2 ou
au présent paragraphe. Si l’adaptation a lieu sur la base du
paragraphe 2, il prend en compte l’indice du mois qui précède
l’adaptation; les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er
jour du mois qui suit leur adaptation.”
Art. 58. L’article 1561, alinéa 1er, du même Code, est com-
plété par la phrase suivante:
“Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants sont
d’application.”
Art. 59. À l’article 1580bis, alinéa 3, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
115
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen”
worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de inge-
schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krach-
tens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “laten
overschrijven” en de woorden “, de beslagene”.
Art. 60. In artikel 1580ter van hetzelfde Wetboek, vervan-
gen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt door
een deskundige aangewezen door de notaris die de ont-
werpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de Federale
Overheidsdienst Financiën met vermelding van de bestaande
inschrijvingen en alle overschrijvingen van een bevel of een
beslag betreffende de te verkopen onroerende goederen
evenals desgevallend het resultaat van de opzoeking na
raadpleging van het Pandregister.”;
2° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers, degenen” vervangen door de woorden “schuld-
eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desge-
vallend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,
de schuldeisers”;
3° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de
woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de beslagene”.
Art. 61. In artikel 1582, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen”
worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de inge-
schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld krach-
tens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden” worden ingevoegd tussen de woorden “doen
overschrijven” en de woorden “en de schuldenaar”.
Art. 62. In artikel 1639, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “in het kader van een insolventieprocedure of
in het kader van de vereffening van een onbeheerde of onder
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap”
worden vervangen door de woorden “van het onroerend goed
toebehorend aan een schuldenaar toegelaten tot de collectieve
1° les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés par
les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,
les créanciers”;
2° les mots “ou ceux qui ont fait mention en marge d’une
action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont
insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “, le
saisi et,”.
Art. 60. À l’article 1580ter du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
“Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert désigné
par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat de
l’Administration générale de la Documentation patrimoniale
du Service public fédéral Finances relatant les inscriptions
existantes et toute transcription de commandement ou de
saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus
ainsi que, le cas échéant, le résultat des recherches après
consultation du Registre des gages.”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits, ceux”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “, ainsi que le saisi”.
Art. 61. À l’article 1582, alinéa 3, du même Code, rem-
placé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont remplacés
par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre des gages,
les créanciers”;
2° les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une
action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil” sont
insérés entre les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi
que le débiteur”.
Art. 62. À l’article 1639, alinéa 2, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “intervenant dans le cadre d’une procédure
d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une” sont
remplacés par les mots “de l’immeuble appartenant à un
débiteur admis au règlement collectif de dettes, un failli, un
débiteur en réorganisation judiciaire par transfert sous autorité
3552/001
DOC 55
116
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
schuldenregeling, een gefailleerde, een schuldenaar in ge-
rechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk
gezag, een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van
de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een onder
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap”;
2° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden
vervangen door de woorden “schuldeisers, de bijzonder bevoor-
rechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister
geregistreerde schuldeisers”;
3° de zin “De gelden die toekomen aan de schuldeiser
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een
rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing
of een akkoord tussen partijen.” wordt ingevoegd tussen de
eerste en de tweede zin.
Art. 63. In het deel V, titel III, hoofdstuk VIII van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 1639/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 1639/1. Indien één van de verkopingen vermeld in arti-
kel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft, moet er per
mede-eigenaar een rangregeling worden opgemaakt als volgt:
1° een volledige rangregeling voor het aandeel toebeho-
rend aan een beslagene, een minderjarige, een vermoedelijk
afwezige, een beschermde persoon die krachtens artikel 492/1
van het oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard
om onroerende goederen te vervreemden, aan een persoon
die geïnterneerd is ingevolge de wet op de bescherming
van de maatschappij of aan de partijen in een gerechtelijke
vereffening-verdeling;
2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in artikel 1639,
tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan een schuldenaar
toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, een gefail-
leerde, een schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door
overdracht onder gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in
vereffening die het voordeel van de zuivering heeft bekomen,
een onbeheerde nalatenschap of een nalatenschap aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving;
3° een semi verkorte rangregeling voor het aandeel toebe-
horend aan de mede-eigenaar die niet vermeld wordt onder 1°
en 2°. Deze rangregeling beperkt zich tot de betaling van de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de bijzonder bevoor-
rechte schuldeisers en desgevallend de in het Pandregister
geregistreerde schuldeisers, evenals tot betaling van de
sociale en fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving
hebben verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort op een
rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare beslissing
of een akkoord tussen partijen.
De schuldvordering die kan worden verhaald op meerdere
onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend naar verhouding
met het zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk van hen,
zonder afbreuk te doen aan het ondeelbare karakter van de
hypotheek.
de justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu
le bénéfice de la purge ou une”;
2° les mots “et privilégiés spéciaux” sont remplacés par les
mots “inscrits, des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas
échéant, des créanciers enregistrés au Registre des gages”;
3° la phrase “Les fonds revenant au créancier ayant fait men-
tion en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243
du Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant
une décision exécutoire ou un accord entre les parties.” est
insérée entre la première et la deuxième phrase.
Art. 63. Dans la cinquième partie, titre III, chapitre VIII du
même Code, il est inséré un article 1639/1 rédigé comme suit:
“Art. 1639/1. Si l’une des ventes mentionnées à l’article 1326
concerne un immeuble indivis, un ordre par copropriétaire doit
être établi en procédant comme suit:
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi, un
mineur, un présumé absent, une personne protégée qui, en
vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée
incapable d’aliéner des immeubles, une personne internée
par application de la loi sur la défense sociale ou aux parties
dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639, alinéa 2,
pour la part revenant à un débiteur admis au règlement collectif
de dettes, un failli, un débiteur en réorganisation judiciaire
par transfert sous autorité de justice, une personne morale
en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge, une suc-
cession vacante ou une succession acceptée sous bénéfice
d’inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un copro-
priétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se limite au
payement des créanciers hypothécaires inscrits, des créan-
ciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des créanciers
enregistrés au Registre des gages ainsi qu’au payement des
créanciers fiscaux et sociaux qui ont envoyé une notification
à temps. Les fonds revenant au créancier ayant fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil, sont versés sur un compte rubriqué en attendant
une décision exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l’encontre de plusieurs
copropriétaires indivis, est imputée en proportion de la part
de droits réels qui revient à chacun d’entre eux, sans porter
préjudice au caractère indivisible de l’hypothèque.
117
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een mede-
eigendom die betrekking heeft op een juridisch geheel van
goederen, worden eerst de gemeenschappelijke schulden
van deze mede-eigendom in rekening genomen in de rang-
regeling. Nadat vervolgens het netto-aandeel van elk van
de deelgenoten werd bepaald, worden de eigen schulden in
rekening genomen in de rangregeling zoals voorzien in het
eerste lid. Indien de mede-eigendom die betrekking heeft op
het juridisch geheel van goederen reeds was ontbonden, kan
deze laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwik-
keling van deze mede-eigendom.”
Art. 64. In artikel 1653, derde lid, van hetzelfde Wetboek
worden de woorden “die ten laste van de beslagene op het
toegewezen goed bestaan, ambtshalve doorgehaald” ver-
vangen door de woorden “ten laste van de eigenaar of van
alle mede-eigenaars op het verkochte goed ambtshalve
doorgehaald voor zover de notaris verklaart dat de bepalingen
van artikel 1326 werden nageleefd. Dit getuigschrift laat even-
eens de doorhaling toe van een nog bestaande inschrijving
of overschrijving lastens de rechtsvoorgangers. Indien een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek werd gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding
verricht die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit
getuigschrift.”
Art. 65. In artikel 1675/4, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij de wet
van 14 oktober 2018, worden de woorden “zijn rijksregister-
nummer en” opgeheven.
Art. 66. In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van
15 april 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden “, bevoor-
rechte schuldeisers en beslagleggende schuldeiser” vervangen
door de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregis-
treerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de
schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243
van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”;
2° in paragraaf 2, vijfde lid, in de Nederlandse tekst, wordt
het woord “zekerheid” vervangen door het woord “zeker”.
Art. 67. In de Nederlandse tekst van artikel 1675/9, § 4,
van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998
en vervangen bij de wet van 26 maart 2013, wordt het woord
“tenministe” vervangen door het woord “tenminste”.
Art. 68. In artikel 1675/10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van
14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2/1 wordt het woord
“geachtualiseerde” vervangen door het woord “geactualiseerde”;
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “of wet-
telijk samenwonende” ingevoegd tussen de woorden “diens
echtgenoot” en de woorden “, en de schuldeisers”.
Si l’immeuble fait partie d’une copropriété portant sur
un ensemble juridique de biens, les dettes communes à
cette copropriété sont reprises en premier lieu dans l’ordre.
Ensuite, après la détermination de la part nette de chacun des
indivisaires, les dettes propres sont prises en compte dans
l’ordre tel que prévu à l’alinéa 1er. Si la copropriété portant
sur l’ensemble juridique de biens a déjà été dissoute, cette
dernière étape ne peut être entamée qu’après le règlement
complet de cette copropriété.”
Art. 64. Dans l’article 1653, alinéa 3, du même Code,
les mots “à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées
d’office” sont remplacés par les mots “à charge du propriétaire
ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées
d’office, pour autant que le notaire déclare que les conditions
de l’article 1326 ont été respectées. Ce certificat permet éga-
lement la radiation des inscriptions ou transcriptions existant
encore à charge des titulaires précédents. Si une action est
inscrite en marge en vertu de l’article 5.243 du Code civil,
une nouvelle mention marginale est inscrite qui fait état de la
vente purgeante et de ce certificat.”
Art. 65. Dans l’article 1675/4, § 2, 2°, du même Code, inséré
par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 14 octobre 2018,
les mots “son numéro de registre national et” sont abrogés.
Art. 66. À l’article 1675/7 du même Code, inséré par la loi
du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du 15 avril
2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “, privilégiés
inscrits et le créancier saisissant” sont remplacés par les mots
“inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les
créanciers enregistrés au Registre des gages, le créancier
saisissant et les créanciers qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, dans le texte néerlandais,
le mot “zekerheid” est remplacé par le mot “zeker”.
Art. 67. Dans le texte néerlandais de l’article 1675/9, § 4,
du même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1995 et remplacé
par la loi du 26 mars 2013, le mot “tenministe” est remplacé
par le mot “tenminste”.
Art. 68. À l’article 1675/10 du même Code, inséré par
la loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi du
14 janvier 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2/1, dans le texte néerlandais, le mot
“geachtualiseerde” est remplacé par le mot “geactualiseerde”;
2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “ou son coha-
bitant légal” sont insérés entre les mots “son conjoint” et les
mots “, et aux créanciers”.
3552/001
DOC 55
118
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 69. In artikel 1675/12, § 2, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd bij
de wet van 13 december 2005, worden de woorden “en zijn
gezin” ingevoegd tussen de woorden “van de schuldenaar”
en de woorden “te verzekeren”.
Art. 70. In artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de woor-
den “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de andere”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de
woorden “doen overschrijven” en de woorden “, ten minste”.
Art. 71. In artikel 1675/21 van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord
“aangestelde” telkens vervangen door het woord “functionaris”.
Art. 72. Artikel 1675/27 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 25 mei 2018, wordt vervangen als volgt:
“Art. 1675/27. § 1. De oprichtingskosten van het register
worden gefinancierd door de Federale Overheidsdienst Justitie.
De Koning bepaalt het bedrag, de toekenningsvoorwaarden,
de betalingsmodaliteiten en het beheer van en de controle op
de toelagen voor de oprichting van het register.
§ 2. De registratie, de raadpleging, de wijziging, de hernieu-
wing en de verwijdering van gegevens in het register alsook
het beheer van een dossier van collectieve schuldenregeling
kunnen aanleiding geven tot de inning van een jaarlijkse re-
tributie teneinde de kosten te dekken die veroorzaakt worden
door het beheer van het register. Deze retributie mag in geen
geval door de schuldenaar worden gedragen.
De retributies zijn betaalbaar aan en worden geïnd door
de beheerder.
Het bedrag, de voorwaarden en de nadere regels van de
inning van de retributie worden door de Koning na advies van
de beheerder bepaald.
De beheerder brengt elk jaar voor einde mei verslag uit
aan de ministers bevoegd voor Justitie en voor Economie
met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van het register.
Art. 69. À l’article 1675/12, § 2, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 13 dé-
cembre 2005, la deuxième phrase est complétée par les mots
“et de sa famille”.
Art. 70. À l’article 1675/14bis, § 2, du même Code, rem-
placé par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits” sont
remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages”;
2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “ainsi que les autres copropriétaires”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits” sont
remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “doivent être appelés”.
Art. 71. À l’article 1675/21 du même Code, inséré par la
loi du 25 décembre 2016, le mot “préposé” est chaque fois
remplacé par le mot “délégué”.
Art. 72. L’article 1675/27 du même Code, inséré par la loi
du 25 mai 2018, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 1675/27. § 1er. Les frais de mise en place du registre
sont financés par le Service public fédéral Justice. Le Roi
détermine le montant, les conditions d’octroi, les modalités de
paiement, la gestion et le contrôle des subventions relatives
à la mise en place du registre.
§ 2. L’enregistrement, la consultation, la modification, le
renouvellement et la suppression des données dans le registre
ainsi que la gestion d’un dossier de règlement collectif de
dettes peuvent donner lieu à la perception d’une redevance
annuelle afin de couvrir les coûts engendrés par la gestion du
registre. Cette redevance ne doit en aucun cas être supportée
par le débiteur.
Les redevances sont payables au gestionnaire et perçues
par ce dernier.
Le montant, les conditions et les modalités de perception
de la redevance sont déterminés par le Roi après avis du
gestionnaire.
Le gestionnaire fait rapport chaque année avant fin mai aux
ministres ayant la Justice et l’Économie dans leurs attributions
en ce qui concerne les revenus et les dépenses du registre.
119
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Het bedrag van de retributie bedoeld in paragraaf 2
wordt op de eerste januari van ieder jaar aan de hand van de
volgende formule van rechtswege aangepast aan de evolutie
van het indexcijfer van de consumptieprijzen: het nieuwe
bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met
het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het beginindexcijfer.
Het beginindexcijfer is dat van de maand december van
het jaar gedurende hetwelk het bedrag van de retributie is
vastgesteld. Het nieuwe indexcijfer is dat van de maand de-
cember van het jaar voorafgaand aan de eerste januari van
het jaar gedurende hetwelk de aanpassing gebeurt.
Het resultaat wordt op een eenheid naar boven afgerond.”
Hoofdstuk 4 - Wijzigingen van het Wetboek van de
Belgische nationaliteit
Art. 73. Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische na-
tionaliteit, gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, waarvan de
bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met
een paragraaf 2, luidende:
“§ 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals bedoeld
in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek, of van herroeping
van de adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot 354-3
van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt de geadopteerde
de Belgische nationaliteit.”
Art. 74. In artikel 23, § 5, van hetzelfde Wetboek wordt het
tweede lid vervangen als volgt:
“Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid worden
gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke zaken is
voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk Wetboek, eventueel
verlengd wegens de gerechtelijke vakantie, overeenkomstig
artikel 50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.”
Hoofdstuk 5 - Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot
invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde
Art. 75. In artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april
1995 tot invoering van het “handvest” van de sociaal verze-
kerde, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2005 wordt
een bepaling onder h) ingevoegd, luidende:
“h) de uitkeringen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 betref-
fende de oprichting van het statuut van nationale solidariteit,
de toekenning van een herstelpensioen en de terugbetaling
van medische zorg ingevolge daden van terrorisme;”
Hoofdstuk 6 - Wijzigingen van het Wetboek van eco-
nomisch recht
Art. 76. In artikel XX.44, § 3, tweede lid, 1°, van het Wetboek
van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 augustus
2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de
woorden “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
§ 3. Le montant de la redevance visée au paragraphe 2
est adapté de plein droit à l’évolution de l’indice des prix à
la consommation, le premier janvier de chaque année, selon
la formule suivante: le nouveau montant est égal au montant
de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l’indice
de départ.
L’indice de départ est celui du mois de décembre de l’année
au cours de laquelle le montant de la redevance visée a été
arrêté. Le nouvel indice est celui du mois de décembre de
l’année qui précède le premier janvier de l’année au cours
de laquelle l’adaptation a lieu.
Le résultat est arrondi à l’unité supérieure.”
Chapitre 4 - Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 73. L’article 9 du Code de la nationalité belge, modi-
fié par la loi du 18 juin 2018, dont le texte actuel formera le
paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé
comme suit:
“§ 2. En cas de révision de l’adoption, telle que prévue à
l’article 351 de l’ancien Code civil, ou de révocation de l’adop-
tion, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de l’ancien
Code civil, l’adopté conserve la nationalité belge.”
Art. 74. Dans l’article 23, § 5, du même Code, l’alinéa 2
est remplacé par ce qui suit:
“L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée
dans le délai prévu, en matière civile, à l’article 1048 du Code
judiciaire, éventuellement prolongé en raison des vacances
judiciaires, conformément à l’article 50, alinéa 2 du Code
judiciaire.”
Chapitre 5 - Modification de la loi du 11 avril 1995 visant
à instituer “la charte” de l’assuré social
Art. 75. Dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril
1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré social, modifié
en dernier lieu par la loi du 10 mars 2005 il est inséré un h)
rédigé comme suit:
“h) les prestations visées dans la loi du 18 juillet 2017 relative
à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi d’une
pension de dédommagement et au remboursement des soins
médicaux à la suite d’actes de terrorisme;”
Chapitre 6 - Modifications du Code de droit économique
Art. 76. Dans l’article XX.44, § 3, alinéa 2, 1°, du Code de
droit économique, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié
par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le
créancier saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant
3552/001
DOC 55
120
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslag-
leggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering
ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek
hebben laten kantmelden”.
Art. 77. In artikel XX.51, § 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en ge-
wijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “en
bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en
de schuldenaar” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de beslag-
leggende schuldeiser en de schuldeisers die een vordering
ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek
hebben laten kantmelden en de schuldenaar.”
Art. 78. In artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten van
15 april 2018 en 11 juli 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden “, op-
gemaakt door de deskundige aangewezen door de notaris
die de ontwerpakte heeft opgesteld,” ingevoegd tussen de
woorden “een schattingsverslag” en de woorden “evenals
een getuigschrift”;
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers, evenals zij” vervangen door de woorden
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers,
desgevallend de in het Pandregister geregistreerde schuld-
eisers, de schuldeisers”;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “,
moeten ten minste”;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
5° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “,
alsook de schuldenaar”;
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden “,
evenals de schuldenaar”.
et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil”.
Art. 77. Dans l’article XX.51, § 3, alinéa 2, 1°, du même
Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi
15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créancier saisis-
sant et le débiteur” sont remplacés par les mots “inscrits, les
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, le créancier saisissant
et les créanciers qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil et le débiteur.”
Art. 78. À l’article XX.88 du même Code, inséré par la loi
du 11 août 2017 et modifié par les lois du 15 avril 2018 et du
11 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “, établi par
l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte,”
sont insérés entre les mots “un rapport d’expertise” et les
mots “ainsi qu’un certificat”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ou privilégiés
inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “et ceux qui
ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un
exploit de saisie” et les mots “, doivent être appelés”;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “ou privilégiés
inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés
au Registre des gages”;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et ceux qui
ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un
exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “ou privilégiés
inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés
au Registre des gages,”;
7° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “et ceux qui
ont fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots “un
exploit de saisie” et les mots “ainsi que le débiteur”.
121
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 79. In artikel XX.120, § 1, vierde lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en ge-
wijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “of
geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers,
de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de woorden
“hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister geregis-
treerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en de
schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243
van het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”.
Art. 80. In artikel XX.193, § 2, van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de
woorden “doen overschrijven” en de woorden “, alsook de
gefailleerde”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd tussen de
woorden “doen overschrijven” en de woorden “, evenals de
gefailleerde”.
Hoofdstuk 7 - Wijziging van de wet van 19 maart 2017
tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand
Art. 81. Artikel 5, § 2, van de wet 19 maart 2017 tot oprichting
van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand
wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde bijdrage
wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Zij treedt
in werking op de eerste werkdag van de tweede maand na
de in het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van
de consumptieprijzen.”
Hoofdstuk 8 - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Art. 82. In de Nederlandse tekst van artikel 1.8, § 5, van
het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april
2022, wordt het woord “heeft” ingevoegd tussen de woorden
“hoeven te zijn, ertoe” en de woorden “bijgedragen de schijn”.
Art. 79. À l’article XX.120, § 1er, alinéa 4, du même Code,
inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi du 15 avril
2018, les mots “privilégiés inscrits ou enregistrés, le créancier
saisissant” sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au
Registre des gages, le créancier saisissant et les créanciers
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur base
de l’article 5.243 du Code civil”.
Art. 80. À l’article XX.193, § 2, du même Code, inséré par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont
remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages,”;
2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “ainsi que le failli”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,” sont
remplacés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages,”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur la base de l’article 5.243 du
Code civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “ainsi que le failli”.
Chapitre 7 - Modification de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique
de deuxième ligne
Art. 81. L’article 5, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant
un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne,
est complété par l’alinéa suivant:
“Le nouveau montant de la contribution visée au para-
graphe 1er est publié par avis au Moniteur belge. Il entre
en vigueur le 1er jour ouvrable du deuxième mois qui suit le
changement de l’indice des prix à la consommation visé à
l’alinéa 1er.”
Chapitre 8 - Modification du Code civil
Art. 82. Dans le texte néerlandais de l’article 1.8, § 5, du
Code civil, inséré par la loi du 28 avril 2022, le mot “heeft”
est inséré entre les mots “hoeven te zijn, ertoe” et les mots
“bijgedragen de schijn”.
3552/001
DOC 55
122
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hoofdstuk 9 - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019
houdende diverse bepalingen inzake informatisering
van Justitie, modernisering van het statuut van rechters
in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank
Art. 83. In artikel 32, 1°, van de wet van 5 mei 2019 hou-
dende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie,
modernisering van het statuut van rechters in ondernemings-
zaken en inzake de notariële aktebank worden de woorden
“middels het centraal register collectieve schuldenregeling
bedoeld in artikel 1675/20” opgeheven.
Art. 84. In dezelfde wet wordt een artikel 32/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 32/1. In artikel 1390quater, § 1, tweede lid, van het-
zelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, worden
de woorden “middels het centraal register collectieve schul-
denregeling bedoeld in artikel 1675/20” ingevoegd tussen
de woorden “de griffier” en de woorden “aan het bestand”.”
Art. 85. In artikel 36, 2°, van dezelfde wet worden de
woorden “de rechtbanken” vervangen door de woorden “van
de rechtbanken en van de hoven”.
Art. 86. In de Nederlandse tekst van artikel 37, 1°, van
dezelfde wet wordt het woord “mee” ingevoegd tussen de
woorden “de schrapping” en de woorden “van de vorderingen”.
Art. 87. In de Nederlandse tekst van artikel 39 van dezelfde
wet worden de woorden “na de uitspraak” ingevoegd tussen de
woorden “binnen de drie dagen” en de woorden “kennis van”.
Art. 88. In artikel 40 van dezelfde wet, in artikel 1675/9 van
het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° de bepaling onder a) wordt vervangen als volgt:
“a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Uiterlijk vijf dagen na de uitspraak van de beschikking
van toelaatbaarheid moet de griffier deze ter kennis brengen van:
1° de verzoeker en zijn echtgenoot of de wettelijk samen-
wonende, onder toevoeging van de tekst van artikel 1675/7
en, in voorkomend geval, aan zijn raadsman;
2° de schuldeisers en de personen die een persoonlijke
zekerheid hebben gesteld onder toevoeging van de tekst van
paragraaf 2 van dit artikel, alsook van de tekst van artikel 1675/7
en, in voorkomend geval, van een formulier van aangifte van
schuldvordering;
3° de schuldbemiddelaar;
4° de betrokken schuldenaars onder toevoeging van de tekst
van artikel 1675/7. Zij worden ervan op de hoogte gebracht
dat iedere betaling, vanaf ontvangst van de beschikking, op
een door de schuldbemiddelaar daartoe geopende rekening
moet worden gestort, waarop alle betalingen aan de verzoeker
Chapitre 9 - Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant
dispositions diverses en matière d’informatisation de la
Justice, de modernisation du statut des juges consulaires
et relativement à la banque des actes notariés
Art. 83. À l’article 32, 1°, de la loi du 5 mai 2019 portant
dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice,
de modernisation du statut des juges consulaires et relative-
ment à la banque des actes notariés, les mots “, au moyen
du registre central des règlements collectifs de dettes prévu
à l’article 1675/20” sont abrogés.
Art. 84. Dans la même loi, il est inséré un article 32/1
rédigé comme suit:
“Art. 32/1. Dans l’article 1390quater, § 1er, alinéa 2, du même
Code, inséré par la loi du 5 mai 2019, la phrase est complétée
par les mots “, au moyen du registre central des règlements
collectifs de dettes prévu à l’article 1675/20”.”
Art. 85. À l’article 36, 2°, de la même loi, les mots “des
juridictions” sont remplacés par les mots “des tribunaux et
des cours”.
Art. 86. À l’article 37, 1°, de la même loi, dans le texte néer-
landais, le mot “mee” est inséré entre les mots “de schrapping”
et les mots “van de vorderingen”.
Art. 87. À l’article 39 de la même loi, dans le texte néerlan-
dais, les mots “na de uitspraak” sont insérés entre les mots
“binnen de drie dagen” et les mots “kennis van”.
Art. 88. À l’article 40 de la même loi, à l’article 1675/9 du
Code judiciaire les modifications suivantes sont apportées:
1° le a) est remplacé par ce qui suit:
“a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
“§ 1er. Dans les cinq jours du prononcé de la décision
d’admissibilité, celle-ci est notifiée par le greffier:
1° au requérant et à son conjoint ou au cohabitant légal,
en y joignant le texte de l’article 1675/7, et le cas échéant, à
son conseil;
2° aux créanciers et aux personnes qui ont constitué une
sûreté personnelle en y joignant le texte du paragraphe 2 du
présent article ainsi que le texte de l’article 1675/7 et, le cas
échéant, un formulaire de déclaration de créance;
3° au médiateur de dettes;
4° aux débiteurs concernés en y joignant le texte de l’ar-
ticle 1675/7, et en les informant que dès la réception de la
décision, tout paiement doit être versé sur un compte, ouvert
à cet effet par le médiateur de dettes et sur lequel sont versés
tous les paiements faits au requérant. Le médiateur de dettes
123
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
worden gestort. De schuldbemiddelaar stelt de verzoeker in
staat doorlopend te worden geïnformeerd over de rekening,
de verrichtingen erop en het saldo ervan.
De griffie deelt zowel de nadere regels van inschrijving
in het register bedoeld in artikel 1675/20 als de tekst van
artikel 1675/15bis, § 1, mee.”;
2° de bepaling onder b) wordt opgeheven;
3° het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder e),
luidende:
“e) in de Nederlandse tekst van paragraaf 4 worden de
woorden “1409 et 1412” vervangen door de woorden “1409
tot 1412”.”
Art. 89. In artikel 45 van dezelfde wet, in artikel 1675/15bis,
§ 1, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de volgende wij-
zigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden “rechtbank, met
inbegrip van de griffie” vervangen door de woorden “rechtbank
of het hof, met inbegrip van hun griffies”;
2° in het tweede lid, worden de woorden “schuldbemiddelaar
de eerste mededeling” vervangen door de woorden “griffier de
eerste kennisgeving”, worden de woorden “schuldbemiddelaar
over tot de mededeling overeenkomstig artikel 1675/16, § 4”
vervangen door de woorden “griffier over tot de kennisgeving
overeenkomstig artikel 1675/16, § 2, 1°” en wordt het woord
“drie” vervangen door het woord “vijf”.
Art. 90. In artikel 46 van dezelfde wet worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in de bepaling onder b) wordt het woord “De” vervangen
door de woorden “de beschikking van toelaatbaarheid bedoeld
in artikel 1675/9, § 1, 1°, 2° en 4°, en de”;
2° in de bepaling onder e) worden de woorden “in arti-
kel 1675/9, § 1bis, 1°, 2° en 4°, en § 3,” opgeheven, worden
de woorden “16bis” in de Nederlandse tekst vervangen door
de woorden “1675/16bis” en worden de woorden “een ter post
aangetekende brief met ontvangstbewijs” vervangen door de
woorden “aangetekende zending”;
3° in de bepaling onder f) worden de woorden “en § 3”
ingevoegd tussen de woorden “artikel 1675/9, § 2” en de
woorden “, gebeuren hetzij”.
Art. 91. Artikel 52 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
“§ 1. Met uitzondering van de kennisgevingen, mededelin-
gen en neerleggingen die overeenkomstig artikel 1675/15bis,
§ 1, van het Gerechtelijk Wetboek middels het register ge-
beuren, alsook de wijzigingen aangebracht in artikel 1675/16
en artikel 1675/16bis van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de
wijzigingen aangebracht bij deze titel slechts van toepassing
met le requérant en mesure d’être informé continuellement
relativement au compte, aux opérations effectuées sur ce
compte et au solde de ce compte.
Le greffe communique les modalités d’inscription dans
le registre visé à l’article 1675/20 ainsi que le texte de l’ar-
ticle 1675/15bis, § 1er.”;
2° le b) est abrogé;
3° l’article est complété par le e), rédigé comme suit:
“e) dans le paragraphe 4, dans le texte néerlandais, les mots
“1409 et 1412” sont remplacés par les mots “1409 tot 1412”.”
Art. 89. À l’article 45 de la même loi, dans l’article 1675/15bis,
§ 1er, du Code judiciaire, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, 1°, les mots “tribunal, en ce compris le
greffe” sont remplacés par les mots “tribunal ou la cour, en
ce compris leurs greffes”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “médiateur de dettes effectue
la première communication” sont remplacés par les mots
“greffier effectue la première notification”, les mots “média-
teur de dettes procède à la communication conformément à
l’article 1675/16, § 4” sont remplacés par les mots “greffier
procède à la notification conformément à l’article 1675/16,
§ 2, 1°” et le mot “trois” est remplacé par le mot “cinq”.
Art. 90. Dans l’article 46 de la même loi, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans le b), les mots “la décision d’admissibilité visée
à l’article 1675/9, § 1er, 1°, 2° et 4°, et” sont insérés entre les
mots “1°” et les mots “la décision”;
2° dans le e), les mots “à l’article 1675/9, § 1erbis, 1°, 2°
et 4° et § 3,” sont abrogés, les mots “16bis” sont remplacés,
dans le texte néerlandais, par les mots “1675/16bis” et les
mots “lettre recommandée, avec accusé de réception” sont
remplacés par les mots “envoi recommandé”;
3° dans le f), les mots “et § 3” sont insérés entre les mots
“article 1675/9, § 2” et les mots “, ont lieu”.
Art. 91. L’article 52 de la même loi est remplacé par ce
qui suit:
“§ 1er. À l’exception des notifications, communications et
dépôts qui s’effectuent au moyen du registre, conformément
à l’article 1675/15bis, § 1er, du Code judiciaire, ainsi que des
modifications apportées dans les articles 1675/16 et 1675/16bis
du Code judiciaire, les modifications apportées par le présent
titre ne s’appliquent qu’aux procédures de règlement collectif
3552/001
DOC 55
124
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
op de procedures van collectieve schuldenregeling waarvan
de beschikking van toelaatbaarheid wordt uitgesproken na
de inwerkingtreding van deze titel.
In afwijking van het eerste lid, zullen de papieren stukken
uitgaande van de categorieën van personen bedoeld in arti-
kel 1675/15bis, § 1, 6° tot 8°, van het Gerechtelijk Wetboek,
die op andere wijzen worden meegedeeld of neergelegd dan
via het register, gedurende zes maanden na de inwerkingtre-
ding van deze titel worden omgezet naar elektronische vorm,
gelijkvormig verklaard en opgeladen in het register bedoeld
in artikel 1675/20 van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. Voor de procedures van collectieve schuldenregeling
waarvoor de beschikking van toelaatbaarheid reeds was
uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze titel, wordt
de eerste kennisgeving door de griffier in artikel 1675/15bis,
§ 1, tweede lid, begrepen als de eerste mededeling door de
schuldbemiddelaar en dient deze mededeling bij gebrek aan
bevestiging van inschrijving binnen drie werkdagen te gebeuren
overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.”
Art. 92. In dezelfde wet wordt een artikel 53/1 ingevoegd,
luidende:
“In afwijking op artikel 53, treedt artikel 32/1 in werking op
de door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 januari
2025.”
Hoofdstuk 10 - Wijziging van de wet van 16 oktober
2022 tot oprichting van het Centraal register voor de
beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de
bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van
de assisenprocedure betreffende de wraking van de
gezworenen
Art. 93. In artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 oktober
2022 tot oprichting van het Centraal register voor de beslissin-
gen van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking
van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure
betreffende de wraking van de gezworenen worden de woorden
“hoofdstuk 2 en de artikelen 9, 10, 13 en 18” vervangen door de
woorden “titel II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19”.
Hoofdstuk 11 - Wijziging van de wet van 22 november
2022 tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het
notarisambt, tot invoering van een tuchtraad voor de no-
tarissen en de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk
Wetboek en diverse bepalingen
Art. 94. In artikel 83 van de wet van 22 november 2022 tot
wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt,
tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge-
rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse
bepalingen, in artikel 535, zesde lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, worden de woorden “de kamer van notarissen, het
auditoraat bij de Nationale Kamer van notarissen” vervangen
door de woorden “het auditoraat bij de Nationale Kamer van
Gerechtsdeurwaarders”.
de dettes dont la décision d’admissibilité est prononcée après
l’entrée en vigueur du présent titre.
Par dérogation à l’alinéa 1er, les pièces papier émises par
les catégories des personnes visées à l’article 1675/15bis,
§ 1er, 6° à 8°, du Code judiciaire, qui sont communiquées ou
déposées par d’autres voies que le registre, sont, durant six
mois après l’entrée en vigueur du présent titre, converties
sous format électronique, déclarées conformes et chargées
dans le registre visé à l’article 1675/20 du Code judiciaire.
§ 2. Pour les procédures de règlement collectif de dettes pour
lesquels la décision d’admissibilité avait déjà été prononcée
avant l’entrée en vigueur du présent titre, la première notifi-
cation par le greffier dans l’article 1675/15bis, § 1er, alinéa 2,
est comprise comme étant la première communication par le
médiateur de dettes, et en l’absence d’une confirmation de
l’inscription dans les trois jours ouvrables, cette communication
doit avoir lieu conformément à l’article 1675/16, § 4.”
Art. 92. Dans la même loi, il est inséré un article 53/1
rédigé comme suit:
“Par dérogation à l’article 53, l’article 32/1 entre en vigueur
à la date fixée par le Roi, et au plus tard le 1er janvier 2025.”
Chapitre 10 - Modification de la loi du 16 octobre 2022
visant la création du Registre central pour les décisions
de l’ordre judiciaire et relative à la publication des juge-
ments et modifiant la procédure d’assises relative à la
récusation des jurés
Art. 93. Dans l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre
2022 visant la création du Registre central pour les décisions
de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements
et modifiant la procédure d’assises relative à la récusation
des jurés, les mots “chapitre 2 et des articles 9, 10, 13 et
18” sont remplacés par les mots “titre II, chapitre 1er et les
articles 9, 10, 13 et 19”.
Chapitre 11 - Modification de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant
organisation du notariat, introduisant un conseil de dis-
cipline pour les notaires et les huissiers de justice dans
le Code judiciaire et des dispositions diverses
Art. 94. Dans l’article 83 de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant orga-
nisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour
les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire
et des dispositions diverses, à l’article 535, alinéa 6, du Code
judiciaire, les mots “la chambre des notaires, à l’auditorat de la
Chambre nationale des notaires” sont remplacés par les mots
“l’auditorat de la Chambre nationale des huissiers de justice”.
125
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 95. In de Nederlandse tekst van artikel 103 van dezelfde
wet, in artikel 555/5bis, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, worden de woorden “van de aan het tuchtrecht van de
onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders” vervangen
door de woorden “van de personen die aan het tuchtrecht van
de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”.
Hoofdstuk 12 - Wijziging van de wet van 14 maart 2023
tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783
van het Europees Parlement en de Raad van 25 november
2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten
van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in
burgerlijke en handelszaken, en van Verordening (EU)
2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van
25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving
in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken
Art. 96. In de Franse tekst van artikel 7, eerste lid, van
de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van
Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samen-
werking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied
van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en van
Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en
de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitenge-
rechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, worden
de woorden “les juges belges peuvent” vervangen door de
woorden “la juridiction peut”.
Hoofdstuk 13 - Overgangsbepalingen
Art. 97. De artikelen 43 tot 52, 55, 58 tot 64, 66, 70 en 76
tot 80 zijn enkel van toepassing op de verkoopprocedures
waarbij het verzoek tot machtiging, die aanleiding geeft tot de
zuiverende verkoop, wordt neergelegd vanaf de inwerkingtre-
ding van voornoemde artikelen of waarbij de oproeping van
de schuldeisers om de verkoopsverrichtingen te volgen, die
aanleiding geeft tot de zuiverende verkoop, plaatsvindt vanaf
de inwerkingtreding van deze wet.
Art. 98. Magistraten die bij de inwerkingtreding van deze
wet zitting hebben in een kamer van minnelijke schikking zijn
vrijgesteld van de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding
georganiseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing
naar bemiddeling of een ermee gelijkgestelde opleiding.
Art. 99. Onverminderd de reeds bestaande kamers voor
minnelijke schikking, is de oprichting van nieuwe kamers
voor minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken
opgesplitst in kamers facultatief tot 1 september 2025.
Hoofdstuk 14 - Inwerkingtreding
Art. 100. De artikelen 2 tot 12 treden in werking op de
eerste dag van de derde maand na de bekendmaking van
deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Art. 101. De artikelen 24 tot 26 treden in werking op 1 sep-
tember 2023.
Art. 95. Dans le texte néerlandais de l’article 103 de la même
loi, à l’article 555/5bis, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire, les
mots “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen notaris-
sen en gerechtsdeurwaarders” sont remplacés par les mots
“van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen
en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”.
Chapitre 12 - Modification de la loi du 14 mars 2023 met-
tant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783
du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020
relatif à la coopération entre les juridictions des États
membres dans le domaine de l’obtention des preuves
en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE)
2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 no-
vembre 2020 relatif à la signification et à la notification
dans les États membres des actes judiciaires et extraju-
diciaires en matière civile ou commerciale
Art. 96. Dans l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023
mettant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783
du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020
relatif à la coopération entre les juridictions des États membres
dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile
ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement
européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signi-
fication et à la notification dans les États membres des actes
judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale,
les mots “les juges belges peuvent” sont remplacés par les
mots “la juridiction peut”.
Chapitre 13 - Dispositions transitoires
Art. 97. Les articles 43 à 52, 55, 58 à 64, 66, 70 et 76 à
80 s’appliquent uniquement aux procédures de vente dans le
cadre desquelles la requête en autorisation qui donne lieu à
la vente purgeante est déposée à partir de l’entrée en vigueur
des articles précités ou l’appel des créanciers à suivre les
opérations de vente, qui donne lieu à la vente purgeante, est
effectué à partir de l’entrée en vigueur de cette loi.
Art. 98. Les magistrats qui siègent dans une chambre de
règlement à l’amiable au moment de l’entrée en vigueur de la
présente loi sont dispensés de suivre la formation organisée
par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi
en médiation ou une formation équivalente.
Art. 99. Sans préjudice des chambres de règlement à
l’amiable déjà existantes, la création de nouvelles chambres
de règlement à l’amiable au sein des cours et tribunaux répartis
en division est facultative jusqu’au 1er septembre 2025.
Chapitre 14 - Entrée en vigueur
Art. 100. Les articles 2 à 12 entrent en vigueur le premier
jour du troisième mois qui suit celui de la publication de la
présente loi au Moniteur belge.
Art. 101. Les articles 24 à 26 entrent en vigueur le 1er sep-
tembre 2023.
3552/001
DOC 55
126
1 / 9
Analyse d'impact de la réglementation
RiA-AiR
:: Remplissez de préférence le formulaire en ligne ria-air.fed.be
:: Contactez le Helpdesk si nécessaire ria-air@premier.fed.be
:: Consultez le manuel, les FAQ, etc. www.simplification.be
Fiche signalétique
Auteur .a.
Membre du Gouvernement compétent
Ministre de la Justice
Contact cellule stratégique (nom, email,
tél.)
Biagio Zammitto, biagio@teamjustitie.be, +32 498 81 37 35
Administration compétente
SPF Justice
Contact administration (nom, email, tél.)
Caroline Kinard, caroline.kinard@just.fgov.be, 02 542 67 53
Projet .b.
Titre du projet de réglementation
Avant-projet de loi portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire
Description succincte du projet de
réglementation en mentionnant l'origine
réglementaire (traités, directive, accord de
coopération, actualité, …), les objectifs
poursuivis et la mise en œuvre.
Cet avant-projet de loi vise à prendre un certain nombre de mesures diverses en
matière de droit civil et de droit judiciaire et à apporter des modifications dans
diverses lois qui relèvent de la compétence du département de la Justice : (1) Les
dispositions relatives au nom (articles 2 à 12) sont liées aux différents arrêts
récents de la Cour constitutionnelle et à certaines difficultés rencontrées par les
officiers de l’état civil. Le projet prévoit en son article 13 un mécanisme de
consentement de remplacement pour une conversion en adoption plénière en
raison d’un arrêt récent de la Cour constitutionnelle. L’article 14 clarifie les
compétences de l’administrateur de la personne protégée prolongées après le
décès de la personne concernée qui étaient sujettes à des interprétations
diverses. (2) L’article 23 du Code judiciaire est modifié afin de codifier le principe
d’« extension de l’effet positif de la chose jugée » au profit du tiers à une
décision de justice contre une partie à cette décision. (3) Les modifications du
Code judiciaire concernant les chambres de règlement à l’amiable prévoient la
possibilité de créer de telles chambres auprès de toutes les juridictions civiles et
commerciales sur le modèle des chambres de règlement à l’amiable du tribunal
de la famille instauré en 2014. (4) Les modifications du Code judiciaire relatives à
l’aide juridique de deuxième ligne visent à optimaliser le fonctionnement du
contrôle interne de qualité effectué sur les prestations accomplies par les
avocats et à modifier la règle concernant le calcul des coûts liés à l'organisation
des bureaux d’aide juridique sur la base des besoins réels. (5) La modification
apportée à l’article 1409 du Code judiciaire vise à permettre une adaptation plus
souple des montants insaisissables afin de mieux faire face aux périodes de
crises susceptibles d’impacter les revenus des ménages belges. (6) Afin de
résoudre certains problèmes pratiques liés à la purge d’immeubles, le projet
modifie plusieurs articles du Code judiciaire et du Code de droit économique. (7)
Dans le cadre de la procédure de règlement collectif des dettes, l'optimisation de
la procédure permet de réaliser des gains d'efficacité supplémentaires. La
réglementation détaillée du régime transitoire permet d'ores et déjà l'utilisation
du registre dans les procédures en cours. La tierce opposition contre la décision
d’admissibilité est garantie et une base légale est créée pour la perception d'une
redevance destinée à couvrir les frais de gestion du registre. (8) La modification
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
127
3552/001
DOC 55
2 / 9
de l’article 780/1 du Code judiciaire précise que la fiche informative peut être
ajoutée à la copie certifiée conforme du jugement. (9) Le projet insère un article
1094/2 dans la Code judiciaire pour réparer la violation constatée par la Cour
européenne des droits de l’Homme dans l’arrêt du 16 février 2021 ‘Vermeersch
c/ la Belgique'. La Cour a constaté une violation de l’article 6, § 1er, de la
Convention de sauvegarde des droits de l’homme et des libertés fondamentales
déduite de l’existence dans les dispositions du Code judiciaire réglant le pourvoi
en cassation d’une lacune que, dans la cause déférée par le requérant à la Cour
de cassation, celle-ci n’a pas comblée. Cette lacune vise l’impossibilité pour le
demandeur d’invoquer un moyen nouveau fondé sur une loi nouvelle, entrée en
vigueur après l’expiration des délais applicables aux actes de procédure, mais qui
serait rétroactivement applicable au pourvoi en cours. (10) Dans le cadre de la
communication des données anonymes du Fichier des avis de saisies, le projet
modifie l’article 1389bis/7 pour se conformer à ce qui est réaliste en l’espèce.
(11) L’article 9 du Code de la nationalité est modifié pour faire suite à la
résolution de la Chambre des Représentants du 9 juin 2022 visant à reconnaître
la survenance de cas d’adoptions illégales en Belgique, à reconnaître les
personnes concernées comme des victimes et à entamer une enquête
administrative sur le sujet. L’article 23, § 5, du Code de la nationalité est modifié
pour répondre à l’arrêt de la Cour Constitutionnelle n°13/2023 du 26 janvier
2023. (12) Le projet insère dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995
visant à instituer « la charte » de l’assuré social, un h) reprenant mention
explicite de la loi du 18 juillet 2017 relative à la création du statut de solidarité
nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement et au remboursement
des soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme. (13) Le projet modifie
l’article 1.8 du Code civil pour corriger une erreur rédactionnelle. (14) Le projet
modifie l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du
Registre central pour les décisions de l'ordre judiciaire et relative à la publication
des jugements et modifiant la procédure d'assises relative à la récusation des
jurés pour corriger une erreur d’ordre technique et corriger la référence croisée
concernant l’obligation de conservation des jugements pseudonymisés visés
dans cette disposition afin de la rendre conforme à l’article 22, alinéa 2, de la
même loi. (15) Le projet modifie la loi du 22 novembre 2022 portant
modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat,
introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les huissiers de justice
dans le Code judiciaire et des dispositions diverses pour corriger des erreurs
rédactionnelles. (16) Le projet modifie la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre
et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du
Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions des
Etats membres dans le domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou
commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du
Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les
Etats membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou
commerciale pour corriger une erreur technique, qui vise la rectification d’une
incohérence entre le texte néerlandais et français de l’article 7 de la loi du 14
mars 2023. (17) Le projet modifie la loi du 19 mars 2017 pour donner un peu plus
de temps au service ICT pour adapter toutes les applications informatiques
lorsque le montant de la contribution au fonds d’aide juridique est modifié à la
suite d’une indexation prévue à l’article 5, § 2 de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne.
Analyses d'impact déjà réalisées
☐ Oui
☒ Non
Si oui, veuillez joindre une copie ou indiquer la référence du
document : _ _
Consultations sur le projet de réglementation .c.
Consultations obligatoires, facultatives ou
informelles :
Inspecteur des Finances, associations des officiers de l’état civil (Burgerzaken VL,
GAPEC et GTI-19), Professeurs du droit de famille (tous), Ordres des avocats,
Collège des cours et tribunaux, Gemme Belgique, SPF Sécurité sociale,
Professeurs J.F. van Drooghenbroeck et B. Allemeersch, CEPANI et groupe de
pilotage JustRestart.
Sources utilisées pour effectuer l’analyse d’impact .d.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
128
3 / 9
Statistiques, documents de référence,
organisations et personnes de référence :
_ _
Date de finalisation de l’analyse d’impact .e.
04/04/2023
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
129
3552/001
DOC 55
4 / 9
Quel est l’impact du projet de réglementation sur ces 21 thèmes ?
>
Un projet de réglementation aura généralement des impacts sur un nombre limité de thèmes.
Une liste non-exhaustive de mots-clés est présentée pour faciliter l’appréciation de chaque thème.
S’il y a des impacts positifs et / ou négatifs, expliquez-les (sur base des mots-clés si nécessaire) et
indiquez les mesures prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs.
Pour les thèmes 3, 10, 11 et 21, des questions plus approfondies sont posées.
Consultez le manuel ou contactez le helpdesk ria-air@premier.fed.be pour toute question.
Lutte contre la pauvreté .1.
Revenu minimum conforme à la dignité humaine, accès à des services de qualité, surendettement, risque de pauvreté ou d’exclusion sociale (y
compris chez les mineurs), illettrisme, fracture numérique.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
La modification apportée à l’article 1409 du Code judiciaire vise à permettre une adaptation plus souple
des montants insaisissables afin de mieux faire face aux périodes de crises susceptibles d’impacter les
revenus des ménages belges.
Les modifications proposées concernant la procédure de règlement collectif de dettes visent à nouveau
une optimalisation de la procédure et un gain de temps important grâce à la numérisation. Des gains
d’efficacité sont réalisés dans des dossiers individuels, lesquels ont également un impact sur la gestion et
le déroulement de la procédure de l’ensemble des dossiers. La réalité du fossé numérique ne peut
toutefois pas être ignorée ; de ce fait, le débiteur/demandeur peut toujours continuer à utiliser la
procédure traditionnelle. Ce n’est qu'au niveau professionnel que l’utilisation du registre est obligatoire
dans toutes les phases de la procédure.
Égalité des chances et cohésion sociale .2.
Non-discrimination, égalité de traitement, accès aux biens et services, accès à l’information, à l’éducation et à la formation, écart de revenu,
effectivité des droits civils, politiques et sociaux (en particulier pour les populations fragilisées, les enfants, les personnes âgées, les personnes
handicapées et les minorités).
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Égalité entre les femmes et les hommes .3.
Accès des femmes et des hommes aux ressources : revenus, travail, responsabilités, santé/soins/bien-être, sécurité,
éducation/savoir/formation, mobilité, temps, loisirs, etc.
Exercice des droits fondamentaux par les femmes et les hommes : droits civils, sociaux et politiques.
1.
Quelles personnes sont directement et indirectement concernées par le projet et quelle est la composition sexuée de
ce(s) groupe(s) de personnes ?
Si aucune personne n’est concernée, expliquez pourquoi.
Les règles du projet de loi relatives au nom, au consentement à l’adoption et à la prolongation des missions de
l’administrateur après le décès de la personne protégée ne font pas de distinction entre les genres. Les dispositions du
projet de loi relatives à la nationalité ne font pas de distinction entre les genres. Les dispositions du projet relatives à la
procédure de règlement collectif des dettes couvrent toutes les personnes impliquées dans la procédure de règlement
collectif des dettes, depuis les débiteurs particuliers jusqu'aux acteurs et créanciers professionnels. Il n'y a pas de
distinction de genre.
↓
Si des personnes sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les éventuelles différences entre la situation respective des femmes et des hommes dans la matière
relative au projet de réglementation.
_ _
↓
S’il existe des différences, répondez aux questions 3 et 4.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
130
5 / 9
3.
Certaines de ces différences limitent-elles l’accès aux ressources ou l’exercice des droits fondamentaux des
femmes ou des hommes (différences problématiques) ? [O/N] > expliquez
_ _
4.
Compte tenu des réponses aux questions précédentes, identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur
l’égalité des femmes et les hommes ?
_ _
↓
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 5.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Santé .4.
Accès aux soins de santé de qualité, efficacité de l’offre de soins, espérance de vie en bonne santé, traitements des maladies chroniques
(maladies cardiovasculaires, cancers, diabètes et maladies respiratoires chroniques), déterminants de la santé (niveau socio-économique,
alimentation, pollution), qualité de la vie.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
Les dispositions du projet de procédure de règlement collectif des dettes visent à optimiser la procédure
et donc optimiser l'un des objectifs fondamentaux du règlement collectif des dettes, qui est de rétablir la
situation financière du débiteur tout en lui garantissant, ainsi qu'à sa famille, une vie conforme à la
dignité humaine.
Emploi .5.
Accès au marché de l’emploi, emplois de qualité, chômage, travail au noir, conditions de travail et de licenciement, carrière, temps de travail,
bien-être au travail, accidents de travail, maladies professionnelles, équilibre vie privée - vie professionnelle, rémunération convenable,
possibilités de formation professionnelle, relations collectives de travail.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
L'accès au marché du travail sera également facilité si une procédure de règlement collectif des dettes
est menée à bien. Pendant la procédure, le débiteur sera également encouragé à chercher et à conserver
un emploi convenable.
Modes de consommation et production .6.
Stabilité/prévisibilité des prix, information et protection du consommateur, utilisation efficace des ressources, évaluation et intégration des
externalités (environnementales et sociales) tout au long du cycle de vie des produits et services, modes de gestion des organisations.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
Une gestion plus efficace du règlement collectif de dettes est censée avoir une influence positive sur les
chances de réussite de la procédure. Une conclusion réussie de la procédure et le maintien d’une vie
conforme à la dignité humaine du demandeur et de sa famille durant la procédure influencent
positivement les modes de consommation des intéressés.
Développement économique .7.
Création d’entreprises, production de biens et de services, productivité du travail et des ressources/matières premières, facteurs de
compétitivité, accès au marché et à la profession, transparence du marché, accès aux marchés publics, relations commerciales et financières
internationales, balance des importations/exportations, économie souterraine, sécurité d’approvisionnement des ressources énergétiques,
minérales et organiques.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Investissements .8.
Investissements en capital physique (machines, véhicules, infrastructures), technologique, intellectuel (logiciel, recherche et développement)
et humain, niveau d’investissement net en pourcentage du PIB.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
131
3552/001
DOC 55
6 / 9
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Recherche et développement .9.
Opportunités de recherche et développement, innovation par l’introduction et la diffusion de nouveaux modes de production, de nouvelles
pratiques d’entreprises ou de nouveaux produits et services, dépenses de recherche et de développement.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
PME .10.
Impact sur le développement des PME.
1.
Quelles entreprises sont directement et indirectement concernées par le projet ?
Détaillez le(s) secteur(s), le nombre d’entreprises, le % de PME (< 50 travailleurs) dont le % de micro-entreprise (< 10
travailleurs).
Si aucune entreprise n’est concernée, expliquez pourquoi.
_ _
↓
Si des PME sont concernées, répondez à la question 2.
2.
Identifiez les impacts positifs et négatifs du projet sur les PME.
N.B. les impacts sur les charges administratives doivent être détaillés au thème 11
_ _
↓
S’il y a un impact négatif, répondez aux questions 3 à 5.
3.
Ces impacts sont-ils proportionnellement plus lourds sur les PME que sur les grandes entreprises ? [O/N] >
expliquez
_ _
4.
Ces impacts sont-ils proportionnels à l'objectif poursuivi ? [O/N] > expliquez
_ _
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
Charges administratives .11.
Réduction des formalités et des obligations administratives liées directement ou indirectement à l’exécution, au respect et/ou au maintien d’un
droit, d’une interdiction ou d’une obligation.
↓
Si des citoyens (cf. thème 3) et/ou des entreprises (cf. thème 10) sont concernés, répondez aux questions suivantes.
1.
Identifiez, par groupe concerné, les formalités et les obligations nécessaires à l’application de la réglementation.
S’il n’y a aucune formalité ou obligation, expliquez pourquoi.
a.
Les changements de nom en cas de changement d’un
lien de filiation d’un enfant sont actés tantôt par
l’officier de l’état civil, tantôt par le tribunal de la
famille. Ce système comporte des lacunes lorsque le
tribunal qui doit acter le nom dans son jugement ne
le fait pas, lorsque l’enfant majeur est reconnu
postnatalement ou lorsque l’enfant dont la filiation
est modifiée a lui-même des enfants. Pour
« régulariser » la situation, l’enfant ou son
représentant doivent à l’heure actuelle introduire
une demande de changement de nom par la voie
administrative.
b.
Le changement de nom devra être acté explicitement
par l’autorité qui modifie un lien de filiation et plus
par une autorité tierce. De même, le cas échéant,
cette même autorité devra automatiquement acter le
changement de nom des enfants mineurs si l’enfant
dont la filiation est modifiée a lui-même des enfants.
Si les enfants de cet enfant sont déjà majeurs, ceux-ci
ne pourront changer de nom que s’ils en font la
déclaration expresse devant l’officier de l’état civil
compétent.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
132
7 / 9
↓
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation actuelle*, répondez aux
questions 2a à 4a.
↓
S’il y a des formalités et des obligations dans la
réglementation en projet**, répondez aux
questions 2b à 4b.
2.
Quels documents et informations chaque groupe concerné doit-il fournir ?
a.
La procédure de changement de nom par la
voie administrative n’est possible que si la
preuve du paiement des droits
d’enregistrement a pu être apportée. Ils
doivent fonder leur demande sur de motifs
sérieux qui peuvent être étayés par tout
document jugé utile par la personne concernée.
b.
Selon le cas, les parents de l’enfant mineur ou
l’enfant majeur feront une déclaration de
changement de nom devant l’autorité qui modifie le
lien de filiation. Le nom déclaré s’imposera de plein
droit aux enfants mineurs de l’enfant. Le changement
de nom ne s’imposera aux enfants majeurs de
l’enfant que s’ils en font la demande expresse auprès
de l’officier de l’état civil compétent.
3.
Comment s’effectue la récolte des informations et des documents, par groupe concerné ?
a.
Les différents documents sont annexés à la
demande de changement de nom par la voie
administrative.
b.
Selon le cas, les parents de l’enfant mineur ou
l’enfant majeur feront une simple déclaration de
changement de nom devant l’autorité qui modifie le
lien de filiation.
4.
Quelles est la périodicité des formalités et des obligations, par groupe concerné ?
a.
Le changement de nom n’aura lieu qu’en cas de
modification du lien de filiation.
b.
Le changement de nom n’aura lieu qu’en cas de
modification du lien de filiation.
5.
Quelles mesures sont prises pour alléger / compenser les éventuels impacts négatifs ?
_ _
Énergie .12.
Mix énergétique (bas carbone, renouvelable, fossile), utilisation de la biomasse (bois, biocarburants), efficacité énergétique, consommation
d’énergie de l’industrie, des services, des transports et des ménages, sécurité d’approvisionnement, accès aux biens et services énergétiques.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Mobilité .13.
Volume de transport (nombre de kilomètres parcourus et nombre de véhicules), offre de transports collectifs, offre routière, ferroviaire,
maritime et fluviale pour les transports de marchandises, répartitions des modes de transport (modal shift), sécurité, densité du trafic.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Alimentation .14.
Accès à une alimentation sûre (contrôle de qualité), alimentation saine et à haute valeur nutritionnelle, gaspillages, commerce équitable.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Changements climatiques .15.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
133
3552/001
DOC 55
8 / 9
Émissions de gaz à effet de serre, capacité d’adaptation aux effets des changements climatiques, résilience, transition énergétique, sources
d’énergies renouvelables, utilisation rationnelle de l’énergie, efficacité énergétique, performance énergétique des bâtiments, piégeage du
carbone.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Ressources naturelles .16.
Gestion efficiente des ressources, recyclage, réutilisation, qualité et consommation de l’eau (eaux de surface et souterraines, mers et océans),
qualité et utilisation du sol (pollution, teneur en matières organiques, érosion, assèchement, inondations, densification, fragmentation),
déforestation.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Air intérieur et extérieur .17.
Qualité de l’air (y compris l’air intérieur), émissions de polluants (agents chimiques ou biologiques : méthane, hydrocarbures, solvants, SOx,
NOx, NH3), particules fines.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Biodiversité .18.
Niveaux de la diversité biologique, état des écosystèmes (restauration, conservation, valorisation, zones protégées) , altération et fragmentation
des habitats, biotechnologies, brevets d’invention sur la matière biologique, utilisation des ressources génétiques, services rendus par les
écosystèmes (purification de l’eau et de l’air, …), espèces domestiquées ou cultivées, espèces exotiques envahissantes, espèces menacées.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Nuisances .19.
Nuisances sonores, visuelles ou olfactives, vibrations, rayonnements ionisants, non ionisants et électromagnétiques, nuisances lumineuses.
☐ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☒ Pas d’impact
_ _
Autorités publiques .20.
Fonctionnement démocratique des organes de concertation et consultation, services publics aux usagers, plaintes, recours, contestations,
mesures d’exécution, investissements publics.
☒ Impact positif
☐ Impact négatif
↓ Expliquez.
☐ Pas d’impact
La modification de l'article 780/1 du Code judiciaire est réalisée dans un souci d'efficacité et de bonne
administration de la justice en ce qui concerne la communication des voies de recours aux citoyens. Il a
été précisé que la fiche informative est également jointe à la copie certifiée conforme du jugement par le
greffier. Cela permet de mieux délimiter et façonner l'obligation d'information aux justiciables.
Cohérence des politiques en faveur du développement .21.
Prise en considération des impacts involontaires des mesures politiques belges sur les intérêts des pays en développement.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
134
9 / 9
1.
Identifiez les éventuels impacts directs et indirects du projet sur les pays en développement dans les domaines suivants :
○ sécurité alimentaire
○ santé et accès aux
médicaments
○ travail décent
○ commerce local et
international
○ revenus et mobilisations de ressources domestiques (taxation)
○ mobilité des personnes
○ environnement et changements climatiques (mécanismes de développement
propre)
○ paix et sécurité
Expliquez si aucun pays en développement n’est concerné.
_ _
↓
S’il y a des impacts positifs et/ou négatifs, répondez à la question 2.
2.
Précisez les impacts par groupement régional ou économique (lister éventuellement les pays). Cf. manuel
_ _
↓
S’il y a des impacts négatifs, répondez à la question 3.
3.
Quelles mesures sont prises pour les alléger / compenser les impacts négatifs ?
_ _
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
135
3552/001
DOC 55
1 / 9
Regelgevingsimpactanalyse
RiA-AiR
:: Vul het formulier bij voorkeur online in ria-air.fed.be
:: Contacteer de helpdesk indien nodig ria-air@premier.fed.be
:: Raadpleeg de handleiding, de FAQ, enz. www.vereenvoudiging.be
Beschrijvende fiche
Auteur .a.
Bevoegd regeringslid
Minister van Justitie
Contactpersoon beleidscel (naam, e-mail,
tel.)
Biagio Zammitto, biagio@teamjustitie.be, +32 498 81 37 35
Overheidsdienst
FOD Justitie
Contactpersoon overheidsdienst (naam, e-
mail, tel.)
Caroline Kinard, caroline.kinard@just.fgov.be, 02 542 67 53
Ontwerp .b.
Titel van het ontwerp van regelgeving
Voorontwerp van wet houdende diverse bepalingen in burgerlijke en
gerechtelijke zaken
Korte beschrijving van het ontwerp van
regelgeving met vermelding van de
oorsprong (verdrag, richtlijn,
samenwerkingsakkoord, actualiteit …), de
beoogde doelen van uitvoering.
Dit voorontwerp van wet strekt ertoe een aantal diverse maatregelen te nemen
in het burgerlijk en gerechtelijk recht en wijzigingen aan te brengen in diverse
wetten die onder de bevoegdheid van het departement Justitie vallen: (1) De
naamsgerelateerde bepalingen (artikelen 2 tot 12) houden verband met de
verschillende recente arresten van het Grondwettelijk Hof en de verschillende
moeilijkheden waarmee de ambtenaren van de burgerlijke stand worden
geconfronteerd. In artikel 13 van het ontwerp wordt voorzien in een
mechanisme van vervangende toestemming voor een omzetting in een volle
adoptie in het licht van een recent arrest van het Grondwettelijk Hof. Artikel 14
schept duidelijkheid omtrent de bevoegdheden van de bewindvoerder van de
beschermde persoon die worden verlengd na het overlijden van de betrokkene
en waarover verschillende interpretaties heersten. (2) Artikel 23 van het
Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd teneinde het principe van ‘uitbreiding van
de positieve werking van het gezag van gewijsde’ te codificeren ten bate van de
derde bij een gerechtelijke beslissing tegen een partij bij die beslissing. (3) Met
de wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de kamers voor
minnelijke schikking wordt voorzien in de mogelijkheid om dergelijke kamers op
te richten binnen de rechtscolleges die burgerlijke en handelszaken behandelen
volgens hetzelfde model als de kamers voor minnelijke schikking binnen de
familierechtbank, die in 2014 is opgericht. (4) De wijzigingen van het Gerechtelijk
Wetboek betreffende de juridische tweedelijnsbijstand strekken tot
optimalisering van de werking van de interne kwaliteitscontrole op de prestaties
van advocaten en tot wijziging van de regel inzake de berekening van de kosten
verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand op basis
van de werkelijke noden. (5) De wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk
Wetboek maakt een soepelere aanpassing mogelijk van de bedragen die niet
vatbaar zijn voor beslag, teneinde beter opgewassen te zijn tegen crisisperiodes
waarin de inkomsten van Belgische huishoudens kunnen worden geïmpacteerd.
(6) Teneinde verschillende praktische problemen in verband met de zuivering
van onroerende goederen op te lossen, wijzigt dit ontwerp meerdere artikelen
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
136
2 / 9
van het Gerechtelijk Wetboek en van het Wetboek van economisch recht. (7) In
het kader van de procedure van collectieve schuldenregeling maakt de
optimalisering van de procedure het mogelijk extra efficiëntiewinsten te boeken.
Dankzij de gedetailleerde regeling van de overgangsregeling kan het register
voortaan worden gebruikt in lopende procedures. Het derdenverzet tegen de
beschikking van toelaatbaarheid wordt gewaarborgd en er wordt voorzien in een
rechtsgrond voor de inning van een retributie om de beheerskosten van het
register te dekken. (8) De wijziging van artikel 780/1 van het Gerechtelijk
Wetboek verduidelijkt dat het informatieblad kan worden gevoegd bij een
eensluidend verklaard afschrift van het vonnis. (9) Het ontwerp voorziet in de
invoeging van een artikel 1094/2 in het Gerechtelijk Wetboek teneinde de door
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vastgestelde schending in het
arrest van 16 februari 2021 ‘Vermeersch t. België’ te herstellen. Het hof heeft
een schending van artikel 6, § 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden vastgesteld ingevolge een leemte in
de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek tot regeling van het cassatieberoep,
die door het Hof van Cassatie niet is ondervangen in de zaak die de verzoeker
eraan heeft voorgelegd. Deze leemte betreft de onmogelijkheid voor de eiser om
een nieuw middel aan te voeren dat gegrond is op een nieuwe wet die in
werking getreden is na het verstrijken van de termijnen die van toepassing zijn
op de proceshandelingen, maar met terugwerkende kracht van toepassing zou
zijn op het cassatieberoep dat aanhangig is. (10) In het kader van het
communiceren van anonieme gegevens van het Centraal bestand van berichten
van beslag wijzigt het ontwerp artikel 1389bis/7 om aan te sluiten bij wat in dit
geval realistisch is. (11) Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische nationaliteit
wordt gewijzigd om gevolg te geven aan de resolutie van 9 juni 2022 van de
Kamer van volksvertegenwoordigers betreffende de erkenning dat kinderen in
België illegaal werden geadopteerd, betreffende de erkenning van de
betrokkenen als slachtoffer, alsook betreffende de instelling van een
administratief onderzoek dienaangaande. Artikel 23, § 5, van het Wetboek van
de Belgische nationaliteit wordt gewijzigd om tegemoet te komen aan arrest
nr. 13/2023 van het Grondwettelijk Hof van 26 januari 2023. (12) Het ontwerp
voegt in artikel 2, eerste lid, 1°, een h) met vermelding van de wet van
11 april 1995 tot invoering van het “handvest" van de sociaal verzekerde de
uitdrukkelijke vermelding in van de wet van 18 juli 2017 betreffende de
oprichting van het statuut van nationale solidariteit, de toekenning van een
herstelpensioen en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van
terrorisme. (13) Het ontwerp wijzigt artikel 1.8 van het Burgerlijk Wetboek
teneinde een redactionele fout te corrigeren. (14) Het ontwerp wijzigt artikel 19,
tweede lid, van de wet van 16 oktober 2022 tot oprichting van het Centraal
register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende de
bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure
betreffende de wraking van de gezworenen met het oog op het corrigeren van
een fout van technische aard en van de kruisverwijzing inzake de
bewaringsverplichting van de gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in die
bepaling, zulks teneinde ze te doen aansluiten bij artikel 22, tweede lid, van
diezelfde wet. (15) Het ontwerp wijzigt de wet van 22 november 2022 tot
wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt, tot invoering van
een tuchtraad voor de notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het
Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen teneinde redactionele fouten te
corrigeren. (16) Het ontwerp wijzigt de wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en
aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de
Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten
van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en
handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees parlement
en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in
de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in
handelszaken teneinde een technische fout te corrigeren, waarbij de
rechtzetting van een inconsistentie tussen de Nederlandse en Franse tekst van
artikel 7 van de wet van 14 maart 2023 wordt beoogd. (17) Het ontwerp wijzigt
de wet van 19 maart 2017 om de ICT-afdeling iets meer tijd te geven om alle
computerapplicaties aan te passen wanneer het bedrag van de bijdrage aan het
fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt gewijzigd als gevolg van een
indexering waarin is voorzien in artikel 5, § 2, van de wet van 19 maart 2017 tot
oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
137
3552/001
DOC 55
3 / 9
Impactanalyses reeds uitgevoerd
☐ Ja
☒ Nee
Indien ja, gelieve een kopie bij te voegen of de referentie van
het document te vermelden: _ _
Raadpleging over het ontwerp van regelgeving .c.
Verplichte, facultatieve of informele
raadplegingen:
Inspecteur van Financiën, verenigingen van ambtenaren van de burgerlijke stand
(Burgerzaken Vlaanderen, GAPEC en IWG 19), professoren familierecht (allen),
ordes van advocaten, College van de hoven en rechtbanken, Gemme Belgium,
FOD Sociale Zekerheid, de professoren J.F. van Drooghenbroeck en B.
Allemeersch, CEPANI en stuurgroep JustRestart.
Bronnen gebruikt om de impactanalyse uit te voeren .d.
Statistieken, referentiedocumenten,
organisaties en contactpersonen:
_ _
Datum van beëindiging van de impactanalyse .e.
4 april 2023
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
138
4 / 9
Welke impact heeft het ontwerp van regelgeving op deze 21 thema’s?
>
Een ontwerp van regelgeving zal meestal slechts impact hebben op enkele thema’s.
Een niet-exhaustieve lijst van trefwoorden is gegeven om de inschatting van elk thema te
vergemakkelijken.
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, leg deze uit (gebruik indien nodig trefwoorden) en
vermeld welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve effecten te verlichten/te
compenseren.
Voor de thema’s 3, 10, 11 en 21 worden meer gedetailleerde vragen gesteld.
Raadpleeg de handleiding of contacteer de helpdesk ria-air@premier.fed.be indien u vragen hebt.
Kansarmoedebestrijding .1.
Menswaardig minimuminkomen, toegang tot kwaliteitsvolle diensten, schuldenoverlast, risico op armoede of sociale uitsluiting (ook bij
minderjarigen), ongeletterdheid, digitale kloof.
☒ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☐ Geen impact
De wijziging van artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek maakt een soepelere aanpassing mogelijk van
de bedragen die niet vatbaar zijn voor beslag, teneinde beter opgewassen te zijn tegen crisisperiodes
waarin de inkomsten van Belgische huishoudens kunnen worden geïmpacteerd. De voorgestelde
wijzigingen inzake de procedure van collectieve schuldenregeling beogen opnieuw een optimalisatie van
de procedure en een belangrijke tijdswinst middels digitalisering. Er worden efficiëntiewinsten
gerealiseerd binnen individuele dossiers, welke ook een weerslag hebben op het beheer en
procesverloop van de totaliteit van de dossiers. Er wordt echter niet voorbijgegaan aan de realiteit van
de digitale kloof doordat de schuldenaar/verzoeker steeds de traditionele procedure kan blijven volgen.
Enkel op professioneel niveau wordt het gebruik van het register in alle fasen van de procedure verplicht.
Gelijke Kansen en sociale cohesie .2.
Non-discriminatie, gelijke behandeling, toegang tot goederen en diensten, toegang tot informatie, tot onderwijs en tot opleiding, loonkloof,
effectiviteit van burgerlijke, politieke en sociale rechten (in het bijzonder voor kwetsbare bevolkingsgroepen, kinderen, ouderen, personen met
een handicap en minderheden).
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Gelijkheid van vrouwen en mannen .3.
Toegang van vrouwen en mannen tot bestaansmiddelen: inkomen, werk, verantwoordelijkheden, gezondheid/zorg/welzijn, veiligheid,
opleiding/kennis/vorming, mobiliteit, tijd, vrije tijd, etc.
Uitoefening door vrouwen en mannen van hun fundamentele rechten: burgerlijke, sociale en politieke rechten.
1.
Op welke personen heeft het ontwerp (rechtstreeks of onrechtstreeks) een impact en wat is de naar geslacht uitgesplitste
samenstelling van deze groep(en) van personen?
Indien geen enkele persoon betrokken is, leg uit waarom.
De regels van het ontwerp van wet met betrekking tot de naam, de toestemming voor adoptie en de verlenging van de
opdrachten van de bewindvoerder na het overlijden van de beschermde persoon maken geen onderscheid tussen de
geslachten. De bepalingen van het ontwerp van wet met betrekking tot nationaliteit maken geen onderscheid tussen de
geslachten. De regels van het ontwerp met betrekking tot de procedure collectieve schuldenregeling hebben betrekking
op alle betrokkenen bij de procedure collectieve schuldenregeling, gaande van particuliere schuldenaars tot
professionele actoren en schuldeisers. Er is geen onderscheid naar geslacht.
↓
Indien er personen betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de eventuele verschillen in de respectieve situatie van vrouwen en mannen binnen de materie waarop
het ontwerp van regelgeving betrekking heeft.
_ _
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
139
3552/001
DOC 55
5 / 9
↓
Indien er verschillen zijn, beantwoord dan vragen 3 en 4.
3.
Beperken bepaalde van deze verschillen de toegang tot bestaansmiddelen of de uitoefening van fundamentele
rechten van vrouwen of mannen (problematische verschillen)? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de gelijkheid van vrouwen en mannen,
rekening houdend met de voorgaande antwoorden?
_ _
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 5.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Gezondheid .4.
Toegang tot kwaliteitsvolle gezondheidszorg, efficiëntie van het zorgaanbod, levensverwachting in goede gezondheid, behandelingen van
chronische ziekten (bloedvatenziekten, kankers, diabetes en chronische ademhalingsziekten), gezondheidsdeterminanten (sociaaleconomisch
niveau, voeding, verontreiniging), levenskwaliteit.
☒ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☐ Geen impact
De bepalingen van het ontwerp betreffende de procedure collectieve schuldenregeling beogen een
optimalisering van de procedure en daarmee ook een van de basisdoelstellingen van de collectieve
schuldenregeling, namelijk het saneren van de financiële toestand van de schuldenaar en hem/haar en
zijn/haar gezin tegelijk een een menswaardig leven waarborgen.
Werkgelegenheid .5.
Toegang tot de arbeidsmarkt, kwaliteitsvolle banen, werkloosheid, zwartwerk, arbeids- en ontslagomstandigheden, loopbaan, arbeidstijd,
welzijn op het werk, arbeidsongevallen, beroepsziekten, evenwicht privé- en beroepsleven, gepaste verloning, mogelijkheid tot
beroepsopleiding, collectieve arbeidsverhoudingen.
☒ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☐ Geen impact
Ook de toegang op de arbeidsmarkt wordt bevorderd indien een procedure collectieve schuldenregeling
met succes wordt doorlopen. Tijdens de procedure zal de schuldenaar ook worden aangespoord om
geschikte werkgelegenheid te zoeken en behouden.
Consumptie- en productiepatronen .6.
Prijsstabiliteit of -voorzienbaarheid, inlichting en bescherming van de consumenten, doeltreffend gebruik van hulpbronnen, evaluatie en
integratie van (sociale- en milieu-) externaliteiten gedurende de hele levenscyclus van de producten en diensten, beheerpatronen van
organisaties.
☒ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☐ Geen impact
Een efficiënter beheer van de collectieve schuldenregeling wordt geacht een positieve invloed te hebben
op de slaagkansen van de procedure. Een geslaagde afronding van de procedure en het behoud van een
menswaardig leven van de verzoeker en zijn gezin tijdens de procedure beïnvloeden de
consumptiepatronen van de belanghebbenden in positieve zin.
Economische ontwikkeling .7.
Oprichting van bedrijven, productie van goederen en diensten, arbeidsproductiviteit en productiviteit van hulpbronnen/grondstoffen,
competitiviteitsfactoren, toegang tot de markt en tot het beroep, markttransparantie, toegang tot overheidsopdrachten, internationale
handels- en financiële relaties, balans import/export, ondergrondse economie, bevoorradingszekerheid van zowel energiebronnen als minerale
en organische hulpbronnen.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
140
6 / 9
_ _
Investeringen .8.
Investeringen in fysiek (machines, voertuigen, infrastructuren), technologisch, intellectueel (software, onderzoek en ontwikkeling) en menselijk
kapitaal, nettoinvesteringscijfer in procent van het bbp.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Onderzoek en ontwikkeling .9.
Mogelijkheden betreffende onderzoek en ontwikkeling, innovatie door de invoering en de verspreiding van nieuwe productiemethodes,
nieuwe ondernemingspraktijken of nieuwe producten en diensten, onderzoeks- en ontwikkelingsuitgaven.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
KMO .10.
Impact op de ontwikkeling van de kmo’s.
1.
Welke ondernemingen zijn rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken?
Beschrijf de sector(en), het aantal ondernemingen, het % kmo’s (< 50 werknemers), waaronder het % micro-
ondernemingen (< 10 werknemers).
Indien geen enkele onderneming betrokken is, leg uit waarom.
_ _
↓
Indien er kmo’s betrokken zijn, beantwoord dan vraag 2.
2.
Identificeer de positieve en negatieve impact van het ontwerp op de kmo’s.
N.B. De impact op de administratieve lasten moet bij thema 11 gedetailleerd worden.
_ _
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vragen 3 tot 5.
3.
Is deze impact verhoudingsgewijs zwaarder voor de kmo’s dan voor de grote ondernemingen? [J/N] > Leg uit
_ _
4.
Staat deze impact in verhouding tot het beoogde doel? [J/N] > Leg uit
_ _
5.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Administratieve lasten .11.
Verlaging van de formaliteiten en administratieve verplichtingen die direct of indirect verbonden zijn met de uitvoering, de naleving en/of de
instandhouding van een recht, een verbod of een verplichting.
↓
Indien burgers (zie thema 3) en/of ondernemingen (zie thema 10) betrokken zijn, beantwoord dan volgende vragen.
1.
Identificeer, per betrokken doelgroep, de nodige formaliteiten en verplichtingen voor de toepassing van de regelgeving.
Indien er geen enkele formaliteiten of verplichtingen zijn, leg uit waarom.
a.
Soms is het de ambtenaar van de burgerlijke stand en
soms de familierechtbank die akte neemt van
naamsveranderingen bij verandering van de
b.
Er moet uitdrukkelijk akte worden genomen van de
naamsverandering door de autoriteit die een
afstammingsband wijzigt, en niet langer door een
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
141
3552/001
DOC 55
7 / 9
afstammingsband van een kind. Er zijn
tekortkomingen in dat systeem wanneer de
rechtbank die in zijn vonnis akte van de naam dient
te nemen, dat niet doet, wanneer het meerderjarige
kind postnataal wordt erkend of wanneer het kind
van wie de afstamming wijzigt, zelf kinderen heeft.
Om die situatie te ‘regulariseren’, moet het kind of
zijn vertegenwoordiger thans een verzoek tot
naamsverandering via administratieve weg indienen.
derde autoriteit. Evenzo dient diezelfde autoriteit in
voorkomend geval automatisch akte te nemen van de
naamsverandering van minderjarige kinderen indien
het kind van wie de afstamming wordt gewijzigd, zelf
kinderen heeft. Indien de kinderen van dat kind reeds
meerderjarig zijn, kunnen die enkel van naam
veranderen als ze een uitdrukkelijke verklaring
afleggen voor de bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand.
↓
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in de
huidige* regelgeving, beantwoord dan vragen 2a tot
4a.
↓
Indien er formaliteiten en/of verplichtingen zijn in het
ontwerp van regelgeving**, beantwoord dan vragen
2b tot 4b.
2.
Welke documenten en informatie moet elke betrokken doelgroep verschaffen?
a.
De administratieve procedure tot
naamsverandering is enkel mogelijk indien kon
worden aangetoond dat de registratierechten
zijn betaald. Ze moeten hun verzoek
onderbouwen met ernstige gronden die kunnen
worden gestaafd door elk document dat de
betrokkene dienstbaar acht.
b.
Al naargelang van het geval leggen de ouders van het
minderjarige of meerderjarige kind een verklaring van
naamsverandering af voor de autoriteit die de
afstammingsband wijzigt. De verklaarde naam wordt
de minderjarige kinderen van het kind van
rechtswege opgelegd. De naamsverandering wordt
de meerderjarige kinderen van het kind enkel
opgelegd als ze daartoe een uitdrukkelijke verklaring
afleggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
3.
Hoe worden deze documenten en informatie, per betrokken doelgroep, ingezameld?
a.
De verschillende documenten worden gevoegd
bij het verzoek tot naamsverandering via
administratieve weg.
b.
Al naargelang van het geval leggen de ouders van het
minderjarige of meerderjarige kind een eenvoudige
verklaring van naamsverandering af voor de
autoriteit die de afstammingsband wijzigt.
4.
Welke is de periodiciteit van de formaliteiten en verplichtingen, per betrokken doelgroep?
a.
De naamsverandering vindt enkel plaats in
geval van wijziging van de afstammingsband.
b.
De naamsverandering vindt enkel plaats in geval van
wijziging van de afstammingsband.
5.
Welke maatregelen worden genomen om de eventuele negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
Energie .12.
Energiemix (koolstofarm, hernieuwbaar, fossiel), gebruik van biomassa (hout, biobrandstoffen), energie-efficiëntie, energieverbruik van de
industrie, de dienstensector, de transportsector en de huishoudens, bevoorradingszekerheid, toegang tot energiediensten en -goederen.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Mobiliteit .13.
Transportvolume (aantal afgelegde kilometers en aantal voertuigen), aanbod van gemeenschappelijk personenvervoer, aanbod van wegen,
sporen en zee- en binnenvaart voor goederenvervoer, verdeling van de vervoerswijzen (modal shift), veiligheid, verkeersdichtheid.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Voeding .14.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
142
8 / 9
Toegang tot veilige voeding (kwaliteitscontrole), gezonde en voedzame voeding, verspilling, eerlijke handel.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Klimaatverandering .15.
Uitstoot van broeikasgassen, aanpassingsvermogen aan de gevolgen van de klimaatverandering, veerkracht, energieovergang, hernieuwbare
energiebronnen, rationeel energiegebruik, energie-efficiëntie, energieprestaties van gebouwen, winnen van koolstof.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Natuurlijke hulpbronnen .16.
Efficiënt beheer van de hulpbronnen, recyclage, hergebruik, waterkwaliteit en -consumptie (oppervlakte- en grondwater, zeeën en oceanen),
bodemkwaliteit en -gebruik (verontreiniging, organisch stofgehalte, erosie, drooglegging, overstromingen, verdichting, fragmentatie),
ontbossing.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Buiten- en binnenlucht .17.
Luchtkwaliteit (met inbegrip van de binnenlucht), uitstoot van verontreinigende stoffen (chemische of biologische agentia: methaan,
koolwaterstoffen, oplosmiddelen, SOx, NOx, NH3), fijn stof.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Biodiversiteit .18.
Graad van biodiversiteit, stand van de ecosystemen (herstelling, behoud, valorisatie, beschermde zones), verandering en fragmentatie van de
habitats, biotechnologieën, uitvindingsoctrooien in het domein van de biologie, gebruik van genetische hulpbronnen, diensten die de
ecosystemen leveren (water- en luchtzuivering, enz.), gedomesticeerde of gecultiveerde soorten, invasieve uitheemse soorten, bedreigde
soorten.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Hinder .19.
Geluids-, geur- of visuele hinder, trillingen, ioniserende, niet-ioniserende en elektromagnetische stralingen, lichtoverlast.
☐ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☒ Geen impact
_ _
Overheid .20.
Democratische werking van de organen voor overleg en beraadslaging, dienstverlening aan gebruikers, klachten, beroep, protestbewegingen,
wijze van uitvoering, overheidsinvesteringen.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
143
3552/001
DOC 55
9 / 9
☒ Positieve
impact
☐ Negatieve impact
↓ Leg uit.
☐ Geen impact
Artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek wordt gewijzigd vanuit een streven naar efficiëntie en goede
rechtsbedeling met betrekking tot de communicatie over de rechtsmiddelen jegens de burgers. Er is
verduidelijkt dat het informatieblad tevens bij het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis wordt
gevoegd door de griffier. Op die manier kan de informatieverplichting jegens rechtzoekenden beter
worden afgebakend en vormgegeven.
Beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling .21.
Inachtneming van de onbedoelde neveneffecten van de Belgische beleidsmaatregelen op de belangen van de ontwikkelingslanden.
1.
Identificeer de eventuele rechtstreekse of onrechtstreekse impact van het ontwerp op de ontwikkelingslanden op het vlak
van:
○ voedselveiligheid
○ gezondheid en toegang tot
geneesmiddelen
○ waardig werk
○ lokale en internationale handel
○ inkomens en mobilisering van lokale middelen (taxatie)
○ mobiliteit van personen
○ leefmilieu en klimaatverandering (mechanismen voor schone ontwikkeling)
○ vrede en veiligheid
Indien er geen enkel ontwikkelingsland betrokken is, leg uit waarom.
_ _
↓
Indien er een positieve en/of negatieve impact is, beantwoord dan vraag 2.
2.
Verduidelijk de impact per regionale groepen of economische categorieën (eventueel landen oplijsten). Zie bijlage
_ _
↓
Indien er een negatieve impact is, beantwoord dan vraag 3.
3.
Welke maatregelen worden genomen om de negatieve impact te verlichten / te compenseren?
_ _
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
144
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE
NR. 73.629/1-2 VAN 7 JULI 2023
Op 12 mei 2023 is de Raad van State, afdeling Wetgeving,
door de Vice‑eersteminister en minister van Justitie en Noordzee
verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te
verstrekken over een voorontwerp van wet ‘houdende diverse
bepalingen in burgerlijke en gerechtelijke zaken’.
Hoofdstukken 1, 3 (artikelen 16 tot 26), 5, 6, 7, 11, 12, 13
(artikelen 97 tot 99) en 14 (artikel 101) van het voorontwerp
zijn door de eerste kamer onderzocht op 29 juni 2023. De
kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoor‑
zitter, Wouter Pas en Inge Vos, staatsraden, Michel Tison en
Johan Put, assessoren, en Wim Geurts, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Lennart Nijs, adjunct‑auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Inge Vos.
Hoofstukken 1, 2, 3 (artikelen 15 en 27 tot 72), 4, 8, 9,
10, 13 (artikel 97) en 14 (artikel 100) van het voorontwerp
zijn door de tweede kamer onderzocht op 12 juni 2023. De
kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoor‑
zitter, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets, staatsraden,
Christian Behrendt en Jacques Englebert, assessoren, en
Béatrice Drapier, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Pauline Lagasse, auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse
tekst van het advies is nagezien onder toezicht van
Patrick Ronvaux.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op
7 juli 2023.
*
Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van
artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten ‘op de Raad van
State’, gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling
Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde
gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond
van het voorontwerp,‡ de bevoegdheid van de steller van de
handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
Wat die drie punten betreft, geeft het voorontwerp aanleiding
tot de volgende opmerkingen.
AVIS DU CONSEIL D’ÉTAT
N° 73.629/1-2 DU 7 JUILLET 2023
Le 12 mai 2023, le Conseil d’État, section de législation, a
été invité par le Vice‑Premier ministre et ministre de la Justice
et de la Mer du Nord à communiquer un avis dans un délai
de trente jours, sur un avant‑projet de loi ‘portant dispositions
diverses en matière civile et judiciaire’.
Les chapitres 1er, 3 (articles 16 à 26), 5, 6, 7, 11, 12, 13
(articles 97 à 99) et 14 (article 101) de l’avant‑projet ont été
examinés par la première chambre le 29 juin 2023. La chambre
était composée de Marnix Van Damme, président de chambre,
Wouter Pas et Inge Vos, conseillers d’État, Michel Tison et
Johan Put, assesseurs, et Wim Geurts, greffier.
Le rapport a été présenté par Lennart Nijs, auditeur adjoint.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de Inge Vos.
Les chapitres 1er, 2, 3 (articles 15 et 27 à 72), 4, 8, 9, 10,
13 (article 97) et 14 (article 100) de l’avant‑projet ont été exa‑
minés par la deuxième chambre le 12 juin 2023. La chambre
était composée de Pierre Vandernoot, président de chambre,
Patrick Ronvaux et Christine Horevoets, conseillers d’État,
Christian Behrendt et Jacques Englebert, assesseurs, et
Béatrice Drapier, greffier.
Le rapport a été présenté par Pauline Lagasse, auditrice.
La concordance entre la version française et la version
néerlandaise a été vérifiée sous le contrôle de Patrick Ronvaux.
L’avis, dont le texte suit, a été donné le 7 juillet 2023.
*
Comme la demande d’avis est introduite sur la base de
l’article 84, § 1er, alinéa 1er, 2°, des lois ‘sur le Conseil d’État’,
coordonnées le 12 janvier 1973, la section de législation limite
son examen au fondement juridique de l’avant-projet‡, à la
compétence de l’auteur de l’acte ainsi qu’à l’accomplissement
des formalités préalables, conformément à l’article 84, § 3,
des lois coordonnées précitées.
Sur ces trois points, l’avant-projet appelle les observations
suivantes.
<?>‡
S’agissant d’un avant-projet de loi, on entend par “fondement
juridique” la conformité aux normes supérieures.
‡
Aangezien het om een voorontwerp van wet gaat, wordt onder
“rechtsgrond” de overeenstemming met de hogere rechtsnormen
verstaan.
145
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Voorafgaande opmerking
– Gedeeltelijke niet‑ontvankelijkheid
van de adviesaanvraag
Het ontworpen artikel 23, tweede lid, van het Gerechtelijk
Wetboek (artikel 15 van het voorliggende voorontwerp) maakte
reeds het voorwerp uit van een voorontwerp van wet dat aan
de afdeling Wetgeving voorgelegd is. Het betrof artikel 2 van
het voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 26 december
2022 ‘betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en
houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken’.1
In de regel verleent de afdeling Wetgeving van de Raad van
State geen nieuw advies over bepalingen die al eerder zijn
onderzocht of die gewijzigd zijn ten gevolge van opmerkingen
in eerdere adviezen, tenzij de juridische context intussen is
gewijzigd. Wanneer de afdeling Wetgeving een advies heeft
gegeven, heeft ze de bevoegdheid waarover ze krachtens de
wet beschikt, volledig uitgeoefend; het komt haar derhalve niet
toe zich opnieuw uit te spreken over de reeds onderzochte
bepalingen, ongeacht of die herzien zijn om rekening te houden
met de opmerkingen die in het eerste advies zijn gemaakt,
dan wel ongewijzigd blijven.
Dat geldt niet wanneer overwogen wordt in de tekst volledig
nieuwe bepalingen in te voegen waarvan de inhoud losstaat
van de opmerkingen of voorstellen die de afdeling Wetgeving
in het eerste advies heeft geformuleerd: in zo’n geval moet
de afdeling Wetgeving weer geraadpleegd worden over de
nieuwe bepalingen.
Gelet op het voorgaande heeft de afdeling Wetgeving
haar adviesbevoegdheid uitgeput en is de adviesaanvraag
onontvankelijk in zoverre ze betrekking heeft op artikel 15
van het voorontwerp.
Bijzondere opmerkingen
Hoofdstuk 1 – Algemene bepaling
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
1
Die bepaling van het aan de Raad van State voorgelegde
voorontwerp (Parl.St. 2022‑23, nr. 55‑3046/001, 33) was eveneens
opgenomen in het bij de Kamer van volksvertegenwoordigers
ingediende wetsontwerp ‘betreffende de vermelding van de
rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke
zaken’ (ibidem, 71), maar na een amendement van de regering
(ibidem, nr. 55‑3046/002) is dat artikel 2 weggelaten uit het
ontwerp (verslag namens de Commissie voor de Justitie van de
Kamer van volksvertegenwoordigers, ibidem, nr. 55‑3046/003,
15) en is het dus niet aangenomen.
Observation préalable
– Irrecevabilité partielle de la demande d’avis
L’article 23, alinéa 2, en projet du Code judiciaire (article 15
de l’avant‑projet à l’examen) a déjà fait l’objet d’un avant‑projet
de loi soumis à la section de législation. Il s’agissait de l’article 2
de l’avant‑projet devenu la loi du 26 décembre 2022 ‘relative
à la mention des voies de recours et portant dispositions
diverses en matière judiciaire’1.
Sauf en cas de modification du contexte juridique, la section
de législation du Conseil d’État ne donne en règle générale
pas de nouvel avis sur des dispositions qui ont déjà été exa‑
minées précédemment ou qui ont été modifiées à la suite
d’observations formulées dans des avis antérieurs. Lorsque
la section de législation a donné un avis, elle a épuisé la
compétence que lui confère la loi et il ne lui appartient dès
lors pas de se prononcer à nouveau sur les dispositions
déjà examinées, qu’elles aient été revues pour tenir compte
des observations formulées dans le premier avis ou qu’elles
demeurent inchangées.
Il en va différemment lorsqu’il est envisagé d’insérer dans le
texte des dispositions entièrement nouvelles, dont le contenu
est indépendant des observations ou suggestions formulées
dans le premier avis de la section de législation: en pareil cas,
une nouvelle consultation de celle‑ci est requise, portant sur
les dispositions nouvelles.
Eu égard à ce qui précède, la section de législation a épuisé
sa saisine et la demande d’avis est irrecevable en tant qu’elle
concerne l’article 15 de l’avant‑projet.
Observations particulières
Chapitre 1
er –Disposition générale
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
1
Cette disposition de l’avant-projet soumis au Conseil d’État
(Doc. parl., 2022-2023, n° 55‑3046/001, p. 33) figurait également
dans le projet de loi ‘relative à la mention des voies de recours
et portant dispositions diverses en matière judiciaire’ déposé à
la Chambre des représentants (ibidem, p. 71) mais, à la suite
d’un amendement du gouvernement (ibidem, n° 55‑3046/002),
cet article 2 a été supprimé du projet (rapport fait au nom de la
Commission de la Justice de la Chambre des représentants,
ibidem, n° 55‑3046/003, p. 15) et n’a donc pas été adopté.
3552/001
DOC 55
146
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Hoofdstuk 2 – Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek
Afdeling 1 – Naamsverandering van kinderen in het geval
van opeenvolgende vaststelling van hun afstammingsband of
vanwege de naamsverandering van hun ouders
Artikelen 4, 5 en 6
Ontworpen artikelen 313, 319bis en 325/6 van het oud
Burgerlijk Wetboek
Luidens de ontworpen bepalingen wordt de akte medege‑
deeld of betekend aan de afstammelingen in de eerste graad
als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig kind
en aanleiding geeft tot diens naamsverandering.
In de toelichting bij de artikelen 4 tot 6 van het voorontwerp
staat daarover het volgende:
“Deze verschillende artikelen zijn aangepast om te ant‑
woorden op een opmerking van het College van Hoven en
Rechtbanken. Voor afstammelingen in de eerste graad lijkt
het moeilijk om binnen de gestelde termijnen een akte van
naamswijziging conform artikel 335sexies van het oud Burgerlijk
Wetboek te laten opmaken indien de wet niet voorziet in regels
voor de kennisgeving of betekening van de akte of beslissing
die de afstamming van hun ouder wijzigt en die een impact
kan hebben op hun naam.”
Op de vraag welke gevolgen de steller van het voorontwerp
wil verbinden aan de omstandigheid dat de akte niet aan
de afstammelingen meegedeeld of betekend wordt zoals
voorgeschreven in de ontworpen artikelen 313, § 4, 319bis,
vierde lid, en 325/6, vierde lid, geeft de gemachtigde van de
minister het volgende antwoord:
“Comme le précise le commentaire de l’article, l’objectif
des modifications de ces trois articles de l’ancien Code civil
était de porter la modification du lien de filiation du parent
qui pourrait avoir un impact sur le nom de l’enfant majeur à
la connaissance de ce dernier afin de garantir l’effectivité de
son droit à faire acter son changement de nom dans le délai
d’un an, comme prévu par l’article 335sexies, § 2, de l’ancien
Code civil (exposé des motifs, p. 38).”
Het is denkbaar dat de erkenning waarvan in de ontworpen
bepalingen sprake is, betrekking heeft op een minderjarig kind
dat reeds nakomelingen heeft.
Om te garanderen dat het beginsel van gelijkheid en
niet‑discriminatie ten aanzien van hen in acht genomen wordt,
moet het dispositief aldus aangepast worden dat daarin niet
gepreciseerd wordt dat het kind dat een naamsverandering
ondergaat, meerderjarig is.
Chapitre 2 – Modifications de l’ancien Code civil
Section 1re – Changement de nom des enfants en cas
d’établissement successif de leurs liens de filiation ou en
raison de la modification du nom de leurs parents
Articles 4, 5 et 6
Articles 313, 319bis et 325/6 en projet de l’ancien
Code civil
Les dispositions en projet prévoient que, si la reconnaissance
concerne un enfant majeur et donne lieu au changement de
nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux descendants
au premier degré.
Le commentaire des articles 4 à 6 de l’avant-projet précise
ce qui suit:
“Ces différents articles sont adaptés pour répondre à une
remarque formulée par le Collège des cours et tribunaux. Il
paraît en effet difficile aux descendants au premier degré de
faire établir un acte de changement de nom conformément
à l’article 335sexies de l’ancien Code civil dans les délais
impartis si la loi ne prévoit pas de modalités de notification ou
de signification de l’acte ou de la décision modifiant la filiation
de leur parent qui pourrait avoir un impact sur leur nom”.
Interrogée sur les conséquences que l’auteur de l’avant-projet
entend attacher à l’absence de notification ou de signification
aux descendants prévue par les articles 313, § 4, 319bis,
alinéa 4 et 325/6, alinéa 4, en projet, la déléguée du ministre
précise ce qui suit:
“Comme le précise le commentaire de l’article, l’objectif
des modifications de ces trois articles de l’ancien Code civil
était de porter la modification du lien de filiation du parent
qui pourrait avoir un impact sur le nom de l’enfant majeur à
la connaissance de ce dernier afin de garantir l’effectivité de
son droit à faire acter son changement de nom dans le délai
d’un an, comme prévu par l’article 335sexies, § 2, de l’ancien
Code civil (exposé des motifs, p. 38)”.
Il peut se concevoir que la reconnaissance dont il est
question dans les dispositions en projet concerne un enfant
mineur qui a déjà une descendance.
Afin de garantir le respect du principe d’égalité et de non-
discrimination à leur égard, il y a lieu d’adapter le dispositif
afin d’en omettre la précision selon laquelle l’enfant concerné
par le changement de nom est majeur.
147
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikelen 9 en 10
Ontworpen artikelen 335 en 335ter van het oud
Burgerlijk Wetboek
1. Wat betreft de artikelen 335, § 3, vijfde lid, en 335ter,
§ 2, vijfde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, die niet bij het
voorontwerp gewijzigd worden, en die volgens het voorontwerp
de artikelen 335, § 3, derde lid, en 335ter, § 2, derde lid, van
het oud Burgerlijk Wetboek worden, is de gemachtigde van de
minister het ermee eens dat de verwijzingen naar het tweede
en het vierde lid niet meer relevant zijn gelet op de wijzigingen
die in de artikelen 335 en 335ter aangebracht worden. De
gemachtigde van de minister heeft het volgende voorgesteld:
“L’article 335, § 3, (nouvel) alinéa 3, et l’article 335ter, § 2,
(nouvel) alinéa 3, de l’ancien Code civil devraient être abrogés.
D’une part, un officier de l’état civil ne pourra modifier le
nom d’un enfant à la suite d’une reconnaissance postnatale
que dans l’acte de reconnaissance. Il ne sera plus possible
d’effectuer une déclaration de choix de nom dans l’année qui
suit comme c’est encore le cas aujourd’hui.
D’autre part, la modification du nom mentionné dans les
actes de l’état civil de la personne concernée et ses descen‑
dants au premier degré trouve désormais son fondement dans
les articles 335, § 5 et 335ter, § 5, de l’ancien Code civil.”
Het dispositief moet dienovereenkomstig gewijzigd worden.
2.1. Uit de vergelijking van de artikelen 335, § 4, en 335ter,
§ 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ze thans van kracht
zijn, blijkt dat, net zoals bij artikel 9, 5° en 6°, van het vooront‑
werp het eerste en het tweede lid van artikel 335, § 4, van het
oud Burgerlijk Wetboek vervangen worden en het derde lid
van diezelfde bepaling opgeheven wordt, bij artikel 10, 4°
en 5°, van het voorontwerp het eerste en het tweede lid (en
niet het tweede en het derde lid) van artikel 335, § 4, van
het oud Burgerlijk Wetboek vervangen moet worden en het
derde lid (en niet het vierde lid) van die bepaling opgeheven
moet worden.2
Dat wordt bevestigd door de tabel waarin de huidige teksten
vergeleken worden met de teksten die het resultaat zijn van het
voorontwerp, welke tabel bij de adviesaanvraag gevoegd is.
Het is op basis van die interpretatie van artikel 335ter,
§ 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals het voortvloeit uit
artikel 10, 4° en 5°, van het voorontwerp, dat opmerking 2.2
geformuleerd wordt.
2.2. In de ontworpen artikelen 335, § 4, eerste lid, en 335ter,
§ 3, eerste lid, zijn de woorden “of de meerderjarige leeftijd”
overbodig, aangezien dezelfde bepalingen stipuleren dat,
zodra het kind de leeftijd van twaalf jaar bereikt heeft, geen
enkele verandering in zijn naam aangebracht kan worden
zonder zijn instemming.
2
De steller van het voorontwerp dient na te gaan of er nog
wetgevingstechnische vergissingen voorkomen in andere
bepalingen van het voorontwerp.
Articles 9 et 10
Articles 335 et 335ter en projet de l’ancien Code civil
1. En ce qui concerne les articles 335, § 3, alinéa 5, et 335ter,
§ 2, alinéa 5, de l’ancien Code civil, non modifiés par l’avant‑pro‑
jet, qui, selon celui‑ci, deviennent les articles 335, § 3, alinéa 3,
et 335ter, § 2, alinéa 3, de l’ancien Code civil, de l’accord de
la déléguée du ministre, les références aux alinéas 2 et 4 ne
sont plus pertinentes au vu des modifications apportées aux
articles 335 et 335ter. La déléguée du ministre a proposé ce
qui suit:
“L’article 335, § 3, (nouvel) alinéa 3, et l’article 335ter, § 2,
(nouvel) alinéa 3, de l’ancien Code civil devraient être abrogés.
D’une part, un officier de l’état civil ne pourra modifier le
nom d’un enfant à la suite d’une reconnaissance postnatale
que dans l’acte de reconnaissance. Il ne sera plus possible
d’effectuer une déclaration de choix de nom dans l’année qui
suit comme c’est encore le cas aujourd’hui.
D’autre part, la modification du nom mentionné dans les
actes de l’état civil de la personne concernée et ses descen‑
dants au premier degré trouve désormais son fondement dans
les articles 335, § 5 et 335ter, § 5, de l’ancien Code civil”.
Le dispositif sera modifié en conséquence.
2.1. Il résulte de la comparaison des articles 335, § 4,
et 335ter, § 3, de l’ancien Code civil, tels qu’ils sont actuel‑
lement en vigueur, que, de même que l’article 9, 5° et 6°, de
l’avant‑projet remplace les alinéas 1er et 2 et abroge l’alinéa 3
de l’article 335, § 4, de l’ancien Code civil, l’article 10, 4°
et 5°, de l’avant‑projet doit remplacer les alinéas 1er et 2 (et
non les alinéas 2 et 3) et abroger l’alinéa 3 (et non l’alinéa 4)
de l’article 335ter, § 3, de l’ancien Code civil2.
Cette manière de procéder est confirmée par le tableau de
comparaison des textes actuels et de ceux issus de l’avant‑projet
qui a été annexé à la demande d’avis.
C’est dans cette lecture de l’article 335ter, § 3, de l’ancien
Code civil, tel qu’il résulte de l’article 10, 4° et 5°, de l’avant‑pro‑
jet, que l’observation n° 2.2 est formulée.
2.2. Aux articles 335, § 4, alinéa 1er, et 335ter, § 3, alinéa 1er,
en projet, les mots “ou l’âge de la majorité” sont inutiles dès
lors que, dès que l’enfant a atteint l’âge de douze ans, les
mêmes dispositions prévoient qu’aucune modification ne peut
être apportée à son nom sans son accord.
2
Il appartient à l’auteur de l’avant-projet de vérifier si d’autres
erreurs de légistique ne figurent pas dans d’autres dispositions
de l’avant‑projet.
3552/001
DOC 55
148
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Die woorden moeten dan ook weggelaten worden.
Artikel 12
Ontworpen artikel 335sexies van het oud Burgerlijk
Wetboek
Wat de ontworpen paragraaf 1 betreft, rijst de vraag waarom
met de automatische toekenning, aan de afstammelingen,
van de naam van de ouder die is gekozen of vastgelegd ter
gelegenheid van een verandering van afstamming overeen‑
komstig de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3,
niet ingestemd moet worden door de kinderen van twaalf jaar
en ouder van de betrokken ouder. Een dergelijk recht wordt
nochtans erkend voor kinderen van twaalf jaar en ouder in
het kader van een wijziging van hun naam krachtens de
ontworpen artikelen 335 en 335ter, wanneer de kinderen de
afstammelingen in de eerste graad zijn van de ouder van wie
de verwantschapsband gewijzigd wordt.
Gevraagd naar een verantwoording voor dat verschil in
behandeling in het licht van de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, heeft de gemachtigde van de minister het volgende
geantwoord:
“Cette remarque peut être suivie. Le projet de loi et son
exposé des motifs seront adaptés de sorte que l’enfant de
plus de 12 ans ait la possibilité d’exprimer son consentement
au changement de nom dans le cas visé dans cet article.”
Het dispositief moet in die zin aangepast worden met dien
verstande dat verwezen dient te worden naar de kinderen
“die de leeftijd van twaalf jaar bereikt hebben” en niet naar
de kinderen “van meer dan 12 jaar”.
Afdeling 2 – Vervangende toestemming bij omzetting van
een interlandelijke adoptie die de afstamming niet verbreekt
in een volle adoptie
Artikel 13
Ontworpen artikel 359‑2 van het oud Burgerlijk Wetboek
Wat het ontworpen artikel 359‑2 van het Burgerlijk Wetboek
betreft, heeft de gemachtigde van de minister, toen haar ge‑
vraagd is wat het nut is van de afwijking van artikel 361‑4, 1°,
b), van het oud Burgerlijk Wetboek, dat betrekking heeft op
de toestemming van het kind (het feit dat de oorspronkelijke
afstamming van het kind niet vaststaat, dat de oorspronkelijke
ouders van het kind overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn,
geen gekende verblijfplaats hebben, in de onmogelijkheid
verkeren om hun wil te kennen te geven of wilsonbekwaam
zijn en dat het kind geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in
België lijkt immers geen invloed te hebben op de bekwaam‑
heid van het kind om zijn toestemming te geven), de volgende
uitleg gegeven:
“Zowel de prejudiciële vraag als de overwegingen van het
Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 55/2022 dat aan de basis
Ces mots seront dès lors supprimés.
Article 12
Article 335sexies en projet de l’ancien Code civil
En ce qui concerne le paragraphe 1er, en projet, la question
se pose de savoir pour quelle raison l’attribution automatique
aux descendants du nom du parent choisi ou fixé à l’occasion
d’un changement de filiation conformément aux articles 335,
§§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, n’est pas subordonnée au
consentement des enfants de douze ans et plus du parent
concerné. Un tel droit est pourtant reconnu aux enfants de
douze ans et plus dans le cadre d’une modification de leur
nom en vertu des articles 335 et 335ter en projet lorsque les
enfants sont les descendants de premier degré du parent dont
le lien de parenté est modifié.
Interrogée sur la justification de cette différence de traitement
au regard des articles 10 et 11 de la Constitution, la déléguée
du ministre a fourni la réponse suivante:
“Cette remarque peut être suivie. Le projet de loi et son
exposé des motifs seront adaptés de sorte que l’enfant de
plus de 12 ans ait la possibilité d’exprimer son consentement
au changement de nom dans le cas visé dans cet article”.
Le dispositif sera adapté en ce sens sous réserve de ce
qu’il convient de viser les enfants “ayant atteint l’âge de douze
ans” et non les enfants “de plus de 12 ans”.
Section 2 – Consentement de remplacement pour une
conversion en une adoption plénière d’une adoption interna‑
tionale qui ne rompt pas le lien de filiation
Article 13
Article 359‑2 en projet de l’ancien Code civil
En ce qui concerne l’article 359‑2 en projet du Code civil,
interrogée sur l’utilité de la dérogation à l’article 361‑4, 1°,
b), de l’ancien Code civil, qui concerne le consentement de
l’enfant (le fait que la filiation d’origine de l’enfant n’est pas
établie, que les parents d’origine de l’enfant sont décédés,
présumés absents, sans résidence connue, dans l’incapacité
ou incapable d’exprimer leur volonté et que l’enfant n’a pas de
représentant légal en Belgique paraît en effet sans incidence
sur la capacité de l’enfant à exprimer son consentement), la
déléguée du ministre a expliqué ce qui suit:
“Zowel de prejudiciële vraag als de overwegingen van het
Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 55/2022 dat aan de basis
149
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ligt van deze wetswijziging, verwijzen steeds naar de wettelijk
vereiste toestemmingen in artikel 361‑4, b) én c) oud BW.
Hierdoor is mogelijks verkeerdelijk de indruk ontstaan dat
het Grondwettelijk Hof een vervangende toestemming voor
beide nodig achtte.
Het dispositief van het arrest stuurt er op aan te voorzien
in een mechanisme van vervangende toestemming wanneer
vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en dat
er geen wettelijke vertegenwoordiger is. Zonder dergelijk
mechanisme schendt 359‑2 oud BW volgens het Hof de arti‑
kelen 10, 11 en 22bis GW, al dan niet in samenhang gelezen
met de artikelen 3 en 21 [van het Internationaal Verdrag inzake
de Rechten van het Kind].
Dit vereiste mechanisme van vervangende toestemming lijkt
inderdaad enkel betrekking te hebben op de toestemmingen
voorzien in punt c) en niet op de toestemming van het kind
voorzien in punt b).
Indien de Raad van State van oordeel is dat dit mechanisme
van vervangende toestemming niet logisch en niet nodig is
voor de toestemming van het kind voorzien in punt b), kan het
ontwerp in die zin aangepast worden.”
Aangezien geen enkele uitleg lijkt te worden gegeven die
het nut aantoont van de afwijking van artikel 361‑4, 1°, b),
van het Burgerlijk Wetboek, moet deze afwijking weggelaten
worden om de rechten van het kind te vrijwaren.
Afdeling 3 – Wijziging van de opdrachten van de bewind‑
voerder na het overlijden van de beschermde persoon
Deze afdeling geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 3 – Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Artikelen 16, 19, 20, 21 en 23
In diverse artikelen van het voorontwerp (artikelen 16, 19,
1°, 20, 1°, 21, 1°, en 23, 1°) wordt bepaald dat de respectieve‑
lijke hoven en rechtbanken “in voorkomend geval” bestaan uit
één of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de
rechtbank of het arbeidshof onderverdeeld is in afdelingen,
moet er ten minste bij één van deze afdelingen een kamer
voor minnelijke schikking worden ingericht.
Dit facultatief karakter van de kamers voor minnelijke schik‑
king, met uitzondering van de arbeidshoven en de rechtbanken
die in verschillende afdelingen zijn opgedeeld, vindt bevestiging
in de overgangsregeling vervat in artikel 99 van het voorontwerp,
evenals in de memorie van toelichting. Bijgevolg is de toegang
tot een kamer voor minnelijke schikking enkel verzekerd voor
ligt van deze wetswijziging, verwijzen steeds naar de wettelijk
vereiste toestemmingen in artikel 361‑4, b) én c) oud BW.
Hierdoor is mogelijks verkeerdelijk de indruk ontstaan dat
het Grondwettelijk Hof een vervangende toestemming voor
beide nodig achtte.
Het dispositief van het arrest stuurt er op aan te voorzien
in een mechanisme van vervangende toestemming wanneer
vaststaat dat de oorspronkelijke ouders onbekend zijn en dat
er geen wettelijke vertegenwoordiger is. Zonder dergelijk
mechanisme schendt 359‑2 oud BW volgens het Hof de arti‑
kelen 10, 11 en 22bis GW, al dan niet in samenhang gelezen
met de artikelen 3 en 21 [van het Internationaal Verdrag inzake
de Rechten van het Kind].
Dit vereiste mechanisme van vervangende toestemming lijkt
inderdaad enkel betrekking te hebben op de toestemmingen
voorzien in punt c) en niet op de toestemming van het kind
voorzien in punt b).
Indien de Raad van State van oordeel is dat dit mechanisme
van vervangende toestemming niet logisch en niet nodig is
voor de toestemming van het kind voorzien in punt b), kan het
ontwerp in die zin aangepast worden”.
Dès lors qu’aucune explication ne paraît justifier l’utilité de
la dérogation à l’article 361‑4, 1°, b), du Code civil, celle‑ci
sera omise dans le souci de préserver les droits de l’enfant.
Section 3 – Modification des missions de l’administrateur
après le décès de la personne protégée
Cette section n’appelle aucune observation.
Chapitre 3 – Modifications du Code judiciaire
Articles 16, 19, 20, 21 et 23
Divers articles de l’avant-projet (articles 16, 19, 1°, 20, 1°, 21,
1°, et 23, 1°) disposent que les cours et tribunaux respectifs se
composent, “le cas échéant”, d’une ou plusieurs chambres de
règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal ou la cour du travail
sont répartis en divisions, une des divisions se compose au
moins d’une chambre de règlement à l’amiable.
Ce caractère facultatif des chambres de règlement à
l’amiable, à l’exception des cours du travail et des tribunaux
qui sont répartis en plusieurs divisions, est confirmé dans le
régime transitoire prévu à l’article 99 de l’avant‑projet, ainsi
que dans l’exposé des motifs. Par conséquent, l’accès à une
chambre de règlement à l’amiable n’est assuré que pour les
3552/001
DOC 55
150
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
rechtzoekenden die binnen de territoriale bevoegdheidssfeer
vallen van een rechtbank die onderverdeeld is in afdelingen.3
Gevraagd of er in een evenwaardig alternatief wordt voor‑
zien voor rechtzoekenden, vallend onder de territoriale be‑
voegdheidssfeer van een rechtbank die niet in afdelingen is
onderverdeeld en waarbij geen gebruik is gemaakt van de
mogelijkheid om een kamer voor minnelijke schikking in te
richten en om, bij gebrek daaraan, dit onderscheid te verant‑
woorden, verklaarde de gemachtigde:
“Lorsque le tribunal est réparti en division, une des divi‑
sions doit comporter au moins une chambre de règlement à
l’amiable. L’intention n’est pas d’obliger toutes les divisions
de l’arrondissement à créer de telles chambres. Néanmoins
il faut au moins une chambre de règlement à l’amiable dans
chaque tribunal de chaque arrondissement.
Sur ce dernier point, le texte devra être clarifié.”
Met betrekking tot de hoven van beroep bevestigde de
gemachtigde dit principe nogmaals als volgt:
“Concernant l’obligation de créer une chambre de règlement
à l’amiable dans au moins une division lorsque le tribunal et
la cour est répartie en division ne concerne pas les cours
d’appel car elles ne sont pas réparties en division. Néanmoins
le principe est qu’il existe au moins une chambre dans chaque
tribunal/cour de chaque arrondissement.”
Indien het inderdaad de bedoeling is dat in elk arrondis‑
sement en zowel op het niveau van eerste aanleg als in graad
van beroep een kamer voor minnelijke schikking wordt inge‑
richt, zodat alle rechtzoekenden in de mogelijkheid verkeren
een beroep te doen op dergelijke kamer (al dan niet bij een
andere afdeling), dient dit telkens te worden verduidelijkt in
de tekst van het voorontwerp.
Artikel 25
Zoals ook werd bevestigd door de gemachtigde dient in het
ontworpen artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek
de verwijzing naar “de informatie bedoeld in paragraaf 2/1,
derde lid” te worden vervangen door “de informatie bedoeld
in paragraaf 2/1, tweede lid”.
Artikel 26
Luidens het ontworpen artikel 508/19bis van het Gerechtelijk
Wetboek mag het bedrag van de jaarlijkse subsidie voor de
kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor
juridische bijstand niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding
bedoeld in artikel 508/19, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek.
3
Met dien verstande dat gelet op de overgangsbepaling vervat in
artikel 99 van het voorontwerp, onverminderd de reeds bestaande
kamers voor minnelijke schikking, ook de oprichting van nieuwe
kamers voor minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken
opgesplitst in afdelingen facultatief is tot 1 september 2025.
justiciables relevant de la sphère de compétence territoriale
d’un tribunal réparti en divisions3.
À la question de savoir s’il est prévu une alternative équiva‑
lente pour les justiciables relevant de la sphère de compétence
territoriale d’un tribunal qui n’est pas réparti en divisions et où
il n’a pas été fait usage de la possibilité de créer une chambre
de règlement à l’amiable et, à défaut d’une telle alternative,
invité à justifier cette distinction, le délégué a déclaré:
“Lorsque le tribunal est réparti en division, une des divi‑
sions doit comporter au moins une chambre de règlement à
l’amiable. L’intention n’est pas d’obliger toutes les divisions
de l’arrondissement à créer de telles chambres. Néanmoins
il faut au moins une chambre de règlement à l’amiable dans
chaque tribunal de chaque arrondissement.
Sur ce dernier point, le texte devra être clarifié”.
En ce qui concerne les cours d’appel, le délégué a une
nouvelle fois confirmé ce principe en ces termes:
“Concernant l’obligation de créer une chambre de règlement
à l’amiable dans au moins une division lorsque le tribunal et
la cour est répartie en division ne concerne pas les cours
d’appel car elles ne sont pas réparties en division. Néanmoins
le principe est qu’il existe au moins une chambre dans chaque
tribunal/cour de chaque arrondissement”.
Si l’intention est effectivement de créer une chambre de
règlement à l’amiable dans chaque arrondissement, et ce tant
au niveau de la première instance qu’en degré appel, de sorte
que tous les justiciables puissent recourir à pareille chambre
(que ce soit ou non dans une autre division), il y aurait lieu de
le préciser chaque fois dans le texte de l’avant‑projet.
Article 25
Comme l’a également confirmé le délégué, il convient de
remplacer à l’article 508/19, § 3, en projet, du Code judiciaire,
la référence à “l’information visée au paragraphe 2/1, alinéa 3,”
par “l’information visée au paragraphe 2/1, alinéa 2,”.
Article 26
Aux termes de l’article 508/19bis, en projet, du Code judi‑
ciaire, le montant de la subvention annuelle prévue pour les
frais liés à l’organisation des bureaux d’aide juridique ne peut
excéder 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3, du
Code judiciaire.
3
Étant entendu que, eu égard à la disposition transitoire contenue
à l’article 99 de l’avant-projet, sans préjudice des chambres de
règlement à l’amiable déjà existantes, la création de nouvelles
chambres de règlement à l’amiable au sein des cours et
tribunaux répartis en divisions est également facultative jusqu’au
1er septembre 2025.
151
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De Koning wordt gemachtigd om, bij een in de Ministerraad
overlegd koninklijk besluit en op gemotiveerde vraag van de
in artikel 488 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde over‑
heden op basis van aangetoonde kosten, af te wijken van het
percentage van 7 %.
Gevraagd of deze machtiging een reglementaire of een
individuele draagwijdte heeft, verklaarde de gemachtigde:
“On peut confirmer que la volonté première de l’auteur du
texte est de permettre des dérogations spécifiques rendues
nécessaires par les constats qui sont remontés des barreaux
vers les Ordres.
Toutefois, rien n’est à exclure surtout si les constats précités
trahissent un changement de plus grande ampleur qui est
susceptible d’affecter l’ensemble des barreaux (ex.: cas non
voulu de sur-inflation consécutif à une instabilité économique
conjoncturelle).”
Uit de ontworpen bepaling blijkt niet duidelijk of het de
bedoeling is om de Koning een individuele, dan wel een
verordenende bevoegdheid te verlenen. Of het gaat om een
delegatie die betrekking heeft op een individuele of reglemen‑
taire bevoegdheid zou in de tekst zelf van het voorontwerp tot
uitdrukking moeten worden gebracht.
Artikel 34
Ontworpen artikel 733/1 van het Gerechtelijk Wetboek
In vergelijking met wat bepaald is in het ontworpen arti‑
kel 734/3, § 2, eerste en tweede lid (artikel 38 van het voor‑
ontwerp), zou het dispositief van het ontworpen artikel 733/1
aldus aangevuld moeten worden dat daarin bepaald wordt
wat de praktische gevolgen zijn in verband met het mogelijke
vervolg van de hangende procedure ingeval de minnelijke
schikking niets oplevert.
Artikel 36
Ontworpen artikel 734/1 van het Gerechtelijk Wetboek
1. Met betrekking tot het ontworpen artikel 734/1, § 1,
eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek en het nut van de
verwijzing daarin naar het ontworpen artikel 733/1, heeft de
gemachtigde van de minister het volgende verduidelijkt:
“Les dispositions concernant la conciliation ont été modi‑
fiées afin de bien faire la distinction entre la conciliation pré‑
contentieuse (art. 731/1) et la conciliation qui a lieu en cours
d’instance (art. 733/1). En fonction de l’une ou l’autre de ces
hypothèses, la manière de saisir le tribunal sera différente:
soit introduction par requête (731/1), soit demande soumise au
juge afin de solliciter une audience de conciliation (demande
au juge selon 733/1, qui renvoie lui‑même à l’article 732 pour
convoquer les parties à l’audience).
Le Roi est habilité à s’écarter du taux de 7 % par arrêté royal
délibéré en Conseil des ministres et à la demande motivée
des autorités visées à l’article 488 du Code judiciaire sur la
base de frais démontrés.
À la question de savoir si cette habilitation a une portée
réglementaire ou individuelle, le délégué a déclaré:
“On peut confirmer que la volonté première de l’auteur du
texte est de permettre des dérogations spécifiques rendues
nécessaires par les constats qui sont remontés des barreaux
vers les Ordres.
Toutefois, rien n’est à exclure surtout si les constats précités
trahissent un changement de plus grande ampleur qui est
susceptible d’affecter l’ensemble des barreaux (ex.: cas non
voulu de sur‑inflation consécutif à une instabilité économique
conjoncturelle)”.
Il ne ressort pas clairement de la disposition en projet si
l’intention est de conférer au Roi un pouvoir individuel ou
réglementaire. Il devrait être précisé clairement dans le texte
même de l’avant‑projet s’il s’agit d’une délégation qui concerne
un pouvoir individuel ou réglementaire.
Article 34
Article 733/1 en projet du Code judicaire
Par comparaison avec ce qui est prévu à l’article 734/3,
§ 2, alinéa 1er et 2, en projet (article 38 de l’avant‑projet), il
conviendrait de compléter le dispositif de l’article 733/1 en
projet afin de prévoir les conséquences pratiques relatives à
l’éventuelle suite de la procédure pendante dans l’hypothèse
où la conciliation n’aboutit pas.
Article 36
Article 734/1 en projet du Code judiciaire
1. En ce qui concerne l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, en
projet du Code judiciaire et l’utilité de la référence qui y est
faite à l’article 733/1 en projet, la déléguée du ministre a
précisé ce qui suit:
“Les dispositions concernant la conciliation ont été modi‑
fiées afin de bien faire la distinction entre la conciliation pré‑
contentieuse (art. 731/1) et la conciliation qui a lieu en cours
d’instance (art. 733/1). En fonction de l’une ou l’autre de ces
hypothèses, la manière de saisir le tribunal sera différente:
soit introduction par requête (731/1), soit demande soumise au
juge afin de solliciter une audience de conciliation (demande
au juge selon 733/1, qui renvoie lui-même à l’article 732 pour
convoquer les parties à l’audience).
3552/001
DOC 55
152
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
L’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, entend reprendre le même
fonctionnement pour saisir la chambre de règlement à l’amiable:
soit on introduit une requête comme pour la conciliation pré‑
contentieuse, soit on demande la fixation d’une audience de
conciliation. Il est important de faire référence à l’article 733/1
car il s’agit bien d’une conciliation en cours de procédure et
pas d’une conciliation précontentieuse.”
Er wordt akte genomen van deze uitleg.
2. Aangezien de zaak, zowel op verzoek van de partijen
als op initiatief van de rechter “indien hij dit nuttig acht”, in
de loop van het geding naar de kamer voor minnelijke schik‑
king verwezen kan worden, moeten de partijen opgeroepen
worden binnen een termijn die het geding geen onredelijk
lange vertraging doet oplopen (zoals dat trouwens bepaald
wordt voor de gevallen waarin het ontworpen artikel 732 van
het Gerechtelijk Wetboek toegepast wordt).
Het dispositief moet dan ook aldus aangevuld worden dat
een dergelijke garantie geboden wordt.4
Artikel 42
Ontworpen artikel 1094/2 van het Gerechtelijk Wetboek
Op de vraag of met betrekking tot het ontworpen arti‑
kel 1094/2, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet ook
naar artikel 1094/1 van het Gerechtelijk Wetboek verwezen
zou moeten worden, heeft de gemachtigde van de minister
geantwoord dat
“[e]n ce qui concerne l’article 1094/1, il est d’application
tellement exceptionnelle pour les requêtes ‘principales’ qu’il
n’a pas été considéré utile de l’étendre à la procédure mue
par requête complémentaire”.
Die uitleg overtuigt niet: ook al gaat het om een uitzonderlijk
geval, het is de bedoeling dat artikel 1094/1 van het Gerechtelijk
Wetboek ook geldt voor het ontworpen dispositief.
Er moet dus eveneens melding van gemaakt worden in het
derde lid van het ontworpen artikel 1094/2 van het Gerechtelijk
Wetboek.
Artikel 44
Ontworpen artikel 1187 van het Gerechtelijk Wetboek
4
Over hoe belangrijk het is om de rechtzoekende het recht te
waarborgen om binnen een redelijke termijn via rechtspraak tot
een oplossing te komen, zie advies 61.997/4 van 4 oktober 2017
over een voorontwerp dat geleid heeft tot de wet van 18 juni 2018
‘houdende diverse bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen
met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van
geschillenoplossing’ (Parl.St. Kamer 2017‑18, nr. 54‑2919/001,
algemene opmerking 3 gemaakt in het kader van het onderzoek
van hoofdstuk 1 van titel 9, pp. 548 tot 551).
L’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, entend reprendre le même
fonctionnement pour saisir la chambre de règlement à l’amiable:
soit on introduit une requête comme pour la conciliation pré‑
contentieuse, soit on demande la fixation d’une audience de
conciliation. Il est important de faire référence à l’article 733/1
car il s’agit bien d’une conciliation en cours de procédure et
pas d’une conciliation précontentieuse”.
Il est pris acte de cette explication.
2. Dès lors que le renvoi de la cause devant la chambre
de règlement à l’amiable peut intervenir en cours d’instance
tant à la demande des parties qu’à l’initiative du juge, “s’il
l’estime utile”, la convocation des parties doit intervenir dans
un délai permettant de ne pas retarder de manière déraison‑
nable l’instance (comme cela est d’ailleurs prévu pour les
hypothèses faisant application de l’article 732 en projet du
Code judiciaire).
Le dispositif sera dès lors complété afin d’offrir une telle
garantie4.
Article 42
Article 1094/2 en projet du Code judiciaire
Interrogée sur la question de savoir si, en ce qui concerne
l’article 1094/2, alinéa 3, en projet du Code judiciaire, il ne
faudrait pas également faire référence à l’article 1094/1 du
Code judiciaire, la déléguée du ministre a répondu qu’
“[e]n ce qui concerne l’article 1094/1, il est d’application
tellement exceptionnelle pour les requêtes ‘principales’ qu’il
n’a pas été considéré utile de l’étendre à la procédure mue
par requête complémentaire”.
Cette explication ne convainc pas: même si c’est à titre
exceptionnel, l’article 1094/1 du Code judiciaire a vocation à
s’appliquer au dispositif en projet.
Il sera donc également mentionné à l’alinéa 3 de l’ar‑
ticle 1094/2 en projet du Code judiciaire.
Article 44
Article 1187 en projet du Code judiciaire
4
Sur l’importance de garantir au justiciable son droit à une solution
juridictionnelle dans un délai raisonnable, voir l’avis 61.997/4
donné le 4 octobre 2017 sur un avant‑projet devenu la loi du
18 juin 2018 ‘portant dispositions diverses en matière de droit civil
et des dispositions en vue de promouvoir des formes alternatives
de résolution des litiges’, (Doc. parl., Chambre, 2017‑2018,
n° 54‑2919/001, observation générale n° 3 formulée dans le cadre
de l’examen du chapitre 1er du titre 9, pp. 548 à 551).
153
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
In het voorontwerp wordt herhaaldelijk verwezen naar de
“wet tot bescherming van de maatschappij”.
Op de vraag of, wat het ontworpen artikel 1187, tweede lid,
van het Gerechtelijk Wetboek betreft, gelet op het eerste lid
van die bepaling, niet ook verwezen zou moeten worden naar
de personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet van 9 april
1930 ‘tot bescherming van de maatschappij’, die opgeheven
is bij de wet van 5 mei 2014 ‘betreffende de internering’, heeft
de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord:
“Effectivement, l’absence d’une référence aux ‘person‑
nes internées par application de la loi sur la défense sociale’
dans l’article 1187, alinéa 2, du Code judiciaire, ne paraît
pas justifiable dès lors qu’une telle référence apparaît dans
l’alinéa 1er de cet article.
Cela étant, après réexamen de cet article, nous constatons
que la référence à la ‘loi sur la défense sociale’ n’est pas
exacte puisque la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a
été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement.
En outre, nous constatons aussi qu’en réalité, l’incapacité de
la personne internée ne découle pas de l’internement comme
tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection
judiciaire, prise sur base de l’article 1238, § 2, 2°.
Les références aux ‘personnes protégées’ et aux ‘admi‑
nistrateurs des personnes protégées’, qui figurent déjà dans
l’article 1187 du Code judiciaire semblent donc suffisantes pour
couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une
référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente.”
Er wordt akte genomen van deze uitleg waaruit voortvloeit
dat de verwijzing naar de wet tot bescherming van de maat‑
schappij aangepast moet worden in alle betrokken bepalingen
van het Gerechtelijk Wetboek.
Hoofdstuk 4 – Wijzigingen van het Wetboek van de Belgische
nationaliteit
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 5 – Wijziging van de wet van 11 april 1995 tot
invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde
Artikel 75
Het ontworpen artikel 2, eerste lid, 1°, h), van de wet van
11 april 1995 ‘tot invoering van het ‘handvest’ van de sociaal
verzekerde’ bepaalt dat de “uitkeringen” bedoeld in de wet
van 18 juli 2017 ‘betreffende de oprichting van het statuut van
nationale solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen
en de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden van
terrorisme’ onder de notie ‘sociale zekerheid’ ressorteren. In
het Gerechtelijk Wetboek, waarbij blijkens de memorie van
toelichting aansluiting wordt gezocht, is evenwel sprake van
“de terugbetalingen van medische zorgen en de herstelpen‑
sioenen bedoeld in de wet van 18 juli 2017 (…)”.
À plusieurs reprises, il est fait référence dans l’avant‑projet
à la “loi de défense sociale”.
Interrogée sur la question de savoir si, en ce qui concerne
l’article 1187, alinéa 2, en projet du Code judiciaire, il ne faudrait
pas, au vu de l’alinéa 1er de cette disposition, également viser
les personnes internées par application de la loi du 9 avril 1930
‘de défense sociale’, abrogée par la loi du 5 mai 2014 ‘relative
à l’internement’, la déléguée du ministre a précisé ce qui suit:
“Effectivement, l’absence d’une référence aux “personnes
internées par application de la loi sur la défense sociale”
dans l’article 1187, alinéa 2, du Code judiciaire, ne paraît
pas justifiable dès lors qu’une telle référence apparaît dans
l’alinéa 1er de cet article.
Cela étant, après réexamen de cet article, nous constatons
que la référence à la ‘loi sur la défense sociale’ n’est pas
exacte puisque la loi de défense sociale du 9 avril 1930 a
été abrogée par la loi du 5 mai 2014 relative à l’internement.
En outre, nous constatons aussi qu’en réalité, l’incapacité de
la personne internée ne découle pas de l’internement comme
tel, mais de la décision de placer l’interné sous protection
judiciaire, prise sur base de l’article 1238, § 2, 2°.
Les références aux ‘personnes protégées’ et aux ‘admi‑
nistrateurs des personnes protégées’, qui figurent déjà dans
l’article 1187 du Code judiciaire semblent donc suffisantes pour
couvrir adéquatement les personnes internées, sans qu’une
référence spécifique à ces dernières apparaisse pertinente”.
Il est pris acte de cette explication, dont il découle que la
référence à la loi de défense sociale doit être adaptée au sein
de l’ensemble des dispositions concernées du Code judiciaire.
Chapitre 4 – Modifications du Code de la nationalité belge
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 5 – Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à
instituer “la charte” de l’assuré social
Article 75
L’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en projet, de la loi du 11 avril
1995 ‘visant à instituer la ‘charte’ de l’assuré social’ dispose
que les “prestations” visées dans la loi du 18 juillet 2017 ‘rela‑
tive à la création du statut de solidarité nationale, à l’octroi
d’une pension de dédommagement et au remboursement des
soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme’ relèvent de la
notion de ‘sécurité sociale’. Le Code judiciaire, dont on vise à
se rapprocher selon l’exposé des motifs, mentionne toutefois
“les remboursements de soins de santé et les pensions de
dédommagement visés dans la loi du 18 juillet 2017 (…)”.
3552/001
DOC 55
154
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Het komt de stellers van het voorontwerp toe na te gaan
of de ruimere omschrijving in het ontworpen artikel 2, eerste
lid, 1°, h), van de wet van 11 april 1995 overeenstemt met
de bedoeling van de stellers van het voorontwerp en om de
bewoordingen in beide regelingen desgevallend met elkaar
in overeenstemming te brengen.
Verder verdient het aanbeveling om de Nederlandse tekst
van het ontworpen artikel 2, eerste lid, 1°, h), van de wet van
11 april 1995 in overeenstemming te brengen met de Franse
tekst door te verwijzen naar de “prestaties” bedoeld in de wet
van 18 juli 2017 in de plaats van naar de “uitkeringen”.
Hoofdstuk 6 – Wijzigingen van het Wetboek van economisch
recht
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 7 – Wijziging van de wet van 19 maart 2017
tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand
Artikel 81
Het ontworpen artikel 5, § 2, tweede lid, van de wet van
19 maart 2017 ‘tot oprichting van een begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand’ schrijft voor dat het geïndexeerde
bedrag van de bijdragen die dienen te worden betaald aan het
begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en in werking
treedt5 op de eerste werkdag van de tweede maand na de in
het eerste lid bedoelde wijziging van het indexcijfer van de
consumptieprijzen.
Een gelijkaardige bekendmaking is op heden nog niet
voorzien. Door de wijze waarop de inwerkingtreding van het
nieuwe bedrag wordt bepaald, valt niet uit te sluiten dat het
nieuwe, verhoogde bedrag van de bijdrage reeds van toepas‑
sing is vooraleer het nieuwe bedrag bekendgemaakt is in het
Belgisch Staatsblad.
Daarover bevraagd, stelde de gemachtigde:
“L’entrée en vigueur est clairement précisée: ‘ Le nouveau
montant de la contribution visée au paragraphe 1er est publié
par avis au Moniteur belge. Il entre en vigueur le 1er jour ou‑
vrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice
des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er.’ On a justement
modifié cette règle pour permettre le changement informatique
dans un délai déterminé et une publication au moniteur belge
préalablement à l’entrée en vigueur. L’administration veille
toujours à ce que la publication au moniteur belge précède
l’entrée en vigueur. Une précision dans ce sens pourrait être
ajoutée dans l’exposé des motifs.”
5
In de Nederlandse tekst van het voorontwerp dient de tweede zin
van het ontworpen artikel 5, § 2, tweede lid, aan te vangen met
het woord “Het” in de plaats van “Zij” aangezien beoogd wordt
terug te verwijzen naar het nieuwe bedrag.
Il appartient aux auteurs de l’avant-projet de vérifier si la
définition plus large figurant à l’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en
projet, de la loi du 11 avril 1995 correspond à l’intention des
auteurs de l’avant-projet et, le cas échéant, d’harmoniser les
formulations dans les deux régimes.
En outre, il est recommandé de mettre le texte néerlandais
de l’article 2, alinéa 1er, 1°, h), en projet, de la loi du 11 avril
1995 en concordance avec le texte français en faisant réfé‑
rence aux “prestaties” visées dans la loi du 18 juillet 2017 et
non aux “uitkeringen”.
Chapitre 6 – Modifications du Code de droit économique
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 7 – Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant
un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne
Article 81
L’article 5, § 2, alinéa 2, en projet, de la loi du 19 mars
2017 ‘instituant un fonds budgétaire relatif à l’aide juridique
de deuxième ligne’ prescrit que le montant indexé des contri‑
butions dues au fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de
deuxième ligne est publié par avis au Moniteur belge et entre
en vigueur5 le premier jour ouvrable du deuxième mois qui
suit le changement de l’indice des prix à la consommation
visé à l’alinéa 1er.
Une telle publication n’est pas encore prévue à ce jour.
Étant donné la façon dont l’entrée en vigueur du nouveau
montant est déterminée, il n’est pas exclu que le nouveau
montant majoré de la contribution soit déjà d’application
avant la publication du nouveau montant au Moniteur belge.
Interrogé à ce sujet, le délégué a déclaré ce qui suit:
“L’entrée en vigueur est clairement précisée: ‘ Le nouveau
montant de la contribution visée au paragraphe 1er est publié
par avis au Moniteur belge. Il entre en vigueur le 1er jour
ouvrable du deuxième mois qui suit le changement de l’indice
des prix à la consommation visé à l’alinéa 1er.’ On a justement
modifié cette règle pour permettre le changement informatique
dans un délai déterminé et une publication au moniteur belge
préalablement à l’entrée en vigueur. L’administration veille
toujours à ce que la publication au moniteur belge précède
l’entrée en vigueur. Une précision dans ce sens pourrait être
ajoutée dans l’exposé des motifs”.
5
Dans le texte néerlandais de l’avant-projet, la deuxième phrase
de l’article 5, § 2, alinéa 2, en projet, doit débuter par le mot
“Het” au lieu de “Zij”, dès lors que l’intention est de renvoyer au
nouveau montant.
155
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
De ontworpen regeling inzake de inwerkingtreding van het
nieuwe bedrag van de bijdrage dient te worden verduidelijkt,
waarbij het aanbeveling verdient dat een meer rechtszekere
formulering wordt gehanteerd die garandeert dat het geïn‑
dexeerde bedrag pas toegepast wordt na de bekendmaking
ervan in het Belgisch Staatsblad.
Hoofdstuk 8 – Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 9 – Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019 houdende
diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, moderni‑
sering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en
inzake de notariële aktebank
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 10 – Wijziging van de wet van 16 oktober 2022
tot oprichting van het Centraal register voor de beslissingen
van de rechterlijke orde en betreffende de bekendmaking van de
vonnissen en tot wijziging van de assisenprocedure betreffende
de wraking van de gezworenen
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 11 – Wijziging van de wet van 22 november 2022
tot wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt,
tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge‑
rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse
bepalingen
Artikelen 94 en 95
De artikelen 94 en 95 verwijzen respectievelijk naar zowel
de artikelen 83 en 103 van de wet van 22 november 2022 ‘tot
wijziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt,
tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en de ge‑
rechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek en diverse
bepalingen’, alsook naar de hierdoor gewijzigde artikelen 535
en 555/5bis, van het Gerechtelijk Wetboek.
De artikelen 83 en 103 van de wet van 22 november 2022
zijn wijzigingsbepalingen, die in beginsel op 1 januari 2024
in werking treden.6
Het is af te raden om een wijzigingsbepaling te wijzigen die
niet in werking is getreden. Het verdient aanbeveling om een
nieuwe wijzigingsbepaling te formuleren die de oorspronkelijke
tekst rechtstreeks wijzigt, eventueel na de oorspronkelijke
wijzigingsbepaling te hebben opgeheven. Op die manier
wordt gezorgd voor een grotere transparantie en is het voor
6
Artikel 124, derde lid, van de wet van 22 november 2022. Luidens
artikel 124, vierde lid, van diezelfde wet kan de Koning echter een
datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum
vermeld in het derde lid.
Le dispositif en projet relatif à l’entrée en vigueur du nou‑
veau montant de la contribution doit être clarifié, auquel cas
il est recommandé d’utiliser une formulation juridiquement
plus sûre garantissant que le montant indexé ne sera appliqué
qu’après sa publication au Moniteur belge.
Chapitre 8 – Modification du Code civil
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 9 – Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant
dispositions diverses en matière d’informatisation de la Justice,
de modernisation du statut des juges consulaires et relativement
à la banque des actes notariés
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 10 – Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant
la création du Registre central pour les décisions de l’ordre
judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant
la procédure d’assises relative à la récusation des jurés
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 11 – Modification de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803 contenant orga‑
nisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour
les notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire
et des dispositions diverses
Articles 94 et 95
Les articles 94 et 95 visent respectivement tant les articles 83
et 103 de la loi du 22 novembre 2022 ‘portant modification
de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat,
introduisant un conseil de discipline pour les notaires et les
huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions
diverses’ que les articles 535 et 555/5bis du Code judiciaire,
modifiés par cette loi.
Les articles 83 et 103 de la loi du 22 novembre 2022 sont
des dispositions modificatives qui entreront en principe en
vigueur le 1er janvier 20246.
Il est déconseillé de modifier une disposition modificative
qui n’est pas entrée en vigueur. Il est recommandé de formuler
une nouvelle disposition modificative qui modifie directement
l’acte originel, éventuellement après avoir abrogé la disposi‑
tion modificative initiale. On veillera ainsi à une plus grande
6
Article 124, alinéa 3, de la loi du 22 novembre 2022. Selon
l’article 124, alinéa 4, de la même loi, le Roi peut fixer une date
d’entrée en vigueur antérieure à celle mentionnée à l’alinéa 3.
3552/001
DOC 55
156
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
de rechtsonderhorigen eenvoudiger om werkelijk rekening te
houden met de wijziging.7
Hoofdstuk 12 – Wijziging van de wet van 14 maart 2023 tot
uitvoering en aanvulling van Verordening (EU) 2020/1783 van het
Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betref‑
fende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op
het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken,
en van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de
kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerech‑
telijke stukken in burgerlijke of in handelszaken
Dit hoofdstuk geeft geen aanleiding tot opmerkingen.
Hoofdstuk 13 – Overgangsbepalingen
Artikel 98
In artikel 98 van het voorontwerp schrijve men in de
Nederlandse tekst “kamer voor minnelijke schikking”.
Artikel 99
In artikel 99 van het voorontwerp dient in de Nederlandse
tekst de zinsnede “de hoven en rechtbanken opgesplitst in
kamers” te worden vervangen door “de hoven en rechtbanken
verdeeld in afdelingen”.
Hoger werd bij hoofdstuk 3 van het voorontwerp reeds
opgemerkt dat indien het de bedoeling is dat in elk arrondis‑
sement een kamer voor minnelijke schikking wordt ingericht, dit
dient te worden verduidelijkt in de tekst van het voorontwerp.
Ook de overgangsregeling voorzien in artikel 99 van het
voorontwerp dient in het licht daarvan aan een nader onder‑
zoek te worden onderworpen en hierop te worden afgestemd.
Hoofdstuk 14 – Inwerkingtreding
7
Zie Beginselen van de wetgevingstechniek. Handleiding voor
het opstellen van wetgevende en reglementaire teksten, Raad
van State, 2008, aanbevelingen 129 tot 131 te raadplegen op de
internetsite van de Raad van State (www.raadvst‑consetat.be).
transparence et cela facilitera la prise en compte effective de
la modification par les justiciables7.
Chapitre 12 – Modification de la loi du 14 mars 2023 met‑
tant en œuvre et complétant le règlement (UE) 2020/1783 du
Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à
la coopération entre les juridictions des États membres dans le
domaine de l’obtention des preuves en matière civile ou commer‑
ciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen
et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et
à la notification dans les États membres des actes judiciaires et
extrajudiciaires en matière civile ou commerciale
Ce chapitre n’appelle aucune observation.
Chapitre 13 – Dispositions transitoires
Article 98
Dans le texte néerlandais de l’article 98 de l’avant-projet,
on écrira “kamer voor minnelijke schikking”.
Article 99
Dans le texte néerlandais de l’article 99 de l’avant-projet,
il convient de remplacer le segment de phrase “de hoven en
rechtbanken opgesplitst in kamers” par le membre de phrase
“de hoven en rechtbanken verdeeld in afdelingen”.
Il a déjà été observé plus haut, en ce qui concerne le
chapitre 3 de l’avant‑projet, que si l’intention est de créer une
chambre de règlement à l’amiable dans chaque arrondissement,
il faudrait le clarifier dans le texte de l’avant‑projet.
Le régime transitoire prévu à l’article 99 de l’avant‑projet
doit également être réexaminé au regard de ce qui précède
et être adapté en conséquence.
Chapitre 14 – Entrée en vigueur
7
Principes de technique législative - Guide de rédaction des
textes législatifs et réglementaires, www.raadvst-consetat.be,
onglet “Technique législative”, recommandations nos 129 à 131.
157
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Artikel 101
Overeenkomstig artikel 101 van het voorontwerp treden
de artikelen 24 tot 26 van het voorontwerp in werking op
1 september 2023.
Het komt aan de stellers van het voorontwerp toe te waken
over een tijdige bekendmaking in het Belgisch Staatsblad,
teneinde eenieder een redelijke termijn te geven om kennis
te nemen van de nieuwe bepalingen.
De griffier,
Wim Geurts
De voorzitter,
Marnix Van Damme
De griffier,
Béatrice Drapier
De voorzitter,
Pierre Vandernoot
Article 101
Conformément à l’article 101 de l’avant-projet, les articles 24
à 26 de ce dernier entrent en vigueur le 1er septembre 2023.
Il appartient aux auteurs de l’avant‑projet de veiller à une
publication dans le délai au Moniteur belge, afin d’accorder à
chacun un délai raisonnable pour prendre connaissance des
nouvelles dispositions.
Le greffier,
Wim Geurts
Le Président
Marnix Van Damme
Le greffier,
Béatrice Drapier
Le Président
Pierre Vandernoot
3552/001
DOC 55
158
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
WETSONTWERP
FILIP,
Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen,
Onze Groet.
Op de voordracht van de minister van Justitie,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij:
De minister van Justitie is ermee belast in onze naam
bij de Kamer van volksvertegenwoordigers het ontwerp
van wet in te dienen waarvan de tekst hierna volgt:
HOOFDSTUK 1
Algemene bepaling
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2
Wijzigingen van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 2
In artikel 51 van het oud Burgerlijk Wetboek, ver-
vangen bij de wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling
onder 5°/1 ingevoegd, luidende:
“5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en de
verklaring van naamskeuze door het meerderjarige kind;”
Art. 3
Artikel 63 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet
van 18 juni 2018 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2020,
wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende:
“5° in geval van toepassing van artikel 335sexies,
§ 2, het aktenummer van de akte van erkenning die als
basis heeft gediend voor de opmaak van de akte van
naamsverandering.”
PROJET DE LOI
PHILIPPE,
Roi des Belges,
À tous, présents et à venir,
Salut.
Sur la proposition du ministre de la Justice,
Nous avons arrêté et arrêtons:
Le ministre de la Justice est chargé de présenter en
notre nom à la Chambre des représentants le projet de
loi dont la teneur suit:
CHAPITRE 1ER
Disposition générale
Article 1er
La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de
la Constitution.
CHAPITRE 2
Modifications de l’ancien Code civil
Art. 2
Dans l’article 51 de l’ancien Code civil, remplacé
par la loi du 18 juin 2018, il est inséré un 5°/1 rédigé
comme suit:
“5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la déclaration
de choix de nom par l’enfant majeur;”
Art. 3
L’article 63 du même Code, remplacé par la loi
du 18 juin 2018 et modifié par la loi du 31 juillet 2020,
est complété par un 5°, rédigé comme suit:
“5° en cas d’application de l’article 335sexies, § 2, le
numéro de l’acte de reconnaissance qui a servi de base
à l’établissement de l’acte de changement de nom.”
159
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 4
Artikel 313 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wetten van 31 maart 1987 en van 1 juli 2006, wordt
aangevuld met een paragraaf 4, luidende:
“§ 4. Als de erkenning betrekking heeft op een meer-
derjarig kind dat reeds nakomelingen heeft en aanlei-
ding geeft tot diens naamsverandering, wordt de akte
medegedeeld of betekend aan de afstammelingen in
de eerste graad die de leeftijd van 12 jaar bereikt heb-
ben overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf 3,
tweede lid.”
Art. 5
Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door
de wetten van 19 september 2017 en van 18 juni 2018,
wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig
kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot
diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of
betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die
de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig
de regels bedoeld in het tweede lid.”
Art. 6
Artikel 325/6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 5 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 19 sep-
tember 2017 en van 18 juni 2018, wordt aangevuld met
een lid, luidende:
“Als de erkenning betrekking heeft op een meerderjarig
kind dat reeds nakomelingen heeft en aanleiding geeft tot
diens naamsverandering, wordt de akte medegedeeld of
betekend aan de afstammelingen in de eerste graad die
de leeftijd van 12 jaar bereikt hebben overeenkomstig
de regels bedoeld in het tweede lid.”
Art. 7
In artikel 327/2, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 19 september 2017 en vervangen bij de
wet van 18 juni 2018, wordt een bepaling onder 3°/1 in-
gevoegd, luidende:
“3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van naams-
keuze op basis van artikel 335, § 3, eerste lid, of van
artikel 335ter, § 2, eerste lid, en de toestemming van
het minderjarig kind indien het de leeftijd van 12 jaar
heeft bereikt;”
Art. 4
L’article 313 du même Code, modifié par les lois
du 31 mars 1987 et du 1er juillet 2006, est complété par
un paragraphe 4, rédigé comme suit:
“§ 4. Si la reconnaissance concerne un enfant majeur
qui a déjà une descendance ‘et donne lieu au changement
de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des-
cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans
selon les modalités prévues au paragraphe 3, alinéa 2.”
Art. 5
L’article 319bis du même Code, modifié par les lois
du 19 septembre 2017 et du 18 juin 2018, est complété
par un alinéa, rédigé comme suit:
“Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui
a déjà une descendance et donne lieu au changement
de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des-
cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans
selon les modalités prévues à l’alinéa 2.”
Art. 6
L’article 325/6 du même Code, inséré par la loi
du 5 mai 2014 et modifié par les lois du 19 septembre 2017
et du 18 juin 2018, est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Si la reconnaissance concerne un enfant majeur qui
a déjà une descendance et donne lieu au changement
de nom de celui-ci, l’acte est notifié ou signifié aux des-
cendants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans
selon les modalités prévues à l’alinéa 2.”
Art. 7
Dans l’article 327/2, § 2, du même Code, inséré par
la loi du 19 septembre 2017 et remplacé par la loi du
18 juin 2018, il est inséré un 3°/1, rédigé comme suit:
“3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de nom
sur la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er, ou de l’ar-
ticle 335ter, § 2, alinéa 1er, et le consentement de l’enfant
mineur sur ce choix s’il a atteint l’âge de douze ans;”
3552/001
DOC 55
160
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 8
Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wetten
van 18 juni 2018 en van 31 juli 2020, wordt aangevuld
met een paragraaf 3, luidende:
“§ 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de naams-
verandering van een meerderjarig kind dat reeds na-
komelingen heeft, brengt de griffier het beschikkend
gedeelte van het vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van
de afstammelingen in de eerste graad die de leeftijd
van 12 jaar bereikt hebben.”
Art. 9
In artikel 335 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“In geval van een rechtsvordering die aanleiding geeft
tot de vaststelling of het handhaven van deze enige af-
stammingsband, wordt de naam bepaald overeenkomstig
het eerste en het tweede lid.”;
2° in paragraaf 3 wordt het eerste lid opgeheven;
3° in paragraaf 3 worden het tweede en het derde lid
vervangen als volgt:
“Indien de afstamming van vaderszijde of van moe-
derszijde wordt vastgesteld na de vaststelling van de
afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt
de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de
regels bedoel in paragraaf 1 op het ogenblik van de
aangifte van erkenning.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft
tot de vaststelling van een tweede afstammingsband
of de vervanging van een van deze banden, wordt de
naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels
bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”;
4° in paragraaf 3 worden het vierde en het vijfde lid
opgeheven;
5° in paragraaf 4 worden het eerste en het tweede lid,
vervangen als volgt:
Art. 8
L’article 333 du même Code, remplacé par la loi
du 31 mars 1987 et modifié par les lois du 18 juin 2018 et
du 31 juillet 2020, est complété par un paragraphe 3 rédigé
comme suit:
“§ 3. Lorsque la décision donne lieu au changement
de nom d’un enfant majeur qui a déjà une descendance,
le greffier notifie le dispositif du jugement aux descen-
dants au premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans
par pli judiciaire.”
Art. 9
À l’article 335 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications
suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse-
ment ou le maintien de ce seul lien de filiation, le nom
est déterminé conformément aux alinéas 1er et 2.”;
2° dans le paragraphe 3, l’alinéa 1er est abrogé;
3° dans le paragraphe 3, les alinéas 2 et 3 sont rem-
placés par ce qui suit:
“Si la filiation paternelle ou maternelle est établie par
reconnaissance après l’établissement de la filiation à
l’égard de l’autre parent, le nom de l’enfant est établi
conformément aux règles énoncées au paragraphe 1er
au moment de la déclaration de reconnaissance.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse-
ment d’un second lien de filiation ou au remplacement
d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi confor-
mément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à
l’article 335ter, § 1er.”;
4° dans le paragraphe 3, les alinéas 4 et 5 sont
abrogés;
5° dans le paragraphe 4, les alinéas 1er et 2 sont
remplacés par ce qui suit:
161
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“In alle gevallen waarin de afstamming van een kind
wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft
bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verande-
ring aan zijn naam aangebracht.
Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de
regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een
meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door
deze laatste.”;
6° in paragraaf 4 wordt het derde lid opgeheven;
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5,
luidende:
“§ 5. In geval van wijziging van de afstamming inge-
volge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een
verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de
burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en
de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking
heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn
afstammelingen in de eerste graad.”
Art. 10
In artikel 335ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 mei 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzi-
gingen aangebracht:
1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid opgeheven;
2° in paragraaf 2 worden het tweede en het derde lid
vervangen als volgt:
“Indien de afstamming ten aanzien van de meemoeder
door erkenning wordt vastgesteld na de vaststelling van
de afstamming ten aanzien van de andere ouder, wordt
de naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de
regels bedoeld in paragraaf 1 op het ogenblik van de
aangifte van erkenning.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding geeft
tot de vaststelling van een tweede afstammingsband
of de vervanging van een van deze banden, wordt de
naam van het kind vastgesteld overeenkomstig de regels
bedoeld in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.”;
3° in paragraaf 2 worden het vierde en het vijfde lid
opgeheven;
4° in paragraaf 3 worden het eerste en het tweede lid
vervangen als volgt:
“Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modi-
fiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune
modification n’est apportée à son nom sans son accord.
Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles
énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant
majeur, le choix est exercé par ce dernier.”;
6° dans le paragraphe 4, l’alinéa 3 est abrogé;
7° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé
comme suit:
“§ 5. En cas de modification de la filiation en suite
d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de
nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de
naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels
il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des
descendants au premier degré.”
Art. 10
À l’article 335ter du même Code, inséré par la loi
du 5 mai 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 21 dé-
cembre 2018, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 1er est abrogé;
2° dans le paragraphe 2, les alinéas 2 et 3 sont rem-
placés par ce qui suit:
“Si la filiation à l’égard de la coparente, établie par
reconnaissance, est établie après l’établissement de la
filiation maternelle, le nom de l’enfant est établi confor-
mément aux règles énoncées au paragraphe 1er au
moment de la déclaration de reconnaissance.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à l’établisse-
ment d’un second lien de filiation ou au remplacement
d’un de ces liens, le nom de l’enfant est établi confor-
mément aux règles énoncées au paragraphe 1er ou à
l’article 335ter, § 1er.”;
3° dans le paragraphe 2, les alinéas 4 et 5 sont
abrogés;
4° dans le paragraphe 3, les alinéas 1er et 2 sont
remplacés par ce qui suit:
3552/001
DOC 55
162
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“In alle gevallen waarin de afstamming van een kind
wordt gewijzigd wanneer het de leeftijd van 12 jaar heeft
bereikt, wordt er zonder zijn instemming geen verande-
ring aan zijn naam aangebracht.
Wanneer een keuze mogelijk is overeenkomstig de
regels bedoeld in paragraaf 1 ten aanzien van een
meerderjarig kind, wordt de keuze uitgeoefend door
deze laatste.”;
5° in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven;
6° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5,
luidende:
“§ 5. In geval van wijziging van de afstamming inge-
volge een rechtsvordering die aanleiding geeft tot een
verandering van naam, wijzigt de ambtenaar van de
burgerlijke stand de akte van geboorte van het kind en
de akten van de burgerlijke stand waarop ze betrekking
heeft, alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn
afstammelingen in de eerste graad.”
Art. 11
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335quinquies
ingevoegd, luidende:
“Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn vonnis
akte van de gekozen of door de wet vastgestelde naam
van het kind in alle gevallen van wijziging van de afstam-
ming ingevolge een rechtsvordering die aanleiding geeft
tot een verandering van naam.”
Art. 12
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 335sexies
ingevoegd, luidende:
“Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is
gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een veran-
dering van afstamming overeenkomstig de artikelen 335,
§§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en 3, geldt ook geheel of ten
dele voor de afstammelingen in de eerste graad die zijn
geboren voor deze verandering, indien het de naam van
die ouder is die hun werd toegekend of die een deel van
de dubbele naam die hun werd gegeven vormt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt die naam enkel
aan het kind dat de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt,
toegekend met diens instemming. Op verzoek van het
kind, in voorkomend geval bijgestaan door zijn ouders
of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien het een niet-
ontvoogde minderjarige betreft, maakt de bevoegde
“Dans tous les cas où la filiation d’un enfant est modi-
fiée alors que celui-ci a atteint l’âge de douze ans, aucune
modification n’est apportée à son nom sans son accord.
Lorsqu’un choix est possible conformément aux règles
énoncées dans le paragraphe 1er à l’égard d’un enfant
majeur, le choix est exercé par ce dernier.”;
5° dans le paragraphe 3, l’alinéa 3 est abrogé;
6° l’article est complété par un paragraphe 5, rédigé
comme suit:
“§ 5. En cas de modification de la filiation en suite
d’une action judiciaire donnant lieu à un changement de
nom, l’officier de l’état civil compétent modifie l’acte de
naissance de l’enfant, les actes de l’état civil auxquels
il se rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des
descendants au premier degré.”
Art. 11
Dans le même Code, il est inséré un article 335quin-
quies, rédigé comme suit:
“Art. 335quinquies. Le juge acte dans son jugement
le nom de l’enfant choisi ou fixé par la loi dans tous les
cas de modification de la filiation en suite d’une action
judiciaire donnant lieu à un changement de nom.”
Art. 12
Dans le même Code, il est inséré un article 335sexies
rédigé comme suit:
“Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou fixé
à l’occasion d’un changement de filiation conformément
aux articles 335, §§ 2 à 4, et 335ter, §§ 2 et 3, s’impose
en tout ou partie à leurs descendants au premier degré
nés avant ce changement, si c’est le nom de ce parent
qui leur a été attribué ou constitue une partie du double
nom qui leur a été donné.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom n’est
attribué à l’enfant ayant atteint l’âge de 12 ans qu’avec
son consentement. À la demande de l’enfant, assisté le
cas échéant par ses parents ou son représentant légal
s’il est mineur non émancipé, l’officier de l’état civil
compétent en établira un acte de changement de nom
163
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
ambtenaar van de burgerlijke stand daarvan een akte
van naamsverandering op en verbindt deze met de
akten van de burgerlijke stand die daarop betrekking
hebben. Het verzoek wordt ingediend in het jaar dat
volgt op de dag waarop de beslissing inzake de afstam-
ming van de ouder of de akte van erkenning hem werd
medegedeeld of betekend.”
Art. 13
In artikel 338, § 1, tweede lid van hetzelfde Wetboek,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden
de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door
de woorden “734/1, § 2”.
Art. 14
Artikel 359-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 24 april 2003, wordt aangevuld met een lid,
luidende:
“Wanneer de oorspronkelijke afstamming van het
kind niet vaststaat of wanneer de vader en de moeder
van het kind, of de enige ouder ten aanzien van wie
de afstamming vaststaat, overleden zijn, vermoedelijk
afwezig zijn, geen gekende verblijfplaats hebben of in
de onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen te
geven of wilsonbekwaam zijn en het kind geen wettelijke
vertegenwoordiger heeft in de Staat van herkomst, wordt
in afwijking van artikel 361-4, 1°, c), de toestemming tot
de omzetting in volle adoptie gegeven door een voogd
ad hoc aangewezen door de rechtbank op verzoek
van iedere betrokken persoon of van de procureur des
Konings.”
Art. 15
In artikel 499/19, § 2, tweede lid, 2°, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en
vervangen bij de wet van 21 december 2018, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “voor zover dat ze het overlijden van de
beschermde persoon voorafgaan,” worden opgeheven;
2° de bepaling onder d) wordt aangevuld met de
woorden “voor zover dat ze het overlijden van de be-
schermde persoon voorafgaan”.
et l’associera aux actes de l’état civil qui le concernent.
La demande est introduite dans l’année qui suit le jour
où la décision relative à la filiation du parent ou l’acte de
reconnaissance lui aura été notifié ou signifié.”
Art. 13
Dans l’article 338, § 1er, alinéa 2, du même Code,
modifié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les
mots “1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les
mots “734/1, § 2”.
Art. 14
L’article 359-2 du même Code, inséré par la loi
du 24 avril 2003, est complété par un alinéa rédigé
comme suit:
“Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est pas
établie ou lorsque le père et la mère de l’enfant, ou le
parent unique à l’égard de qui la filiation est établie, sont
décédés, présumés absents, sans aucune résidence
connue, dans l’impossibilité ou incapables d’exprimer
leur volonté, et que l’enfant n’a pas de représentant légal
dans l’État d’origine, le consentement à la conversion
en adoption plénière est donné par un tuteur ad hoc
désigné par le tribunal, à la requête de toute personne
intéressée ou du procureur du Roi, par dérogation à
l’article 361-4, 1°, c).”
Art. 15
À l’article 499/19, § 2, alinéa 2, 2°, du même Code,
inséré par la loi du 17 mars 2013 et remplacé par la loi
du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° les mots “pour autant qu’ils soient antérieurs au
décès de la personne protégée,” sont abrogés;
2° le d) est complété par les mots “pour autant qu’ils
soient antérieurs au décès de la personne protégée”.
3552/001
DOC 55
164
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 3
Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 16
Artikel 23 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd
bij de wetten van 19 oktober 2015 en van 21 decem-
ber 2018 wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten aanzien
van een geschilpunt dat het voorwerp van de beslis-
sing heeft uitgemaakt kan ook door een derde worden
ingeroepen tegen een partij bij die beslissing.”
Art. 17
Artikel 76, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt aangevuld
met een lid, luidende:
“De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke
kamer(s) en een of meer kamers voor minnelijke schikking.
Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld
in afdelingen, bestaat de burgerlijke rechtbank van een
van de afdelingen uit ten minste één kamer voor min-
nelijke schikking.”
Art. 18
In artikel 78 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 30 juli 2013, wordt het zevende lid vervangen
als volgt:
“Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een
alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecia-
liseerde opleiding inzake verzoening of doorverwijzing
naar bemiddeling heeft gevolgd. Een plaatsvervangend
rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schik-
king op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding
heeft gevolgd.”
Art. 19
In artikel 79 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 30 juli 2013, wordt het achtste lid vervangen
als volgt:
“Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters
in de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de
burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg.”
CHAPITRE 3
Modifications du Code judiciaire
Art. 16
L’article 23 du Code judiciaire, modifié par les lois
du 19 octobre 2015 et du 21 décembre 2018, est com-
plété par un alinéa rédigé comme suit:
“L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une question
litigieuse qui a fait l’objet de la décision peut également
être invoquée par un tiers à l’encontre d’une partie à
cette décision.”
Art. 17
L’article 76, § 1er, du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 4 mai 2016, est complété par un alinéa
rédigé comme suit:
“Le tribunal civil se compose de la ou des chambres
civiles et d’une ou plusieurs chambres de règlement à
l’amiable. Lorsque le tribunal de première instance est
réparti en divisions, le tribunal civil d’une des divisions
se compose au moins d’une chambre de règlement à
l’amiable.”
Art. 18
Dans l’article 78, du même Code, modifié par la loi
du 30 juillet 2013, l’alinéa 7 est remplacé par ce qui suit:
“Chaque chambre de règlement à l’amiable est com-
posée d’un juge unique ayant suivi la formation spécia-
lisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire en
conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant
peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable
à condition d’avoir également suivi une telle formation.”
Art. 19
Dans l’article 79 du même Code, modifié par la loi
du 30 juillet 2013, l’alinéa 8 est remplacé par ce qui suit:
“Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges au
tribunal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans
les chambres civiles du tribunal de première instance.”
165
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 20
In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de
wet van 13 december 2005 en bij de wet van 8 mei 2014,
worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden
“en uit een of meer kamers voor minnelijke schikking.
Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld,
bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer
voor minnelijke schikking.”;
2° in het tweede lid worden de woorden “Ten minstens
één daarvan” vervangen door de woorden “Minstens
één van de drie kamers,”;
3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit
een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en twee
rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is
als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal
de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georga-
niseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening
of doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd.
Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend
rechter in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor
minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een
dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 21
In artikel 84 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 15 april 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden “en
een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer
de ondernemingsrechtbank in afdelingen is verdeeld,
bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer
voor minnelijke schikking.”;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt:
“Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter
in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee
rechters in ondernemingszaken. De rechters die van de
kamer voor minnelijke schikking deel uitmaken, moeten
allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke oplei-
ding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben
Art. 20
À l’article 81 du même Code, modifié par la loi du 13 dé-
cembre 2005 et par la loi du 8 mai 2014, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et une ou
plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque
le tribunal du travail est réparti en divisions, une des
divisions se compose au moins d’une chambre de
règlement à l’amiable.”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “L’une d’elles au moins,”
sont remplacés par les mots “L’une des trois chambres
au moins,”;
3° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“Chaque chambre de règlement à l’amiable est compo-
sée d’un président, juge au tribunal du travail, et de deux
juges sociaux, dont l’un est nommé au titre d’employeur
et l’autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la for-
mation spécialisée dispensée par l’Institut de formation
judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge
suppléant ou un juge social suppléant peut siéger dans
la chambre de règlement à l’amiable à condition d’avoir
également suivi une telle formation.”
Art. 21
À l’article 84 du même Code, modifié en dernier lieu
par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par les mots “et une ou
plusieurs chambres de règlement à l’amiable. Lorsque
le tribunal de l’entreprise est réparti en divisions, une
des divisions se compose au moins d’une chambre de
règlement à l’amiable.”;
2° l’alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
“Chacune d’elles est présidée par un juge au tribunal
de l’entreprise et se compose en outre de deux juges
consulaires. Les juges composant la chambre de règle-
ment à l’amiable doivent tous avoir suivi la formation
spécialisée dispensée par l’Institut de formation judi-
ciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge
suppléant ou un juge consulaire suppléant peut siéger
3552/001
DOC 55
166
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsver-
vangend rechter in ondernemingszaken kan zetelen in
de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat
hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 22
In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 30 juli 2022, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden
“waarvan een of meer kamers voor minnelijke schikking,”
ingevoegd tussen de woorden “Er zijn in het hof van
beroep kamers voor burgerlijke zaken,” en de woorden
“kamers voor correctionele zaken”;
2° in paragraaf 2, vijfde lid, worden de woorden “Opdat
de gespecialiseerde kamer voor minnelijke schikking
rechtsgeldig zou zijn samengesteld, moet het voor die
kamer aangewezen lid van het hof een gespecialiseerde
opleiding hebben genoten verstrekt door het Instituut
voor gerechtelijke opleiding” vervangen door “Elke ka-
mer voor minnelijke schikking bestaat uit een raadsheer
in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke
opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding
inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling
heeft gevolgd.”
Art. 23
Artikel 102, § 1, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, wordt aan-
gevuld met een lid, luidende: “Een plaatsvervangend
raadsheer kan alleenzetelend zitting nemen in de kamer
voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door
het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde
gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en door-
verwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd.”
Art. 24
In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewij-
zigd bij de wet van 18 februari 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Elk arbeidshof stelt een of meer kamers voor minne-
lijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen
is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste
één kamer voor minnelijke schikking.”;
dans la chambre de règlement à l’amiable à condition
d’avoir également suivi une telle formation.”
Art. 22
À l’article 101 du même Code, modifié en dernier lieu
par la loi du 30 juillet 2022, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, les mots “dont
une ou plusieurs chambres de règlement à l’amiable”
sont insérés entre les mots “Il y a à la cour d’appel
des chambres civiles,” et les mots “des chambres
correctionnelles”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, les mots “Pour que
la chambre spécialisée de règlement à l’amiable soit
constituée valablement, le membre de la cour désigné
pour cette chambre doit avoir suivi une formation spé-
cialisée dispensée par l’Institut de formation judiciaire.”
sont remplacés par “Chaque chambre de règlement à
l’amiable est composée d’un conseiller à la cour ayant
suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.”
Art. 23
L’article 102, § 1er, du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 1er décembre 2013, est complété par un
alinéa rédigé comme suit: “Un conseiller suppléant peut
siéger seul dans la chambre de règlement à l’amiable à
condition d’avoir suivi la formation spécialisée dispensée
par l’Institut de formation judiciaire en conciliation et
renvoi en médiation.
Art. 24
À l’article 104 du même Code, modifié en dernier lieu
par la loi du 18 février 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
“Chaque cour du travail institue une ou plusieurs
chambres de règlement à l’amiable. Lorsque la cour
du travail est répartie en divisions, une des divisions
se compose au moins d’une chambre de règlement à
l’amiable.”;
167
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een
voorzitter, een raadsheer in het arbeidshof en twee
raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd
is als werkgever en de andere als werknemer, die al-
lemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding
georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake
verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling hebben
gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsver-
vangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de
kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij
ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.”
Art. 25
Artikel 508/11 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de
wet van 23 november 1998, wordt vervangen als volgt:
“Art. 508/11. De in artikel 488 bedoelde overheden
bezorgen jaarlijks een verslag over de werking van de
juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie
volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.”
Art. 26
In artikel 508/19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de
wet van 31 juli 2020, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, wordt het derde lid vervangen als
volgt:
“De controle en toekenning van de punten voor de
prestaties verricht door de advocaten zoals bepaald in
het tweede lid en in artikel 508/8worden uitgevoerd door
de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd
door de overheden zoals bedoeld in artikel 488 op de
wijze die door de Koning wordt bepaald.”;
2° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
“§ 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert
dan alle goedgekeurde eindverslagen per materie over-
eenkomstig paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien
onderworpen aan een audit om de correctheid van de
aanstellingen, de kwaliteit van de verrichte diensten
door de advocaat, de realiteit van de verrichte diensten
door de advocaat overeenkomstig de in paragraaf 2,
tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van deze
controles door het bureau voor juridische bijstand te ve-
rifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“La chambre de règlement à l’amiable est compo-
sée d’un président, conseiller à la cour du travail et de
deux conseillers sociaux, dont l’un est nommé au titre
d’employeur et l’autre au titre de travailleur, ayant tous
suivi la formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.
Un conseiller suppléant ou un conseiller social suppléant
peut siéger dans la chambre de règlement à l’amiable
à condition d’avoir suivi une telle formation.”
Art. 25
L’article 508/11 du même Code, inséré par la loi
du 23 novembre 1998, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 508/11. Les autorités visées à l’article 488 trans-
mettent annuellement un rapport sur le fonctionnement
de l’aide juridique de deuxième ligne au ministre de la
Justice selon les modalités établies par le Roi.”
Art. 26
À l’article 508/19 du même Code, inséré par la loi
du 23 novembre 1998 et modifié par la loi du 31 juil-
let 2020, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, l’alinéa 3 est remplacé par
ce qui suit:
“Le contrôle et l’attribution des points pour les presta-
tions accomplies par les avocats en vertu de l’alinéa 2 et
de l’article 508/8 sont effectués par les bureaux d’aide
juridique et coordonné par les autorités visées à l’ar-
ticle 488 selon les modalités déterminées par le Roi.”;
2° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit:
“§ 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe ensuite
par matière tous les rapports de clôture approuvés en
vertu du paragraphe 2. Certains d’entre eux sont alors
soumis à un audit consistant à vérifier l’exactitude des
désignations, la qualité du travail effectué par l’avocat,
la réalité des prestations accomplies par les avocats
conformément à la liste visée au paragraphe 2, ali-
néa 2, et l’exercice de ces vérifications par le bureau
d’aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités
visées à l’article 488 selon les modalités déterminées
3552/001
DOC 55
168
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
overheden uitgevoerd overeenkomstig de nadere regels
die de Koning bepaalt. De conclusies van deze audit
worden toegezonden aan de betrokken bureaus voor
juridische bijstand, dat er rekening mee houdt. Een
vereenvoudigd verslag van deze conclusies, waarvan
de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door
de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan
de minister meegedeeld.
De stafhouder deelt het totaal van de punten van de
balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die
overeenkomstig de in het eerste lid en paragraaf 2 be-
doelde controles het totaal van de punten van alle balies
meedelen aan de minister van Justitie.”;
3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
“§ 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de
informatie bedoeld in paragraaf 2/1, tweede lid, kan de
minister van Justitie, indien hij zulks noodzakelijk acht,
een aanvullende controle laten uitvoeren op de wijze
die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 be-
doelde overheden.
Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die
overheden die in voorkomend geval via de Ordes van
Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. De betaling
wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning
vastgestelde voorwaarden.”;
4° in paragraaf 4, worden de woorden “de bereke-
ningswijze van” opgeheven.
Art. 27
Artikel 508/19bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 27 december 2005, wordt vervangen als
volgt:
“Art. 508/19bis. Er wordt in een jaarlijkse subsidie
voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie
van de bureaus voor juridische bijstand, ten laste van
de begroting van de FOD Justitie.
Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op
basis van de door de bureaus voor juridische bijstand
aangegeven werkelijke kosten en goedgekeurd door de
minister. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 7 % van de
vergoeding bedoeld in artikel 508/19, § 3.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoe-
ring van dit artikel en kan in bijzondere gevallen, bij in
Ministerraad overlegd koninklijk besluit afwijken van het
par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont
transmises, afin qu’il en soit tenu compte, aux bureaux
d’aide juridique concernés. Un rapport simplifié de ces
conclusions dont le contenu est déterminé par le Roi
est préparé par les autorités visées à l’article 488 et
envoyé au ministre.
Le bâtonnier communique le total des points de son
barreau aux autorités visées à l’article 488, lesquelles
communiquent, conformément aux contrôles visés à
l’alinéa 1er et au paragraphe 2, le total des points de
tous les barreaux au ministre de la Justice.”;
3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
“§ 3. Dès réception de l’information visée au para-
graphe 2/1, alinéa 2, le ministre de la Justice peut, s’il
l’estime nécessaire, faire effectuer un contrôle sup-
plémentaire selon les modalités qu’il détermine après
consultation des autorités visées à l’article 488.
Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces autorités
qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais
des Ordres des avocats. Le paiement est effectué selon
les conditions déterminées par le Roi.”;
4° dans le paragraphe 4, les mots “le mode de calcul
de” sont abrogés.
Art. 27
L’article 508/19bis du même Code, inséré par la loi
du 27 décembre 2005, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 508/19bis. Une subvention annuelle est prévue
pour les frais liés à l’organisation des bureaux d’aide
juridique, à charge du budget du SPF Justice.
Le montant de la subvention est déterminé selon les
frais réels exposés par les bureaux d’aide juridique et
approuvés par le ministre. Ce montant ne peut excé-
der 7 % de l’indemnité visée à l’article 508/19, § 3.
Le Roi détermine les modalités d’exécution de cet
article et peut, dans des cas spécifiques, par arrêté
royal délibéré en Conseil des ministres, s’écarter du
169
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
voormelde percentage van 7 % op gemotiveerde vraag
van de in artikel 488 bedoelde overheden op basis van
aangetoonde kosten.”
Art. 28
In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde
Wetboek wordt een afdeling I ingevoegd, met als opschrift
“Eerste Afdeling. Algemene bepaling”, die bestaat uit
artikel 730/1.
Art. 29
In artikel 730/1, § 2, ingevoegd bij de wet van
18 juni 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “Behoudens in
kort geding, kan de rechter” vervangen door de woorden
“De rechter kan”;
2° in het tweede lid worden de woorden “zo hij vaststelt
dat verzoening mogelijk is” vervangen door de woorden
“zo hij vaststelt dat verzoening mogelijk is, behoudens
in kort geding,”.
Art. 30
In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde
Wetboek wordt een afdeling II ingevoegd, met als op-
schrift “Afdeling II. Minnelijke schikking”, die bestaat uit
de artikelen 731 tot en met 734.
Art. 31
In artikel 731 van hetzelfde Wetboek, vervangen door
de wet van 18 juni 2018, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 32
In afdeling II wordt een artikel 731/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 731/1. Onverminderd het bepaalde in de artike-
len 1724 tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering
tussen partijen die bekwaam zijn om een dading aan te
gaan en betreffende zaken welke voor dading vatbaar
zijn, op verzoek van een partij of met beider instemming
vooraf ter minnelijke schikking worden voorgelegd aan
de rechter die bevoegd is om ervan kennis te nemen.
Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene
partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm van
taux de 7 % précité à la demande motivée des autorités
visées à l’article 488 sur la base de frais démontrés.”
Art. 28
Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du
même Code, il est inséré une section première intitulée
“Section première. Disposition générale”, comprenant
l’article 730/1.
Art. 29
À l’article 730/1, § 2, inséré par la loi du 18 juin 2018,
les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “Sauf en référé, le juge”
sont remplacés par les mots “Le juge”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “À la demande” sont
remplacés par les mots “Sauf en référé, à la demande”.
Art. 30
Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier, du
même Code, il est inséré une section 2 intitulée “Section II.
La conciliation”, comprenant les articles 731 à 734.
Art. 31
Dans l’article 731 du même Code, remplacé par la
loi du 18 juin 2018, l’alinéa 2 est abrogé.
Art. 32
Dans la section II, il est inséré un article 731/1, rédigé
comme suit:
“Art. 731/1. Sans préjudice des dispositions des ar-
ticles 1724 à 1737, toute demande principale introductive
d’instance entre parties capables de transiger et sur des
objets susceptibles d’être réglés par transaction, peut être
préalablement soumise, à la requête d’une des parties
ou de leur commun accord, à fin de conciliation au juge
compétent pour en connaître. Toutefois, s’il existe des
indices sérieux que des violences, des menaces ou toute
autre forme de pression sont ou ont été exercées par
3552/001
DOC 55
170
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de andere
partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van overeenkomstige
toepassing.”
Art. 33
In artikel 732 van hetzelfde Wetboek worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, worden de
woorden “Onverminderd de termijn voor dagvaarding
bedoeld in artikel 707,” ingevoegd voor de woorden “in-
dien een van hen het,” en worden de woorden “binnen
de gewone termijn van dagvaarding” vervangen door
de woorden “binnen een maand”;
2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
“Indien het verzoek tot minnelijke schikking een aan-
spraak op een recht bevat, wordt het gelijkgesteld met
de ingebrekestelling bedoeld in artikel 5.240 van het
Burgerlijk Wetboek.
Onder dezelfde voorwaarden schorst het verzoek tot
minnelijke schikking gedurende een maand de verjaring
van de aan dit recht verbonden vordering.”
Art. 34
In artikel 733 van hetzelfde Wetboek worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° het enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt aange-
vuld met de woorden “, tenzij de partijen daarvan afzien.”;
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het verschijnen van de partijen op de zitting tot min-
nelijke schikking schorst de verjaringstermijn voor de
duur van de minnelijke schikking.”
Art. 35
In afdeling II wordt een artikel 733/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 733/1. Indien er al een procedure loopt, kan het
geschil gedurende het gehele geding ter minnelijke schik-
king aan de rechter worden voorgelegd, op initiatief van
de rechter of van een partij. Indien er evenwel ernstige
aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld, bedreigingen
une partie à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734,
§ 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.”
Art. 33
À l’article 732 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° dans l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, les mots
“Sans préjudice du délai de citation visé à l’article 707,”
sont insérés avant les mots “les parties sont convoquées”
et les mots “ordinaire des citations,” sont remplacés par
les mots “d’un mois,”;
2° l’article est complété par deux alinéas rédigés
comme suit:
“Si la demande en conciliation contient la réclamation
d’un droit, elle est assimilée à la mise en demeure visée
à l’article 5.240 du Code civil.
Dans les mêmes conditions, la demande en conciliation
suspend le cours de la prescription de l’action attachée
à ce droit pendant un mois.”
Art. 34
À l’article 733 du même Code, les modifications
suivantes sont apportées:
1° l’alinéa unique, devenant l’alinéa 1er, est complété
par les mots “, sauf si les parties y renoncent.”;
2° l’article est complété par un alinéa rédigé comme
suit:
“La comparution des parties à l’audience de conciliation
suspend le cours de la prescription durant la conciliation.”
Art. 35
Dans la section II, il est inséré un article 733/1, rédigé
comme suit:
“Art. 733/1. Si une procédure est déjà pendante, le
litige peut être soumis, tout au long de l’instance, au
juge à fin de conciliation, à l’initiative du juge ou d’une
partie. Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des
violences, des menaces ou toute autre forme de pression
171
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
of enige andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt
ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
De partijen zullen worden opgeroepen overeenkom-
stig artikel 732.
Indien een schikking tot stand komt, kan akte worden
genomen van de bewoordingen van die schikking in een
vonnis of arrest overeenkomstig artikel 1043.
Als de minnelijke schikking geen uitkomst biedt, kan
de gewone gerechtelijke procedure op initiatief van een
van de partijen voortgezet worden.”
Art. 36
In deel IV, boek II, titel II, hoofdstuk I, van hetzelfde
Wetboek wordt een afdeling III ingevoegd, met als op-
schrift “Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking”.
Art. 37
In afdeling III wordt een artikel 734/1 ingevoegd,
luidende:
“Art. 734/1. § 1. De zaken kunnen ter minnelijke schik-
king worden voorgelegd aan de kamer voor minnelijke
schikking onder de voorwaarden bedoeld in artikel 731/1.
Het geschil kan ook ter minnelijke schikking aan de
kamer voor minnelijke schikking worden voorgelegd,
onder de voorwaarden bedoeld in artikel 733/1, eerste lid.
De partijen worden opgeroepen overeenkomstig
artikel 732.
§ 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit nut-
tig acht, kan de rechter ook, gedurende het gehele
geding, de doorverwijzing van de zaak naar de kamer
voor minnelijke schikking van dezelfde rechtbank of van
hetzelfde hof bevelen, middels eenvoudige vermelding
op het proces-verbaal van de zitting.
Binnen drie dagen na die beslissing zendt de griffier
het dossier van de procedure over aan de griffier van
de kamer voor minnelijke schikking waarnaar de zaak
werd doorverwezen.
De griffier van de kamer voor minnelijke schikking roept
de partijen bij eenvoudige brief op om te verschijnen,
binnen een maand, op de dag, de plaats en het uur van
de zitting waarop de zaak zal worden behandeld.
sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de
l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
Les parties seront convoquées conformément à
l’article 732.
Si un accord intervient, les termes de cet accord
peuvent être actés dans un jugement ou un arrêt confor-
mément à l’article 1043.
Si la conciliation n’aboutit pas, la procédure judiciaire
ordinaire peut être poursuivie à l’initiative d’une des
parties.”
Art. 36
Dans la quatrième partie, livre II, titre II, chapitre Ier,
du même Code, il est inséré une section III intitulée
“Section III. La chambre de règlement à l’amiable”.
Art. 37
Dans la section III, il est inséré un article 734/1, rédigé
comme suit:
“Art. 734/1. § 1er. Les affaires peuvent être soumises à
fin de conciliation à la chambre de règlement à l’amiable
dans les conditions visées à l’article 731/1.
Le litige peut également être soumis à la chambre
de règlement à l’amiable à fin de conciliation, dans les
conditions visées à l’article 733/1, alinéa 1er.
Les parties sont convoquées conformément à
l’article 732.
§ 2. À la demande des parties ou s’il l’estime utile,
le juge peut également ordonner, tout au long de l’ins-
tance, le renvoi de la cause à la chambre de règlement
à l’amiable du même tribunal ou de la même cour, par
simple mention au procès-verbal de l’audience.
Le greffier transmet le dossier de la procédure, dans les
trois jours de cette décision, au greffier de la chambre de
règlement à l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée.
Le greffier de la chambre de règlement à l’amiable
convoque les parties, par simple lettre, à comparaître,
dans le délai d’un mois, aux lieu, jour et heure de l’au-
dience à laquelle l’affaire sera appelée.
3552/001
DOC 55
172
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de
ene partij geweld, bedreigingen of enige andere vorm
van druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de
andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van over-
eenkomstige toepassing.
§ 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1, eerste lid,
zijn de artikelen 732, tweede en derde lid en 733, twee-
de lid, van toepassing.”
Art. 38
In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/2 inge-
voegd, luidende:
“Art. 734/2. § 1. In de zaken die op grond van arti-
kel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en
waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt, worden
de bewoordingen van de schikking door de kamer voor
minnelijke schikking opgetekend in het proces-verbaal
van verschijning tot minnelijke schikking, waarvan de
uitgifte wordt voorzien van het formulier van tenuitvoer-
legging, tenzij de partijen daarvan afzien.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1, twee-
de lid en § 2,waarbij de minnelijke schikking uitkomst
biedt, kan akte worden genomen van de bewoordingen
van het geheel of gedeeltelijk akkoord in een vonnis of
een arrest overeenkomstig artikel 1043.”
Art. 39
In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/3 inge-
voegd, luidende:
“Art. 734/3. § 1. In de zaken die op grond van arti-
kel 734/1, § 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en
waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst biedt,
sluit het proces-verbaal van verschijning tot minnelijke
schikking de procedure af.
Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat wensen,
een gewone gerechtelijke procedure inleiden om hun
geschil door de rechtbank of het hof te laten beslechten.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1,
tweede lid en § 2,waarbij de minnelijke schikking geen
uitkomst biedt, wordt de gewone gerechtelijke procedure
voortgezet voor de oorspronkelijke kamer.
De kamer voor minnelijke schikking verwijst het dos-
sier, volgens dezelfde vormvereisten als bepaald bij
artikel 734/1, § 2, eerste en tweede lid, door naar de
oorspronkelijke kamer.
Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des vio-
lences, des menaces ou toute autre forme de pression
sont ou ont été exercées par une partie à l’encontre de
l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
§ 3. Dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, les
articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa 2, s’appliquent.”
Art. 38
Dans la même section III, il est inséré un ar-
ticle 734/2 rédigé comme suit:
“Art. 734/2. § 1er. Dans les causes introduites sur pied
de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, lorsque la conciliation
a abouti, les termes de l’accord intervenu sont constatés
par la chambre de règlement à l’amiable dans le procès-
verbal de comparution en conciliation dont l’expédition
est revêtue de la formule exécutoire, sauf si les parties
y renoncent.
§ 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, ali-
néa 2 et § 2, lorsque la conciliation a abouti, les termes
de l’accord, partiel ou total, peuvent être actés dans un
jugement ou un arrêt, conformément à l’article 1043.”
Art. 39
Dans la même section III, il est inséré un ar-
ticle 734/3 rédigé comme suit:
“Art. 734/3. § 1er. Dans les causes introduites sur
pied de l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, dans lesquelles
la conciliation n’aura pas abouti, le procès-verbal de la
comparution en conciliation clôt la procédure.
Les parties pourront ensuite, si elles le souhaitent,
introduire une procédure judicaire ordinaire pour entendre
trancher leur différend par le tribunal ou la cour.
§ 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er, alinéa 2 et
§ 2, dans lesquels la conciliation n’aura pas abouti, la
procédure judiciaire ordinaire est poursuivie devant la
chambre d’origine.
La chambre de règlement à l’amiable renvoie, selon
les mêmes formalités que celles prévues à l’article 734/1,
§ 2, alinéas 1 et 2, le dossier devant la chambre d’origine.
173
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Indien een van de partijen op de hoorzitting voor
een minnelijke schikking daarom heeft verzocht, roept
de griffier van de oorspronkelijke kamer de partijen bij
gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag, de plaats
en het uur van de zitting waarop de zaak zal worden
behandeld. Dit verzoek kan evenwel schriftelijk door een
van de partijen na de doorverwijzing worden gedaan.”
Art. 40
In dezelfde afdeling III wordt een artikel 734/4 inge-
voegd, luidende:
“Art. 734/4. § 1. De zittingen tot minnelijke schikking
die worden gehouden door de kamers voor minnelijke
schikking verlopen in raadkamer overeenkomstig arti-
kel 757, § 2, 14°. Alles wat wordt gezegd of geschreven
tijdens die zittingen is vertrouwelijk overeenkomstig arti-
kel 1728. Bij schending van de vertrouwelijkheidsplicht,
is artikel 1728, § 4, van toepassing.
Met instemming van de partijen, kan de rechtbank of
het hof, indien hij/het dit nuttig acht, ook aparte gesprek-
ken voeren met elk van de partijen.
§ 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke schikking
moeten de partijen in persoon verschijnen, in voorkomend
geval bijgestaan door hun advocaten of de personen die
worden vermeld in artikel 728. Indien een rechtspersoon
in het geding is, wordt die vertegenwoordigd door een
natuurlijke persoon die hem kan verbinden behoudens
andersluidende beslissing van de Kamer voor minnelijk
schikking.
§ 3. Zowel de partijen als de rechter bij de kamer
voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde een einde
stellen aan de minnelijke schikking.
§ 4. Een rechter die de verzoeningsprocedure heeft
uitgevoerd in een geschil dat aan de kamer voor min-
nelijke schikking is voorgelegd, onthoudt zich ervan
deel te nemen aan een vonnis of arrest over de uitkomst
van hetzelfde geschil voor een andere kamer. Doet hij
dat niet, dan kan hij worden gewraakt overeenkomstig
artikel 828, 9°.”
Art. 41
In artikel 757, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
gewijzigd bij de wet van 2 juni 2010 en bij de wet
van 17 maart 2013, wordt de bepaling onder 14° inge-
voegd, luidende:
Si l’une des parties en a fait la demande à l’audience
de règlement amiable, le greffier de la chambre d’origine
convoque les parties, sous pli judiciaire, à comparaître,
aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle l’affaire
sera appelée. Cette demande peut également être
formulée par écrit par l’une des parties après le renvoi.”
Art. 40
Dans la même section III, il est inséré un ar-
ticle 734/4 rédigé comme suit:
“Art. 734/4. § 1er. Les audiences de conciliation tenues
par les chambres de règlement à l’amiable se déroulent
en chambre du conseil conformément à l’article 757,
§ 2, 14°. Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours de ces
audiences est confidentiel au sens de l’article 1728.
En cas de violation de l’obligation de confidentialité,
l’article 1728, § 4, est d’application.
Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour peut,
s’il/elle l’estime utile, aussi s’entretenir en aparté avec
chacune des parties.
§ 2. Le jour de l’audience de conciliation, les parties
comparaissent obligatoirement en personne, assistées,
le cas échéant, de leurs avocats ou des personnes
mentionnées dans l’article 728. Si une personne morale
est à la cause, elle est représentée par une personne
physique pouvant l’engager sauf décision contraire de
la chambre de règlement à l’amiable.
§ 3. Tant les parties que le juge de la chambre de
règlement à l’amiable peuvent, à tout moment, mettre
un terme à la conciliation.
§ 4. Le juge qui a exercé sa mission de conciliation
dans le cadre d’un litige soumis à la chambre de règle-
ment à l’amiable s’abstient de prendre part à un jugement
ou arrêt sur les suites de ce même litige devant une autre
chambre. À défaut, il peut être récusé conformément à
l’article 828, 9°.”
Art. 41
Dans l’article 757, § 2, alinéa 1er, du même Code,
modifié par les lois du 2 juin 2010 et du 17 mars 2013,
il est inséré un 14° rédigé comme suit:
3552/001
DOC 55
174
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“14° de zittingen tot minnelijke schikking die worden
gehouden door de kamers voor minnelijke schikking.”
Art. 42
In artikel 780/1 van hetzelfde Wetboek, wordt het
vierde lid aangevuld met de woorden “of, in voorko-
mend geval, het door de griffier eensluidend verklaard
afschrift ervan”.
Art. 43
In het deel IV, boek III, titel IV van hetzelfde Wetboek
wordt een artikel 1094/2 ingevoegd, luidende:
“Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een wet-
telijke bepaling in werking treedt die met terugwerkende
kracht van toepassing is op het geschil, kan de eisende
partij bij het Hof een aanvullend verzoekschrift indienen
dat een middel bevat dat ontleend is aan de schending
van die bepaling. Dat verzoekschrift wordt toegevoegd
aan het aanhangige geding.
Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval, inge-
diend op de griffie van het hof binnen drie maanden na
de inwerkingtreding van de nieuwe bepaling nadat het in
voorkomend geval aan de andere partijen is betekend.
De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot 1094/1 en
1097 zijn van toepassing op dit verzoekschrift en op de
memories die de partijen met elkaar uitwisselen.”
Art. 44
In artikel 1187 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden de woorden “of aan per-
sonen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet op de
bescherming van de maatschappij,” opgeheven;
2° in het tweede lid, worden de woorden “en be-
voorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers
en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers,”;
3° in hetzelfde lid, wordt de tweede zin aangevuld met
de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens
artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden.”
“14° les audiences de conciliation tenues par les
chambres de règlement à l’amiable.”
Art. 42
Dans l’article 780/1 du même Code, l’alinéa 4 est
complété par les mots “ou, le cas échéant, à la copie,
certifiée conforme par le greffier, de celui-ci”.
Art. 43
Dans la quatrième partie, livre III, titre IV du même
Code, il est inséré un article 1094/2 rédigé comme suit:
“Lorsque, au cours de la procédure en cassation,
entre en vigueur une disposition légale qui s’applique
rétroactivement au litige, la partie demanderesse peut
soumettre à la Cour une requête complémentaire conte-
nant un moyen pris de la violation de cette disposition.
Cette requête est jointe à l’instance en cours.
La requête est, à peine de déchéance, remise au greffe
de la Cour dans les trois mois de l’entrée en vigueur de
la disposition nouvelle après avoir, le cas échéant, été
signifiée aux autres parties.
Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094/1 et 1097
s’appliquent à cette requête et aux mémoires que les
parties s’échangent.”
Art. 44
À l’article 1187 du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° à l’alinéa 1er, les mots “ou à des personnes inter-
nées par application de la loi sur la défense sociale,”
sont abrogés;
2° à l’alinéa 2, les mots “et privilégiés inscrits” sont
remplacés par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés
inscrits et, le cas échéant, des créanciers enregistrés
au Registre des gages,”;
3° au même alinéa, la deuxième phrase est complétée
par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une
action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.”
175
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 45
In artikel 1189, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, in de Franse
tekst, wordt het woord “où” vervangen door het woord “ou”.
Art. 46
In artikel 1189/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “en bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers en desgeval-
lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers,”;
2° in het eerste lid wordt de derde zin aangevuld met
de woorden “en zij die een vordering ingesteld krachtens
artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden.”;
3° in het derde lid wordt de zin “De machtiging van de
rechtbank is niet vereist in geval van toepassing van de
artikelen 1186 en 1187.” vervangen door de zin “Geen
van de mede-eigenaars moet de machtiging van de
familierechtbank bekomen indien zij die een machtiging
moeten vragen op basis van artikel 1187 deze hebben
bekomen.”
Art. 47
Artikel 1191 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt:
“Indien het evenwel met het oog op de beschermde
belangen bedoeld in de artikelen 1186 tot 1190 evenals
in artikel 1193quater, § 2, vereist is dat de onroerende
goederen geheel of gedeeltelijk worden verkocht in een
of meer andere kantons dan dat waar het goed gelegen
is, wordt zulks naargelang van het geval vermeld in de
beschikking van de vrederechter, in de beslissing tot
machtiging van de familierechtbank, van de rechter-
commissaris van het faillissement of van de onderne-
mingsrechtbank. De vrederechter, de familierechtbank,
de rechter-commissaris of de ondernemingsrechtbank
wijst tegelijkertijd de vrederechter aan die, in voorkomend
geval, waakt over de bescherming van de betrokken
belangen.”
Art. 45
Dans l’article 1189, alinéa 1er, du même Code, rem-
placé par la loi du 11 août 2017, dans le texte français,
le mot “où” est remplacé par le mot “ou”.
Art. 46
À l’article 1189/1 du même Code, inséré par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “et privilégiés inscrits”
sont remplacés par les mots “inscrits, des créanciers
privilégiés inscrits et, le cas échéant, des créanciers
enregistrés au Registre des gages,”;
2° dans l’alinéa 1er, la troisième phrase est complétée
par les mots “et ceux qui ont fait mention en marge d’une
action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil.”;
3° dans l’alinéa 3, la phrase “L’autorisation du tri-
bunal n’est pas requise en cas d’application des ar-
ticles 1186 et 1187.” est remplacée par la phrase: “Aucun
des copropriétaires ne doit obtenir l’autorisation du
tribunal de la famille dans le cas où le ou les coproprié-
taires qui doivent demander l’autorisation sur base de
l’article 1187, l’ont obtenue.”
Art. 47
L’article 1191 du même Code, remplacé par la loi
du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit:
“Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés aux
articles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article 1193quater,
§ 2, exigeaient que les immeubles fussent en tout ou
en partie vendus dans un ou plusieurs cantons autres
que celui de la situation du bien, il en est fait mention
suivant le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans
la décision d’autorisation du tribunal de la famille, dans
celle du juge-commissaire de la faillite ou dans celle du
tribunal de l’entreprise; et le juge de paix, le tribunal de
la famille, le juge-commissaire ou le tribunal de l’entre-
prise désigne en même temps le juge de paix qui veille,
le cas échéant, à la sauvegarde des intérêts en cause.”
3552/001
DOC 55
176
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 48
In artikel 1192 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, derde lid, wordt in de Nederlandse
tekst het woord “tot” ingevoegd tussen het woord “over”
en de woorden “de bekendmaking”;
2° in paragraaf 2 worden de woorden “nalatenschap-
pen of” vervangen door de woorden “nalatenschappen,”;
3° in paragraaf 2 worden de woorden “of de veref-
fenaars van een rechtspersoon” ingevoegd tussen het
woord “boedels” en de woorden “te hebben gehoord”.
Art. 49
In artikel 1193, eerste lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de
woorden “en 1193ter” vervangen door de woorden “,
1193ter en 1193quater, § 3”.
Art. 50
In artikel 1193bis, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het derde lid worden de woorden “waarbij een door
een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook
een schattingsverslag wordt gevoegd. De ontwerpakte”
vervangen door de woorden “. Hierbij voegen zij een door
een notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte, een
schattingsverslag en een getuigschrift van de Algemene
Administratie van de Patrimoniumdocumentatie van de
Federale Overheidsdienst Financiën met vermelding
van de bestaande inschrijvingen en alle overschrij-
vingen van een bevel of een beslag betreffende de te
verkopen onroerende goederen evenals desgevallend
het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister. Het schattingsverslag wordt opgemaakt
door de deskundige aangewezen door de notaris die de
ontwerpakte heeft opgesteld. De ontwerpakte”;
2° in het vierde lid worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers, zij” vervangen door de woorden
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei-
sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers, de schuldeisers”;
3° in het vierde lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Art. 48
À l’article 1192 du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 3, dans le texte
néerlandais, le mot “tot” est inséré entre le mot “over”
et les mots “de bekendmaking”;
2° dans le paragraphe 2, les mots “vacantes ou” sont
remplacés par les mots “vacantes,”;
3° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est
complétée par les mots “ou les liquidateurs d’une per-
sonne morale”.
Art. 49
Dans l’article 1193, alinéa 1er, du même Code, rem-
placé par la loi du 15 avril 2018, les mots “et 1193ter” sont
remplacés par les mots “, 1193ter et 1193quater, § 3”.
Art. 50
À l’article 1193bis, du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 3, les mots “à laquelle est joint un
projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi qu’un
rapport d’expertise. Le projet d’acte” sont remplacés
par les mots “. Il y est joint un projet d’acte de vente
établi par un notaire, un rapport d’expertise et un certi-
ficat de l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale du Service public fédéral Finances rela-
tant les inscriptions existantes et toute transcription de
commandement ou de saisie portant sur les immeubles
qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le
résultat des recherches après consultation du Registre
des gages. Le rapport d’expertise est établi par l’expert
désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le
projet d’acte”;
2° dans l’alinéa 4, les mots “ou privilégiés inscrits,
ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan-
ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers”;
3° dans l’alinéa 4, les mots “et ceux qui ont fait
mention en marge d’une action intentée sur base de
177
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“, alsook de personen”.
Art. 51
In artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij
de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten
van 11 juli 2018 en 15 april 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “door een
notaris, aangewezen door de rechter-commissaris,
opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor” vervangen
door de woorden “ontwerp van verkoopakte opgemaakt
door een door de curator aangewezen notaris voor”;
2° in het tweede lid worden de woorden “door hen
aangewezen deskundige” vervangen door de woorden
“deskundige aangewezen door de notaris die de ont-
werpakte heeft opgesteld”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers, de personen” vervangen door de
woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge-
registreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden,” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“en de gefailleerde”;
5° in het tweede lid worden de woorden “en de gefail-
leerde” vervangen door de woorden “de gefailleerde en
desgevallend de andere mede-eigenaars”;
6° in het tweede lid worden de woorden “zoals een
minimumverkoopprijs” opgeheven.
Art. 52
In het deel IV, boek IV, hoofdstuk IV van hetzelf-
de Wetboek wordt een artikel 1193quater ingevoegd,
luidende:
“Art. 1193quater. § 1. Indien de vereffenaar van een
rechtspersoon van de zuivering wenst te genieten over-
eenkomstig artikel 1326 voor de openbare verkoop of
verkoop uit de hand waartoe hij overgaat op basis van de
artikelen 2:87, § 3, 2:88, § 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122,
§ 1, 4° of 5° van het Wetboek van vennootschappen en
verenigingen dient hij, voorafgaandelijk aan deze verkoop,
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les personnes”.
Art. 51
À l’article 1193ter du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017 et modifié par les lois du 11 juil-
let 2018 et du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “désigné par le juge-
commissaire” sont remplacés par les mots “désigné
par le curateur”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “qu’il a désigné et un
certificat” sont remplacés par les mots “désigné par
le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un certificat”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,
ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan-
ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men-
tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar-
ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “de même que le failli”;
5° dans l’alinéa 2, les mots “et, le cas échéant, les
autres copropriétaires” sont insérés entre les mots “de
même que le failli” et les mots “doivent être appelés”;
6° dans l’alinéa 2, les mots “telle que la fixation d’un
prix de vente minimum” sont abrogés.
Art. 52
Dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV du
même Code, il est inséré un article 1193quater rédigé
comme suit:
“Art. 1193quater. § 1er. Si le liquidateur d’une personne
morale souhaite bénéficier de la purge conformément à
l’article 1326 pour la vente à laquelle il procède confor-
mément aux articles 2:87, § 3, 2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121,
§ 3 ou 2:122, § 1er, 4° ou 5° du Code des sociétés et des
associations, il doit en outre obtenir préalablement à la
vente publique ou la vente de gré à gré une autorisation
3552/001
DOC 55
178
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bovendien een machtiging te verkrijgen van de onder-
nemingsrechtbank. Bij gerechtelijke ontbinding kunnen
de machtiging bepaald in de artikelen 2:88 of 2:122 van
het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en
deze bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd gevorderd
worden.
§ 2. Indien de rechtbank machtiging verleent om het
onroerend goed openbaar te verkopen met zuiverende
werking, wijst hij tegelijk een notaris aan, door wiens
ambtelijke tussenkomst de openbare verkoping zal ge-
schieden. De vereffenaar en, in voorkomend geval, de
vrederechter van het kanton waar het onroerend goed
gelegen is, waken, elk voor wat hen betreft, over de
bescherming van de betrokken belangen.
§ 3. De vereffenaar kan bij een met redenen om-
kleed verzoekschrift aan de ondernemingsrechtbank
de machtiging vragen om uit de hand te verkopen met
zuiverende werking. De vereffenaar legt aan de rechtbank
een ontwerp van verkoopakte voor, opgemaakt door een
door hem aangewezen notaris, onder opgave van de
redenen waarom de verkoop uit de hand geboden is.
Hierbij voegt hij een schattingsverslag, opgemaakt
door de deskundige aangewezen door de notaris die de
ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
van de Federale Overheidsdienst Financiën, na de
invereffeningstelling opgesteld, met vermelding van de
bestaande inschrijvingen en alle overschrijvingen van
een bevel of een beslag betreffende het te verkopen
onroerend goed evenals desgevallend het resultaat
van de opzoeking na raadpleging van het Pandregister.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de inge-
schreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de
in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben
doen overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek
hebben laten kantmelden evenals de rechtspersoon in
vereffening en desgevallend de mede-eigenaars dienen
tot de machtigingsprocedure te worden opgeroepen bij
gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de zitting
betekend wordt. De verschuldigde retributie geldt als
griffiekost. Zij kunnen van de rechtbank vorderen dat
de machtiging om uit de hand te verkopen afhankelijk
wordt gesteld van bepaalde voorwaarden.
De machtiging om te verkopen met zuiverende werking
wordt verleend indien het belang van de te vereffenen
boedel zulks vereist. De beschikking bepaalt uitdrukkelijk
waarom de verkoop uit de hand het belang van de te
du tribunal de l’entreprise. En cas de dissolution judiciaire,
l’autorisation prévue par les articles 2:88 ou 2:122 du
Code des sociétés et des associations et celle prévue
par le présent paragraphe peuvent être demandées
simultanément.
§ 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de vendre
l’immeuble publiquement avec bénéfice de la purge,
il désigne en même temps un notaire par le ministère
duquel la vente publique aura lieu. Le liquidateur ainsi
que, le cas échéant, le juge de paix du canton de la
situation de l’immeuble veillent, chacun pour ce qui le
concerne, à la sauvegarde des intérêts en cause.
§ 3. Le liquidateur peut demander, par requête moti-
vée, au tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre
de gré à gré avec bénéfice de la purge. Le liquidateur
soumet au tribunal un projet d’acte de vente, établi par
un notaire désigné par le liquidateur, et lui expose les
motifs pour lesquels la vente de gré à gré s’impose.
Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert
désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un
certificat de l’Administration générale de la documen-
tation patrimoniale du Service public fédéral Finances,
postérieur à l’ouverture de la procédure de liquidation,
relatant les inscriptions existantes et toute transcription
de commandement ou de saisie portant sur l’immeuble
qui doit être vendu ainsi que, le cas échéant, le résultat
des recherches après consultation du Registre des
gages. Les créanciers hypothécaires inscrits, créan-
ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers qui
ont fait transcrire un commandement ou un exploit
de saisie et ceux qui ont fait mention en marge d’une
action intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil
de même que la personne morale en liquidation et, le
cas échéant, les copropriétaires doivent être appelés
à la procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié au
moins huit jours avant l’audience. La rétribution due
vaut comme frais de greffe. Ils peuvent demander au
tribunal que l’autorisation de vendre de gré à gré soit
subordonnée à certaines conditions.
L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la purge
est accordée si l’intérêt de la masse à liquider l’exige.
L’ordonnance doit indiquer expressément la raison pour
laquelle la vente de gré à gré sert l’intérêt de la masse
à liquider et mentionne l’identité des créanciers dûment
179
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
vereffenen boedel dient en vermeldt de identiteit van de
schuldeisers die naar behoren bij de procedure werden
opgeroepen. Deze vorm van verkoop kan van de vaststel-
ling van een minimumprijs afhankelijk worden gesteld.
De verkoping moet overeenkomstig de door de recht-
bank aangenomen ontwerpakte geschieden, door de
ambtelijke tussenkomst van de notaris die deze heeft
opgesteld. Hoger beroep tegen de beschikking van de
rechtbank kan ingesteld worden door de verzoeker of
door de tussenkomende schuldeisers op de wijze be-
paald in artikel 1031.”
Art. 53
In artikel 1253ter/1 van hetzelfde Wetboek, inge-
voegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de
wet van 15 juni 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woor-
den “paragraaf 3” vervangen door de woorden “de
artikelen 734/1 tot 734/4”;
2° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 54
In artikel 1253ter/3, § 2, van hetzelfde Wetboek,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden
de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door
de woorden “734/1, § 2”.
Art. 55
In artikel 1253quater, a) van hetzelfde Wetboek,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juni 2018, worden
de woorden “1253ter/1, § 3, tweede lid” vervangen door
de woorden “734/1, § 2”.
Art. 56
Artikel 1326 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de
wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt:
“Art. 1326. § 1. De verkopingen van onroerende
goederen die geheel toebehoren aan de schuldenaar
toegelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefail-
leerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door
overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon
in vereffening, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen,
beschermde personen die krachtens artikel 492/1 van
appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente
peut être subordonné à la fixation d’un prix minimum.
La vente doit avoir lieu conformément au projet d’acte
admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui
l’a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants
peuvent interjeter appel de l’ordonnance du tribunal,
conformément à l’article 1031.”
Art. 53
Dans l’article 1253ter/1 du même Code, inséré par la
loi du 30 juillet 2013 et modifié par la loi du 15 juin 2018,
les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “au
paragraphe 3” sont remplacés par les mots “aux
articles 734/1 à 734/4”;
2° le paragraphe 3 est abrogé.
Art. 54
Dans l’article 1253ter/3, § 2, du même Code, modifié en
dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots “1253ter/1,
§ 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots “734/1, § 2”.
Art. 55
Dans l’article 1253quater, a), du même Code, modi-
fié en dernier lieu par la loi du 15 juin 2018, les mots
“1253ter/1, § 3, alinéa 2” sont remplacés par les mots
“734/1, § 2”.
Art. 56
L’article 1326 du même Code, remplacé par la loi
du 11 août 2017, est remplacé par ce qui suit:
“Art. 1326. § 1er. Les ventes d’immeubles qui appar-
tiennent en totalité au débiteur admis au règlement
collectif de dettes, au failli, à un débiteur en réorgani-
sation judiciaire par transfert sous autorité de justice, à
une personne morale en liquidation, à un mineur, à un
présumé absent, à une personne protégée qui, en vertu
de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée
3552/001
DOC 55
180
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
het oud Burgerlijk wetboek onbekwaam werden ver-
klaard om onroerende goederen te vervreemden, een
onbeheerde nalatenschap, een nalatenschap aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving, brengen over-
wijzing van de prijs met zich mee ten behoeve van de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de ingeschre-
ven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, ten behoeve
van de schuldeisers die een bevel of beslagexploot
hebben doen overschrijven alsook ten behoeve van
de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens
artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden, op voorwaarde:
1° dat deze schuldeisers in het kader van de gemach-
tigde of bevolen openbare verkoop werden opgeroepen
door de notaris om de verkoopsverrichtingen te volgen.
Deze oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of
aangetekende zending met ontvangstbewijs ten minste
acht dagen voor de dag van de verkoop, of bij gedema-
terialiseerde biedingen, ten minste acht dagen voor de
dag van de aanvang van de biedingsperiode; of
2° dat zij in het kader van de verkoop uit de hand door
de griffie tot de machtingsprocedure werden opgeroepen.
Deze oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste
acht dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de
gemachtigde of bevolen verkoop van een onroerend
goed op beslag dat geheel of deels toebehoort aan de
beslagene, tenzij in geval van toepassing van artikel 1561,
in welk geval deze verkoop plaatsvindt in het kader van
een gerechtelijke vereffening-verdeling overeenkomstig
paragraaf 3.
§ 2. De verkopingen van onverdeelde onroerende
goederen deels toebehorend aan de schuldenaar toe-
gelaten tot de collectieve schuldenregeling, de gefail-
leerde, de schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door
overdracht onder gerechtelijk gezag, de rechtspersoon
in vereffening die het voordeel van de zuivering heeft
bekomen, minderjarigen, vermoedelijk afwezigen, be-
schermde personen die krachtens artikel 492/1 van het
oud Burgerlijk Wetboek onbekwaam werden verklaard om
onroerende goederen te vervreemden, een onbeheerde
nalatenschap of een nalatenschap aanvaard onder voor-
recht van boedelbeschrijving, en aan andere personen,
brengen overwijzing mee van de prijs ten behoeve van
de in paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door de
griffie werden opgeroepen tot de machtigingsprocedure
van de verkoop. Deze oproeping gebeurt bij gerechts-
brief die ten minste acht dagen vóór de zitting ter kennis
wordt gegeven.
incapable d’aliéner des immeubles, à une succession
vacante, à une succession acceptée sous bénéfice
d’inventaire, emportent délégation du prix au profit des
créanciers hypothécaires inscrits, des créanciers privilé-
giés inscrits, le cas échéant des créanciers enregistrés
au Registre des gages, au profit des créanciers qui ont
fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie
ainsi qu’au profit des créanciers qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du
Code civil, à condition:
1° que ces créanciers aient été appelés par le notaire
à suivre les opérations de vente dans le cadre d’une
vente publique autorisée ou ordonnée. Cet appel a lieu
par exploit d’huissier ou courrier recommandé avec
accusé de réception au moins huit jours avant le jour de
la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées, au moins
huit jours avant le jour de l’ouverture des enchères; ou
2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la procédure
d’autorisation dans le cadre d’une vente de gré à gré. Cet
appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours
avant l’audience.
Le présent paragraphe est également applicable à la
vente autorisée ou ordonnée sur saisie d’un immeuble
qui appartient en totalité ou pour partie au saisi, sauf
en cas d’application de l’article 1561, auquel cas la
vente intervient dans le cadre d’une liquidation-partage
judiciaire conformément au paragraphe 3.
§ 2. Les ventes d’immeubles indivis qui appartiennent
pour partie au débiteur admis au règlement collectif de
dettes, au failli, à un débiteur en réorganisation judiciaire
par transfert sous autorité de justice, à une personne
morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge,
à un mineur, à un présumé absent, à une personne pro-
tégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code
civil, a été déclarée incapable d’aliéner des immeubles,
à une succession vacante, à une succession acceptée
sous bénéfice d’inventaire, et à d’autres personnes,
emportent délégation du prix au profit des créanciers
énumérés au paragraphe 1er qui ont été appelés par
le greffe à la procédure d’autorisation de la vente. Cet
appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins huit jours
avant l’audience.
181
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
§ 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in het kader
van een gerechtelijke vereffening-verdeling, is volgende
bijzondere regeling van toepassing:
1° de openbare verkoop brengt overwijzing mee van
de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde
schuldeisers die door de notaris werden opgeroepen
om de verkoopsverrichtingen te volgen. Deze oproeping
gebeurt bij deurwaardersexploot of aangetekende zending
met ontvangstbewijs ten minste acht dagen voor de dag
van de verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen,
ten minste acht dagen voor de dag van de aanvang van
de biedingsperiode;
2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing mee van
de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1 opgesomde
schuldeisers die door de griffie werden opgeroepen tot de
machtigingsprocedure, voor zover de verkopende partij
zich vrijwillig onderworpen heeft aan de procedure van
machtiging bedoeld in artikel 1193bis. Deze oproeping
gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór
de zitting ter kennis wordt gegeven.
§ 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2 en 3 blijkt
dat de overwijzing van de prijs kan worden bekomen in
het kader van verschillende procedures, volstaat het
dat de schuldeisers opgesomd in paragraaf 1 werden
opgeroepen bij één van deze procedures om de zuivering
te bewerkstelligen.
§ 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in para-
graaf 1, van wie de inschrijving, overschrijving, registratie
in het Pandregister of kantmelding dateert van na de
oproeping voorzien in paragrafen 1 tot en met 3, brengen
de verkopingen van onroerende goederen eveneens
van rechtswege overwijzing mee van de prijs, zonder
dat deze schuldeisers moeten worden opgeroepen.
§ 6. De titel van de koper bestaat uit de akte zonder
dat de beschikking of het vonnis tot machtiging hieraan
toegevoegd dient te worden of overgeschreven moet
worden.”
Art. 57
In artikel 1389bis/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 29 mei 2000 en gewijzigd bij de wetten
van 27 maart 2006 en 14 januari 2013, in de Nederlandse
tekst, wordt het woord “eensluidend” opgeheven.
§ 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre d’une
liquidation-partage judiciaire, les règles spécifiques
suivantes sont d’application:
1° la vente publique emporte délégation de prix au
profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui
ont été appelés par le notaire à suivre les opérations
de vente. Cet appel a lieu par exploit d’huissier ou cour-
rier recommandé avec accusé de réception au moins
huit jours avant le jour de la vente ou, en cas d’enchères
dématérialisées, au moins huit jours avant le jour de
l’ouverture des enchères;
2° la vente de gré à gré emporte délégation de prix
au profit des créanciers énumérés au paragraphe 1er qui
ont été appelés par le greffe à la procédure d’autorisa-
tion, pour autant que les parties venderesses se soient
volontairement soumises à la procédure d’autorisation
visée à l’article 1193bis. Cet appel a lieu par pli judiciaire
notifié au moins huit jours avant l’audience.
§ 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la
délégation de prix peut être obtenue dans le cadre
de différentes procédures, il suffit que les créanciers
énumérés au paragraphe 1er aient été appelés dans le
cadre de l’une de ces procédures pour obtenir la purge.
§ 5. Les ventes d’immeubles emportent également
de plein droit délégation de prix à l’égard des créanciers
énumérés au paragraphe 1er dont l’inscription, la trans-
cription, l’enregistrement au Registre des gages ou la
mention en marge sont postérieurs à l’appel prévu aux
paragraphes 1er à 3, sans que ces créanciers doivent
être appelés.
§ 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte sans
qu’il soit besoin d’y annexer et de transcrire l’ordonnance
ou le jugement d’autorisation.”
Art. 57
Dans l’article 1389bis/7 du même Code, inséré par la loi
du 29 mai 2000 et modifié par les lois du 27 mars 2006 et
du 14 janvier 2013, dans le texte néerlandais, le mot
“eensluidend” est abrogé.
3552/001
DOC 55
182
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 58
In artikel 1409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk ge-
wijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragrafen 1 en 1bis:
a) de woorden “35.000 frank” worden telkens vervan-
gen door de woorden “1706 euro”;
b) de woorden “32.000 frank” worden telkens vervan-
gen door de woorden “1560 euro”;
c) de woorden “29.000 frank” worden telkens vervan-
gen door de woorden “1414 euro”;
d) de woorden “27.000 frank” worden telkens vervan-
gen door de woorden “1316 euro”;
e) de woorden “50 euro” worden telkens vervangen
door de woorden “81 euro”.
2° in paragraaf 2:
a) in het eerste lid worden de woorden “en onvermin-
derd de toepassing van paragraaf 3” ingevoegd tussen
de woorden “Elk jaar” en de woorden “past de Koning”;
b) in het eerste lid worden de woorden “het indexcijfer
van de consumptieprijzen” vervangen door de woorden
“de afgevlakte gezondheidsindex”;
c) in het tweede lid worden de woorden “novem-
ber 1989” vervangen door de woorden “november 2022”;
d) in het tweede lid worden de woorden “dat van
de maand van de publicatie in het Belgisch Staatsblad
van de wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de arti-
kelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het Gerechtelijk
Wetboek, met het oog op de aanpassing van het
bedrag van het loon dat niet vatbaar is voor over-
dracht of beslag” vervangen door de woorden “van
de maand november 2022”;
e) in het vierde lid worden de woorden “artikel 2, § 1,
1, van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van
het recht op een bestaansminimum, dat van kracht zal
zijn op 1 januari van het jaar volgend op de aanpas-
sing, afgerond tot het hogere duizendtal” vervangen
door de woorden “artikel 14, § 1, eerste lid, van de wet
van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschap-
pelijke integratie, dat van kracht zal zijn op 1 januari
van het jaar volgend op de aanpassing, afgerond tot
het hogere honderdtal”;
Art. 58
À l’article 1409 du même Code, modifié en dernier
lieu par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans les paragraphes 1er et 1erbis:
a) les mots “35.000 F” sont chaque fois remplacés
par les mots “1706 euros”;
b) les mots “32.000 F” sont chaque fois remplacés
par les mots “1560 euros”;
c) les mots “29.000 F” sont chaque fois remplacés
par les mots “1414 euros”;
d) les mots “27.000 F” sont chaque fois remplacés
par les mots “1316 euros”;
e) les mots “50 euros” sont chaque fois remplacés
par les mots “81 euros”.
2° dans le paragraphe 2:
a) dans l’alinéa 1er, les mots “et sans préjudice de
l’application du paragraphe 3,” sont insérés entre les
mots “Chaque année,” et les mots “le Roi”;
b) dans l’alinéa 1er, les mots “des prix à la consomma-
tion” sont remplacés par les mots “santé lissé”;
c) dans l’alinéa 2, les mots “de novembre 1989” sont
remplacés par les mots “de novembre 2022”;
d) dans l’alinéa 2, les mots “de la publication au
Moniteur belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les
articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code judiciaire,
en vue d’adapter la quotité non cessible ou non saisis-
sable de la rémunération” sont remplacés par les mots
“de novembre 2022”;
e) dans l’alinéa 4, les mots “l’article 2, § 1er, 1°, de la
loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de
moyens d’existence, en vigueur au 1er janvier de l’année
suivant celle de l’adaptation, arrondi au millier supérieur”
sont remplacés par les mots “l’article 14, § 1er, alinéa 1er,
de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l’intégration
sociale, en vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle
de l’adaptation, arrondi au centième supérieur”;
183
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
f) in het vijfde lid worden de woorden “Binnen de
eerste vijftien dagen van de maand” vervangen door
de woorden “Voor 31”;
3° een paragraaf 2bis wordt ingevoegd, luidende:
“§ 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid be-
doelde aanpassing eveneens indien de stijging of daling
van het indexcijfer in de loop van het jaar meer dan 5 %
bedraagt ten opzichte van de laatste aanpassing.
De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt binnen
de maand die volgt op de verhoging of verlaging. Ze treden
in werking vanaf de eerste dag van de maand volgend
op hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.”;
4° in paragraaf 3:
a) in het eerste lid worden de woorden “na advies van
de Nationale Arbeidsraad” vervangen door de woorden
“bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit”;
b) het tweede lid wordt vervangen door twee leden,
luidende:
“De nieuwe bedragen treden in werking vanaf de eer-
ste dag van de maand volgend op hun bekendmaking
in het Belgisch Staatsblad. Ze treden uit werking op de
door de Koning bepaalde datum of, bij gebreke daarvan,
op 31 december van het jaar van hun inwerkingtreding
en uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding ervan.
Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht zijn, ver-
richt de Koning de in het tweede lid of in dit lid bedoelde
aanpassing. Indien de aanpassing geschiedt op basis
van het tweede lid, houdt hij rekening met het indexcijfer
van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De
nieuwe bedragen treden in werking op de eerste dag
van de maand die volgt op hun aanpassing.”
Art. 59
Artikel 1561, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt
aangevuld met de volgende zin:
“In voormelde gevallen zijn de artikelen 1207 en
volgende van toepassing.”
Art. 60
In artikel 1580bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen door de wet van 11 augustus 2017, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
f) dans l’alinéa 5, les mots “Dans les quinze pre-
miers jours du mois de” sont remplacés par les mots
“Avant le 31”;
3° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit:
“§ 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation pré-
vue au paragraphe 2 si en cours d’année l’augmentation
ou la diminution de l’indice dépasse 5 % par rapport à
la dernière adaptation.
Les nouveaux montants sont publiés au cours du mois
qui suit l’augmentation ou la diminution. Ils entrent en
vigueur le 1er jour du mois qui suit leur publication au
Moniteur belge.”;
4° dans le paragraphe 3:
a) dans l’alinéa 1er, les mots “après avis du Conseil
national du travail” sont remplacés par les mots “par
arrêté délibéré en Conseil des ministres”;
b) l’alinéa 2 est remplacé par deux alinéas rédigés
comme suit:
“Les nouveaux montants entrent en vigueur le 1er jour
du mois suivant leur publication au Moniteur belge. Ils
cessent d’être en vigueur à la date prévue par le Roi ou,
à défaut, le 31 décembre de l’année de leur entrée en
vigueur et au plus tard un an à compter de leur entrée
en vigueur.
Au cours du dernier mois durant lequel ils sont en
vigueur, le Roi procède à l’adaptation prévue au para-
graphe 2 ou au présent paragraphe. Si l’adaptation a
lieu sur la base du paragraphe 2, il prend en compte
l’indice du mois qui précède l’adaptation; les nouveaux
montants entrent en vigueur le 1er jour du mois qui suit
leur adaptation.”
Art. 59
L’article 1561, alinéa 1er, du même Code, est complété
par la phrase suivante:
“Dans ces hypothèses, les articles 1207 et suivants
sont d’application.”
Art. 60
À l’article 1580bis, alinéa 3, du même Code, remplacé
par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
3552/001
DOC 55
184
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen”
worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend
de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
schuldeisers”;
2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek
hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen
de woorden “laten overschrijven” en de woorden “, de
beslagene”.
Art. 61
In artikel 1580ter van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin:
“Hierbij voegt hij een schattingsverslag opgemaakt
door een deskundige aangewezen door de notaris die de
ontwerpakte heeft opgesteld en een getuigschrift van de
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
van de Federale Overheidsdienst Financiën met vermel-
ding van de bestaande inschrijvingen en alle overschrij-
vingen van een bevel of een beslag betreffende de te
verkopen onroerende goederen evenals desgevallend
het resultaat van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister.”;
2° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers, degenen” vervangen door de
woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge-
registreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
3° in het tweede lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “laten overschrijven” en de woorden
“, de beslagene”.
Art. 62
In artikel 1582, derde lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “of bevoorrechte schuldeisers, degenen”
worden vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend
de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
schuldeisers”;
1° les mots “ou privilégiés inscrits” sont remplacés
par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits,
le cas échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers”;
2° les mots “ou ceux qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code
civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “, le saisi et,”.
Art. 61
À l’article 1580ter du même Code, remplacé par la
loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° l’alinéa 1er est complété par la phrase suivante:
“Il y joint un rapport d’expertise établi par l’expert
désigné par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un
certificat de l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale du Service public fédéral Finances rela-
tant les inscriptions existantes et toute transcription de
commandement ou de saisie portant sur les immeubles
qui doivent être vendus ainsi que, le cas échéant, le
résultat des recherches après consultation du Registre
des gages.”;
2° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,
ceux” sont remplacés par les mots “inscrits, les créan-
ciers privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men-
tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar-
ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “, ainsi que le saisi”.
Art. 62
À l’article 1582, alinéa 3, du même Code, remplacé
par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “ou privilégiés inscrits, ceux” sont rem-
placés par les mots “inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits, le cas échéant les créanciers enregistrés au
Registre des gages, les créanciers”;
185
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° de woorden “en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek
hebben laten kantmelden” worden ingevoegd tussen
de woorden “doen overschrijven” en de woorden “en
de schuldenaar”.
Art. 63
In artikel 1639, tweede lid, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “in het kader van een insolventie-
procedure of in het kader van de vereffening van een
onbeheerde of onder voorrecht van boedelbeschrijving
aanvaarde nalatenschap” worden vervangen door de
woorden “van het onroerend goed toebehorend aan een
schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenrege-
ling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke
reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag,
een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van
de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde of een
onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde
nalatenschap”;
2° de woorden “en bevoorrechte schuldeisers” worden
vervangen door de woorden “schuldeisers, de bijzonder
bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de in het
Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
3° de zin “De gelden die toekomen aan de schuldeiser
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort
op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoer-
bare beslissing of een akkoord tussen partijen.” wordt
ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin.
Art. 64
In het deel V, titel III, hoofdstuk VIII van hetzelfde
Wetboek wordt een artikel 1639/1 ingevoegd, luidende:
“Art. 1639/1. Indien één van de verkopingen vermeld
in artikel 1326 een onverdeeld onroerend goed betreft,
moet er per mede-eigenaar een rangregeling worden
opgemaakt als volgt:
1° een volledige rangregeling voor het aandeel toe-
behorend aan een beslagene, een minderjarige, een
vermoedelijk afwezige, een beschermde persoon die
krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek
onbekwaam werd verklaard om onroerende goederen
te vervreemden of aan de partijen in een gerechtelijke
vereffening-verdeling;
2° les mots “et ceux qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243 du Code
civil” sont insérés entre les mots “un exploit de saisie”
et les mots “ainsi que le débiteur”.
Art. 63
À l’article 1639, alinéa 2, du même Code, remplacé
par la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes
sont apportées:
1° les mots “intervenant dans le cadre d’une procédure
d’insolvabilité ou dans le cadre de la liquidation d’une”
sont remplacés par les mots “de l’immeuble appartenant
à un débiteur admis au règlement collectif de dettes, un
failli, un débiteur en réorganisation judiciaire par trans-
fert sous autorité de justice, une personne morale en
liquidation qui a obtenu le bénéfice de la purge ou une”;
2° les mots “et privilégiés spéciaux” sont remplacés
par les mots “inscrits, des créanciers privilégiés spé-
ciaux et, le cas échéant, des créanciers enregistrés au
Registre des gages”;
3° la phrase “Les fonds revenant au créancier ayant
fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un compte
rubriqué en attendant une décision exécutoire ou un
accord entre les parties.” est insérée entre la première
et la deuxième phrase.
Art. 64
Dans la cinquième partie, titre III, chapitre VIII du même
Code, il est inséré un article 1639/1 rédigé comme suit:
“Art. 1639/1. Si l’une des ventes mentionnées à l’ar-
ticle 1326 concerne un immeuble indivis, un ordre par
copropriétaire doit être établi en procédant comme suit:
1° un ordre complet pour la part revenant à un saisi,
un mineur, un présumé absent, une personne protégée
qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil, a
été déclarée incapable d’aliéner des immeubles ou aux
parties dans le cadre d’une liquidation-partage judiciaire;
3552/001
DOC 55
186
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in arti-
kel 1639, tweede lid, voor het aandeel toebehorend aan
een schuldenaar toegelaten tot de collectieve schuldenre-
geling, een gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke
reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag,
een rechtspersoon in vereffening die het voordeel van
de zuivering heeft bekomen, een onbeheerde nalaten-
schap of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht
van boedelbeschrijving;
3° een semi verkorte rangregeling voor het aan-
deel toebehorend aan de mede-eigenaar die niet ver-
meld wordt onder 1° en 2°. Deze rangregeling beperkt
zich tot de betaling van de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers, de bijzonder bevoorrechte schuldeisers
en desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers, evenals tot betaling van de sociale en
fiscale schuldeisers die tijdig een kennisgeving hebben
verstuurd. De gelden die toekomen aan de schuldeiser
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden gestort
op een rubriekrekening in afwachting van een uitvoerbare
beslissing of een akkoord tussen partijen.
De schuldvordering die kan worden verhaald op
meerdere onverdeelde eigenaars, wordt aangerekend
naar verhouding met het zakenrechtelijk aandeel dat
toekomt aan elk van hen, zonder afbreuk te doen aan
het ondeelbare karakter van de hypotheek.
Indien het onroerend goed deel uitmaakt van een
mede-eigendom die betrekking heeft op een juridisch
geheel van goederen, worden eerst de gemeenschap-
pelijke schulden van deze mede-eigendom in rekening
genomen in de rangregeling. Nadat vervolgens het
netto-aandeel van elk van de deelgenoten werd bepaald,
worden de eigen schulden in rekening genomen in de
rangregeling zoals voorzien in het eerste lid. Indien de
mede-eigendom die betrekking heeft op het juridisch
geheel van goederen reeds was ontbonden, kan deze
laatste fase slechts aangevat worden na gehele afwik-
keling van deze mede-eigendom.”
Art. 65
In artikel 1653, derde lid, van hetzelfde Wetboek wor-
den de woorden “die ten laste van de beslagene op het
toegewezen goed bestaan, ambtshalve doorgehaald”
vervangen door de woorden “ten laste van de eigenaar
of van alle mede-eigenaars op het verkochte goed
ambtshalve doorgehaald voor zover de notaris verklaart
dat de bepalingen van artikel 1326 werden nageleefd.
Dit getuigschrift laat eveneens de doorhaling toe van
een nog bestaande inschrijving of overschrijving lastens
de rechtsvoorgangers. Indien een vordering ingesteld
2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639,
alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur admis au
règlement collectif de dettes, un failli, un débiteur en
réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de
justice, une personne morale en liquidation qui a obtenu
le bénéfice de la purge, une succession vacante ou une
succession acceptée sous bénéfice d’inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à un
copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°. Cet ordre se
limite au payement des créanciers hypothécaires inscrits,
des créanciers privilégiés spéciaux et, le cas échéant,
des créanciers enregistrés au Registre des gages ainsi
qu’au payement des créanciers fiscaux et sociaux qui
ont envoyé une notification à temps. Les fonds revenant
au créancier ayant fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont
versés sur un compte rubriqué en attendant une décision
exécutoire ou un accord entre les parties.
La créance qui peut être récupérée à l’encontre de
plusieurs copropriétaires indivis, est imputée en proportion
de la part de droits réels qui revient à chacun d’entre
eux, sans porter préjudice au caractère indivisible de
l’hypothèque.
Si l’immeuble fait partie d’une copropriété portant sur
un ensemble juridique de biens, les dettes communes
à cette copropriété sont reprises en premier lieu dans
l’ordre. Ensuite, après la détermination de la part nette
de chacun des indivisaires, les dettes propres sont
prises en compte dans l’ordre tel que prévu à l’alinéa 1er.
Si la copropriété portant sur l’ensemble juridique de
biens a déjà été dissoute, cette dernière étape ne peut
être entamée qu’après le règlement complet de cette
copropriété.”
Art. 65
Dans l’article 1653, alinéa 3, du même Code, les mots
“à charge du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office”
sont remplacés par les mots “à charge du propriétaire
ou de tous les copropriétaires, sur le bien vendu, sont
rayées d’office, pour autant que le notaire déclare que
les conditions de l’article 1326 ont été respectées. Ce
certificat permet également la radiation des inscriptions
ou transcriptions existant encore à charge des titulaires
précédents. Si une action est inscrite en marge en vertu
de l’article 5.243 du Code civil, une nouvelle mention
187
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek werd
gekantmeld, wordt er een nieuwe kantmelding verricht
die melding maakt van de zuiverende verkoop en dit
getuigschrift.”
Art. 66
In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 15 april 2018, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden
“, bevoorrechte schuldeisers en beslagleggende schuld-
eiser” vervangen door de woorden “schuldeisers, de
ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend
de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”;
2° in paragraaf 2, vijfde lid, in de Nederlandse tekst,
wordt het woord “zekerheid” vervangen door het woord
“zeker”.
Art. 67
In de Nederlandse tekst van artikel 1675/9, § 4, van
hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en
vervangen bij de wet van 26 maart 2013, wordt het woord
“tenministe” vervangen door het woord “tenminste”.
Art. 68
In artikel 1675/10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de
wet van 14 januari 2013, worden de volgende wijzigingen
aangebracht:
1° in de Nederlandse tekst van paragraaf 2/1 wordt
het woord “geachtualiseerde” vervangen door het woord
“geactualiseerde”;
2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden “of
wettelijk samenwonende” ingevoegd tussen de woorden
“diens echtgenoot” en de woorden “, en de schuldeisers”.
Art. 69
In artikel 1675/12, § 2, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd
marginale est inscrite qui fait état de la vente purgeante
et de ce certificat.”
Art. 66
À l’article 1675/7 du même Code, inséré par la
loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la
loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots “, privilégiés
inscrits et le créancier saisissant” sont remplacés par
les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le
cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des
gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont
fait mention en marge d’une action intentée sur base
de l’article 5.243 du Code civil”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 5, dans le texte néerlan-
dais, le mot “zekerheid” est remplacé par le mot “zeker”.
Art. 67
Dans le texte néerlandais de l’article 1675/9, § 4, du
même Code, inséré par la loi du 5 juillet 1995 et rem-
placé par la loi du 26 mars 2013, le mot “tenministe” est
remplacé par le mot “tenminste”.
Art. 68
À l’article 1675/10 du même Code, inséré par la loi
du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par la loi
du 14 janvier 2013, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 2/1, dans le texte néerlan-
dais, le mot “geachtualiseerde” est remplacé par le mot
“geactualiseerde”;
2° dans le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots “ou
son cohabitant légal” sont insérés entre les mots “son
conjoint” et les mots “, et aux créanciers”.
Art. 69
À l’article 1675/12, § 2, alinéa 1er, du même Code,
inséré par la loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi
3552/001
DOC 55
188
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
bij de wet van 13 december 2005, worden de woorden
“en zijn gezin” ingevoegd tussen de woorden “van de
schuldenaar” en de woorden “te verzekeren”.
Art. 70
In artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek,
vervangen bij de wet van 15 april 2018, worden de vol-
gende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgeval-
lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“, alsook de andere”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuld-
eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers,
desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers”;
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“, ten minste”.
Art. 71
In artikel 1675/21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 25 december 2016, wordt het woord “aange-
stelde” telkens vervangen door het woord “functionaris”.
HOOFDSTUK 4
Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
Art. 72
Artikel 9 van het Wetboek van de Belgische nationa-
liteit, gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, waarvan de
bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld
met een paragraaf 2, luidende:
“§ 2. In geval van herziening van de adoptie, zoals
bedoeld in artikel 351 van het oud Burgerlijk Wetboek,
du 13 décembre 2005, la deuxième phrase est complétée
par les mots “et de sa famille”.
Art. 70
À l’article 1675/14bis, § 2, du même Code, remplacé
par la loi du 15 avril 2018, les modifications suivantes
sont apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre-
gistrés au Registre des gages”;
2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait
mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “ainsi que les autres
copropriétaires”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre-
gistrés au Registre des gages”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men-
tion en marge d’une action intentée sur base de l’ar-
ticle 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “doivent être appelés”.
Art. 71
Dans l’article 1675/21 du même Code, inséré par la
loi du 25 décembre 2016, le mot “préposé” est chaque
fois remplacé par le mot “délégué”.
CHAPITRE 4
Modifications du Code
de la nationalité belge
Art. 72
L’article 9 du Code de la nationalité belge, modifié
par la loi du 18 juin 2018, dont le texte actuel formera le
paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2 rédigé
comme suit:
“§ 2. En cas de révision de l’adoption, telle que prévue
à l’article 351 de l’ancien Code civil, ou de révocation de
189
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
of van herroeping van de adoptie, zoals bedoeld in de
artikelen 354-1 tot 354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek,
behoudt de geadopteerde de Belgische nationaliteit.”
Art. 73
In artikel 23, § 5, van hetzelfde Wetboek wordt het
tweede lid vervangen als volgt:
“Het verzet moet op straffe van onontvankelijkheid
worden gedaan binnen de termijn waarin voor burgerlijke
zaken is voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk
Wetboek, eventueel verlengd wegens de gerechtelijke
vakantie, overeenkomstig artikel 50, tweede lid, van het
Gerechtelijk Wetboek.”
HOOFDSTUK 5
Wijziging van de wet van 11 april 1995
tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde
Art. 74
In artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 11 april 1995 tot
invoering van het “handvest” van de sociaal verzekerde,
laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 maart 2005 wordt
een bepaling onder h) ingevoegd, luidende:
“h) alle rechten bedoeld in de wet van 18 juli 2017 be-
treffende de oprichting van het statuut van nationale
solidariteit, de toekenning van een herstelpensioen en
de terugbetaling van medische zorg ingevolge daden
van terrorisme;”
HOOFDSTUK 6
Wijzigingen van het Wetboek
van economisch recht
Art. 75
In artikel XX.44, § 3, tweede lid, 1°, van het Wetboek
van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 11 au-
gustus 2017 en gewijzigd bij de wet van 15 april 2018,
worden de woorden “en bevoorrechte schuldeisers,
de beslagleggende schuldeiser” vervangen door de
woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister gere-
gistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser
en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens
artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden”.
l’adoption, telle que prévue aux articles 354-1 à 354-3 de
l’ancien Code civil, l’adopté conserve la nationalité belge.”
Art. 73
Dans l’article 23, § 5, du même Code, l’alinéa 2 est
remplacé par ce qui suit:
“L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être formée
dans le délai prévu, en matière civile, à l’article 1048 du
Code judiciaire, éventuellement prolongé en raison
des vacances judiciaires, conformément à l’article 50,
alinéa 2 du Code judiciaire.”
CHAPITRE 5
Modification de la loi du 11 avril 1995
visant à instituer “la charte”
de l’assuré social
Art. 74
Dans l’article 2, alinéa 1er, 1°, de la loi du 11 avril 1995 vi-
sant à instituer “la charte” de l’assuré social, modifié en
dernier lieu par la loi du 10 mars 2005 il est inséré un
h) rédigé comme suit:
“h) l’ensemble des droits visés dans la loi du 18 juil-
let 2017 relative à la création du statut de solidarité
nationale, à l’octroi d’une pension de dédommagement
et au remboursement des soins médicaux à la suite
d’actes de terrorisme;”
CHAPITRE 6
Modifications du Code
de droit économique
Art. 75
Dans l’article XX.44, § 3, alinéa 2, 1°, du Code de
droit économique, inséré par la loi du 11 août 2017 et
modifié par la loi du 15 avril 2018, les mots “privilégiés
inscrits, le créancier saisissant” sont remplacés par
les mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le
cas échéant les créanciers enregistrés au Registre des
gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont
fait mention en marge d’une action intentée sur base
de l’article 5.243 du Code civil”.
3552/001
DOC 55
190
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 76
In artikel XX.51, § 3, tweede lid, 1°, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en
gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, worden de woor-
den “en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser en de schuldenaar” vervangen door de
woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister gere-
gistreerde schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser
en de schuldeisers die een vordering ingesteld krachtens
artikel 5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden en de schuldenaar.”.
Art. 77
In artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij
de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd bij de wetten
van 15 april 2018 en 11 juli 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden
“, opgemaakt door de deskundige aangewezen door de
notaris die de ontwerpakte heeft opgesteld,” ingevoegd
tussen de woorden “een schattingsverslag” en de woor-
den “evenals een getuigschrift”;
2° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “of
bevoorrechte schuldeisers, evenals zij” vervangen door
de woorden “schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers, desgevallend de in het Pandregister ge-
registreerde schuldeisers, de schuldeisers”;
3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden “en
zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge-
voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de
woorden “, moeten ten minste”;
4° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “of
bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei-
sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers”;
5° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden “en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge-
voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de
woorden “, alsook de schuldenaar”;
6° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “of
bevoorrechte schuldeisers” vervangen door de woorden
Art. 76
Dans l’article XX.51, § 3, alinéa 2, 1°, du même
Code, inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la
loi 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits, le créan-
cier saisissant et le débiteur” sont remplacés par les
mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre des
gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont
fait mention en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil et le débiteur.”.
Art. 77
À l’article XX.88 du même Code, inséré par la loi
du 11 août 2017 et modifié par les lois du 15 avril 2018 et
du 11 juillet 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots “, établi
par l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le projet
d’acte,” sont insérés entre les mots “un rapport d’exper-
tise” et les mots “ainsi qu’un certificat”;
2° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “ou privi-
légiés inscrits, ceux” sont remplacés par les mots “ins-
crits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant
les créanciers enregistrés au Registre des gages, les
créanciers”;
3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots “et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur
base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre
les mots “un exploit de saisie” et les mots “, doivent être
appelés”;
4° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “ou pri-
vilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits,
les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les
créanciers enregistrés au Registre des gages”;
5° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots “et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur
base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre
les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le
débiteur”;
6° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “ou pri-
vilégiés inscrits,” sont remplacés par les mots “inscrits,
191
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
“schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldei-
sers, desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers”;
7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden “en
zij die een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” inge-
voegd tussen de woorden “doen overschrijven” en de
woorden “, evenals de schuldenaar”.
Art. 78
In artikel XX.120, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 en gewijzigd
bij de wet van 15 april 2018, worden de woorden “of
geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuld-
eisers, de beslagleggende schuldeiser” vervangen
door de woorden “hypothecaire schuldeisers, de in-
geschreven bevoorrechte schuldeisers, desgevallend
de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden”.
Art. 79
In artikel XX.193, § 2, van hetzelfde Wetboek, in-
gevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden “of bevoorrechte
schuldeisers” vervangen door de woorden “schuldeisers,
de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers, desgeval-
lend de in het Pandregister geregistreerde schuldeisers”;
2° in het eerste lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“, alsook de gefailleerde”;
3° in het tweede lid worden de woorden “of bevoor-
rechte schuldeisers” vervangen door de woorden “schuld-
eisers, de ingeschreven bevoorrechte schuldeisers,
desgevallend de in het Pandregister geregistreerde
schuldeisers”;
4° in het tweede lid worden de woorden “en zij die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden” ingevoegd
tussen de woorden “doen overschrijven” en de woorden
“, evenals de gefailleerde”.
les créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les
créanciers enregistrés au Registre des gages,”;
7° dans le paragraphe 3, alinéa 2, les mots “et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action intentée sur
base de l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre
les mots “un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le
débiteur”.
Art. 78
À l’article XX.120, § 1er, alinéa 4, du même Code,
inséré par la loi du 11 août 2017 et modifié par la loi
du 15 avril 2018, les mots “privilégiés inscrits ou enre-
gistrés, le créancier saisissant” sont remplacés par les
mots “inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre des
gages, le créancier saisissant et les créanciers qui ont
fait mention en marge d’une action intentée sur base
de l’article 5.243 du Code civil”.
Art. 79
À l’article XX.193, § 2, du même Code, inséré par
la loi du 11 août 2017, les modifications suivantes sont
apportées:
1° dans l’alinéa 1er, les mots “ou privilégiés inscrits,”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre-
gistrés au Registre des gages,”;
2° dans l’alinéa 1er, les mots “et ceux qui ont fait
mention en marge d’une action intentée sur la base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”;
3° dans l’alinéa 2, les mots “ou privilégiés inscrits,”
sont remplacés par les mots “inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers enre-
gistrés au Registre des gages,”;
4° dans l’alinéa 2, les mots “et ceux qui ont fait men-
tion en marge d’une action intentée sur la base de
l’article 5.243 du Code civil” sont insérés entre les mots
“un exploit de saisie” et les mots “ainsi que le failli”.
3552/001
DOC 55
192
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 7
Wijziging van de wet van 19 maart 2017
tot oprichting van een Begrotingsfonds
voor de juridische tweedelijnsbijstand
Art. 80
Artikel 5, § 2, van de wet 19 maart 2017 tot oprichting
van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijns-
bijstand wordt aangevuld met een lid, luidende:
“Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde
bijdrage treedt in werking op de eerste werkdag van de
tweede maand na de in het eerste lid bedoelde wijziging
van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit nieuwe
bedrag wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad
voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan.”
HOOFDSTUK 8
Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Art. 81
In de Nederlandse tekst van artikel 1.8, § 5, van het
Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 april 2022,
wordt het woord “heeft” ingevoegd tussen de woorden
“hoeven te zijn, ertoe” en de woorden “bijgedragen de
schijn”.
HOOFDSTUK 9
Wijzigingen van de wet van 5 mei 2019
houdende diverse bepalingen inzake
informatisering van Justitie,
modernisering van het statuut van rechters
in ondernemingszaken en
inzake de notariële aktebank
Art. 82
In artikel 36, 2°, van de wet van 5 mei 2019 houdende
diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie,
modernisering van het statuut van rechters in onderne-
mingszaken en inzake de notariële aktebank worden de
woorden “de rechtbanken” vervangen door de woorden
“van de rechtbanken en van de hoven”.
CHAPITRE 7
Modification de la loi du 19 mars 2017
instituant un fonds budgétaire
relatif à l’aide juridique de deuxième ligne
Art. 80
L’article 5, § 2, de la loi du 19 mars 2017 instituant un
fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième
ligne, est complété par l’alinéa suivant:
“Le nouveau montant de la contribution visée au
paragraphe 1er entre en vigueur le 1er jour ouvrable du
deuxième mois qui suit le changement de l’indice des
prix à la consommation visé à l’alinéa 1er. Ce nouveau
montant est publié par avis au Moniteur belge préala-
blement à son entrée en vigueur.”
CHAPITRE 8
Modification du Code civil
Art. 81
Dans le texte néerlandais de l’article 1.8, § 5, du Code
civil, inséré par la loi du 28 avril 2022, le mot “heeft” est
inséré entre les mots “hoeven te zijn, ertoe” et les mots
“bijgedragen de schijn”.
CHAPITRE 9
Modifications de la loi du 5 mai 2019
portant dispositions diverses en matière
d’informatisation de la Justice,
de modernisation du statut
des juges consulaires et
relativement à la banque des actes notariés
Art. 82
Dans l’article 36, 2°, de la loi du 5 mai 2019 portant
dispositions diverses en matière d’informatisation de la
Justice, de modernisation du statut des juges consu-
laires et relativement à la banque des actes notariés,
les mots “des juridictions” sont remplacés par les mots
“des tribunaux et des cours”.
193
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 83
In de Nederlandse tekst van artikel 37, 1°, van dezelfde
wet wordt het woord “mee” ingevoegd tussen de woorden
“de schrapping” en de woorden “van de vorderingen”.
Art. 84
In de Nederlandse tekst van artikel 39 van dezelfde
wet worden de woorden “na de uitspraak” ingevoegd
tussen de woorden “binnen de drie dagen” en de woor-
den “kennis van”.
Art. 85
In artikel 45, eerste lid, 1°, van dezelfde wet, worden
de woorden “rechtbank, met inbegrip van de griffie”
vervangen door de woorden “rechtbank of het hof, met
inbegrip van hun griffier”.
HOOFDSTUK 10
Wijziging van de wet van 16 oktober 2022
tot oprichting van het Centraal register
voor de beslissingen van de rechterlijke orde en
betreffende de bekendmaking van de vonnissen
en tot wijziging van de assisenprocedure
betreffende de wraking van de gezworenen
Art. 86
In artikel 19, tweede lid, van de wet van 16 okto-
ber 2022 tot oprichting van het Centraal register voor
de beslissingen van de rechterlijke orde en betreffende
de bekendmaking van de vonnissen en tot wijziging van
de assisenprocedure betreffende de wraking van de
gezworenen worden de woorden “hoofdstuk 2 en de
artikelen 9, 10, 13 en 18” vervangen door de woorden
“titel II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19”.
Art. 83
Dans l’article 37, 1°, de la même loi, dans le texte
néerlandais, le mot “mee” est inséré entre les mots “de
schrapping” et les mots “van de vorderingen”.
Art. 84
Dans l’article 39 de la même loi, dans le texte néer-
landais, les mots “na de uitspraak” sont insérés entre les
mots “binnen de drie dagen” et les mots “kennis van”.
Art. 85
Dans l’article 45, alinéa 1er, 1°, de la même loi, les mots
“tribunal, en ce compris le greffe” sont remplacés par les
mots “tribunal ou la cour, en ce compris leurs greffes”.
CHAPITRE 10
Modification de la loi du 16 octobre 2022
visant la création du Registre central
pour les décisions de l’ordre judiciaire et
relative à la publication des jugements et
modifiant la procédure d’assises relative à
la récusation des jurés
Art. 86
Dans l’article 19, alinéa 2, de la loi du 16 octobre 2022
visant la création du Registre central pour les déci-
sions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des
jugements et modifiant la procédure d’assises relative
à la récusation des jurés, les mots “chapitre 2 et des
articles 9, 10, 13 et 18” sont remplacés par les mots
“titre II, chapitre 1er et les articles 9, 10, 13 et 19”.
3552/001
DOC 55
194
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
HOOFDSTUK 11
Wijziging van de wet van 22 november 2022
tot wijziging van de wet van 16 maart 1803
op het notarisambt, tot invoering
van een tuchtraad voor de notarissen en
de gerechtsdeurwaarders
in het Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen
Art. 87
In artikel 83 van de wet van 22 november 2022 tot wij-
ziging van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt,
tot invoering van een tuchtraad voor de notarissen en
de gerechtsdeurwaarders in het Gerechtelijk Wetboek
en diverse bepalingen, in artikel 535, zesde lid, van het
Gerechtelijk Wetboek, worden de woorden “de kamer
van notarissen, het auditoraat bij de Nationale Kamer van
notarissen” vervangen door de woorden “het auditoraat
bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders”.
Art. 88
In de Nederlandse tekst van artikel 103 van dezelfde
wet, in artikel 555/5bis, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk
Wetboek, worden de woorden “van de aan het tuchtrecht
van de onderworpen notarissen en gerechtsdeurwaarders”
vervangen door de woorden “van de personen die aan
het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaar-
ders onderworpen zijn”.
HOOFDSTUK 12
Wijziging van de wet van 14 maart 2023
tot uitvoering en aanvulling van Verordening (EU)
2020/1783 van het Europees Parlement en
de Raad van 25 november 2020 betreffende
de samenwerking tussen de gerechten
van de lidstaten op het gebied
van bewijsverkrijging in burgerlijke en
handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784
van het Europees Parlement en de Raad
van 25 november 2020 inzake de betekening
en de kennisgeving in de lidstaten
van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken
in burgerlijke of in handelszaken
Art. 89
In de Franse tekst van artikel 7, eerste lid, van de
wet van 14 maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van
Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement
en de Raad van 25 november 2020 betreffende de
samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten
CHAPITRE 11
Modification de la loi du 22 novembre 2022
portant modification de la loi du 16 mars 1803
contenant organisation du notariat, introduisant
un conseil de discipline pour les notaires et
les huissiers de justice dans le Code judiciaire et
des dispositions diverses
Art. 87
Dans l’article 83 de la loi du 22 novembre 2022 portant
modification de la loi du 16 mars 1803 contenant organi-
sation du notariat, introduisant un conseil de discipline
pour les notaires et les huissiers de justice dans le Code
judiciaire et des dispositions diverses, à l’article 535,
alinéa 6, du Code judiciaire, les mots “la chambre des
notaires, à l’auditorat de la Chambre nationale des
notaires” sont remplacés par les mots “l’auditorat de la
Chambre nationale des huissiers de justice”.
Art. 88
Dans le texte néerlandais de l’article 103 de la même
loi, à l’article 555/5bis, § 1er, alinéa 1er, du Code judiciaire,
les mots “van de aan het tuchtrecht van de onderworpen
notarissen en gerechtsdeurwaarders” sont remplacés par
les mots “van de personen die aan het tuchtrecht van de
notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn”.
CHAPITRE 12
Modification de la loi du 14 mars 2023
mettant en œuvre et complétant le règlement (UE)
2020/1783 du Parlement européen et
du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à
la coopération entre les juridictions des États
membres dans le domaine de l’obtention
des preuves en matière civile ou commerciale, et
le règlement (UE) 2020/1784
du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la signification et
à la notification dans les États membres
des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière
civile ou commerciale
Art. 89
Dans l’article 7, alinéa 1er, de la loi du 14 mars 2023
mettant en œuvre et complétant le règlement (UE)
2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 no-
vembre 2020 relatif à la coopération entre les juridictions
des États membres dans le domaine de l’obtention des
195
3552/001
DOC 55
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en
handelszaken, en van Verordening (EU) 2020/1784 van
het Europees Parlement en de Raad van 25 novem-
ber 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in
de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken, worden de
woorden “les juges belges peuvent” vervangen door
de woorden “la juridiction peut”.
HOOFDSTUK 13
Overgangsbepalingen
Art. 90
De artikelen 44 tot 52, 56, 59 tot 66, 70 en 75 tot 79
zijn enkel van toepassing op de verkoopprocedures
waarbij het verzoek tot machtiging, die aanleiding geeft
tot de zuiverende verkoop, wordt neergelegd vanaf de
inwerkingtreding van voornoemde artikelen of waarbij
de oproeping van de schuldeisers om de verkoopsver-
richtingen te volgen, die aanleiding geeft tot de zuive-
rende verkoop, plaatsvindt vanaf de inwerkingtreding
van deze wet.
Art. 91
Magistraten die bij de inwerkingtreding van deze wet
zitting hebben in een kamer voor minnelijke schikking
zijn vrijgesteld van de door het Instituut voor gerechtelijke
opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding
inzake verzoening of doorverwijzing naar bemiddeling.
Art. 92
Onverminderd de reeds bestaande kamers voor min-
nelijke schikking, is de oprichting van nieuwe kamers voor
minnelijke schikking binnen de hoven en rechtbanken
facultatief tot 1 september 2025.
HOOFDSTUK 14
Inwerkingtreding
Art. 93
De artikelen 2 tot 12 treden in werking op de eerste dag
van de derde maand na de bekendmaking van deze wet
in het Belgisch Staatsblad.
preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement
(UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil
du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la
notification dans les États membres des actes judiciaires
et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale, les
mots “les juges belges peuvent” sont remplacés par les
mots “la juridiction peut”.
CHAPITRE 13
Dispositions transitoires
Art. 90
Les articles 44 à 52, 56, 59 à 66, 70 et 75 à 79 s’ap-
pliquent uniquement aux procédures de vente dans le
cadre desquelles la requête en autorisation qui donne
lieu à la vente purgeante est déposée à partir de l’entrée
en vigueur des articles précités ou l’appel des créan-
ciers à suivre les opérations de vente, qui donne lieu à
la vente purgeante, est effectué à partir de l’entrée en
vigueur de cette loi.
Art. 91
Les magistrats qui siègent dans une chambre de
règlement à l’amiable au moment de l’entrée en vigueur
de la présente loi sont dispensés de suivre la formation
spécialisée organisée par l’Institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation.
Art. 92
Sans préjudice des chambres de règlement à l’amiable
déjà existantes, la création de nouvelles chambres de
règlement à l’amiable au sein des cours et tribunaux est
facultative jusqu’au 1er septembre 2025.
CHAPITRE 14
Entrée en vigueur
Art. 93
Les articles 2 à 12 entrent en vigueur le premier jour
du troisième mois qui suit celui de la publication de la
présente loi au Moniteur belge.
3552/001
DOC 55
196
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
Art. 94
De artikelen 25 tot 27 treden in werking op
1 januari 2024.
Gegeven te Brussel, 13 september 2023
FILIP
Van Koningswege:
De minister van Justitie,
Vincent Van Quickenborne
Art. 94
Les articles 25 à 27 entrent en vigueur le
1er janvier 2024.
Donné à Bruxelles, le 13 septembre 2023
PHILIPPE
Par le Roi:
Le ministre de la Justice,
Vincent Van Quickenborne
197
3552/001
DOC 55
COORDINATION DES ARTICLES
Projet de loi portant dispositions diverses en matière civile et judiciaire
Texte de base
Texte adapté au projet de loi
CHAPITRE 1er – Disposition générale
…
…
CHAPITRE 2 – Modifications de l’ancien Code civil
Art. 51
Art. 51
L’acte de reconnaissance mentionne:
L’acte de reconnaissance mentionne:
1° le nom, les prénoms, la date de naissance et
le lieu de naissance de l’enfant;
1° le nom, les prénoms, la date de naissance et
le lieu de naissance de l’enfant;
2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le
lieu de naissance et, le cas échéant, la date
du décès et le lieu de décès du parent à
l’égard de qui le lien de filiation a déjà été
établi avant la reconnaissance;
2° le nom, les prénoms, la date de naissance, le
lieu de naissance et, le cas échéant, la date
du décès et le lieu de décès du parent à
l’égard de qui le lien de filiation a déjà été
établi avant la reconnaissance;
3° le nom, les prénoms, la date de naissance et
le lieu de naissance et la qualité de l’auteur
de la reconnaissance;
3° le nom, les prénoms, la date de naissance et
le lieu de naissance et la qualité de l’auteur
de la reconnaissance;
4° le cas échéant, le consentement des
personnes visées à l’article 329bis, ou la
décision judiciaire passée en force de chose
jugée par laquelle le consentement de
substitution
ou
l’autorisation
de
reconnaissance
a
été
constaté,
en
mentionnant:
4° le cas échéant, le consentement des
personnes visées à l’article 329bis, ou la
décision judiciaire passée en force de chose
jugée par laquelle le consentement de
substitution
ou
l’autorisation
de
reconnaissance
a
été
constaté,
en
mentionnant:
a) le nom et les prénoms du représentant légal
de l’enfant lorsqu’il a consenti à la
reconnaissance;
a) le nom et les prénoms du représentant légal
de
l’enfant
lorsqu’il
a
consenti
à
la
reconnaissance;
b) la date, le lieu et l’autorité devant laquelle le
consentement a été donné, ou l’autorité
judiciaire,
la
date
et
le
numéro
d’identification de la décision judiciaire
passée en force de chose jugée par laquelle
le
consentement
de
substitution
ou
l’autorisation de reconnaissance, a été
constaté;
b) la date, le lieu et l’autorité devant laquelle le
consentement a été donné, ou l’autorité
judiciaire, la date et le numéro d’identification
de la décision judiciaire passée en force de chose
jugée par laquelle le consentement de
substitution
ou
l’autorisation
de
reconnaissance, a été constaté;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
198
5° le cas échéant, le nouveau nom et la
déclaration de choix de nom par le père ou la
coparente, et la mère;
5° le cas échéant, le nouveau nom et la
déclaration de choix de nom par le père ou la
coparente, et la mère;
5°/1 le cas échéant, le nouveau nom et la
déclaration de choix de nom par l’enfant
majeur;
6° le cas échéant, le nouveau prénom;
6° le cas échéant, le nouveau prénom;
7° le cas échéant, le fait que les personnes
visées à l’article 329bis, § 3, n’ont pas
consenti.
7° le cas échéant, le fait que les personnes
visées à l’article 329bis, § 3, n’ont pas
consenti.
Art. 63
Art. 63
L’acte de changement de nom mentionne:
L’acte de changement de nom mentionne:
1° le cas échéant, la date de la demande;
1° le cas échéant, la date de la demande;
2° le nom et les prénoms de l’intéressé;
2° le nom et les prénoms de l’intéressé;
3° la date et le lieu de naissance de l’intéressé; 3° la date et le lieu de naissance de l’intéressé;
4° le nouveau nom de l’intéressé.
4° le nouveau nom de l’intéressé.
5° en cas d’application de l’article 335sexies, §
2, le numéro de l’acte de reconnaissance
qui a servi de base à l’établissement de
l’acte de changement de nom.
Art. 313
Art. 313
§ 1er. Si le nom de la mère n’est pas mentionné
dans l’acte de naissance ou à défaut de cet acte,
elle peut reconnaître l’enfant aux conditions
fixées par l’article 329bis.
§ 1er. Si le nom de la mère n’est pas mentionné
dans l’acte de naissance ou à défaut de cet acte,
elle peut reconnaître l’enfant aux conditions
fixées par l’article 329bis.
§ 2. Toutefois, la reconnaissance n’est pas
recevable lorsqu’elle ferait apparaître entre le
père et la mère un empêchement à mariage
dont le tribunal de la famille ne peut dispenser.
§ 2. Toutefois, la reconnaissance n’est pas
recevable lorsqu’elle ferait apparaître entre le
père et la mère un empêchement à mariage
dont le tribunal de la famille ne peut dispenser.
§ 3. Si la mère est mariée et que l’enfant qu’elle
reconnaît soit né pendant le mariage, la
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou l’épouse.
§ 3. Si la mère est mariée et que l’enfant qu’elle
reconnaît soit né pendant le mariage, la
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou l’épouse.
A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de
l’état civil belge, il est notifié par celui-ci dans les
trois jours; s’il n’est pas reçu par un officier de
l’état civil belge, il est signifié à la requête de la
mère, de l’enfant ou du représentant légal de ce
dernier.
A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de
l’état civil belge, il est notifié par celui-ci dans les
trois jours; s’il n’est pas reçu par un officier de
l’état civil belge, il est signifié à la requête de la
mère, de l’enfant ou du représentant légal de ce
dernier.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
199
3552/001
DOC 55
Jusqu’à cette notification ou signification, la
reconnaissance est inopposable à l’époux ou
l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec
l’auteur de la reconnaissance et aux enfants
adoptés par les deux époux.
Jusqu’à cette notification ou signification, la
reconnaissance est inopposable à l’époux ou
l’épouse, aux enfants nés de son mariage avec
l’auteur de la reconnaissance et aux enfants
adoptés par les deux époux.
§ 4. Si la reconnaissance concerne un enfant
majeur qui a déjà une descendance et donne
lieu au changement de nom de celui-ci, l’acte
est notifié ou signifié aux descendants au
premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans
selon les modalités prévues au paragraphe 3,
alinéa 2.
Art. 319bis
Art. 319bis
Si le père est marié et reconnaît un enfant conçu
par une femme autre que son épouse, la
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou de l’épouse.
Si le père est marié et reconnaît un enfant conçu
par une femme autre que son épouse, la
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou de l’épouse.
A cet effet, si l’acte de reconnaissance est reçu
par un officier de l’état civil belge, une copie de
l’acte est envoyée dans les trois jours par lettre
recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte
n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge,
il est signifié par exploit d’huissier à la requête
du père, de l’enfant ou du représentant légal de
ce dernier.
A cet effet, si l’acte de reconnaissance est reçu
par un officier de l’état civil belge, une copie de
l’acte est envoyée dans les trois jours par lettre
recommandée à la poste par celui-ci. Si l’acte
n’est pas reçu par un officier de l’état civil belge,
il est signifié par exploit d’huissier à la requête
du père, de l’enfant ou du représentant légal de
ce dernier.
Jusqu’à cette communication, la reconnaissance
est inopposable à l’époux ou à l’épouse, aux
enfants nés de son mariage avec l’auteur de la
reconnaissance et aux enfants adoptés par les
deux époux.
Jusqu’à cette communication, la reconnaissance
est inopposable à l’époux ou à l’épouse, aux
enfants nés de son mariage avec l’auteur de la
reconnaissance et aux enfants adoptés par les
deux époux.
Si la reconnaissance concerne un enfant majeur
qui a déjà une descendance et donne lieu au
changement de nom de celui-ci, l’acte est
notifié ou signifié aux descendants au premier
degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les
modalités prévues à l’alinéa 2.
Art. 325/6
Art. 325/6
Si la coparente est mariée et reconnaît l’enfant
d’une personne autre que son époux, cette
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou l’épouse.
Si la coparente est mariée et reconnaît l’enfant
d’une personne autre que son époux, cette
reconnaissance
doit
être
portée
à
la
connaissance de l’époux ou l’épouse.
A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de
l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée
A cet effet, si l’acte est reçu par un officier de
l’état civil belge, une copie de l’acte est envoyée
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
200
dans les trois jours par lettre recommandée à la
poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un
officier de l’état civil belge, il est signifié par
exploit d’huissier à la requête de la coparente,
de l’enfant ou du représentant légal de ce
dernier.
dans les trois jours par lettre recommandée à la
poste par celui-ci. Si l’acte n’est pas reçu par un
officier de l’état civil belge, il est signifié par
exploit d’huissier à la requête de la coparente,
de l’enfant ou du représentant légal de ce
dernier.
Jusqu’à cette communication, la reconnaissance
est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux
enfants nés de son mariage avec l’auteur de la
reconnaissance et aux enfants adoptés par les
deux époux.
Jusqu’à cette communication, la reconnaissance
est inopposable à l’époux ou l’épouse, aux
enfants nés de son mariage avec l’auteur de la
reconnaissance et aux enfants adoptés par les
deux époux.
Si la reconnaissance concerne un enfant majeur
qui a déjà une descendance et donne lieu au
changement de nom de celui-ci, l’acte est
notifié ou signifié aux descendants au premier
degré ayant atteint l’âge de 12 ans selon les
modalités prévues à l’alinéa 2.
Art. 327/2
Art. 327/2
§ 1er. A la réception de la déclaration d’une
reconnaissance, l’officier de l’état civil vérifie si
l’acte de naissance est disponible dans la BAEC
pour l’enfant. Si l’acte de naissance a été établi
en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant
l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018
portant dispositions diverses en matière de droit
civil et des dispositions en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges,
il demande à l’officier de l’état civil qui a établi
ou transcrit cet acte de l’enregistrer dans la
BAEC.
§ 1er. A la réception de la déclaration d’une
reconnaissance, l’officier de l’état civil vérifie si
l’acte de naissance est disponible dans la BAEC
pour l’enfant. Si l’acte de naissance a été établi
en Belgique ou a été transcrit en Belgique avant
l’entrée en vigueur de la loi du 18 juin 2018
portant dispositions diverses en matière de droit
civil et des dispositions en vue de promouvoir
des formes alternatives de résolution des litiges,
il demande à l’officier de l’état civil qui a établi
ou transcrit cet acte de l’enregistrer dans la
BAEC.
Si l’acte de naissance n’est pas disponible de
cette manière, le candidat à la reconnaissance
de l’enfant produit lui-même un extrait de l’acte
de naissance.
Si l’acte de naissance n’est pas disponible de
cette manière, le candidat à la reconnaissance
de l’enfant produit lui-même un extrait de l’acte
de naissance.
Il
contrôle
l’identité du
candidat
à
la
reconnaissance de l’enfant et, le cas échéant, du
parent à l’égard duquel la filiation est établie, au
moyen de la pièce d’identité visée dans la loi du
19 juillet 1991 relative aux registres de la
population, aux cartes d’identité, aux cartes
d’étranger et aux documents de séjour et
modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un
Registre national des personnes physiques, et
vérifie si ces personnes sont inscrites dans le
Il
contrôle
l’identité du
candidat
à
la
reconnaissance de l’enfant et, le cas échéant, du
parent à l’égard duquel la filiation est établie, au
moyen de la pièce d’identité visée dans la loi du
19 juillet 1991 relative aux registres de la
population, aux cartes d’identité, aux cartes
d’étranger et aux documents de séjour et
modifiant la loi du 8 août 1983 organisant un
Registre national des personnes physiques, et
vérifie si ces personnes sont inscrites dans le
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
201
3552/001
DOC 55
registre de la population, le registre des
étrangers ou le registre d’attente.
registre de la population, le registre des
étrangers ou le registre d’attente.
§ 2. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant
joint à la déclaration les documents suivants:
§ 2. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant
joint à la déclaration les documents suivants:
1° pour autant que cette personne ne possède
pas de pièce d’identité visée au paragraphe
1er, une autre pièce d’identité;
1° pour autant que cette personne ne possède
pas de pièce d’identité visée au paragraphe
1er, une autre pièce d’identité;
2° le cas échéant, une preuve de sa résidence
actuelle ou, le cas échéant, de la personne
qui doit donner le consentement préalable
ou de l’enfant;
2° le cas échéant, une preuve de sa résidence
actuelle ou, le cas échéant, de la personne
qui doit donner le consentement préalable
ou de l’enfant;
3° le cas échéant, un acte authentique attestant
le consentement de la personne qui doit
donner son consentement préalable à la
reconnaissance;
3° le cas échéant, un acte authentique attestant
le consentement de la personne qui doit
donner son consentement préalable à la
reconnaissance;
3°/1 le cas échéant, la déclaration de choix de
nom sur la base de l’article 335, § 3, alinéa 1er,
ou de l’article 335ter, § 2, alinéa 1er, et le
consentement de l’enfant mineur sur ce choix
s’il a atteint l’âge de douze ans;
4° dans le cas d’une reconnaissance prénatale,
une attestation d’un médecin ou d’une sage-
femme qui confirme la grossesse et qui
indique la date probable de l’accouchement;
4° dans le cas d’une reconnaissance prénatale,
une attestation d’un médecin ou d’une sage-
femme qui confirme la grossesse et qui
indique la date probable de l’accouchement;
5° toute autre pièce authentique dont il ressort
que l’intéressé remplit les conditions
requises par la loi pour reconnaître un
enfant.
5° toute autre pièce authentique dont il ressort
que l’intéressé remplit les conditions
requises par la loi pour reconnaître un
enfant.
§ 3. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant
qui n’est pas inscrit dans le registre de la
population ou dans le registre des étrangers,
joint en outre les documents suivants à la
déclaration:
§ 3. Le candidat à la reconnaissance de l’enfant
qui n’est pas inscrit dans le registre de la
population ou dans le registre des étrangers,
joint en outre les documents suivants à la
déclaration:
1° une preuve de nationalité le concernant, et,
le cas échéant, concernant le parent à
l’égard duquel la filiation est établie;
1° une preuve de nationalité le concernant, et,
le cas échéant, concernant le parent à
l’égard duquel la filiation est établie;
2° une preuve de célibat ou une preuve de la
dissolution ou de l’annulation du dernier
mariage célébré devant un officier de l’état
civil belge et, le cas échéant, une preuve de
la dissolution ou de l’annulation des
mariages célébrés devant une autorité
étrangère, à moins qu’elles ne soient
2° une preuve de célibat ou une preuve de la
dissolution ou de l’annulation du dernier
mariage célébré devant un officier de l’état
civil belge et, le cas échéant, une preuve de
la dissolution ou de l’annulation des
mariages célébrés devant une autorité
étrangère, à moins qu’elles ne soient
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
202
antérieures à un mariage célébré devant un
officier de l’état civil belge, de la personne
voulant reconnaître l’enfant si le droit
applicable en vertu de l’article 62 du Code
de droit international privé établit qu’une
personne mariée ne peut reconnaître un
enfant avec une autre personne que son
époux ou son épouse;
antérieures à un mariage célébré devant un
officier de l’état civil belge, de la personne
voulant reconnaître l’enfant si le droit
applicable en vertu de l’article 62 du Code de
droit international privé établit qu’une
personne mariée ne peut reconnaître un
enfant avec une autre personne que son
époux ou son épouse;
3° le cas échéant, une preuve de célibat ou une
preuve de la dissolution ou de l’annulation
du dernier mariage célébré devant un
officier de l’état civil belge et, le cas échéant,
une preuve de la dissolution ou de
l’annulation des mariages célébrés devant
une autorité étrangère, à moins qu’elles ne
soient antérieures à un mariage célébré
devant un officier de l’état civil belge, de la
mère dans le cas d’une reconnaissance
avant la naissance ou dans l’acte de
naissance.
3° le cas échéant, une preuve de célibat ou une
preuve de la dissolution ou de l’annulation
du dernier mariage célébré devant un
officier de l’état civil belge et, le cas échéant,
une preuve de la dissolution ou de
l’annulation des mariages célébrés devant
une autorité étrangère, à moins qu’elles ne
soient antérieures à un mariage célébré
devant un officier de l’état civil belge, de la
mère dans le cas d’une reconnaissance
avant la naissance ou dans l’acte de
naissance.
§ 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et
au paragraphe 3, 1°, sont enregistrés en tant
qu’annexe dans la BAEC.
§ 4. Les documents visés au paragraphe 2, 1°, et
au paragraphe 3, 1°, sont enregistrés en tant
qu’annexe dans la BAEC.
§ 5. Si l’officier de l’état civil dispose sur la base
des paragraphes 1er à 3 de tous ces documents,
il délivre un accusé de réception de la
déclaration.
§ 5. Si l’officier de l’état civil dispose sur la base
des paragraphes 1er à 3 de tous ces documents,
il délivre un accusé de réception de la
déclaration.
§ 6. S’il s’estime insuffisamment informé,
l’officier de l’état civil peut réclamer une copie
des actes de l’état civil en question, et demander
à l’intéressé de lui remettre toute autre preuve
étayant ces données.
§ 6. S’il s’estime insuffisamment informé,
l’officier de l’état civil peut réclamer une copie
des actes de l’état civil en question, et demander
à l’intéressé de lui remettre toute autre preuve
étayant ces données.
§ 7. Si les documents remis sont établis dans une
langue étrangère, l’officier de l’état civil peut en
demander une traduction certifiée conforme.
§ 7. Si les documents remis sont établis dans une
langue étrangère, l’officier de l’état civil peut en
demander une traduction certifiée conforme.
§ 8. Les articles 164/3 à 164/7 sont d’application
par analogie.
§ 8. Les articles 164/3 à 164/7 sont d’application
par analogie.
Par dérogation à l’article 164/5, le juge de paix
transmet immédiatement l’acte de notoriété au
tribunal de la famille du lieu de la déclaration de
reconnaissance.
Par dérogation à l’article 164/5, le juge de paix
transmet immédiatement l’acte de notoriété au
tribunal de la famille du lieu de la déclaration de
reconnaissance.
Art. 333
Art. 333
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
203
3552/001
DOC 55
§ 1er. Tout exploit de signification d’un jugement
ou arrêt faisant droit à une demande relative à
la filiation est immédiatement communiqué en
copie par l’huissier de justice instrumentant, au
ministère public et au greffier de la juridiction
qui a prononcé la décision.
§ 1er. Tout exploit de signification d’un jugement
ou arrêt faisant droit à une demande relative à
la filiation est immédiatement communiqué en
copie par l’huissier de justice instrumentant, au
ministère public et au greffier de la juridiction
qui a prononcé la décision.
§ 2. Après l’expiration du délai d’appel ou de
pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le
prononcé de l’arrêt rejetant le pourvoi, le
greffier transmet immédiatement via la BAEC à
l’officier de l’état civil compétent, les données
nécessaires à l’établissement de l’acte modifié
de l’état civil suite à une décision judiciaire
faisant droit à une demande relative à la
filiation.
§ 2. Après l’expiration du délai d’appel ou de
pourvoi en cassation ou, le cas échéant, après le
prononcé de l’arrêt rejetant le pourvoi, le
greffier transmet immédiatement via la BAEC à
l’officier de l’état civil compétent, les données
nécessaires à l’établissement de l’acte modifié
de l’état civil suite à une décision judiciaire
faisant droit à une demande relative à la
filiation.
L’officier de l’état civil compétent modifie les
actes de l’état civil de l’enfant et de ses
descendants.
L’officier de l’état civil compétent modifie les
actes de l’état civil de l’enfant et de ses
descendants.
§ 3. Lorsque la décision donne lieu au
changement de nom d’un enfant majeur qui a
déjà une descendance, le greffier notifie le
dispositif du jugement aux descendants au
premier degré ayant atteint l’âge de 12 ans par
pli judiciaire.
Art. 335
Art. 335
§ 1er. L’enfant dont la filiation paternelle et la
filiation maternelle sont établies simultanément
porte soit le nom de son père, soit le nom de sa
mère, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre
choisi par eux dans la limite d’un nom pour
chacun d’eux.
§ 1er. L’enfant dont la filiation paternelle et la
filiation maternelle sont établies simultanément
porte soit le nom de son père, soit le nom de sa
mère, soit leurs deux noms accolés dans l’ordre
choisi par eux dans la limite d’un nom pour
chacun d’eux.
Les père et mère choisissent le nom de l’enfant
lors de la déclaration de naissance. L’officier de
l’état civil prend acte de ce choix. En cas de
désaccord ou en cas d’absence de choix, l’enfant
porte le nom de son père. En cas de désaccord,
l’enfant porte les noms du père et de la mère
accolés par ordre alphabétique dans la limite
d’un nom pour chacun d’eux. Lorsque le père et
la mère, ou l’un d’entre eux, portent un double
nom, la partie du nom transmise à l’enfant est
choisie par l’intéressé. En l’absence de choix, la
partie du double nom transmise est déterminée
selon l’ordre alphabétique.
Les père et mère choisissent le nom de l’enfant
lors de la déclaration de naissance. L’officier de
l’état civil prend acte de ce choix. En cas de
désaccord ou en cas d’absence de choix, l’enfant
porte le nom de son père. En cas de désaccord,
l’enfant porte les noms du père et de la mère
accolés par ordre alphabétique dans la limite
d’un nom pour chacun d’eux. Lorsque le père et
la mère, ou l’un d’entre eux, portent un double
nom, la partie du nom transmise à l’enfant est
choisie par l’intéressé. En l’absence de choix, la
partie du double nom transmise est déterminée
selon l’ordre alphabétique.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
204
Le refus d’effectuer un choix est considéré
comme un cas de désaccord.
Le refus d’effectuer un choix est considéré
comme un cas de désaccord.
Lorsque
les
père
et
mère
déclarent
conjointement la naissance de l’enfant, l’officier
de l’état civil constate le nom choisi par eux ou
le désaccord entre eux, conformément à l’alinéa
2.
Lorsque
les
père
et
mère
déclarent
conjointement la naissance de l’enfant, l’officier
de l’état civil constate le nom choisi par eux ou
le désaccord entre eux, conformément à l’alinéa
2.
Si le père ou la mère déclare seul la naissance de
l’enfant, il ou elle déclare à l’officier de l’état civil
le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux.
Si le père ou la mère déclare seul la naissance de
l’enfant, il ou elle déclare à l’officier de l’état civil
le nom choisi par eux ou le désaccord entre eux.
§ 2. L’enfant dont seule la filiation maternelle est
établie, porte le nom de sa mère.
§ 2. L’enfant dont seule la filiation maternelle est
établie, porte le nom de sa mère.
L’enfant dont seule la filiation paternelle est
établie, porte le nom de son père.
L’enfant dont seule la filiation paternelle est
établie, porte le nom de son père.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à
l’établissement ou le maintien de ce seul lien de
filiation, le nom est déterminé conformément
aux alinéas 1er et 2.
§ 3. Si la filiation paternelle est établie après la
filiation maternelle, aucune modification n’est
apportée au nom de l’enfant. Il en va de même
si la filiation maternelle est établie après la
filiation paternelle.
§ 3. Abrogé
Toutefois, les père et mère ensemble, ou l’un
d’eux si l’autre est décédé peuvent déclarer,
dans un acte dressé par l’officier de l’état civil,
que l’enfant portera soit le nom de la personne
à l’égard de laquelle la filiation est établie en
second lieu, soit leurs deux noms accolés dans
l’ordre choisi par eux dans la limite d’un nom
pour chacun d’eux.
Si la filiation paternelle ou maternelle est
établie
par
reconnaissance
après
l’établissement de la filiation à l’égard de
l’autre parent, le nom de l’enfant est établi
conformément
aux
règles
énoncées
au
paragraphe 1er au moment de la déclaration de
reconnaissance.
Cette déclaration est faite dans un délai d’un an
à dater de la reconnaissance ou du jour où une
décision établissant la filiation paternelle ou
maternelle est coulée en force de chose jugée et
avant la majorité ou l’émancipation de l’enfant.
Le délai d’un an prend cours le jour suivant la
notification ou la signification visées aux articles
313, § 3, alinéa 2, 319bis, alinéa 2, ou 322, alinéa
2.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à
l’établissement d’un second lien de filiation ou
au remplacement d’un de ces liens, le nom de
l’enfant est établi conformément aux règles
énoncées au paragraphe 1er ou à l’article
335ter, § 1er.
En cas de modification de la filiation paternelle
ou maternelle durant la minorité de l’enfant en
suite d’une action en contestation sur la base
Abrogé.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
205
3552/001
DOC 55
des articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6, ou 330, §§ 3
et 4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant,
choisi, le cas échéant, par les parents selon les
règles énoncées au § 1er ou à l’article 335ter, §
1er.
L’officier de l’état civil compétent établit l’acte
de déclaration de choix de nom suite à la
déclaration visée à l’alinéa 2 et l’associe à l’acte
de naissance de l’enfant et aux actes de l’état
civil auxquels il se rapporte, ou modifie l’acte de
naissance de l’enfant et les actes de l’état civil
auxquels il se rapporte suite au jugement visé à
l’alinéa 4.
Abrogé.
§ 4. Si la filiation d’un enfant est modifiée alors
que celui-ci a atteint l’âge de la majorité, aucune
modification n’est apportée à son nom sans son
accord.
§ 4. Dans tous les cas où la filiation d’un enfant
est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de
douze ans, aucune modification n’est apportée
à son nom sans son accord.
En cas d’établissement d’un nouveau lien de
filiation d’un enfant majeur à l’égard du père, de
la mère ou de la coparente, à la suite d’une
action en contestation de la filiation sur base des
articles 312, § 2, 318, §§ 5 et 6, ou 330, §§ 3 et
4, le juge acte le nouveau nom de l’enfant,
choisi, le cas échéant, par ce dernier selon les
règles énoncées au paragraphe 1er ou à l’article
335ter, § 1er.
Lorsqu’un choix est possible conformément
aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à
l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé
par ce dernier.
L’officier de l’état civil compétent modifie l’acte
de naissance de l’enfant et les actes de l’état civil
auxquels le jugement se rapporte, suite au
jugement visé à l’alinéa 2.
Abrogé.
§ 5. En cas de modification de la filiation en
suite d’une action judiciaire donnant lieu à un
changement de nom, l’officier de l’état civil
compétent modifie l’acte de naissance de
l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se
rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des
descendants au premier degré.
Art. 335ter
Art. 335ter
§ 1er. L’enfant dont la filiation maternelle et la
filiation à l’égard de la coparente sont établies
simultanément porte soit le nom de sa mère,
soit le nom de sa coparente, soit leurs deux
noms accolés dans l’ordre choisi par elles dans la
limite d’un nom pour chacune d’elles.
§ 1er. L’enfant dont la filiation maternelle et la
filiation à l’égard de la coparente sont établies
simultanément porte soit le nom de sa mère,
soit le nom de sa coparente, soit leurs deux
noms accolés dans l’ordre choisi par elles dans la
limite d’un nom pour chacune d’elles.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
206
La mère et la coparente choisissent le nom de
l’enfant lors de la déclaration de naissance.
L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En
cas de désaccord, l’enfant porte les noms de la
mère et de la coparente accolés par ordre
alphabétique dans la limite d’un nom pour
chacune d’elles. Lorsque la mère et la coparente,
ou l’une d’entre elles, portent un double nom, la
partie du nom transmise à l’enfant est choisie
par l’intéressée. En l’absence de choix, la partie
du double nom transmise est déterminée selon
l’ordre alphabétique.
La mère et la coparente choisissent le nom de
l’enfant lors de la déclaration de naissance.
L’officier de l’état civil prend acte de ce choix. En
cas de désaccord, l’enfant porte les noms de la
mère et de la coparente accolés par ordre
alphabétique dans la limite d’un nom pour
chacune d’elles. Lorsque la mère et la coparente,
ou l’une d’entre elles, portent un double nom, la
partie du nom transmise à l’enfant est choisie
par l’intéressée. En l’absence de choix, la partie
du double nom transmise est déterminée selon
l’ordre alphabétique.
Le refus d’effectuer un choix est considéré
comme un cas de désaccord.
Le refus d’effectuer un choix est considéré
comme un cas de désaccord.
Lorsque la mère et la coparente viennent
déclarer conjointement la naissance de l’enfant,
l’officier de l’état civil constate le nom choisi par
elles, ou le désaccord entre elles, conformément
à l’alinéa 2.
Lorsque la mère et la coparente viennent
déclarer conjointement la naissance de l’enfant,
l’officier de l’état civil constate le nom choisi par
elles, ou le désaccord entre elles, conformément
à l’alinéa 2.
Si la mère ou la coparente vient déclarer seule la
naissance de l’enfant, elle déclare à l’officier
d’état civil le nom choisi par elles ou le
désaccord entre elles.
Si la mère ou la coparente vient déclarer seule la
naissance de l’enfant, elle déclare à l’officier
d’état civil le nom choisi par elles ou le
désaccord entre elles.
§ 2. Si la filiation à l’égard de la coparente est
établie après la filiation maternelle, aucune
modification n’est apportée au nom de l’enfant.
§ 2. Abrogé.
Toutefois, la mère et la coparente ensemble, ou
l’une d’elles si l’autre est décédée, peuvent
déclarer, dans un acte dressé par l’officier de
l’état civil, que l’enfant portera soit le nom de la
coparente, soit leurs deux noms accolés dans
l’ordre choisi par elles dans la limite d’un nom
pour chacune d’elles.
Si la filiation à l’égard de la coparente, établie
par
reconnaissance,
est
établie
après
l’établissement de la filiation maternelle, le
nom de l’enfant est établi conformément aux
règles énoncées au paragraphe 1er au moment
de la déclaration de reconnaissance.
Cette déclaration est faite dans un délai d’un an
à dater de la reconnaissance ou du jour où une
décision établissant la filiation à l’égard de la
coparente est coulée en force de chose jugée et
avant la majorité ou l’émancipation de l’enfant.
Le délai d’un an prend cours le jour suivant la
notification ou la signification visées aux articles
325/6, alinéa 2, et 325/8, alinéa 2.
En cas d’action judiciaire donnant lieu à
l’établissement d’un second lien de filiation ou
au remplacement d’un de ces liens, le nom de
l’enfant est établi conformément aux règles
énoncées au paragraphe 1er ou à l’article
335ter, § 1er.
En cas de modification de la filiation à l’égard de
la coparente ou de la filiation maternelle durant
la minorité de l’enfant en suite d’une action en
Abrogé.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
207
3552/001
DOC 55
contestation de la filiation sur la base des
articles 312, § 2, 325/3, §§ 4 et 5, 325/7, §§ 3 et
4, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom
de l’enfant, choisi, le cas échéant, par les parents
selon les règles énoncées au paragraphe 1er ou à
l’article 335, § 1er.
L’officier de l’état civil compétent établit l’acte
de déclaration de choix de nom suite à la
déclaration visée à l’alinéa 2 et l’associe à l’acte
de naissance de l’enfant et aux actes de l’état
civil auxquels il se rapporte, ou modifie l’acte de
naissance de l’enfant et les actes de l’état civil
auxquels il se rapporte suite au jugement visé à
l’alinéa 4.
Abrogé.
§ 3. Si la filiation d’un enfant est modifiée alors
que celui-ci a atteint l’âge de la majorité, aucune
modification n’est apportée à son nom sans son
accord.
§ 3. Dans tous les cas où la filiation d’un enfant
est modifiée alors que celui-ci a atteint l’âge de
douze ans, aucune modification n’est apportée
à son nom sans son accord.
En cas d’établissement d’un nouveau lien de
filiation d’un enfant majeur à l’égard du père, de
la mère ou de la coparente, à la suite d’une
action en contestation de la filiation sur base des
articles 312, § 2, 325/3, §§ 4 et 5, 325/7, §§ 3 et
4, ou 330, §§ 3 et 4, le juge acte le nouveau nom
de l’enfant choisi, le cas échéant, par ce dernier
selon les règles énoncées au paragraphe 1er ou à
l’article 335, § 1er.
Lorsqu’un choix est possible conformément
aux règles énoncées dans le paragraphe 1er à
l’égard d’un enfant majeur, le choix est exercé
par ce dernier.
L’officier de l’état civil modifie l’acte de
naissance de l’enfant et les actes de l’état civil
auxquels le jugement se rapporte, suite au
jugement visé à l’alinéa 2.
Abrogé.
§ 4. Le nom déterminé conformément aux
paragraphes 1er et 2 s’impose aux autres enfants
dont la filiation est ultérieurement établie à
l’égard des mêmes mère et coparente.
§ 4. Le nom déterminé conformément aux
paragraphes 1er et 2 s’impose aux autres enfants
dont la filiation est ultérieurement établie à
l’égard des mêmes mère et coparente.
§ 5. En cas de modification de la filiation en
suite d’une action judiciaire donnant lieu à un
changement de nom, l’officier de l’état civil
compétent modifie l’acte de naissance de
l’enfant, les actes de l’état civil auxquels il se
rapporte ainsi que, le cas échéant, les actes des
descendants au premier degré.
Art. 335quinquies
Art. 335quinquies
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
208
Art. 335quinquies. Le juge acte dans son
jugement le nom de l’enfant choisi ou fixé par
la loi dans tous les cas de modification de la
filiation en suite d’une action judiciaire
donnant lieu à un changement de nom.
Art. 335sexies
Art. 335sexies
Art. 335sexies. § 1er. Le nom du parent choisi ou
fixé à l’occasion d’un changement de filiation
conformément aux articles 335, §§ 2 à 4, et
335ter, §§ 2 et 3, s’impose en tout ou partie à
leurs descendants au premier degré nés avant
ce changement, si c’est le nom de ce parent qui
leur a été attribué ou constitue une partie du
double nom qui leur a été donné.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, ce nom
n’est attribué à l’enfant ayant atteint l’âge de
12 ans qu’avec son consentement. À la
demande de l’enfant, assisté le cas échéant par
ses parents ou son représentant légal s’il est
mineur non émancipé, l’officier de l’état civil
compétent en établira un acte de changement
de nom et l’associera aux actes de l’état civil qui
le concernent. La demande est introduite dans
l’année qui suit le jour où la décision relative à
la filiation du parent ou le jour où l’acte de
reconnaissance lui aura été notifié ou signifié.
Art. 338, § 1er
Art. 338, § 1er
§ 1er. Le demandeur présente au 4[tribunal de la
famille une requête contenant un exposé
sommaire des faits et accompagnée des pièces à
l’appui, s’il y en a.
Le tribunal renvoie, le cas échéant, la demande
à la chambre de règlement à l’amiable,
conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa
2, du Code judiciaire.
§ 1er. Le demandeur présente au 4[tribunal de la
famille une requête contenant un exposé
sommaire des faits et accompagnée des pièces à
l’appui, s’il y en a.
Le tribunal renvoie, le cas échéant, la demande
à la chambre de règlement à l’amiable,
conformément à l’article 1253ter/1, § 3, alinéa 2
734/1, § 2, du Code judiciaire.
Art. 359-2
Art. 359-2
Lorsqu’une adoption d’un enfant, faite à
l’étranger et reconnue en Belgique, n’a pas pour
effet de rompre le lien préexistant de filiation,
elle peut être convertie en Belgique en une
adoption plénière si les consentements visés à
l’article 361-4, 1°, b] et c], ont été donnés ou
sont donnés en vue d’une adoption produisant
cet effet.
Lorsqu’une adoption d’un enfant, faite à
l’étranger et reconnue en Belgique, n’a pas pour
effet de rompre le lien préexistant de filiation,
elle peut être convertie en Belgique en une
adoption plénière si les consentements visés à
l’article 361-4, 1°, b] et c], ont été donnés ou
sont donnés en vue d’une adoption produisant
cet effet.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
209
3552/001
DOC 55
Lorsque la filiation d’origine de l’enfant n’est
pas établie ou lorsque le père et la mère de
l’enfant, ou le parent unique à l’égard de qui la
filiation est établie, sont décédés, présumés
absents, sans aucune résidence connue, dans
l’impossibilité ou incapables d’exprimer leur
volonté, et que l’enfant n’a pas de représentant
légal dans l’État d’origine, le consentement à la
conversion en adoption plénière est donné par
un tuteur ad hoc désigné par le tribunal, à la
requête de toute personne intéressée ou du
procureur du Roi, par dérogation à l’article
361-4, 1°, c).
Art. 499/19
Art. 499/19
§ 1er. La mission de l’administrateur prend fin au
moment du décès de la personne protégée.
§ 1er. La mission de l’administrateur prend fin au
moment du décès de la personne protégée.
§ 2. En cas de décès de la personne protégée
pendant la durée de l’administration, le juge de
paix peut, par dérogation au paragraphe 1er,
autoriser, d’office ou à la demande de
l’administrateur, de la personne de confiance ou
de toute personne intéressée ainsi que du
procureur du Roi, l’administrateur des biens, en
l’absence d’héritiers qui se seraient signalés
auprès de cet administrateur, à poursuivre sa
mission jusqu’à six mois au maximum après ce
décès.
§ 2. En cas de décès de la personne protégée
pendant la durée de l’administration, le juge de
paix peut, par dérogation au paragraphe 1er,
autoriser, d’office ou à la demande de
l’administrateur, de la personne de confiance ou
de toute personne intéressée ainsi que du
procureur du Roi, l’administrateur des biens, en
l’absence d’héritiers qui se seraient signalés
auprès de cet administrateur, à poursuivre sa
mission jusqu’à six mois au maximum après ce
décès.
Dans
ce
cas,
les
compétences
de
l’administrateur se limitent:
Dans
ce
cas,
les
compétences
de
l’administrateur se limitent:
1° à la restitution éventuelle d’un bien loué par
la personne protégée en tant que résidence
principale, en ce compris le droit de disposer de
la garantie locative;
1° à la restitution éventuelle d’un bien loué par
la personne protégée en tant que résidence
principale, en ce compris le droit de disposer de
la garantie locative;
2° pour autant qu’ils soient antérieurs au décès
de la personne protégée, au paiement par
prélèvement sur les avoirs de la succession:
2° […] au paiement par prélèvement sur les
avoirs de la succession:
a) des rémunérations et des indemnités visées à
l’article 497/5;
a) des rémunérations et des indemnités visées à
l’article 497/5;
b) des frais funéraires;
b) des frais funéraires;
c) des autres créances privilégiées mentionnées
aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16
décembre 1851;
c) des autres créances privilégiées mentionnées
aux articles 19 et 20 de la loi hypothécaire du 16
décembre 1851;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
210
d) des frais de séjour en maison de repos;
d) des frais de séjour en maison de repos pour
autant qu’ils soient antérieurs au décès de la
personne protégée;
3° à demander la désignation d’un curateur à
succession vacante, d’un séquestre ou d’un
administrateur provisoire à succession.
3° à demander la désignation d’un curateur à
succession vacante, d’un séquestre ou d’un
administrateur provisoire à succession.
La mission de l’administrateur prend fin en tous
les cas au moment où le curateur entame sa
mission sur la succession vacante ou au moment
où un héritier se manifeste. L’administrateur
communique cette information au juge de paix.
La mission de l’administrateur prend fin en tous
les cas au moment où le curateur entame sa
mission sur la succession vacante ou au moment
où un héritier se manifeste. L’administrateur
communique cette information au juge de paix.
Par dérogation à l’article 499/17, alinéa 1er,
l’administrateur communique, au cours de la
période visée à l’alinéa 1er, son rapport et
compte définitifs au greffe, où les héritiers de la
personne protégée et le notaire chargé de la
déclaration et du partage de la succession
peuvent en prendre connaissance. Cette
disposition
s’applique
sans
préjudice
de
l’application des articles 1358 et suivants du
Code judiciaire.
Par dérogation à l’article 499/17, alinéa 1er,
l’administrateur communique, au cours de la
période visée à l’alinéa 1er, son rapport et
compte définitifs au greffe, où les héritiers de la
personne protégée et le notaire chargé de la
déclaration et du partage de la succession
peuvent en prendre connaissance. Cette
disposition
s’applique
sans
préjudice
de
l’application des articles 1358 et suivants du
Code judiciaire.
CHAPITRE 3 – Modifications du Code judiciaire
Art. 23
Art. 23
L’autorité de la chose jugée n’a lieu qu’à l’égard
de ce qui a fait l’objet de la décision. Il faut que
la chose demandée soit la même; que la
demande repose sur la même cause, quel que
soit le fondement juridique invoqué; que la
demande soit entre les mêmes parties, et
formée par elles et contre elles en la même
qualité. L’autorité de la chose jugée ne s’étend
toutefois pas à la demande qui repose sur la
même cause mais dont le juge ne pouvait pas
connaître eu égard au fondement juridique sur
lequel elle s’appuie.
L’autorité de la chose jugée n’a lieu qu’à l’égard
de ce qui a fait l’objet de la décision. Il faut que
la chose demandée soit la même; que la
demande repose sur la même cause, quel que
soit le fondement juridique invoqué; que la
demande soit entre les mêmes parties, et
formée par elles et contre elles en la même
qualité. L’autorité de la chose jugée ne s’étend
toutefois pas à la demande qui repose sur la
même cause mais dont le juge ne pouvait pas
connaître eu égard au fondement juridique sur
lequel elle s’appuie.
L’autorité de la chose jugée à l’égard d’une
question litigieuse qui a fait l’objet de la
décision peut également être invoquée par un
tiers à l’encontre d’une partie à cette décision.
Art. 76, § 1er
Art. 76, § 1er
§ 1er. Le tribunal de première instance et le cas
échéant, ses divisions, comprennent une ou
plusieurs chambres civiles, une ou plusieurs
§ 1er. Le tribunal de première instance et le cas
échéant, ses divisions, comprennent une ou
plusieurs chambres civiles, une ou plusieurs
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
211
3552/001
DOC 55
chambres correctionnelles, une ou plusieurs
chambres de la famille, une ou plusieurs
chambres de la jeunesse, et, pour la division du
tribunal de première instance du siège de la cour
d’appel, une ou plusieurs chambres de
l’application des peines et chambres de
protection sociale.
chambres correctionnelles, une ou plusieurs
chambres de la famille, une ou plusieurs
chambres de la jeunesse, et, pour la division du
tribunal de première instance du siège de la cour
d’appel, une ou plusieurs chambres de
l’application des peines et chambres de
protection sociale.
Ces chambres composent quatre sections
dénommées
respectivement tribunal
civil,
tribunal correctionnel, tribunal de la famille et
de la jeunesse et tribunal de l’application des
peines.
Ces chambres composent quatre sections
dénommées
respectivement tribunal
civil,
tribunal correctionnel, tribunal de la famille et
de la jeunesse et tribunal de l’application des
peines.
Le tribunal de la famille et de la jeunesse se
compose de la ou des chambres de la famille et
de la ou des chambres de règlement à l’amiable,
constituant le tribunal de la famille, et de la ou
des chambres de la jeunesse constituant le
tribunal de la jeunesse.
Le tribunal de la famille et de la jeunesse se
compose de la ou des chambres de la famille et
de la ou des chambres de règlement à l’amiable,
constituant le tribunal de la famille, et de la ou
des chambres de la jeunesse constituant le
tribunal de la jeunesse.
Le tribunal civil se compose de la ou des
chambres civiles et d’une ou plusieurs
chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le
tribunal de première instance est réparti en
divisions, le tribunal civil d’une des divisions se
compose au moins d’une chambre de
règlement à l’amiable.
Art. 78, al. 7
Art. 78, al. 7
Chaque chambre de règlement à l’amiable est
composée d’un juge unique ayant suivi la
formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire.
Chaque chambre de règlement à l’amiable est
composée d’un juge unique ayant suivi la
formation spécialisée dispensée par l’Institut de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en
médiation. Un juge suppléant peut siéger dans
la chambre de règlement à l’amiable à
condition d’avoir également suivi une telle
formation.
Art. 79, al. 8
Art. 79, al. 8
Les juges au tribunal de la famille et de la
jeunesse peuvent siéger dans les chambres
civiles du tribunal de première instance.
Toutefois, le juge qui siège à la chambre de
règlement à l’amiable ne peut jamais siéger,
pour les dossiers dont il a pris connaissance,
dans les autres chambres du tribunal de la
famille et de la jeunesse. Sauf s’il s’agit de
l’homologation d’un accord ou d’un procès-
verbal de conciliation, la décision rendue par un
Sans préjudice de l’article 734/4, § 4, les juges
au tribunal de la famille et de la jeunesse
peuvent siéger dans les chambres civiles du
tribunal de première instance. Toutefois, le juge
qui siège à la chambre de règlement à l’amiable
ne peut jamais siéger, pour les dossiers dont il a
pris connaissance, dans les autres chambres du
tribunal de la famille et de la jeunesse. Sauf s’il
s’agit de l’homologation d’un accord ou d’un
procès-verbal de conciliation, la décision rendue
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
212
juge ayant auparavant connu du litige alors qu’il
siégeait dans une chambre de règlement à
l’amiable, est nulle.
par un juge ayant auparavant connu du litige
alors qu’il siégeait dans une chambre de
règlement à l’amiable, est nulle.
Art. 81
Art. 81
Le tribunal du travail comprend au moins trois
chambres.
Le tribunal du travail comprend au moins trois
chambres et une ou plusieurs chambres de
règlement à l’amiable. Lorsque le tribunal du
travail est réparti en divisions, une des divisions
se compose au moins d’une chambre de
règlement à l’amiable.
L’une d’elles au moins, compétente pour les
litiges portant sur la matière visée à l’article 578,
14°, est composée d’un juge au tribunal du
travail.
L’une d’elles au moins L’une des trois chambres
au moins, compétente pour les litiges portant
sur la matière visée à l’article 578, 14°, est
composée d’un juge au tribunal du travail.
Les autres chambres sont présidées par un juge
au tribunal du travail et se composent en outre
de deux juges sociaux.
Les autres chambres sont présidées par un juge
au tribunal du travail et se composent en outre
de deux juges sociaux.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, un des juges
sociaux doit avoir été nommé au titre
d’employeur, l’autre au titre d’ouvrier ou au
titre d’employé, selon la qualité du travailleur en
cause.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, un des juges
sociaux doit avoir été nommé au titre
d’employeur, l’autre au titre d’ouvrier ou au
titre d’employé, selon la qualité du travailleur en
cause.
Si avant tout autre moyen, la qualité d’ouvrier
ou d’employé d’une des parties est contestée, la
chambre saisie, après avoir été complétée au
siège de manière à comprendre outre le
président, deux juges sociaux nommés au titre
d’employeur et deux juges sociaux nommés
respectivement au titre d’ouvrier et d’employé,
statue sur le fond du litige.
Si avant tout autre moyen, la qualité d’ouvrier
ou d’employé d’une des parties est contestée, la
chambre saisie, après avoir été complétée au
siège de manière à comprendre outre le
président, deux juges sociaux nommés au titre
d’employeur et deux juges sociaux nommés
respectivement au titre d’ouvrier et d’employé,
statue sur le fond du litige.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 578, 12°, b), un des juges sociaux doit
être nommé au titre d’employeur, l’autre au
titre de travailleur indépendant.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 578, 12°, b), un des juges sociaux doit
être nommé au titre d’employeur, l’autre au
titre de travailleur indépendant.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° et 12°, a),
579, 580, 582, 3° et 4°, et pour l’application aux
employeurs
des
sanctions
administratives
prévues à l’article 583, un des juges sociaux doit
être nommé au titre d’employeur, l’autre au
titre de travailleur.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° et 12°, a),
579, 580, 582, 3° et 4°, et pour l’application aux
employeurs
des
sanctions
administratives
prévues à l’article 583, un des juges sociaux doit
être nommé au titre d’employeur, l’autre au
titre de travailleur.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
213
3552/001
DOC 55
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 582, (1° et 2°) un des juges sociaux doit
avoir été nommé au titre de travailleur
indépendant, l’autre au titre de travailleur
salarié.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
à l’article 582, (1° et 2°) un des juges sociaux doit
avoir été nommé au titre de travailleur
indépendant, l’autre au titre de travailleur
salarié.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
aux articles 578bis et 581 et pour l’application
aux travailleurs indépendants des sanctions
administratives prévues à l’article 583, la
Chambre est composée d’un juge au tribunal du
travail et deux juges sociaux nommés au titre de
travailleur indépendant.
Dans les litiges portant sur les matières prévues
aux articles 578bis et 581 et pour l’application
aux travailleurs indépendants des sanctions
administratives prévues à l’article 583, la
Chambre est composée d’un juge au tribunal du
travail et deux juges sociaux nommés au titre de
travailleur indépendant.
En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur
mineur, marin, pêcheur de mer, batelier,
travailleur des ports ou affilié à la sécurité
sociale d’outre-mer, le juge social doit, dans la
mesure du possible, appartenir ou avoir
appartenu à la même catégorie que le travailleur
en cause.
En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur
mineur, marin, pêcheur de mer, batelier,
travailleur des ports ou affilié à la sécurité
sociale d’outre-mer, le juge social doit, dans la
mesure du possible, appartenir ou avoir
appartenu à la même catégorie que le travailleur
en cause.
Chaque chambre de règlement à l’amiable est
composée d’un président, juge au tribunal du
travail, et de deux juges sociaux, dont l’un est
nommé au titre d’employeur et l’autre au titre
de travailleur, ayant tous suivi la formation
spécialisée
dispensée
par
l’Institut
de
formation judiciaire en conciliation et renvoi en
médiation. Un juge suppléant ou un juge social
suppléant peut siéger dans la chambre de
règlement à l’amiable à condition d’avoir
également suivi une telle formation.
Art. 84
Art. 84
Le tribunal de l’entreprise comprend une ou
plusieurs chambres.
Le tribunal de l’entreprise comprend une ou
plusieurs chambres et une ou plusieurs
chambres de règlement à l’amiable. Lorsque le
tribunal de l’entreprise est réparti en divisions,
une des divisions se compose au moins d’une
chambre de règlement à l’amiable.
Chacune d’elle est présidée par un juge au
tribunal de l’entreprise et se compose en outre
de deux juges consulaires.
Chacune d’elles est présidée par un juge au
tribunal de l’entreprise et se compose en outre
de deux juges consulaires. Les juges composant
la chambre de règlement à l’amiable doivent
tous avoir suivi la formation spécialisée
dispensée par l’Institut de formation judiciaire
en conciliation et renvoi en médiation. Un juge
suppléant ou un juge consulaire suppléant peut
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
214
siéger dans la chambre de règlement à
l’amiable à condition d’avoir également suivi
une telle formation.
Chaque tribunal de l’entreprise institue une ou
plusieurs
chambres
des
entreprises
en
difficultés.
Chaque tribunal de l’entreprise institue une ou
plusieurs
chambres
des
entreprises
en
difficultés.
Art. 101, § 1 et 2
Art. 101, § 1 et 2
§.1er. Il y a à la cour d’appel des chambres civiles,
des chambres correctionnelles, des chambres de
la jeunesse et des chambres de la famille et
parmi ces dernières des chambres de règlement
à l’amiable.
§.1er. Il y a à la cour d’appel des chambres civiles,
dont une ou plusieurs chambres de règlement
à l’amiable, des chambres correctionnelles, des
chambres de la jeunesse et des chambres de la
famille et parmi ces dernières des chambres de
règlement à l’amiable.
Une chambre correctionnelle au moins connaît
des appels formés contre les jugements rendus
dans les matières visées à l’article 76, § 2, alinéa
2.
Une chambre correctionnelle au moins connaît
des appels formés contre les jugements rendus
dans les matières visées à l’article 76, § 2, alinéa
2.
Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre
au moins se voit attribuer la compétence
relative aux poursuites engagées contre des
personnes à la suite d’une décision de
dessaisissement prise en application de la loi du
8 avril 1965 relative à la protection de la
jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant
commis un fait qualifié infraction et à la
réparation du dommage causé par ce fait, dans
le
cadre
d’un
délit
et/ou
d’un
crime
correctionnalisable.
Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre
au moins se voit attribuer la compétence
relative aux poursuites engagées contre des
personnes à la suite d’une décision de
dessaisissement prise en application de la loi du
8 avril 1965 relative à la protection de la
jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant
commis un fait qualifié infraction et à la
réparation du dommage causé par ce fait, dans
le
cadre
d’un
délit
et/ou
d’un
crime
correctionnalisable.
A la cour d’appel de Bruxelles il y a également
des chambres qui traitent les affaires des
marchés, dont la compétence est déterminée
par la loi. Ces chambres constituent une section,
appelée Cour des marchés.
A la cour d’appel de Bruxelles il y a également
des chambres qui traitent les affaires des
marchés, dont la compétence est déterminée
par la loi. Ces chambres constituent une section,
appelée Cour des marchés.
Le Roi peut, après avis du premier président, du
procureur général, du greffier en chef et des
bâtonniers des barreaux du ressort de la cour
d’appel, déterminer qu’une ou plusieurs
chambres de la jeunesse ou chambres de la
famille siègent au siège du tribunal de première
instance ou d’une division du tribunal de
première instance dans une autre province du
ressort de la cour pour traiter des appels contre
les jugements rendus par les tribunaux de la
Le Roi peut, après avis du premier président, du
procureur général, du greffier en chef et des
bâtonniers des barreaux du ressort de la cour
d’appel, déterminer qu’une ou plusieurs
chambres de la jeunesse ou chambres de la
famille siègent au siège du tribunal de première
instance ou d’une division du tribunal de
première instance dans une autre province du
ressort de la cour pour traiter des appels contre
les jugements rendus par les tribunaux de la
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
215
3552/001
DOC 55
famille et de la jeunesse de la province en
question.
famille et de la jeunesse de la province en
question.
§ 2. La cour d’appel se compose d’un premier
président, de présidents de chambre et de
conseillers à la cour d’appel.
§ 2. La cour d’appel se compose d’un premier
président, de présidents de chambre et de
conseillers à la cour d’appel.
Les chambres de la cour d’appel siègent soit au
nombre de trois conseillers à la cour, y compris
le président, soit au nombre d’un seul membre,
président de chambre ou conseiller à la cour.
Les chambres de la cour d’appel siègent soit au
nombre de trois conseillers à la cour, y compris
le président, soit au nombre d’un seul membre,
président de chambre ou conseiller à la cour.
La chambre correctionnelle spécialisée, visée au
§ 1er, alinéa 2, est composée de deux conseillers
à la cour d’appel, y compris le président, et d’un
conseiller à la cour du travail.
La chambre correctionnelle spécialisée, visée au
§ 1er, alinéa 2, est composée de deux conseillers
à la cour d’appel, y compris le président, et d’un
conseiller à la cour du travail.
Pour que les chambres de la jeunesse visées au
§ 1er, alinéa 3, soient constituées valablement,
deux au moins de leurs membres doivent avoir
suivi la formation organisée dans le cadre de la
formation continue des magistrats visées à
l’article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise
pour l’exercice de la fonction de juge au tribunal
de la famille et de la jeunesse.
Pour que les chambres de la jeunesse visées au
§ 1er, alinéa 3, soient constituées valablement,
deux au moins de leurs membres doivent avoir
suivi la formation organisée dans le cadre de la
formation continue des magistrats visées à
l’article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise
pour l’exercice de la fonction de juge au tribunal
de la famille et de la jeunesse.
Pour que la chambre spécialisée de règlement à
l’amiable soit constituée valablement, le
membre de la cour désigné pour cette chambre
doit avoir suivi une formation spécialisée
dispensée par l’Institut de formation judiciaire.
Si les nécessités du service le justifient, le
premier président de la cour d’appel peut, à titre
exceptionnel, et après avoir recueilli l’avis du
procureur général, désigner un magistrat
effectif pour remplir les fonctions précitées pour
un terme d’un an au plus, même s’il n’a pas suivi
la formation spécialisée.
Pour que la chambre spécialisée de règlement à
l’amiable soit constituée valablement, le
membre de la cour désigné pour cette chambre
doit avoir suivi une formation spécialisée
dispensée par l’Institut de formation judiciaire.
Chaque chambre de règlement à l’amiable est
composée d’un conseiller à la cour ayant suivi
la formation spécialisée dispensée par l’Institut
de formation judiciaire en conciliation et renvoi
en médiation. Si les nécessités du service le
justifient, le premier président de la cour d’appel
peut, à titre exceptionnel, et après avoir recueilli
l’avis du procureur général, désigner un
magistrat effectif pour remplir les fonctions
précitées pour un terme d’un an au plus, même
s’il n’a pas suivi la formation spécialisée.
La Cour des marchés visée au paragraphe 1er,
alinéa 4, est composée d’au moins six
conseillers, parmi lesquels six au plus peuvent
être nommés en application de l’article 207, § 3,
4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de
l’équilibre linguistique.
La Cour des marchés visée au paragraphe 1er,
alinéa 4, est composée d’au moins six
conseillers, parmi lesquels six au plus peuvent
être nommés en application de l’article 207, § 3,
4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de
l’équilibre linguistique.
Dans l’année de leur première désignation, les
conseillers qui siègent dans les chambres
Dans l’année de leur première désignation, les
conseillers qui siègent dans les chambres
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
216
correctionnelles, les chambres de la famille, les
chambres de la jeunesse et la chambre des mises
en
accusation
suivent
une
formation
approfondie en matière de violences sexuelles
et intrafamiliales organisée par l’Institut de
formation judiciaire.
correctionnelles, les chambres de la famille, les
chambres de la jeunesse et la chambre des mises
en
accusation
suivent
une
formation
approfondie en matière de violences sexuelles
et intrafamiliales organisée par l’Institut de
formation judiciaire.
Art. 102, § 1er
Art. 102, § 1er
§ 1er. Il y a des conseillers suppléants à la cour
d’appel; ils sont nommés pour remplacer les
conseillers lorsqu’ils sont empêchés.
§. 1er. Il y a des conseillers suppléants à la cour
d’appel; ils sont nommés pour remplacer les
conseillers lorsqu’ils sont empêchés.
Les conseillers suppléants peuvent être appelés
à siéger dans les cas où l’effectif est insuffisant
pour composer le siège conformément aux
dispositions de la loi.
Les conseillers suppléants peuvent être appelés
à siéger dans les cas où l’effectif est insuffisant
pour composer le siège conformément aux
dispositions de la loi.
L’ordonnance de désignation indique les motifs
pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un
suppléant et précise les modalités de la
désignation.
L’ordonnance de désignation indique les motifs
pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un
suppléant et précise les modalités de la
désignation.
Ils ne peuvent néanmoins pas siéger à la
chambre des mises en accusation lorsque celle-
ci statue en application des articles 235ter et
235quater du Code d’instruction criminelle.
Ils ne peuvent néanmoins pas siéger à la
chambre des mises en accusation lorsque celle-
ci statue en application des articles 235ter et
235quater du Code d’instruction criminelle.
Un conseiller suppléant peut siéger seul dans la
chambre de règlement à l’amiable à condition
d’avoir suivi la formation spécialisée dispensée
par l’Institut de formation judiciaire en
conciliation et renvoi en médiation.
Art. 104
Art. 104
La cour du travail est divisée en chambres qui
siègent au nombre d’un conseiller à la cour du
travail et, selon le cas, de deux ou quatre
conseillers sociaux.
La cour du travail est divisée en chambres qui
siègent au nombre d’un conseiller à la cour du
travail et, selon le cas, de deux ou quatre
conseillers sociaux. Chaque cour du travail
institue une ou plusieurs chambres de
règlement à l’amiable. Lorsque la cour du
travail est répartie en divisions, une des
divisions se compose au moins d’une chambre
de règlement à l’amiable.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu sur les matières prévues à
l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, sont composées,
outre le président, d’un conseiller social nommé
au titre d’employeur et d’un conseiller social
nommé au titre de travailleur ouvrier ou de
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu sur les matières prévues à
l’article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, sont composées,
outre le président, d’un conseiller social nommé
au titre d’employeur et d’un conseiller social
nommé au titre de travailleur ouvrier ou de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
217
3552/001
DOC 55
travailleur employé, selon la qualité du
travailleur en cause.
travailleur employé, selon la qualité du
travailleur en cause.
Toutefois, ces chambres sont composées de
deux conseillers sociaux nommés au titre
d’employeur et de deux conseillers sociaux
nommés respectivement au titre d’ouvrier et
d’employé, lorsque l’appel est dirigé contre un
jugement
prononcé
par
une
chambre
comprenant quatre juges sociaux.
Toutefois, ces chambres sont composées de
deux conseillers sociaux nommés au titre
d’employeur et de deux conseillers sociaux
nommés respectivement au titre d’ouvrier et
d’employé, lorsque l’appel est dirigé contre un
jugement
prononcé
par
une
chambre
comprenant quatre juges sociaux.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur les
matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°,
10° et 11 °, et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4° ou
concernant l’application aux employeurs de
sanctions administratives prévues à l’article 583,
sont composées, outre les présidents, de deux
conseillers sociaux nommés respectivement au
titre d’employeur et au titre de travailleur.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur les
matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°,
10° et 11 °, et 12°, a), 579, 580, 582, 3° et 4° ou
concernant l’application aux employeurs de
sanctions administratives prévues à l’article 583,
sont composées, outre les présidents, de deux
conseillers sociaux nommés respectivement au
titre d’employeur et au titre de travailleur.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur la
matière prévue à l’article 578, 12°, b), sont
composées, outre les présidents, de deux
conseillers sociaux nommés respectivement au
titre d’employeur et au titre de travailleur
indépendant.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur la
matière prévue à l’article 578, 12°, b), sont
composées, outre les présidents, de deux
conseillers sociaux nommés respectivement au
titre d’employeur et au titre de travailleur
indépendant.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu sur un litige portant sur les
matières prévues à l’article 582, 1° et 2° sont
composées, outre le président, de deux
conseillers sociaux nommés l’un au titre de
travailleur indépendant, l’autre au titre de
travailleur salarié.
Les chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu sur un litige portant sur les
matières prévues à l’article 582, 1° et 2° sont
composées, outre le président, de deux
conseillers sociaux nommés l’un au titre de
travailleur indépendant, l’autre au titre de
travailleur salarié.
Les Chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur les
matières prévues aux articles 578bis et 581, ou
concernant
l’application
aux
travailleurs
indépendants de sanctions administratives
prévues à l’article 583 sont composées, outre le
président, de deux conseillers sociaux nommés
au titre de travailleurs indépendants.
Les Chambres qui connaissent de l’appel d’un
jugement rendu dans un litige portant sur les
matières prévues aux articles 578bis et 581, ou
concernant
l’application
aux
travailleurs
indépendants de sanctions administratives
prévues à l’article 583 sont composées, outre le
président, de deux conseillers sociaux nommés
au titre de travailleurs indépendants.
En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur
mineur, marin, pêcheur de mer, batelier,
travailleur des ports ou affilié à la sécurité
sociale d’outre-mer, le conseiller social doit,
dans la mesure du possible, appartenir ou avoir
En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur
mineur, marin, pêcheur de mer, batelier,
travailleur des ports ou affilié à la sécurité
sociale d’outre-mer, le conseiller social doit,
dans la mesure du possible, appartenir ou avoir
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
218
appartenu à la même catégorie que le travailleur
en cause.
appartenu à la même catégorie que le travailleur
en cause.
Le Roi détermine, sur la proposition du ministre
ayant le Travail dans ses attributions, les règles
d’après lesquelles les conseillers sociaux sont
appelés à siéger en application de la présente
disposition.
Le Roi détermine, sur la proposition du ministre
ayant le Travail dans ses attributions, les règles
d’après lesquelles les conseillers sociaux sont
appelés à siéger en application de la présente
disposition.
Par dérogation à l’alinéa 1er, les chambres qui
connaissent de l’appel d’une décision rendue sur
la matière prévue à l’article 578, 14°, sont
composées d’un conseiller à la Cour du travail.
Par dérogation à l’alinéa 1er, les chambres qui
connaissent de l’appel d’une décision rendue sur
la matière prévue à l’article 578, 14°, sont
composées d’un conseiller à la Cour du travail.
La chambre de règlement à l’amiable est
composée d’un président, conseiller à la cour
du travail et de deux conseillers sociaux, dont
l’un est nommé au titre d’employeur et l’autre
au titre de travailleur, ayant tous suivi la
formation spécialisée dispensée par l’Institut
de formation judiciaire en conciliation et renvoi
en médiation. Un conseiller suppléant ou un
conseiller social suppléant peut siéger dans la
chambre de règlement à l’amiable à condition
d’avoir suivi une telle formation.
Art. 508/11
Art. 508/11
Les avocats sont tenus de faire régulièrement
rapport au bureau selon les modalités établies
par le Ministre de la Justice en concertation avec
les autorités visées à l’article 488.
Abrogé
Le bureau transmet annuellement un rapport
sur le fonctionnement de l’aide juridique de
deuxième ligne à la Commission d’aide juridique
et au Ministre de la Justice selon les modalités
établies par celui-ci.
Le bureau transmet Les autorités visées à
l’article 488 transmettent annuellement un
rapport sur le fonctionnement de l’aide
juridique de deuxième ligne à la Commission
d’aide juridique et au ministre de la Justice
selon les modalités établies par celui-ci le Roi.
Art. 508/19
Art. 508/19
§ 1er. L’avocat perçoit l’indemnité de procédure
accordée au bénéficiaire et rembourse au
justiciable les contributions propres visées à
l’article 508/17, § 2 pour autant que l’indemnité
de procédure dépasse l’indemnité calculée sur la
base des points visés à l’article 508/19, § 2,
alinéa 2.
§ 1er. L’avocat perçoit l’indemnité de procédure
accordée au bénéficiaire et rembourse au
justiciable les contributions propres visées à
l’article 508/17, § 2 pour autant que l’indemnité
de procédure dépasse l’indemnité calculée sur la
base des points visés à l’article 508/19, § 2,
alinéa 2.
§ 2. Les avocats chargés de l’aide juridique de
deuxième ligne partiellement ou complètement
§ 2. Les avocats chargés de l’aide juridique de
deuxième ligne partiellement ou complètement
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
219
3552/001
DOC 55
gratuite font rapport au bureau sur chaque
affaire pour laquelle ils ont accompli des
prestations à ce titre. Ce rapport mentionne
également l’indemnité de procédure perçue par
l’avocat et les indemnités perçues en vertu de
l’article 508/19ter ainsi que les contributions
visées à l’article 508/17, § 2.
gratuite font rapport au bureau sur chaque
affaire pour laquelle ils ont accompli des
prestations à ce titre. Ce rapport mentionne
également l’indemnité de procédure perçue par
l’avocat et les indemnités perçues en vertu de
l’article 508/19ter ainsi que les contributions
visées à l’article 508/17, § 2.
Le bureau d’aide juridique attribue des points
aux avocats pour ces prestations sur la base
d’une
liste
mentionnant
les
points
correspondants à des prestations horaires
déterminées, dont les modalités sont fixées par
le Roi, et en fait un rapport au bâtonnier. Le
bureau d’aide juridique n’attribue pas de points
ou diminue les points, le cas échéant, pour des
prestations pour lesquelles des sommes ont été
perçues sur la base des articles 508/17, § 2,
508/19, § 1er, et 508/19ter ou pour des
prestations pour lesquelles l’avocat a renoncé à
la perception de sommes sur la base de l’article
508/17, § 3.
Le bureau d’aide juridique attribue des points
aux avocats pour ces prestations sur la base
d’une
liste
mentionnant
les
points
correspondants à des prestations horaires
déterminées, dont les modalités sont fixées par
le Roi, et en fait un rapport au bâtonnier. Le
bureau d’aide juridique n’attribue pas de points
ou diminue les points, le cas échéant, pour des
prestations pour lesquelles des sommes ont été
perçues sur la base des articles 508/17, § 2,
508/19, § 1er, et 508/19ter ou pour des
prestations pour lesquelles l’avocat a renoncé à
la perception de sommes sur la base de l’article
508/17, § 3.
Le bâtonnier communique le total des points de
son barreau aux autorités visées à article 488,
lesquelles communiquent le total des points de
tous les barreaux au Ministre de la Justice.
Abrogé, déplacé au § 2/1, alinéa 2.
Le contrôle et l’attribution des points pour les
prestations accomplies par les avocats en vertu
de l’alinéa 2 et de l’article 508/8 sont effectués
par les bureaux d’aide juridique et coordonné
par les autorités visées à l’article 488 selon les
modalités déterminées par le Roi.
§ 2/1. Le bureau d’aide juridique regroupe
ensuite par matière tous les rapports de clôture
approuvés en vertu du paragraphe 2. Certains
d’entre eux sont alors soumis à un audit
consistant
à
vérifier
l’exactitude
des
désignations, la qualité du travail effectué par
l’avocat, la réalité des prestations accomplies
par les avocats conformément à la liste visée au
paragraphe 2, alinéa 2, et l’exercice de ces
vérifications par le bureau d’aide juridique. Cet
audit est organisé par les autorités visées à
l’article 488 selon les modalités déterminées
par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit
sont transmises, afin qu’il en soit tenu compte,
aux bureaux d’aide juridique concernés. Un
rapport simplifié de ces conclusions dont le
contenu est déterminé par le Roi est préparé
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
220
par les autorités visées à l’article 488 et envoyé
au ministre.
Le bâtonnier communique le total des points de
son barreau aux autorités visées à l’article 488,
lesquelles communiquent, conformément aux
contrôles visés à l’alinéa 1er et au paragraphe 2,
le total des points de tous les barreaux au
ministre de la Justice.
§ 3. Dès réception de l’information visée au § 2,
le Ministre de la Justice peut faire effectuer un
contrôle selon les modalités qu’il détermine
après concertation avec les autorités visées à
l’article 488. Il ordonne le paiement de
l’indemnité à ces autorités qui en assurent la
répartition, le cas échéant, par le biais des
ordres des avocats.
§ 3. Dès réception de l’information visée au
paragraphe 2 2/1, alinéa 2, le ministre de la
Justice peut, s’il l’estime nécessaire, faire
effectuer un contrôle supplémentaire selon les
modalités qu’il détermine après concertation
avec consultation les des autorités visées à
l’article 488. Il ordonne le paiement de
l’indemnité à ces autorités qui en assurent la
répartition, le cas échéant, par le biais des
ordres des avocats.
Il ordonne le paiement de l’indemnité à ces
autorités qui en assurent la répartition, le cas
échéant, par le biais des ordres des avocats. Le
paiement est effectué selon les conditions
déterminées par le Roi.
§ 4. Le Roi détermine les modalités d’exécution
de cet article, et notamment les critères
d’attribution, de non attribution ou de
diminution des points, le mode de calcul de la
valeur du point, les conditions d’introduction de
la demande d’indemnité, les modalités et
conditions de paiement de l’indemnité.
§ 4. Le Roi détermine les modalités d’exécution
de cet article, et notamment les critères
d’attribution, de non attribution ou de
diminution des points, le mode de calcul de la
valeur du point, les conditions d’introduction de
la demande d’indemnité, les modalités et
conditions de paiement de l’indemnité.
Art. 508/19bis
Art. 508/19bis
Une subvention annuelle est prévue pour les
frais liés à l’organisation des bureaux d’aide
juridique, à charge du budget du SPF Justice.
Celle-ci correspond à 8,108 % de l’indemnité
visée à l’article 508/19, § 3.
Une subvention annuelle est prévue pour les
frais liés à l’organisation des bureaux d’aide
juridique, à charge du budget du SPF Justice.
Celle-ci correspond à 8,108 % de l’indemnité
visée à l’article 508/19, § 3.
Cette subvention est payable à terme échu.
Cette subvention est payable à terme échu.
Le montant de la subvention est déterminé
selon les frais réels exposés par les bureaux
d’aide juridique et approuvés par le ministre.
Ce montant ne peut excéder 7 % de l’indemnité
visée à l’article 508/19, § 3.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
221
3552/001
DOC 55
Le Roi détermine les modalités d’exécution de
cet article, et notamment la manière dont cette
subvention est répartie.
Le Roi détermine les modalités d’exécution de
cet article, et notamment la manière dont cette
subvention est répartie. et peut, dans des cas
spécifiques, par arrêté royal délibéré en Conseil
des ministres, s’écarter du taux de 7 % précité
à la demande motivée des autorités visées à
l’article 488 sur la base de frais démontrés.
“Section première. Disposition générale”
Art. 730/1, § 2
Art. 730/1, § 2
§ 2. Sauf en référé, le juge peut, à l’audience
d’introduction ou lors d’une audience fixée à
date rapprochée, interroger les parties sur la
manière dont elles ont tenté de résoudre le litige
à l’amiable avant l’introduction de la cause et les
informer des possibilités d’encore résoudre le
litige à l’amiable. A cette fin, le juge peut
ordonner la comparution personnelle des
parties.
§ 2. Sauf en référé, Lle juge peut, à l’audience
d’introduction ou lors d’une audience fixée à
date rapprochée, interroger les parties sur la
manière dont elles ont tenté de résoudre le litige
à l’amiable avant l’introduction de la cause et les
informer des possibilités d’encore résoudre le
litige à l’amiable. A cette fin, le juge peut
ordonner la comparution personnelle des
parties.
A la demande de l’une des parties ou s’il l’estime
utile, le juge, s’il constate qu’un rapprochement
est possible, peut, à cette même audience
d’introduction ou à une audience fixée à date
rapprochée, remettre la cause à une date fixe,
qui ne peut excéder un mois sauf accord des
parties, afin de leur permettre de vérifier si leur
litige peut être totalement ou partiellement
résolu à l’amiable et de recueillir toutes les
informations utiles en la matière.
Sauf en référé, àA la demande de l’une des
parties ou s’il l’estime utile, le juge, s’il constate
qu’un rapprochement est possible, peut, à cette
même audience d’introduction ou à une
audience fixée à date rapprochée, remettre la
cause à une date fixe, qui ne peut excéder un
mois sauf accord des parties, afin de leur
permettre de vérifier si leur litige peut être
totalement ou partiellement résolu à l’amiable
et de recueillir toutes les informations utiles en
la matière.
La mesure visée à l’alinéa 2 ne peut être
ordonnée si elle l’a déjà été dans le cadre du
même litige.
La mesure visée à l’alinéa 2 ne peut être
ordonnée si elle l’a déjà été dans le cadre du
même litige.
“Section II. La conciliation”
Art. 731
Art. 731
Il entre dans la mission du juge de concilier les
parties.
Il entre dans la mission du juge de concilier les
parties.
Sans préjudice des dispositions des articles 1724
à 1737, toute demande principale introductive
d’instance entre parties capables de transiger et
sur des objets susceptibles d’être réglés par
transaction, peut être préalablement soumise, à
la requête d’une des parties ou de leur commun
accord, à fin de conciliation au juge compétent
Abrogé, voir art 731/1.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
222
pour en connaître au premier degré de
juridiction. Toutefois, s’il existe des indices
sérieux que des violences, des menaces ou toute
autre forme de pression sont ou ont été
exercées par une partie à l’encontre de l’autre
partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
Sauf dans les cas prévus par la loi, le préliminaire
de conciliation ne peut être imposé.
Sauf dans les cas prévus par la loi, le préliminaire
de conciliation ne peut être imposé.
Art. 731/1
Sans préjudice des dispositions des articles 1724
à 1737, toute demande principale introductive
d’instance entre parties capables de transiger et
sur des objets susceptibles d’être réglés par
transaction, peut être préalablement soumise, à
la requête d’une des parties ou de leur commun
accord, à fin de conciliation au juge compétent
pour en connaître au premier degré de
juridiction. Toutefois, s’il existe des indices
sérieux que des violences, des menaces ou toute
autre forme de pression sont ou ont été
exercées par une partie à l’encontre de l’autre
partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
Art. 732
Art. 732
Les parties sont convoquées à la demande,
même verbale, de l’une d’elles, par simple lettre
du greffier, à comparaître dans le délai ordinaire
des citations, aux jour et heure fixés par le juge.
Sans préjudice du délai de citation visé à
l’article 707, les parties sont convoquées à la
demande, même verbale, de l’une d’elles, par
simple lettre du greffier, à comparaître dans le
délai ordinaire des citations d’un mois, aux jour
et heure fixés par le juge.
Si la demande en conciliation contient la
réclamation d’un droit, elle est assimilée à la
mise en demeure visée à l’article 5.240 du Code
civil.
Dans les mêmes conditions, la demande en
conciliation suspend le cours de la prescription
de l’action attachée à ce droit pendant un mois.
Art. 733
Art. 733
Il est dressé procès-verbal de la comparution en
conciliation. Si un accord intervient, le procès-
verbal en constate les termes et l’expédition est
revêtue de la formule exécutoire.
Il est dressé procès-verbal de la comparution en
conciliation. Si un accord intervient, le procès-
verbal en constate les termes et l’expédition est
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
223
3552/001
DOC 55
revêtue de la formule exécutoire, sauf si les
parties y renoncent.
La comparution des parties à l’audience de
conciliation suspend le cours de la prescription
durant la conciliation.
Art. 733/1
Si une procédure est déjà pendante, le litige
peut être soumis, tout au long de l’instance, au
juge à fin de conciliation, à l’initiative du juge
ou d’une partie. Toutefois, s’il existe des indices
sérieux que des violences, des menaces ou
toute autre forme de pression sont ou ont été
exercées par une partie à l’encontre de l’autre
partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
Les parties seront convoquées conformément à
l’article 732.
Si un accord intervient, les termes de cet accord
peuvent être actés dans un jugement ou un
arrêt conformément à l’article 1043.
Si la conciliation n’aboutit pas, la procédure
judiciaire ordinaire peut être poursuivie à
l’initiative d’une des parties.
“Section III. La chambre de règlement à
l’amiable”
Art. 734/1
§ 1er. Les affaires peuvent être soumises à fin de
conciliation à la chambre de règlement à
l’amiable et dans les conditions visées à l’article
731/1.
Le litige peut également être soumis à la
chambre de règlement à l’amiable à fin de
conciliation, dans les conditions visées à
l’article 733/1, alinéa 1er.
Les parties sont convoquées conformément à
l’article 732.
§ 2. À la demande des parties ou s’il l’estime
utile, le juge peut également ordonner, tout au
long de l’instance, le renvoi de la cause à la
chambre de règlement à l’amiable du même
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
224
tribunal ou de la même cour, par simple
mention au procès-verbal de l’audience.
Le greffier transmet le dossier de la procédure,
dans les trois jours de cette décision, au greffier
de la chambre de règlement à l’amiable à
laquelle la cause a été renvoyée.
Le greffier de la chambre de règlement à
l’amiable convoque les parties, par simple
lettre, à comparaître, dans le délai d’un mois,
aux lieu, jour et heure de l’audience à laquelle
l’affaire sera appelée.
Toutefois, s’il existe des indices sérieux que des
violences, des menaces ou toute autre forme
de pression sont ou ont été exercées par une
partie à l’encontre de l’autre partie, l’article
1734, § 1er, alinéa 3, s’applique par analogie.
§ 3. Dans les cas visés au paragraphe 1er, alinéa
1er, les articles 732, alinéas 2 et 3 et 733, alinéa
2, s’appliquent.
Art. 734/2
§ 1er. Dans les causes introduites sur pied de
l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, lorsque la
conciliation a abouti, les termes de l’accord
intervenu sont constatés par la chambre de
règlement à l’amiable dans le procès-verbal de
comparution en conciliation dont l’expédition
est revêtue de la formule exécutoire, sauf si les
parties y renoncent.
§ 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er,
alinéa 2 et § 2, lorsque la conciliation a abouti,
les termes de l’accord, partiel ou total, peuvent
être actés dans un jugement ou un arrêt,
conformément à l’article 1043.
Art. 734/3
§ 1er. Dans les causes introduites sur pied de
l’article 734/1, § 1er, alinéa 1er, dans lesquelles
la conciliation n’aura pas abouti, le procès-
verbal de la comparution en conciliation clôt la
procédure.
Les parties pourront ensuite, si elles le
souhaitent, introduire une procédure judicaire
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
225
3552/001
DOC 55
ordinaire pour entendre trancher leur différend
par le tribunal ou la cour.
§ 2. Dans les cas visés à l’article 734/1, § 1er,
alinéa 2 et § 2, dans lesquels la conciliation
n’aura pas abouti, la procédure judiciaire
ordinaire est poursuivie devant la chambre
d’origine.
La chambre de règlement à l’amiable renvoie,
selon les mêmes formalités que celles prévues
à l’article 734/1, § 2, alinéas 1 et 2, le dossier
devant la chambre d’origine.
Si l’une des parties en a fait la demande à
l’audience de règlement amiable, le greffier de
la chambre d’origine convoque les parties, sous
pli judiciaire, à comparaître, aux lieu, jour et
heure de l’audience à laquelle l’affaire sera
appelée. Cette demande peut également être
formulée par écrit par l’une des parties après le
renvoi.
Art. 734/4
§ 1er. Les audiences de conciliation tenues par
les chambres de règlement à l’amiable se
déroulent
en
chambre
du
conseil
conformément à l’article 757, § 2, 14°. Tout ce
qui se dit ou s’écrit au cours de ces audiences
est confidentiel au sens de l’article 1728. En cas
de violation de l’obligation de confidentialité,
l’article 1728, § 4, est d’application.
Avec l’accord des parties, le tribunal ou la cour
peut, s’il/elle l’estime utile, aussi s’entretenir
en aparté avec chacune des parties.
§ 2. Le jour de l’audience de conciliation, les
parties comparaissent obligatoirement en
personne, assistées, le cas échéant, de leurs
avocats ou des personnes mentionnées dans
l’article 728. Si une personne morale est à la
cause, elle est représentée par une personne
physique pouvant l’engager sauf décision
contraire de la chambre de règlement à
l’amiable.
§ 3. Tant les parties que le juge de la chambre
de règlement à l’amiable peuvent, à tout
moment, mettre un terme à la conciliation.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
226
§ 4. Le juge qui a exercé sa mission de
conciliation dans le cadre d’un litige soumis à la
chambre de règlement à l’amiable s’abstient de
prendre part à un jugement ou arrêt sur les
suites de ce même litige devant une autre
chambre. À défaut, il peut être récusé
conformément à l’article 828, 9°.
Art. 757
Art. 757
§ 1er. Sauf les exceptions prévues par la loi, les
plaidoyers, rapports et jugements sont publics.
§ 1er. Sauf les exceptions prévues par la loi, les
plaidoyers, rapports et jugements sont publics.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les
procédures judiciaires suivantes se déroulent en
chambre du conseil, tant en première instance
qu’en degré d’appel en ce qui concerne les
plaidoyers et rapports:
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les
procédures judiciaires suivantes se déroulent en
chambre du conseil, tant en première instance
qu’en degré d’appel en ce qui concerne les
plaidoyers et rapports:
1° les procédures judiciaires relatives à la
filiation visées aux articles 312, § 2, 314, 318,
322, 329bis, 330 et 332quinquies du Code civil;
1° les procédures judiciaires relatives à la
filiation visées aux articles 312, § 2, 314, 318,
322, 329bis, 330 et 332quinquies du Code civil;
2° la procédure judiciaire relative à l’action en
réclamation d’une pension pour l’entretien,
l’éducation et la formation adéquate, visée à
l’article 338 du Code civil, pour autant qu’au
cours de la première comparution devant le
tribunal ou la cour, le défendeur ne conteste que
le montant de la pension alimentaire;
2° la procédure judiciaire relative à l’action en
réclamation d’une pension pour l’entretien,
l’éducation et la formation adéquate, visée à
l’article 338 du Code civil, pour autant qu’au
cours de la première comparution devant le
tribunal ou la cour, le défendeur ne conteste que
le montant de la pension alimentaire;
3° les procédures judiciaires relatives à l’autorité
parentale, visées aux articles 373, 374, 375bis,
387bis et 387ter du Code civil;
3° les procédures judiciaires relatives à l’autorité
parentale, visées aux articles 373, 374, 375bis,
387bis et 387ter du Code civil;
4° ...;
4° ...;
5° ...;
5° ...;
6° les procédures judiciaires relatives à la
cohabitation légale, visées à l’article 1479 du
Code civil;
6° les procédures judiciaires relatives à la
cohabitation légale, visées à l’article 1479 du
Code civil;
7° les procédures judiciaires relatives à
l’adoption visées à la quatrième partie, livre IV,
chapitre VIIIbis, du Code judiciaire;
7° les procédures judiciaires relatives à
l’adoption visées à la quatrième partie, livre IV,
chapitre VIIIbis, du Code judiciaire;
8° les procédures judiciaires relatives à la tutelle
visées aux articles 1235 et 1236bis, du Code
judiciaire;
8° les procédures judiciaires relatives à la tutelle
visées aux articles 1235 et 1236bis, du Code
judiciaire;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
227
3552/001
DOC 55
9° les procédures judiciaires relatives aux
mesures de protection visées à la quatrième
partie, livre IV, chapitre X;
9° les procédures judiciaires relatives aux
mesures de protection visées à la quatrième
partie, livre IV, chapitre X;
10° les procédures judiciaires de conciliation
concernant les demandes des époux relatives à
leurs droits et devoirs respectifs et à leur régime
matrimonial visées à l’article 1253quater du
Code judiciaire;
10° les procédures judiciaires de conciliation
concernant les demandes des époux relatives à
leurs droits et devoirs respectifs et à leur régime
matrimonial visées à l’article 1253quater du
Code judiciaire;
11° les procédures judiciaires relatives au
divorce ou à la séparation de corps visées à la
quatrième partie, livre IV, chapitre XI, du Code
judiciaire
pour
autant
que
les
parties
comparaissent personnellement;
11° les procédures judiciaires relatives au
divorce ou à la séparation de corps visées à la
quatrième partie, livre IV, chapitre XI, du Code
judiciaire
pour
autant
que
les
parties
comparaissent personnellement;
12° les procédures judiciaires relatives à la
protection des droits de garde et de visite
transfrontières visées à la quatrième partie, livre
IV, chapitre XIIbis, du Code judiciaire;
12° les procédures judiciaires relatives à la
protection des droits de garde et de visite
transfrontières visées à la quatrième partie, livre
IV, chapitre XIIbis, du Code judiciaire;
13° les procédures judiciaires relatives aux
demandes en justice qui sont connexes à celles
visées aux 1° à 12°, pour autant qu’elles soient
traitées à la même audience.
13° les procédures judiciaires relatives aux
demandes en justice qui sont connexes à celles
visées aux 1° à 12°, pour autant qu’elles soient
traitées à la même audience.
14° les audiences de conciliation tenues par les
chambres de règlement à l’amiable.
Toutefois, le juge peut, en tout état de cause, en
fonction des circonstances, ordonner la publicité
des débats soit d’office, soit à la demande du
ministère public ou d’une partie à la cause, sauf
en ce qui concerne les procédures visées à
l’alinéa 1er, 9°.
Toutefois, le juge peut, en tout état de cause, en
fonction des circonstances, ordonner la publicité
des débats soit d’office, soit à la demande du
ministère public ou d’une partie à la cause, sauf
en ce qui concerne les procédures visées à
l’alinéa 1er, 9°.
Art. 780/1, al. 4
Art. 780/1, al. 4
La fiche informative ne fait pas partie du
jugement. Elle est jointe à l’expédition visée à
l’article 790.
La fiche informative ne fait pas partie du
jugement. Elle est jointe à l’expédition visée à
l’article 790 ou, le cas échéant, à la copie
certifiée conforme par le greffier, de celui-ci.
Art. 1094/2
Art. 1094/2
/
Lorsque, au cours de la procédure en cassation,
entre en vigueur une disposition légale qui
s’applique rétroactivement au litige, la partie
demanderesse peut soumettre à la Cour une
requête complémentaire contenant un moyen
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
228
pris de la violation de cette disposition. Cette
requête est jointe à l’instance en cours.
La requête est, à peine de déchéance, remise au
greffe de la Cour dans les trois mois de l’entrée
en vigueur de la disposition nouvelle après
avoir, le cas échéant, été signifiée aux autres
parties.
Les articles 1079 à 1081, 1087, 1092 à 1094/1 et
1097 s’appliquent à cette requête et aux
mémoires que les parties s’échangent.
Art. 1187, al. 1er et 2
Art. 1187, al. 1 et 2
Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété à des mineurs, des présumés
absents, des personnes protégées qui, en vertu
de l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées
incapables d’aliéner des immeubles, ou à des
personnes internées par application de la loi sur
la défense sociale, et à d’autres personnes, le
juge de paix peut, sur requête des représentants
légaux ou des autres copropriétaires, autoriser
la vente publique des biens indivis.
Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété à des mineurs, des présumés
absents, des personnes protégées qui, en vertu
de l’article 492/1 du Code civil, ont été déclarées
incapables d’aliéner des immeubles, ou à des
personnes internées par application de la loi sur
la défense sociale, et à d’autres personnes, le
juge de paix peut, sur requête des représentants
légaux ou des autres copropriétaires, autoriser
la vente publique des biens indivis.
Les
représentants
légaux
des
intéressés
mineurs, présumés absents, les administrateurs
des personnes protégées qui, en vertu l’article
492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables
d’aliéner des immeubles, ainsi que les autres
copropriétaires, doivent être appelés à la
procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié
au moins huit jours avant l’audience. Il en est de
même
des
créanciers
hypothécaires
et
privilégiés inscrits ainsi que des créanciers qui
ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie.
Les
représentants
légaux
des
intéressés
mineurs, présumés absents, les administrateurs
des personnes protégées qui, en vertu l’article
492/1 du Code civil, ont été déclarées incapables
d’aliéner des immeubles, ainsi que les autres
copropriétaires, doivent être appelés à la
procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié
au moins huit jours avant l’audience. Il en est de
même
des
créanciers
hypothécaires
et
privilégiés inscrits inscrits, des créanciers
privilégiés inscrits et, le cas échéant, des
créanciers enregistrés au Registre des gages,
ainsi que des créanciers qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code
civil.
Art. 1189, al. 1er
Art. 1189, al. 1er
La vente publique d’immeubles appartenant en
totalité à des successions acceptées sous
bénéfice d’inventaire où à des successions
vacantes est soumise aux conditions suivantes:
La vente publique d’immeubles appartenant en
totalité à des successions acceptées sous
bénéfice d’inventaire où ou à des successions
vacantes est soumise aux conditions suivantes:
Art. 1189/1
Art. 1189/1
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
229
3552/001
DOC 55
Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété à une succession vacante ou une
succession acceptée sous bénéfice d’inventaire
et à d’autres personnes, le tribunal de la famille
peut, sur requête du curateur à succession
vacante ou de l’héritier bénéficiaire ou des
autres copropriétaires, autoriser la vente
publique des immeubles indivis. Le curateur à
succession vacante, les héritiers bénéficiaires
ainsi que les autres copropriétaires, doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Il en est de même des créanciers
hypothécaires et privilégiés inscrits ainsi que des
créanciers
qui
ont
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie. Si le
tribunal de la famille fait droit à la requête, il
commet en même temps un notaire par le
ministère duquel ladite vente aura lieu. La
décision mentionne expressément l’identité des
créanciers et autres copropriétaires dûment
appelés à la procédure.
Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété à une succession vacante ou une
succession acceptée sous bénéfice d’inventaire
et à d’autres personnes, le tribunal de la famille
peut, sur requête du curateur à succession
vacante ou de l’héritier bénéficiaire ou des
autres copropriétaires, autoriser la vente
publique des immeubles indivis. Le curateur à
succession vacante, les héritiers bénéficiaires
ainsi que les autres copropriétaires, doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Il en est de même des créanciers
hypothécaires et privilégiés inscrits inscrits, des
créanciers privilégiés inscrits et, le cas échéant,
des créanciers enregistrés au Registre des
gages, ainsi que des créanciers qui ont fait
transcrire un commandement ou un exploit de
saisie et ceux qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243
du Code civil. Si le tribunal de la famille fait droit
à la requête, il commet en même temps un
notaire par le ministère duquel ladite vente aura
lieu. La décision mentionne expressément
l’identité
des
créanciers
et
autres
copropriétaires dûment appelés à la procédure.
Les héritiers bénéficiaires ou le curateur à
succession vacante et les autres copropriétaires
ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du
canton de la situation des biens veillent, chacun
pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des
intérêts en cause.
Les héritiers bénéficiaires ou le curateur à
succession vacante et les autres copropriétaires
ainsi que, le cas échéant, le juge de paix du
canton de la situation des biens veillent, chacun
pour ce qui le concerne, à la sauvegarde des
intérêts en cause.
L’autorisation du tribunal n’est pas requise en
cas d’application des articles 1186 et 1187.
Aucun des copropriétaires ne doit obtenir
l’autorisation du tribunal de la famille dans le
cas où le ou les copropriétaires qui doivent
demander l’autorisation sur base de l’article
1187, l’ont obtenue.
Art. 1191
Art. 1191
Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés
aux articles 1186 à 1190 exigeaient que les
immeubles fussent en tout ou en partie vendus
dans un ou plusieurs cantons autres que celui de
la situation du bien, il en est fait mention suivant
le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans
la décision d’autorisation du tribunal de la
famille, ou dans celle du juge-commissaire de la
faillite; et le juge de paix, le tribunal de la famille
Néanmoins, si les intérêts protégés énumérés
aux articles 1186 à 1190 ainsi qu’à l’article
1193quater, § 2 exigeaient que les immeubles
fussent en tout ou en partie vendus dans un ou
plusieurs cantons autres que celui de la
situation du bien, il en est fait mention suivant
le cas, dans l’ordonnance du juge de paix, dans
la décision d’autorisation du tribunal de la
famille, dans celle du juge-commissaire de la
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
230
ou le juge-commissaire désigne en même temps
le juge de paix qui veille, le cas échéant, à la
sauvegarde des intérêts en cause.
faillite ou dans celle du tribunal de l’entreprise;
et le juge de paix, le tribunal de la famille, le
juge-commissaire ou le tribunal de l’entreprise
désigne en même temps le juge de paix qui
veille, le cas échéant, à la sauvegarde des
intérêts en cause.
Art. 1192, § 2
Art. 1192, § 2
§ 2. En cas de difficultés, le notaire ou toute
autre partie intéressée peut s’adresser au juge
de paix. Le cas échéant, le juge de paix fait
surseoir à la vente, après avoir entendu les
représentants légaux des intéressés, les envoyés
en
possession
provisoire,
les
héritiers
bénéficiaires, les curateurs des successions
vacantes ou les curateurs des masses faillies.
§ 2. En cas de difficultés, le notaire ou toute
autre partie intéressée peut s’adresser au juge
de paix. Le cas échéant, le juge de paix fait
surseoir à la vente, après avoir entendu les
représentants légaux des intéressés, les envoyés
en
possession
provisoire,
les
héritiers
bénéficiaires, les curateurs des successions
vacantes ou vacantes, les curateurs des masses
faillies ou les liquidateurs d’une personne
morale.
Art. 1193, al. 1er
Art. 1193, al. 1er
La vente des immeubles a lieu, dans tous les cas
ci-dessus mentionnés, conformément à ce qui
est usité à l’égard des ventes publiques
ordinaires d’immeubles, sauf ce qui est dit aux
articles 1193bis et 1193ter.
La vente des immeubles a lieu, dans tous les cas
ci-dessus mentionnés, conformément à ce qui
est usité à l’égard des ventes publiques
ordinaires d’immeubles, sauf ce qui est dit aux
articles 1193bis et 1193ter, 1193ter et
1193quater, § 3.
Art. 1193bis, al. 3 et 4
Art. 1193bis, al. 3 et 4
La demande prévue à l’alinéa 1er est introduite
par une requête motivée à laquelle est joint un
projet d’acte de vente établi par un notaire ainsi
qu’un rapport d’expertise. Le projet d’acte est
joint
à
l’ordonnance
ou
au
jugement
d’autorisation.
La demande prévue à l’alinéa 1er est introduite
par une requête motivée à laquelle est joint un
projet d’acte de vente établi par un notaire
ainsi qu’un rapport d’expertise. Le projet
d’acte. Il y est joint un projet d’acte de vente
établi par un notaire, un rapport d’expertise et
un certificat de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale du Service public
fédéral Finances relatant les inscriptions
existantes
et
toute
transcription
de
commandement ou de saisie portant sur les
immeubles qui doivent être vendus ainsi que,
le cas échéant, le résultat des recherches après
consultation du Registre des gages. Le rapport
d’expertise est établi par l’expert désigné par le
notaire ayant rédigé le projet d’acte. Le projet
d’acte est joint à l’ordonnance ou au jugement
d’autorisation.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
231
3552/001
DOC 55
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
les personnes visées aux articles 1187, alinéa 2,
et 1189/1, alinéa 1er, selon les cas, doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
inscrits,
le
cas
échéant
les
créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil ainsi que les
personnes visées aux articles 1187, alinéa 2, et
1189/1, alinéa 1er, selon les cas, doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
Art. 1193ter, al. 1 et 2
Art. 1193ter, al. 1 et 2
Dans le cas prévu à l’article 1190, le curateur
peut demander, par requête motivée, au
tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre
de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un
projet d’acte de vente établi par un notaire,
désigné par le juge-commissaire, et lui expose
les motifs pour lesquels la vente de gré à gré
s’impose.
Dans le cas prévu à l’article 1190, le curateur
peut demander, par requête motivée, au
tribunal de l’entreprise l’autorisation de vendre
de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un
projet d’acte de vente établi par un notaire,
désigné par le juge-commissaire désigné par le
curateur, et lui expose les motifs pour lesquels
la vente de gré à gré s’impose.
Il y joint un rapport d’expertise établi par
l’expert qu’il a désigné et un certificat de
l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale, postérieur à la déclaration de
faillite relatant les inscriptions existantes et
toute transcription de commandement ou de
saisie portant sur les immeubles qui doivent être
vendus. Les créanciers hypothécaires ou
privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie de
même que le failli doivent être appelés à la
procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié
au moins huit jours avant l’audience. Ils peuvent
demander au tribunal que l’autorisation de
vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines
conditions telle que la fixation d’un prix de vente
minimum.
Il y joint un rapport d’expertise établi par
l’expert qu’il a désigné et un certificat désigné
par le notaire ayant rédigé le projet d’acte et un
certificat de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale, postérieur à la
déclaration de faillite relatant les inscriptions
existantes
et
toute
transcription
de
commandement ou de saisie portant sur les
immeubles qui doivent être vendus. Les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
ceux inscrits, les créanciers privilégiés inscrits,
le cas échéant, les créanciers enregistrés au
Registre des gages, les créanciers qui ont fait
transcrire un commandement ou un exploit de
saisie et ceux qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243
du Code civil de même que le failli et, le cas
échéant, les autres copropriétaires doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Ils peuvent demander au tribunal
que l’autorisation de vendre de gré à gré soit
subordonnée à certaines conditions telle que la
fixation d’un prix de vente minimum.
Art. 1193quater
§ 1er. Si le liquidateur d’une personne morale
souhaite bénéficier de la purge conformément
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
232
à l’article 1326 pour la vente à laquelle il
procède conformément aux articles 2:87, § 3,
2:88, § 1er, 4° ou 5°, 2:121, § 3 ou 2:122, § 1er, 4°
ou 5° du Code des sociétés et des associations,
il doit en outre obtenir préalablement à la
vente publique ou la vente de gré à gré une
autorisation du tribunal de l’entreprise. En cas
de dissolution judiciaire, l’autorisation prévue
par les articles 2:88 ou 2:122 du Code des
sociétés et des associations et celle prévue par
le
présent
paragraphe
peuvent
être
demandées simultanément.
§ 2. Si le tribunal accorde l’autorisation de
vendre
l’immeuble
publiquement
avec
bénéfice de la purge, il désigne en même temps
un notaire par le ministère duquel la vente
publique aura lieu. Le liquidateur ainsi que, le
cas échéant, le juge de paix du canton de la
situation de l’immeuble veillent, chacun pour
ce qui le concerne, à la sauvegarde des intérêts
en cause.
§ 3. Le liquidateur peut demander, par requête
motivée,
au
tribunal
de
l’entreprise
l’autorisation de vendre de gré à gré avec
bénéfice de la purge. Le liquidateur soumet au
tribunal un projet d’acte de vente, établi par un
notaire désigné par le liquidateur, et lui expose
les motifs pour lesquels la vente de gré à gré
s’impose.
Il y joint un rapport d’expertise établi par
l’expert désigné par le notaire ayant rédigé le
projet
d’acte
et
un
certificat
de
l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale
du
Service
public
fédéral
Finances, postérieur à l’ouverture de la
procédure
de
liquidation,
relatant
les
inscriptions existantes et toute transcription de
commandement ou de saisie portant sur
l’immeuble qui doit être vendu ainsi que, le cas
échéant, le résultat des recherches après
consultation du Registre des gages. Les
créanciers hypothécaires inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil de même que la
personne morale en liquidation et, le cas
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
233
3552/001
DOC 55
échéant, les copropriétaires doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. La rétribution due vaut comme frais
de greffe. Ils peuvent demander au tribunal que
l’autorisation de vendre de gré à gré soit
subordonnée à certaines conditions.
L’autorisation pour vendre avec bénéfice de la
purge est accordée si l’intérêt de la masse à
liquider l’exige. L’ordonnance doit indiquer
expressément la raison pour laquelle la vente
de gré à gré sert l’intérêt de la masse à liquider
et mentionne l’identité des créanciers dûment
appelés à la procédure. Le recours à cette
forme de vente peut être subordonné à la
fixation d’un prix minimum.
La vente doit avoir lieu conformément au
projet d’acte admis par le tribunal et par le
ministère du notaire qui l’a rédigé. Le
demandeur ou les créanciers intervenants
peuvent interjeter appel de l’ordonnance du
tribunal, conformément à l’article 1031.
Art. 1253ter/1, § 2 et 3
Art. 1253ter/1, § 2 et 3
§ 2. En matière familiale, lors de la comparution
des parties à l’audience introductive d’instance,
le juge entend les parties sur la manière dont
elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable
avant l’introduction de la cause, et afin de
déterminer si une résolution à l’amiable est
envisageable.
§ 2. En matière familiale, lors de la comparution
des parties à l’audience introductive d’instance,
le juge entend les parties sur la manière dont
elles ont tenté de résoudre le litige à l’amiable
avant l’introduction de la cause, et afin de
déterminer si une résolution à l’amiable est
envisageable.
A la demande des parties ou si le juge l’estime
utile, il peut remettre l’affaire à une date
déterminée qui ne peut excéder le délai d’un
mois, sauf s’il existe à cet égard un accord entre
les parties selon les modalités prévues à l’article
730/1. A la demande des parties ou s’il l’estime
utile, il peut également renvoyer l’affaire devant
la
chambre
de
règlement
à
l’amiable,
conformément au paragraphe 3. Toutefois, s`il
existe des indices sérieux que des violences, des
menaces ou toute autre forme de pression sont
ou ont été exercées par une partie à l’encontre
de l’autre partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3,
s’applique par analogie.
A la demande des parties ou si le juge l’estime
utile, il peut remettre l’affaire à une date
déterminée qui ne peut excéder le délai d’un
mois, sauf s’il existe à cet égard un accord entre
les parties selon les modalités prévues à l’article
730/1. A la demande des parties ou s’il l’estime
utile, il peut également renvoyer l’affaire devant
la
chambre
de
règlement
à
l’amiable,
conformément au paragraphe 3 aux articles
734/1 à 734/4. Toutefois, s`il existe des indices
sérieux que des violences, des menaces ou toute
autre forme de pression sont ou ont été
exercées par une partie à l’encontre de l’autre
partie, l’article 1734, § 1er, alinéa 3, s’applique
par analogie.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
234
§ 3. En matière familiale, les affaires peuvent
être soumises à fin de conciliation à la chambre
de règlement à l’amiable du tribunal de la
famille ou des chambres famille de la cour
d’appel. Tel peut être également le cas lorsque
l’affaire est pendante devant une autre chambre
de la famille pour autant que la chambre de
règlement à l’amiable soit en mesure de tenir
une audience à une date antérieure.
Abrogé
A la demande des parties ou s’il l’estime utile, le
juge ordonne le renvoi de la cause à la chambre
de règlement à l’amiable du même tribunal ou
des mêmes chambres famille de la cour d’appel,
par simple mention au procès-verbal de
l’audience. Le greffier transmet le dossier de la
procédure, dans les trois jours de cette décision,
au greffier de la chambre de règlement à
l’amiable à laquelle la cause a été renvoyée. Le
greffier de la chambre de règlement à l’amiable
convoque les parties, sous pli judiciaire, à
comparaître, aux lieu, jour et heure de
l’audience à laquelle l’affaire sera appelée.
Toutefois, s`il existe des indices sérieux que des
violences, des menaces ou toute autre forme de
pression sont ou ont été exercées par une partie
à l’encontre de l’autre partie, l’article 1734, § 1er,
alinéa 3, s’applique par analogie.
Abrogé
A défaut d’accord ou en cas d’accord partiel, la
chambre de règlement à l’amiable renvoie,
selon les mêmes formalités que celles prévues à
l’alinéa 2, le dossier devant la chambre de la
famille devant laquelle le dossier a été introduit.
Abrogé
Tout au long de l’instance, les parties ou le
magistrat ont la possibilité de solliciter le renvoi
de leur cause devant la chambre de règlement à
l’amiable.
Abrogé
De même, tout au long de l’instance, si un
accord total ou partiel intervient, le procès-
verbal en constate les termes et l’expédition est
revêtue de la formule exécutoire, sauf si les
parties requièrent l’application de l’article 1043.
Abrogé
Tout ce qui se dit ou s’écrit au cours des
audiences de règlement à l’amiable est
confidentiel.
Abrogé
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
235
3552/001
DOC 55
Tant les parties que le juge de la chambre de
règlement à l’amiable peuvent, à tout moment,
mettre un terme à la procédure de règlement à
l’amiable.
Abrogé
Art. 1253ter/3, § 2
Art. 1253ter/3, § 2
§ 2. Moyennant accord de toutes les parties, le
tribunal peut remettre à une date déterminée,
qui ne peut excéder le délai fixé à l’article 1734,
afin de permettre aux parties d’examiner si des
accords peuvent être conclus ou si une
médiation peut leur offrir une solution, ou
renvoyer l’affaire à la chambre de règlement à
l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, §
3, alinéa 2. L’affaire peut être reprise plus tôt,
sur demande écrite d’une des parties.
§ 2. Moyennant accord de toutes les parties, le
tribunal peut remettre à une date déterminée,
qui ne peut excéder le délai fixé à l’article 1734,
afin de permettre aux parties d’examiner si des
accords peuvent être conclus ou si une
médiation peut leur offrir une solution, ou
renvoyer l’affaire à la chambre de règlement à
l’amiable, conformément à l’article 1253ter/1, §
3, alinéa 2734/1, § 2. L’affaire peut être reprise
plus tôt, sur demande écrite d’une des parties.
Art. 1253quater,a)
Art. 1253quater, a)
Sous réserve de l’application des articles
1253ter/4 et 1253ter/7, lorsque les demandes
sont fondées sur les articles 214, 215, 216, 221
et 223 de l’ancien Code civil et sur les articles
2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, alinéa 3, et 2.3.63
du Code civil:
a) le tribunal fait convoquer les parties et, le cas
échéant, renvoie les parties aux chambres de
règlement à l’amiable, conformément à l’article
1253ter/1, § 3, alinéa 2;
Sous réserve de l’application des articles
1253ter/4 et 1253ter/7, lorsque les demandes
sont fondées sur les articles 214, 215, 216, 221
et 223 de l’ancien Code civil et sur les articles
2.3.34, 2.3.35, 2.3.40, 2.3.56, alinéa 3, et 2.3.63
du Code civil:
a)
le tribunal fait convoquer les parties et,
le cas échéant, renvoie les parties aux chambres
de règlement à l’amiable, conformément à
l’article 734/1, § 2;
Art. 1326
Art. 1326
§ 1er. Les ventes publiques d’immeubles
autorisées conformément aux articles 1186,
1189, 1190, 1580 et 1675/14bis ainsi que les
ventes publiques autorisées conformément à
l’article XX.88 du Code de droit économique
emportent de plein droit délégation du prix au
profit
des
créanciers
hypothécaires
ou
privilégiés inscrits ainsi qu’au profit des
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie qui ont
été appelés à l’adjudication au moins huit jours
avant l’émission de la première enchère.
§
1er.
Les
ventes
d’immeubles
qui
appartiennent en totalité au débiteur admis au
règlement collectif de dettes, au failli, à un
débiteur en réorganisation judiciaire par
transfert sous autorité de justice, à une
personne morale en liquidation, à un mineur, à
un présumé absent, à une personne protégée
qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code
civil, a été déclarée incapable d’aliéner des
immeubles, à une succession vacante, à une
succession
acceptée
sous
bénéfice
d’inventaire, emportent délégation du prix au
profit des créanciers hypothécaires inscrits, des
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant
des créanciers enregistrés au Registre des
gages, au profit des créanciers qui ont fait
transcrire un commandement ou un exploit de
saisie ainsi qu’au profit des créanciers qui ont
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
236
fait mention en marge d’une action intentée
sur base de l’article 5.243 du Code civil, à
condition:
Les ventes de gré à gré d’immeubles autorisées
conformément aux articles 1193bis, 1193ter,
1580bis, 1580ter et 1675/14bis ainsi que les
ventes de gré à gré autorisées conformément à
l’article XX.88 du Code de droit économique,
emportent délégation de plein droit du prix au
profit
des
créanciers
hypothécaires
ou
privilégiés inscrits ainsi qu’au profit des
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie, qui ont
été appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifiée au moins huit jours avant
l’audience.
1° que ces créanciers aient été appelés par le
notaire à suivre les opérations de vente dans le
cadre d’une vente publique autorisée ou
ordonnée. Cet appel a lieu par exploit d’huissier
ou courrier recommandé avec accusé de
réception au moins huit jours avant le jour de
la vente ou, en cas d’enchères dématérialisées,
au moins huit jours avant le jour de l’ouverture
des enchères; ou
§ 2. Les ventes, publiques ou de gré à gré,
d’immeubles indivis autorisées ou ordonnées
conformément aux articles 1187, 1189bis,
1193bis, 1209, 1214, 1224 et 1675/14bis ainsi
que conformément aux articles XX.88 et XX.193
du Code de droit économique emportent de
plein droit délégation du prix au profit de tous
les créanciers hypothécaires ou privilégies
inscrits ainsi qu’au profit de tous les créanciers
ayant fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie, qui ont été appelés à la
procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié
au moins huit jours à l’avance.
2° qu’ils aient été appelés par le greffe à la
procédure d’autorisation dans le cadre d’une
vente de gré à gré. Cet appel a lieu par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
§ 3. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte
sans qu’il soit besoin d’y annexer et de transcrire
l’ordonnance ou le jugement d’autorisation.
Le
présent
paragraphe
est
également
applicable à la vente autorisée ou ordonnée sur
saisie d’un immeuble qui appartient en totalité
ou pour partie au saisi, sauf en cas d’application
de l’article 1561, auquel cas la vente intervient
dans le cadre d’une liquidation-partage
judiciaire conformément au paragraphe 3.
§ 2. Les ventes d’immeubles indivis qui
appartiennent pour partie au débiteur admis
au règlement collectif de dettes, au failli, à un
débiteur en réorganisation judiciaire par
transfert sous autorité de justice, à une
personne morale en liquidation qui a obtenu le
bénéfice de la purge, à un mineur, à un
présumé absent, à une personne protégée qui,
en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code civil,
a été déclarée incapable d’aliéner des
immeubles, à une succession vacante, à une
succession
acceptée
sous
bénéfice
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
237
3552/001
DOC 55
d’inventaire,
et
à
d’autres
personnes,
emportent délégation du prix au profit des
créanciers énumérés au paragraphe 1er qui ont
été appelés par le greffe à la procédure
d’autorisation de la vente. Cet appel a lieu par
pli judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
§ 3. Pour les ventes intervenant dans le cadre
d’une liquidation-partage judiciaire, les règles
spécifiques suivantes sont d’application:
1° la vente publique emporte délégation de prix
au
profit
des
créanciers
énumérés
au
paragraphe 1er qui ont été appelés par le
notaire à suivre les opérations de vente. Cet
appel a lieu par exploit d’huissier ou courrier
recommandé avec accusé de réception au
moins huit jours avant le jour de la vente ou, en
cas d’enchères dématérialisées, au moins huit
jours avant le jour de l’ouverture des enchères;
2° la vente de gré à gré emporte délégation de
prix au profit des créanciers énumérés au
paragraphe 1er qui ont été appelés par le greffe
à la procédure d’autorisation, pour autant que
les
parties
venderesses
se
soient
volontairement soumises à la procédure
d’autorisation visée à l’article 1193bis. Cet
appel a lieu par pli judiciaire notifié au moins
huit jours avant l’audience.
§ 4. Si, en application des paragraphes 2 et 3, la
délégation de prix peut être obtenue dans le
cadre de différentes procédures, il suffit que les
créanciers énumérés au paragraphe 1er aient
été appelés dans le cadre de l’une de ces
procédures pour obtenir la purge.
§ 5. Les ventes d’immeubles emportent
également de plein droit délégation de prix à
l’égard des créanciers énumérés au paragraphe
1er
dont
l’inscription,
la
transcription,
l’enregistrement au Registre des gages ou la
mention en marge sont postérieurs à l’appel
prévu aux paragraphes 1er à 3, sans que ces
créanciers doivent être appelés.
§ 6. Le titre de l’acquéreur se compose de l’acte
sans qu’il soit besoin d’y annexer et de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
238
transcrire
l’ordonnance
ou
le
jugement
d’autorisation.
Art. 1389bis/7
Art. 1389bis/7
Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié.
Art. 1390quater, § 1er, alinéa 2 (après entre en
vigueur loi du 5 mai 2019)
Art. 1390quater, § 1er, alinéa 2
Dans les vingt-quatre heures de la décision de
remplacement du médiateur de dettes, le
greffier adresse au fichier des avis la mention de
la date de cette décision et de l’identité du
médiateur de dettes remplaçant au sens de
l’alinéa 1er, 2°.
Dans les vingt-quatre heures de la décision de
remplacement du médiateur de dettes, le
greffier adresse au fichier des avis la mention de
la date de cette décision et de l’identité du
médiateur de dettes remplaçant au sens de
l’alinéa 1er, 2°, au moyen du registre central des
règlements collectifs de dettes prévu à l’article
1675/20.
Art. 1409
Art. 1409
§ 1er. Les sommes payées en exécution d’un
contrat de louage de travail, d’un contrat
d’apprentissage, d’un statut, d’un abonnement
ainsi que celles qui sont payées aux personnes
qui, autrement qu’en vertu d’un contrat de
louage
de
travail,
fournissent
contre
rémunération des prestations de travail sous
l’autorité d’une autre personne, [ainsi que le
pécule de vacances payé en vertu de la
législation relative aux vacances annuelles,
peuvent être cédées ou saisies sans limitation
pour la partie du montant total de ces sommes
qui dépassent 35 000 F par mois civil.
§ 1er. Les sommes payées en exécution d’un
contrat de louage de travail, d’un contrat
d’apprentissage, d’un statut, d’un abonnement
ainsi que celles qui sont payées aux personnes
qui, autrement qu’en vertu d’un contrat de
louage
de
travail,
fournissent
contre
rémunération des prestations de travail sous
l’autorité d’une autre personne, [ainsi que le
pécule de vacances payé en vertu de la
législation relative aux vacances annuelles,
peuvent être cédées ou saisies sans limitation
pour la partie du montant total de ces sommes
qui dépassent 1706 euros par mois civil.
La partie de ces sommes supérieure à 29 000
francs et n’excédant pas 32 000 francs par mois
civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30
% au total, la partie supérieure à 32 000 francs
et n’excédant pas 35 000 francs par mois civil, ne
peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au
total; la partie supérieure à 27 000 francs et
n’excédant pas 29 000 francs par mois civil, ne
peut être cédée ni saisie pour plus d’un
cinquième au total.
La partie de ces sommes supérieure à 1414
euros et n’excédant pas 1560 euros par mois
civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de 30
% au total, la partie supérieure à 1560 euros et
n’excédant pas 1706 euros par mois civil, ne
peut être cédée ni saisie pour plus de 40 % au
total; la partie supérieure à 1316 euros et
n’excédant pas 1414 euros par mois civil, ne
peut être cédée ni saisie pour plus d’un
cinquième au total.
La part de ces sommes qui ne dépasse pas 27
000 F par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
La part de ces sommes qui ne dépasse pas 1316
euros par mois civil ne peut être cédée ni saisie.
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus
visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à
charge, la quotité saisissable ou cessible est,
[Lorsque des personnes bénéficiant de revenus
visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à
charge, la quotité saisissable ou cessible est,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
239
3552/001
DOC 55
dans les limites de celle-ci, diminuée de 50 euros
par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un
arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu’il
y a lieu d’entendre par enfant à charge.
dans les limites de celle-ci, diminuée de 81 euros
par enfant à charge]. Le Roi détermine [par un
arrêté délibéré en Conseil des ministres] ce qu’il
y a lieu d’entendre par enfant à charge.
Il détermine également, par un arrêté délibéré
en Conseil des ministres, les règles gouvernant
la charge de la preuve, en ce compris la force
probante et la durée de validité des preuves,
ainsi que les règles de la procédure. A cette fin,
Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et
modifier des dispositions légales, même dans les
matières qui sont expressément réservées à la
loi par la Constitution, à l’exception des matières
pour lesquelles la majorité prescrite à l’article 4,
alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le
1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des
représentants un projet de loi de ratification des
arrêtés établis par application de cet alinéa qui
établissent ou modifient des dispositions
légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant
le 1er janvier 2006 sont sans effet. § 1erbis. Les
revenus d’autres activités que celles visées au §
1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation
pour la partie du montant total de ces sommes
qui dépassent 35 000 francs par mois civil.
Il détermine également, par un arrêté délibéré
en Conseil des ministres, les règles gouvernant
la charge de la preuve, en ce compris la force
probante et la durée de validité des preuves,
ainsi que les règles de la procédure. A cette fin,
Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et
modifier des dispositions légales, même dans les
matières qui sont expressément réservées à la
loi par la Constitution, à l’exception des matières
pour lesquelles la majorité prescrite à l’article 4,
alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le
1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des
représentants un projet de loi de ratification des
arrêtés établis par application de cet alinéa qui
établissent ou modifient des dispositions
légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant
le 1er janvier 2006 sont sans effet. § 1erbis. Les
revenus d’autres activités que celles visées au §
1, peuvent être cédés ou saisis sans limitation
pour la partie du montant total de ces sommes
qui dépassent 1706 euros par mois civil.
La partie de ces sommes supérieure à 29 000
francs et n’excédant pas 35 000 francs par mois
civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de
deux cinquièmes au total; la partie supérieure à
27 000 francs et n’excédant pas 29 000 francs
par mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour
plus d’un cinquième au total.
La partie de ces sommes supérieure à 1414
euros et n’excédant pas 1706 euros par mois
civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus de
deux cinquièmes au total; la partie supérieure à
1316 euros et n’excédant pas 1414 euros par
mois civil, ne peut être cédée ni saisie pour plus
d’un cinquième au total.
La partie de ces sommes qui ne dépasse pas 27
000 francs par mois civil ne peut être cédée ni
saisie.
La partie de ces sommes qui ne dépasse pas
1316 euros par mois civil ne peut être cédée ni
saisie.
Lorsque des personnes bénéficiant de revenus
visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à
charge, la quotité saisissable ou cessible est,
dans les limites de celle-ci, diminuée de 50 euros
par enfant à charge. Le Roi détermine par un
arrêté royal délibéré en Conseil des ministres ce
qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge.
Lorsque des personnes bénéficiant de revenus
visés à l’alinéa 1er ont un ou plusieurs enfants à
charge, la quotité saisissable ou cessible est,
dans les limites de celle-ci, diminuée de 81 euros
par enfant à charge. Le Roi détermine par un
arrêté royal délibéré en Conseil des ministres ce
qu’il y a lieu d’entendre par enfant à charge.
Il détermine également, par un arrêté délibéré
en Conseil des ministres les règles gouvernant la
charge de la preuve, en ce compris la force
probante et la durée de validité des preuves,
ainsi que les règles de la procédure. A cette fin,
Il détermine également, par un arrêté délibéré
en Conseil des ministres les règles gouvernant la
charge de la preuve, en ce compris la force
probante et la durée de validité des preuves,
ainsi que les règles de la procédure. A cette fin,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
240
Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et
modifier des dispositions légales, même dans les
matières qui sont expressément réservées à la
loi par la Constitution à l’exception des matières
pour lesquels la majorité prescrite à l’article 4,
alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le
1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des
représentants un projet de loi de ratification des
arrêtés établis par application de cet alinéa qui
établissent ou modifient des dispositions
légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant
le 1er janvier 2006 sont sans effet.
Il peut, jusqu’au 31 décembre 2004, établir et
modifier des dispositions légales, même dans les
matières qui sont expressément réservées à la
loi par la Constitution à l’exception des matières
pour lesquels la majorité prescrite à l’article 4,
alinéa 3, de la Constitution est exigée. Avant le
1er janvier 2005 le Roi introduit à la Chambre des
représentants un projet de loi de ratification des
arrêtés établis par application de cet alinéa qui
établissent ou modifient des dispositions
légales. Les arrêtés qui ne sont pas ratifiés avant
le 1er janvier 2006 sont sans effet.
§ 1erter. Les titres-repas visés à l’article 19bis de
l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en
exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant
l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la
sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas
être saisis ou cédés s’ils satisfont aux conditions
de l’article 19bis, § § 2 et 3, du même arrêté.
Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls
prévus par l’article 1411, et n’appartiennent pas
non plus aux exceptions prévues à l’article 1412.
§ 1erter. Les titres-repas visés à l’article 19bis de
l’arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en
exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant
l’arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la
sécurité sociale des travailleurs ne peuvent pas
être saisis ou cédés s’ils satisfont aux conditions
de l’article 19bis, § § 2 et 3, du même arrêté.
Ces titres-repas ne tombent pas sous les cumuls
prévus par l’article 1411, et n’appartiennent pas
non plus aux exceptions prévues à l’article 1412.
§ 2. Chaque année, le Roi adapte les montants
fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu de l’indice
des prix à la consommation du mois de
novembre de chaque année.
L’indice de départ pour les montants visés aux
trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui
du mois de novembre 1989. L’indice de départ
pour le montant visé à l’alinéa 4 des § 1 et § 1bis
est celui du mois de la publication au Moniteur
belge de la loi du 24 mars 2000 modifiant les
articles 1409, 1409bis, 1410 et 1411 du Code
judiciaire, en vue d’adapter la quotité non
cessible ou non saisissable de la rémunération.
§ 2. Chaque année, et sans préjudice de
l’application du paragraphe 3, le Roi adapte les
montants fixés aux § 1er et § 1erbis compte tenu
de l’indice santé lissé du mois de novembre de
chaque année.
L’indice de départ pour les montants visés aux
trois premiers alinéas des § 1 et § 1bis est celui
du mois de novembre 2022. L’indice de départ
pour le montant visé à l’alinéa 4 des § 1 et § 1bis
est celui du mois de novembre 2022.
Chaque augmentation ou diminution de l’indice
entraîne une augmentation ou une diminution
des montants, conformément à la formule
suivante: le nouveau montant est égal au
montant de base, multiplié par le nouvel indice
et divise par l’indice de départ. Le résultat est
arrondi à la centaine supérieure.
Chaque augmentation ou diminution de l’indice
entraîne une augmentation ou une diminution
des montants, conformément à la formule
suivante: le nouveau montant est égal au
montant de base, multiplié par le nouvel indice
et divise par l’indice de départ. Le résultat est
arrondi à la centaine supérieure.
Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais
être inférieur au montant déterminé à l’article 2,
§ 1er, 1°, de la loi du 7 août 1974 instituant le
droit à un minimum de moyens d’existence, en
Le montant minimal ainsi adapté ne peut jamais
être inférieur au montant déterminé à l’article
14, §1er, alinéa 1er de la loi du 26 mai 2002
concernant le droit à l’intégration sociale, en
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
241
3552/001
DOC 55
vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle de
l’adaptation, arrondi au millier supérieur.
vigueur au 1er janvier de l’année suivant celle
de l’adaptation, arrondi au centième supérieur.
Dans les quinze premiers jours du mois de
décembre de chaque année, les nouveaux
montants sont publiés au Moniteur belge. Ils
entrent en vigueur le 1er janvier de l’année
suivant celle de leur adaptation.
Avant le 31 décembre de chaque année, les
nouveaux montants sont publiés au Moniteur
belge. Ils entrent en vigueur le 1er janvier de
l’année suivant celle de leur adaptation.
§ 2bis. Le Roi procède également à l’adaptation
prévue au paragraphe 2 si en cours d’année
l’augmentation ou la diminution de l’indice
dépasse 5% par rapport à la dernière
adaptation.
Les nouveaux montants sont publiés au cours
du mois qui suit l’augmentation ou la
diminution. Ils entrent en vigueur le 1er jour du
mois qui suit leur publication au Moniteur
belge.
§ 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants
prévus aux § 1er et § 1erbis, après avis du Conseil
national du travail, en tenant compte de la
situation économique.
§ 3. Le Roi peut, en outre, adapter les montants
prévus aux § 1er et § 1erbis, par arrêté délibéré
en Conseil des ministres, en tenant compte de
la situation économique.
L’arrêté entre en vigueur le 1er janvier de l’année
suivant sa publication au Moniteur belge.
Les nouveaux montants entrent en vigueur le
1er jour du mois suivant leur publication au
Moniteur belge. Ils cessent d’être en vigueur à
la date prévue par le Roi ou, à défaut, le 31
décembre de l’année de leur entrée en vigueur
et au plus tard un an à compter de leur entrée
en vigueur.
Au cours du dernier mois durant lequel ils sont
en vigueur, le Roi procède à l’adaptation
prévue au paragraphe 2 ou au présent
paragraphe. Si l’adaptation a lieu sur la base du
paragraphe 2, il prend en compte l’indice du
mois qui précède l’adaptation; les nouveaux
montants entrent en vigueur le 1er jour du mois
qui suit leur adaptation.
Art. 1561, al. 1er
Art. 1561, al. 1er
Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut
être exécutée par ses créanciers personnels
avant le partage ou la licitation, qu’ils peuvent
provoquer ou dans lesquels ils ont le droit
d’intervenir, sauf à respecter la convention
d’indivision conclue antérieurement à la
Néanmoins, la part indivise du débiteur ne peut
être exécutée par ses créanciers personnels
avant le partage ou la licitation, qu’ils peuvent
provoquer ou dans lesquels ils ont le droit
d’intervenir, sauf à respecter la convention
d’indivision conclue antérieurement à la
demande en partage ou à l’acte constitutif
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
242
demande en partage ou à l’acte constitutif
d’hypothèque.
d’hypothèque. Dans ces hypothèses, les articles
1207 et suivants sont d’application.
Art. 1580bis, al. 3
Art. 1580bis, al. 3
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie, le saisi
et, le cas échéant, le tiers détenteur doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits,
le
cas
échéant
les
créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie ou ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil, le saisi et, le cas
échéant, le tiers détenteur doivent être appelés
à la procédure d’autorisation par pli judiciaire
notifié au moins huit jours avant l’audience.
Art. 1580ter, al. 1 et 2
Art. 1580ter, al. 1 et 2
Dans le cas où le créancier saisissant sollicite
l’autorisation de vente de gré à gré, il soumet au
juge un projet d’acte de vente établi par un
notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la
vente de gré à gré s’impose.
Dans le cas où le créancier saisissant sollicite
l’autorisation de vente de gré à gré, il soumet au
juge un projet d’acte de vente établi par un
notaire, et lui expose les motifs pour lesquels la
vente de gré à gré s’impose. Il y joint un rapport
d’expertise établi par l’expert désigné par le
notaire ayant rédigé le projet d’acte et un
certificat de l’Administration générale de la
Documentation patrimoniale du Service public
fédéral Finances relatant les inscriptions
existantes
et
toute
transcription
de
commandement ou de saisie portant sur les
immeubles qui doivent être vendus ainsi que,
le cas échéant, le résultat des recherches après
consultation du Registre des gages.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie, ainsi
que le saisi et, le cas échéant, le tiers détenteur
doivent
être
appelés
à
la
procédure
d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins
huit jours avant l’audience. L’autorisation est
accordée si l’intérêt des créanciers, du débiteur
et, le cas échéant, du tiers détenteur le requiert.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits,
le
cas
échéant
les
créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil, ainsi que le saisi et,
le cas échéant, le tiers détenteur doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. L’autorisation est accordée si
l’intérêt des créanciers, du débiteur et, le cas
échéant, du tiers détenteur le requiert.
Art. 1582, al. 3
Art. 1582, al. 3
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
243
3552/001
DOC 55
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
le débiteur sont sommés un mois au moins avant
l’émission de la première enchère, de prendre
communication de ce cahier des charges et de
suivre les opérations de vente.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits,
le
cas
échéant
les
créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil ainsi que le débiteur
sont sommés un mois au moins avant l’émission
de
la
première
enchère,
de
prendre
communication de ce cahier des charges et de
suivre les opérations de vente.
Art. 1639, al. 2
Art. 1639, al. 2
L’ordre ouvert ensuite d’une vente intervenant
dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité ou
dans le cadre de la liquidation d’une succession
vacante ou acceptée sous bénéfice d’inventaire
se limite, sous réserve d’autres modalités, au
paiement des créanciers hypothécaires et
privilégiés spéciaux. Après règlement desdits
créanciers, l’officier ministériel instrumentant
verse, au besoin, le solde du prix de vente et ses
accessoires au mandataire de justice ou à
l’héritier
bénéficiaire.
Ce
versement
est
libératoire tout comme l’est le versement fait
par l’adjudicataire conformément à l’article
1641.
L’ordre ouvert ensuite d’une vente intervenant
dans le cadre d’une procédure d’insolvabilité
ou dans le cadre de la liquidation d’une de
l’immeuble appartenant à un débiteur admis
au règlement collectif de dettes, un failli, un
débiteur en réorganisation judiciaire par
transfert sous autorité de justice, une personne
morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice
de la purge ou une succession vacante ou
acceptée sous bénéfice d’inventaire se limite,
sous réserve d’autres modalités, au paiement
des créanciers hypothécaires et privilégiés
spéciaux inscrits, des créanciers privilégiés
spéciaux et, le cas échéant, des créanciers
enregistrés au Registre des gages. Les fonds
revenant au créancier ayant fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil, sont versés sur un
compte rubriqué en attendant une décision
exécutoire ou un accord entre les parties. Après
règlement
desdits
créanciers,
l’officier
ministériel instrumentant verse, au besoin, le
solde du prix de vente et ses accessoires au
mandataire de justice ou à l’héritier bénéficiaire.
Ce versement est libératoire tout comme l’est le
versement
fait
par
l’adjudicataire
conformément à l’article 1641.
Art. 1639/1
Si l’une des ventes mentionnées à l’article 1326
concerne un immeuble indivis, un ordre par
copropriétaire doit être établi en procédant
comme suit:
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
244
1° un ordre complet pour la part revenant à un
saisi, un mineur, un présumé absent, une
personne protégée qui, en vertu de l’article
492/1 de l’ancien Code civil, a été déclarée
incapable d’aliéner des immeubles, ou aux
parties dans le cadre d’une liquidation-partage
judiciaire;
2° un ordre allégé, tel que prévu à l’article 1639,
alinéa 2, pour la part revenant à un débiteur
admis au règlement collectif de dettes, un failli,
un débiteur en réorganisation judiciaire par
transfert sous autorité de justice, une personne
morale en liquidation qui a obtenu le bénéfice
de la purge, une succession vacante ou une
succession
acceptée
sous
bénéfice
d’inventaire;
3° un ordre semi-allégé pour la part revenant à
un copropriétaire non mentionné aux 1° et 2°.
Cet ordre se limite au payement des créanciers
hypothécaires
inscrits,
des
créanciers
privilégiés spéciaux et, le cas échéant, des
créanciers enregistrés au Registre des gages
ainsi qu’au payement des créanciers fiscaux et
sociaux qui ont envoyé une notification à
temps. Les fonds revenant au créancier ayant
fait mention en marge d’une action intentée
sur base de l’article 5.243 du Code civil, sont
versés sur un compte rubriqué en attendant
une décision exécutoire ou un accord entre les
parties.
La créance qui peut être récupérée à l’encontre
de
plusieurs copropriétaires
indivis,
est
imputée en proportion de la part de droits réels
qui revient à chacun d’entre eux, sans porter
préjudice
au
caractère
indivisible
de
l’hypothèque.
Si l’immeuble fait partie d’une copropriété
portant sur un ensemble juridique de biens, les
dettes communes à cette copropriété sont
reprises en premier lieu dans l’ordre. Ensuite,
après la détermination de la part nette de
chacun des indivisaires, les dettes propres sont
prises en compte dans l’ordre tel que prévu à
l’alinéa 1er. Si la copropriété portant sur
l’ensemble juridique de biens a déjà été
dissoute, cette dernière étape ne peut être
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
245
3552/001
DOC 55
entamée qu’après le règlement complet de
cette copropriété.
Art. 1653, al. 3
Art. 1653, al. 3
Sur
production
de
ce
certificat,
toutes
inscriptions et transcriptions existantes à charge
du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office.
Sur
production
de
ce
certificat,
toutes
inscriptions et transcriptions existantes à charge
du saisi, sur le bien adjugé, sont rayées d’office
à charge du propriétaire ou de tous les
copropriétaires, sur le bien vendu, sont rayées
d’office, pour autant que le notaire déclare que
les conditions de l’article 1326 ont été
respectées. Ce certificat permet également la
radiation des inscriptions ou transcriptions
existant encore à charge des titulaires
précédents. Si une action est inscrite en marge
en vertu de l’article 5.243 du Code civil, une
nouvelle mention marginale est inscrite qui fait
état de la vente purgeante et de ce certificat.
Art. 1675/7, § 2, al. 3
Art. 1675/7, § 2, al. 3
De même, si antérieurement à cette décision
d’amissibilité,
l’ordonnance
rendue
conformément aux articles 1580, 1580bis et
1580ter, n’est plus susceptible d’être frappée
par l’opposition visée aux articles 1033 et 1034,
les opérations de vente sur saisie exécution
immobilière peuvent se poursuivre pour le
compte de la masse. Si l’intérêt de la masse
l’exige, le tribunal du travail peut, sur la
demande du débiteur ou du médiateur de
dettes agissant dans le cadre d’un plan de
règlement judiciaire et après avoir appelé les
créanciers hypothécaires, privilégiés inscrits et
le
créancier
saisissant
à
la
procédure
d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins
huit jours avant l’audience, autoriser la remise
ou l’abandon de la vente. Le débiteur ou le
médiateur doit immédiatement informer par
écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa
demande de remise ou abandon. Cette
demande de remise ou d’abandon de vente
n’est plus recevable à dater de la sommation
faite au débiteur saisi conformément à l’article
1582.
De même, si antérieurement à cette décision
d’amissibilité,
l’ordonnance
rendue
conformément aux articles 1580, 1580bis et
1580ter, n’est plus susceptible d’être frappée
par l’opposition visée aux articles 1033 et 1034,
les opérations de vente sur saisie exécution
immobilière peuvent se poursuivre pour le
compte de la masse. Si l’intérêt de la masse
l’exige, le tribunal du travail peut, sur la
demande du débiteur ou du médiateur de
dettes agissant dans le cadre d’un plan de
règlement judiciaire et après avoir appelé les
créanciers hypothécaires, privilégiés inscrits et
le créancier saisissant inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, le créancier
saisissant et les créanciers qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil à la procédure
d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins
huit jours avant l’audience, autoriser la remise
ou l’abandon de la vente. Le débiteur ou le
médiateur doit immédiatement informer par
écrit le notaire chargé de vendre le bien, de sa
demande
de
remise
ou
abandon. Cette
demande de remise ou d’abandon de vente
n’est plus recevable à dater de la sommation
faite au débiteur saisi conformément à l’article
1582.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
246
Art. 1675/9, § 4
Art. 1675/9, § 4
Le médiateur de dettes prélève sur les montants
qu’il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule
qui est mis à la disposition du requérant et qui
est au moins égal au montant protégé en
application des articles 1409 à 1412. Ce pécule
peut être réduit pour une période limitée
moyennant l’autorisation expresse écrite du
requérant, mais il doit toujours être supérieur,
tant dans le cadre du plan de règlement amiable
que dans le cadre du plan de règlement
judiciaire, aux montants visés à l’article 14 de la
loi du 26 mai 2002 concernant le droit à
l’intégration sociale, majorés de la somme des
montants visés à l’article 1410, § 2, 1°.
Le médiateur de dettes prélève sur les montants
qu’il perçoit en application du § 1er, 4°, un pécule
qui est mis à la disposition du requérant et qui
est au moins égal au montant protégé en
application des articles 1409 à 1412. Ce pécule
peut être réduit pour une période limitée
moyennant l’autorisation expresse écrite du
requérant, mais il doit toujours être supérieur,
tant dans le cadre du plan de règlement amiable
que dans le cadre du plan de règlement
judiciaire, aux montants visés à l’article 14 de la
loi du 26 mai 2002 concernant le droit à
l’intégration sociale, majorés de la somme des
montants visés à l’article 1410, § 2, 1°.
Art. 1675/10, § 2/1 et § 4
Art. 1675/10, § 2/1 et § 4
§ 2/1. Le plan de règlement amiable reprend
l’état détaillé et actualisé des revenus et des
moyens disponibles du ménage. L’annexe au
plan, qui est uniquement communiquée au juge,
comporte un état détaillé des charges et avoirs
du débiteur et, le cas échéant, des charges et
avoirs de son ménage.
§ 2/1. Le plan de règlement amiable reprend
l’état détaillé et actualisé des revenus et des
moyens disponibles du ménage. L’annexe au
plan, qui est uniquement communiquée au juge,
comporte un état détaillé des charges et avoirs
du débiteur et, le cas échéant, des charges et
avoirs de son ménage.
§ 4. Le médiateur de dettes communique le
projet de plan de règlement amiable par lettre
recommandée à la poste au requérant, le cas
échéant à son conjoint, et aux créanciers. Le
médiateur
veille,
dans
ce
plan,
au
remboursement prioritaire des dettes qui
mettent en péril le respect de la dignité humaine
du requérant et de sa famille.
§ 4. Le médiateur de dettes communique le
projet de plan de règlement amiable par lettre
recommandée à la poste au requérant, le cas
échéant à son conjoint ou son cohabitant légal,
et aux créanciers. Le médiateur veille, dans ce
plan, au remboursement prioritaire des dettes
qui mettent en péril le respect de la dignité
humaine du requérant et de sa famille.
Le plan doit être approuvé par toutes les parties
intéressées.
Tout
contredit
doit
être
communiqué au médiateur de dettes, dans les
deux mois de l’envoi du projet. A défaut de
contredit formé dans les conditions et délai
précités, les parties sont présumées consentir au
plan.
Le plan doit être approuvé par toutes les parties
intéressées.
Tout
contredit
doit
être
communiqué au médiateur de dettes, dans les
deux mois de l’envoi du projet. A défaut de
contredit formé dans les conditions et délai
précités, les parties sont présumées consentir au
plan.
L’article 51 n’est pas d’application.
L’article 51 n’est pas d’application.
L’avis adressé aux parties intéressées reproduit
le texte de l’alinéa 2 du présent paragraphe.
L’avis adressé aux parties intéressées reproduit
le texte de l’alinéa 2 du présent paragraphe.
Art. 1675/12, § 2
Art. 1675/12, § 2
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
247
3552/001
DOC 55
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de
règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq
ans. L’article 51 n’est pas d’application, à moins
que le débiteur n’en sollicite l’application de
manière expresse et motivée, en vue de
sauvegarder
certains
éléments
de
son
patrimoine et afin d’assurer le respect de la
dignité humaine du débiteur.
§ 2. Le jugement mentionne la durée du plan de
règlement judiciaire qui ne peut excéder cinq
ans. L’article 51 n’est pas d’application, à moins
que le débiteur n’en sollicite l’application de
manière expresse et motivée, en vue de
sauvegarder
certains
éléments
de
son
patrimoine et afin d’assurer le respect de la
dignité humaine du débiteur et de sa famille.
Le juge statue sur cette demande, par une
décision spécialement motivée, le cas échéant
dans la décision par laquelle il accorde le plan de
règlement judiciaire.
Le juge statue sur cette demande, par une
décision spécialement motivée, le cas échéant
dans la décision par laquelle il accorde le plan de
règlement judiciaire.
Le délai de remboursement des contrats de
crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau
délai de remboursement ne peut excéder la
durée du plan de règlement, fixée par le juge,
augmentée de la moitié de la durée restant à
courir de ces contrats de crédit.
Le délai de remboursement des contrats de
crédit peut être allongé. Dans ce cas, le nouveau
délai de remboursement ne peut excéder la
durée du plan de règlement, fixée par le juge,
augmentée de la moitié de la durée restant à
courir de ces contrats de crédit.
Art. 1675/14bis, § 2
Art. 1675/14bis, § 2
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au débiteur et à d’autres personnes,
le tribunal du travail peut, sur demande du
débiteur ou du médiateur de dettes agissant
dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire,
ordonner la vente des immeubles indivis. Les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
les
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
les autres copropriétaires doivent être appelés à
la procédure d’autorisation par pli judiciaire
notifié au moins huit jours avant l’audience. Il en
est de même du débiteur en cas de plan de
règlement judiciaire. En ce cas, la vente se fait à
la requête du médiateur de dettes seul.
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au débiteur et à d’autres personnes,
le tribunal du travail peut, sur demande du
débiteur ou du médiateur de dettes agissant
dans le cadre d’un plan de règlement judiciaire,
ordonner la vente des immeubles indivis. Les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits
inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers ayant fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code
civil ainsi que les autres copropriétaires doivent
être appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Il en est de même du débiteur en cas
de plan de règlement judiciaire. En ce cas, la
vente se fait à la requête du médiateur de dettes
seul.
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur
demande
conjointe
du
débiteur
ou
du
médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un
plan de règlement judiciaire et des autres
copropriétaires,
après
avoir
appelé
les
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal du travail peut autoriser celle-ci, sur
demande
conjointe
du
débiteur
ou
du
médiateur de dettes agissant dans le cadre d’un
plan de règlement judiciaire et des autres
copropriétaires,
après
avoir
appelé
les
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
248
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits
ainsi que les créanciers ayant fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie doivent
être appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours à l’avance.
Il en est de même du débiteur en cas de plan de
règlement judiciaire.
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits
inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages ainsi que les créanciers ayant fait
transcrire un commandement ou un exploit de
saisie et ceux qui ont fait mention en marge
d’une action intentée sur base de l’article 5.243
du Code civil doivent être appelés à la procédure
d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins
huit jours à l’avance. Il en est de même du
débiteur en cas de plan de règlement judiciaire.
Art. 1675/21
Art. 1675/21
§ 1er. L’Ordre des barreaux francophones et
germanophone et l’Orde van Vlaamse Balies
visés à l’article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après
dénommés “le gestionnaire”, mettent en place
et gèrent le registre conjointement.
§ 1er. L’Ordre des barreaux francophones et
germanophone et l’Orde van Vlaamse Balies
visés à l’article 488 alinéa 1er et alinéa 2, ci-après
dénommés “le gestionnaire”, mettent en place
et gèrent le registre conjointement.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l’article
1675/20, le gestionnaire est considéré comme le
responsable du traitement au sens de l’article
1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à
la protection de la vie privée à l’égard des
traitements de données à caractère personnel.
§ 2. En ce qui concerne le fichier visé à l’article
1675/20, le gestionnaire est considéré comme le
responsable du traitement au sens de l’article
1er, § 4, de la loi du 8 décembre 1992 relative à
la protection de la vie privée à l’égard des
traitements de données à caractère personnel.
§ 3. Le gestionnaire désigne un préposé à la
protection des données.
§ 3. Le gestionnaire désigne un délégué à la
protection des données.
Celui-ci est plus particulièrement chargé:
Celui-ci est plus particulièrement chargé:
1° de la remise d’avis qualifiés en matière de
protection de la vie privée et de sécurisation des
données
à
caractère
personnel
et
des
informations et de leur traitement;
1° de la remise d’avis qualifiés en matière de
protection de la vie privée et de sécurisation des
données
à
caractère
personnel
et
des
informations et de leur traitement;
2° d’informer et conseiller le gestionnaire
traitant les données à caractère personnel de
ses obligations en vertu de la présente loi et du
cadre général de la protection des données et de
la vie privée;
2° d’informer et conseiller le gestionnaire
traitant les données à caractère personnel de
ses obligations en vertu de la présente loi et du
cadre général de la protection des données et de
la vie privée;
3° de l’établissement, de la mise en œuvre, de la
mise à jour et du contrôle d’une politique de
sécurisation et de protection de la vie privée;
3° de l’établissement, de la mise en œuvre, de la
mise à jour et du contrôle d’une politique de
sécurisation et de protection de la vie privée;
4° d’être le point de contact pour la Commission
de la protection de la vie privée;
4° d’être le point de contact pour la Commission
de la protection de la vie privée;
5° de l’exécution des autres missions relatives à
la protection de la vie privée et à la sécurisation
5° de l’exécution des autres missions relatives à
la protection de la vie privée et à la sécurisation
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
249
3552/001
DOC 55
qui sont déterminées par le Roi, après avis de la
Commission de la protection de la vie privée.
qui sont déterminées par le Roi, après avis de la
Commission de la protection de la vie privée.
Dans l’exercice de ses missions, le préposé à la
protection
des
données
agit
en
toute
indépendance et rend compte directement au
gestionnaire.
Dans l’exercice de ses missions, le délégué à la
protection
des
données
agit
en
toute
indépendance et rend compte directement au
gestionnaire.
Le Roi détermine, après avis de la Commission
de la protection de la vie privée, les règles selon
lesquelles le préposé à la protection des
données exerce ses missions.
Le Roi détermine, après avis de la Commission
de la protection de la vie privée, les règles selon
lesquelles le délégué à la protection des
données exerce ses missions.
CHAPITRE 4 - Modifications du Code de la nationalité belge
Art. 9
Art. 9
Devient Belge à la date à laquelle l’adoption
produit ses effets, s’il n’a pas à cette date atteint
l’âge de dix-huit ans ou n’est pas émancipé:
§ 1er. Devient Belge à la date à laquelle
l’adoption produit ses effets, s’il n’a pas à cette
date atteint l’âge de dix-huit ans ou n’est pas
émancipé:
1° l’enfant né en Belgique et adopté par un
Belge;
1° l’enfant né en Belgique et adopté par un
Belge;
2° l’enfant né à l’étranger et adopté:
2° l’enfant né à l’étranger et adopté:
a) par un Belge né en Belgique ou dans des
territoires soumis à la souveraineté belge ou
confiés à l’administration de la Belgique;
a) par un Belge né en Belgique ou dans des
territoires soumis à la souveraineté belge ou
confiés à l’administration de la Belgique;
b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq
ans à partir de la date à laquelle l’adoption
produit ses effets, une déclaration réclamant
l’attribution de la nationalité belge pour son
enfant adoptif qui n’a pas atteint l’âge de dix-
huit ans ou n’est pas émancipé avant cet âge;
b) par un Belge ayant fait, dans un délai de cinq
ans à partir de la date à laquelle l’adoption
produit ses effets, une déclaration réclamant
l’attribution de la nationalité belge pour son
enfant adoptif qui n’a pas atteint l’âge de dix-
huit ans ou n’est pas émancipé avant cet âge;
c) par un Belge, à condition que l’enfant ne
possède pas une autre nationalité.
c) par un Belge, à condition que l’enfant ne
possède pas une autre nationalité.
La déclaration visée à l’alinéa 1er, 2°, b, est faite,
et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité
est établi, conformément à l’article 22, § 4.
La déclaration visée à l’alinéa 1er, 2°, b, est faite,
et, sur la base de celle-ci, un acte de nationalité
est établi, conformément à l’article 22, § 4.
L’enfant auquel la nationalité belge a été
attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c,
conserve cette nationalité tant qu’il n’a pas été
établi, avant qu’il n’ait atteint l’âge de dix-huit
ans ou n’ait été émancipé avant cet âge, qu’il
possède une nationalité étrangère.
L’enfant auquel la nationalité belge a été
attribuée en vertu du premier alinéa, 2°, c,
conserve cette nationalité tant qu’il n’a pas été
établi, avant qu’il n’ait atteint l’âge de dix-huit
ans ou n’ait été émancipé avant cet âge, qu’il
possède une nationalité étrangère.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
250
§ 2. En cas de révision de l’adoption, telle que
prévue à l’article 351 de l’ancien Code civil, ou
de révocation de l’adoption, telle que prévue
aux articles 354-1 à 354-3 de l’ancien Code civil,
l’adopté conserve la nationalité belge.
Art. 23
Art. 23
§ 5. Si l’arrêt est rendu par défaut, il est, après sa
signification, à moins que celle-ci ne soit faite à
personne, publié par extrait dans deux journaux
de la province et au Moniteur belge.
§ 5. Si l’arrêt est rendu par défaut, il est, après sa
signification, à moins que celle-ci ne soit faite à
personne, publié par extrait dans deux journaux
de la province et au Moniteur belge.
L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être
formée dans le délai de huit jours à compter du
jour de la signification à personne ou de la
publication, sans augmentation de ce délai en
raison de la distance.
L’opposition doit, à peine d’irrecevabilité, être
formée dans le délai prévu, en matière civile, à
l’article
1048
du
Code
judiciaire,
éventuellement
prolongé
en
raison
des
vacances judiciaires, conformément à l’article
50, alinéa 2 du Code judiciaire.
L’opposition est portée à la première audience
de la chambre qui a rendu l’arrêt; elle est jugée
sur le rapport du conseiller commis s’il fait
encore partie de la chambre, ou, à son défaut,
par le conseiller désigné par le premier
président, et l’arrêt est rendu dans les quinze
jours.
L’opposition est portée à la première audience
de la chambre qui a rendu l’arrêt; elle est jugée
sur le rapport du conseiller commis s’il fait
encore partie de la chambre, ou, à son défaut,
par le conseiller désigné par le premier
président, et l’arrêt est rendu dans les quinze
jours.
CHAPITRE 5 – Modification de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer “la charte” de l’assuré
social
Art. 2
Art. 2
Pour l’exécution et l’application de la présente
loi et de ses mesures d’exécution, on entend par
Pour l’exécution et l’application de la présente
loi et de ses mesures d’exécution, on entend
par:
1° “sécurité sociale”:
1° “sécurité sociale”:
a) l’ensemble des branches reprises à l’article 21
de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes
généraux de la sécurité sociale des travailleurs
salariés, y compris celles de la sécurité sociale
des marins de la marine marchande et des
ouvriers mineurs;
a) l’ensemble des branches reprises à l’article 21
de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes
généraux de la sécurité sociale des travailleurs
salariés, y compris celles de la sécurité sociale
des marins de la marine marchande et des
ouvriers mineurs;
b) l’ensemble des branches visées sous le a),
dont l’application est étendue aux personnes
occupées dans le secteur public, et les branches
du secteur public qui remplissent une fonction
équivalente aux branches visées sous le a);
b) l’ensemble des branches visées sous le a),
dont l’application est étendue aux personnes
occupées dans le secteur public, et les branches
du secteur public qui remplissent une fonction
équivalente aux branches visées sous le a);
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
251
3552/001
DOC 55
c) l’ensemble des branches reprises à l’article 1er
de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967
organisant le statut social des travailleurs
indépendants;
c) l’ensemble des branches reprises à l’article 1er
de l’arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967
organisant le statut social des travailleurs
indépendants;
d) l’ensemble des branches reprises à l’article 12
de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité
sociale d’outre-mer ou visées par la loi du 16 juin
1960 placant sous le contrôle et la garantie de
l’Etat belge des organismes gérant la sécurité
sociale des employés du Congo belge et du
Ruanda-Urundi et portant garantie par l’Etat
belge des prestations sociales assurées en
faveur de ceux-ci;
d) l’ensemble des branches reprises à l’article 12
de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité
sociale d’outre-mer ou visées par la loi du 16 juin
1960 placant sous le contrôle et la garantie de
l’Etat belge des organismes gérant la sécurité
sociale des employés du Congo belge et du
Ruanda-Urundi et portant garantie par l’Etat
belge des prestations sociales assurées en
faveur de ceux-ci;
e) l’ensemble des branches du régime d’aide
sociale constitué par les allocations aux
handicapés, le droit à un minimum de moyens
d’existence, (l’aide sociale,) les prestations
familiales garanties et le revenu garanti aux
personnes âgées;
e) l’ensemble des branches du régime d’aide
sociale constitué par les allocations aux
handicapés, le droit à un minimum de moyens
d’existence, (l’aide sociale,) les prestations
familiales garanties et le revenu garanti aux
personnes âgées;
f) l’ensemble des avantages complémentaires
aux prestations assurées dans le cadre de la
sécurité sociale visée au littera a, accordés, dans
les limites de leurs statuts, par les fonds de
sécurité d’existence visés au 2°, littera c);
f) l’ensemble des avantages complémentaires
aux prestations assurées dans le cadre de la
sécurité sociale visée au littera a, accordés, dans
les limites de leurs statuts, par les fonds de
sécurité d’existence visés au 2°, littera c);
g) l’ensemble des règles relatives à la perception
et au recouvrement des cotisations et des autres
ressources contribuant au financement des
branches et avantages précités;
g) l’ensemble des règles relatives à la perception
et au recouvrement des cotisations et des autres
ressources contribuant au financement des
branches et avantages précités;
h) l’ensemble des droits visés dans la loi du 18
juillet 2017 relative à la création du statut de
solidarité nationale, à l’octroi d’une pension de
dédommagement et au remboursement des
soins médicaux à la suite d’actes de terrorisme;
CHAPITRE 6 – Modifications du Code de droit économique
Art. XX.44, § 3, al. 2, 1°
Art. XX.44, § 3, al. 2, 1°
Toutefois, le notaire devra suspendre les
opérations
de
vente
si
les
conditions
cumulatives suivantes sont remplies:
Toutefois, le notaire devra suspendre les
opérations
de
vente
si
les
conditions
cumulatives suivantes sont remplies:
1° à la demande expresse du débiteur dans sa
requête, le tribunal prononce la suspension des
opérations de vente forcée, préalablement ou
conjointement
à
la
décision
prononçant
l’ouverture de la procédure, après avoir entendu
1° à la demande expresse du débiteur dans sa
requête, le tribunal prononce la suspension des
opérations de vente forcée, préalablement ou
conjointement
à
la
décision
prononçant
l’ouverture de la procédure, après avoir entendu
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
252
le juge délégué en son rapport, ainsi que les
créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le
créancier saisissant et le débiteur. La demande
en suspension de la vente n’a pas d’effet
suspensif. Les frais réels exposés par le notaire
dans le cadre de la vente forcée, entre sa
désignation et le dépôt de la requête, sont à
charge du débiteur;
le juge délégué en son rapport, ainsi que les
créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le
créancier saisissant inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, le créancier
saisissant et les créanciers qui ont fait mention
en marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil et le débiteur. La
demande en suspension de la vente n’a pas
d’effet suspensif. Les frais réels exposés par le
notaire dans le cadre de la vente forcée, entre sa
désignation et le dépôt de la requête, sont à
charge du débiteur;
Art. XX.51, § 3, al. 2, 1°
Art. XX.51, § 3, al. 2, 1°
Toutefois, le notaire devra suspendre les
opérations
de
vente
si
les
conditions
cumulatives suivantes sont remplies:
Toutefois, le notaire devra suspendre les
opérations
de
vente
si
les
conditions
cumulatives suivantes sont remplies:
1° à la demande expresse du débiteur dans sa
requête, le tribunal prononce la suspension des
opérations de vente forcée, préalablement ou
conjointement
à
la
décision
prononçant
l’ouverture de la procédure, après avoir entendu
le juge délégué en son rapport, ainsi que les
créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le
créancier saisissant et le débiteur. La demande
en suspension de la vente n’a pas d’effet
suspensif. Les frais réels exposés par le notaire
dans le cadre de la vente forcée, entre sa
désignation et le dépôt de la requête, sont à
charge du débiteur;
1° à la demande expresse du débiteur dans sa
requête, le tribunal prononce la suspension des
opérations de vente forcée, préalablement ou
conjointement
à
la
décision
prononçant
l’ouverture de la procédure, après avoir entendu
le juge délégué en son rapport, ainsi que les
créanciers hypothécaires privilégiés inscrits, le
créancier saisissant et le débiteur inscrits, les
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les
créanciers enregistrés au Registre des gages, le
créancier saisissant et les créanciers qui ont fait
mention en marge d’une action intentée sur
base de l’article 5.243 du Code civil et le
débiteur. La demande en suspension de la vente
n’a pas d’effet suspensif. Les frais réels exposés
par le notaire dans le cadre de la vente forcée,
entre sa désignation et le dépôt de la requête,
sont à charge du débiteur;
Art. XX.88, § 2 et 3
Art. XX.88, § 2 et 3
§ 2. Lorsque la vente porte sur des immeubles et
que le praticien de la liquidation choisit d’y
procéder de gré à gré, il soumet au tribunal un
projet d’acte établi par un notaire qu’il désigne
et lui expose les motifs pour lesquels la vente de
gré à gré s’impose. Il y joint un rapport
d’expertise
ainsi
qu’un
certificat
de
l’Administration générale de la Documentation
patrimoniale, postérieur à l’ouverture de la
procédure de réorganisation, relatant les
inscriptions existantes et toute transcription de
§ 2. Lorsque la vente porte sur des immeubles et
que le praticien de la liquidation choisit d’y
procéder de gré à gré, il soumet au tribunal un
projet d’acte établi par un notaire qu’il désigne
et lui expose les motifs pour lesquels la vente de
gré à gré s’impose. Il y joint un rapport
d’expertise, établi par l’expert désigné par le
notaire ayant rédigé le projet d’acte, ainsi
qu’un certificat de l’Administration générale de
la Documentation patrimoniale, postérieur à
l’ouverture de la procédure de réorganisation,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
253
3552/001
DOC 55
commandements ou de saisies portant sur
lesdits immeubles. Le projet et ses annexes sont
déposés dans le registre.
relatant les inscriptions existantes et toute
transcription de commandements ou de saisies
portant sur lesdits immeubles. Le projet et ses
annexes sont déposés dans le registre.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux qui ont fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie, doivent
être appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Ils peuvent demander au tribunal
que l’autorisation de vendre soit subordonnée à
certaines conditions, telle que la fixation d’un
prix de vente minimum.
Les créanciers hypothécaires ou privilégiés
inscrits, ceux inscrits, les créanciers privilégiés
inscrits,
le
cas
échéant
les
créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
qui ont fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil, doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. Ils peuvent demander au tribunal
que l’autorisation de vendre soit subordonnée à
certaines conditions, telle que la fixation d’un
prix de vente minimum.
Dans tous les cas, la vente doit avoir lieu
conformément au projet admis par le tribunal et
par le ministère du notaire qui l’a rédigé.
Dans tous les cas, la vente doit avoir lieu
conformément au projet admis par le tribunal et
par le ministère du notaire qui l’a rédigé.
§ 3. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au débiteur et à d’autres personnes,
le tribunal peut, sur demande du praticien de la
liquidation, ordonner la vente des immeubles
indivis.
Les
créanciers
hypothécaires
ou
privilégiés inscrits, les créanciers ayant fait
transcrire un commandement ou un exploit de
saisie ainsi que le débiteur et les autres
copropriétaires doivent être appelés à la
procédure d’autorisation par pli judiciaire notifié
au moins huit jours avant l’audience. La vente se
fait dans ce cas à la requête du praticien de la
liquidation seul.
§ 3. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au débiteur et à d’autres personnes,
le tribunal peut, sur demande du praticien de la
liquidation, ordonner la vente des immeubles
indivis.
Les
créanciers
hypothécaires
ou
privilégiés inscrits inscrits, les créanciers
privilégiés inscrits, le cas échéant les créanciers
enregistrés au Registre des gages, les créanciers
ayant fait transcrire un commandement ou un
exploit de saisie et ceux qui ont fait mention en
marge d’une action intentée sur base de
l’article 5.243 du Code civil ainsi que le débiteur
et les autres copropriétaires doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. La vente se fait dans ce cas à la
requête du praticien de la liquidation seul.
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal peut autoriser celle-ci, sur demande
conjointe du praticien de la liquidation et des
autres copropriétaires, après avoir appelé les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
les
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal peut autoriser celle-ci, sur demande
conjointe du praticien de la liquidation et des
autres copropriétaires, après avoir appelé les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers ayant fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie et ceux
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
254
le débiteur par pli judiciaire notifié au moins huit
jours avant l’audience.
qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil
ainsi que le débiteur par pli judiciaire notifié au
moins huit jours avant l’audience.
Art. XX.120, § 1er, al. 4
Art. XX.120, § 1er, al. 4
Si l’intérêt de la masse l’exige, le juge-
commissaire peut, sur la demande du curateur,
et
après
avoir
appelé
les
créanciers
hypothécaires privilégiés inscrits ou enregistrés,
le créancier saisissant par pli judiciaire, notifié au
moins huit jours avant l’audience, autoriser la
remise ou l’abandon de la vente. Le curateur
doit immédiatement informer par écrit le
notaire chargé de vendre le bien, de sa demande
de remise ou abandon. Cette demande de
remise ou d’abandon de vente n’est plus
recevable à dater de la sommation faite au
débiteur saisi conformément à l’article 1582 du
Code judiciaire.
Si l’intérêt de la masse l’exige, le juge-
commissaire peut, sur la demande du curateur,
et
après
avoir
appelé
les
créanciers
hypothécaires
privilégiés
inscrits
ou
enregistrés, le créancier saisissant inscrits, les
créanciers privilégiés inscrits, le cas échéant les
créanciers enregistrés au Registre des gages, le
créancier saisissant et les créanciers qui ont fait
mention en marge d’une action intentée sur
base de l’article 5.243 du Code civil par pli
judiciaire, notifié au moins huit jours avant
l’audience, autoriser la remise ou l’abandon de
la vente. Le curateur doit immédiatement
informer par écrit le notaire chargé de vendre le
bien, de sa demande de remise ou abandon.
Cette demande de remise ou d’abandon de
vente n’est plus recevable à dater de la
sommation
faite
au
débiteur
saisi
conformément à l’article 1582 du Code
judiciaire.
Art. XX.193, § 2
Art. XX.193, § 2
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au failli et à d’autres personnes, le
tribunal peut, à la requête des curateurs,
ordonner la vente des immeubles indivis. Les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
les
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
le failli et les autres copropriétaires doivent être
appelés à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience. La vente se fait en ce cas à la requête
du curateur seul.
§ 2. Lorsque des immeubles appartiennent en
copropriété au failli et à d’autres personnes, le
tribunal peut, à la requête des curateurs,
ordonner la vente des immeubles indivis. Les
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers ayant fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil
ainsi que le failli et les autres copropriétaires
doivent
être
appelés
à
la
procédure
d’autorisation par pli judiciaire notifié au moins
huit jours avant l’audience. La vente se fait en ce
cas à la requête du curateur seul.
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal peut ordonner celle-ci, à la requête
conjointe
du
curateur
et
des
autres
copropriétaires,
après
avoir
appelé
les
En cas d’accord de tous les copropriétaires
quant à la vente de l’immeuble indivis, le
tribunal peut ordonner celle-ci, à la requête
conjointe
du
curateur
et
des
autres
copropriétaires,
après
avoir
appelé
les
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
255
3552/001
DOC 55
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
les
créanciers
ayant
fait
transcrire
un
commandement ou un exploit de saisie ainsi que
le failli à la procédure d’autorisation par pli
judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits,
inscrits, les créanciers privilégiés inscrits, le cas
échéant les créanciers enregistrés au Registre
des gages, les créanciers ayant fait transcrire un
commandement ou un exploit de saisie et ceux
qui ont fait mention en marge d’une action
intentée sur base de l’article 5.243 du Code civil
ainsi que le failli à la procédure d’autorisation
par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant
l’audience.
CHAPITRE 7 – Modification de la loi du 19 mars 2017 instituant un fonds budgétaire relatif à
l’aide juridique de deuxième ligne
Art. 5
Art. 5
§ 1er. La contribution visée à l’article 4 s’élève à
20 euros.
§ 1er. La contribution visée à l’article 4 s’élève à
20 euros.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est
liée à l’indice des prix à la consommation du
mois qui précède l’entrée en vigueur de la
présente disposition. La contribution est
majorée ou réduite de 10 pour cent chaque fois
que l’indice augmente ou diminue de dix points.
§ 2. La contribution visée au paragraphe 1er est
liée à l’indice des prix à la consommation du
mois qui précède l’entrée en vigueur de la
présente disposition. La contribution est
majorée ou réduite de 10 pour cent chaque fois
que l’indice augmente ou diminue de dix points.
Le nouveau montant de la contribution visée au
paragraphe 1er entre en vigueur le 1er jour
ouvrable du deuxième mois qui suit le
changement de l’indice des prix à la
consommation visé à l’alinéa 1er. Ce nouveau
montant est publié par avis au Moniteur belge
préalablement à son entrée en vigueur.
CHAPITRE 8 - Modification du Code civil
Art. 1.8, § 5
Art. 1.8, § 5
Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié.
CHAPITRE 9 – Modifications de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière
d’informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement
à la banque des actes notariés
Art. 36
Art. 36
A l’article 1675/6 du même Code, inséré par la
loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par
la loi du 6 mai 2010, les modifications suivantes
sont apportées:
A l’article 1675/6 du même Code, inséré par la
loi du 5 juillet 1998 et modifié en dernier lieu par
la loi du 6 mai 2010, les modifications suivantes
sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit: 1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
256
“§ 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet
effet, convoquer le requérant en chambre du
conseil.
“§ 1er. Le juge examine la demande. Il peut, à cet
effet, convoquer le requérant en chambre du
conseil.
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de
l’audition du requérant ou du dépôt de la
requête complétée conformément à l’article
1675/4, § 3, le juge statue sur l’admissibilité de
la demande.”;
Dans les huit jours du dépôt de la requête, de
l’audition du requérant ou du dépôt de la
requête complétée conformément à l’article
1675/4, § 3, le juge statue sur l’admissibilité de
la demande.”;
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
2° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit:
“Le greffe introduit sans délai la décision sur
l’admissibilité dans le registre visé à l’article
1675/20, et notifie cette décision aux greffes des
juridictions près lesquelles les procédures visées
à l’article 1675/5 sont pendantes.”
“Le greffe introduit sans délai la décision sur
l’admissibilité dans le registre visé à l’article
1675/20, et notifie cette décision aux greffes des
tribunaux et des cours près lesquelles les
procédures visées à l’article 1675/5 sont
pendantes.”
Art. 37
Art. 37
A l’article 1675/7 du même Code, inséré par la
loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 15
avril 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
A l’article 1675/7 du même Code, inséré par la
loi du 5 juillet 1998 et modifié par la loi du 15
avril 2018, les modifications suivantes sont
apportées:
1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé
comme suit:
1° il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé
comme suit:
“§ 2bis. La décision d’admissibilité emporte de
plein droit radiation des demandes introduites
sur la base des procédures visées à l’article
1675/5.”;
“§ 2bis. La décision d’admissibilité emporte de
plein droit radiation des demandes introduites
sur la base des procédures visées à l’article
1675/5.”;
2° dans le paragraphe 6, le mot “1390quinquies”
est remplacé par le mot “1390quater”.
2° dans le paragraphe 6, le mot “1390quinquies”
est remplacé par le mot “1390quater”.
Art. 39
Art. 39
Il est inséré un article 1675/8bis, rédigé comme
suit:
Il est inséré un article 1675/8bis, rédigé comme
suit:
“Art. 1675/8bis. En cas d’inadmissibilité, la
décision est notifiée par le greffier dans les trois
jours du prononcé au requérant et à son
conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le
texte de l’article 1675/16ter et, le cas échéant, à
son conseil.”
“Art. 1675/8bis. En cas d’inadmissibilité, la
décision est notifiée par le greffier dans les trois
jours du prononcé au requérant et à son
conjoint ou au cohabitant légal, en y joignant le
texte de l’article 1675/16ter et, le cas échéant, à
son conseil.”
Art. 45
Art. 45
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
257
3552/001
DOC 55
Dans le même Code, il est inséré un article
1675/15bis, rédigé comme suit:
Dans le même Code, il est inséré un article
1675/15bis, rédigé comme suit:
“Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute
communication ou tout dépôt prévu par le
présent titre et par l’article 20, § 2, de la loi de 5
juillet 1998 relative au règlement collectif de
dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des
biens immeubles saisis, s’effectue au moyen du
registre visé à l’article 1675/20 entre les
catégories de personnes suivantes:
“Art. 1675/15bis. § 1er. Toute notification, toute
communication ou tout dépôt prévu par le
présent titre et par l’article 20, § 2, de la loi de 5
juillet 1998 relative au règlement collectif de
dettes et à la possibilité de vente de gré à gré des
biens immeubles saisis, s’effectue au moyen du
registre visé à l’article 1675/20 entre les
catégories de personnes suivantes:
1° le tribunal, en ce compris le greffe;
1° le tribunal ou la cour, en ce compris leurs
greffes;
2° le médiateur de dettes;
2° le médiateur de dettes;
3° les avocats;
3° les avocats;
4° les tiers qui fournissent l’assistance judiciaire
à titre professionnel;
4° les tiers qui fournissent l’assistance judiciaire
à titre professionnel;
5° le SPF Economie;
5° le SPF Economie;
6° les personnes morales établies en Belgique;
6° les personnes morales établies en Belgique;
7° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le
registre, les personnes morales établies à
l’étranger;
7° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le
registre, les personnes morales établies à
l’étranger;
8° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le
registre, les personnes physiques, étant entendu
qu’elles disposent du droit de renoncer à leur
inscription au registre à tout moment.
8° pour autant qu’elles se soient inscrites dans le
registre, les personnes physiques, étant entendu
qu’elles disposent du droit de renoncer à leur
inscription au registre à tout moment.
A l’égard des personnes visées à l’alinéa 1er, 6°,
7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à
l’occasion d’une procédure antérieure mais qui
ne sont pas encore inscrites pour la procédure
concernée, le médiateur de dettes effectue la
première communication au moyen du registre
en demandant confirmation de cette inscription
dans les trois jours ouvrables. La confirmation
intervenue dans ce délai vaut inscription dans le
registre pour la procédure concernée. A défaut
de confirmation dans le délai, la communication
ou notification électronique est réputée non
avenue et le médiateur de dettes procède à la
communication
conformément
à
l’article
1675/16, § 4.
A l’égard des personnes visées à l’alinéa 1er, 6°,
7° et 8° qui ont été inscrites dans le registre à
l’occasion d’une procédure antérieure mais qui
ne sont pas encore inscrites pour la procédure
concernée, le médiateur de dettes effectue la
première communication au moyen du registre
en demandant confirmation de cette inscription
dans les trois jours ouvrables. La confirmation
intervenue dans ce délai vaut inscription dans le
registre pour la procédure concernée. A défaut
de confirmation dans le délai, la communication
ou notification électronique est réputée non
avenue et le médiateur de dettes procède à la
communication
conformément
à
l’article
1675/16, § 4.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
258
Toute communication, toute notification ou tout
dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2
est considéré comme non-avenu.
Toute communication, toute notification ou tout
dépôt intervenu en violation des alinéas 1 et 2
est considéré comme non-avenu.
Le texte du présent paragraphe est reproduit
dans toute communication ou notification
émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
Le texte du présent paragraphe est reproduit
dans toute communication ou notification
émanant du tribunal ou du médiateur de dettes.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent
sous format électronique, déclarent conformes
et chargent dans le registre visé à l’article
1675/20 les pièces en papier émises par eux et
les pièces qui leur sont communiquées ou
déposées par d’autres voies que le registre,
lorsque ces voies sont autorisées en vertu du
présent livre.”.
§ 2. Le greffier et le médiateur convertissent
sous format électronique, déclarent conformes
et chargent dans le registre visé à l’article
1675/20 les pièces en papier émises par eux et
les pièces qui leur sont communiquées ou
déposées par d’autres voies que le registre,
lorsque ces voies sont autorisées en vertu du
présent livre.”.
CHAPITRE 10 – Modification de la loi du 16 octobre 2022 visant la création du Registre central
pour les décisions de l’ordre judiciaire et relative à la publication des jugements et modifiant la
procédure d’assises relative à la récusation des jurés
Art. 19
Art. 19
L’obligation de conservation visée à l’article 782,
§ 3, du Code judiciaire, insérée par l’article 8, ne
vise que les jugements rendus à partir de la date
d’entrée en vigueur de l’article 8.
L’obligation de conservation visée à l’article 782,
§ 3, du Code judiciaire, insérée par l’article 8, ne
vise que les jugements rendus à partir de la date
d’entrée en vigueur de l’article 8.
L’obligation de conservation des jugements
pseudonymisés visés à l’article 782bis ou 1109
du Code judiciaire, ou à l’article 163, 176, 190,
209, 337 ou 346 du Code d’instruction
criminelle, tels que modifiés par la présente loi,
ou d’une décision judiciaire, ne vise que les
jugements rendus à partir de la date d’entrée en
vigueur du chapitre 2 et des articles 9, 10, 13 et
18, alinéa 2, de la présente loi.
L’obligation de conservation des jugements
pseudonymisés visés à l’article 782bis ou 1109
du Code judiciaire, ou à l’article 163, 176, 190,
209, 337 ou 346 du Code d’instruction
criminelle, tels que modifiés par la présente loi,
ou d’une décision judiciaire, ne vise que les
jugements rendus à partir de la date d’entrée en
vigueur du titre II, chapitre 1er et les articles 9,
10, 13 et 19, alinéa 2, de la présente loi.
Le Roi peut, après avis du gestionnaire du
Registre central et de l’Autorité de protection
des données, abroger l’alinéa 1er ou 2 pour une
ou plusieurs juridictions, ou pour un ou plusieurs
contentieux d’une ou de plusieurs juridictions,
délimités selon la matière ou la période
préalable à l’entrée en vigueur de la présente loi.
Le Roi peut, après avis du gestionnaire du
Registre central et de l’Autorité de protection
des données, abroger l’alinéa 1er ou 2 pour une
ou plusieurs juridictions, ou pour un ou plusieurs
contentieux d’une ou de plusieurs juridictions,
délimités selon la matière ou la période
préalable à l’entrée en vigueur de la présente loi.
CHAPITRE 11 – Modification de la loi du 22 novembre 2022 portant modification de la loi du 16
mars 1803 contenant organisation du notariat, introduisant un conseil de discipline pour les
notaires et les huissiers de justice dans le Code judiciaire et des dispositions diverses
Art. 83
Art. 83
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
259
3552/001
DOC 55
L’article 535 du même Code, remplacé par la loi
du 7 janvier 2014 est remplacé par ce qui suit:
L’article 535 du même Code, remplacé par la loi
du 7 janvier 2014 est remplacé par ce qui suit:
“Art. 535. L’auditorat établi auprès de la
Chambre nationale des huissiers de justice est
chargé d’examiner les plaintes introduites par
écrit et de manière motivée par un tiers ou un
membre
de
la
profession,
et
sur
les
dénonciations écrites. Une dénonciation écrite
peut être faite par le procureur du Roi, le
rapporteur d’une chambre d’arrondissement en
vertu d’une décision du conseil, ou le rapporteur
national en vertu d’une décision du comité de
direction.
“Art. 535. L’auditorat établi auprès de la
Chambre nationale des huissiers de justice est
chargé d’examiner les plaintes introduites par
écrit et de manière motivée par un tiers ou un
membre
de
la
profession,
et
sur
les
dénonciations écrites. Une dénonciation écrite
peut être faite par le procureur du Roi, le
rapporteur d’une chambre d’arrondissement en
vertu d’une décision du conseil, ou le rapporteur
national en vertu d’une décision du comité de
direction.
L’auditorat a également la compétence de
classer sans suite une plainte et de proposer une
transaction qui met fin à l’instruction.
L’auditorat a également la compétence de
classer sans suite une plainte et de proposer une
transaction qui met fin à l’instruction.
L’auditorat est compétent pour engager la
procédure disciplinaire auprès du conseil de
discipline tel que visé à l’article 555/5ter, § 1 en
vue de la condamnation à une peine
disciplinaire.
L’auditorat est compétent pour engager la
procédure disciplinaire auprès du conseil de
discipline tel que visé à l’article 555/5ter, § 1 en
vue de la condamnation à une peine
disciplinaire.
L’assemblée générale de la Chambre nationale
des huissiers de justice fixe le règlement d’ordre
intérieur de l’auditorat établi auprès de la
Chambre nationale des huissiers de justice. Ce
règlement contient des règles supplémentaires
concernant le remplacement des auditeurs, le
fonctionnement et l’organisation de l’auditorat
ainsi que les modalités de désignation de
l’auditeur pour chaque dossier. Pour être
obligatoire ce règlement d’ordre intérieur doit
être approuvé par le Roi. Il peut, le cas échéant,
y apporter des modifications.
L’assemblée générale de la Chambre nationale
des huissiers de justice fixe le règlement d’ordre
intérieur de l’auditorat établi auprès de la
Chambre nationale des huissiers de justice. Ce
règlement contient des règles supplémentaires
concernant le remplacement des auditeurs, le
fonctionnement et l’organisation de l’auditorat
ainsi que les modalités de désignation de
l’auditeur pour chaque dossier. Pour être
obligatoire ce règlement d’ordre intérieur doit
être approuvé par le Roi. Il peut, le cas échéant,
y apporter des modifications.
L’assemblée générale de la Chambre nationale
des huissiers de justice désigne le canal
numérique pour les notifications en matière
disciplinaire.
L’assemblée générale de la Chambre nationale
des huissiers de justice désigne le canal
numérique pour les notifications en matière
disciplinaire.
Ce canal numérique est accessible aux
personnes visées à l’article 555/3, alinéa 1 et 2,
à la chambre des notaires, à l’auditorat de la
Chambre nationale des notaires, au ministère
public, au Conseil de discipline tel que défini à
l’article 456 du Code judiciaire, à la Cour d’appel
et à la Cour de cassation. La durée de
conservation des données enregistrées est de
Ce canal numérique est accessible aux
personnes visées à l’article 555/3, alinéa 1 et 2,
à la chambre des notaires, à l’auditorat de la
Chambre nationale des notaires l’auditorat de la
Chambre nationale des huissiers de justice, au
ministère public, au Conseil de discipline tel que
défini à l’article 456 du Code judiciaire, à la Cour
d’appel et à la Cour de cassation. La durée de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
260
dix ans dans le chef du gestionnaire du canal
numérique. La durée de conservation est
prolongée, si nécessaire, jusqu’à ce que tous les
recours de toute procédure disciplinaire en
cours à laquelle les données se rapportent aient
été épuisés.
conservation des données enregistrées est de
dix ans dans le chef du gestionnaire du canal
numérique. La durée de conservation est
prolongée, si nécessaire, jusqu’à ce que tous les
recours de toute procédure disciplinaire en
cours à laquelle les données se rapportent aient
été épuisés.
Le canal numérique doit au moins remplir les
conditions de l’arrêté royal du 16 juin 2016
portant
création
de
la
communication
électronique conformément à l’article 32ter du
Code judiciaire, en ce qui concerne les
modalités, le mode et les conditions de création,
la gestion, l’organisation et la consultation.”.
Le canal numérique doit au moins remplir les
conditions de l’arrêté royal du 16 juin 2016
portant
création
de
la
communication
électronique conformément à l’article 32ter du
Code judiciaire, en ce qui concerne les
modalités, le mode et les conditions de création,
la gestion, l’organisation et la consultation.”.
Art. 103
Art. 103
Le texte néerlandais de cet article est aligné sur le texte français; ce dernier n’est pas modifié.
CHAPITRE 12 – Modification de la loi du 14 mars 2023 mettant en œuvre et complétant le
règlement (UE) 2020/1783 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à
la coopération entre les juridictions des Etats membres dans le domaine de l’obtention des
preuves en matière civile ou commerciale, et le règlement (UE) 2020/1784 du Parlement
européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les
États membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale
Art. 7
Art. 7
Nonobstant l’article 22, paragraphe 1er, du
règlement signification ou notification des actes,
les juges belges peuvent rendre une décision si
les conditions visées à l’article 22, paragraphe 2,
de ce règlement sont remplies.
Nonobstant l’article 22, paragraphe 1er, du
règlement signification ou notification des actes,
la juridiction peut rendre une décision si les
conditions visées à l’article 22, paragraphe 2, de
ce règlement sont remplies.
La demande d’octroi d’un nouveau délai pour
introduire un recours, visée à l’article 22,
paragraphe 4, du règlement visé à l’alinéa 1er,
doit être formée dans l’année suivant la date à
laquelle la décision a été rendue, sous peine
d’irrecevabilité.
La demande d’octroi d’un nouveau délai pour
introduire un recours, visée à l’article 22,
paragraphe 4, du règlement visé à l’alinéa 1er,
doit être formée dans l’année suivant la date à
laquelle la décision a été rendue, sous peine
d’irrecevabilité.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
261
3552/001
DOC 55
COÖRDINATIE VAN DE ARTIKELEN
Basistekst
Basistekst aangepast aan het wetsontwerp
HOOFDSTUK 1 – Algemene bepaling
HOOFDSTUK 1 – Algemene bepaling
…
…
HOOFDSTUK 2 – Wijzigingen van het oud
Burgerlijk Wetboek
HOOFDSTUK 2 – Wijzigingen van het oud
Burgerlijk Wetboek
Art. 51
Art. 51
De akte van erkenning vermeldt:
De akte van erkenning vermeldt:
1° de naam, de voornamen, de geboortedatum
en de geboorteplaats van het kind;
1° de naam, de voornamen, de geboortedatum
en de geboorteplaats van het kind;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum,
de geboorteplaats, en, in voorkomend geval
de overlijdensdatum en de overlijdensplaats
van de ouder ten aanzien van wie de
afstamming vaststond voor de erkenning;
2° de naam, de voornamen, de geboortedatum,
de geboorteplaats, en, in voorkomend geval
de overlijdensdatum en de overlijdensplaats
van de ouder ten aanzien van wie de
afstamming vaststond voor de erkenning;
3° de naam, de voornamen, de geboortedatum
en de geboorteplaats en de hoedanigheid
van de erkenner;
3° de naam, de voornamen, de geboortedatum
en de geboorteplaats en de hoedanigheid
van de erkenner;
4° in voorkomend geval, de toestemming van
de personen bedoeld in artikel 329bis of de
in kracht van gewijsde gegane rechterlijke
beslissing
waarin
de
vervangende
toestemming of de machtiging tot erkenning
werd vastgesteld, met vermelding van:
4° in voorkomend geval, de toestemming van
de personen bedoeld in artikel 329bis of de
in kracht van gewijsde gegane rechterlijke
beslissing
waarin
de
vervangende
toestemming of de machtiging tot erkenning
werd vastgesteld, met vermelding van:
a) de naam en de voornamen van de wettelijke
vertegenwoordiger van het kind indien deze
in de erkenning heeft toegestemd;
a) de naam en de voornamen van de wettelijke
vertegenwoordiger van het kind indien deze
in de erkenning heeft toegestemd;
b) de datum, plaats en autoriteit voor wie de
toestemming
werd
gegeven,
of
de
rechterlijke instantie, de datum en het
identificatienummer van de in kracht van
gewijsde gegane rechterlijke beslissing
waarin de vervangende toestemming of de
machtiging tot erkenning werd vastgesteld;
b) de datum, plaats en autoriteit voor wie de
toestemming
werd
gegeven,
of
de
rechterlijke instantie, de datum en het
identificatienummer van de in kracht van
gewijsde gegane rechterlijke beslissing
waarin de vervangende toestemming of de
machtiging tot erkenning werd vastgesteld;
5° in voorkomend geval, de nieuwe naam en de
verklaring van naamskeuze door de vader of
de meemoeder en de moeder;
5° in voorkomend geval, de nieuwe naam en de
verklaring van naamskeuze door de vader of
de meemoeder en de moeder;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
262
5°/1 in voorkomend geval, de nieuwe naam en
de verklaring van naamskeuze door het
meerderjarige kind;
6° in voorkomend geval, de nieuwe voornaam; 6° in voorkomend geval, de nieuwe voornaam;
7° in voorkomend geval, het feit dat de in
artikel 329bis, § 3, bedoelde personen niet
hebben toegestemd.
7° in voorkomend geval, het feit dat de in
artikel 329bis, § 3, bedoelde personen niet
hebben toegestemd.
Art. 63
Art. 63
De akte van naamsverandering vermeldt:
De akte van naamsverandering vermeldt:
1° in voorkomend geval, de datum van het
verzoek;
1° in voorkomend geval, de datum van het
verzoek;
2° de naam en de voornamen van de
betrokkene;
2° de naam en de voornamen van de
betrokkene;
3° de geboortedatum en geboorteplaats van
de betrokkene;
3° de geboortedatum en geboorteplaats van de
betrokkene;
4° de nieuwe naam van de betrokkene.
4° de nieuwe naam van de betrokkene.
5° in geval van toepassing van artikel
335sexies, § 2, het aktenummer van de akte
van erkenning die als basis heeft gediend
voor de opmaak van de akte van
naamsverandering.
Art. 313
Art. 313
§ 1. Indien de naam van de moeder niet in de
akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis
van zulk een akte, kan zij het kind erkennen
onder
de
bij
artikel
329bis
bepaalde
voorwaarden.
§ 1. Indien de naam van de moeder niet in de
akte van geboorte is vermeld of bij ontstentenis
van zulk een akte, kan zij het kind erkennen
onder
de
bij
artikel
329bis
bepaalde
voorwaarden.
§ 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk
indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader
een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de
familierechtbank geen ontheffing kan verlenen.
§ 2. De erkenning is evenwel niet ontvankelijk
indien daaruit blijkt dat tussen haar en de vader
een huwelijksbeletsel bestaat waarvan de
familierechtbank geen ontheffing kan verlenen.
§ 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind
erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet
de erkenning worden medegedeeld aan de
echtgenoot of de echtgenote.
§ 3. Indien de moeder gehuwd is en een kind
erkent dat tijdens het huwelijk geboren is, moet
de erkenning worden medegedeeld aan de
echtgenoot of de echtgenote.
Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch
ambtenaar van de burgerlijke stand, geeft deze
binnen drie dagen kennis van de akte; indien zij
Indien de akte is opgemaakt door een Belgisch
ambtenaar van de burgerlijke stand, geeft deze
binnen drie dagen kennis van de akte; indien zij
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
263
3552/001
DOC 55
niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar
van de burgerlijke stand, wordt de akte
betekend op verzoek van de moeder, het kind of
diens wettelijke vertegenwoordiger.
niet is opgemaakt door een Belgisch ambtenaar
van de burgerlijke stand, wordt de akte
betekend op verzoek van de moeder, het kind of
diens wettelijke vertegenwoordiger.
Totdat de kennisgeving of betekening heeft
plaatsgehad kan de erkenning niet worden
tegengeworpen (aan de echtgenoot of de
echtgenote), aan de kinderen geboren uit diens
huwelijk met degene die het kind erkent en aan
de kinderen die door de beide echtgenoten
geadopteerd zijn.
Totdat de kennisgeving of betekening heeft
plaatsgehad kan de erkenning niet worden
tegengeworpen (aan de echtgenoot of de
echtgenote), aan de kinderen geboren uit diens
huwelijk met degene die het kind erkent en aan
de kinderen die door de beide echtgenoten
geadopteerd zijn.
§ 4. Als de erkenning betrekking heeft op een
meerderjarig kind dat reeds nakomelingen
heeft
en
aanleiding
geeft
tot
diens
naamsverandering,
wordt
de
akte
medegedeeld
of
betekend
aan
de
afstammelingen in de eerste graad de de
leeftijd
van
12
jaar
bereikt
hebben
overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf
3, tweede lid.
Art. 319bis
Art. 319bis
Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent
dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de
echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van
de echtgenoot of van de echtgenote worden
gebracht.
Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent
dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de
echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van
de echtgenoot of van de echtgenote worden
gebracht.
Te dien einde, indien de akte van erkenning is
opgemaakt door een Belgische ambtenaar van
de burgerlijke stand, wordt binnen drie
dagen een afschrift van de akte door hem
verzonden bij een ter post aangetekende brief.
Indien de akte niet is opgemaakt door een
Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand,
wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op
verzoek van de vader, het kind of diens
wettelijke vertegenwoordiger.
Te dien einde, indien de akte van erkenning is
opgemaakt door een Belgische ambtenaar van
de burgerlijke stand, wordt binnen drie
dagen een afschrift van de akte door hem
verzonden bij een ter post aangetekende brief.
Indien de akte niet is opgemaakt door een
Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand,
wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op
verzoek van de vader, het kind of diens
wettelijke vertegenwoordiger.
Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan
de erkenning niet worden tegengeworpen aan
de echtgenoot of de echtgenote, aan de
kinderen geboren uit diens huwelijk met degene
die het kind erkent en aan de kinderen die door
de beide echtgenoten geadopteerd zijn.
Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan
de erkenning niet worden tegengeworpen aan
de echtgenoot of de echtgenote, aan de
kinderen geboren uit diens huwelijk met degene
die het kind erkent en aan de kinderen die door
de beide echtgenoten geadopteerd zijn.
Als de erkenning betrekking heeft op een
meerderjarig kind dat reeds nakomelingen
heeft
en
aanleiding
geeft
tot
diens
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
264
naamsverandering,
wordt
de
akte
medegedeeld
of
betekend
aan
de
afstammelingen in de eerste graad die de
leeftijd
van
12
jaar
bereikt
hebben
overeenkomstig de regels bedoeld in het
tweede lid.
Art. 325/6
Art. 325/6
Wanneer de meemoeder gehuwd is en een kind
erkent van een persoon van wie zij niet de
echtgenote is, moet die erkenning ter kennis van
de echtgenoot of van de echtgenote worden
gebracht.
Wanneer de meemoeder gehuwd is en een kind
erkent van een persoon van wie zij niet de
echtgenote is, moet die erkenning ter kennis van
de echtgenoot of van de echtgenote worden
gebracht.
Te dien einde, indien de akte van erkenning is
opgemaakt door een Belgische ambtenaar van
de burgerlijke stand, wordt binnen drie
dagen een afschrift van de akte door hem
verzonden bij een ter post aangetekende brief.
Indien de akte niet is opgemaakt door een
Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand,
wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op
verzoek van de meemoeder, het kind of diens
wettelijke vertegenwoordiger.
Te dien einde, indien de akte van erkenning is
opgemaakt door een Belgische ambtenaar van
de burgerlijke stand, wordt binnen drie
dagen een afschrift van de akte door hem
verzonden bij een ter post aangetekende brief.
Indien de akte niet is opgemaakt door een
Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand,
wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op
verzoek van de meemoeder, het kind of diens
wettelijke vertegenwoordiger.
Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan
de erkenning niet worden tegengeworpen aan
de echtgenoot of de echtgenote, aan de
kinderen geboren uit diens huwelijk met degene
die het kind erkent en aan de kinderen die door
de beide echtgenoten geadopteerd zijn.
Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan
de erkenning niet worden tegengeworpen aan
de echtgenoot of de echtgenote, aan de
kinderen geboren uit diens huwelijk met degene
die het kind erkent en aan de kinderen die door
de beide echtgenoten geadopteerd zijn.
Als de erkenning betrekking heeft op een
meerderjarig kind dat reeds nakomelingen
heeft
en
aanleiding
geeft
tot
diens
naamsverandering,
wordt
de
akte
medegedeeld
of
betekend
aan
de
afstammelingen in de eerste graad die de
leeftijd
van
12
jaar
bereikt
hebben
overeenkomstig de regels bedoeld in het
tweede lid.
Art. 327/2
Art. 327/2
§ 1. Bij ontvangst van de aangifte van een
erkenning gaat de ambtenaar van de burgerlijke
stand voor het kind na of de akte van geboorte
beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van
geboorte in België werd opgemaakt of in België
werd overgeschreven voor de inwerkingtreding
van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse
§ 1. Bij ontvangst van de aangifte van een
erkenning gaat de ambtenaar van de burgerlijke
stand voor het kind na of de akte van geboorte
beschikbaar is in de DABS. Indien de akte van
geboorte in België werd opgemaakt of in België
werd overgeschreven voor de inwerkingtreding
van de wet van 18 juni 2018 houdende diverse
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
265
3552/001
DOC 55
bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen
met het oog op de bevordering van alternatieve
vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de
ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte
heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname
van de akte in de DABS.
bepalingen inzake burgerlijk recht en bepalingen
met het oog op de bevordering van alternatieve
vormen van geschillenoplossing, verzoekt hij de
ambtenaar van de burgerlijke stand die de akte
heeft opgemaakt of overgeschreven tot opname
van de akte in de DABS.
Indien de akte van geboorte niet op deze wijze
beschikbaar is, legt de persoon die het kind wil
erkennen zelf een uittreksel van de akte van
geboorte voor.
Indien de akte van geboorte niet op deze wijze
beschikbaar is, legt de persoon die het kind wil
erkennen zelf een uittreksel van de akte van
geboorte voor.
Hij controleert de identiteit van de persoon die
het kind wil erkennen en, in voorkomend geval,
van de ouder ten aanzien van wie de afstamming
vaststaat, aan de hand van het identiteitsbewijs
zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991
betreffende
de
bevolkingsregisters,
de
identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en
de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de
wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een
Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat
na of deze personen ingeschreven zijn in het
bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
Hij controleert de identiteit van de persoon die
het kind wil erkennen en, in voorkomend geval,
van de ouder ten aanzien van wie de afstamming
vaststaat, aan de hand van het identiteitsbewijs
zoals bedoeld in de wet van 19 juli 1991
betreffende
de
bevolkingsregisters,
de
identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en
de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de
wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een
Rijksregister van de natuurlijke personen en gaat
na of deze personen ingeschreven zijn in het
bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister.
§ 2. De persoon die het kind wil erkennen voegt
bij de aangifte de volgende documenten:
§ 2. De persoon die het kind wil erkennen voegt
bij de aangifte de volgende documenten:
1° voor zover deze persoon niet beschikt over
een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1,
een ander bewijs van identiteit;
1° voor zover deze persoon niet beschikt over
een identiteitsbewijs bedoeld in paragraaf 1,
een ander bewijs van identiteit;
2° in voorkomend geval, een bewijs van zijn
actuele verblijfplaats of, in voorkomend
geval, van de persoon die voorafgaande
toestemming moet geven of van het kind;
2° in voorkomend geval, een bewijs van zijn
actuele verblijfplaats of, in voorkomend
geval, van de persoon die voorafgaande
toestemming moet geven of van het kind;
3° in voorkomend geval, een authentieke akte
waaruit de toestemming blijkt van de
persoon die zijn voorafgaande toestemming
in de erkenning moet geven;
3° in voorkomend geval, een authentieke akte
waaruit de toestemming blijkt van de
persoon die zijn voorafgaande toestemming
in de erkenning moet geven;
3°/1 in voorkomend geval, de verklaring van
naamskeuze op basis van artikel 335, §3,
eerste lid, of in artikel 335ter, §2, eerste lid,
en de toestemming van het minderjarig
kind indien het de leeftijd van 12 jaar heeft
bereikt;
4° in geval van een erkenning voor de
geboorte, een attest van een arts of een
vroedvrouw dat de zwangerschap bevestigt
4° in geval van een erkenning voor de
geboorte, een attest van een arts of een
vroedvrouw dat de zwangerschap bevestigt
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
266
en
de
vermoedelijke
bevallingsdatum
aangeeft;
en
de
vermoedelijke
bevallingsdatum
aangeeft;
5° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt
dat in hoofde van de betrokkene is voldaan
aan de door de wet gestelde voorwaarden
om een kind te erkennen.
5° ieder ander authentiek stuk waaruit blijkt
dat in hoofde van de betrokkene is voldaan
aan de door de wet gestelde voorwaarden
om een kind te erkennen.
§ 3. De persoon die het kind wil erkennen en die
niet is ingeschreven in het bevolkings- of
vreemdelingenregister, voegt bovendien de
volgende documenten bij de aangifte:
§ 3. De persoon die het kind wil erkennen en die
niet is ingeschreven in het bevolkings- of
vreemdelingenregister, voegt bovendien de
volgende documenten bij de aangifte:
1° een bewijs van nationaliteit van hem en, in
voorkomend geval, van de ouder ten
aanzien van wie de afstamming vaststaat;
1° een bewijs van nationaliteit van hem en, in
voorkomend geval, van de ouder ten
aanzien van wie de afstamming vaststaat;
2° een bewijs van de ongehuwde staat of van
de ontbinding of nietigverklaring van het
laatste voor een Belgisch ambtenaar van de
burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in
voorkomend geval een bewijs van de
ontbinding of de nietigverklaring van de
huwelijken gesloten voor een buitenlandse
overheid, tenzij ze een voor een Belgisch
ambtenaar
van
de
burgerlijke
stand
voltrokken huwelijk voorafgaan, indien het
krachtens artikel 62 van het Wetboek van
Internationaal
Privaatrecht
toepasselijk
recht, bepaalt dat een gehuwd persoon
geen kind kan erkennen bij een ander
persoon dan zijn echtgenoot of echtgenote;
2° een bewijs van de ongehuwde staat of van
de ontbinding of nietigverklaring van het
laatste voor een Belgisch ambtenaar van de
burgerlijke stand voltrokken huwelijk en in
voorkomend geval een bewijs van de
ontbinding of de nietigverklaring van de
huwelijken gesloten voor een buitenlandse
overheid, tenzij ze een voor een Belgisch
ambtenaar
van
de
burgerlijke
stand
voltrokken huwelijk voorafgaan, indien het
krachtens artikel 62 van het Wetboek van
Internationaal
Privaatrecht
toepasselijk
recht, bepaalt dat een gehuwd persoon geen
kind kan erkennen bij een ander persoon
dan zijn echtgenoot of echtgenote;
3° in voorkomend geval, een bewijs van de
ongehuwde staat of van de ontbinding of
nietigverklaring van het laatste voor een
Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand
voltrokken huwelijk en in voorkomend geval
een bewijs van de ontbinding of de
nietigverklaring van de huwelijken gesloten
voor een buitenlandse overheid, tenzij ze
een voor een Belgisch ambtenaar van de
burgerlijke
stand
voltrokken
huwelijk
voorafgaan, van de moeder ingeval van een
erkenning voor de geboorte of in de akte van
geboorte.
3° in voorkomend geval, een bewijs van de
ongehuwde staat of van de ontbinding of
nietigverklaring van het laatste voor een
Belgisch ambtenaar van de burgerlijke stand
voltrokken huwelijk en in voorkomend geval
een bewijs van de ontbinding of de
nietigverklaring van de huwelijken gesloten
voor een buitenlandse overheid, tenzij ze
een voor een Belgisch ambtenaar van de
burgerlijke
stand
voltrokken
huwelijk
voorafgaan, van de moeder ingeval van een
erkenning voor de geboorte of in de akte van
geboorte.
§ 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1°,
en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS
opgenomen.
§ 4. De documenten bedoeld in paragraaf 2, 1°,
en paragraaf 3, 1°, worden als bijlage in de DABS
opgenomen.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
267
3552/001
DOC 55
§ 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke
stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al
deze documenten beschikt, levert hij een
ontvangstbewijs af van de aangifte..
§ 5. Indien de ambtenaar van de burgerlijke
stand op basis van de paragrafen 1 tot 3 over al
deze documenten beschikt, levert hij een
ontvangstbewijs af van de aangifte..
§ 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht
kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een
afschrift van de desbetreffende akten van de
burgerlijke
stand
opvragen,
en
de
belanghebbende verzoeken om ieder ander
bewijs tot staving van die gegevens over te
leggen.
§ 6. Indien hij zich onvoldoende ingelicht acht
kan de ambtenaar van de burgerlijke stand een
afschrift van de desbetreffende akten van de
burgerlijke
stand
opvragen,
en
de
belanghebbende verzoeken om ieder ander
bewijs tot staving van die gegevens over te
leggen.
§ 7. Indien de overgelegde documenten in een
vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar
van de burgerlijke stand om een voor
eensluidend
verklaarde
vertaling
ervan
verzoeken.
§ 7. Indien de overgelegde documenten in een
vreemde taal zijn opgemaakt, kan de ambtenaar
van de burgerlijke stand om een voor
eensluidend
verklaarde
vertaling
ervan
verzoeken.
§ 8. De artikelen 164/3 tot 164/7 zijn naar
analogie van toepassing.
§ 8. De artikelen 164/3 tot 164/7 zijn naar
analogie van toepassing.
In afwijking van artikel 164/5 maakt de
vrederechter
de
akte
van
bekendheid
onmiddellijk over aan de familierechtbank van
de plaats van de aangifte van de erkenning.
In afwijking van artikel 164/5 maakt de
vrederechter
de
akte
van
bekendheid
onmiddellijk over aan de familierechtbank van
de plaats van de aangifte van de erkenning.
Art. 333
Art. 333
§ 1. Elk exploot van betekening van een vonnis
of arrest waarbij een vordering betreffende de
afstamming
wordt
toegewezen,
wordt
onmiddellijk
door
de
instrumenterende
gerechtsdeurwaarder in afschrift meegedeeld
aan het openbaar ministerie en de griffier van
het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
§ 1. Elk exploot van betekening van een vonnis
of arrest waarbij een vordering betreffende de
afstamming
wordt
toegewezen,
wordt
onmiddellijk
door
de
instrumenterende
gerechtsdeurwaarder in afschrift meegedeeld
aan het openbaar ministerie en de griffier van
het gerecht dat de beslissing heeft uitgesproken.
Na het verstrijken van de termijn van hoger
beroep of van voorziening in cassatie of, in
voorkomend geval, na de uitspraak van het
arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen,
stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig
voor de opmaak van de gewijzigde akte van de
burgerlijke stand ingevolge een rechterlijke
beslissing waarbij een vordering betreffende de
afstamming wordt toegewezen via de DABS naar
de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand.
Na het verstrijken van de termijn van hoger
beroep of van voorziening in cassatie of, in
voorkomend geval, na de uitspraak van het
arrest waarbij de voorziening wordt afgewezen,
stuurt de griffier onmiddellijk de gegevens nodig
voor de opmaak van de gewijzigde akte van de
burgerlijke stand ingevolge een rechterlijke
beslissing waarbij een vordering betreffende de
afstamming wordt toegewezen via de DABS naar
de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
268
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand wijzigt de akten van de burgerlijke stand
van het kind en van zijn afstammelingen.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand wijzigt de akten van de burgerlijke stand
van het kind en van zijn afstammelingen.
§ 3. Als de beslissing aanleiding geeft tot de
naamsverandering van een meerderjarig kind
dat reeds nakomelingen heeft, brengt de
griffier het beschikkend gedeelte van het
vonnis bij gerechtsbrief ter kennis van de
afstammelingen in de eerste graad die de
leeftijd van 12 jaar bereikt hebben.
Art. 335
Art. 335
§ 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde
en afstamming van moederszijde tegelijkertijd
komen vast te staan draagt ofwel de naam van
zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel
één die samengesteld is uit hun twee namen, in
de door hen gekozen volgorde met niet meer
dan één naam voor elk van hen.
§ 1. Het kind wiens afstamming van vaderszijde
en afstamming van moederszijde tegelijkertijd
komen vast te staan draagt ofwel de naam van
zijn vader, ofwel de naam van zijn moeder, ofwel
één die samengesteld is uit hun twee namen, in
de door hen gekozen volgorde met niet meer
dan één naam voor elk van hen.
De ouders kiezen de naam van het kind op het
ogenblik van de aangifte van de geboorte. De
ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte
van deze keuze. In geval van onenigheid of bij
afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam
van de vader. In geval van onenigheid draagt het
kind de naam van de vader en de naam van de
moeder naast elkaar in alfabetische volgorde
met niet meer dan één naam voor elk van hen.
Wanneer de vader en de moeder, of een van
hen, een dubbele naam dragen, kiest de
betrokkene het deel van de naam dat aan het
kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van
keuze wordt het deel van de dubbele naam dat
wordt doorgegeven bepaald op basis van de
alfabetische volgorde.
De ouders kiezen de naam van het kind op het
ogenblik van de aangifte van de geboorte. De
ambtenaar van de burgerlijke stand neemt akte
van deze keuze. In geval van onenigheid of bij
afwezigheid van keuze, draagt het kind de naam
van de vader. In geval van onenigheid draagt het
kind de naam van de vader en de naam van de
moeder naast elkaar in alfabetische volgorde
met niet meer dan één naam voor elk van hen.
Wanneer de vader en de moeder, of een van
hen, een dubbele naam dragen, kiest de
betrokkene het deel van de naam dat aan het
kind wordt doorgegeven. Bij afwezigheid van
keuze wordt het deel van de dubbele naam dat
wordt doorgegeven bepaald op basis van de
alfabetische volgorde.
De weigering om een keuze te maken wordt
beschouwd als een geval van onenigheid.
De weigering om een keuze te maken wordt
beschouwd als een geval van onenigheid.
Indien de ouders samen de geboorte van het
kind aangeven, stelt de ambtenaar van de
burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede
lid, de door de ouders gekozen naam of de
onenigheid tussen de ouders, vast.
Indien de ouders samen de geboorte van het
kind aangeven, stelt de ambtenaar van de
burgerlijke stand, overeenkomstig het tweede
lid, de door de ouders gekozen naam of de
onenigheid tussen de ouders, vast.
Indien een ouder alleen de geboorte van het
kind aangeeft, geeft deze de door de ouders
gekozen naam of de onenigheid tussen de
Indien een ouder alleen de geboorte van het
kind aangeeft, geeft deze de door de ouders
gekozen naam of de onenigheid tussen de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
269
3552/001
DOC 55
ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand aan.
ouders aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand aan.
§ 2. Het kind wiens afstamming alleen van
moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn
moeder.
§ 2. Het kind wiens afstamming alleen van
moederszijde vaststaat, draagt de naam van zijn
moeder.
Het
kind
wiens
afstamming
alleen
van
vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn
vader.
Het
kind
wiens
afstamming
alleen
van
vaderszijde vaststaat, draagt de naam van zijn
vader.
In geval van een rechtsvordering die aanleiding
geeft tot de vaststelling of het handhaven van
deze enige afstammingsband, wordt de naam
bepaald overeenkomstig het eerste en het
tweede lid.
§ 3. Indien de afstamming van vaderszijde komt
vast
te
staan
na
de
afstamming
van
moederszijde, blijft de naam van het kind
onveranderd.
Hetzelfde
geldt
indien
de
afstamming van moederszijde komt vast te
staan na de afstamming van vaderszijde.
§ 3.
Evenwel kunnen de ouders samen, of kan een
van hen indien de andere overleden is, in een
door de ambtenaar van de burgerlijke stand
opgemaakte akte verklaren dat het kind ofwel
de naam van de persoon ten aanzien van wie de
afstamming als tweede komt vast te staan zal
dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun
twee namen, in de door hen gekozen volgorde
met niet meer dan één naam voor elk van hen.
Indien de afstamming van vaderszijde of van
moederszijde
wordt
vastgesteld
na
de
vaststelling van de afstamming ten aanzien van
de andere ouder, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoel in
paragraaf 1 op het ogenblik van de aangifte van
erkenning.
Deze verklaring wordt afgelegd binnen een
termijn van één jaar te rekenen van de dag van
de erkenning of van de dag waarop een
beslissing die de afstamming van vaderszijde of
van moederszijde vaststelt in kracht van
gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid
of de ontvoogding van het kind. De termijn van
één jaar begint te lopen op de dag die volgt op
de in de artikelen 313, § 3, tweede lid, 319bis,
tweede lid, of 322, tweede lid, bedoelde
kennisgeving of betekening.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding
geeft tot de vaststelling van een tweede
afstammingsband of de vervanging van een van
deze banden, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld
in paragraaf 1 of in artikel 335ter, §1.
Bij wijziging van de afstamming van vaderszijde
of van moederszijde tijdens de minderjarigheid
van het kind als gevolg van een vordering tot
betwisting van de afstamming op grond van de
artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3 en
4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam
Opgeheven.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
270
van het kind die in voorkomend geval door de
ouders is gekozen, met inachtneming van de in
§ 1 of artikel 335ter bedoelde regels.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand maakt de akte van verklaring van
naamskeuze op ten gevolge van de in het
tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze
met de akte van geboorte van het kind en met
de akten van de burgerlijke stand waarop ze
betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte
van het kind en de akten van de burgerlijke
stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge
van het in het vierde lid bedoelde vonnis.
Opgeheven.
§ 4. Indien de afstamming van een kind wordt
gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd
heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming
geen verandering aan zijn naam aangebracht.
§ 4. In alle gevallen waarin de afstamming van
een kind wordt gewijzigd wanneer het de
leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er
zonder zijn instemming geen verandering aan
zijn naam aangebracht.
Bij
vaststelling
van
een
nieuwe
afstammingsband van een meerderjarig kind
van vaderszijde, van moederszijde of van
meemoederszijde als gevolg van een vordering
tot betwisting van de afstamming op grond van
de artikelen 312, § 2, 318, §§ 5 en 6, of 330, §§ 3
en 4, neemt de rechter akte van de nieuwe naam
van het kind die laatstgenoemde heeft gekozen
in voorkomend geval met inachtneming van de
in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1, vervatte
regels.
Wanneer
een
keuze
mogelijk
is
overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf
1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt
de keuze uitgeoefend door deze laatste.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand wijzigt de akte van geboorte van het kind
en de akten van de burgerlijke stand waarop het
vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in
het tweede lid bedoelde vonnis.
Opgeheven.
§ 5. In geval van wijziging van de afstamming
ingevolge een rechtsvordering die aanleiding
geeft tot een verandering van naam, wijzigt de
ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van
geboorte van het kind en de akten van de
burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft,
alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn
afstammelingen in de eerste graad.
Art. 335ter
Art. 335ter
§
1.
Het
kind
wiens
afstamming
van
moederszijde
en
afstamming
van
§
1.
Het
kind
wiens
afstamming
van
moederszijde
en
afstamming
van
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
271
3552/001
DOC 55
meemoederszijde tegelijkertijd komen vast te
staan draagt ofwel de naam van zijn moeder,
ofwel de naam van zijn meemoeder, ofwel één
die samengesteld is uit hun twee namen, in de
door hen gekozen volgorde met niet meer dan
één naam voor elk van hen.
meemoederszijde tegelijkertijd komen vast te
staan draagt ofwel de naam van zijn moeder,
ofwel de naam van zijn meemoeder, ofwel één
die samengesteld is uit hun twee namen, in de
door hen gekozen volgorde met niet meer dan
één naam voor elk van hen.
De moeder en de meemoeder kiezen de naam
van het kind op het ogenblik van de aangifte van
de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke
stand neemt akte van deze keuze. In geval van
onenigheid draagt het kind de naam van de
moeder en de naam van de meemoeder naast
elkaar in alfabetische volgorde met niet meer
dan één naam voor elk van hen. Wanneer de
moeder en de meemoeder, of een van hen, een
dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het
deel van de naam dat aan het kind wordt
doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt
het deel van de dubbele naam dat wordt
doorgegeven
bepaald
op
basis
van
de
alfabetische volgorde.
De moeder en de meemoeder kiezen de naam
van het kind op het ogenblik van de aangifte van
de geboorte. De ambtenaar van de burgerlijke
stand neemt akte van deze keuze. In geval van
onenigheid draagt het kind de naam van de
moeder en de naam van de meemoeder naast
elkaar in alfabetische volgorde met niet meer
dan één naam voor elk van hen. Wanneer de
moeder en de meemoeder, of een van hen, een
dubbele naam dragen, kiest de betrokkene het
deel van de naam dat aan het kind wordt
doorgegeven. Bij afwezigheid van keuze wordt
het deel van de dubbele naam dat wordt
doorgegeven
bepaald
op
basis
van
de
alfabetische volgorde.
De weigering om een keuze te maken wordt
beschouwd als een geval van onenigheid.
De weigering om een keuze te maken wordt
beschouwd als een geval van onenigheid.
Indien de moeder en de meemoeder samen de
geboorte van het kind aangeven, stelt de
ambtenaar
van
de
burgerlijke
stand,
overeenkomstig het tweede lid, de door de
ouders gekozen naam of de onenigheid tussen
de ouders, vast.
Indien de moeder en de meemoeder samen de
geboorte van het kind aangeven, stelt de
ambtenaar
van
de
burgerlijke
stand,
overeenkomstig het tweede lid, de door de
ouders gekozen naam of de onenigheid tussen
de ouders, vast.
Indien de moeder of de meemoeder alleen de
geboorte van het kind aangeeft, geeft zij de door
de ouders gekozen naam of de onenigheid
tussen de ouders, aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand aan.
Indien de moeder of de meemoeder alleen de
geboorte van het kind aangeeft, geeft zij de door
de ouders gekozen naam of de onenigheid
tussen de ouders, aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand aan.
§ 2. Indien de afstamming van meemoederszijde
komt vast te staan na de afstamming van
moederszijde, blijft de naam van het kind
onveranderd.
§ 2.
Evenwel kunnen de moeder en meemoeder
samen, of kan een van hen indien de andere
overleden is, in een door de ambtenaar van de
burgerlijke stand opgemaakte akte verklaren dat
het kind ofwel de naam van de meemoeder zal
dragen, ofwel één die samengesteld is uit hun
Indien de afstamming ten aanzien van de
meemoeder door erkenning wordt vastgesteld
na de vaststelling van de afstamming ten
aanzien van de andere ouder, wordt de naam
van het kind vastgesteld overeenkomstig de
regels bedoeld in paragraaf 1 op het ogenblik
van de aangifte van erkenning.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
272
twee namen, in de door hen gekozen volgorde
met niet meer dan één naam voor elk van hen.
Deze verklaring wordt afgelegd binnen een
termijn van één jaar te rekenen van de dag van
de erkenning of van de dag waarop een
beslissing
die
de
afstamming
van
meemoederszijde vaststelt in kracht van
gewijsde is gegaan, en voor de meerderjarigheid
of de ontvoogding van het kind. De termijn van
één jaar begint te lopen op de dag die volgt op
de in de artikelen 325/6, tweede lid, en 325/8,
tweede
lid,
bedoelde
kennisgeving
of
betekening.
Ingeval van een rechtsvordering die aanleiding
geeft tot de vaststelling van een tweede
afstammingsband of de vervanging van een van
deze banden, wordt de naam van het kind
vastgesteld overeenkomstig de regels bedoeld
in paragraaf 1 of in artikel 335ter, § 1.
Bij
wijziging
van
de
afstamming
van
meemoederszijde of van moederszijde tijdens
de minderjarigheid van het kind als gevolg van
een vordering tot betwisting van de afstamming
op grond van de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4
en 5, 325/7, §§ 3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt
de rechter akte van de nieuwe naam van het
kind die in voorkomend geval is gekozen door de
ouders met inachtneming van de in paragraaf 1
of in artikel 335, § 1, vervatte regels.
Opgeheven.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand maakt de akte van verklaring van
naamskeuze op ten gevolge van de in het
tweede lid bedoelde verklaring en verbindt deze
met de akte van geboorte van het kind en met
de akten van de burgerlijke stand waarop ze
betrekking heeft of wijzigt de akte van geboorte
van het kind en de akten van de burgerlijke
stand waarop ze betrekking heeft ten gevolge
van het in het vierde lid bedoelde vonnis.
Opgeheven.
§ 3. Indien de afstamming van een kind wordt
gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd
heeft bereikt, wordt er zonder zijn instemming
geen verandering aan zijn naam aangebracht.
§ 3. In alle gevallen waarin de afstamming van
een kind wordt gewijzigd wanneer het de
leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, wordt er
zonder zijn instemming geen verandering aan
zijn naam aangebracht.
Bij
vaststelling
van
een
nieuwe
afstammingsband van een meerderjarig kind
van vaderszijde, van moederszijde of van
meemoederszijde als gevolg van een vordering
tot betwisting van de afstamming op grond van
de artikelen 312, § 2, 325/3, §§ 4 en 5, 325/7, §§
3 en 4, of 330, §§ 3 en 4, neemt de rechter akte
van de nieuwe naam van het kind die
laatstgenoemde in voorkomend geval heeft
Wanneer
een
keuze
mogelijk
is
overeenkomstig de regels bedoeld in paragraaf
1 ten aanzien van een meerderjarig kind, wordt
de keuze uitgeoefend door deze laatste.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
273
3552/001
DOC 55
gekozen met inachtneming van de in paragraaf
1 of in artikel 335, § 1, vervatte regels.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke
stand wijzigt de akte van geboorte van het kind
en de akten van de burgerlijke stand waarop het
vonnis betrekking heeft, ten gevolge van het in
het tweede lid bedoelde vonnis.
Opgeheven.
§ 4. De overeenkomstig de paragrafen 1 en 2,
bepaalde naam geldt ook voor de andere
kinderen wier afstamming later ten aanzien van
dezelfde moeder en meemoeder komt vast te
staan.
§ 4. De overeenkomstig de paragrafen 1 en 2,
bepaalde naam geldt ook voor de andere
kinderen wier afstamming later ten aanzien van
dezelfde moeder en meemoeder komt vast te
staan.
§ 5. In geval van wijziging van de afstamming
ingevolge een rechtsvordering die aanleiding
geeft tot een verandering van naam, wijzigt de
ambtenaar van de burgerlijke stand de akte van
geboorte van het kind en de akten van de
burgerlijke stand waarop ze betrekking heeft,
alsook, in voorkomend geval, de akten van zijn
afstammelingen in de eerste graad.
Art. 335quinquies
Art. 335quinquies
Art. 335quinquies. De rechter neemt in zijn
vonnis akte van de gekozen of door de wet
vastgestelde naam van het kind in alle gevallen
van wijziging van de afstamming ingevolge een
rechtsvordering die aanleiding geeft tot een
verandering van naam.
Art. 335sexies
Art. 335sexies
Art. 335sexies. § 1. De naam van de ouder die is
gekozen of vastgelegd ter gelegenheid van een
verandering van afstamming overeenkomstig
de artikelen 335, §§ 2 tot 4, en 335ter, §§ 2 en
3, geldt ook geheel of ten dele voor de
afstammelingen in de eerste graad die zijn
geboren voor deze verandering, indien het de
naam van die ouder is die hun werd toegekend
of die een deel van de dubbele naam die hun
werd gegeven vormt.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt die
naam enkel aan het kind dat de leeftijd van 12
jaar heeft bereikt, toegekend met diens
instemming. Op verzoek van het kind, in
voorkomend geval bijgestaan door zijn ouders
of zijn wettelijke vertegenwoordiger indien het
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
274
een niet-ontvoogde minderjarige betreft,
maakt de bevoegde ambtenaar van de
burgerlijke stand daarvan een akte van
naamsverandering op, en verbindt deze met de
akten van de burgerlijke stand die daarop
betrekking
hebben.
Het
verzoek
wordt
ingediend in het jaar dat volgt op de dag
waarop de beslissing inzake de afstamming van
de ouder of de akte van erkenning hem werd
medegedeeld of betekend.
Art. 338, § 1
Art. 338, § 1
§ 1. De eiser biedt de familierechtbank een
verzoekschrift aan, bevattende een beknopte
opgave van de feiten en vergezeld van de
bewijsstukken, zo die er zijn.
In voorkomend geval verwijst de rechtbank de
vordering naar de kamer voor minnelijke
schikking, overeenkomstig artikel 1253ter/1, § 3,
tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 1. De eiser biedt de familierechtbank een
verzoekschrift aan, bevattende een beknopte
opgave van de feiten en vergezeld van de
bewijsstukken, zo die er zijn.
In voorkomend geval verwijst de rechtbank de
vordering naar de kamer voor minnelijke
schikking, overeenkomstig artikel 734/1, § 2,
van het Gerechtelijk Wetboek.
Art. 359-2
Art. 359-2
Wanneer de adoptie van een kind die in het
buitenland heeft plaatsgevonden en in België is
erkend, de bestaande band van afstamming niet
verbreekt, kan zij in België in een volle adoptie
worden omgezet indien de toestemmingen
bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c), zijn gegeven
of worden gegeven met het oog op een adoptie
met dergelijke gevolgen.
Wanneer de adoptie van een kind die in het
buitenland heeft plaatsgevonden en in België is
erkend, de bestaande band van afstamming niet
verbreekt, kan zij in België in een volle adoptie
worden omgezet indien de toestemmingen
bedoeld in artikel 361-4, 1°, b) en c), zijn gegeven
of worden gegeven met het oog op een adoptie
met dergelijke gevolgen.
Wanneer de oorspronkelijke afstamming van
het kind niet vaststaat of wanneer de vader en
de moeder van het kind, of de enige ouder ten
aanzien van wie de afstamming vaststaat,
overleden zijn, vermoedelijk afwezig zijn, geen
gekende verblijfplaats hebben of in de
onmogelijkheid verkeren om hun wil te kennen
te geven of wilsonbekwaam zijn en het kind
geen wettelijke vertegenwoordiger heeft in de
Staat van herkomst, wordt in afwijking van
artikel 361-4, 1° c), de toestemming tot de
omzetting in volle adoptie gegeven door een
voogd ad hoc aangewezen door de rechtbank
op verzoek van iedere betrokken persoon of
van de procureur des Konings.
Art. 499/19
Art. 499/19
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
275
3552/001
DOC 55
§ 1. De opdracht van de bewindvoerder eindigt
op het tijdstip van het overlijden van de
beschermde persoon.
§ 1. De opdracht van de bewindvoerder eindigt
op het tijdstip van het overlijden van de
beschermde persoon.
§ 2. Indien de beschermde persoon tijdens de
duur van het bewind overlijdt, kan de
vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de
bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of
van elke belanghebbende evenals van de
procureur des Konings, in afwijking van
paragraaf 1, de bewindvoerder over de
goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die
zich bij deze bewindvoerder hebben aangemeld,
machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot
uiterlijk zes maanden na dit overlijden.
§ 2. Indien de beschermde persoon tijdens de
duur van het bewind overlijdt, kan de
vrederechter, ambtshalve of op verzoek van de
bewindvoerder, van de vertrouwenspersoon of
van elke belanghebbende evenals van de
procureur des Konings, in afwijking van
paragraaf 1, de bewindvoerder over de
goederen, bij afwezigheid van erfgenamen die
zich bij deze bewindvoerder hebben aangemeld,
machtigen om diens opdracht uit te oefenen tot
uiterlijk zes maanden na dit overlijden.
In dat geval zijn de bevoegdheden van de
bewindvoerder beperkt:
In dat geval zijn de bevoegdheden van de
bewindvoerder beperkt:
1° tot de eventuele teruggave van een goed dat
de beschermde persoon als hoofdverblijfplaats
had gehuurd, met inbegrip van het recht om te
beschikken over de huurwaarborg;
1° tot de eventuele teruggave van een goed dat
de beschermde persoon als hoofdverblijfplaats
had gehuurd, met inbegrip van het recht om te
beschikken over de huurwaarborg;
2° voor zover dat ze het overlijden van de
beschermde persoon voorafgaan, tot de
betaling bij voorafneming op de tegoeden van
de nalatenschap:
2° tot de betaling bij voorafneming op de
tegoeden van de nalatenschap:
a) de bezoldigingen en vergoedingen bedoeld in
artikel 497/5;
a) de bezoldigingen en vergoedingen bedoeld in
artikel 497/5;
b) de begrafeniskosten;
b) de begrafeniskosten;
c) de andere bevoorrechte schuldvorderingen
vermeld in de artikelen 19 en 20 van de
hypotheekwet van 16 december 1851;
c) de andere bevoorrechte schuldvorderingen
vermeld in de artikelen 19 en 20 van de
hypotheekwet van 16 december 1851;
d) de rusthuiskosten;
d) de rusthuiskosten voor zover dat ze het
overlijden
van
de
beschermde
persoon
voorafgaan;
3° tot het vragen van de aanwijzing van een
curator bij een onbeheerde nalatenschap, van
een
sekwester
of
van
een
voorlopige
bewindvoerder voor de nalatenschap.
3° tot het vragen van de aanwijzing van een
curator bij een onbeheerde nalatenschap, van
een
sekwester
of
van
een
voorlopige
bewindvoerder voor de nalatenschap.
De opdracht van de bewindvoerder eindigt in
ieder geval op het tijdstip waarop de curator
over de onbeheerde nalatenschap zijn opdracht
aanvat of op het tijdstip waarop een erfgenaam
De opdracht van de bewindvoerder eindigt in
ieder geval op het tijdstip waarop de curator
over de onbeheerde nalatenschap zijn opdracht
aanvat of op het tijdstip waarop een erfgenaam
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
276
zich aanmeldt. De bewindvoerder deelt deze
informatie mee aan de vrederechter.
zich aanmeldt. De bewindvoerder deelt deze
informatie mee aan de vrederechter.
In afwijking van artikel 499/17, eerste lid deelt
de bewindvoerder, binnen de termijn bedoeld in
het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening
mee aan de griffie, waar de erfgenamen van de
beschermde persoon en de notaris die belast is
met de aangifte en de verdeling van de
nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit
geldt onverminderd de toepassing van de
artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek.
In afwijking van artikel 499/17, eerste lid deelt
de bewindvoerder, binnen de termijn bedoeld in
het eerste lid, zijn definitief verslag en rekening
mee aan de griffie, waar de erfgenamen van de
beschermde persoon en de notaris die belast is
met de aangifte en de verdeling van de
nalatenschap ervan kennis kunnen nemen. Dit
geldt onverminderd de toepassing van de
artikelen 1358 en volgende van het Gerechtelijk
Wetboek.
HOOFDSTUK 3 – Wijzigingen van het
Gerechtelijk Wetboek
HOOFDSTUK 3 – Wijzigingen van het
Gerechtelijk Wetboek
Art. 23
Art. 23
Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich
niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp
van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist
wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de
vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht
de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering
tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en
tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich
evenwel niet uit tot de vordering die berust op
dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen
kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond
waarop ze steunt.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich
niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp
van de beslissing heeft uitgemaakt. Vereist
wordt dat de gevorderde zaak dezelfde is; dat de
vordering op dezelfde oorzaak berust, ongeacht
de ingeroepen rechtsgrond; dat de vordering
tussen dezelfde partijen bestaat, en door hen en
tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich
evenwel niet uit tot de vordering die berust op
dezelfde oorzaak maar waarvan de rechter geen
kennis kon nemen gelet op de rechtsgrond
waarop ze steunt.
Het gezag van het rechterlijk gewijsde ten
aanzien van een geschilpunt dat het voorwerp
van de beslissing heeft uitgemaakt kan ook
door een derde worden ingeroepen tegen een
partij bij die beslissing.
Art. 76, § 1
Art. 76, § 1
§ 1. De rechtbank van eerste aanleg en, in
voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan
uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken,
uit een of meer kamers voor correctionele
zaken,
uit
een
of
meer
kamers
voor
familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en,
voor de afdeling van de rechtbank van eerste
aanleg waar de zetel van het hof van beroep is
gevestigd,
uit
een
of
meer
strafuitvoeringskamers en kamers voor de
bescherming van de maatschappij.
§ 1. De rechtbank van eerste aanleg en, in
voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan
uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken,
uit een of meer kamers voor correctionele
zaken,
uit
een
of
meer
kamers
voor
familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en,
voor de afdeling van de rechtbank van eerste
aanleg waar de zetel van het hof van beroep is
gevestigd,
uit
een
of
meer
strafuitvoeringskamers en kamers voor de
bescherming van de maatschappij.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
277
3552/001
DOC 55
Die kamers vormen vier secties, respectievelijk
genaamd: burgerlijke rechtbank, correctionele
rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en
strafuitvoeringsrechtbank.
Die kamers vormen vier secties, respectievelijk
genaamd: burgerlijke rechtbank, correctionele
rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en
strafuitvoeringsrechtbank.
De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de
familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke
schikking die de familierechtbank vormen en uit
de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank
vormen.
De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de
familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke
schikking die de familierechtbank vormen en uit
de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank
vormen.
De burgerlijke rechtbank bestaat uit de
burgerlijke kamer(s) en een of meer kamers
voor
minnelijke
schikking.
Wanneer
de
rechtbank van eerste aanleg is verdeeld in
afdelingen, bestaat de burgerlijke rechtbank
van een van de afdelingen uit ten minste één
kamer voor minnelijke schikking.
Art. 78, zevende lid
Art. 78, zevende lid
Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit
een alleenrechtsprekende rechter die de door
het Instituut voor gerechtelijke opleiding
verstrekte gespecialiseerde opleiding heeft
gevolgd.
Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit
een alleenrechtsprekende rechter die de door
het Instituut voor gerechtelijke opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde
opleiding
inzake verzoening of doorverwijzing naar
bemiddeling
heeft
gevolgd.
Een
plaatsvervangend rechter kan zetelen in de
kamer
voor
minnelijke
schikking
op
voorwaarde dat hij ook een dergelijke
opleiding heeft gevolgd.
Art. 79, achtste lid
Art. 79, achtste lid
De rechters in de familie- en jeugdrechtbank
kunnen zitting nemen in de burgerlijke kamers
van de rechtbank van eerste aanleg. De rechter
die echter in de kamer voor minnelijke schikking
zitting heeft, kan voor de dossiers waarvan hij
kennis heeft genomen, nooit zitting hebben in
de andere kamers van de familie- en
jeugdrechtbank. De beslissing van een rechter
die eerder van het geschil kennis heeft genomen
terwijl hij zitting had in een kamer voor
minnelijke schikking, is nietig behalve als het om
de homologatie van een akkoord of een proces-
verbaal van verzoening gaat.
Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de
rechters in de familie- en jeugdrechtbank zitting
nemen in de burgerlijke kamers van de
rechtbank van eerste aanleg.
Art. 81
Art. 81
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
278
De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste (drie
kamers).
De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste drie
kamers en uit een of meer kamers voor
minnelijke
schikking.
Wanneer
de
arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld,
bestaat een van de afdelingen uit ten minste
één kamer voor minnelijke schikking.
(Ten minste één daarvan, die bevoegd is voor de
geschillen betreffende de in artikel 578, 14°,
bedoelde aangelegenheden, bestaat uit een
rechter in de arbeidsrechtbank.)
Minstens één van de drie kamers, die bevoegd
is voor de geschillen betreffende de in artikel
578, 14°, bedoelde aangelegenheden, bestaat
uit een rechter in de arbeidsrechtbank.
(De andere kamers worden voorgezeten door
een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan)
daarenboven uit twee rechters in sociale zaken.
De andere kamers worden voorgezeten door
een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan
daarenboven uit twee rechters in sociale zaken.
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°,
3° en 7°, moet een van de rechters in sociale
zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als
arbeider of als bediende, naar gelang van de
hoedanigheid van de betrokken werknemer.
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°,
3° en 7°, moet een van de rechters in sociale
zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als
arbeider of als bediende, naar gelang van de
hoedanigheid van de betrokken werknemer.
Indien,
vóór
ieder
ander
middel,
de
hoedanigheid van arbeider of van bediende van
een der partijen wordt betwist, doet de kamer
uitspraak over de grond van het geschil nadat ze
zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter
bestaat uit twee rechters in sociale zaken
benoemd als werkgever en twee rechters in
sociale zaken benoemd respectievelijk als
arbeider en als bediende.
Indien,
vóór
ieder
ander
middel,
de
hoedanigheid van arbeider of van bediende van
een der partijen wordt betwist, doet de kamer
uitspraak over de grond van het geschil nadat ze
zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter
bestaat uit twee rechters in sociale zaken
benoemd als werkgever en twee rechters in
sociale zaken benoemd respectievelijk als
arbeider en als bediende.
(In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b),
moet één van de rechters in sociale zaken
benoemd zijn als werkgever, de andere als
zelfstandige.)
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b),
moet één van de rechters in sociale zaken
benoemd zijn als werkgever, de andere als
zelfstandige.
(In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578,
4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3°
en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers
van de administratieve sancties bedoeld in
artikel 583, moet één van de rechters in sociale
zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als
werknemer.)
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578,
4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a), 579, 580, 582, 3°
en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers
van de administratieve sancties bedoeld in
artikel 583, moet één van de rechters in sociale
zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als
werknemer.
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en
2°), moet één van de rechters in sociale zaken
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en
2°), moet één van de rechters in sociale zaken
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
279
3552/001
DOC 55
benoemd zijn als zelfstandige, de andere als
werknemer
benoemd zijn als zelfstandige, de andere als
werknemer
(In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578bis
en 581 en voor de toepassing van de in artikel
583 bedoelde administratieve sancties op
zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter
in de arbeidsrechtbank en twee rechters in
sociale
zaken
die
benoemd
zijn
als
zelfstandigen.)
In
de
geschillen
betreffende
de
aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578bis
en 581 en voor de toepassing van de in artikel
583 bedoelde administratieve sancties op
zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter
in de arbeidsrechtbank en twee rechters in
sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.
Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker,
zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of
een aangeslotene bij de overzeese sociale
zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken,
in de mate van het mogelijke, behoren of
behoord hebben tot dezelfde kategorie als de
betrokken werknemer.
Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker,
zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of
een aangeslotene bij de overzeese sociale
zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken,
in de mate van het mogelijke, behoren of
behoord hebben tot dezelfde kategorie als de
betrokken werknemer.
Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat
uit
een
voorzitter,
rechter
in
de
arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale
zaken, van wie de ene benoemd is als
werkgever en de andere als werknemer, die
allemaal
de
door
het
Instituut
voor
gerechtelijke
opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde opleiding inzake verzoening of
doorverwijzing
naar
bemiddeling
hebben
gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een
plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan
zetelen in de kamer voor minnelijke schikking
op voorwaarde dat hij ook een dergelijke
opleiding heeft gevolgd.
Art. 84
Art. 84
De ondernemingsrechtbank bestaat uit een of
meer kamers.
De ondernemingsrechtbank bestaat uit een of
meer kamers en een of meer kamers voor
minnelijke
schikking.
Wanneer
de
ondernemingsrechtbank
in
afdelingen
is
verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten
minste één kamer voor minnelijke schikking.
Iedere kamer wordt voorgezeten door een
rechter in de ondernemingsrechtbank en telt
bovendien
twee
rechters
in
ondernemingszaken.
Iedere kamer wordt voorgezeten door een
rechter in de ondernemingsrechtbank en telt
bovendien
twee
rechters
in
ondernemingszaken. De rechters die van de
kamer
voor
minnelijke
schikking
deel
uitmaken, moeten allemaal de door het
Instituut
voor
gerechtelijke
opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde
opleiding
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
280
inzake verzoening of doorverwijzing naar
bemiddeling. Een plaatsvervangend rechter of
een
plaatsvervangend
rechter
in
ondernemingszaken kan zetelen in de kamer
voor minnelijke schikking op voorwaarde dat
hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.
(Iedere ondernemingsrechtbank stelt een of
meer
kamers
voor
ondernemingen
in
moeilijkheden]1 in).
Iedere ondernemingsrechtbank stelt een of
meer
kamers
voor
ondernemingen
in
moeilijkheden in.
Art. 101, § 1 en 2
Art. 101, § 1 en 2
§ 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor
burgerlijke zaken, kamers voor correctionele
zaken, jeugdkamers en familiekamers, tot die
laatste kamers behoren kamers voor minnelijke
schikking.
§ 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor
burgerlijke zaken, waarvan een of meer kamers
voor
minnelijke
schikking
kamers
voor
correctionele
zaken,
jeugdkamers
en
familiekamers, tot die laatste kamers behoren
kamers voor minnelijke schikking.
Ten minste één correctionele kamer neemt
kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de
vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76,
§ 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden.
Ten minste één correctionele kamer neemt
kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de
vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76,
§ 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden.
Ten minste één van de jeugdkamers wordt
bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen
personen ten aanzien van wie een beslissing tot
uithandengeving is genomen overeenkomstig
de wet van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door
dat feit veroorzaakte schade, in het kader van
een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare
misdaad.
Ten minste één van de jeugdkamers wordt
bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen
personen ten aanzien van wie een beslissing tot
uithandengeving is genomen overeenkomstig
de wet van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming, het ten laste nemen van
minderjarigen die een als misdrijf omschreven
feit hebben gepleegd en het herstel van de door
dat feit veroorzaakte schade, in het kader van
een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare
misdaad.
In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens
kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid
wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen
een sectie, Marktenhof genoemd.
In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens
kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid
wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen
een sectie, Marktenhof genoemd.
De Koning kan, na advies van de eerste
voorzitter,
de
procureur-generaal,
de
hoofdgriffier en de stafhouders van de balies
van het rechtsgebied van het hof van beroep,
bepalen dat een of meer jeugdkamers of
familiekamers zitting houden ter zetel van de
rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van
de rechtbank van eerste aanleg in een andere
provincie van het rechtsgebied van het hof voor
de behandeling van de hogere beroepen tegen
De Koning kan, na advies van de eerste
voorzitter,
de
procureur-generaal,
de
hoofdgriffier en de stafhouders van de balies
van het rechtsgebied van het hof van beroep,
bepalen dat een of meer jeugdkamers of
familiekamers zitting houden ter zetel van de
rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van
de rechtbank van eerste aanleg in een andere
provincie van het rechtsgebied van het hof voor
de behandeling van de hogere beroepen tegen
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
281
3552/001
DOC 55
de
vonnissen
van
de
familie-
en
jeugdrechtbanken van de betrokken provincie.
de
vonnissen
van
de
familie-
en
jeugdrechtbanken van de betrokken provincie.
§ 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste
voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in
het hof van beroep.
§ 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste
voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in
het hof van beroep.
De kamers van het hof van beroep houden
zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van
beroep, de voorzitter daaronder begrepen,
ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer
in het hof.
De kamers van het hof van beroep houden
zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van
beroep, de voorzitter daaronder begrepen,
ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer
in het hof.
De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde
correctionele kamer is samengesteld uit twee
raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter
daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het
arbeidshof.
De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde
correctionele kamer is samengesteld uit twee
raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter
daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het
arbeidshof.
Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde
jeugdkamers
rechtsgeldig
zouden
zijn
samengesteld, moeten ten minste twee leden
ervan de opleiding hebben genoten die
georganiseerd wordt in het kader van de
voortgezette vorming van de magistraten, zoals
bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid,
die vereist is voor de uitoefening van het ambt
van rechter in de familie- en jeugdrechtbank.
Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde
jeugdkamers
rechtsgeldig
zouden
zijn
samengesteld, moeten ten minste twee leden
ervan de opleiding hebben genoten die
georganiseerd wordt in het kader van de
voortgezette vorming van de magistraten, zoals
bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid,
die vereist is voor de uitoefening van het ambt
van rechter in de familie- en jeugdrechtbank.
Opdat
de
gespecialiseerde
kamer
voor
minnelijke schikking rechtsgeldig zou zijn
samengesteld, moet het voor die kamer
aangewezen lid van het hof een gespecialiseerde
opleiding hebben genoten verstrekt door het
Instituut voor gerechtelijke opleiding. Als de
dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de
eerste voorzitter van het hof van beroep,
uitzonderlijk en nadat het advies van de
procureur-generaal
is
ingewonnen,
een
werkend
magistraat
aanwijzen
om
de
bovengenoemde functies voor een termijn van
ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die
magistraat de gespecialiseerde opleiding niet
heeft genoten.
Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat
uit een raadsheer in het hof die de door het
Instituut
voor
gerechtelijke
opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde
opleiding
inzake verzoening of doorverwijzing naar
bemiddeling
heeft
gevolgd.
Als
de
dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de
eerste voorzitter van het hof van beroep,
uitzonderlijk en nadat het advies van de
procureur-generaal
is
ingewonnen,
een
werkend
magistraat
aanwijzen
om
de
bovengenoemde functies voor een termijn van
ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die
magistraat de gespecialiseerde opleiding niet
heeft genoten.
Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde
lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie
ten hoogste zes raadsheren kunnen worden
benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°.
Bij de benoeming wordt er rekening gehouden
met het taalevenwicht.
Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde
lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie
ten hoogste zes raadsheren kunnen worden
benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°.
Bij de benoeming wordt er rekening gehouden
met het taalevenwicht.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
282
De raadsheren die zetelen in de correctionele
kamers, de familiekamers en de jeugdkamers,
en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen
binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een
grondige
opleiding
inzake
seksueel-
en
intrafamiliaal geweld georganiseerd door het
Instituut voor gerechtelijke opleiding.
De raadsheren die zetelen in de correctionele
kamers, de familiekamers en de jeugdkamers,
en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen
binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een
grondige
opleiding
inzake
seksueel-
en
intrafamiliaal geweld georganiseerd door het
Instituut voor gerechtelijke opleiding.
Art. 102, § 1
Art. 102, § 1
§ 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het
hof van beroep; zij worden benoemd ter
vervanging van de verhinderde raadsheren.
§ 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het
hof van beroep; zij worden benoemd ter
vervanging van de verhinderde raadsheren.
De plaatsvervangende raadsheren kunnen
geroepen worden zitting te nemen wanneer de
bezetting
niet
volstaat
om
de
zetel
overeenkomstig de bepalingen van de wet
samen te stellen.
De plaatsvervangende raadsheren kunnen
geroepen worden zitting te nemen wanneer de
bezetting
niet
volstaat
om
de
zetel
overeenkomstig de bepalingen van de wet
samen te stellen.
In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld
waarom een beroep moet worden gedaan op
een plaatsvervanger en worden de nadere
regels van de aanwijzing omschreven.
In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld
waarom een beroep moet worden gedaan op
een plaatsvervanger en worden de nadere
regels van de aanwijzing omschreven.
(Zij kunnen echter geen zitting nemen in de
kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze
uitspraak doet met toepassing van de artikelen
235ter en 235quater van het Wetboek van
strafvordering.)
Zij kunnen echter geen zitting nemen in de
kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze
uitspraak doet met toepassing van de artikelen
235ter en 235quater van het Wetboek van
strafvordering.
Een
plaatsvervangend
raadsheer
kan
alleenzetelend zitting nemen in de kamer voor
minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de
door het Instituut voor gerechtelijke opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde
opleiding
inzake verzoening en doorverwijzing naar
bemiddeling heeft gevolgd.
Art. 104
Art. 104
Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting
houden met een raadsheer in het arbeidshof en,
naar gelang het geval, met twee of vier
raadsheren in sociale zaken.
Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting
houden met een raadsheer in het arbeidshof en,
naar gelang het geval, met twee of vier
raadsheren in sociale zaken. Elk arbeidshof stelt
een of meer kamers voor minnelijke schikking
in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is
verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten
minste één kamer voor minnelijke schikking.
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen
een
vonnis
betreffende
de
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen
een
vonnis
betreffende
de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
283
3552/001
DOC 55
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°,
3° en 7°, bestaan, buiten de voorzitter, uit een
raadsheer in sociale zaken benoemd als
werkgever en een raadsheer in sociale zaken
benoemd
als werknemer-arbeider of
als
werknemer-bediende, naar gelang van de
hoedanigheid van de betrokken werknemer.
aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1°, 2°,
3° en 7°, bestaan, buiten de voorzitter, uit een
raadsheer in sociale zaken benoemd als
werkgever en een raadsheer in sociale zaken
benoemd
als werknemer-arbeider of
als
werknemer-bediende, naar gelang van de
hoedanigheid van de betrokken werknemer.
Die
kamers
bestaan
evenwel
uit
twee
raadsheren in sociale zaken benoemd als
werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken
respectievelijk benoemd als arbeider en als
bediende, wanneer het beroep gericht is tegen
een vonnis uitgesproken door een kamer met
vier rechters in sociale zaken.
Die
kamers
bestaan
evenwel
uit
twee
raadsheren in sociale zaken benoemd als
werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken
respectievelijk benoemd als arbeider en als
bediende, wanneer het beroep gericht is tegen
een vonnis uitgesproken door een kamer met
vier rechters in sociale zaken.
(De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis, gewezen in een geschil
betreffende de aangelegenheden bedoeld in de
artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a),
579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de
toepassing op werkgevers van administratieve
sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve
de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale
zaken, respectievelijk benoemd als werkgever
en werknemer.)
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis, gewezen in een geschil
betreffende de aangelegenheden bedoeld in de
artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a),
579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de
toepassing op werkgevers van administratieve
sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve
de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale
zaken, respectievelijk benoemd als werkgever
en werknemer.)
(De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis, gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 578, 12°, b), bestaan behalve de
voorzitters, uit twee raadsheren in sociale
zaken, respectievelijk benoemd als werkgever
en zelfstandige.)
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis, gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid als bedoeld in
artikel 578, 12°, b), bestaan behalve de
voorzitters, uit twee raadsheren in sociale
zaken, respectievelijk benoemd als werkgever
en zelfstandige.)
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid bedoeld in
artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de
voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken,
van wie de ene benoemd is als zelfstandige en
de andere als werknemer.
De kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid bedoeld in
artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de
voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken,
van wie de ene benoemd is als zelfstandige en
de andere als werknemer.
De Kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid bedoeld in de
artikelen 578bis en 581 of betreffende de
toepassing op zelfstandigen van administratieve
sancties bedoeld in artikel 583, bestaan buiten
de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale
zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.
De Kamers die kennis nemen van hoger beroep
tegen een vonnis gewezen in een geschil
betreffende een aangelegenheid bedoeld in de
artikelen 578bis en 581 of betreffende de
toepassing op zelfstandigen van administratieve
sancties bedoeld in artikel 583, bestaan buiten
de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale
zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
284
Heeft het geschil betrekking op een werknemer
die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper,
havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese
sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van
het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die
als werknemer benoemd is, bovendien tot
dezelfde kategorie behoren of behoord hebben
als de betrokken werknemer.
Heeft het geschil betrekking op een werknemer
die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper,
havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese
sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van
het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die
als werknemer benoemd is, bovendien tot
dezelfde kategorie behoren of behoord hebben
als de betrokken werknemer.
De Koning stelt, op voordracht van de minister
die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de
regels vast volgens welke de raadsheren in
sociale zaken geroepen worden om zitting te
nemen bij toepassing van deze bepaling.
De Koning stelt, op voordracht van de minister
die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de
regels vast volgens welke de raadsheren in
sociale zaken geroepen worden om zitting te
nemen bij toepassing van deze bepaling.
In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers
die kennis nemen van het hoger beroep tegen
een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°,
bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer
bij het Arbeidshof.
In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers
die kennis nemen van het hoger beroep tegen
een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°,
bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer
bij het Arbeidshof.
De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit
een voorzitter, een raadsheer in het arbeidshof
en twee raadsheren in sociale zaken, van wie
de ene benoemd is als werkgever en de andere
als werknemer, die allemaal de door het
Instituut
voor
gerechtelijke
opleiding
georganiseerde
gespecialiseerde
opleiding
inzake verzoening of doorverwijzing naar
bemiddeling
hebben
gevolgd.
Een
plaatsvervangend
raadsheer
of
plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken
kan zetelen in de kamer voor minnelijke
schikking op voorwaarde dat hij ook een
dergelijke opleiding heeft gevolgd.
Art. 508/11
Art. 508/11
De advocaten moeten geregeld aan het bureau
verslag doen, op de wijze die door de Minister
van Justitie wordt bepaald in overleg met de in
artikel 488 bedoelde overheden.
Opgeheven.
Het bureau zendt jaarlijks een verslag inzake de
werking van de juridische tweedelijnsbijstand
over aan de commissie voor juridische bijstand
en aan de Minister van Justitie, op de wijze die
deze laatste bepaalt.
Opgeheven.
De in artikel 488 bedoelde overheden bezorgen
jaarlijks een verslag over de werking van de
juridische tweedelijnsbijstand aan de minister
van Justitie volgens de door de Koning
bepaalde nadere regels.
Art. 508/19
Art. 508/19
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
285
3552/001
DOC 55
§ 1. De advocaat int de aan de begunstigde
toegekende
rechtsplegingsvergoeding
en
betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel
508/17, § 2 terug aan de rechtzoekende voor
zover
de
rechtsplegingsvergoeding
de
vergoeding berekend op basis van punten
bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid,
overtreft.
§ 1. De advocaat int de aan de begunstigde
toegekende
rechtsplegingsvergoeding
en
betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel
508/17, § 2 terug aan de rechtzoekende voor
zover
de
rechtsplegingsvergoeding
de
vergoeding berekend op basis van punten
bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid,
overtreft.
§ 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of
volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand
doen verslag aan het bureau over elke
behandelde zaak waarvoor zij in dit raam
prestaties hebben verricht. (Dit verslag vermeldt
eveneens
de
door
de
advocaat
geïnde
rechtsplegingsvergoeding en de vergoedingen
geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook
de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, § 2.)
§ 2. De advocaten belast met de gedeeltelijk of
volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand
doen verslag aan het bureau over elke
behandelde zaak waarvoor zij in dit raam
prestaties hebben verricht. (Dit verslag vermeldt
eveneens
de
door
de
advocaat
geïnde
rechtsplegingsvergoeding en de vergoedingen
geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook
de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, § 2.
Het bureau voor juridische bijstand kent voor die
prestaties op grond van een lijst met de punten
die voor bepaalde uurprestaties worden
aangerekend, waarvan de nadere regels worden
bepaald door de Koning, aan de advocaten
punten toe en doet hierover verslag aan de
stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand
kent geen punten toe of vermindert de punten,
in voorkomend geval, voor de prestaties
waarvoor geldsommen werden geïnd op grond
van de artikelen 508/17, § 2, 508/19, § 1, en
508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de
advocaat afziet van de inning van geldsommen
op grond van artikel 508/17, § 3.
Het bureau voor juridische bijstand kent voor die
prestaties op grond van een lijst met de punten
die voor bepaalde uurprestaties worden
aangerekend, waarvan de nadere regels worden
bepaald door de Koning, aan de advocaten
punten toe en doet hierover verslag aan de
stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand
kent geen punten toe of vermindert de punten,
in voorkomend geval, voor de prestaties
waarvoor geldsommen werden geïnd op grond
van de artikelen 508/17, § 2, 508/19, § 1, en
508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de
advocaat afziet van de inning van geldsommen
op grond van artikel 508/17, § 3.
De stafhouder deelt het totaal van de punten
van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde
overheden die het totaal van de punten van alle
balies meedelen aan de Minister van Justitie.
Opgeheven, zie § 2/1, tweede lid.
De controle en toekenning van de punten voor
de prestaties verricht door de advocaten zoals
bepaald in het tweede lid en in artikel 508/8
worden uitgevoerd door de bureaus voor
juridische bijstand en gecoördineerd door de
overheden zoals bedoeld in artikel 488 op de
wijze die door de Koning wordt bepaald.
§ 2/1. Het bureau voor juridische bijstand
groepeert
dan
alle
goedgekeurde
eindverslagen per materie overeenkomstig
paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien
onderworpen aan een audit om de correctheid
van de aanstellingen, de kwaliteit van de
verrichte diensten door de advocaat, de
realiteit van de verrichte diensten door de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
286
advocaat overeenkomstig de in paragraaf 2,
tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van
deze controles door het bureau voor juridische
bijstand te verifiëren. Deze audit wordt door de
in artikel 488 bedoelde overheden uitgevoerd
overeenkomstig de nadere regels die de Koning
bepaalt. De conclusies van deze audit worden
toegezonden aan de betrokken bureaus voor
juridische bijstand, dat er rekening mee houdt.
Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies,
waarvan de inhoud door de Koning wordt
bepaald, wordt door de in artikel 488 bedoelde
overheden opgesteld en aan de minister
meegedeeld.
De stafhouder deelt het totaal van de punten
van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde
overheden die overeenkomstig de in het eerste
lid en paragraaf 2 bedoelde controles het totaal
van de punten van alle balies meedelen aan de
minister van Justitie.
(§ 3.) Zodra hij de mededeling heeft ontvangen
van de informatie bedoeld in (§ 2), kan de
Minister van Justitie een controle laten
uitvoeren op de wijze die hij bepaalt na
raadpleging van de in artikel 488 bedoelde
overheden. Hij gelast de betaling van de
vergoeding aan die overheden die [1 in
voorkomend
geval]1
via
de
Ordes
van
Advocaten voor de verdeling ervan zorgen.
§ 3. Zodra hij de mededeling heeft ontvangen
van de informatie bedoeld in paragraaf 2/1,
tweede lid, kan de minister van Justitie, indien
hij zulks noodzakelijk acht, een aanvullende
controle laten uitvoeren op de wijze die hij
bepaalt na raadpleging van de in artikel 488
bedoelde overheden.
Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die
overheden die in voorkomend geval via de
Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan
zorgen.
De
betaling
wordt
uitgevoerd
overeenkomstig
de
door
de
Koning
vastgestelde voorwaarden.
§ 4. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen
van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake
toekenning, niet-toekenning of vermindering
van de punten, de berekeningswijze van de
waarde van het punt, de voorwaarden inzake
indiening van de aanvraag tot vergoeding en de
nadere regels en voorwaarden inzake betaling
van de vergoeding.
§ 4. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen
van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake
toekenning, niet-toekenning of vermindering
van de punten, de waarde van het punt, de
voorwaarden inzake indiening van de aanvraag
tot vergoeding en de nadere regels en
voorwaarden inzake betaling van de vergoeding.
Art. 508/19bis
Art. 508/19bis
Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor
de kosten verbonden aan de organisatie van de
Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor
de kosten verbonden aan de organisatie van de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
287
3552/001
DOC 55
bureaus voor juridische bijstand, ten laste van
de begroting van de FOD Justitie. Deze stemt
overeen met 8,108 % van de in artikel 508/19, (§
3), bedoelde vergoeding.
bureaus voor juridische bijstand, ten laste van
de begroting van de FOD Justitie.
Deze subsidie is betaalbaar na het vervallen van
de termijn.
Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld
op basis van de door de bureaus voor juridische
bijstand aangegeven werkelijke kosten en
goedgekeurd door de minister. Dit bedrag mag
niet hoger zijn dan 7% van de vergoeding
bedoeld in artikel 508/19 §3.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de
uitvoering van dit artikel, en meer bepaald de
manier waarop deze subsidie verdeeld wordt.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de
uitvoering van dit artikel en kan in bijzondere
gevallen, bij in Ministerraad overlegd koninklijk
besluit afwijken van het voormelde percentage
van 7% op gemotiveerde vraag van de in artikel
488 bedoelde overheden op basis van
aangetoonde kosten.
Eerste afdeling. Algemene bepaling
Art. 730/1, § 2
Art. 730/1, § 2
§ 2. Behoudens in kort geding, kan de rechter,
op de inleidingszitting of tijdens een zitting
bepaald op een nabije datum, de partijen
bevragen over de wijze waarop zij voorafgaand
aan het geding gepoogd hebben het geschil
minnelijk op te lossen en hen inlichten over de
mogelijkheden om daar alsnog toe over te gaan.
Daartoe kan de rechter de persoonlijke
verschijning van de partijen bevelen.
§ 2. De rechter kan, op de inleidingszitting of
tijdens een zitting bepaald op een nabije datum,
de partijen bevragen over de wijze waarop zij
voorafgaand aan het geding gepoogd hebben
het geschil minnelijk op te lossen en hen
inlichten over de mogelijkheden om daar alsnog
toe over te gaan. Daartoe kan de rechter de
persoonlijke verschijning van de partijen
bevelen.
Op vraag van een van de partijen of indien de
rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat
verzoening
mogelijk
is,
op
diezelfde
inleidingszitting of op een zitting bepaald op een
nabije datum, de zaak verdagen naar een vaste
datum die een maand niet mag overschrijden,
behoudens akkoord van de partijen, teneinde
hen in de gelegenheid te stellen om na te gaan
of hun geschil geheel of deels op minnelijke
wijze kan worden opgelost en om daarover alle
nuttige inlichtingen in te winnen.
Op vraag van een van de partijen of indien de
rechter dit nuttig acht, kan hij, zo hij vaststelt dat
verzoening mogelijk is, behoudens in kort
geding, op diezelfde inleidingszitting of op een
zitting bepaald op een nabije datum, de zaak
verdagen naar een vaste datum die een maand
niet mag overschrijden, behoudens akkoord van
de partijen, teneinde hen in de gelegenheid te
stellen om na te gaan of hun geschil geheel of
deels op minnelijke wijze kan worden opgelost
en om daarover alle nuttige inlichtingen in te
winnen.
De in het tweede lid bedoelde maatregel kan
niet worden bevolen indien hij reeds werd
bevolen in het kader van hetzelfde geschil.
De in het tweede lid bedoelde maatregel kan
niet worden bevolen indien hij reeds werd
bevolen in het kader van hetzelfde geschil.
Afdeling II. Minnelijke schikking
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
288
Art. 731
Art. 731
Het behoort tot de opdracht van de rechter om
de partijen te verzoenen.
Het behoort tot de opdracht van de rechter om
de partijen te verzoenen.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724
tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering
tussen partijen die bekwaam zijn om een dading
aan te gaan en betreffende zaken welke voor
dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of
met beider instemming vooraf ter minnelijke
schikking worden voorgelegd aan de rechter die
bevoegd is om in eerste aanleg ervan kennis te
nemen.
[2
Indien
er
evenwel
ernstige
aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld,
bedreigingen of enige andere vorm van druk
gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de
andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Opgeheven, zie 731/1.
Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald,
kan de poging tot minnelijke schikking niet
verplicht worden gesteld.
Behoudens in de gevallen bij de wet bepaald,
kan de poging tot minnelijke schikking niet
verplicht worden gesteld.
Art. 731/1
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1724
tot 1737 kan iedere inleidende hoofdvordering
tussen partijen die bekwaam zijn om een dading
aan te gaan en betreffende zaken welke voor
dading vatbaar zijn, op verzoek van een partij of
met beider instemming vooraf ter minnelijke
schikking worden voorgelegd aan de rechter die
bevoegd is om ervan kennis te nemen. Indien er
evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat de ene
partij geweld, bedreigingen of enige andere
vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt ten
aanzien van de andere partij, is artikel 1734, § 1,
derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Art. 732
Art. 732
Indien een van hen het, zelfs mondeling,
verzoekt, worden de partijen bij gewone brief
van de griffier opgeroepen om binnen de
gewone termijn van dagvaarding te verschijnen
op dag en uur door de rechter bepaald.
Onverminderd de termijn voor dagvaarding
bedoeld in artikel 707, indien een van hen het,
zelfs mondeling, verzoekt, worden de partijen bij
gewone brief van de griffier opgeroepen om
binnen een maand te verschijnen op dag en uur
door de rechter bepaald.
Indien het verzoek tot minnelijke schikking een
aanspraak op een recht bevat, wordt het
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
289
3552/001
DOC 55
gelijkgesteld met de ingebrekestelling bedoeld
in artikel 5.240 van het Burgerlijk Wetboek.
Onder dezelfde voorwaarden schorst het
verzoek tot minnelijke schikking gedurende
een maand de verjaring van de aan dit recht
verbonden vordering.
Art. 733
Art. 733
Van het verschijnen tot minnelijke schikking
wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een
schikking
tot
stand
komt,
worden
de
bewoordingen ervan opgetekend in het proces-
verbaal, waarvan de uitgifte wordt voorzien van
het formulier van tenuitvoerlegging.
Van het verschijnen tot minnelijke schikking
wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien een
schikking
tot
stand
komt,
wordende
bewoordingen ervan opgetekend in het proces-
verbaal, waarvan de uitgifte wordt voorzien van
het formulier van tenuitvoerlegging, tenzij de
partijen daarvan afzien.
Het verschijnen van de partijen op de zitting tot
minnelijke
schikking
schorst
de
verjaringstermijn voor de duur van de
minnelijke schikking.
Art. 733/1
Indien er al een procedure loopt, kan het
geschil gedurende het gehele geding ter
minnelijke schikking aan de rechter worden
voorgelegd, op initiatief van de rechter of van
een partij. Indien er evenwel ernstige
aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld,
bedreigingen of enige andere vorm van druk
gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de
andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
De
partijen
zullen
worden
opgeroepen
overeenkomstig artikel 732.
Indien een schikking tot stand komt, kan akte
worden genomen van de bewoordingen van
die schikking in een vonnis of arrest
overeenkomstig artikel 1043.
Als de minnelijke schikking geen uitkomst
biedt, kan de gewone gerechtelijke procedure
op initiatief van een van de partijen voortgezet
worden.
Afdeling III. Kamer voor minnelijke schikking
Art. 734/1
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
290
§ 1. De zaken kunnen ter minnelijke schikking
worden voorgelegd aan de kamer voor
minnelijke schikking onder de voorwaarden
bedoeld in artikel 731/1.
Het geschil kan ook ter minnelijke schikking aan
de kamer voor minnelijke schikking worden
voorgelegd, onder de voorwaarden bedoeld in
artikel 733/1, eerste lid.
De
partijen
worden
opgeroepen
overeenkomstig artikel 732.
§ 2. Op verzoek van de partijen of indien hij dit
nuttig acht, kan de rechter ook, gedurende het
gehele geding, de doorverwijzing van de zaak
naar de kamer voor minnelijke schikking van
dezelfde rechtbank of van hetzelfde hof
bevelen, middels eenvoudige vermelding op
het proces-verbaal van de zitting.
Binnen drie dagen na die beslissing zendt de
griffier het dossier van de procedure over aan
de griffier van de kamer voor minnelijke
schikking
waarnaar
de
zaak
werd
doorverwezen.
De griffier van de kamer voor minnelijke
schikking roept de partijen bij eenvoudige brief
op om te verschijnen, binnen een maand, op de
dag, de plaats en het uur van de zitting waarop
de zaak zal worden behandeld.
Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn
dat de ene partij geweld, bedreigingen of enige
andere vorm van druk gebruikt of heeft
gebruikt ten aanzien van de andere partij, is
artikel
1734,
§
1,
derde
lid,
van
overeenkomstige toepassing.
§ 3. In de gevallen bedoeld in paragraaf 1,
eerste lid, zijn de artikelen 732, tweede en
derde lid en 733, tweede lid, van toepassing.
Art. 734/2
§ 1. In de zaken die op grond van artikel 734/1,
§ 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en
waarbij de minnelijke schikking uitkomst biedt,
worden de bewoordingen van de schikking
door de kamer voor minnelijke schikking
opgetekend
in
het
proces-verbaal
van
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
291
3552/001
DOC 55
verschijning tot minnelijke schikking, waarvan
de uitgifte wordt voorzien van het formulier
van tenuitvoerlegging, tenzij de partijen
daarvan afzien.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1,
tweede lid en § 2waarbij de minnelijke
schikking uitkomst biedt, kan akte worden
genomen van de bewoordingen van het geheel
of gedeeltelijk akkoord in een vonnis of een
arrest overeenkomstig artikel 1043.
Art. 734/3
§ 1. In de zaken die op grond van artikel 734/1,
§ 1, eerste lid, aanhangig zijn gemaakt en
waarbij de minnelijke schikking geen uitkomst
biedt, sluit het proces-verbaal van verschijning
tot minnelijke schikking de procedure af.
Vervolgens kunnen de partijen, indien ze dat
wensen, een gewone gerechtelijke procedure
inleiden om hun geschil door de rechtbank of
het hof te laten beslechten.
§ 2. In de gevallen bedoeld in artikel 734/1, § 1,
tweede lid en § 2 waarbij de minnelijke
schikking geen uitkomst biedt, wordt de
gewone gerechtelijke procedure voortgezet
voor de oorspronkelijke kamer.
De kamer voor minnelijke schikking verwijst
het dossier, volgens dezelfde vormvereisten als
bepaald bij artikel 734/1, § 2, eerste en tweede
lid, door naar de oorspronkelijke kamer.
Indien een van de partijen op de hoorzitting
voor een minnelijke schikking daarom heeft
verzocht,
roept
de
griffier
van
de
oorspronkelijke
kamer
de
partijen
bij
gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag,
de plaats en het uur van de zitting waarop de
zaak zal worden behandeld. Dit verzoek kan
evenwel schriftelijk door een van de partijen na
de doorverwijzing worden gedaan.
Art. 734/4
§ 1. De zittingen tot minnelijke schikking die
worden gehouden door de kamers voor
minnelijke schikking verlopen in raadkamer,
overeenkomstig artikel 757, § 2, 14°. Alles wat
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
292
wordt gezegd of geschreven tijdens die
zittingen is vertrouwelijk overeenkomstig
artikel
1728.
Bij
schending
van
de
vertrouwelijkheidsplicht, is artikel 1728, § 4,
van toepassing.
Met instemming van de partijen, kan de
rechtbank of het hof, indien hij/het dit nuttig
acht, ook aparte gesprekken voeren met elk
van de partijen.
§ 2. Op de dag van de zitting tot minnelijke
schikking moeten de partijen in persoon
verschijnen, in voorkomend geval bijgestaan
door hun advocaten of de personen die worden
vermeld
in
artikel
728.
Indien
een
rechtspersoon in het geding is, wordt die
vertegenwoordigd
door
een
natuurlijke
persoon hem kan verbinden behoudens
andersluidende beslissing van de Kamer voor
minnelijk schikking.
§ 3. Zowel de partijen als de rechter bij de
kamer voor minnelijke schikking kunnen te
allen tijde een einde stellen aan de minnelijke
schikking.
§ 4. Een rechter die de verzoeningsprocedure
heeft uitgevoerd in een geschil dat aan de
kamer voor minnelijke schikking is voorgelegd,
onthoudt zich ervan deel te nemen aan een
vonnis of arrest over de uitkomst van hetzelfde
geschil voor een andere kamer. Doet hij dat
niet,
dan
kan
hij
worden
gewraakt
overeenkomstig artikel 828, 9°.
Art. 757
Art. 757
§ 1. Behoudens de bij de wet bepaalde
uitzonderingen, zijn de pleidooien, de verslagen
en de vonnissen openbaar.
§ 1. Behoudens de bij de wet bepaalde
uitzonderingen, zijn de pleidooien, de verslagen
en de vonnissen openbaar.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 verlopen de
volgende
gerechtelijke
procedures
in
raadkamer, zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep, wat de pleidooien en verslagen betreft:
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 verlopen de
volgende
gerechtelijke
procedures
in
raadkamer, zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep, wat de pleidooien en verslagen betreft:
1°
de
gerechtelijke
procedures
inzake
afstamming bedoeld in de artikelen 312, § 2,
314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies van
het Burgerlijk Wetboek;
1°
de
gerechtelijke
procedures
inzake
afstamming bedoeld in de artikelen 312, § 2,
314, 318, 322, 329bis, 330 en 332quinquies van
het Burgerlijk Wetboek;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
293
3552/001
DOC 55
2° de gerechtelijke procedure inzake de
vordering tot uitkering voor levensonderhoud,
opvoeding en passende opleiding, bedoeld in
artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek, voor
zover de verweerder bij de eerste verschijning
voor de rechtbank of het hof enkel het bedrag
betwist van de uitkering tot levensonderhoud;
2° de gerechtelijke procedure inzake de
vordering tot uitkering voor levensonderhoud,
opvoeding en passende opleiding, bedoeld in
artikel 338 van het Burgerlijk Wetboek, voor
zover de verweerder bij de eerste verschijning
voor de rechtbank of het hof enkel het bedrag
betwist van de uitkering tot levensonderhoud;
3° de gerechtelijke procedures inzake het
ouderlijk gezag, bedoeld in de artikelen 373,
374, 375bis, 387bis en 387ter van het Burgerlijk
Wetboek;
3° de gerechtelijke procedures inzake het
ouderlijk gezag, bedoeld in de artikelen 373,
374, 375bis, 387bis en 387ter van het Burgerlijk
Wetboek;
4° ...;
4°...;
5° ...;
5° ...;
6° de gerechtelijke procedure inzake de
wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1479
van het Burgerlijk Wetboek;
6° de gerechtelijke procedure inzake de
wettelijke samenwoning, bedoeld in artikel 1479
van het Burgerlijk Wetboek;
7° de gerechtelijke procedures inzake adoptie,
bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk
VIIIbis van het Gerechtelijk Wetboek;
7° de gerechtelijke procedures inzake adoptie,
bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk
VIIIbis van het Gerechtelijk Wetboek;
8° de gerechtelijke procedures inzake voogdij,
bedoeld in de artikelen 1235 en 1236bis van het
Gerechtelijk Wetboek;
8° de gerechtelijke procedures inzake voogdij,
bedoeld in de artikelen 1235 en 1236bis van het
Gerechtelijk Wetboek;
9° de gerechtelijke procedures inzake de
beschermingsmaatregelen bedoeld in deel IV,
boek IV, hoofdstuk X;
9° de gerechtelijke procedures inzake de
beschermingsmaatregelen bedoeld in deel IV,
boek IV, hoofdstuk X;
10° de gerechtelijke verzoeningsprocedures
inzake
vorderingen
van
echtgenoten
betreffende hun wederzijdse rechten en
verplichtingen
en
hun
huwelijksvermogenstelsel, bedoeld in artikel
1253quater van het Gerechtelijk Wetboek;
10° de gerechtelijke verzoeningsprocedures
inzake
vorderingen
van
echtgenoten
betreffende hun wederzijdse rechten en
verplichtingen
en
hun
huwelijksvermogenstelsel, bedoeld in artikel
1253quater van het Gerechtelijk Wetboek;
11° de gerechtelijke procedures betreffende de
echtscheiding of de scheiding van tafel en bed,
bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk
XI, van het Gerechtelijk Wetboek voor zover
partijen persoonlijk verschijnen;
11° de gerechtelijke procedures betreffende de
echtscheiding of de scheiding van tafel en bed,
bedoeld in het vierde deel, boek IV, hoofdstuk
XI, van het Gerechtelijk Wetboek voor zover
partijen persoonlijk verschijnen;
12° de gerechtelijke procedures betreffende de
bescherming
van
het
grensoverschrijdend
hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het
vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis, van het
Gerechtelijk Wetboek;
12° de gerechtelijke procedures betreffende de
bescherming
van
het
grensoverschrijdend
hoederecht en bezoekrecht bedoeld in het
vierde deel, boek IV, hoofdstuk XIIbis, van het
Gerechtelijk Wetboek;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
294
13° de gerechtelijke procedures betreffende
rechtsvorderingen die samenhangen met die
welke bedoeld zijn in 1° tot 12°, voor zover zij op
dezelfde zitting worden behandeld.
13° de gerechtelijke procedures betreffende
rechtsvorderingen die samenhangen met die
welke bedoeld zijn in 1° tot 12°, voor zover zij op
dezelfde zitting worden behandeld.
14° de zittingen tot minnelijke schikking die
worden gehouden door de kamers voor
minnelijke schikking.
De rechter kan evenwel in elke stand van het
geding, naargelang de omstandigheden, de
openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij
ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar
ministerie of van een partij in het geding,
behalve wat de in het eerste lid, 9°, bedoelde
procedures betreft
De rechter kan evenwel in elke stand van het
geding, naargelang de omstandigheden, de
openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij
ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar
ministerie of van een partij in het geding,
behalve wat de in het eerste lid, 9°, bedoelde
procedures betreft
Art. 780/1, vierde lid
Art. 780/1, vierde lid
Het informatieblad maakt geen onderdeel uit
van het vonnis. Het wordt gevoegd bij de in
artikel 790 bedoelde uitgifte.
Art. 1094/2
Art. 1094/2
Wanneer er tijdens de cassatieprocedure een
wettelijke bepaling in werking treedt die met
terugwerkende kracht van toepassing is op het
geschil, kan de eisende partij bij het Hof een
aanvullend verzoekschrift indienen dat een
middel bevat dat ontleend is aan de schending
van die bepaling. Dat verzoekschrift wordt
toegevoegd aan het aanhangige geding.
Het verzoekschrift wordt, op straffe van verval,
ingediend op de griffie van het hof binnen drie
maanden na de inwerkingtreding van de
nieuwe bepaling nadat het in voorkomend
geval aan de andere partijen is betekend.
De artikelen 1079 tot 1081, 1087, 1092 tot
1094/1 en 1097 zijn van toepassing op dit
verzoekschrift en op de memories die de
partijen met elkaar uitwisselen.
Art. 1187, eerste en tweede lid
Art. 1187, eerste en tweede lid
Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom
toebehoren
aan
minderjarigen,
vermoedelijk afwezigen, beschermde personen
die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk
Wetboek onbekwaam werden verklaard om
Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom
toebehoren
aan
minderjarigen,
vermoedelijk afwezigen, beschermde personen
die krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk
Wetboek onbekwaam werden verklaard om
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
295
3552/001
DOC 55
onroerende goederen te vervreemden of aan
personen die geïnterneerd zijn ingevolge de wet
op de bescherming van de maatschappij, en aan
andere personen, dan kan de Vrederechter, op
verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers
of de andere mede-eigenaars, de openbare
verkoop
van
de
onverdeelde
goederen
machtigen.
onroerende goederen te vervreemden, en aan
andere personen, dan kan de Vrederechter, op
verzoek van de wettelijke vertegenwoordigers
of de andere mede-eigenaars, de openbare
verkoop
van
de
onverdeelde
goederen
machtigen.
De wettelijke vertegenwoordigers van de
betrokken
minderjarigen,
vermoedelijk
afwezigen, bewindvoerders van beschermde
personen die krachtens artikel 492/1 van het
Burgerlijk
Wetboek
onbekwaam
werden
verklaard
om
onroerende
goederen
te
vervreemden,
alsook
de
andere
mede-
eigenaars, moeten tot de machtigingsprocedure
worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten
minste acht dagen voor de zitting betekend
wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven
hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers
alsook voor zij die een bevel of beslagexploot
hebben doen overschrijven.
De wettelijke vertegenwoordigers van de
betrokken
minderjarigen,
vermoedelijk
afwezigen, bewindvoerders van beschermde
personen die krachtens artikel 492/1 van het
Burgerlijk
Wetboek
onbekwaam
werden
verklaard
om
onroerende
goederen
te
vervreemden,
alsook
de
andere
mede-
eigenaars, moeten tot de machtigingsprocedure
worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten
minste acht dagen voor de zitting betekend
wordt. Hetzelfde geldt voor de ingeschreven
hypothecaire schuldeisers, de ingeschreven
bevoorrechte schuldeisers en desgevallend de
in
het
Pandregister
geregistreerde
schuldeisers, alsook voor zij die een bevel of
beslagexploot hebben doen overschrijven.
Art. 1189, eerste lid
Art. 1189, eerste lid
De Franse tekst van dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst; deze
laatste wordt zelf niet gewijzigd.
Art. 1189/1
Art. 1189/1
Wanneer de onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan een onbeheerde
nalatenschap of een nalatenschap aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan
andere personen, kan de familierechtbank, op
verzoek van de curator van de onbeheerde
nalatenschap of de onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of
de andere mede-eigenaars, de openbare
verkoop van de onverdeelde onroerende
goederen machtigen. De curatoren van de
onbeheerde nalatenschap, de onder voorrecht
van
boedelbeschrijving
aanvaardende
erfgenamen, alsook de andere mede-eigenaars
dienen tot de machtigingsprocedure te worden
opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht
dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde
geldt voor de ingeschreven hypothecaire en
bevoorrechte schuldeisers alsook voor zij die
Wanneer de onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan een onbeheerde
nalatenschap of een nalatenschap aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving en aan
andere personen, kan de familierechtbank, op
verzoek van de curator van de onbeheerde
nalatenschap of de onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaardende erfgenaam of
de andere mede-eigenaars, de openbare
verkoop van de onverdeelde onroerende
goederen machtigen. De curatoren van de
onbeheerde nalatenschap, de onder voorrecht
van
boedelbeschrijving
aanvaardende
erfgenamen, alsook de andere mede-eigenaars
dienen tot de machtigingsprocedure te worden
opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht
dagen voor de zitting betekend wordt. Hetzelfde
geldt voor de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
296
een bevel of beslagexploot hebben doen
overschrijven. Indien de familierechtbank het
verzoekschrift inwilligt, wijst zij tegelijk een
notaris aan door wiens ambtelijke tussenkomst
voormelde verkoping zal geschieden. De
beslissing vermeldt uitdrukkelijk de identiteit
van de schuldeisers en de andere mede-
eigenaars die naar behoren bij de procedure
werden opgeroepen.
schuldeisers en desgevallend de in het
Pandregister
geregistreerde
schuldeisers,
alsook voor zij die een bevel of beslagexploot
hebben
doen
overschrijven.
Indien
de
familierechtbank het verzoekschrift inwilligt,
wijst zij tegelijk een notaris aan door wiens
ambtelijke tussenkomst voormelde verkoping
zal geschieden en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden. De
beslissing vermeldt uitdrukkelijk de identiteit
van de schuldeisers en de andere mede-
eigenaars die naar behoren bij de procedure
werden opgeroepen.
De begunstigde erfgenamen of de curator van
de onbeheerde nalatenschap en de andere
mede-eigenaars alsook, in voorkomend geval,
de vrederechter van het kanton waar de
goederen gelegen zijn, waken, elk voor wat hen
betreft, over de bescherming van de betrokken
belangen.
De begunstigde erfgenamen of de curator van
de onbeheerde nalatenschap en de andere
mede-eigenaars alsook, in voorkomend geval,
de vrederechter van het kanton waar de
goederen gelegen zijn, waken, elk voor wat hen
betreft, over de bescherming van de betrokken
belangen.
De machtiging van de rechtbank is niet vereist in
geval van toepassing van de artikelen 1186 en
1187.
Geen van de mede-eigenaars moet de
machtiging van de familierechtbank bekomen
indien zij die een machtiging moeten vragen op
basis van artikel 1187 deze hebben bekomen.
Art. 1191
Art. 1191
Indien het evenwel met het oog op de
beschermde belangen bedoeld in de artikelen
1186 tot 1190 vereist is dat de onroerende
goederen
geheel
of
gedeeltelijk
worden
verkocht in een of meer andere kantons dan dat
waar het goed gelegen is, wordt zulks
naargelang van het geval vermeld in de
beschikking van de vrederechter, in de beslissing
tot machtiging van de familierechtbank of van
de rechter-commissaris van het faillissement. De
vrederechter, de familierechtbank of de rechter-
commissaris wijst tegelijkertijd de vrederechter
aan die, in voorkomend geval, waakt over de
bescherming van de betrokken belangen.
Indien het evenwel met het oog op de
beschermde belangen bedoeld in de artikelen
1186 tot 1190 evenals in artikel 1193quater, § 2
vereist is dat de onroerende goederen geheel
of gedeeltelijk worden verkocht in een of meer
andere kantons dan dat waar het goed gelegen
is, wordt zulks naargelang van het geval
vermeld in de beschikking van de vrederechter,
in de beslissing tot machtiging van de
familierechtbank, van de rechter-commissaris
van
het
faillissement
of
van
de
ondernemingsrechtbank. De vrederechter, de
familierechtbank, de rechter-commissaris of de
ondernemingsrechtbank wijst tegelijkertijd de
vrederechter aan die, in voorkomend geval,
waakt over de bescherming van de betrokken
belangen.
Art. 1192
Art. 1192
§ 1. De door de aangestelde notaris opgestelde
verkoopsvoorwaarden worden ter goedkeuring
§ 1. De door de aangestelde notaris opgestelde
verkoopsvoorwaarden worden ter goedkeuring
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
297
3552/001
DOC 55
voorgelegd aan de vrederechter bij gewone
brief.
voorgelegd aan de vrederechter bij gewone
brief.
De vrederechter waakt over de bescherming van
de in artikel 1191 bedoelde belangen. In
voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van
de verkoopsvoorwaarden afhankelijk maken van
de vaststelling van bepaalde voorwaarden,
waaronder in het bijzonder zijn instemming met
de toewijzing.
De vrederechter waakt over de bescherming van
de in artikel 1191 bedoelde belangen. In
voorkomend geval kan hij zijn goedkeuring van
de verkoopsvoorwaarden afhankelijk maken van
de vaststelling van bepaalde voorwaarden,
waaronder in het bijzonder zijn instemming met
de toewijzing.
De notaris gaat over de bekendmaking zodra de
goedkeuring van de vrederechter bekomen
werd.
De notaris gaat over tot de bekendmaking zodra
de goedkeuring van de vrederechter bekomen
werd.
Ingeval de vrederechter zijn goedkeuring zou
weigeren, dient de zaak bij hem aanhangig
gemaakt te worden op eenzijdig verzoekschrift
ondertekend door de aangestelde notaris of een
advocaat teneinde een met redenen omklede
beschikking te wijzen, vatbaar voor de
rechtsmiddelen voorzien in de artikelen 1031 tot
1034.
Ingeval de vrederechter zijn goedkeuring zou
weigeren, dient de zaak bij hem aanhangig
gemaakt te worden op eenzijdig verzoekschrift
ondertekend door de aangestelde notaris of een
advocaat teneinde een met redenen omklede
beschikking te wijzen, vatbaar voor de
rechtsmiddelen voorzien in de artikelen 1031 tot
1034.
§ 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de
notaris of elke belanghebbende partij zich tot de
vrederechter wenden. In voorkomend geval
doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na
de wettelijke vertegenwoordigers van de
belanghebbenden,
de
voorlopig
inbezitgestelden, de erfgenamen die onder
voorrecht hebben aanvaard, de curatoren van
de
onbeheerde
nalatenschappen
of
de
curatoren van de failliete boedels te hebben
gehoord.
§ 2. Als er moeilijkheden ontstaan, kan de
notaris of elke belanghebbende partij zich tot de
vrederechter wenden. In voorkomend geval
doet de vrederechter de verkoop uitstellen, na
de wettelijke vertegenwoordigers van de
belanghebbenden,
de
voorlopig
inbezitgestelden, de erfgenamen die onder
voorrecht hebben aanvaard, de curatoren van
de onbeheerde nalatenschappen, de curatoren
van de failliete boedels of de vereffenaars van
een rechtspersoon te hebben gehoord.
Art. 1193, eerste lid
Art. 1193, eerste lid
De verkoop van de onroerende goederen
geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze
die gebruikelijk is inzake gewone openbare
verkoping
van
onroerende
goederen,
behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis
en 1193ter.
De verkoop van de onroerende goederen
geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze
die gebruikelijk is inzake gewone openbare
verkoping
van
onroerende
goederen,
behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis,
1193ter en 1193quater, § 3.
Art. 1193bis, derde en vierde lid
Art. 1193bis, derde en vierde lid
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt
ingediend bij een met redenen omkleed
verzoekschrift waarbij een door een notaris
opgemaakt ontwerp van verkoopakte, alsook
een schattingsverslag wordt gevoegd. De
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt
ingediend bij een met redenen omkleed
verzoekschrift. Hierbij voegen zij een door een
notaris opgemaakt ontwerp van verkoopakte,
een schattingsverslag en een getuigschrift van
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
298
ontwerpakte wordt gevoegd bij de beschikking
of bij het vonnis tot machtiging.
de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie van de Federale
Overheidsdienst Financiën met vermelding van
de
bestaande
inschrijvingen
en
alle
overschrijvingen van een bevel of een beslag
betreffende de te verkopen onroerende
goederen evenals desgevallend het resultaat
van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister. Het schattingsverslag wordt
opgemaakt door de deskundige aangewezen
door de notaris die de ontwerpakte heeft
opgesteld. De ontwerpakte wordt gevoegd bij
de beschikking of bij het vonnis tot machtiging.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, zij die een bevel of een
beslagexploot hebben doen overschrijven,
alsook de personen aangewezen in artikel 1187,
tweede lid, en artikel 1189/1, eerste lid,
naargelang
het
geval,
dienen
tot
de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de
personen aangewezen in artikel 1187, tweede
lid, en artikel 1189/1, eerste lid, naargelang het
geval, dienen tot de machtigingsprocedure te
worden opgeroepen bij gerechtsbrief die ten
minste acht dagen voor de zitting betekend
wordt.
Art. 1193ter, eerste en tweede lid
Art. 1193ter, eerste en tweede lid
In het geval van artikel 1190 kan de curator, bij
een met redenen omkleed verzoekschrift, aan
de ondernemingsrechtbank de machtiging
vragen om uit de hand te verkopen. De curator
legt aan de rechtbank het door een notaris,
aangewezen door de rechter-commissaris,
opgemaakt ontwerp van verkoopakte voor,
onder opgave van de redenen waarom de
verkoop uit de hand geboden is.
In het geval van artikel 1190 kan de curator, bij
een met redenen omkleed verzoekschrift, aan
de ondernemingsrechtbank de machtiging
vragen om uit de hand te verkopen. De curator
legt aan de rechtbank het ontwerp van
verkoopakte opgemaakt door een door de
curator aangewezen notaris voor, onder
opgave van de redenen waarom de verkoop uit
de hand geboden is.
Hierbij
voegen
zij
een
schattingsverslag,
opgemaakt door de door hen aangewezen
deskundige en een getuigschrift van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie,
na
de
faillietverklaring opgesteld, met vermelding van
de
bestaande
inschrijvingen
en
alle
overschrijvingen van een bevel of een beslag
betreffende
de
te verkopen onroerende
goederen. De ingeschreven hypothecaire of
bevoorrechte schuldeisers, de personen die een
Hierbij
voegen
zij
een
schattingsverslag,
opgemaakt door de deskundige aangewezen
door de notaris die de ontwerpakte heeft
opgesteld en een getuigschrift van de Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie,
na
de
faillietverklaring opgesteld, met vermelding van
de
bestaande
inschrijvingen
en
alle
overschrijvingen van een bevel of een beslag
betreffende
de
te verkopen onroerende
goederen.
De
ingeschreven
hypothecaire
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
299
3552/001
DOC 55
bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven en de gefailleerde dienen tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt. Zij kunnen van de
rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de
hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van
bepaalde
voorwaarden
zoals
een
minimumverkoopprijs.
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
schuldeisers die een bevel of een beslagexploot
hebben doen overschrijven en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden, de gefailleerde en desgevallend
de andere mede-eigenaars dienen tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt. Zij kunnen van de
rechtbank vorderen dat de machtiging om uit de
hand te verkopen afhankelijk wordt gesteld van
bepaalde voorwaarden.
Art. 1193quater
§
1.
Indien
de
vereffenaar
van
een
rechtspersoon van de zuivering wenst te
genieten overeenkomstig artikel 1326 voor de
openbare verkoop of verkoop uit de hand
waartoe hij overgaat op basis van de artikelen
2:87, § 3, 2:88, § 1, 4° of 5°, 2:121, § 3 of 2:122,
§ 1, 4° of 5° van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen, dient hij
voorafgaandelijk aan deze verkoop, bovendien
een
machtiging
te
verkrijgen
van
de
ondernemingsrechtbank.
Bij
gerechtelijke
ontbinding, kunnen de machtiging bepaald in
de artikelen 2:88 of 2:122 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen en deze
bedoeld in deze paragraaf tegelijkertijd
gevorderd worden.
§ 2. Indien de rechtbank machtiging verleent
om het onroerend goed openbaar te verkopen
met zuiverende werking, wijst hij tegelijk een
notaris
aan,
door
wiens
ambtelijke
tussenkomst de openbare verkoping zal
geschieden. De vereffenaar en, in voorkomend
geval, de vrederechter van het kanton waar het
onroerend goed gelegen is, waken, elk voor
wat hen betreft, over de bescherming van de
betrokken belangen.
§ 3. De vereffenaar kan bij een met redenen
omkleed
verzoekschrift
aan
de
ondernemingsrechtbank de machtiging vragen
om uit de hand te verkopen met zuiverende
werking. De vereffenaar legt aan de rechtbank
een
ontwerp
van
verkoopakte
voor,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
300
opgemaakt door een door hem aangewezen
notaris, onder opgave van de redenen waarom
de verkoop uit de hand geboden is.
Hierbij
voegt
hij
een
schattingsverslag,
opgemaakt door de deskundige aangewezen
door de notaris die de ontwerpakte heeft
opgesteld en een getuigschrift van de
Algemene
Administratie
van
de
Patrimoniumdocumentatie van de Federale
Overheidsdienst
Financiën,
na
de
invereffeningstelling
opgesteld,
met
vermelding van de bestaande inschrijvingen en
alle overschrijvingen van een bevel of een
beslag betreffende het te verkopen onroerend
goed evenals desgevallend het resultaat van de
opzoeking na raadpleging van het Pandregister.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, du schuldeisers
die een bevel of een beslagexploot hebben
doen overschrijven en zij die een vordering
ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek hebben laten kantmelden
evenals de rechtspersoon in vereffening en
desgevallend de mede-eigenaars dienen tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt. De verschuldigde
retributie geldt als griffiekost. Zij kunnen van
de rechtbank vorderen dat de machtiging om
uit de hand te verkopen afhankelijk wordt
gesteld van bepaalde voorwaarden.
De machtiging om te verkopen met zuiverende
werking wordt verleend indien het belang van
de te vereffenen boedel zulks vereist. De
beschikking bepaalt uitdrukkelijk waarom de
verkoop uit de hand het belang van de te
vereffenen boedel dient en vermeldt de
identiteit van de schuldeisers die naar behoren
bij de procedure werden opgeroepen. Deze
vorm van verkoop kan van de vaststelling van
een minimumprijs afhankelijk worden gesteld.
De verkoping moet overeenkomstig de door de
rechtbank
aangenomen
ontwerpakte
geschieden, door de ambtelijke tussenkomst
van de notaris die deze heeft opgesteld. Hoger
beroep tegen de beschikking van de rechtbank
kan ingesteld worden door de verzoeker of
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
301
3552/001
DOC 55
door de tussenkomende schuldeisers op de
wijze bepaald in artikel 1031.
Art. 1253ter/1, § 2 en 3
Art. 1253ter/1, § 2 en 3
§ 2. In familiezaken hoort de rechter de partijen,
tijdens de verschijning van de partijen op de
inleidingszitting, over de wijze waarop ze
getracht hebben om het geschil op minnelijke
wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak,
en om vast te stellen of een minnelijke oplossing
overwogen kan worden.
§ 2. In familiezaken hoort de rechter de partijen,
tijdens de verschijning van de partijen op de
inleidingszitting, over de wijze waarop ze
getracht hebben om het geschil op minnelijke
wijze op te lossen voor de inleiding van de zaak,
en om vast te stellen of een minnelijke oplossing
overwogen kan worden.
Op vraag van de partijen of indien de rechter dit
nuttig acht, kan hij de zaak verdagen naar een
vaste datum die de termijn van een maand niet
mag overschrijden, behoudens akkoord van de
partijen volgens de regels bepaald in artikel
730/1. Op vraag van de partijen of indien hij dit
nuttig acht, kan hij de zaak ook verwijzen naar
de
kamer
voor
minnelijke
schikking,
overeenkomstig paragraaf 3. Indien er evenwel
ernstige aanwijzingen zijn dat de ene partij
geweld, bedreigingen of enige andere vorm van
druk gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van
de andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid,
van overeenkomstige toepassing.
Op vraag van de partijen of indien de rechter dit
nuttig acht, kan hij de zaak verdagen naar een
vaste datum die de termijn van een maand niet
mag overschrijden, behoudens akkoord van de
partijen volgens de regels bepaald in artikel
730/1. Op vraag van de partijen of indien hij dit
nuttig acht, kan hij de zaak ook verwijzen naar
de
kamer
voor
minnelijke
schikking,
overeenkomstig de artikelen 734/1 tot 734/4.
Indien er evenwel ernstige aanwijzingen zijn dat
de ene partij geweld, bedreigingen of enige
andere vorm van druk gebruikt of heeft gebruikt
ten aanzien van de andere partij, is artikel 1734,
§ 1, derde lid, van overeenkomstige toepassing.
§ 3. In familiezaken, kunnen de zaken met het
oog op een verzoening voorgelegd worden aan
de kamer voor minnelijke schikking van de
familierechtbank dan wel van de familiekamers
van het hof van beroep. Dat kan ook het geval
zijn
wanneer
de
zaak
bij
een
andere
familiekamer aanhangig is, op voorwaarde dat
de kamer voor minnelijke schikking bij machte is
een zitting te houden op een eerdere datum.
Opgeheven.
Op verzoek van de partijen of indien hij dit nuttig
acht, beveelt de rechter de doorverwijzing van
de zaak naar de kamer voor minnelijke schikking
van dezelfde rechtbank of van dezelfde
familiekamers van het Hof van beroep, middels
eenvoudige vermelding op het proces-verbaal
van de zitting. Binnen drie dagen na die
beslissing zendt de griffier het dossier van de
procedure over aan de griffier van de kamer
voor minnelijke schikking waarnaar de zaak
werd doorverwezen. De griffier van de kamer
voor minnelijke schikking roept de partijen bij
gerechtsbrief op om te verschijnen op de dag,
plaats en uur van de zitting waarop de zaak zal
Opgeheven.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
302
worden opgeroepen. Indien er evenwel ernstige
aanwijzingen zijn dat de ene partij geweld,
bedreigingen of enige andere vorm van druk
gebruikt of heeft gebruikt ten aanzien van de
andere partij, is artikel 1734, § 1, derde lid, van
overeenkomstige toepassing.
Indien geen overeenkomst of slechts een
gedeeltelijke overeenkomst wordt getroffen,
verwijst de kamer voor minnelijke schikking,
volgens dezelfde formaliteiten als bepaald in het
tweede lid, het dossier naar de familiekamer
waarbij het dossier werd ingeleid.
Opgeheven.
De partijen of de magistraat hebben gedurende
het gehele geding de mogelijkheid te vragen dat
hun zaak naar de kamer voor minnelijke
schikking wordt verwezen.
Opgeheven.
In elke stand van het geding worden, indien een
gehele of gedeeltelijke overeenkomst tot stand
komt, de bewoordingen ervan opgetekend in
het proces-verbaal waarvan de uitgifte wordt
voorzien
van
het
formulier
van
tenuitvoerlegging,
tenzij
de
partijen
om
toepassing van artikel 1043 verzoeken.
Opgeheven.
Alles wat er wordt gezegd of geschreven tijdens
de zittingen van minnelijke schikking is
vertrouwelijk.
Opgeheven.
Zowel de partijen als de rechter bij de kamer
voor minnelijke schikking kunnen te allen tijde
een einde stellen aan de procedure van
minnelijke schikking.
Art. 1253ter/3, § 2
Art. 1253ter/3, § 2
§ 2. Mits alle partijen hiermee akkoord gaan, kan
de rechtbank de zaak verdagen naar een vaste
datum die de termijn bepaald in artikel 1734 niet
mag overschrijden, teneinde de partijen de
mogelijkheid te bieden na te gaan of er
akkoorden kunnen worden gesloten dan wel de
bemiddeling een oplossing zou kunnen bieden
aan partijen, of kan zij de zaak, verwijzen naar de
kamer van minnelijke schikking, overeenkomstig
artikel 1253ter/1, § 3, tweede lid. De zaak kan op
schriftelijk verzoek van een van de partijen op
een vroegere datum worden hervat.
§ 2. Mits alle partijen hiermee akkoord gaan, kan
de rechtbank de zaak verdagen naar een vaste
datum die de termijn bepaald in artikel 1734 niet
mag overschrijden, teneinde de partijen de
mogelijkheid te bieden na te gaan of er
akkoorden kunnen worden gesloten dan wel de
bemiddeling een oplossing zou kunnen bieden
aan partijen, of kan zij de zaak, verwijzen naar de
kamer van minnelijke schikking, overeenkomstig
artikel 734/1, § 2. De zaak kan op schriftelijk
verzoek van een van de partijen op een vroegere
datum worden hervat.
Art. 1253quater a)
Art. 1253quater a)
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
303
3552/001
DOC 55
Onder voorbehoud van de toepassing van de
artikelen 1253ter/4 en 1253ter/7, wanneer de
vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214,
215, 216, 221 en 223 van het oud Burgerlijk
Wetboek en op de artikelen 2.3.34, 2.3.35,
2.3.40, 2.3.56, derde lid, en 2.3.63 van het
Burgerlijk Wetboek:
a) de rechtbank doet de partijen oproepen
en verwijst de partijen, in voorkomend
geval, naar de kamers voor minnelijke
schikking
overeenkomstig
artikel
1253ter/1, § 3, tweede lid;
Onder voorbehoud van de toepassing van de
artikelen 1253ter/4 en 1253ter/7, wanneer de
vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214,
215, 216, 221 en 223 van het oud Burgerlijk
Wetboek en op de artikelen 2.3.34, 2.3.35,
2.3.40, 2.3.56, derde lid, en 2.3.63 van het
Burgerlijk Wetboek:
a) de rechtbank doet de partijen oproepen en
verwijst de partijen, in voorkomend geval,
naar de kamers voor minnelijke schikking
overeenkomstig artikel 734/1, § 2;
Art. 1326
Art. 1326
§ 1. De openbare verkopingen van onroerende
goederen gemachtigd overeenkomstig artikelen
1186, 1189, 1190, 1580 en 1675/14bis evenals
de
openbare
verkopingen
gemachtigd
overeenkomstig artikel XX.88 van het Wetboek
economisch recht brengen overwijzing mee van
de prijs ten behoeve van de ingeschreven
hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers
alsook ten behoeve van de schuldeisers die een
bevel
of
beslagexploot
hebben
doen
overschrijven, dewelke bij de toewijzing werden
opgeroepen ten minste acht dagen voor het
eerste bod werd uitgebracht.
§ 1. De verkopingen van onroerende goederen
die geheel toebehoren aan de schuldenaar
toegelaten tot de collectieve schuldenregeling,
de gefailleerde, de schuldenaar in gerechtelijke
reorganisatie
door
overdracht
onder
gerechtelijk
gezag,
de
rechtspersoon
in
vereffening,
minderjarigen,
vermoedelijk
afwezigen,
beschermde
personen
die
krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk
wetboek onbekwaam werden verklaard om
onroerende goederen te vervreemden, een
onbeheerde nalatenschap, een nalatenschap
aanvaard
onder
voorrecht
van
boedelbeschrijving, brengen overwijzing van
de prijs met zich mee ten behoeve van de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, ten behoeve van
de schuldeisers die een bevel of beslagexploot
hebben doen overschrijven alsook ten behoeve
van de schuldeisers die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, op
voorwaarde:
De verkopingen uit de hand van onroerende
goederen gemachtigd overeenkomstig artikelen
1193bis,
1193ter,
1580bis,
1580ter
en
1675/14bis evenals de verkopingen uit de hand
gemachtigd overeenkomstig artikel XX.88 van
het Wetboek economisch recht brengen
overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de
ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers alsook ten behoeve van de
schuldeisers die een bevel of beslagexploot
1° dat deze schuldeisers in het kader van de
gemachtigde of bevolen openbare verkoop
werden opgeroepen door de notaris om de
verkoopsverrichtingen
te
volgen.
Deze
oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of
aangetekende zending met ontvangstbewijs
ten minste acht dagen voor de dag van de
verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
304
hebben doen overschrijven, dewelke tot de
machtingsprocedure werden opgeroepen bij
gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor de
zitting betekend werd.
ten minste acht dagen voor de dag van de
aanvang van de biedingsperiode; of
§ 2. De openbare verkopingen en verkopingen
uit de hand van onverdeelde onroerende
goederen,
gemachtigd
of
bevolen
overeenkomstig de artikelen 1187, 1189bis,
1193bis, 1209, 1214, 1224 en 1675/14bis, alsook
overeenkomstig artikelen XX.88 en XX.193 van
het Wetboek economisch recht, brengen
overwijzing mee van de prijs ten behoeve van
alle ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers alsook ten behoeve van de
schuldeisers die een bevel of beslagexploot
hebben doen overschrijven, dewelke tot de
machtingsprocedure werden opgeroepen bij
gerechtsbrief die ten minste die ten minste acht
dagen op voorhand de zitting betekend wordt.
2° dat zij in het kader van de verkoop uit de
hand door de griffie tot de machtingsprocedure
werden opgeroepen. Deze oproeping gebeurt
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen vóór
de zitting ter kennis wordt gegeven.
§ 3. De titel van de koper bestaat uit de akte
zonder dat de beschikking of het vonnis tot
machtiging hieraan toegevoegd dient te worden
of overgeschreven moet worden.
Deze paragraaf is eveneens van toepassing op
de gemachtigde of bevolen verkoop van een
onroerend goed op beslag dat geheel of deels
toebehoort aan de beslagene, tenzij in geval
van toepassing van artikel 1561, in welk geval
deze verkoop plaatsvindt in het kader van een
gerechtelijke
vereffening-verdeling
overeenkomstig paragraaf 3.
§
2. De
verkopingen
van
onverdeelde
onroerende goederen deels toebehorend aan
de schuldenaar toegelaten tot de collectieve
schuldenregeling,
de
gefailleerde,
de
schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door
overdracht onder gerechtelijk gezag, de
rechtspersoon in vereffening die het voordeel
van
de
zuivering
heeft
bekomen,
minderjarigen,
vermoedelijk
afwezigen,
beschermde personen die krachtens artikel
492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek
onbekwaam werden verklaard om onroerende
goederen te vervreemden, een onbeheerde
nalatenschap of een nalatenschap aanvaard
onder voorrecht van boedelbeschrijving, en
aan andere personen, brengen overwijzing mee
van de prijs ten behoeve van de in paragraaf 1
opgesomde schuldeisers die door de griffie
werden
opgeroepen
tot
de
machtigingsprocedure van de verkoop. Deze
oproeping gebeurt bij gerechtsbrief die ten
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
305
3552/001
DOC 55
minste acht dagen vóór de zitting ter kennis
wordt gegeven.
§ 3. Voor de verkopingen die plaatsvinden in
het kader van een gerechtelijke vereffening-
verdeling, is volgende bijzondere regeling van
toepassing:
1° de openbare verkoop brengt overwijzing
mee van de prijs ten behoeve van de in
paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door
de notaris werden opgeroepen om de
verkoopsverrichtingen
te
volgen.
Deze
oproeping gebeurt bij deurwaardersexploot of
aangetekende zending met ontvangstbewijs
ten minste acht dagen voor de dag van de
verkoop, of bij gedematerialiseerde biedingen,
ten minste acht dagen voor de dag van de
aanvang van de biedingsperiode;
2° de verkoop uit de hand brengt overwijzing
mee van de prijs ten behoeve van de in
paragraaf 1 opgesomde schuldeisers die door
de
griffie
werden
opgeroepen
tot
de
machtigingsprocedure,
voor
zover
de
verkopende partij zich vrijwillig onderworpen
heeft aan de procedure van machtiging
bedoeld in artikel 1193bis. Deze oproeping
gebeurt bij gerechtsbrief die ten minste acht
dagen vóór de zitting ter kennis wordt gegeven.
§ 4. Indien uit de toepassing van paragrafen 2
en 3 blijkt dat de overwijzing van de prijs kan
worden
bekomen
in
het
kader
van
verschillende procedures, volstaat het dat de
schuldeisers opgesomd in paragraaf 1 werden
opgeroepen bij één van deze procedures om de
zuivering te bewerkstelligen.
§ 5. Tegenover de schuldeisers opgesomd in
paragraaf
1,
van
wie
de
inschrijving,
overschrijving, registratie in het Pandregister of
kantmelding dateert van na de oproeping
voorzien in paragrafen 1 tot en met 3, brengen
de verkopingen van onroerende goederen
eveneens van rechtswege overwijzing mee van
de prijs, zonder dat deze schuldeisers moeten
worden opgeroepen.
§ 6. De titel van de koper bestaat uit de akte
zonder dat de beschikking of het vonnis tot
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
306
machtiging hieraan toegevoegd dient te
worden of overgeschreven moet worden.”.
Art. 1389bis/7
Art. 1389bis/7
Op verzoek van de minister van Justitie, de
ministers tot wier bevoegdheid de economie
behoort,
de
wetgevende
Kamers,
(de
Gemeenschaps- en Gewestparlementen) en het
Planbureau, alsook, na eensluidend advies van
het Beheers- en toezichtscomité, van alle
betrokken personen en organisaties, maakt de
Nationale Kamer hen anonieme gegevens over,
die nuttig zijn voor onderzoek in verband met
het
bewarend
beslag,
de
middelen
tot
tenuitvoerlegging,
de
collectieve
schuldenregeling en het protest. Gecodeerde
gegevens kunnen enkel worden overgemaakt
overeenkomstig de toepasselijke regels tot
bescherming van de persoonlijke levenssfeer
ten
opzichte
van
de
verwerking
van
persoonsgegevens.
Op verzoek van de minister van Justitie, de
ministers tot wier bevoegdheid de economie
behoort,
de
wetgevende
Kamers,
(de
Gemeenschaps- en Gewestparlementen) en het
Planbureau, alsook, na advies van het Beheers-
en toezichtscomité, van alle betrokken personen
en organisaties, maakt de Nationale Kamer hen
anonieme gegevens over, die nuttig zijn voor
onderzoek in verband met het bewarend beslag,
de
middelen
tot
tenuitvoerlegging,
de
collectieve schuldenregeling en het protest.
Gecodeerde gegevens kunnen enkel worden
overgemaakt overeenkomstig de toepasselijke
regels tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van
persoonsgegevens.
Art. 1390quater, § 1, tweede lid (na
inwerkingtreding wet van 5 mei 2019)
Art. 1390quater, § 1, tweede lid
Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot
vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de
griffier aan het bestand van berichten de
vermelding van de datum van deze beslissing en
van
de
identiteit
van
de
vervangende
schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°.
Binnen vierentwintig uur na de beslissing tot
vervanging van de schuldbemiddelaar, zendt de
griffier middels het centraal register collectieve
schuldenregeling bedoeld in artikel 1675/20
aan het bestand van berichten de vermelding
van de datum van deze beslissing en van de
identiteit
van
de
vervangende
schuldbemiddelaar zoals in lid 1, 2°.
Art. 1409
Art. 1409
§ 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een
arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst,
een statuut, een abonnement, alsmede die
welke worden uitgekeerd aan personen die
tegen loon onder het gezag van een ander
persoon
arbeid
verrichten
buiten
een
arbeidsovereenkomst, en het vakantiegeld
betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse
vakantie kunnen onbeperkt overgedragen of in
beslag genomen worden voor het gedeelte van
hun totaal bedrag boven 35 000 frank per
kalendermaand.
§ 1. Bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een
arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst,
een statuut, een abonnement, alsmede die
welke worden uitgekeerd aan personen die
tegen loon onder het gezag van een ander
persoon
arbeid
verrichten
buiten
een
arbeidsovereenkomst, en het vakantiegeld
betaald krachtens de wetgeving op de jaarlijkse
vakantie kunnen onbeperkt overgedragen of in
beslag genomen worden voor het gedeelte van
hun totaal bedrag boven 1706 euro per
kalendermaand.
Het gedeelte van die bedragen boven 29 000
frank en tot ten hoogste 32 000 frank per
Het gedeelte van die bedragen boven 1414 euro
en
tot
ten
hoogste
1560
euro
per
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
307
3552/001
DOC 55
kalendermaand, kan niet worden overgedragen
of in beslag genomen voor meer dan 30 % in
totaal, het gedeelte boven 32 000 frank en tot
ten hoogste 35 000 frank per kalendermaand,
kan niet worden overgedragen of in beslag
genomen voor meer dan 40 % in totaal; het
gedeelte boven 27 000 frank en tot ten hoogste
29 000 frank per kalendermaand, kan niet
worden overgedragen of in beslag genomen
voor meer dan een vijfde in totaal.
kalendermaand, kan niet worden overgedragen
of in beslag genomen voor meer dan 30 % in
totaal, het gedeelte boven 1560 euro en tot ten
hoogste 1706 euro per kalendermaand, kan niet
worden overgedragen of in beslag genomen
voor meer dan 40 % in totaal; het gedeelte
boven 1316 euro en tot ten hoogste 1414 euro
per
kalendermaand,
kan
niet
worden
overgedragen of in beslag genomen voor meer
dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van genoemde bedragen dat 27
000 frank per kalendermaand niet te boven
gaat, is niet vatbaar voor overdracht of beslag.
Het gedeelte van genoemde bedragen dat 1316
euro per kalendermaand niet te boven gaat, is
niet vatbaar voor overdracht of beslag.
Wanneer personen die inkomsten genieten
bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen
ten laste hebben, wordt het voor beslag of
overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen
ervan, verminderd met 50 euro per kind ten
laste. De Koning bepaalt bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat
moet verstaan worden onder kind ten laste.
Wanneer personen die inkomsten genieten
bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen
ten laste hebben, wordt het voor beslag of
overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen
ervan, verminderd met 81 euro per kind ten
laste. De Koning bepaalt bij een besluit
vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat
moet verstaan worden onder kind ten laste.
Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad eveneens de regels voor de
bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en
de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de
regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31
december
2004,
wettelijke
bepalingen
uitvaardigen
en
wijzigen,
zelfs
inzake
aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk
aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de
aangelegenheden waarvoor de meerderheid
voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de
Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005
dient
de
Koning
bij
de
Kamer
van
volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in
ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd
krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen
uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1
januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben
geen uitwerking.
Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad eveneens de regels voor de
bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en
de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de
regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31
december
2004,
wettelijke
bepalingen
uitvaardigen
en
wijzigen,
zelfs
inzake
aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk
aan de wet voorbehoudt, met uitsluiting van de
aangelegenheden waarvoor de meerderheid
voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de
Grondwet wordt vereist. Vóór 1 januari 2005
dient
de
Koning
bij
de
Kamer
van
volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in
ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd
krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen
uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die vóór 1
januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben
geen uitwerking.
§ 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan
deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt
overgedragen of in beslag genomen worden,
voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven
35
000
frank
per
kalendermaand.
Het gedeelte van die bedragen boven 29 000
frank en tot ten hoogste 35 000 frank per
kalendermaand, kan niet worden overgedragen
§ 1bis. Inkomsten uit andere activiteiten dan
deze bedoeld in § 1, kunnen onbeperkt
overgedragen of in beslag genomen worden,
voor het gedeelte van hun totaal bedrag boven
1706
euro
per
kalendermaand.
Het gedeelte van die bedragen boven 1414
euro en tot ten hoogste 1560 euro per
kalendermaand, kan niet worden overgedragen
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
308
of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde
in totaal; het gedeelte boven 27 000 frank en tot
ten hoogste 29 000 frank per kalendermaand,
kan niet worden overgedragen of in beslag
genomen voor meer dan een vijfde in totaal.
of in beslag genomen voor meer dan twee vijfde
in totaal; het gedeelte boven 1316 euro en tot
ten hoogste 1414 euro per kalendermaand, kan
niet worden overgedragen of in beslag genomen
voor meer dan een vijfde in totaal.
Het gedeelte van die bedragen dat 27 000 frank
per kalendermaand niet te boven gaat, is niet
vatbaar voor overdracht of beslag.
Het gedeelte van die bedragen dat 1316 euro
per kalendermaand niet te boven gaat, is niet
vatbaar voor overdracht of beslag.
Wanneer personen die inkomsten genieten
bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen
ten laste hebben, wordt het voor beslag of
overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen
ervan, verminderd met 50 euro per kind ten
laste. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit wat moet verstaan
worden onder kind ten laste.
Wanneer personen die inkomsten genieten
bedoeld in het eerste lid één of meer kinderen
ten laste hebben, wordt het voor beslag of
overdracht vatbare bedrag, binnen de grenzen
ervan, verminderd met 81 euro per kind ten
laste. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit wat moet verstaan
worden onder kind ten laste.
Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad eveneens de regels voor de
bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en
de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de
regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31
december
2004
wettelijke
bepalingen
uitvaardigen
en
wijzigen,
zelfs
inzake
aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk
aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de
aangelegenheden waarvoor de meerderheid
voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de
Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005
dient
de
Koning
bij
de
Kamer
van
volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in
ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd
krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen
uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1
januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben
geen uitwerking.
Hij bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad eveneens de regels voor de
bewijsvoering, erin begrepen de bewijskracht en
de geldigheidsduur van de bewijzen alsook de
regels van rechtspleging. Daartoe kan Hij, tot 31
december
2004
wettelijke
bepalingen
uitvaardigen
en
wijzigen,
zelfs
inzake
aangelegenheden die de Grondwet uitdrukkelijk
aan de wet voorbehoudt met uitsluiting van de
aangelegenheden waarvoor de meerderheid
voorgeschreven in artikel 4, derde lid, van de
Grondwet wordt vereist. Voor 1 januari 2005
dient
de
Koning
bij
de
Kamer
van
volksvertegenwoordigers een wetsontwerp in
ter bekrachtiging van de besluiten uitgevaardigd
krachtens dit lid en die wettelijke bepalingen
uitvaardigen of wijzigen. De besluiten die voor 1
januari 2006 niet worden bekrachtigd hebben
geen uitwerking.
§ 1ter. De maaltijdcheques bedoeld in artikel
19bis van het koninklijk besluit van 28 november
1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969
tot herziening van de besluitwet van 28
december
1944
betreffende
de
maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn
niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij
beantwoorden aan de voorwaarden van artikel
19bis, § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit.
§ 1ter. De maaltijdcheques bedoeld in artikel
19bis van het koninklijk besluit van 28 november
1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969
tot herziening van de besluitwet van 28
december
1944
betreffende
de
maatschappelijke zekerheid der arbeiders zijn
niet vatbaar voor beslag of overdracht indien zij
beantwoorden aan de voorwaarden van artikel
19bis, § § 2 en 3, van hetzelfde koninklijk besluit.
Deze maaltijdcheques vallen niet onder de
samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet,
Deze maaltijdcheques vallen niet onder de
samenvoeging waarin artikel 1411 voorziet,
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
309
3552/001
DOC 55
noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald
in artikel 1412.
noch behoren zij tot de uitzonderingen bepaald
in artikel 1412.
§ 2. Elk jaar past de Koning de in § 1 en § 1bis
bepaalde bedragen aan, rekening houdend met
het indexcijfer van de consumptieprijzen van de
maand november van elk jaar.
§ 2. Elk jaar en onverminderd de toepassing van
paragraaf 3 past de Koning de in § 1 en § 1bis
bepaalde bedragen aan, rekening houdend met
de afgevlakte gezondheidsindex van de maand
november van elk jaar.
Voor de bedragen vermeld in de eerste drie
leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer
dat van de maand november 1989. Voor het
bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis
is het aanvangsindexcijfer dat van de maand van
de publicatie in het Belgisch Staatsblad van de
wet van 24 maart 2000 tot wijziging van de
artikelen 1409, 1409bis, 1410 en 1411 van het
Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de
aanpassing van het bedrag van het loon dat niet
vatbaar is voor overdracht of beslag.
Voor de bedragen vermeld in de eerste drie
leden van § 1 en § 1bis is het aanvangsindexcijfer
dat van de maand november 2022. Voor het
bedrag vermeld in het vierde lid van § 1 en § 1bis
is het aanvangsindexcijfer van de maand
november 2022.
Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer
brengt een verhoging of verlaging van de
bedragen met zich mee, overeenkomstig de
volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk
aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het
nieuwe indexcijfer en gedeeld door het
aanvangsindexcijfer.
Het
resultaat
wordt
afgerond tot het hogere honderdtal.
Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer
brengt een verhoging of verlaging van de
bedragen met zich mee, overeenkomstig de
volgende formule: het nieuwe bedrag is gelijk
aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het
nieuwe indexcijfer en gedeeld door het
aanvangsindexcijfer.
Het
resultaat
wordt
afgerond tot het hogere honderdtal.
Het aldus aangepaste laatste bedrag mag
evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald
bij artikel 2, § 1, 1, van de wet van 7 augustus
1974 tot instelling van het recht op een
bestaansminimum, dat van kracht zal zijn op 1
januari van het jaar volgend op de aanpassing,
afgerond tot het hogere duizendtal.
Het aldus aangepaste laatste bedrag mag
evenwel nooit lager zijn dan het bedrag bepaald
bij artikel 14, § 1, eerste lid van de wet van 26
mei
2002
betreffende
het
recht
op
maatschappelijke integratie, dat van kracht zal
zijn op 1 januari van het jaar volgend op de
aanpassing,
afgerond
tot
het
hogere
honderdtal.
Binnen de eerste vijftien dagen van de maand
december van elk jaar, worden de nieuwe
bedragen bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf 1 januari
van het jaar volgend op hun aanpassing.
Voor 31 december van elk jaar, worden de
nieuwe bedragen bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad. Zij worden van kracht vanaf
1 januari van het jaar volgend op hun
aanpassing.
§ 2bis. De Koning verricht de in het tweede lid
bedoelde aanpassing eveneens indien de
stijging of daling van het indexcijfer in de loop
van het jaar meer dan 5% bedraagt ten opzichte
van de laatste aanpassing.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
310
De nieuwe bedragen worden bekendgemaakt
binnen de maand die volgt op de verhoging of
verlaging. Ze treden in werking vanaf de eerste
dag
van
de
maand
volgend
op
hun
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis
bepaalde bedragen na advies van de Nationale
Arbeidsraad aanpassen, rekening houdend met
de economische toestand.
§ 3. De Koning kan bovendien de in § 1 en § 1bis
bepaalde bedragen bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit aanpassen, rekening
houdend met de economische toestand.
Het besluit treedt in werking op 1 januari van het
jaar na dat waarin het is bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad.
De nieuwe bedragen treden in werking vanaf
de eerste dag van de maand volgend op hun
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Ze
treden uit werking op de door de Koning
bepaalde datum of, bij gebreke daarvan, op 31
december
van
het
jaar
van
hun
inwerkingtreding en uiterlijk één jaar na de
inwerkingtreding ervan.
Tijdens de laatste maand waarin zij van kracht
zijn, verricht de Koning de in het tweede lid of
in dit lid bedoelde aanpassing. Indien de
aanpassing geschiedt op basis van het tweede
lid, houdt hij rekening met het indexcijfer van
de maand die aan de aanpassing voorafgaat. De
nieuwe bedragen treden in werking op de
eerste dag van de maand die volgt op hun
aanpassing.
Art. 1561, lid 1
Art. 1561, lid 1
Niettemin kan het beslag op het onverdeelde
aandeel
van
de
schuldenaar
door
zijn
persoonlijke schuldeisers niet worden ten
uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling,
die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd
zijn tussen te komen, met dien verstande dat de
overeenkomst van onverdeeldheid gesloten
vóór de vordering tot verdeling of voor de akte
tot vestiging van de hypotheek, moet worden in
acht genomen.
Niettemin kan het beslag op het onverdeelde
aandeel
van
de
schuldenaar
door
zijn
persoonlijke schuldeisers niet worden ten
uitvoer gebracht vóór de verdeling of de veiling,
die zij kunnen vorderen of waarin zij gerechtigd
zijn tussen te komen, met dien verstande dat de
overeenkomst van onverdeeldheid gesloten
vóór de vordering tot verdeling of voor de akte
tot vestiging van de hypotheek, moet worden in
acht genomen. In voormelde gevallen zijn de
artikelen 1207 en volgende van toepassing.
Art. 1580bis, derde lid
Art. 1580bis, derde lid
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, degenen die een bevel of een
exploot
van
beslaglegging
hebben
laten
overschrijven, de beslagene en desgevallend de
derde
houder
dienen
tot
de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een exploot van beslaglegging
hebben laten overschrijven en zij die een
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
311
3552/001
DOC 55
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt.
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden, de beslagene en desgevallend de
derde
houder
dienen
tot
de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt.
Art. 1580ter, lid 1 en 2
Art. 1580ter, lid 1 en 2
Wanneer de beslag leggende schuldeiser
machtiging vraagt om uit de hand te verkopen,
legt hij de rechter een door een notaris
opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet
de redenen uiteen waarom de verkoop uit de
hand geboden is.
Wanneer de beslag leggende schuldeiser
machtiging vraagt om uit de hand te verkopen,
legt hij de rechter een door een notaris
opgesteld ontwerp van verkoopakte voor en zet
de redenen uiteen waarom de verkoop uit de
hand geboden is. Hierbij voegt hij een
schattingsverslag
opgemaakt
door
een
deskundige aangewezen door de notaris die de
ontwerpakte
heeft
opgesteld
en
een
getuigschrift van de Algemene Administratie
van de Patrimoniumdocumentatie van de
Federale
Overheidsdienst
Financiën
met
vermelding van de bestaande inschrijvingen en
alle overschrijvingen van een bevel of een
beslag betreffende de te verkopen onroerende
goederen evenals desgevallend het resultaat
van de opzoeking na raadpleging van het
Pandregister.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, degenen die een bevel of een
beslag hebben laten overschrijven, de beslagene
en desgevallend de derde houder dienen tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen
bij gerechtsbrief die ten minste acht dagen voor
de zitting betekend wordt. De machtiging wordt
verleend indien het belang van de schuldeisers,
van de schuldenaar en, desgevallend, van de
derde houder zulks vereist.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslag hebben laten
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden,
de
beslagene en desgevallend de derde houder
dienen tot de machtigingsprocedure te worden
opgeroepen bij gerechtsbrief die ten minste acht
dagen voor de zitting betekend wordt. De
machtiging wordt verleend indien het belang
van de schuldeisers, van de schuldenaar en,
desgevallend, van de derde houder zulks vereist.
Art. 1582, derde lid
Art. 1582, derde lid
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, degenen die een bevel of een
beslagexploot hebben doen overschrijven en de
schuldenaar worden ten minste een maand vóór
het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand
De ingeschreven schuldeisers, de ingeschreven
bevoorrechte schuldeisers, desgevallend de in
het Pandregister geregistreerde schuldeisers,
de schuldeisers die een bevel of een
beslagexploot hebben doen overschrijven en zij
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
312
om
inzage
te
nemen
van
die
verkoopsvoorwaarden
en
om
de
verkoopsverrichtingen te volgen.
die een vordering ingesteld krachtens artikel
5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden en de schuldenaar worden ten
minste een maand vóór het eerste bod wordt
uitgebracht aangemaand om inzage te nemen
van die verkoopsvoorwaarden en om de
verkoopsverrichtingen te volgen.
Art. 1639, lid 2
Art. 1639, lid 2
De rangregeling geopend na de verkoop in het
kader van een insolventieprocedure of in het
kader van de vereffening van een onbeheerde of
onder
voorrecht
van
boedelbeschrijving
aanvaarde
nalatenschap
beperkt
zich,
behoudens andersluidende modaliteiten, tot de
betaling van de ingeschreven hypothecaire en
bevoorrechte schuldeisers. Na betaling van
voornoemde
schuldeisers
stort
de
instrumenterende
ministerieel
ambtenaar,
desgevallend, het saldo van de verkoopprijs en
de toebehoren aan de gerechtsmandataris of
aan de onder voorrecht van boedelbeschrijving
aanvaardende erfgenaam. Deze storting is
bevrijdend net zoals de storting gedaan door de
koper overeenkomstig artikel 1641.
De rangregeling geopend na de verkoop van het
onroerend
goed
toebehorend
aan
een
schuldenaar toegelaten tot de collectieve
schuldenregeling,
een
gefailleerde,
een
schuldenaar in gerechtelijke reorganisatie door
overdracht onder gerechtelijk gezag, een
rechtspersoon in vereffening die het voordeel
van
de
zuivering
heeft
bekomen,
een
onbeheerde of een onder voorrecht van
boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap
beperkt
zich,
behoudens
andersluidende
modaliteiten,
tot
de
betaling
van
de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
bijzonder
bevoorrechte
schuldeisers
en
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers. De gelden die
toekomen aan de schuldeiser die een vordering
ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld, worden
gestort op een rubriekrekening in afwachting
van een uitvoerbare beslissing of een akkoord
tussen partijen. Na betaling van voornoemde
schuldeisers
stort
de
instrumenterende
ministerieel ambtenaar, desgevallend, het saldo
van de verkoopprijs en de toebehoren aan de
gerechtsmandataris of aan de onder voorrecht
van
boedelbeschrijving
aanvaardende
erfgenaam. Deze storting is bevrijdend net zoals
de
storting
gedaan
door
de
koper
overeenkomstig artikel 1641.
Art. 1639/1
Art. 1639/1
Indien één van de verkopingen vermeld in
artikel 1326 een onverdeeld onroerend goed
betreft, moet er per mede-eigenaar een
rangregeling worden opgemaakt als volgt:
1° een volledige rangregeling voor het aandeel
toebehorend
aan
een
beslagene,
een
minderjarige, een vermoedelijk afwezige, een
beschermde persoon die krachtens artikel
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
313
3552/001
DOC 55
492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek
onbekwaam werd verklaard om onroerende
goederen te vervreemden of aan de partijen in
een gerechtelijke vereffening-verdeling;
2° een verkorte rangregeling zoals voorzien in
artikel 1639, tweede lid, voor het aandeel
toebehorend aan een schuldenaar toegelaten
tot de collectieve schuldenregeling, een
gefailleerde, een schuldenaar in gerechtelijke
reorganisatie
door
overdracht
onder
gerechtelijk gezag, een rechtspersoon in
vereffening die het voordeel van de zuivering
heeft bekomen, een onbeheerde nalatenschap
of een nalatenschap aanvaard onder voorrecht
van boedelbeschrijving;
3° een semi verkorte rangregeling voor het
aandeel toebehorend aan de mede-eigenaar
die niet vermeld wordt onder 1° en 2°. Deze
rangregeling beperkt zich tot de betaling van de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
bijzonder
bevoorrechte
schuldeisers
en
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde
schuldeisers,
evenals
tot
betaling van de sociale en fiscale schuldeisers
die tijdig een kennisgeving hebben verstuurd.
De gelden die toekomen aan de schuldeiser die
een vordering ingesteld krachtens artikel 5.243
van het Burgerlijk Wetboek heeft gekantmeld,
worden gestort op een rubriekrekening in
afwachting van een uitvoerbare beslissing of
een akkoord tussen partijen.
De schuldvordering die kan worden verhaald
op meerdere onverdeelde eigenaars, wordt
aangerekend
naar
verhouding
met
het
zakenrechtelijk aandeel dat toekomt aan elk
van hen, zonder afbreuk te doen aan het
ondeelbare karakter van de hypotheek.
Indien het onroerend goed deel uitmaakt van
een mede-eigendom die betrekking heeft op
een juridisch geheel van goederen, worden
eerst de gemeenschappelijke schulden van
deze mede-eigendom in rekening genomen in
de rangregeling. Nadat vervolgens het netto-
aandeel van elk van de deelgenoten werd
bepaald, worden de eigen schulden in rekening
genomen in de rangregeling zoals voorzien in
het eerste lid. Indien de mede-eigendom die
betrekking heeft op het juridisch geheel van
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
314
goederen reeds was ontbonden, kan deze
laatste fase slechts aangevat worden na gehele
afwikkeling van deze mede-eigendom.
Art. 1653, derde lid
Art. 1653, derde lid
Op overlegging van dit getuigschrift worden alle
bestaande inschrijvingen en overschrijvingen die
ten laste van de beslagene op het toegewezen
goed bestaan, ambtshalve doorgehaald.
Op overlegging van dit getuigschrift worden alle
bestaande inschrijvingen en overschrijvingen
ten laste van de eigenaar of van alle mede-
eigenaars op het verkochte goed ambtshalve
doorgehaald voor zover de notaris verklaart
dat de bepalingen van artikel 1326 werden
nageleefd. Dit getuigschrift laat eveneens de
doorhaling toe van een nog bestaande
inschrijving
of
overschrijving
lastens
de
rechtsvoorgangers.
Indien
een
vordering
ingesteld krachtens artikel 5.243 van het
Burgerlijk Wetboek werd gekantmeld, wordt er
een nieuwe kantmelding verricht die melding
maakt van de zuiverende verkoop en dit
getuigschrift.
Art. 1675/7, § 2, lid 3 en 5
Art. 1675/7, § 2, lid 3 en 5
Indien voorafgaand aan deze beschikking van
toelaatbaarheid,
de
beschikking
gewezen
overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en
1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet
bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de
verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend
beslag eveneens voor rekening van de boedel
worden voortgezet. Indien het belang van de
boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank,
op verzoek van de schuldenaar of de
schuldbemiddelaar die handelt in het kader van
een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na
oproeping van de ingeschreven hypothecaire,
bevoorrechte
schuldeisers
en
de
beslagleggende schuldeiser, ten minste acht
dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of
afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar
of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast
met de verkoop van het goed schriftelijk te
informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel.
Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is
niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de
schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig
artikel 1582.
Indien voorafgaand aan deze beschikking van
toelaatbaarheid,
de
beschikking
gewezen
overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en
1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet
bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de
verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend
beslag eveneens voor rekening van de boedel
worden voortgezet. Indien het belang van de
boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank,
op verzoek van de schuldenaar of de
schuldbemiddelaar die handelt in het kader van
een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na
oproeping van de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
beslagleggende schuldeiser en de schuldeisers
die een vordering ingesteld krachtens artikel
5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden, ten minste acht dagen voor de
zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de
verkoop toestaan. De schuldenaar of de
schuldbemiddelaar dient de notaris belast met
de verkoop van het goed schriftelijk te
informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel.
Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is
niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
315
3552/001
DOC 55
schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig
artikel 1582.
Ten aanzien van personen die zich persoonlijk
zekerheid hebben gesteld voor een schuld van
de schuldenaar, worden de middelen van
tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie
van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de
neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1,
bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping
van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van
personen die de in artikel 1675/16bis, § 2,
bedoelde
verklaring
hebben
neergelegd,
worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst
tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de
bevrijding.
Ten aanzien van personen die zich persoonlijk
zeker hebben gesteld voor een schuld van de
schuldenaar,
worden
de
middelen
van
tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie
van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de
neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1,
bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping
van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van
personen die de in artikel 1675/16bis, § 2,
bedoelde
verklaring
hebben
neergelegd,
worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst
tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de
bevrijding.
Art. 1675/9, § 4
Art. 1675/9, § 4
De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die
hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een
leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat
tenministe gelijk is aan het bedrag dat met
toepassing van de artikelen 1409 et 1412 wordt
beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke
instemming van de verzoeker mag dit leefgeld
tijdelijk worden verminderd, maar moet het
altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de
gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in
artikel 14 van de wet van 26 mei 2002
betreffende het recht op maatschappelijke
integratie bedoelde bedragen, vermeerderd
met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°,
bedoelde bedragen.
De schuldbemiddelaar stelt, uit de bedragen die
hij met toepassing van § 1, 4°, ontvangt, een
leefgeld ter beschikking van de verzoeker dat
tenminste gelijk is aan het bedrag dat met
toepassing van de artikelen 1409 et 1412 wordt
beschermd. Met de uitdrukkelijke schriftelijke
instemming van de verzoeker mag dit leefgeld
tijdelijk worden verminderd, maar moet het
altijd hoger zijn, zowel in de minnelijke als in de
gerechtelijke aanzuiveringsregeling, dan de in
artikel 14 van de wet van 26 mei 2002
betreffende het recht op maatschappelijke
integratie bedoelde bedragen, vermeerderd
met de som van de in artikel 1410, § 2, 1°,
bedoelde bedragen.
Art. 1675/10, § 2/1 en § 4
Art. 1675/10, § 2/1 en § 4
§ 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling
wordt de gedetailleerde en geachtualiseerde
staat van de inkomsten en de beschikbare
middelen van het gezin opgenomen. De bijlage
bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de
rechter, bevat een gedetailleerde staat van de
lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in
voorkomend geval, van de lasten en tegoeden
van zijn gezin.
§ 2/1. In de minnelijke aanzuiveringsregeling
wordt de gedetailleerde en geactualiseerde
staat van de inkomsten en de beschikbare
middelen van het gezin opgenomen. De bijlage
bij het plan, dat enkel wordt bezorgd aan de
rechter, bevat een gedetailleerde staat van de
lasten en de tegoeden van de schuldenaar en, in
voorkomend geval, van de lasten en tegoeden
van zijn gezin.
§ 4. De schuldbemiddelaar deelt het ontwerp
van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan
de schuldenaar, in voorkomend geval diens
echtgenoot, en de schuldeisers. In het kader van
die regeling ziet de schuldbemiddelaar toe op de
§ 4. De schuldbemiddelaar deelt het ontwerp
van minnelijke aanzuiveringsregeling mee aan
de schuldenaar, in voorkomend geval diens
echtgenoot of wettelijk samenwonende, en de
schuldeisers. In het kader van die regeling ziet de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
316
prioritaire betaling van de schulden die het recht
van de verzoeker en zijn gezin om een
menswaardig leven te leiden in het gedrang
brengen.
schuldbemiddelaar toe op de prioritaire betaling
van de schulden die het recht van de verzoeker
en zijn gezin om een menswaardig leven te
leiden in het gedrang brengen.
De regeling moet door alle belanghebbende
partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar
moet uiterlijk twee maanden na toezending van
het ontwerp worden meegedeeld aan de
schuldbemiddelaar.
Bij
ontstentenis
van
bezwaar onder die voorwaarden en binnen die
termijn, worden de partijen geacht met de
regeling in te stemmen.
De regeling moet door alle belanghebbende
partijen goedgekeurd worden. Ieder bezwaar
moet uiterlijk twee maanden na toezending van
het ontwerp worden meegedeeld aan de
schuldbemiddelaar.
Bij
ontstentenis
van
bezwaar onder die voorwaarden en binnen die
termijn, worden de partijen geacht met de
regeling in te stemmen.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Artikel 51 is niet van toepassing.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende
partijen neemt de tekst over van het tweede lid
van deze paragraaf.
Het bericht gezonden naar de belanghebbende
partijen neemt de tekst over van het tweede lid
van deze paragraaf.
Art. 1675/12, § 2
Art. 1675/12, § 2
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de
gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de
vijf jaar niet mag overschrijden. Tenzij de
schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van
redenen om de toepassing ervan verzoekt, met
het doel bepaalde elementen van zijn vermogen
te beschermen, en de eerbiediging van de
menselijke waardigheid van de schuldenaar te
verzekeren, is artikel 51 niet van toepassing. De
rechter beslist over deze aanvraag, bij een
bijzonder
gemotiveerde
beslissing,
in
voorkomend geval in het vonnis waarbij hij de
gerechtelijke aanzuiveringsregeling toestaat.
§ 2. Het vonnis geeft de looptijd van de
gerechtelijke aanzuiveringsregeling aan, die de
vijf jaar niet mag overschrijden. Tenzij de
schuldenaar uitdrukkelijk en met opgave van
redenen om de toepassing ervan verzoekt, met
het doel bepaalde elementen van zijn vermogen
te beschermen, en de eerbiediging van de
menselijke waardigheid van de schuldenaar en
zijn gezin te verzekeren, is artikel 51 niet van
toepassing. De rechter beslist over deze
aanvraag, bij een bijzonder gemotiveerde
beslissing, in voorkomend geval in het vonnis
waarbij
hij
de
gerechtelijke
aanzuiveringsregeling toestaat.
De
terugbetalingstermijn
van
de
kredietovereenkomsten kan worden verlengd.
De verlengde terugbetalingstermijn van deze
kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de
aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de
rechter, vermeerderd met de helft van de
resterende
looptijd
van
deze
kredietovereenkomsten niet overschrijden.
De
terugbetalingstermijn
van
de
kredietovereenkomsten kan worden verlengd.
De verlengde terugbetalingstermijn van deze
kredietovereenkomsten mag de duurtijd van de
aanzuiveringsregeling, zoals vastgesteld door de
rechter, vermeerderd met de helft van de
resterende
looptijd
van
deze
kredietovereenkomsten niet overschrijden.
Art. 1675/14bis, § 2
Art. 1675/14bis, § 2
§ 2. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de schuldenaar en
aan
andere
personen,
dan
kan
de
arbeidsrechtbank,
op
verzoek
van
de
§ 2. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de schuldenaar en
aan
andere
personen,
dan
kan
de
arbeidsrechtbank,
op
verzoek
van
de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
317
3552/001
DOC 55
schuldenaar
of
de
schuldbemiddelaar
handelend in het kader van een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling, de verkoop van de
onverdeelde onroerende goederen bevelen. De
ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of
een beslagexploot hebben doen overschrijven,
alsook de andere mede-eigenaars dienen ten
minste acht dagen voor de zitting bij
gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te
worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten
aanzien van de schuldenaar in geval van
gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat
geval geschiedt de verkoop op verzoek van de
schuldbemiddelaar alleen.
schuldenaar
of
de
schuldbemiddelaar
handelend in het kader van een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling, de verkoop van de
onverdeelde onroerende goederen bevelen. De
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de
andere mede-eigenaars dienen ten minste acht
dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar
in
geval
van
gerechtelijke
aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt
de
verkoop
op
verzoek
van
de
schuldbemiddelaar alleen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de
verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van
de schuldenaar of de schuldbemiddelaar
handelend in het kader van een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling en de andere mede-
eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire
of bevoorrechte schuldeisers evenals de
schuldeisers die een bevel of beslagexploot
hebben doen overschrijven, ten minste acht
dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de
machtigingsprocedure
werden
opgeroepen.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar
in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de
verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van
de schuldenaar of de schuldbemiddelaar
handelend in het kader van een gerechtelijke
aanzuiveringsregeling en de andere mede-
eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde
schuldeisers
evenals de schuldeisers die een bevel of
beslagexploot hebben doen overschrijven en zij
die een vordering ingesteld krachtens artikel
5.243 van het Burgerlijk Wetboek hebben laten
kantmelden, ten minste acht dagen voor de
zitting
bij
gerechtsbrief
tot
de
machtigingsprocedure
werden
opgeroepen.
Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar
in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.
Art. 1675/21
Art. 1675/21
§ 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des
barreaux francophones et germanophone,
bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid,
hierna
“de
beheerder”
genoemd,
staan
gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer
van het register.
§ 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des
barreaux francophones et germanophone,
bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid,
hierna
“de
beheerder”
genoemd,
staan
gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer
van het register.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
318
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het
in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd
als de verantwoordelijke voor de verwerking in
de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8
december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de
verwerking van persoonsgegevens.
§ 2. De beheerder wordt met betrekking tot het
in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd
als de verantwoordelijke voor de verwerking in
de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8
december 1992 tot bescherming van de
persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de
verwerking van persoonsgegevens.
§ 3. De beheerder stelt een aangestelde voor de
gegevensbescherming aan.
§ 3. De beheerder stelt een functionaris voor de
gegevensbescherming aan.
Deze is meer bepaald belast met:
Deze is meer bepaald belast met:
1° het verstrekken van deskundige adviezen
inzake de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer
en
de
beveiliging
van
persoonsgegevens en informatie en inzake hun
verwerking;
1° het verstrekken van deskundige adviezen
inzake de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer
en
de
beveiliging
van
persoonsgegevens en informatie en inzake hun
verwerking;
2° het informeren en adviseren van de
beheerder die de persoonsgegevens behandelt
over zijn verplichtingen krachtens deze wet en
het algemeen kader van de bescherming van de
gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
2° het informeren en adviseren van de
beheerder die de persoonsgegevens behandelt
over zijn verplichtingen krachtens deze wet en
het algemeen kader van de bescherming van de
gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken
en het controleren van een beleid inzake de
beveiliging
en
de
bescherming
van
de
persoonlijke levenssfeer;
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken
en het controleren van een beleid inzake de
beveiliging
en
de
bescherming
van
de
persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer;
4° het functioneren als contactpunt voor de
Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer;
5° de uitvoering van de andere opdrachten
inzake de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer en de beveiliging die door de Koning
worden bepaald, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer.
5° de uitvoering van de andere opdrachten
inzake de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer en de beveiliging die door de Koning
worden bepaald, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt
de aangestelde voor de gegevensbescherming
volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks
verslag uit aan de beheerder.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt
de functionaris voor de gegevensbescherming
volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks
verslag uit aan de beheerder.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke
de aangestelde voor de gegevensbescherming
zijn opdrachten uitvoert.
De Koning bepaalt, na advies van de Commissie
voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke
de functionaris voor de gegevensbescherming
zijn opdrachten uitvoert.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
319
3552/001
DOC 55
HOOFDSTUK 4 – Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
HOOFDSTUK 4 – Wijzigingen van het Wetboek
van de Belgische nationaliteit
Art. 9
Art. 9
Belg wordt de dag dat de adoptie uitwerking
heeft, indien het op die dag de leeftijd van
achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd
is:
§ 1. Belg wordt de dag dat de adoptie uitwerking
heeft, indien het op die dag de leeftijd van
achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd
is:
1° het kind geboren in België en geadopteerd
door een Belg;
1° het kind geboren in België en geadopteerd
door een Belg;
2° het kind geboren in het buitenland en
geadopteerd:
2° het kind geboren in het buitenland en
geadopteerd:
a) door een Belg geboren in België of in
gebieden onder Belgische soevereiniteit of
onder Belgisch bestuur;
a) door een Belg geboren in België of in
gebieden onder Belgische soevereiniteit of
onder Belgisch bestuur;
b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf
jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft,
een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt
om toekenning van de Belgische nationaliteit
aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van
achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd
is voor die leeftijd;
b) door een Belg die, binnen een termijn van vijf
jaar na de dag dat de adoptie uitwerking heeft,
een verklaring heeft afgelegd waarin hij verzoekt
om toekenning van de Belgische nationaliteit
aan zijn geadopteerd kind dat de leeftijd van
achttien jaar niet bereikt heeft of niet ontvoogd
is voor die leeftijd;
c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind
geen andere nationaliteit bezit.
c) door een Belg, op voorwaarde dat het kind
geen andere nationaliteit bezit.
De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b,
wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een
akte
van
nationaliteit
opgesteld,
overeenkomstig artikel 22, § 4.
De verklaring bedoeld in het eerste lid, 2°, b,
wordt afgelegd, en op basis ervan wordt een
akte
van
nationaliteit
opgesteld,
overeenkomstig artikel 22, § 4.
Het kind aan wie de Belgische nationaliteit
krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend,
behoudt die nationaliteit zolang niet is
aangetoond voordat het de leeftijd van achttien
jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die
leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
Het kind aan wie de Belgische nationaliteit
krachtens het eerste lid, 2°, c, is toegekend,
behoudt die nationaliteit zolang niet is
aangetoond voordat het de leeftijd van achttien
jaar heeft bereikt of ontvoogd is voor die
leeftijd, dat het een vreemde nationaliteit bezit.
§ 2. In geval van herziening van de adoptie,
zoals bedoeld in artikel 351 van het oud
Burgerlijk Wetboek, of van herroeping van de
adoptie, zoals bedoeld in de artikelen 354-1 tot
354-3 van het oud Burgerlijk Wetboek, behoudt
de geadopteerde de Belgische nationaliteit.
Art. 23
Art. 23
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
320
§ 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt
het na zijn betekening, tenzij deze aan de
persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt
in twee bladen uitgegeven in de provincie en in
het Belgisch Staatsblad.
§ 5. Is het arrest bij verstek gewezen, dan wordt
het na zijn betekening, tenzij deze aan de
persoon is gedaan, bij uittreksel bekendgemaakt
in twee bladen uitgegeven in de provincie en in
het Belgisch Staatsblad.
Het
verzet
moet
op
straffe
van
onontvankelijkheid worden gedaan binnen acht
dagen te rekenen vanaf de betekening aan de
persoon of vanaf de bekendmaking, zonder
verlenging van die termijn wegens de afstand.
Het
verzet
moet
op
straffe
van
onontvankelijkheid worden gedaan binnen de
termijn waarin voor burgerlijke zaken is
voorzien in artikel 1048 van het Gerechtelijk
Wetboek, eventueel verlengd wegens de
gerechtelijke vakantie, overeenkomstig artikel
50, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van
de kamer die het arrest heeft uitgesproken
behandeld op verslag van de aangewezen
raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de
kamer of, bij diens ontstentenis, van de
raadsheer daartoe door de eerste voorzitter
aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien
dagen uitgesproken.
Het verzet wordt op de eerste terechtzitting van
de kamer die het arrest heeft uitgesproken
behandeld op verslag van de aangewezen
raadsheer, indien hij nog deel uitmaakt van de
kamer of, bij diens ontstentenis, van de
raadsheer daartoe door de eerste voorzitter
aangewezen, en het arrest wordt binnen vijftien
dagen uitgesproken.
HOOFDSTUK 5 – Wijziging van de wet van 11
april 1995 tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde
HOOFDSTUK 5 – Wijziging van de wet van 11
april 1995 tot invoering van het “handvest”
van de sociaal verzekerde
Art. 2
Art. 2
Voor de uitvoering en de toepassing van deze
wet en van haar uitvoeringsmaatregelen wordt
verstaan onder:
Voor de uitvoering en de toepassing van deze
wet en van haar uitvoeringsmaatregelen wordt
verstaan onder:
1° “sociale zekerheid”:
1° “sociale zekerheid”:
a) alle regelingen opgesomd in artikel 21 van de
wet van 29 juni 1981 houdende de algemene
beginselen van de sociale zekerheid voor
werknemers, alsmede die van de sociale
zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij en
voor de mijnwerkers;
a) alle regelingen opgesomd in artikel 21 van de
wet van 29 juni 1981 houdende de algemene
beginselen van de sociale zekerheid voor
werknemers, alsmede die van de sociale
zekerheid voor de zeelieden ter koopvaardij en
voor de mijnwerkers;
b) alle regelingen bedoeld onder a) waarvan de
toepassing is uitgebreid tot de personen
tewerkgesteld in de openbare sector, en de
regelingen van de openbare sector die een
gelijkwaardige
functie
vervullen
als
de
regelingen bedoeld onder a);
b) alle regelingen bedoeld onder a) waarvan de
toepassing is uitgebreid tot de personen
tewerkgesteld in de openbare sector, en de
regelingen van de openbare sector die een
gelijkwaardige
functie
vervullen
als
de
regelingen bedoeld onder a);
c) alle regelingen opgesomd in artikel 1 van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
c) alle regelingen opgesomd in artikel 1 van het
koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
321
3552/001
DOC 55
houdende inrichting van het sociaal statuut der
zelfstandigen;
houdende inrichting van het sociaal statuut der
zelfstandigen;
d) alle regelingen opgesomd in artikel 12 van de
wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese
sociale zekerheid of bedoeld door de wet van 16
juni 1960, die de organismen belast met het
beheer van de sociale zekerheid van de
werknemers van Belgisch-Congo en Rwanda-
Urundi onder de controle en de waarborg van de
Belgische Staat plaatst en die waarborg draagt
door de Belgische Staat van de maatschappelijke
prestaties ten gunste van deze werknemers
verzekerd;
d) alle regelingen opgesomd in artikel 12 van de
wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese
sociale zekerheid of bedoeld door de wet van 16
juni 1960, die de organismen belast met het
beheer van de sociale zekerheid van de
werknemers van Belgisch-Congo en Rwanda-
Urundi onder de controle en de waarborg van de
Belgische Staat plaatst en die waarborg draagt
door de Belgische Staat van de maatschappelijke
prestaties ten gunste van deze werknemers
verzekerd;
e) alle regelingen van het stelsel van sociale
bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen
aan
gehandicapten,
het
recht
op
een
bestaansminimum,
(het
maatschappelijk
welzijn,) de gewaarborgde gezinsbijslag en het
gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
e) alle regelingen van het stelsel van sociale
bijstand, bestaande uit de tegemoetkomingen
aan
gehandicapten,
het
recht
op
een
bestaansminimum,
(het
maatschappelijk
welzijn,) de gewaarborgde gezinsbijslag en het
gewaarborgd inkomen voor bejaarden;
f) alle voordelen ter aanvulling van de
voorzieningen in het raam van de in littera a
bedoelde sociale zekerheid, toegekend binnen
de perken van hun statuten door de in 2°, littera
c), bedoelde fondsen voor bestaanszekerheid;
f) alle voordelen ter aanvulling van de
voorzieningen in het raam van de in littera a
bedoelde sociale zekerheid, toegekend binnen
de perken van hun statuten door de in 2°, littera
c), bedoelde fondsen voor bestaanszekerheid;
g) alle regels betreffende de heffing en de
invordering van de bijdragen en andere
inkomsten die tot de financiering van de
voormelde takken en voordelen bijdragen;
g) alle regels betreffende de heffing en de
invordering van de bijdragen en andere
inkomsten die tot de financiering van de
voormelde takken en voordelen bijdragen;
h) alle rechten bedoeld in de wet van 18 juli
2017 betreffende de oprichting van het statuut
van nationale solidariteit, de toekenning van
een herstelpensioen en de terugbetaling van
medische zorg ingevolge daden van terrorisme;
HOOFDSTUK 6 – Wijzigingen van Wetboek van
economisch recht
HOOFDSTUK 6 – Wijzigingen van Wetboek van
economisch recht
Art. XX.44, § 3, tweede lid, 1°
Art. XX.44, § 3, tweede lid, 1°
Alleszins
zal
de
notaris
de
verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen
indien de volgende cumulatieve voorwaarden
vervuld zijn:
Alleszins
zal
de
notaris
de
verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen
indien de volgende cumulatieve voorwaarden
vervuld zijn:
1° de rechtbank spreekt de schorsing van de
gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op
uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn
1° de rechtbank spreekt de schorsing van de
gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op
uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
322
verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie,
vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot
opening van de procedure van gerechtelijke
reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te
hebben gehoord in zijn verslag, evenals de
ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte
schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en
de schuldenaar; het verzoek tot schorsing van de
verkoop heeft geen schorsend effect; de
werkelijke kosten waaraan de notaris werd
blootgesteld in het kader van de gedwongen
verkoop, tussen zijn aanstelling en het
neerleggen
van
het
verzoekschrift
tot
gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de
schuldenaar;
verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie,
vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot
opening van de procedure van gerechtelijke
reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te
hebben gehoord in zijn verslag, evenals de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser en de schuldeisers die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden en de schuldenaar; het verzoek tot
schorsing van de verkoop heeft geen schorsend
effect; de werkelijke kosten waaraan de notaris
werd blootgesteld in het kader van de
gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en
het neerleggen van het verzoekschrift tot
gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de
schuldenaar;
Art. XX.51, § 3, tweede lid, 1°
Art. XX.51, § 3, tweede lid, 1°
Alleszins
zal
de
notaris
de
verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen
indien de volgende cumulatieve voorwaarden
vervuld zijn:
Alleszins
zal
de
notaris
de
verkoopswerkzaamheden dienen te schorsen
indien de volgende cumulatieve voorwaarden
vervuld zijn:
1° de rechtbank spreekt de schorsing van de
gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op
uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn
verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie,
vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot
opening van de procedure van gerechtelijke
reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te
hebben gehoord in zijn verslag, evenals de
ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte
schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser en
de schuldenaar. Het verzoek tot schorsing van
de verkoop heeft geen schorsend effect. De
werkelijke kosten waaraan de notaris werd
blootgesteld in het kader van de gedwongen
verkoop, tussen zijn aanstelling en het
neerleggen
van
het
verzoekschrift
tot
gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de
schuldenaar;
1° de rechtbank spreekt de schorsing van de
gedwongen verkoopswerkzaamheden uit, op
uitdrukkelijk verzoek van de schuldenaar in zijn
verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie,
vooraf of gelijktijdig met de beslissing tot
opening van de procedure van gerechtelijke
reorganisatie, na de gedelegeerd rechter te
hebben gehoord in zijn verslag, evenals de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser en de schuldeisers die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden en de schuldenaar. Het verzoek tot
schorsing van de verkoop heeft geen schorsend
effect. De werkelijke kosten waaraan de notaris
werd blootgesteld in het kader van de
gedwongen verkoop, tussen zijn aanstelling en
het neerleggen van het verzoekschrift tot
gerechtelijke reorganisatie, zijn ten laste van de
schuldenaar;
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
323
3552/001
DOC 55
Art. XX.88, § 2 en 3
Art. XX.88, § 2 en 3
§ 2. Wanneer de verkoop betrekking heeft op
onroerende
goederen
en
de
gerechtsmandataris voor een verkoop uit de
hand kiest, legt hij de rechtbank een ontwerp
van verkoopakte voor, opgesteld door een door
hem aangestelde notaris, onder opgave van de
redenen waarom de verkoop uit de hand
geboden
is.
Hij
voegt
hierbij
een
schattingsverslag evenals een getuigschrift van
de
Algemene
Administratie
van
de
patrimoniumdocumentatie dat dateert van na
de opening van de reorganisatieprocedure en
dat
melding
maakt
van
de
bestaande
inschrijvingen en van elke overschrijving van
bevelen
of
beslagen
op
de
genoemde
onroerende goederen. Het ontwerp en zijn
bijlagen worden in het register neergelegd.
§ 2. Wanneer de verkoop betrekking heeft op
onroerende
goederen
en
de
gerechtsmandataris voor een verkoop uit de
hand kiest, legt hij de rechtbank een ontwerp
van verkoopakte voor, opgesteld door een door
hem aangestelde notaris, onder opgave van de
redenen waarom de verkoop uit de hand
geboden
is.
Hij
voegt
hierbij
een
schattingsverslag,
opgemaakt
door
de
deskundige aangewezen door de notaris die de
ontwerpakte heeft opgesteld, evenals een
getuigschrift van de Algemene Administratie van
de patrimoniumdocumentatie dat dateert van
na de opening van de reorganisatieprocedure en
dat
melding
maakt
van
de
bestaande
inschrijvingen en van elke overschrijving van
bevelen
of
beslagen
op
de
genoemde
onroerende goederen. Het ontwerp en zijn
bijlagen worden in het register neergelegd.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, evenals zij die een bevel of een
beslagexploot hebben doen overschrijven,
moeten ten minste acht dagen voor de zitting bij
gerechtsbrief worden opgeroepen. Zij kunnen
van de rechtbank vorderen dat de machtiging
om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt
gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een
minimumverkoopprijs.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, moeten
ten minste acht dagen voor de zitting bij
gerechtsbrief worden opgeroepen. Zij kunnen
van de rechtbank vorderen dat de machtiging
om uit de hand te verkopen afhankelijk wordt
gesteld van bepaalde voorwaarden zoals een
minimumverkoopprijs.
In alle gevallen, vindt de verkoop plaats
overeenkomstig het ontwerp goedgekeurd door
de rechtbank en door het ambt van de notaris
die het ontwerp heeft opgesteld.
In alle gevallen, vindt de verkoop plaats
overeenkomstig het ontwerp goedgekeurd door
de rechtbank en door het ambt van de notaris
die het ontwerp heeft opgesteld.
§ 3. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de schuldenaar en
aan andere personen, kan de rechtbank op
verzoek van de gerechtsmandataris, de verkoop
van de onverdeelde onroerende goederen
bevelen. De ingeschreven hypothecaire of
bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven, alsook de schuldenaar en de
§ 3. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de schuldenaar en
aan andere personen, kan de rechtbank op
verzoek van de gerechtsmandataris, de verkoop
van de onverdeelde onroerende goederen
bevelen.
De
ingeschreven
hypothecaire
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
324
andere mede-eigenaars dienen ten minste acht
dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen.
De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek
van de gerechtsmandataris alleen.
schuldeisers die een bevel of een beslagexploot
hebben doen overschrijven en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden, alsook de schuldenaar en de
andere mede-eigenaars dienen ten minste acht
dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen.
De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek
van de gerechtsmandataris alleen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de rechtbank de verkoop
machtigen, op gezamenlijk verzoek van de
gerechtsmandataris en de andere mede-
eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire
of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers
die een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven, evenals de schuldenaar ten
minste acht dagen voor de zitting bij
gerechtsbrief werden opgeroepen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de rechtbank de verkoop
machtigen, op gezamenlijk verzoek van de
gerechtsmandataris en de andere mede-
eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire
schuldeisers, de ingeschreven bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister geregistreerde schuldeisers, de
schuldeisers die een bevel of een beslagexploot
hebben doen overschrijven en zij die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden, evenals de schuldenaar ten minste
acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief
werden opgeroepen.
Art. XX.120, § 1, vierde lid
Art. XX.120, § 1, vierde lid
Wanneer het belang van de boedel het vereist,
kan de rechter-commissaris op verzoek van de
curator,
en
na
de
oproeping
van
de
ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en
bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser bij gerechtsbrief ten minste acht
dagen voor de zitting, uitstel of afstel van de
verkoop toestaan. De curator dient de notaris
belast met de verkoop van het goed schriftelijk
te informeren van zijn verzoek tot uitstel of
afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de
verkoop is niet langer ontvankelijk na de
aanmaning
gedaan
aan
de
beslagene
overeenkomstig
artikel
1582
van
het
Gerechtelijk Wetboek.
Wanneer het belang van de boedel het vereist,
kan de rechter-commissaris op verzoek van de
curator,
en
na
de
oproeping
van
de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de beslagleggende
schuldeiser en de schuldeisers die een
vordering ingesteld krachtens artikel 5.243 van
het
Burgerlijk
Wetboek
hebben
laten
kantmelden bij gerechtsbrief ten minste acht
dagen voor de zitting, uitstel of afstel van de
verkoop toestaan. De curator dient de notaris
belast met de verkoop van het goed schriftelijk
te informeren van zijn verzoek tot uitstel of
afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de
verkoop is niet langer ontvankelijk na de
aanmaning
gedaan
aan
de
beslagene
overeenkomstig
artikel
1582
van
het
Gerechtelijk Wetboek.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
325
3552/001
DOC 55
Art. XX.193, § 2
Art. XX.193, § 2
§ 2. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de gefailleerde en
aan
andere
personen,
kan
de
rechter-
commissaris, op verzoek van de curatoren, de
verkoop van de onverdeelde goederen bevelen.
De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of
een beslagexploot hebben doen overschrijven,
alsook de gefailleerde en de andere mede-
eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de
zitting
bij
gerechtsbrief
tot
de
machtigingsprocedure te worden opgeroepen.
De verkoop vindt in dat geval plaats op verzoek
van de curator alleen.
§ 2. Wanneer onroerende goederen in mede-
eigendom toebehoren aan de gefailleerde en
aan
andere
personen,
kan
de
rechter-
commissaris, op verzoek van de curatoren, de
verkoop van de onverdeelde goederen bevelen.
De ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of een beslagexploot hebben doen
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, alsook de
gefailleerde en de andere mede-eigenaars
dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij
gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure te
worden opgeroepen. De verkoop vindt in dat
geval plaats op verzoek van de curator alleen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de rechter-commissaris de
verkoop bevelen, op gezamenlijk verzoek van de
curator en de andere mede-eigenaars, nadat de
ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte
schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of
beslagexploot hebben doen overschrijven,
evenals de gefailleerde ten minste acht dagen
voor de zitting bij gerechtsbrief bij de
machtigingsprocedure werden opgeroepen.
In geval van akkoord van alle mede-eigenaars
aangaande de verkoop van het onverdeeld
onroerend goed, kan de rechter-commissaris de
verkoop bevelen, op gezamenlijk verzoek van de
curator en de andere mede-eigenaars, nadat de
ingeschreven hypothecaire schuldeisers, de
ingeschreven
bevoorrechte
schuldeisers,
desgevallend
de
in
het
Pandregister
geregistreerde schuldeisers, de schuldeisers die
een bevel of beslagexploot hebben doen
overschrijven en zij die een vordering ingesteld
krachtens artikel 5.243 van het Burgerlijk
Wetboek hebben laten kantmelden, evenals de
gefailleerde ten minste acht dagen voor de
zitting
bij
gerechtsbrief
bij
de
machtigingsprocedure werden opgeroepen.
HOOFDSTUK 7 – Wijziging van de wet van 19
maart 2017 tot oprichting van een
Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand
HOOFDSTUK 7 – Wijziging van de wet van 19
maart 2017 tot oprichting van een
Begrotingsfonds voor de juridische
tweedelijnsbijstand
Art. 5, § 2
Art. 5, § 2
§ 2. De bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is
gekoppeld
aan
het
indexcijfer
van
de
consumptieprijzen van de maand die voorafgaat
aan de inwerkingtreding van deze bepaling.
Telkens als het indexcijfer met tien punten stijgt
§ 2. De bijdrage bedoeld in paragraaf 1 is
gekoppeld
aan
het
indexcijfer
van
de
consumptieprijzen van de maand die voorafgaat
aan de inwerkingtreding van deze bepaling.
Telkens als het indexcijfer met tien punten stijgt
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
326
of daalt, wordt de bijdrage met tien procent
vermeerderd of verminderd.
of daalt, wordt de bijdrage met tien procent
vermeerderd of verminderd.
Het nieuwe bedrag van de in paragraaf 1
bedoelde bijdrage treedt in werking op de
eerste werkdag van de tweede maand na de in
het eerste lid bedoelde wijziging van het
indexcijfer van de consumptieprijzen. Dit
nieuwe bedrag wordt bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad voorafgaand aan de
inwerkingtreding ervan.
HOOFDSTUK 8 - Wijziging van het Burgerlijk
Wetboek
HOOFDSTUK 8 - Wijziging van het Burgerlijk
Wetboek
Art. 1.8
Art. 1.8
§ 5. De vertegenwoordigde is eveneens
gebonden door de rechtshandeling verricht
door
een
onbevoegde
vertegenwoordiger
indien
de
schijn
van
een
toereikende
bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde
deze schijn in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen.
De
schijn
is
toerekenbaar
aan
de
vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door
zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet
onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe bijgedragen
de schijn te wekken of in stand te houden.
§ 5. De vertegenwoordigde is eveneens
gebonden door de rechtshandeling verricht
door
een
onbevoegde
vertegenwoordiger
indien
de
schijn
van
een
toereikende
bevoegdheid hem is toe te rekenen en de derde
deze schijn in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijze voor werkelijk mocht aannemen.
De
schijn
is
toerekenbaar
aan
de
vertegenwoordigde indien hij uit vrije wil door
zijn verklaringen of zijn gedraging, die niet
onrechtmatig hoeven te zijn, ertoe heeft
bijgedragen de schijn te wekken of in stand te
houden.
HOOFDSTUK 9 – Wijzigingen van de wet van 5
mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake
informatisering van Justitie, modernisering
van het statuut van rechters in
ondernemingszaken en inzake de notariële
aktebank
HOOFDSTUK 9 – Wijzigingen van de wet van 5
mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake
informatisering van Justitie, modernisering
van het statuut van rechters in
ondernemingszaken en inzake de notariële
aktebank
Art. 36
Art. 36
In artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk
gewijzigd door de wet van 6 mei 2010, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
In artikel 1675/6 van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en laatstelijk
gewijzigd door de wet van 6 mei 2010, worden
de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
“§ 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan
te dien einde de verzoeker in raadkamer
oproepen.
“§ 1. De rechter onderzoekt de vordering. Hij kan
te dien einde de verzoeker in raadkamer
oproepen.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
327
3552/001
DOC 55
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het
verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na
neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift
overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de
rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van
de vordering.”;
Binnen de acht dagen na de neerlegging van het
verzoekschrift, na de zitting in raadkamer, of na
neerlegging van het vervolledigde verzoekschrift
overeenkomstig artikel 1675/4, § 3, doet de
rechter uitspraak over de toelaatbaarheid van
de vordering.”;
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
2° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt:
“De
griffie
voert
de
beschikking
van
toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel
1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan
de griffies de rechtbanken waarbij de in artikel
1675/5 bedoelde procedures aanhangig zijn
gemaakt.”
“De
griffie
voert
de
beschikking
van
toelaatbaarheid in het register bedoeld in artikel
1675/20 in, en deelt deze beschikking mee aan
de griffies van de rechtbanken en van de hoven
waarbij
de
in
artikel
1675/5
bedoelde
procedures aanhangig zijn gemaakt.”
Art. 37
Art. 37
In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd
bij de wet van 15 april 2018, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998 en gewijzigd
bij de wet van 15 april 2018, worden de
volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd,
luidende:
1° er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd,
luidende:
“§ 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid
brengt van rechtswege de schrapping van de
vorderingen ingediend op basis van de
procedure bedoeld in artikel 1675/5.”;
“§ 2bis. De beschikking van toelaatbaarheid
brengt van rechtswege de schrapping mee van
de vorderingen ingediend op basis van de
procedure bedoeld in artikel 1675/5.”;
2°
In
paragraaf
6
wordt
het
woord
“1390quinquies” vervangen door het woord
“1390quater”.
2°
In
paragraaf
6
wordt
het
woord
“1390quinquies” vervangen door het woord
“1390quater”.
Art. 39
Art. 39
Er wordt een artikel 1675/8bis ingevoerd,
luidende:
Er wordt een artikel 1675/8bis ingevoerd,
luidende:
“Art.
1675/8bis.
In
geval
van
niet-
toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie
dagen kennis van de beschikking aan de
verzoeker en aan zijn echtgenoot of wettelijk
samenwonende, onder toevoeging van de tekst
van artikel 1675/16ter en, in voorkomend geval,
aan zijn raadsman.”
“Art.
1675/8bis.
In
geval
van
niet-
toelaatbaarheid, geeft de griffier binnen de drie
dagen na de uitspraak kennis van de beschikking
aan de verzoeker en aan zijn echtgenoot of
wettelijk samenwonende, onder toevoeging van
de tekst van artikel 1675/16ter en, in
voorkomend geval, aan zijn raadsman.”
Art. 45
Art. 45
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
328
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel
1675/15bis ingevoegd, luidende:
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel
1675/15bis ingevoegd, luidende:
“Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen,
mededelingen en neerleggingen vermeld in deze
titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli
1998
betreffende
de
collectieve
schuldenregeling en de mogelijkheid van
verkoop uit de hand van de in beslag genomen
onroerende goederen, tussen de volgende
categorieën van personen gebeuren middels het
register bedoeld in artikel 1675/20:
“Art. 1675/15bis. § 1. De kennisgevingen,
mededelingen en neerleggingen vermeld in deze
titel en in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli
1998
betreffende
de
collectieve
schuldenregeling en de mogelijkheid van
verkoop uit de hand van de in beslag genomen
onroerende goederen, tussen de volgende
categorieën van personen gebeuren middels het
register bedoeld in artikel 1675/20:
1° de rechtbank, met inbegrip van de griffie;
1° rechtbank of het hof, met inbegrip van hun
griffies;
2° de schuldbemiddelaar;
2° de schuldbemiddelaar;
3° de advocaten;
3° de advocaten;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand
verlenen;
4° derden die beroepsmatig rechtsbijstand
verlenen;
5° de FOD Economie;
5° de FOD Economie;
6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn; 6° de rechtspersonen die in België gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het
register,
de
rechtspersonen
die
in
het
buitenland gevestigd zijn;
7° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het
register,
de
rechtspersonen
die
in
het
buitenland gevestigd zijn;
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het
register, de natuurlijke personen, met dien
verstande dat zij het recht hebben zich eender
wanneer uit het register uit te schrijven.
8° voor zover ze zich hebben ingeschreven in het
register, de natuurlijke personen, met dien
verstande dat zij het recht hebben zich eender
wanneer uit het register uit te schrijven.
Ten aanzien van de personen bedoeld in het
eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn
ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere
procedure, maar nog niet voor de betrokken
procedure
zijn
ingeschreven,
doet
de
schuldbemiddelaar de eerste mededeling door
middel van het register, met de vraag om de
inschrijving
binnen
drie
werkdagen
te
bevestigen. De bevestiging die binnen die
termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in
het register voor de betrokken procedure. Bij
gebreke van bevestiging binnen de termijn,
wordt
de
elektronische
mededeling
of
kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat
Ten aanzien van de personen bedoeld in het
eerste lid, 6°, 7° en 8° die in het register zijn
ingeschreven ter gelegenheid van een eerdere
procedure, maar nog niet voor de betrokken
procedure
zijn
ingeschreven,
doet
de
schuldbemiddelaar de eerste mededeling door
middel van het register, met de vraag om de
inschrijving
binnen
drie
werkdagen
te
bevestigen. De bevestiging die binnen die
termijn wordt gegeven, geldt als inschrijving in
het register voor de betrokken procedure. Bij
gebreke van bevestiging binnen de termijn,
wordt
de
elektronische
mededeling
of
kennisgeving als ongedaan beschouwd en gaat
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
329
3552/001
DOC 55
de schuldbemiddelaar over tot de mededeling
overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.
de schuldbemiddelaar over tot de mededeling
overeenkomstig artikel 1675/16, § 4.
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging
die niet wordt gedaan zoals bepaald in het
eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te
hebben plaatsgevonden
Elke mededeling, kennisgeving of neerlegging
die niet wordt gedaan zoals bepaald in het
eerste en tweede lid, wordt beschouwd niet te
hebben plaatsgevonden.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven
in elke mededeling of kennisgeving uitgaande
van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
De tekst van deze paragraaf wordt weergegeven
in elke mededeling of kennisgeving uitgaande
van de rechtbank of de schuldbemiddelaar.
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de
griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de
stukken die aan hen worden meegedeeld of bij
hen worden neergelegd op andere wijzen dan
via het register, worden, wanneer die wijzen zijn
toegelaten krachtens dit wetboek, door hen
omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig
verklaard en opgeladen in het register bedoeld
in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van
mededeling en neerlegging zijn toegelaten
krachtens het huidige artikel.”
§ 2. De papieren stukken uitgaande van de
griffier en de schuldbemiddelaar, alsook de
stukken die aan hen worden meegedeeld of bij
hen worden neergelegd op andere wijzen dan
via het register, worden, wanneer die wijzen zijn
toegelaten krachtens dit wetboek, door hen
omgezet naar elektronische vorm, gelijkvormig
verklaard en opgeladen in het register bedoeld
in artikel 1675/20 wanneer die wijzen van
mededeling en neerlegging zijn toegelaten
krachtens het huidige artikel.”
HOOFDSTUK 10 – Wijziging van de wet van 16
oktober 2022 tot oprichting van het Centraal
register voor de beslissingen van de
rechterlijke orde en betreffende de
bekendmaking van de vonnissen en tot
wijziging van de assisenprocedure betreffende
de wraking van de gezworenen
HOOFDSTUK 10 – Wijziging van de wet van 16
oktober 2022 tot oprichting van het Centraal
register voor de beslissingen van de
rechterlijke orde en betreffende de
bekendmaking van de vonnissen en tot
wijziging van de assisenprocedure betreffende
de wraking van de gezworenen
Art. 19
Art. 19
De bewaringsverplichting bedoeld in artikel 782,
§ 3, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij
artikel 8, heeft enkel betrekking op de vonnissen
gewezen vanaf de datum waarop artikel 8 in
werking treedt.
De bewaringsverplichting bedoeld in artikel 782,
§ 3, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij
artikel 8, heeft enkel betrekking op de vonnissen
gewezen vanaf de datum waarop artikel 8 in
werking treedt.
De
bewaringsverplichting
van
de
gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in
artikel 782bis of 1109 van het Gerechtelijk
Wetboek, of in artikel 163, 176, 190, 209, 337 of
346 van het Wetboek van strafvordering, zoals
gewijzigd bij deze wet, of uit een rechterlijke
beslissing, heeft enkel betrekking op de
vonnissen gewezen vanaf de datum waarop
hoofdstuk 2 en de artikelen 9, 10, 13 en 18,
tweede lid, van deze wet in werking treden.
De
bewaringsverplichting
van
de
gepseudonimiseerde vonnissen bedoeld in
artikel 782bis of 1109 van het Gerechtelijk
Wetboek, of in artikel 163, 176, 190, 209, 337 of
346 van het Wetboek van strafvordering, zoals
gewijzigd bij deze wet, of uit een rechterlijke
beslissing, heeft enkel betrekking op de
vonnissen gewezen vanaf de datum waarop titel
II, hoofdstuk 1 en de artikelen 9, 10, 13 en 19,
tweede lid, van deze wet in werking treden.
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
330
De Koning kan, na advies van de beheerder van
het
Centraal
register
en
de
Gegevensbeschermingsautoriteit, het eerste of
tweede lid opheffen voor één of meerdere
gerechten, of voor één of meerdere contentieux
van één of meerdere gerechten, afgebakend
volgens materie of periode voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet.
De Koning kan, na advies van de beheerder van
het
Centraal
register
en
de
Gegevensbeschermingsautoriteit, het eerste of
tweede lid opheffen voor één of meerdere
gerechten, of voor één of meerdere contentieux
van één of meerdere gerechten, afgebakend
volgens materie of periode voorafgaand aan de
inwerkingtreding van deze wet.
HOOFDSTUK 11 – Wijziging van de wet van 22
november 2022 tot wijziging van de wet van
16 maart 1803 op het notarisambt, tot
invoering van een tuchtraad voor de
notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het
Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen
HOOFDSTUK 11 – Wijziging van de wet van 22
november 2022 tot wijziging van de wet van
16 maart 1803 op het notarisambt, tot
invoering van een tuchtraad voor de
notarissen en de gerechtsdeurwaarders in het
Gerechtelijk Wetboek en diverse bepalingen
Art. 83
Art. 83
Artikel 535 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 7 januari 2014, wordt vervangen
als volgt:
Artikel 535 van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 7 januari 2014, wordt vervangen
als volgt:
“Art. 535. Het auditoraat bij de Nationale Kamer
van Gerechtsdeurwaarders is gelast met het
onderzoek van klachten die op schriftelijke en
gemotiveerde wijze door een derde of een lid
van de beroepsgroep worden ingediend, en van
schriftelijke aangiften. Een schriftelijke aangifte
kan gebeuren door de procureur des Konings, de
verslaggever van een arrondissementskamer
ingevolge een beslissing van de raad, of de
nationaal verslaggever ingevolge een beslissing
van het directiecomité.
“Art. 535. Het auditoraat bij de Nationale Kamer
van Gerechtsdeurwaarders is gelast met het
onderzoek van klachten die op schriftelijke en
gemotiveerde wijze door een derde of een lid
van de beroepsgroep worden ingediend, en van
schriftelijke aangiften. Een schriftelijke aangifte
kan gebeuren door de procureur des Konings, de
verslaggever van een arrondissementskamer
ingevolge een beslissing van de raad, of de
nationaal verslaggever ingevolge een beslissing
van het directiecomité.
Het auditoraat heeft tevens de bevoegdheid een
klacht te seponeren en een minnelijke schikking
voor te stellen die het onderzoek beëindigt.
Het auditoraat heeft tevens de bevoegdheid een
klacht te seponeren en een minnelijke schikking
voor te stellen die het onderzoek beëindigt.
Het auditoraat is bevoegd de tuchtprocedure in
te stellen bij de tuchtraad zoals bedoeld in
artikel 555/5ter, § 1 met het oog op een
veroordeling tot een tuchtstraf.
Het auditoraat is bevoegd de tuchtprocedure in
te stellen bij de tuchtraad zoals bedoeld in
artikel 555/5ter, § 1 met het oog op een
veroordeling tot een tuchtstraf.
De algemene vergadering van de Nationale
Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt het
huishoudelijk reglement van het auditoraat bij
de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders
vast. Dit reglement bevat nadere regels met
betrekking tot de vervanging van de auditeurs,
de werking en organisatie van het auditoraat en
de wijze waarop een auditeur voor elk dossier
wordt aangesteld. Om bindend te zijn, moet dit
De algemene vergadering van de Nationale
Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt het
huishoudelijk reglement van het auditoraat bij
de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders
vast. Dit reglement bevat nadere regels met
betrekking tot de vervanging van de auditeurs,
de werking en organisatie van het auditoraat en
de wijze waarop een auditeur voor elk dossier
wordt aangesteld. Om bindend te zijn, moet dit
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
331
3552/001
DOC 55
huishoudelijk
reglement
door
de Koning
goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend
geval aanpassingen aanbrengen.
huishoudelijk
reglement
door
de Koning
goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend
geval aanpassingen aanbrengen.
De algemene vergadering van de Nationale
Kamer van gerechtsdeurwaarders duidt het
digitaal kanaal aan voor kennisgevingen in de
tuchtprocedure.
De algemene vergadering van de Nationale
Kamer van gerechtsdeurwaarders duidt het
digitaal kanaal aan voor kennisgevingen in de
tuchtprocedure.
Dit digitaal kanaal is toegankelijk voor de
personen bedoeld in artikel 555/3, eerste en
tweede lid, de kamer van notarissen, het
auditoraat
bij
de
Nationale
Kamer
van
notarissen, de procureur des Konings, de
tuchtraad zoals bepaald in artikel 456 van het
Gerechtelijk wetboek, het hof van beroep en het
Hof van Cassatie. De bewaartermijn van de
geregistreerde gegevens bedraagt tien jaar in
hoofde van de beheerder van het digitaal
kanaal. De bewaartermijn wordt zo nodig
verlengd tot alle rechtsmiddelen van elke
hangende tuchtprocedure waarop de gegevens
betrekking hebben, uitgeput zijn.
Dit digitaal kanaal is toegankelijk voor de
personen bedoeld in artikel 555/3, eerste en
tweede lid, het auditoraat bij de Nationale
Kamer
van
Gerechtsdeurwaarders,
de
procureur des Konings, de tuchtraad zoals
bepaald in artikel 456 van het Gerechtelijk
wetboek, het hof van beroep en het Hof van
Cassatie.
De
bewaartermijn
van
de
geregistreerde gegevens bedraagt tien jaar in
hoofde van de beheerder van het digitaal
kanaal. De bewaartermijn wordt zo nodig
verlengd tot alle rechtsmiddelen van elke
hangende tuchtprocedure waarop de gegevens
betrekking hebben, uitgeput zijn.
Het
digitaal
kanaal
moet
minstens
beantwoorden aan de voorwaarden van het
koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de
elektronische communicatie overeenkomstig
artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wat
betreft de modaliteiten, de wijze en de
voorwaarden van inrichting, het beheer, de
organisatie en de raadpleging.”
Het
digitaal
kanaal
moet
minstens
beantwoorden aan de voorwaarden van het
koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de
elektronische communicatie overeenkomstig
artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wat
betreft de modaliteiten, de wijze en de
voorwaarden van inrichting, het beheer, de
organisatie en de raadpleging.”
Art. 103
Art. 103
“Art. 555/5bis. § 1. Er bestaat voor heel België
een tuchtraad met een Nederlandstalige en een
Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien
van de aan het tuchtrecht van de onderworpen
notarissen en gerechtsdeurwaarders. De zetel is
gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
“Art. 555/5bis. § 1. Er bestaat voor heel België
een tuchtraad met een Nederlandstalige en een
Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien
van de personen die aan het tuchtrecht van de
notarissen
en
gerechtsdeurwaarders
onderworpen zijn. De zetel is gevestigd in het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
HOOFDSTUK 12 – Wijziging van de wet van 14
maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van
Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2020
betreffende de samenwerking tussen de
gerechten van de lidstaten op het gebied van
bewijsverkrijging in burgerlijke en
handelszaken, en van Verordening (EU)
2020/1784 van het Europees Parlement en de
HOOFDSTUK 12 – Wijziging van de wet van 14
maart 2023 tot uitvoering en aanvulling van
Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees
Parlement en de Raad van 25 november 2020
betreffende de samenwerking tussen de
gerechten van de lidstaten op het gebied van
bewijsverkrijging in burgerlijke en
handelszaken, en van Verordening (EU)
2020/1784 van het Europees Parlement en de
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E
3552/001
DOC 55
332
Raad van 25 november 2020 inzake de
betekening en de kennisgeving in de lidstaten
van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken
Raad van 25 november 2020 inzake de
betekening en de kennisgeving in de lidstaten
van gerechtelijke en buitengerechtelijke
stukken in burgerlijke of in handelszaken
Art. 7
Art. 7
De Franse tekst van dit artikel wordt in overeenstemming gebracht met de Nederlandse tekst; deze
laatste wordt zelf niet gewijzigd.
Imprimerie centrale – Centrale drukkerij
C H A M B R E 5 e S E S S I O N D E L A 55 e L É G I S L AT U R E
2022
2023
K A M E R • 5 e Z I T T I N G VA N D E 55 e Z I T T I N G S P E R I O D E